Page 10

De R ndvraag Wetenschappelijk medewerkers stellen elkaar vragen

De vraag van Ilja Sligte (Brein & Cognitie) Beste Sebastiaan, Ik geef regelmatig les over executieve functies, maar het duizelt me toch altijd een beetje tijdens de voorbereiding van zo’n college. Het is duidelijk dat executieve functies een verzamelnaam is, maar wat valt er nou wel en niet onder executieve functies, hoe hangen verschillende executieve functies samen en is er een hiërarchie in executieve functies aan te brengen?

Spiegeloog

10

Ilja

Het antwoord van Sebastiaan Dovis (Klinische Ontwikkelingspsychologie)

Maart 2016

Over wat er nu wel en niet onder executieve functies (EF’s) valt, bestaat weinig consensus. Ter illustratie: op een conferentie in de jaren ’90 vroeg men tien experts functies te noemen die zij als EF’s beschouwden. Zij noemden 33 verschillende functies, waarvan er slechts zes werden genoemd door tenminste 40 procent van de experts (Barkley, 2012). Dit gebrek aan consensus komt met name omdat er geen waterdichte definitie van EF bestaat. Volgens de eerste definities zijn EF’s namelijk alles waarbij de prefrontale cortex (PFC) komt kijken. EF’s blijken echter niet exclusief het product van de PFC en de PFC is ook betrokken bij functies die niet als EF’s beschouwd worden (zoals simpele of automatische sensomotorische activiteiten en spraak). Ook meer operationele definities zijn niet waterdicht. Ter illustratie: een van de meest populaire definities van EF’s is van Welsh en Pennington (1988) en luidt als volgt: ‘Executive function is defined as the ability to maintain an appropriate problem-solving set for attainment of a future goal.’ Hoewel deze definitie strookt met de gedachte dat usual suspects zoals werkgeheugen, inhibitie, cognitieve flexibiliteit en planning (dit zijn de meest onderzochte EF’s) inderdaad EF’s zijn, maakt het niet duidelijk waarom andere functies zoals emotie of motivatie doorgaans niet als EF’s worden beschouwd. Ook deze laatste functies bepalen immers in hoeverre een persoon in staat is om zijn of haar doel te bereiken (Barkley, 2012). Dan het tweede deel van je vraag: hoe hangen verschillende executieve functies samen en is er een hiërarchie in aan te brengen? EF’s zijn afhankelijk van elkaar en interacteren. Dit zie je niet alleen terug in onderzoek, maar ook in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld, om dit stukje tekst op tijd af te krijgen (het doel) is het essentieel dat ik niet te vaak afgeleid raak (inhibitie) én dat ik blijf onthouden wat ik nog

moet doen om mijn doel te bereiken (werkgeheugen). Als mijn inhibitievermogen vervolgens tekortschiet (ik raak te vaak afgeleid) dan interacteert dat met de eisen die worden gesteld aan mijn werkgeheugen (door de toegenomen interferentie wordt het moeilijker om de stappen naar het doel actief te houden). Ook is er een hiërarchie aan te brengen. In tegenstelling tot werkgeheugen, inhibitie en cognitieve flexibiliteit – die worden beschouwd als ‘lagere orde’ EFs – wordt planningsvaardigheid bijvoorbeeld aangemerkt als een ‘hogere orde’ EF. Het goed functioneren van lagere orde EF’s is namelijk een voorwaarde voor het ontwikkelen van hogere orde EF’s: plannen is bijvoorbeeld alleen mogelijk als werkgeheugen, inhibitie en cognitieve flexibiliteit voldoende ontwikkeld zijn (Boyer, de Vries, & Dovis, in press).

Bronnen

- Barkley, R. A. (2012). Executive Functions. What They Are, How They Work, and Why They Evolved. New York: Guilford Press. - Boyer, B. E., De Vries, M., & Dovis, S. (in press). Tekorten in Executieve Functies. In P. Snellings & M. Zeguers (Ed.), Interventies in het Onderwijs: Leerproblemen. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers. - Welsh, M. C. & Pennington, B. F. (1988). Assessing frontal lobe functioning in children: Views from developmental psychology. Developmental Neuropsychology, 4 (3), 199-230.

De Rondvraag wordt doorgegeven aan Hilde Geurts (Klinische Neuropsychologie) Beste Hilde, Zoals je weet zijn er verschillende theorieën die een verklaring geven voor het gedrag van kinderen met ADHD. Bijvoorbeeld, het functional working memory model suggereert dat kinderen met ADHD hyperactief gedrag vertonen om hun onderactieve brein te activeren. Hierdoor kunnen ze beter functioneren (met andere woorden: kinderen met ADHD zijn beweeglijk om beter te kunnen functioneren; als ze zichzelf niet kunnen activeren vervallen ze in dromerig of afwezig gedrag). Dergelijke aannames geven handvatten voor de klinische praktijk. Nu vraag ik me af hoe men de symptomen van kinderen met autisme verklaart; wat is de functie van hun gedrag? Sebastiaan

Ruimte  

Spiegeloog 374

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you