Page 1

sociologisch mokum / jaargang 2016-2017 nr. 2 / geloof en ongeloof

1


in deze somo

2

5

Millennialisme, spiritualiteit en religie column | Donna Brouwer

12

Intellectual bullshit opinie |Sophie van der Does

6

Vakbekwaam literair verhaal | Emma Stomp

14

Beeldreportage

9

De statistische overweging essay | Joey de Gruyl

18

De paria van de samenleving beschouwing | Delia Spoelstra

Olav Zandbergen & Weera Koopman


20

Wetenschap als religie: het gevaar van wetenschapsatheĂŻsme beschouwing | Chris van Kalkeren

22

Dit was het (nep)nieuws essay | Rowan Stol

24

De nieuwe romantici: als het maar natuurlijk is beschouwing | Eileen Berkvens

26

De parkieten van Henk dicht op mokum | Rosa van Triest

3


tekst: Joey de Gruyl

Hoofdredactioneel

D

e meest gangbare opvatting van kennis luidt –naar mijn weten– als volgt: iets kennen komt neer op het hebben van een justified true belief. Om iets te kennen moet men een geloof hebben in de feitelijke waarheid van iets, en wel zodanig gegrond, dat men dit geloof gelegitimeerd mag achten. Kennis nemen bestaat dan in het bestuderen, of het zich toe-eigenen, van zulke justified true beliefs –hetzij middels scholing, danwel ervaring of betrouwbare hearsay van evenzeer betrouwbare bronnen. Als we dit als epistemologisch uitgangspunt nemen, dan ontslaat het ‘geloof ’ zich van die legitimerende bewijslast. Het hebben van een geloof ergens in, is in zekere zin zelf-legitimerend: claimen dat men iets gelooft is iets wezenlijk anders dan claimen iets te weten, en daarmee minder dwingend –de waarheid van het geloof berust in het persoon en niet in de wereld, evenals de rechtvaardiging van het geloof. Hij die gelooft in het bestaan van een God, is daarmee immuun voor kritiek. Empirisch tegenbewijs –van het soort waar fel atheïsten als Dawkins en de zijnen graag mee strooien– schaadt hen dan ook zelden tot niet. Het is ironisch dat de vele verkondigers van het atheïsme niet inzien dat hun eigen ‘bewijsvoering’ tegen religieuze wereldbeelden, evenzeer berust op (hoogst) fragmentarisch bewijs, bij tijd en wijlen zeer inconsistent, maar bovenal lijkt op de vorm waarin religieuze geloofovertuiging vaak komt. Wat wordt ‘bewezen’ door iets als de evolutieleer is niet zozeer het niet-bestaan van God, maar veeleer de onwaarschijnlijkheid van het scheppingsverhaal in de Bijbel. Echter, de overtuiging van de atheïst betreft een dwingendere waarheidsclaim, die nooit inductief bewezen kan worden: er bestaat niet zoiets als

4

God. Wie gelooft er nu wat? De spanning tussen geloof en ongeloof heeft vele maatschappelijke vormen, waarvan religieuze geloofsbelijdenis slechts een van de meer triviale voorbeelden is. In deze tweede uitgave van Sociologisch Mokum diept de redactie een aantal van deze vormen uit. Chris van Kalkeren bespreekt het gevaar van wat zij noemt ‘wetenschapsatheïsme’ ten tijde van Trump, waar Eileen Berkvens zich verdiept in de opvatting dat ‘natuurlijke’ producten beter zouden zijn dan niet-natuurlijke equivalenten, en hoe dit drogredelijk is. Rowan Stol stelt zich in dit nummer de vraag waar de schuldvraag ligt wanneer het aankomt op fake news –is dit fenomeen te wijten aan kwaadwillenden, of naïviteit van de lezer, en hoe moeten we hiermee omgaan? Delia Spoelstra betoogt verder dat de zondebok die wij vanuit onze links-liberale bubbel zien in ‘de boze witte man’ de oorzaak vormt voor het succes van populistisch rechts. Sophie van der Does daarentegen beschouwt de andere kant van het spectrum, en legt zich toe op de geloofwaardigheid van de vertegenwoordigers van dit rechts-populisme en diens geloofwaardigheid, in de vorm van de heer Baudet. Op een luchtigere toon brengt Donna Brouwer een column over Beyoncé’s haast religieuze verschijningsvormen, en Instagram als (nieuw) medium voor zingeving voor de generatie millenials. Olav Zandbergen en Weera Koopman hebben een rondgang langs de faculteiten gedaan, en brengen een beeldreportage met de vraag ‘wat geloof jij?’ in het achterhoofd. En tot slot een tweetal literaire bijdragen. Emma Stomp brengt ons een kort verhaal over het noodlot van zelfbouwkastjes, en Rosa van Triest een poëtische noot.


tekst: Donna Brouwer illustratie: Rosa van Triest

column

Millennialisme, spiritualiteit en religie

M

illennials zijn individualistisch. Iedereen geboren na 1980 is uniek. En lui, narcistisch, egoïstisch en materialistisch. Dat is in elk geval wat ouders, grootouders, politici, onderzoekers en jawel sociologen ons doorgaans vertellen. Maar millennials zijn ook de nieuwe generatie, de toekomst! Wij zijn de toekomst. Maar is daar nog een plekje over voor God? De meeste jongeren van nu bidden niet meer voor het eten en lezen niet meer de Bijbel. We praten er überhaupt weinig over. De klassieke geloofsuitingen lijken langzaam maar zeker te verdwijnen van de radar. Tegelijkertijd begeven die oppervlakkige millennials zich continu in een existentiële strijd. Wie ben ik? Wat wil ik zijn? Wat doe ik met mijn leven? Hoe leef ik het ‘beste?’ Nieuwe media als Instagram bieden uit-

komst in die existentiële strijd met het zelfbeeld. Handige hashtags leiden de immer zoekende jongere naar een ideaal streefbeeld, een houvast. Een beetje millennial laat zijn of haar zelfprofilering niet door de vingers glippen. Uiterlijke kenmerken laten zich vrij eenvoudig kopiëren, waar levensbeschouwelijke opvattingen vaak worden doorgegeven middels inspirational quotes. Een insta-post van een acaibowl op een zonnig strand is op Instagram meer dan slechts een leuk plaatje: het impliceert een bepaalde lifestyle. Is deze zelfprofilering een nieuwe vorm van praktiserend geloof? Is immitatie het nieuwe bidden? Maar geloof waarin? Wellicht geeft het simpelweg hoop. Spirituele geruststelling die verbindt en bekrachtigd. Het zal niemand ontgaan zijn dat Beyoncé –96,2 miljoen

volgers– onlangs haar zwangerschap van een tweeling via Instagram bekend maakte. De weelderige foto van Queen B met sluier, bloemenkrans, babyblauw satijnen broekje en natuurlijk de bolle buik gevuld met hoop doet denken aan de bovennatuurlijkheid van Moeder Maria. Het overstijgt de sleur van het dagelijks leven. Beyoncé biedt de haar beminnende millennials verlossing met Instagram als haar medium. Religie gaat vaak gepaard met moraal. Dat wil echter niet zeggen dat met het afzwakken van religie die moraal ook verloren zal gaan. Wel suggereert het een bredere opvatting over wat goed en slecht zou moeten zijn. Het leven van een millennial vergt vrijheid en respect. Dat, en een beetje spiritualiteit doet

5


tekst: Emma Stomp

literair verhaal

Vakbekwaam

D

e kast die boven de wastafel moet komen te hangen heet Silveran, een naam die Torben en Lilly allebei niet kunnen uitspreken. Volgens de IKEA-catalogus bieden badkamermeubels innerlijke rust en dat is precies waar ze naar op zoek waren, maar nu ze al een uur bezig zijn de planken aan elkaar te bevestigen, is hun innerlijk allesbehalve rustig. ‘Ik geloof dat die middelgrote schroeven er aan de bovenkant in moeten,’ zegt Lilly. Ze kijken naar de badkamervloer die bezaaid is met losse onderdelen. Torben pakt twee willekeurige schroeven van de grond in de hoop dat ze passen. ‘Nee, niet die. Dat zijn de grote.’ Een uur geleden dachten Torben en Lilly nog dat ze hiertoe in staat waren. Ze zijn op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het geopolitieke strijdtoneel. Ze zijn zich bewust van de gevaarlijke kleurstoffen en conserveringsmiddelen die je aan kunt treffen in bepaalde voedingsmiddelen. Ze spreken samen zeven vreemde talen. Lilly draait de handleiding om. ‘De montage dient uitgevoerd te worden door een vak-

6

bekwaam iemand,’ leest ze voor. ‘Ik bén een vakbekwaam iemand,’ zegt Torben. Lilly geeft Torben dezelfde blik als wanneer hij thuiskomt na een avond whisky drinken met Jos en zegt dat hij maar één sigaret heeft gerookt. ‘Foutieve montage kan ertoe leiden dat het meubel omvalt, waardoor er persoonlijk letsel of schade kan ontstaan,’ leest ze verder. ‘Wat bedoelen ze in godsnaam met persoonlijk letsel?’ vraagt Torben. ‘Zijn ze bij de IKEA bang dat iemand een rechtszaak tegen ze aanspant omdat hij een depressie kreeg door dit kastje?’ Samen kijken ze naar de handleiding waarop tekeningen te zien zijn van twee blije mannetjes die het kastje in elkaar timmeren. Alsof het niets is. Lilly begint niet eens over het feit dat er eigenlijk een mannetje en een vrouwtje hadden moeten staan, dat dit een vorm van genderongelijkheid is. Lilly en Torben wilden alleen maar de mannetjes op het plaatje zijn, zodat ze op de bank kunnen gaan zitten met een fles Merlot. In plaats daarvan zitten ze vast in het badkamerlicht. ‘Misschien moeten we het aan Barry vragen,’ zegt Lilly. Barry is de bovenbuurman, heeft

een buldog en rookt shag. Toen Barry ooit in het trappenhuis aan Torben vroeg wat voor werk hij deed moest hij heel hard lachen alsof Torben zojuist een goede grap had gemaakt. Barry is absoluut een vakbekwaam iemand wanneer het op badkamerkastjes aankomt. ‘Misschien,’ zegt Torben. ‘Maar we kunnen ook een YouTube tutorial kijken.’ ‘Ik wil geen persoonlijk letsel of schade. Laten we Barry vragen,’ antwoordt Lilly en iets aan de vastheid in haar stem bezorgt Torben een gevoel van onmacht, zoals de laatste keer dat hij naar de beelden van smeltende ijskappen keek. ‘Barry is klusjesman. Hij weet hoe dit werkt.’ Torben wil heel graag iets terugzeggen, maar zijn keel voelt droog aan. Hij staart naar de losse onderdelen op de gele badkamervloer. Hij voelt dat er qua argumentatie weinig in te brengen valt tegen Lilly’s voorstel en begint langzaam te knikken. ‘Ik ga wel even langs oké?’ oppert Lilly. ‘Wil je zeggen dat ik op zakenreis ben?’ ‘Je bent nooit op zakenreis,’ ‘Zeg gewoon maar dat ik er niet ben en dat je hulp nodig hebt.’ Lilly zet haar handen in haar zij zoals Italiaanse


illustratie: Rosa van Triest

7


illustratie: Rosa van Triest

moeders van maffialeden doen om te bewijzen dat ze op bepaalde fronten nog altijd de baas zijn. ‘Ik vertel hem gewoon de waarheid: dat we op zoek zijn naar een vakbekwaam iemand.’ Torben staat op het balkon en haalt een sigaret uit het pakje Gauloises dat hij onder de bloempot bewaart voor stressvolle situaties. Hij probeert geen aandacht te schenken aan alle flashbacks van de lagere school die nu door zijn hoofd spoken. Ballen die tegen zijn hoofd aan werden gegooid tijdens de gymles en de veel gebruikte woorden ‘homo’ en ‘mietje’ in zijn richting. In plaats daarvan bedenkt

8

hij zich dat hij een metroman is en dat daar niets mis mee is, dat metromannen in de mode zijn. Hij hoort de voordeur opengaan en steekt een tweede sigaret op. Misschien ligt het eraan dat Barry de hele dag door in de weer is met boormachines en elektrische zagen, maar wanneer hij praat doet hij dat altijd op vol volume. Torben kan Barry dan ook vanaf het balkon horen zeggen het kastje in elkaar zetten ‘een fluitje van een cent is,’ en dat hij dat wel even gaat regelen. Hij hoort Lilly praten met een stem die ze ook gebruikt voor kleine kinderen en gehandicapten. Torben overweegt een derde sigaret op te steken wanneer Lilly de balkondeur opent en zegt dat hij zich niet aan moet stellen en of hij alsjeblieft kan helpen. Barry heeft de handleiding overduidelijk niet nodig om erachter te komen hoe

alles werkt. ‘Hou die plank even vast,’ zegt hij tegen Torben. Zijn stem klinkt extra hard nu hij weerkaatst wordt door de badkamermuren. Torben doet wat hij zegt en moet onwillekeurig denken aan die keer dat hij op zijn tiende met een zeilboot in zwaar weer terecht kwam en op dezelfde manier de commando’s van zijn oom opvolgde. Het is alleen pijnlijker om gecommandeerd te worden in je eigen huis, in het bijzijn van je eigen vrouw. Lilly lijkt minder moeite te hebben met de situatie. Ze doet gewoon wat Barry zegt en lacht zelfs om zijn grappen. Na tien minuten hangt de Silveran aan de muur, precies boven de wasbak. ‘Echt een staaltje vakmanschap,’ zegt Lilly. ‘Graag gedaan vrouwtje,’ Barry geeft Lilly een klopje op haar schouder. Torben doet zijn ogen dicht. Hij denkt aan smeltende ijskappen.


tekst: Joey de Gruyl

essay

De statistische overweging

H

et antwoord op de vraag wat statistiek is kent vele mogelijke invullingen. Men zou kunnen stellen dat statistiek de wetenschappelijke methode betreft die ons in staat stelt waarschijnlijkheidswaarden toe te kennen aan fenomenen die ons als wetenschappers bezighouden. Men zou verder kunnen stellen dat statistiek een discipline is die zich toelegt op het mathematisch verantwoord kwantificeren van data, om verklaringen te bieden voor deze fenomenen, en ze te duiden. Men zou –extremer– kunnen volhouden dat statistiek het werktuig is om de werkelijkheid, objectieverwijs te registreren, en haar te raken waar traditionelere, minder geformaliseerde wijzen van analyse dit minder adequaat kunnen. Hoewel we allen –denk ik– een min of meer gelijksoortige opvatting hebben van wat statistiek is, lijkt het verschil me per discipline, en van toepassing tot toepassing te variëren en zich te centraliseren rond de vraag van het waarom en het waartoe van de statistiek. In een interessant debat dat onlangs

gehouden werd in poëzieboekhandel Perdu, georganiseerd door wijsgerig platform Felix & Sofie, stond juist deze thematiek ter discussie. ‘Wat denkt de statisticus?’ luidde het evenement –een vraag die precies dat vat, wat relevant is wanneer we de waarde en beperkingen van statistiek als methode voor de sociaalwetenschappelijke praktijk willen bevragen. Twee basisassumpties drijven naar boven, wanneer we deze vraag wensen te beantwoorden. Twee assumpties die, goed beschouwd, de condities vormen voor de mogelijkheid tot het überhaupt bedrijven van statistiek. Ten eerste impliceert het gebruik van statistiek te allen tijden het modelmatige denken. Met een probabilistisch model als uitgangspunt vergaart de wetenschapper data zodanig, dat deze te passen is in de beoogde wiskundige methode, en daarmee ook afhangt van de gekozen methode. Met andere woorden: we zoeken data die specifiek past in ons statistische model, en niet meer dan dat. Een implicatie daarvan is dat, hoewel statistiek data-driven is, deze data

altijd gedetermineerd is door een verondersteld model van de (statistische) werkelijkheid. Dus waar etnografische, kwalitatieve data van empirische aard waardevol op zichzelf is, dient deze eerst gehercodeerd te worden in termen van kwantitatieve data –alwaar methodische keuzes en categorisaties van de wetenschapper van dienst om de hoek komen kijken om deze vertaalslag te legitimeren. Statistiek betreft in die zin eigenlijk altijd de kwantificatie van een kwantificatie. Een tweede, en cruciale assumptie voor het bedrijven van statistiek is dat de statistische werkelijkheid die we abstraheren uit onze (schijnbaar chaotische) set empirische data, te allen tijden normaal is. Om statistische methoden toe te passen, dwingt men namelijk af dat datgeen waarover we voorspellingen doen, zich gedraagt volgens de wetten van wiskundige waarschijnlijkheid – probability density functions. Dit is een cruciale assumptie omdat dit een ontologische claim betreft over een werkelijkheid die we nooit inductief hard

9


illustratie:

kunnen maken. Als de wereld zich gedraagt zoals dit normaliter het geval is, dan is het zo waarschijnlijk dat dit optreedt. Maar de wereld is niet normaal. Deze assumptie is echter diep ingebed in het theoretische raamwerk van de statistiek: deviant cases worden geëlimineerd omdat ze ons model verstoren, en onvolledige of te kleine steekproeven worden genormaliseerd doormiddel van een hypothetische centraal-limiet stelling. Onder de assumptie dat de wereld (en dus data over deze wereld) zich normaal gedraagt, infereren we vervolgens dat incomplete steekproeven –mathematisch gesimuleerd en vermenigvuldigd met zichzelf– normale data opleveren, waarover we dan weer inferentiële claims mogen maken over grotere populaties. Het is belangrijk op te merk-

10

en dat deze assumptie van normaliteit ook een zweem van objectiviteit in zich draagt. Mits data methodisch correct verkregen is, meet wat het meet en wel op de juiste wijze, dan veronderstellen we dat enige statistische inferentie –eveneens mits goed toegepast– een correct beeld van de wereld oplevert, en daarmee min of meer objectiever is, dan wat niet of minder gekwantificeerde, kwalitatieve data ons oplevert. Nu zal geen statisticus beweren dat statistiek een zuiver objectief meetinstrument is, maar prone to error, en kan men simpelweg tegenwerpen dat statistische resultaten semantisch adequaat blijken –ze kloppen, vaak. Ik wil hier dan ook geenszins een apologie voor de kwalitatieve wetenschap uiteenzetten.

Belangrijker echter, vind ik de epistemologische implicaties voor wetenschapsgebieden die statistiek veelvuldig hanteren, en wat voor wereldbeeld daarmee snel gepaard gaat. Wat de statisticus denkt, is daarom zeer relevant voor dat waartoe de statisticus zijn methode toepast. Statistiek is namelijk in haar naakte vorm, essentialistisch van aard. Ze kwantificeert op basis van dat wat de gemene deler is tussen individuele datapoints of respondenten, en laat daarbij onverlet wat deze van elkaar differentieert. Om met Duns Scotus te spreken, statistiek staat geen haeccitas, geen ‘ditheid’ toe: dat wat een mens of object maakt tot wat het is, en wat de ene vrouw in een steekproef onderscheid van een andere vrouw in dezelfde steekproef, wanneer we cor-


Bram Visser

rigeren voor gender. Slechts door data te essentialiseren op basis van gedeelde kenmerken en categorieën, voldoen we aan de normaliteitsassumptie (immers, ‘vrouwheid’ is dat wat vrouwen onderling delen, als common essence geldt, en als zodanig zich ‘normaal’ zal gedragen). Chaos is daarmee uitgesloten. Maar het is maar de vraag in hoeverre dit recht doet aan de wereld die we pogen te beschrijven middels deze methode. De ene vrouw is de ander niet. Dus waar statistiek ontegenzeggelijk werkt, kunnen we haar geenszins de objectiviteit verlenen die zovelen haar toekennen. Temeer omdat, terugkomend op de eerste assumptie van model-based onderzoek, data zich ten alle tijden schikt naar het statistische model, wat

op zichzelf genomen, nooit objectief kan zijn –het model zelf is namelijk nooit empirisch. Verschillende statistische vraagstukken kennen verschillende statistische toepassingen die elkaar al dan niet methodisch uitsluiten. Deze methoden echter, mogen het resultaat zijn van toegepast wiskundig vernuft en logische validiteit, maar zijn te allen tijde tevens het resultaat van mensenwerk en selectie. Statistiek bedrijven betreft daarom ook altijd theoretische determinatie: de theorie bepaalt de data, en niet andersom. Hoewel ik zeker de voordelen van statistiek als methode erken, zowel voor de wiskunde, als voor de sociale wetenschappen, denk ik dat het van cruciaal belang is dergelijke implica-

ties van statistiek als methode niet uit het oog te verliezen in de wetenschappelijke praktijk. Een te sterk geloof in de heil van statistische methoden kan namelijk leiden tot een zeer rigide opvatting van enerzijds de realiteit en haar fenomenen, maar anderzijds ook tot het te zeer ‘verwetenschappelijken’ van de sociale wetenschappen, waar ook haar kwalitatieve aspecten en etnografische resultaten verloren kunnen gaan. De claim dat statistiek dient als objectief meetinstrument, baseert zich namelijk rond een essentialistisch wereldsbeeld en een set zuiver subjectieve assumpties over het onderzoeksobject. Statistiek is goed, maar ook weer niet zo goed.

11


illustratie: Rosa van Triest

Intellectual bullshit

E

sthetiek en ambiguïteit. Tweeledigheid en pathetiek. Contradicties en solipsismen. Zomaar een aantal termen, die hier en daar door menig kletskous gebruikt wordt om het door hem of haar gezegde wat belangrijker te laten lijken. Wichtigmacherei, zogezegd. Dat het zo ongeveer onmogelijk is deze termen te gebruiken en er ook nog een samenhangend verhaal van te maken, dat weet de spreker in kwestie zelf ook wel. Het publiek laat het echter gewoon toe en gunnen de spreker de eer en ruimte van het podium. De spreker heeft de twijfelachtige status van ‘intellectueel’ bereikt en geniet daardoor een andere status dan de ‘gewone burger.’ De spreker onderscheidt zich zogenaamd van hen door zijn ‘verlichte’ staat van zijn. Welnu, wat te doen als je zelf in dat publiek zit, en wel aanvoelt dat de spreker vast en zeker een elitair aura bezit, maar het toch niet helemaal gelooft? Je kunt het verhaal van de intellectueel volgen, de redenering en de argumenten begrijpen, maar bij de conclusie denk je toch: ja, oké, ik begrijp wat je zegt. Maar er klopt iets niet. In je sociologische hartje schuurt het ergens. Wat is dat gevoel van onbehagen? Een dergelijk gevoel dient zich bijvoorbeeld aan bij de heer Baudet. Deze zelfverklaarde ‘intellectuele piraat’ is initiatiefnemer van, en sinds kort ook kamerlid voor, Forum voor Democratie. Aan tafel bij Pauw wordt hij geïntroduceerd als publiek intellectueel. Hm.. is

12


tekst: Sophie van der Does

opinie

hij dat inderdaad? Waar blijkt dat dan uit? Zeker, de man is welbespraakt, dat kan ik niet ontkennen. Baudet bezit een goede dictie in combinatie met de juiste timing. Zo ook een universitaire graad plus een zekere dosis cultureel kapitaal. Bovendien zit Baudet in een lichaam waarvan menig Fifty Shades of Greykijker rode wangetjes krijgt. Maar toch. Ik geloof het niet. Waarom is het zo moeilijk de vinger te leggen op wat deze meneer zo ontzettend ongeloofwaardig maakt? Geloofwaardig overkomen in de politiek. Het is een hele opgave. De kwestie is actueel. Veel populisten, zo ook Baudet, richten hun pijlen op de ‘elite’ die het politieke landschap maar in de war zou brengen. Zo stelt Baudet dat het establissement in Den Haag zich tegen ons heeft gekeerd, terwijl zij ons eigenlijk zouden moeten beschermen. Wie ‘ons’ is, en wie niet, dat is nog maar de vraag. De claim is voorts dat de ‘elite’ te veel bepaalt hoe het land bestuurd zou worden en daarbij stelselmatig voorbij gaat aan de behoeften van het volk. De elite is daarom niet meer geloofwaardig, zo luidt de aanklacht van Baudet en de zijnen. Dat Baudet zelf ook ontzettend elitair is lijkt een hypocriet verwijt. Maar hoe hypocriet Baudet’s standpunten ook mogen klinken, heeft FvD niet eveneens het recht om hypocriet te zijn, evenals het veronderstelde ‘partijkartel’? Zoals iedereen dat ‘recht’ heeft, misschien? Het recht om hypocriet te zijn, om rac-

istisch te zijn, om homofoob te zijn? Ik weet het oprecht niet, zoiets is lastig te nuanceren of te verdedigen zonder direct over te komen als enerzijds een racist of anderzijds Gutmensch. Op 11 maart liepen 15.000 mensen the Women’s March in Amsterdam. Mensen met verschillende achtergronden kwamen daar bij elkaar en protesteerden met veel leuzen en protestborden tegen onder andere seksisme, racisme en homofobie. Het was een groots opgezette bottom-up demonstratie die een sterke vuist maakt tegen structurele ongelijkheid in de samenleving die wordt gedomineerd door witte mannen. Mannen zoals Thierry Baudet. Ik las echter niets van dit alles terug in het nieuws van die dag. In plaats daarvan zag ik enkel over issues in de Turks-Nederlandse verhoudingen. De komst van een Turkse minister, tegengehouden in Nederland. Daaropvolgend rellen in Rotterdam, verklaringen van Rutte daaromtrent –had dit niet juist met de thematiek van deze demonstratie te maken? Deze Women’s March en boze ministers uit Turkije? In mijn hoofd kon ik de associatie niet expliciet maken. Maar de link was er wel. Voor populisten kwam dit nieuws just in time. In plaats van over de institutionele discriminatie te praten waar de Women’s March zich tegen afzette, konden zij nu focussen op de uitzetting van de

Turkse afgezant die in Nederland campagne kwam voeren. Waren de Turken en Erdogan niet de beoogde nieuwe bad guys voor menig populist? Een excuus, bovendien, om niet over structurele ongelijkheid te hoeven praten? Die avond zette ik de televisie aan. Ik zag Turkse Nederlanders –of Neder-landse Turken, maakt de volgorde uit?– protesteren op plein ‘40-45 in AmsterdamWest. Ze protesteerden en schreeuwden tegen de politie. In plaats van op te komen voor zichzelf, kwamen ze op voor een regering die niets lijkt te geven om de rechten van anderen. Misschien zijn deze protesten hypocriet, maar heeft niet iedereen het recht om hypocriet te zijn? Wat het ressentiment ook is, zijn niet ook zij de herkenning en erkenning waard? Voor ons sociologen ligt nu de vraag: hoe houden we vast aan onze intersectionele gronden? Wat te doen, hoe te handelen en op basis van welke waarden? Dit klinkt misschien wanhopig en alomvattend, maar sinds de beëdiging van Trump zijn alle denkbare scenario’s ineens mogelijkheid geworden. Er lijkt geen eenduidig antwoord te zijn. Je mond houden en je aan nuttige arbeid wijden, zou mijn moeder zeggen. Werken zonder discussiëren, zegt mijn leidinggevende. Ons nietiger dan nietig opstellen, denk ik af en toe.

13


tekst: Olav Zandbergen

beeldreportage De lading van het woord ‘geloof’ is veranderende. Waar het woord voorheen veelal religieuze connotaties had, lijken deze tegen-woordig steeds diverser. Als antwoord op de vraag ‘geloof je?’ zou een eeuw geleden ‘ja’ al een hoop informatie geven over iemands overtuigingen: Christelijk. Echter, met name sinds de jaren ‘60, toen er veel arbeidsmigranten naar Nederland kwamen, is de diversiteit in de samenleving sterk toegenomen. Dit betekende een groeiend aantal mensen met een niet-Westerse achtergrond en niet-Westerse religieuze opvattingen. Daarnaast is er sprake geweest van secularisering, uitmondend in een opkomst van het atheïsme, agnosticisme en vormen van new-age spiritualiteit. Naast het groeiende aantal religieuze geloofsovertuigingen, lijkt er ook een ontwikkeling gaande dat geloof zich niet langer beperkt tot de religieuze context. Een veelgehanteerde definitie van het woord ‘geloof’ is ‘vertrouwen stellen in’. Dit is een zeer vrijblijvende en universele definitie van wat geloof zou inhouden. Tegenwoordig stellen mensen in de meest triviale dingen te geloven. Zo zag ik laatst de tekst ‘I believe in good coffee and Wi-Fi’ in witte letters op het raam van een Amsterdams koffie-tentje. Aangezien ik niet denk dat het brein achter deze tekst de aanwezigheid van een bakkie en een internetverbinding als sacraal ervaart, lijkt dit te bevestigen dat geloof tot iets zeer alledaags en weinig omvattends is verworden. Het groeiende aantal religieuze overtuigingen in de Nederlandse samenleving, samen met de definitieverschuiving van het begrip ‘geloof’, heeft ervoor gezorgd dat de vraag ‘geloof je?’ tegenwoordig niet meer toereikend om iemands wereldbeeld te kunnen achterhalen. Om deze reden hebben wij daarom de vraag ‘wát geloof je?’ gesteld aan studenten rondom het Roeterseilandcomplex en de Oudemanhuispoort campus.

14

1. Roy - fietscoach “Ik geloof in God. Sinds twee jaar ben ik bekeerd. Christelijk, dat is mijn opinie. In mijn vorige leven was ik veel aan het liegen en door de bekering ben ik toch een ander mens geworden. Ik geloof dat Hij overal over mij waakt.”

2. Hayat - bedrijfskunde “Ik geloof in de gemeenschappelijkheid van alles, ik wil zo een sociaal mogelijke approach nemen tot alles wat we doen, anders gaat het niet werken. Mensen zijn nu te veel veel self-involved en egoïstisch en ze stemmen rechts. Dat is niet hoe het hoort.”


beeld: Weera Koopman

5. Pascal - computer science “I think the best way to improve the world is to take small steps and lead by good examples. I believe that we have to look at what is right for society and the environment.”

3. Fleur - informatiekunde “Ik geloof dat de wereld is ontstaan door een oerknal, maar dat er vervolgens wel profeten zijn geweest die ons hebben gevormd tot wie we zijn. En ik geloof dat iedereen moet samenwerken in vrede.” 6. Farah - fiscaal recht “Ik geloof in memes. Ze maken het leven van iedereen beter. Je kan jezelf erin terugvinden, ook al worden ze gemaakt door verschillende mensen. Ik geloof ook in de kracht van motivatie.”

4. Robin - filosofie “Ik geloof in de waarde van universele liefde. Ik denk dat in alles wat gecreëerd wordt uit liefde bestaat en alles wat kapot gemaakt wordt een gevolg is van gebrek aan liefde.”

15


beeld:

16

7.

9.

8.

10.

7. Bo - media en cultuur

8. David - kunstgeschiedenis

9. Thomas - sociale geografie

10. Derk - geschiedenis

“Ik geloof in het menselijk verstand. Ik denk dat alles wat wij zien in deze wereld een product is van menselijk verstand en dat je daar altijd op terug kan vallen wanneer je niet weet wat je kan geloven. Volgens mij is het onrechtvaardig om in iets te geloven wat hoger dan jezelf is. Ik denk dat menselijk verstand onderdeel is van de natuur, het is niet gevormd door mensen. Ik denk niet dat er een eenzijdige invloed is van nature, maar dat het een samenkomst is met nurture op hoe wij zijn en hoe we zien dat anderen zijn. Ik denk dat het invloed heeft op datgene wat je gelooft en dat dat een product is van wat we bedenken.“

“Ik vind dat een moeilijke vraag. Ik geloof niet in een God of hogere macht. Ik denk eerlijk gezegd dat het verzonnen is om dingen te verklaren. Het Christendom vind ik onzin, aan de andere kant leert het mensen waarden die ik wel belangrijk vind. Het heeft ook goede kanten en door erin te geloven kan het wel mensen de wereld laten verbeteren. Omdat het gebonden zit aan een man in de Hemel is het voor mij niet mogelijk om daarin te geloven. Misschien heeft religie wel wat er mist in de wetenschap; hoe het mensen leert om goed met elkaar om te gaan.”

“Ik geloof dat we wat meer compassie nodig hebben komende tijd. Volgens mij is het makkelijk om ongelovig te zijn op dit moment - er is veeal om pessimistisch over te zijn. We moeten leren iets socialer naar elkaar te kijken, iets meer zien dat het best wel goed gaat. Zo kunnen ook minderheden beter geholpen worden.”

“Als ik ergens in zou geloven… Niet op een religieuze manier - dat doe ik totaal niet, want dat vind ik een beetje onzin. Hoewel ik het ook lastig vind dat mensen militant doen tegen gelovigen, dat is problematisch. Als ik zou kiezen: iedereen moet het lekker zelf kunnen bepalen. Waar ik zelf in geloof: iedereen moet de vrijheid hebben om ergens in te geloven.”


Weera Koopman 11.

13.

12.

14.

11. Laura - kunstgeschiedenis

12. Gioia - antropologie

13. Yannesh - sociologie

14. Max - politicologie

“Ik vind dat iedereen altijd verantwoordelijkheid moet nemen om bewustzijn bij zowel jezelf als anderen te kweken over de bestaande machtsstructuren in onze samenleving. Omdat ik niet vind dat iemands persoonlijke religieuze uitingen daar van groot belang voor hoeven te zijn, zal ik nooit iemand beoordelen om hun godsdienstige overtuiging. Als iemand hun identiteit rondom een religie centreren dan hebben zij daar alle recht toe. Misschien komt het doordat ik in een atheïstisch gezin ben opgegroeid, dat ik juist de aantrekkingskracht van het halen van voldoening en nut uit een godsdienst goed kan begrijpen. Het lokale gemeenschapskarakter van kerken, moskees en synagogen in Amsterdam vind ik verrijkend voor de stad en haar inwoners.“

“Ik geloof in mezelf. Niet in, buitenaardse whatever of Goden, ik vind het juist mooi dat mensen daar geloof uit halen. Maar ik geloof niet in iets wat niet hier op aarde is. Ik vind dat iedereen in zichzelf zou moeten geloven. Ik vind dat mensen op eigen kracht dingen moeten doen en dat je dat zelf realiseert. Anderen kunnen je daar zeker bij kunnen helpen. Contacten, professoren; wie dan ook, maar er zal nooit van buitenaf of bovenaf iemand zijn wie je daar bij helpt.”

“Ik geloof niet dat er een inherente waarheid is. Als je wel op die manier denkt - dat er geen waarheid is en alles extern geconstrueerd is – dan zal je ook nooit iets concreets kunnen doen in het leven. Volgens mij is het handig om een bepaalde moraliteit te volgen.”

“Ik hang geen bepaalde religie aan en ik geloof niet in iets institutioneels. Het ligt meer persoonlijk en spiritueel: ik geloof wel dat we allemaal verbonden zijn met elkaar door de natuur. Het is niet goed in woorden te vatten, meer een gevoel. Als je door het bos wandelt zie je niet alleen de schoonheid ervan, maar ook dat je niet zonder had kunnen leven. We zijn afhankelijk van elkaar.“

17


tekst: Delia Spoelstra

De paria van de samenleving

I

n heel de wereld grote verbazing nadat Donald Trump tegen alle verwachtingen in het Amerikaanse presidentschap in de wacht sleepte; een grote shock nadat Boris Johnson succesvol campagne voerde voor de daaropvolgende Brexit; af-schuw vanuit links over de onvoorzien hoge positie van Wilders in de peilingen. Deze drie gebeurtenissen hebben behalve drie mannen met opvallend geblondeerd haar, populisme en het onverwachte aspect gemeen. En ik ben boos. Niet op Andrélon Zomerblond shampoo –want dit doet ook voor mij wonderen– maar op de linkse media en bovenal op mezelf. Ik zal niet ontkennen dat ik bij deze gebeurtenissen ook gechoqueerd naar mijn smartphone zat te kijken. Voor mijn scriptie ben ik extreem-rechts (als we die term mogen gebruiken) ingedoken en in tegenstelling tot het heersende beeld van deze politieke stroming waren demonstranten die met Pegida en NVU de straat op gingen niet allemaal racistisch, seksistisch en laag opgeleid. Het waren vooral doodnormale mannen en vrouwen die zich zorgen maken. Hoe had ik kunnen denken dat de grote ‘Make America Great Again’- schreeuwers maar een klein groepje uitschot zijn? Wat vooral opvallend was in de gesprekken die ik had met onder andere PVV-

18

stemmers was een algemeen gevoel van teleurstelling in de politiek en de traditionele politieke partijen die al decennialang in de Tweede Kamer zitten, zoals de PvdA en CDA, omdat ze het gevoel hebben dat er niet geluisterd wordt naar hen, ‘het volk.’ Vaak bleken ze in de schuldsanering te zitten, bij de voedselbank te lopen. Geen werk te kunnen vinden of zich zorgen te maken over het welzijn van hun ouders in verzorgingstehuizen. Volgens Christine Lagarde, directeur van het Internationaal Monetair Fonds, leiden inkomensongelijkheid en geldzorgen vaak tot verlies van vertrouwen in de politiek onder burgers wat uiteindelijk kan leiden tot een stem voor een populist. Het woord populisme komt van het Latijnse populus wat ‘volk’ betekent en fungeert als verzamelnaam voor politieke bewegingen die zich afzetten tegen de gevestigde orde. Melissa Fleming, hoofd communicatie en woordvoerder van UHNCR, stelt dat mensen die onzeker zijn zich vaak focussen op het beschermen van wat ze hebben. Op het moment dat een partij als de PVV, of een presidentskandidaat als Donald Trump, een koers biedt die als populistisch beschreven kan worden lijkt het mij een normale reactie om hierin mee te willen gaan aangezien deze politici tactisch inspelen op de dalende hoop tegen de gevestigde orde.

Er lijkt dus een groep te bestaan met veel zorgen met een zeker wantrouwen jegens de gevestigde partijen, die bovendien niet luisteren naar hun zorgen. En dan werp hij zich op, de grote blonde Messias, die stelt te spreken in de naam van het volk en zich afzet tegen de gevestigde orde. Denk hierbij aan de befaamde uitspraak van Trump: ‘It’s going to be America First’ en de lijfspreuk van de PVV ‘Nederland weer van ons.’ Dit soort uitspraken sluiten goed aan op de zorgen van deze groep aangezien zij het gevoel hebben niet gehoord te worden door de traditionele partijen. Is het heel gek dat hij vervolgens in de peilingen stijgt? Ik denk dat dit een ontwikkeling is die we van veraf hadden kunnen zien aankomen. Dat Pegida-aanhangers en PVV-stemmers een klein groepje herrieschoppers zouden zijn is niet langer vol te houden na de verkiezing van Donald Trump en de opkomst van rechts-populistische partijen door Europa. En ja, ik ben boos. Omdat we de ontwikkelingen waar ik in het begin van dit stuk over sprak niet aan zagen komen, maar vooral de manier waarop hiermee om wordt gegaan. Want wat doet ‘links’ op het moment dat populisme een opkomst maakt? Het introduceert de hashtag #hoedan om populisten als Wilders belachelijk te maken. De grote denkfout die hier gemaakt wordt is dat rationele argument-


beschouwing

en de sleutel zijn tot het doen dalen van populisten in de peilingen. Hoe kan het dat iemand als Trump, een man die de opwarming van de aarde ontkent, een muur wil bouwen aan de Mexicaanse grens, naar zichzelf verwijst als the Donald en seksuele innuendo’s maakt over zijn dochter, de president van Amerika is geworden? Simpelweg omdat hij verandering zegt te bieden. En dan kunnen we hem en zijn aanhangers wel wegzetten als racisten, seksisten en belachelijk maken door te wijzen op argumentatiefouten, maar feit blijft dat bijna de helft van de stemgerechtigden in Amerika hem verkiest boven Hillary. Hetzelfde gebeurt in Nederland. We reduceren iedereen die het niet eens is met ons links-liberale gedachtegoed tot de paria van de samenleving. Een veelgehoorde uitspraak in mijn onderzoek kwam neer op: ‘Ik word door iedereen weggezet als racist of nazi op het moment dat ik enige zorg uit over de Europese Unie, de massale komst van vluchtelingen of de Islam.’ PVVstemmers worden op publieke televisie door heel Nederland uitgekotst. Neem als voorbeeld dat wanneer Agema eindelijk bij Pauw & Jinek zit ze niet mag praten over het partij-programma zoals de andere lijsttrekkers. In plaats van eerlijke vragen te stellen moet ze zich een uur verdedigen over waarom Wilders nooit op televisie te zien is. Sinds wan-

neer gaan we het debat niet meer aan als er een tegengestelde visie wordt gepresenteerd? Waarom wordt Fleur Agema geridiculiseerd in plaats van dat er een inhoudelijk gesprek gevoerd wordt? Jonathan Pie, een fictief personage die als journalist de spot drijft met de Britse politiek, stelt in een tirade op Youtube dat wanneer we stoppen met de discussie aangaan er een politiek milieu wordt gecreëerd waarin we mensen als Trump groot laten worden. Ik denk dat hij daar de vinger op de zere plek legt: namelijk dat we de opkomst van populisten voor een groot deel aan onszelf te danken hebben, links. In zoverre er iets bestaat als ‘links’ denk ik dat de gemeenschappelijke deler onder zij die over het algemeen als links beschouwd worden is dat elke andere mening niet meer geaccepteerd wordt; we lijken simpelweg niet meer in gesprek te gaan. Onafhankelijk van of de argumentatie van Trump en Wilders correct of foutief is, hebben we te maken met een groep mensen die zich door de politiek, maar ook door ons, zich niet gehoord voelt en daarom overweegt op een populistische partij te stemmen – iemand die hen wel vertegenwoordigd, en naar hen luistert. Gehoord worden is voor hen belang-rijker dan het inhoudelijke partijprogramma. Hen belachelijk maken zal alleen maar bijdragen aan het gevoel dat niet naar hen

geluisterd wordt. Mensen durven niet meer uit te komen voor hun mening. Het standaard antwoord dat ik kreeg wanneer ik een interviewverzoek deed was dat men alleen wilde praten als dit anoniem kon. Als ze al met naam en toenaam een interview gaven waarin ze als PVV-stemmers naar voren kwamen dan waren ze bang voor verlies van hun baan, vrienden of familie. Hoe is het zo ver gekomen dat men bang is voor het er op na houden van een andere politieke oriëntatie? Vrijheid van meningsuiting zou voor iedereen moeten gelden, onafhankelijk van of je de heersende opinie deelt. Jezelf ‘beter’ wanen omdat je hoogopgeleid of links bent helpt niemand, en zal ook niet helpen in het overtuigen van anderen voor jouw links-liberale visie. We prediken democratisch te zijn maar respecteren andersdenkenden niet en sluiten hen daarmee uit van het debat of open gesprek. Behalve dat dit niet helpt in het overhalen van anderen voor jouw links-liberale visie creëert het een politiek klimaat waarin partijen als de PVV kunnen floreren. Trump heeft al gewonnen en de PVV is de een na grootste partij. Beledigen, ridiculiseren en gekrenkt zijn werkt blijkbaar niet. Dit is hét moment om uit je luie, superieure linkse wereld te stappen en het debat weer aan te gaan.

19


tekst: Chris van Kalkeren

Wetenschap als religie: het gevaar van wetenschapsatheïsme

Z

o’n jaar geleden stelde de Amerikaanse Republikein Ben Carson dat Charles Darwin onder invloed van de duivel was en de evolutietheorie niet zou kloppen. Toen de pers hem wees op de ongeloofwaardigheid van dit punt antwoordde hij dat ‘hij de religie van wetenschappers ook niet bekritiseert en dus dat zij –de pers– ook zijn religieuze standpunten niet mogen aanvallen.’ Ofwel, Carson trok de vergelijking tussen wetenschap en religie, een vergelijking die tegenwoordig vaker te vinden is. Een andere claim die je de laatste tijd vaak hoort, voornamelijk in de rechts-populistische hoek, is dat de wetenschap ‘ook maar een mening’ is. Het wegzetten van de wetenschap als mening is natuurlijk het duidelijkst te zien bij Donald Trump, die onder andere niet ‘gelooft’ in klimaatverandering, hoewel ontzettend veel wetenschappelijk onderzoek aantoont dat dit het grootste probleem van onze tijd is. Zo stelde Trump in een interview met de Miami Herald: “I am not a big believer in man-made climate change. It could be of some impact, but I don’t believe it’s a devastating impact.” Het woordje ‘believe’ lijkt te suggereren dat Trump denkt dat klimaatverandering iets is waar je al dan niet in kunt geloven. Hij zet daarbij het wetenschappelijk bewijs voor klimaatverandering, veroorzaakt door mensen, weg als slechts een ‘geloof.’ Hoewel religieuze mensen hun geloofsovertuiging vaak niet zien als iets waar ze voor gekozen hebben, maar beschouwen als de waarheid, denk ik dat er een duidelijk verschil bestaat tussen religie en de wetenschap. Waar het bij religie niet draait om bewijzen (wat is het bewijs dat God bestaat?), is bewijslast en waarheidsvinding in de wetenschap juist cruciaal. Wetenschap geeft ons ware kennis en het vergelijken van deze wetenschap met religie is een gevaarlijke ontwikkeling. Zo wordt wetenschappelijk aantoonbare verandering van het klimaat getrivialiseerd, waardoor de gezamenlijke actie benodigd om dit probleem op te lossen moeilijker en moeilijker wordt. Im-

20

mers, de Verenigde Staten, met Trump aan het hoofd, zou juist een voortrekkersrol kunnen spelen op het gebied van het tegengaan van klimaatverandering, mede door hun machtige positie in de Westerse wereld op politiek en cultureel gebied. Het probleem van wetenschap bezien als geloof komt niet slechts in de Verenigde Staten voor; het bestaat hier in Nederland net zo goed. De Partij voor de Vrijheid hecht weinig waarde aan wetenschappelijke ontwikkeling en stelt in haar verkiezingsprogramma dat, als het aan hen ligt, er helemaal geen geld meer naar innovatie en wetenschap gaat. Interessant is dat Geert Wilders onderzoek in sommige gevallen, zoals naar het succes van de euro, wel selectief inzet, maar aan andere wetenschappelijke ontdekkingen, die niet in zijn politieke programma passen, geen aandacht schenkt. Ofwel, wanneer het hem en zijn standpunten goed uitkomt, mag onderzoek ineens wél als onderbouwing voor zijn argument dienen.


illustratie: Elliyah Dyson

column

Het punt is dat politici als Trump en Wilders een grote achterban hebben die zij kunnen beïnvloeden, waardoor de wetenschap onder een grote groep haar legitimiteit dreigt te verliezen. Een van de belangrijke taken voor de wetenschap is echter het controleren van de politiek. Immers, door wetenschappelijk onderzoek kunnen politieke uitspraken worden gecheckt, en kunnen bepaalde uitspraken niet meer gedaan worden, omdat onderzoek al eerder de feiten heeft aangetoond. Een verlies van legitimiteit van de wetenschap kan als gevolg hebben dat de politiek makkelijker onware uitspraken kan doen. Het is van belang te stellen dat het wetenschappelijk onderzoek waar ik het tot nu toe over heb gehad voornamelijk natuurwetenschappelijk, of in ieder geval positivistisch, kwantitatief onderzoek betreft. Volgens deze wetenschappelijke

paradigma’s zijn er door onderzoek ‘feiten’ te achterhalen, zoals het feit dat de aarde opwarmt. Het is echter zo dat veel onderzoek binnen de sociale en geesteswetenschappen gebaseerd is op een meer constructivistisch perspectief. Dit soort onderzoek claimt geen feitelijkheid, maar benadrukt juist de verschillen in gedachten en ervaringen tussen mensen. Gedachten en ervaringen die door onszelf geconstrueerd worden. Het is daarom moeilijker het directe ‘nut’ van dit wetenschappelijk onderzoek uit te leggen, dan dat van onderzoek dat stelt feite-lijkheden te presenteren. Door politici als Wilders en Trump zal dit soort wetenschap daarom al helemaal geen aandacht krijgen. Uiteraard bestaat er ook binnen de wetenschappelijke literatuur de nodige discussie tussen positivistische en constructivistische wetenschappers. Ik denk dat het op dit moment makkelijker is mensen te overtuigen van de waarheid van positivistisch wetenschappelijk onderzoek en dat we daar eerst maar eens mee moeten beginnen. Wereldwijd kijken wetenschappers vol afschuw naar wat er gebeurt met de wetenschap in de Verenigde Staten. Op 22 april lopen Amerikaanse wetenschappers mee in de March for Science, waarin ze Trump’s poging om wetenschap te ridiculiseren een tegengeluid willen geven. De Nederlandse variant van de mars wordt op dezelfde dag georganiseerd op het Museumplein. Duidelijk is dat wetenschappers niet bij de pakken neer zitten en strijden voor hetgeen zij van houden –de wetenschappelijke waarheidsvinding. Dit geeft mij hoop. De wetenschap heeft immers, samen met de journalistiek, zo’n belangrijke functie: het controleren van de politiek. De kritiek vanuit de wetenschap geeft aan dat zij deze functie zeer serieus neemt. Laten we hopen dat de wetenschap altijd blijft geloven in zichzelf, en zich tegelijkertijd weet los te maken van de huidige neiging haar te vergelijken met religie. Het gevaar van wetenschapsatheïsme ligt immers altijd op de loer.

21


tekst: Rowan Stol

Dit was het (nep)nieuws

D

e kwestie rond nepnieuws is ingewikkeld. Er lijkt een tweestrijd te zijn ontstaan tussen enerzijds volledige vrijheid van meningsuiting en anderzijds het tegengaan van valse berichtgeving –met mogelijk grootse gevolgen. Met nepnieuws doel ik, met name met betrekking tot de recente Amerikaanse presidentsverkiezingen en de Tweede Kamerverkiezingen in Nederland, op de bewuste verspreiding van onjuiste informatie wat bijdraagt aan de maatschappelijke visie op bepaalde verschijnselen. Bevindingen en data worden verzonnen of opzettelijk overdreven om het belang van kernpunten van een politieke belangengroep te ondersteunen. Maar in hoeverre is het een reële optie hier tegenin te gaan, wanneer we de vrijheid van meningsuiting zo’n belangrijke waarde vinden binnen de Westerse maatschappij? Hoe kunnen we onszelf er dan tegen beschermen?

22

Sociale media zijn zeer populair en veelvuldig gebruikt. Nieuwskanalen spelen op deze brede toegankelijkheid in door ook dit soort nieuwe platformen te gebruiken om nieuws te delen. Op deze manier heeft men veel verschillende bronnen gebundeld tot zijn beschikking op één tijdlijn. Daarnaast heeft iedereen die dit wenst – zowel vanuit bedrijven als individuele pagina’s – de kans zijn verhalen met een breed publiek te delen. Zo zijn er ondernemingen ontstaan die via advertenties geld verdienen aan pagina’s waar nepnieuws wordt aangeboden, vaak gepaard met clickbait-titels. De nieuwsgierige mens is sneller geneigd op een controversiële titel te klikken om het hele verhaal te ontdekken en dus is dit een methode voor deze ondernemingen om geld te verdienen. De juistheid van de artikelen is niet van belang mits het nieuws een bepaald politiek of economisch doel heeft, en kan hiermee gevaarlijke gevolgen hebben wanneer

men deze artikelen aanneemt voor de waarheid. Het onderscheid tussen legitieme nieuwsbronnen die streven naar objectiviteit, en nieuwsbronnen die zo’n specifiek doel nastreven is door de grote diversiteit aan artikelen op sociale media moeilijker te achterhalen. Hierin schuilt het mogelijke gevaar van verschillende bronnen van nieuws met de grote toegankelijkheid van onder andere het internet. Bart van Heerikhuizen haalde bijvoorbeeld treffend het Thomas-theorema aan: “If men define situations as real, they are real in their consequences.” Dit houdt beknopt in dat wanneer men iets voor waar houdt, hier ook naar redeneert en handelt. De daadwerkelijke juistheid ervan is daarbij van ondergeschikt belang in de gevolgen van dit redeneren of handelen. Wanneer lezers in aanraking komen met bepaalde feiten of verklaringen in nieuwsartikelen, kan het geloof in de waarheid hiervan effect hebben


illustratie: Bram Visser

essay

op hun visie op bepaalde verschijnselen. Mensen sturen hun gedrag naar op hun ‘eigen’ waarheid, zoals weerspiegeld in de nieuwsberichtgeving die ze meekrijgen. Met politiek gekleurd nieuws in verkiezingstijden kan dit dus ook het stemgedrag beïnvloeden; dit is bijvoorbeeld waar propaganda zijn oorsprong vindt. Hierin kan het nepnieuws op grote schaal consequenties hebben voor hoe het land geregeerd zal gaan worden, zowel in wie de voornaamste macht tot besluitvorming in handen krijgt als de agendapunten die de meeste aandacht zullen krijgen. Het is dan ook belangrijk dat het in deze tijden aangekaart wordt dat men vooral het eigen vermogen bronnen te checken en nieuws in twijfel te trekken moet blijven inzetten. Tegenstanders linken de kwestie aan de wettelijke vrijheid van meningsuiting, die met maatregelen tegen nepnieuws bedreigd zou worden. Vanuit mijn eigen overtuiging klinkt een

beperking op wat mag worden gepubliceerd op het internet ook vrij dubieus en ik denk niet dat daarmee het probleem is opgelost, omdat er geen beroep wordt gedaan op de verantwoordelijkheid van de ontvangende kant van het nieuws. Men kan stellen dat het bestrijden van nepnieuws niet de verantwoordelijkheid van de lezer zou moeten zijn, maar ik denk dat hiermee de macht van het individu wordt onderschat, juist omdat het individu in de positie staat nieuws verder te verspreiden en ernaar te handelen. Hiermee bedoel ik niet dat valse berichtgeving van bovenaf niet moet worden aangepakt, maar het wijst op een haalbare beperking van het probleem. Ik wil geen uitspraken doen over of de mate van nepnieuws is gedaald of gestegen over tijd: ik denk dat het er in zekere zin altijd al is geweest. Wel lijkt het me aannemelijk te stellen dat met de komst van het internet

valse bronnen breder toegankelijk zijn geworden. Daarentegen is ook de mogelijkheid de waarheid te achterhalen met de komst van het internet meegegroeid. Wat nu nodig is, is het aanmoedigen van een kritische houding. Het is hierin naar mijn mening voornamelijk van belang dat deze kritische blik vanuit het onderwijs meer wordt benadrukt. Door deze van jongs af aan aan te leren wordt de nieuwe generatie gewapend tegen de beïnvloeding van subjectieve media, en verliest nepnieuws als het ware zijn effect in de consequenties. Door de macht van de lezer te vergroten ten opzichte van berichtgeving kan niet alleen de vrijheid van meningsuiting in zijn waarde worden gelaten, maar ook de waarheid zelf.

23


illustratie: Elliyah Dyson

column

24


tekst: Eileen Berkvens

De nieuwe romantici: als het maar natuurlijk is

H

et zijn niet alleen kreten als ‘puur natuur’ en ‘zonder chemicaliën’ die ons tijdens het winkelen om de oren vliegen. Ook tijdens interacties met leeftijdsgenoten staat het ‘natuurlijke’ steeds vaker op de voorgrond: een vriendschappelijk etentje waarbij geen rekening gehouden hoeft te worden met specifieke (gezondere) dieetvoorkeuren behoort tot de verleden tijd. We volgens cursussen om onze innerlijke mens, de persoon die we écht zijn, te vinden en te koesteren. Zo ook in de mode is de bohémien/hippiestijl al jaren een terugkerend fenomeen. Deze trend, dat al wat ‘natuurlijk’ is gezien wordt als nastrevenswaardig, vertoont sterke overeenkomsten met een sociaal-kunstzinnige stroming uit de 19e eeuw ‒de Romantiek. Voor wie op de middelbare school geen kunstgeschiedenis heeft gevolgd: de Romantiek, of de Romantici, voelden zich niet aangetrokken tot de maatschappelijke ontwikkelingen die de industriële revolutie met zich meebracht. Integendeel, ze zetten zich er grondig tegen af. De Romantiek bracht schilders voort die dramatische zeegezichten en onheilspellende portretten uitbeeldden. Schrijvers die zich niet, zoals de naam Romantiek doet vermoeden, storten op doktersromannetjes, maar op dramatische levensverhalen. Ook emoties speelden een belangrijke rol in zowel de Romantische literatuur, als de beeldende kunst en muziek. Men zocht een manier om te ontvluchten aan het alledaagse bestaan waarin industrialisatie een steeds grotere rol speelde. De Romantici vormden een tegengeluid in een wereld waarin mensen ogenschijnlijk het contact verloren met het ‘natuurlijke.’ Het ‘natuurlijke’ heeft in beide periodes, de huidige tijd en de vroegere Romantiek een vergelijkbare betekenis. Onze emoties, het (vaak letterlijk) terugkeren naar de menselijke natuur en de afkeer van de wetenschappelijke rationaliteit staan aan de basis. Het argument echter dat dit soort Romantische overwegingen nastrevenswaardig maakt is omdat ze natuurlijk zouden zijn. Het zou in de ‘aard van de mens’ liggen ze na te streven en daarom vanzelfsprekend ‘goed’ zijn. Veel mensen proberen zich als een ‘goed mens’ door het leven te manoeuvreren. In een tijd waarin een afgebakend moreel

kompas niet meer standaard bij onze levensinrichting hoort, wordt het wellicht verleidelijk om ons handelen te baseren op datgene wat in onze ‘aard’ zit. Maar mensen die zich hieraan committeren begaan een denkfout die bekend staat als een naturalistische dwaling. Of specifieker: een appeal-to-nature. Het was G. E. Moore in 1903, ver na de laatste stuiptrekkingen van de Romantiek, die over de naturalistische dwaling filosofeerde. In het kort komt zijn ethiek op het volgende neer: eigenschappen van objecten kunnen nooit inherent ‘goed’ zijn, omdat een object slechts ´goed´ kan zijn in relatie tot de mens. Met andere woorden: er bestaan geen ‘moral facts.’ Bijvoorbeeld de claim dat stoppen voor een rood licht goed is, of dat geleend geld terugbetalen goed is. Stoppen voor rood licht is absoluut handig, omdat het dodelijke verkeersongelukken kan voorkomen, en geleend geld terugbetalen aan vrienden is goed omdat het je relatie met vrienden in stand houdt. Maar beide claims geven geen inzicht in de inherente ‘goedheid’ van de actie, ze zijn instrumenteel. De definitie van ‘goedheid’ wordt hier verkeerd toegepast. Terug naar de hedendaagse Romantici. Deze moderne hippies gebruiken te pas en te onpas appeal-to-nature’s om hun keuzes te verantwoorden. Neem nu de claim: het is onnatuurlijk voor de mens om suiker te eten, suikervrij eten is goed. Een dergelijke claim is dan te reduceren tot: suikervrij eten is goed voor de mens, omdat het natuurlijk is, en dus, natuurlijk eten is goed. Maar deze claim verklaart niet waarom het zo nastrevenswaardig is om natuurlijk te eten. Wat is er eigenlijk inherent ‘goed’ aan natuurlijk eten? Waarschijnlijk kunnen veel van deze claims onder nadere beschouwing niet verantwoord worden. Filosofen en sociologen weten al lang dat er maar weinig kenmerken van menselijk gedrag en moreel handelen zijn die absoluut en enkel voortkomen uit onze aard ‒de natuur van de mens. Iemand die zich beroept op een naturalistisch argument om zijn gedrag te verantwoorden geeft blijk van weinig historische kennis, omdat veel gedrag dat nu door sommigen als ‘onnatuurlijk’ wordt gezien nog geen halve eeuw geleden volstrekt normaal was. Probeer iemand die naturalistisch dwaalt eens te verleiden om na te denken over de aard van goedheid, in plaats van mee te gaan met een morele hype.

25


door Rosa van Triest illustratie: Cleo Brekelmans

dicht op mokum

De parkieten van Henk Ik bewoon nu mijn huis met zeven parkieten zeven zielepieten, als je het mij vraagt. Ze pikken alles: zaadjes, pitjes, studentenhaver Het worden kogelronde tantetjes in een net zo ronde kooi. Soms laat ik ze vliegen, dan pikken ze in mijn plantjes en, eenmaal loom dalen ze op het aanrecht neer dan zeg ik foei want voor je het weet vliegen ze in de fik van het fornuis zulke parkieten zijn het dan ook wel weer. Onder het ruisen van mijn spruitjes in de pan pikken ze in mijn overhemd met ruitjes Ik pik dat niet en zeg: scheer je weg, gek gevogelte Nou dan worden ze boos en pikken ze in mijn brood met pindakaas of in mijn krant Die tantetjes die zo koket rondlopen over mijn hoogpolig tapijt Daar kennen de meeste vrouwen nog een puntje aan zuigen Die zeven pientere parkietjes zijn bij me komen wonen toen ook de laatste vrouw gevlogen was en die opgeprikte boel van de afwas en de afstandsbediening die altijd zoek was en de wasmachine die kapot was omdat zo’n mens haar oorbellendingen liet slingeren en toen in één keer weg was. Mijn gekooide huisgenoten die kogelrond en koket hun dagen slijten. Mijn lieve tantetjes die zonder woorden zijn en alles pikken. Dit zijn ze: de zeven geliefden op wie ik precies een leven lang heb gewacht.

26


colofon Hoofdredactie Joey de Gruyl Eindredactie Joey de Gruyl / Tamar Berends / Delia Spoelstra / Redactie Donna Brouwer / Emma Stomp / Joey de Gruyl / Sophie van der Does / Olav Zandbergen / Weera Koopman /

Delia Spoelstra / Chris van Kalkeren / Rowan Stol / Eileen Berkvens / Rosa van Triest Beeldredactie Rosa van Triest / Elliyah Dyson / Bram Visser / Weera Koopman / Cleo Brekelmans Vormgeving Bart van den Krommenacker

27


28

SOMO 2016 - 2017 nr. 2 - Geloof en Ongeloof  

Hoofdredacteur: Joey de Gruijl

SOMO 2016 - 2017 nr. 2 - Geloof en Ongeloof  

Hoofdredacteur: Joey de Gruijl

Advertisement