Schokland verlaten

Page 1

ISBN 978-90-6697-199-8

BUITEN-CVR-02.indd 1

Schokland verlaten

Hoewel het accent in Schokland verlaten ligt op de toedracht van de ontvolking, ontbreekt de menselijke dimensie zeker niet. Zo is er een portrettengalerij opgenomen van alle overgeleverde foto’s van geboortige Schokkers, en een verzameling bidprentjes voor overleden eilanders. Uniek zijn verder de kadastrale plattegronden van de buurten op Schokland, met een uitgebreid overzicht van de bewoners en de bedragen die zij ontvingen als compensatie voor hun vertrek. Mede dankzij dit soort persoonlijk getint illustratiemateriaal, en door de luxe uitvoering van de publicatie, is Schokland verlaten ook een gedenkboek: een waardig monument ter nagedachtenis aan een verdwenen bevolkingsgroep.

Bruno Klappe & Wim Veer

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hoe is de beslissing om het eiland te ontvolken tot stand gekomen, en hoe verliep de uitvoering van dat besluit? En niet in de laatste plaats: hoe verging het de Schokkers nadat ze hun geliefde geboortegrond vaarwel hadden moeten zeggen? Deze vragen staan centraal in Schokland verlaten. Een reconstructie van de ontvolking in 1859 van Bruno Klappe en Wim Veer. De auteurs doen hun relaas aan de hand van een minutieus onderzoek van de overgeleverde bronnen: ambtelijke correspondentie, rapporten, Handelingen van Tweede en Eerste Kamer, maar bijvoorbeeld ook ingezonden brieven en berichten in de pers. Stapsgewijs, bijna van week tot week en van maand tot maand, volgen we het proces dat uiteindelijk zou uitmonden in de conclusie dat de Schokkers moesten vertrekken. Niet eerder werd een zo compleet overzicht samengesteld van alle beschikbare archiefgegevens. Het biedt Klappe en Veer ook de gelegenheid een antwoord te formuleren op misschien de meest cruciale vraag: was er inderdaad sprake van een min of meer gedwongen ontruiming van Schokland? Of kunnen we beter spreken van een collectieve evacuatie, op basis van vrijwilligheid?

Een reconstructie van de ontvolking in 1859

In de zomer van 1859 vond een drama plaats dat uniek is in de Nederlandse geschiedenis: de complete bevolking van Schokland verliet het eiland. Nadat een jaar eerder een wetsvoorstel ter ontvolking van Schokland door het parlement was goedgekeurd, moesten de Schokkers – een kleine 700 mensen in totaal – nu elders een nieuw bestaan gaan opbouwen. Hoewel het eiland niet aan de golven van de Zuiderzee werd prijsgegeven, betekende 1859 wel het einde van de bewoningsgeschiedenis van Schokland, die teruggaat tot in de Middeleeuwen.

Schokland verlaten Een reconstructie van de ontvolking in 1859 Bruno Klappe & Wim Veer

ijsselacademie

12-08-2009 13:10:41


BUITEN-CVR-02.indd 2

12-08-2009 13:11:13


Schokland verlaten

BINNENCOVER-02.indd 1

11-08-2009 13:25:48


8

|

Fragment van een door Nico ten Have vervaardigde kaart, getiteld tranSISalanIa proVIncIa Vulgo oVEr-ySSEl, in 1690 uitgegeven door Frederick de Wit te Amsterdam.

SCHOKLANDBOEK.indb 8

05-08-2009 15:11:37


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 01

hoofdStuk

-

9

een o nleefbaar oord

Een onleefbaar oord

01-

 “Een klomp van derrie en veen” Het is 1859. Darwin publiceert zijn baanbrekende werk over het ontstaan van de soorten. Later zal dit werk de geschiedenis ingaan als het begin van “de evolutietheorie”. Kerk en wereld kijken geschokt toe en voor- en tegenstanders zullen elkaar nog lang in de haren blijven vliegen. Op een hotelkamer in Brussel schrijft Eduard Douwes Dekker, alias Multatuli, zijn Max Havelaar, een vlammend protest tegen het onrecht en de onderdrukking in Nederlands-Indië. In ons land is het warm en droog. Door het uitblijven van regen komt er maar weinig zoet water in de Zuiderzee, het zoutgehalte neemt toe en dat is gunstig voor de paalworm, het beruchte beestje dat het gemunt heeft op de paalwerken die ons land moeten beschermen tegen de zee. De visstand lijdt er niet onder, integendeel: na jaren tobben is dit jaar en ook het jaar daarvoor met name voor de ansjovisvangers uitmuntend geweest. In ons eigen land gebeurt nog iets, dat weliswaar minder de aandacht trekt en in sommige kranten nauwelijks de voorpagina haalt, namelijk de ontvolking van het eiland Schokland, een operatie waarbij alle bewoners (ongeveer 600 personen) hun vertrouwde woonplaats verlaten. Wat was er aan de hand met dit eiland, en wat waren de redenen voor een dergelijke totale ontvolking? Schokland, een lang smal eilandje in wat toen nog de Zuiderzee heette, lag als een natuurlijke golfbreker voor de kust van Overijssel, halverwege Urk en Kampen. Nauwelijks vier tot vijf kilometer lang was het en hooguit een paar honderd meter breed. Het eiland lag niet hoog en droog op een keileembult zoals Urk, maar was “plas en dras” en ongeschikt voor enig gebruik. Een groot deel van het eiland was meer een moeras, waar de vrouwen en meiden met opgetrokken rok door de zuigende blubber naar het weinige vee, dat vooral uit schapen bestond, moesten ploeteren om de beesten te kunnen melken. Zo goed en zo kwaad als het kan werd het eiland tegen de nukken van de zee beschermd. De hoofdinspecteur van Waterstaat schrijft in één van zijn brieven aan de minister van Binnenlandse

SCHOKLANDBOEK.indb 9

|

Gravure van SchoklandErS, vervaardigd door een zekere G.K. omstreeks 1840. (ColleCtie Bruno Klappe, eindhoven)

Zaken: “In vroeger tijd schijnt dit eiland daartoe door een rondgaand paalwerk beschut geweest te zijn, waardoor die klomp van derrie en veen werd ingesloten.” 1 Met dat “in vroeger tijd” bedoelde de hoofdingenieur de tijd vóór 1804, het jaar waarin een begin werd gemaakt met een heuse dijk aan de westzijde van het eiland. Helemaal rondgaand was dat paalwerk echter niet, want aan de westzijde lagen hele stukken land onbeschermd tegen het geweld van de zee. De kustlijn was daar grillig en waarschijnlijk daardoor niet goed verdedigbaar. Uitgestrekte rietvelden lieten in het midden waar het land ophield en de zee begon. Het paalwerk bestond uit een onafzienbare rij ingeheide palen, die het eiland, vooral aan de oostzijde, als het ware vastpinden op de zeebodem. Een enorm lang

05-08-2009 15:11:40


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

|

De ZuIdpunt Van Schokland, geschilderd door een zekere Hansma, tweede helft 20ste eeuw.

lint van palen, lijkend op vestingwerken, vormde zo de “skyline” van Schokland, waarbovenuit drie woonbuurten zichtbaar waren met kerken en vuurtoren als beeldbepalers. Deze grenen en eiken palen werden in grote hoeveelheden vanuit Noorwegen geïmporteerd, waren vier tot zes meter lang en werden, de kustlijn volgend, in dubbele rijen de grond ingeheid, waardoor er een soort bekisting ontstond, die opgevuld werd met allerlei materiaal, zoals bladriet, zeewier, turf en puin. Bovenop werd dit alles verzwaard met grote ronde stenen, die uit het gebied van de Weser in Duitsland werden aangevoerd. De palen werden door de dienst van Waterstaat (de voorloper van Rijkswaterstaat) met een hijsblok ingeheid, waarbij de bewoners vaak meewerkten. In tijden wanneer er te weinig mannen beschikbaar waren, werden

SCHOKLANDBOEK.indb 10

10

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

ook vrouwen en meisjes, “heimeiden” genoemd, ingeschakeld om het blok omhoog te hijsen. Als de nieuwe palen de grond waren ingeheid, leek het eiland op een onneembare vesting, waar de veiligheid gewaarborgd was, maar, zoals overal, bedriegt schone schijn: van tijd tot tijd sloeg de paalworm toe. Dit ogenschijnlijk onschuldige weekdiertje was in feite vraatzuchtig ongedierte, in staat zich in enkele weken tot in het hart van nieuwe keiharde palen een weg te vreten. Nieuwe palen, waar op het eerste gezicht niets aan te zien was, konden bij de eerste de beste storm als lucifershoutjes afknappen. Op deze “klomp van derrie en veen” woonden ruim 650 mensen, meest vissers, verdeeld over drie buurten: Emmeloord op het noordelijk deel, en op Ens, het zuidelijke gedeelte van Schokland de

05-08-2009 15:11:41


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 01

-

11

een o nleefbaar oord

* Wim Veer, “Wie niet wil wijken moet dijken (2)”, in: Het Schokker Erf 63

Zuiderbuurt Enkele honderden meters noordelijker lag de Zuiderbuurt, een klein buurtje van slechts veertien huisjes, als een hoopje verkleumde en verweesde kuikentjes, beschutting zoekend bij elkaar bij afwezigheid van een waakzame moederkloek, want het ontbrak aan alles: er was geen kerk, geen overheidsgebouw, geen school, geen winkel, niets. Voor alles waren de bewoners aangewezen op de grotere Middelbuurt, met vaak vervelende gevolgen. Door storm en overstromingen was het nogal eens onmogelijk voor kerkgangers en schoolgaande jeugd om op de Middelbuurt te komen, en andersom was voor een begrafenis of hulp van de dokter het Zuiderbuurtje dikwijls onbereikbaar. In een brief van 24 januari 1842 aan Koning Willem II beklagen de bewoners zich over deze toestand, maar dan blijkt dat het buurtje als een soort stiefkindje behandeld wordt. In een antwoord door de dienst van Waterstaat wordt de Zuiderbuurt te klein en te onbeduidend genoemd om als algemeen belang te worden aangemerkt. “Dit ongemak is eigen aan de plaats, die door de inwoners vrijwillig wordt bewoond.” 2 Als later in 1855 de beveiliging van de buurt grote investeringen vergt, wordt de bewoners het aanbod gedaan om een nieuwe woning op Emmeloord of op de Middelbuurt te accepteren in ruil voor het opgeven van hun huidige huisjes, of om tegen een zeer redelijke vergoeding zelf op zoek te gaan naar andere bewoning. Dit laatste heeft bij hen de voorkeur en bijna allen vestigen zich een paar honderd meter verder op de Middelbuurt. In het klein lijkt het scenario op een generale repetitie voor wat later komen gaat, als de totale ontvolking van Schokland aan de orde is.

Middel- of Molenbuurt en verder naar het zuiden de Zuiderbuurt. Deze drie buurten lagen op kunstmatig opgeworpen terpen die regelmatig opnieuw moesten worden opgehoogd met grond, koemest, zand en schelpen. Ze waren nog eens extra aan alle kanten door stevig paalwerk omgeven, waardoor men bij niet al te hoge vloed droge voeten kon houden. In het uiterste zuiden van het eiland, dat Oude Kerk of de Zuidpunt werd genoemd, stond een vuurtoren, een plomp vierkant stenen gebouw, waarbovenop een open vuur werd gestookt ten dienste van de scheepvaart. Daar, ver weg van de bewoonde wereld, woonde ook de vuurstoker of vuurtorenwachter, later lichtwachter genoemd. Hij had tot taak een groot kolenvuur brandend te houden van zonsondergang tot zonsopgang. Bij stormachtig weer of in donkere nachten geen gemakkelijk werk, op een uiterst eenzame, onaangename plek van het eiland. Niet verwonderlijk dat krankzinnigheid bij enkele lichtwachters toe kon slaan. Bij de grote watersnoodramp van 1825 werd de toren door het water volledig verwoest. Twintig jaar later werd een nieuwe ronde toren gebouwd en werd het kolenvuur vervangen door een petroleumlamp. Op de zuidpunt van het eiland lagen ook de restanten van een oude kerk en de begraafplaats van de hervormde gemeente op Schokland.

Middelbuurt De naam Middelbuurt – vroeger ook wel Molenbuurt genoemd – is, gezien de ligging van het dorp, logisch: ongeveer het midden vormend van het eiland. Zuiderbuurt en Middelbuurt samen heetten ook wel Ens. Vóór de Franse tijd viel Ens onder Overijssel en Emmeloord onder Holland. Merkwaardig genoeg sprak men veel meer over de eilanden Ens en Emmeloord, alsof het echt twee eilanden betrof, dan over Schokland, een naam die pas later in gebruik kwam. Een officiële landsgrens, door middel van een slootje halverwege Middelbuurt en Emmeloord, gaf de scheiding aan. Dit had nogal wat consequenties, omdat de verschillende provincies in die tijd tamelijk autonoom waren, met eigen wetten en regels en eigen rechtspraak, soms ook met een ander dialect en andere religie. Zo ook op Schokland, waar de Emmeloorders een plat Hollands dialect spraken en bijna iedereen rooms-katholiek was, terwijl de Ensenaren een Overijssels dialect gebruikten en veel meer de gereformeerde godsdienst aanhingen. Toch kende Ens een aanzienlijke katholieke minderheid, waardoor er geen sprake was van een extreme scheiding. Beschuldigingen van afgodendienst of ketterij werden wel door kerkleiders naar elkaars hoofd geslingerd, maar niet door de gewone mensen.

Niet alleen Schokland was tegen het geweld van de zee met palen beveiligd, ook andere eilanden en grote delen van de kusten in het Zuiderzeegebied. Als de paalworm toesloeg, betekende dat bijna altijd een enorme ramp. In 1732 veroorzaakte een grote plaag enorme onrust en angst in ons land. Nederland was “in nood van overstroming door een zeldzaam wormgeknauw”, aldus een predikant. In dat jaar noemden de Staten van Friesland de paalworm “een plage, niettemin regtvaardig van de God der vergelding, als in Zijne onnaspeurlijke wijsheid bestemd om de hoogmoed, overdaad, dartelheid en wellustigheid van ons Nederlandsche volk, vervallen tot zware ongeregtigheid, ja zelfs tot verfoeilijke en ongehoorde zonden, tot de hemel toe om wraak roepende, te bezoeken en te dempen.” Door fanatieke predikanten werd met hel en verdoemenis gedreigd, en werd er vooral benadrukt dat het een straf van God was voor de in die tijd nogal geruchtmakende schandalen rond homoseksualiteit, waar zware straffen op stonden en soms zelfs de doodstraf. Bidstonden en vastendagen werden afgekondigd om het land te behouden. Meer praktisch ingestelde mensen begonnen naarstig te zoeken naar middelen om de paalworm te bestrijden. Insmeren van het hout met het overigens kankerverwekkende middel creosoot, en het beslaan van palen met duizenden spijkers waren hier voorbeelden van. Meer preventief werd ontdekt dat de paalworm van schoon water houdt, dus werd er alles aan gedaan om het water troebel of modderig te maken.*

(sept. 2006), 30-41.

SCHOKLANDBOEK.indb 11

05-08-2009 15:11:41


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

12

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

|

De mIddElbuurt, in de tweede helft van de 20ste eeuw geschilderd door Hansma, naar een tekening van Dubourcq uit 1845.

Gemengde huwelijken, hoewel door de kerkelijke leiders van beide kanten verfoeid, kwamen toch voor en familiebanden waren wel eens sterker dan godsdienstige verdeeldheid. De bewoners zaten in verschillende opzichten in hetzelfde schuitje, soms erg letterlijk, want als er marktdag in Kampen was en de veerman de vrouwen van Emmeloord over ging zetten, dan koerste hij eerst naar Ens om de daar wachtende vrouwen op te pikken. De bevolking leefde harmonieus en tolerant samen. Weliswaar is er in 1682 sprake van een volksopstand op Emmeloord, omdat de katholieke schout plaats moest maken voor een gereformeerde ambtgenoot, maar deze opstand betrof geen twist tussen de bewoners, maar ging over een door de overheid genomen maatregel. Het verhaal van

SCHOKLANDBOEK.indb 12

de volksopstand is kleurrijk beschreven en leest als een thriller.3 In de Franse tijd (1807) werden de twee afzonderlijke gemeenten, Emmeloord en Ens, ieder met een eigen schout en gemeenteraad, bij elkaar gevoegd tot ĂŠĂŠn gemeente: Schokland. De Middelbuurt kende dus een voornamelijk protestantse bevolking. De in 1832 nieuw gebouwde en nog steeds bestaande kerk en pastorie liet dit duidelijk uitkomen. Dr. Meijlink, die in 1858 het eiland bezoekt, treft het godshuis op de Middelbuurt tot zijn verwondering aan in een staat waar menige stad of dorp jaloers op zou kunnen zijn. Hij beschrijft de kerkgangers als ingetogen, bedaarde mensen, een zekere deftigheid uitstralend, en treft onder anderen enkele dames aan met zijden kleedjes en hoedjes met voile.

05-08-2009 15:11:43


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 01

-

Aandachtig wordt er naar de preek van de dominee geluisterd.4 Zeker nadat eind jaren dertig het gemeentehuis in Emmeloord verplaatst werd naar de Middelbuurt, ontstond er een beeld van enige welvaart. In Emmeloord was bijna iedereen visser, maar op Ens woonden meer ambtenaren, zoals de opzichter van Waterstaat, de burgemeester, de dominee, onderwijzer, veldwachter en dokter, waardoor de Middelbuurt ook wel spottend het “Haagje” van Schokland genoemd werd. Sommige bewoners waren als arbeider in dienst van Waterstaat. Ens had ongeveer tweehonderd bewoners.

Emmeloord Op de uiterste noordpunt van het eiland lag Emmeloord. Het was verreweg de dichtstbevolkte buurt, bijna 450 mensen, wonend in overwegend houten huisjes, allen met de voorzijde naar het oosten gekeerd. Alleen de pastoor en de onderwijzer waren in het bezit van een redelijke stenen woning. Net als de beide andere buurten was ook Emmeloord nog eens apart omgeven door paalwerk, maar niet altijd was dat een garantie voor de veiligheid. Eind 18de eeuw (1779) sloeg de paalworm toe op Schokland. Emmeloord, toen nog eigendom van Holland, kreeg het even heel moeilijk, toen bleek dat “al het paalwerk aan de Zuid-Oostzijde van de buurt, alwaar de Roomsche Kerk en de bakloods staat, zo slegt is, dat verscheijdene palen geheel door de worm doorknaagt zijn en er los bij hangen.” De man die namens het Amsterdamse gemeentebestuur een rapport moest maken over de omvang van de schade, noemde enkele jaren nadien het astronomische bedrag van een kwart miljoen gulden om al het aangetaste houtwerk op Emmeloord te kunnen vernieuwen. In hetzelfde jaar werd de achterkant van de buurt nog helemaal wormvrij verklaard en in goede staat bevonden, maar nog geen twintig jaar later was er niets meer van over en “is de regel paalwerk agter de buurt geheel verteert en kragteloos.” 5 De bewoners voelden zich allesbehalve veilig op hun buurt en lieten weten “dat eene storm genoeg was om hen met de hunnen door de zee te laten verslinden.” In een brief aan de Staten van Holland en WestFriesland vroegen zij zelfs of er voor hen voor de tijd van de winter geen andere verblijfplaats te vinden was.” 6 Behalve de pastoor, vroedvrouw, onderwijzer en veerman was praktisch iedereen afhankelijk van de visserij. Emmeloord was een drukke, levendige plaats, niet alleen door het grote aantal bewoners, maar ook door de aanwezigheid van een haven, die pal voor de buurt lag. Deze haven was, vooral nadat in 1839 de havenhoofden verlengd waren en de haven uitgediept was, een veilige schuilplaats voor de eigen vissers, maar ook een toevluchtsoord voor veel schippers tijdens zwaar weer of bij plotseling invallende vorst. Het kwam regelmatig voor dat schippers in de haven moesten overwinteren, en dat betekende weer een bescheiden inkomensverbetering voor sommige bewoners, die er een kroegje of

SCHOKLANDBOEK.indb 13

13

een o nleefbaar oord

winkeltje op nahielden. Ingenieur jonkheer J.R.T. Ortt van Waterstaat laat in een brief van juni 1859 weten dat sinds 1 januari ruim 600 schippers van elders de haven aangedaan hadden.7 Ook de roomskatholieke kerk op Emmeloord was voor veel schippers van belang, terwijl de kinderen van de ingevroren schippers ongetwijfeld in de school een plaatsje gevonden zullen hebben. Dat Emmeloord een echt vissersdorp was, bleek al meteen op het eerste gezicht. Zoals ook op de andere buurten waren de meeste woningen van hout opgetrokken, en hadden ze een laag woongedeelte, bestaande uit één vertrek. De daken liepen hierbij spits en hoog op, zodat er veel ruimte ontstond om de netten op de zolders te laten drogen. Ze werden met riet gedekt en van boven voorzien van lappen grond en graszoden tegen het wegwaaien. De vloer in de huizen, van aangestampte leem, werd vaak met schelpen bestrooid. Zelfs bewoners van de Middelbuurt kwamen naar Emmeloord om schelpen van het strand te halen. De schelpen hadden ze hard nodig, “om de floere van onze woningen ermede te bestrooijen.” 8 Het gemeentebestuur van Emmeloord liet aan de dienst van Waterstaat weten dat zij de schelpen niet kon missen zonder de bewoners aan besmettelijke ziektes bloot te stellen, “want zij dienen ter opdroging onzer huizen.” In het enige vertrek werd geslapen, gegeten en gekookt. Dit gebeurde gewoon op de grond, waar een vuurtje met hout en turf moest zorgen voor het bereiden van het eten en moest dienen als verwarming. Uitgezonderd in de stenen huizen van de “notabelen” waren er nog geen schoorstenen. De rook trok naar boven door allerlei kieren, naar de zolder, taande op die manier de netten en werd soms met een klep in het dak naar buiten geloosd. De indeling van de huizen was bijna overal identiek: twee kasten, een grote houten kist, aan de wand wat schappen met tinnen vaasjes, wat porselein of aardewerk, wat borden en bierglazen. Aan één kant bedsteden, die vrij hoog stonden, ongetwijfeld zo ontworpen met het oog op het soms binnenstromende zeewater. Behalve de haven waren de kerk, de school en in latere jaren de weverij in het voormalige gemeentehuis levendige, drukke plaatsen.

De loopplank Een smalle loopplank was de voornaamste verbinding tussen de beide buurten. Die communicatie was vaak belabberd, omdat het plankier, ofwel de loopkistendam, die de buurten met elkaar verbond, door stormen ernstig gehavend of door regen of vorst vaak spekglad kon zijn. Was het voor buitenstaanders bij mooi weer al een hachelijke onderneming, bij nacht en ontij was het zelfs voor de ervaren Schokkers haast niet te doen om de tocht over die plank te ondernemen. Vissers die ’s nachts aankwamen of wilden vertrekken, klaagden dat de plank zo nat en glibberig was dat ze genoodzaakt waren om “op onze knijen naar de buurten te moeten kruipen, hetwelk voor onze oude lieden dikwijls ondoenlijk is.” 9

05-08-2009 15:11:44


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

14

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

|

Aquarel van de mIddElbuurt, vervaardigd omstreeks 1990 door J. Boerman, naar een tekening van Dubourcq uit 1845. Op de voorgrond de loopplank waarover de Schokkers van buurt tot buurt gingen. (ColleCtie m.m. Klappe-hollander, eindhoven)

Regelmatig kwam het voor dat zelfs dat niet meer mogelijk was, omdat de plank door het water was weggeslagen. In 1836 meldde de Leeuwarder Courant dat een orkaan dermate huisgehouden had dat het niet veel gescheeld had of het eiland was halverwege Ens en Emmeloord doormidden gebroken: “Aan de oostzijde tussen Emmeloord en de Molenbuurt is ongeveer 133 el paalwerk geruïneerd, waarvan 100 el totaal weggeslagen, zodat de communicatie gestremd is.” 10 “Le Pont de Communication”, zo werd de plank in de Franse tijd genoemd. Het klinkt romantisch, maar of de bewoners het ook zo ervaren hebben, is zeer de vraag.

De staat van de loopplank was al heel lang een fors probleem. In 1818, als schout Sonderman zijn ingevulde staten aan de Provincie terugstuurt, verontschuldigt hij zich voor de smerige toestand waarin de paperassen zich bevinden, veroorzaakt doordat schoolmeester/ gemeentesecretaris Springstok tussen Emmeloord en Ens met de stapel papieren onder zijn arm van de “uiterst gebrekkige loopkistendam” gevallen is. Sonderman laat het provinciebestuur weten dat hij zijn uiterste best gedaan heeft om alles nog een beetje schoon te krijgen. * * PO, inv.nr. 422.

SCHOKLANDBOEK.indb 14

05-08-2009 15:11:51


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 01

-

15

een o nleefbaar oord

|

Schokland werd in de loop der jaren steeds kleiner. Het kaartje links geeft het eiland in 1789 weer, het middelste de situatie in de jaren 1820-1850, en rechts in 1874. (tijdSChriFt KoninKlijK nederlandSCh aardrijKSKundiG GenootSChap, 1925)

Onbeschermd tegen het oprukkende water Buiten de genoemde buurten was de rest van het eiland boomloos en vlak, en stond regelmatig voor een groot deel onder water. Een onderzoeker die in de jaren veertig Schokland bezocht, zag hartje zomer bij het mooiste weer geen kans om met droge voeten van oost naar west te komen. Volgens hem was het land eerder voor eenden en ganzen dan voor mensen bewoonbaar.11 Een beschutte plaats achter een duinenrij, een bos of andere natuurlijke windvanger was er niet. Integendeel: de huisjes op beide buurten lagen op de hoogste punten van het eiland, bijna altijd in de volle westenwind. Zo te moeten wonen was niet altijd een genoegen. Geluid van een rustige ruisende zee was eerder een zeldzaamheid dan regel. Vaak was er sprake van een woest brekende branding tegen het paalwerk. Bij storm piepte, kraakte en klapperde het aan alle kanten,

SCHOKLANDBOEK.indb 15

riet van daken en alles wat niet stevig vastzat vloog dan in het rond. Pastoor Van Munster van Emmeloord liet eens vanuit zijn pastorie weten: “alles beweegt en schudt, schilderijen vallen van de wand, de klok staat spontaan stil, het is als op een deinend schip.” 12 Een zekere beschutting aan de oostkant van het eiland was er voor schippers op de rede van Ens nog wel. “Uit de wind” is wel wat veel gezegd, maar in ieder geval lag men in minder wild water. Een betere schuilplaats was de haven van Emmeloord: daar waren de twee havenhoofden als de uitgestrekte armen van een moeder, die haar kroost verwelkomt en omhelst. De westkust van Schokland lag voor een deel, vooral ter hoogte van Emmeloord, al eeuwenlang onbeschermd tegen het oprukkende water, waar alleen uitgestrekte rietvelden de golfslag moesten breken, en dat was uiteraard niet afdoende. Bij elke storm verdwenen er weer

05-08-2009 15:11:54


38

|

“Een praatje aan de haVEn te EmmEloord; wegens windstilte waren de visschers binnengevallen. De geringe vangst en daarmede gepaard gaande onvoldoende verdienste alsmede de toekomst van Schokland, waren het onderwerp van ’t gesprek”. (uit: onS noorden, 1936)

SCHOKLANDBOEK.indb 38

05-08-2009 15:13:22


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 02

hoofdStuk

-

39

Sc ho k la nd verl aten?

Schokland verlaten?

02-

 Pastoor Ter Schouw over de armoede der Schokkers De aanzet tot de ontruiming van Schokland werd uiteindelijk gegeven door H.F.J. ter Schouw, pastoor op Schokland in de jaren 1856-1859. Hij was nog maar nauwelijks aangesteld als pastoor op het eiland of hij trok aan de bel om de situatie van de Schokkers onder de aandacht van zowel de overheid als van de Nederlandse bevolking te brengen. Hij deed dat door middel van ingezonden brieven in dagbladen en door brieven aan de minister van Binnenlandse Zaken, aan de Commissaris van de Koning in Overijssel, en aan de Tweede Kamer. In korte tijd had hij de situatie op het eiland doorzien. Hij pleitte voor ingrijpende maatregelen om het kwaad bij de wortel aan te pakken, in plaats van steeds maar

weer pappen en nathouden. Als oorzaken van de voordurende armoede op Schokland noemde hij de slechte toestand van riet- en weilanden, waardoor er nauwelijks of geen profijt meer van overbleef, en de al jaren weinig opbrengende visserij. Verder wees hij op de slechte toestand van schepen en toebehoren, waardoor de vissers bij slecht weer de zee niet meer op durfden, en de geen soelaas biedende weverij, die eigenlijk alleen maar de armoede deed toenemen. Het voortdurende beroep op de liefdadigheid en de noodlottige gevolgen van deze gewoonte maakten de zaak alleen nog maar erger. Met dit laatste doelde hij op de gewenning van de Schokkers aan de steeds weer terugkerende hulp van buitenaf.

hErmanuS frEdErIkuS JohannES tEr Schouw, paStoor op Schokland (1856-1859). Hij was geboren te Winschoten op 4 februari 1822 en studeerde aanvankelijk onder leiding van zijn vader, die geneesheer was, maar al in 1834 overleed. Omdat hij geen middelen had om zijn studie voort te zetten, werd hij varensgezel. In 1841 kon hij, financieel ondersteund door een familielid, Grieks en Latijn studeren in Amsterdam en Pekela. Daarna studeerde hij filosofie in Culemborg, en ging hij in 1845 naar

Pastoor Ter Schouw schreef op 30 januari 1857 de volgende brief, die in één van de landelijke kranten werd gepubliceerd:

Warmond. Op 12-8-1849 werd hij priester gewijd, waarna hij kapelaan werd in Steenwijkerwold (1849) en Olst

SCHOKLAND De toestand van het eiland Schokland is zoodanig, dat ik niet kan nalaten daaraan publiciteit te geven, vermits er zich misschien velen een verkeerd denkbeeld van vormen. Dat het eiland onontbeerlijk is voor de kleine vaart, is boven allen twijfel verheven, vandaar ook de groote sommen gelds die jaarlijks tot instandhouding van hetzelve door het rijk worden beschikbaar gesteld. Maar is het eiland nodig, niet minder nodig is het dan ook dat het bewoond worde. De inwoners aldaar zijn echter zeer armoedig en het is zonder twijfel om het eiland zelf, dat ten gunste van deszelfs bewoners door den staat zoo vele posten worden betaald, waarin anders de gemeente zelve moet voorzien. Zoo worden alle gemeenteambtenaren door den staat bezoldigd, predikant, pastoor, geneesheer, schoolonderwijzers genieten alle landstractementen. Uit de staatskas worden verder de huizen van bovengenoemden, de kerken der godsdienstige gezindheden, de scholen onderhouden. Dat beloopt eenige duizenden jaarlijks, en dat voor slechts 600 zielen, waardoor alzoo de bewoners van Schokland van vele lasten worden ontheven. Intusschen zijn en blijven de inwoners van Schokland armoedig, als zodanig zijn zij dan ook overal in den lande bekend, jaren lang is van hunne armoede in de nieuwsbladen gewag gemaakt, maar misschien heeft men zich nog

SCHOKLANDBOEK.indb 39

(1855). In 1856 volgde zijn benoeming tot pastoor op Schokland, en al binnen zeer korte tijd ontpopte hij zich tot een voorstander van rigoureuze maatregelen om een einde te maken aan de slechte leefomstandigheden op het eiland. Eind augustus 1859 vertrok hij, met zijn dienstmeid Joanna Christina Keizer (1826-1881) naar Hellendoorn, waar hij pastoor werd. Op 12-10-1866 werd hij pastoor in Nijkerk, waar hij bleef tot zijn dood op 11-11-1883. (SChilderij door wim adolFS, 1924, aFKomStiG uit de paroChie h. Catharina te nijKerK. Foto: Bruno Klappe)

05-08-2009 15:13:23


s c h o k l a n d v e r l at e n

|

-

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

40

zelden afgevraagd: wat mag toch de reden zijn dat Schokland steeds zoo arm blijft in vergelijking van de andere visschersdorpen hier te lande? Ik zal trachten dit volgens mijne overtuiging toe te lichten in de hoop, dat er een geneesmiddel moge gevonden worden voor de kwaal. 1) De vischvangst, waarvan de Schokkers moeten leven, levert hun sedert jaren geen bestaan meer op. Hunne kleine schuiten kunnen slechts op de Zuiderzee gebruikt worden, en daar kan de visscherman niet zoo veel visch vangen, dat hij in zijne huiselijke en scheepsbehoeften kan voorzien. Vandaar dat de schuiten langzamerhand oud geworden, met schulden bezwaard, netten, zeilen en touwen versleten zijn, en de schippers zich met hunne wrakke schuitjes, als er maar een stevige bries waait, niet op zee durven begeven. 2) Omdat het visschen geen bestaan opleverde is hier onder medewerking van den staat eene calicots-weverij tot stand gekomen; dan ook deze gevestigd om de armoede te lenigen, gaf aanleiding tot armoede. Ouders, die vroeger hunne dochters naar den wal zonden om daar als meiden te dienen, hielden ze nu bij zich thuis, om hen te laten weven, ten einde de inkomsten van het huisgezin te vermeerderen. Dit was ook voor de kinderen aangenamer, deze bleven tot twee, drie en twintig jaren op de weverij en gingen dan huwen met jongelingen, die naauwlijks voor hun eigen bestaan konden zorgen. De vrouw, die niets geleerd had dan het weven, waarmede zij weldra niet meer verdienen kon, en de man die als knecht varende buiten den kost wekelijks f.1,50 à f.1,80, als het nl. open water is, verdiende, legden alzoo zelf den grond van een armoedig nageslacht. 3) Die armoede kwam dikwijls met rassche schreden, en vermits de een den anderen zoo lang Een bladzijde uit het in 1839 te Amsterdam en zoo veel als mogelijk ondersteunde, werd zij ook al meer en meer algemeen. Het gevolg daarvan uitgegeven prEntEnboEkJE nederlandSChe was, dat men en burgemeester en predikant en pastoor etc. onophoudelijk lastig was. Natuurlijk, KleederdraGten: een GeSChenK voor Knapen en meiSjeS deze konden in de behoeften der inwoners niet voorzien, waren daarom echter niet minder met de door C.P.E. Robidé van der Aa. Volgens de ellenden hunner medemenschen bewogen. Wat deden zij? Vertrouwende op den milddadigheidszin schrijver verheugde deze Schokker zich nog in van Neêrlands ingezetenen, vroegen zij om liefdegiften, welke hun in ruime mate toevloeiden, een ruime visvangst en was er van armoede zoodat de armoede kon worden gelenigd. Maar den volgenden winter dezelfde armoede, en zij geen sprake. De werkelijkheid was echter al die het vorige jaar in die liefdegiften hadden gedeeld, waren niet de laatsten om bij het hoofd der enige tijd anders. gemeente, den predikant en pastoor op eene collecte door middel van de nieuwsbladen aan te dringen, waaraan dan ook weder gehoor gegeven werd. Dit gebeurde zoo jaren achtereen; het publiceren der liefdegiften maakte aan de Schokkers bekend, wat er voor hen was ingekomen, en zij die met het uitdeelen dier giften waren belast, genoten dikwijls geene rust voor dat alles uitgedeeld was. Dat collecteeren gebeurde jaren achtereen, de Schokkers hadden er zich aan gewoon gemaakt en rekenden er voor den winter op, om door het publiek te worden onderhouden. Op weinig uitzonderingen na was de schaamte voor het bedelen bij de Schokkers weg, terwijl velen, als er geld kwam, zich arm hielden, ofschoon nog niet allen gebrek leden, enz. En wat is thans de toestand? Dat de bewoners van Schokland, voor dat men er weefde, voor dat ten hunnen gunste op de milddadigheid van het publiek een beroep werd gedaan, nog beter in hunne behoeften konden voorzien dan thans. In welke mate nu de goede zeden door het bovenvermelde hebben geleden, moedeloosheid, ontevredenheid, kwade trouw, onregtvaardigheid gewoonlijk het gevolg der armoede zijn, laat ik aan het oordeel van den lezer over. En nu herhaal ik: wat is het geneesmiddel voor de kwaal? Hulp moet er komen of de Schokkers zullen van kommer en gebrek moeten wegkwijnen; maar moet die hulp bestaan in een beroep op de publieke weldadigheid, dan bedekt gij de wonde wel, maar geneest haar niet. Intusschen daar is groote armoede en voorziening moet er zijn. Huizen zijn onbewoonbaar, vele hebben geene legerplaats om op te rusten, geene kleederen om zelfs behoorlijk hunne ligchamen te bedekken, van het voedsel wat soms gebruikt wordt, zal ik maar zwijgen. Ziedaar de armoede van Schoklands bewoners, maar nog eens, met het uitdeelen der liefdegaven is daarin niet te voorzien, het kwaad moet bij den wortel worden aangetast, maar wat zal daarvoor het middel zijn? Die vraag aan het publiek te doen, was het doel van dit mijn schrijven en ik wensch tot welzijn van Schokland en tot eer van Nederland, dat het antwoord gunstig moge zijn en uitgevoerd moge worden! Schokland, 30 Januarij 1857. H.F.J. Ter Schouw, R.C. Pastoor.

SCHOKLANDBOEK.indb 40

05-08-2009 15:13:24


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 02

-

41

Sc ho k la nd verl aten?

|

cornElIS backEr (1798-1864), commISSarIS Van dE konIng In oVErIJSSEl van 13 oktober 1850 tot 30 juni 1864. Eerder was hij advocaat te Amsterdam, commissaris van het Marktwezen, en rechter van de Arrondissements-rechtbank aldaar. In 1848 werd hij gekozen als lid van de Tweede Kamer. (ColleCtie hiStoriSCh Centrum overijSSel, zwolle)

Jacob rEInoud thEodoor ortt

|

(1817-1887), IngEnIEur Van rIJkSwatErStaat. Hij was afkomstig uit Amsterdam en woonde onder meer in Maastricht, Kampen, Groningen en Haarlem. Zijn dochter Henriëtta Susanna was de grote jeugdliefde van de schrijver Frederik van Eeden. Zijn zoon Felix Louis Ortt was eveneens ingenieur van Rijkswaterstaat en maakte naam als romanschrijver. (partiCuliere ColleCtie)

Pastoor Ter Schouw mag dan wel met recht beschouwd worden als degene die met zijn ingezonden brief de aanzet tot de ontruiming gegeven heeft, maar het is zo goed als uitgesloten dat hij ook de bedenker van de ontruimingsplannen zou zijn. In een ingezonden brief in de Kamper Courant van 29 oktober 1857 liet hij namelijk weten zeer ingenomen te zijn met de zich aandienende oplossing voor de problemen op Schokland, namelijk de ontvolking van het eiland. “Eere zij den ontwerper van dit plan”, schreef hij, en daarmee zal hij zeker zichzelf niet bedoeld hebben. Hoewel hij niet met naam en toenaam aangaf wie die eer dan wel toekwam, ging het om iemand

die door zijn maatschappelijke betrekking zeer goed op de hoogte was van de situatie waarin de Schokkers verkeerden. Meest waarschijnlijk is dat hij doelde op de ingenieur van Waterstaat, de heer Ortt, ofwel de heer Backer, de Commissaris des Konings in Overijssel.

Geruchten over een dode door honger Commissaris Backer wist niet goed wat hij moest denken van de aanhoudende geruchten die hij vernomen had over Schokkers die de hongerdood gestorven zouden zijn.

Op 30 januari 1857 schreef hij het volgende briefje aan Gerrit Jan Gillot, de burgemeester van Schokland, om daarover meer te weten te komen: Weder trof ik in een der dagbladen het berigt aan dat op Schokland eene weduwe van honger zou zijn gestorven. Ik hecht aan die geruchten niet veel waarde, vooral na hetgeen mij ten aanzien van een vorig berigt bij uwe missive van 18 december j.l. no. 192 is medegedeeld. Intusschen verzoek ik UEd. mij te melden of van de zaak iets waar is, en voorts om, wanneer onverhoopt iets dergelijks mogt gebeuren, mij daarvan onmiddellijk kennis te doen dragen. Ik vermeen dus daarop te kunnen rekenen, en zoodanig berigt niet ontvangende, zal ik mij geregtigd kunnen achten om geruchten van dezen aard die in dagbladen opgenomen of op andere wijze verspreid worden, als onwaarheid tegen te spreken.1 Burgemeester Gillot antwoordde op 3 februari 1857 dat het hier ging om Eva Jansen Klein, een 72-jarige hervormde weduwe die op 29 oktober 1856 was overleden. Gillot was er vast van overtuigd dat zij niet van honger gestorven was, maar was voor de zekerheid toch maar even naar de diakenen van de Hervormde kerk gegaan. Zij hadden voor hem in het boek waarin zij hun uitgaven noteerden opgezocht dat de weduwe elke week van hen ƒ 2,- gekregen had, en de laatste maand, toen zij ziek was, zelfs nog 50 cent extra.

SCHOKLANDBOEK.indb 41

“Zij woonde in een goed huijsje, en was van alle huisselijke voorwerpen ook nog al wel voorzien”, zodat van honger of gebrek geen sprake geweest kan zijn, meende hij. “Zoude ik Uwe Excellentie mogen voorstellen, dat Uwe Excellentie aan de Heeren uitgevers der nieuwsbladen afvragende wie de inzenders van zulke leugenachtige berigten durfde op te geven of te verspreiden”, besloot de burgemeester op de voor hem zo typerende, gebrekkige manier van schrijven.2

05-08-2009 15:13:26


s c h o k l a n d v e r l at e n

|

-

42

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

De haVEn van EmmEloord omstreeks 1920. Rechts het huis met schapenschuur

|

Veilig beschermd tegen het vaak onstuimige water van de Zuiderzee door een

van tweede havenmeester Harm Smit, in het midden het gebouwtje van de visafslag,

aaneengesloten palenrij staat de kErk van de hervormde Schokkers op de

en links daarvan de vuurtoren.

eeuwenoude terp van de Middelbuurt.

Ortt en Backer pleiten voor ontruiming Begin 1857 schreef de heer Ortt, ingenieur van Waterstaat te Kampen en onder meer belast met het onderhoud van de zeeweringen op Schokland, een rapport waarin hij zijn denkbeelden omtrent de noodzakelijkheid van de ontvolking van het eiland in het belang van de bewoners uiteenzette. Tevens toonde hij aan dat ontruiming het

Rijk geld opleverde. Dat rapport stuurde hij toe aan de Commissaris des Konings in Overijssel, Backer, die het op 20 maart 1857 aan de minister van Binnenlandse Zaken voorlegde.3 De minister, kennelijk onder de indruk van wat Ortt te melden had over Schokland, stelde de Commissaris voor om met de Gedeputeerde Staten van Overijssel in overleg te gaan.

Dat deed Commissaris Backer dus, en op 2 april 1857 schreef hij aan de Staten: Door den waarnemenden hoofdingenieur is mij onlangs een voorstel van den Ingenieur Ortt medegedeeld, betrekking hebbende tot de ontvolking van het eiland Schokland. Ik heb een en ander aan de beoordeeling onderworpen van Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, wien de zaak gewigtig genoeg is voorgekomen om daarop overeenkomstig mijn voorstel het berigt en den raad Uwer vergadering in te winnen. Overeenkomstig ’s Ministers uitnoodiging heb ik de eer U te verzoeken, ten aanzien van dit onderwerp Uwe zienswijze te willen kenbaar maken, tot welk einde de brief van den hoofdingenieur en bijlage hiernevens zijn gevoegd.4 Epidemie op Emmeloord Intussen was het een en al ellende op Schokland. “Allertreurigst en bedroefd armoedig ziet het er in deze gemeente uit”, schreef burgemeester Gillot op 1 maart 1857 aan Commissaris Backer. Eindelijk was het ijs op de Zuiderzee verdwenen, maar daarna was het al dagenlang windstil geweest, zodat de vissers niet konden uitvaren. Nu was de wind gelukkig weer wat komen opzetten, maar er was helaas nog steeds niets gevangen. “De ontvangene liefdegiften zijn in eetbare waar uitgedeeld en nu is alles ten einde, zo er geen uitkomst kome, het zij ook wat het moge zijn.” Gillot vreesde dat, als er niet meer hulp of ondersteuning kwam, bewaarheid zou worden wat eerder al in sommige nieuwsbladen had gestaan: de hongerdood. In dezelfde brief lezen we over een epidemische “zenuwzinken koorts”, die op Emmeloord heerste. Gelukkig was het nog niet zo erg dat er mensen aan overleden waren, schreef Gillot.5

SCHOKLANDBOEK.indb 42

Een dag later meldde de pastoor van Kampen aan de bisschop van Utrecht dat er op Schokland een hevige tyfusepidemie heerste. Ook pastoor Ter Schouw was zeer gevaarlijk ziek. De dag daarvoor had de Kamper kapelaan hem ten volle bediend, evenals vijf andere mensen. Drie weken later bleek hij echter al weer geheel hersteld te zijn, maar dat betekende niet dat de epidemie tot staan gekomen was, integendeel.6 De eerste dag van april meldde Gillot aan de Commissaris dat de ziekte zich nu over vrijwel geheel Emmeloord had verspreid. “Tot heden toe is er nog maar één vrouw aan overleden die 59 jaar oud was”. 7 Het ging hier om Maria Willemina ten Peese, gedoopt 7 november 1798 te Kampen, schoonzuster van de Schokker onderwijzer Arnoldus Legebeke (1809-1885). Ze werd op 2 april 1857 op Emmeloord begraven.

05-08-2009 15:13:27


s c h o k l a n d v e r l at e n

|

-

ho o fd stuk 02

-

43

Sc ho k la nd verl aten?

De mIddElbuurt op Schokland, voordat het water geweken was.

|

De verlaten, uit 1822 daterende lIchtwachtErSwonIng op de Zuidpunt van Schokland.

De familie Legebeke liet in de Kamper Courant van 2 april 1857 de volgende advertentie plaatsen: Heden overleed tot onze droefheid onze hartelijk geliefde Zuster Maria Willemina Ten Peese, in den ouderdom van ruim 58 jaren, na voorzien te zijn van de laatste H.H. Sacramenten. Schokland, 30 Maart 1857. A. Legebeke. G. Legebeke, geb. Ten Peese.

Weer vier weken later, op 28 april 1857, waren er nog steeds veel zieken op Emmeloord. Gillot schreef, heel curieus, dat de ziekte “geheel schijnt voord te gaan bij Armen en meer vermogenden” (waarmee hij waarschijnlijk bedoeld zal hebben: zowel bij de arme als de wat rijkere Schokkers) en dat er inmiddels enkele sterfgevallen waren te betreuren. Gelukkig was er op Ens nog niemand ziek geworden, wat waarschijnlijk te danken was aan de smalle, moeilijk begaanbare loopplank tussen beide buurten. Daardoor hadden de Ensenaren en de Emmeloorders niet al te veel contact met elkaar.8 Op 6 juni 1857 heerste op Emmeloord de epidemie in volle omvang, “zodat er bijna geen huis tot heden toe voor verschoont blijft, zowel ouden van dagen als jonge kinderen, en enkele sterfgevallen van de ouden hebben plaats gehad.” Ens bleef nog steeds buiten schot.9 Maar dat zou niet lang meer duren. Op 21 juni 1857 schreef Gillot aan de Commissaris dat nu de epidemie op Emmeloord leek af te nemen, want er waren de laatste dagen geen nieuwe zieken meer bijgekomen. Maar op Ens lagen inmiddels ook al drie mensen ziek te bed, onder wie de broer van de burgemeester, de veldwachter Paulus Gillot, die al zes dagen ziek was.10 Twee dagen daarna moest burgemeester Gillot naar de Commissaris schrijven: “Door dezen moet ik Uwe Excellentie berigten als dat den veldwachter P. Gillot op den 23 dezer Maand Junij des morgens ten tien uuren is overleden.” 11

SCHOKLANDBOEK.indb 43

Wisseling van de wacht Het duurde bijna vier maanden voordat Schokland een nieuwe veldwachter kreeg in de persoon van de 35-jarige uit Bergen op Zoom afkomstige oud-sergeant Roeland Seegers, die per 1 oktober 1857 benoemd werd.12 In deze voor Schokland zo moeilijke periode waren er meer wisselingen onder de notabelen op het eiland. Zo overleed op 16 maart 1857 na een ziekbed van maanden, ’s avonds tegen tien uur, Jan Cromhout, de op Ens wonende predikant, op een leeftijd van slechts 37 jaar. Sinds eind 1850 was hij werkzaam op Schokland, het laatste half jaar wegens zijn ziekte bijgestaan door de hulppredikant J.H. Berghege. Op 18 oktober 1857 werd Johannes Cornelius Riethagen benoemd als predikant van Schokland, die op 8 mei 1859 voor de laatste keer zou voorgaan in de Avondmaalsdienst in het kerkje op de Middelbuurt.13 En dat was nog niet alles: de genees-, heel- en verloskundige op Ens, tevens raadslid en wethouder, Machiel Aron Frank, die al langer tobde met zijn gezondheid, stopte per 1 juli 1857 met zijn werk op Schokland en vertrok naar elders. Hij werd op 6 juli 1857 als dokter opgevolgd door Otto Maximiliaan Geerling, afkomstig uit Marken en werkzaam in de Haarlemmermeer. De wethouderspost werd per 26 juni 1858 waargenomen door Dirk Jans Buter, zijnde het oudste raadslid op Schokland.14

05-08-2009 15:13:29


s c h o k l a n d v e r l at e n

|

-

44

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

Het huIS van twEEdE haVEnmEEStEr harm SmIt. Het aan de

|

De Urker onderwijzer h.t. nIEuwEnhuIS (links) bezocht met een gezelschap Urker

linkerkant vastgebouwde hokje is het “hulp-telegraafkantoor”. (uit: onS

notabelen in 1907 de Middelbuurt op Schokland. (prentBrieFKaart uitGeGeven door Foto

noorden, 1936)

waKKer/“Gerrit van Sijtje” op urK)

Ontruiming wordt in ernstige overweging genomen Inmiddels hadden Gedeputeerde Staten een gunstig advies uitgebracht over de voorstellen van ingenieur Ortt “om door maatregelen van regeringswege de opheffing van het eiland Schokland als burgerlijke gemeente, en tevens de ontvolking van dat eiland te bevorderen.” Op 23 mei 1857 schreef Commissaris Backer dan ook aan de minister van Binnenlandse Zaken: “Ik neem de vrijheid thans dat voorstel aan de ernstige overweging van U.E. aan te bevelen.” 15 Uiteraard was er toen nog veel waarover nagedacht moest worden. Zo wilde de minister graag weten in hoeverre het bedrag van ƒ 1.000,- dat Ortt voor elk huis of huisgezin had uitgetrokken, wel een reëel bedrag was. Ook wilde hij meer weten over de manier waarop men de Schokkers zou kunnen bewegen het eiland te verlaten.16 De Schokker onderwijzer A. Legebeke was ook een groot voorstander van het ontruimen van het eiland. Om aan te tonen dat een bewoond Schokland meer geld kostte dan een ontruimd Schokland maakte hij op 25 juli 1857 een “Staat der bevolking van de Buurt Emmeloord, op het Eiland Schokland, de daarop staande woningen, derzelver waarde, benevens opgave van de schadeloosstelling aan de opgezetenen, ingeval zij Schokland moesten verlaten.” Om een idee te krijgen van de schadeloosstelling die de Schokkers in totaal zouden moeten krijgen had hij voor Emmeloord een lijst gemaakt waarop alle namen stonden van de gezinshoofden, de grootte van de gezinnen, het aantal woningen en schepen dat men in bezit had, en de door hem geschatte waarde van de huizen. Hij maakte daarna een schatting van de schadeloosstelling die men volgens hem behoorde te krijgen, en kwam daarbij op een bedrag van in totaal ƒ 70.800,- voor Emmeloord, de ambtenaren niet meegerekend. Voor Ens had hij zo’n berekening niet gemaakt, maar volstond hij met een ruwe schatting.

SCHOKLANDBOEK.indb 44

Het inwoneraantal van Ens was ongeveer de helft van dat van Emmeloord, zodat hij als schadeloosstelling voor die wijk ƒ 35.400,- dacht nodig te hebben. Bij een ontruiming was er dus naar verwachting een totaalbedrag nodig van ƒ 106.200,- als schadeloosstelling voor de Schokkers. Dan moest er natuurlijk ook berekend worden wat een nietontruimd Schokland jaarlijks kostte: De jaarlijksche uitgaven voor de bewoners van Schokland door het Rijk en de Provincie bedragen zoover mij bekend is p.m.: – Tractement van den Heer Burgemeester: ƒ 500,– Tractement van den Veldwagter: ƒ 300,– Tractement van den Geneesheer en de Vroedvrouw: ƒ 1.050,– Jaarlijks onderhoud van de woningen van den Geneesheer en de Vroedvrouw p.m.: ƒ 250,– Tractement van den Heer Predikant en den Koster: ƒ 800,– Jaarlijks onderhoud van de Herv. Kerk en Pastorij p.m.: ƒ 400,– Tractement van den Heer Pastoor: ƒ 800,– Jaarlijks onderhoud van de R.C. Kerk en Pastorij p.m.: ƒ 500,– Tractement van twee schoolonderwijzers: ƒ 1.100,– Jaarlijks onderhoud der schoolgebouwen p.m.: ƒ 350,– Geneesmiddelen voor de armen p.m.: ƒ 150,– Subsidie voor de armen p.m.: ƒ 150,te zamen: ƒ 6.350,Legebeke stelde daarop dat de jaarlijkse uitgaven, alleen voor de bewoners van Schokland, meer bedroegen dan de rente van een kapitaal van ƒ 150.000,-. Daarbij kwam nog dat er bij een ontruimd Schokland elk jaar ongeveer ƒ 6.000,- bespaard kon worden op het paalwerk om de buurten, de straten en de brandblusmiddelen.

05-08-2009 15:13:31


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

ho o fd stuk 02

-

45

Sc ho k la nd verl aten?

|

|

Een oude prentbriefkaart van het kErkJE op Schokland.

Een totale verplaatsing van de bewoners van Schokland zou dus een behoorlijk voordeel voor het Rijk opleveren. Er was dan zelfs nog geld over om eventueel de schadeloosstelling voor de Schokkers wat te verhogen, zodat zij behoorlijk in staat zouden zijn om in een andere plaats een nieuw leven op te bouwen. Legebeke betwijfelde echter of iedereen wel zo graag het eiland wilde verlaten. Hij vroeg de volgende vissers om hun mening: C. Kwakman, J.A. Klappe, J.A. Diender, J.H. Diender, Peter Visscher, Louwe H. Klappe, Peter Kok, B. Oldenhof, A. Broodbakker, D. Kamper en B. Zoet. Deze elf Schokkers, “als behoorende tot de voornaamste visschers”, hadden hem gezegd “dat zij geene plaats konden uitdenken, die voor hunne visscherij zoo goed gelegen was dan Schokland, en dat in dat opzigt eene verplaatsing voor hun niet wenschelijk ware.” 17 Maar achter de schermen ging het plannen maken gewoon door.

SCHOKLANDBOEK.indb 45

De verlaten lIchtwachtErSwonIng op de Zuidpunt van Schokland.

Eenzelfde vergoeding voor iedereen? Even is erover gedacht om voor elk ontruimd huis op Schokland ƒ 1.000,- aan te bieden, maar daar was A.G.A. Ridder van Rappard, de minister van Binnenlandse Zaken, het absoluut niet mee eens, blijkt uit een brief van hem aan de Commissaris in Overijssel, gedateerd 2 oktober 1857. “Het komt mij niet billijk voor dat voor ieder huis dezelfde prijs zou worden gegeven, en de zom schijnt door den hoofdingenieur algemeen ook te hoog geacht te worden”, schreef hij. Daarom stelde hij voor dat de hoofdingenieur van Waterstaat van ieder huis een taxatie zou maken. Aan de hand daarvan zou dan iedere eigenaar een reëel aanbod gedaan kunnen worden, waarna allen uitgenodigd werden om hun handtekening te zetten onder een verklaring dat zij voor dat bedrag hun huis zouden afstaan en het eiland verlaten. Pas dan zou bepaald kunnen worden wat de ontruiming werkelijk zou gaan kosten en of alles wel uitvoerbaar zou zijn. Uit dezelfde brief van 2 oktober 1857 blijkt dat de minister problemen verwachtte met Gillot, die immers bij de ontruiming zijn betrekking als burgemeester van Schokland zou verliezen. Het zou hem niet verbazen als Gillot op een gegeven moment wat minder zou meewerken. Daarom vond de minister het verstandig de burgemeester te laten weten dat hij op de een of andere manier een vergoeding voor het kwijtraken van zijn baan zou krijgen, zodat ze er zeker van konden zijn dat hij de plannen van de regering niet zou dwarsbomen. “Zoo hij de vereischte geschiktheid mogt hebben, zou men hem misschien eene plaatsing als burgemeester elders kunnen belooven; zoo niet, dan zou men een ander middel moeten vinden om hem bij te staan.” 18 Op dat moment was Gillot echter al bijna 75 jaar, en een nieuwe burgemeestersbaan zou er uiteindelijk niet meer in zitten.

05-08-2009 15:13:33


216

|

lummE albErtS klappE,

geboren 4-11-1817 op Schokland, overleden

16-12-1902 in Kampen, gehuwd met de Schokker Albertus Jansen Goosen (1810-1894).

SCHOKLANDBOEK.indb 216

05-08-2009 15:16:46


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

217

p erso nen d ie op 16 december 1858 te Kampen moes ten vers chi j nen

Bijlage 04

personen die op 16 december 1858 te kampen moesten verschijnen Lijst van personen, die bij de zitting van den notaris Scriverius op Schokland niet tegenwoordig waren, en zullen moeten verschijnen te Kampen in het logement over de IJsselbrug op Donderdag den 16 December 1858 ’s voormiddags. —1 —2 —3 —4 —5 —6 —7 —8 —9 — 10 — 11 — 12 — 13 — 14 — 15 — 16 — 17 — 18 — 19 — 20 — 21 — 22 — 23 — 24 — 25 — 26 — 27 — 28 — 29 — 30 — 31 — 32 — 33 — 34 — 35 — 36

Tielke Gerssen en haar man Jan Klein, schipper te Schokland. Johanna Gerssen, dienstbode te Kampen (bij J.O. v.d. Vegt). Willem Gillot, bakkersknecht te Kampen. Aaltje Gillot en haar man Meindert Jans de Boer, visscher te Urk. Ide Koffeman te Urk als voogd van Elisabeth en Maria Gillot. Teunis Jans Ham, schipper op Schokland. Jan Klein, schipper te Schokland. Thomas Klein, zeeman te Schokland op de boot van Kampen naar Hull. Klaasje Koek en haar man Jan Mulder, schoenmaker te Kampen. Klaas Kramer te Urk. Jan Jansen Karel, visscher te Ens. Hendrik Koridon te Kampen. Marijtje Koridon en haar man Bernardus Lambertus Meulenbroek te Kampen. Eva Koridon en haar man Albert van den Berg te Kampen. Jan Jacobs Korjanus, wever te Nijverdal. Jacob Ruiten, wever te Nijverdal. Reijer Pieters Kale, schipper op Schokland. Lijsje de Jonge en haar man, Haarlemmermeer. Tijmen de Jong, Edam. Jan de Jong, Edam. Jan J. Corjanus te Nijverdal. Klaas Karel te Kampen. Jannetje Dubbels Botter en haar man te Kampen. Albert Dubbels Botter te Kampen. Aafje Gerrits Botter en haar man K.W. Broodbakker te Veenhuizen. Aaltje Derks Botter en haar man Louwe Tromp te Lemmer. Marijtje Dirks Botter en haar man te Kampen. Jansje Dirks Botter, dienstbode te Amsterdam. Jacob Alberts Net te Kampen en zijne vrouw Jannetje Jans Goosen. Dirk Alberts Net te Kampen. Klaas Alberts Net te Kampen. Jannetje Klaas Botter, weduwe Louw Bruins Veen te Kampen. Dubbel Louwen Diender, arbeider te Kampen. Tonia Hendriks Diender en haar man Steven de Graaf te Kampen. Grietje Hendriks Diender en haar man Gradus Laarman te Kampen. Maria Bruinsen Diender en haar man Jan Jans Ouderling te Kampen.

— 37 Jan Alberts de Boer te Schokland (de ongehuwde). — 38 Stientje Willems Sul, weduwe Hannes Karman te Kampen. — 39 Louwe Willems Tromp te Lemmer, voor zich en zijn minderjarig kind. — 40 Maria Dubbels Goossen en haar man G. van Ulzen te Kampen. — 41 Lijsjen Everts Goossen en haar man te Hoorn. — 42 Bartje Everts Goossen, dienstbode te Hoorn. — 43 Eva Cornelis Grootjen en haar man Willem Jansen Zalm te Vollenhove. — 44 Derkje Derks Karel, zonder beroep te Kampen. — 45 Maria Derks Karel, weduwe Steven de Graaf te Kampen. — 46 Annetje Kobus Klappe en haar man Jan Leeuwenkamp, schipper te Kampen. — 47 Trijn Kobus Klappe en haar man Jacob Visscher, houtzaagmolenaarsknecht te Kampen. — 48 Lumme Alberts Klappe en haar man Albert Jans Goossen te Kampen. — 49 Dirkje Ruiten en haar man Steven Toeter te Kampen. — 50 Jacob Ruiten, wever te Kampen. — 51 Dirk Ruiten, schippersknecht Emmeloord. — 52 Kobus Ruiten, zeeman Harderwijk. — 53 Trijn Ruiten en haar man Jan Jans Schoon, schipper te Ens. — 54 Albert Ruiten, schipper te Kampen. — 55 Maria Ruiten en haar man Jannes van Ulsen, wever te Kampen. — 56 Dieuwertje Visscher, weduwe Hendrik Plezier te Kampen. — 57 Klaasje Mastenbroek en haar man Jan Gillot, zeeman te Kampen. — 58 Maria Mastenbroek en haar man Jan Buter, schipper te Winschoten. — 59 Annetje Mastenbroek, dienstbode te Apeldoorn. — 60 Gerrigje de Jong en haar man Albert Mastenbroek, sjouwer te Amsterdam. — 61 Hendrik Willems Koridon, visscher te Kampen. — 62 Jan Peters Mastenbroek, schipper te Amsterdam. — 63 Aaltje Sul en haar man Sijmen Veerman, visscher te Vollendam. — 64 Annetje Pieters Kale en haar man Pieter Jansen Ham, schipper op Schokland. — 65 Wed. Pieter Willems Kluessien te Nijverdal. — 66 Margje de Jong, dienstbode te Kampen (bij Stibbe). — 67 Lijsje Bruinsen Diender, eerder weduwe Lodewijk Kok, later van Hendrik Tol te Vollendam.

— 68 Maria Alberts Bape, dienstbode te Kampen (bij van Ingen). — 69 Marij Alberts Bape, dienstbode te Kampen (bij Rekveld). — 70 Jan Jans Konter te Vollendam. — 71 Lummetje Dirks Bien, huishoudster te Kampen (bij de Mikke). — 72 Jan Kok te Kampen. — 73 Jan Dirks Tromp, zeeman, volgens lopende geruchten zoude op zee vergaan zijn. — 74 Bruin Jans Klappe te Hasselt. — 75 Trijn Kobus Diender, dienstbode te Kampen (bij G. Oud). — 76 Albert Klaassen Klappe, visscher te Vollendam. — 77 Aaltje Alberts Koek, weduwe G.K. Klappe, later van Jan Konter te Kampen. — 78 Maria Alberts Koek en haar man Kobus Ruiten te Harderwijk. — 79 Marij Alberts Koek en haar man Albert Botter te Kampen. — 80 Trijntje Alberts Koek en haar man te Kampen. — 81 Aaltje Alberts Koek, dienstbode te Kampen (bij A. Werf). — 82 Derkje Alberts Koek, dienstbode te Kampen (bij Marrijn). — 83 Grietje Alberts Konter, dienstbode te Kampen (bij Kalf). — 84 Elisabeth Bruins en haar man Pieter de Wit, schuitenmaker te Broek op Langedijk. — 85 Lucas Mastenboek, zeeman. — 86 Jacob Pieters Mastenbroek, schipper te Ens. — 87 Jannetje Mommende en haar man Jan Luters te Kampen. — 88 Aaltje Mommende, dienstbode te Kampen (bij Bijsterbos). — 89 Cornelis Everts Mossel, visscher te Vollenhove. — 90 Jacob Harms Net, arbeider te Kampen en zijne vrouw Maria Jansen Scholten. — 91 Evertje Jansen Scholten, wed. Harm Jansen Koot te Kampen. — 92 Geritje Lollen Visscher en haar man Goorke Gerbes Huizinga te Workum. — 93 Betje Lollen Visscher en haar man Jan Willems Tromp te Veenhuizen. — 94 Harm Louwen Sul, schippersknecht te Vollendam. — 95 Jannetje Louwen Sul, bleekersmeid te Kampen. — 96 Aaltje Louwen Sul, vrouw van Gerrit Bottenberg te Kampen. — 97 Klaasje Louwen Sul, bleekersmeid te Kampen. — 98 Cornelisje Jansen Zalm en haar man Klaas Koridon te Kampen.1 1

SCHOKLANDBOEK.indb 217

NAS, inv.nr. 234, nr. 7, d.d. 7-12-1858.

05-08-2009 15:16:46


218

|

Onderhandse VErkoopaktE van 27 november 1854, waarschijnlijk betreffende een ongeregistreerd pand te Emmeloord, sectie C, staand tussen nr. 41 en 51. (po,

SCHOKLANDBOEK.indb 218

inv.nr.

18323, map 6)

05-08-2009 15:16:49


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

d e k ad astrale percel en op Schokl and

219

Bijlage 05

de kadastrale percelen op Schokland

Het kadaster Onder het kadaster verstaan we de op last van de rijksoverheid bijgehouden en voor iedere burger openbare registratie van onroerende zaken door middel van registers en kaarten. In het kadaster staan geregistreerd de ligging, de omvang, de aard en het gebruik van percelen, alsmede de daarop rustende zakelijke rechten, zoals eigendom, hypotheek, erfpacht, opstal of verschillende vormen van vruchtgebruik. Het kadaster is in de Franse tijd in het leven geroepen om de hoogte van de grondbelasting te kunnen bepalen. In het Département de Bouches de l’ Issel (de huidige provincie Overijssel) is men met de kadastrering begonnen in 1812, een proces dat jaren zou vergen. De departementen waren destijds verdeeld in een aantal kantons, bestuurlijke districten bestaande uit een aantal gemeenten, en die kantons werden één voor één in kaart gebracht. Tot het kanton Kampen behoorden de gemeenten Genemuiden, Grafhorst, IJsselmuiden, Kampen, Kamperveen, Wilsum, Zalk en Veecaten. In 1812 was men in dit kanton al begonnen met de kadastrering, maar na de val van het Franse keizerrijk in 1813 kwam het werk enkele jaren stil te liggen. In 1816 werd de draad weer opgenomen, maar Schokland werd daarbij aanvankelijk overgeslagen omdat men betwijfelde of kadastrering daar wel zin had. Het eiland werd immers alleen maar bewoond door arme vissersgezinnen en was ongeschikt om er iets op te verbouwen, dus aan belasting zou het vrijwel niets opbrengen. Het kadaster in Overijssel ressorteerde destijds onder mr. E.A. Daendels, de directeur van de Directe Belastingen aldaar, en hij rapporteerde dat het beter was om het eiland buiten de kadastrering te houden. De minister van Financiën volgde dit advies blijkbaar op en zodoende hoefde landmeter eerste klasse W. van Wijngaarden, die al was aangewezen om er de metingen te doen, zich niet voor Schokland in te schepen. Het rapport van Daendels vermeldde dat het eiland 187 hectare groot was. Daarvan lag 62 hectare buitendijks, overgelaten aan de golven van de zee, zodat de bruikbare oppervlakte slechts 125 hectare bedroeg. Het grootste deel van het eiland stak maar een halve meter boven het normale zeeniveau uit. Aan de westkant werd het eiland beschermd door een dijk en aan de oostkust door een palenrij. In de drie buurschappen, die iets hoger lagen dan het eiland zelf, woonden 613 mensen in houten huizen met rieten daken. Sommige van die huizen verkeerden in slechte toestand. Bij hoog water moesten de Schokkers naar de zolders vluchten om zich tegen het water te beschermen. Er groeide nauwelijks iets op Schokland: er stonden maar drie of vier bomen en verbouw van gewassen vond er niet plaats. Er was alleen maar een aantal weilanden van zeer slechte kwaliteit, begraasd door enkele armzalige hoornbeesten, die steeds bijgevoerd moesten worden en die op het buitendijkse land tot hun buik door het slijk waadden. De Schokkers leefden van de visserij en moesten alle andere levensmiddelen, zelfs vers water, van het vasteland halen. Hun armoede was even oud als taai; in het verleden waren ze zelfs af en toe vrijgesteld geweest van betaling van belastingen. Niet de moeite van het opmeten waard dus, vond men destijds kennelijk. Maar begin 1823 besloot de regering dat ook Schokland gewoon in kaart gebracht moest worden. Op 9 juni van dat jaar werd door landmeter eerste klasse J. Kommers Pz., bijgestaan door de controleur van het kadaster J.S. Booghmans, de grens van de gemeente Schokland in kaart gebracht. Daarbij waren aanwezig Lucas Seidel, die schout van Schokland was, en Paulus Gillot, die door hem als aanwijzer benoemd was. Ze waren snel klaar. Men concludeerde eenvoudig dat van het noorden naar het oosten, zuiden en westen omgaande, het eiland met geen enkele gemeente een grens gemeenschappelijk had en de Zuiderzee daardoor de grens bepaalde. Op 17 juni keurde gouverneur B.H. baron Bentinck tot Buckhorst de grensbepaling goed, en daarna kon met de perceelsgewijze opmeting worden begonnen. Een maand later, op 23 juli 1823, werd het eiland in drie kadastrale secties verdeeld, waarvan het volgende proces-verbaal werd opgemaakt.

SCHOKLANDBOEK.indb 219

05-08-2009 15:16:49


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

220

Proces-verbaal der verdeeling van het grondgebied der gemeente Schokland in sectiën In den jare achttienhonderd en drieëntwintig den twintigsten dag der maand Julij hebben wij landmeter van de eerste klasse van het Kadaster, belast met de perceelsgewijze opmeting der gemeente Schokland, waarvan het proces-verbaal der grensbepaling is opgemaakt den negende junij 1823 en gesloten den zelfden dag door den landmeter J. Kommers Pzn. als door den directeur-generaal der Directe Belastingen en der Posterijen speciaal benoemd tot de opneming der grens-scheidingen, ons begeven op het raadhuis der gezegde gemeente; wij hebben aldaar gelezen in tegenwoordigheid van den heer L. Seidel, schout der gemeente, het bovengemelde proces-verbaal der grensbepaling, en onderzocht de staten van de tegenwoordige verdeeling der gemeente, welke ons zijn voorgelegd, mitsgaders de bovengemelde heer schout verzocht ons te vergezellen op het terrein, om gezamelijk de beste middelen te beramen, en op eene geschikte wijze de verdeeling van het grondgebied der gemeente in sectiën tot stand te brengen. De heer schout aan ons verzoek voldaan hebbende, hebben wij dadelijk het grondgebied der gemeente doorloopen, en met alle naauwkeurigheid in oogenschijn genomen; en, na op de plaatsen zelven de noodige inlichtingen voor onzen arbeid te hebben ingewonnen, hebben wij ons, na onze terugkomst, op het raadhuis bezig gehouden met eene bepaalde verdeeling van het grondgebied in sectiën, welke wij, met overleg van den heer schout hebben geregeld als volgt: De eerste sectie, welke wij genaamd hebben Oude Kerk Zuiderbuurt, zal worden aangewezen met de letter A. De tweede, genaamd de Molenbuurt, door de letter B. De derde, Emmeloort geheeten, door de letter C. En ten einde deze verdeeling onverandert te behouden, ter voorkoming van verwarring in de werkzaamheden, aan welke dezelve ten grondslag moet verstrekken, verklaren wij: Dat de sectie A dat gedeelte van het grondgebied der gemeente bevat, ’t welk grenst als volgt, te weeten: ten noorden aan de sectie B worden afgescheiden door een dwarsdijk, lopende van de Steendijk tot aan de Kistdam; ten oosten aan de Zuiderzee; ten zuiden aan idem; ten westen aan idem. Dat de sectie B dat gedeelte bevat, ’t welk grenst: ten noorden aan de sectie C, zig bepalende door een dwarsdijk genaamd [niet ingevuld], lopende insgelijks van de Steendijk oostwaards na het Paalwerk; ten oosten aan de Zuiderzee; ten zuiden aan sectie A hierboven omschreven; ten westen aan de Zuiderzee. Dat de sectie C dat gedeelte bevat hetwelk grenst: ten noorden aan de Zuiderzee; ten oosten idem; ten zuiden tegen de dijk scheidende sectie B; ten westen de Zuiderzee. Gedaan te Schokland ten dage maand en jare voornoemd. De schout van de gemeente Schokland L. Seidel. De landmeter der eerste klasse bij het Kadaster in Overijssel W. Boeijink.

Daarna kon met het opmeten van de verschillende percelen op het eiland worden begonnen. Het Nederlandse kadaster als grondslag voor de heffing van de grondbelasting is uiteindelijk officieel op 1 oktober 1832 in werking getreden, met uitzondering van de provincie Limburg, die pas in 1843 zou volgen.1 Gebruikmakend van de kadastrale stukken, aangevuld met gegevens uit verschillende bronnen, hebben wij een reconstructie gemaakt van de bebouwing op Schokland tussen 1832 en 1859. Bij nadere bestudering blijkt dat de oudste kadasterstukken weliswaar gedateerd zijn op 1832, maar dat zij in feite een tien jaar eerder getekend moeten zijn. Dat is op te maken uit het feit dat sommige van de vermelde eigenaren al vóór 1832 overleden zijn. Verder is het bijzonder opvallend dat de ten tijde van de ontruiming bij het kadaster geregistreerde eigenaren van huizen op Schokland doorgaans niet de werkelijke eigenaren bleken te zijn.

SCHOKLANDBOEK.indb 220

05-08-2009 15:16:49


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

221

d e k ad astrale percel en op Schokl and

Oude Kerk Oude Kerk en Zuiderbuurt | sectie A nr. 1 | Vuurtoren en erf, groot 18 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. nr. 2 | Huis en erf, groot 830 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. nr. 3 | Kerkhof, groot 310 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. nr. 4 | Weiland, groot 131.880 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1836 was eigenaar: de gemeente Schokland. nr. 5 | Water, groot 6.670 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1836 was eigenaar: de gemeente Schokland. nr. 6 | Water, groot 22.870 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1836 was eigenaar: de gemeente Schokland. nr. 7 | Weiland, groot 45.400 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1836 was eigenaar: de gemeente Schokland. nr. 8 | Weiland, groot 338.750 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1836 was eigenaar: de gemeente Schokland.

Zuiderbuurt De hierna volgende percelen sectie A, nr. 10 t/m 40 liggen allemaal op de Zuiderbuurt. nr. 10 | Huis, groot 26 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Pieter Thijmen Visscher (1770-1853), gehuwd met Jannetje Bruins Klein (1772-1843). nr. 11 | Huis, groot 35 m2. In 1832 waren eigenaar: de erfgenamen van Gerrit Reuriks de Groot (17571826), gehuwd met Klaasje Pieters Kale (1762-1803). Waarschijnlijk was in 1854 eigenaar: hun zoon Pieter Gerrits de Groot (17991874), gehuwd met Trijntje Pieters Visscher (1804-1866). In dat jaar werd vermeld: “Peter de Groot woont nu bezijden Derk Buter”. Hij verhuisde naar de Molenbuurt (zie sectie B, nr. 85). nr. 11a | Huis, groot 30 m2. In 1832 was eigenares: Lijsje Pieters Kale (1767-1838), weduwe van Jan Reuriks de Groot (1750-1826). Vóór 1836 werd eigenaar: Gerrit Alberts Bruin (1795-1834), gehuwd met Jacobje Jans de Groot (1794-1845). Waarschijnlijk was later eigenares: hun op Marken wonende dochter Dirkje Gerrits Bruins (1827-1895), gehuwd met Jan Commandeur. Op 16-6-1854 schreef de burgemeester van Marken aan de burgemeester van Schokland dat Jan Commandeur, gehuwd met Dirkje Bruins, eigenaar was van een huis op Schokland dat verplaatst of overgedragen moest worden tegen een schadeloosstelling. Aan de burgemeester van Schokland werd gevraagd alles te regelen bij volmacht. nr. 12 | Huis, groot 68 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Jan Willems Kleussien (1779-1849), gehuwd met Aaltje Willems Zalm (1770-1826).

nr. 9 | Weiland, groot 220 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen.

SCHOKLANDBOEK.indb 221

05-08-2009 15:16:57


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

nr. 13 | Huis, groot 49 m2. In 1832 waren eigenaar: de erfgenamen van Albert Gerritsen Bruins (1762-1826), gehuwd met Dirkje Sijmen Kroeze (1770-1827). In 1841 was eigenares: de wed. Alberts Gerritsen Bruin, geb. Derkje Lambers, dagloner. Waarschijnlijk werd bedoeld: de erfgenamen van Albert Gerritsen Bruins (1762-1826), gehuwd met Dirkje Sijmen Kroeze (1770-1827). Er is dan sprake van een huis en erf, groot 49 m2, dat hernummerd wordt naar nr. 26. nr. 14 | Huis, groot 41 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Andries Jansen Klein (1779-1860), gehuwd met Nelle Jacobs Ruiten (1785-1866). In 1848 werd het huis vervangen door een kleiner huis, zodat er een stukje erf ontstond. Het huis werd toen hernummerd naar nr. 39. nr. 15 | Huis, groot 65 m2. In 1832 was eigenares: Annetje Gerrits Soet (1771-1843), weduwe van Willem Theunis Bruins (1755-1829). In 1848 werd het huis afgebroken en het perceel hernummerd naar nr. 40. nr. 16 | Huis, groot 54 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Klaas Teunis de Groot (1783-1853), gehuwd met Marijtje Jansen Koek (1785-1854). nr. 17 | Huis, groot 58 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Louwe Theunis de Jong (1775-1847), weduwnaar van Jacobje Machiels Klein (1771-1806), hertrouwd met Nelletje Thijmens Buter (1787-1861). In 1854 verhuisde Nelletje Thijmens Buter naar de Molenbuurt (zie sectie B, nr. 87). Kort daarvoor schreef burgemeester Gillot in verband met de naderende verhuizing over haar zoon Jan Louwen de Jong (1813-1879), wonend op huisnummer 4: “hij heeft al onderzoek naar timmerhout gedaan, maar is tot heden nog niet ten uitvoer gebragt”. Later meldde hij: “Jan Louwen de Jong woont nu achter Remmelt Mastenbroek”. nr. 18 | Huis, groot 62 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Gerrit Jansen Schoon (1759-1840), gehuwd met Maria Jacobs (1766-1837). In 1848 werd het perceel verkleind naar 42 m2, en hernummerd naar nr. 28. nr. 19 | Huis, groot 66 m2. In 1832 waren eigenaar: de erfgenamen van de visser Jakob Jansen Schoon (1763-1831), gehuwd met Nelletje Pieters van der Molen (1765-1832). In 1848 werd het perceel verkleind naar 47 m2, en hernummerd naar nr. 29. nr. 20 | Huis, groot 59 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Tijmen Klaassen de Jong (1790-1839), gehuwd met Eva Jansen Klein (1785-1856). In 1848 werd het perceel verkleind tot 41 m2 en hernummerd naar nr. 34. nr. 21 | Huis, groot 54 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Jan Willemsen Gersen (1786-1858), gehuwd met Geertruida Pieters Hazelhof (1796-1862). In 1848 werd het perceel verkleind tot 39 m2 en hernummerd naar nr. 35. nr. 22 | Huis, groot 98 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Jan Jansen Gersen (1779-1832), gehuwd met Jannetje Theunis de Groot (1787-1832). In 1848 werd het huis afgebroken. Het perceel werd bij het nieuwe perceel 31 gevoegd.

SCHOKLANDBOEK.indb 222

222

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

nr. 23 | Huis, groot 62 m2. In 1832 was eigenaar: de visser Teunis Reuriks de Groot (1746-1834), gehuwd met Aaltje Andries de Camper (1754-1814). nr. 24 | Huis, groot 62 m2. In 1832 was eigenaar: de dagloner Jan Jansen Kok (1759-1828), gehuwd met Eva Andries de Camper (1760-1830). In 1836 werd eigenaar door koop: de schipper Bruin Jansen Klappe (1787-1866) uit Emmeloord, gehuwd met Anna Roelofs van der Lende (1797-1820) uit Kuinre, hertrouwd met Ida Ariëns Overtoom (1792-?) uit Schagen, en nogmaals hertrouwd met Maria Catharina Stortman (1800-1878) uit Duitsland. In 1841 was sprake van een huis en erf. In dat jaar verving Klappe het huis door een schuur, waarna het perceel hernummerd werd naar nr. 27. nr. 25 | Erf, groot 2.060 m2, gelegen tussen en rond de woningen van de Zuiderbuurt. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1848 werd het terrein ingekrompen tot 88 m2 en hernummerd naar nr. 32. nr. 26 | Huis en erf, groot 49 m2. Vóór 1841 was dit perceel nr. 13. In 1841 was eigenares: de weduwe van Alberts Gerritsen Bruin, geboren Derkje Lambers, dagloner. Waarschijnlijk werd bedoeld: de erfgenamen van Albert Gerritsen Bruins (1762-1826), gehuwd met Dirkje Sijmen Kroeze (17701827). Waarschijnlijk was in 1854 eigenaar: hun zoon Theunis Alberts Bruins (18011878), gehuwd met Jannetje Jans Mosterd (1803-1865). In dat jaar werd vermeld: “Teunis Bruins woont nu aan de noordzijde der buurt”. Hij verhuisde in dat jaar naar de Molenbuurt, sectie B, nr. 27. nr. 27 | Schuur en erf, groot 62 m2. Vóór 1841 was dit perceel nr. 24. In 1841 was eigenaar: de schipper Bruin Jansen Klappe (1787-1866) uit Emmeloord (zie nr. 24). In 1848 werd de schuur afgebroken en het perceel verkleind naar 18 m2, waarna het hernummerd werd naar nr. 36. nr. 28 | Huis, groot 42 m2. In 1848 werd perceel nr. 18 verkleind en hernummerd naar nr. 28. Eigenaren waren toen: de erfgenamen van de visser Gerrit Jansen Schoon (1759-1840), gehuwd met Maria Jacobs (1766-1837). nr. 29 | Huis, groot 47 m2. In 1848 werd perceel nr. 19 verkleind en hernummerd naar nr. 29. Eigenaars waren toen: de erfgenamen van de visser Jakob Jansen Schoon (1763-1831), gehuwd met Nelletje Pieters van der Molen (1765-1832). Waarschijnlijk werd het huis bewoond door hun zoon: Jan Jacobs Schoon (1794-1862), gehuwd met Antonia Alberts Klappe (1805-1884). Burgemeester Gillot meldde in 1854 aan de Commissaris des Konings in Overijssel: “Jan Jacobs Schoon heeft ook een oude woning op Ens gekogt en met gedeelten afbraak van zijne woning dezelve hersteld en zal dezelve later nog verder herstellen, welke thans ook al door hem en zijn gezin word bewoond”. Hij woonde op huisnummer 11, en is in dat jaar verhuisd naar de Molenbuurt, sectie B, nr. 30. nr. 30 | Huis, groot 58 m2. In 1848 gebouwd. nr. 31 | Erf, groot 2.023 m2. In 1848 ontstaan, toen van een groot aantal percelen op de Zuiderbuurt de grenzen opnieuw bepaald werden.

05-08-2009 15:16:58


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

nr. 32 | Erf, groot 88 m2. In 1848 werd perceel 25 ingekrompen tot 88 m2 en hernummerd naar nr. 32. nr. 33 | Bergplaats, groot 28 m2. In 1848 gebouwd. nr. 34 | Huis, groot 41 m2. In 1848 werd perceel nr. 20 verkleind en hernummerd naar nr. 34. Eigenares was toen: Eva Jansen Klein (1785-1856), weduwe van de visser Tijmen Klaassen de Jong (1790-1839). In 1855 kocht ze een huis op de Molenbuurt (zie sectie B, nr. 74). nr. 35 | Huis, groot 39 m2. In 1848 werd perceel nr. 21 verkleind en hernummerd naar nr. 35. Eigenaar was toen: de visser Jan Willemsen Gersen (1786-1858), gehuwd met Geertruida Pieters Hazelhof (1796-1862). Burgemeester Gillot meldde in 1854 aan de commissaris des Konings in Overijssel: “Jan Gersen heeft op Ens een goede woning gekogt, maar was uitgewoond, welke hij heeft hersteld, en alwaar hij thans al in woonachtig is”. Hij woonde op huisnummer 11. Later in 1854 schreef de commissaris: “Jan Willems Gerssen woont nu achter Jan Corjanus”. Hij is verhuisd naar de Molenbuurt, sectie B, nr. 28. nr. 36 | Erf, groot 18 m2. In 1848 werd perceel nr. 27 verkleind en hernummerd naar nr. 36. Eigenaar was toen: de schipper Bruin Jansen Klappe (1787-1866) uit Emmeloord (zie nr. 24). nr. 37 | Erf, groot 15 m2. In 1848 ontstaan. nr. 38 | Erf, groot 62 m2. In 1848 ontstaan. nr. 39 | Huis, groot 65 m2. In 1848 werd het huis op perceel 14 vervangen door een kleiner huis, zodat er een stukje erf ontstond. Het huis werd toen hernummerd naar nr. 39. Eigenaar was toen: de visser Andries Jansen Klein (1779-1860), gehuwd met Nelle Jacobs Ruiten (1785-1866). nr. 40 | Erf, groot 41 m2. In 1848 werd het huis op perceel 15 afgebroken en het perceel hernummerd naar nr. 40. Waarschijnlijk was toen eigenaar: Teunis Willem Bruins (1807-1875), gehuwd met Lijsje Peters Kaale (1812-1868), die in 1854 naar de Molenbuurt verhuisden (zie sectie B, nr. 86). In 1854 werd vermeld: “Teunis Willems Bruins woont nu vóór Jan Mastenbroek”.

SCHOKLANDBOEK.indb 223

223

d e k ad astrale percel en op Schokl and

Molenbuurt Molenbuurt | sectie B nr. 1 | Erf, groot 52 m2. In 1832 was eigenaar: de gemeente Schokland. Vóór 1836 was eigenaar: de gemeente Schokland. Het perceel werd toen met 7 m2 verkleind en hernummerd naar nr. 63. nr. 2 | Huis, groot 207 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. Hier woonde Casimir Frederik Seidel (1790-1848), opzichter van Rijkswaterstaat. Hij was ongehuwd en woonde in een der best onderhouden en netste huizen op Ens. Zijn inkomen was dan ook het grootste op het eiland, en bedroeg 840 gulden per jaar. In 1836 werd het perceel verkleind met 6 m2 en hernummerd naar nr. 64. nr. 3 | Hervormde kerk, groot 75 m2. De kerk werd gebouwd in 1717 ter vervanging van de kerk op de Zuidpunt, en gesloopt in 1833. In 1834 werd, deels op de bestaande funderingen, de kerk gebouwd waarin thans het museum Schokland is gevestigd. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. Vóór 1836 werd het perceel vergroot met 19 m2 en hernummerd naar nr. 61. nr. 4 | Hervormde pastorie, groot 220 m2. In 1832 was eigenaar: ’s-Rijks Domeinen. In 1836 werd het perceel verkleind met 25 m2 en hernummerd naar nr. 62. nr. 5 | Huis, groot 150 m2. In 1832 waren eigenaar: de erfgenamen van Jacob Teunissen Bakker (1747-1825) en zijn vrouw Eva Hendriks Schunt (1742-1816). In 1841 was eigenaar: hun zoon Teunis Jacob Bakker (1774-1835), weduwnaar van Marijtje Jacobs Goosen (1778-1824), hertrouwd met Jannetje Mulder (?-1852) uit Steenwijk. Er is dan sprake van een huis en erf, groot 150 m2, dat opgesplitst werd in twee delen, die hernummerd werden naar nr. 68 en 69. nr. 6 | Huis, groot 195 m2. In 1832 was eigenares: Jannetje Pieters Buter (1759-1842), weduwe van de kroeghouder Jacob Reijers Kale (1749-1824). Na hun overlijden zal het huis eigendom geworden zijn van hun zonen: a) Pieter Jacobs Kale (1782-1872), tapper, winkelier, roggebroodbakker, koopman en schipper, gehuwd met Nelletje Jans Mostert (1784-1852), en hertrouwd met Kenne Hokwerda Bruin (1794-1861); b) Reijer Jacobs Kale (1780-1857), koopman, winkelier, bakker en schipper, gehuwd met Dirkje Teunissen de Jong (1768-1847); Na het overlijden van de eerste vrouw van Pieter Jacobs Kale werden haar bezittingen, waaronder haar aandeel in het huis, verdeeld onder de kinderen Lijsje (1812-1868), Annetje (1820-1878), Jannetje (1817-1871) en Reijer Pieters Kale (1818-1877). Op 1-1-1854 werd de verdeling vastgelegd, waarbij de dames zoals destijds gebruikelijk vertegenwoordigd werden door hun echtgenoten: Wij ondergeteekenden, Teunis Willems Bruins, Peter Jansen Ham en Willem Andries Klein, aangehuwde zonen van Peter Jacobs Kale en wijlen Nelletje Jans Mostert, alsmede Reijer Peters Kale, echte zoon van bovengenoemde Peter Jacobs Kale en wijlen Nelletje Jans Mostert, bekennen bij dezen ontvangen te hebben van gemelden hunnen Vader Peter Jacobs Kale, hun geheel toekomend moederlijk erfdeel, na voorafgaande opmaking van inventaris en taxatie van alle roerende en onroerende goederen, aanwezig na het overlijden van genoemde hunne Moeder Nelletje Jans Mostert. Schokland den 1 Januarij 1854. [w.g.] Teunis Willems Bruins; P.J. Ham; W.A. Klein; Reijer Pieter Kale.

05-08-2009 15:16:58


270

|

SchokkErS op EmmEloord, getekend in 1787 door Reinier Vinkeles (1741-1816). De hier gedragen kledij heeft veel weg van die van het eiland Marken. Kort daarna ging men hoe langer hoe meer over op de dracht die we kennen van de foto’s van oud-Schokkers.

SCHOKLANDBOEK.indb 270

05-08-2009 15:17:29


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

2 71

p o rtretten van geboren Schokkers

Bijlage 08

portretten van geboren Schokkers

Hoewel in 1859 ruim 600 Schokkers het eiland verlieten, waren tot de oprichting van de Schokkervereniging in 1985 slechts enkele portretten bekend van mensen die nog op het eiland geboren waren. Sindsdien heeft die vereniging, vooral door het speurwerk van de oprichters Ab Klappe uit Eindhoven en Henk Toeter uit Kampen, van bijna 90 oud-Schokkers één of meerdere foto’s ontdekt, veelal gereproduceerd door fotograaf Kees Mossel uit Vollenhove. Hieronder volgen alle tot nu bekende portretten van mensen die geboren zijn op Schokland.

albErt bruInSEn bapE | geboren 14-9-1843 op Schokland, overleden 11-9-1927 te Kampen, gehuwd met de Schokkerin Grietje Jans Kok (1842-1915).

marIa bIEn | geboren 8-9-1856 op Schokland, overleden 15-9-1933 te IJsselmuiden, en haar man antonIuS tEr horSt | geboren 27-11-1852 te Goor, overleden 22-6-1930 te Kampen.

SCHOKLANDBOEK.indb 271

dIEnE gErrItS bIEn | geboren 14-6-1824 op Schokland, overleden 9-2-1906 te Volendam, gehuwd met de Volendammer Klaas Klaasz Smit (1825-1862).

tEuntJE albErtS bIEn | geboren 11-7-1845 op Schokland, overleden 15-1-1940 in Volendam, gehuwd met de Volendammer Jacob Tuijp (1838-1897).

JannEtJE dIrkS bottEr | geboren 12-5-1844 op Schokland, overleden 6-4-1933 in Kampen, gehuwd met de Schokker Steven Toeter (1839-1895). Rechts: hun dochter Jacoba toEtEr (1886-1969).

05-08-2009 15:17:32


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

272

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

louwE bottEr | geboren 18-12-1848 op Schokland, overleden 4-7-1940 in Kampen, gehuwd met de Schokkerin Jannetje Kok (1848-1905).

thIJmEn tEunIS butEr | geboren 29-6-1830 op Schokland, overleden 29-12-1908 op Urk, gehuwd met de Schokkerin Jacoba Jansen Ham (1831-1873).

albErtuS dE boEr | geboren 28-8-1858 op Schokland, overleden 22-8-1933 te Vollenhove, en zijn vrouw anna marIa catharIna dIErkES | geboren 23-7-1863 te

marIa dIrkS bottEr | geboren 21-3-1825 op Schokland, overleden 29-1-1892 in Kampen, gehuwd met de Kampenaar Piet van Braam (1824-1898).

Jacob JanS corJanuS | geboren 4-7-1835 op Schokland, overleden 4-2-1923 in Kampen, gehuwd met Maria Velthuis (18401906) uit Kampen.

alEIda dE boEr | geboren 3-4-1858 op Schokland, overleden 14-4-1940 te Vollenhove, gehuwd met de Schokker Jan Ouderling (1856-1943).

dIrkJE JanS butEr | geboren 17-9-1821 op Schokland, overleden 5-3-1891 in Kuinre, gehuwd met Albartus Wiegmink (1812-1896) uit Kuinre. Het meisje is waarschijnlijk haar jongste dochter wIESJE wIEgmInk (1860-1922).

marIa harmS corJanuS | geboren 29-11-1826 op Schokland, overleden 14-4-1912 te Vollenhove, gehuwd met de Schokker Jan Alberts de Boer (1822-1864), hertrouwd met de Schokker Evert Kobus Mossel (1838-1911).

harmEn dE boEr | geboren 11-6-1852 op Schokland, overleden 19-4-1944 te Vollenhove, en zijn vrouw aaltJE karEl | geboren 23-11-1859 in Vollenhove, overleden aldaar 6-1-1957.

Vollenhove, overleden aldaar 4-3-1953.

SCHOKLANDBOEK.indb 272

05-08-2009 15:17:37


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

273

p o rtretten van geboren Schokkers

JoannES thIJmEnS dE boEr | geboren 18-7-1850 op Schokland, overleden 4-5-1927 in Vollenhove, gehuwd met Antonia Maria Zoetebier (1850-1920) uit Vollenhove.

JannEtJE dE boEr | geboren 6-11-1855 op Schokland, overleden 18-1-1906 in Haule (Friesland), gehuwd met Wilhelmus Johannes van Nierop (1852-1911) uit Vollenhove.

thIJmEn dE boEr | geboren 9-12-1852 op Schokland, overleden 8-5-1934 in Vollenhove, en zijn vrouw ElISabEth cornElIa Van nIErop | geboren 10-7-1858 in Vollenhove, overleden aldaar 21-12-1944.

gEErtruIda JanS dE Jong | geboren 17-1-1848 op Schokland, overleden 25-12-1941 in Kampen, haar tweede man EVErt fIddEr | geboren 17-1-1853 in Kampen, overleden aldaar 1-12-1941, en hun dochter aaltJE (1890-1955).

albErtuS hEndrIkS dIEndEr | geboren 9-6-1826 op Schokland, overleden 24-11-1913 in Kampen, gehuwd met de Schokkerin Marritjen Jans Kok (1830-1896).

marIa dE Jong | geboren 15-2-1851 op Schokland, overleden 5-91930 in Kampen, en haar man hEnrIcuS JohannES Van dEr ouw | geboren 22-1-1849 in Amsterdam, overleden 19-7-1934 in Kampen.

SCHOKLANDBOEK.indb 273

05-08-2009 15:17:40


284

SCHOKLANDBOEK.indb 284

05-08-2009 15:18:20


s c h o k l a n d v e r l at e n

-

bijlag en

-

bid p rentjes van geboren Schokkers

285

Bijlage 09

bidprentjes van geboren Schokkers

Katholieken hebben de gewoonte om na het overlijden van een familielid bidprentjes te laten drukken en die tijdens de uitvaart uit te delen aan de aanwezigen. Uit de collectie van de Schokkervereniging volgen hieronder alle tot nu bekende bidprentjes van mensen die geboren zijn op Schokland.

SCHOKLANDBOEK.indb 285

05-08-2009 15:18:22


s c h o k l a n d v e r l at e n

SCHOKLANDBOEK.indb 286

-

een rec o nstruc tie van d e ontvol ki ng i n 1859

286

05-08-2009 15:18:26


s c h o k l a n d v e r l at e n

SCHOKLANDBOEK.indb 287

-

bijlag en

-

bid p rentjes van geboren Schokkers

287

05-08-2009 15:18:30


Schokland verlaten

BINNENCOVER-02.indd 1

11-08-2009 13:25:48


BUITEN-CVR-02.indd 2

12-08-2009 13:11:13


ISBN 978-90-6697-199-8

BUITEN-CVR-02.indd 1

Schokland verlaten

Hoewel het accent in Schokland verlaten ligt op de toedracht van de ontvolking, ontbreekt de menselijke dimensie zeker niet. Zo is er een portrettengalerij opgenomen van alle overgeleverde foto’s van geboortige Schokkers, en een verzameling bidprentjes voor overleden eilanders. Uniek zijn verder de kadastrale plattegronden van de buurten op Schokland, met een uitgebreid overzicht van de bewoners en de bedragen die zij ontvingen als compensatie voor hun vertrek. Mede dankzij dit soort persoonlijk getint illustratiemateriaal, en door de luxe uitvoering van de publicatie, is Schokland verlaten ook een gedenkboek: een waardig monument ter nagedachtenis aan een verdwenen bevolkingsgroep.

Bruno Klappe & Wim Veer

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hoe is de beslissing om het eiland te ontvolken tot stand gekomen, en hoe verliep de uitvoering van dat besluit? En niet in de laatste plaats: hoe verging het de Schokkers nadat ze hun geliefde geboortegrond vaarwel hadden moeten zeggen? Deze vragen staan centraal in Schokland verlaten. Een reconstructie van de ontvolking in 1859 van Bruno Klappe en Wim Veer. De auteurs doen hun relaas aan de hand van een minutieus onderzoek van de overgeleverde bronnen: ambtelijke correspondentie, rapporten, Handelingen van Tweede en Eerste Kamer, maar bijvoorbeeld ook ingezonden brieven en berichten in de pers. Stapsgewijs, bijna van week tot week en van maand tot maand, volgen we het proces dat uiteindelijk zou uitmonden in de conclusie dat de Schokkers moesten vertrekken. Niet eerder werd een zo compleet overzicht samengesteld van alle beschikbare archiefgegevens. Het biedt Klappe en Veer ook de gelegenheid een antwoord te formuleren op misschien de meest cruciale vraag: was er inderdaad sprake van een min of meer gedwongen ontruiming van Schokland? Of kunnen we beter spreken van een collectieve evacuatie, op basis van vrijwilligheid?

Een reconstructie van de ontvolking in 1859

In de zomer van 1859 vond een drama plaats dat uniek is in de Nederlandse geschiedenis: de complete bevolking van Schokland verliet het eiland. Nadat een jaar eerder een wetsvoorstel ter ontvolking van Schokland door het parlement was goedgekeurd, moesten de Schokkers – een kleine 700 mensen in totaal – nu elders een nieuw bestaan gaan opbouwen. Hoewel het eiland niet aan de golven van de Zuiderzee werd prijsgegeven, betekende 1859 wel het einde van de bewoningsgeschiedenis van Schokland, die teruggaat tot in de Middeleeuwen.

Schokland verlaten Een reconstructie van de ontvolking in 1859 Bruno Klappe & Wim Veer

ijsselacademie

12-08-2009 13:10:41