Page 1

en in r o t c e s t fi o r De social-pnomisch perspectief: en macro-eco bestedingen en inkom productie,

R E I H A C O S VER


inhoud

2

3

INLEIDING

3

“Maatschappelijk belang” en “macro-economische waarde” Wat u vooraf moet weten over het begrippenkader

5 9

KERNCIJFERS

9 14

Gegevens voor België Gegevens voor het Vlaams Gewest

26

CONCLUSIES

Dit is een geüpdatete versie van het Verso-Cahier 5/2016. Waar mogelijk zijn de gegevens gebruikt uit de nationale en regionale rekeningen van april 2017. Voor vragen en toelichting: wouter.vandersteene@verso-net.be www.verso-net.be


inleiding Als spreekbuis van de Vlaamse social-profitondernemingen – zowel op intersectoraal als op interprofessioneel niveau – hecht Verso er veel belang aan om de socio-economische en maatschappelijke betekenis van de social profit in Vlaanderen op een objectieve en transparante manier in beeld te brengen voor een breed publiek.

tistieken voor de social profit in Vlaanderen (zie: www.verso-net.be).

In eerdere Verso-cahiers (cahiers 2 en 3) werd

aan de basis ligt van dit cahier, aanvragen via wouter.vandersteene@verso-net.be. Hierin vindt u eveneens een bondige synthese van de sociaaleconomische positionering van de social profit in Brussel en Wallonië.

al dieper ingegaan op de arbeidsplaatsen en het profiel van de social-profitwerknemers. Ook de halfjaarlijks geactualiseerde cijfers op de Verso-website bieden een uitvoerig overzicht van de relevante werkgelegenheidssta-

In dit cahier leggen we de klemtoon op de macroeconomische betekenis van de social-profitsectoren in België en Vlaanderen. Wie zich verder in deze materie wil verdiepen, kan het uitgebreid informatiedossier dat

3

“MAATSCHAPPELIJK BELANG” EN “MACRO-ECONOMISCHE WAARDE” Het vervullen van concrete noden en behoeften van iedereen in onze samenleving vormt de bestaansreden en de finaliteit van de Vlaamse social-profitondernemingen, ongeacht hun domein of sector. De Vlaamse social-profitondernemingen zijn dan ook actief in een brede waaier aan (beleids)domeinen en sectoren die nauw aansluiten bij de verschillende facetten van het dagelijks leven van de Vlaamse bevolking. We erkennen en ondervinden allemaal de voordelen van de talrijke diensten en taken die worden opgenomen door ondernemingen uit de gezondheidszorg, welzijn, sociale economie en in de socioculturele sector. Diverse financieringsbronnen (overheid, gebruikers, ...) maken het mogelijk dat die grote verscheidenheid aan activiteiten kan worden gerealiseerd.

Het opzet van dit cahier (en bijhorend informatiedossier) bestaat er niet in om de intrinsieke relevantie van al die verschillende socialprofitactiviteiten te becijferen en uit te drukken in een bepaalde al dan niet geldelijke waarde. Een ernstige inschatting van de gerealiseerde “maatschappelijke meerwaarde” door de social profit vergt grondig wetenschappelijk onderzoek waarbij alle relevante “baten” en “kosten” in kaart worden gebracht. Oefeningen in deze die zich zouden verengen tot het loutere kostenaspect vormen hiervoor geenszins een alternatief. Verso blijft voorstander van meer diepgaand onderzoek dat bijdraagt aan een objectieve en transparante beeldvorming over de maatschappelijke impact van concrete (deel) activiteiten van de Vlaamse social-profitsectoren.


4

Dit cahier belicht de sociaal-economische betekenis van de social-profitsectoren binnen een macro-economisch kader. Immers, net zoals alle andere bedrijfstakken leveren de socialprofitsectoren hun bijdrage aan de sociaal-economische bedrijvigheid. Hun verwevenheid in het geheel van de economie wordt zichtbaar in de dagelijkse stromen heen en weer ten aanzien van andere bedrijfstakken van de economie in België en Vlaanderen. We plaatsen ons dus binnen het kader van de nationale en regionale rekeningen en de input-outputtabellen om een beeld te schetsen van de “macro-economische

waarde” die aan de social-profitsectoren kan worden toegeschreven. De uniforme systematiek die gehanteerd wordt bij de samenstelling van het bronnenmateriaal maakt het eveneens mogelijk zinvolle vergelijkingen te maken van de macro-economische grootheden, zowel in de tijd als tussen bedrijfstakken. In dit cahier zullen dan ook een reeks macroeconomische concepten aan bod komen – zowel op niveau van België als op het niveau van het Vlaams Gewest – die best eerst een woordje uitleg krijgen.


WAT U VOORAF MOET WETEN OVER HET BEGRIPPENKADER HET GEBRUIKTE BRONNENMATERIAAL De nationale en regionale rekeningen van de Nationale Bank van België bieden de inhoudelijk relevante macro-economische kerngegevens van de economische ontwikkeling op het niveau van de bedrijfstak of groepering van bedrijfstakken. De relevante gegevens voor een analyse zijn in de nationale rekeningen uitvoeriger voorhanden dan in de regionale rekeningen. Mede daardoor ligt de focus bij de analyse op het niveau van het Vlaamse Gewest op de beschikbare kerncomponenten van de economische ontwikkeling, zijnde

Er dient evenwel rekening gehouden te worden met een paar belangrijke verschillen tussen de nationale tabellen en de interregionale tabellen op vlak van methodologie (ESR 2010 versus ESR 1995) en structuur (“product x product” versus “bedrijfstak x bedrijfstak”). Op basis van de input-outputdata ontwikkelde het Federaal Planbureau “multiplicatoren” in verband met de productie, het inkomen en de werkgelegenheid 3. Bij de detailanalyse van de social profit wordt nader ingegaan op de resultaten hiervan.

de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid.

De SERV heeft de mogelijkheden tot analyse van het basismateriaal van de interregionale inputoutputtabellen verduidelijkt4.

De werkgelegenheidsgegevens in de nationale en regionale rekeningen worden in dit cahier gebruikt om de positie en evolutie van de social profit af te zetten tegenover het gemiddelde van de economie. Verso presenteert via de eigen communicatiekanalen, systematisch en op basis van meerdere databronnen, een meer fijnmazig inzicht in de werkgelegenheid binnen de geledingen van de social profit (cf. website en cahiers).

5

De nationale input-outputtabellen1 (IOT) en de interregionale input-outputtabellen (RIOT) voor de Belgische gewesten2 voor het jaar 2010, gepubliceerd door het Federaal Planbureau, bieden binnen een uniform analysekader een gedetailleerd zicht op de sociaal-economische impact van de bedrijfstakken, met inbegrip van de social profit. Een input-outputtabel beschrijft op gedetailleerde wijze de monetaire stromen binnen een economie die voortvloeien uit goederen- en dienstenstromen.

1 Federaal Planbureau (2015), Input-outputtabellen 2010, Brussel.

3 Federaal Planbureau (2016), Interregionale input-outputtabel: Multiplicatoren 2010, Brussel

2 Federaal Planbureau (2016), Interregionale input-outputtabel voor de Belgische gewesten 2010 (RIOT), Brussel.

4 SERV (2016) De interregionale input-outputtabel 2010: Een analyse voor Vlaanderen, Brussel (auteur: Tim Buyse)


AFBAKENING VAN DE SOCIAL-PROFITSECTOREN In het gebruikte bronnenmateriaal worden activiteitssectoren afgebakend op basis van de NACE-indeling5. Rekening houdend met de clustering van activiteitssectoren in de gehanteerde gegevensbronnen, zijn volgende activiteitssectoren meegenomen in de afbakening van de social-profitsector: - Menselijke gezondheidszorg (NACE 86) - Maatschappelijke dienstverlening met huisvesting (NACE 87) - Maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting (NACE 88), inclusief de sector van de sociale economie - Creatieve activiteiten, kunst en amusement (NACE 90) - Bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten (NACE 91) - Kansspelen en loterijen (NACE 92) - Sport, ontspanning en recreatie (NACE 93)

6 In de nationale en regionale rekeningen worden vermelde activiteiten geclusterd in vier categorieën: - de gezondheidzorg (NACE 86) - de maatschappelijke dienstverlening (NACE 87 en 88) - cultuur en ontspanning (NACE 90 tot 92) - sport en ontspanning (NACE 93)

5 Nomenclature statistique des Activités économiques dans la Communauté Européenne”.

De RIOT onderscheidt 122 bedrijfstakken, wat toelaat de NACE-categorie 86 “Menselijke gezondheidszorg” verder op te splitsen in ‘Ziekenhuizen’ (86A), ‘Praktijken van artsen’ (86B), ‘Tandartspraktijken’ (86C) en ‘Overige menselijke gezondheidszorg’ (86C). RIOT documenteert de maatschappelijke dienstverlening met huisvesting (NACE 87) afzonderlijk van de maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting (NACE 88). De RIOT laat ook een aparte analyse toe op niveau van de onderscheiden bedrijfstakken 90 t.e.m. 93 (in tegenstelling tot de nationale en regionale rekeningen die hier met twee clusters werken). De voorgestelde benadering vormt een ruwe afbakening van de social-profitsector, zij het macroeconomisch de enige operationele. Enerzijds vallen bepaalde subsectoren van de social profit buiten beschouwing, omdat ze niet afgezonderd kunnen worden van de veel ruimere NACE-codes waaronder ze ressorteren (bv. sommige onderdelen van ‘Onderwijs’ (NACE 85) of onderdelen van ‘Verenigingen’ (NACE 94)). Anderzijds worden er activiteiten meegenomen die in strikte zin niet tot de social profit behoren (bv. Kansspelen en loterijen (NACE 92)), omdat ze in de gebruikte bronnen geclusterd zitten met NACE-codes die wel onderdeel vormen van de social profit.


7


DRIE INVALSHOEKEN VOOR ECONOMISCHE WAARDECREATIE De economische waardecreatie van een land of regio kan vanuit drie invalshoeken bekeken worden, waarbij de verschillende componenten – die steeds in monetaire termen worden uitgedrukt – in onderlinge wisselwerking tot elkaar staan: »» Vanuit de invalshoek “Productie” De social profit zorgt voor de realisatie van een reeks diensten en goederen. De verkoopwaarde hiervan stemt overeen met de output. De output komt tot stand door de combinatie van de productiefactoren (arbeid en kapitaal) en de

8

aanwending door de social profit van grondstoffen en hulpmiddelen die bij andere bedrijfstakken worden gekocht, d.i. het intermediair verbruik. Het verschil tussen de output en het intermediair verbruik komt overeen met de bruto toegevoegde waarde. In de context van de economische impact van de social profit is het intermediair verbruik van belang om zicht te krijgen op economische interdependenties met andere bedrijfstakken. »» Vanuit de invalshoek “Bestedingen” De diensten en goederen van de social profit worden uiteraard aangewend. De vergoeding die hiervoor betaald wordt, vormen de ontvangsten van de social profit. Een deel van de output wordt rechtstreeks geconsumeerd door de burgers, die hiervoor zelf een deel betalen via bijvoorbeeld remgelden (consumptie huishoudens). Verder verschaffen ook de overheid (consumptie overheid) en de instellingen zonder winstoogmerk (consumptie IZW’s) financiering aan de social profit voor diensten en goederen die zij ter beschikking stellen van de burgers. Een deel van de output van de social profit vindt zijn weg als levering voor het productieproces in andere bedrijfstakken. Deze fractie vormt de intermediaire

leveringen door de social profit. De output van de social profit vindt ook zijn aanwending in investeringen. Voor een deel wordt de output afgezet in het buitenland onder de vorm van uitvoer van goederen en/of diensten. Met de ontvangsten voor de output worden de intermediaire aankopen vereffend alsook de componenten van de toegevoegde waarde vergoed (zie volgende invalshoek). »» Vanuit de invalshoek “Inkomen” De toegevoegde waarde die binnen de social profit wordt gecreëerd biedt de mogelijkheid om de aangewende productiefactoren te vergoeden. De beloning van werknemers vormt hierin een belangrijke component naast het netto-exploitatieresultaat. Daarnaast kunnen uit de toegevoegde waarde investeringen worden verricht en belastingen voldaan, weliswaar na saldering met de ontvangen subsidies. Deze laatste post is niet onbelangrijk voor de social profit. De macro-economische grootheden (en samenstellende componenten) kunnen zowel in lopende prijzen als in volume worden uitgedrukt. Aangezien de klemtoon in het cahier ligt op de positionering van de social profit in de totale economie en dus vooral op het vergelijkend karakter ervan ten aanzien van andere bedrijfstakken, biedt de weergave in volume (gezuiverd van inflatie) geen evident voordeel. Bovendien bestaan er voor België wel nationale deflatoren per bedrijfstak, maar geen regionale deflatoren. De weergave van de vermelde componenten in lopende prijzen maakt daarentegen de concordantie met de input-output analyses voor het jaar 2010 duidelijk zichtbaar. Hierna zullen dan ook de economische grootheden in lopende prijzen worden uitgedrukt.


KERNCIJFERS Uit de macro-economische analyse blijkt algemeen dat de social profit in vergelijking met de totaliteit van de economie en de grote onderliggende clusters van bedrijfstakken zich manifesteert als een sterk groeisegment. Deze vaststelling geldt onverkort voor België en de Gewesten.

De grafieken die de positie van de social profit in beeld brengen in deze rubriek met kerncijfers, vertonen dan ook een typische ‘krokodilvorm’, waarbij de social profit de bovenkaak vormt en alleen de grootte van de bek varieert.

GEGEVENS VOOR BELGIË Zowel de output, het intermediair verbruik als de toegevoegde waarde stijgt tussen 2000 en 2014 in quasi geen enkele andere bedrijfstak sneller dan in de social profit. Bovendien is de stijging ononderbroken, in tegenstelling tot de totaliteit van de Belgische economie, die een terugval kent in 2009. Ook op het vlak van werkgelegenheid

tekent zich een duidelijk sterkere groei af in de social profit ten opzichte van het geheel van de economie. Het verschil in orde van grootte van groeiritme – zowel voor de macro-economische grootheden als voor de werkgelegenheid – wordt in onderstaande grafiek weergegeven met de grijze pijlen.

Evolutie van output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde (steeds in lopende prijzen) alsook van de werkzame personen, social profit en totale economie, België (jaar 2000=100) Bron: NBB.Stat, bewerking: Verso 220

De social profit kent een uitgesproken forsere groei dan het gemiddelde van de Belgische economie wat betreft intermediair verbruik, output en toegevoegde waarde...

200

180

160

140

120

100

...ook wat betreft werkzame personen 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Output totale economie

Output social profit

Intermediair verbruik totale economie

Intermediair verbruik social profit

Toegevoegde waarde totale economie

Toegevoegde waarde social profit

Werkzame personen totale economie

Werkzame personen social profit

2015

9


10


Aandeel (in %) van de social profit in de totale economie wat betreft output, intermediair verbruik en toegevoegde waarde (steeds in lopende prijzen) alsook wat betreft werkzame personen, België Bron: NBB.Stat, bewerking: Verso

14 13 12 11

12,08 11,76 11,90 11,98 11,37 11,57 11,07 10,55 10,79

12,41

13,83 13,20 13,46 13,63 12,76 12,97

10 9 8

6,87

6,92

5 4

4,98

5,03

3,53

3,60

2000

2001

7,20

6,96

7,11

7,17

7,18

5,27

5,51

5,49

5,47

5,35

5,37

5,49

3,91

4,19

4,14

4,12

3,94

3,99

4,02

2003

2004

2005

2006

2007

2008

7 6

7,19

7,51

7,97

7,84

7,89

8,14

8,27 8,35

6,23

6,05

5,86

6,02

6,22 6,36

4,82

4,68

4,39

4,48

4,69 4,85

2009

2010

2011

2012

3 2

Output

2002

Intermediair verbruik

Toegevoegde waarde

2013

2014

2015

Werkzame personen

11 »» Output De output van de social profit bedraagt 52,8 mld. euro in 2014, binnen de output van de Belgische economie (830,5 mld. euro in totaal). Het aandeel van de social profit in de output van de totale economie loopt gestaag op van 4,98% in 2000 tot 6,36% in 2014, wat overeenkomt met een groei van 28%, meteen het sterkste groeicijfer van de gegroepeerde bedrijfstakken6. De output 2014 van de social profit bestaat voor 56,6% uit de toegevoegde waarde en voor 43,4% uit het intermediair verbruik. Ter vergelijking: de output van de Belgische economie als geheel bestaat voor 43,2% uit toegevoegde waarde en voor 56,8% uit intermediair verbruik. »» Toegevoegde waarde De social profit realiseert in 2014 een toegevoegde waarde van 29,9 mld. euro op een totaal van 358,5 mld. euro voor de Belgische economie. 6 Landbouw en bosbouw en visserij, Nijverheid en energie, Bouwnijverheid, Handel en vervoer en horeca, Informatie en communicatie, Financiële dienstverlening, Verhuur en handel van onroerend goed, Zakelijke dienstverlening, Overheid en onderwijs, Overige diensten, Social profit.

Het aandeel van de social profit in de toegevoegde waarde van de totale economie loopt op van 6,87% in 2000 tot 8,35% in 2014, wat overeenkomt met een groei van 22%. Hiermee situeert de social profit zich binnen de gegroepeerde bedrijfstakken als tweede snelste groeier over de periode, vlak na ‘zakelijke dienstverlening’. Dit betekent meteen een fors hoger groeiritme dan het gemiddelde van de economie. Binnen de social profit bedraagt het aandeel van de maatschappelijke dienstverlening (NACE 87-88) in de toegevoegde waarde (31,7%) een veelvoud van zijn betekenis in het intermediair verbruik van de social profit (13,6%).

»» Intermediair verbruik De social profit profileert zich over de periode 2000-2014 als op één na snelste groeier van de gegroepeerde bedrijfstakken wat betreft het intermediair verbruik, met meer dan een verdub-


beling in lopende prijzen (+114%). Hierdoor komt de social profit in 2014 uit op een intermediair verbruik van 22,9 mld. euro op een totaal van 472 mld. euro voor de Belgische economie. Het aandeel van de social profit in het intermediair verbruik van de totale economie stijgt van 3,53% in 2000 tot 4,85% in 2014, oftewel een groei met 37%. Na de bedrijfstakken die uit

hun aard een belangrijk aandeel intermediair verbruik aanwenden in hun productieproces (nijverheid, handel, zakelijke dienstverlening, bouw) positioneert de social profit zich in 2014 op dit vlak samen met de financiële dienstverlening als belangrijkste van de overige bedrijfstakken.

Aandeel (in %) van de gegroepeerde bedrijfstakken in het intermediair verbruik, 2014, België Bron: NBB.Stat, bewerking: Verso

45 40

39,20

35

in %

30 25 20 15 10 5

18,29 10,49

10,08 4,89

4,85

3,83

2,97

2,69

1,52

1,18

0

12

Het aandeel van het intermediair verbruik in de output van de social profit stijgt over de periode 2000-2014 onafgebroken van 40,3% naar 43,4%. In alle deelsegmenten van de social profit ligt dit aandeel hoger dan het social-profitgemiddelde, met uitzondering van de maatschappelijke dienstverlening waar het intermediair verbruik maar ongeveer een kwart van de output bedraagt. Iets meer dan een kwart (26%) van het intermediair verbruik van de social profit is intern te situeren, d.w.z. tussen de segmenten van de social profit onderling. Het aandeel van de gezondheidszorg in het intermediair verbruik van

de social profit groeit van 67,6% in 2000 naar 72% in 2014. »» Werkgelegenheid Het aantal werkzame personen in de Belgische social profit groeit tussen 2000 en 2015 met 47%, terwijl de totaliteit van de economie slechts een 12% groei realiseert. In 2015 zijn 13,8% van de werkzame personen in België werkzaam in de social profit tegenover 10,6% in 2000 (groei: 30%). Bij de werknemers kan een nog sterker groeiend aandeel worden


vastgesteld: van 10,4% in 2000 naar 14,3% in 2015 (groei: 38%). Bij de zelfstandigen blijft het aandeel van de social profit in de totale economie nagenoeg stabiel: om en bij de 11,5%.

Op basis van de nationale input-outputtabellen voor het jaar 2010 kan volgende synthese van de macro-economische grootheden voor de social profit in België worden voorgesteld volgens de drie courante invalshoeken:

»» Macro-economische synthese voor de Belgische social profit in het jaar 2010

Beloning werknemers

Consumptie overheid

Investeringen

Voorraadwijzigingen

Uitvoer eurozone

Overige uitvoer

46.590 (100%)

Consumptie IZW’s

20.311 (43,6%)

Consumptie huishoudens

26.280 (56,4%)

Totaal intermediaire leveringen

Output

Invalshoek Bestedingen

Intermediaire aankopen

Invalshoek Inkomen

Invalshoek Productie

Toegevoegde waarde

Social Profit - België 2010, mln. euro

5.649

13.109

1.716

25.751

131

0

132

103

19.906

Niet-productgebonden belastingen

223

Niet-productgebonden subsidies

-2.200

Nettoexploitatieoverschot

5.188

Verbruik vaste activa

3.162

13

Bron: Federaal Planbureau, bewerking VERSO Bekeken vanuit de productiezijde (groene en blauwe cellen) blijkt dat de output van de social profit in 2010 (46,59 mld. euro) voor 43,6% wordt gevormd uit de aanwending van intermediaire aankopen en voor 56,4% uit toegevoegde waarde. Het perspectief van het inkomen (gele cellen) leert dat de toegevoegde waarde binnen de social profit voor 75,7% vloeit naar de beloning van werknemers en voor net geen 20% terug

te vinden is in het netto-exploitatieresultaat. De social profit ontvangt 2,2 mld. euro aan niet-productgebonden subsidies en financiert ten belope van 3,2 mld. euro zijn verbruik aan vaste activa. Vanuit bestedingsstandpunt (blauwe en roze cellen) blijkt dat het leeuwenaandeel van de output van de social profit (86,7%) finaal wordt ‘geconsumeerd’ door de burgers en de overheid. De consumenten vergoeden rechtstreeks


28% van de output. De overheid financiert de productie van de social profit voor 55%. De intermediaire leveringen vanuit de social profit

bedragen globaal 12,4% van het totaal gebruik of de totale output.

GEGEVENS VOOR HET VLAAMS GEWEST Bij de positionering van de social profit in Vlaanderen vanuit macro-economisch perspectief worden meerdere bronnen aangewend. Bij de schets van de evolutie van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de social profit bieden de regionale rekeningen de basisinformatie.

Daarnaast maakt de interregionale input-outputtabel (RIOT) en afgeleide toepassingen ervan het mogelijk om voor het jaar 2010 een gedetailleerde foto te maken van de economische grootheden binnen de social profit in Vlaanderen.

OP BASIS VAN DE REGIONALE REKENINGEN De evolutie van twee kernelementen van de economische ontwikkeling binnen de social profit – met name de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid – kenmerkt zich door een

14

groei die fors uitsteekt boven het gemiddelde van de Vlaamse economie. Ook hier is de (dubbele) krokodilvorm duidelijk zichtbaar in de onderstaande grafiek.

Evolutie vanaf het jaar 2003 (index=100) van de toegevoegde waarde (in lopende prijzen) en de werkzame personen in het Vlaams Gewest | Bron: NBB.Stat, bewerking VERSO

170 160 150 140 130 120 110 100 2003

2004

2005

2006

2007

2008

Werkzame personen totale economie Toegevoegde waarde totale economie

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Werkzame personen social profit Toegevoegde waarde social profit

2015


Aandeel (in %) van de social profit in de totale economie wat betreft toegevoegde waarde (in lopende prijzen) en ook wat betreft werkzame personen Vlaams Gewest | Bron: NBB.Stat, bewerking VERSO

14 13 12 11 10 9 8 7 6

11,22

11,29

11,45

11,55

11,66

6,95

6,93

6,95

6,92

6,97

2003

2004

2005

2006

2007

11,75

7,30

2008

Toegevoegde waarde

»» Toegevoegde waarde De toegevoegde waarde (in lopende prijzen) die binnen de social profit in het Vlaams Gewest wordt gerealiseerd groeit van 10 mld. euro in 2003 naar 17 mld. euro in 2014. Deze stijging met 68,3% ligt fors boven het gemiddelde van de totale Vlaamse economie (+ 44,1%). De social profit sluit als zodanig nauw aan bij de prestaties van de groeisectoren bij uitstek in het afgelopen decennium (zakelijke en financiële dienstverlening, informatie en communicatie). De groei in toegevoegde waarde in de Vlaamse social profit ligt daarmee ook hoger dan op Belgisch niveau7. Het aandeel van de social profit in de toegevoegde waarde van de Vlaamse economie stijgt tussen 2003 en 2014 van 6,95% naar 8,12%, wat overeenkomt met een toename van 16,8%. De verhoudingsgewijs sterke stijging van de toegevoegde waarde in de maatschappelijke dienstverlening (+86%) draagt hiertoe bij. Een derde van de toegevoegde waarde van de social profit komt tot stand binnen de maatschappelijke dienstverlening (NACE 87 en 88), 59% in de gezondheidszorg. 7 Ter vergelijking over de periode 2003-2014 groeit de toegevoegde waarde in de social profit in België met 65,9%. Voor de totale Belgische economie groeit de toegevoegde tussen 2003 en 2014 met 41,2%.

12,62

12,91

13,15

13,43

13,61

7,81

7,72

7,69

7,92

8,04

8,12

2009

2010

2011

2012

2013

2014

12,26

13,77

2015

Werkzame personen

De maatschappelijke dienstverlening noteert een hoge ‘multiplicator’ van de toegevoegde waarde (0,90 in de sector met huisvesting (NACE 87) en 0,91 in de sector zonder huisvesting (NACE 88)). Dit betekent dat de toename met 1 mln. euro van het finaal gebruik (bvb. via consumptie van huishoudens en overheid of vanuit een intermediair vraag) gericht aan de productie in de maatschappelijke dienstverlening in Vlaanderen, leidt tot een toename van de toegevoegde waarde in alle bedrijfstakken en alle gewesten - met andere woorden binnen de hele Belgische economie - met 900.000 (resp. 910.000) euro. Ook alle andere segmenten van de Vlaamse social profit kennen een multiplicator van de toegevoegde waarde – in een range van 0,78 tot 0,87 – die fors boven de algemene multiplicator van de Vlaamse economie (0,64) ligt. Met andere woorden: het positief effect van een toename in de productie in de segmenten van de Vlaamse social profit op de gerealiseerde toegevoegde waarde in andere sectoren van de Belgische economie is aanzienlijk.

15


16

»» Werkgelegenheid In de periode 2003-2015 neemt het aantal werkzame personen in de social profit in Vlaanderen toe van 268.154 tot 368.789 eenheden, of een toename met 38%. Daarmee sluit de Vlaamse social profit nauw aan bij de top-groeisectoren op dit vlak (de zakelijke dienstverlening met 53%; de informatie en communicatie met 44%). Voor het geheel van de Vlaamse economie groeit het aantal werkzame personen slechts met 12%. Het aandeel van de werkzame personen actief

in de social profit in Vlaanderen in de totaliteit van de Vlaamse economie groeit tussen 2003 en 2015 met 23%: van 11,2% in 2003 naar 13,8% in 2015. In orde van grootte is de Vlaamse social profit als zodanig vergelijkbaar met de sector van de ‘nijverheid en energie’ en ook met de sector ‘overheid en onderwijs’. Bij de werknemers is het groeiend aandeel nog meer uitgesproken: van 11,3% in 2003 naar 14,3% in 2015, of een groei met 26%.


In alle segmenten van de Vlaamse social profit liggen de werkgelegenheidsmultiplicatoren in een range van 9,3 tot 33,3 en als zodanig steeds boven het gemiddelde van de Vlaamse economie (9,0). Een toename van het finaal gebruik gericht op de output met 1 mln. euro binnen om het even welk segment van de Vlaamse social profit zal dus steeds aanleiding geven tot een toename van de werkgelegenheid in alle overige bedrijfstakken op Belgisch niveau met meer dan 9 personen. De

maatschappelijke dienstverlening met huisvesting kent een werkgelegenheidsmultiplicator van 22,8 en scoort daarmee 2,5 maal hoger dan het Vlaams gemiddelde. De maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting noteert zelfs een werkgelegenheidsmultiplicator van 33,3, meteen de hoogste multiplicator van alle bedrijfstakken. Ter vergelijking: de werkgelegenheidsmultiplicator van de ziekenhuizen bedraagt 14,6, deze van de bibliotheken, archieven en musea 15,2.

OP BASIS VAN INTERREGIONALE INPUT-OUTPUTTABELLEN »» Algemene macro-economische synthese Op basis van de interregionale input-outputtabellen voor het jaar 2010 kan volgende synthese van

Niet-productgebonden belastingen Niet-productgebonden subsidies Nettoexploitatieoverschot Verbruik vaste activa

Investeringen

Voorraadwijzigingen

Uitvoer van goederen

Uitvoer van diensten

Output

Consumptie overheid

10.611,5

Consumptie IZW’s

Beloning werknemers

9.919,4 24.435,5 (40,6%) (100%)

Consumptie huishoudens

14.516,1 (59,4%)

Invalshoek Bestedingen

Totaal intermediaire leveringen

Intermediaire aankopen

Invalshoek Inkomen

Invalshoek Productie

Toegevoegde waarde

Social Profit Vl. Gewest 2010, mln. euro

de macro-economische grootheden van de social profit in het Vlaams Gewest worden voorgesteld volgens de drie courante invalshoeken:

2.685,3

6.730,6

804,1

13.830,4

110,2

0,1

25,0

250,1

17

85,9

-697,1

2.868,0

1.647,9

Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO


Vanuit de productiezijde bekeken (groene en blauwe cellen) wordt de output 2010 van de Vlaamse social profit (24,4 mld. euro) voor 40,6% gevormd uit intermediaire aankopen (9,9 mld. euro) en voor 59,4% uit toegevoegde waarde (14,5 mld. euro). In de totaliteit van de Vlaamse economie vertegenwoordigt het intermediair verbruik 57%, en de toegevoegde waarde 43% van de output. Vanuit de inkomensinvalshoek (gele cellen) bekeken blijkt dat de beloning van werknemers (10,6 mld. euro) de belangrijkste component (73,1%) vormt van de toegevoegde waarde. Het aandeel van het netto-exploitatieoverschot (2,9 mld. euro) in de toegevoegde waarde beloopt 19,8%. De social profit ontvangt 697 mln. euro aan niet-productgebonden subsidies en financiert zijn verbruik aan vaste activa voor een bedrag van 1,6 mld. euro.

18

Vanuit bestedingsperspectief blijkt dat de output van de social profit in Vlaanderen in hoofdorde (87,4%) gericht is op de private en publieke consumptie. De huishoudens vergoeden rechtstreeks 27,5% van de productie (6,7 mld. euro). De overheid financiert daarnaast 56,6% van de output voor een bedrag van 13,8 mld. euro. De

intermediaire leveringen vanuit de social profit aan de totaliteit van de bedrijfstakken in alle Gewesten vertegenwoordigen amper 11% van de totale output. Naast het gegeven van de initiële werkgelegenheid in de Vlaamse social profit zelf laat de RIOT toe om ook de werkgelegenheid in te schatten die verbonden is aan de productie binnen andere bedrijfstakken in de drie Gewesten die als input in de Vlaamse social profit wordt gebruikt. Uit de berekeningen blijkt dat in Vlaanderen 324.870 personen werken in de social profit. Het aantal personen dat voor de Vlaamse social profit werkt, bedraagt 375.402 personen. Daarmee ligt de directe en indirecte afgeleide werkgelegenheid 15,6% hoger dan de initiële werkgelegenheid in de social profit. »» M acro-economische synthese op een eerste niveau van detail Zoals hierboven reeds aangegeven, wordt de output die in 2010 door de social profit in Vlaanderen werd gerealiseerd, geraamd op 24,4 mld. euro. Het intermediair verbruik nam hiervan 9,9 mld. euro voor zijn rekening, terwijl de toegevoegde waarde 14,5 mld. euro bedroeg.

Synthese van macro-economische grootheden in de segmenten van de social profit, Vlaams Gewest, 2010 (mln. euro) | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

totaal

86

87-88

90-92

93

social profit

Intermediair verbruik

7.137

1.541

637

604

9.919

Toegevoegde waarde

8.853

4.667

530

467

14.516

15.990

6.208

1.167

1.070

24.435

Aandeel intermediair verbruik in output

0,45

0,25

0,55

0,56

0,41

Aandeel toegevoegde waarde in output

0,55

0,75

0,45

0,44

0,59

NACE

Output

De gezondheidszorg neemt twee derde van de output van de social profit voor zijn rekening en de maatschappelijke dienstverlening staat in voor een kwart van de output. Wat rest aan output

wordt nagenoeg gelijk gespreid over enerzijds de creatieve activiteiten en anderzijds de sport en recreatie.


Het intermediair verbruik van de social profit is voor 72% toewijsbaar aan de gezondheidszorg en voor een verhoudingsgewijs laag aandeel (15,5%) aan de maatschappelijke dienstverlening. Omgekeerd levert de maatschappelijke dienstverlening wel 32% van de toegevoegde waarde van de social profit, tegenover 61% door de gezondheidszorg.

in de social profit als geheel. Binnen de maatschappelijke dienstverlening is het percentage intermediair verbruik opvallend lager (25%). In de bedrijfstakken “creatieve activiteiten” en “sport en recreatie” ligt het aandeel intermediair verbruik (55 à 56%) merkelijk hoger dan de toegevoegde waarde.

Het intermediair verbruik binnen de social profit als geheel vertegenwoordigt 41% van de output. Binnen de gezondheidzorg is het aandeel van het intermediair verbruik iets hoger (45%) dan

Uit dit algemeen beeld treedt de gezondheidzorg als belangrijkste economische pijler van de Vlaamse social profit naar voor.

65,4%

70%

61,0%

80%

71,9%

Aandeel van de verschillende segmenten in de totaliteit van de social profit, Vlaams Gewest, 2010 Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

60%

40%

4,4%

3,2%

6,1%

10%

4,8%

6,4%

20%

3,6%

15,5%

30%

19 25,4%

32,1%

50%

0% gezondheidszorg

maatschappelijke dienstverlening

Intermediair gebruik De intermediaire aankopen (intermediair verbruik) van de social profit in Vlaanderen (9,9 mld. euro in 2010) situeren zich voor meer dan 20% binnen de gezondheidszorg (NACE 86). De groothandel (7,37%), consultancy en weten-

creatieve activiteiten

Toegevoegde waarde

sport en recreatie Output

schappelijke activiteiten (8,42%), de zakelijke dienstverlening (8,43%) en de chemische industrie (9,33%) staan – samen met de gezondheidszorg – in voor meer dan de helft van de intermediaire aankopen door de social profit.

25

21,49

20 15 10

7,37

8,42

8,43

9,33


Aandeel bedrijfstakken in de intermediaire aankopen door de social profit, Vlaams Gewest, 2010 Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

25

21,49

20 15 10 5

2,69

3,03

2,91

2,80

5,48

3,34

9,33

8,43

8,42

7,37

du in

86 )

rg

(N AC E

st rie

g e

zo

ch

ds ei dh on

Ge z

Ch

em

is

en di ijk e

za

ke l

w et en Ov er ig e

st ve rle n

ite ite tiv

ac sc

h.

Gr oo en cy

ta n ul Co

ns

in

n

l an th

en di

ël e

us ur ea db en tz Ui

de

st en

w Bo u ci an Fi n

g

or t sp Tr an

id em id

sb

en en

ar be

re ca Ho

de

ris to e

w en er gi e En

lin

m

e

at er

0

Noot: De weergegeven bedrijfstakken vertegenwoordigen gezamenlijk 75% van de herkomst van intermediaire aankopen door de social profit in het Vlaams Gewest.

20

»» M acro-economische synthese op een tweede niveau van detail In de subsegmenten van de maatschappelijke dienstverlening binnen de social profit bestaat de output verhoudingsgewijs vooral uit toegevoegde waarde en vormt het intermediair verbruik hier logischerwijze een beperkt aandeel van de output. Het aandeel van het intermediair verbruik in de output ligt in de maatschappelijke dienstverlening – met resp. 23% in diensten met

huisvesting en 28% in diensten zonder huisvesting – sterk beneden het gemiddelde van de social profit (40,6%). Bij de componenten van de gezondheidszorg schommelt het aandeel van het intermediair verbruik rond de 45% -grens. De creatieve activiteiten en sport en recreatie kennen een intermediair verbruik dat hoger ligt dan de helft van de output (52 tot 59%).


Aandeel van intermediair verbruik resp. toegevoegde waarde in de totale output per subsegment van de social profit, Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

100% 80%

76,58%

72,45%

66,85%

58,22%

55,66%

54,93%

52,44%

48,09%

43,58%

40,79%

Voor het geheel van de Vlaamse economie bedraagt het aandeel van het intermediair verbruik in de output 57% (zwarte lijn), voor het geheel van de Vlaamse social profit bedraagt het aandeel 40,6% (rode lijn).

60% 40% 20% 0%

23,42%

27,55%

33,15%

41,78%

44,34%

45,07%

47,56%

51,91%

56,42%

59,21%

87

88

91

86D

86B

86A

86C

92

93

90

Aandeel intermediair verbruik in output

Van alle intermediaire aankopen van de social profit in Vlaanderen is bovendien 60% toewijsbaar aan twee componenten, met name de ziekenhuizen (NACE 86A, 41%) en de praktijken

Aandeel toegevoegde waarde in output

van artsen (NACE 86B, 19%). De intermediaire aankopen van de maatschappelijke dienstverlening als geheel (NACE 87-88) vertegenwoordigen 15,5% van de totaliteit van de social profit.

Aandeel in de intermediaire aankopen per subsegment van de social profit, Vlaams Gewest, 2010 Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

NACE Intermediaire aankopen (mln. euro) Aandeel

86A

86B

86C

86D

87

88

90

91

92

93

4.094

1.897

397

749

958

584

496

53

88

604

5,88% 5,01% 0,53% 0,89%

6,09%

41,28% 19,13%

4,00% 7,55% 9,65%

Van alle intermediaire aankopen door de social profit in het Vlaams Gewest gebeurt 24% ‘intern’, d.w.z. binnen de verschillende segmenten van de social profit zelf. In de sector van de ziekenhuizen bedragen de ‘interne aankopen’ binnen

Social profit

9.919

de social profit 45% van de totaliteit van het intermediair verbruik, terwijl bij de maatschappelijke dienstverlening (gezamenlijk NACE 87 en NACE 88) dezelfde verhouding lager ligt dan 5%.

21


Aandeel ‘interne’ intermediaire aankopen van de social profit (in basisprijzen), Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

NACE

22

86B

86C

86D

87

88

90

91

92

Interne intermediaire aankopen (mln. euro)

1.343,0

187,7

67,1

23,8

47,0

15,1

102,3

1,3

37,8

45,3 1.870,6

Intermediaire aankopen (mln. euro)

3.139,7 1.498,5

316,6

501,6

755,6

517,8

435,1

46,3

84,2

517,9 7.813,3

Aandeel interne intermediaire aankopen

42,8%

21,2%

4,8%

6,2%

2,9%

23,5%

2,8%

44,9%

12,5%

93

Social

86A

8,7%

profit

23,9%

Hierna wordt voor een selectie van subsegmenten binnen de Vlaamse social profit de spreiding

»» Ziekenhuizen De spreiding van de intermediaire aankopen door

van de intermediaire aankopen aangegeven. De belangrijkste toeleverende bedrijfstakken – goed voor ongeveer de helft van de intermediaire aankopen – worden afzonderlijk vermeld. Consultancy en zakelijke dienstverlening komt bij bijna alle componenten van de social profit voor als belangrijke leverancier.

de ziekenhuizen in Vlaanderen vertoont een zeer duidelijke concentratie bij een beperkt aantal bedrijfstakken. Bijna 43% van het intermediair verbruik is intern afkomstig van de sector van de gezondheidszorg. De chemische industrie (NACE 19-21) neemt 15% van het intermediair verbruik voor zijn rekening, de groothandel (NACE 46) tekent voor 12%. Met andere woorden: 70% van het intermediair verbruik van de ziekenhuizen is afkomstig van de drie vermelde bedrijfstakken.

Spreiding van de intermediaire aankopen door ziekenhuizen (NACE 86A), Vlaams Gewest, 2010 Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

15,05%

Chemische industrie

42,19%

Overige

42,76%

Gezondheidszorg (NACE 86) 0%

5%

10%

»» Maatschappelijke dienstverlening met huisvesting De intermediaire aankopen door maatschappelijke dienstverlening met huisvesting komen voor afgerond een kwart vanuit allerlei vormen van dienstverlening (overige zakelijke dienstverlening

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

11,2%, consultancy 9,7% en financiële diensten 6,2%) en voor een kwart vanuit productiesectoren (voeding en drank (NACE 10-12) 9,5%, energie en water (NACE 35-36) 9,2% en bouw (NACE 41-43) 7,1%). Overige bedrijfstakken leveren een kleine helft van het intermediair verbruik.


23

Spreiding intermediaire aankopen door maatschappelijke dienstverlening met huisvesting (NACE 87), Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

FinanciĂŤle diensten Bouw

6,24% 7,13%

Energie en water

9,18%

Vervaardiging dranken, voeding en tabak

9,53%

Consultancy en wetenschappelijke activiteiten

9,65%

Overige zakelijke dienstverlening Overige

11,17% 47,11% 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50%


47,11%

Overige

0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50% »» Maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting De intermediaire aankopen in de maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting situeren

zich voor meer dan 30% bij communicatie (NACE 53,61) en transport (NACE 49-51) en voor 20% op het gebied van overige zakelijke dienstverlening en consultancy.

Spreiding intermediaire aankopen door maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting, Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

Consultancy en wetenschappelijke activiteiten

7,62%

Telecommunicatie en post

8,30% 11,23%

Overige zakelijke dienstverlening

22,33%

Transport

50,53%

Overige 0%

24

»» Creatieve activiteiten, kunst en amusement De intermediaire aankopen door de kunstsector gebeuren voor bijna een kwart intern: bij onderdelen van de bedrijfstakken recreatie, cultuur en sport (NACE-codes 90 tot 93). Consultancy

10%

20%

30%

40%

50%

60%

tekent voor 17% van de intermediaire aankopen, horeca en overige zakelijke dienstverlening staan elk in voor ongeveer 8% van de intermediaire aankopen.

Spreiding van de intermediaire aankopen door creatieve activiteiten, kunst en amusement (NACE 90), Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

Horeca en toerisme

7,67%

Overige zakelijke dienstverlening

7,71%

Consultancy en wetenschappelijke activiteiten Recreatie, cultuur en sport (NACE 90-93) Overige

16,68% 23,47% 44,47%

0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50%


44,47%

Overige

0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50% »» Bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten De intermediaire aankopen van bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten zijn voor 15% afkomstig vanuit de bedrijfstak consultancy en voor nagenoeg 20% vanuit

horeca, toerisme, drank en voeding. De financiële diensten en de grafische nijverheid staan elk in voor ongeveer 7% van de intermediaire aankopen van de creatieve activiteiten, kunst en amusement.

Spreiding van de intermediaire aankopen door bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten (NACE 91), Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

Grafische nijverheid

6,70%

Financiële diensten

7,07% 8,26%

Horeca en toerisme

11,29%

Vervaardiging drank, voeding en tabak

15,08%

Consultancy en wetenschappelijke activiteiten

51,60%

Overige 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

25 »» Sport en recreatie De intermediaire aankopen van sport en recreatie komen voor een derde van de consultancy en overige zakelijke dienstverlening. De bouwsector levert net als de bedrijfstak horeca en toerisme

ongeveer 8% van het intermediaire verbruik van sport en recreatie. Ook het aandeel van de interne aankopen binnen de sector recreatie, cultuur en sport bedraagt 8%.

Spreiding van de intermediaire aankopen door sport, ontspanning en recreatie (NACE 93), Vlaams Gewest, 2010 | Bron: RIOT (SERV), bewerking VERSO

Horeca en toerisme

7,48%

Bouw

7,85%

Recreatie, cultuur en sport (NACE 90-93)

8,13% 12,01%

Overige zakelijke dienstverlening

20,19%

Consultancy en wetenschappelijke activiteiten

44,34%

Overige 0%

10%

20%

30%

40%

50%


CONCLUSIES Hoe zou de samenleving eruit zien bij afwezigheid van een performante social profit? Het antwoord op deze vraag vertoont meerdere dimensies.

betekenis van de social profit. Immers, net als elke andere bedrijfstak is de social profit verweven in de economische bedrijvigheid van het land en Vlaanderen.

In de eerste plaats zouden belangrijke maatschappelijke noden onbeantwoord blijven. De maatschappelijke meerwaarde of opbrengst van de social profit ligt in de eerste plaats in het beantwoorden van deze behoeften. Hier bewijst de

 De social profit als groeisector Zowel in termen van macro-economische grootheden als op het vlak van werkgelegenheid positioneert de social profit zich als een sterke groeisector.

social profit zijn intrinsieke relevantie.

26

Dit aspect, inclusief zijn indiceerbaarheid, behoeft een grondige eigenstandige en genuanceerde analyse. Immers, een eenzijdige focus op de maatschappelijke kosten van de social profit vertroebelt het globaal beeld en laat de maatschappelijke baten of de output van de social profit onverdiend in de schaduw. In dit verband toont onze analyse alvast aan dat de financiering van de output van de social profit een sterk gemengd karakter heeft. Het aandeel van de overheid in de financiering van de productie van de social profit bedraagt op niveau van het land 55,3%, op niveau Vlaanderen 56,6%. Dit betekent dat de financiering van de productie van de social profit voor de overige kleine helft (in absolute cijfers voor 2010: 20,8 mld. euro op Belgisch niveau, 10,6 mld. euro op niveau Vlaanderen) wordt geleverd vanuit andere bronnen (door huishoudens, uit intermediaire leveringen, ...). Verso zal blijven ijveren om de intrinsieke relevantie van de social profit beter meetbaar en vergelijkbaar te maken en zodoende de impact van (deelaspecten van) de social profit te objectiveren. Op basis van gevalideerd en recent bronnenmateriaal belicht dit cahier de sociaal-economische

Wars van de economische crisis van de jaren 2008 en volgende, ontwikkelt de social profit zich langs een gestaag en steil groeipad, zo niet aan kop dan wel in gezelschap van de groeisectoren die zich bij uitstek vanaf het begin van deze eeuw aftekenen: de financiĂŤle en zakelijke dienstverlening en de informatie- en communicatiesectoren. Dit beeld zien we zowel op Belgisch niveau als op het niveau van de Gewesten verschijnen. De groeipercentages van intermediair verbruik, output of toegevoegde waarde liggen over de periode 2000-2014 respectievelijk 58, 43 en 34 procentpunten hoger dan het gemiddelde van de Belgische economie en hebben duidelijk ook een positieve impact op de werkgelegenheid in de social profit. Waar de werkgelegenheid in de Belgische economie sinds de eeuwwisseling groeit met 12%, kent de social profit een toename met 47%. Ook in Vlaanderen groeit de toegevoegde waarde in de social profit, in het zog van de nieuwe groeisectoren, fors boven het gemiddelde van de totale Vlaamse economie. Op het vlak van werkgelegenheid ligt het groeiritme in de Vlaamse social profit 25 procentpunten hoger dan het gemiddelde van de Vlaamse economie.


»» Social profit versterkt zijn economische positie De vastgestelde dynamiek leidt ertoe dat de social profit zijn sociaal-economische positie onafgebroken verstevigt, in het algemeen en specifiek ten aanzien van de overige bedrijfstakken. Het aandeel van de social profit in de economie neemt fors toe. Zo groeit op Belgisch niveau het aandeel van de social profit in de toegevoegde waarde, output en intermediair verbruik, met respectievelijk 22%, 29% en 37% over de periode 2000-2014. Het aandeel in de werkgelegenheid ging met 31% omhoog. Ook de Vlaamse social profit beweegt zich in deze stroom met een groei van het aandeel van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid sedert 2003 van 17%, respectievelijk 23%. In de Vlaamse economie heeft de social profit als zodanig een aandeel van 8,12% (2014) in de toegevoegde waarde en van 13,8% (2015) in de werkgelegenheid. »» Social profit als speler in een economisch netwerk De sociaal-economische betekenis en positie van de social profit in het economisch weefsel wordt in belangrijke mate bepaald door de omvang en spreiding van het intermediair verbruik. Het intermediair verbruik vormt de katalysator van een directe en indirecte wisselwerking met, en impact op, andere bedrijfstakken en bij veralgemening op de gehele economie. De vastgestelde snelle groei van het intermediair verbruik door de social profit verhoogt zijn verwevenheid met andere bedrijfstakken en onderstreept zijn economische relevantie. In 2013 kende de social profit in België een intermediair verbruik van 22,9 mld. euro. Dit betekent concreet dat andere bedrijfstakken, onverkort het intermediair verbruik intern de social profit, voor een niet-onaanzienlijk (en groeiend) volume een afzetmarkt vinden in de social profit. De soms gehoorde bemerking dat de social profit nagenoeg uitsluitend toegevoegde waarde creëert vanuit de beloning van werknemers of de inkomenscreatie bij zelfstandigen (netto-exploitatieresultaat), dient dan ook te worden gecorrigeerd: 40,6% van de output van

de Vlaamse social profit komt tot stand door de aanwending van grondstoffen en hulpmiddelen uit andere bedrijfstakken. Indien wordt uitgegaan van de hypothese dat het intermediair verbruik in de social profit in Vlaanderen tussen 2010 en 2014 volgens eenzelfde groeivoet evolueert als het Belgisch gemiddelde, betekent dit dat de verschillende (sub)segmenten van de Vlaamse social profit in 2014 voor 11,4 miljard euro bestellingen hebben geplaatst bij andere sectoren. »» Social profit: eenheid in verscheidenheid De markante sociaal-economische prestaties van de social profit betekenen niet dat alle (sub)segmenten een gelijkaardig patroon volgen. Immers, de (sub)segmenten van de social profit vertonen, precies gezien hun verscheidenheid, specifieke sociaal-economische kenmerken. Louter als aanvulling op de centrale conclusies, voegen we enkele opvallende elementen in de verscheidenheid toe: Zo komt een derde van de toegevoegde waarde van de social profit in Vlaanderen tot stand binnen de maatschappelijke dienstverlening, terwijl het segment minder dan de helft van dit aandeel vertegenwoordigt in de intermediaire aankopen vanuit de social profit. De maatschappelijke dienstverlening kent eveneens een hoge multiplicator van de toegevoegde waarde. De ziekenhuizen en de praktijken van artsen daarentegen nemen 60% van de intermediaire aankopen van de social profit voor hun rekening. Vanuit de invalshoek van het intermediair verbruik en de economische impact ervan, kunnen de ziekenhuizen het belangrijkste subsegment binnen de social profit worden genoemd. Vanuit het aspect werkgelegenheid is de maatschappelijke dienstverlening dan weer aan zet als belangrijkste werkgever van de social profit in Vlaanderen, bovendien gekenmerkt met werkgelegenheidsmultiplicatoren die tot de hoogste van alle bedrijfstakken behoren.

27


28

NOTITIES Dit is een publicatie van Verso, de intersectorale werkgeversorganisatie voor de Vlaamse social profit. In deze reeks verschenen eerder: • Verso-cahier 1/2014: De werkbaarheid in de Vlaamse gezondheids-en welzijnssectoren • Verso-cahier 2/2014: Profiel van de medewerkers in de social profit • Verso-cahier 3/2015: Arbeidsplaatsen in de social profit • Verso-cahier 4/2016: Het Vlaamse doelgroepenbeleid Al deze publicaties zijn terug te vinden op de Verso-website: www.verso-net.be


29


30

NOTITIES


fit or Social Pro Vereniging vo n vz w (Verso) Onderneminge straat 122/4 Kolonel Bourg 1140 Brussel 71 Tel: 02 739 10 06 75 6 Fax: 02 73 rso-net.be ve e-mail: info@ .verso-net.be website: w w w

De social-profitsectoren in macro-economisch perspectief: productie, bestedingen en inkomen  

De social profit is niet alleen een maatschappelijk waardevolle tak van de economie, het is ook een economisch succesverhaal.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you