Issuu on Google+

sociologisch mokum / jaargang 2011-2012 / nr. 4

THEMA

Authenticiteit: de culturele obsessie met echtheid INTERVIEW

Dick Houtman COLUMN

Krokodillen in de Apple store


24

40

Sociologisch Mokum verschijnt vijfmaal per jaar. Het tijdschrift wordt verzorgd door studenten van de opleiding sociologie aan de Universiteit van Amsterdam samen met bijdragen van medewerkers van deze opleiding en gastredacteuren. Wilt u het Sociologisch Mokum thuis ontvangen? Dit kan, en wel gratis. Voor meer informatie kunt u een e-mail sturen naar de redactie. Adres Oudezijds Achterburgwal 185 1012 DK Amsterdam sociologischmokum-fmg@uva.nl Kijk ook eens op de website: www.sociologischmokum.nl

2

Hoofdredactie Steffan Konings

31

Chef redactie Lisa Bontenbal

Beeldredactie Eva van Barneveld / Kay Lindhout / Misha Melita / Noémi van de Pol / Elise van der Sluys / Elske Verdoorn / Shiva Shazad

Eindredactie Aafke Brinkhuijsen / Poul Holleman

Cover Elske Verdoorn

Redactie Yalda Bashtbavi / Broos Besseling / Aafke Brinkhuijsen / Poul Holleman / Bram van der Kroon / Misha Melita / Hélène Tuinman / Laura Weijers / Stefan van der Veen / Harm Wilzing / Froukje van der Woude

Vormgeving Andrea Vendrik Bijdragen van Giselinde Kuijpers / Josip Kesic / Tine Molendijk / Clemens de Olde / Shiva Shazad


In deze

28

08

42 Thema: Authenticiteit, de culturele obsessie met echtheid 04 06 08

Column GISELINDE KUIJPERS Een korte verkenning HARM WILZING Interview: socioloog Dick Houtman

06 38 De dynamiek van ideeĂŤn YALDA BASHTBAVI

40 Eeuwige schoonheid? SHIVA SHAZAD 42 Bizar bazaar HELENE TUINMAN 45 Krokodillen in de apple store BART VAN HERIKHUIZEN

LISA BONTENBAL & MISHA MELITA

14 17

Geweldpleging: een spel of levendig echt? TINE MOLENDIJK Een beter milieu begint bij... AAFKE BRINKHUIJSEN

18

Authenticiteit: gemaakt of gemaakt? JOSIP KESIC

22

Heropvoed de nouveau riche FROUKJE VAN DER WOUDE

24 28 31

Amsterdam in beeld De Quarterlife Crisis POUL HOLLEMAN Echte wetenschap CLEMENS DE OLDE

En verder... 10 Drugs van de Petteflet BROOS BESSELING

26 Wetenschap en de media BRAM VAN DER KROON

34 Waar verliezen wij de vrouwen? LAURA WEIJERS

43 Recensie STEFAN VAN DER VEEN 44 In de praktijk REDACTIE 45 Sociologische agenda MISHA MELITA

3


Redactioneel STEFFAN KONINGS

Zoals toeristen zich hier vergapen aan wassen beelden of rode lichten en om de een of andere reden één voor één met een unieke ‘Amsterdammuts’ in een bijzonder grote klomp op de dam gaan zitten, zo trekken ook wij (die deze toeristen elke ochtend naarstig proberen aan te fietsen) er collectief op uit om van culturen in andere delen van de wereld te proeven, snuiven of zelfs snuffelen. Boekjes van reisorganisaties, alles wat op internet te vinden is en (doorslaggevend) ervaringen van bekenden doen ons besluiten welke plekken van de wereld het ontdekken waard zijn. Net als de groepen Aziaten die rondjes om het Waterlooplein lopen, verkennen we niet alleen, maar in groepsverband. Hoezeer we ook proberen om andere toeristen en vooral landgenoten te vermijden, op bijna elke plek die we bezoeken treffen we medereizigers aan die precies hetzelfde idee blijken te hebben opgevat. Onze massale toeristische trekvluchten doen op hun beurt weer iets met de plek van bestemming. Eenmaal tot trekpleister gebombardeerd verandert een omgeving: meer en meer wordt deze ingericht naar de hand van haar bezoekers. Begin dit jaar reisde ik af naar Zuid-Ethiopië waar ik, los van alle bijzondere indrukken die me in positieve zin zullen bijblijven, ook inzicht kreeg in wat toerisme kan aanrichten. Onderdeel van het program was een meerdaags bezoek aan de stammen van de Omo vallei

om zo in contact te komen met de oorspronkelijke bewoners van het land en hun gewoonten. Het werd een soort van safari maar dan met mensen: goed oppassen bij het uittreden van de jeep, niet alleen voor de hongerige primitievelingen die constant op de loer liggen, maar ook voor de andere wereldreizigers, met name Italianen op leeftijd, die zich in groten getale uit de overige terreinwagens proberen te wurmen. De bewoners en hun dorpen blijken de afgelopen decennia in toenemende mate als attractie te zijn gaan gelden. De van oorsprong authentieke stammen leven nu van het toerisme, hun gebruiken zijn hun handelswaar geworden. Alles voor de show, want hoe groter de attractie hoe meer inkomsten. De toeristen maken foto’s en delen geld en schriften en pennen uit. Voor het maken van foto’s is zelfs overal een vast tarief afgesproken van vijf birr per persoon per foto, wat een Amerikaan die nietsvermoedend een groepsfoto maakte nog de nodige problemen bezorgde. Een dergelijk tafereel herhaalde zich bij elke van oorsprong zo verschillende stam de we bezochten. Ik vond het zo vervelend ironisch om te zien hoe wij er, door te zoeken naar een authentieke beleving, aan bijdroegen dat deze culturen en mensen zoveel minder echt hun eigen leven leiden. Dat iets oorspronkelijks nu zo overduidelijk nep was geworden. Gelukkig was de rest van het land wel ongelooflijk mooi en bovendien bijzonder echt. Verschillende reisboeken, het internet en ik kunnen het je absoluut aanraden. In deze SoMo een verkenning van het begrip authenticiteit in een poging om de culturele obsessie met echtheid te duiden. Niet alleen op reis, maar ook in de wetenschap, de politiek en onszelf.

A

rmoede is echter dan rijkdom. Oud is echter dan nieuw. Natuur is echter dan cultuur. Traditie is echter dan moderniteit. Chaos is echter dan orde. Treinen zijn echter dan vliegtuigen. Tempels zijn echter dan woonhuizen. Het platteland is echter dan de stad. Emoties zijn echter dan beheersing – behalve als het om oosterlingen gaat, want beheersing is oosters, en dus echt. Oost is sowieso echter dan West. Wat in de Lonely Planet staat is nooit helemaal echt. ‘Where the locals go’ – het toppunt van echt. McDonald’s – het tegenovergestelde van echt. Net terug van bijna een maand Azië, ben ik doordrongen van de binaire logica die het leven van de moderne toerist – pardon, reiziger – structureert. Nog meer dan het dagelijks leven, waarin praktische zaken als geld verdienen, eten koken, forensen, huishouden doen en de agenda bepalen, draait vakantie – zoals alle vrijetijdsbestedingen – om de authentieke ervaring. Ondanks vele jaren sociologische demystificatie bleek ook ik in de ban van de authenticiteitcultus. Daar stond ik, met de andere toeristen, maar natuurlijk in een outfit die van veel meer culturele sensitiviteit getuigde, vriendelijk bedankend in best overtuigend Maleis (al zeg ik het zelf ), ook foto’s te maken van het wasgoed in het pittoresk afgebladderde, traditionele dorpje tussen de


GISELINDE KUIPERS

Een vergiftigde appel BEELD: EVA VAN BARNEVELD

sahwahs. Helemaal echt. Vooral als je het Colablikje op de veranda niet mee fotografeert. Of toch maar wel, vanwege de ironische noot? Dat voortdurende zoeken naar authenticiteit is niet zonder meer goed voor het reisplezier. Vind je die tempel mooi? Maar die is pas twintig jaar oud, herbouwd na een brand/aardbeving/ revolutie, helemaal niet echt. Vind je dit eten lekker? Alles is hier aangepast voor toeristen, de locals eten het veel scherper. Alsof je eigen oordelen en ervaringen de hele tijd examen moeten doen bij de expert van Tussen kunst en kitsch. Een rare paradox: de obsessie met authenticiteit leidt er juist toe dat je de echtheid van je eigen oordelen steeds in twijfel trekt. Ook de werkelijkheid zelf laat zich soms weinig gelegen liggen aan de hoge eisen van het authenticiteitideaal. Een keer was ik duidelijk ‘where the locals go’: in een casino in Macao. Nog nooit zoveel Chinezen zo uitgelaten en gelukkig gezien. Er werd zwaar gegokt, dus best edgy. Geen blanke of rugzak in zicht. Authentiek, zou je zeggen. Maar: in een nagebouwd Venetië, binnen en op de derde verdieping, compleet met gondels, Canal Grande, San Marcoplein en operazangeres. De authenticiteitssensor ging harder te keer dan ooit – helemaal fout. Wat had ik dan gewild? Een ondergrondse kelder, denk ik, halfdonker en

rokerig. In een hoek ligt iemand met een rieten hoed opium te roken. Een Chinees met tatoeages werpt een dobbelsteen met mysterieuze tekens erop. Dat had ik vast echter gevonden, al heb ik dit ‘echte’ beeld uit Kuifje, of een Amerikaanse zwart-witfilm. Maar het gaat me hier niet om de vraag of de authenticiteit die ik zocht wel of niet ‘echt’ was. Soms wel, soms niet. Vaak – zoals bij het Macaose nepVenetië – is het eigenlijk niet te zeggen. Voor onze beoordeling van echtheid zijn we aangewezen op dubieuze bronnen. Stereotypen uit de populaire cultuur. Vaag omlijnde voorstellingen uit schoolboekjes. De Lonely Planet. Het authenticiteitsideaal is als de vergiftige appel uit het sprookje: een glanzende, verlokkelijke belofte vol venijn. Het leidt tot wantrouwen: het lijkt wel mooi, bijzonder, spannend, lekker, maar is het wel echt? De constante twijfel vervreemdt je van je eigen ervaringen. Authenticiteit betekent per definitie onvervuld verlangen: het allerechtste is altijd net buiten bereik. Vroeger, voor de toeristen kwamen, was Bali nog mooier. Het echte China bestaat niet meer. Het lekkerste seafood hebben ze op het eiland waar nooit een boot heengaat. De echte Javaanse dans vind je alleen bij bruiloften op het platteland. Het kale feit van je aanwezigheid, als toerist – om maar te zwijgen van al die andere

toeristen – besmet de echtheid. In plaats van bij te dragen aan het reisplezier, leidt het zoeken naar echtheid tot knagend onbehagen. Is dit het echt? Of is ergens iets nog echters? Klopt het wel, dat ik hier plezier aan beleef ? Is mijn ervaring wel echt? Ben ik wel echt? De authenticiteitscultus zien we niet alleen terug in de vakantiecultuur. Onze hele samenleving is ervan doordrongen. In de combinatie van onbehagen, vervreemding en onvervuld verlangen, herkennen we de wortels in de Romantiek – de negentiende-eeuwse tegenbeweging van de Verlichting. De Romantici – vooral Duitse dichters, denkers en kunstenaars – zochten het echte in het verre verleden, aan de andere kant van de wereld, op een eenzame bergtop, in onmogelijke liefdes. Vervulling bleef steeds net buiten bereik. De onvertaalbare Duitse term hiervoor is Sehnsucht: de ‘Krankheit des schmerzlichen Verlangens’. Via allerlei omwegen heeft deze ‘ziekte van het pijnlijke verlangen’ zich genesteld in onze hedendaagse vrijetijdscultuur. Vervuld van verlangen naar echtheid stappen jaarlijks miljoenen mensen op het vliegtuig. Maar in hun rugzakken en rolkoffers torsen al deze toeristen – pardon, reizigers – een batterij negentiende-eeuwse Duitse romantici mee. Je kan je opgewekter reisgezelschap voorstellen.

5


Een korte verkenning Authenticiteit wordt te pas en te onpas gebruikt door van allerlei mensen. Broodjes kroket, nieuwbouwbuurten en Emile Roemer, alles en iedereen wordt tegenwoordig getypeerd als authentiek. Maar hebben we het wel over hetzelfde wanneer we dat ene woord in de mond nemen? Voor dit inleidende artikel werd een korte verkenningsexpeditie uitgevoerd naar de betekenissen die verschillende mensen geven aan het begrip authenticiteit. Wat zegt Henk ervan? Wat zei Rousseau? En hoe staan sociologen hier tegenover? DOOR: HARM WILZING / BEELD: MISHA MELITA

‘Henk, wat is authenticiteit?’ Van achter mijn bureau in het sociaal pension Zuiderburg, waar ik als nachtportier werk, kijk ik Henk ondervragend aan. Laatstgenoemde is een 65-jarige bewoner van het pension. Het type dat van mopperen een vrijetijdsbesteding heeft gemaakt, maar tegelijkertijd beretevreden is met alles en iedereen waarop hij moppert. Af en toe komt hij op mijn kantoortje langs om een babbeltje te maken over transistorradio’s of stereo installaties. Dit keer babbelde hij over transistorradio’s. Wat dat precies zijn

6

wist ik na alle verhalen nog steeds niet en ik besloot dat de tijd rijp was voor een verfrissend onderwerp. Authenticiteit dus. ‘Wat is watte?’ ‘Authenticiteit, wat is dat Henk? Wanneer is iets of iemand authentiek?’ Stilte. ‘Ome Joop is authentiek.’ Ome Joop is met zijn 85 jaar de oudste bewoner van pension Zuiderburgh en tevens de grootste Casanova van het huis. Henk denkt vervolgens nog eens diep na - een

actie die hij kracht bijzet door woest aan zijn wilde zeemansbaard te plukken - en vervolgt dan: ‘maar eten kan ook authentiek zijn. Aardappelen met vlees en groente bijvoorbeeld, dat is authentiek Hollands. Of stamppot’. Ik knik begrijpend en doe ook een suggestie: ‘of pasta, dat is dan authentiek Italiaans’. ‘Nee, pasta is niet te vreten. We zijn hier niet in Italië.’ De boodschap is tot nu toe duidelijk. Een persoon is authentiek wanneer die oud is en op Ome Joop lijkt. Het begrip kan echter ook op eten slaan, maar weer niet op pasta want dat is niet te vreten. Mijn gevoel zegt me dat authenticiteit voor andere mensen niet dezelfde betekenis heeft als voor Henk. De expeditie wordt vervolgd. ‘Authenticiteit is hip’, hoorde ik een studente van de kunstacademie zeggen. Dat lijkt me een juiste waarneming. Een paradoxale stelling wel; het traditionele, ontendentieuze en kernachtige wordt aangekleed in het tijdelijke, onvoorspelbare karakter van de modegril. Een vriendin van me legt uit dat authenticiteit bij


haar een warm gevoel opwekt, dat het ‘puurheid’ impliceert. Onder het oppervlak van deze uitspraak ligt verborgen dat authenticiteit - het proces van rationalisering ten spijt - een snaar raakt op het emotionele vlak. Deze waarneming komt overeen met de visie van een oude meester in de wijsbegeerte. De filosoof JeanJacques Rousseau, een van de grondleggers van de Romantiek, betwijfelde de intrinsieke waarde van cultuur, wetenschap en de toenemende complexiteit. Hij verafschuwde de op hol geslagen distinctiedrang van zijn tijdgenoten en kwam daarom met een alternatief: het ideaal van de authenticiteit, een terugkeer naar de natuur. De focus op de rede zou het contact met ons gevoel vertroebelen. Rousseau tikte Descartes op de vingers: niet ‘ik denk, dus ik ben’, maar ‘ik voel, dus ik ben’. Hippies grepen enkele decennia geleden Rousseau’s verheerlijking van de rurale simpelheid aan om zich massaal terug te trekken in boerderijtjes op het platteland. Over het algemeen haastten zij zich overigens na een paar jaar blootsvoetse kampvuurdansen op een verlaten akkertje

in Oost-Drenthe doodverveeld terug naar de stad. Wat zullen die boeren gedacht hebben? De keuze van de hippies is voor veel mensen een te rigoureuze keuze. Huis en haard verlaten voor het ideaal van authenticiteit is voor menigeen een groot offer. Gelukkig leven we in een kapitalistische samenleving, dus money will buy. Kunnen we de behoefte aan authenticiteit niet verweven met onze eigen levensstijl? Dan kopen we het gewoon. De markt vindt het prima. Als de klant een gevoel wil kopen, dan wordt dat gevoel - gebakken lucht of niet - op de markt gebracht. Vandaar dat de nieuwe vleesjus van Knorr zo lekker is, dat komt door haar onlangs toegevoegde authentieke smaak. En godzijdank is er sinds 2008 de Marqt, waar we ‘echt eten’ kunnen kopen. Nike lijkt het trucje al langer in de vingers te hebben. Haar reclamespotjes doen al enige tijd beroep op een oerdrift: rennen. We deden het altijd al wegens uiteenlopende redenen. Nu eens jaagden wij op een gazelle of een zwijn, dan weer waren wij op de vlucht voor een leeuw, een

beer of een Duitser. Deze tijden lijken voorbij, maar we rennen nog steeds. Dit keer om de economie draaiende te houden. Want we geven wel toe aan die authentieke oerdrift, maar dan wel in de meest belachelijke strakke pakjes van dat ene sportmerk. Misschien had mijn huisgenootje wel gelijk toen zij mij op het hart drukte dat ‘dat gelul over authenticiteit zwaar overrated was’. Overgewaardeerd dus, dat hele verhaal over oorspronkelijkheid. In hoeverre zijn we dan eigenlijk in staat om ‘echt’ te zijn? Erving Goffman legde ons uit hoe we met zijn allen aan impression management doen en de ander dan ook continue inspecteren op zijn of haar echtheid. Een echtheid waarvan hij het bestaan betwijfelt. Mensen zijn niet meer dan een aaneenschakeling van verschillende rollen, bezitten slechts een verscheidenheid aan maskers. Voor elk podium een andere show, voor elk scenario een andere presentatie van de zelf. Waar Rousseau beweerde dat we voor een authentieke levenshouding naar een gevoel diep binnenin ons moesten luisteren, beweren sociologen als Goffman en Collins dat onze karakters juist gevormd worden in het samenleven met de ander. Wanneer onze authenticiteit niet is te vinden in een mysterieuze, innerlijke bron, hoe kan men dan een authentiek persoon zijn? Misschien dat Nietzsche ons hier uit de brand kan helpen. Hij bekijkt authenticiteit vanuit een ‘cultuurlijk’, constructivistisch perspectief. Het komt niet voort uit een bestaande eigen natuur, maar dient te worden geschept. We moeten onszelf niet zozeer kennen, we moeten vooral onszelf worden. Hoe dit scheppingsproces precies in haar werk gaat? Tsja, misschien dat je daarvoor nog het best een afspraak kunt maken met Ome Joop.

reflectie 7


“POLITICI SPELEN STEEDS VAKER DAT ZE GEEN POLITICI ZIJN” 8


Het verlangen naar echtheid De afgelopen jaren lijkt er een authenticiteitsrage te zijn opgekomen. Hoe authentieker hoe beter; mensen moet echt en zichzelf zijn en producten puur en eerlijk. Zelfs de politiek moet tegenwoordig authentiek zijn. Maar wat heeft dit voor gevolgen voor het politieke landschap? En waar komt deze hang naar authenticiteit vandaan? Rotterdams cultuursocioloog Dick Houtman sprak in 2008 zijn oratie ‘Op jacht naar de echte werkelijkheid’ uit en houdt zich in toenamende mate bezig het sociologisch gezien ondergeschoven kindje “authenticiteit”. We bespraken met hem de hedendaagse authentieke politiek. DOOR: LISA BONTENBAL & MISHA MELITA / BEELD: MISHA MELITA

Wat is uw fascinatie met authenticiteit? Ik realiseer me steeds meer dat authenticiteit in feite het grote sociologische thema is, althans voor mijzelf. Daar is sociologisch gezien helemaal niet zo veel mee gedaan, wat heel raar is eigenlijk. Wanneer je terug kijkt naar de klassieke sociologen, zoals Marx, Weber of Durkheim, dan komt het er eigenlijk op neer dat modernisering ertoe leidt dat de werkelijkheid waarin mensen leven steeds minder echt wordt. Of je dit nu anomie noemt, zoals Durkheim, of vervreemding, zoals Marx. Het komt er op neer dat de werkelijkheid niet zo ‘natuurlijk’ aanvoelt als zij zou moeten aanvoelen. Dat is het culturele onbehagen waar alle klassieke sociologen over schrijven. Weber doet dit, uiteraard, heel geavanceerd. Hij beschrijft enerzijds de onttovering van de wereld, waardoor de dingen niets meer betekenen – vergelijkbaar met Durkheims anomie – en anderzijds de moderne vervreemding, bij hem gegeneraliseerd van fabriek naar bureaucratie: das stahlhartes Gehäuse, de staalharde kooi. Wat verstaat u in deze context onder authenticiteit? Het verlangen naar echtheid, naar een werkelijkheid die wel echt is. De sociologische traditie gaat er eigenlijk over dat de werkelijkheid in afnemende mate wordt ervaren als echt. Je verwacht dan ook dat het verlangen naar authenticiteit het sterkst is in perioden van diepgeworteld cultureel onbehagen. Historisch kun je dat ook aanwijzen, de romantiek is natuurlijk een reactie op de moderne systemen. En romantiek is ook een verlangen naar een werkelijkheid die wel echt is, van oudsher te vinden in de natuur, zoals met Rousseau’s ‘nobele wilde’.1 Beschavingen die nog niet aangetast zijn door het monster van de moderniteit…

U schrijft over authenticiteit in de hedendaagse politiek, hoe komt dat daar tot uiting? Cultureel onbehagen kan eigenlijk nergens anders toe leiden dan dat er een soort nieuwe verhalen worden uitgevonden om het leven weer plezierig te maken, van nieuwe zin en betekenis te voorzien. In de politiek zijn dat twee dingen. Het eerste is persoonlijke authenticiteit die belangrijk is geworden. Politici moeten laten zien dat ze meer zijn dan een soort kleurloze rolbekleders. Ze moeten hun privépersoon laten zien zodat mensen denken: “goh dat is toch best een aardige vent of leuke meid en niet zo’n saaie grijze gehaktbal”. Politici nemen hiermee afstand van het politieke systeem: ze zijn geen politici, maar gewoon leuke jongens of meiden waarmee je kunt praten of barbecuën. Het tweede waar authenticiteit belangrijk is geworden in de politiek, is de nadruk op het belang van de ervaringen van de gewone man of vrouw, de alledaagse problemen en de alledaagse onvrede van gewone mensen. Die worden in toenemende mate gezien als echter dan de problemen die de politiek zelfstandig genereert. Ik zeg niet dat dat zo is, maar dat is hoe er tegenaan gekeken wordt. Bezuinigingen en dergelijke zijn niet de echte problemen, de echte problemen zijn de problemen van de mensen in de samenleving. Dat is ook hoe politici er meer en meer over praten. “Dat gezeur over cijfers vind ik niet interessant”, hoor je politici nu gewoon af en toe zeggen, wat natuurlijk tamelijk bizar is. Tien, twintig jaar geleden zeiden politici dat niet. Waar is dat dan begonnen? Met Fortuyn. Voor 2002 hoorde je nooit iemand praten over de “Haagse kaasstolp”, dat is

1 De belichaming van authentieke, ongerepte menselijkheid, bevindt zich in een natuurlijke staat van geluk (bron: kennislink.nl)

9


“De echte problemen zijn de problemen van de ‘mensen in de samenleving’”

eigenlijk toen begonnen. En dat doen politici nu ook. Eigenlijk zeggen ze dan “sorry, dat ik ook onder die kaasstolp zit want eigenlijk gaat het natuurlijk niet om het Haagse gedoe, het gaat om de mensen in de samenleving”. Wat welbeschouwd een rare manier van praten is. Alsof de “Haagse kaasstolp” geen deel uit maakt van de samenleving. Dat is tamelijk bizar. Ik vind het heel grappig dat politici steeds vaker spelen dat ze eigenlijk geen politici zijn. En dat dat in toenemende mate de rol van de succesvolle politicus is. Is dat een soort overlevingsmechanisme? Ja, het lijkt op de reclame, daar probeert men ook om een product vast te plakken aan een boodschap die goed resoneert met het dominante culturele klimaat. En als iedereen zwelgt in de roep om authenticiteit, dan is dat de sticker die je erop moet plakken. Dit is heel duidelijk terug te zien in de huidige consumptiemaatschappij. Alles moet daar ineens worden voorgesteld als ambachtelijk en duurzaam. Je ziet dat bedrijven er zich van bewust zijn dat ze consumenten serieus moeten nemen en moeten oppassen met dingen waar consumenten niet blij van worden. Ik zeg niet dat het kapitalisme hierdoor als vanzelf een humaner gezicht zal krijgen, maar het is wel interessant. Zeker in het licht van het klassieke marxisme, waar de transformatie van het kapitalisme altijd van de productiekant komt, van de arbeiders. Nu lijkt het ineens vanuit de consument te komen. Zijn consumenten en kiezers met elkaar te vergelijken? Je moet de klant tevreden stellen, en burgers zijn in zekere zin ook klanten. Het belangrijkste verschil is dat je in de reclame ook een duidelijke ironie over authenticiteit ziet. Aan de ene kant trekt men alle authenticiteitsregisters open, maar tegelijkertijd geeft men niet zelden de duidelijke boodschap af dat reclame wel het allerlaatste is dat je moet geloven. Dat laatste zie je politici niet doen. Het is toch ontzettend interessant dat politici, die het politieke systeem belichamen, steeds meer afstand nemen van wat inmiddels “de Haagse kaasstolp” is gaan heten? Dat is toch raar? Dat is in mijn ogen bijna hetzelfde als dat je hoogleraar bent en de hele dag roept: “De wetenschap? Opheffen die kolere-zooi! Wat moet je

10

ermee?!” Ik vraag me af, wat doe je er dan? Waarom ga je dan niet iets anders doen? Personalisering en nadruk op authenticiteit worden vaak gezien als eigenschappen van populistische partijen, maar beperkt zich dit alleen tot deze partijen? Nee daar doen alle partijen wel aan mee inmiddels. Dat is duidelijk. Politici zijn opportunistisch, ze vragen zich af wat ze moeten doen om veel zetels te krijgen. Ik vind dat altijd redelijk bizar. Het lijkt me een veel logischer model dat je als politicus iets vindt en zegt: “als jullie het met me eens zijn dan stemmen jullie op me. Als niemand het met me eens is, dan kap ik er mee en ga ik iets anders doen”. Wat in plaats daarvan gebeurt, is dat politici de oren laten hangen naar de intuïties van “de mensen in de oude wijken”, de mensen die nog gewoon in de “echte” werkelijkheid staan en die daarom nog gewoon weten wat er moet gebeuren. “We motten ze gewoon door de knieën schieten”, dat soort praat. “Ik woon hier al 25 jaar en ik kan u vertellen dat…”. Politici nemen dat in toenemende mate serieus. En werkt het voor iedereen, de man van het volk zijn en gewoon jezelf blijven? Sommige politici zijn daar beter in dan anderen. Als Jan Peter Balkenende populair gaat doen is dat tenenkrommend. In zijn formule 1-wagen denk je “stel je niet zo aan, ga aan je werk”. Maar bij anderen denk je, nou leuk. Bovendien zijn er redenen om aan te nemen dat sommige groepen kiezers het graag zien, terwijl anderen het verschrikkelijk vvinden en denken: “hier stem ik nooit meer op”. Kun je dit zien als een politieke strategie of is het zo geïnternaliseerd dat politici zelf het idee hebben dat het zo hoort? Ik denk in toenemende mate het laatste. Dat het steeds meer onbewust verloopt, dat zijn gewoon de nieuwe regels van het spel die politici zich eigen hebben gemaakt. Terwijl van Wilders altijd gezegd wordt dat hij het zo slim speelt, en strategisch handelt… Ja Wilders is…


De koning toch eigenlijk wat dit betreft? Nou, weet ik niet, is dat zo? Bij Wilders zie je natuurlijk wel heel sterk die anti-systeemretoriek. Een belangrijk deel van personalisering is dat mensen laten zien wie ze als persoon zijn. Wilders zit in de positie dat hij dat niet kan doen. Als hij in het café een biertje gaat drinken wordt hij waarschijnlijk neergeschoten. Hij zit in feite opgesloten, dus als er één ding is dat hij in die positie niet gemakkelijk kan doen, dan is dat “gewoon zichzelf zijn” – of althans, die indruk proberen te wekken. Maar hij spreekt wel erg de ‘gewone’ man aan. Het is een klacht over het systeem. Gewone mensen, die niet serieus worden genomen door het systeem. Dit lijkt natuurlijk erg op wat er in de jaren’60 gebeurde. Je kunt over de jaren’60 verder zeggen wat je wilt maar als je in één woord moet samenvatten wat toen het probleem was, was dat het “Systeem”. Daar moest je niets mee te maken hebben, als je daardoor opgegeten werd, als je daardoor ingekapseld raakte, dan werd je zoals alle anderen. Een slaaf van het systeem, een radertje in de machine. Dat lijkt verdacht veel op wat Wilders en consorten nu zeggen. Het is ook heel interessant om te zien hoe een vanouds links tolerantie-argument door de populisten is opgepakt en wordt gebruikt als een uitsluitingsmechanisme: “die moslims moeten gewoon van onze vrijheid van meningsuiting afblijven en van de rechten van onze vrouwen en onze homo’s”. Het is een soort intolerantie die verpakt wordt in een retoriek van tolerantie. Die retoriek van tolerantie is ook zo overgenomen uit de jaren’60, een periode van democratisering, ontkerkelijking en vrouwenemancipatie. Nu worden die idealen gebruikt om bevolkingsgroepen uit te sluiten. Er is dan ook veel meer overlap tussen de tegencultuur van de jaren’60 en de hedendaagse tegencultuur dan velen onderkennen.

Als deze trend doorzet, wat blijft er dan nog over van de politiek? Ja dat weet ik niet, maar ik denk dat de ontwikkelingen in feite nog veel verder reiken dan alleen maar het populisme. De politiek zakt steeds verder weg uit het politieke systeem. Bijna alles is inmiddels politiek geworden. Het is heel interessant om te zien hoe bijvoorbeeld consumptie een politieke daad is geworden. Als je bij Albert Heijn boodschappen aan het doen bent, moet je om de haverklap morele keuzes maken. Tussen die kip van 25 euro voor een kilo waarbij die beesten dan vertroeteld zijn hun hele leven, of omgekeerd 25 kilo kip voor een euro waarbij je er niet aan mag denken hoe die kip behandeld is. Je ziet dat de politiek verbreed wordt naar domeinen die van oudsher tegenover politiek worden gedacht. Consumptie had nooit veel met politiek te maken. Hierdoor moeten bedrijven consumenten steeds serieuzer nemen. En wat consumenten willen is in toenemende mate wel duidelijk. Als het even kan willen consumenten authentiek, lief voor dieren en lief voor mensen aan de andere kant van de wereld. Of politiek consumptie is geworden vind ik niet zo interessant, maar dat consumptie politiek wordt is een stuk interessanter, en dat zie je nu gebeuren.

Maar deze tegencultuur lijkt zich niet te vertalen in afgenomen verwachtingen… Dat is ook zo, daar heb ik me altijd over verbaasd. Er zijn hele volksstammen in de sociale wetenschappen die het ene boek na het andere volschrijven over dat we niet meer geloven in de maakbare samenleving. Hoe kom je erbij? We hebben nooit meer geloofd in de maakbare samenleving dan nu. Als er in Volendam een café uitbrandt of in Enschede een vuurwerkfabriek ontploft, dan zitten we bij wijze van spreken met een parlementaire enquête over welke ambtenaar heeft verzuimd om de vergunningen te controleren. Ik bedoel, alles wat fout gaat is de schuld van de overheid inmiddels. Maar dat roepen politici ook over zichzelf af. Politici beloven wel van alles, maar dat kunnen ze uiteindelijk toch niet waarmaken.

11


Drugs van de Petteflet DOOR: BROOS BESSELING / BEELD: KAY LINDHOUT

E

en aantal maanden geleden stond ik op het punt de supermarkt in mijn oude woonplaats binnen te stappen toen twee meisjes mij aanhielden, met de vraag of ik ‘alstublieft’ een fles drank voor hen zou willen kopen. Mijn gedachten vlogen op dat moment alle kanten op. Toen ik zelf nog niet oud genoeg was om aan alcoholische drank te komen vond ik het maar wat aardig als een ouder persoon bereid was een drankje voor me te halen. Maar dat was dan op een feestje. Wat doe je als je vlak voor de supermarkt zo’n vraag op je afgevuurd krijgt? Dat is toch weer van een heel andere orde. Je voelt je een beetje een moralistische opa als je het niet doet, maar ik wil het ook niet op mijn geweten hebben dat die pubers straks ergens in een parkje meer kapot maken dan hen lief is... Deze ervaring brengt me bij de vraag waarom bepaald middelengebruik als problematisch wordt ervaren in onze samenleving. Niet in elke tijd en op elke plaats wordt het gebruik van hetzelfde middel namelijk als even problematisch gezien. Dat een roes of ‘emancipatie van de menselijke ervaring’ zoals William James het noemt ordeverstorend kan zijn is duidelijk, maar ligt de oorzaak daarvan geheel in de drug zelf ? Of spelen omgevingsfactoren een belangrijkere rol dan we op het eerste gezicht zouden denken? De leeftijd van deze dames speelde natuurlijk een grote rol in mijn gedachten; ik schatte beide dertien, hooguit veertien. Dertien jaar! Ik bedoel, dan ben je brugpieper! Je wordt nog net niet meer voorgelezen uit Annie M.G. Schmidt.

12

Annie M.G. Schmidt, u bent allen vast en zeker bekend met haar en haar beroemde kinderboeken. Heeft u ooit geweten dat roesmiddelengebruik een centrale plaats inneemt in ‘Pluk van de Petteflet’? De vrije jaren ’60 waarin druggebruik een centrale positie innam lijken een belangrijke inspiratiebron geweest voor dat boek dat in 1971 werd uitbracht. Het overkoepelende thema in het boek over Pluk van de Petteflet is de strijd tegen de voortgaande bebouwing en technologie die de natuur en de dieren verdrukt. Pluk is de held van het verhaal die met zijn rode kraanwagentje de dieren en de natuur probeert te beschermen. De Torteltuin, een verwilderd stuk natuur in een dichtbij de Petteflet gelegen park, zal moeten verdwijnen en daar zullen tegels en ijzeren hekken voor in de plaats komen. Om de Torteltuin te redden gaat Pluk op zoek naar de Kluizelaar, die hem daar wellicht bij kan helpen. Als Pluk de Kluizelaar eindelijk gevonden heeft, legt die hem uit dat Pluk te vroeg is gekomen. De Hasselbramen die Pluk zouden kunnen helpen in de strijd om de Torteltuin zijn nog niet rijp. Als Pluk verdrietig aan zijn terugreis begint geeft de Kluizelaar hem een enorme bloempot met een klein miezerig plantje erin, die moet hij planten ‘daar waar ze langs komen’. Terug bij de Petteflet besluiten meneer Pen (de


winkelier van het boekwinkeltje) en Pluk dat ze het plantje toch maar in de grond zullen zetten op een plek waar de werkmannen morgen als de verbouwing van de Torteltuin begint, langs zullen komen. Een gieter water eroverheen en afwachten maar. Als de werkmannen de volgende morgen in hun bulldozers langs het plantje rijden houden ze halt. Er staat niet langer een miezerig plantje, maar een enorme struik vol rijpe Hasselbramen. De werkmannen doen zich tegoed aan de bramen en beginnen langzamerhand jolig te worden. Dan beginnen ze te spelen. Ze bouwen een glijbaan en doen tikkertje, maar lijken niet van plan om nog aan het werk te gaan. Opgelucht over het feit dat de Torteltuin is gered, eten Pluk en meneer Pen ook wat Hasselbramen, waarna ze vrolijk meespelen met de werkmannen. Dat was in 1971. De Torteltuin werd gered door het roesmiddelengebruik van de werkmannen. Waar zijn de Hasselbramen gebleven? Nu er zo enorm bezuinigd wordt op het hoger onderwijs, zouden we ze goed kunnen gebruiken. Een mooie struik Hasselbramen op het binnenhof in Den Haag: het kabinet zou weer gaan studeren en de bezuinigingsplannen zouden blijven liggen. Waar zijn ze te koop? Dit onschuldige stukje fruit zou ons een hoop ellende kunnen besparen. Maar kent het gebruik van Hasselbramen dan geen risico’s? En waarom lijkt de Hasselbraam zo onschuldig? Toen ik vroeger voorgelezen werd uit Pluk van de Petteflet dacht ik geen moment na over de Hasselbramen als roesmiddel. Nu wel. Het lijkt zo onschuldig, dat zoiets natuurlijks als een braam je in een roes kan brengen. Maar ook wiet is een natuurlijk middel. Hoe kan het dan dat het gebruik daarvan vaak toch wel degelijk als een probleem wordt gezien? Wellicht speelt hier mee dat wiet steeds meer bewerkt is door telers, zodat het

grotere hoeveelheden THC bevat en bacteriën of schimmels geen kans krijgen. Misschien kan dat voor een deel verklaren waarom cannabisgebruik onder jongeren tegenwoordig veel meer als een probleem wordt gezien dan vroeger, de cannabis heeft zijn onschuld verloren. Maar dan leggen we de nadruk op de farmacologische eigenschappen van de ‘drug’. De ‘setting’ waarin het gebruik plaatsvindt moet niet uit het oog worden verloren, stelt Zinberg in zijn fameuze studie ‘drug, set and setting’, eveneens uit 1971. Zinberg stelt zelfs dat de setting (de fysieke, sociale en culturele omgevingsfactoren) vaak van doorslaggevende betekenis is voor de beleving van een bepaald middel. Naast ‘drug’ en ‘setting’ onderscheidt Zinberg ‘set’ die verwijst naar de persoonlijkheidsstructuur en kenmerken van de gebruiker. De beleving van een bepaald middel wordt bepaald door de drug, de set en de setting. De gedachte dat een bepaalde drug voor alle gebruikers dezelfde uitwerking heeft werd met dit model op losse schroeven gezet. Het gebruik van roesmiddelen onder jongeren wordt vaak als een probleem gezien omdat het schadelijke effecten zou hebben, bijvoorbeeld voor de hersenen. Hoe zit het met de schadelijke effecten van Hasselbramen? Daar kom je als lezer niets over te weten. Juist daarom laten de Hasselbramen in het verhaal van Annie M.G. Schmidt mij persoonlijk anders nadenken over het gebruik van roesmiddelen. Omdat het een zelfbedacht middel betreft dat een belangrijke rol speelt in nota bene een kinderboek, ben je niet snel geneigd om dit als drug te zien. Het lijkt zo onschuldig. Geen van de gebruikers heeft een ‘bad trip’, geen van de gebruikers wordt agressief en geen van de gebruikers vertoont symptomen van verslaving. De Hasselbraam lijkt alleen maar positieve effecten te hebben. In de context van het verhaal is het gebruik van Hasselbramen iets positiefs. Het spelen (kind zijn) komt in de volwassenen naar boven, daarnaast worden ze ontzettend vrolijk en bovendien wordt door het gebruik van de Hasselbramen de Torteltuin gered. Verzin eens een verhaal waarin het gebruik van Hasselbramen tot maatschappelijke wanorde leidt. Dan lijken de Hasselbramen plotseling

reflectie 13


niet meer zo onschuldig, terwijl de farmacologische eigenschappen van de braam in beide verhalen hetzelfde kunnen zijn. De context is kortom van doorslaggevende betekenis in het beeld dat van een bepaald roesmiddel ontstaat. In het politieke en publieke debat zou veel meer aandacht moeten zijn voor die context. Hoe wordt een middel gebruikt? Door wie wordt het gebruikt? Bij welke gelegenheden wordt het gebruikt? Hoe reageren mensen erop? Antwoorden op deze vragen zijn noodzakelijk voor een genuanceerd beeld over drugsgebruik. Daarnaast zou er binnen het drugsbeleid meer ruimte moeten zijn voor wetenschappelijke bevindingen. Als we Egbert Tellegen moeten geloven wordt er namelijk vanuit gezaghebbende organisaties op het gebied van internationaal drugsbeleid nog wel eens gegoocheld met cijfers. Zo werden de cijfers over problematisch druggebruik van Nederland, België en Luxemburg in 2000 samengevoegd onder het kopje ‘Benelux’, om zo te verdoezelen dat Nederland relatief weinig problematisch druggebruik kende. De ASN bank heeft als slogan: ‘Geld wordt pas fout of goed door wat je er samen mee doet’. De moraal van mijn verhaal ligt in het verlengde hiervan: het gebruik van roesmiddelen krijgt pas betekenis in een bepaalde context. Het heeft weinig zin om op voorhand het middelengebruik al af te doen als iets negatiefs. Dat brengt ons niet verder in het nadenken over roesmiddelen, laat staan dat het bijdraagt aan de beperking van de schade die het gebruik van roesmiddelen tot gevolg kan hebben. Toen ik daar voor die supermarkt stond met die twee jongedames voor mijn neus was het de context of setting die de doorslag gaf. Twee jonge meisjes die een fles drank soldaat willen maken op klaarlichte dag ergens op een bankje in een park leek me toch geen goed idee. En met het verhaal van Annie M.G. Schmidt in mijn achterhoofd zei ik tegen de meiden: “Nee sorry, maar in het park staat een prachtige struik vol Hasselbramen, genoeg voor een week pret” en liep vervolgens de supermarkt in.

14

Geweldpleging: een spel of levendig echt? Militairen zouden de situaties waarin ze terecht komen eerder ervaren als een spel dan als de werkelijkheid. Ontmenselijking en distantiëring van de vijand zouden vereiste mechanismen zijn voor soldaten om daadwerkelijk tot geweld over te kunnen gaan. Hoe ervaren de militairen dit zelf?

DOOR: TINE MOLENDIJK

Call of Duty in Afghanistan

Op een zomerse dag, ongeveer halverwege mijn onderzoek onder Nederlandse gevechtsmilitairen, hef ik met de zoveelste soldaat een halve liter en steek ik de zoveelste peuk op. Mijn eerste vraag betreft standaard de motivatie van mijn gesprekspartner voor indiensttreding. Ik krijg een antwoord waar ik inmiddels bekende patronen in herken. Sam: ‘Als kind wou je X-man zijn of zo. Ík wou in ieder geval X-man zijn, haha. Maar ieder jongetje vindt dat stoer, je weet wel, Rambo kijken, en Red Alert [computerspel] spelen… Dat is eigenlijk gewoon het leger (lacht), actieheldje spelen voor jongetjes die eigenlijk te oud zijn ervoor!’ Later in het interview spreken Sam en ik over zijn uitzending naar Afghanistan. Hij lijkt zich totaal niet bewust te zijn van de gelijkenissen tussen zijn gevechtservaringen en zijn jeugdherinneringen. ‘Op een gegeven moment begonnen ze vanuit de bergen te schieten. Je ziet helemaal niks hè, geeneens stipjes of zo, gewoon alleen waar het vuur vandaan komt. Ja, als je dan eindelijk mag, dat is echt vet. Dat is alsof je jarenlang traint voor een voetbalwedstrijd of zo, en je mag eindelijk spelen.’ Ik antwoord: ‘behalve dan dat “schieten” voor voetballers wel iets anders is.’ Sam lacht: ‘ja, ’t is wat dodelijker bij ons.’ Hij vervolgt op serieuze toon. ‘Maar daar sta je dan helemaal niet bij stil. Ik bedoel, je weet wel dat je dood kan gaan, maar je


zit er helemaal in. Alsof je Call of Duty aan het spelen bent, maar dan echt. Ja, het klinkt heel raar, maar tijdens een TIC [Troops in Contact – vuurgevecht]… je ziet de Taliban ook gewoon niet als mensen, maar meer als poppetjes, zeg maar. Ik bedoel, je kán ze ook niet als mensen zien. Het is gewoon als een spel.’ Wederzijdse distantiëring

Militairen produceren, bewust en onbewust, ideeën die hen in staat stellen geweld te plegen en zelfs te doden. Dit is er één van. Veel van de jongens die ik heb gesproken hebben wel eens een vuurgevecht met sport of een spel vergeleken. Het is een zeer effectief distantiëringmechanisme: álles is ‘onecht’ in een spel. Door levensgevaarlijke situaties zo te ervaren kunnen militairen hun eigen angst van zich af zetten, evenals iedere vorm van mededogen met hun doelwit. Dit wil zeggen: ze zien niet alleen hun slachtoffer als een action figure, ook zijzelf zijn niet meer dan een ‘poppetje’. Door deze wederzijdse distantiëring en dehumanisering kunnen ze de meest intense emoties levendig voelen en tegelijkertijd ook dempen. Dit, zonder dat ook maar een fractie van hun alertheid er voor hoeft in te boeten. (Er is uiteraard een hoop dat wel ten koste gaat van spelletjes spelen met de dood. Dat militairen zich met het uitschakelen van menselijkheid en echtheid op een zeer gladde weg richting oorlogsmisdaden begeven, hoef ik natuurlijk niet uit te spellen.

Etnocentrisme ten opzichte van geweld

De mens moet een fysieke en/of emotionele afstand creëren om in staat te zijn geweld te plegen. Oftewel, we kunnen pas doden als we zowel de daad als het doelwit niet als ‘echt’ beschouwen. Dit idee is inmiddels algemeen aanvaard in de sociale wetenschappen. Als we van alle vijandbeelden uit de wereldgeschiedenis immers de dunne laagjes van details verwijderen, blijft eenzelfde stereotype over. De vijand is bijna altijd laf, onbetrouwbaar en dom, net als de ratten en insecten waar de vijand haast even vaak mee vergeleken wordt. Het is pas sinds kort dat een handvol sociologen en antropologen begint te beseffen dat onderzoekers naar geweld wellicht soms te veel een etnocentrische bril hebben opgehad. Ongehinderd door enige ervaring met gevaar en geweld vinden wij het volstrekt logisch dat geweld in principe problematisch en potentieel traumatisch is. Hoewel theorieën over de noodzaak van distantiëring zeker kloppen, is de relatie tussen mens en geweld echter complexer dan dat. Of eigenlijk: soms is de relatie veel eenvoudiger. Mosef vertelde me eens het volgende. ‘Weet je, vroeger gingen we elkaar met een zwaard te lijf. De mens is ook gewoon maar een dier, zeg maar. Je moet jezelf ook als dier zien. Zo zag ik het ten minste… Zelfs als ik zelf zou worden geraakt, had ik ook zoiets van “ja, jammer”, weet je.’

15


“Geweldpleging kan als heel authentiek ervaren worden, zonder dat het problemen oplevert voor de dader”

Mosef dehumaniseert zowel zijn vijand als zichzelf, is het eerste wat ik dacht. In eerste instantie lijkt deze vergelijking met dieren de ultieme vorm van distantiëring. Pas later besefte ik: is het niet veel logischer om te zeggen dat Mosef hier juist het tegendeel van distantiëring beschrijft? Hij bekritiseert de stelling dat de mensheid in beginsel incapabel is te doden en daarom rare mechanismen als dehumanisering nodig heeft. Hij ‘animaliseert’ hier niet. Hij zegt dat hij op het gebied van geweldpleging überhaupt niet een relevant onderscheid tussen mens en dier ziet. Inderdaad. Een inherente afkeer van geweld lijkt zo vanzelfsprekend, dat die aanname in veel gevallen eerder voorafgaat aan onderzoek dan dat die eruit volgt. Alleen de naam van het concept ‘dehumanisering’ bevestigt dit al. Die legt de onderliggende aanname bloot dat wij, mensen, bij onze geboorte álle mensen automatisch als een bepaald soort familie zien. Dat wij dus voor ieder mens, al is het een gestoorde terrorist, een zekere naastenliefde voelen. We kunnen hem pas doden als hij niet meer tot onze familie behoort, maar tot het dierenrijk, of tot de wereld van X-box en Playstation.

genoemd werden met ongedierte en ziektes.) Naast dehumaniserende termen uitten sommige militairen in mijn gesprekken met hen bovendien opmerkingen als de volgende over de Taliban. Mosef: ‘Ik heb ook helemaal geen sympathie voor die jongens.’ Sjaak: ‘Nee. Maar ik heb wel respect, ja… ‘respect’ voor…’ Mosef: ‘Voor hun krijgerschap.’ Sjaak: ‘Ja. Hun mentaliteit.’ Mosef: ‘Ja, ik vind ze wel hard, dat vind ik wel respect. Maar... niet voor hoe ze het doen.’ Sjaak: ‘Ze zijn ziek loyaal. Ze hebben een hoger doel, wij niet.’ Mosef: ‘Is ook een waardeloos doel.’ Sjaak: ‘Kom je in de hemel, heb je 70 maagden. Ze hebben geeneens ervaring (lacht).’ De militairen noemen de Taliban ‘jongens’ (i.e. mensen) en uiten vanuit beroepsmatig perspectief respect voor hen. Wereldwijd spreken militairen, ook op het strijdveld, vaak met een zekere beroepsmatige bewondering over hun vijanden. Hiermee worden hen menselijke eigenschappen toegewezen.

Geweldpleging is heel echt

De wijdverspreide aanname dat een geestelijk gezond mens pas een ander kan doden wanneer hij deze geheel heeft ontmenselijkt, moet, kortom, genuanceerd worden. Geweldpleging kan als heel authentiek ervaren worden, bovendien zonder dat het problemen oplevert voor de dader. We kunnen deze conclusie uit onwil afkeuren, of we kunnen accepteren dat ook het concept van ‘menselijkheid’ deels een cultureel-historische uitvinding van de mens is. De militair Björn vertelde me over een vuurgevecht waarbij hij en een collega geïsoleerd van de rest van de troepen vast zaten. Hij voelde intense adrenaline en tegelijkertijd had hij de impressie dat hij al zijn emoties had uitgeschakeld. Hij realiseerde zich ten volle dat hij elk moment dood kon gaan, maar hij was niet bang. Midden in zijn verhaal zei hij: ‘op zo’n moment sta je echt dicht bij het leven’. Verbaasd onderbrak ik hem: ‘dicht bij de dood, eerder?’ ‘Nee’, zei hij vrij achteloos, ‘dicht bij het leven’. En hij vertelde verder, zich duidelijk onbewust van de poëtische symboliek van zijn uitspraak (en van het, bij veldwerkers en religieuzen bekende, licht der inzicht dat ik opeens zag).

Iedere militair sprak me sterk tegen als ik vragend stelde dat ‘je een beetje buiten jezelf treedt’ tijdens vuurcontact. Allen vertelden dat de uitbraak van een gevecht hun drills en skills inderdaad automatisch in werking doet treden. Ze benadrukten dat zij juist daarom niet veranderen in ‘robots’ of ‘machines’. ‘Je blijft wel mens, hè’, zeiden sommigen letterlijk. Hun drills en skills zouden hen juist in staat stellen ‘er altijd zelf bij te zijn’. De militairen zien zichzelf tijdens vuurgevechten tegelijkertijd als routinematige uitvoerders van hun drills en skills én als mens. Ook de menselijkheid van de vijand wordt wel degelijk erkend. Merk op dat Mosef in het bovengenoemde citaat aangeeft dat hij de vijand moet zien als onmens. Alle militairen deden gelijksoortige uitspraken, wat impliceert dat ze zich altijd zeer bewust waren van het metaforische karakter van hun dehumaniserende vijandbeeld. De vijand is een mens, maar kan in gevechten niet als zodanig erkend worden. (Deze nuancering staat in sterk contrast met vijandbeelden uit de geschiedenis van de genocide, waarbij de slachtoffers vaak in één adem

16

Geweld staat dicht bij het leven


Een beter milieu begint bij... TEKST & BEELD: AAFKE BRINKHUIJSEN

Onze drie grote sociologische voorvaders Durkheim, Marx en Weber hielden zich er al mee bezig: hoe moet het met de binding in de samenleving wanneer het geloof wegvalt? Het geloof in God wel te verstaan, want als gevolg van de gedurende de laatste halve eeuw ontstane goddeloosheid in de Westerse samenleving lijkt het geloof in onszelf en in onze eigen uniekheid daarvoor in de plaats te zijn gekomen. Recenter sociologisch onderzoek richtte zich op vraagstukken als individualisering en ontzuiling Critici van de zogezegde individualisering spraken over het massaal maken van een individuele keuze voor de groep. Immers: we voelen ons allemaal een individu en zoeken aansluiting bij mensen met een vergelijkbaar Ik; met z’n allen op zoek naar persoonlijke zingeving dus, waarbij we allemaal toch weer in een groep terecht komen.

“‘Wij’ wisten het beter” Tegenwoordig lijkt onze zoektocht verder te gaan, om binnen de eigen groep authentieke ervaringen op te doen en authentieke spullen te verzamelen. Hoewel sociologisch onderzoek doorgaans niet op de socioloog zelf betrokken wordt, ga ik bij mezelf en bij mijn omgeving te rade. De zoektocht naar authenticiteit is namelijk pijnlijk herkenbaar. Die zoektocht blijkt namelijk helemaal niet zo uniek als ik ooit dacht.

Als puber en later als beginnend student voelde ik me anders dan de mensen in mijn omgeving. Wie niet overigens? Ik bekommerde mij om het milieu en om de in mijn ogen vervlakkende intermenselijke relaties. Uiteindelijk vond ik aansluiting bij een organisatie waarbinnen natuur, milieu en duurzaamheid hoog in het vaandel stonden. We kampeerden in de vrije natuur, kookten biologisch en (deels) veganistisch en droomden samen van een ideale samenleving. Een samenleving waarin geld van ondergeschikt belang is en waarin de mens de band met de natuur heeft teruggevonden. Kort door de bocht waren we milieuhippies. Het gaf ons een gevoel van meerwaarde in het leven. De wereld buiten mijn milieugroep trad ik met een zeker superioriteitsgevoel tegemoet. ‘Wij’ wisten het beter en probeerden anderen te betrekken bij onze kijk op het goede leven. Het klinkt haast als een groep fel overtuigde gelovigen, maar dat terzijde. Terugkijkend denk ik dat we een typische jongerencultuur waren. Niets nieuws onder de zon, want eerder al, in de jaren tachtig, toen de milieugedachte nog geen rol speelde, bestond een soortgelijke jongerencultuur rondom utopische wereldvrede. Manifestaties tegen kernwapens, anarchisme en kraken hoorden daarbij. Zijn deze groepen zinloos? Volgens mij niet, want het onderdeel zijn van een zich tegen de ‘rest’ afzettende jongerencultuur gaat over het vinden van sociale binding en het construeren van een sociaal gevormd Ik. De combinatie van de woorden Ik, anders en de rest is interessant. Het Ik wordt namelijk door reflectie met de omgeving geconstrueerd, waardoor het maar de vraag is hoe uniek iemands Ik kan zijn. Men zoekt bevestiging en verdieping van het Ik via anderen met een vergelijkbaar Ik. De massaal plaatsvindende individuele zoektocht levert de binding op waarvan onze sociologische voorvaders dachten dat we die zouden verliezen. We zijn dan wel hardhollend ontzuild en in onszelf gaan geloven, maar we hebben anderen nog altijd nodig voor het vinden van erkenning van het Ik. Ons eigen Ik blijft een manifestatie in relatie tot de gevestigde orde. Gelukkig, ons Ik is niet alleen.

17


Authenticiteit: gemaakt of gemaakt? ‘Authenticiteit’ is een virus. Het weet zich te nestelen in nagenoeg alle culturele domeinen. Hoewel het in de filosofie en antropologie veel aandacht heeft gekregen, blijft het begrip in de sociologie onbelicht. Dat wil niet zeggen dat het in de sociologie afwezig is. In tegendeel. Zo is authenticiteit van cruciaal belang in Marxistische stromingen, en blijft het van belang bij grote hedendaagse sociologen zoals Arlie Hochild en Anthony Giddens. In deze korte bijdrage wil ik mij echter richten op een heel specifieke uiting van ‘authenticiteit’ in de sociologie, namelijk in relatie tot het begrip ‘constructie’. DOOR: JOSIP KESIC / BEELD: FLICKR.COM/OHSOHAPPYTOGHETER

Taboe

Wanneer het om authenticiteit gaat, dan is vaak de Pavlov-reactie van een socioloog (in spé) om te zeggen: “Mensen geloven dat er zoiets bestaat als authenticiteit, maar wij weten dat het een sociale constructie is.” Het is een gemeenplaats geworden om authenticiteit te zien als iets dat aan mensen en objecten wordt toegeschreven, in plaats van als iets dat werkelijk in deze besloten ligt. Een sociologische analyse behelst dan ook het laten zien van de historische gesitueerdheid, veranderlijkheid en tegenstrijdigheid van authenticiteitsclaims, en dient te wijzen op hoe het proces van toeschrijving altijd onderhevig is aan bepaalde machtsverhoudingen. Authenticiteitsvertogen zijn objecten van onderzoek waar wij als onderzoekers ons niet in mogen laten meeslepen. Wie als sociale wetenschapper in authenticiteit van sublieme ervaringen of oorspronkelijke culturen gelooft, wordt – niet geheel onterecht – weggezet als naïef, essentialistisch en onkritisch. Terecht, in het geval van bijvoorbeeld sociologen die ‘integratie meten’, gebaseerd op het populaire onderscheid ‘echte’ versus ‘nog-niet-helemaal-echte-Nederlanders’. Geloven in authenticiteit is voor een sociaal wetenschapper een taboe (geworden). Het is iets wat onze ‘respondenten’ geloven, maar wij, sociologen,

18

moeten wel beter weten. De zin waarmee Joop Goudsblom zijn Balans van de Sociologie (1974) opent – “sociologie is een vorm van betweterij” – wordt door sommigen al te letterlijk genomen. Van taboe naar ervaring

Het is precies deze distantiering van de aantrekkingskracht van het authenticiteitsbegrip waar Mattijs van de Port terecht zijn pijlen van kritiek op heeft gericht in de inleiding van zijn nieuwe boek Ecstatic Encounters. Bahian Candomblé and the Quest for the Really Real (2011). We kunnen andermans leefwereld als een constructie zien, maar wat als we die blik toepassen op onze eigen levens? Op diegenen waar wij het meest van houden, of op onze diepste wanhoop? Dan moeten we erkennen dat wij helemaal niet zo veel verschillen van onze respondenten en dat wij sociologen net zo goed in een ‘betoverde’ wereld leven die zich niet makkelijk laat wegverklaren. Sommige sociale wetenschappers zoals Thomas Czordas, Bryan Turner of Pierre Bourdieu, hebben alternatieven ontwikkeld op basis van hun lezing van de tekortkomingen van constructivistische benaderingen (m.a.w. op basis van stromannen). Zij presenteren de fenomenologie, die vooral kijkt naar het lichaam en zintuiglijkheid in de werking van


cultuur, als nodige aanvulling op het in de sociale wetenschap diep ingesleten Cartesianisme (ik denk dus ik ben) dat taal en bewustzijn boven het lichamelijke en affectieve plaatst. De fenomenologische benadering is vaak gestoeld op een conceptueel onderscheid tussen enerzijds ‘tekstuele representaties’ en ‘ervaringen’ anderzijds. Willen we de wereld echt begrijpen, zo wil deze benadering, dan moeten we niet kijken naar discoursen, representaties en teksten, maar naar de lived experience van échte mensen. Hoewel de mate waarin en verfijning waarmee dit onderscheid wordt gehanteerd vanzelfsprekend per auteur verschilt, blijft de veronderstelde authenticiteit een constante.

“Zoals zo vaak, schieten theorieën te ver door” Fenomenologische benaderingen zijn ongetwijfeld een belangrijke aanvulling op perspectieven die geen oog hebben voor de emotionele, zintuiglijke en lichamelijke dimensies van het sociale leven. Maar, zoals zo vaak, schieten theorieën te ver door. Birgit Meyer waarschuwt ons hiervoor en stelt terecht dat “scholarly attention paid to the body and the senses, however should not yield a straightforward celebration of embodiment and an uncritical adoption of the body as the real ground of experience.” (2009:22) De onkritische omarming van lichamelijkheid brengt problemen met zich mee. Het eerste probleem ligt in het onderscheiden van teksten en representaties van ervaringen. Immers, ervaringen vinden plaats in een sociale context die alleen maar kan functioneren bij de gratie van taal, beeldvorming en ideeën. Daarnaast krijgen ervaringen juist de status van ervaring in een interpretatief proces. Kunnen we een betekenisloze ervaring nog een ervaring noemen? Het tweede probleem is hier dat het niet enkel een conceptueel onderscheid betreft, maar ook een hiërarchie: “taal en bewustzijn worden welhaast onzuivere en niet-authentieke kwaliteiten die worden beschouwd als vertekeningen van meer primaire en lichamelijke ervaringen.” (Blom Hansen 2009: 43) Wat we hier zien, met andere woorden, is precies hetgeen dat men wilde

bestrijden: het betwisten van het primaat van bewustzijn, taal en anti-lichamelijkheid leidt vaak tot het primaat van het lichaam en anti-taligheid. Wat ligt hier aan ten grondslag? Slechts constructie

We kunnen de aanwezigheid van het begrip authenticiteit in de sociale wetenschappen niet begrijpen als we geen oog hebben voor de manier waarop de term ‘constructie’ wordt gebruikt. Soms de betekenis maar in ieder geval de connotatie van het woord ‘constructie’, zorgt er al te vaak voor dat we denken dat het om iets zou gaan dat niet helemaal echt is. Dit kan verschillende vormen aannemen. In de colleges Sociologie van het Beleid hebben veel studenten de neiging om constructies te interpreteren als ‘onecht’. In essays voor het vak wordt vaak de vraag gesteld, ‘wat er werkelijk’, ‘eigenlijk’, ‘in de werkelijkheid’, ‘echt’ gebeurt ‘onder’, ‘achter’ constructies en discoursen. Verreweg de meeste studenten komen hier echter overheen. Des te opvallender daarom is dat ook zogenaamd grote wetenschappers precies hetzelfde doen. Wanneer zij schrijven dat authenticiteit een sociale constructie is, dan doen zij dat vaak met zo veel dédain ten opzichte van de toegeschreven naïviteit van gewone mensen, dat zij impliceren dat er een echtere ongeconstrueerde waarheid zou zijn. Zowel constructivisten als andere stromingen die van het constructivisme een stroman maken, lezen “het is een constructie” te vaak als “het is slechts een constructie.” Dat wat niets meer is dan een vertrekpunt wordt zo nietszeggend als een conclusie gepresenteerd, alsof het iets zou zeggen. Performance en Performativity

De receptie van het werk van de socioloog Erving Goffman en de filosofe Judith Butler dient als een concrete en treffende illustratie van de hierboven in meer algemene termen beschreven theoretische posities. Eerst – uiterst kort – de twee theorieën. Goffman’s analyse van het sociale leven is gestoeld op de analogie tussen het sociale leven en het toneelspel. Zijn actoren (performers) proberen in sociale interacties (front region) een bepaalde indruk achter te laten op het publiek in kwestie. Het werk van de filosofe Judith Butler heeft kritiek ontvangen. In navolging van Simone de Beauvoir

19


“We kunnen andermans leefwereld als een constructie zien, maar wat als we die blik toepassen op onze eigen levens?”

analyseerde zij hoe er bepaalde, door taal gestructureerde normen gelden van wat propere mannelijkheid dan wel vrouwelijkheid is. Hoewel deze (hetero)normen veranderlijk en door mensen zelf verzonnen en geconstrueerd zijn, zijn ze dwingend. Centraal hierin staat het idee van performativity, een praktijk gestructureerd door dominante gendernormen (een meisjeskamer is roze) waarmee de gender gecreëerd en bestendigd wordt, en daarmee de genderidentiteit haar aangeleerde natuurlijkheid geeft. In het herhalen van genderpraktijken komen subjectiviteit en identiteit tot stand, alsdus Butler. Zowel Goffman als Butler wordt vaak de gedachte toegeschreven dat het sociale leven en individuele identiteit nep, onecht, gemaakt, geacteerd zou zijn. Zowel Goffman als Butler hebben zich hier expliciet tegen verzet. Keer op keer proberen zij de diepgewortelde neiging om te denken in termen van authenticiteit – manipulatie versus natuurlijkheid – te ondergraven. Goffman schrijft onder het kopje ‘Reality and Contrivance’ dat de performers in het alledaagse leven niet ‘acteren’ of ‘doen alsof ’ in de zin van dat er een actor áchter zit die weet wat hij wilt doen. Actoren geven indrukken af die worden gelezen door anderen, wat niet hetzelfde is als manipuleerbaarheid en onechtheid. Manipuleren veronderstelt een subject áchter de rol, achter het masker dat bewust een andere indruk probeert achter te laten. Maar het subject, het innerlijke zelf is precies het product van de interacties en socialisatie, waardoor de oppositie tussen echt en nep vaak betekenisloos is. Net zoals Goffman stelt dat indrukken in het sociale leven onvermijdelijk zijn en daarmee niet onecht, bekritiseert Butler interpretaties van genderconstructies door te benadrukken dat een constructie absoluut niet een ‘manipulable artifice’ is; er is immers geen subject met een genderidentiteit dat aan genderdaden voorafgaat, maar juist door die daad gevormd wordt. Authenticiteit zien we ook terugkomen in de kritieken op Butler’s werk die uitgaan van het

20

‘pure’ lichaam, los van allerlei culturele voorschriften. In haar te ver doorgeschoten nadruk op taligheid zou zij niet genoeg de biologische verschillen tussen mensen en hun lichamelijke gevoelens erkennen. Haar antwoord hierop is dat niet alles taal is, maar dat ook het niet talige (het fysieke lichaam) onvermijdelijk enkel in, met en door taal te kennen is. Zelfs de status van onbenoembaarheid, onverklaarbaarheid en buitentaligheid, is het gevolg van een interpretatief door taal mogelijk gemaakt proces. Taal is ontoereikend, en sommige zaken zijn onbeschrijfbaar, en juist dat is het gevolg van taal en roept taal op. Is dat niet de essentie van poëzie? Gemaakt maar niet gemaakt

Het ironische is hier dat kritieken op Goffman en Butler – dat wil zeggen de toegeschreven ontkenning van authenticiteit door een te ver doorgeschoten constructivisme – zelf uitgaan van precies wat zij verwerpen, het denken in termen van ‘nep versus echt’. Door in die kritieken steeds te suggereren en impliceren dat er meer of iets anders is dan constructies, wordt er naast een utopische oorspronkelijke toestand automatisch een ‘onechte’ tegenhanger gecreëerd: de constructie, de performance. Ons taalgebruik is hierbij veelzeggend. Zo hebben bijvoorbeeld de Engelse werkwoorden ‘to act’ en ‘to perform’ in de authenticiteitscultuur een betekenisverandering ondergaan. Zij dragen niet alleen de neutrale betekenis van ‘handelen’, maar zij worden ook vaak gebruikt in de betekenis van ‘veinzen’, ‘doen alsof ’. Diezelfde betekenisverschuiving ligt, zoals we zagen, ook op de loer in de constructivistische sociologie als het gaat om interpretaties van constructies. Vreemd, want voor de sociale wezens die mensen zijn, is er niets échters of essentiëlers dan sociale constructies. Dat de wereld door ons in letterlijke zin ‘gemaakt’ is, wil nog niet zeggen dat deze ook in figuurlijke zin ‘gemaakt’ is. In tegendeel.


21


Heropvoed de nouveau riche Een gloednieuwe hoog-op-de-wielen Range Rover of een oud en versleten deux-chevautje. En een grootse oogverblindend witte woning met strakke rietbedekking of een klein huisje met mos op de dof-oranje dakpannen en klimop tegen de muur. Het lijkt een grove scheiding, maar als we de programma’s van Jort Kelder mogen geloven is die scheiding tussen oud en nieuw geld wel een beetje terecht. Nieuw geld gaat voor groots en opvallend en oud geld gaat voor authentiek en bescheiden. DOOR: FROUKJE VAN DER WOUDE

Mensen met nieuw geld hebben de behoefte te laten zien dat ze geld hebben. Ze kopen protserige auto’s, investeren in dure materialen voor de buitenkant van een huis en lopen met Versace en Louis Vuitton op hun T-shirt. Men moet zien dat zij geld verdiend hebben en dat ze daar hard voor gewerkt hebben (of soms ook niet). Families die van oudsher welvarend zijn hebben juist de neiging niet te veel te laten zien dat ze over geld beschikken. Wat ze kopen of bezitten is vaak van kwaliteit, maar bescheiden. Het moet niet te opvallend zijn. Zij rijden liever in een goed onderhouden Mercedes-oldtimer en dragen de dure merkjes van hun kleding aan de binnenkant. Aan de Amsterdamse huizen is het onderscheid tussen oud en nieuw geld dat in de negentiende eeuw heerste goed te zien. Met de industrialisatie kregen middenklassers ineens de kans vermogen op te bouwen, het was niet meer alleen weggelegd voor de oude elite. Doordat middenklassers voor het eerst echt rijk konden worden, wilden zij net als de van oudsher gegoede families wonen in mooie, dure huizen. Binnen de grachtengordel, van oudsher oud-geld-huizen, waren zij echter niet zo welkom. De oude elite verguisde hun opzichtige gedrag. Daarnaast leefden in de grachtengordel arm en rijk naast elkaar. De bediening woonde of bij de rijke families in, of ze woonden in een eigen huisje in de

22

smalle tussenstraatjes. Doordat de nouveau riche zich juist af wilde zetten tegen alles wat kon wijzen op hun oude levensstandaard, wilden zij dit contact liever vermijden. Zij bouwden daarom hun eigen villa’s en luxe gebouwen met dezelfde dure materialen waarmee de oude elite hun huizen bouwden, zoals marmer en leisteen. Zij het echter in grote overvloed om zo te laten zien hoe groots en duur hun huis was. De huizen aan de Nassaukade, net buiten de Jordaan, zijn hier een goed voorbeeld van (alhoewel deze huizen tegenwoordig bewoond worden door wat nu als oud geld gezien wordt). Maar ook de twee kasten van huizen links van poptempel Paradiso zijn een typisch voorbeeld van nieuw-geld-huizen uit de negentiende eeuw. Groots, opzichtig en met een aparte opgang voor de bediendes. Rijk en arm hoefden elkaar niet te kruisen.

“De oude elite verguisde hun opzichtige gedrag” Met de jaren zijn er steeds meer nieuwe rijken bij gekomen. Het aantal hoog opgeleiden is snel gestegen en met de vele loterijen kunnen mensen in een klap rijk zijn. Volgens David Cassuto, juridisch docent aan Hogeschool Inholland en InterCollege


Business School en VVD-trainer ‘integriteit’, hebben deze mensen al geld verworven, nu moeten ze nog smaak, manieren en cultureel kapitaal verwerven. Ze zijn de eerste in de familie en moeten nog leren hoe met hun nieuw verworven positie om te gaan, in tegenstelling tot oude rijken waar het al eeuwenlang in de familie kan zitten. De oude elite die soms eeuwen terugvoert voelde zich verantwoordelijk voor het welvaren van Nederland en vonden het daarom belangrijk zich verantwoordelijk en beschaafd te gedragen. Voor de industrialisatie hadden zij het privilege tot de elite te behoren, lagere klassen konden niet in de hoogste klasse komen. Doordat de elite gezien werd als de hoogste klasse voelden zij zich verantwoordelijk voor de cultuur en de publieke moraal. Met de ontmaskering van de elite gingen de idealen van beschaving en verantwoordelijkheid verloren. Dit maakte de weg vrij voor de nouveau riche. Zij kende de omgangsvormen van de oude elite niet en met de enorme toename van deze groep werd de gedachte van snel geld verdienen en je rijkdom laten zien overheersend, aldus Cassuto.

Jort Kelder wil met zijn programma’s het verschil tussen mensen met oud en met nieuw geld laten zien. Zijn opzet is niet om de in de ogen van de oude elite schreeuwerige vermogenden te heropvoeden, of te laten zien hoe het echt hoort. De titel ‘hoe het heurt’ doet dit wel vermoeden en Cassuto zou het graag zo zien. Maar Kelder zet gewoon de verschillen neer. En misschien is dat ook wel van deze tijd. Door de jaren heen konden de verschillende klassen steeds meer op elkaar gaan lijken. De leden van de van oorsprong armere klassen gingen hun best doen om zo dicht mogelijk bij de levensstandaard van de elite te komen. Een reactie van die elite was dat zij zich in kleine dingen ging onderscheiden om te benadrukken dat zij niet tot de klasse van de nouveau riche behoorden. Het onderscheid moest en moet nog steeds duidelijk blijven. Maar dit wil niet meer zeggen dat er sprake is van ‘de een boven de ander’ in status, dat is niet van deze tijd. Ze hebben verschillende waardes en een andere smaak. Alhoewel veel linkse rakkers (incluis ikzelf ) de SUV’s en Vespa’s moeilijk kunnen verteren, kan je eigenlijk niet zeggen dat de nieuwe welvarenden heropgevoed moeten worden.

23


24


Hoe authentiek is Amsterdam?

amsterdam in beeld 25

DOOR: SHIVA SHAZAD / NOEMI VAN DE POL / ELISE VAN DER SLUYS


Moraalridders, gestuurd door ideologie en angst Wetenschap en media blijven twee verschillende eenheden die zich niet altijd goed tot elkaar verhouden. Vooral wanneer er over het lichaam wordt gesproken dienen zich problemen aan. Dan kan de media het wetenschappelijk debat gijzelen. DOOR: BRAM VAN DER KROON / BEELD: ELSKE VERDOORN

In het actualiteitenprogramma Moraalridders kijken Knevel en Van den Brink met ‘open vizier’ naar maatschappelijk relevante thema’s. Op 4 april was het onderwerp eiceldonatie en de vraag in hoeverre ouders eisen mogen hebben als het om de donorcel gaat. Een beladen discussie omdat deze raakt aan ideologische assumpties over de eenheid van het lichaam en morele angst uit het verleden. Voor de discussie is Bart Fauser, hoogleraar voortplantingsgeneeskunde aan het UMC Utrecht, uitgenodigd als vertegenwoordiger van de wetenschap. De afdeling waar Fause werkt maakt het voor onvruchtbare vrouwen mogelijk om toch hun kinderwens in vervulling te laten gaan. Ze krijgen een gedoneerde geslachtscel van een andere vrouw, welke bevrucht kan worden. Op zich is dit niets nieuws, bij mannen gebeurt het al geruime tijd. Het doneren van zaadcellen is al lang en breed geaccepteerd (het is in ieder geval geen onderwerp van een ethische discussie). Bij vrouwen is deze acceptatie nog geen feit, terwijl het hier toch enkel en alleen om de andere helft van de geslachtscel gaat. Al zijn er ook wel verschillen, vooral in het afnemen van beiden. Waar bij mannen een bedompt tijdschrift en/of de nodige fantasie afdoende is, is er bij vrouwen een medische ingreep noodzakelijk. De moeite die het kost om de eicel te verkrijgen, betekent dat de vrouwen die hun eicel doneren een stevige financiële vergoeding krijgen. Voor de behandeling, waardoor de vrouwen in een keer meerder eicellen kunnen doneren, krijgen zij duizend euro. Iets dat de EO ridders Knevel en Van den Brink verontrust (vreemd, aangezien mannelijke donoren ook betaald krijgen en nog porno

26

mogen kijken ook, dat is pas echt verderfelijk!). Toch wordt hierna de discussie pas echt interessant. Want het verbaast beide heren nog meer dat Bart Fauser zegt dat ouders kunnen ‘kiezen’ voor bepaalde (uiterlijke) kenmerken als het om hun toekomstige kind gaat. Dat is het moment dat de hoogleraar zich ineens op glad ijs bevindt. Want zodra de schijn van knutselen met genen en/of mensen wordt gewekt, verstijft elk debat. Plots worden wetenschappelijke argumenten over boord gezet en vervangen door morele en ideologische afkeuring.

Betaald krijgen en nog porno mogen kijken ook, dat is pas echt verderfelijk! De afkeuring voor het knutselen met het menselijk lichaam lijkt tweeledig. Enerzijds is er het idee dat het lichaam een eenheid is, een Schepping Gods, welke in zijn integriteit moet worden gehandhaafd. God heeft ons bedoeld zoals we zijn, tornen aan deze eenheid is tornen aan de wil van God. Nergens wordt het met zoveel worden uitgesproken, maar tussen elke zin klinkt het door: het lichaam is authentiek en er dient niet aan gemorreld te worden! Hiermee vormt religie de ideologische onderbouwing om het sleutelen aan het lichaam af te keuren. Maar er speelt nog een ander argument, dat ook niet expliciet wordt benoemd. Want de plotselinge aarzeling in de stem van de heer Fauser hangt ook samen met de echo van eugenetica die


Verplichte anticonceptie: het recht op een kind?! Is het krijgen van een kind een fundamenteel recht? Dat is de vraag die ten grondslag ligt aan de discussie rondom verplichte anticonceptie voor ouders met een verstandelijke beperking, psychiatrische problemen en/of een alcohol- of drugsverslaving. Hulpverleners pleiten voor verplichte anticonceptie voor deze groep mensen, omdat ze kinderen krijgen maar niet in staat blijken deze op een goede manier op te voeden. De hulpverleners zien keer op keer dezelfde gezichten terug, meerdere kinderen van dezelfde ouders worden uit huis geplaatst en het leed wordt overgedragen van generatie op generatie, zo stellen professionals. Verplichte anticonceptie zou hier een eind aan kunnen maken, maar ook in dit geval wordt het debat gegijzeld door angsten uit het verleden. Kijk vooral de documentaire zelf op www.zembla.nl

doorklinkt in het gesprek. Of beter gezegd gaat het hier om de connotatie die eugenetica heeft gekregen door de Tweede Wereldoorlog. De illusie van rassen en het perfectioneren van de mens nam in de aanloop naar WO II steeds serieuzere vormen aan en werd door de nazi’s verheven tot doel. Zelfs nu nog is het woord eugenetica besmet en is elke (genetische) aanpassing van het menselijk lichaam verdacht. De schaduw van de Tweede Wereld oorlog levert daarmee de morele onderbouwing om het debat te gijzelen. Een gijzeling die bijvoorbeeld ook terug te zien is in de discussie over verplichte anticonceptie voor ouders met een verstandelijke beperking, psychiatrische problemen en/of een drank- of drugsverslaving (zie kader). Ook hier blijkt een open debat problematisch door de angst voor het verleden. Een angst die door hoogleraar Fauser zichtbaar voelt wanneer hij begint te vertellen over de ‘keuzemogelijkheden’ die ouders hebben.

Fauser stelt dat mensen wel mogen bepalen welke huidskleur de donormoeder heeft gehad (want ja, hoe leg je het uit als je een donker kindje krijgt terwijl je allebei ontzettend wit bent?). Ook mag er worden gekeken naar de lengte van de donormoeder, maar er mag niet worden geselecteerd op intelligentie, haarkleur en kleur van de ogen. Het is een koorddansact die Fauser uitvoert, waarbij hij moet balanceren tussen wetenschappelijke mogelijkheden aan de ene kant en ideologisch en moreel gevoede afkeuring en angst aan de andere. En natuurlijk is het terecht om kritisch te kijken naar het aanpassen en/of verbeteren van het menselijk lichaam, maar daarvan is toch echt geen sprake in het geval van eiceldonatie. Toch is de afkeuring en angst voor het sleutelen aan de genen zo sterk dat een open debat over eiceldonatie niet meer mogelijk is, de schaduw van religie en nazisme houdt de discussie gegijzeld.

27


Q

de

uarterlife crisis

Zoektocht naar een leugen om bestwil De quarterlife crisis is een relatief nieuw begrip. Steeds meer twintigers en begin dertigers hebben last van keuzestress en worstelen met hun identiteit. Juist zij zijn hiervoor ontvankelijk omdat hun levensfase vaak samenvalt met het maken van levensbepalende keuzes. Is dit werkelijk de carrière die ik voor ogen had? Blijf ik voor de rest van mijn leven bij deze ene vrouw? Voor het maken van dergelijke beslissingen wordt steeds vaker een beroep gedaan op het authentieke zelf als gids. Maar deze kern blijkt niet zo gemakkelijk aanspreekbaar, wat houdt ze eigenlijk in? DOOR: POUL HOLLEMAN / BEELD: EVA VAN BARNEVELD

Om te weten wat te doen, moet je weten wat je wilt Om te weten wat je wilt, moet je weten wie je bent Maar je bent wat je doet… Deze vicieuze cirkel van existentiële vragen vormt een paradox die is gestoeld op de breed aangenomen assumptie dat ‘zijn’ wordt bepaald door wat je doet. Wanneer iemand zich voorstelt volgt vrijwel altijd het beroep of de opleiding. Als we om ons heen kijken zien we ‘sociologen’, ‘bakkers’, ‘muzikanten’, etc. Het begrip identiteit wordt te pas en te onpas gebruikt maar als je er langer over nadenkt is de definitie niet vanzelfsprekend. Wel zijn velen het er over eens dat het hebben of voelen van een identiteit belangrijk is voor sturing en tevredenheid in het leven. De vorming ervan is daarom van cruciaal belang en lijkt steeds meer de verantwoordelijkheid van het individu zelf te zijn. Volgens Giddens wordt het ‘zelf ’ steeds meer een reflexief project

dat de nodige inspanning vereist. “We are not what we are, but what we make of ourselves” Dit mensbeeld is relatief recent. Omstreeks 1900 deed het existentialisme zijn intrede. In deze filosofische stroming vindt bovengenoemde identiteitsconceptie haar oorsprong. Sartre en Heidegger stelden respectievelijk ‘zijn is handelen’ en ‘een mens is zijn projecten’. Ook Nietzsche ging niet langer uit van een ‘essentie’ – zoals de mens als essentieel moreel wezen of als geschapen naar het evenbeeld van God – maar een met waarden en doelen te vullen ‘existentie’. Kortom, ‘ik ben wat ik doe’. De psycholoog Erikson – die de term quarterlife crisis in de jaren 1960 introduceerde – conceptualiseert identiteitsvorming in verschillende fasen. Jongvolwassenheid is hierin van essentieel belang omdat deze de fase van experiment inhoudt voordat volwaardige volwassenheid – het definitief vastleggen van een identiteit – wordt bereikt.

29


Deze fase wordt om drie zaken bemoeilijkt. Ten eerste omdat traditionele richtinggevende kaders, zoals godsdienst of het zondermeer overnemen van het ouderlijk beroep, aan invloed afnemen in een steeds individualistischere maatschappij. Ten tweede wordt deze experimenteerfase steeds langer: existentiële keuzes worden verder uitgesteld door langere studies, het maken van reizen en minder haast met het vinden van de juiste baan of relatie. Ten slotte veroorzaakt het naar verhouding risicoloze leven in een wereld van schijnbaar grenzeloze mogelijkheden de voorstelling dat ook alles mogelijk ís. Deze ontwikkelingen zijn het gevolg van de stijgende welvaart die gepaard gaat met secularisering en de economische luxe om de kat uit de boom te kunnen kijken. Deze benadering gaat uit van een mensbeeld waarbij de verantwoordelijkheid bij het autonome individu ligt, en expressie van de innerlijke kern – ‘jezelf zijn’ – van belangrijke waarde wordt geacht. Buchmann en Eisner spreken van een transformatie van het utilistische zelf naar het expressieve zelf. Niet langer zijn kille materiële belangen het leidmotief, maar de innerlijke wereld en het laten leiden door emoties. De zoektocht naar passie, voldoening en betekenis in het leven neemt een steeds belangrijkere rol in met steeds minder hulp van buitenaf. Een moeilijk te ontdekken authenticiteit als essentieel oriëntatiepunt, grenzeloze mogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid en een hoge druk kunnen tot de typisch westerse en moderne problemen van keuzestress

‘Zijn’, ‘willen’ en ‘doen’ liggen misschien wel dichter bij elkaar dan je zou verwachten en identiteitscrises leiden. En wat ik hier betoog is dat die laatste twee eigenlijk één en hetzelfde zijn. In een ikben-wat-ik-doe-wereld legt de quarterlife crisis bloot dat kiezen en het vormen van een identiteit dezelfde problematische kern hebben: het ontbreken van een authentiek oriëntatiepunt binnen de bovengenoemde paradox. ‘Zijn’, ‘willen’ en ‘doen’ liggen misschien wel veel dichter bij elkaar dan je zou verwachten. Uit het ontleden van de quarterlife crisis blijkt dat identiteitsvorming rust op een paradox. Een authentieke kern lijkt pas gevonden wanneer een van de drie als anker functioneert. In tijden van identiteitscrisis ontbreekt een dergelijk houvast met stress tot gevolg. Wanneer je de meest fundamentele beweegreden zoekt in wie je bent, wat je doet, of wat je wilt, blijkt het construeren van

30

een identiteit een kip-ei-kwestie omdat het uitdrukken van de een de anderen behoeft. Als sociologen geloven we natuurlijk niet in totale individuele vrijheid en autonomie. Het is daarom een interessante gedachte om te bedenken hoe het samenspel tussen de drie elementen plaatsvindt in het construeren van identiteiten in de moderne samenleving. Vroeger werd dat gevonden in willen, je wilde bijvoorbeeld wat de kerk wilde. Of het werd gevonden in doen, als slagerszoon werd je vanzelfsprekend ook slager. Maar ook als je honger lijdt valt het overgrote deel van je ‘levensproject’ onder ‘existentiële dwang’. Deze dwang ontbreekt in het tijdperk waarin ‘willen’ de bovenhand lijkt te voeren. We hebben kennelijk een leugen om bestwil nodig om uit de paradox te raken. Een roeping, een passie, een drift, geef het een naam. Zingeving op individuele schaal die je de mogelijkheid tot expressie geeft. Hopelijk begrijpen jullie me wanneer ik deze gedachte aan het Thomas theorema verbind: “If people define situations as real, they are real in their consequences”. Quarterlifers tonen aan dat je je eigen identiteit niet als ‘real’ kunt definiëren met als gevolg dat de consequenties niet te overzien zijn. Erkenning van echtheid, van een authentieke kern, bestaat pas wanneer de paradox doorbroken is en ‘zijn’, ‘doen’ en ‘willen’ kunnen worden ingevuld en uitgedrukt. Vraag me niet hoe.


Echte wetenschap Wetenschappelijk onderzoek moet vernieuwend zijn, het moet bruikbaar zijn en het liefst ook nog publiciteit en geld opleveren. Toch zijn nieuwe onderzoeken niet noodzakelijk beter, en nemen ze ook niet altijd de waarde en schoonheid van de eerdere verklaringen weg. Ligt de focus van de wetenschap niet te veel op de productie van resultaten in plaats van het vergaren van kennis? DOOR: CLEMENS DE OLDE / BEELD: MISHA MELITA

In 1942 introduceerde de econoom Joseph Schumpeter het begrip creatieve destructie. Met die paradoxale formulering duidde hij een economisch proces aan waarin de introductie van nieuwe producten de vernietiging van oude betekent. Volgens Schumpeter houdt dit proces de economie draaiende. Een mooi voorbeeld zag je recent in het dreigende faillissement van Selexyz. De e-reader als vervanger voor het boek en de webwinkel als vervanger voor de boekhandel laten zien hoe creatieve destructie werkt. In veel gevallen werken nieuwe producten beter dan de oude en Schumpeter zag creatieve destructie dan ook als een proces dat bevorderlijk voor de welvaart is. Hij noemde het zelfs een kernelement van het kapitalistische systeem. De veranderingen moesten wat hem betreft wel wat om het lijf hebben. Een relatief kleine innovatie zoals het drukken van boeken op gerecycled papier zou voor hem waarschijnlijk niet tellen, het verdwijnen van het gedrukte boek door de opkomst van de iPad wel. Schumpeter gaf zelf het voorbeeld van de postkoets die vervangen werd door de spoorwegen. Hier wordt een bestaande behoefte naar transport opgevangen door een nieuw product dat ook nog nieuwe mogelijkheden met zich meebrengt, net als het e-book doet ten opzichte van een traditioneel boek. Ondanks het feit dat Schumpeter maar een handvol pagina’s van zijn werk aan creatieve destructie besteedt, is het een wijdverbreid idee geworden. Net als de uitgeversbranche creëert de kennis-

branche ook. Surf naar de site van een willekeurige universiteit en je komt op de eerste pagina berichten tegen over allerhande nieuwe ontdekkingen die daar zijn gedaan. Ontdekken is natuurlijk ook het werk van onderzoeksinstituten en de manier waarop zij dat uitvoeren past binnen de grondslagen van de moderne wetenschap. Daarin wordt nieuwe kennis ontwikkeld waarbij we er vanuit gaan dat die kennis beter is dan de voorgaande. De beroemde wetenschapsfilosoof Karl Popper stelt in zijn boek Conjectures and Refutations (1963) dat de wetenschap problemen oplost die rijzen als de ervaring van mensen niet beantwoordt aan de verwachting die ze hadden. Volgens Popper verklaart een goede nieuwe theorie zaken die de oude theorie verklaarde, maar heeft zij de kracht om daarnaast ook licht te werpen op nieuwe problemen. De nieuwe theorieën vervangen dan de oudere, minder passende verklaringen en zo groeit wetenschap door het ‘vernietigen’ van oude verklaringen ten gunste van nieuwe. Die activiteit is voor Popper van toepassing op alle wetenschappen. Ik vermoed dat het voor de natuurwetenschappen gemakkelijker is om volgens dit model nieuwe kennis te ontwikkelen dan voor de sociale en de geesteswetenschappen. Theorieën die vertaald kunnen worden in concrete producten laten duidelijk zien dat men meer weet dan vroeger. Toch zien we het ideaal van het zoeken naar beter passende theorieën ook in de sociologie. Als vast

31


onderdeel van elk onderzoek proberen we te verantwoorden waarom het waard is dit onderzoek te plegen. Meestal neemt dat de vorm aan van een overzicht van bestaande verklaringen voor een fenomeen waarna we een nieuwe verklaring presenteren die we willen testen. Ook kunnen we kijken naar een nieuw toepassingsgebied voor een bestaande theorie. Aan het andere eind van het

32

spectrum zal het voor de geesteswetenschappen het lastigst zijn om zich te voegen in de zoektocht naar de best passende verklaring voor een fenomeen. Voor de taalwetenschappen gaat het zoeken naar theorieĂŤn en verklaringen misschien nog op, maar als je kijkt naar geschiedenis wordt het moeilijker. Is een verhandeling over het leven van Napoleon beter als ze een verklaring voor diens militaire


“De wetenschap is eigenlijk een meer perfecte vorm van het kapitalisme”

strategieën kan geven, of als ze Napoleon’s liefde voor zijn eerste vrouw Josephine tot in detail beschrijft? Toch worden ook de vondsten van de geesteswetenschappen op de voorpagina’s van de universiteiten getoond en gepresenteerd als nieuwe ontdekkingen. Dat het nieuw is lijkt hier belangrijker te zijn dan of het precies voldoet aan het model van kennisgroei dat Popper schetst. Echte wetenschap verwerpt oude theorieën ten gunste van nieuwe. Kapitalisme als creatieve destructie verwerpt oude producten ten gunste van nieuwe. Zo bezien lijkt de logica van de twee gebieden dus een gelijke vorm te hebben. De economie blijft draaien door de ontwikkelingen van nieuwe producten, wetenschap blijft zich bewijzen met nieuwe kennis. Kapitalisme en de wetenschap zijn misschien wel tot elkaar voorbestemd. Beiden passen ze binnen het grotere ideologische kader van de moderniteit dat op vooruitgang en groei gericht is. Maar zijn er dan geen grenzen aan de groei? Wat doe je bijvoorbeeld met de opeenhoping van alle producten die zijn gemaakt? Het kapitalisme kent van tijd tot tijd crises, zoals we nu ook ervaren. Kritische, vaak marxistisch geïnspireerde economen wijten dat aan een overvloed aan opgehoopt kapitaal dat opgelost moet worden zodat de markt daarna weer een poosje kan functioneren, totdat er weer opnieuw een overschot ontstaat. Dan moeten de financiën in een bepaalde sector flink worden gereorganiseerd zoals met de hypotheken in de Verenigde Staten een paar jaar geleden, en de staatsfinanciën van een aantal EU-landen nu. Dat idee kan ook opgaan voor de wetenschap waar onderzoeksgebieden worden gecreëerd en weer verdwijnen ten gunste van nieuwe, maar drastische crises tonen zich daar minder. Een wetenschapper die kennis creëert door data te verzinnen, of een onderzoeksgebied dat door een ander gebied wordt ingehaald veroorzaakt geen systeemcrisis. En in tegenstelling tot kapitaal kan kennis worden vergeten. Gefalsificeerd of niet, oude kennis raakt in de vergetelheid en wordt simpelweg niet meer gelezen. Wat dat betreft is de

wetenschap eigenlijk een meer perfecte vorm van het kapitalisme. Het probleem van de systeemcrisis kent ze niet, de tand des tijds knabbelt aan de oudere publicaties en die lossen min of meer vanzelf op. Creatieve destructie is niet alleen de motor, maar misschien ook wel de oplossing voor de problemen van het kapitalisme en de wetenschap laat zien dat zij die destructie goed beheerst. In sociale systeemtheorie gaat men er vanuit dat de grondbeginselen van een sociaal systeem niet ondervraagd mogen worden, omdat dat het voortbestaan van het systeem op de tocht zet. Hoogstens kunnen we spreken van een ‘weeffout’, een praktische uitwerking die nog niet beantwoordt aan de principes van het systeem ‘zoals het bedoeld was.’ In het verlengde daarvan zou ik willen beweren dat de vraag die bij zowel de economie als de wetenschap niet echt serieus gesteld mag worden is: tot hoe ver gaat dat? Kapitalisme blijft in stand bij de gratie van doorgaande accumulatie van rijkdom. Ook al wordt er al honderden jaren gesproken over het mogelijke einde van de groei, en ook al worden sommige grootverdieners in diskrediet gebracht en tot graaiers omgedoopt, het systeem wordt maar beperkt aan banden gelegd. Ook wetenschap kenmerkt zich door een constante stroom van nieuwe ontwikkelingen. Of dat nu altijd om betere theorieën gaat of om de verdunde versie van innovatie, nieuwe toepassingsgebieden of invalshoeken, maakt niet uit. Voorlopig is nog niet alles ontdekt, maar zal dat altijd zo zijn? Popper zegt hierover dat de menselijke onwetendheid oneindig is, maar een verklaring daarvoor geeft hij niet, of het moet zijn dat elke nieuwe theorie ook weer de mogelijkheid van het identificeren van nieuwe problemen met zich meebrengt. Wat dat betreft is de toekomst voor de sociale- en geesteswetenschappen rooskleuriger dan die van de exacte gebieden want samenlevingen ontwikkelen een stuk sneller dan de natuur, dus er valt altijd wel wat te onderzoeken. Toch blijft het de vraag of we vast moeten houden aan de continue productie van kennis als hoofddoel van de wetenschap.

33


Waar verliezen wij

de vrouwen?

Naar aanleiding van het microfoontje dat meerdere malen van Giselinde Kuipers haar jurk viel tijdens college, waarop zij opmerkte dat het ook was gemaakt voor het jasje van de man, rees de vraag hoe vanzelfsprekend het is dat een vrouw voor de collegezaal staat. Wat is eigenlijk de positie van de vrouw binnen de universiteit? Tijd voor een groepsgesprek met Daniela Grunow (D, middelste foto), universitair hoofddocent sociologie, Sjoukje Botman (S, rechter foto), docent sociologie en Giselinde Kuipers (G, linker foto) universitair hoofddocent bij sociologie en bijzonder hoogleraar op de Erasmus Universiteit. DOOR: LAURA WEIJERS / BEELD: ELSKE VERDOORN

34


Jullie waren enthousiast en wilden graag meedoen aan dit groepsgesprek, waarom? G: Ik denk dat studenten echt niet door hebben hoe gender werkt. Ze zijn er ontzettend naïef over. Soms probeer ik tijdens het onderwijs er op te wijzen dat genderongelijkheid een rol speelt, dat het sociaal gevormd is en niet vanzelfsprekend is. Ik denk dat het onder meer de taak van een socioloog is om te laten zien waar het wringt. S: Ik doe mee omdat je natuurlijk alles kunt bekijken vanuit het genderperspectief, maar waar houdt dat op? Bijvoorbeeld een gesprek met twee academische mannen en een vrouw. Dan zit de vrouw binnen 5 minuten er voor janlul bij. Doet ze dat zelf ? Als het nou een man was die verlegen is, zou hij er dan ook zo bij zitten? Ik ben daar nog niet over uit. D: Voor mij is het een speciale situatie, omdat ik in Duitsland mijn PhD heb gehaald en daar ook een gender-sensitieve opleiding heb gevolgd. In een andere context zijn situaties duidelijker die je normaal als vanzelfsprekend beschouwt. De Nederlandse studenten zeggen wel: ‘voor mij is alles super hier, Nederland is zo progressief ’, maar als je naar de feiten kijkt heb je een ander beeld. Ik vind het belangrijk om dat te communiceren.

“Het idee over de eigen keuze van een individu is een gevaarlijk punt in dit verhaal” Inderdaad, de feiten. In Nederland bestaan de hoogleraren ongeveer 14% uit vrouwen (zie grafiek op de volgende pagina). Is dat erg? D: Het is volgens mij wel erg. Ik zit op dit moment in een promotiecommissie met weinig vrouwen, terwijl die wel nodig zijn en ook te vinden zijn. Er is een balans nodig op retorisch niveau. Waarom is het belangrijk dat er een balans is? D: In een situatie waar mannen en vrouwen beiden werken en goed opgeleid zijn, is het raar dat mannen een significant veel beter carrièreverloop hebben dan vrouwen. Dat leidt tot de sociologische vraag: hoe kan dat? G: Ik denk om een aantal reden. Allereerst, zie de grafiek. Bij elke hiërarchische stap verdwijnen er vrouwen. Als je een hiërarchisch systeem hebt waar het begin gelijk is en elke hiërarchische stap zoveel meer mannen doorgaan dan vrouwen, dat lijkt

toch wel een beetje op uitsluiting en iets structureels. Vrouwelijke studenten presteren tegelijkertijd beter dan mannelijke studenten. Je verliest met een dergelijk systeem dus ook talent. Daarnaast leidt het tot een vrij gesloten cultuur. Op de universiteit gaat het om openheid en het bedenken van nieuwe ideeën, waarbij variëteit nodig is. Het gaat trouwens ook om buitenlanders die moeite hebben om hoger op te komen. S: Ik sluit me daarbij aan. De grafiek laat niet alleen zien dat het aantal vrouwen drastisch daalt, maar ook dat studenten consequent les krijgen van mannen. Ook op televisie prime time Nederland 1, 2 en 3, alleen maar blanke mannen aan het woord. Op de universiteit hetzelfde beeld: alleen maar blanke mannen. Zo leren wij de studenten niet over vernieuwing en omgang met diversiteit. Waarom is er überhaupt sprake van genderongelijkheid? D: Dat heeft te maken met verschillende processen. Als eerste cohortvernieuwing. Vrouwen die nu in de vijftig zijn, zijn niet even hoogopgeleid als mannen. Pas sinds de jaren ‘80 en ‘90 is er steeds minder een verschil in gender- en onderwijsprestaties. Tegenwoordig presteren meisjes zelfs in het algemeen beter dan jongens. Waar verliezen wij die vrouwen? Een andere belangrijke factor is het feit dat professoren je uitkiezen om voor hen te werken. Het percentage dat te maken heeft met het niet kunnen vinden van een professor die je aanmoedigt, is ook een heel belangrijke factor. Immers, kiezen professoren, die voornamelijk bestaan uit oudere blanke mannen, eerder voor iemand die op ze lijkt. G: Er is ook nog iets met Nederland, denk ik. Deze grafiek (plaatje) is extremer dan in andere landen. Dit heeft ook te maken met de hoeveelheid deeltijdwerk uitgevoerd door vrouwen. Hoe Nederlanders denken over mannen en vrouwen, dat lijkt een beetje op de naïviteit van studenten; ‘Nederland is af, zie je niet hoe perfect het is?’ Vrouwen willen sporten, met vriendinnen afspreken, bij de opvoeding zijn etc. In hoeverre creëren vrouwen hun eigen plafond? G: Dat willen mannen ook. Het idee over de eigen keuze van een individu is een gevaarlijk punt in dit verhaal. Welbeschouwd wordt het idee van het zelf grotendeels door de samenleving gemaakt.

35


SJOUKJE BOTMAN

S: Ja, en die wordt gedomineerd door mannen. Uit de statistieken blijkt dat mannen het belangrijker vinden dat er een ouder bij het kind blijft. Is dat dan nog een preferentie van de vrouw? D: In vergelijkend perspectief is het belangrijk om te kijken naar het systeem van kinderopvang. Als de staat betere kwaliteit kinderopvang biedt en meer uren, zoals in Zweden, dan gaan er ook meer kinderen naar de opvang. In Nederland varieert de kwaliteit enorm. Hier is het een duur en privaat systeem. Uit wetenschappelijke interviews met zorgverleners kwam bij sommige de mening naar voren dat kinderen in Nederland die vier dagen per week naar de kinderopvang gaan een risicofactor voor de ontwikkeling hebben. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld eerder last zouden hebben van gedragsproblemen. S: Ik denk niet dat vrouwen binnen de universiteit hun eigen plafond creëren. Ik had het laatst met een mannelijke collega over onzekerheid. Ik zou te onzeker zijn voor de klas, maar uit welk discours komt dat voort? Vanuit zijn socialisatie is onzekerheid slecht. Misschien zijn mannen wel te zeker. Of

36

DANIELA GRUNOW

GISELINDE KUIPERS

zijn die mannen een toneelstuk aan het spelen. Een wetenschapper is de weter. Onzin! G: Er is inderdaad iets met de manier waarop vrouwen zich in het algemeen presenteren. Vrouwen zijn toch meer reflexief, minder stellig en onzeker, etc. Mannen kunnen gaan staan, probleemloos op het podium klimmen en verkondigen: ‘dit is de wereld, volgens mij’. En vrouwen doen dat toch anders. Dat heet dan onzekerheid of twijfel, maar ik denk dat dat een realistische manier is om als een wetenschapper in de wereld te staan. S: Hoe hebben jullie het ervaren dat je in al die stappen beoordeeld wordt door blanke mannen? G: Er was wel eens een vrouw bij. Maar meestal toch wel tien blanke mannen en soms één vrouw. Je leert hoe je je moet presenteren. Je leert een taal, die veel zelfverzekerder is. Het is een rol. Maar overal heb je rollen. Je went eraan en probeert te kijken wat bij je past. S: Jullie zijn wel rolmodellen in dat opzicht. D: Ik ben het eens met het idee dat je een rol moet vinden die bij je past. Zo heb ik dat ook ervaren. Ook is het belangrijk om een speelse houding te


hebben. Mijn mentor professor leerde mij dat het belangrijk is om je niet uit het veld te laten slaan. Socioloog Catherine Hakim heeft onlangs de term ‘erotisch kapitaal’ gepopulariseerd. Volgens haar verdien je 10 tot 20 % meer als je erotisch kapitaal - een mix van uiterlijke aantrekkingskracht, charme, sociale vaardigheden en een gevoel voor stijl - hebt. G: Ik ken uit onderzoek dat knappe mensen meer verdienen. Ook heel veel andere factoren zijn natuurlijk van invloed, maar er goed uitzien heeft een onafhankelijk effect op je carrièreperspectief. Zeker in de universiteit, je staat te presenteren bij het geven van college. Ik vind het wel een beetje misleidend om het erotisch kapitaal te noemen. D: Er zit ook wel een verschil tussen een knappe jonge man en knappe jonge vrouw. Een man is zelfverzekerd en een vrouw is leuk om te zien. Ook in interactie met studenten is dat duidelijk. Nu word ik steeds ouder en dus word het een minder groot probleem, maar de autoriteit hebben als jonge knappe vrouw is echt veel moeilijker. Er is toch een associatie met knap en dom.

“Misschien zijn mannen wel te zeker” Waar gaan we naartoe? Vroeger waren er nog minder vrouwen. D: Ik ken persoonlijk best een groot aantal vrouwelijke hoogleraren. Ook in andere landen. Ik denk dat het opgelopen is in de laatste 10 jaar. Vijftig procent mannen en vijftig procent vrouwen in de top hebben is belangrijk. Gezien de prestaties van mannen en vrouwen, maar ook door hoe de Nederlandse staat werkt. De staat gaat ervan uit dat mannen en vrouwen dezelfde keuzes en kansen zouden moeten hebben en dat betekent dus dat er vijftig procent vrouwen en vijftig procent mannen in de top zouden moeten zijn. Is dat niet te idealistisch gesteld? Wat moet er gebeuren om dat te kunnen bewerkstelligen? G: Bij sociale wetenschappen zou dat toch wel

moeten kunnen? Bij natuurkunde lijkt het me onrealistisch. We hebben zo ontzettend veel vrouwelijke studenten. Ik denk dat langzame geleidelijke veranderingen de enige manier is. Je kunt het niet van bovenaf opleggen. Wat vonden jullie van het plan in Groningen dat meer vrouwen in Nederland naar het hoogleraarschap laat doorstromen? Vervolgens hadden studenten een klacht ingediend bij de Commissie van Gelijke behandeling. Ze hadden gelijk gekregen, omdat een vrouwelijke student had gezegd dat ze niet het gevoel wilde krijgen dat ze een baan had gekregen omdat ze vrouw is. Toen was de universiteit op de vingers getikt. Wat vinden jullie daarvan? D: Poeh, ik vind dat heel onfeministisch. Ik vind het goed dat er programma’s zijn die de positie van vrouwen bevorderen. Dat is een van de belangrijke stappen, maar het is ook nuttig om commissies met vijftig procent mannen en vijftig procent vrouwen te bezetten. Het is niet dat mannen willen discrimineren, maar veel dingen gebeuren zonder dat we er echt over nadenken. Daarom moeten er structuren worden ingezet om vrouwen, door bijvoorbeeld quota, te helpen er wel te komen. S: Wel een makkelijk argument van de studente, maar de werkelijkheid zit lastiger in elkaar. Ik wist wel dat Groningen inzette op het verhogen van het aantal vrouwen en daar was ik ook heel positief over. Ze moesten wel aan allerlei eisen voldoen. Ik zag het als een kans. G: Ik vind het naïef van de studente. Dat je niet ziet dat er allerlei structuren zijn die machtsverhoudingen normaliseren en doet alsof het gewoon een eigen keuze is. Daar moet je reflexief over zijn. Dat programma in Groningen was goed. Het was niet hetzelfde als positieve discriminatie in klassieke zin. Die machtsverhoudingen spelen een belangrijke rol. Zeker omdat je voor het hoogleraarschap wordt gekozen. Het hele promotieritueel, jij verdedigt jezelf tegen een groep mannen in jurken, en dan wordt je opgenomen in de academische gemeenschap. D: Je moet toch wel solliciteren? G: Ja, maar je wordt gevraagd om te solliciteren. L: Dan is het plan uit Groningen juist belangrijk!

37


De dynamiek Kies jij ook zelf vaker voor een vrouwelijke student als je een stageplek hebt? G: Dat is moeilijk om van jezelf te zien. Ik herken van mezelf dat ik kies voor iemand die op mijzelf lijkt. Maar ik heb nu in mijn team evenveel mannen als vrouwen. Goed voor de dynamiek. D: Ik werk in het gendergebied en daar zitten in ieder geval meer vrouwen. G: Ik denk dat gender ook een heel belangrijke rol speelt in de beoordeling van studenten. Ik ben een aantal keren geschrokken van hoe er over vrouwelijke docenten word gesproken. Je moet als vrouw meer aan studenten bewijzen dat je legitiem voor de collegezaal staat. Ik kreeg evaluaties waarin stond dat ik een leuke meid was, maar ook opmerkingen over kleren. Ik heb nooit bij andere mensen zo het gevoel had dat ik als vrouw werd bekeken. Ik vind dat teleurstellend. Hebben jullie dat ook? D: Ik heb ook evaluaties over of ik knap ben en wie mijn jurk leuk vind. Ik kijk precies wat ik aantrek en zorg ervoor dat ik er bij de eerste colleges zo uitzie dat ik goed de technische apparaten aan mijn kleding kan hangen en dat ik zeker weet hoe de technische middelen werken. Dat heeft met een rol te maken. Overtuigend spelen dat je een docent bent. G: Studenten laten je op alle manieren merken dat je vrouw bent. Denk maar aan hoe je over docenten praat als student. Je mag als docente geen lichaam hebben. Het ligt ook aan wat voor college. Als ik gastcollege geef dan doe ik wel een rode jurk aan, voor die ene keer. Toch een beetje gebruik maken van erotisch kapitaal binnen de universiteit? G: Dat is behoorlijk riskant, maar studenten zijn wel heel erg bezig met de kleding die je aan hebt, dus je moet er wel goed uit zien. S: Zijn er nog afsluitende woorden van troost? Tijdje stil... S: Uhm, Ik weet niks eigenlijk G: Ik weet het ook niet. Tja het is niet alleen maar.... Het is ook een hele leuke plek om te werken, de universiteit, echt.

38

DOOR:YALDA BASHTBAVI

N

iet alleen de overdaad aan objecten, maar ook ideeën zorgen ervoor dat wij de overhand verloren hebben. Wij mensen die de ideeën als een krachtige windvlaag over ons heen krijgen en daar niet veel meer tegen in te brengen hebben. Waar blijft die gezonde, omgekeerde verhouding, waarin mensheid en vindingrijkheid nog hand in hand gingen? Kinderen hebben nog niet veel van de wereld geproefd en hebben eigen filosofische inslagen. Op zeer jonge leeftijd draait het creërend vermogen op volle toeren. Naarmate de volwassen leeftijd nadert, zwakt dit af. In de loop van het denkproces worden we namelijk steeds meer blootgesteld aan bestaande ideeën, en nog belangrijker: we leren wat ‘normaal’ is. Op de basisschool wordt een bepaalde levenshouding aangeleerd, waardoor het kind steeds terughoudender wordt ten opzichte van een eigen levensfilosofie. Een eigen levensfilosofie wordt door het kind opzij geschoven, het conformeert zich steeds meer aan anderen, uit angst om niet geaccepteerd te worden. Door wie? Alsof de objectieve cultuur gereïficeerd is tot een persoon. Een persoon die teleurgesteld zou raken indien er niet wordt gehouden aan de middelmaat van de maatschappij. Wij reflecteren veel minder op de creaties die los zijn komen te staan van ons. Dit geldt ook voor theoretische, vakgebonden concepten. Ik herinner mij de discussies rondom een antwoordmodel van het eindexamen van het voortgezet onderwijs nog. Een discussie over het gegeven antwoord was uit den boze, want als het antwoord op de meerkeuzevraag A was en sommige leerlingen dachten –op basis van verschillende beargumenteerde criteria- dat B een beter antwoord was, dan maakte dat niet uit. Immers, ‘we mogen niet afwijken van het antwoordmodel, want het


van ideeën

‘De regels zijn de regels’ Mental ferocity Life, let us live, To colorize, to thrive.

antwoordmodel is correct’, werd als (drog)reden gegeven. Eigenlijk was er gewoon meer vertrouwen in het antwoordmodel dan het vermogen van de leerlingen. Misschien is de definitie van de moderne mens alleen nog maar: een passief wezen wiens verstand klakkeloos moet worden volgegoten met bestaande inzichten. Op de basis- en middelbare school zijn we vaak de luisteraars, niet de denkers. In onze dagelijkse gesprekken blijven we aan de oppervlakte om maar de diepgang te vermijden. En als we al de diepte ingaan, komen we vaak met oppervlakkige clichés. Wat is onze rol dan nog in de samenleving als de samenleving geleid wordt door hetgeen wat al geproduceerd is? Ik denk dat bepaalde onconventionele vormen van kunst een uitweg kunnen bieden. Misschien kunnen we dan vorm geven aan onze eigen realiteit. Poëzie bijvoorbeeld, maakt het schrijven genotvol, omdat het niet gebonden is aan regels. Het gedicht hiernaast heb ik geschreven om een illustratie te schetsen van mensen die een eigen draai proberen te geven aan de herhalende routines. Het gedicht is een kneedsel van inspiratie uit de tragedie van cultuur en de daarmee samenhangende, grauwe rationaliseringstendens van Weber: rationalisering maakt tevens weinig ruimte vrij voor een eigen inbreng. Dat vleugje poëzie - en ook andere vormen van kunst - impliceren een eigen expressie. In de dagelijkse overheersing, waar wij snakken naar lucht, vinden wij toch nog bepaalde wegen in de kunst. Daar kunnen wij even ontsnappen aan de creaties die zich aan ons opdringen. Onze subjectieve cultuur zal in toekomst dan ook niet ten onder gaan: de mens is immers homo faber, aldus Marx. We moeten alleen proberen om de overhand wat meer terug te krijgen.

Dusty portrait of required principles, hush! Life does not have to be spent in a tedious rush. To oblige your achromatic portray? Demand the fulfillment of an own way. Perplexed, grey pictures I saw, Isn’t a painter there to draw? A draft of the persistent journeys, it decodes The question of the colors down the roads. Too far from a drift, a purpose, those who perceive this gap, Know we have lost sophisticated destinations on each map. Looking around, seeing monotonous portrays, Painters, do not get trapped into that gaze. Be conscious of your own potential, Which makes life more essential. Each humans own comprehensive capability Needs to be propelled by a possibility. Cultivation, offering a temporary escape, Extend air to breath, the width of life to shape. Be awed by the space of thoughts, the variety of any theme, Not the artificial, mechanical accuracy of every days scheme. To pluck flowers and place into a bordered vase, Punctuality, offer us some unforced space!

reflectie 39


Eeuwige schoonheid? DOOR: SHIVA SHAZAD

J

e hoeft maar een willekeurige Bruna in te lopen en je ziet op de voorkant van vele glossy’s de afbeeldingen van blanke, blonde, slanke AA-cup vrouwen. Deze vrouwen vormen de gezichten van kapitaalkrachtige westerse ondernemingen die wereldwijd de markt van de mode, cosmetische industrie en media domineren. De opkomst van de moderne communicatiemiddelen begin vorige eeuw, en de uiteindelijke globalisering van kapitalisme en vrijemarktideologie, heeft ervoor gezorgd dat de afbeeldingen van deze vrouwen wereldwijd verspreid worden via kranten, tijdschriften, reclames en films. Deze vrouwen zijn ‘gemaakt’ tot universele schoonheden en vormen het ‘ideaalbeeld’ voor menig vrouw. Hoewel schoonheidsidealen vaak worden beschreven als onderhevig aan historische verandering, bijvoorbeeld wat betreft lengte, proporties en kleding, laten afbeeldingen zien dat haarkleur, huidskleur en esthetische gezichtskenmerken relatief weinig verschillen ten opzichte van tientallen jaren terug. Er lijkt sprake te zijn van een dominant westers schoonheidsideaal.

40

De preoccupatie met schoonheid en het ontstaan van schoonheidsidealen is echter niet iets van de vorige eeuw. Al sinds de klassieke Oudheid wordt er druk gefilosofeerd over schoonheid. Plato maakte in het Symposium bijvoorbeeld onderscheid tussen enerzijds fysieke en anderzijds ware of ideale schoonheid. Voor Plato stond ware schoonheid los van fysieke schoonheid. De mens bezat fysieke schoonheid maar moest streven naar ware schoonheid. Ware schoonheid was een innerlijke morele schoonheid, identiek aan de deugd. Alleen door een deugdelijk leven na te streven, kon iemand uiteindelijk een gelukkig mens worden. Aristoteles, leerling aan de school van Plato, koppelde schoonheid vervolgens los van innerlijke eigenschappen en verbond deze aan uiterlijke menselijke eigenschappen. Schoonheid was voor Aristoteles immers geen na te streven eigenschap, maar juist terug te vinden in de natuur en dus in de mens zelf. Schoonheid was voor Aristoteles een combinatie van perfecte symmetrie, orde en juiste verhoudingen. Deze combinatie zou terug


te vinden zijn in ieder menselijk lichaam en zorgde bij perfecte samenwerking voor mentaal welzijn. Het gezicht vormde voor Aristoteles de spiegel van dit mentale welzijn: The face, when fleshy, indicates laziness, as in cattle: if gaunt, assiduity, and if bony, cowardice, on the analogy of asses and deer. A small face marks a small soul, as in the cat and the ape; a large face means lethargy, as in asses and cattle. So the face must be neither large nor little: an intermediate size is therefore best (Aristoteles 1984, geciteerd bij Synnott 1989: 614). Dit idee van het gezicht of het uiterlijk als spiegel van het innerlijk, zorgde in de achttiende eeuw zelfs voor het ontstaan van een nieuwe wetenschap: de fysionomie of gelaatskunde. De geboorte van het Platoonse schoonheidsideaal en het Aristoteliaanse fysieke schoonheidsidee, heeft het westerse denken over schoonheid tot op heden beïnvloed.

Opmerkelijk is wel dat de vrouw in dit klassieke gedachtegoed nauwelijks voorkwam. Schoonheid ging voornamelijk over jonge mannen. Het duurde tot in de Renaissance voordat het vrouwenlichaam in literatuur beschreven en gezien kon worden als iets volmaakts. Doordat de filosofische traditie van Plato en voornamelijk Aristoteles grote invloed heeft gehad op ons westerse denken is het niet zo gek dat wij schoonheid koppelen aan het uiterlijk en aan idealen. Gelukkig is schoonheid nog altijd subjectief - wat ik mooi vind hoef jij niet mooi te vinden – en relatief; schoonheidsidealen kunnen per cultuur en land verschillend zijn. Zo streven vrouwen in Brazilië liever een grote kont en grote borsten na dan die AA-cup. Toch vraag ik me af hoe lang dit nog zo blijft. De wereldwijde toename van het aantal schoonheidsoperaties bevestigt wellicht het dominant worden van bepaalde westerse idealen. Wellicht dat we er in de toekomst allemaal (nog) meer hetzelfde uit gaan zien?

reflectie 41


Bizar Bazaar In menig studentenkamer tref je een zeer originele inrichting aan van een groot Zweeds meubelconcern met onuitspreekbare namen voor de producten. Voor de meer creatieve geesten onder ons, of mensen met een fobie voor doe-het-zelf meubels en handleidingen, is het zaak om ergens anders hun heil te zoeken. Een budgettair verantwoord alternatief in Amsterdam zijn de IJhallen in Noord waar je urenlang kunt dwalen tussen de nuttige voorwerpen die een tweede leven tegemoet gaan. Werkelijk alles uit vervlogen tijden dringt zich dan weer aan je op. Trollies vol veroveringen worden per pont vervoerd, op naar een nieuw adres. Hiernaast illustreert de digitale marktplaats op welke schaal er online in koopwaar gehandeld wordt. Van boerenbont tot origineel Chinees porselein. Echte liefhebbers vinden er hun authentieke schat, de leek een playstation drie. Heel wat uren worden zo besteed. Slenterend langs de stallen of al surfend advertentie na advertentie. ‘Snuffelen’ wordt het ook wel genoemd. Het oogt als vrij nutteloos tijdverdrijf. Het liefst zou ik mensen willen vragen wáár ze precies naar op zoek zijn. Het altijd spannende televisieprogramma ‘Tussen kunst en kitsch’ brengt mij een stap dichterbij. Vanuit uithoeken van de provincie worden vermeende pronkstukken aangedragen, wachtend op het keurend oog van de meester. Deze experts construeren op een wat autoritaire manier een geschiedenis aan de hand van het voorwerp. Een verborgen gebruiksaanwijzing wordt vaak geïllustreerd. De theelepels van zolder blijken een hoofdrol te spelen in een koloniaal verleden. Wie had dat ooit gedacht? Alle esthetische schoonheid van het object wordt heel even vergeten als het grote moment is aangebroken. Met wetenschappelijke technieken kan de authenticiteit van een stuk achterhaald

42

DOOR: HELENE TUINMAN / BEELD: ELSKE VERDOORN

worden, wat resulteert in een schatting van de marktwaarde. Met blosjes op de wangen wordt de zaal verlaten na het horen van een prijs. Alleen als er met een mate van zekerheid is bepaald dat een voorwerp verbonden kan worden aan een reeds bestaand en gewaardeerd paradigma met de bijbehorende toetsbare criteria, wordt er gesproken van een origineel. Het past binnen een school of traditie en vormt een mooi of misschien een minder mooi exemplaar, maar wel een echte. De link met het verleden is evident. Wat kunst is en wat kitsch, wordt dus van elkaar gescheiden door een fragiele scheidslijn. Echt antiek onderscheidt zich van de anomalie waarvoor het label kitsch resteert. Het kunnen plaatsen in een vastomlijnde stroming of kunstschool is hierbij van doorslaggevend belang. De waardering voor verschillende kunst­ stromingen is iets wat met de tijd verandert. Deze door Bourdieu geïntroduceerde machtsstrijd over wat als schoonheid gezien kan worden, is ook hier van een onbeslissende aard. In het verleden behaalde resultaten bieden wederom geen garantie voor de toekomst, maar nu juist andersom. Hiervan bewust bevinden mensen zich graag op deze markt vol beloften. Misschien is er wel iets in de familie dat zich ongemerkt in waarde heeft verdubbeld of blijkt een stoffige vaas op de markt toch heel wat meer waard te zijn. Prachtig of niet, met het oog op de economisch belabberde tijden is het soms verstandig om nog maar even door te snuffelen.


‘Outliers’ Malcolm Gladwell

DOOR: STEFAN VAN DER VEEN

Het geloof dat succes de uitkomst is van individuele prestaties wordt breed gedeeld. Synchroon met deze logica is de socio-economische positie van mensen bepaald door hun individuele merites. Malcolm Gladwell betoogt overtuigend dat dit idee van een meritocratie bepaald geen truïsme is. In zijn boek ‘Outliers, the story of success’ beargumenteert Gladwell dat er iets fundamenteel verkeerd is aan deze opvatting van succes. Hij bevecht meritocratische verklaringen van succes, en stelt hier meer ‘ecologische’ verklaringen tegenover. Hierbij benadrukt de auteur het belang van oefening, kansen, relatieve voorsprongen, praktische kennis en culturele erfenissen. Geheel tegen de Noord-Amerikaanse traditie in, relativeert Gladwell het ideaal van individuele maakbaarheid. Het boek kan de lezer attent maken op, en vatbaar maken voor structurele verklaringen van succes: “people don’t rise from nothing” beargumenteert de Canadese auteur. Hiermee ageert Gladwell tegen de ‘American dream’ en de ‘self-made man’, en opent de deur voor het idee dat goede presteerders goed zijn vanwege goede omstandigheden. In dit verband beschrijft Gladwell onder meer het zogeheten ‘Matthew-effect’, een term als eerste gebruikt door Robert Merton (1968). De Canadees werk dit concept uit en constateert dat wanneer relatieve voordelen zich voordoen in een vroeg stadium, deze voordelen kunnen uitgroeien tot enorme verschillen tussen mensen. Hier wendt hij zich tot het voorbeeld van de Major Hockey League waar verdacht veel spelers geboren zijn in januari, februari of maart. Volgens Gladwell is dit niet verwonderlijk. De ‘cutoff date’ in ijshockey ligt op 1 januari. Wanneer twee spelertjes van negen jaar op 1 januari, de ene jarig op 2 januari en de ander op 17 oktober, voor hetzelfde team zijn geselecteerd, is

de eerste meer dat een halfjaar ouder dat de laatste. En volgens Gladwell kan dit minieme verschil het gevolg hebben dat de ene speler later wel professioneel hockey gaat speler en zijn half-jaar-jongere medespeler niet. Want op 9-jarige leeftijd is een halfjaar leeftijdsverschil een onoverkoombaar verschil. De jongen die op 2 januari tien wordt zal namelijk groter, sterker en sneller zijn dan zijn teamgenoot, en dus eerder gescout worden voor een betere club, en meer oefening en coaching krijgen en dus sneller beter worden en meer kans maken om professioneel hockey te gaan spelen. Dit minieme voordeel op jonge leeftijd kan zo uitgroeien tot een enorm verschil tussen de beide voormalige teamgenoten. Niet alleen op het gebied van ijshockey is het Matthew-effect werkzaam. Ook binnen de universitaire wereld, toetsing in het lager onderwijs, enzovoort, bemerkt de Canadese auteur de structurele bepaaldheid van succes. In zijn beschrijving van verschillende ‘ecologische’ verklaringen van succes is Gladwell niet geheel origineel. De Canadees gebruikt de ideeën van anderen (Matthew-effect, 10.000-hour rule, practical knowledge) om een overtuigend betoog te schrijven waarin wordt afgerekend met het meritocratische ideaal. Als een goede journalist doet Gladwell onderzoek om zijn theorie te bevestigen. Hij haalt onderzoeken van anderen aan en gebruikt ze om zijn theorie kracht bij te zetten. Maar dit is misschien ook wel de zwakte van het boek. Een goede journalist is nog geen wetenschapper. Hoewel het boek zeer goed geschreven is, bespreekt Gladwell onvoldoende de wetenschappelijke implicaties van zijn theorie. Het boek is een anekdotische vertelling, een ordening van verschillende concepten en theorieën, maar misschien ook niet meer dan dat.

43


In de praktijk

PROFIEL Naam: Eva Duffhues Wat: Onderzoeksstage Waar: Bij de afdeling educatie van de Anne Frank Stichting Wanneer: september - januari Aantal studiepunten:10 ECT

DOOR DE REDACTIE

Hoe ben je op deze specifieke stageplek terecht gekomen?

De vriendin van mijn broer werkt bij de Anne Frank Stichting. Ik heb haar herhaalde keren gevraagd of ze plek hadden voor een stagiaire en op een gegeven moment kwam er een plek vrij. Wat hield je werk bij de Anne Frank Stichting in?

Voor de afdeling educatie van de Anne Frank Stichting heb ik een onderzoek gedaan naar het gebruik en het imago van de Anne Frank Stichting en haar educatieve materiaal op VMBO-scholen. Door middel van enquêtes en interviews heb ik onderzocht in hoeverre het huidige aanbod van de Anne Frank Stichting past bij de behoeftes van de VMBO-docent. Welke dilemma’s komen de docenten tegen wanneer zij lesgeven over thema’s als de Jodenvervolging, discriminatie en racisme, vooroordelen, stereotypen en identiteit en welke educatieve ondersteuning kan hen hierin beter bijstaan? Waarom heb je gekozen voor een stage?

Ik ben een stage gaan doen omdat ik nog vrije ruimte in te vullen had en op zoek was naar een uitdaging. Ik heb inmiddels vier jaar sociologie studeren achter de rug en vond het belangrijk om te ontdekken wat ik met deze vaardigheden in de praktijk zou kunnen gaan doen. Door middel van een stage hoopte ik wat meer verantwoordelijkheid te leren nemen, zelfstandiger te leren werken en een beter beeld te krijgen van mijn sterke en zwakke punten. Heeft deze keuze opgeleverd wat je er van had verwacht?

Ja. Natuurlijk heb ik veel geleerd, maar het was vooral een hele leuke en intensieve tijd.

44

In hoeverre merkte je dat wat je bij de studie hebt geleerd bruikbaar was?

In mijn onderzoek kon ik sommige vaardigheden wel goed toepassen. Bij het data verzamelen, verwerken en analyseren bijvoorbeeld. Daarnaast was het voor mijn onderzoek van belang om te ontdekken welke positie de Anne Frank Stichting in de maatschappij en op middelbare scholen inneemt. Ik denk dat ik door de studie sociologie goed heb kunnen ontdekken aan welke waarden en ideeën de Anne Frank Stichting belang hecht en hierdoor heb kunnen begrijpen welke gevolgen deze belangen hebben voor het imago en het functioneren van deze stichting in de maatschappij. Heb je nog tips voor diegenen die ook een stage zouden willen volgen?

Een tip: ga niet alleen zoeken naar vacatures voor een ‘sociologie student’ maar ga op zoek en klop aan bij stichtingen en organisaties die in jouw interesseveld liggen en overtuig ze ervan dat jij als sociologiestudent van waarde kan zijn. De komende tijd wordt het wellicht lastig om een stage te doen, aangezien studenten door de huidige bezuinigingen worden ontmoedigd om te kiezen voor vakken of praktijkervaring buiten de reguliere bachelor. Toch kan ik een stage echt aanraden. Je zet daarmee een eerste stap richting de praktijk. Hierdoor wordt goed duidelijk welke toekomstperspectieven je hebt als socioloog. Natuurlijk houd je ook een goed netwerk aan je stage over en via dit netwerk kan je wellicht aan een nieuwe opdracht of baan komen.


BART VAN HEERIKHUIZEN

Krokodillen in de Apple store BEELD: MISHA MELITA

H

et is een diep insnijdend beeld: 35 volwassen mannen en vrouwen en 15 kinderen, die zich doodsbang verstoppen onder de bankjes van een bootje dat wordt belaagd door een groep hongerige krokodillen. Op de boot een in khaki geklede skipper met een geweer, die de ene na de andere krokodil met luide knallen doodschiet. Als de laatste naar de bodem van de kreek zinkt, roept hij het gezelschap toe dat het gevaar is geweken. Nahuiverend van de angst komen de reizigers één voor één tevoorschijn. Eén van hen was ik. Deze traumatische gebeurtenis heeft mijn leven voorgoed veranderd. In 1991 won mijn zoontje, tien jaar toen, een tekenwedstrijd. De hoofdprijs was 2500 gulden, meer dan 1000 euro dus, en trouwens ook meer dan het dubbele van die 500 euro die je nu krijgt als je de beste sociologiescriptie van het jaar hebt geschreven. Toen we na afloop van de prijsuitreiking in het café zaten, was het eerste dat zoon Lucas vroeg: is dit genoeg om naar Disneyland te gaan? Let wel, Disneyland Parijs bestond toen nog niet, hij had het over Amerika. Ik zei dat het genoeg was en hij begon te stralen. En dus zat ik een poosje later in het vliegtuig naar Orlando, Florida. Een taxi bracht ons naar het hotel in Kissimmee en van daaruit bezochten we gedurende een volle week, dag in dag uit, Disneyland en de andere pretparken die daar vlak bij elkaar liggen. Omdat er in Europa nog geen amusementsparken van dit soort waren (je kunt deze parken niet vergelijken met de Efteling), keek ik mijn ogen uit. Zo viel het op dat er veel volwassen mensen zonder kinderen rondliepen. Het bleek heel gemakkelijk om met Amerikanen een kort gesprekje te voeren en dus was ik er al snel achter dat het stijf gearmde zwarte echtpaar van rond de zestig uit New York kwam en jarenlang had gespaard voor dit bezoek, dat die twee uitgelaten latino’s hier hun verloving vierden, dat het groepje grijze mannen in

korte broeken met hawai-shirts een collega fêteerden die met pensioen ging (hint, hint). Ongelooflijk! Je woont in Washington DC, je bent een lesbisch stelletje dat al vijftig jaar samen is en wat is je grootste wens? Nog één keer een bezoek te brengen aan Disneyland, Florida! Eén van de attracties die we op de eerste dag uitkozen was de zogenaamde Jungle Cruise. Je stapt op een bootje en je vaart door de wildernis van de Mekong Delta, de Amazone en de binnenlanden van Afrika. Zo althans werd het ons aangekondigd en zo staat het tot op de dag van vandaag op de internetsite van Disneyland. Er gingen zo’n 50 mensen op de boot. De kapitein startte de motoren en al meteen keken Lucas en ik elkaar stomverbaasd aan: deze boot reed op rails door het ondiepe water. Dit was letterlijk een ride. Even later zagen we een groepje hyena’s die duidelijk van plastic waren en ook de Bengaalse tijger die ons vanuit het riet toebrulde maakte een afgebladderde indruk. We hadden een beetje de pest in: dit was niet het soort attractie waarvoor we hier gekomen waren. En toen kwam dus die aanval van een groep krokodillen. Ook deze dieren zagen er uit als liefdeloos maakwerk. Dus toen al die Amerikanen onder hun banken doken, bleven Lucas en ik gewoon rechtop zitten. Je gaat toch niet angstig wegduiken voor lelijk gemaakt speelgoed? De bootsman schreeuwde tegen ons dat we ons onder de bank moesten verstoppen, your life is in danger, take shelter, duck you guys, now duck, quick. Met intense Hollandse tegenzin gaven we gehoor aan het dwingende verzoek. Wat ik toen zag was dat diep insnijdende beeld. Al die Amerikaanse volwassen mannen en vrouwen die daar bibberend van angst onder die bankjes ineengekruld lagen, hadden het ontzettend naar hun zin. Enthousiast deden ze mee aan dit toneelstukje. Met stralende pretoogjes riepen ze elkaar toe: ik ben zo bang, we worden zodadelijk vast opgegeten door de krokodillen, ons laatste uurtje heeft geslagen, dit gaat

45


“Te veel Luther, te weinig Goffman” helemaal mis. En toen iedereen weer overeind kwam, heerste er een sfeer van opgewektheid: we hadden samen een prachtige performance opgevoerd, afgezien dan van die twee spelbrekers uit Europa. Het is vast geen toeval dat er in Europese pretparken, zoals Disneyland Parijs geen equivalent is van de Amerikaanse Jungle Cruise. Europese bezoekers zouden nooit met zo veel overgave in het spel opgaan. Ze houden zich aan het motto van Mediamarkt: ‘ik ben toch niet gek’? Te veel Luther, te weinig Goffman. Dit is de eerste reden waarom het beeld van die bange mensen onder die bankjes me altijd is bijgebleven: op dat moment is mijn liefde voor Amerikanen begonnen. De tweede reden heeft te maken met mijn werk. Ik identificeerde me een beetje met de ranger op de boot die elke negen minuten moet doen alsof hij een stelletje krokodillen doodschiet en die dan telkens zijn bezoekers onder die bankjes moet zien te krijgen. En altijd zit er wel een Deen tussen de bezoekers, die stuurs weigert om mee te doen. Onze skipper straalde een enthousiasme en een betrokkenheid uit die je de indruk gaf dat hij dit tochtje voor het eerst van zijn leven maakte. En zo hoort het ook. Het was in die tijd dat Tina Turner haar zoveelste Europese comeback tournee had en daarbij volle zalen trok met ‘River Deep, Mountain High’. Het was ook de tijd dat Doemaar besloot om niet meer op te treden. Elke avond hetzelfde nummer te moeten zingen, dat was in strijd met hun artistieke beginselen. Een journalist van het tijdschrift Oor schreef daar toen een stukje over: ‘heeft iemand ooit Keith Richards horen klagen dat hij steeds die riff van Satisfaction moet spelen, heeft iemand ooit Tina Turner horen zeuren dat ze er genoeg van heeft om elke avond River Deep Mountain High te moeten zingen? Tina en Keith zijn rock and roll, Doemaar is niet rock and roll.’ Ik las dat stukje en ik dacht: ik wil rock and roll zijn. Ik herinnerde me mijn in khaki geklede bootsman – die zeurde ook niet dat hij de hele dag hetzelfde toneelstukje moest opvoeren, dat was een echte rocker. Al geef je voor de zestigste keer college over Max Weber, voor die eerstejaars is het de eerste keer en je moet dus ook doen alsof het jouw eerste keer is. Remember Tina, remember your skipper. Op 1 maart opende de eerste Apple Store van Nederland de deuren. De grote winkel in het

46

Hirschgebouw aan het Leidseplein vierde die eerste dag in stijl. Een lange rij mensen die deze historische gebeurtenis niet wilden missen strekte zich uit tot aan het Leidsebosje. En dan stonden ze ook nog eens in zig-zagopstelling, precies zoals in Disneyland. Was eenmaal het moment gekomen dat je de winkel in mocht, dan werd je begroet door een groep superenthousiaste personeelsleden van Apple, gekleed in blauwe hesjes, die je met yells en high fives begroetten. Een deel van de Nederlanders is de afgelopen twintig jaar in cultureel opzicht flink veramerikaniseerd. De Apple-fans die juichend en high fivend de winkel binnen gingen, hadden diezelfde meerlagige lach op hun gezicht als de mensen onder de bankjes van de Jungle Cruise. Ze wisten heel goed dat dit een toneelstuk was, een spel, maar ze stonden zichzelf en de anderen toe om er helemaal in op te gaan. Dit was nu waar de provo’s het zo vaak over hadden: hier zag je de homo ludens, de spelende mens. De grens tussen real en fake vervaagde waar ik bij stond. Het is waar dat de Apple producten behoren tot de mooiste elektronische gadgets van deze tijd en het is helemaal niet zo gek om dat met speelse effervescence te vieren. Maar hoe waar is het als die effervescence aanvankelijk door de Applestaf zelf gefabriceerd wordt en pas daarna als echt wordt ervaren door de betrokkenen, inclusief de alleen in het begin nog cynische gangmakers? Ik stond niet in de rij van mensen die als eersten de winkel wilden binnengaan. Nog altijd ben ik degene die niet onder het bankje wil kruipen. Maar ik was wel gefascineerd en dus stond ik tussen de journalisten, cameramannen en fotografen die zich hadden opgesteld bij de deur waar de Apple-fans naar binnen mochten. De Apple-verkopers brulden zo luid, dat het tot in het Vondelpark te horen was. Degenen die uren in de rij hadden gestaan deden mee aan een vertoon van enthousiasme dat juist zo leuk was omdat iedereen wel wist dat dit een beetje over the top was. En ik moest ineens weer heel erg denken aan de Jungle Cruise, aan de performance van de bootsman, aan de van angst bevende bezoekers onder hun bankjes. Dit is de nieuwe wereld, onze eigen brave new world. Het is hier prachtig. En verschrikkelijk. En prachtig. Maar toch vooral verschrikkelijk.


DOOR: MISHA MELITA

20-04 tot 17-06 /

04-05 / 16:00 /

19-05 en 20-05

Oude Kerk

Felix Meritis

Crea

WORLD PRESS PHOTO

HERDENK & VIEREN: 4 MEI LEZING

MARXISME FESTIVAL 2012

Zoals elk jaar weer zal de Oude Kerk de World Press Photo tentoonstelling huisvesten. De beste nieuwsfoto’s van het afgelopen jaar zullen getoond worden in de meest uiteenlopende categorieën. Van oorlogsslachtoffers tot wedstrijdhonden en van milieuvervuiling tot presidentsverkiezingen, op een prachtige manier vangt de tentoonstelling het nieuws van het afgelopen jaar in beeld. Entree: 6,-

Op 4 mei buigt publicist Shervin Nekuee zich over het herdenkingsvraagstuk, de gevaren van de tijd en het belang van bescheidenheid. Wat beseffen we ons nog van het oorlogsverleden na 67 jaar van vrede? Hoe belangrijk is het dat het nog actief herdacht wordt en welke vorm moet de herdenking aannemen? Entree: 5,- www.felixmeritis.

Wat betekent het marxisme nog anno 2012? In het weekend van 19 en 20 mei staat deze vraag centraal in crea. Alternatieve vormen van kapitalisme worden besproken, huidige systeemkritieken naast elkaar gezet en misschien wordt er zelfs wel een opstand beraamd Entree: 10,- www.crea.uva.nl

22-05 / 19:00 / EYE

SPETTERS Elke maand organiseert het nieuwe filmmuseum een lezing gecombineerd met een film die je gezien moet hebben. Op dinsdag 22 mei wordt de film Spetters (1980) van Paul Verhoeven vertoond, de film waaruit de gevleugelde uitspraak ‘Het leven is net een kroket: als je eenmaal weet wat er in zit, hoef je niet mee’, voortkwam. Voorafgaand zal Thom Hoffman de film in 30 minuten inleiden. Entree: 8,- www.eyefilm.nl

feest

19-05 / De Badcuyp 13-05 / 16:00 / De Rode Hoed

DE VOLKSKRANT OP ZONDAG: OUD VERSUS JONG Discussie over de toekomst van de Nederlandse politiek waarin het verschil tussen oude en jonge politici centraal staat. Wat verandert de komst van de G500 aan het politieke landschap en wat vindt de oude garde daarvan? Entree: 6,50

debat

AMSTERDAM SOUL CLUB Deze maand in de Badcuyp weer een avond vol classic soul, video en muziek van de soul van de jaren ’60 en ’70 sieren de avond. Als je op zoek bent naar een echte, authentieke uitgaanservaring dan wordt dit jouw avond! Entree: 6,- www.badcuyp.nl

ook leuk

47



Somo 2011 2012, nr. 4