Issuu on Google+

Rondvraag  Uitbreiding Registratie Studieresultaten Datum: Van: Aan: Betreft:

20 november 2008 SOG­fractie 2008­2009 College van Bestuur Voorstel tot uitbreiding van de registratie van studieresultaten

Inleiding: De   SOG­fractie   constateert   dat   de   huidige   registratie   van   studieresultaten   die   behaald   zijn   aan   de  Rijkuniversiteit Groningen (RUG) beperkt is en onder andere de uitwisselbaarheid ervan bemoeilijken. In  deze rondvraag wil ze daarom het College van Bestuur verzoeken om standaard een aanvullende relatieve  prestatie­indicator in ProgressWWW  te  hanteren,  welke de gehanteerde  absolute cijfers kan nuanceren.  Hiermee kan niet alleen  de uitwisselbaarheid van gegevens verbeteren, maar kan studenten tevens extra  stimuleren om beter te presteren. Achtergrond: Wereldwijd hanteren universiteiten verschillende systemen om de prestaties van studenten te beoordelen.  Ze variёren in de mate waarin de docent danwel de medestudenten invloed hebben op het uiteindelijke  oordeel en  daarmee ook wie het  ambitieniveau  bepaalt.  Een eenvoudige toelichting op bijvoorbeeld het  Amerikaanse   systeem   is   te   lezen   op   de   website   van   het   Fullbright   Center.1  Hoewel   in   theorie   de  beoordelingsletters A t/m F corresponderen met een bepaald percentage goede antwoorden (en daarmee  'absoluut'), komt het er in de praktijk vaak op neer dat een relatieve norm gehanteerd wordt. Een voorbeeld  dat op de website gegeven wordt: “De docent geeft een A aan twee tot drie leerlingen die het best gescoord  hebben voor een examen, ook al hebben ze niet meer dan 70% van de antwoorden goed. De docent gaat er  in dit geval namelijk van uit dat het examen niet goed was en dat de waardering aangepast moet worden.”  Een belangrijke conclusie die uit het bovenstaande voorbeeld getrokken kan worden, is dat, zeker in een  internationale context, niet alleen de absolute prestatie van belang is, maar ook de relatieve prestatie van de  student. Dit aspect komt in de toetsingscultuur in Groningen niet nadrukkelijk aan bod. Hoewel het huidig  gehanteerde (meer) absolute systeem vele belangrijke voordelen kent, blijven de nadelen ervan overeind  staan indien het gehanteerd wordt als enige indicator voor studieprestaties.  Probleemschets: De SOG­fractie constateert dat er op dit moment enige ontevredenheid heerst ten aanzien van de huidige  registratie van studieprestaties en met name de uitwisselbaarheid ervan. Dit geldt zowel voor inkomende  studenten als voor uitgaande studenten.  Voor   inkomende   studenten   geldt   dat   deze   een   verscheidenheid   aan   culturele   achtergronden   met   zich  meebrengen,   waar   ook   interpretatieverschillen   over   studieresultaten   bijhoren.   Sommige   internationale  studenten, bijvoorbeeld uit Azië, zijn zeer teleurgesteld met ‘slechts’ een 7, terwijl dit relatief gezien geen  slecht   resultaat   hoeft   te   zijn.   Bij   het   omzetten   van   de   in   Groningen   behaalde   resultaten   naar   de  thuisuniversiteit leidt dit tot teleurstelling, aangezien het gebruikelijk is voor deze studenten om zeer goede  (relatieve) resultaten te halen. Bij uitgaande studenten spelen twee zaken. In de eerste plaats is het vertalen van de studieresultaten aan  de RUG naar die van de ontvangende universiteit lastig, daar ze verschillende beoordelingssystematieken  kunnen hanteren. In de tweede plaats geldt het omgekeerde. Hoe dan ook behoeven de behaalde prestatie­ indicatoren enige nuancering en uitleg, welke momenteel vaak alleen in de vorm van diplomasupplementen 

1

 http://www.fulbright.nl/?view=alias_pages&id=94&object=325&menutree=6%7C58


of   toelichting   door   personen   gegeven   kan   worden 2.   Ook   is   het   zo   dat   er   aan   de   RUG   (onofficiele)  omrekentabellen   gehanteerd   worden   per   land,   per   universiteit   in   dat   land   of   zelfs   per   studie   aan   die  universiteit in het bijzonder. Deze waaier aan mogelijkheden komt de duidelijkheid niet geheel ten goede,  omrekentabellen kosten daarbij veel werk om op te stellen en bovendien staat zelfs dan de legitimiteit ervan  ter discussie.  Daarnaast   is  een   algemeen   inherent   probleem  bij  de   huidige   becijferingssystematiek  dat   de   vraag   'hoe  presteert de student ten opzichte van anderen?' grotendeels onbeantwoord blijft. Het eerste wat studenten  dan ook doen is kijken welke cijfers (bekende of alle) medestudenten hebben bepaald, maar het oordeel wat  daaruit volgt komt niet terug in de officiele registratie van studieprestaties in ProgressWWW.  Tot slot stimuleert het huidige systeem studenten niet optimaal om de beste studieresultaten te leveren.  “Een zes is immers voldoende” en de (eventueel) relatief lage score van dat cijfer valt niet echt op. Voorstel: De   SOG­fractie   stelt   voor   om   ook   de   relatieve   prestaties   van   de   studenten   te   registreren.   Een   exacte  uitwerking hiervan kan bijvoorbeeld zijn dat er een extra kolom in ProgressWWW komt die het relatieve (en  cumulatieve) scoringspercentage op een studieonderdeel vermeldt3. Deze kan eenvoudig berekend worden  uit de direct ingevoerde resultaten. Welke periode de referentiegegevens omvatten staat in principe open  voor discussie, maar het eenvoudigste is om alleen de resultaten van hetzelfde toetsonderdeel (met datum)  mee te nemen. Herkansingen later in het jaar of algemeen later ingevoerde onderdelen worden dan niet  meegerekend. Een andere optie is om  één dynamisch relatief scoringspercentage over alle cijfers mee te  nemen, hoewel dit technisch gezien ingewikkelder is. Een combinatie van beiden of een uitwerking tussen  deze extremen in is natuurlijk ook mogelijk. Daar lage scoringspercentages op sommige studenten ook een  demotiverende werking kunnen uitoefenen, stelt de SOG­fractie voor om de relatieve prestatie­indicator(en)  optioneel weer te geven.  Welke   optie   ook   wordt   overwogen,   de   SOG­fractie   is   zich   er   van   bewust   dat   ook   een   relatief  scoringspercentage   een   vertekend   beeld   kan   geven,   vooral   als   deze   per   toetsingsonderdeel   wordt  bijgehouden en er weinig studenten hebben deelgenomen aan dat onderdeel. Echter, in algemene zin wordt  de   inherente   vraag   'hoe   presteer   ik   ten   opzichte   van   anderen'   beter   beantwoord,   kan   het   de  uitwisselbaarheid   van   studieresultaten   vergemakkelijken   en   stimuleert   het   een   prestatiecultuur   onder  studenten beter.  Conclusie: Daar   het   registreren   van   de   relatieve   studieprestaties   van   een   student   tegemoet   kan   komen   aan   een  informatiebehoefte   bij   studenten,   de   uitwisselbaarheid   van   studieprestaties   met   andere   instellingen   kan  vergemakkelijken   en   het   een   prestatiecultuur   meer   stimuleert,   stelt   de   SOG­fractie   voor   om   het  registratiesysteem in ProgressWWW uit te breiden met een dergelijke indicator. Deelt het College van Bestuur de mening van de SOG­fractie dat het registreren van de relatieve prestaties   van studenten wenselijk is en daarom geimplementeerd moet worden in ProgressWWW?

2

 Dit kan bijvoorbeeld een hoogleraar zijn die bij een uitwisseling een letter of recommendation als woordelijke toelichting meegeeft 

over de algemene geschiktheid van de uitwisselingsstudent.  3

 Met relatief en cumulatief scoringspercentage wordt bedoeld dat het cijfer tot de top X % van de behaalde resultaten behoort. Dit 

levert lage getallen op bij goede prestaties. Een andere formulering is dat het cijfer op het onderdeel hoger of gelijk is aan X % van  resultaten van de andere studenten. Dit levert hoge getallen op bij goede prestaties.


SOG 0809136 Uitbreiding Registratie Studieresultaten