Page 1

>

april 2012

context voor het beroepsonderwijs

Martha Netten:

“We geloven echt in VM2 Techniek.”

In dit nummer o.a. Nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s vmbo Bewegingsonderwijs in het mbo


lden en aanme ie t a m r l fo In rtiumbo.n o s n o .c w op ww

Landelijke docentendag vmbo & mbo Techniek

De kern en keuze in techniek Op 14 juni 2012 organiseert Stichting Consortium Beroepsonderwijs in samenwerking met SLO de succesvolle Landelijke vmbo & mbo docentendag Techniek. Op deze docentendag laten we bezoekers de nieuwste ontwikkelingen in en rond de sector techniek van het vmbo en mbo zien en beleven. U kunt de stands bezoeken of deelnemen aan de vele boeiende docenten, en directiespecials. Deze netwerk- en scholingsdag is inspirerend, motiverend en natuurlijk weer innovatief van aard. Zorg dat u erbij bent want vol is vol!


Fotografie: Ebo Fraterman

Inhoud Meten is weten, is een veel gehoord adagium. Ook in het onderwijs wordt er (soms te) veel belang aan gehecht. Op zich logisch, want door te meten heb je gegevens om prestaties van leerlingen te volgen. Uiteraard willen we op gezette tijden weten hoe de leerlingen er voor staan. Alleen zo kan worden bijgestuurd of zelfs bijgeschoold om het maximale uit ieder kind te halen en het een kansrijke toekomst te bieden. Maar op school moeten toetsen en examens niet teveel centraal komen te staan. Niet alles is immers te toetsen. Zo zijn 21th century skills als creatief ontwerpen, samenwerken, reflecteren en problemen oplossen veel moeilijker te toetsen dan feitenkennis, maar daarmee niet minder belangrijk.

4 Nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s vmbo 2016

Als nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling zijn we vooral bezig met de ‘voorkant’ van het onderwijs: we formuleren wat leerlingen moeten kennen en kunnen op bepaalde momenten in hun schoolloopbaan. Het toetsen, zeg maar de ‘achterkant’ van het onderwijs, lijkt in eerste instantie meer het terrein van Cito en het College voor Examens. Samenwerking tussen beide kanten blijkt echter zeer noodzakelijk om tot mooie onderwijsresultaten te komen, zowel op micro- (leerling), meso- (school) als op macroniveau (land). Daarom houdt SLO zich steeds nadrukkelijker bezig met de afstemming tussen leerplanontwikkeling en toetsontwikkeling, om te komen tot een meer opbrengstgerichte aanpak in het beroepsonderwijs.

19

In deze SLO Context leest u onder andere over verschillende voorbeelden van onze inbreng bij het toetsen van onderwijsresultaten. Veel leesplezier!

11

De onderbouw weer op de kaart

12

Kenniscentrum Leermiddelen

14

De stelling

Ontwerponderzoek vergroot onderzoekende houding docent

8

33

20 Publicaties 22

Websites

23

Agenda

16

Colofon

SLO Context is een uitgave van SLO © 2012, Enschede ISSN 1878-7282

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag

worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

Bestel- & informatieadres SLO

Postbus 2041

7500 CA Enschede

enige wijze, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

T 053 4840 840

Redactie: Rob Abbenhuis, Danielle Frek,

E info@slo.nl

Eindredactie: Jessica van der Veen

Opmaak: Digidee Ontwerpstudio, Enschede Druk: Te Sligte, Enschede

SLO heeft een achttal speerpunten van beleid, programmalijnen genoemd. Ze komen in SLO Context wisselend aan bod.

4

16 Lessendatabank voor bewegen, sport en vitaliteit in het mbo

gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op

Jessica van der Veen Hoofdredacteur j.vanderveen@slo.nl

p

8 Waterorgel zorgt voor betere doorstroming

Met dank aan: Tessa van Dorp, Jan Faber, Jacqueline Kerkhoffs, Marleen Lemstra, Martha Netten, Mathieu Raemaekers, Gerard Schouwstra, Rob van Woerkom.

F 053 4307 693

www.slo.nl


4

Nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s vmbo in 2016 Docenten en schoolleiders willen een actueel, uitvoerbaar en herkenbaar beroepsgericht programma voor het vmbo De beroepsgerichte examenprogramma’s voor

stijl worden afgelegd. Maar tot 2016 gebeurt

het vmbo worden de komende jaren vernieuwd.

er ook al heel veel. Samen met docenten in

De nieuwe examenprogramma’s gaan nauwer

het vmbo en in het mbo worden de nieuwe

aansluiten op het vervolgonderwijs én op de

examenprogramma’s in de tussenliggende

beroepspraktijk. Ook houden de programma’s

periode inhoudelijk ingevuld. SLO is door het

sterker dan voorheen rekening met individuele

ministerie van OCW gevraagd om het nieuwe

verschillen tussen leerlingen in de keuze van

beroepsgerichte examenprogramma vorm te

een beroepsopleiding. Verder dragen de examen-

geven. Dit gebeurt in nauwe samenwerking

programma’s bij aan een betere organiseer-

met Stichting Platforms VMBO (SPV), het

baarheid van het onderwijs. In 2016 zullen de

College voor Examens (CvE) en Cito.

eerste beroepsgerichte vmbo-examens nieuwe


Tekst: Tiddo Ekens • Fotografie: Jan Schartman

< v.l.n.r. Tessa van Dorp, Jacqueline Kerkhoffs en Rob Abbenhuis

Tijd voor vernieuwing De sectoren in het vmbo geven onafhankelijk van elkaar dezelfde uitdagingen aan. De beroepsgerichte programma’s hebben dringend een actualisering nodig, zeker omdat het mbo-programma en de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren flink veranderd zijn. Ook kan het vmbo beter aansluiten op het mbo en sterker rekening houden met verschillen tussen leerlingen.

“De wereld is snel veranderd terwijl de examenprogramma’s vijftien jaar hetzelfde zijn gebleven.” Om deze redenen geeft het ministerie van OCW aan SLO de opdracht om in nauwe samenwerking met SPV, CvE en Cito de beroepsgerichte examenprogramma’s te vernieuwen. Dat betekent onder andere de samenstelling van nieuwe examenprogramma’s, syllabi en handreikingen voor de schoolexamens en nieuwe examens voor de vmbo-sectoren. De nieuwe examenprogramma’s voor de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg worden toekomstgericht en aantrekkelijk, ze bereiden leerlingen goed voor op het vervolgonderwijs en ze zijn goed organiseerbaar, ook bij dalende leerlingenaantallen. Rob Abbenhuis is bij SLO werkzaam als manager voor het beroepsonderwijs. Samen met Jacqueline Kerkhoffs, programmamanager bij SPV, vormt hij de projectleiding van dit vernieuwingstraject. Namens OCW is Tessa van Dorp als projectleider vmbo betrokken bij de voorgenomen vernieuwing. Wat is de belangrijkste aanleiding voor de vernieuwing van de beroepsgerichte programma’s vmbo? Abbenhuis: “Voor techniek geldt de terugloop van het aantal leerlingen als belangrijke aanleiding. In combinatie met de vele uitstroommogelijkheden bij techniek is het voor scholen moeilijk om de beroepsgerichte examens goed te organiseren, ook vanuit financieel oogpunt. Voor alle sectoren geldt dat de huidige programma’s verouderd zijn terwijl veranderingen in mbo en beroepspraktijk onverminderd door zijn gegaan.” Kerkhoffs: “De wereld is inderdaad snel veranderd terwijl examenprogramma’s vijftien jaar hetzelfde zijn gebleven. Overigens zijn er wel verschillen tussen de sectoren in de aanleiding voor vernieuwing.

p

> slo programmalijn > curriculum en toetsen

Waar techniek bijvoorbeeld te maken heeft met een dalend leerlingaantal en maar liefst veertien beroepsgerichte programma’s, heeft zorg en welzijn slechts te maken met één beroepsgericht programma. Maar het doel blijft hetzelfde: een actualisering van het examenprogramma.” Van Dorp: “Behalve de nodige actualisering, versterkt door dalende leerlingaantallen, biedt vernieuwing ook de kans om LOB (Loopbaanoriëntatie- en begeleiding) beter in de programma’s te verankeren. Inhoudelijke vernieuwing kan mooi worden meegenomen, denk bijvoorbeeld aan nanotechnologie of het gebruik van composieten bij techniek.” Wat is een belangrijk kenmerk van het nieuwe examenprogramma? Van Dorp: “Met de vernieuwing komt meer nadruk op de v van vmbo. Het vmbo is voorbereidend op het mbo en sluit daarmee ook meer aan bij de ontwikkelingen in het mbo en de beroepspraktijk. Aan het vmbo dus de taak de leerling hierop goed voor te bereiden.” Kerkhoffs: “Nieuwe examenprogramma’s gaan ook meer onderwijs op maat van de leerling bieden. Als een leerling weet wat hij wil - vaak zijn dat timmerlieden en koks - dan zou hij de mogelijkheid moeten hebben om vanaf leerjaar 3 één doorlopende leerlijn tot en met het mbo te kunnen volgen. Maar de meeste leerlingen weten wel welke sector zij willen kiezen maar nog niet welk beroep. Het nieuwe programma moeten beide typen leerlingen goed bedienen. Leerlingen die zich breed willen oriënteren en pas later willen kiezen, krijgen de gelegenheid om samen met de docent de juiste weg uit te stippelen.” Abbenhuis: “De splitsing in een algemeen sectoraal kerndeel én een keuzedeel zal een belangrijk kenmerk zijn, ook om de voorbereiding op het mbo vorm te geven. Aan de school is dan de keuze welke onderdelen in het algemene kerndeel en welke in het keuzedeel thuishoren. Deze opzet biedt scholen de kans om het volgende motto te hanteren: verdiepen wanneer de leerling al een keuze heeft gemaakt en verbreden wanneer een leerling verder wil oriënteren.” Hoe reageren docenten en management in het vmbo op deze vernieuwing? Abbenhuis: “Positief. Je kunt zelfs zeggen dat de vraag om vernieuwing voor een belangrijk deel uit de sector zelf is voortgekomen. De Stichting Platforms Vmbo (SPV) heeft een belangrijke rol gespeeld om deze stem van het werkveld te vertolken.”

De programmalijn ‘curriculum & toetsen’ heeft als doel het toetsinstrumentarium optimaal af te stemmen op doelen en inhouden.

55


Van Dorp: “Ook bemoedigend is het feit dat door steeds meer betrokkenen het gesprek wordt gevoerd over de invulling van het kern- en keuzeprogramma. Dat zijn vooral inhoudelijke vraagstukken. Bij het management is men vooral gericht op verbetering van de organiseerbaarheid van de programma’s.”

“Verdiepen wanneer de leerling al een keuze heeft gemaakt en verbreden wanneer een leerling verder wil oriënteren.” Kerkhoffs: “Het management is enthousiast. Bij docenten is de reactie wisselend. Bij zorg en welzijn zal het huidige programma grotendeels in stand kunnen blijven, ook omdat deze sector al geruime tijd beroepsvoorbereidend is. Voor economie komt er een programma dat leerlingen voorbereidt op alle mogelijkheden binnen de economische dienstverlening. Techniek verandert van beroepsopleidend naar beroepsvoorbereidend. Interessant voor alle sectoren is de vraag hoe het kernprogramma niet alleen breed voorbereidt maar tegelijk praktisch en herkenbaar voor leerlingen is? Dat zijn op dit moment grote uitdagingen voor de scholen.”

6

Hoe gaat de projectgroep deze vernieuwing samen met het werkveld realiseren? Abbenhuis: “SPV geldt als scharnierpunt naar het veld en vertegenwoordigt zowel de stem van het management als van de docenten. Daarnaast worden er Sectorale

Vernieuwingscommissies (SVC) en Werkgroepen in het leven geroepen. Daarin zijn telkens vier vmbo-docenten en twee mbo-docenten vertegenwoordigd. Zij gaan aangeven wat er in het nieuwe programma moet komen en hoe dat verdeeld kan worden over het kerndeel en het keuzedeel.” Kerkhoffs: “Wij gaan nauw samenwerken met docenten uit de beroepspraktijk die dagelijks voor de klas staan en precies weten wat er nu in het vmbo leeft. Tegelijk gaan we alle docenten informeren via nieuwsbrieven en de website www.platformsvmbo.nl. De beroepsgerichte docenten komen drie keer per jaar bijeen in regionale bijeenkomsten waar de nieuwe examenprogramma’s aan de orde zullen komen en waar vragen en problemen gedeeld kunnen worden. Daarnaast organiseert SPV bijeenkomsten per sector waarin ook de programma’s per sector op elkaar afgestemd kunnen worden.” Van Dorp: “Er wordt een tweesporenaanpak gevolgd. Allereerst worden zoveel mogelijk vmbo-docenten betrokken bij de inhoudelijke vernieuwing van de examenprogramma’s, samen met mbo-docenten. Daarnaast speelt een brede communicatie met alle relevante partners een belangrijke rol. Naast SLO en SPV zijn ook het College van Examens (CvE), de kenniscentra, verschillende denktanks, ouderorganisaties en het LAKS belangrijke partners om de vernieuwing goed van de grond te krijgen.” Welke mogelijkheden zijn er voor scholen die zelf de actualisering en aansluiting willen aanpakken? Abbenhuis: “Scholen kunnen zeker zelf bijdragen aan actualisering en een betere aansluiting. Sterker nog, dat doen ze al. Het schoolexamen kan bijvoorbeeld naar eigen keuze worden ingevuld. De ene school heeft overigens meer gebruik gemaakt van deze ruimte dan de andere. En ook is er invulling gegeven aan bijvoorbeeld intersectorale programma’s waarbij leerlingen met meer dan één sector in aanraking komen. Verder zijn er voorbeelden van intrasectorale programma’s waarbij één sector zo breed mogelijk wordt benaderd. Toch is ook een centrale regie nodig voor de nieuwe examenprogramma’s, al was het alleen maar omdat de samenleving flink is veranderd, denk aan informatisering en de rol van ict.” Kerkhoffs: “Tegelijk is het ook lastig om de ruimte te benutten die de huidige examenprogramma’s bieden. Het anders invullen van de beroepsgerichte examenprogramma’s vraagt om onderwijskundig leiderschap. Binnen grotere scholengemeenschappen is het vmbo maar een van de afdelingen waardoor hier niet altijd de prioriteit ligt. Tot slot zijn er door dalende leerlingaantallen ook minder docenten beschikbaar waardoor


vernieuwing lastiger wordt. Maar tegelijk is landelijke afstemming in de examenprogramma’s belangrijk omdat dat zorgt voor een herkenbaar vmbo voor iedereen.” Van Dorp: “De scholen spelen inderdaad nu al een actieve rol. Zij zijn al actief om hun beroepsgericht programma nauw te laten aansluiten op het vervolgonderwijs en de regionale arbeidsmarkt. Het keuzeprogramma biedt per direct al ruimte om deze verschillen tussen vmbo-scholen extra te benadrukken. Scholen kunnen dat zelf het beste bepalen. Het is echter belangrijk voor de herkenbaarheid van een vmbo-diploma dat de exameneisen aan de programma’s landelijk zijn vastgesteld. Daar ligt ook de rol voor het ministerie van OCW.” De nieuwe examens zijn er in 2016. Wat kunnen docenten in het vmbo in de tussentijd zelf al doen aan de gewenste vernieuwing? Van Dorp: “Deelname aan de pilots, werkgroepen of sectorale vernieuwingscommissie is in 2012 al mogelijk. Scholen kunnen ook zelf al allerlei stappen zetten, bijvoorbeeld het gesprek aangaan met het vervolgonderwijs en met regionale werkgevers. Zulke hechte banden zorgen er voor dat er een continue vernieuwing op gang kan komen, waardoor scholen blijvend inspelen op veranderingen.”

“Hechte banden met vervolgonderwijs en regionale arbeidsmarkt zorgen er voor dat er een continue vernieuwing op gang kan komen.”

Abbenhuis: “De pilots voor zorg & welzijn en voor economie gaan in september 2012 al van start. Scholen kunnen zich hiervoor intekenen. In de pilots wordt gewerkt met voorbeeldexamens, er wordt gekeken naar de inrichting van het programma en naar de vraag of examens moeten worden aangepast. Het is spannend wat hier precies uit zal komen. Grote veranderingen vragen misschien om andere leer- en hulpmiddelen, misschien zelfs wel een andere leeromgeving. Dat moet blijken in de pilots. Techniek zal later van start gaan omdat voor deze sector begin 2012 een nader onderzoek naar problemen en oplossingen beschikbaar komt. Voor groen is de urgentie minder groot. Deze sector werkt met een meer recent programma, en is anders georganiseerd.” Kerkhoffs: “De LOB (Loopbaanoriëntatie- en begeleiding) biedt per direct al een kans om de beroepsgerichte programma’s beter op de leerlingen af te stemmen. Verder kunnen scholen ook nu al contacten leggen met regionale werkgevers en deze de school binnenhalen of door middel van excursies gaan bezoeken. En niet onbelangrijk: scholen kunnen vanaf nu al uitstralen dat vmbo een kansrijke en eigentijdse onderwijsvorm is.”

Enkele uitgangspunten voor vernieuwing

• aantal examenprogramma’s moet doelmatig en organiseerbaar zijn • beroepsgerichte programma’s zijn het fundament van de beroepskolom: in het vmbo leggen leerlingen de basis voor het mbo • Loopbaan Orientatie- en Begeleiding (LOB) wordt verankerd in beroepsgerichte programma • beroepsgerichte programma bestaat per sector uit twee delen: het kernprogramma en een keuzedeel • het keuzedeel biedt mogelijkheden voor verbreding en verdieping en houdt in sterke mate rekening met verschillen tussen leerlingen en met individuele voorkeuren, en indien van toepassing met regiokenmerken • in de examenprogramma’s worden de verschillen tussen de leerwegen in het vmbo duidelijk benoemd • indeling in domeinen en kwalificatiestructuur wordt gestroomlijnd met mbo zodat het beroepsgerichte examen vmbo als eerste proeve van bekwaamheid van het mbo kan worden gezien.

7


Op diverse plaatsen in Nederland lopen sinds 2008 onder begeleiding van SLO zogeheten VM2-experimenten, bedoeld om de kloof te dichten tussen de basisberoepsgerichte leerweg (bbl) in het vmbo en de beroepsopleidende leerweg (bol) in het mbo. In zo’n VM2-traject wordt ernaar gestreefd de leerroute van vmbo naar mbo voor leerlingen soepeler te laten verlopen, om het percentage vroegtijdig schoolverlaters te verlagen en meer leerlingen aan een startkwalificatie te helpen. Bij de meeste VM2-projecten lukt dat ook, maar nog niet echt bij techniek. Toch zijn er mooie voorbeelden van geslaagde experimenten. Essentieel voor de VM2-aanpak is een nauwe samenwerking tussen vmbo-scholen en mbo-instellingen. Samen ontwikkelen ze een geïntegreerd traject onder het motto ‘één pedagogisch-didactisch concept, één team, één dak’. Dit schooljaar lopen de laatste VM2experimenten. Onlangs is de voortgang onderzocht. Daaruit blijkt dat het in zestig procent van de experimenten gelukt is een werkzaam concept te ontwikkelen. VM2 Techniek blijft daarbij achter. Volgens SLO-projectleider Ruud van Uffelen komt dat onder meer doordat het aantal leerlingen in deze sector klein is: “Daardoor kan een mbo-school moeilijk groepen samenstellen. Bovendien kiezen leerlingen bij doorstroming naar het mbo vaak voor de bbl-variant: vier dagen werken, één dag naar school, terwijl het experiment alleen geldt voor de bol: vier dagen naar school, één dag in de praktijk. De derde reden is het grote aantal techniekopleidingen dat mbo’s aanbieden, waardoor de groep VM2-leerlingen versnipperd raakt tot groepjes die te klein zijn voor een apart traject.”

8

Instrumenten Om te zorgen dat ook in de sector techniek de VM2aanpak wat meer van de grond komt, biedt SLO gerichte ondersteuning. Van Uffelen: “Die is gebaseerd op instrumenten die wij eerder ontwikkeld hebben. Deze zijn bedoeld om structuur aan te brengen in de opzet van een VM2 Techniek-project. Een van die instrumenten is de leerplananalysescan. Aan de hand van het bekende curriculaire spinnenweb helpen we VM2 Techniek-teams om tot een gezamenlijk plan van aanpak te komen. Andere instrumenten die we inzetten zijn gericht op het ontwikkelen van een gezamenlijke visie en van daaruit stapsgewijs tot een scenario komen.”

p

> slo programmalijn > doorlopende leerlijnen

Tijdwinst Een van de VM2 Techniek-experimenten loopt in Uden. Mathieu Raemaekers, directielid van de afdeling techniek en samenleving aan ROC de Leijgraaf: “Samen met onze ‘hofleverancier’, het vmbo van het Udens College, zijn we op zoek gegaan naar een doorlopende leerlijn voor techniek, met name voor de leerlingen die gebaat zijn bij de geborgenheid van een veilige en vertrouwde leeromgeving. Ons doel was door het reduceren van overlap tijdwinst te boeken, om leerlingen sneller naar hun diploma te brengen. Wij denken dat je de kans op uitval verkleint als je onderwijskundig een betere lijn maakt, zodat ze op het mbo bijvoorbeeld geen dingen hoeven te doen die ze op het vmbo al tot in den treure gehad hebben.” Mechatronica Docenten van het Udens College en ROC de Leijgraaf hebben samen een jaar lang nauwkeurig gekeken naar de verschillen en overeenkomsten in de beide curricula. Waar zitten lacunes in het pta van het vmbo en waar moet het mbo dus meer op focussen? Het experiment werd opgezet rondom de mbo-opleiding mechatronica, aansluitend bij de vmbo-stroom metalectro. Mechatronica is een combinatie van elektrotechniek, werktuigbouw en ICT. Raemaekers: “Een voorbeeld: de leerlingen hebben een waterorgel gebouwd. Daar moesten ze voor rekenen en tekenen, metaal zagen en lassen, elektrotechniek toepassen en ICT gebruiken. Deze leerlingen vinden later een beroep in bedrijven die met machines en kranen werken.” Voor de vakantie Na het afstemmen van de curricula is er een lessentabel gemaakt die voldoet aan de urennorm van het mbo. Volgens die lessentabel zijn de leerlingen drie dagen op school en twee dagen op stage. Nadat de betreffende tien leerlingen in mei hun vmbo-diploma hadden gehaald, zijn ze meteen in een stagetraject gezet. Raemaekers: “Dat waren de eerste acht weken van hun mbo-opleiding, die hadden ze dus al voor de vakantie achter de rug. Als ze de stage naar behoren hadden afgerond, kregen ze van ons een financiële beloning. Bedenk wel dat hun klasgenoten die twee maanden al bij de C1000 of in een fabriek geld aan het verdienen waren! Na de vakantie zijn we gestart met een traject om ze in anderhalf schooljaar naar een mbo-diploma niveau 2 te brengen, in plaats van de twee jaar die ervoor staan. Het half jaar tijdwinst haalden we uit het onderling afstemmen van de curricula vmbo en mbo.”

De programmalijn ‘doorlopende leerlijnen’ heeft als doel de continuïteit van de leerstof tussen opeenvolgende leerjaren en sectoren in het onderwijs te bevorderen.

Tekst: René Leverink • Fotografie: Jan Schartman

W aterorgel zorgt


voor betere doorstroming


< Mathieu Raemaekers

Al snel werd duidelijk dat door het beter afstemmen van de inhouden van de onderwijsprogramma’s van het vmbo en het mbo tijdwinst te behalen viel. Hoewel we vooral gericht waren op het versterken van de kwaliteit en de kansen op het behalen van de starkwalificatie, was het goed te ontdekken dat we een mooie doorlopende leerlijn konden realiseren in minder tijd. De INNOVAM (kennis- en opleidingscentrum voor de mobiliteitsbranche/rl) heeft ook belangstelling getoond voor de resultaten en wil onderzoeken of een integrale methode voor Mobiliteit in vmbo en mbo geschreven kan worden.”

Bij elkaar in de keuken Als grote winst van het project ziet Raemaekers de samenwerking tussen vmbo en mbo: “We hebben bij elkaar in de keuken kunnen kijken. Onze docenten hebben lesgegeven op het vmbo. Docenten van het Udens College hebben gewerkt met lesstof van het mbo. Waar volgens mij nog winst te behalen valt, is in de samenwerking met het bedrijfsleven, bijvoorbeeld door mensen uit bedrijven naar school te halen.”

10

Goede aanpak Een andere VM2 Techniek-school is IJsselcollege VMBO in IJsselstein. Locatiedirecteur Martha Netten: “We wilden graag ervaring opdoen met deze aanpak. Veel van onze leerlingen halen wel het vmbo-diploma, maar niet een startkwalificatie. Leerlingen die het bij ons in techniek goed hebben gedaan, kiezen op het roc soms een heel andere richting. Valt het tegen, dan komen ze bij ons terug om aan de ‘oude’ mentor of vakdocent om advies te vragen. Wij denken dat het afsluiten van het vo met een startkwalificatie voor leerlingen in vmbo-bb en -kb een goede aanpak is om het probleem van voortijdig schoolverlaten in de roc’s te voorkomen.” Goede relatie Voor het VM2-experiment is de afdeling mobiliteit gekozen, omdat die al een goede relatie met ROC Zadkine had. Docent mobiliteit Gerard Schouwstra: “Onze leerlingen doen in het vierde schooljaar bijvoorbeeld mee aan een proeve van bekwaamheid van het roc. Bovendien hebben we meegedaan aan een project van het Platform Mobiliteit voor competentiegericht werken en beoordelen.” Afstemmen In de aanpak van het project heeft de focus vooral gelegen op de aansluiting van de beroepsgerichte component van het programma. Schouwstra: “We hebben daarin zeer goede resultaten bereikt.

Martha Netten >

Drive Hoe is VM2 Techniek op het IJsselcollege georganiseerd? Netten: “We hebben gewerkt met een stuurgroep en een werkgroep. In de werkgroep zaten vier docenten, twee uit vmbo en twee uit mbo. In de stuurgroep zat een van de leden van de werkgroep, een schoolleider vanuit mbo en vmbo, en een teamleider. We hebben met elkaar een plan van aanpak vastgesteld. De samenwerking is vanaf de start soepel verlopen, belangrijk was de ‘drive’ die er bij de docenten was om resultaten te bereiken. Het concept één team, één dak paste niet helemaal bij onze ideeën. Wij vinden het niet noodzakelijk het onderwijs volledig in het vmbo aan te bieden. Wanneer een deel van het programma op de locatie van het roc wordt aangeboden, kan gebruik gemaakt worden van bepaalde faciliteiten die er in het vmbo niet zijn. Dat scheelt extra investeringen. Bovendien maken de leerlingen alvast kennis met het roc.” Succes Wat is een goed advies voor scholen die VM2 willen oppakken? Netten: “Kies afdelingen waar veel leerlingen uitstromen naar een bol-opleiding, bijvoorbeeld zorg & welzijn. Succesfactoren zijn de mate waarin al wordt samengewerkt met een roc en de motivatie van de docenten in de werkgroep. We hopen dat binnenkort alle scholen die dat willen, de ruimte krijgen om VM2trajecten op te zetten met een roc. We hopen ook dat de beperking tot bol-opleidingen vervalt en ook leerlingen van de kaderberoepsgerichte leerweg kunnen deelnemen aanVM2. We geloven echt in VM2 als passende aanpak tegen voortijdig schoolverlaten.”


w

De onderbouw weer op de kaart In 2014 worden - naast de huidige globale kerndoelen voor de onderbouw-vo - door de minister vast te stellen ‘tussendoelen’ ingevoerd voor de kernvakken Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde en er worden richtinggevende ‘kennisbases’ ontwikkeld. Ook komt er voor de kernvakken een landelijke, diagnostische

Tekst: Brigit Kooijman • Fotografie: Jan Schartman

tussentoets. De onderwijsprestaties in Nederland zijn goed, maar minder goed dan in het verleden. In het laatste PISAonderzoek, de driejaarlijkse vergelijkende survey van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), scoorden Nederlandse leerlingen niet zo hoog als voorheen. In het voortgezet onderwijs halen leerlingen lagere eindexamencijfers voor Nederlands, Engels en wiskunde dan enkele jaren terug. Kortom: de prestaties moeten omhoog, vindt minister Van Bijsterveldt, wil Nederland zijn economische en sociale ambities blijvend kunnen waarmaken. Een van de voorgenomen maatregelen in het voortgezet onderwijs, vastgelegd in het actieplan ‘Beter Presteren’, is de invoering van een verplichte diagnostische toets in het schooljaar 2014-2015 voor Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen aan het eind van de onderbouw (2 vmbo, 3 havo en 3 vwo). Vijf niveaus De diagnostische tussentijdse toets zal landelijk worden gehouden en ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van het College voor Examens. SLO beschrijft in samenspraak met docenten en andere vakdeskundigen wat leerlingen moeten kennen en kunnen aan het eind van de onderbouw, om zo de doorlopende leerlijn naar de bovenbouw te optimaliseren De zogeheten ‘tussendoelen’ zijn onder andere gebaseerd op de huidige kerndoelen, maar ze zijn uitgebreider en gedetailleerder. En waar de kerndoelen geen onderscheid maken naar schooltype, komen de tussendoelen er - waar mogelijk - voor vijf verschillende niveaus: vmbo-b, vmbo-k, vmbo-g/t, havo en vwo. Op deze niveaus zal ook getoetst worden. Enquête Monique van der Hoeven, manager onderbouw-vo van SLO, is op het moment van schrijven druk bezig met het verwerken van de uitslagen van een grote internetenquête onder docenten en vakexperts over de concepttussendoelen. Ze is blij met de grote respons. “We hadden gerekend op reacties van zo’n dertig docenten per vak. Tot onze vreugde reageerden er per vak wel tussen de negentig en honderdvijftig docenten.” “De reacties lieten zien dat docenten overwegend positief zijn over het feit dat de doelen er komen, en dat men zich grotendeels kan vinden in de formuleringen. Uiteraard bleek ook dat het soms scherper of duidelijker kon, of dat verhelderende voorbeelden gewenst waren. Per vak hebben we een lijstje gemaakt van veelgenoemde wijzigingsvoorstellen, en die zijn besproken tijdens een valideringsbijeenkomst op 12 december vorig jaar, met docenten en andere vakexperts. Daar zijn soms stevige,

maar nuttige discussies gevoerd. Ik was getroffen door de betrokkenheid en de deskundigheid van de aanwezige docenten.” Risico Na de invoering van de nieuwe kerndoelen in 2006 was het een beetje stil geworden rond de onderbouw, constateert Van der Hoeven. “We zijn blij dat die nu overal weer op de agenda staat. In de onderbouw geef je leerlingen een basis voor de rest van hun leven en voor hun verdere schoolspecialisatie. Je haalt hun talenten naar boven, zodat ze weten waar ze goed in zijn. Duidelijke kaders van wat leerlingen moet kennen en kunnen zijn daarbij zeker behulpzaam. Maar soms heb ik het idee dat de politiek verwacht dat de resultaten nu automatisch omhoog zullen gaan en dat is natuurlijk niet zo. Integendeel, het risico bestaat dat het onderwijs verschraalt, omdat scholen in hun streven naar goede toetsresultaten alleen nog maar toewerken naar de geformuleerde eisen. Uit de enquête bleek dat ook docenten hier zorgen over hebben. Gelukkig zijn alle betrokkenen zich bewust van dit risico. Ik hoop dat zo’n diagnostische toets ook echt gebruikt gaat worden zoals bedoeld: om het niveau te verhogen, om achterstanden weg te werken en om excellente leerlingen te bieden wat ze nodig hebben.”

11


Kenniscentrum Leermiddelen Leermiddelen zijn het belangrijkste gereedschap van de leraar. Dat wordt door iedereen in de school erkend. Ook door de schoolleiding. Toch kijken leidinggevenden vaak heel anders tegen leermiddelen aan dan leraren, zo blijkt uit de nieuwste Leermiddelenmonitor.

Ruis op de lijn

Trends Dit jaar is vooral gekeken naar trends in het gebruik van leermiddelen, het zelf ontwikkelen en delen, de kwaliteit en het beleid. De Vries: “Nog altijd blijft de methode voor de leraar de basis, eventueel aangevuld met zelf ontwikkelde of gevonden leermiddelen. Die laatste worden ingezet op het moment dat de methode in de ogen van de leraar op bepaalde onderdelen tekortschiet, of als er behoefte is aan differentiatie. Ze kunnen ook bedoeld zijn voor uitleg, demonstratie, toetsing of remediëring. Opvallend is wel dat leraren veel meer zelf ontwikkelen dan hun leidinggevenden denken.”

Tekst: René Leverink

Ondersteuning Leraren vinden het dus de moeite waard, of zelfs noodzakelijk, om zelf leermiddelen te ontwikkelen. Maar ze geven ook aan daar ondersteuning bij te willen. De Vries: “Dat kan zijn het inschakelen van experts, het volgen van bijscholing en de beschikbaarheid van (digitale) hulptools. Maar het kan ook gaan om meer ontwikkeltijd. Opvallend is dat ook hier verschil van opvatting bestaat tussen leidinggevenden en leraren. Leidinggevenden zijn van mening dat die ontwikkeltijd er wel degelijk is, terwijl leraren dat niet altijd zo ervaren. Vaak vragen leraren zich ook af of het op school wel bekend is dat ze zelf aan ontwikkeling van leermiddelen doen.”

Soorten leermiddelen die leraren gebruiken

Ik krijg ontwikkeltijd

Leraren krijgen ontwikkeltijd

De jaarlijkse SLO Leermiddelenmonitor geeft een overzicht van trends in het gebruik en de ontwikkeling van leermiddelen. De laatste twee jaren zijn naast leraren ook leidinggevenden bevraagd. Hans de Vries, die het onderzoek coördineerde: “Er wordt veel over leermiddelen gesproken en gepubliceerd, maar niet altijd op basis van feiten. Die proberen wij vast te stellen, en dat elk jaar opnieuw, zodat je trends en ontwikkelingen kunt waarnemen. Dat kan een basis zijn voor een aanpassing van het leermiddelenbeleid. Wij gebruiken de uitkomsten om scholen en schoolleiders te ondersteunen bij het gebruik van leermiddelen, bijvoorbeeld via www.leermiddelenplein.nl.”

12

Ontwikkeltijd Leraren PO

Leraren VO

8%

16%

Leiding PO

Leiding VO

26%

46%

Digitaal Interessant is ook om te kijken naar trends in verwachtingen, bijvoorbeeld ten aanzien van het aandeel digitaal in het totaal aan leermiddelen. Vijf jaar geleden waren de verwachtingen hooggespannen, maar gaandeweg komt het inzicht dat het toch allemaal niet zo hard gaat als aanvankelijk werd gedacht. Wel is dit jaar het gebruik van digitaal lesmateriaal behoorlijk toegenomen. De Vries: “Dat kan liggen aan de methoden, die wellicht meer digitale content bieden. In het po kan het ook komen doordat po-scholen later op gang zijn gekomen met digitalisering, maar juist daarom wel meteen over de modernste en meest gebruiksvriendelijke faciliteiten konden beschikken, wat natuurlijk ook stimulerend werkt. We zien in elk geval wel dat in het po meer dan in het vo gebruik gemaakt wordt van het digitale schoolbord. Misschien omdat er in het po meer sprake is van vaste lokalen.” Expertmeeting Dit jaar organiseert SLO naar aanleiding van de Leermiddelenmonitor voor het eerst een expertmeeting met leraren en leidinggevenden. Daar komen vragen aan de orde als: Hoe komt het dat leidinggevenden soms heel andere opvattingen hebben dan leraren over het gebruik van leermiddelen en het ontwikkelen en inzetten van eigen lesmateriaal? Waarom denken leidinggevenden dat ze hun mensen alle gewenste ontwikkeltijd bieden, terwijl leraren daar heel anders over denken? De Vries: “Om als school een werkbaar en effectief leermiddelenbeleid te kunnen voeren, moet iedereen dezelfde taal spreken. Er is ruis op de lijn tussen leraren en leidinggevenden. Als leidinggevenden in de veronderstelling zijn dat zij genoeg ontwikkeltijd ter beschikking stellen, maar leraren dat niet zo ervaren, dan kun je moeilijker samen afspraken maken over leermiddelenbeleid. Op een school hoorde ik een leraar laatst zeggen: 'Ik krijg wel ontwikkeltijd, maar niet op hetzelfde moment als mijn collega met wie ik samen moet ontwikkelen'. Het komt ook voor dat er geen duidelijkheid bestaat over hoeveel tijd het kost om

PO 08/09

PO 9/10

PO 10/11

PO 11/12

VO 08/09

VO 09/10

VO 10/11

VO 11/12

alleen methoden

3%

5%

5%

2%

6%

6%

5%

5%

voornamelijk methoden, aangevuld met zelf ontwikkelde of gevonden leermiddelen

85%

79%

83%

84%

72%

77%

77%

72%

voornamelijk zelf ontwikkelde of gevonden leermiddelen, aangevuld met methoden

11%

16%

12%

13%

16%

17%

14%

16%

alleen zelf ontwikkelde of gevonden leermiddelen

1%

0%

0%

1%

6%

0%

4%

7%


> kijk ook op www.leermiddelenplein.nl leermiddelen te ontwikkelen. Het lijkt erop dat leidinggevenden daar soms een te rooskleurig beeld van hebben. Datzelfde zien we wat betreft het gebruik van de elektronische leeromgeving (ELO). Van de leidinggevenden veronderstelt 90% dat hun school daar gebruik van maakt. Onder de leraren zelf ligt dat percentage op 72%. Misschien is er wel een ELO, maar wordt die veel minder gebruikt dan de schoolleiding denkt. Ook dat is een aandachtspunt bij het bepalen van het leermiddelenbeleid.” Mate waarin leraren po denken dat digitale leermiddelen nu en in de toekomst ingezet worden 100% 80% 60% 40% 20% 0% 08/09

09/10

10/11

11/12

Mate waarin leraren vo denken dat digitale leermiddelen nu en in de toekomst ingezet worden 100% 80% 60% 40%

Kwaliteit Op grond waarvan beoordelen leraren en leidinggevenden de kwaliteit van leermiddelen? De Vries: “Leraren gaan naar eigen zeggen vooral af op hun ervaring en intuïtie. Als ze spreken over kwaliteit, dan kijken ze over het algemeen naar bruikbaarheid, toepasbaarheid in een leerlijn, de mate waarin het materiaal motiverend is voor leerlingen en of het tot de gewenste effecten leidt. Correcte vakinhoud is ook belangrijk. Vooral de toepasbaarheid in een bestaand leerarrangement, zoals een leerlijn, is een lastig punt als leraren zelf leermiddelen ontwikkelen. Velen geven aan daar ondersteuning bij te willen hebben. Favoriet daarbij is een online tool, waarmee zelf ontwikkelde leermiddelen gemakkelijk aan de leerlijn getoetst kunnen worden. Maar een toenemend aantal leraren, vooral in het vo, verlangt ook naar ondersteuning door experts. Dat heeft er wellicht mee te maken dat zo'n online tool er nog niet is. Leidinggevenden hanteren ongeveer dezelfde criteria bij de beoordeling van de kwaliteit van leermiddelen als leraren. Beide groepen kijken ook, maar in mindere mate, naar de vindbaarheid, al geldt dat logischerwijs meer voor leraren dan voor leidinggevenden.” Beleid Er is nóg een opvallend aspect waarin de observaties van leidinggevenden en leraren uiteenlopen: de mate waarin op een school sprake is van leermiddelenbeleid. Leidinggevenden zijn vaker dan leraren van mening dat zo’n beleid op hun school bestaat. Opnieuw een goede aanleiding om beide groepen bijeen te brengen in een expertmeeting, maar zeker ook aanleiding om op scholen over dit onderwerp in gesprek te gaan.

20%

Meer informatie: Hans de Vries, (053) 4840 630, h.devries@slo.nl.

0% 08/09

Nu

09/10

10/11

11/12

Over 5 jaar

Delen In de Leermiddelenmonitor is ook aandacht besteed aan het delen van zelf ontwikkelde leermiddelen. Dat gebeurt op grote schaal, zij het wel vooral met eigen collega’s. Er is ten opzichte van vorig jaar een stijging te zien in het aantal leidinggevenden dat zegt afspraken met hun team gemaakt te hebben over het delen van zelf ontwikkelde leermiddelen. Men is zich dus in toenemende mate bewust van het belang van delen. Er vindt ook steeds meer uitwisseling buiten de school plaats. Dit hangt ongetwijfeld samen met de toename van daartoe ontwikkelde websites, maar leermiddelen worden ook uitgewisseld op studiedagen en conferenties. Toch zijn veel leraren nog terughoudend in het delen van zelf ontwikkelde leermiddelen. De Vries: “Vaak twijfelt men of het materiaal wel bruikbaar is voor derden. Ook mist men een echt goede uitruilplaats. Een overzichtelijke, toegankelijke website zou zeker helpen. Een site als Wikiwijs zou die functie kunnen vervullen.”

De Leermiddelenmonitor is vanaf begin mei te downloaden via: www.slo.nl/leermiddelenmonitor

Leermiddelenmonitor 2011-2012

Begin mei publiceert het Kenniscentrum Leermiddelen van SLO voor de vijfde keer de Leermiddelenmonitor. In totaal hebben bijna vijfentwintighonderd leraren de vragenlijst ingevuld. Ook schoolleiders hebben aan de enquête deelgenomen; dat waren er meer dan duizend. Met behulp van de Leermiddelenmonitor kunnen hun bevindingen vergeleken worden met die van leraren. De vragenlijst bestaat uit ongeveer veertig vragen, verdeeld over vijf categorieën: algemeen, gebruiken, beleid, ontwikkelen en delen, en kwaliteit van leermiddelen. Om de kwaliteit van de Leermiddelenmonitor te verbeteren, werkte SLO dit jaar wederom samen met OIG (de Onderwijs Innovatie Groep).

13


De Stelling

Écht leren is er niet meer bij Wat moeten leerlingen nu echt kennen en kunnen? De vraag is zo oud als dat er onderwijs is. De kennis over de werking van ons brein en de intrede van allerlei nieuwe media leveren daarbij nieuwe dimensies op. Wat kan het puberbrein aan? Wat betekent internet voor het leren? Sommigen menen dat leerlingen nauwelijks meer in staat zijn om feiten uit het hoofd te leren. Wie heeft nog de concentratie om een tekst te lezen die langer is dan twee alinea’s? Welke docent kan deze generatie van e-kids nog motiveren om jaartallen te stampen, als je die feiten à la minute kunt googlen op je smartphone? En verliezen docenten door de aandacht voor competentieontwikkeling de kenniskant niet uit het oog? Drie genuanceerde meningen over de vraag of leerlingen vandaag de dag nog wel kunnen leren.

14

De schrijver/journalist:

De directeur:

De docent:

“Diepgaande kennis gaat verloren”

“Leerlingen moeten leren omgaan met de werkelijkheid”

“Leren is niet altijd leuk”


Nicolas Carr

Marleen Lemstra

Rob van Woerkom

Google maakt ons dom, stelt Nicolas Carr, een Amerikaanse schrijver en journalist. “Op internet zwerven we van link naar link. De prijs die we voor deze fantastische uitvinding betalen is dat de menselijke gave voor concentratie en toewijding verdwijnt. Mijn brein neemt informatie tot zich op de manier waarop Google het presenteert: een voortdurende stroom van brokjes. Vroeger was ik een diepzeeduiker in een zee van woorden. Maar nu scheer ik als een jetskiër slechts over het wateroppervlak”, verzucht hij in zijn essay How Google makes us stupid.

“De drang om te leren is een natuurlijk gegeven, dat verandert niet door internet. Wel staan scholen voor de uitdaging hoe ze daarmee en met tal van andere maatschappelijke problemen moeten omgaan. Wij richten ons vooral op de individuele leerling: waar zit je talent en je motivatie? En dan kun je met elkaar, als school en docent, fantastische resultaten bereiken.

“Leren is gebaseerd op drie pijlers. Op de eerste plaats gaat het om cognitieve zaken, de feitenkennis. Ten tweede om vaardigheden zoals leren samenwerken, creatief zijn, omgaan met de computer of een grafiek interpreteren. De balans tussen die twee slingert wel eens de ene of de andere kant uit. De derde pijler, net zo belangrijk, gaat over wat het geleerde ertoe doet. Ik vraag mijn leerlingen altijd: 'Wat is de betekenis van wat je nu geleerd hebt voor jou persoonlijk? Ben je er gelukkiger door geworden?' Vaak lachen ze om die vraag, maar leren is verbinding scheppen met de wereld om je heen. Het verruimt je blik.

Tekst: Carolien Nout • Fotografie: Jan Schartman

Schrijver/journalist ‘How Google makes us stupid’

Ook zijn recente boek ‘Het ondiepe’ gaat over dit onderwerp. Carr stelt dat het brein van mensen verandert door de manier waarop ze leren. Onderzoek op het gebied van de neurowetenschappen bewijst dat. Chirurgen die veel computergames spelen ontwikkelen een specifiek deel van hun hersenen, waardoor hun oog-handcoördinatie sterk verbetert. Op zich een goede zaak, vindt Carr, die de zegeningen van internet niet kwijt zou willen. Oneindig veel kennis is binnen een minuut beschikbaar en dat is voor een onderzoeker (en voor iedereen) natuurlijk fantastisch. Maar er zitten ook gevaarlijke kanten aan, meent hij: “Mensen moeten hun langetermijngeheugen blijven ontwikkelen en trainen. Dat gebeurt alleen als je je intensief en langdurig in een onderwerp verdiept. Als je dat niet doet, kun je brokjes informatie niet meer plaatsen. Pas als je je verdiept in een onderwerp, kun je conclusies trekken en eigen ideeën ontwikkelen.” Carr is somber over de invloed van nieuwe media. Het zorgt volgens hem voor een verlies aan diepgaande kennis. En als dat verdwijnt, gaat een culturele verworvenheid verloren.

Vestigingsdirecteur VMBO/PRO, Kennemer College

Een kind met een positief zelfbeeld staat open om iets te leren. Ook de wil om iets te leren is belangrijk, als leerlingen het doel voor ogen hebben wat ze ermee willen bereiken. Deze tijd heeft nu eenmaal andere informatiebronnen dan vroeger. We moeten er verstandig mee omgaan, zodat leerlingen klaar zijn voor de toekomst; ook al is die ongewis. Internet biedt leerlingen nieuwe strategieën om hun leerdoel te bereiken. Dat hangt tegenwoordig sterk samen met de beroepscontext. Leerlingen leren ervaringsgericht, ze moeten zelfredzaam zijn en problemen leren oplossen. Docenten zijn nog steeds belangrijk om de waarde aan te geven van bepaalde kennis. Dat ze daarbij YouTubefilmpjes of digitale leermiddelen gebruiken, vind ik niet meer dan logisch. Sowieso is de taak van het onderwijs te laten zien dat er meer is dan één waarheid. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat leerlingen dagenlang achter de computer zitten. Leren gaat niet alleen om de harde kenniskant. Op school socialiseren kinderen, ze leren samenwerken, moeten goed kunnen communiceren. Helaas moeten scholen zich voornamelijk verantwoorden met harde cijfers en tabellen. Er is een afrekencultuur op cognitie, in plaats van op de feitelijke situatie. Daarmee doen we de leerlingen en onszelf geen recht. Ik vrees dat dit negatievere gevolgen zal hebben dan de digitalisering.”

(Oud-)docent natuurwetenschappen

15

Ik merk wel dat leerlingen tegenwoordig sneller afgeleid zijn. Leren is vaak monnikenwerk. Men gaat er misschien te gemakkelijk vanuit dat het ‘leuk’ moet zijn. Concentratie en afzondering zijn een vereiste. Je moet het lef hebben om die keuze te maken. En accepteren dat bijvoorbeeld saaie woordjes leren niet direct, maar op de lange termijn iets oplevert. Pas als je doorzet wordt het boeiend. Je kunt leerlingen motiveren door met interesse en enthousiasme over je vak te spreken en de schoonheid ervan te laten zien. Taalvaardigheid vind ik belangrijk. Met woorden kun je dingen benoemen, herkennen en weer uit je geheugen oproepen. Door middel van de taal breng je letterlijk de wereld om je heen ter sprake, verleen je betekenis. Leerlingen van nu zijn daarin wel slordiger. Je ziet dat aan de sms’jes en op Twitter. Ik druk ze op het hart dat zelf schrijven veel meer oplevert dan knippen en plakken. Natuurlijk zijn nieuwe media handig, maar je ontkomt er niet aan om zelf ook kennis paraat te hebben.”


Vitaal burgerschap

16

Lessendatabank voor bewegen, sport en vitaliteit in het mbo Hoe kunnen we invulling geven aan de dimensie ‘vitaal burgerschap’ uit de kwalificatie-eisen loopbaan en burgerschap? Voor veel mbo-scholen een relevante vraag. Het Basisdocument bewegen, sport en vitaliteit in het mbo helpt hen op weg. “Jongeren in het mbo kampen vaker met overgewicht dan hun leeftijdgenoten van havo en vwo”, weet Jan Faber, projectmanager van MBO Diensten (een projectorganisatie die is verbonden aan de MBO Raad). “Des te belangrijker dus, dat ze voldoende bewegen. Want jongeren die voldoende bewegen, lopen niet alleen minder kans op overgewicht, ze zitten ook lekkerder in hun vel. Hun concentratievermogen neemt toe en daardoor verbeteren hun schoolprestaties. Verder kan sport bijdragen aan de binding die jongeren met de school ervaren en zo de kans op uitval verminderen. Bovendien krijgen studenten de kans ook hun sportieve talenten te ontwikkelen, wat een verrijking is voor de school als geheel en goed voor het schoolimago.

Kortom: alle reden om als school te investeren in een aanbod van sport- en beweegactiviteiten.” Opnieuw op de agenda Toch stond bewegen en sport een paar jaar terug bij de meeste mbo-scholen niet meer op het programma. Sinds de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs in 1996 is bewegingsonderwijs geen verplicht onderdeel meer van het curriculum. Veel mbo-instellingen schaften toen het verplichte sporten op school af, al ontstonden er op enkele voorloperscholen wel nieuwe projecten rondom bewegen en sport. “Pas toen er in 2007 naast nieuwe kwalificatiedossiers ook kwalificatie-eisen kwamen voor leren, loopbaan en


Tekst: Femke van den Berg • Fotografie: Jan Schartman

< Jan Faber

burgerschap kregen mbo-scholen weer aandacht voor bewegen en sport”, vertelt Berend Brouwer, leerplanontwikkelaar bewegingsonderwijs bij SLO. “In die kwalificatie-eisen stond namelijk dat scholen invulling moeten geven aan de dimensie ‘vitaal burgerschap’. Bewegen maakt daar deel van uit. Zo kwam sport opnieuw op de agenda van de meerderheid van de mbo-instellingen.”

“Sport draagt bij aan betere schoolprestaties” In 2008 kwamen de ministeries van OCW en VWS bovendien met een beleidskader, waarin zij uiteenzetten hoe er een meer samenhangend en dekkend sport- en beweegaanbod voor de jeugd kon worden gerealiseerd. Oók in het mbo. Om uitvoering te geven aan het beleidskader, riepen de ministeries het Platform Sport, Bewegen en Onderwijs in het leven (zie: http://www.sportbewegenenonderwijs.nl/). Daarin participeren koepelorganisaties en vertegenwoordigers uit het onderwijs, de sportsector en overheden. Ook zijn partners betrokken die van belang zijn voor de ‘dagarrangementen’ van de jeugd: naschoolse opvang, (sport)buurtwerk en de sectorraden. Het platform voert vijf projecten uit om de verbinding tussen sport en onderwijs te versterken. Masterplan van sprint naar duurloop Eén van de projecten die is gerealiseerd, is het ‘Masterplan bewegen en sport in het mbo: van sprint naar duurloop’, dat wordt uitgevoerd door het Platform Bewegen en Sport mbo (een platform van de MBO Raad). “Hoofddoelstelling was: in drie jaar tijd sport, bewegen en vitaliteit binnen het mbo een structurele plek geven in het onderwijsprogramma”, vertelt Faber. “Het streven was om binnen een mbo-instelling ten minste vijf procent van de minimale contacttijd per leerjaar van 850 uur in te ruimen voor sport/actieve uren. Oftewel: gemiddeld een uur per week. De afgelopen jaren is er door het Platform Bewegen en Sport mbo veel tijd en energie gestoken in gesprekken met bestuursleden en directies over het belang van bewegingsonderwijs.” Dat wierp vruchten af. “Veel mbo-scholen zijn er inmiddels van overtuigd dat bewegen en sport meerwaarde hebben voor studenten”, stelt Faber. “We zijn nu 2,5 jaar bezig; van de 41 roc’s doen er al 36 mee. Daarnaast hebben drie aoc’s en vijf vakscholen zich aangesloten. Zij hebben

p

> slo programmalijn > vakvernieuwing

allemaal een sportcoördinator aangesteld en realiseren voor hun studenten een ruim aanbod op het gebied van bewegen en sport.” Voor de uitvoering van het Masterplan was door de ministeries achttien miljoen euro gereserveerd. Elke deelnemende school kreeg subsidie. Halverwege 2012, als het beleidskader afloopt, is dat geld op. “Toch verwachten we dat zeker 25 scholen doorgaan met het aanbieden van beweeg- en sportactiviteiten”, schat Faber. Basisdocument Onderdeel van het Masterplan is het Basisdocument bewegen, sport en vitaliteit in het mbo, dat SLO ontwikkelt op verzoek van MBO Diensten. Dit document beschrijft hoe docenten hun lessen rondom vitaal burgerschap kunnen vormgeven. “In 2011 is de dimensie vitaal burgerschap uit de kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap aangescherpt”, vertelt Brouwer (zie kader). “Scholen moeten er nu voor zorgen dat zij hun studenten bijbrengen hoe zij zorg kunnen dragen voor hun eigen vitaliteit als burger én werknemer. Zij moeten onderwijs aanbieden rond leefstijlthema’s als bewegen, voeding, alcohol, drugs en seksualiteit. Op welke wijze scholen hier aandacht aan besteden, mogen ze zelf weten. Veel docenten vinden dit best lastig. Sommigen zoeken hun lesinhouden bij elkaar met behulp van internet of ontwerpen lessen op basis van hun jarenlange ervaring. Daar is niets mis mee. Maar niet iedere docent vindt het eenvoudig om lessen van goede kwaliteit te maken over deze thema’s. Het Basisdocument helpt docenten een goede invulling te geven aan vitaal burgerschap.”

“Lessen worden eerst uitgebreid in de praktijk getest” Actueel en aantrekkelijk Het Basisdocument resulteert straks in een databank met lessen. Deze wordt gerealiseerd door verschillende deskundigen uit de wereld van onderwijs en sport, onder leiding van Berend Brouwer en Gert van Driel, lerarenopleider lichamelijke opvoeding bij hogeschool Windesheim. De lessen worden gegroepeerd rondom drie themalijnen: bewegen en sport, actieve en gezonde leefstijl en bewegen en werk. “Onderwijsdeskundigen verzorgen samen met onder meer sportbonden, gezondheidsbevorderende organisaties, brancheverenigingen en

De programmalijn ‘vakvernieuwing’ heeft als doel om voor de verschillende vakken onder andere kerndoelen, examenprogramma’s en voorbeeldmateriaal te ontwikkelen.

17 17


< Berend Brouwer

“Eventueel kunnen ze hun keuze baseren op de uitkomsten van de leefstijltest. Scholen die lid zijn van het Platform Bewegen en Sport mbo gebruiken deze nu al op grote schaal. Dit jaar vullen zo’n 43.000 eerstejaars de online test in. Ze krijgen direct feedback op hun gedrag en vervolgens ook adviezen om hun leefstijl te verbeteren. In de nabije toekomst ontwikkelen we een app voor de smartphone, zodat studenten regelmatig individuele adviezen uit hun persoonlijke actieplan krijgen.” kenniscentra de inhoud van de thema’s”, zegt Brouwer. “Voor ieder thema verzamelen zij bestaand materiaal en beoordelen de kwaliteit daarvan. Het kan gaan om materiaal dat door voorloperscholen in het mbo is ontwikkeld, maar ook om lessen die bijvoorbeeld voor havo/vwo zijn bedacht en met kleine aanpassingen geschikt zijn te maken voor onze doelgroep. Ook ontwikkelen ze nieuw materiaal. Zo maken zeventien sportbonden een sportaanbod van elk 4 x 1,5 uur. Vervolgens worden de lessen in de praktijk getest. De eerste lessenreeksen - atletiek en tennis - worden inmiddels uitgeprobeerd. De verbetersuggesties die daar uitkomen, voeren we door. Uiteindelijk ontstaat zo een aantrekkelijk en actueel aanbod. Dat omvat overigens niet alleen sportlessen, maar ook theoretische lessen over bijvoorbeeld gezonde voeding, verdovende middelen en werkgerelateerde gezondheidsrisico’s.”

18

Ook voor ALO’s Bij de totstandkoming van het Basisdocument zijn ook de lerarenopleidingen lichamelijke opvoeding en academies lichamelijke opvoeding (ALO’s) betrokken. “In het mbo-onderwijs komen zo’n zeshonderd banen beschikbaar voor docenten sport en bewegen met een niveau 5-opleiding”, zegt Faber. “Tot voor kort bereidden de ALO’s hun studenten echter nauwelijks specifiek voor op werken in het mbo. Terwijl dit echt anders is dan in het voortgezet onderwijs. Zo kent bewegen en sport in het mbo vele gezichten. Soms wordt er gewerkt met klassen, soms met clinics. En de studentengroep is veel minder homogeen dan in het voortgezet onderwijs. Bovendien hebben sommige scholen geen eigen sportaccommodaties; ze zoeken zelf andere locaties. Het is daarom goed om aankomende docenten ook terdege op dit werkveld voor te bereiden. ALO’s kunnen het Basisdocument daar straks voor gebruiken.”

“Databank biedt kansen om goede invulling te geven aan vitaal burgerschap” Leefstijltest De lessendatabank komt in de zomer van 2012 beschikbaar via Wikiwijs.nl. “Docenten kiezen dan zelf welke lessen uit de databank ze willen doen”, vertelt Faber.

Scholen kunnen de gegevens van individuele studenten niet opvragen, maar wel per groep. “Als dan bijvoorbeeld blijkt dat de meeste studenten roken en zelden sporten, kan de docent bewegen en sport lessen kiezen die passen bij het profiel van deze studentenpopulatie”, zegt Brouwer. “Per les zijn doelen, inhouden, materialen en activiteiten concreet beschreven. Maar docenten moeten de lessen vervolgens wel afstemmen op hun eigen groep. Immers, het maakt nogal wat uit of je voor een multiculturele groep lassers-in-opleiding staat in Amsterdam of voor een groep aankomende kapsters in Groningen. De lessen in de databank zijn halffabrikaten; de expertise van de docent is noodzakelijk om ze optimaal te laten aansluiten bij de eigen studenten.”

Vitaal burgerschap

Deze dimensie heeft betrekking op de bereidheid en het vermogen om te reflecteren op de eigen leefstijl en zorg te dragen voor de eigen vitaliteit als burger en werknemer. Hierbij gaat het om de zorg voor de eigen vitaliteit en fitheid. Daarbij is een belangrijke taak om de juiste afstemming te vinden tussen werken, zorgen (voor jezelf en voor anderen), leren en ontspannen. De student heeft kennis over en inzicht in de volgende onderwerpen die bij de dimensie vitaal burgerschap aan bod komen: de kenmerken van een gezonde leefwijze, waaronder de nationale norm gezond bewegen en de aard, plaats en organisatie van gezondheidsbevorderende activiteiten in de samenleving en het arbeidsproces. Om zorg te kunnen dragen voor de eigen gezondheid is het nodig dat de student zich bewust is van zijn eigen leefstijl, gezondheidsrisico’s van leefstijl en werk in kan schatten, op basis daarvan verantwoorde keuzes kan maken en activiteiten onderneemt die bijdragen aan een gezonde leefstijl. Het gaat naast bewegen en sport ook om aspecten als voeding, roken, alcohol, drugs en seksualiteit. Uit: Kwalificatie-eisen loopbaan en burgerschap in het mbo, studiejaar 2011-2012.


w

Ontwerponderzoek vergroot onderzoekende houding docent Dankzij ontwerponderzoek krijgen docenten een beter beeld van de kwaliteit van hun onderwijs. Ook maakt dit onderzoek duidelijk hoe het onderwijs verbeterd kan worden. Wat houdt ontwerponderzoek precies in en welke winst kunnen scholen hieruit halen? Viola van Lanschot Hubrecht is leerplanontwikkelaar bij de afdeling beroepsonderwijs van SLO. Zij vertelt over haar ervaringen met ontwerponderzoek, onder andere over een lessenserie voor loopbaanorïentatie (LOB) in het vmbo. Viola van Lanschot Hubrecht is positief: “Door de ontwikkeling van de lessenserie in te richten als ontwerponderzoek nemen niet alleen de SLOontwikkelaars maar ook de docenten een onderzoekende houding aan. Docenten krijgen

Tekst: Tidoo Ekens

daardoor meer vertrouwen in wat ze doen, en een beter zicht op leerprocessen”. Wat is ontwerponderzoek precies? “Bij ontwerponderzoek wordt eerst op basis van een gesignaleerd probleem een onderzoeksvraag geformuleerd. Hoe laten we bijvoorbeeld leerlingen in de bovenbouw van vmbo-tl via loopbaanoriëntatie (LOB) kennismaken met de verschillende sectoren? Het ontwerponderzoek kent een cyclische aanpak waarbij analyse, ontwerp- en evaluatie-activiteiten elkaar opvolgen. Op basis van literatuurstudie en ontwerpcriteria is vervolgens een lessenserie ontwikkeld. De uitvoering daarvan is daarna grondig geëvalueerd. SLO hanteert vier criteria voor de kwaliteit: de oplossing van het probleem is consistent, relevant, bruikbaar en effectief. Een docent of school weet dankzij de uitgevoerde evaluatie-activiteiten of het doel is bereikt.” Wat verklaart de opkomst van ontwerponderzoek in het onderwijs? “In de afgelopen jaren zien we dat onderzoek steeds meer onderdeel is geworden van projecten waarin scholen en SLO met elkaar samenwerken. De opkomst van ontwerponderzoek gaat terug naar 2006. De Onderwijsraad constateerde destijds dat in het onderwijs nieuwe aanpakken worden ingevoerd zonder dat bekend is of deze beter werken dan de vorige. Ook de Commissie Dijsselbloem benadrukte het belang van evidence-based onderwijs. Ontwerponderzoek is hier een antwoord op. In deze werkwijze staat evaluatie van het te ontwikkelen leerplan in de praktijk centraal waarbij je zoekt naar concrete bewijzen voor wat je aan het doen bent. Een ontwikkelaar weet vervolgens niet alleen of hij het goede doet, hij weet ook of hij het goed doet.” Hoe reageren docenten en schoolleiders op deze vorm van onderzoek? “Positief, dat merken we bijvoorbeeld aan de grote bereidheid van scholen om mee te werken aan de evaluatie-activiteiten. Onderzoek is voor scholen nieuw maar docenten en schoolleiders vinden het de moeite waard omdat het iets oplevert. Docenten krijgen het

vertrouwen dat ze de goede dingen doen. Hun deskundigheid neemt toe. Ze kijken met een andere bril naar het onderwijs en hun eigen rol. Ze krijgen een beter zicht op de factoren die van invloed zijn op leerprocessen. Daarnaast is het zowel voor schoolleiders als docenten prettig om een externe gesprekspartner te hebben. Dat leidt vaak tot nieuwe en bruikbare inzichten.” Kunnen scholen ook zelfstandig onderzoek uitvoeren naar de kwaliteit van hun onderwijs? Het uitvoeren van onderzoek is een professie op zich. Het kost tijd en het vraagt om een open onderzoekende houding. Het aantal docenten dat onderzoeksvaardiger wordt, neemt dankzij diverse nieuwe masterstudies toe. Deze docenten steken hun collega’s aan, waardoor onderwijsonderzoek in de scholen meer gaat leven. Op de site www.leerplanevaluatie.slo.nl staan trouwens handige tips die ook door scholen kunnen worden gebruikt, bijvoorbeeld hoe je evaluatievragen formuleert. Of hoe je meer respondenten op een vragenlijst krijgt.” Wat is voor een school het belangrijkste argument om te kiezen voor een onderzoeksmatige aanpak? “Voortdurende optimalisering. Je toetst steeds de theorie aan de praktijk en de praktijk aan de vier kwaliteitscriteria. En elke uitkomst gebruik je weer om een aanpak, lessenserie of leerplan te verbeteren of de theorie aan te passen. Zo optimaliseer je je onderwijs. De lessenserie voor loopbaanoriëntatie in de theoretische leerweg is bijvoorbeeld dankzij de evaluatie-activiteiten verder verbeterd. De evaluatie-instrumenten zijn verbeterd en we hebben ervaring opgedaan die de theorie over effectieve LOB bevestigen. Wij zijn op de goede weg.” Informatie: Viola van Lanschot Hubrecht, v.vanlanschothubrecht@slo.nl. Website: www.leerplanevaluatie.slo.nl.

19


Publicaties Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die geschreven zijn door SLO-medewerkers of waaraan zij een aanzienlijke bijdrage hebben geleverd. Deze publicaties worden uitgegeven door SLO en zijn - tenzij anders vermeld - gratis te downloaden op www.slo.nl of te bestellen tegen kostprijs. Onderstaand een overzicht van de meest recente publicaties:

Rekentoetswijzer 2F voortgezet onderwijs Door: T. Dekker, V. Schmidt

De rekentoetswijzer 2F vormt het kader voor de eisen die in de rekentoets(en) 2F gesteld worden, geformuleerd in termen van ‘kennen en kunnen’. In deze rekentoetswijzer wordt beschreven hoe de rekendoelen uit het referentiekader rekenen, niveau 2F, kunnen voorkomen in de rekentoetsen 2F.

Rekentoetswijzer 3F voortgezet onderwijs Door: T. Dekker, V. Schmidt

De rekentoetswijzer 3F vormt het kader voor de eisen die in de rekentoets(en) 3F gesteld worden, geformuleerd in termen van ‘kennen en kunnen’. In deze rekentoetswijzer wordt beschreven hoe de rekendoelen uit het referentiekader rekenen, niveau 3F, kunnen voorkomen in de rekentoetsen 3F.

20

Servicedocument

Toelichting bij de rekentoetswijzers 2F en 3F voor het voortgezet onderwijs Door: T. Dekker en V. Schmidt Voor het voortgezet onderwijs zijn twee rekentoetswijzers ontwikkeld, één voor niveau 2F en één voor niveau 3F. De rekentoetswijzers hebben elk een officiële status als regelgevend document en zijn door de rijksoverheid goedgekeurd. Dit servicedocument verstrekt informatie over de rekentoetsen, voor zover die niet in de rekentoetswijzers is opgenomen. Dit servicedocument kent, in tegenstelling tot de rekentoeswijzer, geen officiële status kent. Het document bevat een korte beschrijving van de totstandkoming van de rekentoetswijzers, enkele overwegingen daarbij, feitelijk informatie voor scholen en docenten en voorbeeldopgaven.

Toetsen en beoordelen met het ERK

Door: A. van Til, A. Beeker, D. Fasoglio, B. Trimbos In Nederland werken steeds meer talendocenten vanuit het ERK. Als een MVT-sectie het ERK introduceert in de lessen, is het ook de bedoeling dat er getoetst wordt volgens het ERK. Deze publicatie kan praktische hulp

bieden aan talensecties die al enigszins bekend zijn met het ERK en besloten hebben met het ERK te gaan werken. Ze biedt onder andere ondersteuning bij het opstellen van een meerjarentoetsplanning, het maken van een blauwdruk voor een ERK-toets, het maken van een correctievoorschrift volgens ERK-criteria, het normeren van de resultaten en het toekennen van cijfers aan ERK-prestaties.

Wat vinden docenten van www.erk.nl? Resultaten online-enquête Door: D. Fasoglio

Het Europees Referentiekader (ERK) voor de moderne vreemde talen bestaat in 2011 tien jaar. In 2008 is SLO, samen met CPS, APS, Cito, CINOP en ICLON een omvangrijk ERK-implementatieplan gestart, met als belangrijkste product de website www.erk.nl. Om het volledig ontwikkelde product te evalueren is in november 2011 een online-enquête over de website gehouden onder docenten Duits, Engels, Frans en Spaans. Doel van de enquête was na te gaan wat talendocenten in Nederland vinden van de website. De resultaten worden in deze publicatie gepresenteerd.

Van leergebieden naar vakken?

De aansluiting tussen onderbouw en bovenbouw in het vmbo Door: M. Haverkamp, J. van Hilten, N. Jansma, R. Reenalda, M. Rodenboog-Hamelink, J. van Rooijen Veel scholen bieden het onderwijs in de onderbouw van het vmbo aan in leergebieden. Zij lopen er tegenaan dat deze leergebieden niet één op één door kunnen lopen in de bovenbouw. Het examenprogramma kent vakken, geen leergebieden en niet alle vakken uit een leergebied worden in elke sector in de bovenbouw aangeboden. Daardoor worden de leerlijnen onderbroken. Deze publicatie is bedoeld voor scholen die in de onderbouw van het vmbo werken met leergebieden of dat willen gaan doen en die in de bovenbouw toewerken naar examinering in vakken. Zij krijgen handvatten om hun onderwijs zo in te richten dat de overgang van leergebieden naar vakken voor de leerlingen zo soepel mogelijk verloopt.

Kwaliteitskader UNESCO-schoolprofiel Door: A. Thijs, J. van der Velde, S. Meershoek, S. van Dieren, E. Arkesteijn

Internationale verbondenheid, verdraagzaamheid en solidariteit zijn belangrijke doelstellingen voor scholen met het UNESCO-schoolprofiel. Om dit profiel verder te kunnen ontwikkelen heeft SLO samen met het Europees Platform een kwaliteitskader ontwikkeld. Het kader heeft verschillende functies:


• Kwaliteitsborging: het bieden van een richtsnoer voor (zelf)evaluatie van de wijze waarop de UNESCO-visie wordt vormgegeven in de school. • Inhoudelijke inspiratie: het zichtbaar maken van kernelementen van het UNESCO-aanbod en hoe die te realiseren in de school. • Monitoring: door middel van zelfevaluatie de voortgang van het ontwikkeltraject monitoren. • Collegiale uitwisseling: het bieden van een gezamenlijk referentiekader voor uitwisseling van ervaringen, praktijken en materialen met andere UNESCO-scholen in het UNESCO-scholennetwerk.

Genres in schoolvakken

Verslag van de Landelijke werkconferentie Platform Taalgericht Vakonderwijs Door: B. van der Leeuw en Th. Meestringa Deze landelijke werkconferentie is het vervolg op het Symposium Genredidactiek/Genre Pedagogy, gehouden in 2010. Bij de afsluiting van dit symposium is afgesproken

de mogelijkheden tot verdieping van taalgericht vakonderwijs met behulp van Systemic Functional Linguistics (SFL) en genredidactiek verder uit te werken in diverse ‘proeftuintjes’. In dit verslag worden de ervaringen met die proeftuintjes gepresenteerd.

Human movement and sports in 2028

Een blik in de toekomst van lichamelijke opvoeding/ bewegingsonderwijs en sport op school Door: B. Brouwer, A. Aldershof, H. Bax, M. van Berkel, G. van Dokkum, M.J. Mulder, J. Nienhuis SLO heeft samen met de Academies voor Lichamelijke Opvoeding (ALO’s) en de Koninklijke Vereniging van leraren Lichamelijke Opvoeding (KVLO) een verkenning uitgevoerd naar de toekomst van lichamelijke opvoeding/ bewegingsonderwijs. Deze nota schetst een nieuwe visie op het leergebied Human Movement and Sports, en gaat in op de betekenis van deze visie voor docenten, leerlingen, het programma en voor de organisatie en het beleid van HM&S op school.

Aanbod digitale nieuwsbrieven Nog een manier om te informeren Niet alleen via SLO Context en de website, maar ook via verschillende digitale nieuwsbrieven informeren wij schoolleiders en leraren graag over de manier waarop we - in samenspraak met het onderwijsveld - invulling geven aan leerplanontwikkeling binnen het voortgezet onderwijs. Deze nieuwsbrieven gebruiken we ook voor het plaatsen van oproepen wanneer we bijvoorbeeld feedback

willen op door ons ontwikkelde materialen of pilotscholen zoeken. Daarnaast wordt u voorzien van handige downloads waarmee u direct aan de slag kunt. Nog geen abonnee? Bekijk het overzicht nieuwsbrieven op www.slo.nl/nieuwsbrieven en meld u gratis aan!


Websites www.bewegingsonderwijs.slo.nl

Alles wat SLO op het gebied van bewegingsonderwijs en sport doet en de afgelopen jaren heeft opgeleverd, staat op deze website. Praktische instrumenten, lesvoorbeelden en voorbeeldvideoâ&#x20AC;&#x2122;s voor docenten en vakspecialisten. Maar ook interessante informatie over leerlijnen en tussendoelen, de organisatie van bewegingsonderwijs en het op elkaar afstemmen van het binnenen buitenschoolse aanbod.

www.taalgerichtvakonderwijs.nl

Taalgericht vakonderwijs staat voor een didactiek die gebruik maakt van het feit dat taal een belangrijke rol speelt bij het leren. Uitgangspunt is daarbij dat taal, leren en denken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Op deze website vindt u informatie over het taalgericht vakonderwijs en de steun die het Platform TGVO bij de ontwikkeling van taalgericht vakonderwijs biedt. Ook treft u op de website materialen, ervaringen en ontwikkelingen aan.

www.cursuscurriculumontwerp.slo.nl

SLO heeft een cursus ontwikkeld die de belangrijkste theorieĂŤn, aanpakken en modellen rond leerplanontwikkeling (curriculumontwikkeling) aan de orde stelt. De cursus is in eerste instantie bedoeld voor lerarenopleiders en onderwijsondersteuners die docenten of leidinggevenden willen opleiden tot lesstofontwikkelaars. Desalniettemin kunnen de materialen uit de cursus ook door andere belangstellenden gebruikt worden. Deze website biedt u een overzicht van de cursus en bijbehorende materialen.

www.talennetwerken.slo.nl

22

De talennetwerken van SLO delen talendocenten de ervaringen en ontwikkelingen uit, delen inzichten en geven vorm aan competentiegericht, kwalitatief goed talenonderwijs. De website talennetwerken.slo.nl ondersteunt de deskundigheidsbevordering van de talennetwerken Nederlands, Duits, Engels, Frans en Spaans en biedt veel praktische ervaring.

www.taalenrekenen.nl

Website die u handvatten biedt voor de invoering van de referentieniveaus taal en rekenen met onder andere wettelijke informatie, beschrijvingen, duidingen van de betekenis van de referentieniveaus voor leraren en schoolleiders en veelgestelde vragen. Ook wordt de site voortdurend aangevuld met concrete voorbeelden en leerervaringen uit pilots en projecten.


Agenda 9 mei 2012

8 juni 2012

Masterclass Basisdocument Sport, Bewegen en Vitaliteit

Conferentie Bewegen en sport in het mbo

Op 9 mei is er voor sportcoördinatoren en docenten bewegen en sport in roc’s een masterclass rond het Basisdocument Sport, Bewegen en Vitaliteit in het mbo, locatie MBO Raad Woerden Locatie: MBO Raad, Woerden Tijd: 13.30 - 16.00 uur

31 mei 2012 TL-conferentie over Beter presteren Het Platform-TL, APS en SLO organiseren op 31 mei 2012 voor schoolleiders en docenten uit de gemengde en theoretische leerweg een conferentie over Beter presteren en opbrengstgericht werken. Locatie: Postillion Hotel, Bunnik Tijd: 10.00 - 16.15 uur Kosten: Leden van het netwerk-tl van SLO en van het Platform-TL hebben gratis toegang. Niet-leden betalen € 275,-.

Op 8 juni is de tweejaarlijkse conferentie over bewegen en sport in het mbo. Meer informatie: www.platformbewegenensport.nl. Locatie: MBO Raad, Woerden Tijd: 13.30 - 16.00 uur

14 juni 2012 Landelijke docentendag vmbo & mbo Techniek Op 14 juni 2012 organiseert Stichting Consortium Beroepsonderwijs in samenwerking met SLO de jaarlijkse Landelijke Docentendag vmbo & mbo Techniek. Deze inspirerende, motiverende en innovatieve docentendag laat alle bezoekers de nieuwste ontwikkelingen in en rond de sector techniek van het vmbo & mbo zien en beleven. De dag is bedoeld voor docenten vmbo - mbo (techniek en avo) en praktijkopleiders. Locatie: Edda Huzid, Voorthuizen Tijd: 09.30 - 16.00 uur Kosten: Voor scholen die lid zijn van het Platform Metaal & Metalektro of Stichting Consortium Beroepsonderwijs is deze dag gratis. Niet-leden betalen € 395,- .

23


Greep krijgen op referentieniveaus taal en rekenen Online Training Referentiekader p atie o m r o f r in r mee rekenen.nl o o v k j Ki taalen www.

Wilt u zich bekwamen in de kennis van de referentieniveaus en leert u graag actief, dan is de online Training Referentiekader een aantrekkelijke en snelle manier om meer inzicht in de referentieniveaus van uw leerlingen te verwerven. Met de Training Referentiekader test u of u het juiste referentieniveau van een opdracht kunt inschatten. U wordt hierbij geholpen door middel van een digitale correctie en professionele uitleg bij elke opdracht per niveau en subdomein. Ga voor de training en de voorbeelden naar www.taalenrekenen.nl.

Profile for SLO Stichting Leerplanontwikkeling

SLO Context Beroepsonderwijs  

SLO Context voor het beroepsonderwijs

SLO Context Beroepsonderwijs  

SLO Context voor het beroepsonderwijs

Profile for slocom2
Advertisement