Page 1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

K UN ST

Y VES OBYN - L AUREA AT PETER VERMANDERE - L AUREA AT 15.09.2017 - 05.11 .2017

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////


VOORWOORD De Vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten is in 2017 toe aan zijn vijfde editie. Met deze prijs zijn we in 2001 een nieuwe, vierjarige cyclus gestart waarbij telkens een Prijs voor Beeldende Kunst, voor Architectuur en voor Vormgeving wordt uitgereikt. Deze ‘lustrumeditie’ is helaas de laatste in een lange traditie van prijzen die de dienst Cultuur van de Provincie West-Vlaanderen organiseert. Zo werden gedurende vele tientallen jaren Prijzen voor Architectuur, Letterkunde, Erfgoed, Muziek… uitgeschreven. Voor vele honderden kunstenaars, zowel jonge en beloftevolle talenten als meer gerenommeerde, betekende dit het begin van een mooie carrière of een extra duwtje in de rug. Op 1 januari 2018 verliest de Provincie haar bevoegdheid Cultuur. Door de overheveling naar het Vlaamse niveau komt een einde aan deze mooie en gewaardeerde traditie. Laat ons hopen dat men het nut en het belang van deze prijzen kan inschatten en dat dit verlies met een waardig alternatief kan ondervangen worden. Ik ben er van overtuigd dat elk van onze laureaten kan getuigen van de belangrijke rol die het winnen van zo’n prijs speelde voor hun artistieke praktijk. Zoals steeds koppelen we aan de organisatie van een Prijs voor Kunstambachten een tentoonstelling. Normaal gezien is die samengesteld uit de bekroonde inzendingen van de laureaten omdat wij ervan overtuigd zijn dat het aanbieden van een tentoonstelling de aangewezen manier is om kunstenaars te ondersteunen en te promoten. Het leek de jury het goede moment om ook de laureaten van de voorbije edities te betrekken bij de tentoonstelling, een voorstel waar wij graag op ingingen. Vandaar dat u recente realisaties zal kunnen ontdekken van Cynthia Jacobs, Tine Deweerdt, Hanna Vanneste, Tine Vindevogel, Ilse Acke en Lut Laleman. Voor deze editie zijn we te gast in de Directeurswoning in Roeselare en in de Oude Kerk in Vichte als tentoonstellingslocaties. Zowel de eerste locatie, een statige herenwoning in hartje Roeselare als de tweede, een stemmig kerkje in het zuiden van onze provincie, lenen zich allebei bijzonder goed voor het tentoonstellen van kunstambachten. Ook nu weer geven we een fraaie catalogus uit. David Huycke, zilversmid en jurylid, schreef een inleiding waarin hij de kunstambachten als hedendaagse discipline en actueler dan ooit, situeert. Leen Creve, journaliste en eveneens lid van de jury, interviewde de bekroonden, nieuwe én oude, en wist hen zo interessante uitspraken over hun werk te ontlokken. Ik wens u een aangenaam en verrijkend bezoek aan de tentoonstelling en ik hoop samen met u op een nieuwe toekomst voor onze ‘provinciale prijzen’. Myriam Vanlerberghe Gedeputeerde voor Cultuur


© Kaat Pype


Y VES OBYN SURREALISME VOOR DE INSTAGRAMGENERATIE Niet dat de jonge Yves Obyn mensen per se uit hun evenwicht wil brengen, maar ze één seconde op het verkeerde been zetten, vindt hij wel interessant. Zijn medium? MDF-platen, hout en multiplex. “Wij zijn geen meubelfirma. We maken wel meubels, af en toe. Alles is te koop, behalve wat al verkocht is.” Dat Yves Obyn zichzelf graag relativeert, is duidelijk. Ook in zijn werk houdt de jonge Bruggeling van humor, een kleine sneer en zelfs van maatschappelijke commentaar. Al vindt hij dat eerder bijkomstig. Het woord ‘surrealist’ neemt hij niet in de mond als hij het over zichzelf heeft, maar eigenlijk is hij het wel. Wilde je altijd al een eigen atelier? Met zagen en klemmen en sergeanten zoals hier? “Neen, helemaal niet. Ik heb nooit gestudeerd voor meubelmaker, ik ben opgeleid als grafisch vormgever. Maar al tijdens mijn studies vond ik drie dimensies interessanter dan twee. Ook toen al was ik vooral bezig met installaties en performances. Mijn grote droom was films te maken, nu vertel ik verhalen met mijn meubels en ensceneringen. Mijn atelier is als een filmstudio waar ik een eigen wereld kan creëren. Op die manier maakt ook de gebruiker deel uit van het verhaal. Deze prijs bevestigt dat ik hier toch iets nuttigs doe. Heel mijn oeuvre is opgebouwd uit experimentjes. Trial and error. Nu pas ben ik zover dat ik vind dat ik mijn objecten ook kan verkopen.” Hoe werk je? Met een schetsboek? Computertekeningen? “Ik maak. En probeer. Ik gebruik niet de conventionele schrijnwerkerstechnieken, want die ken ik niet. Wel heb ik meestal een duidelijk beeld voor ogen voor ik aan iets begin. Dan vraag ik me af hoe ik dat beeld kan vertalen in een fysiek object en begin ik te experimenteren. ‘Wat wil je eigenlijk vertellen?’ Die vraag werd ons in de hogeschool van Sint-Lucas het meest gesteld. Dat heb ik goed onthouden. Het doel van het verhaal en het sterke beeld blijven voor mij primeren. Een idee is niet af als ik het niet ‘gemaakt’ heb.” Waar haal je inspiratie voor die beelden? “Overal. Ik hou er vooral van om te kijken naar mensen en hoe ze zich gedragen in dagdagelijkse situaties. Ik kan mezelf helemaal verliezen als ik ergens zit te eten en om mij heen kijk. Ik zie de mensen maar ook hun verhalen, die ik er al dan niet zelf bij verzin. Als je wat langer kijkt, zie je dat elke mens uniek is en elk op zijn manier invulling geeft aan zijn wereld. Toen ons eerste kindje geboren was, ging ik vaak wandelen in de buurt. Daar viel me op hoe de bewoners van hun voortuin, soms amper twee vierkante meter groot, toch iets persoonlijks willen maken. Het is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Die voortuintjes vind ik niet lelijk maar juist fascinerend. We zouden die mensen moeten feliciteren in plaats van ze met de vinger te wijzen omdat ze niet binnen de norm vallen.” Wat heb je tot nu toe al gemaakt? “Vroeger maakte ik vooral grote installaties, zoals replica’s van vliegtuigen en de maanlander. Daarrond speelde zich dan een verhaal af. Maar doorheen de jaren is mijn werk subtieler geworden. Ik hou ervan om alledaagse dingen en herkenbare beelden uit hun context te halen. Een tijd geleden maakte ik een reeks straatmeubels: een


bushokje, een zitbank, een vuilnisbak… Dingen die we kennen en waarrond zich van alles afspeelt. Maar ik wil ze binnen gebruiken, in een huiselijke context. Het zou ook een setting kunnen zijn voor een pop-uprestaurant. Waar opgeklede mensen zouden kunnen eten als waren het hangjongeren. Ik wil met mijn werk mensen op een subtiele manier uit hun comfortzone halen. Ik hou van de conventies in onze cultuur maar vind het ook leuk om ze onderuit te halen. Ik maakte bijvoorbeeld een melkkannetje dat lijkt omgevallen te zijn en waarbij de vlek een koeienhuid is. En een eetkamerset die rechtstreeks uit een actiefilm geplukt kan zijn, met kogelgaten erin. Ik heb ook een doodskist gemaakt met een opening in de vorm van een kruis ter hoogte van het hart, waaruit de ziel kan ontsnappen. Het toont aan hoe het gebruik van techniek voor een meerwaarde kan zorgen in een verhaal.” “Ik haal ook veel inspiratie uit populaire cultuur, uit Amerikaanse films en hiphop. Vooral de fascinatie voor de American dream om ooit rijk en beroemd te worden houdt me bezig. Misschien is het stiekem wel mijn eigen droom.” Wat maakt jou blij? “Ik hou van de praktijk van het maken. Vaak realiseer ik meerdere prototypes van objecten, die al dan niet al een functie hebben, tot op het moment dat ik een afgewerkt product heb. Dat proces geeft me de grootste voldoening. Van zodra het af is, ben ik met mijn gedachten al bij een nieuw project. Ik zou niet zoals een muzikant elke avond dezelfde song kunnen spelen. In mijn atelier ben ik baas in mijn eigen wereld. Daar kan ik me uitleven met de meest absurde dingen. Zoals het namaken van een Ikeatrapje (Bekväm). Dat kost mij wel vijf keer meer aan tijd en materiaal, maar het voelt als een overwinning als je iets kunt namaken dat eigenlijk ontworpen is voor massaproductie. Wat is volgens jou de rol van kunstambachten in 2017? “Misschien is dat wel de perfectie een stamp geven? De structuren die je kent heel even overhoop gooien en een ander perspectief geven? Niet alles moet blijven zoals het is, toch? Ik heb geen probleem met de ideale wereld die we elke dag op sociale media voorgeschoteld krijgen, maar ik vind het belangrijk te beseffen dat alles geënsceneerd is. Ik vind het spannend om mensen een klein beetje op het verkeerde been te zetten. Mijn kartonnen dozen, die ik toon op de expo van de Provincie West-Vlaanderen, zijn laden. Maar op het eerste gezicht lijkt het of de bewoners nog in de verhuisdozen zitten. Dat ene moment van twee keer kijken, daar doe ik het voor.”


© Yves Obyn

© Yves Obyn


© Kaat Pype


PETER VERMANDERE HET MAG WAT WRINGEN Peter Vermandere smeedt al 25 jaar sieraden. Met zilver en edelstenen maar ook met plastic of zwarte walnoten. Hij vergelijkt zijn werk met dat van een kok en van een circusartiest. Zeven broches zond edelsmid Peter Vermandere in voor de Vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten. Zeven variaties, zeven souvenirs aan Idar-Oberstein, de bakermat van de Duitse edelstenenindustrie. Het stadje is een begrip in de juwelenwereld, vanwege de overvloed aan edelstenen en slijperijen. Maar Vermandere ontdekte er ook industriële schatten. Van in het begin, toen hij als achttienjarige vanuit de Westhoek naar Antwerpen trok, is hij tegelijk bezig met creëren en ontdekken. Al heel jong wist je dat je edelsmid wilde worden. Waarom? “Vanwege de materie. Ik vond edelsmeden de meest pure manier om materie te laten spreken. Haar structuur, de manier waarop ze zich vormt, intrigeert mij mateloos. Dat lag wat moeilijk in het kunstonderwijs toen, dat heel erg gericht was op concepten. Ik werk heel intuïtief. Ik wil mezelf verrassen. Ik hou ervan om met zilver te werken, maar ook met zwarte walnoten die ik doorsnij. Of met restjes al dan niet edelstenen, met fossielen, met plastic zelfs. Zo maak ik bijvoorbeeld mijn gezichtjes, emoticons bijna. Een restje edelsteen, oesterparel of fossiel is de start, daaraan maak ik dan een ‘kopje’. Maar altijd probeer ik iets draagbaars te maken.” Wat is een goed sieraad volgens jou? “Voor een juweel geldt: als het maar voor 95 procent goed is, is het slecht, werkt het niet. Wij kunnen ons weinig fouten veroorloven. Dat heeft te maken met het formaat, maar ook met de precieuze materialen en technieken. Traditioneel bestaat een juwelencollectie uit een twintigtal stuks: vijf hangers, vijf ringen, vier halssnoeren, drie armbanden enz. Ik werk anders. Hangers en snoeren vind ik moeilijk. Armbanden en oorbellen eigenlijk ook. Ik probeer wel, maar ik krijg er mijn verhaal niet gemakkelijk in verteld. Ik maak ook wel ringen, maar in broches ben je vrijer, daar kan ik meer kanten mee uit. Hedendaagse sieraden gaan van superdraagbaar tot superartistiek en alles wat daartussen zit. Mijn creaties krijgen soms het label ‘mode’, soms ‘design’, soms ‘kunst’. Met juwelen raak je alles aan en tegelijk staan ze overal los van. Dat ambigue aspect en die continue ‘identiteitscrisis’ blijft me aantrekken. Ik fotografeer mijn juwelen zelden op mensen. Ik maak ook geen juwelen die voor iedereen geschikt zijn. Misschien, als ik eerlijk ben, maak ik ze alleen voor mezelf. Dat is mijn drive: mezelf verrassen en uitdagen. Al ben ik wel gelukkig als een uniek stuk uiteindelijk zijn unieke drager vindt.” Hoe heb je de broches gemaakt waarmee je deze prijs won? “Ik werd door de Jakob Bengel Stiftung als artist in residence aangenomen om enkele maanden in Idar-Oberstein te werken. Het is een mekka voor juwelenontwerpers. Er zijn niet alleen veel edelstenen te vinden en te kopen, maar ook veel slijperijen en een aantal fabrieken die vroeger goedkope metalen juwelen maakten. Vooral die laatste


inspireerden mij. In de Bengelfabriek hebben ze persen tot 60 ton druk, waarmee metaal in een matrijs werd geplet tot medaillons en dergelijke. Werknemers konden er zeventig per minuut maken! Supersnel, met de voet. Het unieke van die fabrieken zit in de matrijzen en de machines, die nog steeds gebezigd worden voor speciale projecten. Daar mocht ik gebruik van maken. Ik ging tussen de massa’s matrijzen – wel 15.000 - op zoek naar eentje dat mij aansprak en ik vond een edelweiss. Ik deed er metaal in en hop, wat kreeg ik? Een perfecte edelweiss. Maar, saai. Ik hou wel van een beetje wringen. Dus ging ik er de matrijs verkeerd insteken, omgekeerd, achterstevoren… Uiteindelijk stak ik in de pers aluminium kettingen die er lagen. Dat platte, oneffen maar gedecoreerde schijfje vormde dan een ingrediënt voor een broche. Daar voegde ik edelstenen aan toe om de ode aan de plek compleet te maken. Ik blijf variaties bedenken, ik zit nu aan nummer achtenveertig.” Hoe ga je concreet te werk in je atelier? Heb je een bepaalde routine? “Mijn agent in New York houdt er niet zo van als ik dit zeg, maar eigenlijk is mijn werk zoals koken. Eerst verzamel ik ingrediënten, die laat ik wat sudderen en dan bepaal ik op het moment zelf hoe ik ze ga bewerken: koken, bakken, braden, stomen… Ik heb een arsenaal aan technieken tot mijn beschikking. Wat ik doe is handwerk, uiteraard, maar met behulp van machines. Ik heb een diamantzaag om stenen te snijden, een metaaldraaibank, een trekbank, een zaag, een pers... Dat is mijn instrumentarium.” Wie of wat inspireert jou? “Het woord ‘inspiratie’ verwijst letterlijk naar datgene wat je zuurstof en adem geeft. Ik heb een bibliotheek vol boeken en materialen en ben een verzamelaar van verzamelingen. Maar inspiratie kun je niet dwingen. Dat kan een boek zijn, een fossiel, een steen, muziek, een schets... Ik geloof in serendipiteit: je concentreert je op je werk maar je staat open voor het onverwachte. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz gebruikt in zijn dagboeken het woord ‘scheppingsvonk’ als hij het heeft over creativiteit: alles gebeurt terzelfdertijd. Dat herken ik wel.” Wat betekent kunstambacht voor jou? “In een circus zie je acrobaten de strafste kunsten uithalen alsof het vanzelf gaat. Maar dat gaat niet vanzelf, die mensen zijn opgegroeid in die wereld, hebben uren en uren, dagen en dagen, weken en weken getraind. Pas als je de technieken volledig beheerst, kun je zorgeloos beginnen te spelen. Dat geldt ook voor edelsmeden. Als ambachtsman streef je naar meesterschap. Maar je moet ook weten wanneer je moet stoppen. Perfectie durft wel eens saai te zijn. Dat is misschien de definitie van kunstambacht: iets dat artistiek is, maar ook goed gemaakt. Ambachten zullen blijven bestaan, maar alleen als ze raken aan kunst en aan het artistieke. Als het zin heeft om iets zelf te maken. Ooit was bijvoorbeeld lithografie de standaard industriële druktechniek, dan volgde offset en daarna digitale druk. Nu nog worden er litho’s gemaakt, maar ze zijn bijna uitsluitend het domein van kunstenaars. Het gaat niet om het ambacht an sich, maar om wat je ermee vertelt.”


Š Peter Vermandere

Š Peter Vermandere


v.u. Mieke Ackx, waarnemend directeur Cultuur, Provinciebestuur West-Vlaanderen - vormgeving: Aynsley Bral, dienst Communicatie

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

de Directeurswoning / een thuis voor kunst Hendrik Consciencestraat 10 / Roeselare info@dedirecteurswoning.be / 051 26 24 02 www.dedirecteurswoning.be

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Brochure Kunstambachten