Page 1

Toestand

december 2012 • jaargang 40 • nummer 351


40e jaargang nr. 351, december 2012 ISSN 0166-1930 Spiegeloog is een blad voor de Afdeling Psychologie, Universiteit van Amsterdam

Kamer 5.02 Diamantbeurs Afdeling Psychologie Weesperplein 4 1018 XA Amsterdam t: 020 - 525 67 58 e: spiegeloog-fmg@uva.nl

Hoofd-/Eindredactie Joël Davidson & Tessa Velthuis. Redactie Lisa Baart, Jihane Chaara, Annemiek Crouzen, Gea-marit Dekker, Bart Lichtenveldt, Bianca Muurman, Emma Laura Schouten, Kirsten Vegt. Medewerkers Denny Borsboom, Agneta Fischer, Maartje Raijmakers. Fotografie Lisa Baart, Bianca Muurman, Tessa Velthuis.

Toestand Het is een beetje een misleidend begrip, Toestand. Enerzijds betekent het simpelweg 'omstandigheden', anderzijds heeft het een negatieve connotatie. In het woordenboek is aan de betekenis 'omstandigheden' het woord 'onaangename' toegevoegd. Een toestand kán neutraal zijn, maar - laten we eerlijk zijn - 't is maar al te vaak gedoe. In dit nummer vind je verschillende artikelen waarin onaangename toestanden worden belicht. Bart zocht uit wat de wetenschap zegt over vreemdgaan, Gea-marit vond een alternatief voor de isoleercel, Annemiek beschreef het proces van liefdesverdriet en Tessa sprak met een cliënt over eetbuien. Wat ook met recht een toestand te noemen is, is dat onze Kirsten na veertien weken nog steeds geen werk heeft. Met jou deelt ze niet alleen haar frustratie, maar ook nuttige sollicitatietips. Jihane richtte haar blik op positievere zaken; ben je als optimist beter af dan als pessimist? En voor het eerst sinds lange tijd wordt er in Spiegeloog weer een film beoordeeld; Emma maakte de hele redactie enthousiast met haar recensie van Le Magasin des Suicides. Denny liet ons lachen met zijn Ivoren Toren en Lisa beschreef hoe ons brein ons in een religieuze toestand kan brengen. Prins Friso kreeg een opleving en verkeert sinds eind november in een toestand van zeer gering bewustzijn. We konden Victor Lamme na dit nieuws bijna horen juichen op de redactie, maar Tessa vindt in haar Bacchus nog steeds dat de stekker er wel uit mag. Zoals in ieder nummer staat Spiegeloog ook nu weer stil bij het veertigste jubileumjaar. We herplaatsen een artikel uit april 1990 over het onderwerp lobotomie. Tessa en Joël

Cover Tessa Velthuis. Lay-out Joël Davidson & Tessa Velthuis. Druk Drukkerij de Raddraaier Van Ostadestraat 233 b 1073 TN Amsterdam 020 - 673 05 78 Reacties, commentaren en ingezonden brieven zijn van harte welkom. Voor lange artikelen die ter publicatie worden aangeboden, is het verstandig eerst contact op te nemen met de redactie. De redactie behoudt zich het recht voor bijdragen in te korten of te wijzigen. Spiegeloog verschijnt zeven keer per jaar. Een abonnement op Spiegeloog kost € 15,- per jaar. Indien geïnteresseerd, stuur een bericht met uw naam en adres naar de redactie. Niets uit deze uitgave mag vermenigvuldigd worden zonder schriftelijke toestemming van de redactie.


Inhoud

4

21

22

De isoleercel

Filmrecensie

CliĂŤnt Bekent

De enige optie?

Le Magasin des Suicides

Picolien (24) heeft eetbuien

7

14

Ludduvuddu

26

Het religieuze brein

8 Optimisme/pessimisme

Hoe vol is jouw glas?

17

Kirsten zoekt een baan

28

Mededelingen

10

Vreemdgaan

18

Herplaatsing

Vier benaderingen

30

Wandelgang

13

Ivoren Toren

25

32

Bacchus

Op Kamers

Janna Cousijn

Gorgelen naast een kartonnen doos

Wat te doen tegen liefdesverdriet?

Deel 3 van haar zoektocht

Wanhopige Ingrepen (april 1990)

Rondvraag

Raijmakers aan Fischer

Op zoek naar God

Activiteiten voor studenten

Welke toestand houdt jou bezig?

In comateuze toestand


Prikkelarm wordt prikkelbaar Een dichte deur. Vier kale betonnen muren. Een klein raam met matglas. Papieren kleding, een papieren po. Een camera die iedere beweging vastlegt. Dagen achter elkaar alleen. Alleen eten. Alleen gelucht worden, op een paar vierkante meter. Het uitzicht op de vrije wereld is letterlijk en figuurlijk weg.

Spiegeloog

4

Tekst: Gea-marit Dekker

december 2012

In Nederland wordt nog steeds gebruik gemaakt van de isoleercel. Niet alleen in gevangenissen, maar ook in de geestelijke gezondheidszorg kunnen mensen in geval van nood worden gesepareerd. Tijdens de isolatie wordt de patiënt of gedetineerde in een speciale cel gezet om hier een bepaalde tijd in totale afzondering door te brengen. In een aantal Europese landen wordt de isoleercel niet meer toegepast in de geestelijke gezondheidszorg, vanwege de grote impact ervan. In Nederland werden vorig jaar echter nog achttienduizend patiënten geïsoleerd. Vanaf dit jaar zijn de regels rondom isolatie verscherpt om zo het aantal isolaties terug te dringen (Bakker, 2011). Ook in gevangenissen is isolatie geen uitzondering. Maar werkt het isoleren van mensen eigenlijk wel? En wat zijn de gevolgen van deze maatregel? De isoleercel is een speciale ‘hufterproof ’ cel. Deze cel is, op een plastic matras en soms een stalen wc-pot na, helemaal leeg. De kleding van de gedetineerde wordt afgenomen en omgewisseld voor een papieren overall. De hele dag brengt de gevangene door in de cel, zonder enige afleiding. In sommige gevangenissen is er een klein raam met matglas, soms is er enkel kunstlicht. De gedetineerde heeft recht op

minstens één uur luchten per dag, altijd in afzondering van de andere gedetineerden. Vaak is dit in een kleine ruimte op het dak van de gevangenis. Veel meer dan een paar stappen kan er niet worden gelopen zonder opnieuw een betonnen muur te bereiken. Ook in de luchtruimte is het uitzicht op de buitenwereld beperkt (Selçuk, 2011). In de gevangenis kan een gedetineerde om verschillende redenen in een isoleercel worden opgesloten (Selçuk, 2011). Wanneer gedragsof orderegels worden overtreden, kan isolatie worden ingezet als strafmaatregel. Isolatie wordt gezien als de hoogste straf in de gevangenis en duurt maximaal twee weken. Daarnaast kan isolatie ook worden ingezet om de gedetineerde te beschermen, tegen zichzelf of tegen andere gedetineerden. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld wanneer een voormalig politieagent in de gevangenis terechtkomt. In sommige gevallen komt het voor dat een gedetineerde zelf om afzondering vraagt. Bijvoorbeeld om volkomen rustig te worden of wegens agressieve gevoelens tegenover anderen. Naast separaties in de gevangenis, worden in psychiatrische instellingen ook vrijwillig of onvrijwillig patiënten geïsoleerd. Separeren mag volgens de wet alleen worden toegepast bij acuut gevaar

- Ook vrijwillige isolatie leidt tot mentale klachten -


de isoleercel kan alleen tijdens het luchten worden gerookt. De reden voor het verlaten van de kamer was voor alle deelnemers gelijk. De deelnemers ervoeren angst en paniekaanvallen. Sommige deelnemers kregen nachtmerries over de dood. Nu is een vrijwillige opsluiting niet hetzelfde als de gedwongen opsluiting in een gevangenis. Uit onderzoek van Haney (2003) is echter gebleken dat gedwongen opsluiting soortgelijke klachten veroorzaakt. In het onderzoek werden gedetineerden uit een Amerikaanse supermax prison ondervraagd. Deze gevangenissen zijn extreem zwaar beveiligd en gevangenen brengen lange tijd in afzondering door. Uit de vragenlijsten kwam naar voren dat 91 procent van de gedetineerden angstig en nerveus was. De meerderheid van de gedetineerden kreeg woedeaanvallen en 77 procent van de gedetineerden een chronische depressie. Van de honderd gedetineerden kregen er 41 last van hallucinaties. Daarnaast bleek dat bij gedetineerden in minder strenge gevangenissen, met meer sociaal contact tussen de gedetineerden, de mentale gesteldheid een stuk beter was. Uit verhalen van psychiatrische patiënten blijkt hoe de isolatiecel wordt ervaren. Sam Gerrits vertelde zijn verhaal op de radio (http://omroep.vara.nl/ media/81820). Volgens Gerrits verwerken psychotici de isolatie in hun waan. ‘Ik heb van ellende de baardharen uit mijn gezicht getrokken, mijn knokkels beurs getimmerd op de muren en geschreeuwd totdat ik schor was. Geen mens reageerde.’ Ook Mieke Mostermans vertelt in een radio-interview over haar ervaringen in de isoleercel (http://www. radio1.nl/items/42877-isoleercellen). Verschillende malen is ze geïsoleerd wegens psychotische klachten. Ondanks dat dit al dertien jaar geleden is, klinken haar ervaringen nog erg levendig. Ze heeft er een lange tijd niet over kunnen praten zonder in de war te raken. Door het feit dat ze tijdens een psychose werd opgesloten in een onbekende ruimte, werd de psychose een angstpsychose. ‘Ik voelde me door iedereen

- Psychotici verwerken de isolatie in hun waan -

5 december 2012

voor de patiënt zelf, voor anderen of voor de omgeving. De gedetineerde of patiënt in de isoleercel kan via een camera constant in de gaten worden gehouden. Dit gebeurt alleen wanneer de persoon lichamelijk of mentaal een gevaar voor zichzelf vormt. De afzondering heeft grote impact op mensen. Er is nauwelijks mogelijkheid tot sociaal contact en je bent volledig afhankelijk van de personen aan de andere kant van de deur. Vaak moet er zelfs om wc-papier of het doorspoelen van het toilet worden gevraagd. De omstandigheden in een isoleercel brengen dan ook veel klachten met zich mee. Lichamelijke klachten ontstaan vooral door het gebrek aan ruimte voor beweging en als reactie op stress. Hierdoor komen een lage bloeddruk, hartkloppingen of migraine veel voor (Selçuk, 2011). Naast lichamelijke klachten heeft het isoleren ook negatieve invloed op het psychisch welzijn. Zelfs wanneer mensen vrijwillig worden geïsoleerd, kunnen mentale klachten het gevolg zijn. Smith en Lewty (1995) plaatsten vrijwilligers in een kamer waar geen enkele sensorische prikkel binnen kon komen. De kamer was vergelijkbaar met een isoleercel. De deelnemers werd gevraagd om zo lang mogelijk in de kamer te blijven, maar ze mochten op elk moment de kamer verlaten. De geldbeloning hing af van het aantal dagen dat in isolatie werd doorgebracht. Gemiddeld bleven mannen 29 uur en vrouwen 48 uur in de kamer. Geen enkele deelnemer hield het langer dan vier dagen uit, terwijl in een gevangenis een isolatie tot veertien dagen kan duren. Vier keer per dag namen de onderzoekers een korte vragenlijst af onder de deelnemers in isolatie. Hieruit bleek dat achttien van de twintig deelnemers geagiteerd en rusteloos werden. Twee vrijwilligers werden zeer prikkelbaar en zelfs agressief, wat natuurlijk haaks op de doelstelling van een gevangenis staat. Van deze vrijwilligers was er één roker en van een andere vrijwilliger was bekend dat hij vaak agressief op stress reageert. Juist in een gevangenis zitten veel agressieve mensen. En ook in

Spiegeloog

Afbeelding 1: Comfortroom


Spiegeloog

6 december 2012

verlaten. Zijn er nog wel mensen aan de andere kant van de deur?’ Van angst plaste ze in haar broek. De papieren po herkende ze niet als wc, ‘het leek op een hoedje’. Ze heeft zelf absoluut geen baat gehad bij de isolatie. Ze had juist behoefde aan het tegenovergestelde, aan iemand die haar vast kon houden. Wegens de grote impact van de isoleercel wordt vanaf 2005 geprobeerd de isoleercel steeds minder vaak in te zetten in de psychiatrie (‘Strengere regelgeving… gebruik isoleercel’, 2011). Bij Mediant Geestelijke Gezondheidszorg in Enschede wordt sinds een aantal jaar gewerkt met ‘comfortrooms’ om separaties te voorkomen (zie afbeelding 1). In tegenstelling tot de separatiecel is een comfortroom een gezellige, open kamer, waar juist meerdere sensorische prikkels aanwezig zijn. Door middel van geur, kleur, warmte, geluid, licht, muziek en beeld kan de cliënt een eigen sfeer creëren om zo angst en spanningen te verminderen. De kamer geeft de cliënt het gevoel dat hij of zij welkom is. ‘De betrokkenheid, gastvrijheid en veiligheid van de comfortrooms helpen escalatie en hiermee separatie te voorkomen’, aldus Hans Poelert, werkzaam bij Mediant. Van een hufterproof, prikkelarme cel naar een gezellige kamer waar alle zintuigen naar wens kunnen worden gestimuleerd. Volgens Ronald ter Steege, teamleider bij FPA Heiloo, is het een mooie methode, maar ook een dure oplossing. Er moeten ruimtes worden verbouwd en ingericht en personeel moet worden opgeleid. FPA Heiloo is een onderdeel van de GGZ Noord-Holland-Noord waar cliënten met een forensische achtergrond worden behandeld. Hier komt volgens Ter Steege separatie praktisch niet meer voor. Hij noemt het een laatste redmiddel, als alle andere alternatieven niet meer werken. Ook hier wordt gewerkt met

middelen om het aantal separaties terug te dringen. Zo kan een cliënt bij binnenkomst bijvoorbeeld aangeven wat voor hem het beste werkt wanneer hij zichzelf niet meer onder controle heeft. In het geval van een escalatie worden deze stappen dan eerst gevolgd. Mocht ook dit niet werken, dan kan de cliënt in de eigen kamer worden geplaatst, om hier rustig te worden. Er wordt altijd eerst een gesprek met de cliënt aangegaan, wanneer ook dit niet helpt kan de cliënt in een afgesloten kamer worden geplaatst. Eventueel zonder televisie of radio. De duur loopt uiteen van een half uur tot in zeer extreme gevallen drie weken. Omdat er met cliënten met een forensische achtergrond wordt gewerkt, kunnen de separeercellen vanwege justitiële eisen niet zomaar worden gesloten. De stap van een kille isoleercel naar een gezellige comfortroom is dus nog lang niet overal genomen. <<

Bronnen

- Bakker, M. (2011). Ggz-instelling zoekt naar alternatieven voor isoleercel. Reformatorisch Dagblad. 30-12-2011. - Centraal Bureau voor de Statistiek (2012). Penitentiaire inrichtingen; aantal gedetineerden naar kenmerken. Opgehaald op 06-11-2012 van http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/ default.aspx?VW=T&DM=SLNL&PA=37264&D1=06&D2=0&D3=a&D4=0&D5=(l-9)-l&HD=0907061319&HDR=G3%2cG1%2cG4&STB=T%2cG2. - Selçuk, H. (2011). Isolatie in penitentiaire inrichtingen. Opgehaald op 06-11-2012 van http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=116366. - Smith, S., & Lewty, W. (1959). Perceptual isolation using a silent room. The Lancet, 274, 7098, 342-345. - Strengere regelgeving rond gebruik isoleercel, 2011. EO. Opgehaald op 18-11-2012 van http://www.eo.nl/tv/devijfdedag/artikel-detail/strengere-regelgeving-rond-gebruik-isoleercel/.


Op Kamers Tekst & Foto's: Bianca Muurman

Kamer: Diamantbeurs 6.15 Bewoner: Janna Cousijn Janna Cousijn is postdoc bij de afdeling Ontwikkelingspsychologie. Ze doet onderzoek naar cannabisverslaving in het brein. Haar kamer deelt ze met drie anderen: Mieke ter Mors-Schulte, Thomas Gladwin en Helle Larsen.

‘Ik probeer stekjes te maken, maar het lukt niet zo goed ze in leven te houden. Zoals je ziet zit er geen water in, omdat ik dat weer veel te lang ben vergeten te geven. Ik denk dat het nooit wat wordt met die groene vingers. Ik heb geen idee van wat voor plant het stekje afkomstig is. Ik heb het gekregen van een collega, omdat ik net verhuisd ben naar deze kamer. Ik wilde een plant uit mijn oude kamer meenemen toen mijn collega mij zei: ‘Hé, dat is mijn plant, al jouw planten zijn doodgegaan!’ Later kreeg ik van haar dit stekje met een briefje erop: ‘Hier je eigen stekje om groot te brengen op je nieuwe kamer.’ Ik weet nog niet of dat wel gaat lukken…’

Harde schijf

‘Hier staat ongeveer een terabyte aan hersendata van heel veel blowers uit Amsterdam op. De blowers hebben we actief geworven in coffeeshops maar ook online via Hyves en Facebook, en via via zijn we aan de mensen gekomen. De harde schijf is heel erg waardevol voor me en hij verhuist ook met me mee van computer naar computer. Het lijkt er wel een uit de oertijd, hij is zwaar en log. Daarnaast moet je een adapter meeslepen. Niets in vergelijking met de apparaatjes die nu te koop zijn. Je kan je dus wel voorstellen hoeveel moeite het gesleep me al die jaren heeft gekost…’

7 december 2012

Plantje

Voor ons ligt Janna’s proefschrift A Joint Approach: Brain structure and function in heavy cannabis users and their relationship with future use, waar ze natuurlijk graag iets over wil vertellen. ‘Ik heb onderzoek gedaan naar de hersenprocessen van zware cannabisgebruikers, om op basis van hersenfuncties proberen te voorspellen wie meer of minder cannabis gaat gebruiken. Met behulp van computertaakjes en fMRI heb ik hersenfuncties op gedragsniveau (bijvoorbeeld reactiesnelheid) gemeten en naar de hersenactiviteit gekeken. Na zes maanden vond er een follow-up-interview plaats. Door individuele verschillen in motivationele en regulerende functies kon na zes maanden bij zware cannabisgebruikers verandering in cannabisgebruik worden voorspeld. Unieke voorspellers waren craving (zucht of verlangen) om te blowen, een gedragsmatige toenaderingsbias, functie van het werkgeheugennetwerk in de hersenen en besluitvormingsgerelateerde hersenactiviteit tijdens een goktaak. Zowel gedrag als hersenactiviteit verklaren dus verandering in gebruik na zes maanden. Ik ben er erg trots op dat het eindelijk klaar is.’

Spiegeloog

Proefschrift


Half vol / half leeg Biedt de wetenschap een antwoord? Stress – het is een beladen woord. Iedereen heeft ermee te maken in verschillende vormen en maten: tentamenstress, stress door het werk, stress vanuit het persoonlijke leven, stress om gezondheidsredenen. Hoe ga jij ermee om? Is jouw glas half vol, of half leeg?

Tekst: Jihane Chaara

Spiegeloog

8 december 2012

Er zijn talloze copingmechanismen voor stress (Cobb, 1976). Ook wel logisch, want als we geen methode hadden om tegenslagen te verwerken, dan zouden we allemaal de hele dag ongelukkig in een hoekje zitten te piekeren. De meest rudimentaire en welbekende manieren om met stress om te gaan zijn optimisme en pessimisme. Optimisten verwachten over het algemeen een goede uitkomst en pessimisten een slechte uitkomst. Vrijwel iedereen kan zichzelf indelen in één van de twee categorieën, tenzij ze zichzelf standvastig een realist noemen. Het kritisch realisme streeft ernaar om zich precies tussen het optimisme en het pessimisme te plaatsen, zonder bijzonder negatieve of positieve bril. Het interessante aan het realisme is dat het tevens stelt zich enkel bezig te houden met de rationele waarheid (Sayer, 2000). Dit is interessant omdat de rationele waarheid en een positieve of negatieve kijk op de wereld elkaar niet uitsluiten. Men kan volledig rationeel zijn en toch een bepaalde visie op de wereld hebben. In het geval van optimisme en pessimisme heeft de volkswijsheid gelijk. Na twee decennia aan onderzoek hierover is inderdaad gebleken dat er een belangrijk verschil tussen optimisten en pessimisten bestaat. Dit verschil is van belang omdat uiteenlopende verwachtingen het hele leven van een persoon kunnen kleuren. Optimisten en pessimisten verschillen in hoe ze problemen aanpakken, in hoe ze omgaan met tegenslagen en in hoe ze omgaan met de mensen en middelen in hun leven. Optimisme of pes-

simisme betreffen dus niet alleen de verwachtingen binnen een specifieke situatie. Als je denkt dat je een 3 gaat halen voor je tentamen, dan maakt dat je nog niet per definitie een pessimist. Het gaat om het gehele raamwerk waarmee je naar het leven kijkt. Optimisten hebben doorgaans meer vertrouwen terwijl pessimisten meer twijfelen (Carver, Scheier & Segerstrom, 2010). Optimisme en pessimisme worden met elkaar vergeleken; welke van de twee is het meest succesvol? De wetenschap zegt dat het over het algemeen beter is om het glas als half vol te zien. Laten we eerst een kijkje nemen naar mensen die te kampen hebben met fysieke gezondheidsproblemen. Wat voor effect heeft optimisme op hen? Zo is uit een onderzoek van Kubzansky, Sparrow, Vokonas en Kawachi (2001) gebleken dat hart- en vaatziekten significant minder voorkomen bij optimistische mannen dan bij pessimistische mannen. Hart- en vaatziekten zorgen ervoor dat de bloedstroom naar het hart beperkt wordt – dit kan verschillende oorzaken hebben, waaronder het hebben van een levensstijl die veel stress, ongeduld en sociale negativiteit bevat. Optimisten hebben meestal een levensstijl die deze dingen niet bevat, waardoor er minder hart- en vaatziekten voorkomen onder optimisten. Verder hebben Williams, Davis, Hancock en Phipps (2010) onderzocht wat het effect van optimisme is op jonge kankerpatiënten. Ook hier kwam een positief resultaat uit: jonge, optimistische kankerpatiënten

- Pessimisme is geen kussentje voor teleurstelling -


Bronnen

- Brissette, I., Carver, S. C., & Scheier, M. F. (2002). The role of optimism in social network development, coping, and psychological adjustment during a life transition. Journal of Personality and Social Psychology, 82, 102-111. - Carver, C. S., Scheier, M. F., & Segerstrom, S. C. (2010). Optimism. Clinical Psychology Review, 30, 879-889. - Cobb, S. (1976). Social support as a moderator of life stress. Psychomatic Medicine, 38, 300-314. - Kubzansky, L. D., Sparrow, D., Vokonas, P., & Kawachi, I. (2001). Is the glass half empty or half full? A prospective study of optimism and coronary heart disease in the normative aging study. Psychosomatic Medicine, 63, 910-916. - Litt, M. D., Tennen, H., Affleck, G., & Klock, S. (1992). Coping and cognitive factors in adaptation to in vitro fertilization failure. Journal of Behavioral Medicine, 15, 171-187. - Sayer, A. (2000). Realism and social science. London: SAGE Publications. - Williams, N. A., Davis, G., Hancock, M., & Phipps, S. (2010). Optimism and pessimism in children with cancer and healthy children: Confirmatory factor analysis of the youth life orientation test and relations with health-related quality of life. Journal of Pediatric Psychology, 35, 672-682.

Spiegeloog

bonden voelen met hun partner dan ervoor (Carver, Scheier & Segerstrom, 2010). Hieruit valt te concluderen dat het optimisme een grote voorsprong op het pessimisme heeft. Maar is optimisme een keuze of een vaste karaktereigenschap? In feite is het een beetje van allebei. Optimisme blijkt een redelijk permanente eigenschap te zijn, op dezelfde manier dat eigenschappen zoals extraversie dat ook zijn. Kortom, sommige mensen zijn vanuit zichzelf gewoon optimistisch. Echter, men kan ook een cognitieve therapiereeks ondergaan om de pessimistische gedachtegang te bestrijden. Bij cognitieve therapie worden de problematische gedachtes en gevoelens omgezet in een positievere set van denkwijzen. Op deze manier zou iemand een positievere en optimistische kijk op het leven kunnen krijgen. Of deze verandering blijvend is en in hoeverre het aangeleerde optimisme even sterk is als het optimisme van een persoon die dat altijd al gehad heeft, dat blijft de vraag (Carver, Scheier & Segerstrom, 2010). <<

9 december 2012

hebben minder last van fysieke pijn. Tevens is gebleken dat optimisten die zich in een rehabilitatiesituatie bevinden na het hebben van gezondheidsproblemen, succesvoller zijn in het behouden van een gezonde levensstijl. Zo hangt optimisme positief samen met sporten, met het nemen van de juiste vitaminen, met het eten van minder vetten en het met deelnemen aan een rehabilitatieprogramma. Verder hebben optimisten een betere quality of life, vijf jaar na een grote operatie. Dit laatste is van belang omdat een aantal patiënten depressief wordt na ziekenhuisopname. Optimisme kan als buffer werken tegen deze negatieve gevoelens. Kortom, optimisten steken niet hun kop in het zand hopend dat het maar goedkomt. Het ziet ernaar uit dat optimisten gezondheidsrisico’s in grotere mate vermijden vergeleken met pessimisten. De kunst zit hem in het feit dat zij dit selectief doen: als het potentiële probleem klein is, of als de kans dat het hen overkomt niet groot is, dan zullen zij er minder aandacht aan besteden. Maar risico’s die wel degelijk invloed kunnen hebben worden meegenomen en daar wordt vervolgens iets mee gedaan (Carver, Scheier & Segerstrom, 2010). Pessimisten beargumenteren doorgaans dat het pessimisme een soort kussentje is voor teleurstelling. Per slot van rekening is het zo dat als je het ergste verwacht, je niet meer teleurgesteld kunt worden, toch? Het argument klinkt overtuigend, maar de feiten vertellen een ander verhaal. Uit een studie van Litt, Tennen, Affleck en Klock (1992) bleek dat optimistische mensen minder ellende voelen na een teleurstelling dan pessimistische mensen. Daar gaat dus het idee dat pessimisten beter tegen teleurstelling kunnen. Niet alleen dat, maar optimisme is ook van belang bij grote veranderingen in het leven van een persoon, bijvoorbeeld het beginnen aan een universitaire studie. Het is gebleken dat optimistische studenten aan het eind van hun eerste semester minder moeilijkheden ervaren dan pessimistische studenten (Brissette, Caver & Scheier, 2002). Deze moeilijkheden zijn niet per definitie academisch van aard – het gaat evengoed om de mentale toestand van de persoon in kwestie. Pessimisten hebben de neiging om grote problemen en teleurstelling te vermijden, terwijl optimisten toegeven dat er problemen zijn en er zelfs iets positiefs van proberen te maken. Zo verklaarden veel optimisten na het mislukken van kunstmatige bevruchting dat er ook goede dingen uit de mislukking zijn gekomen, namelijk dat zij zich nu meer ver-


Vreemde gang van zaken doen Een van de grotere toestanden in het leven is een partner hebben die vreemd blijkt te gaan. Ik durf te zeggen dat het een van de ergste soorten van verraad is die er bestaan, maar waarom doen mensen het dan?

Spiegeloog

Tekst: Bart Lichtenveldt

10 december 2012

'Hoe kun je?' schreeuwt ze naar hem, 'Ik dacht dat je van me hield! Of was dat ook gelogen?' Hij staat daar maar, in de deuropening, zwijgend. Heel even wilde ze wat gooien, maar dan stort ze zich huilend op de bank. Compleet verloren, verraden en verward. Wat nu? Uit elkaar gaan lijkt het meest logisch; dat zal wel gebeuren straks. Hij staat nog steeds in de deuropening, zich af te vragen waarom hij het gedaan heeft. Was het eigenlijk wel zijn schuld? Was hij niet simpelweg verleid? Langzaam zakt hij op het krukje naast de deur en blijft daar verslagen zitten. Wat een toestand. Waarom zou je opzettelijk je partner, en misschien ook wel jezelf, voor de gek willen houden? Het is toch veel makkelijker om de relatie te beĂŤindigen en een nieuwe te beginnen, dan stiekem afspraakjes te maken en smoezen te verzinnen? En wiens schuld is het eigenlijk? Instinctief natuurlijk van degene die vreemdgaat, maar is hij of zij niet simpelweg slachtoffer geworden van verleidpraktijken? Deze vragen zijn eerder gesteld, door meerdere

onderzoekers. Drigotas en Barta (2001) hebben verschillende verklaringen voor vreemdgaan gevonden en deze samengevoegd onder een aantal benaderingsvormen. De vier belangrijkste vormen zijn de beschrijvende, normatieve, investerende en evolutionaire benadering. Beschrijvende Benadering De beschrijvende benadering focust op de bekende 'feiten'. Zo probeert deze benadering een antwoord te vinden op de volgende vragen: welke mensen gaan er vreemd? Hoeveel mannen, hoeveel vrouwen? En wat vinden ze erger; seksuele of emotionele ontrouw? In 2005 is er een internetenquĂŞte afgenomen onder Nederlanders tussen de 20 en 45 jaar. Dit onderzoek wijst uit dat 25 procent van de vrouwen en 27 procent van de mannen vreemdging (Becker, 2005). Een stijging ten opzichte van veertien jaar eerder, toen 9 procent van de vrouwen en 15 procent van de mannen aangaf ontrouw te zijn geweest ('Vrouwen', 2006). Echter, dit zijn natuurlijk alleen mensen die dit eerlijk toegaven, de werkelijke cijfers liggen waarschijnlijk hoger. Een ander feit

- Nam een vriend jou in vertrouwen over zijn affaire? -


Normatieve Benadering Op naar de volgende benadering: de normatieve. Deze manier van kijken beschrijft de omgevingsfactoren. De normatieve benadering draait voor een groot deel om sociale normen. Volgens Buunk en Bakker (1995) kunnen deze normen in twee groepen verdeeld worden: de injunctive en de descriptive normen, waar de injunctive de formele wetten en algemene gebruiken zijn en de descriptive vooral gaan over hoe het gedrag van anderen overkomt. Zo'n descriptive norm is bijvoorbeeld het kennen van iemand die zelf ontrouw is. Nam je beste vriend jou laatst in vertrouwen over zijn affaire? Dan is er een

Investerende Benadering De betekenis van deze benadering wordt al flink weggegeven door de naam zelf. Het uitgangspunt hier is dat de belangrijkste kracht van een relatie ligt in de moeite en tijd die er in gestoken is. Oftewel, hoe sterker de verbintenis, des te sterker de relatie en des te minder kans dat een van de twee partnes vreemdgaat. Rusbult, Drigotas en Verette (1994) noemen drie factoren die bijdragen aan de gehechtheid van iemand aan zijn of haar partner: tevredenheid in de relatie, mate van investeringen (wat iemand verliest als de relatie eindigt; gedeelde bezittingen, vrienden, et cetera) en de zogeheten kwaliteit van alternatieven. Dit laatste houdt in dat wanneer je behoeftes niet afhankelijk zijn van je partner, de kwaliteit van alternatieven vrij hoog is. Zo zal iemand die

Spiegeloog

grotere kans dat je zelf ook vreemd zal gaan dan wanneer diegene zijn of haar mond had gehouden (Bakker & Buunk, 1995). Een voorbeeld van een injunctive norm is dat het in onze cultuur niet gebruikelijk is dat je vreemdgaat of meer dan één partner tegelijk hebt. Sinds de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1970 is overspel in Nederland niet meer strafbaar. Volgens Ton Rijkers (2011) werd de wet tegen overspel voor die tijd op grote schaal misbruikt, beter bekend als 'de grote leugen'. Zoals Rijkers het zelf mooi verwoordt: 'De grote leugen hield in dat als twee gehuwde mensen beiden een echtscheiding wensten, ze een van hen van overspel beschuldigden. Wanneer de beschuldigde niet kwam opdagen op de terechtzitting sprak de rechter de door beiden verlangde scheiding uit.'

11 december 2012

is dat mannen minder openstaan om de relatie weer op de rails te krijgen na ontrouw van de partner; zij zetten na deze toestand vaker een punt achter de relatie dan vrouwen dat doen (Shackelford, 1998). Maar, als de partner van een vrouw ontrouw is én de vrouw is aantrekkelijker dan deze partner, dan is het juist waarschijnlijker dat zij een einde maakt aan de relatie. Wat ook opmerkelijk is, is dat vrouwen over het algemeen een bredere definitie schijnen te hebben wat betreft vreemdgaan. Zij geven vaker emotionele dan seksuele redenen voor overspeligheid, terwijl mannen juist vaker seksuele redenen melden (Glass & Wright, 1985). Dus mannen, opgelet! Waar mannen vreemdgaan pas als zodanig zien wanneer er wordt gezoend of gevreeën, bestempelen volgens Shackelford (1998) vrouwen iets al tot vreemdgaan wanneer er gedatet of geflirt wordt, zelfs als er geen seksuele gemeenschap plaatsvindt. Of dit te generaliseren valt naar 'denkt dat haar partner date of flirt' is niet onderzocht...


Spiegeloog

12

zich uitstekend kan vermaken met bijvoorbeeld postzegels verzamelen en verder geen behoefte heeft aan gezelschap een hoge kwaliteit van alternatieven hebben. Zoals al eerder genoemd betekent een sterkere verbintenis minder kans op ontrouw. Maar waarom is dat zo? Volgens Drigotas en Barta (2001) komt dat doordat mensen die meer gehecht zijn aan hun partner mogelijke alternatieven effectief ontwijken en zo de relatie beschermen. Ook stellen ze dat deze mensen, zodra ze in de positie komen om mogelijk ontrouw te zijn, goed nadenken over de consequenties van het gedrag, vooral op de lange termijn. Op die manier verlaagt de verbintenis de frequentie van verleidende alternatieven en voorziet het iemand van de mogelijkheid om zijn of haar aandacht van pleziertjes op korte termijn te richten op de consequenties op lange termijn.

december 2012

Evolutionaire Benadering We zijn aangekomen bij de evolutionaire benadering, die naar ontrouw kijkt op een manier die vooral biologen zal aanspreken. Deze zienswijze combineert inzichten van de investerende benadering met eigen verklaringen. Zo benadrukt deze invalshoek nog eens hoe belangrijk de tevredenheid in een relatie is en meldt daarbij dat dit veroorzaakt wordt door de drift van de mens om zoveel mogelijk nakomelingen te produceren. Een succesvolle relatie is het gevolg van het biologisch slagen. Die conclusie valt te trekken uit de beschrijving van Buss (1998) die het heeft over reproductive success. Evolutionair psychologen hebben aan de hand hiervan verschillende aannames gedaan wat betreft vreemdgaan. De eerste aanname is dat mannen en vrouwen niet dezelfde motivatie hebben om vreemd te gaan; waar een man heel gemakkelijk meer nakomelingen kan krijgen door simpelweg een andere vrouw dan zijn partner te bezwangeren (alsof het niets is), heeft het voor een vrouw die al zwanger is weinig zin om seks te hebben met iemand anders. Uiteraard kan het voor haar wel voordelen hebben haar huidige partner 'in te ruilen' voor een betere, maar daar blijft het dan ook bij. Met die kennis kan alleen maar geconcludeerd worden dat vreemdgaan, zeker voor mannen, in de aard van het beestje zit. Echter, de volgende aanname maakt het juist waarschijnlijker dat mensen bij dezelfde partner blijven: mannen hebben nooit complete zekerheid over hun biologische vaderschap, waar vrouwen (in de meeste gevallen) honderd procent zeker zijn van hun moederschap. Dit

doet denken aan de bekende uitspraak 'mother's baby, father's maybe'. Hierdoor vertonen mannen vaker dan vrouwen seksuele jaloezie, angstig dat een andere man zijn partner verovert en bezwangert (Daly & Wilson, 1988). Vrouwen zijn daartegenover juist meer op hun hoede dat hun man er niet vandoor gaat, wat ervoor zou zorgen dat de overlevingskans van haar kinderen vermindert. Een derde aanname van evolutionair psychologen betreft parental investment: de tijd en moeite die besteed is aan het nageslacht. Deze correleert negatief met mating effort: de tijd en moeite die besteed wordt aan het zoeken en aantrekken van seksuele partners, ook als diegene of de ander al een partner heeft. Parental investment is hoger voor vrouwen dan voor mannen terwijl het omgekeerde geldt voor mating effort, wat als gevolg heeft dat vrouwen kritischer zijn met het kiezen van een partner en mannen meer hun best moeten doen een vrouw te veroveren. Deze aannames worden gesteund doordat het inderdaad zo blijkt te zijn dat mannen vaker betrokken zijn bij seksuele dan emotionele ontrouw en vrouwen juist vaker bij emotionele dan seksuele ontrouw (Buss, 1998). Als ze dan toch ontrouw zijn, dan is de kans daarop een stuk groter tijdens de vruchtbare periode. Opmerkelijk is dat zelfs als vrouwen alleen voor het genot een seksuele affaire beginnen, ze hiervoor toch vaker een man kiezen die kwaliteiten bezit die een goede vader ook zou hebben (Buss, 1998). Deze vier benaderingen geven allemaal verklaringen voor het soms onbegrijpelijke gedrag van de mens. Maar, zo merkten Drigotas en Barta (2001) op, ze wijzen alleen op structurele punten. Er wordt vanuit de wetenschap amper wat gezegd over karaktereigenschappen, die zeer waarschijnlijk ook een rol spelen. De ene vreemdganger is de andere niet; waar een zeer gedisciplineerde man zonder moeite de prachtige ogen van de aantrekkelijke vrouw tegenover zich kan weerstaan, is een adrenalinejunk allang vergeten hoe zijn eigen vriendin ook alweer heet. Voor nu kan ik alleen zeggen: pas op dat je niet te diep over dit onderwerp gaat nadenken, voor je het weet schiet je ineens dat verhaal van die ene vriend te binnen...

- Mannen hebben nooit complete zekerheid over hun biologische vaderschap -

De ruitenwissers zwiepen snel heen en weer, maar de druppels blijven lang genoeg zitten om het lantaarnpaallicht om te toveren in een mobiele kerstverlichting. Op de passagiersstoel staat een doos spullen, die paste niet meer in de achterbak. Hij hoefde niet eens te huilen, een soort leegte


De ivoren toren

Bronnen

- Bakker, A., & Buunk, B. (1995). Extradyadic Sex: the Role of Descriptive and Injunctive Norms. Journal of Sex Research, 32, 313318. - Becker, S. (2005, Mei 5). Wie is Kampioen Vreemdgaan? Trouw. - Buss, D. (1998). Evolutionary Psychology. Needham Heights, MAL Allyn & Bacon. - Daly, M., & Wilson, M. (1988). Homocide. Hawthorne, NJ: Aldine de Gruyter. - Drigotas, S. M., & Barta, W. (2001). The Cheating Heart: Scientific Explorations of Infidelity. Current Directions in Psychological Science, 10, 177-180. - Glass, S., & Wright, T. (1985). Sex Differences in Type of Extramarital Involvement and Marital Dissatisfaction. Sex Roles, 12, 11011120. - Rijkers, T. (2011). Staat er in de Wet iets over Vreemdgaan? Opgehaald van http://www.goeievraag.nl/vraag/maatschappij/wetgeving/ wet-vreemdgaan.121349 - Rusbult, C. E., Drigotas, S. M., & Verette, J. (1994). The Investment Model: an Interdepence Analysis of Commitment Processes and Relationship Maintenance Phenomena. In D. Canary & L. Stafford (Eds.), Communication and Relational Maintenance (pp. 115-139). San Diego: Academic Press. - Shackelford, T. (1998). Divorce as a Consequence of Spousal Infidelity. In V. De Munck (Ed.), Romantic love and sexual behavior (pp. 135-153). Westport, CT: Praeger. - Vrouwen Doen niet onder voor Mannen met Vreemdgaan. (2006, Juli 10). Algemeen Dagblad.

Denny Borsboom

13 december 2012

overmande hem toen de deur achter hem werd dichtgesmeten. Een doffe dreun, meer niet. Hij weet niet of hij spijt heeft, misschien is het beter zo, maar missen zal hij haar zeker. De auto draait rechts de oprit op en al snel houdt de motor op met draaien. De druppels denderen op het dak en de radio speelt zacht een nummer van Maroon 5. De tekst blijft nog een paar dagen in zijn hoofd hangen: Trying to tell you no, but my body keeps on telling you yes. I'd be waking up, feeling satisfied but guilty as hell. <<

In de nasleep van de fraudezaken (Smeesters, Sanna en Stapel) gebeuren interessante dingen. Het tijdschrift Psychological Science gaat bijvoorbeeld een plekje reserveren voor replicaties. Een wereldwonder, omdat dit tijdschrift tot nog toe grossierde in het kritiekloos publiceren van onwaarschijnlijke effecten. Zo bleek in één studie ('Thinking outside of the box') dat mensen die naast een grote kartonnen doos zitten, creatiever zijn dan mensen die in een grote kartonnen doos zitten. Deze maand verscheen ook een onderzoek ('The gargle effect') waaruit zou blijken dat gorgelen leidt tot verhoogde zelfcontrole. Als je echt iets wilt bereiken in het leven, dan moet je dus gorgelend naast een kartonnen doos gaan zitten. Ik verzin dit niet. Onderwijl ook interessant: onderzoekers spreken zich uit over hoe goede wetenschap werkt. De bekende psycholoog John Bargh plaatste in Psychology Today een aanval op het tijdschrift PLoS ONE, dat het had aangedurfd een studie te publiceren waarin Bargh zijn effecten niet gerepliceerd werden. Ik moet het even uit het hoofd doen, want het stukje is na een storm van kritiek van de website van Psychology Today verdwenen, maar het ging ongeveer als volgt: Bargh was van mening dat het artikel in PLoS ONE niet goed gereviewed was, omdat hij het niet zelf gereviewed had. Daarbij tekende hij aan dat hij het artikel uiteraard had afgewezen als hij het te reviewen had gekregen, omdat zijn effect namelijk wel bestaat en dat wie het niet kon vinden dus incompetent was. Welnu: omdat hij het artikel niet te reviewen had gekregen, maar het afgewezen zou hebben als dat wel was gebeurd, en omdat een goed journal hem wel gevraagd zou hebben wat hij ervan vond, maar PLoS ONE dat niet gedaan had, nou daarom was het artikel dus onterecht gepubliceerd in een slecht tijdschrift. Bent U er nog? Zulke stukjes bieden een inkijkje in de power play die blijkbaar in het machtscentrum van de psychologie heerst. Dat er überhaupt zo'n machtscentrum bestaat is al fascinerend, maar dat de mensen die daarin zitten helemaal niet blijken te snappen wat wetenschap is, dat is toch wel een klein beetje onverwacht. En wat nu? Zal meneer Bargh zijn succesvolle loopbaan voortzetten, of zal hij stilletjes worden afgevoerd naar de B-tijdschriften, omdat men het vertrouwen in zijn werk verloren heeft? En bestaan die effecten van hem nou wel of niet? Ik zie dat replicatiehoekje van Psychological Science met spanning tegemoet.

Spiegeloog

Gorgelen naast een kartonnen doos


E.H.B.L. Eerste Hulp Bij Ludduvuddu ‘Heartache is a terrible disease’, wijze woorden van zanglegende Tina Turner. Er zijn ontelbare nummers over geschreven en haast niemand van ons ontkomt eraan in zijn of haar leven: ludduvuddu, oftewel liefdesverdriet. Maar wat gebeurt er in je brein wanneer je hart gebroken is en hoe gaan we om met afwijzingen in de liefde? En nog belangrijker: hoe heel je een gebroken hart?

Spiegeloog

14

Tekst: Annemiek Crouzen

december 2012

Als de roze bril breekt Aan liefdesverdriet gaat zonder meer altijd een periode van verliefdheid vooraf. Velen van ons zijn bekend met de zogenoemde roze bril die alles in het leven net iets mooier maakt. Deze ‘roze bril’ in tijden van verliefdheid wordt veroorzaakt door overactivatie van bepaalde dopaminerijke hersengebieden, wat dikwijls een euforisch geluksgevoel veroorzaakt (van der Meijden, de Boer & ter Horst, 2012). Tegelijkertijd worden de amygdala en de frontale cortex minder actief. De amygdala speelt samen met de frontale cortex een grote rol bij het ervaren van negatieve emoties. Daarnaast is de frontale cortex een belangrijke factor bij het beoordelen van situaties. De nieuwe balans in hersenactiviteit die er ontstaat bij verliefdheid zorgt voor een afname in ervaring van negatieve emoties, waarbij verliefde mensen tevens minder goed in staat zijn om risicovolle situaties in te schatten. Dit is voor de liefde erg functioneel, omdat je je zo sneller overgeeft aan je nieuwe liefde. Maar dan is het voorbij. De relatie wordt verbroken en de liefde gaat van wederzijds naar eenzijdig. De periode van liefdesverdriet die vervolgens aanbreekt kan volgens

Lewis, Amini en Lannon (2002) in twee fasen worden opgedeeld. In de eerste fase, ook wel de protestfase genoemd, steekt de verlaten persoon een groot deel van zijn of haar energie in het terugwinnen van zijn of haar liefde. Dit komt door onze natuurlijke drang om een oplossing te zoeken in stressvolle situaties (Meerum Terwogt & Stegge, 1994). Helaas zijn bij een verbroken relatie de pogingen tot oplossen vaak tevergeefs. Wanneer dit moment van realisatie is aangebroken begint de tweede fase van liefdesverdriet: de wanhoopsfase. In deze fase is alle hoop op het terugwinnen van de geliefde verloren en is er in de hersenen sprake van extreem verminderde dopamine-aanmaak (Najib, Lorberbaum, Kose, Bohning & George, 2004). Deze vermindering van dopamine kan loomheid, moedeloosheid en zelfs depressie met zich meebrengen (Panksepp, 1998). Deze relatie tussen verliefdheid, afwijzing en depressie werd al eerder onderzocht door Mearns (1991). Uit zijn onderzoek concludeerde hij dat meer dan veertig procent van de deelnemers die in de afgelopen acht weken waren gedumpt, leed aan een klinische depressie waarvan twaalf procent zelfs aan een zeer ernstige depressie.

- Blijven hangen in de ontkenningsfase kan zich uiten in stalkgedrag -


- Tijd heelt alle wonden -

Het lijmen van een gebroken hart Gelukkig kiest niet elk slachtoffer van een gebroken hart voor een carrière als stalker en zijn er ook andere copingmechanismen die worden ingezet om het liefdesverdriet draaglijker te maken. Zo zijn er meerdere manieren waarop een persoon met liefdesverdriet om kan gaan (Meerum Terwogt & Mol, 2005). Een van deze copingmechanismen is con-

Bronnen

- Casalin, S.(2010). Liefdesverdriet: een vorm van rouw. Tekst opgemaakt voor de website 'ik heb een vraag', zie http://www.ikhebeenvraag.be/vraag/19507.

Spiegeloog

frontatie, waarbij de persoon doelgericht te werk gaat om het probleem op te lossen. Het tegenovergestelde hiervan is het toepassen van een palliatief reactiepatroon, waar men koste wat kost afleiding zoekt om maar niet aan het verdriet te hoeven denken. Dit lijkt veel op het mechanisme vermijding, waarbij de persoon specifiek alle dingen uit de weg gaat die hem of haar herinneren aan de verbroken relatie. De meest desastreuze vorm van coping is het depressieve reactiepatroon, waarbij de gedumpte zich volledig door het liefdesverdriet in beslag laat nemen, met vaker dan eens een depressieve periode tot gevolg. Er zijn echter ook positieve copingmechanismen die met elkaar samenhangen. Zo is er de optie tot het uiten van emoties, waardoor het verlies niet ontkend wordt en het langzaam maar zeker een plekje kan vinden. Een veel voorkomende reactie na het verliezen van een geliefde is het zoeken van sociale steun bij vrienden of familie, wat vaak samen gaat met het laatste reactiepatroon: optimisme, waarbij geruststellende en troostende gedachten een hoofdrol spelen. Een mooi voorbeeld van een combinatie van positiviteit en sociale steun is de stichting Ludduvuddu. Onder de naam The Broken Heart Service werd deze stichting in het leven geroepen om mensen met liefdesverdriet een hart onder de riem te steken, onder het motto: 'Je hele hart kunnen we misschien niet maken, maar als we je elke dag een beetje meer kunnen laten lachen is ons doel al bereikt' (zie kader). En nu kunnen we natuurlijk afsluiten met de clichématige woorden: ‘It is better to have loved and lost, then to have never loved at all,’ maar liefdesverdriet blijft natuurlijk gewoon een bijzonder nare toestand. ‘Tijd heelt alle wonden’ dan maar? <<

15 december 2012

Rouwverwerking Liefdesverdriet wordt ook wel vergeleken met rouw, aangezien je net als bij overlijden een dierbare kwijtraakt (Casalin, 2010). De vijf fasen van rouw kunnen dus ook toegepast worden bij het verwerken van liefdesverdriet, beginnend met de ontkenningsfase. Dit zien we ook terug in de eerdergenoemde protestfase waarin het verlies wordt ontkend, aangezien het verlies nog te pijnlijk is. Vervolgens komt men in de boosheidfase, waarin er veel woede wordt geuit jegens zowel de ex-geliefde als de gehele situatie. Wanneer de woede is geuit komt de onderhandelingsfase, waarin iemand zijn of haar geliefde probeert terug te winnen of het verlies probeert te bagatelliseren. In de daaropvolgende verdrietfase, de naam zegt het al, begint het verwerken van het verdriet. In deze fase is het erg belangrijk om je gevoelens te uiten en met anderen te praten over je verdriet. Nadat alle tranen zijn gevallen en het verdriet langzaam een plekje begint te krijgen, komt men in de laatse fase: de acceptatiefase. In deze fase merk je dat niet meer alles je aan je ex herinnert en er nog voldoende mooie dingen over zijn in het leven. Deze vijf fasen worden elk in meer of mindere mate doorlopen wanneer er sprake is van liefdesverdriet. Wanneer een persoon bijvoorbeeld niet kan accepteren dat er niet langer sprake is van wederzijdse liefde, en blijft hangen in de ontkenningsfase, kan liefdesverdriet zich uiten in stalkgedrag. Volgens een schatting worden er in Nederland jaarlijks tussen de tienduizend en honderdduizend stalkgevallen gemeld waarbij de stalker een ex-geliefde blijkt te zijn (Verkaik & Pemberton, 2001).


Stichting Ludduvuddu – The Broken Heart Service Een paar vragen aan oprichtster Liat Azulay Wat is stichting Ludduvuddu? ‘Ludduvuddu is een platform dat zich richt op het heel maken van een gebroken hart. Inmiddels zijn we op kantoor met vijf man, en proberen we overal harten te maken. Eerst in Nederland, en daarna in de rest van de wereld.’

Spiegeloog

16

- Lewis, T., Amini, F., & Lannon, R. (2000). A general theory of love. New York: Random House. - Mearns, J. (1991). Coping with a breakup: Negative mood regulation expectancies and depression following the end of a romantic relationship. Journal of Personality and Social Psychology, 60, 372-334. - Meerum Terwogt, M., & Stegge, H. (1994). Children’s understanding of the strategic control of negative emotions. In J. A. Russell, J. Ferna´ ndez-Dols, A. S. R. Manstead, & J. C. Wellenkamp (Eds.), Everyday conceptions of emotions (pp. 373-390). NATO ASI Series: London: Kluwer Academic Publishers. - Najib, A., Lorberbaum, J. P., Kose, S., Bohning, D. E., & George, M. S. (2004). Regional brain activity in women grieving a romantic relationship breakup. The American Journal of Psychiatry, 161, 2245–2256. - Panksepp, J. (1998). Affective neuroscience: The foundations of human and animal emotions. New York: Oxford University Press.

december 2012

Hoe is het idee voor de stichting ontstaan? ‘Eind 2010 werd ik keihard gedumpt. Niet een beetje, nee, er werd op mijn hart gestaan, drie rondjes op gedraaid en vervolgens overheen gepist en in de kliko geworpen. Niet letterlijk natuurlijk, maar zo voelde het. Au dus. Na een paar dagen pruillippen dacht ik, ik kan twee dingen doen: zielig in joggingbroek de rest van mijn leven treuren, of eindelijk dat idee dat ik al een tijdje had gaan uitvoeren: een coach opzetten voor iedereen met liefdesverdriet, met mezelf als de ideale testkandidaat. Toen hebben mijn vrienden mijn eigen plan op mij toegepast. Elke dag, gedurende drie weken, ontving ik sms'jes, mailtjes, post, champagne, schoonmaaksters, theaterkaartjes, zelfgemaakte filmpjes en boeken - zonder te weten van wie het kwam. Mijn telefoon werd ineens niet meer dat akelige ding waar hij nooit meer naar toe smste; maar ik hoopte telkens op een nieuw berichtje van de mysterieuze stuurder. Te gek hè? Toen wist ik het zeker: Ludduvuddu moet er komen.’ Hoe helen jullie gebroken harten? ‘Dit doen wij door elke dag leuke en actuele tips, trucs en tools te sturen die je door alle fases van je liefdesverdriet heen gaan slepen. Van heel hard huilen tot opgelucht zuchten. Door mailtjes die je op je telefoon en computer ontvangt en post die op je deurmat ploft, gaan wij zorgen dat die rottijd net iets minder rot wordt. En met een beetje mazzel krijgen we ook nog flinke hulp van je vrienden. En dat alles voor niks, noppes en nada. Of, als je jezelf of een vriend extra wilt verwennen, voor een klein bedrag. Waarom? We weten zelf hoe het is. En hoe korter het duurt, hoe beter.’ Heb je zelf een gebroken hart of ken je iemand met liefdesverdriet die wel een beetje vrolijkheid kan gebruiken? Ga dan naar www.ludduvuddu.com voor meer informatie.


14 11 0

Terwijl ik de uitnodiging las om een online test te doen voor een baan als junior projectleider, kon ik een grote glimlach niet onderdrukken. Eindelijk! Een leuke functie met een training van drie maanden in de VS waar ik kans op maakte! Natuurlijk had ik de baan nog niet, maar het was fijn om eindelijk eens een keer in contact te komen met een bedrijf dat er blijk van gaf zowel mijn cv als motivatiebrief gelezen te hebben en mij de kans gaf een volgende stap te maken in het sollicitatieproces. ‘Graag ontvangen wij uw testresultaten vóór aanstaande maandag negen uur ’s ochtends in onze mailbox,’ stond in de mail als afsluiting. Mijn vreugde maakte plaats voor lichte paniekgevoelens. Het was vrijdag en ze wilden de resultaten op maandagochtend vóór negen uur hebben? Ik stond net met mijn koffer klaar voor een schoonfamilieweekendje diep in West-Friesland. De klok gaf kwart over vijf aan; over een kwartiertje moesten we in de auto zitten om nog op tijd te zijn voor het afgesproken etentje. Zonder al te veel na te denken griste ik mijn laptop van m’n bureau en propte hem in m’n tas. Er zou in dat bungalowpark toch vast wel ergens een rustig plekje met een goede internetverbinding zijn? Niet dus. Op zaterdagochtend zat ik in het restaurantje naast de receptie, klaar om de test te maken. Voordat ik met de test begon, waarschuwde een tekst op het scherm mij dat een stabiele internetverbinding absoluut noodzakelijk was, want ik kon de pagina niet verversen, ik kon geen pagina terug en ik kon de test al helemaal niet opnieuw maken. Het zweet brak me uit. Ik klikte op de link; nu was er echt geen weg meer terug. Na nog geen tien minuten logicapuzzels, rekensommen en persoonlijkheidsvragen schalde er opeens muziek door de speakers van het restaurant: ‘haar naam was Laaaauuuuraaaa, een héle lieve meid…’ Jan Smit wilde mij duidelijk werkeloos houden. Ondertussen stroomde het restaurant vol met kinderen die allemaal ADHD leken te hebben en heel erg benieuwd waren naar wat ik aan het doen was. Na een half uur was tot twee keer toe het internet weggevallen, maar kon ik, nerd in noodsituaties, wonder boven wonder toch de site terughalen. Tegen die tijd was mij al drie keer koffie aangeboden door de vrien-

delijke mevrouw achter de bar, die blijkbaar moeite had de zin ‘ik kom over een uurtje wel even zelf naar u toe, dank u wel’ te begrijpen. Toen ik na drie kwartier de laatste puzzel had voltooid, klapte ik met klotsende oksels en een gevoel van naderend onheil mijn laptop dicht. Ik had er werkelijk niets van gebakken. Maandagmiddag kwam het mailtje waar ik de rest van het weekend al bang voor was; ik werd niet uitgenodigd voor een gesprek en mijn kans op de baan was verkeken. Het is het stomste wat je kan doen. Denken dat je een test of assessment, zeker voor een baan die je écht graag wilt, wel even tussen alle geplande activiteiten door kan doen. Of dat nu een familieweekend is of iets anders, het is ontzettend belangrijk om er de tijd, rust en ruimte voor te nemen. Terugkijkend had ik gewoon een dag later naar het bungalowpark moeten gaan. Heel jammer van het etentje en alle gezelligheid, maar waarschijnlijk wel veel beter voor mijn testscores. Daarnaast is het altijd goed om assessments te oefenen; veel van dit soort tests lijken op elkaar en bevatten soortgelijke opdrachten en logicapuzzels. Door te oefenen krijg je handigheid in het oplossen van de vraagstukken en verminder je je zenuwen omdat je een beter idee hebt van wat je kunt verwachten. Verder is het fijn een nood-opvangteam te hebben klaarstaan na het maken van de test: óf om te vieren dat je in de flow zat en het waarschijnlijk goed is gegaan, óf om je weer een beetje op te beuren als het helemaal misging en je zelfvertrouwen tot een dieptepunt is gezakt. Als ik een tijdmachine had zou ik terugreizen naar de bewuste vrijdag om kwart over vijf en mezelf even flink bitchslappen, waarna ik alle bovenstaande tips door een megafoon richting mijzelf zou roepen. Helaas bestaat er nog steeds redelijke consensus onder natuurkundigen dat terug in de tijd reizen onmogelijk is. Er zit dus niets anders op dan na een avondje zelfmedelijden de brok teleurstelling weg te slikken en mezelf te installeren achter de computer om alle vacaturesites weer af te gaan. Een potentiële baan armer, maar een les in solliciteren rijker. Kirsten Vegt

17 december 2012

Aantal weken officieel werkloos: Brieven verstuurd: Uitgenodigd voor gesprek:

Spiegeloog

Kirsten zoekt een baan


Spiegeloog

18

december 2012


december 2012

19

Spiegeloog


Spiegeloog

20

december 2012


Filmrecensie Tekst: Emma Laura Schouten

Het verhaal is zo duister en somber dat je er makkelijk afstand van kan nemen, waardoor je niet neerslachtig wordt en de film met plezier kan kijken. De humor speelt hierin ook een grote rol. Al met al is Le Magasin des Suicides een film die de moeite waard is, zeker als je van films à la The Nightmare before Christmas of Corpse Bride (Tim Burton) houdt.

Le Magasin des Suicides draait in het Ketelhuis (Cultuurpark Westergasfabriek, Pazzanistraat 4)

Spiegeloog

Alan, die als enige het leven de moeite waard vindt, probeert al zingend zijn vrienden over te halen een einde te maken aan alle zelfmoorden. Want, zo waarschuwt hij, straks zullen alle kinderen wezen zijn. Zijn vrolijkheid werkt bij leeftijdsgenootjes blijkbaar aanstekelijk want samen verzinnen ze een plan. Door middel van dit meesterplan laat hij zijn familie zien dat het leven mooi kan zijn als je van elkaar houdt, wat natuurlijk uitgebreid bezongen moet worden. [SPOILER ALERT] De film eindigt, in tegenstelling tot het boek waar het op gebaseerd is, goed – eigenlijk zelfs té goed. In scènes met een hoog Disney-gehalte wordt duidelijk dat iedereen vrolijk is en van elkaar houdt. De zelfmoordwinkel wordt omgetoverd tot een heuse crêperie en zelfs de geesten van mensen die door de film heen zelfmoord hebben gepleegd feesten mee. Kortom, aan het einde van de film ligt de vrolijkheid er zo dik bovenop dat het alsnog een grimmige sfeer houdt. Het enige duistere randje (of juist lichtpuntje): meneer Tuvache serveert stiekem crêpes met het giftige cyaankali, voor klanten die de zelfmoordwinkel missen.

21

Stel je een stad voor waar de hoge gebouwen bijna al het zonlicht verbergen. Waar de mensen bij het verkeerslicht liever op rood dan op groen wachten om te gaan lopen en waar de ratten zichzelf gelukkig prijzen als ze naar het treurige leven van de mensen kijken. Dat is de stad waar Le Magasin des Suicides zich afspeelt. Deze Franse animatiefilm is gebaseerd op een kinderboek, al zou je dat niet zeggen. In een stad die zo treurig en troosteloos is dat zelfmoord aan de orde van de dag is, is er één lichtpuntje: de zelfmoordwinkel. Zelfmoord plegen op de openbare weg is verboden (dan krijgt de dode een boete), en daarom biedt de zelfmoordwinkel een goed alternatief. Een winkel die er voor de troosteloze inwoners van deze stad uitziet als een droom; talloze stroppen, verschillende soorten gif, meerdere pistolen met slechts één kogel. De winkel zorgt ervoor dat de klanten meer dan genoeg keuze hebben hoe ze uit het leven willen stappen en staat hoog aangeschreven, want er is nog nooit een klant teruggekomen. Het motto van de winkel luidt dan ook: niet dood, geld terug. De zelfmoordwinkel wordt gerund door de familie Tuvache, een doodgewone ongelukkige familie. Zij kunnen zichzelf geen zelfmoord veroorloven want ondanks het treurige bestaan moeten zij voor de winkel in leven blijven. Maar dan slaat voor de familie Tuvache het noodlot toe: er wordt een nieuwe kleine geboren, Alan. Alan blijkt al snel geen gewone jongen te zijn: hij lacht! Een schande voor de familie Tuvache, hij doet hun smetteloze treurige reputatie bepaald geen eer aan. In plaats van de klanten in de winkel te begroeten met ‘slechte dag’ durft Alan ze te begroeten met ‘goede dag’, en ook ‘tot ziens’ in plaats van ‘vaarwel’, want de familie Tuvache ziet een klant doorgaans maar één keer.

december 2012

Le Magasin des Suicides

regie: Patrice Leconte


..

Client bekent Picolien (24) heeft al vanaf haar twaalfde vrijwel dagelijks een eetbui. Het eten heeft een verdovend effect op Picolien en is voor haar een manier om haar emoties te reguleren. Voor het eerst sinds twee jaar heeft ze nu anderhalve week geen eetbui gehad.

Spiegeloog

22

Tekst: Tessa Velthuis

december 2012

Hoe zijn je eetbuien begonnen? ‘Mijn moeder was altijd heel streng wat eten betreft. Ze wist precies hoeveel koekjes er in elke trommel zaten en we mochten alleen iets hebben als zij het aangaf. Ik kan me herinneren dat ik al heel jong stiekem ging eten. Mijn moeder werd dan heel boos. Sowieso werd ze om heel veel dingen boos. Eten werd voor mij een logische manier om spanning kwijt te kunnen. Mijn moeder werd namelijk wel boos op mij, maar ik durfde niet boos te worden op mijn moeder. Dus in stiekeme dingen, zoals koekjes stelen, ging dan mijn woede en verdriet zitten. Echte eetbuien kreeg ik toen ik op de middelbare school zat. Ik had een bijbaantje en daardoor wat geld om zelf eten te kopen. En ik moest veertien kilometer fietsen van school naar huis, wat me de gelegenheid gaf om naar verschillende supermarkten te gaan. Dan kocht ik meestal drie dingen: een pak koekjes, een zak snoep waar je ook een kinderpartijtje mee kan vermaken, en een zak chips of iets anders hartigs zoals kaasbroodjes. Die eetbuien had ik sowieso altijd thuis, alleen op m’n slaapkamer. Ik at dan binnen een uur alles op.’ Wat gebeurt er voordat je een eetbui gaat krijgen? ‘Ik wéét dat ik het ga doen, het is heel vastbesloten. En dat kan ik dan niet meer veranderen. Ik heb vandaag bijvoorbeeld college van 9.00 tot 20.15u - echt een lange dag. Om me daar doorheen te slepen, beloof ik mezelf een eetbui.

Als ik de dag doorkom, mag ik me daarna laten gaan. Op het moment dat ik besluit dat ik een eetbui ga hebben, zet ik mijn gevoelens al uit. Pas op het moment dat alles op is, denk ik: kut, nou heb ik het weer gedaan.’ Wat gaat er in je om op het moment dat je een eetbui hebt? ‘Het moment dat ik eet, die anderhalf uur, dan voel ik gewoon niks. Ik zet dan alles uit en dat is nou juist ook waar ik naar verlang. Zolang ik bezig ben met eten, lukt dat ook. Eigenlijk begint het al zo’n beetje op het moment dat ik op weg ben naar de supermarkt, dan verstomt alles om me heen al. En op het moment dat ik begin te eten, dan is alles weg. Maar het komt natuurlijk weer terug als het eten op is, daarom is het denk ik ook steeds meer geworden.’ Het eten heeft een verdovende werking? ‘Ja, het haalt de scherpe randjes eraf. En niet eens alleen bij negatieve dingen. Pas was ik gevraagd voor een promotiefilmpje over mijn opleiding, ik had een heel leuke date en het ging goed op m’n studie. Dat is zóveel positiviteit, dat trek ik dus ook niet. Als ik een leuk feestje heb gehad, dan stop ik ook nog weleens bij de avondwinkel. Dat sociale vind ik heftig en dan is het prettig als ik thuis nog even alleen kan eten.’


Wat doe je als de eetbui is afgelopen en het verdovende effect verdwenen is? ‘Ik plan het vaak zo dat ik eet totdat ik naar bed ga. Dan word ik ‘s morgens wakker met buikpijn en dan denk ik: Jezus wat kut, ik ga straks opnieuw eten halen. Of het is: vandaag doe ik het niet, vanaf nu ga ik het nooit meer doen. En dan gebeurt het best wel vaak dat ik in de loop van de dag alsnog weer naar de supermarkt ga. Soms blijft er wat over na een eetbui, als ik zo misselijk ben dat ik niet meer kan eten. Het liefst maak ik alles op, omdat ik niet wil dat er de volgende dag nog wat in huis is. Als ik de dag erna de keuze heb tussen overgebleven koekjes of iets gezonds, dan ga ik voor de overgebleven koekjes. En dan voelt het als te weinig. Ik wil een heel pak koekjes. En ook nog een zak chips en nog dit en dit en dat. Dan ga ik dus weer naar de supermarkt. Twee jaar terug ben ik vegetariër geworden, dat is een jaar goed gegaan. Toen dacht ik: als ik één keer in de maand vlees eet is het niet zo erg. Nu is het zo dat als ik echt een slechte dag heb, ik ook dingen met vlees ga halen. Dat vind ik heel beschamend. Al mijn vrienden koken vegetarisch voor mij als ik kom eten. En als ze bij mij komen, dan kook ik vegetarisch. Maar dan kan het dus best gebeuren dat ik als zij weg zijn spareribs ga bestellen. Daar voel ik me dan heel slecht over.’

Houd je bij hoe lang het goed gaat? ‘Meestal is dat heel snel weer voorbij, dus ik weet nu heel goed wanneer de laatste keer was dat ik een eetbui had. Het komt weleens voor dat het een of twee dagen goed gaat, maar veel langer dan dat gebeurt eigenlijk nooit. Anderhalve week, zoals nu, voelt voor mij dus als een hele prestatie. Ik doe nu al mijn boodschappen op de markt, want daar verkopen ze geen snoep.’ Heb je het idee dat de eetstoornis bij je hoort? ‘Ik zou heel graag willen dat het niet bij mij hoort, maar het is wel al twaalf jaar een probleem. Maar ik heb nu anderhalve week geen eetbui gehad en ik ben naar de sportschool geweest. Ik ben wat afgevallen en ik voel me goed. Ik hoop eigenlijk dat dít bij mij hoort en dat ik de eetstoornis ooit van me af kan schudden. Maar hoe realistisch is het om van mezelf te verwachten dat het nooit meer zal gebeuren? Al zo lang ik me kan herinneren reguleer ik gevoelens met eten. Vanaf mijn dertiende heb ik afwisselend verschillende therapeuten gehad die tegen me hebben gezegd dat ik er rekening mee moet houden dat het kan zijn dat het voor altijd moeilijk blijft. Er was een tijd dat ik heel veel dronk en dat ik met allemaal mannen mee naar huis ging. Dan zijn eetbuien denk ik minder schadelijk. Ik ben verder wel

- Te veel positiviteit trek ik ook niet -

Spiegeloog

Ik heb net voor jouw ogen een stuk taart zitten eten. Had ik dat beter niet kunnen doen? ‘Ik zou ook wel een stuk taart willen, maar ik weet dat ik het niet moet doen. Nu gaat het ruim een week goed, dat wil ik niet verpesten. Als ik nu taart eet, dan maak ik het mezelf heel makkelijk om te denken: nu heb ik iets gegeten wat slecht is, dus nu kan ik me net zo goed straks wel weer laten gaan en ook nog een brownie als toetje nemen. Dan kom ik gelijk weer in die neerwaartse spiraal terecht.’

23 december 2012

Heb je ook weleens gehad dat je een eetbui gepland had, maar het uiteindelijk toch niet deed? ‘Zelden. Het is weleens gebeurd dat bij het pinnen bleek dat er geen geld op m’n rekening stond. Dan houdt het gewoon op. Als het een poosje goed gaat en ik drie of vier dagen geen eetbui gehad heb, dan denk ik soms in de supermarkt wel: oké, ik haal een zak wortels in plaats van een zak chips. Maar daar is echt kracht voor nodig, dat moet ik eigenlijk al bedenken voordat ik naar de supermarkt ga.’


gelukkig nu. Dus ja, misschien is het dan maar zo.’

Spiegeloog

24

Deel je het met andere mensen? ‘De meeste mensen in mijn omgeving weten wel dat ik het probleem heb, maar ze weten niet precies hoe vaak het voorkomt. Ik heb vrienden die zeggen ‘je mag me altijd bellen als je je zo voelt’. Op een gegeven moment had ik een kaartje met hun telefoonnummers in mijn portemonnee, bij mijn pinpas. Dat moest ik dan eerst pakken voordat ik mijn pinpas kon gebruiken. Behalve telefoonnummers stond op dat kaartje ook een lijstje redenen om het niet te doen. Maar dat kaartje haalde ik eruit en dat las ik dan gewoon niet. Als ik eenmaal in dat mechanisme zit dan wil ik niet gestopt worden.’

december 2012

Heb je wat gehad aan je therapie? ‘Het contact met anderen met vergelijkbare problemen hielp me meer dan de therapieën op zich. Ik volgde een eeteducatie, wat inhoudelijk een soort voedingscentrumcursus was over dingen die ik allemaal al wist. Mijn BMI berekenen, daar hield ik me sowieso al dagelijks mee bezig. En ik leerde om lijstjes te maken van wat kan je doen als je de aandrang voelt. Tja, ik kan wel honderd dingen bedenken, maar ik zet alles gewoon uit op het moment dat ik een eetbui ga hebben. Wat ik wel nog zou willen proberen is hypnotherapie, daarbij word je onder hypnose gebracht.’

den ook zo. Als ik het aan mensen vertel dan wil ik wel serieus genomen worden! Ik eet niet weleens een zak snoep leeg, nee, ik eet iedere dag zoveel tot het fysiek pijn doet. Er mag best wat meer bekend worden over deze kant van eetstoornissen.’ Neem je je ouders iets kwalijk? ‘Ik heb mijn ouders lang dingen kwalijk genomen. Tot vier jaar geleden had ik altijd een gezond gewicht, terwijl mijn moeder al sinds m’n zesde tegen me zegt dat ik te dik ben. Dat doe je toch niet bij een kind? Behalve eetbuien heb ik ook een tijd lang gecompenseerd, dus dan ging ik hardlopen, overgeven of medicijnen slikken. Toen ik ophield met compenseren maar wel nog steeds eetbuien had, kwam ik aan. Toen zei mijn moeder letterlijk: ‘Je bent te dik. Als je dunner zou zijn dan zou je mooi zijn, maar dat ben je nu niet.’ Ik was toen zestien. Ik denk dat ieder meisje van zestien behoefte heeft aan bevestiging en ik kreeg het omgekeerde. Door die negativiteit ging ik juist alleen maar meer eten. Toen ik op mijn twintigste aan mijn ouders vertelde hoe dit voor mij was, schrokken ze wel. Mijn woede is nu grotendeels weg en ik kan weer met mijn ouders door een deur, maar dat heeft wel wat therapie gekost.’

- Als ik het aan mensen vertel wil ik wel serieus genomen worden -

Vind je het belangrijk dat andere mensen weten wat het inhoudt om eetbuien te hebben? ‘Toen ik me inschreef bij de sportschool stond er ‘Heeft u mentale problemen die van belang zijn bij het sporten?’ Ja, ik heb een eetstoornis. Die man van de sportschool vroeg wat ik dan had. ‘Eetbuien’ zei ik. Zijn reactie: ‘Ach joh, iedereen trekt toch weleens een pak koekjes open als ‘ie thuiskomt na een zware dag.’ Dat is dus gemiddeld de reactie die je krijgt als je zegt dat je eetbuien hebt. Ik vind dat soms pijnlijk. Van zo’n domme lul op de sportschool maakt het me niet uit, maar sommige vriendinnen reageer-

Vind je dat je omgeving meer rekening zou mogen houden met jouw eetbuien? ‘Nee, dat zou ik niet willen. Maar als ik jarig ben zeg ik wel tegen mensen dat ik niet wil dat ze me snoep geven. Vorig jaar kreeg ik modelleermarsepein voor Sinterklaas. Nou, daar wordt dus helemaal niks van gemodelleerd, dat eet ik gewoon in één keer op. Geef me dan maar gewoon niets.’ Had je liever geen eetstoornis gehad? ‘Absoluut, ik had dit liever niet gehad. Ik heb elke dag buikpijn of last van m’n darmen, ik merk het aan mijn huid en mijn gewicht. En het kost heel veel geld, er zijn weken dat ik honderdvijftig euro uitgeef aan eetbuien.’ <<


De Rondvraag

Beste Agneta, Eén van mijn onderwerpen van onderzoek betreft het science leren: de psychologische processen die van belang zijn voor het leren over natuurlijke verschijnselen. Als kind krijg je daar voor het eerst op de basisschool formeel onderwijs over. Pas in het voortgezet onderwijs wordt dit een serieus vak waar veel tijd in gestoken wordt. Op de basisschool zien we nog geen uitgesproken verschillen tussen jongens en meisjes in hun kennis of interesse voor wetenschap en techniek. In de vroege pubertijd gaan de interesses echter sterk uiteen lopen. In 2010 koos in 4 vwo 25 procent van de jongens een Natuur en Techniekprofiel, terwijl slechts negen procent van de meisjes daarvoor koos. Jij hebt voor verschillende onderwerpen gekeken naar het effect van gender, onder andere voor emoties en carrière. Welke sekseverschillen zouden vanuit jouw perspectief verband kunnen houden met de interesseverschillen tussen jongens en meisjes voor natuur en techniek? Maartje

Het antwoord van Agneta Fischer (Sociale Psychologie) Wat maakt een pop aantrekkelijker voor meisjes dan een auto? Waarom vallen jongens voor technisch lego en gameboys, en houden meisjes van barbies en zijn ze slechts met moeite aan een knalroze Nintendo te krijgen? Jongens hebben hogere scores op de Cito-rekentoets en meisjes hogere scores op de Cito-taaltoets. In alle voortgezette schooltypen kiezen jongens vaker techniek- of natuurprofielen en meisjes zorg- of maatschappijprofielen. Er zijn meer mannen in de technische, economische en financiële beroepen werkzaam en meer vrouwen in de sector zorg en welzijn. En ook op volwassen leeftijd zie je vaker mannen dan vrouwen in computerwinkels of autoshowrooms. Er zijn verschillende verklaringen voor dit fenomeen. Eén verklaring is de rol van sekse-stereotiepe socialisatie, waardoor techniek veel meer met mannen en jongensdingen wordt geassocieerd dan met vrouwen en meisjesdingen. Dit gebeurt als eerste in het gezin, waar vader en moeder sekse-stereotiepe cadeautjes voor hun kroost kopen, hun zoon meenemen naar het techniekmuseum en met hun dochter gaan winkelen. Als ouders proberen het sekse-stereotiep gedrag te verminderen, dan kunnen ze zich nog steeds niet onttrekken aan de alom aanwezige reclame, de inrichting van speelgoedwinkels en de druk vanuit andere

kinderen in de klas. Een meisje in de ‘scienceklas’ is geen gewoon meisje. De belangstelling voor techniek door meisjes wordt consequent en al vanaf een vroeg stadium afgeremd. Stereotypen worden vervolgens ook geïnternaliseerd, en dit kan in sommige situaties niet alleen de belangstelling maar ook de prestaties beïnvloeden. Dit is bekend onder de naam stereotype threat: wanneer bijvoorbeeld een meisje geconfronteerd wordt met het stereotype dat meisjes slecht zijn in wiskunde voordat ze een wiskundetoets moet maken, gaat ze ook daadwerkelijk slechter presteren. Naast sekse-stereotiepe stimulatie zou er ook nog iets anders kunnen zijn waardoor jongens zich meer aangetrokken voelen tot techniek en natuurwetenschap. Een verklaring zou kunnen zijn dat meisjes- en jongenshersenen zich op een verschillende manier ontwikkelen, waardoor jongens beter zijn in techniek dan meisjes. En waar je goed in bent vind je leuk en wil je meer doen. Uit meta-analyses blijkt dat meisjes inderdaad lager scoren op mentale rotatietests (als onderdeel van ruimtelijk inzicht) en op mathematische vaardigheden. Het is echter ook duidelijk dat de belangstelling voor hoe iets werkt of in elkaar zit, niet altijd ruimtelijk inzicht of mathematische vaardighden vereist. Bovendien laten recente analyses zien dat dergelijke verschillen in de loop der tijd kleiner zijn geworden. Datzelfde geldt voor sekse-stereotiepe keuzes voor profielen op de middelbare school en voor studies aan de universiteit. Ik denk dus dat de invloed van de omgeving op de vorming van belangstelling het meest doorslaggevend is.

Agneta Fischer (Sociale Psychologie) geeft de Rondvraag door aan Jan Henk Kamphuis (Klinische Psychologie) Beste Jan Henk, Diagnostiek en persoonlijkheid is het kerngebied van jouw leerstoel. Ik weet dat de Big Five een betrouwbare indeling in persoonlijkheidstypen is en dat deze samenhangt met allerlei persoonlijkheidsstoornissen als ook normaal gedrag. Ik heb een buiten-promovendus die denkt dat ook nonverbaal gedrag, en met name gelaatsexpressies, in bepaalde persoonlijkheidstypes te vangen is. En dat mensen die extravert zijn consistent een ander patroon van gelaatsexpressies laten zien dan bijvoorbeeld mensen die introvert zijn. Is hier wel eens onderzoek naar gedaan? En vind je het plausibel dat persoonlijkheid op deze manier ook aan de buitenkant zichtbaar is? Agneta

25 december 2012

De vraag van Maartje Raijmakers (Ontwikkelingspsychologie)

Spiegeloog

Wetenschappelijk medewerkers stellen elkaar vragen


Het religieuze brein Religie is lang beschouwd als een cultureel verschijnsel. Recentelijk is echter ontdekt dat religie een neurale basis heeft en wellicht een evolutionaire oorsprong.

Tekst: Lisa Baart

Spiegeloog

26 december 2012

Het overgrote deel van de wereldbevolking gelooft in een hogere macht, oftewel in één of meerdere goden. Gezien de grote verschillen tussen religies is lange tijd aangenomen dat religie een cultureel verschijnsel is. Recente ontwikkelingen binnen de neurowetenschap wijzen echter op iets anders; mensen zijn in staat om in hogere machten te geloven vanwege bepaalde hersengebieden die vrij recentelijk zijn geëvolueerd. De tak van de wetenschap die zich bezighoudt met hersengebieden die betrokken zijn bij ‘goddelijke ervaringen’ heet neurotheologie. Hoewel de neurotheologie pas recent furore heeft gemaakt is de basis al veel eerder gelegd. Al in de Griekse oudheid werden verbanden gelegd tussen bepaalde hersenaandoeningen, zoals epilepsie, en heiligdom. Een aanval van epilepsie werd gezien als een religieuze ervaring gestuurd door goden. In de negentiende eeuw begon het psychiaters op te vallen dat veel epilepsiepatiënten erg religieus waren. Tegenwoordig weten we dat dit met name het geval is bij temporaalkwabepilepsie, een hersengebied dat ondermeer in verband wordt gebracht met inlevingsvermogen en verbeeldingskracht (White & Watt, 1981) en dat pas relatief laat is ontstaan in de mense-

lijke evolutie (Kapogiannis, Barbey, Su, Zamboni, Krueger & Grafman, 2009). De temporaalkwab wordt beschouwd als het centrum van religiositeit. Dit is onderzocht met behulp van fMRI-scans. Er werd bekeken wat er gebeurt in de hersenen van religieuze mensen terwijl ze zich in een staat van eenheid met God bevinden (Beauregard & Paquette, 2006). Kapogiannis et al. (2009) onderzochten welke hersengebieden reageren op uitspraken over God. Aan de onderzoeken namen deelnemers met verschillende religieuze achtergronden deel. De onderzoekers onderscheidden verschillende soorten uitspraken. De eerste serie uitspraken had te maken met de plaats van God in de wereld zoals ‘het leven heeft geen hoger doel’. De tweede serie ging over de emoties van God, zoals ‘God heeft liefde voor iedereen’. Tijdens deze uitspraken was er vooral veel hersenactiviteit in de voorkant van de hersenen: de laterale frontaalkwab. Dit is het gebied waar onder andere de Theory of Mind wordt gevormd; het vermogen om zich in andere mensen te verplaatsen. Dit gebied wordt ook wel het God Instinct genoemd omdat dit hersendeel ons helpt te denken in termen van doel en bedoeling (Bering, 2011). De derde serie bestond

- De temporaalkwab is het centrum van religiositeit -


Spiegeloog Het is nog onbekend of de gebieden die betrokken zijn bij religieuze ervaringen speciaal voor religie geëvolueerd zijn. Wellicht is het geloof in een hogere macht een bijproduct van ons inlevingsvermogen en verbeeldingskracht. Cultuur en opvoeding spelen hierbij een grote rol. Overigens leveren deze onderzoeken geen bewijs voor of tegen het bestaan van een god. De klassieke discussie tussen wetenschap en religie zal dus nog even voortduren. <<

Bronnen

- Bering, J. (2011). The God Instinct. The Psychology of Souls, Destiny and the Meaning of Life. London: Nicholas Brealey Publishing. - Beauregard, M., & Paquette, V. (2006). Neural correlates of a mystical experience in Carmelite nuns. Neuroscience Letters 405, 186–190. - Kapogiannis, D., Barbey, A.K., Su, M., Zamboni, G., Krueger, F., & Grafman, J. (2009). Cognitive and neural foundations of religious belief. Proceedings of the National Academy of Sciences 106(12), 4876–4881. - Inzlicht, M., McGregor, I., Hirsh, J. B., & Nash, K. (2009). Neural Markers of Religious Conviction. Psychological Science 20(3), 385–392. - White, R.W., & Watt, N.F. (1981). The Abnormal Personality, New York: Wiley. -Wilson, D. S. (2007). Filmfragment opgehaald van: http://thesciencenetwork.org/programs/beyond-belief-enlightenment-2-0/davidsloan-wilson op 05-12-2012.

27 december 2012

uit abstracte uitspraken over religie en haar verbeelding zoals ‘God is alomtegenwoordig’ en ‘religie is een moreel kompas’. Bij deze uitspraken lichtte de gyrus temporalis op, het hersengebied waar metaforische betekenissen en abstracties worden ontcijferd. Andersom blijkt het ook te werken, stimulans van de temporaalkwab kan leiden tot religieuze ervaringen. Dit verklaart ook de link tussen temporaalkwabepilepsie en religie zoals al vastgesteld door de oude Grieken. Religie heeft dus een evolutionaire oorsprong, maar wat is precies het overlevingsvoordeel voor de mensheid? Het is immers niet voor niks dat religie zich in relatief korte tijd verspreid heeft over de wereldbevolking. Volgens evolutiebioloog David Sloan Wilson (2007) stelt religie de mens in staat in grote groepen samen te leven. Religie zorgt voor sociale stabiliteit in een gemeenschap. Ook zijn er aanwijzingen dat geloof in een hogere macht angst kan reduceren. Inzlicht, McGregor, Hirsh en Nash (2009) lieten religieuze en niet-religieuze proefpersonen een Stroop-taak uitvoeren terwijl hun hersengolven gemeten werden met een EEG. Uit de resultaten bleek dat religieuze deelnemers weliswaar trager waren, maar ook minder fouten maakten en beter op fouten anticipeerden. De onderzoekers concludeerden hieruit dat religieuze deelnemers hun reactie op onverwachte negatieve gebeurtenissen beter kunnen onderdrukken. Kunnen we zodoende stellen dat wij mensen ‘geprogrammeerd’ zijn om in een god te geloven? Hoe zit het dan met de steeds groter wordende groep atheïsten?


Mededelingen voor nummer 352 kunnen tot 15 januari 2012 worden ingeleverd, liefst via e-mail. De redactie behoudt zich het recht voor stukken in te Spiegeloog

28

korten. Nummer 352 komt begin februari uit.

december 2012

SPUI25 is een academisch-cultureel centrum aan het Spui in Amsterdam. Het is een levendig podium dat een verbinding vormt tussen de Universiteit van Amsterdam en de wereld van de culturele praktijk in de breedste zin. De volledige agenda staat op www.spui25.nl maandag 17 december 13.00 - 17.00 (toegang gratis) De filosofie van wetenschappelijke verklaring en begrip Door wetenschappelijke verklaringen is ons begrip van de wereld enorm toegenomen, en het streven naar begrip is een belangrijke motivatie om wetenschap te bedrijven. Maar hoe werkt wetenschappelijk begrijpen? Een symposium met Edwin Koster, Henk W. de Regt, Victor Gijsbers en Frank Hindriks. Wetenschappelijke verklaringen zijn al een paar decennia lang onder-

werp van wetenschapsfilosofische bespiegeling. Dit geldt echter in veel mindere mate voor de notie van wetenschappelijk begrijpen. Een reden hiervoor is de subjectieve connotatie van deze notie, waardoor het traditioneel wordt gezien als filosofisch irrelevant. Door recente ontwikkelingen in de wetenschapsfilosofie ontstaat er echter meer ruimte voor een serieuze discussie over de aard van wetenschappelijk begrijpen en de relatie tussen wetenschappelijke verklaring en begrip. Edwin Koster studeerde wiskunde en

godsdienstfilosofie in Amsterdam (VU), Madrid (UCM) en Princeton (PTS). Hij is als docent verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit Amsterdam. In zijn onderzoek richt hij zich op filosofische vragen met betrekking tot evolutiebiologie, antropologie, geschiedenis en religie. Henk W. de Regt is als UHD Wetenschapsfilosofie verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op vragen rond de aard van wetenschappelijke verklaring en begrip. Hij is mede-oprichter van de European Philosophy of Science Association (EPSA). Momenteel doceert hij tevens aan het Amsterdam University College. Victor Gijsbers studeerde natuurkunde en wijsbegeerte aan de universiteit Utrecht. In 2011 promoveerde hij op een proefschrift over wetenschappelijke verklaringen aan de universiteit Leiden. Zijn onderzoek concentreert zich rond de thema's verklaring en causaliteit. Frank Hindriks is als filosoof verbonden aan de faculteit wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen en aan het Finse excellentiecentrum in de filosofie van de sociale wetenschappen TINT (Universiteit van Helsinki). Zijn onderzoek betreft de filosofie van de sociale wetenschappen, han-

delingsfilosofie en ethiek. (Vooraf aanmelden via www.spui25.nl) dinsdag 18 december 12.15 - 13.00 (toegang gratis) 'Meeschrijven aan het laatste hoofdstuk’ – literatuur en de euthanasiediscussie Het debat over euthanasie en hulp bij zelfdoding is genoegzaam bekend uit kranten en tijdschriften, van televisie en radio. Levensbeëindiging speelt echter ook steeds vaker een rol in de kunsten, waaronder de literatuur. Zodoende hebben literaire werken de potentie om bij te dragen aan publieke debatten en meningsvorming over dit belangrijke en heikele thema. In 1994 verscheen in de literaire reeks van uitgeverij SUN Het refrein is Hein. Dagen uit een verpleeghuis van Bert Keizer. Het boek was een groot succes in Nederland en werd in diverse talen vertaald. In Het refrein is Hein vertelt arts Anton over het leven en sterven in het verpleeghuis waar hij werkt. Regelmatig vragen patiënten om levensbeëindiging, soms gaat Anton daadwerkelijk in op een verzoek om (in zijn woorden) ‘het laatste en moeilijkste hoofdstuk te helpen schrijven.’ De arts doet verslag van de moeilijke afwegingen rond euthanasie en hulp bij zelfdoding,


Ben je psychologiestudent en zou je wel eens op een andere manier tegen de psychologie en de faculteit aan willen kijken? Dan ben je in de Spiegeloog-redactie op de juiste plek! Als redacteur van Spiegeloog houd je je onder andere bezig met het schrijven van artikelen, het houden van interviews en het redigeren van door collega’s geschreven stukken. Ervaring is geen vereiste, enthousiasme en nieuwsgierigheid zijn belangrijker. Ben je geïnteresseerd of wil je meer informatie? Mail ons op: spiegeloog-fmg@uva.nl

De Balie is een platform voor een breed en vrijzinnig publiek. In de Grote Zaal, Kleine Zaal en in de Salon vinden vrijwel dagelijks debatten, seminars, theater- en filmvoorstellingen plaats, gericht op culturele, kunstzinnige, maatschappelijke en politieke kwesties. Adres: Kleine Gartmanplantsoen 10 1017 RR Amsterdam Inlichtingen: 020 5535151. Website: www.debalie.nl woensdag 13 december 20.00 uur Generatie Ik geeft om een ander Met de Kerstsfeer in het lijf organiseert De Balie een avond over verantwoordelijkheid. Is maatschappelijk werk een morele plicht? Of moeten we vooral voor onszelf en onze geliefden

zorgen? Voelen we ons schuldig als we geen boodschappen doen voor de bejaarde buurvrouw? Of hebben we al genoeg aan ons hoofd? Alle argumenten passeren de revue. Aan het einde van de avond ben je er eindelijk uit: ben jij een buddy of een selfhelp hipster?

maandag 17 december 20.00 uur 6 euro voor studenten

woensdag 19 december 20.15 uur 6 euro voor studenten

KennisCafé | Einde der Tijden: de Preview, met aansluitend cinema: Melancholia (Lars von Trier) Op 21 december 2012 is het zo ver: het einde van de wereld. Tenminste, volgens de Maya's. Kom naar het KennisCafé voor de beste voorbereiding op het naderende einde. We scheiden het kaf van het koren met Maarten Keulemans (auteur ‘Exit Mundi’) en zijn spoedcursus apocalyptisch denken, inclusief praktische tips en een live demonstratie. We duiken dieper in de Mayakalender met Laura van Broekhoven (conservator Midden- en Zuid-Amerika, Museum Volkenkunde, Leiden) en Lucas Lourens, paleoklimatoloog aan de Universiteit van Utrecht schetst een aantal doemscenario’s. Godsdienstpsycholoog Joke van Saane (Vrije Universiteit) kan meer vertellen over onze fascinatie met het einde der tijden. Uiteraard ontbreekt columnist Jelle Reumer (Natuur Historisch museum Rotterdam) niet en wetenschaps- en filmjournalist George van Hal presenteert de allerlaatste ‘einde der tijden filmquiz’. Zoals elke maand is Martijn van Calmthout (De Volkskrant) uw gids in bange tijden.

De Grote Verwenning: Into the Wild Wie wil weten wie de Nederlander is, moet beginnen bij zijn welvaart. Overvloed heeft het moderne Nederland gevormd, meer dan geloof, cultuur, of ideologie. We weten alleen niet goed wat welvaart precies doet met de Nederlander. Hij is er tenslotte aan gewend. En hij is er niet mee op zijn gemak. Journalist Patrick van der Hijden onderzoekt onder de titel De Grote Verwenning wat welvaart doet. In een filmserie met dezelfde naam gaat hij samen met De Balie Cinema op zoek naar de effecten van overvloed. Van geluk tot narcisme en van afgunst tot het verlangen om de welvaart te ontwennen. In de laatste aflevering gaan we de wildernis in. Het waargebeurde verhaal van Chris McCandless, die na een radicaal afscheid van zijn verleden en zijn bevoorrechte leven, door de VS trekt en uiteindelijk een zomer probeert te overleven in Alaska. Met muziek van Eddie Vedder. Vooraf een gesprek met filosoof Rene Gude, directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte, over het gebrek aan nood in het westen en het verlangen om de welvaart te ontwennen.

Spiegeloog

SPIEGELOOG is op zoek naar nieuwe redactieleden!

29 december 2012

en over de moeite die het hem kost om levensbeëindiging uit te voeren. In zijn lezing betoogt Wouter Schrover hoe Het refrein is Hein zich – op een voor literatuur kenmerkende wijze – mengt in de discussie over euthanasie en hulp bij zelfdoding. Een spel van verwijzingen naar onder meer Plato’s Faidon en de Bijbel speelt daarbij een belangrijke rol. Wouter Schrover is literatuurwetenschapper en als docent en promovendus verbonden aan de afdeling Literatuur & Cultuur van de Vrije Universiteit. Sinds 2010 doet hij onderzoek naar de manier waarop euthanasie en hulp bij zelfdoding worden verbeeld in literatuur en film. (Vooraf aanmelden via www.spui25.nl)


de Wandelgang De gemiddelde student heeft wel meer aan zijn hoofd dan tentamens leren. Relaties, baantjes, familie, noem maar op. Spiegeloog vroeg in de wandelgang: welke toestand houdt jou momenteel bezig? Tekst & Foto's: Lisa Baart

Spiegeloog

Berry: ‘Hoe overleef ik de komende dagen met nog maar vijf euro op m’n bankrekening? Ik ben zo iemand die vaak nog een beetje maand over heeft aan het eind van z’n geld. Vroeger sjoemelde ik dan wat van m’n spaarrekening af, maar die is inmiddels leeg. Ik denk dat ik maar op water en brood ga leven, en héél hard ga duimen dat de stufi vroeg komt deze maand.’

30 december 2012

Esther: ‘Ik twijfel of ik moet stoppen met mijn bijbaantje als verkoopster bij de Bijenkorf. Ik heb het er erg naar m’n zin maar sinds ik met de Research Master begonnen ben heb ik het zo druk dat ik eigenlijk geen tijd meer over heb om leuke dingen te doen. Aan de andere kant, als ik stop met m’n bijbaantje heb ik geen geld meer om leuke dingen te doen. Voorlopig kijk ik het nog even aan.’

Lieve: ‘Ik denk erover om mijn stage in het buitenland te doen. Ik twijfel daarbij nog tussen Vancouver en Berlijn. Berlijn zou de veilige optie zijn, daar woont mijn vriend en binnen Europa zou ik recht hebben op een Erasmusbeurs. In Vancouver ken ik niemand en het is veel duurder, maar daardoor ook veel avontuurlijker! Ik neig nu naar Vancouver. Mocht niemand me daar willen hebben dan is Berlijn de tweede keuze.’

Roger: ‘Mijn buurman stofzuigt heel veel, wel vier keer per dag, op onregelmatige tijdstippen. Ik hoor dan een ‘tzzzzz’geluid. Ontzettend fascinerend vind ik dat. Wat voor verhaal zou daarachter zitten? Mijn vrienden denken dat hij een illegale wietplantage heeft en dat ik het geluid van de lampen hoor maar ik weet zeker dat het een stofzuiger is. Ik zou willen dat ik het hem durfde te vragen.’


Noa: ‘Mijn buurman is een vriendelijke getrouwde man, we maken regelmatig een praatje. De laatste tijd krijg ik alleen nogal vreemde verzoekjes van hem. Zo vroeg hij een paar weken geleden op WhatsApp of ik een bikinifoto wilde sturen en laatst stuurde hij dat hij mij een ‘ondeugend meisje’ vond. Ik weet niet zo goed wat ik hiermee aan moet. Tot nu toe negeer ik het maar.’

Renee: ‘In de afgelopen tijd zijn heel veel leuke stellen in mijn omgeving uit elkaar gegaan. Velen daarvan waren al meer dan vijf jaar samen! Ik vind dat beangstigend. Sommige van die stellen waren een soort voorbeeld. Als het tussen hen al niet werkt, hoe ga ik het dan ooit volhouden? Ik heb zelf nu twee jaar een relatie en wie weet heb ik dus nog maar drie jaar te gaan.’

Spiegeloog

Rosa: ‘Ik zit in de studentenfractie van de Research Master. De UvA heeft ons gevraagd om kamer 3.01, een voormalige studiekamer, in te richten als ‘gezelligheidskamer’ voor Research Master-studenten. De afgelopen weken hebben we heel Amsterdam afgestruind voor gratis meubels en goedkoop servies en de kamer is nu min of meer af. Ik ben heel erg benieuwd of studenten de kamer ook werkelijk zullen gaan gebruiken. Het zou mooi zijn als het net zo’n succes wordt als de gezelligheidskamer van de VSPA!’

Maud: ‘Begin dit jaar ben ik lid geworden van een studentenvereniging. Dit was een lastige beslissing want ik vind het erg duur en ik moest er een zware ontgroening voor ondergaan. Bovendien kost de vereniging zoveel tijd dat ik minder tijd heb om mee te gaan met uitjes buiten mijn vereniging. Ik heb het er erg naar m’n zin maar de twijfel blijft toch een beetje hangen.’ Hans: ‘Recentelijk ben ik weer in contact gekomen met een vriendin van vroeger. Ik ken haar al zes jaar maar we zijn elkaar de afgelopen tijd uit het oog verloren. Nu zie ik haar weer regelmatig. Tot mijn verrassing bleek ze in de tussentijd heel erg aantrekkelijk te zijn geworden! Qua persoonlijkheden passen we niet bij elkaar en ik wil ook de vriendschap niet op het spel zetten dus ik denk niet dat ik er werk van ga maken. Hoewel ik niet voor mezelf garant kan staan als ik een aantal biertjes op heb…’

31

december 2012

Anna: ‘Ik zit in de skicommissie van de VSPA. De afgelopen weken zijn we druk bezig geweest met organiseren en promoten en maandag zullen we resultaat zien van ons werk: dan is de inschrijving. Voorgaande jaren zat de skireis vaak niet vol maar voor dit jaar maak ik me nog niet echt zorgen. Heel veel mensen hebben enthousiast gereageerd en op Facebook lijkt het alsof veel mensen meewillen.’


bacchus

In comateuze toestand

Het klinkt bijna als een verhaallijn uit een soap; een prins gaat skiën, wordt bedolven onder een lawine en raakt in coma. In soaps is een coma een beproefde tactiek om mensen uit de serie te schrijven maar toch de mogelijkheid open te houden dat ze terugkeren. Want uit een coma, zo lijken de scenarioschrijvers te beweren, kun je altijd nog ontwaken. Ook al is het vijf of tien jaar later. Op 17 februari kwam onze eigen sympathieke Prins Friso onder een lawine terecht. Hij ging skiën buiten de piste, op een dag dat het lawinegevaar 4 was op een schaal van 5. Dat is vragen om problemen. Na twintig minuten onder de sneeuw werd hij gedurende vijftig minuten gereanimeerd. Iedere doorgewinterde soapkijker denkt nu: Ho, wacht maar! Die komt nog terug. Maar is het wel realistisch om daarop te hopen? Een week na het ongeval publiceerde Victor Lamme een column op nrcnext.nl waarin hij onder andere schreef dat ‘er altijd hoop is’. Er zijn namelijk gevallen bekend van mensen met het aan coma verwante locked-in-syndroom die via hersenactiviteit toch nog het een en ander wisten te communiceren. Bijvoorbeeld dat ze hun kwaliteit van leven met een dikke 7 beoordeelden. Of ze schreven gedichten door middel van oogknipperen. In ‘het verwende Nederland’ geven wij comapatiënten te snel op, vindt Lamme. De stekker gaat er al na 72 uur uit, terwijl eigenlijk helemaal niet bekend is hoe het staat met iemands bewustzijnsniveau. Ik ben geen breinexpert, Victor Lamme wel. Toch kreeg ik een heel naar gevoel van zijn column. Juist

als het waar is wat hij zegt en comapatiënten nog kunnen denken, dan is dat toch verschrikkelijk! Half november verscheen er opnieuw een nieuwsbericht over dit onderwerp. Een Canadese man waarvan al meer dan tien jaar werd verondersteld dat hij vegeteerde, een mooi woord voor ‘leven als een plant’, bleek via een hersenscan antwoord te kunnen geven op vragen. ‘We geloven dat hij weet wie hij is en waar hij is,’ stelde de professor die de scan maakte. Het idee dat je weet wie je bent en waar je bent, maar dat je dat niet kenbaar kunt maken tenzij je in een scanner gelegd wordt… Wat een nachtmerrie. Die soapacteurs gaan gedurende hun ‘coma’ tenminste nog naar Hollywood. En als ze daar floppen, wat bij negentig procent het geval is, keren ze zonder gêne terug in het lichaam van hun oude personage. Werkelijke comapatiënten maken niks mee. Niks! Die liggen daar maar. Friso ligt nu al ruim acht maanden in een ziekenhuis in Londen. De stekker zit er nog altijd in. Ik vraag me af of het in leven houden van comapatiënten iets progressiefs of nou juist iets heel conservatiefs is. Het komt voor dat mensen ontwaken, maar dit gebeurt niet erg vaak en als het gebeurt zijn ze vaak ernstig gehandicapt. Het lijkt me in ieder geval heel belangrijk om de discussie hierover aan te gaan. De patiënten zelf kunnen na tien jaar verveling waarschijnlijk niet wachten om zich erin te mengen.

Tessa Velthuis

Toestand  

Spiegeloog 351: Toestand (december 2012)

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you