Page 1

sociologisch mokum / jaargang 2016-2017 nr. 3 / utopie en dystopie

1


in deze somo

2

5

Een redelijk eigenzinnige deceptie essay | Rosa van Triest

14

Het heartland - een altijd teleurstellend ideaalbeeld van het verleden Chris van Kalkeren

6

Dingen die goed gaan literair verhaal | Emma Stomp

16

De plek zonder plaats Joey de Gruyl

12

De dystopie is hier en nu en wij zijn haar maker beschouwing | Oskar Kohler

18

Seks is ook niet Alles beschouwing | Sophie van der Does


20

De Engelenmaker - Stefan Brijs boekbespreking | Delia Spoelstra

22

Action dicht op mokum | Rosa van Triest

3


tekst: Joey de Gruyl

Hoofdredactioneel

Z

owel het idee van de utopie, als van de dystopie verhouden zich tot de werkelijkheid, onze werkelijkheid. Waar de utopie in letterlijke zin betekent dat iets geen plaats heeft in de wereld, betreft de dystopie een vervoeging daarvan – een utopie in de meest negatieve zin des woords. Het is typerend dat het gebruik van een term als utopie vooral pejoratief van aard is, als tegenhanger van het neutralere ‘ideaal’. Stellen dat iets utopisch is, zegt namelijk zoveel als it ain’t gonna happen. Het woord suggereert daarmee ook een bepaalde relatie tussen de werkelijkheid en de toekomst, en onze visie daarop. Wat voor de één een utopie is, is voor de ander een haalbaar ideaal, bijvoorbeeld een basisinkomen. Daarnaast kan eenieders utopie voor de ander een dystopie zijn, of omgekeerd – zoals het vermarkten van de semi-publieke sector.

4

Concepten als utopie en dystopie zeggen daarom niet alleen iets over de feitelijke stand van zaken, zoals de etymologie impliceert, maar bovenal iets over hoe wij kijken naar de wereld, en in het bijzonder de toekomst. Het zijn daarmee inherent sociologische concepten, vaak diep politiek of moreel geladen. Deze laatste Sociologisch Mokum van dit jaar, richt zich daarom op de vraag hoe utopieën zich manifesteren in onze sociale werkelijkheid. Zo laat Chris van Kalkeren zien hoe politici het idee van een heartland inzetten om een conservatief idee van een samenleving te schetsen die nooit bestaan heeft. Rosa van Triest beschrijft haar ervaringen aan de Vrije Universiteit Brussel en hoe deze contrasteren met onze opvattingen in Amsterdam over hoe sociologie als wetenschap bedreven zou moeten worden. In een stuk over poppenliefde,

schetst Sophie van der Does de dunne lijn tussen liefde en waanzin, aan de hand van de sociale druk die er bestaat op het hebben van een duurzame liefdesrelatie, en hoe wij als samenleving omgaan met de ‘foute’ liefde voor sekspoppen. Oskar Kohler zet in tweeluik uiteen hoe utopie en dystopie zich tot elkaar verhouden, en hoe beide visies een ander beeld van de moderne wereld geven. Verder hebben we Delia Spoelstra, die aan de hand van Stefan Brijs’ Engelenmaker de morele implicaties van embryologie en GenTech toelicht. Van mijn eigen hand een uiteenzetting van de donkere ruimte tussen de plek en de niet-plek: de heterotopie, zoals beschreven door Foucault. Tot slot, zoals altijd, een literaire bijdrage van Emma Stomp, en het dicht op Mokum door Rosa van Triest.


tekst: Rosa van Triest

essay

Een redelijk eigenzinnige deceptie

D

e Nederlander is als een stripfiguur. Hij komt naar België voor relatief goedkoop onderwijs en hij praat te luid. Je hoeft hem alleen nog een streepjesshirt en een broek met te korte pijpen aan te trekken en daar is de gierige pierlala. De veel te grove Lange Wapper die de universitaire biotoop van Brussel komt verstoren. In 2016 behaalde ik mijn bachelor Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, waar ik met veel plezier studeerde, en waar een portret van Karl Marx in het trappenhuis hing. De Universiteit van Amsterdam schroomde niet om kwalitatieve onderzoeksmethoden aan ons te introduceren. De aan de Chicago School ontleende leuze ‘Ga met je poten in de modder staan!’ dreunt nog altijd na in mijn hoofd.

In het eerste studiejaar vonden onze lessen plaats op een steenworp afstand van de Amsterdamse wallen. Wij leerden om zo min mogelijk te (ver) oordelen; sekswerkers en hun klanten, uitbaters van seksclubs vernoemd naar iets met bananen, en zelfs de dronken toeristen die er rondzwalkten, zij waren ook gewoon mens en daarom interessant voor sociologen. Plekken als de wallen, waar je normaliter nooit komt, zouden we daarom niet langer moeten mijden. Integendeel, we zouden er juist op af moeten gaan om vragen te stellen aan om het even wie we er tegenkwamen. En zo leerden wij dat de sociologie, klein of groot, voor het oprapen ligt. Voor een aspirant-socioloog geeft dit een prettige zekerheid: je werk zal nooit af zijn.

Na het behalen van de bachelor sociologie was ik nog niet klaar voor een (te) specifieke master. Daarom toog ik naar Brussel waar de Vrije Universiteit een breder masterprogramma bood. Het duurde een zomer eer ik er een woning had gevonden, maar het duurde slechts een dag voordat ik de stad Brussel in mijn hart had gesloten. Het enige probleem was de universiteit; het gebouw bleek een troosteloze bunker die het motto ‘redelijk eigenzinnig’ droeg. Het gebouw deed me verlangen naar een tussenjaar en het motto deed me denken aan het ondergoed van Marlies Dekkers. Of aan Calvinistische gekkigheid; net zoveel conservatisme op de universiteit als lege colablikjes in de oceaan. En toen begon het studiejaar. Tijdens een college vertelde ik over mijn etnografische studie naar sociale interacties

5


in een Brusselse wasserette. Na afloop werd mij de volgende vraag gesteld: “Maar... wat is een etnografie? En... is zo’n kleine, kwalitatieve studie wel ‘maatschappelijk’ relevant?” Op dat moment leek mijn medestudent de personificatie van het ‘redelijk eigenzinnige’. Enkele maanden later weigerde een andere medestudent een presentatie te houden over een etnografisch onderzoek. Hij was van mening dat het onmogelijk was om de studie te lezen omdat hij nog nooit een etnografie had gelezen en tot de conclusie was gekomen dat er in een dergelijke studie geen duidelijke structuur van hypothesen, methoden en resultaten zat. De drogredenen kronkelden nog lang na in mijn hoofd en ik begon me af te vragen wat een master sociologie inhoudt als de etnografie er zo duidelijk het onderspit bij delft. Op den duur ben ik het gaan begrijpen. De VUB heeft namelijk een tweede motto; een deel van het gebod van de natuur- en wiskundige Henri Poincaré die stelde dat ‘het denken zich nooit mag onderwerpen’. Poincaré’s gebod, van Foucaultiaans allure, lijkt haaks te staan op de redelijk eigenzinnige mores. Het tweede gedeelte van het gebod echter, wordt door de VUB niet vermeld. In dit gedeelte blijkt dat Poincaré dol was op feiten. Het denken mag zich volgens hem nooit onderwerpen aan dogma’s, noch aan partijen, noch aan een hartstocht, noch aan belangen. Het denken mag zich alleen onderwerpen aan absolute waarheid. Goed idee voor een opleiding sociologie. Terug naar de conventionele vraag of de kleine, kwalitatieve sociologie, maatschappelijk relevant is. De vraag doet me denken

6


illustratie: Rosa van Triest

aan de Positivismusstreit van de jaren ‘60 – een methodenkwestie waarin de socioloog Theodor Adorno en wetenschapsfilosoof Karl Popper lijnrecht tegenover elkaar stonden. Een van de aspecten van die strijd was dat Popper van mening was dat sociale wetenschappers zich, ten aanzien van de maatschappij, als een social engineer dienden te gedragen. Adorno was hier fel op tegen. Hij stelde dat sociale wetenschappers het maatschappelijke juist van een afstandje moesten bestuderen. Distantie was volgens hem een voorwaarde voor het formuleren van een toepasbare (én kritische) theorie. De socioloog moet zich daarom opstellen als een vreemdeling. Kortom: de wetenschappelijke Louis Theroux uithangen. Helaas lijken dit idee en het standpunt van Adorno tot op de dag van vandaag nauwelijks te worden gedeeld door studenten sociologie van de VUB. Een socioloog zal altijd mensen blijven tegenkomen die sociologie aanzien voor psychologie, of voor een studie die in de jaren ‘70 thuishoort, en niet in het nu. Dat is normaal. Het is dan de kunst om de leek te overtuigen van het nut en de schoonheid van je vak; de sociologie schijnt haar licht op de mensen die anderszins onzichtbaar waren gebleven. De socioloog biedt uitleg wanneer wij onze eigen samenleving niet meer begrijpen. Zoals nu met alle bommen en polarisatie. Als een medestudent een veel te nauw begrip van sociologie hanteert, is dat ontzettend jammer. Wanneer een socioloog te graag ‘maatschappelijk’ relevant

wil zijn, ontstaat er namelijk een belangenconflict. Immers; de socioloog beschrijft, maar intervenieert liever niet in het alledaagse, met de nadruk op ‘liever niet’. Het komt natuurlijk voor dat een sociologisch onderzoek door een nietacademisch publiek wordt gelezen, en dan heb je invloed op het alledaagse sociale. In de praktijk wordt het sociale met name beïnvloed door kwantitatief sociologisch onderzoek. Immers; getalletjes leer je snel uit je hoofd, en ze verkopen goed. Politici zijn daarom dan ook dol op getalletjes. Wanneer mensen lezen dat ‘allochtonen vaker werkloos zijn dan autochtonen’, dat ‘allochtone kinderen vaker overgewicht hebben dan autochtone kinderen’ wordt die ‘allochtoon’ – wie dat ook moge zijn – in het maatschappelijke discours al snel verguisd. Kleinschalig, kwalitatief onderzoek daarentegen, verkoopt niet; een politicus zou een hele studie gelezen moeten hebben alvorens hij met de resultaten kan scoren bij zijn publiek. En al zou de politicus zich werkelijk in het onderzoek verdiepen, dan nog kan hij geen catchy en/of grootse uitspraken doen. Kwalitatieve onderzoekers doen namelijk geen uitspraken over de gehele populatie, zij spreken zich slechts uit over de mensen die zij bestudeerd hebben. Dat betekent dat ze het niet hebben over ‘allochtonen’ dit of dat, maar over een paar mensen die deel uitmaken van een minderheidsgroepering. Kwalitatieve onderzoekers willen niet ‘significant’ scoren. Een consequentie daarvan is dat zij zich zelden bezig houden met het behartigen van de politieke, of zelfs commerciële belangen

van opdrachtgevers. Mijn doel is niet het verder aanwakkeren van de klassieke strijd tussen voorstanders van respectievelijk kwantitatief of kwalitatief onderzoek. Mijn doel is om een ogenschijnlijk gebrek aan respect voor en onderwijs over kwalitatief onderzoek aan de Vrije Universiteit aan te kaarten. Er lijkt hier in Brussel een soort wantrouwen en angst te heersen voor dezelfde sociologie die in Amsterdam wordt gezien als een moedige ambacht; een discipline waarvoor de wetenschapper eindelijk uit zijn hoge toren klimt. Dus, beste medestudent, om je vraag over mijn thesis te beantwoorden: ik ben een socioloog. Ik ben niet de uitbater van een buurthuis voor minderheden of beledigde vrouwen. Ik ben geen vreemdsoortig psycholoog. Ik ben ook geen jaren ‘70-ideoloog. Sterker nog: ik wens wars te zijn van ideologie omdat ik, eenmaal bevrijd van haar juk, een stranger kan zijn. De voorzichtige conclusies die ik in mijn thesis heb getrokken zullen waarschijnlijk baanbrekend noch bloedstollend zijn. Ik heb me dan ook toegelegd op het bestuderen en beschrijven van slechts een fragmentje samenleving. Ik heb met mijn poten in de modder gestaan en ik noem mijn thesis een etnografie. En als je in je master sociologie nóg niet weet wat een etnografie is, of als je vindt dat etnografen hun resultaten onoverzichtelijk presenteren, dan kom je maar een tijdje in Amsterdam studeren, jij – excusez le mot – domme Belg!

7


tekst: Emma Stomp

Dingen die goed gaan

L

aatst las ik dat er duizenden vogels per jaar sterven aan heliumballonnen die in zee belanden omdat ze die aanzien voor voedsel. Winkeliers op de luchthaven trekken zich er niets van aan, kinderen blijven heliumballonnen in hun vuisten klemmen terwijl ze aan de andere hand worden meegetrokken door hun ouders. Toen ik vannacht wakker werd staarde ik langdurig naar het enorme lichaam van mijn man, naar zijn buik die zich in en uit zette. Hij deed me denken aan de beelden op het journaal van een aangespoelde walvis. En ik bedacht me dat zijn lichaam net zo ver van me afstond als de walvis, dat ik er vervreemd van was geraakt. Niet lang daarna zette ik mijn voeten op de koude vloer, trok ik mijn jas aan over mijn pyjama en verdween ik. De man die naast me zit heet volgens zijn Starbucks-beker Walter. Hij lacht naar me alsof we een geheim delen. ‘Je moet nooit ergens spijt van hebben’, zegt hij en ik knik alsof ik mezelf daarvan wil

8

overtuigen, zoals ik mijn lichaam er ook elke avond van overtuig dat het moe is en dat het slapen kan. ‘Heb jij ooit ergens spijt van gehad?’ ‘Nee’, zeg ik terwijl ik denk aan die keer dat ik het gasfornuis aan had laten staan en in slaap gevallen was. Niet veel later werd ik gewekt door mijn man die riep dat ik ons gezin ten gronde probeerde te richten. ‘Weet je wat het is? Vroeger vertrouwde ik geen mens. Ik dacht dat iedereen geheime plannen had. Maar weet je wat het is? Niemand heeft een plan. De meeste mensen zijn gewoon achterlijk.’ ‘Ja.’ ‘Daarom moet je ook nooit ergens spijt van hebben, want het meeste doet er toch niet toe.’ Die opmerking stelt me gerust en ik besluit hem voor de rest van de dag met me mee te dragen als een stuk bagage. ‘Waar gaat de reis eigenlijk naartoe?’, vraagt Walter. ‘Barcelona’, zeg ik. ‘Goede keuze, lekker weer.’ Mijn psycholoog vroeg laatst of ik me-

zelf als een goede moeder beschouwde. Die vraag kwam volledig onverwacht, alsof ik weer in een tentamenzaal zat en erachter kwam dat ik een bepaald hoofdstuk niet had geleerd. ‘Het is maar hoe je het bekijkt’, zei ik, en ik wist dat ik hier niet mee weg zou komen, want volgens mijn psycholoog liggen alle antwoorden ergens in ons brein opgeslagen. Het feit is alleen dat sommige mensen beter zijn in archiveren dan anderen, dat mijn hoofd een rommelige zolderkamer is. ‘Kun je misschien wat meer over Sophia vertellen?’ vroeg mijn psycholoog. Ik vertelde haar de gebruikelijke dingen: dat Sophia zeven jaar is en zich enorm aangetrokken voelt tot paarden, dat ze ons wekelijks plannen presenteert om de garage om te bouwen tot stal. De psycholoog fronste haar wenkbrauwen en even dacht ik dat ze de sleutel tot mijn persoonlijke archief in bezit had, dat ze de beelden zag van die keer dat ik huilend voor Sophia’s bed stond en vroeg of ik bij haar mocht slapen omdat


literair verhaal

het weer eens voelde of de grond onder mijn voeten weg was geslagen. Maar mijn psycholoog vroeg niet verder. Ze schreef wat dingen in haar notitieboek en ik bleef alleen met mijn herinneringen. Ik loop al een halfuur langs souvenirwinkels en cafés en ik hoop dat ik op dit moment niet geobserveerd wordt door een groep studenten want dan begin ik zo langzamerhand op te vallen: Vrouw in rode regenjas, eind dertig, blijft maar rondjes lopen. Om die reden blijf ik stilstaan bij het scherm met de actuele vertrektijden. Marrakech 9.38 uur, gate E8, Barcelona 9.52 uur, gate C9. Er zijn zo ontzettend veel mogelijkheden dat ik me afvraag waarom de meeste mensen zich elke dag blijven voortbewegen binnen dezelfde cirkels: werk, supermarkt, huis. ‘Kan ik u helpen?’, wordt me gevraagd door een KLM-stewardess. Het verbaast me toch telkens weer hoeveel positieve energie stewardessen uitstralen. Soms zou ik willen dat er elke

ochtend een stewardess naast mijn bed zou staat die me moed inspreekt. Het zou me helpen mijn dagelijkse handelingen – opstaan, aankleden, douchen – met meer daadkracht te verrichten. ‘Ik weet het niet.’ Meteen heb ik spijt van mijn onduidelijke antwoord. ‘Ik ben me op dit moment nog aan het oriënteren’, vul ik daarom aan. De stewardess blijft naar me glimlachen en ik vraag me af of ze dit op een cursus geleerd heeft. Dat ze ook aan haar uitstraling moet denken als de kerosinetank van het vliegtuig halfleeg blijkt te zijn door een rekenfout en ze ergens boven de stille oceaan zweeft. ‘Als u wilt kan ik met u meelopen naar de incheckbalie.’ Van mijn psycholoog moet ik elke dag drie dingen opschrijven die goed gaan. Laatst schreef ik bij punt één: ‘Ik maak nooit grammaticale fouten, ook niet als ik dronken ben.’ Bij punt twee wou ik opschrijven dat ik Sophia nog nooit te laat van school heb opgehaald maar het leek me vreemd om eerst te begin-

nen over een dronken staat van zijn en pas daarna over het moederschap, dus schreef ik: ‘Ik heb nog nooit iemand met opzet beledigd.’ Niet veel later kwam mijn man binnen die meldde dat de gootsteen lekte en vervolgens vroeg wat ik allemaal aan het doen was. Dat is waar ons huwelijk steeds vaker om draait: aan elkaar vragen waar we mee bezig zijn ondanks dat we ons fysiek zo dicht bij elkaar bevinden. ‘Ik ben ruimte in mijn hoofd aan het creëren’, antwoordde ik. Mijn man vroeg niet verder ondanks dat een aantal dingen al een tijd niet helemaal lopen zoals ze zouden moeten lopen: dat ik laatst dacht dat de startknop van de wasmachine verdwenen was en ik in paniek raakte. De vrouw achter de balie van Baltic Airlines heeft een vriendelijk gezicht en ik ben bereid haar alles te vertellen: waar ik opgroeide, wat mijn grootste angsten zijn, maar ze vraagt alleen maar naar mijn paspoort en of ik voor of achterin het vliegtuig wil zitten. Ik heb Riga uit-

9


illustratie: Bram

gekozen als bestemming omdat ik daar nog nooit ben geweest en is het niet zo dat de tijd langzamer gaat wanneer je nieuwe ervaringen op doet? De vrouw print mijn boarding pass en vertelt me dat de gate om vijf uur opent. Ik neem plaats op een kuipstoeltje omdat ik er niet langer uit hoef te zien als iemand op zoek naar een doel, want mijn doel heb ik in mijn vuist geklemd. En ik denk aan de eerste date die ik met mijn man had, meer dan tien jaar geleden. Hij nam me mee naar een hotelbar die niet heel bijzonder was, maar waar ze wel vijftien verschillende soorten whisky hadden. Aan het einde van de avond stopte ik de glazen in mijn tas. ‘Geweldig hoe jij je alles gewoon toe-eigent’, zei hij in de taxi

10

op weg naar zijn huis. Daarop begon ik meer dingen te ontvreemden in zijn bijzijn – kristallen glazen, porseleinen beeldjes in hotelkamers. Eén keer kreeg ik het voor elkaar een lamp naar buiten te smokkelen. Ik dacht dat het me over liet komen als een vrouw die de wereld aankon, maar volgens mijn psycholoog ben ik gewoon in mijn kindertijd blijven hangen. De zon is aan het opkomen en mijn man belt. Mijn man die waarschijnlijk allang niet meer valt voor het kinderlij-ke in mij, die alleen maar angstvallig de bouwstenen van ons huwelijk overeind probeert te houden. ‘Waar ben je?’, vraagt hij met vaste stem. ‘Schiphol.’

Terwijl ik om me heen kijk vraag ik me af of dit het juiste antwoord geweest was. Of ik niet specifieker had moeten zijn en had moeten zeggen dat ik op een blauw kuipstoeltje zit met een ticket in mijn linkerhand. ‘Ik moet je nageven dat je gevoel hebt voor drama’, zegt mijn man. Omdat ik niet weet wat ik met die zin aan moet, ik er het liefste een aantal woorden uit wil onderstrepen om de kern te begrijpen, antwoord ik: ‘Wist je dat er duizenden vogels per jaar sterven aan heliumballonnen die in zee belanden?’ Mijn man gaat er niet op in, misschien omdat hij niet langer een idealistisch mens is en het hem ook niet


tratie: Bram Visser

meer uitmaakt dat er in West Antarctica elf ton ijs per jaar smelt. Hij praat als een nieuwslezer en stelt me een aantal duidelijke, heldere vragen. Dan blijft het stil aan de andere kant van de lijn omdat ik nu een antwoord dien te geven maar ik kom helemaal nergens op. ‘Alice?’ vraagt hij. ‘Heb je je medicijnen wel genomen?’ Ik denk aan het woord medicijn en dan aan het witte potje dat op ons nachtkastje staat. Dat ik een paar dagen geleden het potje een aantal keer omdraaide in mijn handen en er toen besloot mee te stoppen omdat ik met een tal van activiteiten gestopt was – stofzuigen, de was doen – in de hoop dat het me meer ruimte in

mijn hoofd zou geven. ‘Blijf zitten waar je zit’, zegt mijn man. ‘Ik kom eraan.’ Zijn woorden klinken zo heldhaftig, alsof ik een klein kind ben dat door een brandweerman uit een boom gehaald wordt. Maar ik wil helemaal niet gered worden, dus hang ik op en begin ik richting de douane te lopen. Terwijl mijn lichaam gecontroleerd wordt op vloeistoffen en wapens vraag ik me af of het stikken in een stukje ballon de ergste manier van sterven is. Of het erger is dan verdrinken. En ik pak de opmerking van Walter weer uit mijn denkbeeldige stuk bagage, het stuk bagage dat ze niet kunnen controleren op vloeistoffen en wapens omdat het zich in mijn

hoofd bevindt. Ik vouw zijn opmerking uit zoals je een landkaart ontvouwt, en er een paar keer overheen moet strijken voordat hij glad is. En ik herhaal tegen mezelf dat ik nooit ergens spijt van moet hebben, ook niet van die keren dat ik onder het sterrendekbed van Sophia wilde kruipen omdat ik weer het kind wilde zijn en ook niet van het feit dat ik over anderhalf uur naar Riga vlieg. Nergens van.

11


tekst: Oskar Kohler

beschouwing

De dystopie is hier en nu en wij zijn haar maker

N

og niet zo lang geleden leek het alsof de geschiedenis ten einde was. De wereld stevende af op een pax universalis, een universeel verbond met iedereen, koek en ei. Inmiddels blijkt de werkelijkheid weerbarstiger. De oorlog tegen de buitenlandse mogendheden woekert maar voort, hetzij gelukkig niet op Nederlands grondgebied. Wel steunen wij als Nederlanders de grootste oorlogsmachines ter wereld, investeren we in verwerpelijk wapentuig als landmijnen, en hebben we ‘vredesmissies’ rond de gehele wereld. Het Midden-Oosten blijft een brandhaard die steeds maar licht ontvlambaar blijkt. Wat voor de pacifist een dystopie was, is nu werkelijkheid. In de oudheid werd door de rijke families neergekeken op een ieder die werkte voor zijn geld. Lange tijd is deze mensonterende gedachte van de baan geweest, maar tegenwoordig schijnt het weer te mogen. Hoewel het kapitalisme als ideologie gewonnen lijkt te hebben in de eindstrijd van de vorige eeuw lijkt deze ideologie nu verre van ideaal te zijn. Graaiers zitten overal, zij die geld hebben zijn goed bezig, zij die dat niet hebben zijn armoedzaaiers. Het faillissement van de neo-liberale moraal wordt hierom nog wel eens door (veelal linkse) mensen uitgeroepen, temeer omdat deze het einde zou betekenen van sociale mobiliteit en cultuur. Wat voor menig communist en socialist een dystopie was, is nu werkelijkheid. Het ergste nog, is dat er genoeg redenen zijn om neer te kijken

12

op ‘het volk’. Het overgrote deel van het volk is het verheffingsideaal vergeten of heeft het naast zich neer gelegd, en heeft besloten zichzelf onder te dompelen in kitscherige cultuur, slechte voeding, belabberde kleding en de bovengenoemde verwerpelijke moraal. Die zij gek genoeg niet begrijpen. De vrije hand van de markt werkt namelijk toch niet zo goed als men aanvankelijk dacht. Oorspronkelijk zou degene die het beste in iets is, of dit nou een multinational is of een klein ambachtelijk bedrijfje, de meeste klanten krijgen en dus de meeste kans hebben te groeien. In de werkelijkheid wint diegene die het beste is in het manipuleren van de consument, kiezer of werknemer. Mensen eten slecht eten, werken voor werkgevers wie het geen zak boeit wat er met de wereld om hen heen gebeurd, stemmen op de partij die hun belangen niet behartigd, en allerergst misschien nog wel; consumeren cultuur als ware het een pijnstiller. Wat voor een liberaal ooit een dystopie was, is nu werkelijkheid. Alles wat vroeger een zonde was wordt dus gepropagandeerd van jewelste, als niet door multinationals dan wel door actiegroepen, politieke partijen en zelfs NGO’s. De enkeling die hier niet voor valt staat vaak alleen of wordt samen met zijn medestanders door alles en iedereen voor alles en nog wat uitgemaakt. Misschien is het niet zo zedig om deze dingen verder te beschrijven. De verleiding om slecht te eten, drinken of zelfs slecht te converseren is overal en wordt door iedereen toegejuicht. Wat voor de mens ooit een zonde was, is nu een


illustratie: Rosa van Triest

groot goed. Wat de mens ooit zag als dystopie zag, lijkt nu werkelijkheid. Een ander woord voor hemel. Daar waar de woorden utopie of dystopie vallen ontstaat klaarblijkelijk een vacuüm in het denken dat alleen gevuld kan worden met wensdenken en/of doemdenken, zoals de artikelen in de nummer ongetwijfeld illustreren. Vroeger zou dit denken aangezwengeld worden door de woorden hemel of hel maar tegenwoordig is dat te zweverig voor ons nuchter denkende mensen. En we zijn al in de hemel. Of tenminste, als je de hemel zoekt, dan is deze er voor je. Voedsel en onderdak zijn er in overvloed, mooie vrouwen en als kers op de taart genotsmiddelen die je oprecht het gevoel kunnen bieden dat je in de hemel ben. Wel moet er voor gewerkt worden, maar dat is niet meer dan logisch lijkt me. Toch?! Alles mag, alles kan en voor iedereen is er ruimte om zich te ontwikkelen zoals hij of zij dat zou willen. Bedrijvigheid wordt beloond, mits je daadwerkelijk ergens goed in bent. Eenieder heeft de kans en mogelijkheid zijn of haar talenten te ontwikkelen en te benutten. Maar stel dat je niet kan werken, de reden hiervoor in het midden gelaten, dan is er altijd nog het sociale vangnet. Iedereen die hier behoefte aan heeft kan er gebruik van maken om zonder de offers te brengen die de samenleving verlangt toch nog een beetje te kunnen mee ge-

nieten aan de overvloede van dit luilekkerland. Ongeacht of je nu een zware of een eenvoudige baan hebt – recht op het sociale vangnet heeft iedereen. De doodsangst die het overleven in voorgaande tijdperken met zich meebracht is zo goed als verdwenen; leven is gegarandeerd. De sociaal-democratie heeft gezegevierd. Als je in Nederland woont dan, zou je zeggen. Maar zelfs dat is onderhandelbaar. Het idee is dan ook dat alles mogelijk is, als je het maar genoeg verlangd. Hoe gek het ook lijkt, zelfs de droom van de pacifist is dichterbij dan ooit. Hoe ver je ook verwijdert bent van de wereld die hierboven als droom beschreven staat; als je woonplaats onveilig is ben je welkom in onze droom. Is er hongersnood; wij brengen eten. Heb je een bijzonder goed idee of talent; het internet is er om het de hele wereld rond te brengen. Globalisering is een feestje, als je mee meefeest tenminste. Misschien een cliché, maar de keuze is de utopie en de utopie is de keuze. Daar waar zo lang over gedroomd werd is geen plek maar een tijdsindicatie gebleken. De woorden zijn veranderd en de droom is nog aan verandering onderhevig, maar dat ons huidig tijdperk een utopie uit het verleden is hoeft niet bewezen te worden. Ben je daadwerkelijk in de hemel als je je bewust bent van het bestaan van de hel? Coherent? Nee. Chaos? Jazeker. Eerlijk? Niet altijd. Gezellig?

13


tekst: Chris van Kalkeren

Het heartland – een altijd teleurstellend ideaalbeeld van het verleden

‘W

e moeten terug naar onze Joods-Christelijke waarden.’ Een uitspraak die ons allen bekend in de oren klinkt, omdat hij namelijk vaak gebruikt wordt door Geert Wilders, in de campagnetijd voor de verkiezingen, maar ook daarvoor. Uiteraard zijn deze Joods-Christelijke waarden (wat die ook mogen zijn) een handig middel om nog maar weer eens de veronderstelde verschillen met de Islam te benadrukken. Nog zo’n uitspraak: ‘Gelijkheid tussen mannen en vrouwen is een oude Joods-Christelijke waarde die al duizenden jaren bestaat’, uitgesproken door Sybrand Buma tijdens het Carré-debat afgelopen verkiezingen. Afgezien van dat dit gewoonweg niet waar is – Christelijke waarden zijn juist heel lang ingezet om vrouwen te onderdrukken en dat deze waarde van gelijkheid absoluut niet al dui-

14

zenden jaren bestaat weten we allemaal – was het doel van deze uitspraak, net zoals die van Wilders, het uitsluiten van ‘andere’ mensen. Deze ‘andere’ mensen zouden zich volgens Buma niet genoeg ‘aanpassen’ aan onze samenleving, die volgens hem gestoeld is op een JoodsChristelijke traditie. Buma gaat er daarmee eigenlijk vanuit dat deze JoodsChristelijke traditie onveranderlijk is en dat, omdat de samenleving zogenaamd op bepaalde waarden gebouwd is, de samenleving ook zo hoort te zijn. Dus, omdat onze samenleving nu eenmaal op een bepaalde manier in elkaar zit, zou onze samenleving dus ook zo moeten zijn volgens Buma, wat we gewoonweg als drogredenering kunnen bestempelen. Hetgeen Wilders en Buma hier doen, en wat in vele andere landen net zo gebeurt,

is het inzetten van het concept heartland. Dit begrip is ooit geïntroduceerd door de Britse politicoloog Paul Taggart, en houdt een ideaalbeeld van een land in dat, vaak samenvallend met het concept van de natiestaat, geconstrueerd wordt rondom een romantisch idee van het verleden; een idee van hetgeen ‘dat verloren is gegaan’. Volgens Taggart wordt het heartland vaak gebruikt door populisten, omdat zij zo kunnen inspelen op de onvrede die heerst onder het volk, en daarmee mensen doen geloven dat vroeger alles beter was. De uitspraak ‘Make America great again’ is uiteraard een letterlijke verwoording van dit idee.


illustratie: Tamar Berends

n

Blijkbaar waren in de ogen van Trump, en daarmee zijn aanhangers, de Verenigde Staten in het verleden great, maar door veranderingen, zoals globalisering, nieuwkomers en andere religies, is deze greatness verloren gegaan. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van Buma die stelt dat de waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen al duizenden jaren bestaat in Nederland maar dat deze waarde in onze huidige samenleving wordt bedreigd en we daarom weer terug moeten gaan naar hetgeen ons land op gebouwd is: de Joods-Christelijke traditie. Zoals Taggart stelt: dit idee van het heartland kan niet worden gezien als een utopie, aangezien het geconstrueerd is rondom een beeld van het verleden, niet van de toekomst. Mensen die een beroep doen op het heartland kijken dus niet vooruit, maar juist achteruit.

Het gebruik van het idee van een heartland is gevaarlijk. Immers, het impliceert altijd uitsluiting. Degenen die er, in de ogen van populisten, voor gezorgd hebben dat de ‘perfecte’ samenleving verloren is gegaan, worden aangewezen als schuldigen en uitgesloten van de bevolking van dit heartland. Dit kan de politieke en economische elite zijn, maar steeds vaker zijn dit immigranten en vluchtelingen. Het heartland is er dus niet voor iedereen. Daarnaast houden populisten het volk, waar ze stellen voor op te komen, keihard voor de gek met het heartland ideaal. Het verleden was namelijk helemaal niet ideaal. Gelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen het Christendom is pas in de jaren ‘80 van de vorige eeuw op de kaart gezet door een feministische stroming onder leiding van de Amerikaanse theoloog Elisabeth Schüssler Fiorenza. Ook is

een terugkeer naar het verleden (wat dus helemaal geen werkelijke terugkeer is) vrijwel onmogelijk in een wereld die zo snel veranderd als die waarin wij op dit moment leven. Het is onwaarschijnlijk dat een samenleving een isolationistisch ideaal als het heartland kan waarmaken in deze geglobaliseerde wereld, waarin we meer en meer met elkaar in verbinding staan. Dus, naast het feit dat het heartland altijd leidt tot uitsluiting, zal dit idee, omdat het gebaseerd is op een geromantiseerd en onrealistisch beeld van het verleden, altijd teleurstellen. Ik zou daarom willen zeggen: richt je op de toekomst en stop met de verheerlijking van het verleden.

15


16


tekst: Joey de Gruyl illustratie: Rosa van Triest

De plek zonder plaats

B

innen de sociologie wordt Foucault veelal gelezen in termen van biopolitiek, machtspraktijken en beveiligingscamera’s. Hoewel dit ongetwijfeld systematisch uitgewerkte thema’s zijn binnen het oeuvre van de Fransman, bestaan er ook vele minder belichtte, meer speelsere theorieën van zijn hand. In het kader van het thema van deze SoMo daarom een kleine sociologie van de ‘andere’ ruimte – de heterotopie. Het idee van de heterotopie is obscuur en ambigu, maar fascinerend. Waar de utopie zich kenmerkt als de ou topos – iets dat geen plek in de wereld kent, en daarmee ideaal is – is de heterotopie precies dat. De meest duidelijke beschrijving van heterotopieën is dat zij ‘different spaces’ zijn, plaatsen waar de utopie gerealiseerd lijkt. Het exemplarische voorbeeld dat Foucault hierbij schetst, is dat van de spiegel: “The mirror is a utopia after all, since it is a placeless place. In the mirror I see myself where I am not …; I am over there where I am not, a kind of shadow that gives me my own visibility, that enables me to look at myself there where I am absent – a mirror utopia.” Het bevreemdende utopische karakter van de spiegel, wordt gecontrasteerd door het feit dat een spiegel een fysiek object is, en daarmee een heterotopie – een utopie gevat in een tastbaar object. Hoewel de spiegel een weinig concreet voorbeeld is, wordt het interessanter als we ons richten op de publieke ruimte. Zo stelt Foucault dat heterotopieën te allen tijde een specifieke (maar mogelijke veranderlijk) functie hebben ten opzichte van de ‘normale ruimte’. Zo onderscheidt het museum zich door haar vermogen om het verleden en het heden bijeen te brengen. Dit is utopisch omdat het verleden reeds geleefd is, maar als het ware ‘tot leven komt’ binnen de grenzen van het museum, zoals het kerkhof het leven bestendigd van zij die overleden zijn – dergelijke plekken zijn daarmee heterochroon. Naast discontinuïteit van tijd, kan dit – zoals het voorbeeld van de spiegel – ook een breuk met lokaliteit betreffen. Zo is de bioscoop bij uitstek de plek waar binnen de begren-zing van de zaal, een andere plek waar we andere plekken zien en ervaren, iets waartoe we buiten het doek of het toneel, niet toe in staat zijn. Foucault beschrijft de tuin als archetype van de heterolokale utopie. De traditionele tuin in Engelse stijl, secuur gecultiveerd met planten en bloemen vanuit alle uithoeken van de wereld, is daarmee het modelvoorbeeld van die wereld in het klein, binnen de veilige grenzen van de tuin. De Brit-

ten kenden aan dit soort heterotopische tuinen zelfs een bijzondere term toe: de garden, waar de ‘normale’ tuin slechts een yard genoemd werd. Ik raad eenieder die zich ervoor interesseert van harte aan de BBC-documentaire The Garden of Hidcote (2011) te kijken, met een heterotopische bril. Het moge duidelijk zijn dat heterotopie een veelzijdig begrip is en vele gradaties kent. Dertig jaar na dato is er dan ook nog steeds veel theoretische discussie over de aard van heterotopieën en het aanwijzen ervan – er bestaat zelfs een Journal for Heterotopia Studies. De sociologische relevantie echter, zit in de wijze waarop we omgaan met deze heterotopieën. De speciale status die dit soort plekken hebben ten opzichte van ‘normale’ plekken, het feit dat zij ‘different spaces’ zijn, maakt dat ze in zekere mate exclusief zijn en regels van in- en uitsluiting kennen. Zo is de tuin niet toegankelijk voor de ongenode gast en kent de bioscoop entreegeld. De kerk daarentegen kent tradities en rituelen die voor in- en uitsluiting zorgen. Hoewel velen het idee van heterotopie afgedaan hebben als theoretische kul, onuitgewerkt of onwerkbaar, kan het concept ons als sociaalwetenschappers een handvat reiken om tot andere interpretaties van het sociale te komen. Los van waar en in welke hoedanigheid er nu daadwerkelijk heterotopieën ‘bestaan’, biedt het de mogelijkheid om tot een sociologie van de ruimte te komen. Juist dit denken vanuit tijd en plaats kan ons tot andere conclusies brengen, dan het gebruikelijke denken vanuit macrostructuren als de ‘maatschappij’ als geheel of de actor en diens agency. Heterotopieën zijn interessant, omdat we ze kunnen bestuderen als plekken die iets doen met tijd, ruimte en bovenal, mensen. Wat Foucault ons hier aanreikt, is dan ook een sociologie van het publieke object, waarin ruimte, en de regels die zijn aan de mensen oplegt door haar functionele karakter, leidend kan zijn voor sociologisch onderzoek. Zoals Latour agency toekent aan objecten, biedt Foucault ons hier een perspectief om juist op een bredere manier vanuit het niet-menselijke te kijken naar de mens: hoe zij zich verhoudt tot de ruimte, hoe die ruimte haar vormgeeft, en hoe de mens haar ruimte op diens beurt vervormd. Ik denk daarom dat de heterotopie, juist vanwege haar ambiguïteit en conceptuele abstractie, bij uitstek een relevantie heeft voor de sociologische praktijk en, zoals Foucault betaamt, ons dwingt op onze beroepspraktijk te blijven reflecteren.

17


tekst: Sophie van der Does

beschouwing

Seks is ook niet alles

For some people, finding a partner in life can be difficult. For others, it’s almost impossible.

Z

o begint de documentaire Guys and Dolls waarin het verhaal wordt verteld van vier mannen die serieuze liefdesrelaties hebben met silliconen poppen. De mannen behandelen hun ‘geliefden’ alsof ze daadwerkelijk in leven zijn, en vertellen in alle oprechtheid over hun leven met de poppen, waarbij ze details uit de doeken doen over hoe ze de pop aankleden; de pop een massage geven; seks hebben met de pop; en er eigenlijk bijna alle dingen doen die men ‘normaal gesproken’ ook zou doen in een romantische liefdesrelatie. Sommige mannen hebben meerdere poppen tegelijkertijd. Zo is er een man genaamd DaveCat – een pseudoniem – die een van zijn eerste poppen zag staan in een gothic club in 2000 waar ze waarschijnlijk in de etalage stond. Het was liefde op het eerste gezicht. Het minder romantische aspect is het feit dat hij eerst anderhalf jaar moest sparen alvorens hij de pop op het internet kon bemachtigen voor een kleine 6000 dollar. Daarnaast heeft DaveCat nog twee poppen en woont hij nog bij zijn ouders. Het is inderdaad, zoals hij zelf zegt, een beetje teleurstellend dat hij daar nog woont. Bovendien, vinden zijn ouders het ook tamelijk abnormaal dat hij een relatie heeft met de poppen. De poppen lijken het onderling wel goed met elkaar te kunnen vinden – hoe kan het ook anders? – en er is zodoende geen sprake van jaloezie. DaveCat is verzot op een van zijn poppen, zijn geliefde Shishan (zoals hij haar noemt). “It’s the difference between be-

18

ing alone and loney”, stelt hij, “I dont mind being alone at all, however, I can’t stand being lonely.” Hoe cliché dit ook mag klinken, DaveCat lijkt inderdaad oprecht gelukkig te zijn met zijn poppen. De tweede man, Everard, in de documentaire introduceert ons zijn pop terwijl ze nog ligt te slapen. “She just lies there, they’re very static”, vertelt hij de kijker. De pop ligt inderdaad tamelijk statisch op een bed. Zonder kleren. Met uitzonderlijke grote borsten. Ze kijkt glazig naar het plafond. Voordat Everard ons introduceert aan zijn pop stelt hij, zonder blikken of blozen dat hij een ‘pleasant morning’ heeft gehad met zijn pop, Virgina genaamd. “I think she’s sleeping it off now”, meldt hij, staande voor de slaapkamerdeur waar Virgina ligt te slapen. En dat ging natuurlijk niet vanzelf, die slapende positie: “There was one thing I had do: to change her face, from the eyes open to the eyes closed face.” Voor beide mannen lijkt het helemaal niets uit te maken dat er geen enkel leven zit in de pop. Ze projecteren de liefdesrelatie vanuit hun fantasie linea recta op de pop als ware zij daadwerkelijk in leven. Wat dus niet zo is, voor de goede orde: de pop is een plastic omhulsel. Levensecht, dat wel, maar het blijft een pop. Er is geen inhoud. Er is slechts vorm. De inhoud gieten de mannen er zelf in door middel van projectie van hun ideaalbeelden omtrent de liefde. De pop – a.k.a. ‘de vriendin’ – functioneert eigenlijk als een soort diascherm, waar de mannen hun romantische idealen op projecteren. En wat werkt, dat werkt.


illustratie: Elliyah Dyson

Dat de druk om een romantische liefdesrelatie te hebben, of te krijgen, zo expliciet aanwezig kan zijn, dat hebben deze mannen wel ervaren. Zo vertellen ze verschillende anekdotes over affaires die fout liepen, blunders die begaan zijn, en andere gemaakte mistappen die bijdroegen aan de voortgang van het vrijgezelle bestaan, waardoor ze wederom alleen op de bank eindigden. De siliconen pop biedt hen een oplossing: alles beter dan de eenzaamheid. Nu zitten ze niet alleen op de bank, maar tussen twee silliconen poppen, en ze grijnzen van oor tot oor. Ik kan niet zeggen dat ik het geluk van de mannen helemaal begreep toen ik mijn laptop dichtklapte. Het heeft iets ongemakkelijks en dat maakt juist wel interessant. “Seks is ook niet alles”, zou Dominee Gremdaat zeggen, waarmee hij voornamelijk probeert zichzelf te troosten, maar dit lijkt voor de mannen niet op te gaan: zij hebben ook daadwerkelijk seks met de poppen. En ze genieten ervan. En wat werkt, dat werkt. Het vinden van romantische liefde in de ‘ware’, een ‘wederhelft’ of het vinden van ‘die ene’ is sterk ingebed in de ervaring van een kapitalistische consumptiemaatschappij, zo stelt Illouz, in haar studie Consuming the Romantic Utopia: Love and the Cultural Contradictions of Capitalism uit ‘97. Liefde is volgens de sociologe tegenwoordig ook een product dat geconsumeerd kan worden. In haar studie schetst ze een narratief van hoe individuele concepties van de romantische liefde samengaan met clichés over wat zij noemt ‘The Romantic Utopia’. Illouz citeert op haar beurt vermaard cultuurcriticus

Frederic Jameson: “Romance is a wish fulfilment or Utopian fantasy which aims at the transgression of everyday life is such a way as to restore the conditions of some lost Eden”. De mannen uit de documentaire transformeren inderdaad zelf, naar eigen inzicht hun dagelijks leven, zo lijkt het tenminste. Wellicht is dit een strategie om alsnog te voldoen aan het romantisch liefdesideaal. Misschien ervaren ze het stigma van alleen zijn als beklemmender dan het stigma van een relatie met een siliconen pop? Niet alleen het hebben romantische liefdesrelaties worden binnen de kapitalistische samenleving geidentificeerd als een ‘essential’. Sinds 1900 hebben adverteerders al gepoogd fastfood, schoonheidsproducten, sportauto’s, schoonheidsidealen, of waarom ook niet, vrouwen, aan de man te brengen, doormiddel van manipulatie van de sentimenten stelt Illouz. Dit doet ons sociologen natuurlijk denken aan onze vriend Adorno, die eigenlijk vooral erg kritisch over alles is en de samenleving beziet als slachtoffers van de cultuurindustrie die passieve behoeftes en valse sentimenten creëert. Of dat ook toepasbaar lijkt op de guys en hun dolls, moet nog worden bezien. De mannen lijken juist heel actief een utopisch liefdesideaal na te streven en als zodanig dit ideaal ook constant te vernieuwen. Zullen ze dit ooit overstijgen? Laten ze de gecivilliseerde wereld achter zich en beginnen ze hun eigen utopia? Wie zal het zeggen, beste mensen? Wij toch niet! In elk geval lijkt het het hebben van een romantische liefdesrelatie voor de mannen met hun dolls een onmisbaar goed. Dat hun gevonden ‘wederhelft’ niet in leven is, nemen zij dan maar even voor lief.

19


tekst: Delia Spoelstra

De Engelenmaker - Stefan Brijs

M

ijn wellicht oppervlakkige voorkeur voor boeken met prachtige titels leidde me tot het boek de Engelenmaker (2005) van Stefan Brijs. Het voordeel van deze voorliefde voor schitterende titels is dat ze meestal gekoppeld zijn aan simpelweg fantastische verhalen. Zo ook deze keer.

pastoor Kaisegruber die al bijna veertig jaar aan de parochie verbonden is:

Sommige inwoners van Wolfheim beweren nog altijd dat ze eerst het driestemmige gehuil van de baby’s op de achterbank hadden gehoord en pas later het motorgeluid van de taxi zelf die het dorp binnenreed.

De drie kinderen, op het moment van aankomst in het dorp nog baby’s, ogen identiek en hebben net als hun vader knalrood haar en een hazenlip. Ze zijn volgens Dokter Hoppe geboren op 29 september, de naamdag van de Heilige aartsengelen Michaël, Gabriël en Rafaël met wie de roodharigen de naam delen. Dat dokter Hoppe de duivel zou zijn, op aarde geworpen met zijn engelen lijkt hiermee lastig te ontkennen. Maar het voorspelde onheil treft Wolfheim niet. Nadat dokter Hoppe kleine George, een kind uit Wolfheim, redt van verstikking en pastoor Kaisergruber verlost van zijn maagontsteking krijgen de dorpelingen langzaam vertrouwen. Met de verdwijning van achterdocht en de nieuwsgierigheid naar de kinderen wordt de dokterspraktijk van dokter Hoppe steeds drukker bezocht door dorpelingen met bestaande en denkbeeldige kwaaltjes. De drukte in de praktijk heeft tot gevolg dat dokter Hoppe op zoek moet naar een oppas tijdens kantoortijden. Hoewel alle vrouwen in het dorp van mening zijn dat elk van hen individueel het meest geschikt zou zijn voor de taak verkiest dokter

Op een zaterdagmiddag, 13 oktober 1984, onder het geluid van een kerkklok die driemaal luidt rijdt dokter Victor Hoppe na twintig jaar afwezigheid Wolfheim binnen. Zijn Duitstalige geboortedorp, gesitueerd nabij het drielandenpunt. Hij opent daar een dokterspraktijk, zoals zijn vader dat ooit deed. Hij wordt vergezeld door een roodharige drieling die sporadisch gezien wordt en waar een groot mysterie rond blijft hangen. Waarom worden ze zo weinig gezien door de dorpelingen, wie is de moeder en waarom zien ze er zo merkwaardig uit? De dorpelingen, bevangen door geloof en bijgeloof, zijn op z’n minst wantrouwig tegenover dokter Hoppe. De achterdocht wordt gevormd door roddels, de afwezigheid van een moeder voor de drieling, zijn duivelse rode haar, de demonische hazenlip en de uitspraken van

20

Wees gewaarschuwd want te grote draak is geworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet, en de ganse wereld verleidt! Hij is, zeg ik u, hij is geworpen op de aarde, en zijn engelen zijn met hem geworpen!

Hoppe Charlotte Maenhout. Vanaf dat moment wordt op een briljante wijze het verhaal achter de drieling onthuld. Het boek bestaat uit drie delen, waarbij elk deel meer licht schijnt op het leven van dokter Hoppe en hoe het verloop hiervan heeft geleid tot de drieling. Het eerste deel gaat in op Wolfheim, de dorpsbewoners en de roddels die voedingsbodem zijn voor de achterdochtige sfeer in het dorp. Een dramatische ontknoping van dit deel rondom Charlotte Maenhout wordt gevolgd een beschrijving van de eerste veertig jaar van het leven van Victor. Als baby wordt de jonge Victor vanwege zijn hazenlip verstoten door zijn moeder en op aanraden van pastoor Kaisergruber naar het klooster van La Chapelle gestuurd, wat wellicht het best vergeleken kan worden met een psychiatrische inrichting. Hoewel in de eerste instantie ge-


illustratie: Bram Visser

boekbespreking

dacht wordt dat Victor zwakbegaafd is blijkt het tegengestelde waar. Hij blijkt een op dat moment nog onbekende variant van autisme te hebben. Het verloop van zijn jeugd in het klooster in combinatie met zijn autisme en de herhaaldelijke Bijbelse vertellingen in het kloos-ter zet een tragisch verhaal in gang. Aan het eind van de studie Geneeskunde van dokter Hoppe biedt men hem een drietal promoties, te kiezen uit het redden van levens, het rekken van levens of het maken van levens. Wanneer hij kiest voor het maken van levens in de vorm van embryologie krijgt het boek een wending met een hoog Frankensteingehalte. Het is nu eenmaal onze taak,’ ging Victor onverstoorbaar verder. ‘We moeten de fouten verbeteren die Hij in al zijn haast heeft gemaakt.

Het boek de Engelenmaker van Stefan Brijs is een modern meesterwerk. Elk woord is met doel en aandacht geschreven waardoor het verhaal van Victor Hoppe ongelofelijk goed in elkaar zit. Hoewel dokter Hoppe in de rol van Frankenstein onmenselijke dingen doet die door iedereen als ethisch onverantwoord bestempeld zullen worden ontwikkelde ik – en met mij ongetwijfeld vele anderen – empathie. Hoewel het boek in 2005 uitgegeven is lijkt het verhaal het met de dag relevanter. Zo is er op het moment discussie over het verruimen van de embryowet. De wetenschappelijke gemeenschap stelt dat zo’n verruiming experimenten toe zal staan waarbij het DNA van embryo’s zo gemodificeerd kan worden dat verschillende erfelijke ziektes tot het verleden zullen behoren. Aanpassingen van de embryo gaan op het moment al zo ver dat het geslacht voorafgaand aan de bevruchting bepaald kan worden. Het utopische beeld van een wereld zonder erfelijke ziektes is verleiding, maar de vraag die we onszelf zouden moeten stellen is, waar ligt de grens? Op het moment is het klonen van mensen in Nederland en de Verenigde Staten verboden, maar voornamelijk omdat de risico’s die klonen met zich meebrengt te groot zijn. Het beeld dat wordt geschetst vanuit de wetenschappelijke gemeenschap staat daarmee haaks op het verhaal van Hoppe. Na het lezen van de Engelemaker wordt duidelijk wat er gebeurd als je de grens over gaat. De lijn tussen ‘fouten verbeteren die Hij in al

zijn haast heeft gemaakt’ en het overstijgen van een grens is extreem dun. Hoe dat grensoverschreiden er uit ziet laat Stefan Brijs treffend zien. Het getal drie is een terugkerend motief in het verhaal: alles in het leven van dokter Hoppe en zijn drieling vindt in drievoud plaats, waarbij telkens drie thema’s centraal staan. In de ontknoping in het laatste deel smelten de thema’s geloof, bijgeloof en wetenschap samen tot een dramatisch einde waarbij de extreem rationele Victor Hoppe officieel gek verklaard wordt. Maar in hoeverre is zijn geesteswaanzin irrationeel en in hoeverre is deze gekte compleet rationeel te verklaren? Stefan Brijs dwingt je te denken over de vraag in hoeverre de hedendaagse wetenschap voor God speelt en wat hier de gevolgen van zijn. Het dystopische beeld wat Brijs schetst staat daarom lijnrecht tegenover het vooruitgangsdenken van de wetenschappelijke gemeenschap. Een goed boek brengt je in tweestrijd met jezelf. Enerzijds wil je het boek niet verder lezen omdat je niet wilt dat je uit hebt, anderzijds kan je niet meer stoppen met lezen. Gelukkig zit het boek de Engelenmaker zo goed in elkaar dat je het na het lezen van de laatste pagina gelijk opnieuw wil lezen om de vele verbanden helder te krijgen.

21


tekst & Illustratie: Rosa van Triest

dicht op mokum

Action Jij bent het die mijn binnenste binnenstebuiten haalt en je vertelt me dat liefde pastiche is met aardbeien en slagroom op een bed in de zon. Ondertussen zie ik de onvermijdelijke vanitas al komen en daarom heb ik voor de poëzie gekozen. Want man, o man, wat zouden wij banaal blijken, eenmaal over de afwas gebogen. Je zou met zo’n zielige borstel in een glaasje gaan lopen poeren en verbaasd zijn dat het breekt en dat dan ook meteen je klauw aan gruzelementen ligt. In de winter zouden we binnen zitten wachten tot de lente komt om dan naar iedereen te lachen, behalve naar elkaar. Je zou elke potentiële crisis kopen; kopjes waarop geschreven staat welke koffie je moet drinken en een kapstok die ‘huis lief huis’ zegt. Je zou je bezig gaan houden met het in een vaas stouwen van de vier seizoenen. Je zou precies geen lingerie meer kopen en erbij gaan lopen als een ieder ander met een rimpelig decolleté. Vervolgens zou je bij mij gaan klagen dat het zakt. Ach nee, zouden we stoppen met dit hoofse om elkaar heen draaien dan zouden we enkel ruzie maken met elkaar en met de serendipiteit die ‘relatie’ heet.

22


colofon Hoofdredactie Joey de Gruyl Eindredactie Joey de Gruyl / Tamar Berends / Delia Spoelstra / Redactie Emma Stomp / Joey de Gruyl / Sophie van der Does / Delia Spoelstra / Chris van Kalkeren / Rosa van Triest / Oskar Kohler

Beeldredactie Rosa van Triest / Elliyah Dyson / Bram Visser / Tamar Berends Cover Elliyah Dyson Vormgeving Bart van den Krommenacker

23


24

SOMO 2016 - 2017 nr. 3 - Utopie en Dystopie  

Hoofdredacteur: Joey de Gruijl

SOMO 2016 - 2017 nr. 3 - Utopie en Dystopie  

Hoofdredacteur: Joey de Gruijl

Advertisement