Page 1

Roeliens adoptiezoon was in zijn geboorteland tijdens de aardbeving

‘Ik dacht:

laat het niet zo zijn dat Haïti hem houdt. Niet zo!΄ 12 januari 2010 wordt Haïti getroffen door een verwoestende aardbeving. Roelien probeert naarstig contact te zoeken met haar volwassen adoptiezoon Alexander, die daar op dat moment als vrijwilliger werkt.

Dagboekfragment van Roelien, oktober 2009: Alle plannen die we de afgelopen jaren hebben gemaakt, staan op het punt werkelijkheid te worden. Ik ga met mijn 25-jarige zoon Alexander naar zijn vaderland. Een paar jaar geleden zei hij: ‘Mam, ik wil naar Haïti. Echt!’ Eindelijk kwamen de vragen: wie ben ik, waar kom ik vandaan? Vanaf dat moment ontstond het plan bij Lex om in Haïti vrijwilligerswerk te gaan doen. Om kennis te maken met zijn roots, maar ook om iets terug te doen voor het land dat hem bij ons bracht. En nu is het zover: Alexander gaat bijna vier maanden werken op een school van de Stichting Naar School in Haïti. En ik mag hem wegbrengen! Eind 2009, een paar dagen voor Kerst, stuurt Roelien Ruiter een mail naar Margriet met dit dag­ boekfragment en een uitgebreid verslag over haar recente reis naar Haïti. Ze schrijft: “Alexander is geboren in Haïti’s grootste sloppenwijk Cité Soleil. Daar is hij op een dag met hoge koorts en infecties naar het universiteitsziekenhuis gebracht en nooit meer opgehaald. Voor ons onvoorstelbaar. Voor Haïti, ook nu nog, bijna dagelijkse kost.’ Roelien was 24 110

02 | 11

en moeder van twee dochters (een van twee jaar en een van vier maanden), toen ze Alexander in 1985 op Schiphol mocht ophalen: ‘een klein bruin ventje’, dat zonder problemen groot is geworden en die nu, nadat zijzelf half november is terug­ gekeerd naar Nederland, is achtergebleven in Haïti om tot februari vrijwilligerswerk te doen voor de Stichting Naar School in Haïti. Een stichting waar­ voor Roelien graag aandacht wil. Want, schrijft ze: “Haïti is onder mijn huid gaan zitten. Haïti heeft mij een prachtige zoon gegeven en nu is het tijd om iets terug te geven. De cirkel rond te maken.” Nog geen drie weken later, op dinsdag 12 januari 2010, wordt Haïti getroffen door een aardbeving, de zwaarste sinds 150 jaar. Op 13 januari mailt Roelien aan Margriet: “Heb je het nieuws ge­ volgd? We krijgen geen contact met Lex. Hij zit in een dorpje vlak bij het centrum van de aard­ beving. We zijn erg ongerust.” De dag erna schrijft ze: “Het gaat soms even door me heen. Ik bracht Lex naar Haïti. Maar het mag niet zo zijn dat Haïti hem houdt… Niet zo.” Diezelfde avond krijgt ze via zijn vader, van wie ze gescheiden is, een kort, verlossend bericht: ▶ “Alexander heeft gebeld. Hij is ongedeerd.” 02 | 11

111


De aardbeving op 12 januari 2010 in Haïti kostte aan zeker 250 duizend mensen het leven en maakte 1.5 miljoen mensen dakloos. Een jaar na de aardbeving wonen nog ruim een miljoen mensen op straat tussen het puin. Bovendien brak er als gevolg van de slechte hygiënische omstandigheden afgelopen oktober een grootschalige cholerabesmetting uit waaraan inmiddels al meer dan duizend mensen zijn bezweken.

Het is elf maanden later als Alexander in Almere, thuis bij Roelien, enthousiast vertelt over Haïti. Over de weken voor de aardbeving, toen hij in Kenscoff, een dorp in de bergen, zeventien kilo­ meter van de hoofdstad Port-au-Prince, woonde en werkte: “Ik was heel blij dat ik er eindelijk was. Het voelde meteen als thuiskomen. Ondanks het feit dat ik nog nooit in een land was geweest met zulke grote armoede. Vooral de hoofdstad Port-au-Prince is een overvolle, stin­ kende stad, met enorm veel bedelende kinderen. Heel heftig om te zien. Maar ik zag in Haïti ook hoe blij ze zijn met bijna niets. Ik werkte voor de Stichting Naar School in Haïti, die vier scholen heeft voor ongeveer duizend leerlingen, maar daarnaast ook kinderen opvangt voor wie de ouders niet kunnen zorgen. Op dat moment woonden er vijf van die kinderen in ons huis. Fiona was een van hen. Voor haar familie, die echt straatarm is, heb ik met Sinterklaas pan­ nenkoeken en pepernoten gebakken. De hele fa­ milie kwam naar ons huis. Alle neefjes en nichtjes kregen een ballon en een bal. Zo blij als die kin­ deren daarmee waren, dat zal ik nooit vergeten! Een oom bedankte me continu voor de mooie dag. In Haïti besefte ik pas echt wat een geluk ik heb gehad dat ik in Nederland ben opgegroeid.” Roelien: “Later heeft Alexander mij nog een heel mooi kaartje gestuurd: ‘Dankjewel, dat je mij naar Nederland hebt gehaald.’ Dat was het ant­ woord op een vraag die ik misschien onbewust ook in Haïti heb gezocht. Ik was nog jong toen we ons aanmeldden voor adoptie. Ik wilde wat doen voor kinderen die het minder goed hadden, maar had niet heel diep nagedacht over wat het peda­ gogisch gezien betekende. Maar later kwam die vraag af en toe boven: is adoptie goed? Mag je een kind uit zijn cultuur halen? En hoe zou zijn leven eruit hebben gezien als Alexander niet was geadopteerd? Een van de meest confronterende momenten op Haïti was de ontmoeting op straat

Haïti

Alexander: ‘In besefte ik pas echt wat een geluk ik heb gehad dat ik in Nederland ben opgegroeid’ 112

02 | 11

met een vrouw die door ondervoeding niet meer ongesteld werd. Althans dat dacht ze. Tot ze zwanger bleek te zijn. Ze was moedeloos, kon niet voor het kind zorgen, zei ze. Of wij konden helpen. Mijn hart huilde. Ik dacht: hier begint het verhaal van Alexander.” Die eerste week in Haïti zijn Roelien en Alexander samen naar het ziekenhuis in Port-au-Prince ge­ gaan waar Alexander als baby was achtergelaten. Een ziekenhuis midden in de sloppenwijk, niet ver van het presidentiële paleis. “We hebben daar vreselijke dingen gezien,” vertelt Roelien. “Bij de poort van het ziekenhuis stonden rijen mensen te dringen. En die doordringende stank, de stank van armoede. Onvoorstelbaar.” Alexander: “Mijn moeder wilde eigenlijk weer weggaan. Ze vond dat we die mensen daar niet konden lastigvallen. Maar voor mij was het be­ langrijk. Ik weet niets van mijn verleden in Haïti of van mijn biologische ouders. Dat hoeft ook niet, want dat is onmogelijk. Maar het ziekenhuis en het weeshuis waar ik ben geweest, wilde ik absoluut zien. Het enige tastbare wat ik van me­ zelf uit Haïti heb, is een foto als baby in een box. Daarna begint mijn fotoboek bij papa op de arm op Schiphol. Nu kan ik daar in elk geval nog vijf foto’s uit Haïti tussen plakken. Ik ben blij dat ik nog in dat ziekenhuis ben geweest, want door de aardbeving is het ziekenhuis zeer waarschijnlijk ook ingestort.”

Rommelend geluid

Nadat zijn moeder terug was naar Nederland, bleef Alexander in Kenscoff, waar hij de enige Nederlander was nadat ook Marijke, de directeur van de stichting, eind december voor twee maanden terugging naar huis. Alexander: “Ik hield me bezig met een computerproject waar­ voor ik voor de schoolkinderen 350 laptops - op zonne-energie – moest opladen en ik assisteerde bij de computerlessen. Daarnaast gaf ik elke dag in ons huis Nederlandse les aan twee kinderen die voor adoptie naar Nederland zouden gaan. Ik was net met een van hen, Marckus van zeven, aan de les begonnen toen we een rommelend geluid hoorden. Ik was nog niet bij de deur toen de vloer en muren begonnen te trillen. Ik rende naar bui­ ten, maar Marckus bleef angstig onder het afdak bij de deur staan. Dus ik rende terug en heb hem gepakt. Ook de andere vier kinderen, die in een

Alexander met enkele kinderen die door de Stichting Naar School opgevangen worden. De stichting heeft inmiddels vier scholen gesticht. ander gebouwtje waren, kwamen naar buiten, samen met een Haïtiaanse medewerkster van de stichting. De kinderen waren heel bang. Net als ik. Ik dacht: wat is dit? ‘Een aardbeving,’ zei een medewerkster. Ze moest om mij lachen: ‘Alex is bang,’ riep ze. Ik zei: ‘Houd je mond. Je maakt de kinderen ook bang.’ Toen de trillingen over waren, gingen we weer naar binnen. Maar vlak daarna begonnen ineens de ramen weer te klap­ peren. Ik riep: ‘Rennen, rennen!’ Buiten zei de medewerkster: ‘Nu ben ik ook bang.’ Ik zei: ‘Mooi zo. Maar we moeten het niet aan de kinde­ ren laten zien.’

Continu bang

Een man uit het dorp kwam ons vertellen dat er verschillende dorpshuizen waren ingestort. Ons stenen huis stond nog, alleen in de buitenmuur zaten scheuren. Omdat die man ook zei dat we niet meer in het huis mochten slapen, hebben we het babybedje buiten gezet en wat stoelen en de­ kens uit huis gehaald. Die nacht hebben mada­ me, een vrouw die er ’s nachts altijd is voor de kinderen, en ik grotendeels op stoelen doorge­ bracht met het babybedje naast ons en ieder twee kinderen op schoot. De volgende dag, op een woensdag, ben ik met de directeur naar de school gereden, negen kilome­ ter verderop in de bergen. De school stond er nog, maar onderweg hoorden we op de radio dat in Port-au-Prince het presidentiële paleis was in­ gestort en dat er honderdduizend doden waren. Omdat ik nauwelijks van ons terrein afkwam, had ik niet in de gaten hoe erg de situatie was. Ik weet nog dat er op een gegeven moment iemand

kwam die vertelde dat er richting hoofdstad alle­ maal dode mensen langs de weg lagen en dat alles was ingestort. Toen dacht ik wel: ik moet papa en mama laten weten dat het met mij goed gaat, maar dat ging niet en ik was er ook niet zo mee bezig. We waren druk met de zorg voor de kinde­ ren. Eén daarvan is een grote verstandelijk gehan­ dicapte jongen. Elke keer als de grond begon te trillen en wij de kinderen oppakten en naar de andere kant van de binnenplaats spurtten, ging hij staan dansen. ‘Kom hier!’ riep ik dan, maar dat deed hij niet. Dat gaf veel stress. Je weet ook niet hoe lang zo’n naschok duurt en wanneer de vol­ gende naschok of beving komt. Je bent gewoon continu bang.” Op donderdagochtend kreeg ik een sms van mijn vader: ‘Kun je alsjeblieft iets van je laten horen. We weten van de aardbeving.’ Ik dacht alleen maar: o, de verbinding werkt weer. Die ochtend ben ik eerst nog naar school gegaan om daar gal­ lons met gezuiverd water op te halen. Pas bij te­ rugkomst dacht ik: nu moet ik toch echt papa bellen. Omdat bellen naar Nederland heel duur is, heb ik alleen maar gezegd: ‘Met mij is het goed. Kun je me terugbellen?’ Pas eind van de middag kreeg ik weer contact met hem. Toch had ik nog steeds niet in de gaten hoe groot de omvang van de ramp was. En hoe ongerust ze in Nederland waren.” Roelien: “Zijn vader heeft hem twee dagen lang uur na uur proberen te bellen. Allemaal zaten we enorm in spanning. Ik heb bij de omroep gewerkt en schakelde vanaf de eerste dag al mijn contacten in om publiciteit te krijgen. Ik dacht: hoe meer mensen van Alexander weten, hoe groter de kans ▶ 02 | 11

113


Teruggaan naar Haïti heeft Alexander verrijkt.

dat hij terechtkomt. Dat was namelijk mijn grootste nachtmerrie: dat hij onvindbaar zou blijven. Die donderdag kwam eindelijk dat eerste verlossende bericht via mijn ex: Alex had gebeld. De spanning viel pas echt van me af toen ik hem de zondag daarop via Skype eindelijk zelf sprak. Anderhalf uur lang. Ik wilde de verbinding ook niet meer verbreken, zo bang was ik dat we op­ nieuw het contact met hem kwijt zouden raken.” Alexander: “Die zondag kon ik voor het eerst

Roelien:‘Toen ik hem eindelijk sprak, wilde ik de niet verbreken, zo bang was ik’

tekst: joke tromp. fotografie: mariël kolmschot. visagie: tirzah waasdorp, privébeeld

verbinding

114

weer op internet. Na het gesprek met mama ben ik op nu.nl gaan kijken. Ik zag de foto’s met ber­ gen lijken en puinhopen. Ik schrok enorm, want ik wist niet dat het zo erg was.” De dinsdag daarop vliegt Alexander met een dub­ bel gevoel terug naar huis: “De twee adoptiekin­ deren uit ons huis waren op de vrijdag daarvoor naar Nederland gehaald, maar toen wilde ik nog niet mee. Ik dacht: ik kan de mensen hier niet in de steek laten. Maar papa en mama, en ook Buitenlandse Zaken en Marijke, drongen erop aan dat ik wel terugging. Aan de ene kant wilde ik dat wel. Er was toch niet zo veel meer te doen omdat het sociale leven (school en werk) totaal stil lag. Daarnaast was ik natuurlijk ook bang. Maar ik vond het tegelijkertijd heel moeilijk om afscheid te nemen van iedereen. Fiona was zo boos dat ze niet meer op mijn schoot wilde zitten, niets meer

De Stichting Naar school in Haïti is in 1998 opgericht door de Nederlandse Marijke Zaalberg om kinderen de mogelijkheid te geven om te leren. Inmiddels zijn er vijf basisscholen waar ongeveer duizend leerlingen les krijgen. Marijke woont zeven maanden per jaar in Haïti, in een huis waarin ook een aantal kinderen verblijven die niet door hun ouders verzorgd kunnen worden.Voor meer info: www.stichtingnaarschoolinhaiti.nl.

02 | 11

tegen me wilde zeggen. Iedereen was heel verdrietig. Voor ik ze het ging vertellen, moest ik zelf ook huilen.” Op weg naar het vliegveld ziet Alexander de tentenkampen, de chaos van ingestorte huizen en ruikt hij de enorme stank van verderf en uitwerpselen. “In onze auto zat een Nederlandse man uit het dorp, die met zijn Haïtiaanse vrouw en hun drie kinderen ook terug naar Nederland zou vliegen. Hij zei: ‘Ik wil niet dat mijn kinderen dit als laatste beeld van Haïti meekrijgen.’ We zijn omgedraaid en via een grote omweg naar het vliegveld gereden. Daardoor zijn de ergste beel­ den ons bespaard gebleven.”

Tweede thuis

Eén ding wist Alexander zeker toen hij Haïti verliet: ik kom terug. Exact vier weken na de aardbeving stapte hij weer het opvanghuis in Kenscoff binnen. “Het was echt fantastisch om daar weer te zijn,” zegt Alexander, glunderend bij de herinnering. “Het voelde nog meer als thuiskomen als de eerste keer. Iedereen vond het geweldig dat ik was teruggekomen. Er was ook heel veel te doen. De school was nog steeds dicht, maar in de regio was er nog geen enkele hulp geweest, terwijl er wel huizen waren ingestort, mensen waren gestorven en velen honger hadden. De stichting had ruim honderd tien­ persoons­tenten beschikbaar. Samen met drie andere medewerkers heb ik die maand heel veel tenten opgezet. Tot ver in de bergen, op heel steile hellingen. Die mensen waren zo blij met een tent. Blij dat er na vijf weken eindelijk hulp kwam. Ik heb daar toen ook hetzelfde pad ge­ lopen als de kinderen elke dag naar en van school lopen. Negen kilometer lang, op een lege maag. Sindsdien denk ik nooit meer: ik heb honger. Honger is wat die kinderen hebben.” “Haïti,” zegt Roelien, “heeft Alexander verrijkt. De band met het land is door de aardbeving nog meer geïntensiveerd. Niet alleen bij hem, maar bij iedereen van ons gezin en bij veel mensen om ons heen. Het is tastbaarder geworden.” Alexander: “Voorheen had ik eerlijk gezegd niet zo heel veel met Haïti. Ik ben er geboren, maar dat was het. Nu voelt het echt als een tweede thuis. Ik zou het zo overdoen, óók met die aard­ beving. Haïti heeft mij veranderd. In Haïti werd ik een beter mens.” ■

Margriet 02/2011 | Roelien en Alexander  

12 januari 2010 wordt Haïti getroffen door een verwoestende aardbeving. Roelien probeert naarstig contact te zoeken met haar volwassen adopt...

Advertisement