Issuu on Google+

september 2009 • jaargang 37 • nummer 328


37e jaargang nr. 328, september 2009 ISSN 0166-1930 Spiegeloog is een blad voor de Afdeling Psychologie, Universiteit van Amsterdam

Kamer A.903 Afdeling Psychologie Roetersstraat 15 1018 WB Amsterdam t: 020 - 525 67 58 e: spiegeloog@fmg.uva.nl

903 Nieuwe kansen

HoofdEind Vera van der Molen & Simon Nak.

Na een lange zomeronderbreking ligt hier dan de eerste Spiegeloog van studiejaar 2009-2010. Amsterdam krioelt van de nieuwe studenten en ook in, voor en rondom zaal A is het weer druk zoals altijd in september. Met het nieuwe jaar heeft ook de hoofdredactie een nieuw gezicht. In het vorige nummer kondigden we het al aan, maar inmiddels is Vera al helemaal ingeburgerd in haar rol als hoofdredactrice. Daarnaast is een aantal redactieleden vertrokken en hebben enthousiaste nieuwe redacteurs hun plaats ingenomen. We zijn nu al erg blij met ze en hopen op een lange samenwerking. In dit eerste nummer wordt het nut van eerste indrukken uitgelegd en vinden we een ingezonden artikel getiteld The attack on neuroscientists. Ook wordt de levensloop van de eerste PR-man, Edward Bernays, beschreven. Wie de Spiegeloog uit het rek pakte is waarschijnlijk de omslag wel opgevallen een creatieve interpretatie van het woord 'nieuw'. Vanzelfsprekend zijn ook dit jaar de vaste rubrieken van de partij. Interessante boeken en films worden besproken, wetenschappelijk medewerkers stellen elkaar vragen en beantwoorden die en twee studenten schrijven over hun belevenissen in het buitenland. Ten slotte zijn we heel blij dat onze vaste columnist Denny Borsboom nog altijd boven in zijn Ivoren Toren zit. Sommige dingen zijn goed zoals ze zijn en voor de rest geldt: nieuwe ronde, nieuwe kansen.

Simon en Vera

Redactie Gerrie Bloothoofd, Maartje Bult, Annemarie Kohne, Hannah Mathkor, Joost Molenaar, Bianca Muurman, Kirsten Vegt. Medewerkers Denny Borsboom, Raoul Grasman, Dianne van Hemert, Hilde Huizenga, Raïsa van Olden, Lourens Waldorp, Jelte Wicherts, Jasper Winkel. Fotografie Joost Molenaar, Raïsa van Olden, Lydia Sprenger. Omslagillustratie Nadia Abdelmalik. Layout Simon Nak & Lydia Sprenger. Druk Drukkerij de Raddraaier Van Ostadestraat 233 b 1073 TN Amsterdam 020 - 673 05 78 Reacties, commentaren en ingezonden brieven zijn van harte welkom. Voor lange artikelen die ter publicatie worden aangeboden, is het verstandig eerst contact op te nemen met de redactie. De redactie behoudt zich het recht voor bijdragen in te korten of te wijzigen. Spiegeloog verschijnt zeven keer per jaar. Een abonnement op Spiegeloog kost € 12,50 per jaar. Indien geïnteresseerd, stuur een bericht met uw naam en adres naar de redactie. Niets uit deze uitgave mag vermenigvuldigd worden zonder schriftelijke toestemming van de redactie.


Inhoud

4

8

7

Edward Bernays

De eerste indruk

Filmrecensie

Grondlegger van de PR

Goed of slecht?

Away We Go

Rondvraag Wicherts aan Van Hemert

10

Ramsj! Leesvoer voor psychologen

16

Mededelingen Activiteiten voor studenten

20

Tabula rasa Kopstukken

12

Grenzenloos Lydia en Ra誰sa

17

Wandelgang Wat maakt studeren leuk?

22

Pravda Nieuwsrubriek

13

Attack on neuroscientists 18 Het strijdtoneel der wetenschap

Bacchus Beginnen

24

Ivoren toren Jaloers

19


Edward Bernays:

3 voor de prijs van 1 - Bedenker, ontlokker en vervuller van verlangens. Dr. Herbert Krugman, een psycholoog die jarenlang voor General Electric werkte als onderzoeker naar publieke opinie, stelde ooit dat reclame werkt, juist omdat we er geen aandacht aan besteden. Constant worden er verlangens aangewakkerd waarvan je niet eens wist dat je ze had totdat je met het betreffende product bij de kassa staat. Eén van de eersten die hier handig op in wist te spelen was Edward Bernays (1891 – 1995), grondlegger van de ‘public relations’.

Spiegeloog

4

Tekst: Lydia Sprenger

september 2009

Maak eens in gedachten een rondje langs alle kasten, planken, tafels in je huis. Wat staat er in, of ligt er op? Vergeet je schoenen niet (dames), en al die DVD’s (heren). En stel nu jezelf de vraag: Wat heb je écht nodig? Tuurlijk, op het moment van aanschaf was je ervan overtuigd dat die roze pumps een broodnodige aanvulling van je collectie waren. Je had immers nog geen roze pumps. Een jaar later heb je ze pas drie keer aangehad. Eigenlijk kun je niet zo lang staan op die hoge hak en deze kleur roze combineert bij nader inzien toch niet zo goed met het overgrote deel van je uitpuilende garderobe. Volg je de gedachtegang van ondergetekende, dan concludeer je dat je meer kleren nodig hebt die wel bij deze schoenen passen, en doe ook maar een paar roze gympjes, want daar kun je wel lang op staan. Het zou logischer zijn om die roze pumps gewoon weg te doen – misschien brengen ze nog iets op op de rommelmarkt – maar ook ik ben nu eenmaal geconditioneerd om mijn wants met mijn needs te verwarren. Met dank aan Edward Bernays. Bernays, een dubbele neef van Sigmund Freud (zijn moeder was Freud’s zus, zijn vader de broer van Freud’s vrouw), wordt door velen gezien als de grondlegger van public relations. In zijn werk als public relations counselor creëerde hij vernieuwende verkooptechnie-

ken op basis van psychoanalytische inzichten die hij mede dankzij zijn beroemde oom had opgedaan. In deel 1 van de vierdelige documentaire The Century of The Self (2002) van Adam Curtis is te zoen hoe Bernays, gebruikmakend van het idee dat men gedreven wordt door onbewuste irrationele instincten, een revolutie teweeg bracht op het gebied van marketing en aan de basis stond van de hedendaagse consumptiemaatschappij. Van oorlogspropaganda naar public relations Edward Bernays begon zijn carrière in 1913 als persvoorlichter voor theaters, operazangers en balletensembles in New York. Toen Amerika zich in 1917 klaarmaakte voor inmenging in de Eerste Wereldoorlog werd Bernays gevraagd voor het Committee on Public Information (CPI), opgericht om de publieke opinie over de Amerikaanse deelname te beïnvloeden. Of, zoals Bernays zelf zei: ‘We werkten om de wereld klaar te maken voor democratie. Dat was de grote slogan.’ Toen Bernays met eigen ogen zag hoe President Woodrow Wilson na de beëindiging van de oorlog als een held werd onthaald in Parijs, realiseerde hij zich dat als je ‘propaganda kan gebruiken in oorlogstijd, je het ook zeker kunt gebruiken tijdens vrede’. Een van zijn eerste propagandistische acties als ‘marketing man’ in vredestijd was om het woord propaganda te vervangen door een minder gevoelige term. Bernays: ‘Propaganda was een slecht woord, omdat de Duitsers het ook gebruikten. Dus ik probeerde een nieuw woord te vinden, en we bedachten ‘counsel on public relations’.’ De zelfbenoemde PR-adviseur opende een kantoor off-Broadway en kon meteen aan de slag.


Lucky Strike reclame uit 1935.

Zo bediende hij drie klanten tegelijk, in wat ook wel een tie-in wordt genoemd, door de stomme (zonder geluid) filmactrice Clara Bow (een klant) te laten poseren op de cover van een modemagazine van uitgevermagnaat William Hearst (een klant) waarin zij ook nog eens de zogenaamde Bow Hat (geproduceerd door een derde klant van Bernays) aanprijst. Naast deze vorm van celebrity endorsement liet hij sterren die hij representeerde zich ook op premières aankleden met kleding en sieraden ontworpen door andere klanten. De vraag ‘Who are you wearing?’ is tegenwoordig niet meer weg te denken van de rode loper. Ook de praktijk van product placement in films en op tv komt uit Bernays’ hoge hoed. Verder organiseerde hij modeshows in warenhuizen en liet hij beroemdheden betalen om te benadrukken dat het kopen van mooie spullen een manier was om jezelf te uiten. Ook claimde hij de eerste te zijn die autofabrikanten adviseerde om auto’s een symbool

- Wie tornde aan de rokende vrouw, tornde aan het fundament van de democratie -

In 1929 maakte Bernays wel heel letterlijk gebruik van het thema vrijheid in een campagne om het taboe op in het openbaar rokende vrouwen te doorbreken. George Hill, president van de American Tobacco Company, huurde Bernays in, omdat hij naar eigen zeggen als gevolg van dit taboe slechts ‘aan de helft van de potentiële doelgroep’ sigaretten

5

septmeber 2009

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog waren de grote Amerikaanse fabrikanten bang voor overproductie. Als iedereen voorzien was van alles wat men nodig had, was er geen reden om nog meer te kopen. Tot die tijd lag de nadruk in reclamecampagnes nog op de bruikbaarheid van een product. Onder invloed van Bernays verschoof deze nadruk naar de wenselijkheid van het product. Men werd (onbewust) overgehaald het product te kopen, niet omdat men het nodig had, maar omdat het een goed gevoel gaf het product te hebben. Hierbij kon Bernays voortborduren op het thema democratie. Hoewel het aanschaffen van luxe-goederen allang gewoon was onder de rijken, werd nu ook de grote arbeidersklasse geleerd dat kleding, sieraden en auto’s middelen waren om jezelf te onderscheiden. Middelen om uiting te geven aan de vrijheid men ten deel viel in de democratische wereld.

3 vliegen in 1 klap De topbankier Paul Mazer van Lehman Brothers schreef destijds over de verschuiving in consumptiementaliteit: ‘We must shift America from a ‘needs’ to a ‘desires’ country. People must be trained to desire, to want new things even before the old have been entirely consumed. We must shape a new mentality in America: Man’s desires must overshadow his needs.’ Om dit voor elkaar te krijgen, verzon Bernays een aantal overtuigingstechnieken die vandaag de dag nog steeds worden toegepast om producten aan de man te brengen.

Spiegeloog

verkocht. Bernays won advies in van de Amerikaanse psychoanalyticus A.A. Brill, die sigaretten omschreef als een symbool voor de penis en de seksuele macht van de man. Volgens Brill zou Bernays vrouwen kunnen laten roken als hij dit verbond aan het uitdagen van de dominante sekse. In een legendarische actie lichtte Bernays de pers in dat een groepje demonstranten voor vrouwenrechten zogenaamde ‘torches of freedom’ zouden opsteken tijdens de jaarlijkse Easter Day Parade in New York. Ondertussen overtuigde Bernays een paar debutantes ervan om tijdens de parade een pakje sigaretten onder hun kleding te verbergen. Op zijn teken zouden ze allemaal tevoorschijn komen en een sigaret opsteken, als symbolische fakkel voor de vrijheid. De actie kreeg wereldwijd aandacht in de kranten en was succesvol in het doorbreken van het taboe op rokende vrouwen. Wie nog toornde aan de rokende vrouw, toornde aan het fundament van de democratie: vrijheid.


te maken van mannelijke seksualiteit. Bernays liet zich overigens niet te veel dwarsbomen door moraliteit in zijn aanprijstechnieken. Zo betaalde hij dokters, psychologen en andere wetenschappers om rapporten uit te brengen die stelden dat bepaalde producten goed waren voor je (mentale) gezondheid. Deze studies werden vervolgens als onafhankelijke studies gepresenteerd. Democricity Tot de beurskrach in 1929 groeiden de bomen tot in de hemel voor Edward Bernays en zijn klantenkring van grote fabrikanten. Hij was een gevierd man in de New Yorkse high society, waar hij glamour en politiek samenbracht op de vele feestjes die hij hield in de suites van het hotel waar hij woonde. Maar toen de beurs instortte en president Roosevelt in de jaren ’30 onder The New Deal de boel weer poogde te her opbouwen, moesten Bernays en de kapitalistische producenten een pas op de plaats maken.

Spiegeloog

6

Roosevelt deed met The New Deal een beroep op rationeel en verantwoord burgerschap. Dit ging niet samen met de irrationele burger en diens verborgen verlangens die Bernays probeerde aan te spreken. De grote producenten werden bovendien als het zwarte schaap aangemerkt in de crisis. Maar Bernays zou Bernays niet zijn als hij ook nu niet een manier wist om het tij te keren.

september 2009

Als PR-adviseur voor de Wereldtentoonstelling in New York in 1939 bedacht hij de term ‘democricity’. In plaats van een tentoonstelling van de stand van de wetenschap, zoals velen graag hadden gezien, werd de Wereldtentoonstelling aangegrepen door fabrikanten van consumptieproducten om hun waar te promoten. Tijdens deze Wereldtentoonstelling werd nog maar eens de boodschap van stal gehaald dat een werkelijke democratie niet kon bestaan zonder kapitalisme. In werkelijkheid was Bernays’ idee er een van ‘verlicht despotisme’ volgens zijn dochter Ann. In navolging van Freud, die in Das Unbehagen in der Kultur (1930) schreef dat men gedoemd was ongelukkig te worden van het leven in een geciviliseerde maatschappij, maar dat dat tegelijkertijd de enige manier was om gevaarlijke dierlijke driften te onderdrukken, had Bernays weinig vertrouwen in de rationaliteit van de burger. Redenerend dat een blije burger is een gehoorzame burger is, schreef hij het essay The Engineering of Consent. Hierin beschrijft hij de kunst van het manipuleren van burgers om dingen te willen die zij niet nodig hebben, wat hij zag als een noodzakelijk kwaad om de mens in toom te houden.

in de strijd tegen het communisme. Daarnaast werkte hij als adviseur van de CIA in de door Amerika geregisseerde machtsovername in Guatemala in 1954. De in 1950 democratisch gekozen president Arbenz had alle bananenplantages genationaliseerd, wat een strop betekende voor het Amerikaanse United Fruit Company (een klant van Bernays), dat voordien de touwtjes in handen had van de plantages. Terwijl de CIA ondergronds bezig was het regime van Arbenz te saboteren, hield Bernays zich bezig met het beïnvloeden van de publieke opinie. Hij liet Arbenz in de pers onterecht neerzetten als een communist met banden met Moskou. Aangezien Guatemala voor de meeste Amerikanen niet zo’n ver-van-het-bed-show was als Moskou, hielp dit weer in het aanwakkeren van de publieke opinie tegen het communisme. Gevaren van roken De invloed van Bernays op het gebied van PR is zeer groot geweest. Zowel op politiek, zakelijk en entertainment gebied is hij in staat geweest om het publiek gunstig te stemmen voor zijn klant. Zij het een president, een autofabrikant of een actrice. En hoewel de consument tegenwoordig mondiger is en het idee van irrationele onbewuste verlangens enigszins is achterhaald, worden veel van Bernays technieken nog altijd toegepast om het idee van de wenselijkheid van een product in het hoofd van de consument te vestigen. Rationeel of onbewust, het werkt nog steeds. Bernays heeft zelf ook nog wel eens een beroep gedaan op ratio, in zijn pogingen het publiek te informeren over de gevaren van roken. Hiervoor oogstte hij in 1960 lof van de organisatie Action on Smoking & Health. Over zijn ‘torches of freedom’ campagne drie decennia eerder zei hij: ‘Had I known in 1928 what I know today, I would have refused Hill’s offer.’ The Century of The Self is te zien op Google Videos, zoekterm ‘Edward Bernays’.

Bronnen: - Eric Clark (1988). The Want Makers: Inside The World of Advertising. Penguin Books, Londen. - http://www.prmuseum.com/bernays - http://en.wikipedia.org/wiki/Edward_Bernays - http://en.wikipedia.org/wiki/1939_New_York_World's_Fair

Ook in politiek opzicht had Bernays geen hoge pet op van de burger. Tijdens de Koude Oorlog adviseerde hij de overheid om de Amerikaanse burger juist zo bang mogelijk te maken voor de dreiging vanuit het Oostblok. Op deze manier kon de regering verzekerd zijn de publieke steun

- http://en.wikipedia.org/wiki/Operation_PBSUCCESS


Filmrecensie Tekst: Kirsten Vegt

Away We Go is te zien in Pathé Tuschinski en The Movies.

Spiegeloog

afwezige moeder zal opgroeien. Wat opvalt aan deze film, is dat Burt en Verona bij elk gezin dat ze tegenkomen iedere keer weer toeschouwers zijn van ofwel een komisch karikatuur, of echt menselijk drama. Bij beide zijn ze machteloos iets aan de situatie te veranderen, maar ze staan ook wel erg duidelijk aan de zijlijn. Zo wordt er bijvoorbeeld na elk gezin niet écht door Burt en Verona gepraat over hoe ze deze ontmoetingen hebben ervaren en wat hun eigen ideeën dan zijn over het ouderschap. Daardoor mist deze film diepgang die bij de zwaardere thema’s die aan bod komen gepast was geweest. Een pluspunt van deze film is de authenticiteit van de acteurs. John Krasinski (The Office) en Maya Rudolph (Saturday Night Live) weten als Burt en Verona zonder sentimentele dialogen of geforceerde aanvaringen te overtuigen als een stabiel stel met een jarenlange relatie. De grappen in de film zijn origineel en geen moment tenenkrommend, ze ondersteunen en versterken juist het verhaal. Ook heeft Away we Go een sterk einde, waarin de regisseur trouw is gebleven aan de stijl van het script. Er wordt niet opeens een suikerroze Hollywoodbruiloft gehouden, er vindt geen hemelse bevalling plaats en er wordt geen toverstokje gevonden dat op magische wijze een oplossing biedt voor alle aanwezige problemen. Away We Go is zeker de moeite waard als je zin hebt in een fijne film met humor, maar waar enige inhoud ook van belang is!

7

‘Are we screw-ups?’ Deze vraag wordt aan het begin van Away We Go gesteld door de hoofdpersonen. Terwijl het verhaal in de film zich ontwikkelt blijkt dit een nog niet zo eenvoudig te beantwoorden vraag te zijn. Verona en Burt (gespeeld door Maya Rudolph en John Krasinski) zijn een ongetrouwd stel van rond de dertig, die in verwachting zijn van hun eerste kindje. Ze wonen in een vervallen hut in Colorado, vlakbij de ouders van Burt. Deze kondigen aan twee jaar lang in België te gaan wonen en daarbij de geboorte en het opgroeien van hun kleinkind te zullen missen. Dit vertrek neemt alle redenen voor Verona en Burt om nog in Colorado te blijven weg. Ze gaan op een roadtrip door de VS om een nieuwe woonplaats te vinden en zich ergens definitief te settelen. Het blijkt ook al snel een zoektocht naar ‘het perfecte gezin’ te zijn, aan wie ze zich kunnen spiegelen en met wie ze de ervaring van een kind krijgen en opvoeden kunnen delen. Bij het bezoeken van oude bekenden en familieleden wordt al snel duidelijk dat Verona en Burt alles behalve screw-ups zijn. Zo komen ze bij de luidruchtige ex-baas van Verona die constant in hun bijzijn haar kinderen afbrandt, terwijl haar man zich verliest in samenzweringstheorieën. Daarnaast ontmoeten ze het ultra-zweverige hippie nichtje van Burt dat pertinent tegen kinderwagens is (‘I LOVE my babies! Why would I PUSH them away from me!’). Naast deze karikaturen van gezinnen komen ze ook ‘normalere’ gezinnen tegen, waarin onderliggende moeilijkheden blijken te bestaan, zoals het plotselinge vertrek van de vrouw van Burts broer, waarna deze een lastige toekomst voorziet voor zijn dochter die nu met een

regie: Sam Mendes

septmeber 2009

Away We Go


De eerste indruk Met de start van het nieuwe studiejaar vinden er in de gangen van gebouw A ineens allemaal nieuwe ontmoetingen plaats. Eerstejaars studenten zien zowel elkaar als alle docenten voor het eerst, maar ook voor ouderejaars zijn er ineens overal nieuwe, jonge gezichten. Zoveel ontmoetingen leiden tot evenzoveel eerste indrukken. Tekst: Gerrie Bloothoofd

Spiegeloog

8

Een foute eerste indruk Je bent nieuw op school, je gaat naar een college toe, je zit op het terras of je komt terecht op een feest waar je niemand kent. Je kijkt naar de mensen om je heen en direct beoordeel je mensen op hun uiterlijk, gedrag en kleding. Jouw brein categoriseert de wereld om zich heen, plaatst alles en iedereen in zeer korte tijd in hokjes om het beter te begrijpen en je hebt in enkele seconden overal een beoordelingskaartje aan gehangen. Maar omdat dit zo snel gebeurt, is het lang niet altijd correct.

september 2009

Het kan van cruciaal belang zijn om snel ergens een indruk van te hebben, bijvoorbeeld in een levensbedreigende situatie. De hersenen categoriseren, ordenen en oordelen razendsnel, waar je ook bent en wat je ook doet. Er spelen zich op dat moment allerlei processen af in onze hersenen en ons waarnemingssysteem, die allemaal kunnen leiden tot een foute eerste indruk.

het beeld dat je al van die persoon hebt. Een ander voorbeeld van dit snelle en krachtige beoordelingssysteem is het feit dat aantrekkelijke mensen over het algemeen als socialer en aardiger worden ervaren dan minder aantrekkelijke mensen. Aantrekkelijke mensen krijgen onder andere lagere gevangenisstraffen, worden eerder aangenomen bij sollicitatiegesprekken en worden als intelligenter ingeschat dan de minder aantrekkelijke mensen onder ons. Ook hier geldt de self fulfilling prophecy: aantrekkelijke mensen schatten we in als aardig, dus benaderen wij hen op een aardige, nette manier. Hiermee lokken we eenzelfde reactie uit en daarmee wordt het beeld dat van hen bestaat bevestigd. Een fenomeen dat deze reactie versterkt is het zogenaamde ‘closing time phenomenon’, bekend bij velen die tot laat in een kroeg verblijven. Het houdt in dat naar mate de sluitingstijd in een kroeg nadert, en daarmee het aantal ‘potentiële partners’ kleiner wordt, het uiterlijk van het andere geslacht als aantrekkelijker wordt ervaren (Madey, 1996). Iets om te onthouden voor het eerstvolgende psychologiefeest.

- Aantrekkelijke mensen krijgen lagere gevangenisstraffen -

De self-fulfilling prophecy De kracht van een eerste indruk is groter dan menigeen denkt. Een goede illustratie hiervan is de zogenaamde self fulfilling prophecy, oftewel een zelfbevestigende voorspelling. Hierbij wordt de verwachting die je hebt van iemand anders, bevestigd door jouw eigen houding. Stel, je ontmoet iemand tijdens een practicumgroep die je, afgaande op jouw eerste indruk, niet aardig lijkt. Doordat je die persoon vervolgens, misschien onbewust, ietwat koel benadert lok je hiermee eenzelfde reactie uit. En daarmee bevestig je

Het aandachtssysteem Voordat we ergens een indruk van krijgen moeten we er eerst onze aandacht op richten. Als in een levensbedreigende situatie snel een oordeel gevormd moet worden, dan is het belangrijk niet elk onderdeel als op zichzelf staand te bekijken, maar alles als een geheel te zien. Anders kost de beoordeling teveel tijd. De onderstaande tekst illustreert dit:


Bij het observeren van anderen terwijl je op een terras zit, komt het vaak niet verder dan een eerste indruk. Een eerste indruk kan echter een langdurig effect hebben, mocht je die persoon vaker tegenkomen. Uit een beroemd onderzoek van Widmeyer en Loy uit 1988 kwam dit effect naar voren. Een docent hield een neutrale lezing waarbij 240 universiteitsstudenten in de zaal zaten. Voordat de docent zijn lezing begon, kreeg de ene helft van de studenten te horen dat de docent een warm persoon was, en de andere helft van de studenten kreeg te horen dat de docent een koud persoon was. De docent gaf de lezing en na afloop werd aan de studenten gevraagd wat ze van de docent vonden. De groep studenten waartegen werd verteld dat het een warm persoon was, zag hem als een effectievere docent, een socialer persoon en als iemand die over meer humor beschikt dan de groep studenten waartegen werd gezegd dat het een koud persoon was. Mocht je dus van een medestudent te horen krijgen dat een bepaalde docent een fantastische, of juist fantastisch saaie man, is besef dan dat je dat idee waarschijnlijk onbewust gaat bevestigen en extrapoleren.

Wat is jouw eerste indruk van deze opleiding? En welke indruk wil je achter laten? De wetenschap dat je bijna overal door vrijwel iedereen wordt beoordeeld klinkt wellicht beangstigend, maar dat je je hiervan bewust bent is al ‘indrukwekkend’ genoeg!

Bronnen - Feingold, A. (1992). Good-looking people are not what we think. Psychological Bulletin, 111, 304-341. - Scott F. Madey; Melanie Simo; David Dillworth; David Kemper; Anne Toczynski; Althea Perella (1996). They do get more attractive, but only when you’re not in a relationship. Basic and Applied Social Psychology, 80 (4), 387-393. - Smit, E.R. & Mackie, D.M. (2000). Social Psychology. Philadelphia, Psychology Press. - Widmeyer, W. N., and J. W. Loy. "When you're hot you're Hot! Warm-cold Effects in First Impressions of Persons and Teaching Effectiveness." Journal of Educational Psychology 80 (1988): 118121.

9

Ook een tekst zonder klinkers is goed te lezen. Veel informatie passen we namelijk zelf aan, zonder daadwerkelijk te lezen of te zien wat er echt staat. Bij de verwerking van binnenkomende informatie blijkt er een verschil te zijn tussen mannen en vrouwen. Mannen en vrouwen categoriseren informatie anders en vestigen hun aandacht op andere onderdelen als zij ergens naar kijken. Als men op het terras zit kijken vrouwen op een andere manier naar mensen die voorbij komen dan mannen. Eye tracking-onderzoek laat dit zien. Men wordt gefilmd tijdens het bekijken van een plaatje en een eye tracking-apparaat volgt de bewegingen van de ogen. Vervolgens wordt er een analyse gemaakt van het kijkgedrag. Hieruit blijkt dat wanneer vrouwen naar andere vrouwen op een plaatje kijken, zij meer letten op het gezicht en de benen, terwijl mannen juist meer naar de buik, heupen en gezicht kijken.

De accuratesse van de eerste indruk Ondanks deze foutjes (biases) blijken onze eerste indrukken toch vrij vaak accuraat te zijn. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de eerste indruk die mensen van iemand hebben, vrij aardig overeenkomt met de indruk die mensen van zichzelf hebben. Op basis van een eerste indruk van iemand, kan zelfs de score op een persoonlijkheidstest vrij nauwkeurig voorspeld worden. Met een eerste indruk kunnen we een voorspelling doen over het gedrag of de prestaties van een ander.

september 2009

Vgloens een ozdoenerk aan de Esglene untiisirevet, mkaat het niet uit in wkele vdlogore de ltetres in een worod staan, het egine dat bnlaejigrk is is dat de erstee en lttasae leettr op de geode palats saatn. De rest kan een tltoae ponhiuop zjin en nog kan je het leezn zoendr polreebm. Dit kmot drooadt we neit elke ltteer zelf leezn maar het woord als geeehl.

Spiegeloog

bron: www.derksenderks.nl


De Rondvraag Wetenschappelijk medewerkers stellen elkaar vragen

De vraag van Jelte Wicherts (Methodenleer)

Beste Dianne,

Spiegeloog Spiegeloog september 2009 juni 2008

10 10

De Britse psycholoog Richard Lynn en de Finse politicoloog Tatu Vanhanen beweren in hun controversiële boek “IQ and the wealth of nations” dat globale verschillen in economische ontwikkeling grotendeels verklaard kunnen worden aan de hand van intelligentieverschillen. Zo zouden arme landen in Afrika vooral arm zijn omdat de bevolking van die landen niet erg intelligent is. Lynn en Vanhanen hebben voor hun onderzoek schattingen gemaakt van het gemiddelde intelligentieniveau van de bevolking van landen door IQ scores van steekproeven in die landen te vergelijken met Britse normen. Hun empirische vinding bestond eruit dat deze “nationale IQ’s” positief correleren met het bruto binnenlands product. Nu kan zo’n correlatie niet zondermeer causaal geïnterpreteerd worden en vond ik in mijn proefschrift dat Lynn en Vanhanen nogal slordig te werk gaan in het schatten van het nationaal IQ. Ik ben vooral benieuwd naar jouw mening over het “nationale IQ”. Crosscultureel psychologen twijfelen nogal vaak aan de vergelijkbaarheid van scores over verschillende culturele groepen. Is het idee van “nationaal IQ” volgens jou onzinnig of is het in principe mogelijk om IQ scores van westerlingen en, zeg, Afrikanen te vergelijken in termen van intelligentie? Jelte

Het antwoord van Dianne van Hemert (Sociale Psychologie) Beste Jelte, Het boek van Lynn en Vanhanen stelt niet alleen IQ onderzoek in een kwaad daglicht, maar ook cross-cultureel vergelijkend onderzoek. Ik ben het natuurlijk met je eens dat het causale verband tussen IQ en economische ontwikkeling

dat Lynn en Vanhanen suggereren, in navolging van Hernstein en Murray in hun omstreden boek over Amerikaanse etnische groepen ‘’The Bell Curve’’, discutabel genoemd kan worden. Behalve allerlei mogelijke alternatieve interpretaties van de door hen gerapporteerde correlatie zijn er inderdaad ook methodologische problemen die ernstige vraagtekens bij Lynn en Vanhanen’s beweringen plaatsen. Zo zijn de meeste landsscores in hun onderzoek schattingen die gebaseerd zijn op gegevens van naburige landen, omdat er geen gegevens uit de betreffende landen waren. Veel van de andere landsscores zijn gebaseerd op de resultaten van één of twee studies. Daar komt bij dat die studies niet altijd respondenten gebruikten die representatief waren voor het land in termen van bijvoorbeeld etniciteit, opleiding, woonplaats (stad versus platteland) en leeftijd. Een stuitend voorbeeld is de landsscore van het Afrikaanse land Equatoriaal-Guinee, dat gebaseerd is op het gemiddelde IQ van een groep Spaanse kinderen uit een tehuis voor gehandicapten. Dit soort problemen is natuurlijk niet onbekend binnen het cross-cultureel vergelijkend onderzoek. Cross-cultureel psychologen hebben als uitgangspunt dat scores in principe vergelijkbaar (moeten) zijn tussen culturen, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Proefpersonen moeten over landen heen vergelijkbaar zijn op een aantal relevante kenmerken, zoals leeftijd, onderwijsniveau of beroep. Verder moet de keuze van de onderzochte culturen (in de praktijk zijn dat vaak landen) theoretisch zinvol zijn; dit betekent dat er verwachtingen moeten zijn over welke aspecten van de culturen gerelateerd zouden kunnen zijn aan de afhankelijke variabele en deze aspecten moeten goed verdeeld zijn over de onderzochte landen. Met andere woorden, als de verwachting is dat welvaart en klimaat invloed hebben op IQ-scores, dan moeten landen bij voorkeur zo gekozen worden dat de invloed van die twee landskenmerken uit elkaar getrokken kan worden. Een alternatief is heel veel (>30) landen meenemen in de steekproef, maar zelfs als dat lukt blijkt in de praktijk vaak dat de culturele variatie in zo’n steekproef niet optimaal is; er zijn dan bijvoorbeeld vooral Europese landen en nauwelijks Afrikaanse landen onderzocht. Ook moet het instrument in alle culturen hetzelfde concept meten en moeten de absolute scores op dit instrument vergelijkbaar zijn. Een IQ-test moet


Dianne van Hemert (Sociale Psychologie) geeft de Rondvraag door aan Juliane Degner (Sociale Psychologie)

Voor mijn werk bij TNO Defensie en Veiligheid houd ik me onder andere bezig met het vergroten van ‘cultural awareness’ onder militairen die op uitzending gaan. Nu richten veel huidige cultural awareness trainingen zich vooral op het geven van informatie over andere culturen. Ik denk dat het een goed idee is om meer aandacht te besteden aan het beïnvloeden van automatische processen zoals stereotypering en etnocentrisme. Ik vraag me af of het mogelijk is om dat in een paar trainingen te doen en of die training dan gericht moet zijn op meer cognitieve of meer affectieve kanalen. Hoe denk jij daarover en welke methode zou volgens jou het meest succesvol zijn? Dianne

gedrongen is een IQ score ook een maat voor strategieën en heuristieken die mensen gebruiken, en dit is een wezenlijk aspect van cognitief functioneren. Nationale IQ-scores, mits op een fatsoenlijke manier verkregen, geven dus wel degelijk informatie over verschillen in geschiktheid in een baan of opleiding en het gebruik van heuristieken en strategieën, maar niet noodzakelijk over verschillen in intelligentie.

Spiegeloog Spiegeloog

Beste Juliane,

1111

september juni 20092008

dus in alle culturen IQ meten, en een score van 100 moet indicatief zijn voor hetzelfde niveau in Nederland en in Zimbabwe. Tenslotte speelt in cross-cultureel onderzoek waarin veel landen worden vergeleken het probleem van betekenisverschuivingen bij aggregatie (het middelen van IQ-scores van individuen in een land om een IQ-score van dat land te krijgen). Er zijn talloze voorbeelden van concepten die bij aggregatie een nieuwe betekenis krijgen of samenhangen met andere indicatoren. Een analogie die vaak gebruikt wordt bij de interpretatie van groepsverschillen in intelligentie is de volgende. Wanneer maïs op twee verschillende velden met verschillende bodemsamenstelling wordt gezaaid, zullen de maïsplanten intra- en interveld verschillen in lengte hebben. Verschillen binnen velden zijn vooral het gevolg van individuele (genetische) verschillen tussen de maïsplanten, terwijl verschillen tussen velden vooral veroorzaakt worden door omgevingsfactoren. IQ-scores op individueel niveau kunnen dan dus bijvoorbeeld voorspeld worden door aangeboren intelligentie, terwijl op landsniveau IQ voorspeld wordt door overheidsuitgaven op het gebied van onderwijs. Voordat een landsscore gebruikt wordt is het dus belangrijk om na te gaan of het begrip op landsniveau wel dezelfde betekenis heeft. Wordt aan al deze voorwaarden voldaan, dan is het in principe mogelijk om IQ-scores van westerlingen en Afrikanen te vergelijken. Nu blijkt uit onderzoek dat IQ over landen heen een succesvolle predictor is voor prestaties op het gebied van werk en opleiding, maar het gaat dan wel om werk en opleiding in westerse landen. In die zin zijn nationale IQ-scores dus zinvol. IQ-testen meten echter niet in alle culturen even adequaat de stabiele factor intelligentie. Intelligentie betekent verschillende dingen in verschillende culturen; in westerse culturen gaat het bij intelligentie bijvoorbeeld om het toepassen van abstracte cognitieve operaties, terwijl intelligentie in andere culturen ook kan samenhangen met respectvol gedrag naar anderen (i.e., weten wanneer je niets moet zeggen). IQtesten lijken dus vooral een bepaalde vaardigheid te meten om problemen op te lossen die samenhangt met het gevolgd hebben van onderwijs en die vaardigheid kan over landen heen redelijk adequaat gemeten worden. Behalve een indicator voor de mate waarin onderwijs in een cultuur is door-


Tabula Rasa Kopstukken Jeroen Geurts

Tekst: Vera van der Molen

Spiegeloog

12

Veel mensen hebben een idool. Ze zijn lid van een fansite, kopen elk blad waarin aandacht besteed wordt aan hun idool en lezen alle interviews, knippen deze uit en bewaren ze op een veilige plek. De ultieme droom is natuurlijk om de beroemdheid een keer in het echt te kunnen spreken. Jeroen Geurts, schrijver van het boek Kopstukken, sprak met beroemdheden onder de wetenschappers.

september 2009

Hij interviewde zes volgens hem interessante wetenschappers over bewustzijn en de houding van een wetenschapper in het maatschappelijk debat, twee onderwerpen die hij momenteel belangrijk acht. De wetenschappers waarmee Geurts sprak waren Rita LeviMontalcini, Fernando Lopes da Silva, Susan Greenfield, Richard Dawkins, Daniel Dennett, Oliver Sacks en Peter Hagoort. Vrijwel allemaal grote namen waar menig psychologiestudent wel eens van gehoord heeft en waarmee zij graag een kopje thee zouden drinken, om de wetenschappers zelf uit te horen over hun vakgebied. In dit boek worden zij op een luchtige manier ge誰nterviewd, soms zelfs bij de wetenschapper thuis, waardoor duidelijk wordt dat het ook gewone mensen zijn. Hoewel misschien iets drukker bezet (sommige interviews duurden erg kort) en met iets meer kennis. De onderwerpen waarover Geurts spreekt met de wetenschappers zijn zeker interessant. Hij heeft goede interviewpartners gekozen van wie het boeiend is om te horen hoe zij over bepaalde dingen denken. Helaas is Geurts niet zo vooruitstrevend in zijn keuze geweest dat de meningen van deze personen nog niet bekend waren, of niet ook in andere bronnen kunnen worden opgezocht. Voor een leek zijn de interviews echter juist interessant als beginnetje: het interview is niet moeilijk te volgen voor iemand die er niets vanaf weet en in elk hoofdstuk waarin gesproken wordt met

een wetenschapper, wordt ook door Geurts zelf informatie gegeven over het onderwerp. Zo kun je ook zonder voorkennis alles volgen en nieuwe dingen te weten komen. Wat ook bijdraagt aan de toegankelijkheid van dit boek is de stijl. Geurts beschrijft meer dan slechts de vragen en de antwoorden die zijn gegeven en je leest ook alles wat rondom het interview gebeurde. Zo zijn de bovenburen van LeviMontalcini luidruchtig aan het werk, maar stoppen ze direct als een van haar medewerkers dat vraagt. Niet noodzakelijk voor het verhaal natuurlijk, maar het maakt het geheel wel een stuk minder zwaar. Daarbij moet gezegd worden dat de interviews erg van elkaar verschillen door de persoonlijkheden van de ge誰nterviewden. Zo valt al snel te concluderen dat Levi-Montalcini een veel rustiger persoon is dan Greenfield. Een minpunt aan Kopstukken is dat Geurts soms niet alles uit een gesprek gehaald lijkt te hebben. Bij de lezer komen vragen op die onbeantwoord blijven en de gesprekken kunnen af en toe wel wat meer diepgang gebruiken. Duidelijk wordt dat de oorzaak hiervan vaak het tijdgebrek van de wetenschappers is, maar jammer blijft het wel. Wie meer wil weten zal toch echt zelf weer op onderzoek uit moeten gaan, wat natuurlijk wel weer een wetenschappelijke, nieuwsgierige houding bevordert. Kopstukken is een interessant boek voor wie ge誰nteresseerd is in de wetenschap en graag eens de personen achter de onderzoeksartikelen wil leren kennen.


De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid!

Als wij er niet over schrijven is het geen nieuws!

Onafhankelijk orgaan voor de afdeling psychologie No 328

Amsterdam, september 2009

jaargang 37

‘Zalen zitten niet overvol, studenten worden niet geweigerd’ Overvolle collegezaken, studenten die naar huis worden gestuurd omdat er geen plaats voor hen is, volgens diverse berichten in Het Parool is er nauwelijks plaats voor de kersverse UvA-student. Klinkklare onzin, zeggen Klaas Visser, directeur van het College of Psychology en Johan Post, directeur van het College of Social Sciences.

De berichtgeving in het Parool bracht Klaas Visser ertoe een ingezonden brief te schrijven aan de Amsterdamse krant. Daarin schrijft hij onder meer: ‘Het is ongetwijfeld waar dat er veel meer studenten zijn gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam dan in vorige jaren. Het is ook begrijpelijk dat uw verslaggever "on the spot" gaat kijken hoe het wordt opgevangen. Maar uw artikel is onjuist en tendentieus. Psychologie heeft niet meer studenten dan in vorige jaren omdat de opleiding al sinds 2005 een numerus fixus kent, ingesteld om de enorme toeloop te beheersen en er voor te zorgen dat de studenten die worden toegelaten allemaal het onderwijs krijgen waar ze recht op hebben.' Ook de opmerking dat studenten zouden zijn geweigerd bij werkgroepen en colleges Psychologie wijst hij met kracht van de hand in een brief aan de hoofdredacteur van de krant: ‘Nogmaals, we hebben een numerus fixus (die nota bene niet eens hele-

maal vol is) om er voor te zorgen dat iedereen een plek heeft. Er is niemand geweigerd.' Visser wijst er bovendien op dat alle studenten gewoon een zitplaats hebben bij de colleges. Over het college Inleiding in de Psychologie, waar studenten volgens de krant nauwelijks konden zitten, schrijft hij: ‘Het was goed vol maar er waren nog steeds enkele vrije plaatsen. De colleges Inleiding in de Psychologie worden juist vanwege het feit dat ze zo populair zijn (ook bij studenten van andere opleidingen) altijd 's avonds herhaald en we moedigen studenten aan om, als ze hun rooster willen wijzigen, de colleges 's avonds te volgen. We doen dat al jaren en er wordt dankbaar gebruik van gemaakt.' Ook Johan Post verbaast zich over de ophef. ‘Gezien de verwachte toeloop van studenten hebben de onderwijs-

organisaties samen met de centrale diensten allerlei extra maatregelen genomen. Toen we hadden begrepen dat het aantal Antropologie-studenten zou toenemen van 130 naar 190, heeft Bureau Onderwijslogistiek (BOL) een week voor aanvang van de colleges nog een grotere zaal geregeld. De centrale diensten hebben ons niet in de steek gelaten. Zeker gezien alle commotie vooraf is de start van het studiejaar soepel verlopen.' Post weet dat er slechts éénmaal studenten bij een college Sociologie zijn geweigerd, en dat betrof niet eens een eerstejaarscollege. ‘Onverwacht bleken ineens heel veel minorstudenten een bepaald tweedejaarsvak te willen volgen. We moesten daardoor een aantal studenten weigeren, maar de week erop hebben we een grotere zaal geregeld. Er was hier dus echt sprake van een eenmalige malheur.' Volgens Post heeft de berichtgeving een groot, zichzelf versterkend effect: ‘Iemand zegt dat het overvol en druk is, en iedereen gaat daar in mee zonder te onderzoeken of het echt waar is.' Visser besluit: ‘Het Parool heeft kennelijk onrecht en wantoestanden willen ontdekken waar ze niet waren. Jammer dat wij daar de dupe van worden.' Afdeling Communicatie FMG


De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid!

Nieuwe hoogleraar Grondslagen en Psychometrie Dhr. prof. dr. P. de Boeck (1947) is benoemd tot hoogleraar Grondslagen van de psychologie en de psychometrie aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Paul de Boeck heeft hoofdzakelijk onderzoek verricht op het raakvlak tussen inhoudelijke psychologie en psychometrie, waarbij hij bestaande en nieuwe psychometrische benaderingen gebruikte om psychologische data beter te begrijpen. Dit deed hij volgens de principes van de explanatory item response models. De inhoudelijke gebieden betroffen intelligentie, persoonlijkheid, emotie en psychopathologie. De Boeck zal zijn

onderzoek voortzetten aan de UvA. Dit doet hij aan de hand van nieuw ontwikkelde modellen voor latente structuren die nog beter geschikt zijn voor het begrijpen van menselijk gedrag, zowel in testsituaties als in andere omstandigheden. De Boeck heeft zich ook toegelegd op empirisch onderzoek over mimese en over voorwaarden waaronder mensen bij het kennis nemen van kunst positief reageren op gevoelens van angst, droefheid en pijn die ze daarbij ervaren. Hij heeft gedoceerd over psychometrie, differentiële psychologie en psychodiagnostiek, en zal zich aan de UvA verder toeleggen op het onderwijs in de psychometrie en de methodenleer.

De Boeck is sinds 1977 werkzaam aan de K.U. Leuven, als onderzoeker, universitair hoofddocent en sinds 1993 als hoogleraar. Ook is hij aan dezelfde universiteit bestuursmatig actief geweest: tweemaal als departementsvoorzitter psychologie en van 2005 tot 2009 als vice-rector Onderzoeksbeleid. In 2007-2008 was hij president van de Psychometric Society. De Boeck heeft vele publicaties in verscheidene vaktijdschriften op zijn naam staan, waaronder Psychometrika, Psychological Review en Applied Psychological Measurement. Van 2003 tot 2008 is hij action editor geweest van de toegepaste sectie van Psychometrika.

Cermak Award voor neuropsycholoog Pauline Spaan UvA-neuropsycholoog Pauline Spaan (Programmagroep Psychonomie) heeft vorige maand de Cermak Award in ontvangst genomen voor haar onderzoek naar geheugenproblemen bij hoogbejaarden. Deze prijs werd uitgereikt door de International Neuropsychological Society (INS), dé wetenschapsvereniging van neuropsychologen. De prijs, die in Helsinki werd uitgereikt tijdens het INS-congres, kwam voor Spaan als een verrassing. ‘Eerlijk gezegd was ik al blij dat mijn presentatie was geaccepteerd voor het congres, aangezien dit onderzoek zich niet richt op dementie (zoals andere van mijn projecten), maar op normale verouderingsprocessen. Ik dacht dat men dit thema misschien minder relevant voor het congres zou vinden dan pathologische veroudering of hersenletsel.' Niets bleek minder waar. De organisatie was zó onder de indruk van het onderzoek, dat Spaan de Laird S. Cermak Award in ontvangst mocht

nemen voor het beste onderzoek op het gebied van geheugen. Spaan vermoedt dat zowel de verbinding die ze legt tussen theorie en praktijk als de complexe methodologie van het onderzoek de doorslag hebben gegeven.

blijkt dat ouderen prima in staat zijn om informatie uit hun geheugen op te halen, als ze voldoende tijd krijgen of als ze daar meer structuur of cues bij krijgen.'

Volgens Spaan raken prestaties op de huidige Pauline Spaan Het onderzoek van Spaan standaard neuropsychorichtte zich op de vraag of logische tests gemakkelijk geheugenproblemen bij hoogbejaarbeïnvloed door allerlei andere factoden worden veroorzaakt door verren, vooral bij hoogbejaarden. ‘Als slechtering van het geheugen an sich, mensen niet goed presteren, wordt dat of door aandachtsfuncties, zoals een snel geïnterpreteerd als een geheutragere informatieverwerkingssnelgen- of aandachtsprobleem, terwijl de heid of achteruitgang van de exeoudere misschien gewoon iets meer cutieve functies. Spaan testte 234 tijd of extra structuur nodig heeft of ouderen, variërend in leeftijd van 55 alleen maar motorisch vertraagd is. tot 96 jaar. Dit onderzoek kan bijdragen aan het begrip van wat bij normale veroudeUit het onderzoek bleek dat beide ring past en wat niet, en daarmee dus type geheugenproblemen bij normale ook aan meer accurate diagnoses.' veroudering niet worden veroorzaakt door een achteruitgang van het geheuAfdeling Communicatie FMG gen zelf, maar door met de leeftijd verminderde aandachtsfuncties. ‘Het


De waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid!

Illusio zorgt voor boeiende hersenbrekers De afsluiting van het Programma Cognitie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) op zaterdag 12 september in Pakhuis de Zwijger was een onderhoudende middag vol bijzondere experimenten en doorgeprikte illusies. De NWO heeft het vanaf 2001 een speciaal langlopend project georganiseerd over cognitieve wetenschap: Programma Cognitie. Hiermee wil NWO onderzoek ondersteunen, praktijktoepassingen onderzoeken en de cognitieve wetenschap meer naamsbekendheid geven.

Twee weken geleden was de feestelijke afsluiting van dit project. Namens de UvA zat professor Jaap Murre in de programmacommissie en hij hield een introductie voor de show van de Amerikaanse illusionist Teller. Ruim van te voren was Tellers show The Beautiful Lie: The Science of Art and Magic uitverkocht via intekening op internet. De ontbrekende schakel tussen Tellers beroep als illusionist en cognitieve wetenschap vond de organisatie in het feit dat illusionisten al veel langer op de hoogte waren van het fenomeen change blindness dan de cognitieve wetenschap. Uvadocent Jaap Murre zei daarover na Tellers show: ´Als wetenschappers eerder in contact waren gekomen met illusionisten hadden we dat fenomeen veel eerder kunnen onderzoeken. Het heeft ons inzicht gegeven dat waarneming ook een sterke top down component heeft. Daar maken illusionisten veel gebruik van in hun shows.´ Teller liet tijdens zijn lezing veelvuldig video-opnames zien van zijn acts.

In een daarvan deed hij een ongeëvenaarde act met een rode bal, die een eigen leven leek te hebben en Teller als een hondje volgde, ogenschijnlijk willekeurig over de grond heen en weer rolde en ten slotte zelfs door een hoepel sprong. Hoe deed die man dat? Verbazingwekkend genoeg begon de illusionist daarna uitgebreid het geheim van deze act uit te leggen door te bekennen dat hij de bal aan twee onzichtbare touwtjes had. Teller vatte de schijn van illusie als volgt samen: `The method fools the eye, and the misdirection fools the mind.´ Na het optreden van Teller werd het boek Geestdrift gepresenteerd. Dit boek, met als ondertitel Wat cognitiewetenschappers bezielt. Naast docent psychonomie Victor Lamme wordt ook ex Uva-docent Ap Dijksterhuis geïnterviewd in het boek. Lamme vertelt over zijn experimentele onderzoek naar het bewustzijn en Dijksterhuis over zijn ontdekking dat onbewust genomen beslissingen vaak de beste resultaten opleveren. Het boek is een kleurrijk vormgegeven overzicht van 24 vooraanstaande onderzoekers op het gebied van de cognitieve psychologie. In korte interviews vertellen zij over hun vakgebied en specifieke onderzoeksonderwerpen. Voor aanstaande studenten een aardige inkijk wat er zoal valt te onderzoeken op het gebied van de cognitieve psychologie, maar voor geïnteresseerde leken is het een te summier weergegeven geheel van snapshots van de psychologische wetenschap. Zonder enige voorkennis lijken de interviews te veel van de hak op de tak te springen om een consistent verhaal op te leveren. Een gemiste kans, want het is zo’n interessant onderwerp: hersenen en gedrag.

De illusionist Teller laat een opname van een act zien.

Naast de show van Teller waren er talloze experimentele opstellingen waar bezoekers hun eigen illusie konden creëren. Chris Dijkerman van de Universiteit Utrecht liet proefpersonen geloven dat de derde rubberen kunstarm voor hun op tafel ineens hun echte rechterarm geworden was, door er simpelweg met een kwastje overheen te strijken. Wat de proefpersonen niet zagen, maar wel voelde, was dat hij tegelijkertijd ook over hun echte rechterarm streek. Vooral populair onder kinderen was het videospelletje World of Warcraft waarbij onderzoekers Danny Plas en Bram van de Laar van de Universiteit Twente proefpersonen via hersengolven hun spelkarakter lieten besturen met behulp van een EEG-monitor. Andere toepassingen van hun onderzoek liggen op het terrein van mediatoepassingen voor interactie tussen mens en apparatuur, zoals gebaar- en spraakherkenning door machines. Steven Scholte en Ilja Sligte, psychonomen van de UvA presenteerden hun onderzoek naar change blindness, waarbij zij toeschouwers hun eigen blindheid voor waarneming lieten ervaren. Dankzij alle interessante experimenten die de toeschouwers kregen voorgeschoteld vormde Illusio een middag die veel te snel om was. Een leerzame en boeiende presentatie van de cognitieve wetenschap. Als zo’n dag nu eens op de Roetersstraat zou kunnen worden georganiseerd. Joost Molenaar


- mededeling -

ramsj! leesvoer voor psychologen

zoekt nieuwe redactieleden!

Tekst: Joost Molenaar

Shakespeare als therapeut, Laurie Maguire (2007) Elke toneelstuk van de beroemde Engelse schrijver William Shakespeare (1564-1616) schildert een menselijk dilemma en tracht daarvoor een oplossing te vinden. Maguire laat zien hoe de belevenissen en ervaringen van de hoofdpersonen uit de tragedies en komedies van Shakespeare, de lezer helpen eigen denkbeelden en emoties te verkennen. Shakespeare lezen is begrijpen wat het betekent om mens te zijn. ‘Dit is de Shakespeare waarin de Oprah-generatie zich kan herkennen’, aldus The Times. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, van € 18,95 voor € 6,90, 286 p.

Spiegeloog

De loden mantel, Kirsten Emous (2005) Over zorg en verzorging in Nederland. Dit boek beschrijft op journalistieke wijze het verhaal van de gezondheidszorg in Nederland vanuit het perspectief van de mantelzorger. Deze zorg vormt een zware belasting omdat veel mantelzorgers een baan en andere gezinsleden hebben die ook aandacht vragen. Persoonlijke verhalen over werkdruk en emotionele offers die inzicht geven in de enorme inzet van deze vrijwilligers. Amsterdam: Metz & Schilt, van € 25,00 voor € 6,90, 392 p.

16

september 2009

Ben jij een schrijftalent of een razende reporter?

De redactie van Spiegeloog is op zoek naar nieuwe redactie leden. Als je altijd al voor een blad hebt willen schrijven, is dit je kans! We zoeken psychologiestudenten die bij ons hun journalistieke vaardigheden verder willen ontwikkelen. Zowel eerstejaars als ouderejaars studenten zijn welkom. Heb je interesse, wil je eens komen kijken of alleen maar wat meer informatie?

mail ons dan nu op: spiegeloog@fmg.uva.nl

Wonderkind op bestelling, David Plotz (2005) Dit boek beschrijft de geheime geschiedenis maar waargebeurde verhaal van een spermabank voor Nobelprijswinnaars die in 1980 werd opgericht door de uitvinder en miljonair Robert Graham. Hij hoopte hiermee superieure mensen te ontwikkelen. Toen het laboratorium in 1999 werd gesloten waren er tweehonderd kinderen geboren. Plotz onthult de duistere kant van dit experiment: de zoektocht van kinderen naar hun vader en die van een vader naar een van zijn 19(!) kinderen. Een onthutsend verhaal over grootheidswaanzin en verwantschap. Ook in het Engels verkrijgbaar: The Genius Factory, dan 4 cent goedkoper. Bruna Uitgevers, van € 14,95 voor € 5,99, 285 p. 101 dingen die je echt moet kunnen, Michel Powell (2006) Ben je net op kamers en zit je met je handen in je haar hoe je de zaken aan moet pakken? Dit boekje brengt redding in nood voor propedeusestudenten in de studie van het dagelijks leven. Behangen, een drankje bestellen, pokeren, tafel dekken, kortom je kunt het zo gek niet bedenken of er is een goede manier om iets te doen en een slechte, die jij dus momenteel hanteert. Met deze tips weet je beter. Mocht het ook hiermee niet lukken, dan kun je altijd je ouders nog de schuld geven met de twee boekjes uit dezelfde reeks Vraag het je vader of Vraag het je moeder, 50 dingen die je vader/moeder je eigenlijk had moeten leren, voor dezelfde absurde lage prijs. Uitgeverij Thoenis, van €11,95 voor €3,90, 256 p. Bovenstaande boeken zijn gezien bij de Slegte, Amsterdam.


Om half negen gaat de wekker, ik sta zachtjes op zodat ik mijn kamergenote niet wakker maak. Even later zit ik met een bakje cereals in de keuken van ons grote Victoriaanse huis in Haigth Ashbury, de oude hippiewijk van San Francisco. Naar mijn mening de leukste buurt van de stad. Ik ben omringd door mijn huisgenoten. Naast me zit een Mexicaans stel met hun zoontje aan hun rijstmaaltijd. De Ghanese studente tegenover me eet gefrituurde kip en de Aziaten in de keuken maken een soort noedelsoep. Door het raam zie ik een aantal toeristen het huis van onze buren fotograferen, dat is namelijk de voormalige woonplek van de

Lydia Sprenger volgt dit jaar een master aan de London School of Economics (GB).

17

zangeres Janis Joplin. Na het ontbijt spring ik op mijn mountainbike en trotseer de talrijke heuvels die San Francisco rijk is, op weg naar de muni, een soort metro. Onderweg geniet ik van de bijzondere gekleurde huizen en diversiteit aan mensen op straat. Ik pak de muni in The Castro, de homowijk van de stad. Dat merk je aan de vele mannen die hand in hand op straat lopen, de gay boekwinkels en de posters van Harvey Milk. Rondom de muni lopen vele aparte (zeg maar gerust gestoorde) mensen, veel inrichtingen in San Francisco en omstreken nemen namelijk geen nieuwe patiënten meer aan vanwege de financiële crisis. De staat Californië is failliet, hun tekort is 26 miljard dollar. Na een half uurtje arriveer ik bij de San Francisco State University. Ik loop de grote campus over, langs grasvelden, hamburgertenten en de verschillende faculteiten, op weg naar mijn les ‘The social impact of journalism’. Als ik in de les vertel dat ik uit Amsterdam kom word ik door de Amerikaanse studenten bewonderend en gefascineerd aangekeken: ‘That’s sooo cool! I really want to go there! It’s very close to Denmark, isn’t it? Your accent is sooo cute! Do you guys speak French in Holland? Oh, Dutch? No, never heard of it.’

september 2009

‘Oh, je gaat echt al snel weg!’ Het wordt al ongeveer vier maanden tegen me geroepen en al die tijd antwoordde ik met: ‘Nou, het duurt nog wel even hoor...’ Maar blijkbaar hadden anderen beter door dan ik hoe snel de tijd kan gaan. Nu is het ‘ineens’ één week voordat ik naar Londen vertrek om daar de master Social and Cultural Psychology aan de London School of Economics te gaan doen. En moet ik dus ‘ineens’ tig wassen gaan draaien, boeken uitzoeken (wat gaat er mee? wat gaat naar zolder?), spullen verhuizen (naar zolder), etc.

Bovendien heb ik dus ook nog maar één week voor alle laatste keren. Laatste keer eten: poffertjes, pannenkoeken, pizza van de beste pizzeria ter wereld die toevallig bij om de hoek zit, patat met mayonaise in plaats van azijn... Laatste keer doen: naar Artis, naar oma... Eén laatste ding kan ik gelukkig al afstrepen: een foute Amsterdamse kroegentocht. We begonnen op het Leidseplein in de Heinekenhoek (om onbegrijpelijke redenen een favoriete hangout toen we 16 waren). Daarna volgde de Amsterdamned en de Royalty, waar ze precies dezelfde nummers draaiden terwijl wij lurkten aan een Bacardi Breezer. Tussendoor gingen we alleen voor de gratis shotjes naar wat ongetwijfeld écht de foutste tent van Amsterdam is (ik weet helaas de naam niet meer). We sloten de avond in stijl af in de Cool Down. Het idiote met die ‘laatste keren’ is: ik doe ze normaal ook niet. Ik eet bijna nooit poffertjes, zeg al jaren ‘nee’ als mijn moeder me mee vraagt naar Artis en had sinds mijn zestiende geen Breezer meer gedronken. Waarom nu dan wel? Als ik over een jaar terugkom kan het ook nog allemaal: het loopt niet weg. En dus weet ik nu al dat ik ze dan ook niet doe.

Spiegeloog

Grenzenloos

Raïsa van Olden studeert dit semester aan de San Fransisco State University (VS).

Psychologie studeren in het buitenland? Neem contact op met het International Office, kamer A 2.14 A, inloopspreekuur: woensdag van 15.00 - 17.00 uur, e-mail: internationaloffice-psychology@uva.nl, telefoon: 020-525 6773.


The attack on neuroscientists Or why every warrior should attend an elementary course in statistics Wetenschap is een strijd. De ene wetenschapper ontdekt iets, anderen wijzen hem op de methodologische problemen van zijn onderzoek, weer een andere onderzoeker haalt dat laatste onderuit. Ook over het interpreteren van resultaten verkregen door fMRI, een steeds meer gebruikte methode in hersenonderzoek, is men het nog niet eens. Hieronder een kijkje op het strijdtoneel, waaruit blijkt dat de waarheid lang niet zo helder is als je misschien dacht. Tekst: Lourens Waldorp, Hilde Huizenga, Raoul Grasman en Jasper Winkel at Figure 1, in which the shaded distribution is associated with the case in which in reality the correlation between fMRI and a questionnaire is one, but where it is attenuated by unreliability. It can be seen that indeed the mean of the

september 2009

Figure 1: Distribution of correlations

Spiegeloog

18

Sometimes science is a battle. A recent example is the attack of Vul et al. (2009) on neuroscience. The neuroscience community responded immediately: all mailboxes of neuroscientists around the world instantly contained a draft of the paper and six commentaries were published alongside the original article. In their paper, Vul et al. claim that many of the results of one type of neuroscience, functional magnetic resonance imaging (fMRI), are incorrect. They even ask authors in the field of neuroscience to reanalyze their results "to correct the scientific record." The commentaries indicated that Vul et al. misinterpreted several elementary concepts in statistics. These concepts (mean, distribution; null and alternative hypothesis, corrections for multiple testing) are known to every psychology student that has attended an elementary course in statistics. One of the goals of fMRI research is to find regions in the brain that are related to certain behavior. To this end, brain activity in various experimental conditions is compared. Alternatively, brain activity is correlated to person characteristics, for example their degree of trait anxiety as indexed by a questionnaire. In the following we will address the latter case since this was the main focus of the Vul et al. paper. Vul et al. begin by saying that they find it puzzling that there are so many high correlations between fMRI and questionnaires. After all, according to reliability theory any correlation is bounded by the fact that all measurement contains error. Therefore, even if in reality fMRI and questionnaires are perfectly correlated, the observed correlation will be lower than one. Vul et al. estimate an upper of about .75. They state that all correlations exceeding .75 are ‘’puzzingly high’’. But is this really puzzling? Can’t we observe a higher correlation if measures are unreliable? Let’s have a look

Note. Correlations obtained from 100,000 simulations in 10.000 hypothetical independent voxels. In each simulation correlations with a hypothetical questionnaire were computed across 20 individuals, the reliabilities of brain activity and questionnaire were set to 0.8 and 0.7 respectively. The true correlation was either zero (unshaded) or nearly one (shaded), in the latter case unreliability attenuated correlation to a mean of .748. The dashed vertical green line marks the uncorrected threshold. The solid green line marks a threshold that is corrected for multiple (10.000) testing; in this case a Bonferroni correction is adequate.


Bronnen: - Field, A. (2009). Discovering statistics using SPSS, 3rd ed. Thousand Oaks: Sage. - Vul, E., Harris, C., Winkielman, P., and Pashler, H. (2009). Puzzlingly high correlations in fMRI studies of emotion, personality, and social cognition. Perspectives on Psychological Science, 4(3), 274-290.

De ivoren toren Jaloers

Als ik in de jaren daarna een eerstejaars zag, was ik daardoor vooral altijd heel opgelucht dat ik van die ellende af was. Maar de laatste jaren is daar sluipenderwijs een gevoel van jaloezie bijgekomen. Niet omdat ik het nachtbraken mis, of de vrijheid van het studentenleven. Dat kan mij gestolen worden. Waar ik jaloers op ben is precies de mogelijkheid om datgene te doen, wat ik in mijn eerste studiejaren helemaal niet gedaan heb. Studeren. Dat komt omdat ik tegenwoordig nergens tijd voor heb. De stapel stukken die ik nog moet lezen, becommentarieren, reviewen, en aanpassen concurreert met een vrachtlading boekhoofdstukken die ik toegezegd heb, colleges die moeten worden voorbereid, subsidies die moeten worden aangevraagd, bijeenkomsten die moeten worden georganiseerd, en artikelen die gisteren geschreven moesten worden. Ik wil helemaal niet klagen, want ik ben een gezegend en gelukkig mens, maar wat zou ik graag eens een paar maanden hebben om me te verdiepen in de verzamelingenleer. Of om een cursus klinische psychologie, neurowetenschap, of logica te volgen. Of om mijn differentiaalrekening op orde te krijgen. Of om eindelijk eens behoorlijk te leren programmeren. Allemaal tijd die ik niet heb, maar wel had. Toen ik eerstejaars was. De verdeling van tijd over het mensenleven is zo scheef als een hoepel. Als je tijd hebt dan is die nergens voor nodig, en als je tijd nodig hebt is hij zomaar weg. En een beetje tijd opzij zetten voor later, dat kan niet. Tijd moet vers geconsumeerd worden. Dus: geniet ervan.

Denny Borsboom

19

Dat komt omdat ik bepaald niet terug verlang naar mijn eerste jaar. Ik kan heel slecht tegen massa's mensen en wat dat betreft had ik met psychologie niet bepaald de optimale studie gekozen. Ook het sociale proces van in- en uitsluiting, dat vanzelf ontstaat wanneer een groot aantal mensen die elkaar niet kennen ineens in hetzelfde schuitje zitten, vond ik niets. Hetzelfde geldt voor het bivakkeren op een studentenkamer, het chronische gebrek aan geld, en het wegwerken van mensa-eten met studiegenoten van wie ik allang wist dat het nooit mijn vrienden zouden worden, maar aan ik wie ik uit sociale noodzaak vastgeklonken zat. Om het nog maar niet te hebben over de volslagen stompzinnige bijbaantjes die studenten zoal vervullen.

Spiegeloog

Vroeger had ik altijd medelijden met de eerstejaars studenten die ik in september door de gangen van de faculteit zag schuifelen.

september 2009

correlations is .75, but there is considerable spread around this mean. So it is perfectly possible to obtain a correlation that exceeds .75. So Vul et al. confuse a mean and a distribution. Therefore their first statement is incorrect. The second statement of Vul et al. is that high correlations are due to the fact that fMRI researchers do not measure the correlation between fMRI and a questionnaire once, but they measure it about ten thousand times, that is in about ten thousand volumes. How do we determine which correlations deviate from zero? In order to illustrate this point, we again look at Figure 1. The distribution under the null hypothesis is the one where the true correlation between fMRI and a questionnaire is zero. This situation is depicted by the unshaded distribution. Note that there are few very high correlations in this distribution. Vul et al. state that these are exactly the correlations reported in fMRI research. That is, although in reality correlations are zero, the mere fact that many correlations are computed because of the ten thousand voxels, yields the opportunity to report very high correlations. This statement is incorrect since it is only based on a consideration of the distribution under the null hypothesis, and completely ignores the distribution under an alternative hypothesis (the shaded distribution). Of course it is very likely that a high correlation is derived from the distribution under the alternative hypothesis, that is, that in reality the correlation does deviate from zero. There is another reason why the “many voxels� critique is incorrect. It is well known (e.g. Field, 2009, p.348) that if many correlations are tested, the chances are quite high that one or more correlations will yield a significant test result, even if in reality all correlations are zero. That is, in Figure 1, many correlations from the unshaded distribution exceed the uncorrected threshold line and are therefore declared significant. These are the so-called false positives. In order to reduce the number of false positives, it is necessary to apply a correction for multiple testing, for example a Bonferroni correction, which boils down to moving the threshold in Figure 1 to the right. Many fMRI researchers apply corrections akin to the Bonferroni correction. And what is the result? Exactly, if one applies such a correction then one is only allowed to report very high correlations. So, the fact that high correlations are reported might be the result of a rigorous statistical analysis, and not the result of a sloppy statistical analysis, as suggested by Vul et al. In sum, science is sometimes is a battle so you’d better make sure that your are in good shape. Therefore, every warrior should attend an elementary course in statistics.


Mededelingen voor nummer 329 kunnen tot 6 oktober 2009 worden ingeleverd, liefst via e-mail. De redactie behoudt zich het recht voor stukken in te korten. Nummer 329 komt eind oktober 2009 uit.

CREA CREA, Turfdraagsterpad 17, 1012 XT Amsterdam Inlichtingen: 020 5251420. Website: www.crea.uva.nl

Spiegeloog

Vr 25 september 20.30 uur

september 2009

CREA Muziekzaal. Toegang: € 10,- (20:30u), € 5,- (22:30 uur). Beide shows: € 12,-.

20

Easy Laughs - Improv comedy Comedy improvisatie in het Engels. Elke vrijdagavond twee optredens. Voor meer informatie www.easylaughs. nl.

Za 26 september 20.30 uur Naked thoughts Spoken word artist and performance poet, Leslie Ebony Perry, takes you on a lyrical journey through her mind. It will be a night of words, reflection, music, song and soul-touching entertainment. With live music and songs by vocal performers from Chicago and Las Vegas. Plaats: CREA Theater. Toegang: € 10,- vóór 1 september, daarna € 15,-.


Plaats: CREA Theater. Toegang: € 10,-.

SPUI25 is een academisch-cultureel centrum aan het Spui in Amsterdam. Het is een levendig podium dat een verbinding vormt tussen de Universiteit van Amsterdam en de wereld van de culturele praktijk in de breedste zin. De activiteiten van het centrum bewegen zich tussen wetenschap en verbeelding, tussen feit en fictie. do 1 oktober 17:30 - 19:00 uur

do 8 oktober 20:00 - 22:00 uur

Globalization and Violence: Views from Visual Culture

Frans Jacobs en Jan Verplaetse over emoties en moraal

How is contemporary visual culture - extending from art and architecture to film and digital media - responding to new forms of violence associated with global and globalizing cities? Engaging with such questions, this roundtable discussion will bring together a group of leading scholars in the field of urban/cultural studies to address the relationship between globalization and violence in contemporary visual culture. Language: English

Zijn onze oordelen over goed en kwaad onder alle omstandigheden hetzelfde? Zou dat zo moeten zijn? Spelen emoties een rol bij morele keuzen? Kunnen en willen we dat vermijden? Wat is de betekenis van deugden en beginselen? Frans Jacobs en Jan Verplaetse houden zich beiden bezig met rechtsfilosofie en ethiek, de laatste laat zich daarbij nadrukkelijk inspireren door neurobiologisch onderzoek. Beide sprekers debatteren over de implicaties van dergelijk onderzoek voor de ethiek en onze opvattingen over moraal en emoties.

De programmagroep Klinische Psychologie van de Universiteit van Amsterdam organiseert op zaterdag 7 november het symposium:

EEN BOTSING VAN CULTUREN? Culturele diversiteit in onderzoek en praktijk van de GGZ.

Er bestaan in de praktijk van de GGZ opvattingen over cliënten van niet-westerse komaf die niet of niet volledig worden ondersteund door wetenschappelijk onderzoek. Ook hebben zich in de hulpverleningspraktijk inzichten ontwikkeld die te weinig aandacht krijgen vanuit de wetenschap. Zo botsen professionele culturen, waardoor beide onvoldoende recht doen aan de situatie en zorgvraag van deze cliënten. Het symposium zet onderzoeker en hulpverlener naast en tegenover elkaar rond thema’s, die elk een uitdaging vormen voor de verdere ontwikkeling in onderzoek en praktijk. De thema’s zijn: 1. Lichamelijke klachten. Somatisatie of presentatie? Ervaren en presenteren deze cliënten voornamelijk onverklaarde lichamelijke klachten? Zijn zij moeilijker aanspreekbaar op psychische klachten? 2. Ziekteverklaringen en hulpvraag. Cultureel anders of universeel? In hoeverre kennen deze cliënten een prominente rol toe aan verklaringen zoals geesten, djinns, winti, en brua? Moet de hulpverlener samenwerken met een traditionele genezer? 3. Seksualiteit. Lijden of lust? Is seksualiteit onder de cliënten omgeven met taboes? Betreffen hun problemen daarmee zowel gedragsregels als beleving? 4. Identiteitsontwikkeling. Aanpassing of conflict? In hoeverre ervaart de 2e en 3e generatie identiteitsconflicten? Dient de hulpverlener hun psychische problemen daartoe te herleiden en daarop aansluitend te interveniëren?

In de ochtend worden de thema’s belicht door een onderzoeker en een hulpverlener. In de middag vinden workshops plaats, waarin de thema’s verder worden uitgewerkt en vaardigheden worden getraind in het omgaan daarmee.

Kosten: 90 euro (studenten 30 euro) Aanmelding: http://symposiumcultuurengezondheid.nl

Spiegeloog

Rex Unplugged Joke, een jonge studente, krijgt een relatie met haar hoogleraar, Laurens. Wanneer Joke zwanger raakt van Laurens overtuigt hij haar om hun kind, Rex, af te

staan. Als Rex 20 jaar later psychologie gaat studeren wordt niemand minder dan Joke één van zijn docenten en Joke en Rex worden verliefd op elkaar. Musical van Ko en Ad van Dijk.

21 september 2009

Zo 27 september 14.00 uur


de Wandelgang De UvA heeft dit jaar weer meer psychologiestudenten dan vorig jaar en al die nieuwe eerstejaars hebben om verschillende redenen voor deze universiteit gekozen. Spiegeloog vroeg zich af wat studenten nou eigenlijk trekt aan de Uva en stelde daarom de vraag: Wat maakt psychologie studeren aan de UvA zo leuk? Tekst & Foto's: Bianca Muurman

Spiegeloog

Sanna: Ik vind psychologie studeren aan de UvA leuk omdat er veel jonge en vooraanstaande docenten zijn, en de informatie die we krijgen dus vrij actueel is. Daarnaast vind ik het leuk dat er veel aandacht is voor de wetenschappelijke kant en de wetenschap na de studie. Ook is er veel diversiteit in studenten, jong, oud en van allerlei nationaliteiten. Natuurlijk vind ik de ligging van de UvA ook veel gunstiger dan die van de VU.

22 september 2009

Maron: Psychologie is een studie die gaat over jezelf, wie vindt dat nou niet leuk.. toch, haha? Ik vind het gewoon een heel interessante studie met erg veel leuke vakken en verschillende richtingen. Verder is het ook een heel leuke groep studenten. Het Roeterseilandcomplex vind ik wel een beetje deprimerend, maar wel lekker dicht bij huis. Daarnaast is het midden in de stad dus je gaat makkelijk na college nog even wat leuks doen.

Femke: Ik ben begonnen met psychologie aan de UvA omdat het de enige universiteit was waar psychologie in deeltijd werd aangeboden. Helaas is dat niet meer zo in de master, dus ben ik ook gaan kijken bij andere universiteiten. De vakken aan de UvA zijn alleen veel interessanter! Daarnaast is de UvA goed bereikbaar vanuit Breukelen, wat toch niet echt om de hoek is.

Nikki: Ik vind psychologie gewoon een heel erg leuke studie waar je altijd wat aan hebt. Er is een leuke groep studenten, waarmee het altijd gezellig is. Daarnaast heeft het gewoon een heel erg leuke studievereniging, de VSPA, die veel leuke studiegerelateerde en gewoon gezellige activiteiten organiseert. Ik vind ook dat je op de UvA veel leukere richtingen en keuzevakken kan kiezen dan op de VU.


Kim: Ik ben net begonnen met psychologie aan de UvA en ik vind het superleuk. Blijkbaar ben ik niet de enige gezien het feit dat zoveel studenten zich ervoor hebben aangemeld. Wat ik denk dat de UvA voor mij anders maakte dan de VU is de gezelligheid en het wat eer rommelige karakter, wat studeren voor mij een leukere bezigheid maakt. Verder weet ik het nog niet echt, dat moet ik dit jaar maar gaan ervaren. Ik heb er erg veel zin in! ChloĂŤ Ik ben psychologie gaan studeren omdat het mij een hele leuke studie leek. Nou dat klopte ook inderdaad, de studie bevredigt mijn interesses zeker! Ik vind het heel leuk om dingen te leren die ik direct kan toepassen. De UvA ligt op een erg goede locatie en is ook lekker gezellig. Ook vind ik het leuk dat ik, al heeft dat niets met psychologie te maken, Ramses Shaffy erg vaak buiten zie lopen, want die heeft echt heel mooie liedjes.

Spiegeloog

Lisanne: Ik vind psychologie heel erg leuk omdat ik graag mensen en vooral kinderen wil helpen. Ik vind de UvA heel erg leuk omdat het bestaat uit allemaal kleine gebouwen die verdeeld zijn over de hele stad. Ik vind dat je op de UvA heel goed ervaring op kan doen binnen het hele vakgebied van de psychologie. Daarnaast heeft het een leuke studievereniging waarin ik ook actief ben, en voor elke richting binnen de psychologie een fractie waarin je je heel goed kan ontwikkelen.

Eline: Ik vind psychologie studeren aan de UvA leuk omdat er altijd wat te doen is. Ik zit bij de VSPA en dit geeft echt een toevoeging aan mijn studie, omdat ik daar dingen leer zoals vergaderen en groepen leiden, wat ik later ook nodig kan hebben. Ik vind het leuk dat er zoveel keuzemogelijkheden zijn binnen de psychologie. Verder vind ik de mensen, de sfeer en de open uitstraling van de UvA leuk. Ik vind het ook erg fijn dat je veel persoonlijke aandacht krijgt binnen de werkgroepen. Kaya: Het leuke van psychologie aan de UvA vind ik dat je heel erg veel vrijheid hebt. Daarmee bedoel ik dat je heel veel keuzevakken kan kiezen, zowel binnen de psychologie als daarbuiten. Ik heb echt het gevoel dat ik met psychologie naar iets nuttigs toe aan het werken ben. Het is ook een hele leuke groep mensen, waartussen ik me echt thuis voel. Ik doe een internationale master waarin er veel persoonlijk contact is en ik veel buitenlandse contacten kan maken.

23

september 2009

Susanne: Ik vind psychologie leuk omdat het een studie is die over het dagelijks leven gaat: je hebt er altijd mee te maken en iedereen heeft er dus iets aan. Je leert bijvoorbeeld over groepsprocessen en hoe mensen elkaar beĂŻnvloeden en overtuigen. Ik ben aan de UvA gaan studeren omdat het dichterbij is dan de VU en ik denk dat deze universiteit ook beter staat aangeschreven. Daarnaast link ik de VU altijd aan ziekenhuis, en dat studeert toch niet echt lekker.


bacchus Beginnen ‘Alle begin is moeilijk’ zegt men. Of dat bij psychologie ook zo is valt nog te bezien. Voor zover ik me mijn eerste jaar kan herinneren, zaten we vooral in zaal A nader kennis te maken met elkaar, de medestudenten. Als achtergrondmuziek werd er college gegeven. Dat is natuurlijk een wat gekleurde weergave van de werkelijkheid (overigens ook iets waar je in het eerste jaar college over krijgt – subjectieve waarnemingen), maar zo moeilijk was college volgen in het begin niet. Een paar uur per week en altijd in dezelfde zaal. Iets meer problemen leverde de stof: een dik boek – meer dan 500 pagina’s – weliswaar met plaatjes, maar ook vol lange Engelse zinnen. Ik herinner me dat dat behoorlijk wennen was en dat ik eigenlijk niet zo goed wist waar ik moest beginnen. Gelukkig zag ik medestudenten ijverig in de weer met gele markeerstiften, een enkeling bevestigde het gerucht dat de VSPA samenvattingen verkocht, en uiteindelijk worstelde ik zelfs Kalat met een voldoende door. Bovendien hebben die dikke boeken ook zo hun voordelen. Eén bundel papier bevat alles wat je moet weten, lekker duidelijk dus. Je begint bij hoofdstuk 1 en stopt pas met lezen bij hoofdstuk 15, in het geval van Kalat dan. In latere jaren komen er steeds meer losse artikelen en steeds minder netjes gebundelde informatie. Ook de collegetijden worden minder

overzichtelijk, wat te denken van 4 tot 6 op vrijdagmiddag? En de zachte stoelen van zaal A veranderen naar harde houten zittingen in zaal B, C of zelfs gebouw D of E. Gelukkig werd ik zelf ook meer ervaren in het maken van aantekeningen, het vinden van obscure zaaltjes en het doorzien van warrige docenten. Ik ken nu de snelste route naar alle universiteitsgebouwen, sta op redelijk goede voet met Blackboard en raak niet meer in paniek als ik mijn collegekaart nog niet heb of als dat ene boek uitverkocht is en nooit meer herdrukt wordt. Studeren wordt eigenlijk makkelijker met de jaren. Zo bekeken is het begin voor een eerstejaars toch best moeilijk. Zonder alle ervaring en handigheden die ik nu heb, zou mijn collegejaar heel wat zwaarder zijn. Gelukkig maar dat het eerste jaar zo gestructureerd is, dan hebben nieuwe studenten elk jaar weer rustig de tijd om te ontdekken wat er te ontdekken valt. Doe dat dus vooral en studeer zo lang je kunt, het wordt alleen maar leuker.

Simon Nak


Boek328