__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

sociologisch mokum sociologisch mokum / year of publication 2018-2019 nr. 4 / climate justice

1


in this somo

2

5

Introducing: the new editors-in-chief

20

The fashion industry and its influence on climate change interview | Lily Plass and Sabrine Mdaghri

6

Pleidooi voor prepresentatie guest contribution | prof. dr. Willem Schinkel

26

collage | Weera Koopman

17

Unsettling the colonial gaze: decolonization to combat global warming opinion | Iris Rosendaal

28

The trolley problem 2.0; how Albert Heijn’s 35% stickers create an environmental moral dilemma opinion | Timmin Vooijs


32

The Bookshelf Of. . . Nuri Syed Corser interview | Ophelia Chatterjee

36

Stream of thoughts of a redeemed pessimist on the usefulness of striking opinion | Emilia Lixi

40

Laat vleesconsumptie geen individuele keuze blijven guest contribution | Esha Guy

45

Ken je werkgroepdocent interview | Jorit Verkerk

3


editorial

photo: Ashley Igwe

Dear reader, This is it, in your hands now, the last SoMo of the academic year; the last SoMo made by us. Making the SoMo felt like what caring for a baby must feel like: sometimes a burden, always worth carrying and unfailingly rewarding. Passing it along to our successors probably resembles having your child move out, move on, stepping out of the realms of your control. Out of our reach, but not out of our mind. But before getting all teary, let’s be diligent for one last time. In this SoMo we shed light on the most pressing and complex social problem of the present day, maybe of all times, being the capitalist system that treats the earth as an endless array of resources fit for exploitation without question or repercussion. Though environmental and pollution issues urgently demand sociological critique and scrutiny, as much attention is paid to climate change in the UvA Sociology’s curriculum as in the Dutch government: way too little. Hence, we, being the social justice warriors we are, will devote the last Sociologisch Mokum of the academic year to environmental issues from a climate justice and intersectional perspective. We are honored that none other than Willem Schinkel will enrich the last SoMo of the academic year with his view on system change. A rhetoric of sys-

4

tem change is also preached by Iris Roosendaal, who advocates for decolonization of the Western gaze on nature as a requirement for climate justice. Timmin Vooijs presents a moral dilemma on Albert Heijn’s 35% discount deals, making you realize there’s more to those deals than saving yourself some money and preventing food to be wasted. Also important to mention in this overview, is that the new chief-editors present themselves to you. Who they are, you can find out on the next page. Also, take a careful look at the design of this SoMo made for the very last time by our devoted designer Bart van den Krommenacker. On behalf of many past editors-in-chief, we want to sincerely thank Bart for his stunning work that made the SoMo reach its full potential. That’s it for us. We hope you have a wonderful summer ahead of you, full of rest and full of fun. Enjoy the temperature rise, but don’t forget to fight the source of it. With love, The chief editors Weera Koopman Jorit Verkerk


photos: Weera Koopman

Introducing: the new editors-in-chief

H

i everyone! My name is Sabrine Mdaghri. I’ve been part of the SoMo team on and off for the past two years. Writing for a magazine that gives me the freedom to push the boundary between public and academic sociology is something I always enjoyed doing. Now I am excited to learn more about the makings of SoMo first hand as an editor-in-chief. I believe this magazine should remain a fun outlet run by students, for students. As our course is becoming more international I would love to make the SoMo accessible to everyone by encouraging an ongoing discussion amongst readers. If possible I would like to try to get more feedback on our work by incorporating more forms of (social)media and give our readers more say in the topics we write about.

H

ello everyone! My name is Lily Plass. I’m a 20-year old Austrian/American girl and I’m looking forward to taking over the editor-in-chief position for the upcoming school year. After the summer, I will be in my second-year as a Sociology student. That’s why one of my first goals will be to encourage as many first-year students as possible to write for Sociologisch Mokum. In my opinion being part of a school magazine offers a good opportunity to improve your writing skills, looks nice on your CV and you get the chance to meet new creative minds. Next year Sociologisch Mokum will offer the possibility to write anonymously. This way, those who might not feel confident enough to share a story or an opinion with their name under it, also have a space to make their voice heard. Of course,

the editors will still go over the articles to avoid any hateful messages being published. Furthermore, I plan on narrowing down the themes for each edition, since I myself sometimes felt that the themes were too broad to come up with an inspiring idea for a piece. Additionally, including all writers in the decision of the theme for each edition might give the magazine some fresh impetus. Lastly, since Sabrine and I are planning on opening up an Instagram account for the paper next year the paper will also be more active in the social media world. Hopefully, all goes well and the upcoming academic year will be another successful one for Sociologisch Mokum!

5


Pleidooi voor Prepresentatie ‘Tegen de huidige liberalen, die met hun obsessie voor groei de destructie van de aarde bespoedigen, moet een obstructieve macht in stelling worden gebracht die ons leidt naar stilstand en vertraging. Voor generaties die wij moeten vertegenwoordigen nog voordat ze bestaan,’ betoogt Willem Schinkel in een pleidooi dat eerder verscheen in de Groene Amsterdammer. Willem Schinkel is socioloog en filosoof aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgend jaar verschijnt bij uitgeverij Boom Filosofie een boek van hem over klimaat en democratie.

door prof. dr. Willem Schinkel

K

inderen leren ons vandaag de dag wat politiek is. Tegen de ‘klimaattafels’, de ‘klimaatonderhandelingen’ en een ‘klimaatakkoord’ in staken ze en gaan ze de straat op om aan de kaak te stellen dat alles wat tot nu toe voor politiek doorgaat in het teken staat van planetaire destructie. Voor ons betekent mondiale opwarming, heel concreet, het einde van de polder. En wat doen Nederlandse politici in antwoord en anticipatie daarop? Ze gaan polderen! De stakingen van scholieren zijn inspirerend omdat ze dwars door alle bullshit van de babbelende stropdasmannetjes heen breken en voor iedereen helder maken waar het om gaat: om systeemverandering tegen de destructie van hedendaags leven en toekomstig leven, van mogelijkheid.

6

En dus komen er strategieën van beheersing, nodigt de premier scholieren uit om te komen ‘praten’, en hij krijgt al direct gedaan dat een eerstvolgende staking opgeschort wordt. Dan weet je dat je iets doet wat de orde bedreigt. Want er ligt iets op de klimaattafel wat er altijd al lag, maar wat toch nog niet voldoende ervaarbaar was: dit gaat over destructie. En iedereen die uit is op gelikte compromissen met fossiele energiebedrijven, iedereen die blijft geloven in de God van de Groei, en iedereen die pretendeert te spreken namens ‘de gewone Nederlander voor wie het allemaal te snel gaat’, participeert in de bespoediging van die destructie. Laten we de politieke orde die ijvert voor destructie, voor halve maatregelen, voor ‘tran-

sities’ en ‘duurzaamheid’, voor ‘innovatie’ en ‘geo-engineering’, voor ‘groene groei’, oftewel voor het continueren van de groei met andere middelen, een naam geven. Laten we haar een diluviale politiek noemen, een politiek die willens en wetens de Zondvloed (het Diluvium) naderbij brengt, een politiek van wat in de praktijk een après nous le déluge is. ‘Zondvloed’ is hier een symbool voor een proces dat letterlijk in de vorm van een zeespiegelstijging het einde van een groot deel van Nederland kan betekenen, maar dat is maar één van de vele destructieve effecten van mondiale opwarming. Diluviale politiek is een politiek die destructie op de koop toe neemt. Een politiek die gokt op, of met, een toekomst in de volle wetenschap van de destructie die komt.


photo: Evelien Kums

Want niemand zal nog kunnen zeggen dat ‘we het niet wisten’. Zoals historici als Christophe Bonneuil en Jean-Baptiste Fressoz hebben laten zien, is er een inmiddels eeuwenoud bewustzijn van antropogene klimaatverandering, bij zowel pre-industriële civilisaties als bij kolonisatoren. En ook waar dat bewustzijn geen erkenning krijgt of vergeten is, is er sinds decennia de moderne klimaatwetenschap. Tekenend is daarnaast dat de superrijken van de wereld deze dagen oude bunkers en verlaten landingsbanen kopen omdat ze exitstrategieën plannen – zij weten als geen ander dat hun project de destructie van huidig en toekomstig leven betekent. En in Nederland komen politici zonder enig probleem weg met de schaamteloze erkenning dat ze

hun zelf gestelde klimaatdoelen bij lange na niet halen. In deze toestand is bijna niemand meer ‘klimaatscepticus’; voor wie een fetisj heeft voor destructie op planetaire schaal volstaat het om klimaatcynicus te zijn. Zo kon de Amerikaanse Environmental Protection Agency onder Donald Trump vorig jaar ruiterlijk toegeven dat er misschien wel vier graden Celsius bij komen in deze eeuw, zodat het meteen niet langer ‘kosteneffectief ’ is om te proberen er iets aan te doen. In de vervuilde atmosfeer van deze diluviale politiek klinkt de heldere stem van scholieren als een frisse adem. Alleen al dat deze jongeren ons herinneren aan het feit dat politiek gaat over de mogelijkheid van mogelijk-

heid is iets om te koesteren in plaats van te beheersen. Walter Benjamin zei bijna een eeuw geleden al: ‘Dat het “zo verder gaat”, is de catastrofe.’ Dus het kan zo niet verder. Maar de diluviale politiek heeft zich diep genesteld in onze democratie. De vraag is nu welke democratie in staat is komende levensvormen een stem te geven in het heden. De opgave voor de democratie is, met andere woorden, om vorm te geven aan iets wat niet alleen representatie is maar ook prepresentatie, de representatie van het leven dat nog te komen is. Hoe? Allereerst door afscheid te nemen van de diluviale drift die ‘liberale democratie’ heet. Liberalisme als politieke filosofie en liberale democratie als

7


regeer- en bestuursvorm leiden tot diluviale politiek. De mens is in het liberalisme gedacht als door privébezit gekenmerkte eenling. Aarde is exclusief gedacht als reservaat of als reservoir, als gratis hulpbron. Die twee concepties – de door privébezit gekenmerkte eenling en de gratis aarde – zijn complementair, want er is geen bezitting mogelijk zonder bezetting van aarde. Liberale, diluviale politiek is dus de continuering van planetair kolonialisme, en wat eufemistisch de ‘ecologische voetafdruk’ heet, is het koloniaal stempel dat de horde eenlingen achterlaat bij iedere bezetting, bij iedere claim op aarde die komt met de willekeur van hun tot ‘vrijheid’ gecodeerde consumptie. De vrijheid van het liberalisme is niets anders dan het vrij maken van aarde voor bezetbaarheid en 8

bezitbaarheid. Het is niet in de eerste plaats de als liberaal individu gedachte eenling geweest die de aarde bezette, want liberalisme – en in zijn huidige versie: neoliberalisme – heeft de concentratie van kapitaal bij een kleine klasse van grootbezitters gefaciliteerd. Wat is toekomst onder liberale condities? Feitelijk de afzetting of het afval van de liberale oriëntatie op het onmiddellijke nut, op het nu. Mensen, net als aarde, zijn grondstof, human capital, en in wat de Oostenrijkse filosoof Günther Anders ooit ‘postcivilisationeel kannibalisme’ noemde, betekent dat tegelijk dat alles wat na het ‘nu’ komt gecodeerd wordt tot één grote afvalstortplaats. Afval wordt vaak gezien als iets uit het verleden, maar in de praktijk van de liberale democratie is de

toekomst het afval van de nutscalculaties die in het heden gemaakt worden: toekomst brengt groei of winst, en al het andere is rest, residu van kapitalisering, afval. Huidige en toekomstige mensen en dieren zijn voor liberale politiek afval, een rest die resteert na de kapitaalaccumulatie in het ‘nu’. Bestaan onder liberale condities is afvallig, zo blijkt nu meer dan ooit. Individuele mensen zijn de ideologische basis van liberaal denken, maar in de praktijk zijn ze afvallige eenlingen. Overleven is restant zijn van eerdere kapitaalaccumulatie. Wie overleeft wordt gewaardeerd als te exploiteren arbeid, maar die waardering is slechts het optimistische gezicht van de afvallige aard van liberaal leven.


Een en ander is typerend voor een volstrekt onvermogen om leven te zien als samen leven dat niet in het teken staat van beheersing, van bezetting en bezitting. Een leven met anderen, met dieren, met planten, met aarde, en zowel in geschiedenis als in toekomst. Juist omdat toekomst afval is, residu van op onmiddellijkheid gerichte nutscalculaties, leidt liberalisme tot het après nous le déluge dat diluviale politiek kenmerkt. De huidige liberalen zijn niet voor niets aanhanger van het idee dat er geen fundamentele alternatieven zijn voor de bestaande relaties tussen economie en ecologie. De destructie van toekomstige levensmogelijkheden maakt dat gebrek aan alternatieven actief waar. Overtuigde liberalen kunnen tegenwerpen dat er in de libe-

rale democratie niets vastligt, dat overal over te praten valt. En dat is exact hoe diluviale politiek werkt: op de achtergrond van het gebabbel trekt de destructie verder. En liberale democratie is gebabbel voor gevorderden. In een tijd van mondiale opwarming is wat ‘het debat’ heet het schuiven met luchtige betekenaars onder verhitte omstandigheden. De liberale ideologie, gebaseerd op het idee van eenlingen met privébezit, gaat ervan uit dat alles goed komt wanneer die eenlingen ook meningen bezitten. Eenlingen met meningen, die maken wat ‘politiek debat’ heet. Geen wonder dat schoolgaande kinderen daar geen soelaas in zien als ze systeemverandering eisen. Zoals Wolfgang Streeck heeft laten zien leeft liberale democratie op gekochte tijd in haar

huwelijk met kapitalisme. Het lang bestaande idee dat de combinatie van liberale democratie en kapitalisme universeel wordt en dat ook zou moeten zijn, is een grap waar niemand meer om kan lachen. Maar die democratie leeft ook, en altijd al, op gekochte tijd in het pre-emptieve beslag dat ze legt op de mogelijkheden van toekomstige generatie. Ik zeg met opzet generatie, omdat het een werkwoord is. Het inspirerende aan de protesten van scholieren is niet dat het een ‘jonge generatie’ betreft. ‘Generaties’ zijn demografische constructies, geen politieke formaties. En het idee dat ‘de jeugd’ het klimaat belangrijk vindt, maakt het al te gemakkelijk voor politici en anderen om zich achter de protesten te scharen en zichzelf vrij te waren van de noodzaak te handelen.

9


Het denken in termen van generaties kan mondiale opwarming tot iets ‘van’ komende generaties maken, tot iets waar vooral zij iets aan moeten, en vast wel zullen doen. De aandacht wordt dan afgeleid van het feit dat het de huidige, alle generaties doortrekkende productiewijze is die de biosfeer en de atmosfeer voor toekomstig leven vernielt, en dat de huidige machthebbers dus het probleem zijn. Anderzijds zijn generatie-argumenten vaak reactionair: het idee dat we ‘voor onze kinderen’ moeten handelen rechtvaardigt doorgaans conservatieve maatregelen, zoals een anti-abortuspolitiek, bedoeld om een bestaande orde in de toekomst in stand te houden. De scholieren die over de hele wereld staken, trappen daar niet in: zij stellen de eis aan de huidige politiek te breken met de bestaande orde. Ze doen dat niet als eenlingen met meningen, maar uit zorg over, en voor, de mogelijkheden die de toekomst herbergt voor een veelvoud aan levensvormen. Met andere woorden: wat in di10

luviale politiek op het spel staat, is de mogelijkheid van de generatie van levensvormen. Diluviale politiek is een steeds sterker wordende claim op toekomstige generatie in deze zin. Het is een politiek van de beperking van de wilde generatie van levensvormen. Op die manier is politiek in onze tijd het management van de prenatale abortus van de generatie na ons. Er staat hier dus een veel radicaler idee van vrijheid op het spel dan liberalen zich kunnen voorstellen: niet het vrijmaken van aarde voor extractie, en niet de vrijheid van het hebben van spullen en meningen, maar de radicale potentialiteit van het queer vormgeven van levens, van levensvormen buiten de perverse orde van de diluviale fetisj met ‘groei’. De vraag is, simpelweg: wie bepaalt op welke manieren samen-leven op aarde straks mogelijk is? Het komt er dus op aan de protesterende jeugd niet als ‘generatie’ op te vatten, maar te zien dat zij het ditmaal is die de vraag opwerpt naar de mogelijkheid van de toekomstige generatie van leven.

Liberalisme en liberale democratie zijn niet geïnteresseerd in zulke generatie, want ze gaan uit van accumulatie, van ‘groei’, en groei betekent extractie uit aarde en exploitatie van lichamen. Liberale democratie behelst dus en destructie en het eeuwige gebabbel dat het rookscherm vormt waarachter die destructie voortwoekert. In weerwil van de taal van de liberale zelffelicitatie, van ‘mensenrechten’ en ‘vooruitgang’, betekent die destructie de transformatie van mens en aarde tot het afval van de kapitaalaccumulatie en -concentratie die als ‘noodzakelijke groei’ verkocht wordt. Tegenover de afvalligheid waartoe liberale democratie het bestaan reduceert, moeten we een radicale afvalligheid plaatsen, een verraad aan die liberale democratie. Want de aarde was lang tegelijk een gratis hulpbron en een afvalberg, maar het einde van die paradoxale manier van planetair bestaan komt in zicht. Welke politiek is mogelijk in het licht van dit einde? Hoe onze reductie tot afval om te zetten in een radicale afvalligheid die de wilde woekering van levensvormen op aarde als uitgangspunt heeft.


guest contribution

De aarde was lang tegelijk een gratis hulpbron en een afvalberg, maar het einde van die paradoxale manier van planetair bestaan komt in zicht. Er is een model voor een politiek die niet exclusief op het ‘nu’ georiënteerd is, maar op het weerstaan van het einde van bestaande levensvormen. Dat model, dat onderdeel is van wat de ‘politieke theologie’ heet, gaat ervan uit dat bestaan niet afvallig maar intervallig is: leven is in een interval leven, tussen openbaring en Apocalyps, tussen schepping en einde. De Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt gebruikte hiervoor het aan Paulus ontleende concept katechon, dat zoveel betekent als ‘tegenhouder’ of ‘tegenhoudende macht’. Voor Schmitts conservatieve doeleinden was politieke soevereiniteit de machtsvorm die de chaos op afstand kon houden. Soevereine macht, bij Schmitt, wordt gekenmerkt door de mogelijkheid de uitzonderingstoestand in te

stellen, de toestand waarin het recht wordt opgeschort en ook de toestand van waaruit het recht wordt ingesteld. Bij Schmitt leidde dat tot een sympathie voor het nazi-regime. Inmiddels is duidelijk dat Schmitts denken heel anders ingezet kan worden. Veel linkse politieke denkers hebben zijn werk gebruikt om tegen de huidige depolitisering – politiek als calculerend probleemmanagement – te denken. Schmitts politiek-theologisch denken kan voor onze toestand van mondiale destructie bijdragen aan een verbeelding voorbij diluviale politiek. Want daar komt het nu op aan: op experimenteren met een verbeelding voorbij liberale democratie. Bij ons is de bestaande macht precies datgene wat de destructie bespoedigt in plaats van tegenhoudt. Als de huidige organisatie van soevereiniteit de destructie bespoedigt, is dan een nieuwe vorm van soevereiniteit denkbaar, een soevereine macht die in staat is die destructie tegen te houden? Wat als de soevereiniteit die we nu hebben, en die gebaseerd is

op de representatie van huidige burgers, aangevuld zou worden met een soevereiniteit die gericht is op de prepresentatie van toekomstig leven? En wat als dat niet zozeer een ‘aanvulling’ op de bestaande representatieve democratie zou zijn, maar eerder een compensatie ervoor? Wat als er een executieve macht zou zijn die gericht zou zijn op het tegengaan van destructie? Wat zou dat dan zijn? Het zou allereerst een negatieve macht zijn, een macht die tegenhoudt in plaats van creëert – en juist dat tegenhouden is wat in onze tijd nodig is om de creatie van leven mogelijk te maken. Een macht die concreet zou worden in de onteigening van fossiele energiebedrijven en andere destructieve gezelschappen, zoals financiële instellingen. Een macht die bestaande bezitsrechten kan opschorten waar die de continuering van diluviale destructie bevorderen. Een macht die geen nieuwe voorstellen doet, zoals een broodnodige ‘New Green Deal’ – dat doet de representatieve democratie – maar een macht

11


illustration: Hanna

die alle door die representatieve democratie voorgestelde plannen toetst op hun effecten voor de generatie van toekomstig leven. Een moderatiemacht die, voor zo lang als dat nodig is, het onverantwoorde voorschot dat op de aarde genomen wordt in het bestaande gebabbel modereert, mitigeert, tegenhoudt. Uit naam waarvan? Niet alleen, zoals bij Schmitt, uit naam van bestaande levensvormen, maar uit naam van de generatie van levensvormen. Uit naam van de 12

wilde woekering van komende collectieve levensvormen voorbij de orde van kapitaal, witheid en afvalligheid. En middels ‘prepresentatie’, het geven van een stem in de democratie aan het leven dat nog niet bestaat. Klinkt dat onrealistisch? Jazeker, en dat is de kracht ervan. Want er is niets aan prepresentatie dat minder realistisch is dan de representatie die we voor vanzelfsprekend nemen. Het klinkt moeilijk: hoe komende generatie een stem te

geven in het heden? Maar het is typisch een vraag waar representatieve democratie een antwoord op heeft. Representatieve democratie is altijd paradoxaal. Representatie is de paradox van het present stellen van het afwezige. Iets wat afwezig is, wordt aanwezig gemaakt, maar blijft tegelijkertijd afwezig. Dat is de list van de representatieve democratie, en tot nog toe is die alleen toegepast op het verleden. Op het volk namelijk, dat berust op een of ander funderend moment dat in het ver-


tration: Hanna IJsselstein Mulder

leden geprojecteerd wordt, in een constitutie, een contract of een mythische gemeenschap die altijd al bestaan zou hebben. Democratische representatie is dus altijd al een paradoxaal iets, dat uiteindelijk gegrond is in welbewust fictieve historische constructies die maar werken voor zo lang als een meerderheid denkt dat ze werken. Dat representatie op afwezigheid berust, is geen kritiek op representatie, het is de productieve democratische kern ervan. Welke gevolgen zou de demo-

cratische representatie nu hebben van die levensvormen die nog niet bestaan, maar wier bestaansvoorwaarden ultiem op het spel staan in die democratie? Als het mogelijk is aan representatie te doen en te accepteren dat dat een paradoxale aangelegenheid is, zouden we dan niet ook de paradox van de prepresentatie aankunnen? Als het mogelijk is onder huidige omstandigheden te denken dat representatie iets aanwezig stelt wat afwezig is en dat in het verleden wortelt,

waarom zou de afwezigheid van toekomstige levensvormen dan een probleem zijn voor het aanwezig stellen ervan in de democratie? Bruno Latour stelde al eens een ‘parlement van de dingen’ voor, en hij pleit tegenwoordig voor de representatie van de oceanen, de bossen en de dieren in de parlementaire democratie. En inderdaad: tot nog toe heeft de democratie maar beperkt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van representatie.

13


Maar Latour lijkt vooral geïnteresseerd in een uitbreiding van de participatie in het liberale gebabbel, waarbij niet-menselijke actoren hun gewicht leggen in de compromissen. Willen we werkelijk middels prepresentatie een stem geven aan toekomstige levensvormen, en willen we dus de temporele dimensie van democratische macht in ogenschouw nemen, dan zijn parlementaire onenigheid en consensus niet de enige manier om democratie vorm te geven. Dan kan ook een verdubbeling van soevereiniteit een optie zijn die onze politieke verbeelding boven water houdt. In wat zo een polyarchie genoemd kan worden, staat naast het soevereine volk, dat op een fictieve constitutie of contract in het verleden berust en dat zijn expressie vindt in bestaande democratische structuren, een controlerende en modererende soevereiniteit. Die behelst, zolang de representatieve democratie dat niet doet, de prepresentatie van nog 14

te komen levensvormen, van toekomstige generaties en bovenal van toekomstige generatie. Diluviale politiek vergt een tegenhoudende macht, een buitenparlementaire executieve macht die erop gericht is het geweld van hedendaags handelen te modereren. Zolang er diluviale politiek is, een politiek van de destructie, moet er een tegenhoudende macht zijn, een praktijk van obstructie. Hoe dat er precies uitziet? Er is geen blauwdruk, maar praktische implementatievragen zijn op zich al een welkom verraad aan de liberale democratie, een oefening in radicale afvalligheid. Er zijn allerhande manieren om de democratie op de schop te nemen. Het gaat erom dat we uit de diluviale kaders breken. Juist nu moeten we bereid zijn ver voorbij de grenzen van onze tijdelijke democratische vorm – liberale democratie – te denken. Het is belangrijk hier te markeren dat een op prepresentatie gebaseerde polyarchie niet

een voorstel is dat niet in een representatieve democratie past. Het komt evenzeer voort uit een wens te representeren – alleen ditmaal gaat het om de representatie van nog te komen levensvormen. Wie dat als ondemocratisch beschouwt, verwart democratie met liberale democratie. Prepresentatie is natuurlijk op een productieve manier fictief. Maar precies hetzelfde is het geval bij de vorm van representatie die kennelijk kritiekloos geaccepteerd kan worden: de representatie van het volk is een even fictief proces omdat de constitutie van dat ‘volk’ immers in een fictief verleden ligt en ook dat ‘volk’ noodzakelijk afwezig is en blijft. Het uiterst praktische voorstel is dus een nieuwe executieve macht, specifiek een negatieve beslissingsmacht, een moderatiemacht, die in het heden in staat is beslissingen en praktijken terug te draaien of een halt toe te roepen, zonder daarvoor substantiële


alternatieven te kunnen geven, laat staan doordrukken. Dergelijke alternatieven moeten onderhevig zijn aan de organisatie van onenigheid die de eerste, en tot nu toe enige, soeverein garandeert. Zo’n moderatiemacht is erop gericht de toekomstige generatie van levensvormen te representeren en daarvoor een zo groot mogelijke potentialiteit te garanderen. Wil de toekomstige generatie stem krijgen in de democratie, dan moet representatie prepresentatie zijn. Evident roept een dergelijke herconceptualisering van representatie weerstand op: hoe kunnen toekomstige mensen een stem in de hedendaagse democratie krijgen? Moeten we ons laten regeren door toekomstige generaties? Dat zijn de instinctieve reacties van mensen die zich vereenzelvigen met de babbelende liberalen. Want – en ik herhaal omdat het om instinctieve reacties gaat – de representatievorm die door de meeste mensen wel acceptabel geacht wordt, is even

fictief, want ook daarin wordt iets aanwezig gesteld dat fundamenteel afwezig is, en waarvan de constitutie in een fictief verleden geprojecteerd wordt. Het geeft te denken dat ficties uit het verleden meer democratisch krediet hebben dan ficties uit de toekomst. Maar dat is het geval omdat ficties uit de toekomst tot een voor de liberaal-kapitalistische orde gevaarlijke moderatiemacht aan kunnen zetten, juist omdat hedendaags handelen geweld de toekomst in projecteert. Inmiddels is duidelijk dat de toekomst tanden heeft, en diluviale politiek is het daar met open ogen inlopen. Maar de toekomst heeft nog geen tanden in onze democratie. Zolang die beperkt blijft tot liberaal gebabbel is de catastrofe al hier. De stropdasmannetjes van de ‘groene groei’, van de ‘oplossing door innovatie’, van de ‘public-private partnerships’, van de ‘transities’ en van ‘het klimaatdebat’ zullen blijven babbelen, nog als ze tot

hun kin in de diluviale blubber staan. De orde waar zij voor staan vergt een tegenhoudende macht en een democratische prepresentatie. Tegenhouden, dat betekent minstens een impasse veroorzaken, vertragen, blokkeren, staken, saboteren. Er zijn dus vele manieren zo’n macht te belichamen en in praktijk te brengen. Momenteel wordt soms het recht ingezet als tegenhoudende macht, in Nederland het meest iconisch in de Urgenda-zaak. Maar het recht opereert onder de bestaande soevereiniteitsvorm, en dat betekent mede dat het recht nooit zijn tanden tegen de orde kan laten zien. Wanneer wordt bijvoorbeeld artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing geacht op de directie van Shell en andere bedrijven waarvan het verdienmodel destructie is: ‘Hij aan wiens schuld (…) overstroming te wijten is, wordt gestraft’? Een nieuwe vorm van soevereiniteit naast de bestaande

15


Wie nu denkt dat dit een gek voorstel is, heeft zich nog niet geëmancipeerd van de gekte die bij ons voor orde doorgaat. De beknotting van levensgeneratie via kapitalisme en diluviale politiek, dat is de gekte. Dus onrealistisch? Inderdaad!

16

volkssoevereiniteit, een polyarchie dus, kan een steviger vuist maken tegen diluviale destructie, juist omdat wat gebeurt uit naam van de fictie van de volkssoevereiniteit ook geblokkeerd kan worden. Tegen destructieve macht moet ob-

structieve macht in stelling gebracht worden. Stilstand, geen groei, impasse, vertraging, dat is de tijdelijke toestand waarnaar we, op welke manier dan ook, moeten streven. Dat vergt allereerst een proliferatie van denken buiten de orde, ver buiten de out of the box-mantra van de hippe stropdasmannetjes die ons ‘transities’ en ‘groen ondernemerschap’ aanpraten. En we hebben haast. Ongeduld is hier, zoals Günther Anders al eens zei, een deugd, de meest onontbeerlijke zelfs. Welke politieke vorm ná het afwenden van de catastrofe komt, is hiermee in het geheel niet duidelijk, en bij voorkeur is het er een zonder enige vorm van soevereiniteit. Voor nu is het eerste belang dat het, Benjamin indachtig, niet ‘zo doorgaat’. Wie nu denkt dat dit een gek voorstel is, heeft zich nog niet

geëmancipeerd van de gekte die bij ons voor orde doorgaat. De beknotting van levensgeneratie via kapitalisme en diluviale politiek, dat is de gekte. Dus onrealistisch? Inderdaad! ‘Onrealistisch’ is wel het laatste argument tegen een politiek die ook juist gericht is op de generatie van levensvormen voorbij wat nu ‘reëel’ is. Een leven dat zichzelf kortwiekt in het kortetermijnbelang van een kapitaal bezittende klasse, dat lijkt pas ‘onrealistisch’, maar het is de reëel bestaande gekte van onze diluviale conditie.


Unsettling the Colonial Gaze: Decolonization to Combat Global Warming

by Iris Rosendaal

I

n the west, almost all policy avenues that intend to reduce global warming are centered around re-negotiating individual consumption choices. We see this every day in governmental campaigns that advocate for shorter showers, electric cars, and solar panels. From this perspective, responsibility is laid with individuals, who think they can have their share in the combat against global warming simply by changing their consumption practices. However, I think that when we really want to have a chance at surviving what might be one of the greatest treats for the powerless so far, we need to look at the bigger picture. That is why in this piece, I intend to move away from this framing of global warming as an individual issue by taking in the

perspective of climate justice. Climate justice is about understanding global warming as an ethical, political and social issue, that cannot be mitigated unless we move away from the neoliberal capitalist economy. This is because in a capitalist system, even the issue of global warming is framed as a business opportunity. The framework of climate justice works from the assumption that global warming disasters affect people differently across the world. This is dependent on power relations, differentiated along the lines of gender, race, and class. In general, privileged peoples from the West have more resources for protection and are less vulnerable to these disasters, whereas they consume the most and are there-

by the most polluting group in society. Poor and oppressed people in non-Western contexts, however, generally have less means for migration, evacuation, and protection, which makes them the most vulnerable to the consequences of global warming. This means that those who are most responsible for global warming, a group historically dominated by white people benefitting from the capitalist system, displace the detrimental effects of their large carbon footprint to those who consume way less. Interestingly, there seems to be an intrinsic link between global warming as well as colonial and capitalist ideas of ownership and domination. Therefore, I argue that decolonization is our only way forward to reduce global warming.

17


illustration: Justin Nuij

18


opinion

To start off, the (post)colonial gaze of the West conceptualizes the earth as an endless abundance of natural resources that can be exploited without question or consequences. This dominant conception instills the idea that humans can dominate the world, forming the basis for a prevailing dichotomy between nature and humans. By perpetuating this dichotomy, other conceptions of relations between nature, animals, land, and human life are marginalized, while at the same time a colonial agenda is promoted where further exploitation is made possible. Even though it might be difficult to imagine for Westerners, there are places in which completely different conceptualizations of human life, knowledge, and land are elaborated. In general, many indigenous cultures have very close ties to their lands. This is because, as Leanne Betasamosake Simpson from the Anishinaabe nation states, “our knowledge comes from the land through the relationships we develop and foster with the essential forces of nature”. Land is, in that sense, not only an eco-

nomic asset, but essential for indigenous people’s spiritual development. This is because for many indigenous cultures, land is sacred as everything that comes from it is considered a gift from the gods and ancestors. Unfortunately, these ways of relating to the earth are not only erased by the colonial project that has been going on for ages, but also by the effects of global warming. Many indigenous peoples are now forced to relocate because their long-established lands are becoming uninhabitable. For example, in Newtok, Alaska a built community is sinking due to melting ice caps. Likewise, in Kenya, nomadic peoples, such as the Maasai, are forced to move to cities due to deforestation. And in Nigeria, local villagers have no other choice but to relocate due to the numerous oil spills from Shell’s leaking pipes. In these cases, pollution and global warming is an issue of the present, while the West presents it as an issue of the future. I would argue that it is absolutely necessary to move

away from the colonial gaze that justifies the exploitation and erasure of life. Colonizers should take example from the way indigenous peoples relate to trees, animals, and the land. With decolonization, all relationships to land, knowledges, and forms of human life are dignified. Like Frantz Fanon said, “for a colonized people the most essential value, because the most concrete, is first and foremost the land: the land which will bring them bread and, above all, dignity”. Decolonization means undoing colonization at every level. This means not only to contest contemporary, exploitative global trade relations, but also to intellectually decolonize from colonizers’ ideas about land and ownership of the earth with all its inhabitants and nature. It is simply impossible to come up with a solution for global warming from the capitalist framework, as these solutions, operating from a colonial logic, will inherently be flawed. This is why decolonization is our only way forward in our fight against environmental degradation but most importantly, in creating social justice.

19


The fashion industry and its influence on climate change

by Lily Plass and Sabrine Mdaghri

A

surprising ‘bad guy’ in the environmental crisis we are in right now, is the fashion industry. It is one of the largest polluters as the industry’s remains end in (mostly) landfill and also because the production of garments is shedding massive amounts of gas emission. As consumer’s awareness of this issue has been rising, mainstream fashion brands have started to tailor their marketing towards this new trend. This marketing technique is often called ‘greenwashing’ and brands such as H&M have been accused of it repeatedly over the course of the last few years. The words ‘Conscious’, ‘Recycled’ and ‘Organic’ are often used in campaigns to add credibility even if the facts don’t always align with this image. What can we as consumers do to make the right choices if we can’t see the wood for the trees?

20

Vintage

The most obvious sustainable way to fill your wardrobe is to buy things that already exist on this earth right now. Vintage has come a long way: from its smelly shops filled with moths to a more fulfilling shopping experience with options for all sizes and styles. We have made our way to the Haarlemmerstraat to go to a location of our favorite vintage shops. We asked the sellers of the shops why they prefer vintage. Marbles Vintage

‘When I was growing up I used to look at old pictures of my mum. I noticed what she was wearing as a teenager and discovered vintage in my neighborhood finding similar clothing pieces. I like combining different things and exploring my style. Vintage has gained more popularity lately and I

notice more of the younger generation coming into the shop.’ Rumors Vintage

‘I myself study fashion and have always loved shopping vintage pieces. It’s of course very sustainable and gives me the option to find original pieces of clothing. I would rather spend a little more on a special designer vintage item than go to ZARA and buy something everyone else will be wearing next season.’ Other vintage and second hand options include the following: Waterlooplein

On the market you can fill your wardrobe with things ranging from 1 euro to whatever you feel like giving the seller that day.


Episode

with Joanneke, in order to find out more about how the company operates. On top of that, we also got some useful tips on what it means to be a conscious consumer.

Recycled

What made you choose the name ReBlend? “There is an enormous number of textiles going to waste every year. We are talking about 50 million kilos a year, which are just being burnt. So, Anita and I thought: ‘We can’t afford to go on like this. What can we do to use the clothing, that is going to waste, in a more positive way?’. The solution is to use what is already there. We collect old garments, that would have otherwise gone to waste, and we ‘ReBlend’ them into new textiles for the fashion and interior design industry.”

The vintage shop with the most locations around the city and the largest range of stock for men and women.

Another way to reduce the toll that the clothing manufacturing process takes on our planet is to remake old clothes into new ones. That is exactly what ReBlend is doing. ReBlend is a company that specializes in collecting old clothing and recreating new textiles out of them. But don’t take it from us. Take it from Joanneke Lootsma, one of the founders of ReBlend. Together with Anita de Wit, she started up a successful clothing manufacturing business with the goal of long-term sustainability and minimal strain on our planet. We had a telephone interview

How are the products manufactured? “Our kickstart was about seven items including a dress, trousers and jumpers. They were mainly in the colors white and blue. Everyone tends to think recycled clothing only comes in white and grey, when in fact you can create any color you want. The used clothing comes in big bins and is then color coordinately sorted out. This way you can separate, for example red and yellow clothing, and then make new red and yellow textiles without using any water. We chose orange, white, blue and grey as a kickstart because we saw these as the most exciting colors.” Did you have any difficulties starting up your company? “Every company has some form of difficulties. When we started off, we asked ourselves

21


illustration: Justin Nuij

22


interview

the question of what we would like to see and what would suit us. The biggest problem we encountered is that there is a lack of demand for recycled clothing. Producing circular clothing is a relatively new production process, which is why investors are hesitant to put their money into the circular clothing industry. It is not huge businesses like H&M which are the biggest obstacle. The costs of the production are still high because the clothing is manufactured in small quantities. We need to change the mindset of consumers, so that they will not buy a t-shirt which costs 3€, as that is not the actual price of a t-shirt. As soon as more people start buying circular clothing, then the manufacturing cost will also go down. This, in turn, also lowers the market prices of circular clothing.”

What are some ways you are going about to raise awareness for circular clothing? “We don’t only make the yarn but we also point other companies in the right direction on how they can make their products more sustainable. We explain why our colors are special and how our yarn is different from conventional yarn. We convince companies to redesign their products with us. People want to produce sustainable clothing but they don’t know how to best go about it.” Some people, such as students, don’t have the money to buy circular clothing. Do you have any words of advice on what they can do to still pressure the clothing industry into more sustainability? “Many students are already aware of the impact the clothing industry has on our envi-

ronment. For now, yes, it is expensive to buy circular clothing but as the demand goes up, the prices will go down. It is only a matter of time. When people refuse to buy a t-shirt which only costs one euro, that is also sending a sign towards the industry. It is about not buying, as much as it is about buying.” Any final thoughts? “I think it is crucial to focus on collecting clothes. Swapping clothes, for example, is a good idea. It is important to do something, even if you aren’t buying expensive recycled clothing. Care for what you wear and share your clothes when you’re done, instead of throwing them away. Most importantly: think twice about buying cheap clothing.”

23


Sustainably made

I sat down with Thomas and Jana to talk about sustainability in the fashion industry. They are behind the new unisex sustainable basics brand WamWaki, which means cotton in Greek. Cotton is almost everything what their t-shirts are made of: add some natural dyes, some help from the workers in the factory in Greece and you’ve got their simple recipe for affordable sustainable fashion. They explained that the idea of the company came out of a combination of personal lifestyle changes and an education focused on sustainability. While making changes to their own lifestyle they encountered the problem of sustainability being expensive and wanting to solve that to make it more attractive to everyone to make the right choice. Without waiting around, they got their company set up within the course of a year. 24

September last year their business plan for ‘unknown name’ brand was set up. They got straight to work and did a lot of research about the ins and outs of sustainable production practices. While they did so, they got in touch with a potential producer in China. As it sounded too good to be true it ended up being the case that there were children working at this particular factory. After this experience they decided to keep the production of their clothing closer to home. They came across a factory in Greece, close to where Thomas’s family is originally from. By being invited over they got to experience first hand how the factory is being runned. Besides making their own organic cotton and using natural dyes, the factory in Greece is known for their fair trade practices. As sustainability goes hand in hand with ethical labour facilities they decided to go for this option. The small

family run factory focusses on being kind to the planet while being kind to their workers. They are open about where their cotton is being produced and keep in close contact with their organic cotton supplier. As Thomas’s family lives close to the factory they got to know some workers who could tell them how their working conditions actually are. February this year Jana worked on the designs and colours of their final product. Without any samples to go from (also a choice of minimizing waste) they tested the small pieces of coloured fabric in the wash and for feel on the skin. Once they were happy with it the factory started to make the final product. Fast forward to now we are having this interview, Jana and Thomas are excited about the launch of their affordable sustainable clothing brand which you can check out on their instagram: @WamWaki.


Conclusion

Sometimes one may ask oneself how one person’s actions can actually make a positive impact. One’s efforts may seem like a futile one-person battle against the rest of the world. However, there are many other people who try to and succeed in leading our planet in a direction that will preserve our environment longer, not only for us but also for future generations. It is important to realize that “us” in this case actually does mean every individual on this planet. If we refuse to combat the destruction of our environment, it will have detrimental consequences for everyone on this world. Companies, such as ReBlend and Marbles Vintage, are part of this movement. By buying clothes that were made in a more sustainable fashion you, as a consumer, are sending a message to clothing manufacturers producing clothing in a manner that not only harms

the environment but also disrespects the core rights of its workers. A message saying that enough is enough. But even if one doesn’t have the means to buy clothing from more sustainable brands, one can also make a statement by refusing to buy unnecessary new clothes or simply scaling down on one’s shopping habits. It took us many years to end up where we are now and it will take many years to reverse the effects. However, it is crucial to act now.

Resources The True Cost

Netflix documentary Fashion For Good

Museum

The world’s first sustainable fashion museum opened in Amsterdam last summer. It is a free museum that constantly updates it’s collection on fashion innovation and gives people the tools to revolutionize their own wardrobe. Fashion Revolution Week

This alternative to ‘Fashion Week’ has been set up by the non profit organisation Fashion revolution that fights for transparency in the fashion industry. This week was the opposite of sponsored Instagram posts by influencers. Events like clothing swaps and lectures happened all over the world and were open for anyone interested to attend. https://www.fashionrevolution.org

25


collage: Weera Koopman

26


27


The trolley problem 2.0; how Albert Heijn’s 35% stickers create an environmental moral dilemma

by Timmin Vooijs

T

here are two things all students living in Amsterdam will be familiar with: ruthless tourists and the 35% off stickers from Albert Heijn. These stickers are the golden tickets for students wanting to save a little cash. In fact, I personally find myself looking specifically for products with the sticker, even if I didn’t come to Albert Heijn to get that product in the first place. I am looking at you, strawberry banana smoothie! This sounds great, right? There is, however, a dark side to this marketing of Albert Heijn. As the title suggests, I will present the moral dilemma that is created by Albert Heijn’s 35% deal, as there is more than meets the eye with regard to this seemingly benevolent deal. Are you saving money? Yes. Are you preventing food waste? Well...

28

The benevolent deal that I am referring to is that both Albert Heijn and you, the customer, are gaining something from the 35% off stickers. At first glance it seems that Albert Heijn might be at a loss. Namely, they are selling a product at 65% of the original price. Not ideal for a capitalist company trying to make as much money as possible, one would say. But, as you may know, the 35% stickers are generally used in three situations. Firstly, when a product has reached their expiration date. Secondly, if a product is about to be pulled out of stock. And lastly, if the packaging is broken (though sometimes they do not seem to mind whether it’s broken or not). There is one essential commonality between these three options that makes up the comparison to the infamous trolley problem. All three of

these uses share that if they do not employ a measure to ‘save’ the product, it will be thrown away, disposed. The product goes over the expiration date; it’s thrown in the trash. 0% Profit. The remaining unsold product can’t be sold anymore because it’s not in stock anymore; it’s thrown in the trash. 0% profit. The product can’t officially be sold because of its damages; it’s thrown in the trash. 0% profit. As I hope to have illustrated: the 35% stickers are nothing more than a last minute cash grab. It is Albert Heijn squeezing the profit out of every product, even if they are not up to selling standards anymore. That is how much of a consumer culture we have. We will even buy products that are not even worth selling or consuming anymore, just because they are


illustration: Elliyah Dyson

29


slightly cheaper, even though most products with the 35% sticker will save you around 50 cents. For a product not worth selling! But as a student myself, I have to admit, every cent counts. So now the counterargument ought to be brought forward: Albert Heijn is saving food waste by using this measure. They are an amazing environmentally aware company for instead of wasting food, they give it a second home! Well, once again, there is more to the story. Albert Heijn - we hope - unconsciously puts customers in a moral dilemma to choose between two evils.

30

It is undeniably true that if we buy the product with the 35% off, we save it from being thrown in the trash, and therefore it being ‘wasted’. We have seen enough documentaries on and probably have real life experience with how much food is wasted, usually in the most

horribly irresponsible ways. Albert Heijn does in fact counter this. Or so it seems. I have had a private conversation with a ‘team leader’ of one of Albert Heijn’s locations in Amsterdam. I talked to him about my trips to the store and how I scout and scan for the hottest 35% off deals. Because after all, if I do not buy one of those products, it’ll be thrown away at the end of the day! He told me that though my intention is in the right place, there is actually an interesting problem behind what I am doing. This is due to the fact that when a 35% off product is sold (which is actually bought in excess, if you think about it), it is still registered as sold. This means that in the next order, Albert Heijn will purchase the product again in a quantity that in reality was too much to sell. This is where the ‘Trolley problem 2.0’ comes in. Let me dissect the problem at hand and illustrate how Al-

bert Heijn is creating a moral dilemma. The trolley problem is a famous ethics thought experiment that you should definitely read up on if you haven’t already, it’s a very fascinating subject. The experiment, put shortly, is about making the decision to interfere, or not, with a riding trolley. Not interfering means the trolley rides over four people on the track. Pulling the lever - thus interfering causes the trolley to switch track and ride over one person. This multifaceted problem can be explored and redefined infinitely, but its essence will remain the same. Do you take action or do you let reality play out as it would? Now let’s see how this translates to Albert Heijn’s 35% stickers. Allow me to demonstrate: You buy a 35% off chicken breast. Great deal. The chicken breast, which was on its expira-


opinion

tion date, will be registered as sold, and will consequently be bought again next term. There was an overproduction of chicken breast, but your decision to buy it anyway counters the fact that in reality it was in excess. You helped prevent food waste, but supported the overproduction of food. The second option is not to buy the chicken breast. In effect, Albert Heijn throws away the chicken, and is wasting food in a direct manner. The flip side of this ‘directly supporting food waste’ is that Albert Heijn now realizes that they bought too much chicken (as it was thrown away and not sold). Hopefully this will trigger the supermarket chain to purchase less chicken breast in their next order. This is the gist of the problem: by preventing food waste, you inevitably create more food waste, whereas directly supporting food waste potentially leads to less food waste.

Similar to the trolley problem, the question now remains; which one is the more ethical option? Do you keep the food out of the trash in the short term, thereby exercising direct control over food waste? Or do you choose to play the long game and try to demand action from Albert Heijn? You are now in the shopping cart and in the position to choose if you pull the lever or not. And though there is no death involved in this example, the choice between two evils has similarities with the 1967 thought experiment. Whatever you end up choosing, the food industry is still geared towards overproduction and it will take more than students and their 35% stickers to change this. But this might be a step in the right direction. Students are more and more involved in environmental activism, and many of them,

including myself, consider awareness in our consumption of food as one of the tools to take responsibility into our own hands. That is why I think it is important to critically assess our techniques, to put to question the measures we take, as it may just be that even our most well-intended solutions, have a dark side to them. One thing is for sure, any environmental action is good action. Taking action means you are aware of the problem at hand, and being aware is the first step that every person ought to take in order for us to save our planet from this environmental trolley that is on our track.

31


The Bookshelf Of... Nuri Syed Corser In the midst of the mild but sustained panic brought on by attempting to write a Master’s thesis, I sat down with Nuri Syed Corser to talk about some of the books that have shaped how he looks at the topics touched on in this issue of SoMo. Originally from Scotland, Nuri is studying for a Sociology Master’s in Social Problems and Social Policy.

by Ophelia Chatterjee

H

e has been working with a Dutch organisation here in Amsterdam that campaigns on social and environmental justice issues since October last year. Talking about their work, he says that “part of it is trying to put together a coalition to call for more just and radical climate action, but through an intersectional lens. That’s the key thing with their work - their slogan, which I’m not going to attempt to say in Dutch, roughly translates as ‘the ally of the progressive Netherlands.’ So a big aspect of it is building bridging coalitions and seeing environmental issues as sociological ones. ”1. ‘This Changes Everything: Capitalism vs. the Climate’ (2014) by Naomi Klein In her 2014 polemic, Klein ar-

32

gues that the climate crisis cannot be addressed in the current era of neoliberal market fundamentalism, which encourages profligate consumption and has resulted in mega-mergers and trade agreements hostile to the health of the environment. “This is a bit of a modern classic, and it’s probably also the first book on this issue that I read,” Nuri explained, “I think I was already very preoccupied with climate change, but I did find reading it quite terrifying. It makes the case in a really clear way for how urgent the problem is, and the scale of it. It also situates it as very much as being a fault of capitalism, and often of the US. “It makes its case in a very interesting way, and builds up really well. I remember reading more

and more and thinking ‘oh, God, this is terrible, this is fascinating! I never knew this. How do we get out of it?’. It builds up to the final chapter, where the message is that there is hope, and there is an answer to these problems. And then you read that chapter… and it kind of falls flat. Klein talks about how there are pockets of resistance springing up and describes the protests in Greece against the imposition of austerity as well as the protests against the Keystone XL pipeline. I’m really glad that she’s so positive about grassroots activism and direct action, but as much as I support it, I don’t really feel that’s enough of a source of optimism. It just feels like it doesn’t have equal weight to the scale of what’s gone before, but maybe she felt she should end with a call to action.”


2. ‘The Uninhabitable Earth’ (2019) by David Wallace-Wells An unflinching description of the potential consequences of global warming for humanity, the earth and all life it supports, Wallace-Wells’ book was released earlier this year. Nuri says, “I listened to this as an audiobook, which I still maintain is a valid way of consuming books! Wallace-Wells narrates it himself, and he speaks in a very calm way. It’s not at all alarmist or hyperbolic, but still manages to be very affecting. It’s interesting as an antidote to what Naomi Klein argues, because he’s saying that the environmental situation is terrible, but we don’t have time for revolution. Klein is very ‘to the barricades!’, whereas his take on it is: ‘That would be

great. But also, we can’t wait for that.’ “I was listening to it on the bus back to Edinburgh and it opens with a line which goes something like ‘it’s much, much worse than you think.’ And it’s written as a barrage of evidence for all the terrible environmental consequences that we might be heading for. I was sitting on this Megabus at about two in the morning, waiting to go through the Channel Tunnel, and just quietly crying - with the person next to me clearly noticing, but not sure what to say… He also discusses the way that scientific information is very filtered by scientists being hyper-cautious and going with the most modest end of their predictions. And he says, ‘well, that scenario is possible, but also it

could get so much worse in so many ways.’ For example, he talks about all the different ways in which feedback loops are developed, which means that problems could spiral. I think he knows that he’s writing for an audience of people who already care about the issue, but you get a sense of in how many ways climate change is going to affect the world. There are just so many things that you would never think of; for example, he opens with the point that half of the emissions that we have put into

33


the air since the industrial revolution happened in the last 20-30 years. That means that we have done at least as much damage while knowing what we’re doing as we ever did in ignorance, which is quite damning. And how the difference between 1.5 degrees and 2 degrees’ temperature increase, a difference which often gets glossed over, would mean that 150 million more people would die from air pollution alone, which he describes as 25 Holocausts. That really hit home. He also points out that the Hajj to Mecca wouldn’t be possible because it’s in an area of the world that would simply be too hot, and that’s such a big aspect of so many people’s lives. Wallace-Wells ends by saying that we are responsible, and ‘we’ have to act, but doesn’t really give that much of a road map. He talks about how within the ‘we’, not everyone is contributing equally, so he pays lip service to that argument, but also says that ‘we’ is definitely current humanity. And a lot of the damage has been done in the last 30 years, so Wallace-Wells argues that we need to get away from focusing on what happened in the early 1900s. You can take issue with that, but he’s very much about everyone being responsible.” 34

3. ‘Out of the Wreckage’ (2017) by George Monbiot “I like George Monbiot’s journalism and I think the articles he writes for The Guardian about climate change are really insightful, which was partly why I read this book. While I’m not convinced by everything in it, I think it’s a really interesting concept. Monbiot argues for the power of narratives and stories as well as the need to tell a new story about politics and the economy in a way that I think is really interesting. He places himself in dialogue with postwar Keynesianism and neoliberalism, arguing that these are two ideologies that have told compelling stories about the way the world works. These were very simple and digestible, and each was broadly accepted across the political spectrum during their era. “Keynesianism had a great story about how the world was unfair, with a few people hoarding a lot of wealth. So the state came along and redistributed a lot of that wealth, and created the modern welfare state, society flourished, the economy grew stable and everything was good. Neoliberalism has a contrasting follow-on story about how the state was overreaching, and dysfunctional and oppressive,

and was inevitably leading towards Stalinism. So the heroic entrepreneur fought back and now we have more individual freedoms. “Monbiot argues that when neoliberalism stumbled in 2008, there wasn’t a counter-narrative readily prepared - so this book is his attempt to produce that. But he’s very explicit that this is not a blueprint for what the new narrative looks like, it’s more like a first draft that other people can add to, in order to create a new story that we have to tell to change things for the better. “I do think he slightly exaggerates the extent to which Keynesianism and neoliberalism have been universally accepted. I’m sure these ideologies shaped what was being said on all sides of political debate, but I don’t think they were as hegemonic as he presents them - though it’s written very much as a non-academic book, so perhaps that’s why it takes some very liberal measures in simplifying things. It’s really nice to read, and it does feel very much as if it’s telling a story. It’s very humanistic, with a huge amount of optimism about the capacity of human beings to live cooperatively and help each other flourish - although, it’s not always en-


photo: Weera Koopman

tirely clear whether this in itself is a narrative device he’s using, or whether he thinks that this is how things really are.” 4. ‘Prisoners of Geography’ (2015) by Tim Marshall This book was published in 2015, with the subtitle ‘Ten Maps That Tell You Everything You Need to Know About Global Politics’. It looks at the role of physical geography in international politics. “This book is quite different to the others, and I’ve put it in here because it seemed relevant to the idea of the environment affecting social science. It actually makes hilariously little reference to climate change, which feels like a glaring oversight. “The book goes through different regions, with a chapter on each one explaining the political history of the area, and how physical geography has played a role in that. So, for example, there’s a section on Latin America, a section on India and Pakistan, and a section on Germany’s role in Central and Western Europe. The only one that climate change or environmental degradation really figures in is the chapter on the Arctic, which discusses how melting ice might open up new sea passages and how that could affect geopolitics.

“The majority of maps we see don’t show you typography in great detail, and you don’t get a sense of how the physical environment affect politics, but this book does a good job in arguing that it’s all profoundly relevant. It’s very much the antidote to Monbiot’s way of looking at things in that it’s very réal politic, and not very human focused. It’s quite deterministic in some ways, and not very ideological - it doesn’t feel like it has a political axe to grind. I enjoyed it because it covers so many different areas of the world. Also, it was a nice way to explore things I know nothing about, such as Korean politics, with a perspective on global politics that I hadn’t considered before. 5. ‘The Better Angels of Our Nature’ (2011) by Stephen Pinker In this 2011 book, Pinker argues that physical violence in the world has declined both in the long and in the short run. He cites the role of the nation state and increased literacy as possible causes, but notes that our perceptions of rates of violence don’t necessarily track this real-world decline.

interview

“I liked it, because it made a case that was counter to what I thought and made it very convincingly. And it’s a really interesting idea which he looks at from lots of different angles. There is an element of social psychology and lots of history as well as sociological reasoning. “I know that a lot of people don’t like him, and I also really disagree with some of his politics. I know from interviews that he’s very against identity politics and he thinks that we need to stop ‘going on about’ racism, for example, which I find really repugnant. The book is also criticised because it could be interpreted as an endorsement of the current neoliberal order. But I don’t think that is necessarily the only reading you can have. I think you can agree that these things are true, but that doesn’t mean we have to be complacent. We can agree that the world is becoming less physically violent, because that is what a huge amount of evidence that he presents indicates, while also saying that doesn’t mean that we should stop trying to change the world or striving for social justice.”

35


Stream of thoughts of a redeemed pessimist on the usefulness of striking

by Emilia Lixi

D

uring the past few weeks, I have been reflecting, from a cynic standpoint, on the worldwide attention and strikes for climate and environmental issues lately awakened by the young activist Greta Thunberg. Through their posts on their several social media profiles, I’ve been seeing my friends, relatives and acquaintances taking part in the several rallies that occurred anywhere in Europe and beyond since the beginning of 2019. Although obviously appreciating their enthusiasm and participation, I couldn’t help but thinking: ‘Is a strike or a spread of dissatisfaction at all able to affect the polluting industrial processes which are currently employed? How can strikes prevent people in the industrial sector from keeping on exploiting and damaging the environ-

36

ment through highly damaging modes of productions? I mean, obviously they know the impact of what they are doing, why should these strikes cause them to suddenly start favouring the environment over their own economic interests?’ In my reflection, I saw protesters being deprived of any effectual agency. Gradually, however, I have come to a new realisation. I stepped back and moved from this initial pessimist consideration to the final belief that there is a point in striking, a point which goes beyond the sensitisation of individual consciousness towards adopting a more sustainable lifestyle. The belief that through this awakening and spread of environmental awareness, through these strikes, we, common citizens, can reach and substantially act

upon, although indirectly, the real core of the problem: that of industrial production. How? Through politics as well as by ensuring a massive spread of environmental awareness. My whole redemption started from a first consideration, which came to mind while I was writing down my fatalist concerns on the dubious usefulness of these latest events. I realised that those industrial giants indulging in environmentally damaging production practices for the sake of their personal profit and economic interest, are still subordinated to a sovereign political entity: the state. Indeed, they still operate underneath the authority of the latter, which holds the internal sovereignty over the geographical area that falls under its jurisdiction. In other


illustration: Hanna IJsselstein Mulder

37


words, it possesses the supremacy over all citizens, groups and institutions operating under its judicial power. As a consequence, the political entity of the state holds the power to approve policies and laws that the leaders in the industrial sector would be mandatorily subjected to respect. Nevertheless, despite my awareness of the latter point, I remained pessimistic. Yes, I thought, the state represents the actor which hold the power to subvert the current industrial modes in favour of the environment, due to its supremacy. But it must actualize it. Since the rise of neoliberalism in the early ‘80s, the industrial sector has been running almost boundless, favoured by a climate of deregulation endorsed by the state. More importantly, a capitalistic system is in operation which only complies with the logic of growth and profit, with little regard for its social and environmental 38

downsides, resulting in peaking socio-economic inequalities and environmental pollution. This becomes evident when confronted with the fact that 100 industrial companies alone can be held accountable for the 71% of carbon emissions globally registered since 1988. For this to change, it is necessary that the state stops favouring a neoliberal climate of laissez-faire and undertake a policy of strict regulation and supervision on and over the field of industrial production. But what is the state? I was struck by another consideration, which forced me to recognize that protesters are not deprived of any agency at all, but actually have the power to play a main role in the dismissal of this neoliberals attitude in addition to the current modes of industrial production. Indeed, I realised that, within our western representative democracies, the state is nothing

more than a political entity composed of a range of bureaucratic institutions, ruled by the government, whose members are selected to hold temporary offices through democratic elections, hence, through our vote as citizens. Our agency lays in our right to vote, as we are conferred the right to invest candidates with an office, therefore with the effective power to impose a limit to these industrial companies. Additionally, protesters play another important role, which intersect with the latter: spreading awareness. Thanks to these strikes, the related media attention and social media spread of content regarding these issues grows. Therefore, the awareness around these hot topics grows as well, and people will be more likely to vote for candidates who promise to address these topics. The latters could finally enhance law drafts which could actively act upon the current state and modes of mass industrial pro-


opinion

duction. We might be unable to act upon the problem directly, but we must keep in mind that we have the power and moral obligation to elect those who will. To summarise, these strikes and the current atmosphere of social unrest hold such potential: they awake an urge in citizens’ mind and divert the collective attention towards these issues, which is increasingly the case. As a result, they can redirect the popular vote towards the appointment of politicians and spoke-persons invested in the struggle, who, through their office, would have the power to approve and impose new policies and mandatory regulations to which industrial companies and mass corporations would be inescapably subjected to, leading to an extirpation of the neoliberal policies that allowed the industrial sector to run freely until the current state of environmental deterioration.

Last but not least, let’s not forget that our generation is going to replace the one against which we are striking right now. To make sure that the changes will last and be effective, we must educate ourselves and those who will come after us to the respect of the environment. We have to sensitize the individual hence collective consciousness to these topics by, as is happening right now, organizing strikes and devolving much attention, both in real life and social media, to the wide range of climate and environmental issues that the previous generations have set in motion. Only this way we will find ourselves in a tomorrow in which those who’ll be in charge and occupy the industrial leaders’ seats are sensitized and socialized to these ideals from a young age. Only this way we can ensure that, in the following generations, environmental awareness will be an inscribed value in individual, hence, collective con-

sciousness. A future in which it won’t represent something ‘leftie’ anymore, but a universally shared, taught and learnt value, dominant in both the collective consciousness and public discourse of our society. Eventually, at the end of my reflection I was left with a renewed perspective. Being that through these strikes we have the potential to spread the environmental awareness, to redirect the popular attention and vote towards the appointment of spokespersons and politicians who are truly invested in the issue, and who will have the power, through their new offices, to firmly impose a limit on the current highly polluting states and modes of mass Industrial production. Now I can see that there is enormous potential in the current atmosphere of social unrest that the young activist has sparked off. But only if we, students, will support Greta in her call to collective action.

39


Laat vleesconsumptie geen individuele keuze blijven Hoewel het klimaatakkoord op allerlei manieren duurzaam gedrag oplegt aan de burger, wordt vlees eten nog altijd gezien als een persoonlijke keuze. Terwijl niet alleen de consument, maar vooral de producent flink moet inbinden, betoogt journalist Esha Guy in een stuk dat eerder in tijdschrift OneWorld verscheen.

door Esha Guy

N

iet burgers zijn hoofdzakelijk verantwoordelijk voor klimaatverandering, maar grote bedrijven en industrieën. Het Nederlandse bedrijfsleven neemt 78 procent van onze nationale uitstoot voor zijn rekening, tegenover slechts 22 procent voor huishoudens. Toch is het een wijdverspreid idee dat ieder individu de verantwoordelijkheid heeft om minder te douchen of weinig plastic te gebruiken. Natuurlijk zijn er ook tegengeluiden: campagnes van organisaties als Milieudefensie en Natuur & Milieu richten zich voornamelijk op de industrie en nationaal of Europees beleid. Maar rond ons dieet is deze individualistische kijk nog altijd overheersend. Doordat we onze eetgewoontes als iets persoonlijks zien en vervuiling als iets

40

uit de Rotterdamse haven, blijft de veeteelt veelal buiten schot in de klimaatdiscussie. Baas in eigen maag Als het op ons dieet aankomt, houden marketingstrategieën van aanbieders maar ook activisten vast aan deze individualistische denkwijze. Denk aan de Week Zonder Vlees, of het Beter Levenkeurmerk, die beiden het gedrag van de consument proberen te beïnvloeden. De milieubewuste consument is het doel en uitgangspunt geworden. Dit is ergens wel begrijpelijk: het idee dat de overheid bepaalt wat we wel en niet mogen eten, is voor veel mensen moeilijk verteerbaar. Ook dierenrechtenorganisaties zoals BiteBack richten zich voornamelijk op het overtuigen van consumenten. Simone (achternaam bekend bij de re-

dactie) is al jaren actief binnen dierenrechten- en milieuactivisme, en doet regelmatig mee aan demonstraties en acties van Animal Rights, BiteBack, Fossielvrij en Code Rood. Ook haar valt op dat veganisten liever voor een individuele aanpak kiezen: “Veganisme heeft deze manier van actievoeren nodig. Het gaat om verandering van levensstijl.” De overheid zou te veel weerstand oproepen als ze collectieve dieetaanpassingen door zou voeren. Toch blijkt deze strategie op korte termijn niet effectief. Volgens het Voedingscentrum eet de gemiddelde Nederlander meer vlees dan gezond is, waardoor de kans op diabetes, kanker en hart- en vaatziektes hoog is. De afgelopen jaren daalt dit gemiddelde te langzaam om van grote veranderingen te spreken. Dit komt ook doordat onze


vleesindustrie ongezond veel produceert, en het de verantwoordelijkheid van de individuele burger is om regelmatig een stukje vlees af te slaan. Door vast te houden aan de individuele keuze, lukt het niet een gezond en duurzaam dieet te stimuleren en vol te houden. Daarom vindt milieuactivist Jaap Söntjens dat we de focus moeten verleggen van de consument naar de producent: hij pleit voor een volledige uitstap uit de vleesindustrie. “Volgens het kabinet moet de burger in de supermarkt de morele keuze maken tussen vlees of geen vlees. Waarom? Als de wetenschap ons duidelijk maakt dat we niet langer aan de vleesindustrie kunnen vasthouden, is het niet gek om vleesconsumptie te verbieden.” Hij doet al jaren mee met acties in binnen- en buitenland, en hij heeft

een gratis supermarkt opgezet om voedselverspilling tegen te gaan. Wolf in schaapskleren Omdat er te veel vlees geproduceerd wordt eten we ongezond veel vlees. Naast ongezond is de veeteelt ook ontzettend vervuilend. Wereldwijd was de industrie in 2005 verantwoordelijk voor 14,5 procent van de totale vervuiling door broeikasgassen. Ter vergelijking: 21 procent van de totale Nederlandse uitstoot komt van transport, en ongeveer 63 procent is afkomstig van de industrie en energiesector. Een van de verklaringen voor het hoge aandeel van de veeteelt is de methaanuitstoot van koeien. Methaan is 25 keer zo vervuilend als CO2, het belangrijkste broeikasgas uit de energiesector. Volgens het CBS

stootte Nederland in 2015 in totaal 195 megaton CO2eq uit. Om dit op te vangen zouden we tienmiljard bomen nodig hebben. Van deze uitstoot namen koeien in hun eentje al 4,3 procent voor hun rekening. Daar komt de mestvervuiling, het energieverbruik door koeienboerderijen, en alle andere veeteelt in Nederland nog bij. Het is overigens lastig om de werkelijke voetafdruk van de Nederlandse veeteelt in kaart te brengen. Het CBS kijkt bijvoorbeeld niet naar de impact die onze veeteelt heeft in andere landen, terwijl die erg hoog is. Met behulp van de Nederlandse overheid verdrijft Brazilië de bewoners van de Amazone en verwoest ze grote delen van het regenwoud om het veevoer voor onze dieren te telen. Bij het transport van dit voer komt ook nog eens veel CO2 vrij die

41


illustratie: Laurie Zantinge

42


guest contribution

het CBS niet meetelt. In werkelijkheid is onze vlees- en zuivelindustrie dus nog veel vervuilender dan we denken. Kortom, onze veeteeltindustrie is vervuilend, ongezond, onnodig groot, én wreed. Voeg daaraan toe dat het nagenoeg onmogelijk is om onder de afgesproken 2 graden opwarming van de aarde te blijven zonder ons dieet aan te passen en je hebt het perfecte recept voor een gefaseerde indamming van de vlees- en zuivelindustrie. Net zoals de overheid de energiesector stapsgewijs moet dwingen minder te vervuilen, moet zij de Nederlandse veestapel terugdringen om uitstoot en dierenleed te beperken. En om dit te bereiken moeten we af van het neoliberale idee dat de consument zélf moet beslissen geen dierlijke producten meer te kopen. Klimaatakkoord “Wereldwijd wordt 83 procent van alle landbouwgrond gebruikt voor de productie van vlees- en melkproducten – die maar 18 procent van alle calorieën leveren. Een totale uitstap uit deze industrie zou een reductie van 75 procent van

alle benodigde landbouwgrond betekenen.” Milieuactivist Söntjens ziet een vleesuitstap als de makkelijkste en goedkoopste manier om onze uitstoot te verminderen. Hoe is het dan mogelijk dat er in het klimaatakkoord niets staat over het terugdringen van de veestapel? Aan de sectortafel ‘Landbouw en landgebruik’ van het klimaatakkoord zaten vooral landbouw- en veeteeltorganisaties, vakbonden, overheidsinstanties, en enkele milieuorganisaties. Joris Thijssen van Greenpeace was betrokken bij de onderhandelingen van het klimaatakkoord. Volgens hem zijn de partijen zich bewust van het onvermijdbare terugdringen van de veestapel, maar durven ze de koe nog niet bij de hoorns te vatten. Het hoofdstuk ‘Landbouw en landgebruik’ in het voorstel voor de hoofdlijnen van het klimaatakkoord komt direct tot de kern: “‘It is not easy, being green’ was een verzuchting van Kermit de Kikker, een fictief personage uit een bekende televisieserie. En dat is misschien de pessimistische weergave van dit voorstel van

de sectortafel Landbouw en Landgebruik.” Even verderop noemen de partijen hun ‘ambitie’: de veeteelt wil 1,1 megaton CO2eq besparen in 2030. Dit staat gelijk aan de uitstoot van de kolencentrale in de Eemshaven van vijf weken. Om deze reductie te bereiken is ieder idee welkom: duurzame mestopslag, energiebesparing, voer dat gasvorming bij koeien vermindert, opwekken van hernieuwbare energie. Geen woord over het in zijn geheel terugdringen van de Nederlandse veestapel. En dat terwijl de methaanemissies van koeien ongeveer even vervuilend zijn als de Eemshavencentrale. Het is alsof de Landbouwtafel van het klimaatakkoord een voetbalstrategie uitstippelt waarbij het Nederlands elftal moet winnen zonder ooit voorbij de middellijn te mogen. Dit is dan ook een van de redenen waarom Greenpeace in december afstand nam van het klimaatakkoord, legt Thijssen uit. Het akkoord erkent tussen neus en lippen door dat we minder vlees moeten eten. Maar voor deze verandering in ons eetpatroon rekenen de partijen volledig op de bewustwording

43


van de consument: die moet ‘consuminderen’, minder voedsel verspillen en meer fruit eten. Weer die individuele verantwoordelijk, zo kenmerkend voor het neoliberalisme. Waarom niet minder produceren? Volgens Bart van Opzeeland van Milieudefensie, die deelnam aan de klimaatakkoord-onderhandelingen, was deze optie helaas bij voorbaat uitgesloten. “In het regeerakkoord was al afgesproken dat de veestapel niet krimpt. Dit was waarschijnlijk een eis van het CDA, die bekendstaat als de boerenpartij. Het is wel ter tafel gekomen tijdens de gesprekken, en we hoopten dat het toch in het uiteindelijke klimaatakkoord zou komen, maar er viel helaas niet veel meer aan te doen.” Zo is het inderdaad moeilijk om groen te zijn. 44

Klimaatrechtvaardigheid Het zijn overigens juist de boeren die het onderspit delven in dit systeem. Veel boerenbedrijven staan onder grote druk door de combinatie van duurzaamheidswensen vanuit stedelijke gebieden en de invloed daarvan op marktwerking. Als de veestapel gaat krimpen, zullen kleine boerenbedrijven veel eerder geraakt worden dan de bio-industrie. Zij kunnen immers niet concurreren met de prijzen van de bio-industrie, omdat die amper omkijkt naar het welzijn van zijn vee. Het aantal boerenbedrijven krimpt al jaren, terwijl de resterende boerderijen alsmaar groter worden. Rabobank, die 80 procent van de veeteelt financiert, toont volgens Thijssen te weinig initiatief om duurzame projecten te ondersteunen.

“Iedereen zit gevangen in een neerwaartse spiraal. De boeren hebben het al moeilijk door onze wetgeving, en door toenemende droogte zal het alleen maar zwaarder voor ze worden. Ze zitten vast in een kapot systeem dat ze niet willen aanpassen uit angst voor faillissement. Tegelijkertijd wil Rabobank alleen projecten ondersteunen die veilig en op korte termijn winstgevend zijn. Hierdoor kunnen boeren nauwelijks investeren in duurzame alternatieven. Ons economische systeem faalt. We hebben geen handjevol technologische aanpassingen nodig, maar een nieuw systeem.”


Ken je werkgroepdocent In de rubriek ‘Ken je werkgroepdocent’ proberen we zij die onze werkgroepen verzorgen iets beter te leren kennen. Ditmaal spreek ik Adriaan Rottenberg (1986), die ik tijdens de werkgroepen van Sociologie van Beleid leerde kennen als een bevlogen man. Het type docent dat tijdens de les het hele lokaal doorkruist – je kent het wel.

door Jorit Verkerk

O

m maar themagerelateerd van start te gaan, Adriaan: zie je het feit dat ‘klimaat’ zo beperkt aan bot komt in het curriculum van Sociologie als een tekortkoming van de opleiding? “Het zou een tekortkoming zijn als studenten niet de vrijheid kregen om er alsnog actief mee bezig te zijn. Mijn advies voor studenten is altijd: wees de regisseur van je eigen opleiding. Als je van tevoren weet dat je klimaat een belangrijk thema vindt, dan kun je dat als het goed is op meerdere manieren kwijt. Dan hoef je er niet eens per se verplicht teksten over te lezen, maar kun je er wel voor kiezen om er over te schrijven. Wees niet passief naar wat de oplei-

ding aanbiedt, maar benut de vrijheden die je hebt.” Hoe ga je zelf met het klimaat om? “Om eerlijk te zijn: het onderwerp beangstigt me. Zoals ieder jaar verzorgde ik vorige zomer vier weken lang de UvA summer school over stedelijke vraagstukken voor studenten uit Hongkong. Van begin tot eind was het minimaal 25 graden, zonder ook maar één druppel regen. Aan het einde van die periode begon het gewoon te stinken buiten – de stad moest gereinigd worden. Toen ervoer ik voor het eerst concreet dat er iets niet klopte, wat het behoorlijk griezelig maakte.

Waar ik me wel aan stoor, is dat het klimaatprobleem constant wordt afgewenteld op het individu. Mensen voelen zich nu bijvoorbeeld heel goed als ze biologisch eten kopen, terwijl dat niet eens per se beter is. Dat terzijde: je moet het maar kunnen betalen. Er worden nu subsidies verstrekt om de consumptie van duurzame producten – denk aan de Tesla – te stimuleren. Die subsidies belanden dus bij mensen die Tesla’s überhaupt kunnen betalen, terwijl dat vaak juist de mensen zijn die bovengemiddeld vervuilen. De klimaatcrisis is een collectief probleem. Als je daar dan in wilt investeren, moet je ervoor zorgen dat iedereen er in gelijke mate van profiteert, in plaats van dat je het nu neer-

45


46


legt bij consumptie. Dat zorgt alleen maar voor nog ongelijkere verhoudingen.” Consumentisme is sowieso wat ons naar de rand van de afgrond gebracht heeft. Dus om het daar nu mee proberen op te lossen... “Dat is nogal wrang, ja.” Het impliceert dat we de schade aan het beperken zijn. Tesla’s gaan de aarde namelijk ook niet redden – hoe duurzaam ze ook zijn. “Juist. Wat ik trouwens ook grappig vind, is dat er plotseling een nationaal klimaatakkoord moest komen. Ik heb me erover ingelezen, en het percentage dat je als land kunt verbeteren voor het klimaat is zó klein. Dat geld kun je dan toch beter inzetten voor het lobbyen van een internationaal klimaatakkoord?” Je klinkt een beetje als Baudet. [lacht] “Dat is niet mijn favoriete politicus, maar hij weet soms wel slim zwaktes bloot te leggen. Ik snap het wel: er zijn ook andere urgente kwes-

ties. Er is maar een beperkte som geld.” Lijkt op een gevangenendilemma. “Het is vooral een internationaal collectieve actie-probleem. Als een deel er niet aan mee doet, waarom zou jij er dan wel aan meedoen? Dus zo’n nationaal klimaatakkoord... Een expert ben ik niet, maar ik denk dat er betere manieren zijn om dit probleem aan te pakken. Dit voelt een beetje makkelijk.” Je bent zelf vader van twee, bijna drie, kinderen. In wat voor wereld denk je dat zij op zullen groeien? “Ik denk vooral in een wereld waar het probleem zichtbaarder is. Het zal nog warmer worden, bijvoorbeeld. Verder denk ik niet dat er zo veel veranderd zal zijn – ook wat beleid betreft. Ik denk dat het over 20 á 30 jaar nog steeds aan urgentie ontbreekt om alles om te gooien. Want dat is nodig: de hele economie, hoe die in de geschiedenis ontwikkeld is, moet opnieuw worden ingericht. Dan moet de nood

zó hoog zijn. Iedereen moet het er dan echt over eens zijn. In de eerste plaats denk ik dat dat nog heel lang duurt, en ten tweede vraag ik me af of we daar überhaupt ook gaan komen. Ik ben realistisch, misschien pessimistisch.” We gaan ons schip op de klippen varen. “Ja. En dan kijken of we nog genoeg besef hebben en de tijd hebben om er echt wat aan te doen. We hebben zo’n groot probleem nog nooit gehad, dus ervaring hebben we niet. Dat vind ik geen goed teken.”

Toen hij was afgestudeerd, begon Adriaan les te geven bij Antropologie en later Sociologie. “Lesgeven was het enige wat ik kon bedenken, maar het beviel goed. Ik mocht hoorcolleges geven en zelfs een vak vormgeven. Best pittig, ook.” Omdat juniordocenten na drie jaar moeten kiezen tussen de wetenschap en al het andere, koos hij

47


ervoor zich actief te gaan oriënteren: wat was er eigenlijk allemaal mogelijk? “Ik was op zoek naar een organisatie waar ik wel wetenschappelijk na moest denken, maar waar ik ook met praktijk en beleid verbonden zou zijn.” Het werd – jawel – de politie.

De politie! Wat doe je daar precies? “Ik werk voor een onderzoeksinstituut genaamd Politie en Wetenschap. Binnen dat instituut heb ik met mijn team een eigen onderzoekscall, waarmee we extern onderzoek financieren. Onderzoekers vanuit wetenschaps- en onderzoeksbureaus kunnen bij ons voorstellen indienen om onderzoek te doen naar het functioneren van de politie in de brede zin. Nu wordt er bijvoorbeeld geëxperimenteerd met body cams, wat eind dit jaar tot de standaarduit48

rusting van de agent zal behoren. Dat komt mede doordat wij een onderzoek naar de werking daarvan hebben gefinancierd.” Veel Nederlanders van kleur missen vertrouwen in de politie, vanwege de structurele criminalisering van hun voorkomen. Kun jij mij - als insider - enkele redenen geven waarom de politie dat vertrouwen terugverdient? “Hoewel de cijfers uit door ons gefinancierd onderzoek een genuanceerd beeld laten zien, blijkt wel dat etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn in politiecontroles. Dat is een pijnlijk gegeven met pijnlijke gevolgen, waar we nooit onze ogen voor moeten sluiten. Het erkennen ervan is een belangrijke stap om vervolgens het handelen hierop aan te passen. Op basis van de conclusie uit dit onderzoek startte een brede maatschappelijke discussie over etnisch profileren die aan de basis

heeft gestaan van de huidige herziene politieaanpak van dit onwenselijke fenomeen. Zo is er een handelingskader proactief controleren opgesteld. Uiteraard hopen we hiermee het vertrouwen en de gelijke behandeling een impuls te geven.”

Is de body cam een mogelijke oplossing voor dit probleem? “Ik hoop van wel. De body cam stelt ons in staat te beter te controleren wat er wel en niet goed gaat. Aan de andere kant laat het ook duidelijker zien hoe complex situaties vaak zijn. Want wanneer profileer je op basis van welke grond? Als een witte agent in een niet-witte buurt een melding natrekt, zit-ie in een complexe situatie. Dat is vaak het geval, omdat er verhoudingsgewijs minder agenten van kleur zijn. Daar wordt overigens wel aan gewerkt. Niet alleen om het etnisch diverser


interview

te maken, maar ook om meer hoogopgeleiden binnen te halen. Dat proces heeft echter wel tijd nodig. Er werken 60.000 mensen bij de politie, dus het personeelsbestand verander je niet zomaar.” Ik wilde het ook nog even hebben over neoliberalisme op de UvA; een onderwerp dat in onze werkgroep veelvuldig ter sprake kwam. Merkt u - als docent die al wel een tijdje op de UvA rondloopt - daar wat van? “Als juniordocent zag ik al dat de werkdruk ontzettend hoog is bij docenten. Wat me opvalt, als ik kijk naar de docenten zelf, is dat er weinig tegen geprotesteerd wordt. Logisch ook: daar hebben ze de tijd niet voor. Wat ik niet goed geregeld vind, is de manier waarop we met de enorme groei van het aantal studenten omgaan. Die groei is een gegeven, die hebben we toegelaten. Maar waarom willen we eigenlijk zoveel hoogopge-

leiden? Ik vraag me af wat het gevolg van dat hoge percentage hoogopgeleiden is. Is daar wel werk voor? En vooral: hoe ervaren afgestudeerde hoogopgeleiden die niet aan werk op niveau komen de desillusie? Dat soort vragen wordt te weinig gesteld. Het heeft namelijk ook invloed op de werkdruk van docenten: als er meer studenten per docent komen, wordt die werkdruk hoger.” Want er komen op nettobasis geen nieuwe docenten bij. “Er komt sowieso niet meer geld per student bij in het onderwijs. Dat is enorm problematisch op zich. Het hoge aantal studenten wordt bestempeld als onderdeel van het emancipatieproces, maar daar geld voor uittrekken? Ho maar. De extra lasten komen op de schouders van docenten terecht. Steeds sterker ontstaat er een haastcultuur. Voor dialoog is nu nauwelijks tijd,

omdat docenten ook nog eens deel uitmaken van een internationaal systeem waarin publiceren het hoogste goed is. Dat moet anders kunnen. Er zijn namelijk verschillende vormen van sociologie. Je kan ook zeggen: ik publiceer minder, en ik ga intensiever studenten begeleiden. De meeste studenten blijven toch niet in de wetenschap hangen, dus kunnen we ze net zo goed beter voorbereid de arbeidsmarkt op sturen.” Wat denk je dat schaalvergroting betekent voor de toekomst van de sociologie? “Het gevaar schuilt dat de andere vormen van sociologie, naast de academische, nog minder uitgeoefend worden. Nu al zijn er relatief weinig sociologen betrokken in het maatschappelijk debat, zoals Schinkel dat doet. Dat vind ik zonde: het zijn zulke slimme, originele denkers die wat kunnen toevoegen in het publiek debat. Als deze trend wordt

49


doorgezet, ben ik ook bang dat het erg lastig wordt om het academische klimaat van dialoog tussen student en docent en van openlijke discussie overeind te houden, zonder dat docenten daar 70 uur per week voor moeten werken. Wat ik daar wel bij moet zeggen, is dat er ook wel heel veel toegewijde wetenschappers zijn die helemaal niet malen om het vele werken. Het is gewoon hun passie. Je moet mensen dus niet tegen gaan houden, maar het moet ook niet het uitgangspunt zijn. 40 uur zou voldoende moeten zijn.” Op de valreep: wat is je favoriete socioloog? “Robert Ezra Park, van de eerste generatie Chicago 50

School sociologen. ‘Ga eropuit!’ is zijn slogan. Ga kijken wat je allemaal ziet! In de clubs, wijken; overal waar je komt. Maak contact met mensen. Spiegel je sociologische kennis aan wat je in de praktijk ziet, en pas de theorie daar op aan. Dit uitgangspunt vind ik prachtig. Kijk om je heen! Dat maakt de studie veel leuker. Relevanter, ook. En bovendien: zo ontwikkel je een kijk op de wereld die je nooit meer kwijt zal raken. Daar word je niet altijd vrolijker van, maar aan het eind van de dag is dat het toch waard. Als we er dan toch allemaal aan gaan, wil ik op z’n minst begrijpen waardoor en hoe.”

En hoe ga jij eropuit deze zomer? Met het vliegtuig, toevallig? “In de zomer zit ik met een pasgeboren kind, dus blijf ik lekker thuis. In de herfst trouwens wel. Maar dan zeg ik: investeer in treinen! Nu is de trein duurder dan het vliegtuig. Waarom maken we het vliegtuig niet duurder en gebruiken we die extra belastinggelden niet om de trein goedkoper, sneller en comfortabeler te maken? Natuurlijk neem je het vliegtuig als dat goedkoper en sneller is. Het is bullshit om het individu daar verantwoordelijk voor te stellen. De oplossing schuilt in beleid.”


colophon Chief editors Jorit Verkerk & Weera Koopman Final editors Jorit Verkerk / Wart Mangnus Weera Koopman Editors Emilia Lixi / Iris Rosendaal Jorit Verkerk / Lily Plass Ophelia Chatterjee / Sabrine Mdaghri Timmin Vooijs

Illustrators Ashley Igwe / Elliyah Dyson Hanna IJsselstein Mulder / Justin Nuij Laurie Zantinge / Weera Koopman Cover Justin Nuij Design Bart van den Krommenacker

Guest contributions Esha Guy / prof. dr. Willem Schinkel

We are always looking for editors who are just as passionate about the SoMo as we are. Do you want to write? Then please send us your ideas to sociologischmokum@gmail.com!

51


52

Profile for Sociologisch Mokum

SOMO 2018-2019 nr. 4 - Climate Justice  

Editors-in-chief: Jorit Verkerk and Weera Koopman

SOMO 2018-2019 nr. 4 - Climate Justice  

Editors-in-chief: Jorit Verkerk and Weera Koopman

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded