Issuu on Google+

sociologisch mokum jaargang 2013 – 2014 • nr. 2 thema

Globalisering: een kleinere wereld? interview Jeroen de Kloet

“Over de grenzen van China” reflectie

Transnationale kalverliefde

thema: globalisering

1


beeld:Lisa Kaldenbach

in deze somo 04 06

Redactioneel Eva van Gemert & Jonas Vergeldt

Het is moeilijk een woord te vinden waarvan de definities meer tegenstrijdige ontwikkelingen impliceren dan globalisering. Wordt de wereld gevoelsmatig nou kleiner of juist groter? Leidt globalisering tot meer culturele variatie of worden alle samenlevingen een culturele eenheidsworst? Leidt het kapitalistische gedachtegoed tot uitbuiting van de aarde of is de hedendaagse nadruk op duurzaamheid niet eveneens een gevolg van globalisering? Wij zijn kinderen van de globalisering, ofschoon het een proces is dat al eeuwen geleden is ingezet. De VOC verhandelde in het Bushuis ‘s werelds eerste aandelen om de verre reizen te kunnen bekostigen. Maar de laatste jaren hebben we ongemerkt ingrijpende ontwikkelingen aan onze neus voorbij zien trekken. Voor ons gevoel ging dat stapje voor stapje, maar de verschillen tussen nu en de jaren negentig zijn al immens. Foto’s uit die tijd herkent iedereen: felle kleuren, bloempotkapsels en een telefoon met krulsnoer. Inmiddels heeft die telefoon plaatsgemaakt voor Skype. Bassie en Adriaan zijn vervangen door Japanse kinderanimaties en in plaats van de melkboer levert nu albert.nl boodschappen aan de deur. Pikante contactadvertenties in de krant zijn overbodig door allerlei apps.

Het is moeilijk om een vinger achter globalisering te krijgen, want als alle maatschappelijke veranderingen in dat licht worden verklaard, wat betekent het woord dan nog? De vraag stellen is hem beantwoorden. Volgens sommige sociale wetenschappers is globalisering synoniem voor ‘veramerikanisering’. Er is geen land in de wereld dat de afgelopen zestig jaar zo sterk als voorbeeld voor de rest van de wereld heeft gediend als de Verenigde Staten. De liberalisering van de economie, de facebookisering van de communicatie, de spindocterising van de politiek, de macdonaldisering van het productieproces, de topveertigisering van de muziek, de commercialisering van de feestdagen: allemaal lijken ze rechtstreeks afkomstig van de andere kant van de oceaan. Dat de wereld in razendsnel tempo politiek, economisch en cultureel verweven raakt zal niemand meer ontkennen, maar dat elke dimensie van het bestaan Amerikaanser wordt is nog de vraag. Het Bushuis is weliswaar niet meer het epicentrum van een globaliserende wereld, in deze SoMo doen de Amsterdamse sociologen toch een poging om deze ontwikkeling te beschouwen.

2

sociologisch mokum

9 12 16 18 20 22 24 26 28 30 32 34 38 39

De twijfelachtige topnotering van het Spinhuis ∙ Olav Velthuis De filantropische bonus van sociale globalisering? ∙ Marjolein Voortman Op die fiets ∙ Jonas Vergeldt Interview met Jeroen de Kloet ∙ Ruben Cardol Transnationale kalverliefde ∙ Yoren Lausberg Discussie ∙ Jasper van den Berg Amsterdam in beeld ∙ Shiva Shazad Mijn vader, ik en de rest van de wereld ∙ Sterre ten Houte de Lange Over de Grens ∙ Charlotte Baarda Kosmo(po)elite ∙ Barbara van der Ent Publicatiedruk en de kwalieit van sociologie ∙ Tal van den Berg Cultureel Omnivoor ∙ Sabine Bastiaans Globalisering, olie op het nationale vuur ∙ Oskar Köhler De geest van Tocqueville ∙ Bart van Heerikhuizen Dicht op mokum ∙ Emma Stomp Sociologische agenda

colofon Sociologisch Mokum verschijnt vijfmaal per jaar. ­ Het tijdschrift wordt verzorgd door studenten van de opleiding sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, samen met bijdragen van medewerkers van deze opleiding en gastredacteuren. contact ∙ Oudezijds Achterburgwal 185, 1012 DK Amsterdam, sociologischmokum-fmg@uva.nl Website · www. sociologischmokum.nl · Hoofdredactie · Jonas Vergeldt · Eva van Gemert · Eindredactie · Lisa Bontenbal · Sterre ten Houte de Lange · Thijs Albers · Harm Wilzing · Laura Weijers · Redactie · Ruben Cardol · Marjolein Voortman · Tal van den Berg · Barbara van der Ent · Sabine Bastiaans · Jasper van den Berg · Sterre ten Houte de Lange · Oskar Kohler · Yoren Lausberg · Emma Stomp thema: globalisering Hoofdbeeldredactie · Shiva Shazad · Beeldredactie · Sabine 3 Bastiaans · Lisa Kaldenbach · Jasper van den Berg · Cleo Brekelmans · Rosa van Triest · Cover · Jasper van den Berg · Vormgeving · Sabine Bastiaans · Bijdragen · Olav Velthuis · Bart van Heerikhuizen · Charlotte Baarda


tekst: Olav Velthuis beeld:

Olav Velthuis is universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met Giselinde Kuipers schrijft hij een wisselcolumn voor SoMo.

column

De twijfelachtige topnotering van het Spinhuis

P

rominent staat het op de UvA-website: het Spinhuis neemt de 16e plek in op QS World University Rankings, een ranglijst van ’s werelds beste universiteiten die jaarlijks wordt opgesteld door het Britse onderwijsconsultancybedrijf Quacquarelli Symonds. Daarmee doen we het goed binnen de UvA: na de communicatiewetenschappers (die op nummer 7 staan op de wereldranglijst binnen hun discipline) en de linguïsten (nummer 15) leveren de sociologen de beste prestatie van de universiteit. En belangrijker nog: we doen het goed in de wereld. De Amsterdamse sociologen geven prestigieuze instituten als Stanford, Cornell, Northwestern of New York University daarmee het nakijken.” Ranglijsten hebben, sinds een jaar of tien, hun intrede gedaan in de universitaire wereld, en gezien de hoeveelheid borstklopperij waarmee universiteitsbureaucraten ze aanhalen, zijn we voorlopig nog niet van ze af. Ze hebben impact, bovendien. Studenten schijnen er op te letten bij het maken van hun studiekeuze. Een hoge ranking kan ertoe bijdragen dat een opleiding een wit voetje haalt bij het bestuur. De ranglijsten zijn bovendien niet los te zien van de mondiale ‘war on talent’: politici zijn ervan overtuigd dat kennis de schaarse productiefactor is geworden, dus voor een gezonde economie is het de kunst

4

om van heinde en ver toptalent aan te trekken. Een hoge ranking helpt daarin mee. Maar zou het Spinhuis dan echt een van ’s Nederlands troefkaarten zijn in die mondiale talentenoorlog? Flauwekul natuurlijk. Zouden de Amsterdamse sociologen die van Stanford (Mark Granovetter, Michael Hannan, David Grusky, om er eens een paar te noemen) de baas zijn? Hou toch op! En is het Spinhuis opeens de favoriete bestemming van uitblinkers uit Japan, China of de Verenigde Staten? Geenszins. In de afgelopen vijf jaar heb ik bij de aanmeldingen voor de masters sociologie nog geen enkele bachelorstudent van een Amerikaanse Ivy League universiteit voorbij zien komen. De ranglijst moet dan ook met een flinke korrel zout worden genomen. Hij is grotendeels gebaseerd op een heel groot schot hagel: een wereldwijde enquête onder tienduizenden wetenschappers en hun werkgevers. Die mogen, voor maximaal vijf vakgebieden waarop zij zichzelf expert vinden, de dertig beste universiteiten opsommen (voor sociologie waren dat in totaal 1326 wetenschappers en 288 werkgevers). Het responsepercentage van die enquête is schrikbarend laag, tot voor kort niet meer dan een paar procenten. Welke regionale vertekeningen erin zitten, is het geheim van QS. En als iemand de survey een jaar niet invult, maar dat een van de voor-

sociologisch mokum

gaande jaren wel heeft gedaan, dan wordt voor het gemak die oude respons meegenomen. Een ander euvel: het valt te betwijfelen of het overzicht dat die respondenten hebben over het wereldwijde sociologieveld, goed genoeg is om een betekenisvolle ranglijst op te stellen. QS checkt hun expertise in ieder geval niet. De kans is groot dat de echte experts, die zo’n lange staat van dienst hebben dat ze een groot aantal sociologie-afdelingen in het buitenland goed genoeg kennen om er een betrouwbaar oordeel over te vellen, te druk zijn om de enquête in te vullen. Zo kon het gebeuren dat Leiden in de lijst van 2011 op nummer 39 terechtkwam, en dat terwijl die universiteit helemaal geen opleiding of afdeling sociologie kent. Ook ligt het gevaar op de loer dat respondenten zich laten leiden door een halo-effect, waarbij de sterke naam van de universiteit (denk aan Harvard of Berkeley) op al haar vakgebieden afstraalt. Maar misschien nog wel het belangrijkste probleem: de ranglijsten per discipline, zoals die voor sociologie, gaan helemaal niet over onderwijskwaliteit. De eindscore wordt voor 80 procent bepaald door bovengenoemde enquête, aangevuld met 20 procent voor de citatie-scores van het

wetenschappelijk personeel. En dat terwijl hij, aan de UvA althans, vooral wordt ingezet als marketinginstrument voor het onderwijs. De algemene ranglijst per universiteit (waarop Amsterdam op plaats 58 staat) let wel op onderwijs door te kijken naar de ratio student/ staflid, maar juist op die indicator scoort de UvA uitermate slecht – de universiteit komt daar niet eens bij de eerste 400. Overigens valt ook op de betrouwbaarheid van die indicator wel wat af te dingen, want enkele jaren terug scoorde de universiteit nog 300 plekken hoger. Zulke bedenkingen kan je natuurlijk maken bij iedere ranglijst of indicator. Maar de QS maakt het wel heel erg bont. De ranglijst van bijvoorbeeld Times Higher Education, die niet naar sociologie als afzonderlijk vakgebied kijkt, maar wel naar Social Science in zijn geheel (en ook dan presteert de UvA erg goed: met 34 de hoogste notering van continentaal Euro-

thema: globalisering

pa), zit al heel wat beter in elkaar. Ik weet dat het veelgevraagd is van bestuurders en marketeers om de topplek bij QS niet uit te venten, maar een opleiding die adequate methode en eerlijk rapporteren hoog in het vaandel heeft staan, zou het sieren om die verleiding te weerstaan. Webmaster, kan die vermelding van de website?

5


tekst: Marjolein Voortman beeld:

DE FILANTROPICHE BONUS VAN SOCIALE GLOBALISERING? De opbrengsten van goede doelen en acties zijn moeilijk te voorspellen en altijd een verrassing. Het is de vraag waar de bereidheid tot schenken vandaan komt. Is er naast politieke en economische nu ook sprake van sociale globalisering of ligt de prikkel om te geven veel dichterbij huis?

Z

es op de tien mensen zijn niet van plan geld te geven voor de slachtoffers van de tyfoon die in december over de Filipijnen raasde. De belangrijkste reden is dat wordt gevreesd dat het geld niet goed terechtkomt, meldt televisieprogramma Eenvandaag na onderzoek onder zestienduizend mensen. Begrijpelijk. Het ís ook vaak onduidelijk waar dat geld precies naartoe gaat. Dit geldt voor nagenoeg alle goede doelen. Des te opvallender dat vier op de tien mensen uit dit onderzoek alsnog wél van plan zijn om te geven. Of is dit ook begrijpelijk, omdat we simpelweg niet meer om elkaar heen kunnen? “Sociale globalisering”? De mate waarin alle mensen die er op de wereld rondlopen met elkaar verbonden zijn stijgt. We weten steeds meer van elkaar, we zien steeds meer van elkaar, we vinden steeds meer van elkaar en we maken steeds meer gebruik van elkaars middelen en kennis. Hier volgt onherroepelijk op dat we ook steeds afhankelijker worden van elkaar. Dit laatste is echter een proces dat tot op heden scheef 6

verloopt, getuige de grote verschillen in welvaart en zelfredzaamheid tussen de verschillende landen waarin we wonen. Het zijn deze verschillen die maken dat de ene persoon ineens in de positie is om iets te kunnen betekenen voor het in welzijn blijven leven, of het überhaupt blijven leven, van de andere persoon. Eén manier waarop dit kan, is door geld te doneren aan een organisatie die zich hiervoor inzet. En daar wordt het interessant, want waarom zou iemand dat doen? Het is voorstelbaar dat we een drang voelen om bij te dragen aan filantropie dicht bij huis. De wereld direct om ons heen is er één die we bewust meemaken, die we verbinden aan vrienden en familie, en waarvoor we ons tot op zekere hoogte verantwoordelijk voelen. Maar waarom geven we onze financiële steun aan doelen die verder van huis zijn? In een ander land, aan de andere kant van de wereld, op een plaats waar we nog nooit geweest zijn, waar we mogelijk nooit naar toe zullen gaan en waar uitsluitend vreemdelingen wonen? Is het gevolg van politieke en economische globalisering dat er tevens een sociologisch mokum

analyse

soort “sociale globalisering” plaats vindt? Ideaal, imago en Bono’s De idealistische donateur zou deze laatste vraag vermoedelijk met een welluidend “ja” beantwoorden. Hij geeft geld volgens de klassieke filantropische traditie: omdat hij goed wil doen, zijn medemens wil steunen en er intrinsiek van overtuigd is dat hij, en wij allemaal, verantwoordelijk zijn voor een betere wereld. Deze idealist lijkt echter ook gelijk het enige type gever te zijn die in zijn geefgedrag mogelijk wordt beïnvloed door een wereld die aan globalisering onderhevig is. Andere types lijken voornamelijk door redenen te worden gedreven die meer met henzelf dan met de rest van de wereld te maken hebben. De reden die als grote winnaar uit verschillende onderzoeken is gekomen is sociale druk; het idee dat doneren ‘hoort’, vaak in navolging van anderen in de sociale omgeving. Daarnaast, en dit geldt met name voor bedrijven of organisaties in de publieke sector, kan geld doneren aan een bepaalde organisa-

tie bijdragen aan een bepaalde sociale positie. Al in 1990 schreef Jon van Till in zijn boek “Critical issues in American philanthropy: Strengthening theory and practice” dat filantropie niet langer uitsluitend een kwestie is van een persoonlijke keuze van de potentiële donateur, maar dat doneren aan goede doelen in toenemende mate een zaak van publiek beleid en publieke afwegingen wordt. Men wordt als donateur geassocieerd met een ‘goede zaak’ en dit kan gunstige gevolgen hebben voor het imago van het bedrijf. Zowel voor het geven uit sociale druk op individueel niveau, als het geven ter werving van een bepaalde sociale positie op organisatieniveau geldt dat het een imago-functie dient. Niet per se nobel, maar kennelijk wel overtuigend. Het imago, ongetwijfeld aangevuld met de filantropische

inborst, van Bono en zijn organisatie The One Campaign leverde wereldwijd al vele miljoenen op voor de bestrijding van ziekte en armoede in Afrika. De prikkel Voor veel individuele donateurs, echter, geldt dat zij niet snel vanuit het niets besluiten om geld te doneren aan een goed doel dat – letterlijk en daarmee vaak figuurlijk – ver van hen af staat. Hiertoe is een prikkel nodig, een gebeurtenis of aanleiding die een directe gevoelsmatige drijfveer vormt. Deze prikkel kan zitten in een veelheid aan media-aandacht. De invloed hiervan is namelijk aanzienlijk. Serious Request is een treffend voorbeeld in deze; enkele bekende dj’s zitten zes dagen in een glazen studio op een plein in een Nederlandse stad, alwaar zij verzoekplaten thema: globalisering

draaien en sprekers uitnodigen om op die manier aandacht te vragen en geld in te zamelen voor een goed doel. Dit jaar ging de opbrengst naar een project van Het Rode Kruis met als doel de kindersterfte, ten gevolge van slechte hygiëne en geen schoon drinkwater, tegen te gaan. Geen omstandigheden, kortom, die zich in Nederland voordoen. Toch wordt er elk jaar opnieuw, en ook dit jaar, gul gegeven. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat de gever gevoelsmatig niet alleen aan het goede doel doneert – voor onbekende gezichten ver van huis - maar tevens aan de dj’s in het Glazen Huis – bekende gezichten dichtbij huis. Deze bekendheid maakt van de hele kwestie ineens iets eigens, iets vertrouwds en iets wat met onze eigen wereld te maken heeft.

7


tekst: Jonas Vergeldt beeld: Sabine Bastiaans

opinie

Op die fiets Is het gevolg van politieke en economische globalisering dat er tevens een soort “sociale globalisering” plaats vindt?

De prikkel kan eveneens zitten in een persoonlijke “tussenschakel”; een goede vriend die de Kilimanjaro beklimt en die jij kiest te sponsoren, wetende dat het geld naar een goed doel zal gaan. Dit goede doel is een bonus, maar de sponsoring van het avontuur van een goede vriend is de prikkel. Ook kan een confrontatie met een probleem dat in zichzelf al ‘oud nieuws’ is en tot nog toe in behapbare porties aan ons werd gepresenteerd, ineens prikkelen tot actie. Denk hierbij aan de hongersnood in Afrika of burgeroorlogsslachtoffers in Syrië. Het bekijken van een documentaire, het lezen van een boek of het luisteren naar iemands verhaal maken van abstracte problematiek ineens persoonlijke drama’s. Drama’s die ook jou en mij hadden kunnen overkomen, of die zich op enige wijze laten verbinden aan onze eigen angst, verdriet of boosheid. Enige tijd geleden zag ik in een fotoreeks een close-up voorbij komen van een blanke hand van een hulpverlener met daarin het kleine donkere handje van een Afrikaans kind dat op sterven lag. Het bijbehorende armpje was letterlijk vel over been. De eerste keer schrok ik en bladerde ik weg van de foto. Toen ik terugbladerde en er nog eens naar keek, moest ik huilen. Nu huil ik gemakkelijk en bevind ik me bovendien in een fase waarin kleine kinderen een uitzonderlijke invloed op me hebben. Maar wat deze confrontatie boven alles zo indrukwekkend maakte, was het feit dat alle leed en ellende die de foto impliceerde stiekem had gevoeld als iets van een andere wereld. Niet mijn wereld. Tot het wel mijn wereld bleek - niet alleen ratio8

neel, maar ook gevoelsmatig. Het schrikte me op en het maakte dat ik ‘iets wilde doen’. Als een soort zeer pijnlijke injectie van “geglobaliseerd verantwoordelijkheidsgevoel”. Het gevoel dat het niet gerechtvaardigd was om gewoon door te gaan met het leven op ‘mijn planeet” alsof er niet vreselijke dingen gaande waren elders op diezelfde planeet. Geen globalisering, wel een hart De vraag of er zoiets bestaat als sociale globalisering als drijfveer om geld te doneren aan doelen ver van huis, blijft een ingewikkelde. Maar mijn antwoord hierop is op dit moment alsnog nee. Integendeel, een geldbehoevende kwestie lijkt zich bovenal eerst een weg in ons eigen, lokale gevoelsspectrum te moeten banen, zij het via sociale druk, schrik, persoonlijke connecties of media-aandacht, voordat we ons voldoende aangesproken voelen om in actie te komen. En dit is misschien ook niet zo vreemd. Globalisering verloopt grotendeels via economische en politieke lijnen, terwijl de afweging voor het individu om al dan niet te doneren grotendeels lijkt te lopen langs persoonlijke en emotionele lijnen. Deze twee processen staan niet helemaal los van elkaar, maar lopen ook zeker niet parallel. Dat een aanzienlijk deel van de donateurs zich laat leiden door emoties, door hun hart, is misschien wel de meest waardevolle conclusie die ik me had kunnen wensen naar aanleiding van een analyse van dit vraagstuk. Dat we, of we nou willen of niet, geraakt kunnen worden door anderen, dichtbij huis of ver weg. En dat we, weloverwogen of niet, ons geroepen of zelfs genoodzaakt voelen steun te geven. Daar kan wat mij betreft geen ideaal tegenop.

sociologisch mokum

Gaat de Nederlandse cultuur kopje onder in een globaliserende wereld? Volgens Thierry Baudet wel: we zijn bang voor het ‘eigene’ en gooien onze cultuur te grabbel. Toch hebben we ook cultureel verankerde waarden die eerder voor verandering zorgen dan verwaarlozing, merkt Jonas op als hij toeristen rondleidt door de stad.

H

et bedrijf waarvoor ik werk heet Yellow Bike, en jawel, dat zijn die fietsen. Door de vrijheid om rond te fietsen en verhalen te vertellen vergeet ik echter al snel dat ik iets minder serieus genomen word dan op een bakfiets. Wat verder opvalt is dat toeristen mij verrassend vaak laten nadenken over de eigenheid van ons land, door vanzelfsprekendheden te bevragen. Oikofobie Volgens Thierry Baudet, schrijver van de boeken Aanval op de natiestaat en Oikofobie, zijn we in Nederland bang voor het eigene. Onder aanvoering van een progressieve (politieke) elite zouden we ons pathalogisch afkeren van de geborgenheid van ‘thuis’. We lijden aan een vorm van zelfhaat en verzwakken systematisch de natiestaat, bijvoorbeeld door open grenzen, de multiculturele samenleving en de invloed van Europa. Ook in de kunsten en architectuur ziet Baudet dit terug. Moderne bouwsels zoals

het Stedelijk Museum en EYE ondermijnen de herkenbaarheid en eigenheid van Nederland. We keren ons af van het eigene – de oikos – en omarmen het vreemde – de xenos. Op mijn gele fiets merk ik weinig van deze oikofobie en ik denk dat het met de culturele ontworteling reuze meevalt. Nederland is als open economie en klein land altijd al vatbaar geweest voor invloeden van buitenaf, maar er zijn wel degelijk historisch verankerde culturele waarden. En die reiken dieper dan de aan de oppervlakte zichtbare veranderingen van Baudet.

verschillen en er is kritiek geweest, maar is elke verandering per se een stap terug, kaatste ik de bal terug. Dit was een bruggetje naar het Rijks en we draaiden ons om. Het Rijksmuseum is in de negentiende eeuw ontworpen door de katholieke architect Pierre Cuypers, tevens ontwerper van het

Regelmatig leg ik Engelsen, Denen of Duitsers uit dat niet elke huisvader hoerenloper is.

Badkuip Vaste prik van de toeristentour is het Museumplein met uitzicht op het Stedelijk en het Rijksmuseum. Een Canadese toerist vroeg zich geheel in de geest van Baudet af of er geen weerstand was tegen de modernistische ‘badkuip’ van het Stedelijk. Natuurlijk, smaken thema: globalisering

Centraal Station. De katholieke stijl met ornamenten, mozaïek en standbeelden riep veel weerstand op in het protestantse Amsterdam. Koning Willem III weigerde het gebouw in 1885 om die reden te openen. Aangezien het Rijksmuseum tegenwoordig vaderlandse trots is en ook mensen met gereformeerde inborst met plezier onder de versierde bogen doorfietsen, rijst de vraag of voor het Stedelijk niet hetzelfde geldt? Volgens mij is dat wat Baudet 9


modernisme in de kunsten en architectuur noemt een product van de dynamiek, diversiteit en zin voor innovatie, die juist de essentie vormen van de Nederlandse eigenheid. Pragmatisme We blijven bij het Rijksmuseum en onderwerp van gesprek is de heropening mét fietstunnel. Een Franse toerist vraagt hoe een fietsersbond zoveel macht kan hebben en omdat ik de fijne ins en outs van het conflict niet ken, leg ik het poldermodel uit. Altijd zoeken Nederlanders naar een breed politiek draagvlak waardoor kleine belangenorganisaties links- of rechtsom een stem hebben in de totstandkoming van een compromis. Zo kan het gebeuren dat de fietsersbond gelijk krijgt van de gemeenteraad en een streep kan door de plannen van het Rijks. Dit pragmatisme zit diep verankerd in ons culturele DNA en vindt wellicht haar oorsprong in de gemeenschappelijke strijd tegen het water die om een praktische instelling vroeg. Het kwam ons goed uit in tijden van verzuiling. We praten eerst over principiële aspecten en verzinnen dan al polderend een praktische oplossing voor een netelige zaak. Amerikanen doen dit omgekeerd en zoeken achter elke praktische oplossing een princi-

10

pieel probleem. Kijk maar naar euthanasie, abortus, seks voor het huwelijk, prostitutie, drugs of het homohuwelijk: in de VS zijn het zwaarbeladen thema’s, terwijl Nederlanders

Is elke verandering per se een stap terug, kaatste ik de bal terug. minder dogmatisch en pragmatisch omgaan met deze vraagstukken. Ook naar Europese standaarden is de Nederlandse mentaliteit pragmatisch en liberaal. Regelmatig leg ik Engelsen, Denen of Duitsers uit dat niet elke middelbare scholier de weg weet naar de coffeeshop en niet elke huisvader hoerenloper is. Solidariteit Dit neemt niet weg dat ideologie een flinke stempel drukt op overheidsbeleid. Een Amerikaanse toerist vroeg mij eens: ‘What about your Obama care, do a lot of Dutch people reject paying for?’ Helaas had ik voor Alexis de Tocqueville te weinig tijd (en het verkeerde publiek) maar interessant is hoe de waarden vrijheid en gelijkheid dat derde ideaal van de

sociologisch mokum

Franse revolutie vormgeven, namelijk broederschap, solidariteit. In Amerika is van oudsher sprake van directe solidariteit: burgers en organisaties hebben de vrijheid aan armenzorg te doen, en tot voor kort hadden ze de vrijheid al dan niet een zorgverzekering te nemen. In West Europa is sprake van indirecte solidariteit. Mensen betalen belasting en zorgpremie, zodat de verantwoordelijkheid bij de overheid ligt om iedereen in gelijke mate zorg aan te bieden. Beide modellen hebben voor- en nadelen. Zo is in Amerika sprake van een persoonlijke relatie, waardoor schenkers zich goed en ontvangers zich dankbaar voelen, maar zorg is niet in gelijke mate voor iedereen toegankelijk. West-Europese landen organiseren zorg van overheidswege waardoor meer mensen toegang hebben tot sociale voorzieningen als zorg en huisvesting. Vrijheid en verantwoordelijkheid maken echter plaats voor een onpersoonlijk, bureaucratisch model. Waar Amerikanen in verzet komen tegen Obama care, een egalitair model, doet hier de participatiesamenleving het nodige stof opwaaien. Een wereld van verschil, al kwam ik aan die uitleg helaas niet toe: ‘Yes, most of the Dutch agree with collective arrangements like this.’

Dynamiek Natuurlijk heeft Baudet gelijk dat er sprake is van dynamiek en zelfs van veranderende culturele gewoonten en uiterlijkheden. Overheid en maatschappij passen zich aan veranderende omstandigheden aan, ook door onvermijdelijke krachten van buitenaf zoals de Europese Unie. Maar als conservatief denker zou juist hij moeten inzien dat culturele waarden het fundament kunnen vormen van veranderingen, die door hem als ontwrichtend worden weggezet. Is innovatie in de kunsten en architectuur niet typisch Nederlands? Waren de goedkope arbeidskrachten uit Turkije en Marokko in de jaren vijftig niet bij uitstek het gevolg van de Hollandse koopmansgeest? Om nog maar te zwijgen van xenofobe oprispingen in de politiek, media en andere maatschappelijke discussies. We hechten aan culturele tradities en historisch verankerde waarden, die ons in een veranderende wereld eerder richting geven dan op een dwaalspoor zetten. Ik leg het Baudet graag een keer uit op de fiets, als ie die een heeft.

thema: globalisering

11


interview

Over de grenzen van China Interview met Jeroen de Kloet

tekst: Ruben Cardol beeld: Shiva Shazad

De twintigste eeuw was de eeuw van de Verenigde Staten, maar met de openstelling van China trad een nieuwe grote speler toe tot het kapitalistisch wereldtoneel. In hoeverre laat deze speler zich cultureel beïnvloeden door het Westen? Voor een antwoord op deze vraag ging ik in gesprek met professor Globalization Studies Jeroen de Kloet over de invloed van globalisering op kunst, popmuziek en de positie van vrouwen in hedendaags China.

J

Biografie Jeroen de Kloet In 1992 rondt Jeroen de Kloet zijn bachelor Tropical Forestry aan de Universiteit van Wageningen af. Vanwege zijn brede interesse maakt hij de overstap naar communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Deze master rondt hij af door onderzoek te doen in China. In 2001 promoveert hij bij culturele antropologie en sociologie aan de Amsterdamse School voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Momenteel is Jeroen de Kloet profilerings hoogleraar Globalization Studies en directeur van het Amsterdam Centre for Globalization Studies.

12

sociologisch mokum

eroen de Kloet heeft niet de doorsnee verschijning die je verwacht van een hoogleraar. Geen overhemd en rib fluwelen colbertje, maar leren laarsjes, hip t-shirt en een bontjas tot over de knieën. De vrolijke verschijning van De Kloet sluit beter aan bij de veelzijdigheid van zijn onderzoek dan bij zijn titel. In zijn onderzoek richt hij zich met name op Chinese pop, rock, cinema en moderne kunst, maar zijn publicaties beperken zich niet tot deze onderwerpen. Zo publiceerde hij in samenwerking met Giselinde Kuijpers ook verschillende artikelen over de wereldwijde fan-cultuur rond de Lord of The Rings trilogie. Chinese taboes De hedendaagse globale popcultuur heeft invloed op Chinese pop en rock. Met de openstelling in 1976 kwamen behalve buitenlandse investeerders ook Michael Jackson en Kurt Cobain naar China. De Kloet vertelt dat zijn fascinatie voor China is ontstaan bij zijn eerste bezoek in 1992. “Ik vond China geweldig. Ik was enorm blij verrast door de dynamiek van het land. Daarnaast herkende ik iets Nederlands in de directe enigszins onge-

manierde manier van doen van de Chinezen.” Maar hoe dynamisch kan een dictatuur zijn? In de ogen van veel mensen staat een autoritair geleide staat gelijk aan starre politiek en het stellen van beperkingen aan individuele expressie. Is het vrijuit maken van muziek en moderne kunst überhaupt mogelijk in China? Volgens De Kloet kan het zeker. “Nederlanders hebben een erg gepolitiseerd beeld van China. Normale mensen leiden echter hele normale levens en in persoonlijke kring is alles bespreekbaar.” Ondanks de vele mogelijkheden zijn er vier onderwerpen waar in het publieke domein niet zonder risico over gesproken kan worden. Dit zijn de drie T’s; Taiwan, Tibet en Tiananman. Tiananman refereert aan de studentenprotesten van 1989. Het beeld van de impasse tussen de man met boodschappentas en een Chinese tank ging de hele wereld over, maar is in China vrijwel onbekend. Het vierde taboe, is de Falun Gong. Deze religieus-spirituele groepering kreeg in de jaren negentig veel aanhang en overtrof op een zeker moment de

communistische partij in ledenaantal. Dit beangstigde de partij. De Falun Gong werd getypeerd als ‘gevaarlijke sekte’ en lidmaatschap is tot op de dag van vandaag op straffe van opsluiting verboden.

Het systeem werkt bij de gratie van de onwetendheid over de werking.

thema: globalisering

Soft power De Kloet stelt dat ondanks het taboe op deze onderwerpen, 99,9% van de Chinese kunstenaars precies kan doen wat ze wil. Er wordt vanuit de communistische partij veel beleid gemaakt om de creatieve industrie te ondersteunen. Zo zijn er in China creative spaces in ontwikkeling gebracht, vergelijkbaar met locaties als het Westergasterrein in Amsterdam. Het merendeel van de kunstenaars dat hier actief is, houdt zich niet bezig met politiek geëngageerde kunst, maar er wordt ook kunst gemaakt die wel controversiële thema’s ter discussie stelt, zoals mensenrechten, democratie en corruptie.

13


De Kloet legt uit dat corruptie door de partij zelf als groot probleem wordt gezien. Wanneer dit op een goede manier aan de kaak wordt gesteld, is dat geen enkel probleem. Met het toestaan van dit soort kritieken wil de partij intern aan legitimiteit winnen, en het past in hun externe soft power beleid. Macht moet niet langer alleen gebasseerd zijn op de dreiging van geweld, maar ook op een gevoel van legitimiteit onder de bevolking. Een voorbeeld hiervan is Ai Wei Wei, een internationaal gekend kunstenaar in wiens werk maatschappij kritiek centraal staat. “Ai Wei Wei gaat weleens over de grens en dan wacht hem een korte gevangenisstraf of huisarrest, maar als hem dan op een later moment wel wordt toegestaan te exposeren dan geeft dat het signaal af; kijk eens wat er allemaal mogelijk is in China.” Een ander sprekend voorbeeld dat De Kloet aanhaalt is het optreden van vriend en artiest Zuoxiao Zuzhou tijdens het Strawberry Festival - een groot Lowlands-achtig popconcert buiten Beijing. Zuoxiao Zuzhou startte tijdens zijn optreden een video-projectie waarin gerefereerd werd aan een oneerlijk verlopen proces. De Chinese overheid is normaal gesproken al bevreesd voor grote mensen massa’s. “Er ontstond daardoor een hele interessante situatie”, aldus De Kloet. “Een enorme groep jongeren gaf luid joelend te kennen dat ze zich konden vinden in de boodschap. Daar tegenover stond een leger van agenten die niet wisten wat te doen.” De onduidelijkheid in deze situatie is volgens De Kloet in zekere zin typerend voor het Chinese systeem.

14

In de beeldvorming wordt Azië geportretteerd als vrouwelijk en het westen als mannelijk.

Uiteindelijk werd er niet ingegrepen, en ging het festival gewoon door. “Het interessante aan dit voorbeeld is dat het laat zien waarom het systeem stand houdt. Het systeem werkt bij de gratie van de onwetendheid over de werking, ook de politie en politiek leiders weten het niet precies. De censuur heeft een zelf-disciplinerende werking, omdat mensen altijd enigszins onzeker zijn over wat nog binnen het toelaatbare valt.”

sociologisch mokum

Westerse invloed Volgens De Kloet scoort Westerse popmuziek eigenlijk niet echt in China. “Ik kan me herinneren dat in de jaren negentig 2unlimited het erg goed deed. Kurt Cobain heeft in die jaren ook een soort heldenstatus verworven, maar afgezien van dit soort uitzonderingen is vooral Chinese popmuziek populair.” Qua vorm en inhoud lijkt Chinese pop op westerse popmuziek. De liedjes gaan net als in Nederland over liefde, vriendschap en alledaagse zorgen. Wat is er dan precies Chinees aan deze muziek? De Kloet stelt dat er geen reden is om aan te nemen dat er iets Chinees aan zou moeten zijn. “Ik kan ook niet uitleggen wat er nou zo Nederlands is aan Anouk.” Binnen de theorieën over globalisering blijft deze discussie over echtheid een hele grote rol spelen, maar De Kloet gelooft niet dat iets meer of minder ‘echt’ kan zijn. “De Zaanse Schans is net zo goed Nederlands als Amsterdam dat is. Beide zeggen iets over de constructie van de Nederlandse identiteit, alleen doen ze dat op een andere manier.” Wat betreft buitenlandse invloeden scoort in China de laatste jaren vooral popmuziek uit Taiwan goed, maar in toenemende mate ook muziek uit Japan en Zuid-Korea. De grotere bands uit Japan en Korea, nemen hun nummers soms in het mandarijn op. Maar ook nummers in het Koreaans scoren wel, alleen al vanwege de ‘hippigheid’ die dat nu heeft. De vrouwelijke man De idolen uit deze hippe Koreaanse bands zijn vaak volstrekt haarloze gefotoshopte jongens. Ondanks deze

vrouwelijke toon in de populaire cultuur, staat China in Nederland bekend als een land waar mannen in hoger aanzien staan dan vrouwen. Klopt deze aanname dan wel? De Kloet vindt dat er qua ongelijkheid tussen man en vrouw eigenlijk niet zo veel verschil is met de situatie in Nederland. In Chinese popmuziek zijn vrouwen, net als in Nederland, heel sterk vertegenwoordigd. Rockmuziek wordt voornamelijk gedomineerd door mannen. Er zijn wel vrouwelijke rockbands in China, maar door hun positie als buitenstaander gebeurt het nog wel eens dat zij hun gender kapitaliseren, door heel expliciet seksuele teksten te zingen. Het aantal vrouwen op hoge posities in de politiek en het bedrijfsleven is nog erg laag, maar het opperen van grotere participatie van vrouwen in publieke functies is in China zeker geen taboe. In het Maoïsme was gendergelijkheid een belangrijk streven, maar volgens De Kloet was de angel hierbij dat vrouwen meer op mannen moesten gaan lijken. “Het was eerder een masculinisatie van de publieke ruimte, dan dat het ging om echte gelijkheid.” In de popmuziek flirten Chinese bands met vrouwelijk trekken, maar het fenomeen op deze manier uitleggen getuigt volgens De Kloet van een Westerse bias. Het is een vorm van Aziatische masculiniteit. De Kloet legt uit dat in de mondiale beeldvorming Azië wordt geportretteerd als vrouwelijk en het westen als mannelijk. In relaties is dit ook terug te zien. Een blanke man met een Aziatische vrouw is heel gebruikelijk, relaties tussen blanke vrouwen en

Aziatische mannen zijn veel zeldzamer. De Aziatische vorm van mannelijkheid wordt wereldwijd als vrouwelijker beschouwd, maar binnen Azië is dit steeds meer het ideaal. De gefotoshopte, haarloze jongens zijn de idolen van nu. Binnen de klassieke cultural studies wordt dit fenomeen uitgelegd als een uitdaging van genderrollen, maar De Kloet trekt deze uitleg in twijfel. “Het is een andere invulling van mannelijkheid, die momenteel als erg sexy wordt gezien. Ik denk dat hierbij ook de trots op the rise of Asia een rol speelt. Chinezen voelen minder de behoefte om zich iets aan te trekken van de mening van de rest van de wereld.”

waar je moet zijn. Maar ook met die visie is De Kloet niet tevreden. “Er moet een balans worden gevonden. We moeten altijd kritisch blijven op de misstanden, zonder dat dit leidt tot een vooringenomen negatieve houding. Je verspeelt daarmee ook kansen om de mensenrechtensituatie onder de aandacht te brengen en te verbeteren.”

Een nieuw beeld Betekent deze onafhankelijke houding van de Chinezen dat het tijd is voor Nederland om het beeld van China aan te passen? Een lastige vraag vindt De Kloet. In Nederland bestond en bestaat het beeld dat in China alles heel strikt is, niets mag en dat iedereen wordt onderdrukt. Tien jaar geleden was dit negatieve discours over gebrek aan mensenrechten en democratie nog heel dominant. Dit beeld doet volgens De Kloet geen recht aan wat er nu in China gebeurt. “In dertig jaar tijd heeft China zeshonderd miljoen mensen uit de armoede gehaald. Dat vind ik een ongelooflijke prestatie!” Door deze prestaties kentert de beeldvorming. Het economische discours is steeds meer de boventoon gaan voeren. Het gevolg is een kritiekloze viering van China als het land van de toekomst, het land

thema: globalisering

15


tekst: Yoren Lausberg beeld: Rosa van Triest

reflectie

Transnationale kalverliefde

Sociale relaties worden uit de lokale context getrokken en wereldwijd uitgesmeerd.

Internet is een belangrijke schakel van globalisering. We kunnen in contact komen met mensen vanuit heel de wereld: we leven in een mondiaal dorp. Bij een dorp hoort veel onderling contact, wat via internet wereldwijd mogelijk wordt. Binnen een dorp kent iedereen elkaar, burenruzies gaan iedereen aan en als de bakkerszoon verliefd wordt op de slagersdochter weet iedereen dat. Dit gebeurde mij dus, alleen woonde de slagersdochter in Roemenië.

R

ond mijn veertiende verspilde ik veel tijd aan het spelen van Word of Warcraft, je weet wel; dát spel. Ik speelde dit in eerste instantie altijd samen met een vriend die ik allang kende, maar doordat mijn tempo niet heel hoog lag in die wereld, werd ik gedwongen hulp van anderen te zoeken. Zo kwam ik uiteindelijk een meisje uit Roemenië tegen dat later mijn ‘internetliefje’ zou worden. Als veertienjarige was ik niet de meest uitgesproken tiener dus in m’n eentje computerspelletjes spelen was geen slecht tijdverdrijf. Uiteindelijk was het vooral het avontuurlijke en sociale aspect van het spel wat mij zo intrigeerde. Ik leerde veel verschillende mensen kennen die allemaal op een andere manier interessant waren en overal vandaan kwamen, hoewel het voornamelijk Europeanen waren aangezien tijdzones ook op internet invloed hebben. Eén van hen was een meisje uit Roemenië, waar in Roemenië weet ik niet. Ze was veertien jaar had een broer en een hond, ze had waarschijnlijk

16

wel meer maar dit was alles wat ik van haar weet. Je kan het natuurlijk nooit zeker weten met het internet, voor hetzelfde geld had ze helemaal geen hond. Ik heb d’r nooit gezien, ik weet haar echte naam niet en sprak eigenlijk nooit over iets anders dan alledaagse zaken, maar misschien maakte dat het juist leuk. Als gevolg wist ik bijvoorbeeld wanneer het in Roemenië regende. Samen beleefden we digitale avonturen, maakten monsters dood en verkenden de fantasiewereld. Aangezien we op hetzelfde level waren raceten we samen door het spel en hielpen we elkaar verder: een symbiotische verhouding, speltechnisch maar ook persoonlijk, we hadden altijd iemand om mee te praten. Hoewel World of Warcraft niet bedoeld is als datingsite hoorde ik van soortgelijke situaties en zelfs stukgelopen huwelijken door nieuwe relaties via internet. Tot nu toe heb ik er nooit bij stil gestaan waar ik toen mee bezig was. Was ik verliefd? Waren we een stel? Zeker weet ik het nog steeds niet, maar wel was ik versociologisch mokum

drietig toen ze vertelde dat haar abonnement zou stoppen aan het eind van de maand. Onze relatie ontstond en verging bij de gratie van Blizzards’ maandelijkse betaalsysteem. In zekere zin maakte ik een beeld van haar waar ik me aan hechtte. Als ik haar in levende lijve had ontmoet was dat beeld waarschijnlijk gebroken. Had ik in die zin niet gevoelens voor haar karakter en wat ik daar zelf van kon maken, niet zozeer voor haar? Toen ze mij ‘verliet’ voelde het alsof er iets miste in mijn dagelijks leven. Een knagend gevoel waarvan ik wist wat het veroorzaakte, maar echt verklaren kon ik het niet. Zoals de wereld rouwde om de ‘dood’ van Brian Griffin in Family Fuy, zo miste ik een mysterieus Roemeens meisje, dat ik nooit écht ontmoet had. Aan elk verdriet komt een einde dus ook aan deze. Niet veel later hield ik zelf op met spelen, niet vanwege haar maar door een leuke groep vrienden waarmee ik echte avonturen kon beleven. De socioloog Anthony Giddens spreekt over de hoogmoderne tijd, waarin

mensen minder gebonden zijn aan tijd en ruimte dan vroeger. Langs deze weg had ik dagelijks contact met het Roemeense meisje, iets dat vroeger onmogelijk was of klauwen met geld zou kosten. Door de uitholling van tijd en ruimte worden sociale instituties disembedded: relaties worden uit de lokale context getrokken en wereldwijd uitgesmeerd, onafhankelijk van die hinderlijke tijd en ruimte. Met andere woorden, waar deze kalverliefde vroeger in

de lokale context van het individu plaatsvond, is het tegenwoordig mogelijk dagelijks in contact te staan met iemand ver weg en verliefd te worden. Globalisering behelst volgens Ulrich Beck een toename in de interdependentie en interconnectiviteit, wereldwijd, onder andere in sociale zin. Mijn internetervaring, en waarschijnlijk die van anderen, is een voorbeeld van die sociale interconnectiviteit. Aan de andere kant was ik juist

thema: globalisering

sterk ontbonden van de rest van de wereld. Het grootste deel van mijn tijd besteedde ik achter de computer en hoewel we het over het weer hadden, had het weer geen invloed meer op mij. Mijn transnationale kalverliefde was niet mogelijk geweest zonder de vanzelfsprekendheid van het internet. Als liefde het mooiste ter wereld is, zou internet dan dienen als mondiale cupido?

17


tekst en beeld: Jasper van den Berg

discussie Amsterdam is de zesde stad in Europa als het gaat om de ontvangst van buitenlandse bezoekers. En als het aan de gemeente ligt komen er in de toekomst steeds meer hotels bij en worden toeristische voorzieningen uitgebreid. Wat heeft dit voor effect op de lokale identiteit van Amsterdammers?

“Toerisme versterkt de lokale identiteit.”

Julia Gilewicz-Smolski, 25 jaar Masterstudent Algemene Sociologie

Sjoerd Smidt, 20 jaar Tweedejaars sociologie

Armelle Wijnhoven, 21 jaar Derdejaars sociologie

Anne Leemans, 27 jaar Derdejaars sociologie

“Eens. Ik moet meteen denken aan fietsers, je ziet in een oogopslag of het toeristen zijn of niet. Als dat zo is let ik altijd extra goed op. Het laat zien dat ‘wij Amsterdammers’ goed kunnen fietsen en ‘zij’ niet. Ook als je uitgaat, bijvoorbeeld bij Studio 80 op het Rembrandtplein, wordt het onderscheid zichtbaar. Toeristen willen daar ook naar binnen. Maar als de portier vraagt of ze weten wat voor feest er is, worden ze er zo uitgepikt. Voor lokale mensen geldt dat je moet weten wat er lokaal aan de hand is om binnen te komen. Dit bevestigt mijn lokale identiteit. Het doet me denken aan de ‘established’ en de ‘outsiders’ van Elias.”

“Als je toeristen ziet in de stad, wil je laten zien dat je de stad kent. Zie je mensen met een plattegrond, dan wil je ze helpen om te laten zien dat jij wel ‘van hier’ bent. Met antropologie hebben we het idee behandeld dat een cultuur pas wordt versterkt als er een andere cultuur aanwezig is. Volgens mij geldt dat ook voor identiteit. Toeristen hebben een bepaalde identiteit en dat versterkt vervolgens jouw identiteit als Amsterdammer. Soms wordt de lokale identiteit gecommercialiseerd. Bijvoorbeeld in Afrika, waar de lokale bevolking wordt ingehuurd om een ‘tribe’ te spelen. Maar dat soort dingen zie ik in Amsterdam niet.”

“Ik denk dat toerisme de lokale identiteit eerder verstoort. Veel originele buurten worden gecommercialiseerd. Het wordt een grote eenheidsworst. De stad wordt eigenlijk van de originele bewoners afgenomen en dat kan tot spanningen leiden, bijvoorbeeld als het gaat om toeristen op de fiets: mensen ergeren zich daaraan. Wat je dus ziet is dat er grote wij-zij gevoelens kunnen ontstaan. Maar toerisme heeft natuurlijk ook positieve kanten. Het is goed voor de economie van de stad. Niet alleen voor de horeca, maar ook voor hotels. Die moeten vervolgens weer worden schoongemaakt en dat is goed voor de stedelijke onderklasse.”

“De stelling gaat uit van een nationalistisch idee, dat wij, door de komst van toeristen, ons meer verbonden met onszelf zouden voelen. Ik geloof dat niet. Zeker niet in Amsterdam; een stad die altijd al met toerisme te maken heeft gehad. Bovendien is toerisme economisch gezien heel voordelig, waardoor toeristen niet worden gezien als een bedreiging. Toch zijn er ook plekken waar je overspoeld wordt door toeristen, bijvoorbeeld in het centrum of in de Jordaan. Ik kan me voorstellen dat de oude Amsterdammers in hun café zitten te schelden op die gasten. Door zich gezamenlijk te irriteren, raken ze onderling meer verbonden.”

18

sociologisch mokum

thema: globalisering

19


Bij internationalisering denk ik aan mijn keuken.  Dan denk ik aan de potjes Caribisch zout, de blikjes Indische peper & kaneel,  dan denk ik aan de doosjes Chinese zwarte en groene thee, het pak sterke Ethiopische koffie of de bittere Braziliaanse chocolade.  Transnationale handelsnetwerken van goederen, goud, en slaven,  Holland Overzee, het begin van de zestiende eeuw,  en de eerste internationale verenigingen zoals de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Verenigde West-Indische Compagnie (WIC).  Holland was absoluut rijk en machtig. Holland had scheepvaart, slagvaardige Kapiteinen en Holland had water.  Vooral heel veel water.

amsterdam in beeld tekst en beeld: Shiva Shazad

20

sociologisch mokum

thema: globalisering

21


column

tekst: Sterre ten Houte de Lange beeld: travelettes.net

E Mijn vader, ik

&

de rest van de wereld

22

sociologisch mokum

en tijdje geleden was ik een avondje bij mijn vader langs. Traditiegetrouw keken we samen naar het achtuurjournaal. Dankzij een technologisch snufje kunnen we het programma tegenwoordig pauzeren als de discussie in de woonkamer te hoog oploopt en we de rest van het journaal dreigen te missen. De natuurramp in de Filipijnen was deze keer de trigger. Mijn vader was namelijk van mening dat de schaal van de ravage kwam door slechte beleidsvoering. “Die regering daar laat iedereen overal maar huizen bouwen. Dat dat niet veilig is vlak aan de kustlijn, weten die mensen niet of in ieder geval houdt de regering ze niet tegen.” Ik vond het een hele gekke invalshoek voor het probleem. De Filipijnen zijn hardstikke arm! De regering heeft wel iets anders aan hun hoofd dan goede woonvergunningen opstellen. “Maar Nederland kan het toch ook?” wierp mijn vader tegen. “Wij hebben prima eten en zorg en nog dijken tegen natuurrampen ook! Wij hebben zelfs tijd over om elke vijf jaar een nieuw onderwijsstelsel te ontwerpen. In waterproblemen zijn we zelfs ‘s werelds beste! Deltawerken, dijkenbouwen, baggeren, noem maar op.” De hele discussie blijkt een schoolvoorbeeld van wat Ulrich Beck the risc society noemt: alles is de verantwoordelijkheid van de mens. Alles. Zelfs natuurrampen. Wij hadden het allang moeten zien aankomen, met alle technologie van tegenwoordig. Door de wetenschap

en technologische ontwikkeling kunnen we niet alleen het nieuws zien en pauzeren, maar ook voorspellingen maken over welk gevolg het menselijk handelen heeft. Tenminste zo lijkt het. De samenleving, de natuur, de wéreld lijkt in ‘onze’ handen. Maakbaar. Het is immers gelukt vele andere terreinen te beheersen. De landbouw bijvoorbeeld. We maken, manipuleren, beheersen de gewassen tot het ons overvloed geeft. Ook het menselijk lichaam is maakbaar, verbeterbaar, tot de onkwetsbare mens die honderd wordt. Zelfs voorbij de aarde, in het heelal zijn we heer en meester. Op al die vlakken hoeven

die hen bedreigen.” The good old ritual offer won’t do. Nu zijn er drie manieren waarop we deze rampen die als een grijze wolk boven ons hoofd hangen, het hoofd kunnen bieden. De eerste is ontkenning; een veel voorkomend symptoom in de moderne samenleving. Ten tweede is er apathie, verwant aan het postmoderne nihilisme. Tot slot noemt Beck transformatie, de erkenning dat hedendaagse (globale) problemen aangepakt moeten worden langs nieuwe globale, kosmopolitische kaders. Hoewel Beck deze drie opties aandraagt zie ik nog wel een vierde, namelijk ‘Ik zie het wel, maar heb er de kracht niet voor er iets aan te doen’. Wel schelden tegen het journaal, maar ondertussen gewoon in een vervuilende bak rijden. Ik denk dat ik me het best kan identificeren met die laatste. Schelden op het journaal en de regering is makkelijk. Maar werkelijk het verschil maken? De wereld is zo groot en ik ben zo klein! Misschien is het de stadse blaséhouding die neigt naar apathie. Misschien is het de angst om Atlas te worden en op drijfzand de wereld te moeten dragen. Wellicht is dat iets voor een volgende ontdekkingsreis, of een volgend boek van Beck. Hoe word ik een wereldverbeteraar? Hoe word ik een tranformer? Hoe kan ik mij persoonlijk niet langer laten onderwerpen aan de grillen van het bestaande.

De samenleving, de natuur, de wéreld lijkt in ‘onze’ handen. we ons niet langer te onderwerpen aan de grillen van het bestaande. En daarin schiet onze arrogantie ons voorbij. Wij kunnen alles. En alles is het gevolg van ons eigen handelen. Deze manier van redeneren komt enerzijds door de schijnbaar oneindige groei van de wetenschap en anderzijds door het verminderen van het geloof in het hogere. Sinds Nietzsche zijn we aan onszelf overgelaten, stelde Beck in een toespraak aan de London School of Economics. “Nu God dood is, moeten mensen hun eigen verwachtingen en verantwoordingen ontwikkelen voor de rampen

thema: globalisering

23


In Over de Grens komt een student sociologie aan het woord die vertelt over persoonlijke en sociologische bevindingen in het buitenland. Charlotte Baarda begon aan het Amsterdam University College en heeft na de bachelor een halfjaar specifieke vakken gevolgd in het Spinhuis. In oktober 2013 startte ze met de masteropleiding Sociology aan de University of Oxford.

Dé University of Oxford bestaat niet Na mijn eerste weken aan Oxford kwam ik tot de conclusie dat zij voor mij de perfecte hybride van tijdloosheid en progressiviteit is. De laatste tijd vraag ik me af hoe mijn twee universitaire thuishavens, het Department of Sociology en het New College, zich tot elkaar verhouden? Kunnen ze wel echt samengaan, of leef ik eigenlijk in twee verschillende werelden?

H

et Department of Sociology bevindt zich in het Manor Road Building. Dit uit glas opgetrokken gebouw ademt zakelijkheid, moderniteit, en kunde. Hier volg ik vakken, neem ik deel aan seminars, en maak ik gebruik van de Social Sciences bibliotheek. Studenten komen vanuit alle disciplines. Mijn jaargenoten hebben bachelors gevolgd in Engelse literatuur, Japans, of economie. Iedere achtergrond kan waardevol zijn, als men maar in staat is zich het gebied van de sociologie snel eigen te maken. Bij de allereerste bijeenkomst werd ons in niet mis te verstane termen duidelijk gemaakt wat de benadering van sociologie binnen deze faculteit is. Het moet empirisch zijn, relevant en urgent, en vervolgens worden opgeschreven in eenvoudige taal. Postmodernistische essays

24

worden elke vrijdag ritueel versnipperd in de centrale hal. Wie probeert Foucault er in elke tekst aan de haren bij te slepen krijgt een emmer koud water over het hoofd. De onderzoekers doen baanbrekend werk en zijn inspirerend. Niemand kan echter vertellen zoals Bart van Heerikhuizen, dus kijk ik trouw naar zijn colleges voor de Universiteit van Nederland. Los van de faculteit wordt elke Oxford-student aangenomen door een bepaald college. New College, nieuw in het jaar 1379 welteverstaan, moet zorgen voor mijn fysieke, sociale, en academische welzijn. Veel sociale activiteiten vinden binnen de gemeenschap van het college plaats. Mijn nieuwe vrienden zijn daardoor vaak geen sociologen, maar variëren van PhD-studenten in systematische biologie tot eerstejaars klassieke talen. New College verzorgt drie gesub-

sociologisch mokum

over de grens

tekst en beeld: Charlotte Baarda

sidieerde maaltijden per dag in de grote hall, regelt mijn woonruimte, en heeft me een college advisor toegewezen met wie ik kan praten over academisch werk als ik een neutrale mentor nodig heb buiten mijn faculteit. Een groter contrast met het Department of Sociology bestaat er niet. Binnen New College staat de tijd stil. Het wordt omringd door de oude stadsmuur uit het jaar 800. Het hoofd van het college en de burgemeester van Oxford hebben een eed gezworen dat zij gezamenlijk elk jaar een ronde langs de muur maken om zich er van te vergewissen dat deze nog volledig in tact is. Het bestuur van de UvA zou als barbaars worden afgedaan als men hier wist van het beleid op het Binnengasthuisterrein. Toen mijn vader (een groter scepticus van al het religieuze is er niet te vinden) de kloosters van het college binnen stapte, noemde hij het ‘heilige grond’. De grootste denkers

hebben er over de eeuwenoude tegels gelopen, sommigen liggen eronder begraven. Het is ook het college dat elke student dwingt ter inwijding in een raar pakje genaamd ‘sub-fusc’ door de stad te paraderen en naar de ceremonie in het Latijn te luisteren. Ik word tussen de werelden van het Department of Sociology en dat van New College heen en weer geslingerd. Een groot deel van de dag zit ik op mijn laptop enorme datasets uit te puzzelen. Maar moet ik de eerste drukken van wereldberoemde romans in de Radcliffe Camera Library dan laten staan? Ik denk dat elke socioloog zich kan vasthouden aan te grootse theorie, aan romans, en aan eigen ervaringen ter inspiratie. Grandioos gebrabbel gaat de sociale wetenschap niet verder brengen, maar geavanceerde statistische methoden die willekeurige fenomenen aan elkaar linken en niets met gegronde theorie te maken hebben ook niet.

thema: globalisering

Het antwoord op mijn vraag of Oxford tijdloos en progressief tegelijk kan zijn is waarschijnlijk dat er helemaal geen centrale ‘University of Oxford’ is om een mening over te vormen. De stad hangt samen van autonome, eeuwenoude colleges, faculteiten, afdelingen en onderzoeksgroepen die op een organische manier samenwerken en met elkaar vechten. Tussen en naast deze twee werelden heb ik geprobeerd alles uit het sociale deel van mijn eerste semester in Oxford te halen. Een deel van mijn nieuwe kennis is opgedaan tijdens het bruisende nachtleven gevuld met excentrieke studenten. Een ander deel via de agressieve, doch motiverend bedoelde uitroepen van onze coach tijdens het roeien op de rivier de Isis. Ik klamp me dan maar vast aan deze uitspraak van Stephen Fry: “Education is the sum of what students teach each other between lectures and seminars.”

25


KOSMO(PO)ELITE Een vriendin van mij is deze zomer verliefd geworden op een Turkse jongen en hij ook op haar. Ze hebben een aantal leuke weken gehad en in de herfstvakantie zocht ze hem weer op in Turkije. Ze heeft zijn leven in Turkije gezien en zijn vrienden ontmoet. Nu zou ze hem ontzettend graag voor een paar weken naar Nederland halen, om hem Nederland te laten zien en kennis te laten maken met haar leven. Maar zo makkelijk gaat dat niet.

I

k ben gewend dat ik (bijna) overal naar toe kan reizen, al zal ik er soms maanden voor moeten werken en sparen. Binnen de Europese Unie wordt er geen visum gevraagd, daar buiten is er soms een ambassade en wat voorbereiding voor nodig, maar dan komt het altijd wel goed. Voor een vakantie ligt de hele wereld aan mijn voeten, en waarschijnlijk geldt voor jou hetzelfde. Voor haar Turkse vriend is het anders. Voor een vakantie naar Nederland dient hij aan een lijst van voorwaarden te voldoen. Deze voorwaarden zijn in het Schengenverdrag vastgelegd en gelden voor een groot deel van de Europese Unie. Sommige voorwaarden zijn begrijpelijk, zo moet hij een geldig paspoort hebben en een zorgverzekering voor de periode in Nederland. Prima te verantwoorden dat dit geëist wordt. Ook zijn er een paar voorwaarden over geld en vermogen. Per dag in Nederland moet hij minimaal 34

euro kunnen besteden. Daarnaast moet er iemand garant staan voor hem, en deze persoon moet een kleine 1600 euro verdienen per maand. Garant staan houdt in dat kosten voor zijn daden op deze persoon verhaald kunnen worden. Een boete, geen zorgverzekering hebben maar wel zorgkosten maken of ‘verdwijnen’ en niet terugkeren naar Turkije, vallen onder deze garantstelling. Best heftig, want dit kan oplopen tot maximaal 10.000 euro per jaar, over een periode van 5 jaar. Als je pech hebt, kost het je dus 50.000 euro. Mijn vriendin heeft niet zoveel inkomen omdat ze nog studeert, maar gelukkig wil haar moeder haar helpen en garant staan. Maar dan komt de moeilijkste voorwaarde. “Documenten die de terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling aannemelijk maken” moeten getoond worden. Hier wordt het lastig. Deze Turkse jongen heeft

tekst: Barbara van der Ent beeld:

geen eigen huis of naar schoolgaande kinderen. Hij is niet bezig met een studie die hij nog moet afmaken. Hij heeft al jaren dezelfde baan, maar in Turkije betekent dat niet automatisch dat je een contract of een werkgeversverklaring hebt. Dus wat nu? Aan mij is bij het boeken van een vakantie nog nooit gevraagd of ik kan bewijzen dat ik terug ga, maar in dit geval is het blijkbaar gebruikelijk. Ondanks dat hij zich in Turkije thuis voelt, is zijn binding met het land moeilijk aan te tonen met formele documenten. De kans op afwijzing is daardoor aannemelijk. Globalisering en uitsluiting Globalisering kan op verschillende manieren bekeken worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om meer economische samenwerking, politieke afhankelijkheid, samenwerking en interdependenties in voedselketens, Hollywoodfilms die wijdverbreid zijn en meer kennis over de wereld door toegankelijkheid van het internet. Globalisering in dit verhaal is gerelateerd aan kosmopolitisme. Doordat vliegtickets goedkoper zijn geworden en vliegen een snelle manier is om naar een ander land te gaan, kunnen wij meer reizen en van de wereld zien. Als wij willen, kunnen we wereldburgers worden, verschillende culturen van dichtbij bekijken en een mooie wereldreis maken. Grenzen zijn voor mij reden tot blijdschap en opwinding. De overgang naar een ander land maakt mij altijd nieuwsgierig, al valt vaak op hoeveel er (door globalisering) hetzelfde is als in Nederland. Als mijn telefoon aangeeft een andere provider te zoeken en ik een smsje met “Welkom in …” krijg, maakt mijn hart een klein sprongetje. Het uitsluitende karakter van grenzen heb ik nooit ervaren, al kwam een strenge grensovergang in Rusland er misschien bij in de buurt. Toen had ik voor het eerst de angst dat ik misschien niet naar binnen mocht, al kon ik daarvoor geen geldige reden bedenken.

column

Maar blijkbaar is er ook geen geldige reden nodig om iemand te weigeren. Ook de Nederlandse grens werkt uitsluitend, omdat de kans groot is dat deze Turkse jongen geweigerd wordt om een vakantie van een paar weken door te brengen bij zijn vriendin, zonder een duidelijke reden. Het gegeven dat hij volgens de ambassade hoogstwaarschijnlijk ‘niet voldoende binding’ met Turkije zal hebben, is voldoende om een visum voor een korte vakantie af te wijzen. Kosmopolitisme geldt maar voor een beperkt deel van de wereldbevolking. Voldoende geld hebben is een pré, maar daarnaast moet je vooral geluk hebben met het land waarin je geboren wordt en opgroeit. Een land waarin visa krijgen geen probleem is en waarvan ambassades verwachten dat je er sowieso naar terug wilt, ook als je dit niet formeel kunt aantonen. Als je wat minder geluk hebt, zie je globalisering alleen van de andere kant, zoals deze jongen. Hij ziet in de zomermaanden duizenden toeristen voorbij komen, verdient zijn geld door te werken in een strandtent en ziet hoe de Turkse plaats voor een groot deel bestaat uit hotels en resorts. Hij mag kijken naar de elite, maar zelf een mooie reis maken lijkt onmogelijk. Globalisering blijkt in dit veld opeens een westers centristisch begrip te zijn. Ondertussen heeft mijn vriendin een zorgverzekering voor hem afgesloten, de garantstelling ingevuld en andere papieren verzameld. De aanvraag voor een vakantievisum is onderweg naar de ambassade en mijn vriendin houdt goede hoop dat ze haar Nederlandse leven aan hem kan laten zien. Ik hoop met haar mee dat een grens voor hem binnenkort een reden tot een feestje zal zijn, in plaats van een mechanisme van uitsluiting.

Globalisering blijkt in dit veld opeens een westers centristisch begrip te zijn.

26

sociologisch mokum

thema: globalisering

27


Publicatiedruk en de kwaliteit van sociologie ‘’Wil je als wetenschapper carrière maken, dan moet je veel publiceren’’, zegt Mary van der Graaf, verbonden aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. Het liefst in internationale wetenschappelijke toptijdschriften, want dit levert de meeste punten op bij de beoordeling van onderzoek. Er worden zelfs clubjes gevormd, waarbij wetenschappers elkaar als co-auteur aanschrijven, terwijl ze niet eens aan het onderzoek hebben meegewerkt, aldus chemicus en wetenschapsfilosoof, Laurens Hessels. Wat doet dit met de kwaliteit van onderzoek? Is sociologisch onderzoek op deze wijze nog wel relevant voor onze maatschappij?

Z

oals Marx in zijn tijd al propageerde, moeten sociologen naast prachtige theorieën vormen over de samenleving, ook iets met die theorieën doen. Sociologen zouden hun sociologische kennis moeten toepassen op hun eigen maatschappij. Dit kan zich uiten in een bijdrage aan het publieke debat en beleidsvorming. De nadruk in de Nederlandse sociologie is echter sinds de jaren ‘90 van de vorige eeuw, vooral komen te liggen op Internationale Engelstalige publicaties. Als studenten kunnen we bevestigen dat we vooral Engelstalige en Internationale artikelen lezen voor onze mooie studie. Dit zou wel eens te maken kunnen hebben met eenzijdige kwaliteitscriteria waarop universitaire bestuurders tegenwoordig sociologisch onderzoek beoordelen. Deze criteria leggen sterk de nadruk op Engelstalige peer-reviewed en SSCI(Social and Science Citation Information)-rated journals die gericht zijn op het internationale publieke debat. Het gewicht zou echter ook moeten liggen op Nederlandstalige publicaties, wetenschappelijke boeken en monogra-

28

fieën, leerboeken, publieksboeken, beleidsadviezen en bijdragen aan het maatschappelijke debat, aldus Jan Willem Duyvendak, voorzitter van de Nederlandse Sociologische Vereniging (NSV). Publiceren is een doel an sich De Nederlandse sociologie heeft de afgelopen decennia onder anderen door de globalisering van de wetenschap veel aan reputatie gewonnen. Aardig wat Nederlandse sociologen hebben gepubliceerd in internationale wetenschappelijke tijdschriften die wereldwijd hoog in het vaandel staan. Ze worden vaak geciteerd door hun vakgenoten en regelmatig uitgenodigd als keynote speaker binnen het vakgebied. Al erkent de NSV het belang hiervan, worden de onevenwichtige en eenzijdige kwaliteitscriteria waarmee onderzoek wordt beoordeeld erg zorgelijk geacht. Ook Van der Graaf vraagt zich af of de Faculteit der Sociale Wetenschappen er wel de ‘juiste’ kwaliteitscriteria op nahoudt. Publiceren is een ‘must’ geworden voor wetenschappers in het algemeen en Nederlandse sociologen leveren hier een substantiële bijdrage aan. Het is

sociologisch mokum

tekst: Tal van den Berg beeld: Tom van der Bijl

echter een klein groepje vakgenoten dat deze erkende publicaties leest. Nederlandstalige publicaties die invloed hebben op het publieke debat, zoals de eerdergenoemde

Het ironische is dat erkende publicaties nauwelijks worden gelezen en gelezen publicaties nauwelijks worden leerboeken, wetenschappelijke boeken en beleidsadviezen voldoen niet aan de criteria, maar worden wel door een breder publiek gelezen. Erkende publicaties zijn belangrijk voor de ranking van een universiteit. Het ironische is dat erkende publicaties nauwelijks worden gelezen en gelezen publicaties nauwelijks worden erkend. Het publiceren begint hier steeds meer te lijken op een rationeel productieproces. Zelfs als er interesse is voor bepaalde publicaties kan het zijn dat er in mindere mate over geschreven zal worden, omdat wetenschappers liever hun tijd spenderen aan publicaties die peer-reviewed zijn en/of in SSCI-rated journals komen te staan.

oudsher twee taken hebben, namelijk de samenleving bestuderen én haar dienen. Door de focus op het internationale debat, slagen weinig Nederlandse sociologen erin om ook van betekenis te zijn in het publieke debat in Nederland. Door de nadruk op de voornamelijk Angelsaksische wetenschap, bij zowel het publiceren als het lezen van artikelen, moeten we ons wel degelijk afvragen of kennis van onze eigen samenleving niet achterblijft. Hierdoor kunnen sociologen hun tweede taak, waar het in de sociologie evengoed om gaat, lastig vervullen. Er is dus een kloof ontstaan tussen de sociologie als wetenschap en de maatschappij in Nederland: de socioloog is vervreemd geraakt van zijn eigen samenleving. Met het voorgaande in gedachten worden sociologen uitgedaagd om de ontstane leemten te dichten. Ja, het is belangrijk om met de tijd mee te gaan en aandacht te besteden aan de globalisering van de wetenschap. Kennis

beschouwing over de Nederlandse situatie en samenleving blijft voor de sociologie echter ook relevant. Er zal daarom inhoudelijk meer focus gelegd moeten worden op het publieke debat hier in Nederland, en de sociologie niet uitsluitend onderwerpen aan het wel en wee van haar internationale reputatie. Zo biedt de socioloog het hoofd aan de ‘rankingcultuur’ en behoudt de capaciteit -hopelijk de passie van ons allen- om ‘echt iets te doen met de sociologie’.

Vervreemding Net als Marx, is tevens Duyvendak van mening dat wij sociologen van

thema: globalisering

29


Geografisch omnivoor De vraag die bij iedere nieuwe ontmoeting steevast wordt gesteld: waar kom je vandaan? De meeste mensen staan hier nog geen twee tellen bij stil, maar een kosmopoliet struikelt hierover. Hoe is het om geen antwoord te kunnen geven op deze vraag?

E

en kosmopoliet weet hier geen raad mee omdat zij simpelweg geen kader heeft waarin ze deze vraag kan beantwoorden. Ze komt namelijk niet ergens ‘vandaan’. Ze vraagt zich af: “Wil je nou weten waar ik geboren ben? Wil je weten waarvan mijn ouders afkomstig zijn? Wil je weten waar mijn familie woont? Wil je weten welk land er op mijn paspoort staat? Wil je weten waar ik nu woon? Wil je weten waar ik gewoond heb?” Zij raakt geheel in de knoop en heeft daarom vaak een ingestudeerd antwoord op deze té vaak terugkerende vraag. Ik weet dit omdat ik haar ben. Onderweg Ik ben overal en nergens opgegroeid. Mijn ouders en familie zijn Nederlands, ikzelf ben hier niet geboren, maar in Panama. Daar heb ik slechts gewoond tot ik anderhalf jaar oud was en nog maar een paar stappen wist te zetten. We vertrokken uit Panama, niet zonder mijn allereerste verjaardag op Cuba te vieren, naar Peru waar ik naar de lokale kleuterschool ging. Daarop volgde Bolivia en kort daarna Oostenrijk. Hier ging ik voor het eerst naar de internationale school, waar iedereen een kosmopoliet bleek te zijn. Op mijn negende keerde ik terug naar Bolivia en moest ik naar de Amerikaanse school. Dit was eveneens een Engelstalige privéschool, maar de lesmethode en inhoud waren geheel op Amerika gericht. Ik kreeg in de eerste week straf omdat ik mijn huiswerk niet had gemaakt: hoe vaak ik ook uitlegde dat ik niet kon uitrekenen hoeveel “dimes” en “nickles” Jantje overhield, omdat ik niet wist wat dit waren. Hier was vooral in de pauze een sociale scheiding te merken tussen de Bolivianen en de Amerikanen. Als ‘Nederlander’ viel ik daar precies tussen, en zo was de toon gezet voor de komende vijf jaar. Het was namelijk nooit bekend hoe lang we in ieder land zouden wonen, behalve dat het nooit meer dan vijf jaar was. Op mijn veertiende keerde ik

30

sociologisch mokum

tekst: Sabine Bastiaans beeld: Cleo Brekelmans

wederom terug naar Wenen, waar ik herenigd werd met mijn oude vrienden, met wie ik verwachtte samen de middelbare school af te ronden. Tot ik vlak voor de zomervakantie te horen kreeg dat we naar Thailand verhuisden. Ik was woedend en verdrietig, maar ik had geen keus. Buitenstaander Al die jaren had ik mijn zomers doorgebracht in Nederland bij oma’s, opa’s, tantes en ooms, en nu keerde ik er terug, om in ‘mijn land’ te komen studeren. Ondertussen heb ik deze levenswijze voortgezet door op uitwisseling te gaan naar Turkije en stage te lopen in Dubai. Ik kan niet anders, want ik weet niet beter. Door mijn ervaring met de Nederlandse samenleving als een insider die er buiten staat -of een outsider die er middenin staat- heb ik de begeerte erbij te willen horen. Gelijktijdig gaat die wens gepaard met een poging om mijn aangeboren habitus te hercreëren en hier sociale erkenning voor te krijgen. Ik ken deze cultuur al mijn hele leven, al ben ik er pas veel later middenin komen te staan. Dit biedt mij een uniek perspectief op mijn eigen cultuur. Iedere dag die ik in Nederland heb doorgebracht – zelfs op jongere leeftijd gedurende de zomervakantie – werd ik in het hokje van de buitenstaander geplaatst. Bijvoobeeld bij het aanvragen van een ID-kaart, waar ze me wanhopig aankeken en maar niet konden bedenken naar welk loket ze me moesten sturen. Ik ben me hier altijd zeer bewust van geweest en uit frustratie heb ik geprobeerd hier tegenin te gaan. Anderen schijnen het recht te hebben om voor jou te bepalen wie jij bent, zonder jou echt te willen leren kennen. Het verbergen van mijn achtergrond deed ik om tot het Nederlandse hokje te mogen behoren. Het heeft velen

jaren gekost, maar ik doe dit nu nog zelden. Ik moet mensen systematisch corrigeren en zeggen dat ik toch feitelijk Nederlands ben. Toen ik in Nederland kwam wonen moest ik zelfs met moeite bewijzen dat ik geen inburgeringscursus hoefde te volgen. Ook bij de overheidsinstanties viel ik tussen allerlei beperkende categorieën in. Ik ben weliswaar vanaf mijn geboorte Nederlander, maar ik ben hier niet geboren en stond tot die tijd nooit ingeschreven bij een Nederlandse gemeente als inwonende. De conclusie luidde dat ik dit land onmogelijk kon kennen of er toe kon behroen en ben daarom maar geplaatst bij anderen die hier niet thuis zijn. Toen was het voor mij bepaald: ik zal altijd de buitenlander zijn, ook in eigen land.

reflectie in het desbetreffende land bevindt? Wanneer ik vervolgens overging op “Amsterdam” was de reactie steevast: “Nee, maar niet écht, toch?”, inclusief uniforme scheve blik. Dit gold ook voor mensen die naar Nederland geïmmigreerd waren en waarvan je zou verwachten dat ze konden begrijpen dat niet iedereen maar van één plek afkomstig is en zich met één enkele plaats op aarde verbonden voelt. Ik ben blij dat ik anders ben, ik voel me vereerd dat ik op zulke jonge

Ik kan niet anders, want ik weet niet beter.

Het thuis gevoel Ik wijd dit alles aan de calvinistische ‘doe maar normaal dan doe je al gek genoeg’ heersende denkwijze, die in meerdere Hollandse gezegden voorkomt. Je dient niet op te vallen en je zult conformeren naar de standaard. Wanneer ik de landen opsomde waar ik had gewoond, vond men me arrogant en pronkerig, maar het is uiteindelijk gewoon mijn leven. Ik kan er niks anders van maken en ik gaf simpelweg eerlijk antwoord op hun vraag: “Waar kom je vandaan?”. Dit gebeurde bijvoorbeeld regelmatig aan de kassa van de AH, of als ik een ijsje kocht, als ik nieuwe mensen leerde kennen en ga zo maar door. Waar ik toe behoorde ging iedereen wat aan. Wanneer ik simpelweg met ‘Nederland’ antwoordde, werd er gelachen. Wie antwoordt nou met een heel land op zo’n vraag, vooral wanneer je je op dat moment thema: globalisering

leeftijd zo veel van de wereld heb mogen zien en proeven en dat dit mij eigen is. Al vond ik het toen niet altijd even leuk om alles keer op keer achter te laten en opnieuw te beginnen. Het heeft me gemaakt tot wie ik ben. Gedurende al die jaren ben ik in contact gekomen met vele culturen, omgangsvormen en wereldbeelden. Geen van deze is mij eigen. Ik ben thuis, daar waar iedereen gemengd is en waar nooit de vraag “waar kom je vandaan” wordt gesteld. In plaats daarvan is het gebruikelijk apart te vragen wat je nationaliteit is, waar je bent geboren, waar je nu woont, waar je hiervoor woonde en waar je familie woont. Mijn utopie en mijn thuis is in het gezelschap van andere gelijkgestemden, of Third Culture Kids, zoals wij weleens genoemd worden. En toch ben ik een geboren Nederlander, die als ieder ander al haar hele leven Sinterklaas en Koninginnedag viert en thuis Nederlands spreekt; terwijl er buiten steeds afwisselende, tropische vogels zingen.

31


tekst: Oskar Köhler beeld:

GLOBALISERING olie op het nationalistische vuur?

N

a de val van de Berlijnse muur was nationalisme in Europa niet langer een relevant verschijnsel. Het einde van de Koude Oorlog zorgde in West-Europa voor een periode van euforie, die gepaard ging met een periode van economische voorspoed. Hechte internationale samenwerking was hierbij een onmisbare factor. Met uitzondering van een aantal (dwerg)staten aan de grenzen van Europa leek er voor nationalisme geen plek in het politieke spectrum van de liberale democratie. De natiestaat Dit idee heeft echter niet lang stand gehouden. Nationalistische partijen weten in bijna heel Europa steeds meer kiezers naar zich toe te trekken en partijen die voorheen niet als nationalistisch beschouwd worden, krijgen langzamerhand een nationalistische ondertoon. Zie bijvoorbeeld de machtspolitiek die met name Frankrijk en Duitsland bedrijven rondom de eurocrisis. Waar ligt de oorsprong van deze wederopstanding van het nationalisme? Misschien moeten we eerst kijken naar de betekenis van nationalisme. In de politiek is nationalisme een stroming die de staat en de natie zo dicht mogelijk bij elkaar wil houden. Het volk moet zich verbonden voelen om als staat te kunnen functioneren. Er is dus een gemeenschappelijk stelsel van normen en waarden nodig om de macht van de staat te legitimeren. Dit betekent ook een streven naar een zo machtig mogelijke staat om de natie te behoeden voor inmenging van buitenaf. Nationalisme is dus angstpolitiek. Ze gedijt op de angst voor het onbekende, en de angst voor verlies van zelfbeschikking. Globalisering, de motor achter veel veranderingen in deze tijd, speelt een grote rol in de opbloei van het nationalisme.

Nationalistische geluiden steken in veel Europese landen de kop op. Globalisering wakkert dit proces aan, want Europese regelgeving en de afhankelijkheid van de markt ondermijnen de soevereiniteit van de natiestaat. Dit is koren op de molen voor de moderne nationalist.

Wil van het volk? De wereld globaliseert in zo’n ontzagwekkend tempo dat het voor de mens moeilijk bij te houden is. Ook de politiek heeft er moeite mee. Zo is de regelgeving omtrent de handel en wandel van grote multinationals, banken en beleggingsfondsen moeilijk te coördineren en bovendien hebben alle staten andere belangen. Er zijn zelfs staten die voordeel hebben bij deze chaos. Voor iedereen die de internationale politiek niet nauwgezet volgt, is er soms geen

analyse

touw aan vast te knopen. Het verbod op de te kromme komkommer van een aantal jaar geleden – dat sinds 2009 niet meer geldt – is een goed voorbeeld van de doorgeschoten Europese bureaucratie. Maar de Nederlandse staat hield zich wel aan deze regelgeving. Dit geeft aan dat de EU een dwingende macht kan uitoefenen op afzonderlijke staten. Een dwingende macht die opgelegd wordt door het Europees parlement, een instantie waarin de macht van een individuele staat klein is. De staat moet namelijk samenwerken met andere staten om in het parlement een rol van betekenis te kunnen spelen. Hierbij moeten flinke concessies worden gedaan. Dit betekent dat de staat in binnenlandse aangelegenheden soms maatregelen moet nemen tegen de wil van het eigen volk, om aan de internationale en Europese verdragen te kunnen voldoen. Het idee kan ontstaan dat het nationale parlement door de gebondenheid aan internationale verdragen en afhankelijkheid van de internationale markt de controle over het land verliest. Deze gebondenheid aan internationale afspraken is ons onlangs nog duidelijk geworden door het vasthouden aan zes miljard euro bezuinigingen door het kabinet. We kunnen er niet onderuit. Verbondenheid In deze wetenschap smeedt de nationalist zijn wapens. Het wordt namelijk erg makkelijk om als politicus te wijzen naar het buitenland als zondebok, de belachelijke regelgeving van de EU, het verlies van de autonomie en de economische afhankelijkheid ten opzichte van het buitenland. Vertrouwen wij het buitenland wel? Globalisering kan mensen en samenlevingen in eerste instantie dichter bij elkaar brengen, maar uit vele landen klinkt een onverwacht heftig nationalistisch geluid. De mens heeft een gevoel van verbondenheid nodig dat verder strekt dan economie en politiek. Door het ontbreken van verbondenheid met de internationale gemeenschap ontstaat een spanning die de opbloei van nationalisme verklaart. Hier zal de mens overheen moeten stappen op weg naar een wereldorde. Of heeft het ook een maatschappelijke functie, die ons waarschuwt voor een politiek die te ver van de mensen af staat?


Bart van Heerikhuizen was van 1972 tot 2013 verbonden aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen en heeft vele generaties studenten geïnspireerd.

De geest van Tocqueville Bart van Heerikhuizen

34

uitgesprokener. Zo ontwikkelde ik een steeds sterkere afkeer van Karl Marx. Wat een vreselijk imponeerproza schreef die man in zijn vroege manuscripten; wat snauwde hij zijn lezers onbehouwen toe in zijn latere boeken. En gedurende die veertig jaar ging ik steeds meer houden van de Franse politieke filosoof Alexis de Tocqueville, die leefde van 1805 tot 1859. Deze edelman, die het bracht tot minister van buitenlandse zaken, schreef op zijn dertigste een schitterend boek over het politieke en sociale leven in de Verenigde Staten. Tocqueville doorkruiste gedurende negen maanden het grote Amerika van Canada tot New Orleans, samen met zijn vriend Gustave de Beaumont. In zijn boek gaat het er onder meer over hoe de president en het parlement, de progressieve en conservatieve politici, de federale

sociologisch mokum

overheid en de statelijke overheden elkaar in evenwicht houden, het beroemde model van checks and balances. Maar Tocqueville schrijft ook kritisch over wat dit democratische systeem bedreigt: populisme, conformisme, de heerschappij van de grauwe middelmaat, de kans op meerderheidstirannie. Hij was op zijn reis diep geschokt door de wrede onderdrukking van zwarte Amerikanen door een blanke meerderheid, die koppig weigerde hen te erkennen als burgers van de nieuwe democratie met alle rechten die daar bij horen. Al is hij nog zo verontwaardigd, Tocqueville snauwt zijn lezer nooit toe, maar legt hem hoffelijk zijn nieuwe inzichten voor. In mijn colleges maakte ik er steeds minder een geheim van dat Tocqueville mijn grote held was. En nu mocht ik dus, op kosten

beeld:Elske Verdoorn

E

nkele maanden geleden werd ik 65 en dus moest ik, na 40 jaar sociologie te hebben gedoceerd aan de Universiteit van Amsterdam, met pensioen. Studenten en collega’s organiseerden een afscheidsfeestje en ik kreeg een heel bijzonder cadeau: één week geheel verzorgd, samen met mijn vrouw, in het kasteel van Alexis de Tocqueville in Normandië. Ik was overrompeld en de aanwezigen konden waarnemen hoe een socioloog er uit ziet als die zit te stralen! In mijn veertig jaar bij de UvA heb ik colleges gegeven over grote negentiende eeuwse sociologische denkers, zoals Auguste Comte, Alexis de Tocqueville, Karl Marx, Herbert Spencer en Emile Durkheim. In de loop der jaren werden mijn voorkeuren en antipathieën

van mijn studenten, collega’s en vrienden, een weekje logeren in zijn kasteel op het Normandische schiereiland, twintig kilometer van de havenstad Cherbourg. Dat familiekasteel, gelegen bij het dorpje Tocqueville, bestaat nog altijd en het is ook nog steeds in het bezit van de graaf van Tocqueville, die een toren van het slot beschikbaar stelt aan vermogende toeristen. En zo zat ik op onze trouwdag, 14 oktober, in de studeerkamer van Alexis de Tocqueville, achter zijn bureau, emailtjes te schrijven aan Rineke van Daalen, Christien Brinkgreve en Muriël Kiesel, uitkijkend op dezelfde Engelse tuin, die ook hij zag als hij werkte aan zijn Souvenirs of aan l’Ancien régime et la révolution. In de bureaulade lag de eerste editie van De la démocratie en Amérique (het eerste deel van 1835 en het tweede van 1840), waarin iemand met potlood had geschreven dat dit exemplaar had toebehoord aan de auteur zelf. In die la lag ook een boek van Gustave de Beaumont, de vriend met wie hij door de Verenigde Staten reisde. Beaumont schreef een roman, Marie geheten, waarin hij de slaver-

nij in de Verenigde Staten fel aanklaagt. Tocqueville en B e aum o nt waren allebei verbijsterd over de onderdrukking van zwarte mannen en vrouwen in de Verenigde Staten, maar de één schreef er essayistisch over en de ander in de vorm van een verontwaardigde roman. In het exemplaar dat hier voor me lag had iemand met zwarte inkt iets geschreven. In zwierig 19e eeuws handschrift, alsof de auteur het er gisteren in had gezet, stond daar bovenaan de schutblad-pagina: ‘Pour mon meilleur ami Alexis de Tocqueville, G. de Beaumont’. Ik wist helemaal niet dat deze woorden in dit heel bijzondere exemplaar stonden, waarin ik eerlijk gezegd een beetje verstrooid zat te bladeren. Zoiets komt hard aan. Door dit soort ervaringen raakte ik in die dromerige geestesgesteldheid waarin je de wonderlijkste sensaties kunt ondergaan. In de zitkamer waar wij de lange, stille herfstavonden doorbrachten, hing een olieverfschilderij, een levensgroot portret van Tocqueville,

thema: globalisering

dat is gereproduceerd in elke biografie die over hem is verschenen; de afbeelding is ook deel van mijn college-powerpoints. Maar dit was wel het origineel. In het holst van de nacht van maandag, 16 op dinsdag, 17 oktober, toen in Amerika de debatten over het schuldenplafond werden gevoerd, zat ik op een bank onder dat schilderij het nieuws te checken op mijn iPad. Mijn vrouw was al via de wenteltrap naar onze enorme slaapkamer op de eerste verdieping van de ‘tour carré’ vertrokken. Het was volle maan, buiten woedde een felle storm; het kan flink spoken daar in Normandië. En ineens maakte zich de figuur los uit het olieverfschilderij. Ik moest meteen denken aan Vigo de Karpathiër in Ghostbusters II, die een soortgelijke entrée maakt, maar deze figuur was een stuk vriendelijker: het was Alexis zelf, die tot mijn grote genoegen naast me op de bank

35


kwam zitten. Hij begreep meteen dat ik op mijn tablet de gebeurtenissen in de Verenigde Staten op de voet volgde. De jonge jurist Alexis de Tocqueville die in 1831 gedurende 34 dagen straalmisselijk op de boot naar New York had doorgebracht, om ter plekke het Amerikaanse penitentiaire stelsel te kunnen bestuderen, liet merken dat hij zo’n iPad veel gerieflijker vond. Hij was kinderlijk opgetogen over het feit dat hij hier, nota bene in zijn eigen kasteeltje, rechtstreeks de debatten kon volgen in het Huis van Afgevaardigden, hij reageerde enthousiast toen ik de opiniepagina van de Washington Post te voorschijn toverde, hij ontpopte zich ter plekke als een fan van CNN-commentator Wolf Blitzer (‘Is dat zijn echte naam, of is het een pseudoniem?’, vroeg hij me; ik had geen idee). Ik moest hem wel even op de hoogte stellen over de debt ceiling en de govenment shutdown; ik vertelde hem dat in deze spookachtige nacht mensen over de hele aardbol zich huiverend afvroegen of de radicalen in de republikeinse partij werkelijk het wereldomspannende economische stelsel zouden opblazen, omdat ze het niet eens waren met een bepaalde wet op de gezondheidszorg. Maar de geest van Tocqueville had mijn uitleg nauwelijks nodig. Hij begreep moeiteloos het conflict tussen de president en het parlement, de gevechten tussen Tea Party republikeinen

36

en gematigde republikeinen, de frictie tussen de Senaat en het House of Representatives, het populisme van de initiatiefnemers tot de shutdown, hij herkende met een glimlach de demagogie van senator Ted Cruz. Naast me hoorde ik zijn zachte stem: Plus ça change, plus c’est la même chose. Toen de ramp zich uiteindelijk toch niet voltrok, werd het tijd voor de slotacte: Obama’s persconferentie. Ik had mijn doorschijnende gast verteld dat de huidige president van de Verenigde Staten een begenadigd politiek redenaar was en hij was intussen heel benieuwd. Keer op keer werd de persconferentie een kwartiertje uitgesteld; de spanning op ons bankje steeg. Het was pas tegen drie uur in de ochtend, Europese tijd, toen eindelijk de deuren van het zaaltje vol journalisten open zwaaiden en Obama zijn entree maakte. De verschijning naast me prevelde: ‘Hij is zwart, het is een zwarte man, Amerika heeft een zwarte president...’ In het schijnsel van de volle maan kon ik waarnemen hoe een lijkbleke geest er uit ziet als die zit te strálen.

sociologisch mokum

thema: globalisering

37


SEC

dicht op Mokum

20 FEB

door Emma Stomp

Ontmaagding

FEB

‘that’s a pity’ die overtuiging kwam ergens op mijn zestiende met mijn voeten in het zand zongebruinde schouders en een vakantieliefde die ging nog onwetend over de eindeloze teksten de eindeloze discussies met een glas wijn in de hand die zouden volgen en dat allemaal in het Engels.

38

sociologisch mokum

sociologisch mokum

6

MRT

4

APRIL t/m

6

APRIL

Excusie

Eens in de zoveel tijd verlaten we het Spinhuis om sociologie in het echte leven te aanschouwen. Zo ook op 28 februari. Waar de excursie heen zal gaan wordt binnenkort bekend gemaakt op de website van SEC en op Facebook. Carrièredag Leuk en aardig hoor, sociologie, maar wat kun je er nou eigenlijk mee? Dat zullen een aantal afgestudeerde sociologen op de carrièredag komen uitleggen. Ook zo benieuwd hoe een politicus zijn sociologische kennis gebruikt? Of wat een beleidsadviseur nu precies doet?

9

APRIL

Liftwedstrijd Je houdt je bordje tevergeefs omhoog, de zon brandt op je huid en auto’s razen voorbij. Nog honderd kilometer te gaan tot de eindstreep. Zal jouw team als eerste de finish halen? 4 april is het weer tijd voor de liftwedstrijd! Eenmaal op de plaats van bestemming is het tijd voor het snuiven van cultuur, maar vooral voor veel feesten! Vorig jaar zijn de sociologen naar Keulen gelift. Waar zal de reis dit keer heen gaan? FMG feest Altijd al willen weten hoe politicologen dansen of een planoloog aan de haak willen slaan? Dan is dit je kans! De soorten mengen en komen bijeen op het FMG Feest van politicologie, psychologie, communicatiewetenschap, antropologie, planologie, pedagogiek en sociologie!

thema: globalisering

tekst: Emma Stomp

28

Hoe kan je alles wat je leert in het bedrijfsleven inzetten, of juist in de journalistiek of het onderwijs? Hoe gaat promoveren in zijn werk en is dat heel anders dan het doen van onderzoek bij een commercieel bureau? Vorig jaar kwamen onder meer een redacteur van Pauw en Witteman en een gemeenteraadslid van Amstelveen aan het woord. Ook dit jaar halen we weer interessante sprekers voor jullie in huis!

sociologische agenda

Toen ik elf was leerde mijn vader hoe ik het woordje ‘the’ uit moest spreken met je tong tussen je tanden waardoor het mysterieus gaat klinken waarbij het Engels mij ontmaagde en het was ook de tijd waarin we vooraf ingestudeerde gesprekken voerden in de klas en ik ‘that’s a pity’ moest zeggen omdat een bepaald iemand op een bepaald tijdstip niet kon dineren en het duurde heel lang voor ik dat met overtuiging kon zeggen

Open podium Ben je nog altijd bedroefd vanwege die ene afwijzing op het conservatorium? Baal je dat je ouders zeiden dat je alleen met een universitaire studie het ver zou schoppen in het leven, terwijl je liever naar de toneelschool was gegaan? Of speel je het liefst avond na avond op je saxofoon en staan de buren voor de zoveelste keer op de stoep om te vragen of het zachter mag? Dan is dit je kans! SEC en Kwakiutl organiseren in samenwerking met de Common Room het Open Podium, waarbij iedereen zijn verborgen of minder verborgen talenten kan laten zien. Houd Facebook in de gaten om te zien hoe je je aan kunt melden!

39


DRU

TYCO

Druk & Printservice J I S R T E E K S T E T Y C O K 020 6341381

drukkerij@stetyco.nl 40

www.stetyco.nl

sociologisch mokum


SoMo #2 - Jaargang 2013-2014 - Globalizing world