Page 1

context

SLO context vo

december 2013

nummer 9

voor het voortgezet onderwijs

Beter beoordelen in minder tijd Van plakband naar rationale Ververs Award Minder programma’s, meer te kiezen

SLO context vo

december 2013

nummer 9


tie op er informa e m r o o v l Kijk imuleren.n t s t n le a .t www

FotograďŹ e: Rene Fokkink

Kennis delen rondom talentontwikkeling in het vmbo

Informatiepunt Onderwijs & Talentontwikkeling Wilt u weten hoe u vmbo-leerlingen kunt helpen om hun talenten te ontdekken? Of welke invalshoeken u kunt gebruiken om deze talenten verder te stimuleren? Op www.talentstimuleren.nl vindt u diverse tools, voorbeeldaanpakken en suggesties. Talentontwikkeling vraagt om een gevarieerd onderwijsaanbod waarbinnen leerlingen hun talenten kunnen ontdekken en ontwikkelen. Daarnaast is goede begeleiding van leerlingen essentieel. Door ruimte te bieden aan stimulering, herkenning en ontwikkeling van talenten kunnen leerlingen optimaal tot hun recht komen. Ga daarom nu naar de website voor meer informatie en kies voor ‘vmbo’. De informatie op deze website zal de komende maanden sterk worden uitgebreid. SLO context vo

december 2013

nummer 9


Fotografie: Ebo Fraterman

Inhoud Bij SLO stellen we elkaar steeds vaker kritische vragen als ‘Wie maakt de optelsom van alle onderwijseisen?’, ‘Wie bewaakt nog de samenhang in het curriculum?’ en ‘Moeten we niet eens met elkaar in gesprek over wat de moeite waard is om te leren?’ Essentiële vragen waarvoor we in Nederland weinig tijd nemen. Te weinig tijd, vinden we bij SLO. Want als deze vragen niet beantwoord worden, ontbreekt eigenlijk het stuur aan de wagen. En dan kunnen we wel praten over ieders zorgen over de onderwijskwaliteit, maar waar doelen we dan precies op en waar kunnen we dan op bijsturen? Binnen SLO kwamen we tot de conclusie dat we steeds meer de behoefte hebben antwoorden te zoeken in plaats van vragen op te roepen. Dat mag u van het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling ook verwachten. En daarom hebben we tijd gemaakt om dit soort curriculumvragen nader te verkennen in een project genaamd ‘Curriculumvensters’. In deze SLO Context vindt u daar een eerste artikel over op pagina 4. Curriculumvensters is bedoeld om zowel de landelijke als schoolspecifieke discussie over de gewenste inhoud van het onderwijs te stimuleren en te voeden. Vaststellen wat de moeite waard is, kunnen we onmogelijk alleen. Daar moeten zoveel mogelijk mensen - binnen en buiten het onderwijs - over meepraten. Alleen zo kunnen we komen tot een gedragen set aan onderwijsdoelen en -inhouden.

4 Van plakband naar rationale 8 Technasium 11 Ververs Award 14

Wikiwijsleermiddelenplein

16 Minder programma’s, meer te kiezen 19

Rekenvaardigheden aanleren in samenhang

20 Publicaties 22

24 Schrijfvaardigheid 27

Actueel

24 22

Colofon

Bestel- & informatieadres

SLO Context is een uitgave van SLO © 2013, Enschede.

SLO Postbus 2041 7500 CA Enschede

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Redactie: Rob Abbenhuis, Monique van der Hoeven, Hans de Vries, Danielle Frek Eindredactie: Jessica van der Veen Opmaak: Digidee Ontwerpstudio, Enschede

Jessica van der Veen Hoofdredacteur, j.vanderveen@slo.nl

10 11

Cultuurprofielscholen bekennen kleur

ISSN 1878-7339

Als u voor een van deze gesprekken benaderd wordt of als u ergens een oproep voor curriculumgesprekken ziet, hoop ik van harte dat u de tijd wilt nemen om mee te denken en te praten. Tijd is schaars, besef ik me, ook of misschien wel vooral in het onderwijs. Maar voor de wezenlijke dingen in het leven, moet toch af en toe tijd kunnen worden vrijgemaakt?!

44

Druk: Te Sligte - Olijdam, Enschede Met dank aan: Maaike Ditzel, Tiddo Ekens, Femke Gerritsen, Eduard Kooij, Mijndert Ververs, Boris Wanders

T 053 4840 840 F 053 4307 692 E info@slo.nl SLOcommunicatie www.slo.nl


Tekst: Suzanne Visser • Fotografie: Human Touch Photography en Jan Schartman

Van plakband naar rationale Waarom we het gesprek over het leerplan moeten openen In een samenleving die zo snel verandert, kan het onderwijs niet blijven stilstaan. Leren onze jongeren wel de goede dingen? Is het leerplan toe aan een update? Fundamentele vragen waarvoor we onze ogen niet mogen sluiten, vinden leerplanontwikkelaars Rob Diephuis en Annette Thijs. Het is tijd voor een maatschappelijke én professionele discussie.

Februari 2013. De Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen waarschuwt in een advies over digitale geletterdheid dat goed functioneren in de moderne samenleving inzicht vereist in de impact en in de beperkingen van ICT. ‘Hoe betrouwbaar is de gevonden informatie? Mag ik alle informatie op internet zomaar gebruiken? Wie kunnen er allemaal mijn profiel op internet zien en wat zijn daarvan de risico’s?’ Het is belangrijk dat leerlingen in het vo een kritische attitude ontwikkelen, vindt de academie. Augustus 2013. In Sneek, Breda, Emmen, Heenvliet, Amsterdam en Almere openen iPadscholen voor basisonderwijs hun deuren. De tabletcomputer is hier de spil waarom het hele onderwijs draait. Lesmateriaal,

registratie van leervorderingen en aanwezigheid: alles wordt digitaal bijgehouden. En op een virtueel schoolplein ontmoeten de avatars van de leerlingen elkaar. Twee ontwikkelingen in een half jaar tijd, die allebei gaan over digitalisering van het onderwijs. Zijn ze met elkaar in strijd? Niet per se. Maar opmerkelijk is wel dat ze zich naast elkaar voltrekken zonder dat hieraan een maatschappelijke discussie is voorafgegaan. Eerder dit jaar constateerden leerplanontwikkelaars Rob Diephuis en Annette Thijs van SLO al dat het curriculum in ons land relatief onzichtbaar is. Het heeft iets weg van een puzzel: allerlei partijen maken zich druk over afzonderlijke puzzelstukjes (wel of geen aandacht voor pesten in het vo?) maar niemand maakt de puzzel. SLO context vo

december 2013

nummer 9


Rob Diephuis >

En dus blijven belangrijke vragen onbeantwoord. Hoe passen al die stukjes in elkaar? Is de puzzel compleet? En laat die het beeld zien dat wij willen?

21st century skills Er is een belangrijke reden waarom we ons deze vraag juist nu moeten stellen. De samenleving verandert razendsnel. Scholen staan voor de ingewikkelde opgave hun leerlingen voor te bereiden op een maatschappij die steeds individueler wordt, en op vervolgopleidingen en beroepen die nog niet eens bestaan. Van de leerlingen van nu, de werknemers van straks, worden nieuwe competenties gevraagd, dat is wel zeker. ‘21st century skills’, worden deze generieke vaardigheden over de hele wereld genoemd.

“Allerlei partijen maken zich druk over afzonderlijke puzzelstukjes, maar niemand maakt de puzzel.” Er zijn minstens vijf gezaghebbende modellen voor ontwikkeld, elk met een eigen opsomming van vaardigheden. Op verzoek van Kennisnet hebben onderzoekers van de Universiteit Twente in een metastudie al die onderzoeken op een rij gezet. Daaruit blijkt dat er in essentie acht vaardigheden te onderscheiden zijn: communiceren, samenwerken, digitale geletterdheid, creatief denken, kritisch denken, probleemoplossend denken, zelfregulering en sociale & culturele vaardigheden. Maar hoe en waar die generieke vaardigheden een plaats moeten krijgen in het funderend onderwijs, is een heel andere vraag. “Duidelijk is dat een verbinding met de vakken van belang is”, zegt leerplanontwikkelaar Thijs. “Je kunt vaardigheden niet los zien van kennis, leerlingen moeten ze geïntegreerd verwerven. Maar hoe moeten die vaardigheden in het leerplan worden verankerd? Dat vraagt om een goed doordacht antwoord.”

Speelbal De kans dat dit antwoord er vanzelf wel komt, is klein. Dit hangt samen met de bijzondere manier waarop het leerplan in Nederland tot stand komt. Wat ons onderscheidt van andere landen, is het grote belang dat hier de laatste honderd jaar is gehecht aan de vrijheid van onderwijs. Er is in Nederland nooit een nationaal leerplan gemaakt. In plaats daarvan ligt de bal bij de scholen en stelt de overheid alleen de spelregels vast. En die spelregels zijn heel ruim. Kijken we naar wat alle leerlingen in het funderend SLO context vo

december 2013

nummer 9

onderwijs moeten leren, dan zijn grofweg zeven domeinen verplicht: bewegingsonderwijs, Nederlandse taal, rekenen & wiskunde, Engelse taal, natuur & techniek, de maatschappij en kunst & cultuur. Nergens staat aangegeven hoeveel tijd aan welk domein moet worden besteed. In het primair onderwijs is de verdeling van leertijd helemaal vrij; in het voortgezet onderwijs zijn er aanvullende bepalingen over een kerndeel en een differentieel deel, met verschillen per schooltype. En gaat het om de vertaling van deze onderwerpen naar concreet onderwijs (het hoe), dan hebben de scholen zo mogelijk nóg meer vrijheid. Sinds de jaren negentig zijn de kerndoelen voor het basisonderwijs en de onderbouw voortgezet onderwijs alleen maar verruimd.

“Ook het Nederlandse leerplan heeft een rationale nodig.” Wel zijn er in recente jaren af en toe bewegingen in tegengestelde richting geweest. Zo zijn er enkele maatschappelijke aspecten op het lijstje van verplichte onderwerpen bij gekomen: op de basisschool moet aandacht zijn voor sociale redzaamheid en gezond gedrag en het hele funderend onderwijs moet sinds kort aandacht besteden aan burgerschap en integratie. Ook liet de minister, toen er zorgen ontstonden over de prestaties van leerlingen in taal/Nederlands en rekenen/wiskunde, gedetailleerde referentieniveaus ontwikkelen, compleet met verplichte toetsen. Maar in grote lijnen ligt de bal nog altijd bij de scholen. En daar is het nu eenmaal niet gebruikelijk om te praten over de inhoudelijke samenhang in het leerplan als geheel. Het zicht op de optelsom van vakken en vormingsgebieden ontbreekt, constateert leerplanontwikkelaar Diephuis: “In het primair onderwijs gaat het nog wel, al zullen ook daar weinig leerkrachten zijn die het volledige aanbod van groep 1 tot en met groep 8 overzien. Maar in de eerste fase voortgezet onderwijs is het programma, met een groot aantal vakken op diverse niveaus, voor docenten alleen

5


< Annette Thijs

op onderdelen te doorgronden.” Daar komt bij - en ook dat is typisch Nederlands - dat de regie over het curriculum over het algemeen niet bij de leraren zit, maar bij experts en educatieve uitgevers. Samengevat: de overheid geeft ruimte en richting, de school mag kiezen, maar het zijn experts die bepalen wat er te kiezen valt.

Plakbandcurriculum

6

Wat we in Nederland dus in elk geval niet kennen, is een georganiseerd gesprek over wat leerlingen in het funderend onderwijs zouden moeten leren. Dat is de lacune die Curriculumvensters hoopt te vullen. In dit project gaat SLO in een dialoog met andere partijen verkennen onder welke voorwaarden we in Nederland op alle niveaus kunnen praten over onze gezamenlijke ambities met het funderend onderwijs. “Dit past bij onze rol als expertisecentrum voor leerplanontwikkeling”, aldus Thijs. Een onderwerp dat naar de mening van Diephuis en Thijs zeker aan de orde moet komen, is het ontbreken van een helder idee achter het leerplan als geheel. Strikte kaders voor rekenen en taal plus losse maatschappelijke opdrachten en verder vooral veel vrijheid - je zou kunnen zeggen dat Nederland een ‘plakbandcurriculum’ heeft. Veel andere landen daarentegen hebben voor hun leerplan een ‘rationale’ geformuleerd. Diephuis omschrijft dit als ‘een gedachtegang die uiteenzet wat het leerplan in de kern beoogt en nastreeft.’ In de termen van het Finse leerplan: It is the expression of our will and gives direction to the development of teaching and learning. “Samen werken aan zo’n langetermijnvisie maakt dat iedereen veel meer samenhang in het leerplan ervaart”, zegt Diephuis. “Mensen kijken meer holistisch en integraal naar onderwijs.” Een van de stellingen van het project Curriculumvensters is daarom, dat ook het Nederlandse leerplan een rationale nodig heeft.

Meer houvast Zo’n rationale zou de scholen bovendien richting kunnen geven bij het benutten van hun keuzevrijheid.

Het is paradoxaal, maar om leraren echt aan het werk te laten gaan met het leerplan, hebben ze meer houvast nodig, stelt Thijs. “Natuurlijk luistert dat nauw: te veel sturing leidt weer tot eenheidsworst en gebrek aan betrokkenheid. Maar voorbeelden uit het buitenland tonen aan dat een balans tussen richting geven en ruimte beiden wel degelijk mogelijk is. En dat die balans beter wordt naarmate het onderwijs er nauwer bij betrokken is. In Schotland bijvoorbeeld hebben scholen intensief meegedacht over een nationaal curriculum. Het heeft lang geduurd en het leerplan moet zich nog in de praktijk bewijzen, maar het kán dus wel. Een ander voorbeeld is opnieuw Finland, dat bekendstaat als een land waar leraren veel professionele autonomie hebben. Ook daar bestaat een gedetailleerd nationaal leerplan, maar wel in combinatie met veel vrijheid bij de uitvoering.” Als Nederland zou overstappen op een meer omvattend leerplankader, heeft dat natuurlijk gevolgen voor de aansturing door de overheid. Meer richting, minder ruimte voor scholen – maar kan dat ook gedifferentieerd? Dus op onderdelen strak (denk aan taal en rekenen) en elders juist ruim (denk aan levensbeschouwing)? En tegelijkertijd systematisch en consistent? Dat is eveneens een vraag waarover discussie nodig is, zegt Thijs: “Een interessant voorbeeld is de driedeling die ze in Finland hebben. Een basis van normen waarover niet te onderhandelen valt, een keuzecurriculum op een middenniveau van specificatie en inspirerende open doelen voor de meer innovatieve vaardigheden.”

Cyclus Soortgelijke discussievragen en stellingen gaat het project Curriculumvensters de komende tijd ook opstellen voor de leerplandiscussie op schoolniveau. Diephuis: “Vragen die daarin een sleutelrol spelen, zijn: hoe ontwikkel je een leerplankoers of visie op school? Hoe organiseer je een cyclus van leerplanontwikkeling? Hoe maak je beleid voor je leeromgeving en leermiddelen? En aan welke professionalisering hebben de schoolleiding en de leraren behoefte? We gaan hierover graag met het onderwijsveld in gesprek. Zo kunnen overheid en onderwijsveld samen werken aan een toekomstbestendig leerplan. Daar is het immers om begonnen!”

Het project Curriculumvensters publiceert binnenkort twee discussiestukken: een met vragen en stellingen op landelijk niveau en een op schoolniveau.

SLO context vo

december 2013

nummer 9


CONFERENTIE CULTUUR IN DE SPIEGEL

L

Donderdag 20 maart 2014 12.30 - 17.00 uur in Zwolle

Op donderdag 20 maart ronden de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en SLO het onderzoeksproject Cultuur in de Spiegel af met een eindconferentie. Op deze dag staan de opbrengsten van Cultuur in de Spiegel centraal. Naast plenaire lezingen van onder andere Barend van Heusden kent de conferentie een divers workshopprogramma, verzorgd door de pilotscholen, onderzoekers van de RuG en leerplanontwikkelaars van SLO. Dan wordt ook een handreiking voor de onderwijspraktijk gepresenteerd. De conferentie vindt plaats in de Buitensociëteit in Zwolle en is bedoeld voor onder andere ICC’ers (po), cultuurcoördinatoren (vo), schoolleiders (po en vo), leraren van cultuurgerelateerde vakken en lerarenopleiders. Voor meer informatie over het programma en over de inschrijving: www.slo.nl/cultuurindespiegel

SLO context vo

december 2013

nummer 9

U 7

T

U

U R

C


Technasium Vak-eigen examenprogramma voor het technasium In Nederland zijn er inmiddels ruim tachtig vo-scholen die zich technasium mogen noemen. Kenmerkend voor een technasium is het praktijkvak Onderzoek & Ontwerpen, dat leerlingen intensief in contact brengt met bedrijven en instellingen in de wereld van bèta en techniek. Op verzoek van de scholen, vertegenwoordigd door de Stichting Technasium, is SLO betrokken bij het formuleren van eindtermen en het opstellen van een examenprogramma voor het vak Onderzoek & Ontwerpen (O&O). Een gesprek met Boris Wanders van de Stichting Technasium

Tekst: René Leverink • Fotografie: Human Touch Photography en Jan Schartman

en Lucia Bruning van SLO.

SLO context vo

december 2013

nummer 9


Boris Wanders >

Boris Wanders was zo’n tien jaar geleden leraar Nederlands in het voortgezet onderwijs. Uit eigen waarneming, maar ook via zijn kinderen en hun vriendjes en vriendinnetjes, kreeg hij de indruk dat sommige leerlingen niet voldoende aan hun trekken kwamen. “Van mijn dochter hoorde ik bijvoorbeeld dat ze eigenlijk nooit zelf iets mocht bedenken en uitvoeren. Het was voornamelijk doen wat de leraar zei. Zij wist toen al dat ze architect wilde worden, en begon een beetje te verpieteren. Ze wilde initiatieven kunnen nemen. Tegelijkertijd zat mijn zoon in groep 8. Veel klasgenoten bleken voor het gymnasium te kiezen, omdat ze daar extra uitgedaagd zouden worden in nota bene de bètavakken. Kennelijk was daar behoefte aan. Toen Judith Lechner en ik daar (letterlijk) aan de keukentafel eens over zaten te brainstormen, bedachten we een nieuw vak dat tegemoet zou komen aan de wensen van deze kinderen: dingen uitzoeken, kijken hoe het precies in elkaar zit, zelf iets bedenken en kijken of het werkt. Dat bij uitstek praktisch ingerichte vak hebben we Onderzoek & Ontwerpen genoemd, roepnaam O&O.” Dit werd het onderscheidende vak van het technasium, een nieuwe onderwijsstroom die Lechner en Wanders in samenhang met O&O bedacht hadden, als parallelspoor naast het gymnasium. Om de ontwikkeling van deze nieuwe opleiding succesvol te kunnen regisseren, riepen de beide pioniers de Stichting Technasium in het leven, waarvan zij het managementteam vormen.

Meer dan alleen profileren Zoals een gymnasium zich onderscheidt door specifieke aandacht voor de klassieke talen, zo is het kenmerkende van een technasium dat er vanaf klas 1 nadruk ligt op verdieping in de bètavakken, met als kernvak O&O. Inmiddels zijn er 83 officieel erkende technasia in Nederland. Dat ‘officieel erkennen’ gebeurt door de Stichting Technasium, op basis van heldere criteria. “De naam ‘technasium’ is door ons wettig als merk gedeponeerd, met de Stichting Technasium als eigenaar. Zo kunnen we de kwaliteit van het vak O&O waarborgen en volgen. Een school mag de naam technasium dus niet zo maar voeren. Waar we onder andere naar kijken, is de motivatie. We willen dat het om meer gaat dan alleen ‘profileren’. Er moet duidelijk een inhoudelijke ambitie zijn. Anders is het ook een te zware klus om het concept in te voeren.”

Van elkaar leren Om die reden is het ook een voorwaarde dat de school op dit punt samenwerkt met andere scholen en op die manier een netwerk vormt, zodat het onderling van elkaar leren van docenten en schoolleiders SLO context vo

december 2013

nummer 9

gestimuleerd wordt. Een school krijgt het predikaat technasium voor een periode van vier jaar. Wanders: “Als na die vier jaar de kwaliteit nog steeds aan de eisen voldoet, wordt het predicaat met opnieuw vier jaar verlengd. Toen dat enkele jaren geleden een keer mis dreigde te gaan, heeft die school een heel stevig verbetertraject ontworpen en daarmee het predicaat terugverdiend.”

Een hockey-app en een pijnprotocol Het vak O&O vormt een aanvulling op de profielvakken natuurkunde, scheikunde, biologie en wiskunde. Het is een profielkeuzevak binnen de profielen N&T (Natuur & Techniek) en N&G (Natuur en Gezondheid) van havo en vwo. In het profiel N&T staan daarnaast als profielkeuzevakken biologie, informatica, NLT en wiskunde D, en in het profiel N&G natuurkunde, NLT en aardrijkskunde. De school bepaalt het aanbod van deze vakken en de leerlingen dienen één van deze vakken als profielkeuzevak te kiezen. Op de technasia is O&O in de N-profielen verplicht, waardoor de keuzeruimte voor leerlingen kleiner is. Wettelijk bestaat de mogelijkheid dat O&O ook in de maatschappij-profielen als keuze-examenvak wordt gekozen. In de praktijk wordt van deze mogelijkheid weinig gebruik gemaakt, omdat O&O een sterk bèta-technisch karakter heeft en er in het examenprogramma hoge eisen worden gesteld aan de theoretische onderbouwing en verantwoording van keuzeproject en meesterproef. O&O wordt afgesloten met een schoolexamen. Er wordt in dit vak geen gebruik gemaakt van regulier lesmateriaal of modules. Er zijn keuzeopdrachten en in het examenjaar een meesterproef. Er wordt gewerkt in groepsverband. Leerlingen gaan daarin aan de slag met een authentieke opdracht en een echte opdrachtgever. Voor de meesterproef in het examenjaar moeten leerlingen zelf een opdrachtgever zoeken. Voorbeelden van zulke opdrachten: een innovatieve hockey-app ontwikkelen voor smartphones en het ontwikkelen van een pijnprotocol voor een kinderafdeling van het UMC Nijmegen.

9


Femke Gerritsen >

Toepassen Hoewel het vak O&O net zo kenmerkend is voor het technasium als Latijn en Grieks dat zijn voor het gymnasium, is het niet de bedoeling dat het daarbij blijft: “De school hoort een technasiumcultuur te ontwikkelen, bijvoorbeeld door samenwerking tussen O&O en bètavakken te stimuleren of technasiumleerlingen te laten deelnemen aan bètawedstrijden. Leerlingen moeten beseffen dat ze op een technasium zitten en dat dit meer inhoudt dan alleen één ander vak. Dat komt nog niet overal voldoende uit de verf. Het is natuurlijk ook nogal afhankelijk van de affiniteit die andere docenten hebben met de bètavakken in het algemeen en O&O in het bijzonder. Wat niet betekent dat alle docenten dezelfde didactische aanpak kiezen. Als een wiskundeleraar lekker stevig rekent met pittige formules en dat ook flink theoretisch toetst: prima. Bij O&O gaat het anders en worden de formules toegepast.”

Kwaliteit

10

Hoe wordt bij de toetsing van O&O de kwaliteit gewaarborgd? Wanders: “De docenten van de vijf projectscholen wisselen regelmatig van gedachte over de normering en de kwaliteitseisen en leggen hun beoordelingen aan elkaar voor. Dit gebeurt op basis van de kwaliteitssystematiek die de Stichting Technasium hanteert. Bij de beoordeling werkt de docent samen met de opdrachtgever of een expert-deskundige uit het hoger onderwijs. Verder is dit examenprogramma in een veldraadpleging door tientallen scholen kritisch bekeken. SLO is nauw betrokken bij de totstandkoming van het examen-programma. Die expertise draagt ook weer bij aan de kwaliteit van het examen.”

Co-productie Lucia Bruning (SLO) is als projectmedewerker betrokken bij het ontwikkelen van het examenprogramma voor

O&O. Tegelijkertijd wordt ook een handreiking gepubliceerd, bedoeld om docenten te helpen vorm te geven aan dit vak. “De behoefte aan een examenprogramma ontstond toen steeds meer technasia het vak O&O niet alleen meer in de onderbouw gingen aanbieden, maar ook een variant ontwikkelden voor de bovenbouw, in de vorm van een verplicht profielkeuzevak. Het examenprogramma is een co-productie van docenten, Stichting Technasium en SLO. Noem het maar een interactief ontwikkelproces. We wilden het op een andere manier aanpakken, eigenlijk in de geest van het vak O&O zelf: intensief samenwerken, veel brainstormen, inventief zoeken naar innovatieve oplossingen, gele memobriefjes plakken; vervolgens alles ordenen, kansrijke thema’s selecteren en die in een leerplankundig kader onderbrengen. Het vak is meer op competenties gericht dan op kennis, die voornamelijk proefondervindelijk wordt aangeleerd. Hetzelfde geldt voor de projectgroep, want ook wij moesten al experimenterend onze weg vinden. Er was nog niet eerder een examenprogramma gemaakt voor een bètavak met zo’n competentiegericht karakter. We moesten ondernemend en creatief zijn: precies wat in het vak O&O van de leerlingen gevraagd wordt.”

Indeling Het praktijkgerichte karakter van O&O blijkt ook uit de manier waarop het examenprogramma is ingedeeld. Traditioneel bestaat een examenprogramma uit een Domein A - Vaardigheden, en Domein B - Inhouden. Bij Onderzoek & Ontwerpen is Domein A ‘Algemene Vaardigheden’; Domein B ‘Denk- en werkwijzen’; Domein C ‘Kernkwaliteiten’ en Domein D, ‘Werelden van bèta en techniek’. Bruning licht toe: “Bij Denk- en werkwijzen gaat het bijvoorbeeld over ‘ondernemend en klantgericht zijn’. Een Kernkwaliteit is ‘kwaliteitsbewustzijn’. Duidelijk andere typen domeinen dan bij de reguliere schoolvakken dus.” Hoe is in het examenprogramma de beoordeling van de prestaties georganiseerd? Bruning: “Dat is een vraagstuk dat bij alle vakken speelt waar andere dingen dan vroeger van leerlingen verwacht worden. Daarop had ook de feedback betrekking die wij van de scholen en andere instanties kregen op de verschillende versies van het examenprogramma. Het is een lastig onderwerp. We hebben wel een beoordelingsmodel aangereikt, maar er is bijvoorbeeld behoefte aan meer concrete aanwijzingen hoe je tussen leerlingen kunt discrimineren.” < Lucia Bruning SLO context vo

december 2013

nummer 9


Tekst: René Leverink • Fotografie: Rogier Veldman en Jan Schartman

Ververs Award Eind mei vond in het Paushuize te Utrecht de uitreiking plaats van de Ververs Award 2013, een stimuleringsprijs voor inspirerende onderwijsinnovaties. Er waren drie genomineerden: Roy van As, Femke Gerritsen en Nico van der Woude. Uit handen van juryvoorzitter Tjeerd Plomp ontving winnares Femke Gerritsen een sculptuur en een geldbedrag van 5.000 euro.

De Ververs Award is ingesteld door de Ververs Foundation, genoemd naar de oprichter Mijndert Ververs, oud-directeur van Wolters-Kluwer (zie kader). Met de Ververs Award wil ze een positieve draai geven aan het inhoudelijke gesprek over het Nederlandse onderwijs van de toekomst. Dat kan ze echter niet alleen. Gezien haar kerntaak, heeft de Ververs Foundation aan SLO gevraagd de Ververs Award mede vorm te geven.

Drie nominaties Uit 66 inzendingen selecteerde de jury (bestaande uit voorzitter Tjeerd Plomp en de leden Jan van den Akker, Annet Kil, Mijndert Ververs en Sietske Waslander) de drie genomineerden.

Zichtbaar plezier in leren Roy van As, werkzaam in groep 6 van de Mariaschool in Boven-Leeuwen, heeft het onderwijs in geschiedenis, aardrijkskunde en natuur zo ingericht dat er niet meer met een methode wordt gewerkt. “Door naast kennisoverdracht ruimte te maken voor kennisconstructie en SLO context vo

december 2013

nummer 9

onderzoekend leren, stimuleren wij de onderzoekende houding bij leerlingen. Kinderen werken samen, formuleren zelf hun onderzoeksvragen, verzamelen informatie om hun vragen te beantwoorden, verwerken deze in een presentatie, presenteren die vervolgens en reflecteren op het proces en de competenties.” De jury stelt in haar oordeel dat Van As laat zien dat leerlingen zichtbaar plezier hebben in deze manier van werken. Ze zijn gemotiveerder en zelfstandiger, kritischer en creatiever. Een sterk punt is verder dat Van As zowel collega’s als andere scholen enthousiast heeft gekregen voor deze werkwijze.

Wendbaar omgaan met kennis “In mijn ideale wereld is het mogelijk dat leerlingen in een betekenisvolle leeromgeving vaardigheden krijgen aangeleerd waarmee ze in de 21e eeuw een leven lang kunnen blijven leren. De veranderingen gaan razend snel, het is belangrijk dat leerlingen op school vaardigheden ontwikkelen waarmee ze wendbaar kunnen omgaan met kennis en toegang tot informatie.”

11


Een stukje van die ideale wereld heeft Femke Gerritsen gestalte gegeven in een lesaanpak die bestaat uit een combinatie van directe instructie en actieve kennisopbouw met de iPad als krachtig hulpmiddel. Haar (moeilijk lerende) leerlingen op het Bonhoeffer College in Enschede werken samen aan de hand van een stappenplan en activerende instructies van de docent. Zo ontwikkelen ze op een creatieve manier zelf hun leermateriaal, bijvoorbeeld een film. Gerritsen: “Visueel en auditief leren zorgt voor een minder grote belasting van het werkgeheugen. Het actief verwerken van de lesstof zorgt vervolgens voor beklijving in het lange termijngeheugen.” Het spreekt de jury aan dat Gerritsen nieuwe manieren weet te vinden om vmbo-leerlingen betekenisvol te laten leren met behulp van nieuwe technologie: “Femke weet leerlingen en ouders hiermee te enthousiasmeren. De aanpak en lesideeën fungeren als inspirerende voorbeelden voor collega’s, ook in andere scholen.”

sinds 2007 werkzaam aan het Bonhoeffer College, locatie Vlierstraat in Enschede. Haar vakgebieden zijn geschiedenis en het leergebied mens en maatschappij. Ze is groepsdocent AVO en ICT-coördinator. “Wij zijn een locatie voor zorgleerlingen. Een kleine school. Iedereen doet alles. Onze kwaliteiten worden elk jaar weer anders ingezet. Een van de leuke kanten aan mijn werk.”

Niet wegstoppen, maar uitspreken Wat maakt Gerritsen tot iemand die besluit een gooi te doen naar de Ververs Award en deze vervolgens ook nog eens in de wacht weet te slepen? “Je moet nuchter en enthousiast zijn. Iemand zei net tegen me dat ik plezier in het werk uitstraal. Dat vond ik leuk om te horen, want ik vind het belangrijk om datgene te doen waar ik goed in ben en wat me plezier geeft. Ik zoek het op door mezelf uit te dagen. Niemand dwingt mij daartoe, het zit in mezelf. Je moet je ambities niet wegstoppen, maar uitspreken, tegenover de juiste mensen. Niet te bescheiden zijn.”

Leerlingen een stem geven

12

Nico van der Woude is leraar Nederlands en debatcoach aan het Pius X College, locatie Aalderinkshoek in Almelo (havo/vwo/tto). Hij bracht het vak forensics de school binnen, met activiteiten als debatteren, publiek spreken en interpreteren van literatuur. De werkvorm wordt ook gebruikt in andere vakken, zoals Engels, geschiedenis en economie. Zijn motivatie: “Het is belangrijk dat jonge mensen hun mening weloverwogen en beargumenteerd kunnen onderbouwen en dat ze leren dat kwesties meerdere gezichtspunten kunnen hebben. Debatteren is een krachtig leerinstrument dat de communicatie bevordert en persoonlijke en maatschappelijke voordelen biedt. Daarom is debateducatie op scholen zinvol en dus staat bij onze school forensics op het lesrooster.” Het initiatief van Van der Woude sluit volgens de jury goed aan bij de toenemende noodzaak van vaardigheden die ook internationaal gezien worden als belangrijk voor de toekomst van het onderwijs. “De jury waardeert dat Van der Woude zijn idee breder weet uit te dragen, zijn collega’s meekrijgt en het debatteren weet in te bedden in andere vakken.”

Delen is vermenigvuldigen Unaniem koos de jury Femke Gerritsen als winnaar van de Ververs Award 2013. Doorslaggevend was dat in haar lessen de iPad op zich niet centraal staat, maar echt als hulpmiddel wordt ingezet bij betekenisvol leren. “Zij werkt met een specifieke doelgroep maar de jury acht de aanpak goed overdraagbaar naar andere doelgroepen, andere vakken en andere scholen, zowel regionaal als nationaal. Gerritsen neemt daar ook initiatieven toe. De keuzes en aanpak kennen een goede onderwijskundige onderbouwing.” Gerritsen is

Out of the box Toen de iPad op haar school zijn intrede deed, was Gerritsen meteen enthousiast. “Ik heb van nature interesse in nieuwe ontwikkelingen. Als je daar open voor staat, komen er vanzelf dingen op je pad. Ik durf de uitdaging aan te gaan en denk graag out of the box. Natuurlijk moet je collega’s mee zien te krijgen. Je moet oppassen dat je geen roepende in de woestijn wordt. Mijn collega’s zijn gelukkig zeer geïnteresseerd en een paar zijn net zo fanatiek als ik in het ontwikkelen en toepassen van nieuwe ideeën. De schoolleiding stimuleert samenwerking door ons met gerichte instructies in projectgroepen te laten werken. Daarbij gaat het echt om het primaire proces: hoe kun je de les met kleine veranderingen beter maken?”

Pionier De teamleider van Gerritsen noemde haar in haar felicitatiespeech een ‘toppertje’. Terecht? “Ik denk het wel. Het komt misschien wat stoer over om dat over jezelf te zeggen, maar waarom zou je daar bescheiden in moeten zijn? Ik heb een bepaalde geldingsdrang en wil graag verder. Daar kom ik rond voor uit en daar werk ik aan. Ik laat me niet belemmeren door wat anderen daarvan vinden. Ik zie mezelf als een pionier. Ik beschouw mijn leven als een ontdekkingsreis en leren heeft daarin een centrale rol. Als ik iets heb ontdekt of ontwikkeld, wil ik anderen daar graag deelgenoot van maken. Delen is vermenigvuldigen.”

Verder Intussen hebben de ontwikkelingen voor Gerritsen niet stilgestaan. “Ik ben vanaf 1 oktober naast mijn werkSLO context vo

december 2013

nummer 9


Mijndert Ververs >

zaamheden voor Bonhoeffer College, ook actief voor Hogeschool Saxion als trainer, docent en onderzoeker digitale didactiek. Vanuit deze rol ben ik tevens betrokken bij het iPadproject van de Stichting Katholiek Onderwijs Enschede en ga ik me verdiepen in de rol van de iPad als leermiddel in het primair onderwijs. Heel bijzonder dat wat ik bij de uitreiking van de Ververs Award heb genoemd als toekomstmuziek, me nu ook daadwerkelijk overkomt! Het winnen van de Ververs Award heeft daar zeker aan bijgedragen.”

“Onderwijs moet ‘uitstekend’ zijn” Mijndert Ververs heeft er vrede mee dat de Ververs Foundation en de daaraan verbonden Ververs Award naar hem vernoemd zijn, maar voor hem had het niet gehoeven. “Het gaat niet om mij, de foundation of om die prijs. Het gaat om het onderwijs, onze kinderen, hun toekomst en die van de samenleving.” Er is in Nederland veel kritiek op het onderwijs. Ook Ververs stoort zich aan de toegenomen bureaucratie, de vele managementlagen en het slechte imago van het leraarschap. Maar in plaats van ‘mopperen en zeuren’ besloot hij te investeren in goede onderwijsvernieuwingen en richtte daarom in 1999 de Ververs Foundation op. Deze heeft als doel het ontwerpen, ontwikkelen en gebruiken van innovatieve leermiddelen te bevorderen. De foundation ondersteunt dit doel met het verstrekken opdrachten en subsidies. En met de Ververs Award.

Wat heb je nodig? Tot aan zijn pensionering in 1995 bekleedde Ververs diverse directiefuncties bij Wolters Noordhoff, Wolters Samsom en Wolters Kluwer. Daarvóór was hij leraar scheikunde en schoolboekenredacteur. Ververs heeft zijn hart verpand aan het onderwijs. Maar wat hij mist, is een overtuigende, breed gedragen visie op wat we onze leerlingen nou precies willen leren. “Bij het bepalen van die visie zouden we uit moeten gaan van de vraag: wat heb je als participerend burger en als beroepsbeoefenaar nodig om goed te kunnen functioneren in de maatschappij van de 21e eeuw. Ik heb het gevoel dat de meeste ellende in onze samenleving voortkomt uit het feit dat mensen niet écht goed opgeleid zijn. Er wordt wel van alles geroepen in het openbare discours, maar men is niet in staat of bereid daar steekhoudende argumenten bij te geven. Oppervlakkigheid troef. Je echt ergens in vastbijten, er aandacht aan besteden en op een correcte,

SLO context vo

december 2013

nummer 9

begrijpelijke en overtuigende manier je oordeel onder woorden brengen, dat zou de jeugd van vandaag bijgebracht moeten worden.”

Ruimte geven “Ik leerde als leraar scheikunde dat je moet uitleggen hoe het zit en wat er van je leerlingen verwacht wordt. Dat gold later ook toen ik bestuursvoorzitter van Wolters Kluwer was. Je moet als leidinggevende een kader aangeven en in dat kader kunnen mensen hun verantwoordelijkheid nemen. Leerlingen ook. Of het leraarsvak te leren is? Tot op zekere hoogte wel, maar de human touch moet je in je hebben. En je moet de gedrevenheid hebben om vooruit te kijken, open te staan voor beloftevolle ontwikkelingen, waarvan we tussen de inzendingen voor de award prachtige voorbeelden gezien hebben.”

Verder denken Ververs is van mening dat ‘prima’ onderwijs niet genoeg is. Onderwijs moet ‘uitstekend’ zijn. Wat verstaat hij daar precies onder? “Weg van de middelmaat. Leerlingen moeten uitgedaagd worden zelfstandig een stap verder denken. De leraar moet daarbij de richting bepalen, de kennis aanreiken en vergezichten bieden. Een moeilijke en verantwoordelijke taak, die helaas niet meer voldoende op waarde wordt geschat. Het gevolg is dat bekwame, goed opgeleide professionals niet meer voor het onderwijs kiezen, of het onderwijs de rug toekeren. Lang niet alle lessen worden nog gegeven door daartoe bevoegde docenten. We moeten alles in het werk stellen om meer academici voor de klas te krijgen. Deze moeten we vervolgens de ruimte bieden om, binnen de kaders, zelf vorm en inhoud te geven aan hun lessen. Op die manier stimuleer je hun creativiteit, werkplezier en professionalisme, en indirect dus de kwaliteit van ons onderwijs. De leraar is de spil.”

13


Kenniscentrum Leermiddelen Kijk ook op www.wikiwijsleermiddelenplein.nl Kenniscentrum Leermiddelen (KCL) heeft als doel overzicht te bieden in het aanbod en kennis te vergaren over de ontwikkeling, de invoering en het gebruik van leermiddelen. Op deze plaats voorziet het KCL u van informatie over recente ontwikkelingen. Voor de meest actuele informatie hierover kunt u terecht op www.slo.nl/kcl of www.wikiwijsleermiddelenplein.nl.

lesmaterialen en het zelf maken en delen hiervan op één plek te vinden is. Op Wikiwijsleermiddelenplein.nl zijn alle functionaliteiten te vinden die beide portals, bij elkaar opgeteld, hadden. Het nieuwe onderwijsplatform biedt zo het beste van twee werelden.”

Het beste van twee werelden

Optimale leermiddelenmix

Leermiddelenplein.nl, opgericht door het Kenniscentrum Leermiddelen (KCL) van SLO in 2003, had vooral tot doel om scholen te helpen bij het vinden van geschikte leermiddelen. Wikiwijs.nl, in 2009 ontwikkeld door Kennisnet en de Open Universiteit, was een platform om het gebruik en de ontwikkeling van open leermiddelen in het onderwijs te stimuleren én te vergemakkelijken. Dat de twee zijn samengesmolten, is eigenlijk niet meer dan logisch, vindt Hans de Vries, die vanuit KCL betrokken is bij de integratie. “Voor een klein deel boden ze dezelfde diensten, op andere punten vulden ze elkaar aan, en beide werden gefinancierd door OCW. Samengaan biedt dus efficiencyvoordelen. Voor scholen is het heel handig dat nu alle informatie over lesmethoden,

Wikiwijsleermiddelenplein.nl is bedoeld voor iedereen in de school die betrokken is bij het keuzeproces en de inzet van leermiddelen in de dagelijkse praktijk: leraren, afdelingshoofden, ICT-coördinatoren, onderwijsbeslissers. Het doel van het nieuwe platform is om scholen, en dan met name leraren, te ondersteunen bij het samenstellen van de optimale leermiddelenmix en te zorgen voor centrale beschikbaarheid van informatie over leermiddelen en de verkrijgbaarheid ervan. Om de informatievoorziening zo compleet mogelijk te maken, wordt samengewerkt met diverse partijen, waaronder de educatieve uitgevers (GEU) en Digischool.nl.

Tekst: Femke van den Berg

Leermiddelenplein.nl van SLO en Wikiwijs.nl van Kennisnet en de Open Universiteit gaan samen verder. Sinds 7 oktober 2013 is Wikiwijsleermiddelenplein.nl hét publieke en onafhankelijke onderwijsplatform voor het zoeken, vergelijken, maken en delen van leermiddelen.

SLO context vo

december 2013

nummer 9


Methodes zoeken Het nieuwe platform is opgebouwd rondom drie hoofdactiviteiten: methodes zoeken, lesmateriaal zoeken en zelf aan de slag. De Vries geeft een korte toelichting op de eerste activiteit: “Een methode kiezen is voor iedere school een grote stap. Voordat je zo’n kostbare methode aanschaft, wil je als school wel zeker weten dat deze goed aansluit bij je doelen, visie en aanpak. Zo’n methode moet immers weer een tijdje mee: zo’n vier tot acht jaar. Dit vraagt van schoolleiding en team dat ze zich goed oriënteren op het aanbod.” Op Wikiwijsleermiddelenplein.nl is actuele, complete en betrouwbare informatie te vinden over meer dan 1400 methodes voor het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en de opleidingsonafhankelijke vakken in het mbo, zoals Nederlands, Engels, rekenen/wiskunde. Er zijn uitgebreide methodebeschrijvingen en -analyses te vinden, gemaakt door onafhankelijke onderwijsspecialisten van SLO. Ook de prijzen van diverse methodes zijn toegevoegd, net zoals ervaringen van leraren met de verschillende methodes. Bovendien bestaat de mogelijkheid om de inhoudelijke kenmerken van methodes via een speciale module met elkaar te vergelijken.

Lesmateriaal zoeken Leraren gebruiken ook lesmaterialen aanvullend op de methode of (deels) ter vervanging van de methode. Wikiwijsleermiddelenplein.nl biedt naast het overzicht van methoden ook een overzicht van andere beschikbare lesmaterialen, voor basisonderwijs tot en met universitair onderwijs. In totaal gaat het om meer dan 100.000 lesmaterialen, zowel methodegebonden als niet-methodegebonden (thematisch lesmateriaal, ontwikkelingsmateriaal, toetsen, losse modules of lessenseries). Veel van dit materiaal is digitaal, gratis en vrij in het onderwijs te gebruiken, maar er kan ook gezocht worden naar niet-digitaal materiaal. Ook lesmateriaal waar wel een prijskaartje aan hangt, is opgenomen in het nieuwe platform.

Zelf aan de slag Soms willen leraren bestaand leermateriaal aanpassen aan hun eigen inzichten of omstandigheden. Ook hiertoe biedt Wikiwijsleermiddelenplein.nl mogelijkheden. Bovendien kunnen leraren zelf materiaal

SLO context vo

december 2013

nummer 9

ontwikkelen, dit bewaren en delen met collega’s. Verder staan er op het nieuwe onderwijsplatform informatiebronnen die gebruikt kunnen worden om zelf lessenseries te maken en/of verschillende eenheden te arrangeren tot een groter geheel. “Als een leraar zelf materiaal wil gaan uploaden en delen, is het overigens wel noodzakelijk dat hij een profiel aanmaakt met persoonsinformatie, zoals naam en school waarvoor hij werkzaam is”, aldus De Vries.

Ondersteuning Wikiwijsleermiddelenplein.nl kent ook een pagina ‘Ondersteuning’, met professionaliseringsmateriaal voor leraren over het gebruik en de toepassing van de leermiddelen. Het gaat hierbij zowel om materiaal dat door Wikiwijs als door SLO is ontwikkeld. Zo is er bijvoorbeeld scholingsmateriaal dat gericht is op het vergroten van de competenties van leraren bij het arrangeren van leermiddelen en zijn er praktische handleidingen voor het maken van lesmateriaal binnen het portal.

Nieuwe huisstijl De afgelopen tweeënhalf jaar werkten medewerkers van Kennisnet en SLO hard aan de integratie van Wikiwijs.nl en Leermiddelenplein.nl. “We hadden verschillende werkgroepen in het leven geroepen, die zich bezighielden met onderwerpen als: het ontsluiten van professionaliseringsmateriaal, metadatering en het ontwikkelen van inhoudelijke vocabulaires, het functioneel ontwerp en de vormgeving”, somt De Vries op. “Die inspanningen hebben ertoe geleid dat we nu een uniek, zeer compleet platform hebben, die qua inhoud en omvang zijn gelijke niet kent in Europa. Bovendien heeft het nieuwe platform een bijzonder frisse uitstraling gekregen, want voor Wikiwijsleermiddelenplein.nl is een geheel nieuwe look and feel ontwikkeld. Verder is de manier van navigeren aangepast, waardoor de zoektocht van gebruikers vlotter zal verlopen.” De Vries denkt dat scholen de weg naar Wikiwijsleermiddelenplein.nl vrij eenvoudig zullen weten te vinden. “Gebruikers die een van de oude URL’s intypen, worden automatisch doorgesluisd naar het nieuwe onderwijsplatform”, licht hij toe. “Ik hoop en verwacht dan ook dat Wikiwijsleermiddelenplein.nl voor veel scholen snel een bekende naam zal zijn.”

15


Vernieuwing beroepsgerichte programma’s vmbo in volle gang

Minder programma’s, meer te kiezen Het is de grootste hervorming in het vmbo sinds 1999: de vernieuwing van de beroepsgerichte programma’s. Een overdaad aan programma’s maakt plaats voor een structuur met zeven profielen en veel keuzemogelijkheden voor de school en de leerling. Middenin de vernieuwing maken leerplanontwikkelaars Viola van Lanschot Hubrecht en Jan van Hilten van SLO een tussenbalans op. Teamleider Eduard Kooij van scholengemeenschap Jacobus Fruytier vertelt hoe een pilotschool de vernieuwing ervaart.

Onderwijskundige visie Augustus 2015 - dat is nog geen twee jaar van ons meer verwijderd. “Dat klopt,” zegt Jan van Hilten,

leerplanontwikkelaar bij SLO, “en wij maken ons enigszins ongerust over de vraag of alle schoolleiders in het vmbo dat ten volle beseffen. Natuurlijk weet iedereen dat er veranderingen aankomen. Maar van schoolleiders in het vmbo wordt echt iets nieuws gevraagd. Scholen kunnen veel meer eigen keuzes maken, afgestemd op de behoeften van hun leerlingen, de arbeidsmarkt in hun regio en hun eigen organisatorische mogelijkheden. Dat vraagt om een inspirerende onderwijskundige visie. En schoolleiders moeten daarmee nog opschieten ook, want die visie moet bovendien worden vertaald in onderwijs. Dan is twee jaar heel kort. Of alle schoolleiders dát beseffen, is de vraag.”

Tekst: Suzanne Visser • Fotografie: Jan Schartman

Of ze het zelf beseffen is de vraag, maar de eersteklassers die dit najaar aan het vmbo zijn begonnen, vormen een bijzondere groep. Zij zullen - als OCW de nieuwe examenprogramma’s vaststelt - als eerste lichting worden opgeleid volgens de vernieuwde beroepsgerichte programma’s vmbo. Tegen de tijd dat zij in augustus 2015 naar het derde leerjaar gaan, bestaat het beroepsgerichte programma op alle scholen uit een kerndeel, profieldeel en keuzedelen, met loopbaanoriëntatie en -begeleiding als rode draad.

SLO context vo

december 2013

nummer 9


Jan van Hilten >

Voor de vernieuwing op zich bestaat bij scholen wel draagvlak. Na de invoering van het vmbo, veertien jaar geleden, is er maar weinig meer veranderd, en dat terwijl de beroepspraktijk en het mbo sterk in beweging zijn. Ook staan de leerlingaantallen al jaren onder druk, vooral bij techniek, waardoor veel scholen moeite hebben hun onderwijsaanbod overeind te houden. Verder is er over de hele linie behoefte aan betere loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Tijd voor door-ontwikkeling en actualisatie van het vmbo, concludeerde de Stichting Platforms VMBO twee jaar geleden na onderzoek onder tweeduizend docenten en schoolleiders.

Zeven profielen Toekomstbestendig, organiseerbaar, herkenbaar en overzichtelijk, met een goede aansluiting op vervolgopleidingen, dat moeten de vernieuwde programma’s zijn. Iedere leerling volgt straks een kernprogramma in combinatie met profiel- en keuzedelen uit het aanbod van de school. Leerlingen van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg volgen vier profieldelen en vier keuzedelen; leerlingen van de gemengde leerweg respectievelijk twee en twee. Algemene en professionele kennis en vaardigheden en loopbaanoriëntatie vormen de kern van elk profiel- en keuzedeel. Het aantal profielen per sector wordt sterk beperkt: twee voor economie (was zeven), drie voor techniek (was veertien), één voor zorg en welzijn (was drie), plus één intersectoraal profiel (was zes) voor met name die scholen die overtuigd kiezen voor ‘breed’. In de sector groen wordt momenteel onderzocht of de examenprogramma’s daar in lijn gebracht kunnen worden met de nieuwe programmastructuur.

“Van schoolleiders wordt echt iets nieuws gevraagd” “Al met al is er straks met minder programma’s meer te kiezen”, vat Viola van Lanschot Hubrecht samen. “Voorheen kozen leerlingen een programma en dat was het. Straks kunnen ze, naast de profieldelen, uit de keuzedelen die de school aanbiedt, een programma samenstellen dat echt past bij hoe zij de toekomst voor zich zien. Dat kan smal zijn of breed, maar altijd op maat.” Van Hilten geeft een voorbeeld: “Een meisje dat graag autoverkoopster wil worden maar zichzelf absoluut niet aan auto’s ziet sleutelen, kan straks bij techniek kiezen voor het profiel mobiliteit en transport, met keuzedelen uit economie en ondernemen. Bij de start van het mbo weet ze dan al veel meer over auto’s dan in de oude situatie, waarin ze bij economie terecht zou zijn gekomen.” SLO context vo

december 2013

nummer 9

‘Je moet jezelf echt resetten’ Op de reformatorische scholengemeenschap Jacobus Fruytier in Apeldoorn krijgen alle derdejaars vmbo-leerlingen sinds het begin van dit schooljaar les volgens de nieuwe conceptexamenprogramma’s. “Ook al hebben wij grote, gezonde afdelingen die behoorlijk bij de tijd zijn, wij zien toch dat er bij leerlingen en op de arbeidsmarkt behoefte is aan wat bredere opleidingen”, vertelt teamleider techniek Eduard Kooij. “Dat het mooi is als iemand uit de bouw ook een stukje huisinstallatie kan meepikken, om maar iets te noemen. En dan kunnen we wel afwachten tot de nieuwe beroepsgerichte programma’s dichtgetimmerd zijn, maar we kunnen ook aan de pilot meedoen en meedenken. Onze docententeams pakken zoiets enthousiast aan, dat scheelt.”

Vraagtekens In de aanloop naar de pilot hebben de docenten op Jacobus Fruytier hard gewerkt om de concept-examenprogramma’s in onderwijs te vertalen. Aan de modulaire opzet - leerlingen kunnen de keuzedelen in willekeurige volgorde kiezen - moesten ze echt wennen, zegt Kooij. “Je moet jezelf resetten. Je bent zo gewend aan een opbouw van begin leerjaar 3 naar eind leerjaar 4! Nu werk je met afgebakende delen van zeven, acht weken waarin je steeds van nul naar het eindniveau gaat. Dat is wezenlijk anders. Maar ik denk dat het ons gelukt is. En voor de leerlingen is het werken in overzichtelijke periodes een groot voordeel. Ze weten precies: dan en dan moeten we dat af hebben.” Kooij en zijn collega’s hebben wel vraagtekens bij het niveau. “In de concept-examenprogramma’s is het onderscheid tussen basis en kader soms nauwelijks zichtbaar. En in sommige profieldelen is de complexiteit echt toegenomen. Maar we maken ons niet zenuwachtig, daar is dit een pilot voor.”

Verbreden Van de economische profielen biedt Jacobus Fruytier alleen economie en ondernemen aan, zegt Kooij. “Misschien komen daar wat keuzedelen uit horeca, bakkerij en recreatie bij. Daar is bij leerlingen belangstelling voor en dat hadden we

17


Pilotscholen voorheen nooit in huis.” Een voordeel is dat het vernieuwde programma goed past bij de werkpleksimulatie waarop de sector enkele jaren geleden is overgestapt. Bij zorg en welzijn was het puzzelen. Het vernieuwde examenprogramma bevat geen grote inhoudelijke veranderingen, maar de docenten op Jacobus Fruytier hebben gekozen voor een totaal nieuwe opzet, waarin praktijk en theorie steeds vanuit één thema worden benaderd. Dit is afwisselender en sluit nauw aan bij de manier waarop leerlingen leren.

Weerstand Het minst gemakkelijk ging het bij techniek. “Daar hadden we weerstand verwacht en die kwam er ook”, zegt Kooij. “Maar toen we keken waar de knelpunten zaten, ebde de weerstand snel weg en zagen de docenten ook de mooie kanten: de keuze uitstellen, een beetje verbreden. De grootste vragen zitten voor ons bij productie, installeren en energie (PIE). Ook logistiek, want de betrokken afdelingen liggen niet naast elkaar en je wilt niet dat leerlingen steeds moeten verkassen. Of dat nu al helemaal is zoals het wezen moet, daar hebben we nog wat hoofdbrekens over. En we willen onze sterke afdelingen toch ook zelfstandig behouden.”

Waardevol diploma

18

Loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) staat ook nog op de actielijst. “We wilden eerst een goede start maken met de leerlingen in leerjaar 3. De komende tijd gaan we lob gestalte geven, waarschijnlijk door meer keuzemomenten in te bouwen. Dat is organisatorisch best ingewikkeld. Maar we weten dat LOB als een rode draad door de opleiding moet gaan lopen. Wat we ons in elk geval hebben voorgenomen, is dat we bij elke keuze van een leerling steeds kijken of die past bij waar hij of zij naartoe wil. Je wilt wel dat iedere leerling met een waardevol diploma van school gaat.”

SLO voert samen met de Stichting Platforms VMBO de regie over het vernieuwingsproces. Dat gebeurt in overleg met het College voor Examens, Cito en vertegenwoordigers vanuit de VO-raad, MBO Raad en AOC Raad. Voor de economische, technische en zorgprofielen liggen de concept-examenprogramma’s inmiddels klaar. Een stuk of dertig pilotscholen zijn na de zomervakantie in hun derde klassen begonnen met lesgeven op basis van de nieuwe programma’s (zie kader). Hun leerlingen doen in mei 2015 als eersten een vernieuwd examen. Voor het intersectorale programma wordt naar verwachting in december 2013 een conceptexamenprogramma opgeleverd, dat eveneens door pilotscholen zal worden uitgeprobeerd. Die gaan daarmee naar verwachting in augustus 2014 van start.

“Met die inspirerende onderwijskundige visie moeten ze nog opschieten ook” De huidige pilotscholen moeten het nog wel stellen zonder syllabi voor het centraal examen en handreikingen voor het schoolexamen. Voor de centrale examens economie, zorg en welzijn en techniek zijn de concept-syllabi in januari 2014 klaar. Het veld kan er dan op reageren, waarna de aangepaste syllabi in maart 2014 worden vastgesteld. De handreikingen voor het schoolexamen zijn ook in de maak. SLO zal deze handreikingen aan het einde van het schooljaar publiceren.

Hoog tijd Door het hoge tempo van de vernieuwing is niet alles al uitgekristalliseerd. Zo is er op het moment van schrijven nog geen duidelijkheid over het licentievraagstuk: moeten scholen bepaalde afdelingen in huis hebben om straks bepaalde profielen en keuzedelen te mogen aanbieden? Evenmin is er uitsluitsel over de vorm van het examen en de momenten van examinering. “Maar scholen moeten daar niet op wachten,” zegt Van Lanschot Hubrecht: “augustus 2015 komt snel dichterbij.” Het zou jammer zijn als scholen uit tijdgebrek hun keuzemogelijkheden onderbenutten, vindt Van Hilten. “Dit is een unieke kans om echt je eigen onderwijs neer te zetten.” Meer informatie: www.vernieuwingvmbo.nl.

< Viola van Lanschot Hubrecht SLO context vo

december 2013

nummer 9


RekenTrajectScan helpt rekenen onderbrengen in andere vakken (vmbo en havo/vwo)

Rekenvaardigheden aanleren in samenhang Is rekenonderwijs de taak voor één leraar of een gezamenlijke verantwoordelijkheid? De komst van de rekentoets stimuleert leraren en schoolleiders die vraag opnieuw te bekijken. SLO gaat ervan uit dat expliciete aandacht voor rekenen in verschillende vakken de rekenvaardigheden van leerlingen ten goede komt en heeft de RekenTrajectScan ontwikkeld. Geen blauwdruk voor een specifiek model, maar een houvast om samen te kijken wat wenselijk en haalbaar is. In schooljaar 2015/1016 moeten de eerste leerlingen bij hun examen een rekentoets afleggen. Wel een einddoel, maar geen curriculum want rekenen is geen schoolvak. “Dat is een bijzondere situatie”, zegt Nelleke den Braber van SLO. “Rekenen is van niemand.” Om leerlingen op de toets voor te bereiden organiseren scholen aparte rekenlessen of brengen rekenen onder bij wiskunde. SLO wil bevorderen dat verschillende leraren in hun eigen vak aandacht geven aan rekenen. “Verdeel je rekenen over de vakken, dan verdeel je de lasten”, aldus Den Braber, projectleider van Rekenen in andere vakken. “Bovendien is het goed voor de rekenvaardigheden van leerlingen.”

Tekst: René Leverink • Fotografie: stock Digidee

Ambities De vorm die Rekenen in andere vakken kan krijgen, verschilt per school en hangt af van wat gewenst en haalbaar is. Om dat in beeld te krijgen, heeft SLO, met feedback van docenten en schoolleiders, de RekenTrajectScan ontwikkeld. Met de scan kan een team of projectgroep structureel alle belangrijke keuzes en aandachtspunten nalopen. Wat zijn de kenmerken van de school? Werken leraren al veel samen of is dat (vrij) nieuw? Wat zijn de ambities en de mogelijkheden? Wat gebeurt al? Is voldoende capaciteit aanwezig en beschikken leraren over de vaardigheden en competenties die nodig zijn om de ambities waar te maken? Welke materialen zijn beschikbaar, welke moeten ontwikkeld worden? Wie kan wat doen? De RekenTrajectScan is vanaf begin volgend jaar beschikbaar via de SLO-website Rekenen in andere vakken. Op deze site staat veel informatie over hulpmiddelen, vragen van scholen, praktische voorbeelden en handige links. Zo kunnen leraren en schoolleiders zelf kiezen wat ze nodig hebben en wat past bij de school.

Verschillen SLO heeft ook een instrument ontwikkeld voor planning en inventarisatie. Dat geeft overzicht. Welke inhouden en vaardigheden komen in welke vakken aan de orde? SLO context vo

december 2013

nummer 9

Wanneer en op welk niveau? Waar geeft dat conflicten? Kunnen die worden opgelost? Zo ja, hoe? Dit kan het startpunt zijn voor het afstemmen van rekenen in verschillende vakken. Het ‘hoe’ kan daarbij ook meegenomen worden. ‘Welke didactische aanpak, taal en notaties gebruiken we?’ Afstemmen betekent niet dat alles gelijkgeschakeld moet worden. “Voor leerlingen kan het juist goed zijn dat ze meerdere strategieën kennen, zodat ze die in afwijkende situaties makkelijker toepassen. Wel kan het expliciet benoemen van verbanden het rekenonderwijs versterken. In de les naar elkaar verwijzen - we doen hier hetzelfde, maar schrijven het anders op - maakt leerlingen ervan bewust dat rekenen overal om ons heen is en in verschillende vakken terugkomt.” Streven naar een vloeiende leerlijn is mooi, maar bewustwording bij leerlingen én leraren is een goede eerste stap. “Rekenen in andere vakken aandacht geven, kan een geleidelijk proces zijn”, zegt Den Braber. “Op de ene school is contact tussen vaksecties of afdelingen al heel gewoon, op de andere kan afstemmen tussen twee vakken al een hele uitdaging zijn.” Begin 2014 staat de website Rekenen in andere vakken online. Voor meer informatie: Nelleke den Braber, n.denbraber@slo.nl.

19


Publicaties Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die geschreven zijn door SLO-medewerkers of waaraan zij een aanzienlijke bijdrage hebben geleverd. Deze publicaties worden uitgegeven door SLO en zijn - tenzij anders vermeld - gratis te downloaden op www.slo.nl of te bestellen tegen kostprijs. Onderstaand een overzicht van de meest recente publicaties:

20

Beoordeling en feedback schrijfvaardigheid in de tweede fase vo

Educational design research Part A: An introduction Part B: Illustrative cases

Een handreiking Door: T. Ekens en T. Meestringa

Door: T. Plomp en N. Nieveen

Na de eerste ervaringen in het werken met het referentiekader blijkt in de huidige praktijk de beoordeling van schrijfvaardigheid sterk uiteen te lopen. De betrouwbaarheid van schrijfvaardigheidsbeoordeling moet vergroot worden om recht te doen aan zowel de referentieniveaus als aan de prestaties van de leerlingen. Deze publicatie laat de totstandkoming zien van drie feedbackformulieren en een beoordelingsmodel voor het schrijfonderwijs in de tweede fase. Praktijkervaringen worden beschreven, evenals tips om de instrumenten in praktijk te brengen.

Educational design research deel A introduceert een passende onderzoeksmethode voor het omgaan met complexe problemen in de onderwijspraktijk of voor het ontwikkelen en valideren van theorieën over leerprocessen, leeromgevingen, enz. Een bijbehorend deel B bevat 51 voorbeelden van projecten waarin van ontwerponderzoek gebruik is gemaakt. Deze voorbeelden kunnen afgestudeerden en aanstaande onderzoekers in het onderwijs behulpzaam zijn bij het zelf ontwerpen en uitvoeren van projecten door een ontwerpgerichte benadering te gebruiken. Deel A, een herziening van de 2009 uitgave, wordt later dit jaar verwacht.

Maatschappijwetenschappen : hoofdconcepten en kernconcepten

LO2 toetsvoorbeelden van praktische opdrachten

Voorbeeldlesmateriaal havo en vwo Door: L. Meijs en H. Noordink

IJkpunten voor het curriculum van het examenvak LO2 vmbo-gl/tl Door: M. Massink, G. van Mossel, E. Swinkels en D. Witsiers

Het vak maatschappijwetenschappen in havo en vwo krijgt een nieuw examenprogramma en gaat werken met de concept-context-benadering. Doel is leerlingen met concepten als ‘individualisering’ en ‘socialisatie’ de sociale werkelijkheid te laten analyseren. Verworven kennis, zo is de gedachte, blijft dan langer hangen. Op pilotscholen hebben twee groepen van vier leraren voorbeeldmateriaal voor havo en vwo gemaakt. De lesprogramma’s hebben een eigen karakter gekregen: voor havo is het richtpunt de directe toepasbaarheid op de dagelijkse werkelijkheid, voor het vwo gaat het om abstractere, meer theoretische contexten.

In deze publicatie zijn voorbeelden van het beoordelen van praktische LO2-opdrachten uitgewerkt. Deze bundel is in de afgelopen twee jaren tot stand gekomen in nauwe samenwerking met 46 scholen van de vier regionale LO2-netwerken. Een aantal toetsvoorbeelden is aangereikt vanuit de dagelijkse schoolpraktijk. Andere zijn ontwikkeld door de ontwikkelgroep van vier netwerkcoördinatoren en vervolgens getoetst op bruikbaarheid.

SLO context vo

december 2013

nummer 9


Genres leren schrijven bij de vakken Verslag van de landelijke werkconferentie Platform Taalgericht Vakonderwijs, Slot Zeist, 31 oktober 2012 Door: B. van der Leeuw en T. Meestringa Deze landelijke werkconferentie is een tweede vervolg op het Symposium Genredidactiek/Genre Pedagogy, gehouden in 2010. Bij de afsluiting van dit symposium is afgesproken de mogelijkheden tot verdieping van taalgericht vakonderwijs met behulp van Systemic Functional Linguistics (SFL) en genredidactiek verder uit te werken in diverse ‘proeftuintjes’ In dit verslag zijn de verslagen van alle plenaire lezingen en rondetafels opgenomen. Het is te lezen als een vervolg op het verslag van de landelijke werkconferentie van 2011 getiteld Genres in schoolvakken.

Handreiking schoolexamen geschiedenis havo/vwo Bij het examenprogramma geldig vanaf schooljaar 2012-13 (vwo) en 2013-14 (havo) Door: A. Wilschut en A. van der Kaap Vanaf 2015 heeft het centraal examen geschiedenis voor de tweede fase betrekking op de domeinen A en B. In opdracht van het College voor Examens zijn voor het examen in 2015 twee syllabi gemaakt: één voor havo en één voor vwo. Zij bevatten een nadere specificatie van het nieuwe examenprogramma. Ook de Handreiking bij het schoolexamen moest hierdoor worden herzien. Deze aangepaste handreiking wil docenten informeren over de verplichtingen en mogelijkheden voor de inrichting van het schoolexamen en bevat nietvoorschrijvende suggesties en adviezen hiervoor.

Life & Science Leerplankader Door: W. Spek, J. Paus Vanaf 2004 zijn er in samenwerking met de overheid begaafdheidsprofielscholen gerealiseerd. Deze scholen bieden structureel een programma aan meerbegaafde leerlingen. Het leerplan moet dan ook aangepast worden aan de behoeften van deze groep leerlingen. Dit kan bijvoorbeeld door een breder en meer

SLO context vo

december 2013

nummer 9

verdiepend aanbod vanuit de bètavakken, waarbij aandacht is voor een uitdagende inhoud en voor natuurwetenschappelijke vaardigheden.v Dit leerplankader is bedoeld is om coördinatoren en docenten te helpen met het inrichten van de lessen Life & Science in de onderbouw van het voortgezet onderwijs.

Focus op talentontwikkeling en excelleren in het vo Een inventarisatie naar behoeften, aanbod en begeleidingsmogelijkheden voor begaafde en excellerende leerlingen binnen het voortgezet onderwijs Door: A.-M. Boers-Müller, Y. Janssen, N. SteenbergenPenterman Per 1 januari 2012 richt het Informatiepunt Onderwijs & Talentontwikkeling van SLO zich behalve op het primair onderwijs ook op het voortgezet onderwijs. In verband met deze ‘nieuwe’ doelgroep is geïnventariseerd op welke wijze het voortgezet onderwijs op dit moment het onderwijs voor (hoog)begaafde en talentvolle leerlingen vorm geeft, welke toekomstplannen er zijn en welke behoeften aan ondersteuning het voortgezet onderwijs heeft zodat het Informatiepunt van SLO hierop in kan spelen.

Werken aan vaktaal Bij mens- en maatschappijvakken Door: B. van der Leeuw, M. Hajer, R. Scharten, B. de Vos Bij de exacte vakken Door: L. Punt, H. Strating, M. Hajer, R. Scharten, B. de Vos Bij de talen Door: B. van der Leeuw, M. Hajer, R. Scharten, B. de Vos Bij de groene vakken Door: H. Kroon, R. Scharten, M. Hajer, B. de Vos Deze vier publicaties laten zien hoe de leraar binnen zijn eigen leergebied taalgericht kan werken, hoe hij zijn lessen kan herontwerpen en lesmateriaal op een andere manier kan inzetten. De publicaties zijn ontwikkeld als vakspecifieke ondersteuning voor docenten die dagelijks te maken hebben met de spanning tussen gestelde vakdoelen en de taalvaardigheid van leerlingen.

21


Kunst- en cultuuronderwijs

Cultuurprofielscholen bekennen kleur Een toneelvoorstelling als voorlichting over drankmisbruik. In de stad op zoek naar sporen uit het verleden. Een mozaïek als collectief kunstwerk van school en buurtbewoners. Kunst- en cultuuronderwijs zit in de lift, met 45 cultuurprofielscholen als inspirerende voorhoede.

De Vereniging CultuurProfielscholen is gericht op de ontwikkeling van goede kunst- en cultuureducatie. Volgens een manifest dat de vereniging heeft opgesteld ‘leveren kunst en cultuur een onmisbare bijdrage aan de culturele, sociaalemotionele, intellectuele en sensomotorische ontwikkeling van (jonge) mensen en [zijn ze] een belangrijke voorwaarde voor succesvol leren’. VCPS heeft goede contacten met OCW en diverse andere belangrijke partners en behartigt de belangen van al die scholen die meer doen of die extra veel doen aan kunst en cultuur. De vereniging wil een actieve bijdrage leveren aan de structurele inbedding en waarborging van de kwaliteit van cultuureducatie in het voortgezet onderwijs. Astrid Rass (SLO) maakt samen met Antoine Gerrits (Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst) deel uit van het Steunpunt Cultuurprofielscholen. SLO brengt expertise in leerplanontwikkeling in. Astrid Rass: “Het gaat dan om aandachtspunten als: wat doe je op school en hoe doe je dat? Wat is je visie, wat zijn je doelen, wat is je ambitie, hoe ziet je programma cultuureducatie eruit, hoe is de samenwerking van je school met culturele instellingen, hoe evalueer je het cultuuronderwijs?” Kennisuitwisseling, kennisontwikkeling en kwaliteitsbewaking, daar draait het om.

Tekst: René Leverink • Fotografie: stock Digidee

Kwaliteit De VCPS is een landelijk netwerk van 45 aangesloten scholen. De scholen wisselen informatie uit tijdens conferenties en docentbijeenkomsten, ondersteunen elkaar, zijn elkaars critical friend en komen bij elkaar over de vloer. Om de kwaliteit van hun kunst- en cultuuronderwijs te waarborgen, hanteren de VCPS-scholen een aantal kwaliteitscriteria. Rass: “Kunstvakken in onderbouw en bovenbouw, prima, maar wat doe je extra en hoe is kunst- en cultuuronderwijs zichtbaar in de andere vakken en in buitenschoolse activiteiten? Hoe is de verbinding tussen onderbouw en bovenbouw? Wordt het cultuurconcept voldoende gedragen door het team? Een van de instrumenten om de kwaliteit te waarborgen is het zelfevaluatie-instrument van de VCPS, dat de basis vormt voor een visitatie en toelating. We zijn ook bezig de kwaliteitsbewaking om te zetten in een zelfregulerend kwaliteitssysteem, waarbij lid-scholen meer zelfverantwoordelijk worden voor het formuleren van aanvullende ambities en de manier waarop ze gemonitord willen worden.”

Uitwisseling Het streven van de VCPS is een selecte groep scholen die veel kennis en know-how in huis hebben wat betreft het cultuurcurriculum. Rass: “Van daaruit is het natuurlijk de bedoeling dat zoveel mogelijk scholen in Nederland van die kennis en ervaring profiteren. De cultuurprofielscholen vormen een inspirerende voorhoede, hebben een eigen manifest opgesteld en staan open voor nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen. Wij als SLO brengen onze expertise in curriculumontwikkeling in, kijken naar samenhang en doorlopende leerlijnen en stimuleren de verbinding met de andere vakken. Daarbij worden linken gelegd met wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld Cultuur in de Spiegel, een gezamenlijk onderzoek van SLO en Rijksuniversiteit Groningen. In samenwerking met CIDREE organiseert SLO een internationale tweedaagse, waarbij wetenschappers en scholen uit verschillende Europese landen spreken over de inhoud van kunst- en cultuuronderwijs. De VCPS is daar ook bij betrokken. Er is een rijke website waar alle scholen met kunst- en cultuurambities terecht kunnen. Een echte aanrader is de cultuurprofielplangenerator, waarmee scholen hun cultuurbeleidsplan op kunnen stellen. Jaarlijks organiseert de VCPS de conferentie Cultuur Leert Anders.”

Naar buiten Cultuurprofielscholen richten hun vizier nadrukkelijk ook op de wereld buiten de school. Een van de activiteiten van de vereniging is het stimuleren van contacten tussen scholen en DCR Network. Dit is een organisatie die voormalige bedrijfsgebouwen, zoals de Westergasfabriek in Amsterdam en de Puddingfabriek in Groningen, omtovert tot ‘creatieve residenties’, om op die manier het creatief ondernemerschap te bevorderen. Leerlingen van cultuurprofielscholen kunnen daar stagelopen, projecten uitvoeren en eventueel hun profielwerkstuk maken.

Leerplan In welk opzicht verschilt het leerplan van kunst- en cultuuronderwijs van reguliere curricula? Rass: “Natuurlijk gelden ook hier de algemene principes van leerplanontwikkeling: het gaat om het formuleren van het wat, hoe, waar, wanneer, met SLO context vo

december 2013

nummer 9


Inspirerende jubileumbundel Ter gelegenheid van het vijfjarig jubileum van de Vereniging CultuurProfielscholen is een bundel schoolportretten verschenen en verspreid onder alle vo-scholen in Nederland. Het boek bevat verder een groot aantal instrumenten die scholen kunnen inzetten voor het ontwikkelen en verbeteren van cultuureducatie. Hieronder een viertal typerende voorbeelden.

Theater over alcoholmisbruik Op het Goese Lyceum kunnen leerlingen kiezen voor de DTA-vakken: Dans, Toneel en AudioVisueel. Belangrijk aspect hierbij is dat ze leren zichzelf te presenteren op een manier die dicht bij hun interesses ligt. “Jezelf presenteren op een podium is voor veel mensen een gebeurtenis waar je wakker van kunt liggen. Voor deze leerlingen is het een natuurlijk proces waarbij ze veel steun hebben aan elkaar en zeker ook van elkaar leren.” De vmbo-theaterschool van het Goese Lyceum is door de gemeente benaderd voor een voorlichtingsbijeenkomst over drankgebruik onder jongeren. “Zo’n opdracht van buitenaf geeft een bijzondere extra dimensie.”

Steentjes bijdragen Het Insula College in Dordrecht werkt nauw samen met plaatselijke kunstenaars. Die samenwerking is een vast onderdeel van het onderwijsprogramma. “Zij dragen zelf ideeën aan om te zorgen dat de lessen up-to-date en interessant blijven voor de leerlingen.” Voorbeeld: het project ‘Ieder draagt zijn steentje bij’. Een Dordtse kunstenaar ontwierp een kunstwerk, bedoeld voor de tuin bij de school. De betonnen vorm werd door leerlingen en buurtbewoners voorzien van mozaïeksteentjes. “De leerlingen zijn trots op hun werk, buurtbewoners kijken met een positief gevoel naar het kunstwerk.”

Op zoek naar de Middeleeuwen Het H.N. Werkman College is Groningen is ervan overtuigd dat een surplus aan cultuuronderwijs bijdraagt aan de persoonlijke ontwikkeling van de leerling: “Het zorgt dat leerlingen worden opgeleid tot zelfdenkende burgers met een groot cultureel zelfbewustzijn.” Atheneum 4 bijvoorbeeld gaat een week lang op zoek naar de middeleeuwse stad Groningen. In de provincie bekijken ze middeleeuwse kerken en kloosters. In work-shops leren de leerlingen smeden, Gregoriaans zingen, vechten met middeleeuwse wapens en ze voeren een toneelstuk op in het Middelnederlands. Tijdens de presentatie in de Der Aa-kerk ‘waant ieder zich een avond in de Middeleeuwen.’

oktober SLO context 2013vo nummer december 9 2013

nummer 9

wie en waartoe. Specifiek is vanuit welke visie dat gebeurt. Die is bij dit onderwijs gefocust op kunst en cultuur en dat heeft effect op de organisatie en inhoudelijk invulling van het onderwijs. Waar we steeds meer op inzetten, is samenhang. Samenhang tussen de kunstvakken, maar ook tussen de kunstvakken en andere vakken. Ik vind dat scholen daar een enorme slag in hebben gemaakt, zowel projectmatig als structureel. Ook wat betreft het portfolio is een flinke vooruitgang geboekt. We hebben veel scholen begeleiding gegeven in visieontwikkeling. Hoe formuleer je je visie en ambities, wat versta je precies onder kunst en cultuur? Inmiddels kunnen we vaststellen dat er met VCPS een stevig netwerk is ontstaan van scholen van alle onderwijsniveaus.

Versterken wat er al is Stel een school overweegt zich te oriënteren op een profiel als cultuurschool. Hoe pak je zoiets aan? “Om te beginnen moet je je schoolbreed bezinnen op vragen als: wat zijn wij voor een school, wat voor leerlingen hebben we, met welke talenten en interesses, wat willen die leerlingen, wat willen we als school uitdragen, hoe kunnen we ze zo goed mogelijk onderwijs geven. Is de uitkomst van die analyse dat er behoefte is aan meer kunst- en cultuuronderwijs, dan kun je er als school voor kiezen de cultuurcomponent in je onderwijs steviger vorm te geven. Heb je echt de stap richting cultuurschool gezet, dan kan je kijken of je behoefte hebt aan certificering en kennisdeling met andere scholen, en dan komt een mogelijk lidmaatschap van de Vereniging CultuurProfielscholen in beeld.” Meer informatie: SLO, Astrid Rass, (053) 4840 476, a.rass@slo.nl, www.cultuurprofielscholen.nl, www.slo.nl/voortgezet/onderbouw/leergebieden/ kenc/profiel

23


Tekst: René Leverink • Fotografie: Jan Schartman

Beter beoordelen in minder tijd

Schrijfvaardigheid Sinds de invoering van de tweede fase is weinig meer gepubliceerd over de vraag hoe schrijfvaardigheid onderwezen en beoordeeld moet worden. Theun Meestringa (SLO): “We merken dat er tussen scholen grote verschillen bestaan in de wijze van beoordelen. Ook de cijfers die aan dezelfde schrijfproducten worden toegekend, blijken soms zeer uiteen te lopen. Daar komt nog bij dat het beoordelen van schrijfopdrachten erg veel tijd kost en dat de verbinding met het referentiekader taal nog niet is uitgewerkt.” Leraren vroegen om een beoordelingsinstrument dat meer objectiviteit mogelijk maakt, minder tijd in beslag neemt en aansluit op het referentiekader. Een projectgroep van leraren en SLO’ers ontwikkelde daarop de handreiking Beoordeling van en feedback op schrijfvaardigheid. Een publicatie met onder andere twee heldere modellen voor feedback en eindbeoordeling. Tiddo Ekens is docent Nederlands en ontwikkelaar van lesmethodes. Samen met Theun Meestringa was hij namens SLO betrokken bij het project. “Onze hoofdvraag was: hoe kun je in een lastig onderdeel van het vak Nederlands kwalitatief goed onderwijs geven, en dit ook nog eens betrouwbaar beoordelen? Schrijfvaardigheid is tijdrovend, lastig te onderwijzen en moeilijk objectief te beoordelen. Doel van het

project was om samen met leraren een feedback- en beoordelingsinstrument te ontwikkelen waarmee schrijfonderwijs beter organiseerbaar is, effectiever plaatsvindt en tot meer betrouwbare beoordelingen leidt.” Het project past volgens Meestringa goed in de SLO-opdracht om werken met de referentieniveaus voor taal en rekenen te concretiseren en scholen te ondersteunen bij de schoolexamens: “SLO heeft in 2012 SLO context vo

december 2013

nummer 9


< Maaike Ditzel

de Kijkwijzers ontwikkeld, een hulpmiddel om beter zicht te krijgen op de referentieniveaus taal. Die bieden een basis voor leraren om bijvoorbeeld spreek- en schrijfvaardigheid te beoordelen. Dit project is daar een vervolg op: op basis van het referentiekader handzame instrumenten ontwikkelen die bij voorkeur tot tijdwinst en een grotere betrouwbaarheid van beoordeling leiden.”

Twee instrumenten Bij een inventarisatie van de actuele situatie bleken er grote verschillen te bestaan tussen de beoordelingsinstrumenten die scholen hanteren. Ekens: “Van globale formulieren met een paar aandachtspunten tot analytische beoordelingsmodellen met zestig criteria. Op basis van de inventarisatie ontwikkelden we twee instrumenten: een feedbackformulier dat tijdens het schrijven gebruikt kan worden, en een beoordelingsmodel voor de eindbeoordeling. Op basis van testervaringen van leraren zijn de instrumenten verder verfijnd. Dat was een zeer inspirerend onderdeel van het project. Om schrijfproducten goed te kunnen beoordelen, is het verstandig met collega’s of de hele vaksectie een aantal uiteenlopende teksten samen te beoordelen. Door de nabespreking krijgen collega’s meer gevoel voor het model en ontstaat er ook een gezamenlijk gedragen beeld van goede en slechte teksten.”

Tijd Een van de grootste struikelblokken bij het beoordelen van schrijfvaardigheid is volgens Meestringa het gebrek aan tijd van de leraren: “Hierdoor neemt het schrijfonderwijs bij het vak Nederlands soms een te marginale positie in. Dit zou anders zijn als het beoordelen in minder tijd zou kunnen. Nu wordt vaak elke tekstsoort maar een keer getoetst. Als de beoordeling sneller kan, kunnen leraren meer teksten laten schrijven. En hoe meer teksten leerlingen schrijven, hoe betrouwbaarder de beoordeling van hun schrijfvaardigheid wordt. Het tweede struikelblok is subjectiviteit. Het is moeilijk een niet goed geschreven tekst negatief te beoordelen als je weet hoe de leerling zijn best doet en grote vooruitgang heeft gemaakt. Je hebt dan toch de neiging ook de leerling te belonen, ook al rechtvaardigt de tekst dat niet.” Gaat het nakijken sneller met het nieuwe beoordelingsmodel? Meestringa: “Zeker. De nakijktijd is teruggelopen van ongeveer een half uur tot een kwartier per tekst. Tegelijkertijd hebben de leraren het gevoel betrouwbaarder te beoordelen en kunnen ze het resultaat beter verantwoorden. Door het feedbackinstrument krijgt de leerling een scherper beeld van de kwaliteit van een Theun Meestringa > SLO context vo

december 2013

nummer 9

goede tekst en een beter inzicht in sterke en zwakke kanten van zijn schrijfvaardigheid.”

Tevredenheid Leerlingen, leraren, uitgevers, alle partijen hebben baat bij het feedbackformulier en het beoordelingsmodel, aldus Ekens. “Ze zijn up-to-date, geijkt aan de referentieniveaus en het examenprogramma, maar vooral: ze werken tot tevredenheid van zowel leerlingen als leraren. Natuurlijk blijft de docent de bepalende en beslissende factor. Zonder docent geen effectief schrijfonderwijs. Met dit instrument houdt de docent meer tijd over om te doen waar hij goed in is: leerlingen begeleiden en gerichte schrijfinstructie geven.”

“Hoe meer teksten leerlingen schrijven, hoe betrouwbaarder de beoordeling van hun schrijfvaardigheid wordt.” Vervolg Wat zijn de volgende stappen? Meestringa: “Binnenkort gaan we om de tafel met lerarenopleiders en uitgevers om de publicatie toe te lichten en om samen te kijken naar vervolgstappen. De instrumenten liggen er nu, getest en al; nu is het de uitdaging om veel leraren in aanraking te brengen met schrijfonderwijs waarin

25


< Tiddo Ekens

regelmatig bijstellen. Op basis van het feedbackformulier hebben we uiteindelijk ook een beoordelingsmodel gemaakt dat volgens ons bruikbaar is voor verschillende tekstsoorten, ook weer op verschillende niveaus. Ook dit model heb ik in mijn klassen, samen met mijn collega’s op Dalton Den Haag, getest.”

Intensiever met schrijven bezig

zelfbeoordeling een belangrijk onderdeel is, al was het alleen maar om de lessen goed te kunnen organiseren. Wij gaan ervan uit dat het schrijfonderwijs altijd beter kan, dus we kijken uit naar de feedback op onze publicatie. Ook wij gaan beter schrijven van zinvolle feedback!”

Recht doen aan prestaties van leerlingen

26

Maaike Ditzel (docent Nederlands Dalton Den Haag, voornamelijk bovenbouw havo en vwo) had al deelgenomen aan een eerder SLO-project, Kwaliteitsborging schoolexamens Nederlands havo/vwo. “In dat verband hebben we samen met collega’s van andere scholen een aantal schrijfproducten van leerlingen beoordeeld met verschillende beoordelingsmodellen en op verschillende niveaus. Een van de aanwezigen sprak de door iedereen gedeelde wens uit tot een universeel beoordelingsmodel voor schrijfvaardigheid te komen. Toen daar een vervolgtraject voor kwam, heb ik mij aangemeld. Ik vond het vanuit mijn eigen lespraktijk belangrijk de betrouwbaarheid van beoordelingsmodellen te vergroten. Op die manier wordt recht gedaan aan de prestaties van leerlingen. Ik was ook nieuwsgierig of en hoe we de rol van de leerling bij de correctie van en reflectie op eigen werk en dat van anderen zouden kunnen vergroten. Dat was natuurlijk ook een vorm van eigenbelang: het corrigeren van de schrijfproducten en het geven van feedback erop kostte mij enorm veel tijd, terwijl ik het idee had dat leerlingen er niet veel mee deden en er te weinig van leerden.”

In de praktijk Een belangrijke bijdrage van Ditzel en haar collega’s was het in de praktijk uitproberen van diverse versies van het feedbackformulier. “Dit formulier hebben we uitgebreid getest in onze klassen, op verschillende niveaus, in verschillende jaarlagen en met verschillende tekstsoorten. Uiteraard moesten we het formulier

“Uiterst tevreden” is Ditzel over de opbrengst van het project: “Mijn leerlingen zijn door deze aanpak veel meer vertrouwd geraakt met het referentiekader. Ze geven aan dat het zeer duidelijk is wat er op de verschillende niveaus van ze verwacht wordt. Ook kunnen ze zien op welk niveau ze uiteindelijk uit moeten komen en aan welke eisen hun tekst dan moet voldoen. Door de aanpak komen ze in aanraking met meer teksten dan alleen die van henzelf. Ze leren niet alleen van de feedback op hun eigen tekst, maar ook van het geven van feedback op andere teksten. Ze zijn veel intensiever met een schrijfopdracht bezig dan daarvoor. Het werken met het beoordelingsmodel kostte mij in eerste instantie wel wat tijd; je moet je een model eigen maken. Toen dat eenmaal gebeurd was, bleek ik teksten veel sneller te kunnen corrigeren dan vroeger, toen ik wel een half uur per tekst kwijt was.”

Tastbaar Ditzel kijkt met genoegen terug op de uitvoering van dit project: “Het heeft iets tastbaars opgeleverd, waarmee we aan de slag kunnen, wat we direct in kunnen zetten in onze lespraktijk. Ik ben ook heel benieuwd hoe collega’s deze aanpak zullen ervaren. In de werkgroep was veel aandacht voor elkaars ervaringen en er was een grote bereidheid tot aanpassing en verbetering. De sturende en steunende rol daarin van Theun en Tiddo vonden wij allen zeer prettig.”

Uitstekende feedback Wat adviseert Ditzel haar collega’s wat betreft de beoordeling van schrijfvaardigheid? “Heb vertrouwen in je leerlingen, geef ze de verantwoordelijkheid voor hun eigen schrijfproces en dat van medeleerlingen. Durf het geven van feedback (geheel of gedeeltelijk) uit handen te geven. Ik stond er versteld van hoe goed mijn leerlingen in staat waren om elkaar van uitstekende feedback te voorzien, iets waar ze ook echt wat mee konden als ze hun eigen tekst gingen herschrijven. Wel staat of valt alles met een goede uitleg van deze manier van werken.” De publicatie is te downloaden: www.slo.nl/ organisatie/recentepublicaties/beoordelingfeedback

SLO context vo

december 2013

nummer 9


Actueel Posters Onderzoek in zes stappen

Ververs Award

Om het leren onderzoek te doen in het vo te stimuleren zijn binnen het project Aansluiting vo-ho 5 posters voor in de klas ontwikkeld voor Onderzoek in zes stappen. Leerlingen krijgen met hun smartphone via de Layer-app op de posters meer informatie over de werkprocessen die passen bij het onderzoek. Dit schooljaar worden de posters in een pilot getest op het Twickelcollege in Hengelo. Doel is te onderzoeken of door het consequent aanleren en toepassen van de zes stappen van onderzoek een onderzoekende (wetenschappelijke) houding wordt gestimuleerd en de aansluiting op het hoger onderwijs wordt verbeterd. Meer informatie bij Lucia Bruning (l.bruning@slo.nl) of Eric Swinkels (e.swinkels@slo.nl).

Veelal gaat onderwijsvernieuwing over de hoe-vraag: hoe kunnen we anders lesgeven of leren? De Ververs Foundation en SLO zijn geïnteresseerd in de wat-vraag: wat is in de toekomst voor leerlingen de moeite waard om te leren? Daarom hebben zij in 2013 de Ververs Award in het leven geroepen om het inhoudelijk gesprek over ons toekomstige onderwijs op gang te brengen en te houden. Ook in 2014 komen ze graag in gesprek met onderwijsprofessionals die zich met deze vraag bezig houden voor hun eigen school of vakgebied, om zo inspirerende voorbeelden in beeld te brengen die anderen kunnen motiveren. De meest aansprekende inzending wordt beloond met een stimuleringsprijs van 1 5000. Meer informatie over voorwaarden en aanmelding, en inspirerende voorbeelden van vorig jaar vindt u op www.verversaward.nl.

China en Chinees in het voortgezet onderwijs China biedt ons een goede leerschool voor de jonge wereldburger. De Chinese taal en cultuur zijn fascinerend rijk en betekenisvol en zó verschillend van die van ons. Op dinsdag 28 januari 2014 heeft het eerste congres over China en Chinees in het voortgezet onderwijs plaats. Ervaar wat de Chinese taal en cultuur kunnen bijdragen aan school en leerling. Alle relevante partijen, waaronder SLO, bundelen hun krachten en bieden de mogelijkheid kennis en contacten op te doen. Om zo gezamenlijk een bijdrage te leveren aan de duurzame invoering van het Chinees, de Chinese cultuur en internationalisering. Meer weten of aanmelden? Ga naar www.ccvocongres.nl.

De toekomst van het schoolvak Nederlands In het najaar van 2013 werkt SLO voor het schoolvak Nederlands aan een zogenoemde trendanalyse. Daarin beschrijven en documenteren we voor alle onderwijssectoren de stand van zaken op het gebied van het taalonderwijs Nederlands. Op basis van zo’n gedocumenteerde analyse brengen we thema’s en ontwikkelingen in kaart die in de komende jaren leerplankundige aandacht verdienen. Een eerste versie van deze trendanalyse Nederlands werd besproken tijdens een expertmeeting op 29 november in Utrecht.

SLO op Twitter SLO is nu ook te volgen op Twitter. Meld u aan als volger van @SLOcommunicatie en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van leerplanontwikkeling, SLO-activiteiten en -projecten. SLO contextSLO vo context december vo 2013 december nummer 2013 9 nummer 9

Digitale geletterdheid Welke lesmaterialen gebruikt u voor digitale geletterdheid en 21e eeuwse vaardigheden in uw lessen? SLO inventariseert momenteel op verzoek van OCW welke materialen er beschikbaar zijn voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs en bekijkt op welke onderdelen er behoefte is aan meer of ander materiaal. Het gaat daarbij om materialen die zich richten op digitale geletterdheid (informatievaardigheden, mediawijsheid, ‘knoppenkennis’) en/of in meer brede zin om communiceren, samenwerken, probleem oplossen, kritisch denken, creatief denken, sociale en culturele vaardigheden en zelfregulatie. We houden u op de hoogte via www.slo.nl.

27

Leermiddelenonderzoek SLO en Kennisnet voeren jaarlijks ieder een grootschalig monitoronderzoek uit onder leraren en managers/schoolleiders rondom leermiddelen en ICT-gebruik. Besloten is om de krachten te bundelen en beide monitoren om het jaar uit te voeren. Het gaat om de Leermiddelenmonitor van SLO en de Vier in Balans monitor van Kennisnet. Het zwaartepunt van de samenwerking ligt bij het afstemmen van de vragen rondom digitale leermiddelen en de duiding van de antwoorden, met als doel: eenduidigheid in resultaten te krijgen; te voorkomen dat leraren en managers/schoolleiders meerdere malen worden bevraagd met deels vergelijkbare vragen; en efficiëntere inzet van publieke middelen. Begin november zijn de vragen voor de Leermiddelenmonitor uitgezet onder leraren en leidinggevenden/managers. In het voorjaar 2014 zullen de resultaten beschikbaar zijn.


VERVERS Award 2014 Prijs voor inspirerende onderwijsvisies

vis ins ide to e ond pri

pir

eën

ko m

er w

js €

5.0

Ook in 2014 komen ze graag in gesprek met onderwijsprofessionals die zich met deze vraag bezig houden voor hun eigen school of vakgebied. Kunnen jouw visie en voorbeelden anderen inspireren en motiveren? Meld je dan aan voor de Ververs Award 2014! De meest aansprekende inzending wordt beloond met een stimuleringsprijs van € 5000.

vis ie ins pir at ide eën ie to e k ond omst er w pri js € ijs 5.0 00

VER aw V E R S a rd

Meer informatie over voorwaarden, inspirerende voorbeelden van vorig jaar en aanmelding: www.verversaward.nl.

st

ijs

00

Wat vind jij de moeite waard om te leren? Veelal gaat onderwijsvernieuwing over de hoe-vraag: hoe kunnen we anders lesgeven of leren? De Ververs Foundation en SLO zijn geïnteresseerd in de wat-vraag: wat is in de toekomst voor leerlingen de moeite waard om te leren? Daarom hebben zij in 2013 de Ververs Award in het leven geroepen om het inhoudelijk gesprek over ons toekomstige onderwijs op gang te brengen en te houden.

ie at i e

SLO Context VO nummer 9  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you