/LEV07_magazine_april_201

Page 1

l ev

7

april 2012 jaargang 4 nummer 7

Afrika

Een uitgave van CSG Centre for Society and the Life Sciences

www.society-lifesciences.nl

in de polder

Onze kennis, hun voedsel

Hightech op de Afrikaanse akker

Knapen over ontwikkelingsbeleid nieuwe stijl


0

+ 200 miljoen ton Tammo Schurigna

n

1980

1990

2000

2005

Historische groei R&D in de landbouw (%)

AND

1976-1980 1981-1990 1991-2000

BEELD voorpagina

10 8 6 4 2

BURUNDI

High- income countries

Developing countries

West Azië North Africka

Azië Pacific

MOZAMBIQUE

14

ZUID AFRIKA

06

18

BRON FAO, WERELDBANK

RWANDA

Latin Am. Caribbean

08

na

Sub-Sahara Afrika

0

Thema Kennis van eigen bodem voor Afrikaanse

06

28

36

08

30

13, 21, 27, 39

inhoud

De cijfers De overheid investeert in tien Afrikaanse partnerlanden. Hoe staan zij er met landbouw, inkomen en honger voor? Hoe ontwikkelt zich de wereldvoedselproductie en wat zijn de noden voor de toekomst? LEV brengt de cijfers in beeld.

Polderen voor Afrika Met kennis de wereld verbeteren. Dat is het ideaal van gastredacteur en CSGonderzoeker Bram De Jonge. Maar hoe pak je dat aan? Hij ging op speurtocht in het Nederlandse polderlandschap naar de mogelijkheden en blokkades voor voedselzekerheid in Afrika.

Patent op kennis Hoe zorg je dat bescherming van intellectuele eigendom benutting van kennis niet blokkeert? Twee alternatieven om te zorgen dat ook ontwikkelingslanden baat hebben bij westerse kennis.

Werkveld aan het woord Samen sterk voor meer voedselzekerheid in Afrika, is het adagium van de Nederlandse overheid. Maar wat hebben de wetenschapper, de veredelaar en de idealisten elkaar precies te bieden? LEV peilde de meningen in het veld.

De politicus Staatssecretaris Ben Knapen licht zijn ontwikkelingsbeleid nieuwe stijl toe. Hulpverlening van rijk aan arm is verleden tijd, het is tijd voor een meer bedrijfsmatige en kennisintensieve samenwerking.

Op de Afrikaanse akker Veel beleid en mooie plannen, maar hoe vergaat het Nederlandse kenniswerkers nou werkelijk daar op de Afrikaanse akker? Vier voorbeelden uit de weerbarstige praktijk.

april 2012 • LEV 7 •

2


Op speurtocht Kennisbenutting is een heikel onderwerp. Al gauw belanden we in discussies over de waarde van wetenschappelijke kennis, los van de toepassing; en over de manier waarop we geld voor onderzoek verdelen. Nog lastiger wordt het wanneer de afnemers van die kennis zich op grote afstand van ons bevinden: in het ‘arme Zuiden’.

28

30

36

akker

14

... en verder

17

04

Wetenschapper Louk de La Rive Box hekelt overheidsbeleid Scholieren brengen kennis naar ontwikkelingsland

41 Interview CSG-directeur Hub Zwart gelooft in de toekomst

18

Bernard de Geus over Nederlands bedrijfsleven & Afrika

22

Rondetafelgesprek over wetenschap & samenleving

35

Column

40

CSG-projecten

3 • LEV 7 • april 2012

Nieuws

43

Agenda en colofon

Ook in de groene life sciences is men zich van die afstand bewust: hoe zorg je ervoor dat onze kennis van gewassen leidt tot betere oogsten in Afrika? Deze vraag stelden betrokken partijen zichzelf en ons tijdens hun deelname aan een CSG-bijeenkomst in het najaar van 2010. Bram De Jonge, CSG-onderzoeker en gasthoofdredacteur van deze LEV, nam de handschoen op en ging op zoek naar (een deel van) het antwoord. De Jonge is gepokt en gemazeld in kennisoverdracht naar ontwikkelingslanden. Daarom vroegen we hem om voor ons uit te zoeken hoe innovatiebeleid en ontwikkelingsbeleid zich tot elkaar verhouden. Tijdens zijn speurtocht sprak De Jonge met onderzoekers, beleidsmakers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en westerse bedrijven. Maar ook met entrepreneurs, ver weg in Afrika. Hij deed dat in - voor ons land - roerige tijden. In 2011 immers zette de minister van Innovatie, Maxime Verhagen, het kennisbeleid volledig op zijn kop. In deze LEV doet De Jonge verslag van zijn rondgang. Veel van zijn gesprekspartners hebben we geïnterviewd. In dit blad bieden we de maatschappelijke discussie rond kennis- en ontwikkelingsbeleid een podium, om aldus de afstand tussen deze twee te helpen verkleinen. Frans van Dam, hoofdredacteur dam@society-lifesciences.nl


Marjolein Schrauwen samenstelling

Diane Paul gasthoogleraar CSG en Community Genetics (VUmc) hebben begin februari Diane Paul verwelkomd als gasthoogleraar in CSG’s Visiting Scholar Programme. Paul is professor emerita van de University of Massachusetts Boston en gespecialiseerd in de geschiedenis van evolutie en genetica. Op dit moment houdt ze zich bezig met de geschiedenis van het screenen van pasgeborenen op de ziekte phenylketonuria. Het doel van haar verblijf is om de screeningsprogramma’s van pasgeborenen in Europa en de VS te vergelijken en de verschillen in deze programma’s te verklaren. Meer informatie over Diane Paul is te vinden op www.society-lifesciences.nl.

Maatschappelijk programma

topsectoren De topsector Life Sciences & Health (LSH) streeft naar een integrale aanpak van health technology assessment, inclusief ethische, juridische en maatschappelijke aspecten. In een aantal lopende projecten sluit CSG al aan bij centrale thema’s in het innovatiecontract voor LSH, zoals molecular diagnostics, enabling technologies en regenerative medicine. CSG wil verder investeren in deze topsector met valorisatieprojecten. Daarnaast is in een gezamenlijk innovatiecontract over de bio-based economy van zes verschillende topsectoren ook een programma over maatschappelijke aspecten opgenomen. Speerpunten zijn onder meer publieksacceptatie van en communicatie over de bio-based economy, goed bestuur en dialoog met stakeholders. Bij de uitvoering van dit programma speelt CSG een prominente rol. Meer informatie: www.top-sectoren.nl/lifesciences en www.top-sectoren.nl/chemie

nieuws

Inspirerende interactie Onderzoek in interactie is de basis van CSG voor succesvolle valorisatie van onderzoeksresultaten. In de publicatie Science for Life presenteert CSG met trots verschillende inspirerende voorbeelden van de wijze waarop interactief onderzoek bijdraagt aan maatschappelijke valorisatie. De voorbeelden variëren van het aanpassen van medische richtlijnen tot betere manieren om de complexe vraagstukken in de biologie uit te leggen aan leerlingen. Science for Life is te lezen via www.society-lifesciences.nl.

Urine Samples

Kunstige genomics Groeiende graffiti, een urinedagboek, een interactief plantmedium en een eetbare tijdmachine. Deze voorstellen zijn op 8 december bekroond met een Designers & Artists 4 Genomics Award (DA4GA). De prijzen zijn uitgereikt aan vier teams van kunstenaar(s) en een onderzoeker van een genomics centre. De jury roemde hun initiatieven om hun “inventiviteit, de wijze waarop ze een brug slaan tussen kunst en wetenschap en hun maatschappelijke zeggingskracht”. De winnaars gaan het prijzengeld van e 25.000 gebruiken om hun voorstellen daadwerkelijk te realiseren. Vanaf juni 2012 zijn hun werken te zien in Museum Naturalis. Meer informatie over de winnende projecten is te vinden op www.da4ga.nl.

april 2012 • LEV 7 •

4


Guido de Wert (l) en Joris Veltman

“Als het doel is de voedselzekerheid te vergroten, is het niet logisch om het Nederlands exportproduct centraal te stellen.”

foto rob alving

Louk de la Rive Box, pagina 14

Op zoek naar dat ene

foutje

Twee genetici, een ethicus en een zaal vol geïnteresseerden bediscussieerden op 7 februari de gevolgen van exoomsequencing. CSG en het Nijmeegse debatcentrum LUX organiseerden deze sciencecafé-avond naar aanleiding van de revolutionaire stap van het UMC St. Radboud om alle coderende genen in kaart te brengen van patiënten met een zeldzame genetische aandoening. Want wat als ze tegelijk ontdekken dat de patiënt een vergrote kans heeft op Alzheimer? Of op kanker? Na de techniek zelf te hebben uitgelegd, lichtten Joris Veltman en Helger IJntema (Genetica, UMC St. Radboud) toe wat zij doen als ze genetische informatie vinden die los staat van de te onderzoeken ziekte. Guido de Wert (hoogleraar Ethiek van erfelijkheidsonderzoek, Universiteit Maastricht en CSG-principal investigator) zette deze ontwikkeling in het bredere perspectief van personalized medicine, maar ging ook in op het recht op weten én niet weten, dat een belangrijke rol speelt bij het onderzoek van Veltman en IJntema. Het publiek, bestaande uit onderzoekers, artsen, studenten en andere geïnteresseerden, greep zijn kans om de wetenschappers vragen te stellen en stellingen voor te leggen.

“Maatschappelijke organisaties kunnen niet in hun eentje de wereld verbeteren” Josine Stremmelaar (ontwikkelingsorganisatie Hivos), pagina 22

In Memoriam Ingrid Baart Ons bereikte het droevige bericht dat Ingrid Baart op 18 januari 2012 overleden is. Ingrid Baart (1952) studeerde psychologie en was sinds 1 april 2005 als universitair docent verbonden aan de afdeling Metamedica van het VU medisch centrum. Tussen 2006 en 2009 was zij als onderzoeker werkzaam op het CSG-project Geestesziekten, genomics en samenleving. Deze studie naar de deelname van psychiatrische patiënten aan de aansturing van onderzoek naar hun eigen aandoeningen leidde tot actievere en meer zinvolle deelname van deze patiënten.

5 • LEV 7 • april 2012

Samen met Veronique Huijbregts schreef Ingrid het boek Om gek van te worden … Het complexe verband tussen psyche en genen (CSG, december 2010), dat door patiënten en zorgverleners goed werd ontvangen. Wij gedenken in Ingrid Baart een wetenschappelijk en maatschappelijk bevlogen en betrokken onderzoeker, die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan CSG. Hub Zwart, Gijs van der Starre, Maud Radstake en Frans van Dam


HB infographic Studio

10 partnerlanden in Afrika Tien van de vijftien partnerlanden waar het Nederlandse ontwikkelingsbeleid op focust, liggen in Afrika. LEV brengt cijfers over deze landen in beeld. En laat zien hoe de wereldvoedselproductie zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en wat de noden voor de toekomst zijn.

Percentage ondervoede mensen van totale bevolking per land

Soedan

12

Mali

22

Ghana

12

41

22

Benin

Ethiopië

Oeganda Kenia Rwanda Burundi

33

32 62

38

<5

Mozambique Bron FAO 2006-2008

5

Zuid Afrika overgangsland

Mali

Ghana

Benin

Soedan

Ethiopië

de cijfers

BBP per hoofd van de bevolking (x 1.000 PPP$) percentage landbouw van bbp (x 10) percentage groei van bbp

BBP: Bruto Binnenlands Product PPP: Koopkrachtpariteit

april 2012 • LEV 7 •

6


Stijging nationale voedselprijzen index (jan 2007 = 100)

Groei R&D in de landbouw (%)

160

10

140

8

120

6

Groei maïsopbrengst (ton/ha) 1976-1980 1981-1990 1991-2000

8 6

2

2010

2011

Azië Pacific

High- income countries

2009

Developing countries

2008

West Azië North Africka

2007

Latin Am. Caribbean

40

Bron FAO 2011

0

rijst tarwe maïs

60

na

Sub-Sahara Afrika

80

4 2 0 1980

1990

2000

2005

Bron FAO 2009

Bron Beintema & Elliott 2009

4

100

Afrika Europa Azië

10

in 2050

9.100.000.000.000 mensen in de wereld

nederland

2.1

graanproductie

270

vleesproductie

5.1

BBP per hoofd van de bevolking (x 1.000 PPP$)

miljoen ton

miljoen ton

Kenia

Rwanda

percentage landbouw van bbp (x 10) percentage groei van bbp

Burundi

Mozambique

Zuid Afrika

bron wereldbank 2010

Oeganda

470

Bron FAO 2009

biljoen ton

biljoen ton

7 • LEV 7 • april 2012


Bram De Jonge Tammo Schuringa tekst

beeld

Afrika in De wereld verbeteren met je onderzoek. Dat klinkt mooi, maar blijkt in praktijk nog niet mee te vallen. Hoe kunnen we bijvoorbeeld Nederlandse kennis benutten om te werken aan meer voedselzekerheid in Afrika? CSG-onderzoeker en gastredacteur Bram De Jonge ging op speurtocht in het Nederlandse polderlandschap naar

Thema opening

de mogelijkheden en blokkades voor echt grensverleggende kennis.

april 2012 • LEV 7 •

8


de polder Innovatie voor ontwikkelingslanden

W

at kan ik bijdragen aan een betere wereld? Soms ben ik bang dat ik mijzelf die vraag over een paar jaar niet meer stel. Het klinkt toch een beetje naïef als je zegt dat je met je onderzoek een bijdrage wilt leveren aan het leven van mensen die het een stuk slechter hebben in deze wereld. En natuurlijk resulteren maar zeer weinig onderzoeksprojecten in levensverbeterende toepassingen. Als wetenschapper hoop je je steentje bij te dragen, maar de echte wereld met al haar misstanden en problemen is toch vaak ver weg. “Dan moet je iets in de ontwikkelingshulp gaan doen”, krijg ik wel eens te horen. Soms lijkt dat inderdaad het exclusieve domein waar problemen van ‘de derde wereld’ aan bod mogen komen. Zo deed ik onderzoek naar hoe intellectuele eigendomsrechten zoals patenten de uitwisseling van kennis en technologie naar ontwikkelingslanden beïnvloedt. Een project betaald uit de Nederlandse pot voor ontwikkelingssamenwerking. Maar degenen die zich in Nederland met

9 • LEV 7 • april 2012

>


>

‘Zit het bedrijfsleven eigenlijk wel te wachten op een hoofdrol innovatieprogramma’s voor ontwikkelingslanden?’

de bescherming van intellectuele eigendom bezighouden, worden betaald uit een andere pot - en dus staat ontwikkelingssamenwerking niet op de agenda. Integendeel, patenten worden vooral beschouwd als een belangrijk instrument om wetenschappelijke kennis te ‘valoriseren’ oftewel tot economische waarde te brengen voor de maatschappij. Vaak gaat het daarbij dan om de BV Nederland, terwijl je toch zou denken dat wetenschappelijk onderzoek meer doelen dient dan het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. Dat wordt ook direct beaamd als je hier met de verantwoordelijke beleidsmakers en onderzoekmanagers over praat. Maar het blijkt verdomd moeilijk om de omvangrijke wetenschappelijke expertise die wij in Nederland hebben om te zetten in innovatieve diensten en producten. En als het al lastig is om nieuwe producten te ontwikkelen voor de commerciële markt, hoe moeilijk moet het dan niet zijn om een bruikbare innovatie te maken voor mensen die geen cent te makken hebben? Zonder grenzen

Kennisvalorisatie voor ontwikkelingsdoelen is een enorme uitdaging en misschien ook daarom al jaren een ondergeschoven kindje in het Nederlandse innovatiebeleid. Het onderzoek in de life sciences is daarop geen uitzondering. Dit is dan ook de reden geweest dat de deelnemers aan de stakeholderdialoog Life sciences in uitvoering, die CSG in 2010 organiseerde, hebben gepleit voor meer onderzoek naar deze problematiek. En vooral ook onderzoek naar hoe het anders kan. CSG heeft die handschoen opgepakt, mede geïnspireerd door twee adviesrapporten aan de Nederlandse regering uit datzelfde jaar. Zo deed de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid in zijn rapport Kennis zonder grenzen de aanbeveling dat het Nederlandse innovatiebeleid veel meer over de eigen grenzen heen moet kijken. Het bestaande beleid richt zich namelijk vooral op Nederland en Europa, terwijl de grootste wetenschappelijke en maatschappelijke

uitdagingen juist een mondiaal karakter hebben. Het nauwer op elkaar aansluiten van ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie is volgens de adviesraad “beter voor ontwikkelingslanden, voor de Nederlandse wetenschap en voor het Nederlandse bedrijfsleven”. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft de overheid geadviseerd maatschappelijke uitdagingen leidend te maken bij de agendering van onderzoek en de invulling van het ontwikkelingsbeleid. In zijn rapport Minder pretentie, meer ambitie benadrukt de raad dat de Nederlandse inzet voor ontwikkelingssamenwerking moet aansluiten bij die terreinen waarin Nederland sterk is of wil zijn. Een van de gebieden waarin Nederland bijvoorbeeld uitblinkt, is groene genetica, het biotechnologisch onderzoek in de land- en tuinbouw. Een bijpassende, maatschappelijke uitdaging lijkt me voedselzekerheid. Met een sterke wetenschappelijke traditie, diverse publiek-private partnerschappen en een veredelingsindustrie die tot de wereldtop behoort, heb je wat te bieden. Maar wat heeft de boer in Burkina Faso eraan? Welke bijdrage wordt er geleverd aan de voedselzekerheid op het Afrikaanse continent? Politieke keuzes

Op de onderzoeksagenda van de twee grootste publiek-private samenwerkingsverbanden vind je een dergelijke ontwikkelingsdoelstelling niet terug. “Wij zijn er in de eerste plaats om de kennisbasis in stand te houden en daarmee de werkgelegenheid in de sector”, zei Bernard de Geus van Technologisch Top Instituut Groene Genetica al in 2010. En het Centre for BioSystems Genomics doet specifiek onderzoek naar de gewassen die belangrijk zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven. Voor onderzoek dat direct relevant is voor de voedselzekerheid in Afrika moet je andere vragen centraal zetten, en andere gewassen, vertelt een van de aangesloten onderzoekers. Dus wat zijn nou precies de mogelijkheden - en voorwaarden - om die Nederapril 2012 • LEV 7 •

10


‘Het is lang geleden dat het woord ontwikkelingssamenwerking werd genoemd in een beleidsagenda voor innovatie en bedrijvigheid’

landse expertise in de groene genetica in te zetten voor voedselzekerheid in Afrika? Met die vraag ben ik begin 2011 op pad gegaan, langs de betrokken onderzoekers, beleidsmakers en bedrijven. En al snel wezen veel antwoorden in dezelfde richting: “Uiteindelijk gaat het om politieke keuzes, om hoe de regering besluit het geld te verdelen.” Dat paste in het bekende plaatje: je hebt een pot met geld voor onderzoek en een andere pot voor ontwikkelingssamenwerking. Als het onderzoek niet (mede) betaald wordt uit die laatste pot, dan houdt het simpelweg op. En daarmee leek ook mijn onderzoek een voortijdige dood te sterven. Maar niets bleek minder waar. Het was namelijk rond diezelfde tijd dat het kabinet-Rutte zijn innovatiebeleid Naar de top presenteerde. Een beleid dat investeert in tien topsectoren om de concurrentiekracht van Nederland te vergroten. “Nederland in de top 5 van kenniseconomieën in de wereld”, zo luidt de ambitie. En dat in tijden van bezuinigingen. Je vraagt je af waar het geld vandaan moet komen. 11 • LEV 7 • april 2012

Maar minister Verhagen heeft daarop een antwoord gevonden. Zo is het hem gelukt om jaarlijks 300 miljoen euro van NWO en eenzelfde bedrag van ontwikkelingssamenwerking te laten reserveren voor dit nieuwe ‘topsectorenbeleid’. Zelfredzaamheid

Een verrassende ontwikkeling. Ook omdat het lang geleden is dat het woord ontwikkelingssamenwerking überhaupt werd genoemd in een beleidsagenda voor innovatie en bedrijvigheid. Maar de trend lijkt gezet. Na de eerste voorzichtige verwijzingen naar ontwikkelingssamenwerking in Verhagens beleidsaankondiging hoor je nu trots dat het kabinet zich inzet “om de economische kracht van de topsectoren te verbinden aan de doelen van ontwikkelingssamenwerking”. En ja, inmiddels heeft een (klein) aantal topsectoren dit thema opgenomen in hun innovatieagenda’s, waaronder de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Ook aan de kant van ontwikkelingssamenwerking is veel veranderd. Staats-

>


foto thomas fasting

Ben Knapen heeft gekozen voor > secretaris vier speerpunten met een “herkenbare

CV Bram De Jonge studeerde cultuur- en wetenschapsstudies in

Nederlandse meerwaarde”. Voedselzekerheid is er daar één van en staat zo sinds vele jaren weer terug op de beleidsagenda. Het voornaamste doel is een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden, terwijl ook het strategische belang van Nederland wordt behartigd. Er wordt daarom nadrukkelijk aansluiting gezocht bij bovengenoemde topsectoren.

Maastricht en deed daarnaast de master Values and the Environment aan Lancaster University. Hij promoveerde aan Wageningen UR op het onderzoek Plants,

Genes and Justice. An inquiry into fair and equitable benefitsharing (2009). Daarna volgden twee postdocprojecten naar intellectueel eigendom in relatie tot ontwikkelingsbeleid en kennisvalorisatie, de laatste bij CSG. Per 1 maart 2012 is hij postdoc ‘Intellectual Property Regimes for propoor innovation in agriculture’ aan Wageningen UR.

Nieuwe credo

Het thema van mijn onderzoek is nu dus een van de doelstellingen in Den Haag. Maar hoe gaat dit alles er in de praktijk uitzien? Het echte werk moet immers nog beginnen. In dit nummer van LEV gaan we in gesprek met hen die het moeten gaan doen. Onderzoekers, beleidsmakers, ondernemers en medewerkers van maatschappelijke organisaties geven hun mening over allerhande kwesties. Want er liggen nog veel vragen op tafel. Zo speelt het kabinet-Rutte de private sector de bal toe. Maar zit het bedrijfsleven eigenlijk wel te wachten op een (hoofd)rol in innovatieprogramma’s voor ontwikkelingslanden? En wat vinden de traditionele ontwikkelingsorganisaties hiervan? Het huwelijk tussen Nederlandse economische belangen en mondiale ontwikkelingsdoelen roept in ieder geval de vraag op welk perspectief de boventoon moet voeren. Daarover lopen de meningen uiteen. Toch is samenwerken het nieuwe credo. “Het gaat in de moderne samenleving niet meer om ‘kennis is macht’, maar om ‘kennis delen is macht’”, schrijft Knapen in zijn kennisbrief aan de Tweede Kamer. Daarin kondigt hij de opzet van een Kennisplatform voedselzekerheid aan, waarin

onderzoekers uit Nederland en ontwikkelingslanden samen optrekken met bedrijven, overheid en maatschappelijke organisaties. Hoe ziet Knapen dit precies voor zich? En wat hebben de verschillende partijen elkaar te bieden? Minder voor de hand liggend, maar minstens zo belangrijk zijn vragen rondom het beheer van intellectuele eigendom en de organisatie van wetenschappelijk onderzoek. Want hier liggen misschien wel de grootste uitdagingen voor het nieuwe beleid. Nederlandse veredelingsbedrijven willen bijvoorbeeld best met hun zaden de Afrikaanse markt op. Maar alleen als hun intellectuele eigendom goed beschermd wordt. Ze zouden daarom graag zien dat Afrikaanse overheden wetgeving opstellen die het verbiedt om na de oogst zaden te bewaren die het volgend seizoen opnieuw worden gebruikt. Maar heel veel boeren in Afrika zijn voor hun voedselzekerheid juist afhankelijk van de zaden die zij bewaren en uitwisselen met buren en familie. Het gaat dus om de juiste balans tussen de verschillende noden en belangen. In deze LEV vertellen twee wetenschappers hoe patenten kunnen worden ingezet voor voedselzekerheid in Afrika. Vraag is ook hoeveel onderzoekers er mee gaan doen. Velen willen ongetwijfeld net als ik een bijdrage leveren om het leven van mensen die het slechter hebben dan wij te verbeteren. Maar dat doel vraagt om een speciale aanpak. Zowel voor, tijdens als na het onderzoek zal er geïnvesteerd moeten worden in de samenwerking met de doelgroep. En dat kost tijd, veel tijd. Tijd die heel goed besteed kan worden aan het schrijven van een publicatie. En dat is toch hetgeen waarop je als onderzoeker wordt afgerekend. Over al deze zaken en nog meer gaat deze LEV in gesprek - met u - om zo weer een klein steentje bij te dragen aan een betere wereld.

< april 2012 • LEV 7 •

12


Paul van Laere

Nederlandse rijstpolder in Afrikaanse delta

tekst

Op de Afrikaanse Akker (1) Mozambique

Nederlandse kennis inzetten voor voedselzekerheid in Afrika. Dat is de ambitie. Dit project voor een irrigatiesysteem in Mozambique laat zien dat je lokale machtsverhoudingen niet moet negeren.

Toen Wouter Beekman in 2004 als Wageningse masterstudent door de vlaktes van de rivierdelta banjerde, had hij het niet kunnen denken. Dat nu, zeven jaar later, het irrigatiesysteem waarvoor hij destijds een basisontwerp maakte, realiteit gaat worden. Waarschijnlijk nog dit jaar start de aanleg van de kanalen en dijken die het water van de rivier Licungo, die in de regentijd soms wel vier keer overstroomt, in juiste banen moeten leiden. Over acht jaar moet het fijnmazig netwerk van waterlopen gereed zijn. Een gebied van drieduizend hectare, zo’n 15 bij 2 kilometer, is dan veranderd in een Afrikaanse variant van een Nederlands polderlandschap. Irrigatiespecialist Wouter Beekman is nog steeds betrokken bij het project. Tegenwoordig doet hij dat als medewerker van Resilience - een in Mozambique gevestigd bedrijf dat voortkomt uit de Wageningse universiteit en gespecialiseerd is in irrigatie in ontwikkelingslanden. Ook is hij verbonden aan de Wageningse irrigatievakgroep, waarvoor hij studenten begeleidt en onderzoek doet. Sinds 2009 woont hij permanent in het hoger gelegen Chamoio, centraal in Mozambique. Hij werkt grotendeels vanuit huis. Maar eigenlijk vertoeft hij het liefst op locatie. “Ik ben het meest blij wanneer ik in het veld met water aan het spelen ben.”

portproduct. Ook hiervoor moet je trouwens sterk rekening houden met de Afrikaanse cultuur. In een coöperatie controleren de deelnemende boeren de leiding. In Nederland werkt dat, maar hier heeft zo’n manager, die vaak een hogere opleiding heeft genoten, veel meer status. Die zegt: ‘Wie zijn jullie om mij de les te lezen’.”

Bij dat veldwerk hoort ook het contact met de uiteindelijke gebruikers. Het is hem in Wageningen met de paplepel ingegoten: zonder de lokale bevolking begin je niks. Zo liep hij als lid van het latere ontwerpteam samen met een groep boeren langs het vijftien kilometer lange kanaaltraject om de precieze loop te bepalen. “Zij weten het beste welke gronden geschikt zijn en welke gebieden gemeden moeten worden, bijvoorbeeld om religieuze redenen.” Nog belangrijker zijn de lokale machtsverhoudingen. “Een valkuil waar je makkelijk intuint, is aan te nemen dat boeren en ook overheden staan te springen dat jij daar komt. Voor boeren is hun positie binnen de gemeenschap véél belangrijker. Als je dat niet onderkent en opzij schuift als lokaal geneuzel, ga je de mist in. Daar zijn in de vakliteratuur vele voorbeelden van te vinden.” Bij het project zijn ook enkele lokale maatschappelijke organisaties betrokken, met Nederlandse inbreng. De samenwerking verloopt vlot. Een van de organisaties werkt aan de opzet van coöperaties. “In feite een typisch Nederlands ex-

13 • LEV 7 • april 2012

Beekman werkt met Resilience, de irrigatievakgroep, adviesgroep ETC en Royal Haskoning tevens aan een project rond kleinschalige irrigatie in de bergen. “Op veel plekken hebben boeren zelf een klein irrigatiesysteem gebouwd. Dat zie je wereldwijd in berggebieden. Er zijn fraaie voorbeelden van projecten waarbij zo’n lokaal systeem verbeterd is. Alleen profiteert dan slechts een klein groepje boeren. In de nieuwe retoriek van ontwikkelingshulp is geen plaats meer voor dat soort ‘knuffelprojecten’. Het moet grootschalig, met flinke economische winst. Maar dan moet je niet, zoals hier in de regio is gebeurd met een project van de Wereldbank, overal betonnen kanalen aanleggen en bestaande machtsverhoudingen aantasten. Dat leidt ertoe dat het gloednieuwe systeem niet wordt gebruikt of zelfs kapot wordt gemaakt. Dus wereldwijd is de grote vraag: hoe kun je een geslaagd kleinschalig irrigatieproject vertalen naar een grootschalige aanpak. Zodat van de succesformule niet vijf, maar pakweg vijfduizend families profiteren. Maatwerk leveren op grote schaal, dat is ons doel.”

Thema de praktijk

Kleinschalig Valkuil


april 2012 • LEV 7 •

14

Thema de wetenschapper tekst

Paul van Laere foto DigiDaan


Louk de la Rive Box hekelt ontwikkelingsbeleid

‘ Zonder kennismakelaars gaat het geheid mis’ Dat voedselzekerheid een zwaartepunt is in het nieuwe ontwikkelingsbeleid, vindt emeritus hoogleraar Louk de la Rive Box uitstekend. Maar voor de aanpak heeft hij geen goed woord over. Het buitenspel zetten van ontwikkelingsdeskundigen en afbreken van instituten zit hem hoog. Net als de nadruk op Nederlandse belangen.

H

ij zal nooit zijn eerste bezoek aan Kameroen vergeten. Dat was in 1978 voor een Wagenings project om kleinschalige lokale veeteelt - van kippen tot varkens - te stimuleren. “Op de dag dat ik arriveerde, kwam ook de eerste boot vol Deense diepvrieskippen aan. Daardoor daalde de kippenprijs enorm. Voor de kleine boeren in en rond hoofdstad Yaounde viel daar onmogelijk tegenop te boksen. Weg eigen lokale kippenproductie.” Louk de La Rive Box, emeritus hoogleraar Internationale Samenwerking, vertelt het verhaal als antwoord op de vraag waarom ook na decennia van voedselhulp en vele landbouwprojecten, de voedselsituatie in Afrika nog steeds beroerd is. Zijn Kameroenese ervaring dient ter illustratie van zijn repliek: “Het is de consequentie van dertig jaar neoliberaal beleid van de rijke landen: zoveel mogelijk goedkope voedingsgrondstoffen uit Afrika halen en industrieel geproduceerd voedsel tegen afbraakprijzen dumpen. Daardoor heeft de kleinschalige landbouw in Afrika het de afgelopen dertig jaar steeds moeilijker gekregen.” Het clichébeeld van Afrika als continent van honger en armoede verdient trouwens nuancering, vindt Box. “De verschillen zijn groot. En de echte hongersnoden zijn zeer lokaal en tijdelijk, en 15 • LEV 7 • april 2012

CV

hangen meestal samen met oorlog of worden zelfs moedwillig gecreëerd, zoals in Soedan.” Maar rooskleurig is de voedselsituatie in Afrika allerminst, erkent Box. En nieuwe bedreigingen dienen zich aan. “In Oost-Afrika is momenteel een enorme landroof aan de gang door Indiase, Chinese en Arabische investeerders. Die exploiteren de beste gronden met een vorm van neokoloniale plantagelandbouw.” En dan is er nog het gebrek aan technologie. “Niet voor die grootschalige landbouw, daar zorgen de Indiërs en Chinezen wel voor. Maar de kleinschalige landbouw, de cassaveboertjes bijvoorbeeld, zijn het kind van de rekening. Er wordt weinig onderzoek voor ze gedaan. Je krijgt nu ziekten en plagen in die gewassen waar we nog geen idee van hebben.”

Louk de la Rive Box is emeritus hoogleraar Internationale Samenwerking, en deskundige op het terrein van de landbouweconomie van ontwikkelingslanden. Hij bekleedde diverse leerstoelen en internationale bestuursfuncties. Van 2005 tot 2010 was hij rector van het International Institute for Social Studies van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Uitgekleed

Gezien dit Afrikaanse gebrek aan voedselzekerheid kan de keuze in het Nederlandse beleid voor zowel ontwikkelingssamenwerking als economie om Nederlandse kennis in stelling te brengen, een terechte worden genoemd. Box onderschrijft deze, maar plaatst onmiddellijk kanttekeningen. “De langverwachte kennisbrief van staatssecretaris Knapen is door het veld van ontwikkelingsdes-

>


als zeer pover beoordeeld. Deze olifant > kundigen heeft een muis gebaard. Dat zeg ik niet met

‘Nederland behoorde vroeger tot de top drie in kennisbeleid voor mondiale vraagstukken. Veel van die kennis is down

the drain’

voldoening, ik vind het vreselijk.” Box proeft de druk van de PVV op de regering om ontwikkelingssamenwerking volstrekt uit te kleden. “Begin jaren negentig behoorde Nederland nog tot de top drie in kennisbeleid voor mondiale vraagstukken. Veel van die kennis is afgebouwd. Dat is allemaal down the drain.” In het nieuwe beleid weegt het Nederlands belang zwaar en dat is Box een doorn in het oog. “Tegen Ben Knapen zeg ik: ‘Fijn dat er een zwaartepunt is rond voedsel. Maar dat is niet gedefinieerd vanuit mondiaal, maar vanuit typisch Nederlands perspectief. Dit is aanbodsturing par excellence. Terwijl de ervaring leert dat aanbodgestuurde landbouwprogramma’s in Afrika gedoemd zijn te mislukken.” Wie echt iets wil doen aan de problemen van Afrikaanse voedselproducenten, moet volgens Box twee dingen combineren. “Enerzijds moet je weet hebben van de plaatselijke productiecondities en de kennis en wensen van de lokale boeren. Anderzijds moet je de geopolitieke situatie goed in de gaten houden. Zie het verhaal van die kippen in Kameroen. Dus niet met producten beginnen die binnen de kortste keren weggeprijsd worden door de concurrentie van westerse landen.” Volgens Box vereist vraaggestuurd onderzoek de hulp van deskundige ‘makelaars’ die de problemen en wensen van boeren vertalen in relevante onderzoeksvragen. “Als je die mensen niet inschakelt - slechts enkele maatschappelijke organisaties beschikken erover - volgen wetenschappers hun eigen voorkeuren en hobby’s. Hun onderzoek zal niet duurzaam zijn, omdat de boeren het niet zullen overnemen. Die makelaars moeten tot onafhankelijke instellingen behoren. Helaas maakt deze regering geen nieuwe instituties voor kennismakelaardij, maar breekt er juist een aantal af, zoals de instellingen voor internationaal onderwijs. Ze veronderstellen dat als je simpelweg een paar partijen bij elkaar brengt, er automatisch iets moois uit komt. Nou ja, ga toch fietsen.” Geen zakkenvullers

Bedrijven meer betrekken bij ontwikkelingsprojecten, een ander element van het nieuwe regeringsbeleid, vindt Box op zich positief. “Ik ben echt niet van de oude linkse kerk die roept dat het alleen maar zakkenvullers zijn. Initiatieven van het Nederlands bedrijfsleven, bijvoorbeeld van zaadbedrijven, kunnen zeker interessant zijn voor de Afrikaanse voedselvoorziening.” Hij noemt als een van de grote uitdagingen van de komende tijd hoe Nederlandse kennis - ook die

van het bedrijfsleven - zo ontwikkeld en gebruikt kan worden dat die voedselvraagstukken helpt oplossen. “Cassave is dan een interessant voorbeeld, omdat het een marginaal gewas is. Maar ook andere gewassen kunnen interessant zijn om in te investeren.” Ook hier ziet Box een rol voor intermediairs. “Er is kennis voor nodig om bedrijfsleven en wetenschap bij elkaar te brengen en naar twee kanten een vertaalslag te maken. Er zijn in Nederland voldoende mensen die de vereiste mondiale kijk kunnen inbrengen. Maar op de huidige manier, zo van: ‘er is een pot bij ontwikkelingssamenwerking, daar schrijven we wel even een paar voorstellen voor’, dat gaat geheid mis.” Box betwijfelt overigens zeer of bedrijven onder de huidige condities willen meedoen. “Ze moeten dan 40 procent inleggen in een zeer risicovol programma. Dat zie ik Nederlandse bedrijven niet doen. Dat is een naïef model, dat niet gaat werken.” Bintje

Voor activiteiten van voedingsbedrijven in ontwikkelingslanden is volgens Box eerst een nieuwe visie op de intellectuele eigendom nodig. “De boeren of lokale gemeenschappen die een aandeel hebben in het ontwikkelen van nieuwe kennis over voedingsgewassen, dienen hier medeeigenaar van te zijn. We moeten van patentrecht naar kwekersrecht, zodat de boeren in ontwikkelingslanden voor hun bijdrage gehonoreerd worden.” Dat heeft ook te maken met respect voor de intellectuele eigendom dat in het land, en in dit geval de gewassen ervan, geïncorporeerd is. “Grote bedrijven als Shell en Unilever beseffen dat ze alleen maar in een land kunnen blijven zitten, wanneer ze daar goed ingebed zijn. Daar hoort erkenning van intellectueel eigendom bij. De Nederlandse zaadindustrie doet er verstandig aan dit in te zien.” Box haalt er de vaderlandse geschiedenis bij om aan te tonen dat participatie van de gemeenschap in de kennisontwikkeling cruciaal is. ‘Nederland was groot in de productie en export van aardappelen. Maar bintjes zijn niet ontdekt door een Wageningse onderzoeker. Bintje was de voornaam van een ijverige leerlinge van de Friese bovenmeester Klaas de Vries, die op zijn beurt deel uitmaakte van een nationaal netwerk van telers om de beste aardappelrassen te selecteren. We moeten de Afrikaanse Bintjes, noem ze Kofi’s, koesteren en hun inbreng honoreren. Zie het als verlicht eigenbelang.”

april 2012 • LEV 7 •

<

16


Paddenstoelen

Omdat in veel ontwikkelingslanden ziektes worden overgebracht via voedsel dat onder gebrekkige hygiënische omstandigheden wordt bereid, is de behoefte aan zeep groot. Maar het is niet wenselijk om die zeep te produceren uit gewassen die ook eetbaar zijn. Vandaar dat Pascalle en Isarah probeerden zeep uit schimmels te maken. “Voor het maken van zeep heb je twee enzymen nodig, lipase en oxidase. Lipase was al aangetoond en wij moesten de aanwezigheid van oxidase in schimmels aan17 • LEV 7 • april 2012

tonen”, vertelt Pascalle. “We hebben in het bos een paar paddenstoelen geplukt en die hebben we in een laboratorium van de Technische Universiteit Delft, die het project begeleidde, onderzocht. Eerst hebben we de paddenstoelen fijngemaakt en daarna opgelost in water. Het enzym oxidase moest dan zorgen voor een reactie waarbij waterstofperoxide zou vrijkomen. En dat konden we aantonen.” Eiwitrijk

Imagine zoekt bij elk projectvoorstel wetenschappers die leerlingen kunnen begeleiden en inwijden in het doen van onderzoek. Johan Baars, paddenstoelenveredelaar aan Wageningen UR, was in schooljaar 2006-2007 betrokken bij het project Oesterzwammen in Ghana. Oesterzwammen zijn eiwitrijk en dus een goede aanvulling op het voedingspatroon in ontwikkelingslanden, maar kun je ze er ook kweken? Baars ontving leerlingen van diverse scholen. “Ik heb ze eerst laten zien hoe je broed maakt ofwel hoe je uitgaande van een buisje met mycelium ’zaad’ voor een paddenstoelenteelt kunt maken. Een paar weken later kwamen ze terug en hebben we het zaad in een substraat gezaaid. Daarna konden de leerlingen thuis dat hele groeiproces volgen.” Uiteindelijk verwerken de leerlingen het proces van het laboratoriumwerk en de

bijbehorende theorie tot een profielwerkstuk. Daarin doen ze ook aanbevelingen voor de concrete toepassing. De winnaars van het oesterzwammenproject hadden bedacht om het substraat na gebruik als voedingsbodem aan geiten te voeren. Dit project is daadwerkelijk uitgevoerd in Ghana en loopt daar nog steeds. Veel geleerd

Ook Pascalle en Isarah presenteren in hun profielwerkstuk een plan: Hun aanbeveling is om de in Ethiopië veelvuldig voorkomende tarweschimmel te gebruiken voor de productie van zeep. Voor hen breken nu spannende weken aan. Als hun Biodisinfectplan als beste beoordeeld wordt, krijgen ze van Imagine een dag met workshops. “Daar leer je bijvoorbeeld hoe je je plan goed kunt presenteren met een filmpje.” Uit de vier presentaties, voor elk projectvoorstel eentje, wordt uiteindelijk in juni een winnaar gekozen die in Afrika het plan in praktijk mag brengen.

Pascalle is blij dat ze voor het Imagineproject gekozen heeft. “Ik heb er erg veel van geleerd. Niet alleen van het scheikundige proces, maar ook van de omstandigheden in Afrika. Ik kan iedereen met een exact profiel aanraden om eens bij Imagine te gaan kijken.” www.foundation-imagine.org

Thema scholierenwedstrijd

P

ascalle Heertjes, leerling van 6 vwo van Christelijke Scholengemeenschap Jacob van Liesveldt in Hellevoetsluis, werd samen met haar vriendin Isarah Willems door haar scheikundeleraar op het spoor van de Imaginewedstrijd gezet. “We konden kiezen uit vier projecten en uiteindelijk sprak Biodisinfect, zeep maken uit plantaardig afvalmateriaal, ons het meeste aan.” Stichting Imagine Life Sciences verbindt wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en ontwikkelingssamenwerking. Ze organiseert jaarlijks een wedstrijd om middelbare scholieren kennis te laten maken met life sciences en toepassingen daarvan voor ontwikkelingslanden. Leerlingen werken een door Imagine bedacht projectvoorstel uit. Zoals dus zeep maken.

Peter Zunneberg

Met je profielwerkstuk de wereld verbeteren en een reis winnen naar een ontwikkelingsland. Wie zou dat niet willen? Stichting Imagine Life Sciences daagt in een jaarlijkse wedstrijd scholieren uit om met een ontwikkelingsvraagstuk aan de slag te gaan en heeft voor de winnaar een reis in petto.

tekst

Leerlingen gaan honger te lijf


Paul van den Broek Thomas Fasting foto

tekst

Thema de ondernemer

Bernard de Geus mist langetermijnblik bij de overheid

‘Zekerheid hebben we nodig, geen dagkoersen’

Het bedrijfsleven krijgt een steeds grotere vinger in de pap in het beleid voor kennisontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking. Topman Bernard de Geus ziet kansen, maar wijst ook op manco’s van het nieuwe overheidsbeleid.

april 2012 • LEV 7 •

18


W

at drijft uw sector om mee te doen in het topsectorenbeleid? “In onze sector, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen, is innovatie een bestaansvoorwaarde. De veredelingsbedrijven hebben goed plantkundig onderzoek en goed opgeleide mensen nodig. Het Technologisch Topinstituut Groene Genetica is mede opgericht, omdat de fundamentele kennis in Nederland onder druk kwam te staan. Het maakt niet eens zo veel uit in welke richting die kennis zich ontwikkelt, als je maar goed, innovatief en onderscheidend bent in de plantenwetenschappen. Ons belang is dat tussen bedrijven en kennisinstituten de stroom van kennis en ideeën goed op gang blijft.” U formuleert een strategische inzet. Zijn er ook inhoudelijke drijfveren, zoals het wegwerken van de honger uit de wereld? “Natuurlijk, maar ik verhul niet dat we ook uit opportunistische redenen aanhaken bij de topsector. Er zijn enorme belangen mee gemoeid en wie aan de zijlijn blijft staan, weet zeker dat hij niks krijgt. Zo’n groot initiatief als het topsectorenbeleid komt niet zo vaak voorbij. Het zou dom zijn om daar niet aan mee te willen doen.”

ik: ‘Hoe heeft de overheid dit kunnen verzinnen?!’ Zo wordt het bedrijfsleven geacht veertig procent mee te investeren in de agenda van de topsector, maar ik vraag me af of de overheid wel in de gaten heeft dat dit geld ergens vandaan moet komen. Voor ons is altijd leidend of een investering bijdraagt aan het rendement van het bedrijf. Vooral voor de kleine bedrijven is een deelname van veertig procent erg veel, zeker in initiatieven waarvan het rendement zich pas op lange termijn laat uitkeren. Grote bedrijven hebben vaak al R&D-budgetten waarmee ze makkelijker kunnen aanhaken bij projecten met een lange looptijd.”

‘Soms denk ik: Hoe heeft de

Het blijft helemaal de vraag of je bedrijven wel harder aan het hollen krijgt met dit nieuwe beleid. Wat niet wegneemt dat ideële doelen heus wel leven. Zeker, iedereen wil geld verdienen en concurreert met elkaar, maar niet ten koste van alles. Dit zit in het karakter van de sector, die vooral bestaat uit familiebedrijven. Er is meer dan winst maken alleen. Daar komt bij dat vooral onze grote bedrijven al jaren actief zijn in de derde wereld. We zitten daar met veredelaars, we produceren zaad, we zitten in de sierteelt, en voor een deel ook in de voedselsector.” Het kan voor het bedrijfsleven toch interessant zijn om binnen het topsectorenbeleid de vleugels verder uit te slaan in ontwikkelingslanden? “Maar de vraag is of dat gaat gebeuren. Er komen pas rendementen als de projecten uitzicht bieden op een afzetmarkt. Daar zitten heel veel haken en ogen aan. Je kunt geen voedsel produceren als de lokale economische context niet deugt. Er moet nering zijn. Er moet kennis zijn. De handelsbarrières moeten worden opgeruimd en markten moeten ontwikkeld worden. Daar komt heel veel bij kijken. Daarvoor heb je een langetermijnperspectief nodig. Daarom is het bizar dat de plannen voorschrijven dat het bedrijfsleven voor veertig procent moet deelnemen aan projecten die slechts op langere termijn renderen.”

overheid dit kunnen verzinnen?!’

Heeft het bedrijfsleven bij de totstandkoming van de agenda van de topsectoren een vinger in de pap gehad? “Het bedrijfsleven was als eerste aan zet. De vraag is echter in hoeverre de overheid rekening kan en wil houden met de wensen van het bedrijfsleven. Soms denk

19 • LEV 7 • april 2012

Uw sector heeft ervoor gekozen ook een paragraaf over ontwikkelingssamenwerking op te nemen in de agenda. Waarom? “In de nieuwe beleidsnota over ontwikkelingssamenwerking onderstreept het Ministerie van Buitenlandse Zaken nadrukkelijk de rol van het bedrijfsleven, liefst in samenhang met de agenda van de topsectoren. Maar hoe die samenwerking er precies uit komt te zien, weet ik ook nog niet. Buitenlandse Zaken staat in onze beleving nog erg ver weg. Het bedrijfsleven is ook nauwelijks geconsulteerd bij de formulering van dit beleid.

Nu het bedrijfsleven zich meer gaat richten op ontwikkelingssamenwerking, ligt samenwerking met maatschappelijke organisaties in dit veld voor de hand.

<


verloopt de samenwerking? < Hoe “Er is nog een lange weg te gaan. Het ontwikkelingsbeleid is altijd een agenda van Buitenlandse Zaken geweest, nu moeten de maatschappelijke organisaties zich schikken in een heel andere context. Dat zal tijd kosten en die tijd moet ze gegund worden. Tot voor kort kon je organisaties tegenkomen die kotsend over de reling hangen als ze de naam van een bedrijf horen. Het is goed dat de context verandert. Te lang is het beleid in handen geweest van goedwillende mensen die druk waren met vage projecten. Het werk was te weinig relevant, de doelen te weinig concreet. Het bedrijfsleven kan een goede impuls geven. Al jaren laten onze bedrijven zien dat ze in ontwikkelingslanden succesvol kunnen opereren en perspectief bieden aan lokale werknemers.” Het imago is ook dat bedrijven weliswaar een enorme productiviteitsstijging weten te realiseren, maar dat de groene revolutie de honger van de lokale bevolking niet wegneemt. “Nou, ik betwijfel of dat imago onze sector betreft. Waar veredelaars actief zijn in voedselproductie in ontwikkelingslanden, met groentezaden bijvoorbeeld, weten we heus wel de relatie te leggen tussen veredeling en productie, daar gaat het tenslotte om. Ik ben ervan overtuigd dat de veredelingssector een grote rol kan

‘Het bedrijfsleven impuls geven aan samenwerking’

CV Bernard de Geus is directeur van het Technologisch Topinstituut Groene Genetica, een initiatief van de plantaardige uitgangsmaterialensector voor innovatie, onderzoek en onderwijs in planten- en zadenveredeling. Hij was, samen met twee anderen, trekker van de internationaliseringsagenda van de topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.

spelen in het ontwikkelingsbeleid. Wie kan er beter dan een bedrijf producten in de markt zetten? Wie heeft er meer verstand van ontwikkeling van lokale rassen en teeltcondities? Er is een verandering van mindset nodig willen alle partijen goed met elkaar kunnen samenwerken.”

Ben Knapen, staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking, heeft vijftien kernlanden geformuleerd in de derde wereld. Daar kunt u mee uit de voeten? “Nee, voor ons komt het over als een willekeurige selectie. Bijvoorbeeld wel Afghanistan, maar niet een land als India. Terwijl India nu juist heel veel mogelijkheden biedt om tot hogere voedselrendementen te komen. In een kan een goede land als Afghanistan zijn veredelaars niet actief. Het ontwikkelings- is te hopen dat de overheid bij de uitwerking van de plannen het bedrijfsleven betrekt en rekening houdt met de wensen van de topsector.”

Wat zou u veranderen als u de regie krijgt over het beleid aan de kant van de overheid? “Ik zou in de eerste plaats een visie ontwikkelen voor de langere termijn. Beleid met een reikwijdte van minstens tien jaar en geen beleid dat na één kabinetsperiode alweer van koers verandert. Bedrijven moeten geld verdienen. Dat zijn geen charitatieve instellingen die je kunt verleiden mee te doen met een zoveelste project. Ik wens me een overheid als betrouwbare en consistente partner in een langdurige relatie. Zover is het nog lang niet. Ik maak me bovendien zorgen over de afkalving van de kennisinstituten. Die dreigen nog meer te moeten inleveren, wat ten koste gaat van hun fundamentele onderzoek, juist de research waar onze sector op drijft. Het is heel gemakkelijk om aan een kennisinstelling een vakgroep op te heffen en honderd keer moeilijker die weer op te bouwen.” Bent u optimistisch over het welslagen van de beleidsagenda in uw sector? “Het is nog te vroeg. We zitten nu midden in het proces, pas over een maand of vier weten we echt of optimisme is gerechtvaardigd. Daarvoor is een overheid nodig die verantwoording neemt. De overheid moet kleur bekennen. Ik zie nog te veel chaos. Er liggen nu 1.950 pagina’s op tafel met allerlei plannen voor de topsectoren. ‘Kijk eens wat voor een energie er is vrijgekomen’, hoor je dan. Er is perspectief, maar of we het gaan waarmaken, moet nog blijken. We bewijzen ontwikkelingslanden de beste dienst als we alle handen ineen slaan, zodat we op duurzame wijze samen met de lokale bevolking een economie kunnen ontwikkelen. Zekerheden hebben we nodig, geen dagkoersen, en voorlopig is het beleid nog een dagkoers.”

<

april 2012 • LEV 7 •

20


Paul van Laere

Vitaminerijke maïs helpt vrouwen

tekst

Op de Afrikaanse Akker (2) Ghana

In Ghana’s hoofdstad Accra staan overal langs de weg vrouwen te koken. Vanachter hun tafeltjes met pannen en kookgerei serveren ze bekende nationale gerechten als waatchi, kenkey of koko, schotels op basis van onder meer rijst en maismeel. “Voedzaam en erg gewild als ontbijt voor jong en oud”, vertelt een vrouw met zwart gebreid mutsje vanaf haar kruk. Het is een scène uit de documentaire Biotechnology in development – Experiences from the south die Guido Ruivenkamp van Wageningen UR maakte over een bijzonder biotechnologieproject van Ghanese bodem. Samen met lokale boeren stimuleerde het in Accra gevestigde Science & Technology Policy Research Institute (STEPRI) het veredelingsonderzoek naar een maïsvariëteit met verhoogde eiwitgehaltes. Dit Obatampa, letterlijk ‘goede moeder’, is een gezond alternatief voor gecultiveerde rassen, die vaak weinig essentiële aminozuren bevatten. “We willen stimuleren dat research niet alleen de hoeveelheid voedsel verhoogt, maar ook de voedingswaarde”, verklaart STEPRIdirecteur dr. George Essegbey. In vervolgonderzoek is het Obatampa verder verrijkt met ijzer, zink en de vitamines A en E. “Tijdens de zwangerschap lijden veel Ghanese vrouwen aan ijzer- en vitaminentekort”, verklaart Essegbey.

Schoolmaaltijden Ruivenkamp, universitair hoofddocent Maatschappelijke aspecten technologieontwikkeling in Wageningen, werkt al lang samen met STEPRI. De kracht van het maïsproject vindt hij de maatschappelijke inbedding. “Bij veel

21 • LEV 7 • april 2012

biotechnologisch onderzoek is de benadering science driven, daar wordt nauwelijks geluisterd naar de mening van boeren. Dit onderzoek is daarentegen helemaal opgezet vanuit de eigen bevolking. Bijvoorbeeld door te kiezen voor gewassen die veel worden gebruikt in populaire Ghanese gerechten. En voor de boeren is het aantrekkelijk dat de nieuwe maïs goede oogsten oplevert, waarvan een deel opnieuw gezaaid kan worden in het volgende seizoen. Zo worden ze niet afhankelijk van zaadproducenten.” Obatampa wordt inmiddels ook verwerkt in schoolmaaltijden. En om de verrijkte maïsvariant verder te verspreiden zijn door heel Ghana stations ingericht waar vrouwen de beste zaden selecteren voor nieuwe aanplant. “Het project zorgt er dus ook voor dat deze vrouwen een extra bron van inkomsten hebben.”

Kritisch Staan dit soort geslaagde inheemse projecten niet haaks op het huidige ontwikkelingsbeleid, met de nadruk op uitventen van Nederlandse kennis en vooral het bedrijfsleven? Ruivenkamp is kritisch over die nieuwe koers. “Als je de illusie hebt dat de eigen kennis zomaar overal kan worden ingezet, ga je vijftig jaar terug in de tijd. Dat heeft niks met samenwerking te maken, maar

alles met verkoop.” Nederlandse kennis kan wel een bijdrage leveren, maar alleen als je deze inbedt in de lokale cultuur, stelt Ruivenkamp. “Je moet aanhaken bij lokale initiatieven en loskomen van die arrogante houding dat wij de problemen daar wel even zullen oplossen.” Deze aanpak biedt volgens hem wel degelijk kansen voor Nederlandse bedrijven, mits ze werkelijk innovatief zijn. “Met de huidige technologische mogelijkheden kun je duurzame projecten opzetten waar zowel de bedrijven als de bevolking beter van worden. Denk bijvoorbeeld aan het omzetten van afval in nieuwe producten, zodat je een circulair productiecircuit creëert.” Dat vraagt wel om het inslaan van volledig nieuwe wegen. Ruivenkamp noemt samenwerking met maatschappelijke organisaties als Greenpeace als voorbeeld. “Die kunnen een heel andere kijk inbrengen.” Omgekeerd moeten deze kritische organisaties leren biotechnologie niet als een bedreiging te zien, maar als een partner in hun streven naar een duurzame wereld. “Het zou geweldig interessant zijn wanneer de biologische sector samen met zo’n club een alternatief biotech programma zou opzetten. Het Ghanese experiment bewijst dat met een alternatieve aanpak echte vooruitgang is te boeken.”

Thema de praktijk

Nederlandse kennis inzetten voor voedselzekerheid in Afrika. Dat is de ambitie. Dit project met verrijkte maïs voor Ghana maakt duidelijk dat samenwerken met lokale boeren de kans van slagen verhoogt.


Paul van den Broek Thomas Fasting foto

tekst

Thema rondetafelgesprek

De maatschappelijke rol van wetenschappers

‘ Hoe breng je met kennis werkelijk iets op gang?’ april 2012 • LEV 7 •

22


De samenleving zou meer moeten profiteren van wetenschappelijke kennis, vindt de overheid. Maar zijn wetenschappers daar wel op ingesteld? LEV brengt Jim Woodhill, Maud Radstake en Josine Stremmelaar samen om na te denken over deze maatschappelijke rol van kennisinstellingen. “Een afstandelijke positie is niet langer houdbaar. We moeten met de billen bloot.” < 23 • LEV 7 • april 2012


Maud Radstake

“ De kennis is er wel, maar komt niet altijd terecht waar ze nodig is”

<

O

ver één ding zijn de drie gesprekspartners het alvast roerend eens: kennis brengt altijd verantwoordelijkheid met zich mee. “Dat begint al met je onderzoeksagenda”, stelt Josine Stremmelaar van ontwikkelingsorganisatie Hivos. “Waar wil je je kennis op inzetten? Wat is het lokale belang? Welke vervolgstappen gaan we zetten om de gewenste verandering op gang te krijgen?” Ook Maud Radstake, die bij CSG ‘onderzoek en dialoog’ in haar portefeuille heeft, vindt dat wetenschappers zich ervoor moeten inspannen dat hun onderzoeksresultaten bruikbaar voor anderen worden. “Je moet als wetenschapper ontvankelijk worden voor de context waarin je kennis werkzaam is.” Voor derde gesprekspartner Jim Woodhill, directeur van het Centre for Development Innovation in Wageningen, is het eveneens zonneklaar dat de tijd van de ivoren torens voorbij is. “De kennisinstituten worden de samenleving ingedrongen. De uitdagingen waar we

voor staan zijn domweg te groot.” Denk alleen maar aan de economische crisis, de klimaatverandering en de hongersnoden die de kop op blijven steken. “Dit brengt voor wetenschappers een nieuw soort verantwoordelijkheid met zich mee. Men zal zich verbonden moeten weten met de veranderingsprocessen. Een afstandelijke positie is niet langer houdbaar. De wetenschapper moet met de billen bloot.” Landjepik

De drie bevinden zich in goed gezelschap. Ook de overheid hamert erop dat kennis en innovatie belangrijk zijn voor de economie en samenleving. Volgens het nieuwe beleid voor ontwikkelingssamenwerking zouden bedrijven, wetenschappers en maatschappelijke organisaties bijvoorbeeld gezamenlijk op moeten trekken om te werken aan mondiale voedselzekerheid. Gaat dat werken? Woodhill geeft een waarschuwing. “In de topsectoren draait het vooral om de concurrentiekracht van de Nederlandse ondernemingen in een veranderende

wereldmarkt.” Op zich een verdedigbaar doel, zegt hij. “Maar als je zaken doet in landen waar de mensen heel arm zijn, moet je modellen hanteren die waardevol zijn voor iedereen.” Het is zaak om een kritisch oog te houden op de ontwikkelingsdoelen vindt hij, waarbij een mooie taak is weggelegd voor DGIS, het directoraat bij Buitenlandse Zaken dat is belast met ontwikkelingssamenwerking. “Die moet de agenda’s van het bedrijfsleven linken aan de ontwikkelingsdoelen.” Stremmelaar voelt zich al aangesproken: ze noemt enkele bedrijven die er prima blijk van geven om bij te willen dragen aan ontwikkeling, zoals de ict-onderneming Logica die in India meewerkt aan de vermindering van kinderarbeid. “Je hoopt dat bedrijven een motor zijn voor ontwikkeling. Maatschappelijke organisaties kunnen niet in hun eentje de wereld verbeteren, dus het is goed naar vormen van samenwerking te kijken. Maar je moet je er bewust van zijn dat bedrijven zowel een positieve als een negatieve bijdrage kunnen leveren aan ontwikkeling.” Zo heeft winstbejag op korte termijn, met ondernemingen die landjepik spelen in de derde wereld, niks met ontwikkelingsdoelen te maken. Daarom is het volgens Stremmelaar maar goed dat een deel van de maatschappelijke organisaties zich verre houdt van samenwerking. “Watchdogs blijven nodig. Het is belangrijk dat er organisaties zijn die op afstand de ontwikkelingen kritisch volgen.” Lokale bevolking

Radstake zou ook wetenschappers graag zo’n kritische rol toebedelen. Ze vindt dat het overheidsbeleid getuigt van een “wel erg instrumentele benadering van maatschappelijk nut en toepassing van onderzoek”. Het bruikbaar maken van onderzoek is volgens haar een nieuw onderzoeksthema op zich, waarover nog veel te weinig bekend is. “Hoe breng je april 2012 • LEV 7 •

24


partijen met elkaar in dialoog? Hoe breng je met kennis werkelijk iets op gang? Hoe kun je de mensen waarover het onderzoek gaat, zélf betrekken bij het creëren van de onderzoeksagenda?” Dit is koren op de molen van Woodhill. “Kennis behelst óók de zorg dat anderen iets met je kennis doen. Naast de productie van kennis hebben wij ook een verantwoordelijkheid in het samenbrengen van al bestaande kennis en inzichten, bijvoorbeeld die van de lokale bevolking.” Daarbij vervult de onderzoeker bovenal een rol als intermediair. “Het is één ding dat de wetenschapper ontvankelijk wordt voor vragen vanuit de lokale bevolking. Maar minstens zo belangrijk is dat de bevolking gevoelig wordt voor wetenschappelijke vragen en zelf meedenkt over

gewenste veranderingen. Het doordenken van dit soort processen is niet zo gangbaar in het huidige onderzoek.” Volgens Maud Radstake is voor de wetenschap nog een wereld te winnen. “We kunnen vaak te weinig met die geweldige berg aan onderzoeksgegevens, omdat er niet op tijd is nagedacht over het gebruik ervan. De kennis is er wel, maar komt niet altijd terecht waar het nodig is.” Woodhill grijpt naar zijn pen en begint een college. Hij tekent op een vel papier negen vakjes en kleurt er eentje in, de ‘feitelijke kennisproductie’. Zijn uitleg is diepgaand, maar wat hij gezegd wil hebben, is in één zin samen te vatten: “De focus van de wetenschap is erg smal.” Als voorbeeld noemt hij een onderzoek in Ethiopië. De ‘old school’ is onderzoek

naar de bodemgesteldheid, maar veel leuker was Woodhills interventie om het bedrijf dat het onderzoek verrichtte, gevoelig te maken voor de mensen voor wie die bodem het dagelijks leven is. “Dat was nog niet eerder gebeurd.” Dat brengt hem terug bij het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking. “Het risico is dat we terugvallen op het ingesleten mechanisme: wij weten hoe het allemaal zit en zullen de mensen in de derde wereld wel even komen vertellen hoe het moet.” “De Nederlandse focus is een valkuil”, vindt ook Stremmelaar. En tegenstrijdig bovendien. “Wetenschap is per definitie internationaal. De uitdagingen waarvoor we staan houden zich niet aan grenzen. Als het doel is de voedselzekerheid te vergroten, is het niet logisch om het Nederlands exportproduct centraal te stellen.”

Josine Stremmelaar

“ Maatschappelijke organisaties kunnen niet in hun eentje de wereld verbeteren”

25 • LEV 7 • april 2012

Betrokken wetenschap

Nadrukkelijke betrokkenheid van de wetenschap in het veld is dus dringend gewenst. Maar zijn de kennisinstellingen daar wel klaar voor? Alle drie benoemen de graat in de keel als het gaat om het verrichten van maatschappelijk relevant onderzoek: je wordt voor toegepast onderzoek of het organiseren van een seminar met stakeholders maar mondjesmaat of helemaal niet beloond, lees: de wetenschapper ontleent zijn status vooral aan een toppublicatie, liefst in een gerenommeerd tijdschrift als Science of Nature. Maar wie leest dat? Buiten een select clubje wetenschappers niemand, laat staan de boer in de derde wereld. Stremmelaar, Woodhill en Radstake zijn het eens: er blijven altijd wetenschappers nodig die fundamenteel werk verrichten. Maar alle drie verzuchten dat het hard nodig is dat de “verschillende vormen van wetenschap waardering moeten krijgen”. Deze laatste woorden

<


<

Maatschappelijke impact meten Wetenschappers worden vooral beoordeeld op basis van hun publicaties. Toch zijn er al methoden ontwikkeld die verder kijken. Zo is er de ERiC-methode, Evaluating Research in Context, die naast de wetenschappelijke kwaliteit ook de maatschappelijke bijdrage van onderzoek in kaart brengt. Deze methode evalueert de domeinen Wetenschap, Markt & Industrie en Maatschappij & Beleid. Waar de beoordeling voor het wetenschappelijke domein nog grotendeels parallel loopt aan traditionele evaluatiemethoden, gelden bij de andere twee domeinen heel andere vragen. Daar moet immers de maatschappelijke impact van het onderzoek worden beschreven en gemeten. De vragen en indica-

Jim Woodhill

toren kunnen per discipline verschillen. Waar

“Kennis behelst ook de zorg dat anderen iets met de kennis doen”

het voor het ene wetenschapsgebied zinvol is om het aantal patenten en licenties mee te tellen, kan het bij een ander gebied juist draaien om de ontwikkeling van protocollen voor een betere zorgverlening. Kern is de interactie met maatschappelijke belanghebbenden van het onderzoek. Het Europese SIAMPI-project (Social Impact Assessment Methods for research and funding instruments through the study of Productive Interactions) richt zich daarom nadrukkelijk op het meten van ‘productieve interacties’ tussen onderzoekers en de maatschappij. Interacties dus waarbij mensen daadwerkelijk gebruikmaken van de onderzoeksresultaten. Dat kan op vele manieren plaatsvinden, bijvoorbeeld via persoonlijk contact in een adviescommissie, via artikelen in vakbladen en leerboeken, via een tentoonstelling of in de vorm van een financiële bijdrage uit de markt. Meer informatie: www.eric-project.nl www.siampi.eu

zijn van Stremmelaar, die erop wijst dat maatschappelijke organisaties als Hivos afhankelijk zijn van wetenschappers die maatschappelijk relevant onderzoek belangrijk vinden. “Uiteindelijk vinden we die wetenschappers wel, maar we zijn wel afhankelijk van hun goede wil.” Ook Woodhill en Radstake zien dat diverse wetenschappers maatschappelijk gemotiveerd zijn. “Zij houden de idealen hoog, anders dan de instituten waarbinnen ze werken”, aldus Woodhill. Radstake vult aan: “Als je jonge onderzoekers vraagt naar hun drijfveren, hoor je dat ze bij willen dragen aan voedselzekerheid, aan gezondheid.” Maar dat die idealen onder druk kunnen komen te staan als ze carrière willen maken in de wetenschap, weet Radstake maar al te goed. “Nog steeds voel ik de druk om onderzoek te

doen dat vooral voor de eigen vakgenoten interessant is. Die leg ik regelmatig naast me neer. Dan steek ik mijn energie toch in weer in een overleg met wetenschappers of maatschappelijke partners en moet het artikel maar even wachten. Practice what you preach.” Het drietal bepleit een gevarieerder beloningssysteem voor wetenschappers. Al is dit niet eenvoudig. Woodhill wijst op de heersende onderzoekscultuur, die “een bepaald idee hoog houdt van wat excellentie is”. Overigens waarschuwt hij voor al te ver doorgevoerde taakverdeling: het is niet de bedoeling dat de een steeds achter de boeken zit en de ander almaar het veld ingaat. “Ieder moet min of meer expert willen zijn. Als je de materie zelf al niet doorgrondt, is de kans dat er iets verandert wel erg klein.” april 2012 • LEV 7 •

26

<


Marianne Heselmans tekst

Op de Afrikaanse Akker (3) Tanzania

Nederlandse kennis inzetten voor voedselzekerheid in Afrika. Dat is de ambitie. Dit project voor groenteveredeling in Tanzania laat zien dat goed zaad waardeloos is zonder training van de lokale telers.

Goed zaad is slechts het halve werk

Tegenvallers Afrisem, waar nu zestig mensen werken, is opgezet door Rijk Zwaan en het in Azië opererende zaadbedrijf

27 • LEV 7 • april 2012

East West Seed, dat ook Nederlandse wortels heeft. Afgaande op het succes van East West Seed in Azië maken de Nederlanders in Tanzania goede kans te slagen. Maar succes is in Oost-Afrika niet verzekerd. Afrisem kampt nog regelmatig met tegenvallers als elektriciteitsuitval, geen internet en machineonderdelen of zakken kunstmest die niet geleverd kunnen worden. En waar het bedrijf nog mee moet starten, vertelt Bos, is het opleiden van de groentetelers. Veel boeren brengen hun tomaten, bananen of bladkool zelf nog naar de markt - soms twee uur lopen - waarna ze maar moeten afwachten wat ze ervoor krijgen. Of ze geven hun producten mee aan een tussenhandelaar die een te groot deel van de winst in eigen stak steekt. Zo is terugverdienen van de extra investeringen in de groenteteelt niet mogelijk.

Marketing Naast trainingen is marketing van de nieuwe kwaliteit groentes nodig onder restaurants, hotels en supermarkten, evenals het opzetten van goede handelsnetwerken. Dat gebeurt niet vanzelf. Rijk Zwaan hoopt daarom samen met lokale en Nederlandse maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen zulke ketens in Tanzania te kunnen gaan organiseren. Het verhaal past in het nieuwe subsidiebeleid van de Nederlandse overheid. Afrisem verdient natuurlijk nog niks, want de zaden zijn nog in testfase. Maar OostAfrika kan wel een interessante afzetmarkt worden. Intussen kunnen, met hulp van al die partijen, de potentiële afnemers van Afrisems zaden al wel worden geholpen met leningen, nieuwe afzetmarkten of trainingen, stelt Bos: “Met subsidies zouden we hier samen programma’s voor kunnen opzetten.”

Thema de praktijk

Aubergines, hete pepers, tomaten en bladkool (sukumi wiki). Dat zijn de groentes die het bedrijf Afrisem in Arusha, Tanzania met Nederlandse technologie en investeringen aan het veredelen is voor Oost-Afrika. De eerste nieuwe rassen, kleine, zoete en bittere aubergines die minder vatbaar zijn voor rode spintmijt, worden nu getest op een demonstratieveld. Afrisem startte in 2008 als eerste in de wereld met de veredeling van groentes voor Oost-Afrika, aangepast aan het warme klimaat, de insecten, schimmels en oude, uitgeputte bodem. Het bedrijf koos voor zogenoemde hybride zaden: kruisingen tussen twee genetisch heel verschillende ouderplanten. Voordeel van hybriden is dat de rassen extra veel opbrengen. Nadeel is dat ze een stuk duurder zijn dan traditionele Afrikaanse zaden. En boeren kunnen hybride zaden niet meer zelf vermeerderen, want ze geven geen goede nakomelingen. Elk jaar nieuwe hybride zaden kopen is geen probleem voor de grote exporterende tuinbouwbedrijven in Oost-Afrika. Maar kunnen de kleinere Afrikaanse boeren ze ook betalen? Heleen Bos, bij Afrisem betrokken vanuit het Nederlands groenteveredelingsbedrijf Rijk Zwaan, gaat ervan uit dat Afrisem tot prijzen kan komen waar zowel het bedrijf als de kleine Afrikaanse boeren (vaak boerinnen) aan kunnen verdienen. “Er is in Oost-Afrika een middenklasse aan het ontstaan die voor verse, goede groenten ook meer wil betalen. Zo kunnen boeren investeringen makkelijker terug verdienen dan een aantal jaren terug.”


tekst

Marianne Heselmans

Patenten voor Nederlandse bedrijven willen best met hun zaden en genetische technologie de Afrikaanse markt op, maar alleen als hun intellectuele eigendom goed beschermd wordt. Dit kan echter problemen opleveren voor arme Afrikaanse boeren. Om te werken aan andere manieren van denken over

Mikkel Ostergaard / Hollandse Hoogte

Thema Intellectuele eigendom

mondiale voedselzekerheid zijn

Michiel Korthals

intellectuele eigendom geboden. We presenteren hier twee voorbeelden, van CSG-onderzoeksleider Michiel Korthals en van de Amerikaanse hoogleraar Sara Boettiger.

Food Impact Fonds

Planten, dieren, cellen, weefsels, genen - ze worden al jaren gepatenteerd. Plus alle gebruikte technieken en daarvan afgeleide producten zoals genetische testen, medicijnen, sla, bonenmeel, varkensvlees of eieren. Wereldwijd liggen nu een paar miljoen octrooiaanvragen in de biotechnologie te wachten op toekenning; honderdduizenden claims zijn al gehonoreerd. Werden aanvankelijk alleen nog genetisch gemodificeerde zaden gepatenteerd, inmiddels vragen bedrijven en instituten ook steeds vaker patenten aan op ‘gewoon’ veredelde zaden. Bij (aanvraag

van) een patent mogen anderen twintig jaar lang de gepatenteerde technieken of producten niet op de markt brengen, tenzij ze de octrooihouder betalen voor toestemming (licentie). “De hele juridificering van genen, technieken en zaden is een ongelooflijke blokkade voor arme landen”, stelt Michiel Korthals, hoogleraar Toegepaste filosofie in Wageningen en principal investigator van CSG. Als de instituten daar een nieuwe rijst of tomaat willen maken, hebben ze niet de mankracht en het geld om uit te zoeken welke genen

en technieken al zijn gepatenteerd. Vervolgens moeten ze de onderhandelingen over licenties nog gaan voeren. Korthals weet van een genetisch gemodificeerd sjalotje voor Indonesië, dat resistent was gemaakt tegen de larve van de gemene Floridamot. Het was ontwikkeld door Wageningen UR en een instituut op Java. De Wageningers hadden ontdekt dat er vijftien patenten op zaten. Ze verzochten de patenthouders om licenties. Maar de patenthouders, grote bedrijven die dagelijks veel van dit soort verzoeken krijgen, namen niet eens de moeite april 2012 • LEV 7 •

28


voedselzekerheid Sara Boettiger antwoord te geven. Het was een van de redenen om het project niet voort te zetten. Korthals ziet veel in een radicaal andere beloningsstructuur: een ‘Food Impact Fonds’. Een van zijn promovendi onderzoekt nu de haalbaarheid. “Zo’n fonds betaalt bedrijven meer winst naarmate de impact van hun product of technologie op de voedelvoorziening groter is”, legt de hoogleraar uit. “Dat maakt het voor bedrijven aantrekkelijk om informatie over hun technologie en licenties zoveel mogelijk te verspreiden.” Korthals’ idee is een variant op het Green Climate Fund (voor klimaatvriendelijke technologie) of het al wat verder uitgewerkte Health Impact Fund. Dit laatste fonds is opgezet door Thomas Pogge, hoogleraar International Affairs and Philosophy aan de Universiteit van Yale (VS). Bedrijven registreren hun gepatenteerde technologie of medicijn bij dit fonds, waarna ze deze wereldwijd voor kostprijs verkopen. Daarna meten gespecialiseerde instituten elk jaar hoeveel mensen in de wereld er baat bij hebben gehad. Afhankelijk daarvan krijgt het bedrijf jaarlijks een bepaalde winst. Pogge hoopt nu snel met een pilotstudie te kunnen beginnen. Een fonds kan worden gevuld met geld van overheden en andere fondsen. Zo bevat het Green Climate Fund al honderd miljoen euro, afkomstig van onder meer de Bill and Melinda Gates Foundation. Korthals is zich ervan bewust dat het effect op voedselvoorziening lastiger te meten is dan op CO2-reductie of gezondheid. “Een oogst hangt nooit af van één nieuw product of nieuwe technologie. Maar ook hier zouden wel parameters voor te vinden zijn. Belangrijkste vraag zal zijn of de industrie erachter kan staan.” Zie ook www.healthimpactfund.org

29 • LEV 7 • april 2012

Cases uitwisselen

Toen in 2006 Wageningse biotechnologen begonnen aardappelen beter resistent te maken tegen de schadelijke schimmel Phytophthora, stonden ze voor een dilemma. Hun goed werkende genen en technieken wilden ze graag beschermen met patenten. Dit om te voorkomen dat ze geen partners zouden kunnen vinden voor de verspreiding van het nieuwe pootgoed. Bedrijven steken immers niet graag geld in nieuwe technieken die de concurrent ook meteen op de markt kan brengen. Tegelijkertijd wilden de wetenschappers hun vindingen toegankelijk houden voor zoveel mogelijk kleinere bedrijven en voor veredelingsinstituten in arme landen. Hoe konden ze beide doelen verenigen? Uiteindelijk hebben ze een leidraad geformuleerd: “In principe gaan we uit van niet-exclusieve licenties”, zo staat op hun site www.durph.wur.nl, “om te voorkomen dat een of slechts enkele partijen een monopoliepositie kunnen opbouwen.” Daarnaast geldt een zogeheten Humanitair Gebruik Licentie, waarbij arme landen onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden de resistentiegenen krijgen om in te bouwen in lokale rassen. Volgens Sara Boettiger, adjunct-hoogleraar Agrarische Economie aan de Universiteit van Californië, Berkeley, worstelen momenteel heel wat onderzoeksinstituten en bedrijven met hetzelfde dilemma. Om wereldwijd oplossingen met elkaar te delen richtte Boettiger met collega’s Global Access in Action op, een internationaal centrum dat pleit voor praktische oplossingen. “We verzamelen cases”, vertelt Boettiger aan de telefoon. “Advocatenkantoren, universiteiten, bedrijven; iedereen kan van elkaars verhalen leren hoe je intellectuele eigendomsrechten kunt managen, mét oog voor de armen.” Een case op de nieuwe website van Global Access in Action beschrijft hoe het

instituut UC Berkeley een gist ontwikkelde die een voorloperstof maakt van artemisine, een belangrijk medicijn voor malariapatiënten. UC Berkely verkocht de patenten aan zijn spin-off Amyris onder zogeheten ´pro-poor´ voorwaarden: Amyris mag de patenten commercieel uitbaten voor markten in ontwikkelde landen, maar hij moet ze vrijgeven voor humanitair gebruik in ontwikkelingslanden. UC Berkeley verleende daarnaast zelf ook vrij toegang tot de patenten aan het non-profitinstituut One World Health voor fabricage van artemisine. De Wageningse aardappelonderzoekers houden nog wel wat slagen om de arm. Ze geven “in principe” geen exclusieve licenties, maar sluiten die ook niet helemaal uit. En ze geven “onder bepaalde voorwaarden de genen vrij”, maar vullen die voorwaarden niet van te voren in. Boettiger vindt dat prima. “Elke onderhandeling is anders”, stelt ze. “Soms zal het niet lukken een zaadbedrijf te vinden dat jouw verbeterde aardappel naar de markt wil brengen als je die aardappel ook aan andere partijen geeft. Maar onderhandelaars kunnen dan wel bekijken hoe ze exclusiviteit kunnen beperken tot bijvoorbeeld bepaalde regio’s, zodat in andere delen van de wereld het materiaal wel vrij toegankelijk is. Daarvoor moeten ze zich dan wel bewust zijn van de dilemma’s. En ze moeten ook oplossingen kennen.” Bedrijven en instituten treden niet graag over hun licentieonderhandelingen naar buiten. Dat is volgens Boettiger geen obstakel. Haar organisatie is nu cases aan het verzamelen met verschillende partners, waaronder advocatenkantoor Baker & McKenzie die ook een vestiging heeft in Nederland. “De meeste bedrijven hebben ook een verhaal dat ze wél willen delen.” Zie ook http://globalaccessinaction.org/


Bram De Jonge & Bea Ros tekst

Het werkveld aan het woord

Wie wil met wie samenwerken? Samenwerken aan meer voedselzekerheid in Afrika. Dat is het doel van het Nederlandse overheidsbeleid. De partijen in het veld moeten die samenwerking verzilveren. Wat hebben ze elkaar te bieden en wil iedereen wel met iedereen samenwerken? LEV deed een rondje langs de velden om de meningen van bedrijven, wetenschap, maatschappelijke organisaties en ambassade te peilen.

Thema mensen & meningen

Daniëlle Hirsch Directeur Both Ends (netwerkorganisatie voor mondiale duurzaamheid) Wat heeft uw organisatie te bieden?

“Onze specialiteit is het begeleiden van lokale maatschappelijke organisaties en het terugkoppelen van lokale vragen naar de Nederlandse en mondiale politiek. Leidende vraag voor ons is: wat hebben mens en natuur nodig voor een goed en duurzaam bestaan? Vroeger moesten we heel hard vechten om dit punt op de politieke agenda te krijgen. Nu is het precies omgekeerd en denken de politieke leiders het wel eventjes op mondiaal niveau op te kunnen lossen. Maar kennis van de lokale situatie is echt nodig. Die kennis brengen wij in: wij weten wat de impact van beslissin-

gen op lokale bedrijvigheid is, we zien de valkuilen en denken mee over oplossingen. Samenwerking is voor ons als netwerkorganisatie gesneden koek.” Ja? Volgens Simon Groot van East West Seed zijn maatschappelijke organisaties als de uwe juist huiverig voor samenwerking met bedrijven.

“Dat is echt het oude denken dat ik helaas nog te vaak tegenkom. Als een bedrijf een plan heeft voor Afrika en wil weten of het past bij de lokale omstandigheden, zijn wij graag van dienst. Samen kunnen we mooie dingen bedenken.”

Wat hebt u nodig van anderen?

“Wat we vooral nodig hebben is helderheid. Hebben we het bijvoorbeeld over voedselzekerheid voor Afrika of over mondiale voedselzekerheid in 2050? Wat wil Nederland met welk geld uit welk potje precies bereiken? Daarnaast zou ik graag echte innovatiekracht willen zien bij bedrijven en wetenschappers. Niet dat wat je al doet in het groot doen, maar ook iets op andere manieren durven doen. Kijk welke onverwachte innovaties plaatsvinden in de landbouw, ook in ontwikkelingslanden. Kom achter de eigen tekentafel vandaan en bouw voort op ideeën en april 2012 • LEV 7 •

30


Simon Groot East West Seed (groenteveredelingsbedrijf en marktleider voor groentezaad in Azië) Wat heeft uw bedrijf te bieden?

“We hebben dertig jaar ervaring met het veredelen van tropische groenten voor kleine boeren in Azië. Door beter zaad en betere teelttechnieken zijn hier miljarden en miljarden aan extra inkomsten gecreëerd. Onze groenten worden nu op meer dan tien miljoen hectare grond verbouwd. En daarbij zijn veel kleine boertjes die maar één of twee hectare bezitten. Wij weten dus als geen ander hoe je kleine boeren in ontwikkelingslanden kunt helpen hun teelt te verbeteren. Die kennis en ervaring delen we graag met anderen.” Hebt u iets nodig van anderen?

ondernemingen van Afrikaanse boeren en bedrijven.” Welke beren ziet u op de weg?

“Ik mis in het Nederlandse beleid aandacht voor sociale aspecten. Dat is echt nodig, omdat sociale rechtvaardigheid en welzijn voorwaarden zijn voor duurzame economische ontwikkeling. Koplopers in de private sector erkennen al dat ondernemers daar zelf baat bij hebben. Verder moeten we aandacht besteden aan toegankelijke financieringsmechanismen voor lokale coöperaties. Ten slotte is de infrastructuur nog vaak erg gericht op export en dat verzwakt de lokale markten.” 31 • LEV 7 • april 2012

“Het probleem in Afrika is de landbouwkundige kennis en vaardigheid van boeren, die is veel lager dan in Azië. Ze hebben gewoon te weinig goede boeren. Dus als je de boeren wilt helpen met verbeterd zaadgoed, moet je ze ook betere teelttechieken leren. Daarvoor zal er een massaal voorlichtingsapparaat opgezet moeten worden. Dat kost veel tijd en veel geld, kosten die voor een bedrijf alleen niet haalbaar zijn.” Welke beren ziet u op de weg?

“De animo bij bedrijven om in Afrika aan de slag te gaan is nog niet zo groot. Velen denken

toch ‘waar beginnen we eigenlijk aan’. Je moet als bedrijf heel ver vooruit kijken en alvast klein beginnen, dan is het leergeld ook niet zo hoog. Ook bij de overheid mag nog wel wat verbeterd worden. Voedselzekerheid staat opeens weer hoog op de agenda, maar in Den Haag lijken ze nog nooit van ons gehoord te hebben. Dat is frustrerend. De wereld van maatschappelijke organisaties ken ik nog onvoldoende, maar daar zal een lang bestaande terughoudendheid om samen te werken met het bedrijfsleven overwonnen moeten worden.” Daniëlle Hirsch zegt juist graag samen te willen werken met bedrijven.

“We hebben tot nu toe weinig gedaan met maatschappelijke organisaties in tropisch Azië. Ik denk omdat de agenda’s niet goed op elkaar waren afgestemd. Deze organisaties werken vaak met een beperkte projectduur, terwijl onze aanpak gericht is op inkomensgroei voor kleine boeren op langere termijn. Wij zijn gewoon wat consistenter in onze aanpak. In het uitgestrekte en lastig bereisbare Tanzania zouden we wellicht met organisaties kunnen samenwerken als we het eens worden over het voorkomen van agendaconflicten.”

>


Hedwig Bruggeman Agri-ProFocus (ondersteunt boerenondernemerschap in ontwikkelingslanden)

>

Wat heeft uw organisatie te bieden?

“Agri-ProFocus runt zogeheten Agri-Hubs in negen Afrikaanse landen. Dat zijn platforms waarin producentenorganisaties, banken, agrarische bedrijven, kennisinstellingen, ontwikkelingsorganisaties en overheidsinstanties elkaar vinden om samen te leren en samen te werken. En dan hebben we het zowel over Nederlandse als lokale partijen. We hebben dus onze makelaarsfunctie plus een enorm netwerk te bieden. Op de tweede plaats kunnen organisaties en bedrijven ook bij ons aankloppen met kennisvragen of om te sparren over nieuwe kansen.” Hebt u iets nodig van anderen?

“Wat wij nodig hebben is het vertrouwen en commitment van bedrijven voor de lange termijn. En dan bedoel ik vooral vertrouwen in het ontwikkelingsperspectief van Afrika! Om in Afrika boerenondernemerschap te stimuleren zijn Nederlandse bedrijven nodig die samenwerkingsverbanden aangaan met lokale partners. Dan denk ik niet alleen aan het investeren van geld, maar vooral ook aan kennisoverdracht en franchising. Op lange termijn levert dit winst op voor alle partijen.” Welke beren ziet u op de weg?

“Ik ben bang dat er te smal ingezet gaat worden op productieverhoging als dé manier om voedselzekerheid te realiseren. Maar er is meer nodig. Zo is het noodzakelijk dat lokale boeren kunnen produceren voor een goed functionerende markt. En daarvoor heb je weer een betrouwbare overheid nodig, en regionale en inter-

nationale handelsafspraken. Het opzetten van een betrouwbaar en voor het MKB gunstig belastingsysteem is minstens zo belangrijk als verhoging van de gewasopbrengst. Dat verhaal zie ik niet terug in het Nederlandse beleid. Daarnaast moet je je af blijven vragen voor wie je het doet. Het gesprek aangaan met lokale en nationale overheden komt nog onvoldoende aan bod.” Simon Groot stelt dat een van de voornaamste problemen in Afrika is dat er te weinig goede boeren zijn: hun landbouwkundige kennis is volgens hem veel lager dan in Azië.

“De basis van de problemen is niet dat er geen goede boeren zijn. Die zijn er wel en komen er steeds meer. De basis is een slechte infrastructuur en de grote macht van tussenpersonen, vooral als je over groente- en maïsproductie praat. De Aziatische boer werkt meestal in een goed georganiseerde markt met een goede infrastructuur. De Afrikaanse boer kan er een stuk minder zeker van zijn dat risico nemen - investeren dus - beloond wordt. Productieverhoging helpt pas als de voorwaarden voor afzet en inkomsten zeker(der) zijn.”

Wat heeft uw instelling te bieden?

Arij Everaarts Praktijkonderzoek Plant & Omgeving Lelystad (voor praktijkonderzoek in akkerbouw en groenteteelt in de vollegrond, onderdeel van Wageningen UR)

“Wij werken aan oplossingen die direct toepasbaar zijn voor boeren. We richten ons op de groenteteelt in Azië en Afrika. Daar ontwikkelen we teeltmethoden waarmee lokale boeren zaadgoed optimaal kunnen benutten. En dan kijken we dus ook naar hun bedrijfseconomische plaatje. Via demonstraties laten we zien wat de voordelen zijn om meer geld uit te geven aan verbeterd zaadgoed. Daarmee kunnen de boeren een belangrijke stap vooruit zetten, maar het is zeker ook noodzakelijk om het groeiend aantal mensen in de stad te voeden.” Hebt u iets nodig van anderen?

“Aangezien het landbouwkundig onderzoek in Nederland jaren geleden is geprivatiseerd, hebben we in de eerste plaats fondsen april 2012 • LEV 7 •

32


Gerard Backx Directeur HZPC (kweker en distributeur van poot- en consumptieaardappelen) Wat heeft uw bedrijf te bieden?

“Wij kweken voor Afrika speciale aardappelrassen. Zoals aardappelen met een kort groeiseizoen en veel voedingswaarde en die relatief weinig water nodig hebben. We werken daarbij ook regelmatig met wetenschappers uit Wageningen en Groningen. Wij weten welke rassen het daar ter plekke goed doen en zij kunnen ons helpen om die rassen verder te verbeteren. Vervolgens weten wij hun genetische kennis om te zetten in verhandelbare aardappelproducten.” Wat hebt u nodig van anderen?

“Zoals gezegd halen we een deel van de genetische kennis bij wetenschappers. Verder hebben we behoefte aan kennis over het lokale bedrijfsleven in Afrika, omdat we meer ter plekke willen werken. Sinds kort werken we daarvoor samen met Agriterra uit Arnhem, dat gespecialiseerd is in boerenorganisaties in ontwikkelingslanden. We gaan eens

nodig. En dan is het zaak om samen aan de slag te gaan. Het zijn namelijk bedrijven die goed zaaizaad en nieuwe rassen op de markt brengen. Als wij weten welke teeltmethode werkt, moet die kennis worden verspreid. Daarvoor zijn we afhankelijk van lokale organisaties die het netwerk hebben om trainingen te geven aan de boeren. In Afrika staat dit hele proces nog in de kinderschoenen.” Daniëlle Hirsch van Both Ends mist bij wetenschappers de durf om achter de eigen tekentafel vandaan te komen en voort te bouwen op ideeën van Afrikaanse boeren. Wat vindt u daarvan?

“Wij voeren onderzoek meestal uit in overleg of in directe samenwerking met boeren. Het ontwikkelen van kennis of methoden die niet lokaal zijn te gebruiken, heeft niet veel zin. On33 • LEV 7 • april 2012

met die jongens door Afrika reizen en wie weet wat daar uitkomt. Als je ter plekke gaat werken, kun je politieke barrières omzeilen. Zo wil Kenia geen aardappelen invoeren, omdat ze bang zijn ziektes binnen te halen. Gevolg is dat ze jaar in jaar uit met de aardappelen vermeerderen en die verzwakken. Met een gezonde pootaardappel kun je de productie verdubbelen.” Volgens Hedwig Bruggeman van Agri-ProFoucs moeten we de oplossing voor voedselzekerheid nou net niet zoeken in productieverhoging.

“Het klopt dat je in deze landen meer hebt aan zekerheid dan aan productiviteit. Een robuust ras dat overeind blijft onder extreme klimaatomstandigheden en mindere landbouwtechnieken, daar heb je meer aan dan aan een ras met de grootste opbrengst. Verder ben ik het met haar eens dat er meer dan techniek alleen is, je moet ook de lokale partijen mee zien te krijgen.” Welke beren ziet u op de weg?

“Wat tegenwerkt is dat er in Afrika vliegtuigen graan worden ingevlogen, waardoor de lokale producten weggeduwd worden en liggen weg te rotten. Nog een probleem is de gebrekkige infrastructuur in diverse Afrikaanse landen. Verder moet de intellectuele eigendom veel beter beschermd worden. Anders weerhoudt dat leveranciers ervan om dingen in Afrika uit te proberen. Nu denken we toch: ja hallo, wat gaan jullie met ons product doen?”

derzoek kan uitgaan van de ideeën van lokale boeren, van geheel nieuwe ideeën ‘van buiten’ of van een combinatie. Het ligt eraan waar het om gaat en wat het perspectief is. Dat heeft niet zoveel met durf te maken als wel met verwachting en effectiviteit.” Welke beren ziet u op de weg?

“Het is moeilijk samenwerkingsverbanden op te zetten bij kortlopende projecten. En dat is wat wij de laatste jaren vooral hebben gehad. Het topsectorenbeleid biedt nu een kans om voor langere tijd de samenwerking aan te gaan met het bedrijfsleven. Bezuinigingen, een andere focus van een nieuw kabinet, dat zijn de voornaamste beren die ik zie. Hopelijk ziet ook de overheid dat investeren in de ontwikkeling van de landbouw in Afrika uiteindelijk ook onze economische ontwikkeling ten goede komt.”

>


Jeroen Verheul Ambassadeur in Oeganda (1 van de 15 ‘partnerlanden’ in het nieuwe ontwikkelingsbeleid)

>

Wat heeft uw ambassade te bieden?

“Naast financiële en technische ondersteuning zie ik twee belangrijke rollen voor me. Ten eerste hebben we een makelaarsfunctie. Dan gaat het dus om bemiddeling en het bij elkaar brengen van verschillende partijen. Een tweede rol is de beleidsbeïnvloeding in Oeganda. Zo kunnen we helpen bestaande bottlenecks weg te nemen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het versterken van het ondernemingsklimaat of het verbeteren van het regime voor landeigendom.” Hebt u iets nodig van anderen?

“Wat we nodig hebben uit Nederland is kennis. Bijvoorbeeld over hoe je duurzame visteelt kunt opzetten. Daarnaast zoeken we ook samenwerking met bedrijven die in deze landen willen investeren. Dat is dus het samenbrengen van overheid, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en bedrijven. Maar

met alleen de Nederlandse partijen samenbrengen red je het natuurlijk niet. Hier in Oeganda moet je dezelfde partijen bij elkaar zien te krijgen. Kennis kun je niet eten, die moet omgezet worden in processen die voedsel produceren. Dat vraagt om een omslag in het denken en daarvoor hebben we al onze partners nodig, zowel hier als in Nederland.”

terie van Landbouw en Visserij. Dat noopt tot bescheidenheid, al moeten we natuurlijk wel de ambitie hebben om een verschil te maken.”

Welke beren ziet u op de weg?

“Ik kan me die twijfels goed voorstellen, want het ontwikkelingsbeleid in het algemeen - en Nederland is daarop geen uitzondering - is regelmatig onderwerp van politiek debat. In een gezonde democratie leidt dat tot aanpassingen van beleid en dat gaat inderdaad soms wel eens ten koste van de voorspelbaarheid van beleid. Maar we staan pal voor betrouwbaarheid: als er contracten zijn aangegaan, worden die altijd gehonoreerd. Het is dus zaak om álle partijen zich aan die samenwerking te laten committeren.”

“De groei in de landbouw blijft hier enorm achter. De economische groei in Oeganda is gemiddeld zo’n 6-7 % per jaar, in de landbouw maar 1-2 % per jaar. En met een bevolkingsgroei van ruim 3,5% per jaar kun je op je vingers natellen dat de problemen qua voedselzekerheid vooralsnog alleen maar groeien. Er is dus in het Oegandese landbouwbeleid het een en ander misgegaan, zoals de zwakke koppeling tussen landbouwonderzoek en -voorlichting en het op alle niveaus zwak functionerende Minis-

Om succesvolle samenwerkingsverbanden op te zetten is een langetermijnplanning nodig. Sommige ondernemers betwijfelen of de Nederlandse overheid in staat is zich voor langere tijd te committeren.

april 2012 • LEV 7 •

34

>


Voorbij aan de Hollandse hokjesgeest

Maar er zit een addertje onder het gras. We hebben het hier over vragen vanuit het Nederlandse bedrijfsleven. Bij ontwikkelingssamenwerking wordt dit vaak gezien als aanbodsturing. Immers, de echte vragen komen uit de ontwikkelingslanden zelf. Ook heeft het beleid een nogal eenzijdig economische invalshoek. 35 • LEV 7 • april 2012

Waarom zouden overheden en maatschappelijke organisaties niet eveneens met hun kennisvragen kunnen aankloppen? Hier wreekt zich de Hollandse hokjesgeest. Overigens denk ik niet dat de sterke nadruk op het bedrijfsleven uitsluitend wordt ingegeven door de Hollandse neoliberale agenda. Publiek-private samenwerking zie je overal ter wereld toenemen en in steeds nieuwe vormen. Door mondialisering verandert de rol van de staat en vervagen de grenzen tussen het publieke en private domein. Het bedrijfsleven neemt ook steeds meer maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ik juich dat toe en denk dat het goed is te experimenteren met nieuwe samenwerkingsconstructies. Een reden te meer om andere partijen niet uit te sluiten. Laten we deze topsectorenbenadering eens afzetten tegen de kennisagenda rond voedselzekerheid die het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontwikkelt. Dan valt meteen op dat bij ontwikkelingssamenwerking de invalshoek juist wel bij de problematiek ligt en niet bij een specifieke sector. Dus 1-0 voor BuZa. Overeenkomst is de sterke nadruk op innovatieve kracht en op kennis en onderzoek waar de samenleving wat aan heeft. Beide stellen vraagsturing centraal en moedigen publiek-private samenwerking aan. Zij het dat het bij BuZa wel om lokale en geen Hollandse vragen gaat en niet louter om kennisvragen vanuit het bedrijfsleven, maar evenzeer om die van overheden en maatschappelijke partijen. Maar laten we de verschillen niet groter maken dan ze zijn. Beter is het om de beide beleidsagenda’s met elkaar te verbinden. En dat kan. Sterker, er ligt een uitgelezen kans om tot synergie en nieuwe vormen van samenwerking te komen.

‘Een thema als mondiale voedselzekerheid overstijgt Hollandse topsectoren’

Mondiale voedselzekerheid gaat iedereen aan en het onderscheid tussen Noord en Zuid of tussen donor en ontvanger zou er niet meer toe moeten doen. Laten we op zoek gaan naar internationale partnerschappen voor onderzoek en innovatie om deze gezamenlijke problematiek aan te pakken. Een bundeling van middelen van verschillende ministeries voor internationale samenwerking ligt voor de hand. Dat correspondeert niet alleen met het topsectorenbeleid, maar is ook precies wat BuZa in de nieuwe kennisagenda voorstelt. We gaan een spannende tijd tegemoet. Minder centrale onderzoeksprogrammering en meer ruimte voor vragen vanuit de markt en de maatschappij. We verlaten de Hollandse hokjes en gaan op zoek naar meer internationale partners. Samen maken we ons niet alleen sterk voor goede onderzoeksprogrammering, maar ook voor vraagarticulatie, het regelen van financiering en niet te vergeten uitvoering. Henk Molenaar adjunct-directeur NWO-WOTRO

Thema column

Hoe lossen we de grote vraagstukken rond voedselzekerheid op? Eén ding is zeker: zonder wetenschappelijke kennis zal het niet lukken. We hebben wetenschappers nodig die zich willen buigen over zowel mondiale processen als over de beste aanpak van zeg de aardappelteelt in die ene Ruandese regio. Welke bijdrage kan en wil Nederland daaraan leveren? Het debat over kennis en innovatie wordt in ons land al ruim een jaar gedomineerd door het topsectorenbeleid van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie. Nu is een sectorale insteek geen erg gelukkig startpunt voor onderzoeksprogrammering. Immers, een thema als mondiale voedselzekerheid overstijgt topsectoren als Agro-Food of Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Het raakt aan klimaatverandering, water, ruraal-urbane migratie, logistiek, vrede en veiligheid en ongetwijfeld nog vele andere zaken. Ik zie dan ook niet goed hoe je puur vanuit de topsectoren deze complexe problematiek adequaat te lijf kunt gaan. Al is het natuurlijk interessant en bemoedigend dat bedrijven mondiale voedselzekerheid als thema op de agenda plaatsen. Interessant is ook dat het topsectorenbeleid nadrukkelijk gericht is op meer vraagsturing in onderzoek. Ik twijfel er dan ook niet aan dat dit beleid een impuls zal geven aan een onderzoeksprogrammering waar de samenleving iets aan heeft.


Frans van Dam & Bram De Jonge tekst

Thema de politicus

Ben Knapen:

‘ De noden blijven vooropstaan’ Het kabinet zet voor ontwikkelingssamenwerking in op vier thematische speerpunten. Voedselzekerheid is zo’n speerpunt. We vroegen staatssecretaris Ben Knapen naar de achtergronden en praktische uitvoering van zijn plannen. Helaas zag de bewindsman geen kans voor een interview, maar hij wilde onze vragen wel schriftelijk beantwoorden.

W

at is uw visie op ontwikkelingssamenwerking? “Het paradigma van armoedebestrijding door een rijk land in een arm land is niet meer van deze tijd. Ik zie drie trends die vragen om een fundamentele herziening van ontwikkelingssamenwerking. Allereerst dienen zich nieuwe spelers aan. Landen als Brazilië, India en China zijn actief in ontwikkelingslanden en komen op voor hun eigen belangen. Ook private partijen als stichtingen, bedrijven en investeringsmaatschappijen zijn steeds actiever en belangrijker. Een tweede trend is dat mondiale vraagstukken zo omvangrijk zijn dat staten alleen ze niet kunnen oplossen. Het is daarom zaak er bedrijven, burgers, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen bij te betrekken. Een derde trend ten slotte is de verandering van het mondiale armoedepatroon. Het aantal arme landen en het aantal arme mensen daalt. De huidige armen - nog altijd enorme aantallen - wonen steeds vaker in middeninkomenslanden. Armoede is daarmee in toenemende mate een probleem van ongelijkheid binnen opkomende landen. De elites in die landen dragen zelf verantwoordelijkheid voor de herverdeling in hun land. Door deze trends is het ontwikkelingsvraagstuk al april 2012 • LEV 7 •

36


Getty Images

lang niet meer het monopolie van de traditionele hulpsector. Ontwikkelingssamenwerking nieuwe stijl is het leveren van een bijdrage aan economische groei en zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden. Daarbij focussen wij onze inspanningen op vier speerpunten, vier thema’s waarin Nederland wat te bieden heeft: voedselzekerheid, water, vrede en veiligheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Ik zie daarbij de overheid als makelaar die diverse partijen samenbrengt.” Is dat wat u bedoelt als u stelt, zoals in uw kennisbrief van 14 november 2011, dat ontwikkelingssamenwerking niet in isolement moet worden beschouwd? “Inderdaad. Betrekkingen met ontwikkelingslanden zijn al lang niet meer het exclusieve domein van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de overheid. Dit kabinet zet die ontwikkeling door. We betrekken andere ministeries, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen volop bij ontwikkelingssamenwerking. Daarom stellen we voor de vier speerpunten brede kennisplatforms samen en vragen we uitdrukkelijk ook de andere ministeries om mee te werken aan de uitvoering van de kennisagenda.”

37 • LEV 7 • april 2012

Biotechnologie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de voedselzekerheid in Afrika. Echter, de onderzoeksprogrammering van de twee grootste lopende, Nederlandse publiek-private partnerships op dit terrein (Technologisch Topinstituut Groene Genetica en het Centre for Biosystems Genomics) bevat tot op heden geen concrete ontwikkelingsdoelstellingen. Hoe komt ‘Het paradigma van dat en hoe zou dit verbeterd kunnen worden? armoedebestrijding door “De door u genoemde partnerschappen zetten in een rijk land in een arm land op de steeds verdere ontwikkeling van kennis rondom is niet meer van deze tijd’ gewasveredeling en het ontwikkelen van resistentie tegen ziekten en plagen. In het Kennisplatform voedselzekerheid gaat het er vooral om dat we die in Nederland aanwezige kennis beter gaan benutten voor meer voedselzekerheid in ontwikkelingslanden. Zo leggen we verbindingen die er tot dusverre niet waren. Niet alleen tussen bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen in Nederland, maar ook met internationale onderzoeksinstituten en kennisinstellingen

<


ontwikkelingslanden. Door die samenwerking < inbenutten we het Nederlandse potentieel ten volle en verzilveren we kansen op verdere ontwikkeling. Het mes snijdt dus aan twee kanten: de mondiale voedselzekerheid wordt vergroot en de Nederlandse kennisbasis wordt versterkt.” Voor zo’n Kennisplatform voedselzekerheid kun je kiezen voor een smalle, technologiegedreven of een brede interdisciplinaire agenda. Welke aanpak geniet uw voorkeur? “Ik ben geïnteresseerd in aanpakken die werken. Soms zal dat een technologiegedreven programmering zijn, soms een interdisciplinaire aanpak. En, wie weet, in een derde geval juist een combinatie van beide. Tenslotte hebben we hier te maken met ingewikkelde en hardnekkige problemen. De kans op een enkele silver bullet is vrijwel uitgesloten. Ik wil iedereen die een bijdrage kan leveren uitnodigen mee te doen. Elk platform krijgt als trekker een erkende autoriteit op het desbetreffende thema met ruime ervaring in ontwikkelingsprocessen. Een kleine regiegroep van deelnemers ziet erop toe dat het platform zijn rollen en taken vervult in lijn met de onderling gemaakte afspraken. We zoeken naar vernieuwing en diepgang. Ik hoop dan ook dat organisaties, instellingen en bedrijven in grote mate zullen deelnemen.” Bedrijven lijken nog terughoudend. Bernard de Geus, directeur Technologisch Topinstituut Groene Genetica, stelt in deze LEV dat je een bedrijf niet met een beleidsagenda verleidt om te participeren in een ontwikkelingsland. Voor dergelijke investeringen is een visie nodig met een reikwijdte van minstens tien jaar. Hoe gaat u het bedrijfsleven toch zover krijgen mee te investeren in ontwikkelingsprojecten? “Zelf merk ik bij bedrijven juist groot enthousiasme om in ontwikkelingslanden te investeren. Vaak hebben ze al concrete plannen, maar ‘ Ik merk bij bedrijven juist zijn de risico’s nog te groot. Dan kan de overheid een groot enthousiasme om rol spelen door het investeringsklimaat te verbeteren in ontwikkelingslanden te en de grootste risico’s af te dekken. Ik vraag bedrijven investeren’ dus niet om liefdadigheid,

maar op basis van een solide business case en in samenwerking met kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden aan de slag te gaan. Op die manier stimuleer je de duurzame bedrijvigheid en economische groei die uiteindelijk moet leiden tot zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden.” Wetenschapper Louk de la Rive Box zegt, eveneens in deze LEV, dat uw speerpunt voedselzekerheid niet mondiaal, maar vanuit typisch Nederlands perspectief is geformuleerd. Hij voegt eraan toe dat de ervaring heeft geleerd dat dergelijke door aanbod gestuurde programma’s in Afrika gedoemd zijn te mislukken. Kunt u hem geruststellen? “Vraagsturing is inderdaad van belang. Het gaat uiteindelijk om de optimale koppeling tussen vraag én aanbod. De noden in ontwikkelingslanden blijven vooropstaan. Ontwikkelingslanden hebben er belang bij dat donoren tot een betere werkverdeling komen en focussen op waar ze de meeste meerwaarde bieden. En juist over voedselzekerheid hebben Nederlandse kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties hoogwaardige kennis en de capaciteit die verder te ontwikkelen. Deskundige makelaars en intermediairs uit Noord en Zuid moeten vraag en aanbod bij elkaar brengen. Die rol vervullen wetenschappers, maar ook maatschappelijke organisaties, onze ambassades en straks de kennisplatforms.” Hoe hoopt u dat er, na afloop van uw ambtstermijn, over uw kennisbeleid geoordeeld wordt? “Ik hoop dat geconstateerd wordt dat ontwikkelingssamenwerking meer focus en een kennisintensievere inzet heeft gekregen. En dat onze keuze voor minder landen en thema’s met Nederlandse meerwaarde heeft geleid tot meer kwaliteit, en tot een grotere kenniscapaciteit in ontwikkelingslanden. Zover zijn we nog niet. We hebben nu nog onvoldoende overzicht over de al aanwezige relevante kennis. Ook is de vraagstelling voor nieuw onderzoek niet helder en maken we onvoldoende gebruik van de synergie tussen ministeries, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Het kennisbeleid op mijn eigen ministerie is aan modernisering toe. Daar ga ik voor staan en daar mag men mij naderhand op beoordelen.” april 2012 • LEV 7 •

<

38


tekst

De keerzijde van werkgelegenheid

Marianne Heselmans & Bram De Jonge

Op de Afrikaanse Akker (4) Ethiopië

Nederlandse kennis inzetten voor voedselzekerheid in Afrika. Dat is de ambitie. Dit voorbeeld in Ethiopië laat zien dat het realiseren van werk en gezondheidszorg door Nederlandse bedrijven ook keerzijden kent.

Om de week is hij in Ethiopië om oplossingen te vinden voor problemen zoals machineonderdelen die weken in de haven blijven liggen, vergunningen die maar niet worden afgegeven en stijgende prijzen van kunstmest en vervoer. “Je moet gewoon zorgen voor een dealer in de buurt die onderdelen op voorraad heeft”, vertelt Van der Burg. “En je moet robuuste technologie importeren. Zo bleken de hypergeavanceerde rozensorteermachines die we in Nederland gebruiken te kwetsbaar voor Ethiopië. We sorteren de rozen dus met de hand, wat hier natuurlijk ook goedkoper is dan in Nederland.”

Ziekenhuis Inmiddels heeft zijn Afrikaanse vestiging Herburg Roses in Ziway (twee uur rijden van de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba) 1200 medewerkers in dienst. In Ziway heeft hij een team van elf Ethiopische managers en één Nederlandse manager aangesteld. Van der Burg is geen uitzondering. Van de inmiddels negentig sierteeltbedrijven in Ethiopië (samen 30.000 werknemers) zijn er nu twintig van Nederlanders, met

39 • LEV 7 • april 2012

Ziway als belangrijk sierteeltcentrum. En dat terwijl deze stad, met een inwoneraantal van ongeveer 50.000, tot voor kort een werkloosheidspercentage had van meer dan 50%. Het blijft niet bij werkgelegenheid alleen. Samen met andere Nederlandse bedrijven heeft Herburg Roses in Ziway een verpleegkundige aangesteld en een ziekenhuis, sportveld en school gebouwd. “We zagen soms medewerkers of hun familieleden aan aids overlijden”, verklaart Huub van der Burg. “Daar wilden we dan wat aan doen.”

Sociale onrust Werk en sociale voorzieningen. Dat klinkt positief en toch zijn er ook onverwachte keerzijden, vertelt Huub Löffler, directeur van Wageningen International. Zo heeft de toenemende werkgelegenheid een aanzuigende werking op leden van andere stammen uit de omgeving. Dat zorgt voor sociale onrust. “Opmerkelijk is het hoge scheidingspercentage in dit stadje, wellicht door de relatief onafhankelijke positie die vrouwen hebben verworven.” Ten slotte leidt de bouw van sociale voorzieningen zoals een school en ziekenhuis gemakkelijk tot frictie met de lokale overheid, van wie het falen nu duidelijk zichtbaar wordt. “Onderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van grootschalige investeringsprojecten kan helpen dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen”, aldus Löffler.

Thema de praktijk

In 2006 stond rozenkweker Huub van der Burg voor de keuze: uitbreiden in eigen land of een kans wagen in Afrika. Hij koos voor het laatste, omdat het eerste financieel niet haalbaar was. Voor grootschalige teelt in Nederland zou hij een paar miljoen euro moeten lenen voor extra grond en kassen.


csg-onderzoek over innovatie & derde wereld Hoe kan kennis beter benut worden? En hoe kan de derde wereld profiteren van onze kennis? Op deze pagina een overzicht van lopende en net afgeronde CSG-projecten die aansluiten bij het thema van deze LEV. Lopend onderzoek

Afgerond onderzoek

Innovaties geblokkeerd?

De kloof overbruggen

In de biotechnologie zijn de afgelopen jaren steeds meer zaken patenteerbaar geworden. Maar dergelijk vastgelegd intellectueel eigendom kan verder onderzoek en zelfs wetenschappelijke doorbraken blokkeren. In dit project wordt gekeken naar de juridische en de ethische kant van dit vraagstuk en gezocht naar alternatieven, zoals open source, waarbij kennis beschikbaar blijft voor andere partijen.

Dankzij biotechnologie zijn we in staat om elk gewas aan te passen aan de wensen van de consument. Maar dat gebeurt vaak zonder exact te weten wat die consument wil. Bovendien vormen patenten op die nieuwe producten een obstakel voor boeren. In dit project is bekeken of vrije beschikbaarheid van kennis (open source) biotechnologische ontwikkelingen eerlijker, democratischer, maar ook efficiënter kan maken.

onderzoekers projectleider

Cristian Timmerman & Henk van den Belt Michiel Korthals (WUR)

onderzoeker projectleider

Pieter Lemmens Bart Gremmen (WUR)

Open access wetenschap

De 10/90-kloof

Waar traditioneel wetenschappelijk onderzoek werd afgeschermd, bijvoorbeeld met octrooien, komt er steeds meer vrije toegang tot onderzoeksresultaten. Die open access leidt tot duurzamer en rechtvaardiger gebruik van technologische kennis. In dit project achterhalen onderzoekers via een casestudy in India hoe een open-accessproject zich ontwikkelt en wat de gevolgen zijn voor onderzoekers en andere betrokkenen, zoals veredelaars en boeren. onderzoeker Pieter Lemmens projectleider Guido Ruivenkamp (WUR)

Negentig procent van de onderzoeksmiddelen voor genomics wordt besteed in het belang van tien procent van de wereldbevolking. In dit onderzoek is verkend waarom dit zo is of het ook anders kan. Met pioniers, mensen die nieuwe ideeën aandurven en eerlijkheid voorop stellen, als voorbeeld moet het mogelijk zijn om te komen tot eerlijkere onderzoekagenda’s. onderzoeker Cor van der Weele projectleider Michiel Korthals (WUR)

Genomics voor de armen

Thema onderzoek

Voedsel versus brandstof In ontwikkelingslanden wordt biomassa gekweekt als bron voor (westerse) brandstof. Dit project onderzoekt vanuit een juridische en filosofische invalshoek welke normen zouden moeten gelden in de contractuele relaties tussen (voornamelijk westerse) multinationals en opkomende economieën in ontwikkelingslanden. Uiteindelijk doel is om te komen tot een meer rechtvaardige verdeling van de opbrengsten. onderzoeker Menno van der Veen projectleiders Laurens Landeweerd & Patricia Osseweijer (TU Delft)

Genomics kan een belangrijke bijdrage leveren aan voedselzekerheid in Afrika. Om deze gene revolution tot een succes te maken is een goede samenwerking tussen genomicsonderzoekers, veredelaars en lokale boeren noodzakelijk. Boeren en veredelaars vinden elkaar steeds makkelijker, maar tussen boeren en onderzoekers gaapt vaak nog een kloof. Dit onderzoek geeft handvatten om die kloof te overbruggen. onderzoeker Edwin Nuijten projectleiders Paul Richards & Harro Maat (WUR)

Eerlijk zullen we alles delen Wetenschappelijke beloften en maatschappelijke verwachtingen Genomicsonderzoek maakt niet altijd de verwachtingen waar. Soms wordt er bijvoorbeeld meer beloofd om financiering binnen te halen. In dit project wordt onderzocht in hoeverre de wetenschappelijke en maatschappelijke agenda beter op elkaar aangesloten kunnen worden, zodat beloften en verwachtingen meer in balans komen. onderzoeker Martin Ruivenkamp projectleider Hub Zwart (RU)

Elk land is de baas over de eigen plantgenetische bronnen. Maar niet altijd worden de baten (winst, technologie of kennis) eerlijk verdeeld. Zo profiteren ontwikkelingslanden nog nauwelijks van de enorme biodiversiteit op hun grondgebied. Voor benefit sharing ontbreekt nog adequate internationale wetgeving. Dit onderzoek, uitgevoerd in Nederland, Peru en Kenia, laat zien dat er veel verschillende motieven voor benefit sharing bestaan. De onderzoekers formuleren ethische richtlijnen die aan alle motieven recht doen. onderzoeker Bram De Jonge projectleider Michiel Korthals (WUR)

april 2012 • LEV 7 •

40


Paul van den Broek foto Sascha Schalkwijk

In 2013 mag de subsidie van de belangrijkste geldschieter van het CSG stoppen, maar er is geen reden

tekst

te twijfelen over de toekomst. Dit zegt Hub Zwart,wetenschappelijk directeur van CSG Centre for Society and the Life Sciences. “De paradox van een immense hoeveelheid kennis in de wetenschap en een prangend kennistekort in de samenleving wordt alleen maar groter.”

CSG-directeur Hub Zwart

‘ Ons centrum heeft bestaansrecht bewezen’

41 • LEV 7 • april 2012

te zetten, LISTEN genaamd, een netwerk van toponderzoekers die elkaar helpen met het verwerven van Europese onderzoeksgelden. Majeure vraagstukken

De agenda voor de toekomst begint gestalte te krijgen. Een centrum is echter meer dan een optelsom van projecten. Wat nog ontbreekt, is financiering van een organisatorische kern. “Wetenschapsfinanciering is vooral gericht op projecten en programma’s.” Toch denkt Zwart dat ook deze hobbel zal worden genomen. “We hebben nog twee jaar.” De positieve kijk van Zwart berust mede op de groeiende druk op wetenschap om urgente maatschappelijke thema’s te agenderen. In Europa is er veel aandacht voor Responsible Research and Innovation, in Nederland is er de discussie rond de topsectoren, het initiatief van de overheid om het bedrijfsleven, de wetenschap en de samenleving bijeen te brengen rondom

<

toekomst CSG

V

olgens plan gaat in 2013 de stekker uit het Netherlands Genomics Initiative, de voornaamste subsidiegever van het in 2004 opgerichte - toen nog - Centre for Society and Genomics. Wat betekent dit voor de toekomst van het centrum? Hub Zwart ziet geen reden tot ongerustheid en wijst op het zojuist door de European Science Foundation ondertekende contract voor een conferentiereeks waarmee CSG samen met andere Europese partners de biobased society op de kaart gaat zetten. In Nederland weten steeds meer bètawetenschappers CSG te vinden voor maatschappelijk onderzoek en training. “We zijn in acht jaar tijd goed ingebed geraakt in de levenswetenschappen. Met diverse partners hebben we nieuwe projecten gelanceerd: onze toekomst is in feite al begonnen.” Om het optimisme te onderstrepen noemt Zwart het CSGinitiatief om naast het bestaande, landelijke netwerk nu ook een vergelijkbaar internationaal netwerk binnen diverse landen op


majeure vraagstukken, zoals duurzame energie en < diverse gezondheidszorg op maat. “Dat is voor ons een gunstige trend, al moet je er wel voor waken dat ‘samenleving’ niet vervangen wordt door alleen ‘bedrijfsleven’. De inbreng die CSG binnen de topsectoren kan leveren, hebben we helder in kaart gebracht, zegt Zwart. “De maatschappelijke verankering van onderzoek moet je niet onderschatten. Daar wordt nog wel eens lichtvaardig over gedacht. CSG-onderzoek heeft laten zien waarmee je rekening moet houden. Daarom is het zo belangrijk dat wij blijven participeren.” Geloofwaardigheid

Enige reden tot ongerustheid is er ook. Zwart signaleert de trend dat wetenschappers zich terugtrekken in een op technologie georiënteerde benadering. “Toen wij begonnen, was er een grotere gevoeligheid binnen de wetenschap om aan te haken bij complexe maatschappelijke vraagstukken. Maar de kloof lijkt nu weer groter te worden. In Den Haag en Brussel legt men weliswaar steeds meer nadruk op de maatschappelijke en economische waarde van wetenschappelijke onderzoek, maar toch vooral redenerend vanuit het onderzoek en in mindere mate vanuit de samenleving.” Beleidsmakers erkennen de complexiteit van wetenschappelijke vraagstukken, maar onderschatten ze de complexiteit van maatschappelijke veranderingsprocessen. En naast toenemende nadruk op relevantie en maatschappelijke waarde is er ook een trend om wetenschap toch primair in termen van citatie-index, academische excellentie en internationale rankings te kwalificeren. Dit versterkt een ‘klassieke houding’. In tijden van schaarste, wordt maatschappelijke reflectie dan al snel als luxe gezien. Aan de andere kant is er de groeiende argwaan in de samenleving. “De geloofwaardigheid van wetenschap is meer dan voorheen op het spel komen staan, bijvoorbeeld in het klimaatdebat. ‘De wetenschap is ook maar een mening’, hoor je dan.” De argwaan wordt verder gevoed door kritiek op belangenverstrengeling, vooral vanwege samenwerking met het bedrijfsleven. “Als de wetenschap inboet aan autonomie, komt ook haar autoriteit op het spel te staan. Dat is de complexe dynamiek waarin we staan.”

‘Ons centrum heeft laten zien waarmee je rekening moet houden bij maatschappelijke verankering van onderzoek’

‘De vraag hoe om te gaan met digitale medische gegevens is niet louter technologisch van aard’ Interactief onderzoek

Het onderzoeksveld is echter te divers om je blind te staren op de zorgwekkende tendensen, vindt Zwart. Er zijn genoeg ontwikkelingen die het belang onderstrepen van de aloude taak van het centrum: reflectie op de samenhang tussen wetenschap en samenleving. Neem de biobased society, ook wel de tweede industriële revolutie genoemd, met doorbraken op het gebied van biobrandstof en biomaterialen. Naast voordelen zal deze ontwikkeling ook gepaard gaan met maatschappelijke spanningen en conflicten, net als bij de ‘eerste’ industriële revolutie het geval was. “Je zult alfa’s, bèta’s en gamma’s bij elkaar moeten brengen om dit vraagstuk te lijf te gaan. De technologische revolutie zul je moeten afstemmen op de maatschappelijke processen en omgekeerd.” Dankzij het zojuist ondertekende Europese contract gaat het centrum nu leiding geven aan een platform waarin beleidsmakers, wetenschappers en de industrie elkaar gaan ontmoeten. “Zo blijft de biobased society niet alleen een technologische belofte, maar kunnen we ook de mogelijke spanningen en conflicten die samenhangen met deze innovaties op de agenda zetten.” Andere voorbeelden zijn de samenwerking met het Centre for Translational Molecular Medicine inzake maatschappelijke onderzoek en training en het zojuist gelanceerde samenwerkingsproject met het Centre for Genome Diagnostics over de toepassing van snelle technologie bij diagnostiek en gezondheidszorg-opmaat. “De vraag hoe om te gaan met digitale medische gegevens is niet louter technologisch van aard. In nauwe samenwerking met technologiecentra, landelijk en Europees, gaan we werken aan verantwoord datamanagement.” Het centrum heeft kortom zijn bestaansrecht bewezen. Om verder te bouwen aan de toekomst heeft het echter zijn achterban hard nodig, stelt Zwart, doelend op de onderzoekers die de afgelopen jaren ervaring hebben opgedaan met interactief onderzoek op het grensvlak van levenswetenschap en kennissamenleving. “CSG blijft een collectief project, waarbij het geheel meer is dan de optelsom der delen.” april 2012 • LEV 7 •

42

<


Voedingsclaims

ten zijn ‘Gezond voedsel, waarom eten we zo

Gezond oud

26 maart 2012

weinig vers?’( 3 april) en ‘Nieuwe verbindingen

datum

Trippenhuis, Amsterdam

tussen landbouw en burger’ (23 april).

locatie

www.rodehoed.nl

Thema van de Paradisolezingen 2012 is Com-

datum locatie

Tijdens dit KNAW-symposium gaan onderzoekers in debat met wetenschappers van de

13 mei 2012 Paradiso, Amsterdam

plexiteit. Met hierin aandacht voor complexe

European Food Safety Authority (EFSA) over

systemen, ingewikkelde materie en onzichtbare

de wetenschappelijke onderbouwing van voe-

Voedselzekerheid?

dingsclaims.

datum

www.knaw.nl

locatie

structuren, onder meer in het menselijk brein

12 april 2012

en lichaam, in de natuur en in het heelal. Acht

Natuurcafé La Porte, Zeist

topwetenschappers lichten vanuit hun vakge-

Tijdens dit Science Café spreekt hoogleraar

bied toe hoe oude kennis nieuwe fundamenten

Rudy Rabbinge (WUR) over wat bereikt is én

krijgt. In zijn Paradisolezing gaat Jan Hoeijma-

wat nog bereikt moet worden om de wereld-

kers (hoogleraar Moleculaire genetica, Erasmus

26 maart 2012

bevolking te kunnen blijven voeden, met aan-

MC) in op Genonderhoud: het geheim van ge-

Dik T, Rotterdam

dacht voor duurzaamheid en een sociaal, eco-

zonde ouderdom.

Wetenschapscafé waarin dr. Frank Sleutels

logisch en economisch perspectief.

www.paradiso.nl

(Erasmus MC) spreekt over het markeren van

www.sciencecafezeist.nl

Herrie in de genen datum locatie

genen door onze eigen cellen. Dit beïnvloedt

Bioethics and the Future

voor ons functioneren en onze gezondheid.

Conferentie Genomics in Society

Hoe worden genen gemarkeerd? Waarom ne-

datum

men onze cellen het risico om een reservekopie

locatie

van een gen op te geven? En wat voor gevol-

Onder de noemer Genomics in Society: Fact,

Bioethics and the Future, and the Future of

gen heeft het markeren van genen voor onze

Fictions and Cultures viert de ESRC Genomics

Bioethics, focust op de belangrijkste vraagstuk-

gezondheid en die van onze kinderen?

Network Conference 2012 een decennium van

ken in de toekomst van de bioethiek, zoals

www.science4you.nl

academische vooruitgang in het maatschap-

synthetische biologie, mensverbetering, levens-

pelijk onderzoek. Aan bod komt het beste van

verlengende strategieën, milieuvraagstukken,

het vele maatschappelijk onderzoek naar de

voedsel en ethiek en volksgezondheid.

huidige innovaties in de biowetenschappen.

www.bioethicsrotterdam.nl

genen en heeft daarmee directe consequenties

It’s food, stupid! datum locatie

datum locatie

26 t/m 29 juni 2012 Congrescentrum de Doelen, Rotterdam

23 & 24 april 2012

Deze elfde conferentie van de International As-

The British Library, Londen

sociation of Bioethics, getiteld Thinking ahead:

3 & 23 april 2012

Hoofdsprekers zijn Celeste Condit (Univer-

De Rode Hoed, Amsterdam

sity of Georgia), Anne Fausto-Sterling (Brown

Debatreeks over landbouw en voedsel waarin

University), Ann Lingard (schrijfster en weten-

deelnemers en publiek samen zoeken naar

schapscommunicator) en Margaret Lock (Mc-

oplossingen om de landbouw te verduurza-

Gill University).

men. De thema’s van de laatste twee debat-

www.genomicsnetwork.ac.uk

L e v is een uitgave van CSG Centre for Society and the Life Sciences

Kijk voor het meest actuele overzicht van evenementen op de website van CSG www.society-lifesciences.nl

agenda

de structuur, leesbaarheid en activiteit van die

De teksten in deze uitgave mogen door derden voor niet-commerciële doelen worden gebruikt, mits de redactie van LEV daartoe vooraf, schriftelijk van op de

Hoofdredactie Frans van Dam

hoogte is gesteld.

Gastredacteur Bram de Jonge

csg

Eindredactie Bea Ros Teksten Paul van den Broek, Frans van Dam, Marianne Heselmans,

centre for society and the life sciences

Bram de Jonge, Paul van Laere, Henk Molenaar, Bea Ros,

CSG Centre for Society and the Life Sciences

Marjolein Schrauwen en Peter Zunneberg

Postbus 9010 – 6500GL Nijmegen

Beeld DigiDaan, Thomas Fasting, Sascha Schalkwijk en

www.society-lifesciences.nl

Vormgeving Hannie van den Bergh, Studio HB

CSG Centre for Society and the Life Sciences analyseert, beoordeelt en verbetert

Druk Leën Offsetdruk

de relatie tussen de samenleving en het life sciences onderzoek. Daarmee draagt

ISSN 1877-9387

CSG bij aan de aansluiting van life sciences onderzoek op de verwachtingen en vragen van de samenleving. CSG, opgericht in 2004, is een nationaal centrum, gevestigd aan de Radboud Universiteit Nijmegen. CSG is één van de 16 geno-

© 2012, CSG Centre for Society and the Life Sciences, Nijmegen

43 • LEV 7 • april 2012

mics centres van het Netherlands Genomics Initiative (NGI).

colofon

Tammo Schuringa


Intellectueel eigendom & ontwikkelingsbeleid

Welke rol spelen intellectuele eigendomsrechten bij het bereiken van de Milleniumdoelstellingen in ontwikkelingslanden? Dat is de centrale vraag van het boek Harnessing Intellectual Property Rights for Development Objectives. Naast een uitgebreide studie van de internationale wetgeving richt het onderzoek zich op zowel de landbouw als de medische sector.

Het boek is online beschikbaar via www.wolfpublishers.com/harnessingipr/


Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.