Page 1

Oorlog houdt de staat gezond Randolph Bourne, 1918 ________________________________________________________________________________ Originele titel: War is the health of the state

Dit is het eerste deel van een langer essay getiteld De staat (''The State''). Bourne overleed op 32-jarige leeftijd en schreef nooit een einde aan De staat. Oorlog houdt de staat gezond is het enige van twee delen dat gepubliceerd kon worden.

________________________________________________________________________________

Voor de meeste Amerikanen uit de sociale klassen die zichzelf als belangrijk beschouwen, heeft de oorlog1 aan de staat een schijn van heiligheid gegeven. Als ze echter de tijd hadden genomen om daar even bij stil te staan, zouden ze beseffen dat dit een plotse en verrassende wending in hun denkpatronen was. In vredestijd negeren we gewoonlijk de staat omdat we meer geïnteresseerd zijn in partijpolitieke controverses, postjesjagerij of in de strijd om partijprogramma's uit te kunnen werken. Degenen die in politiek geïnteresseerd zijn, zijn eerder betrokken met regerings- dan met staatsaangelegenheden. De staat wordt tot een schimmig symbool teruggebracht dat enkel op de voorgrond treedt ter gelegenheid van een vaderlandse feestdag.

Elke regering is uiteraard samengesteld uit gewone en ongeheiligde mannen, wat het een gerechtvaardigd doelwit van kritiek en zelfs minachting maakt. Als de partij van jouw voorkeur regeert, lijken de zaken best vooruit te gaan; maar wanneer de tegenpartij regeert, heeft ieder begrip van zekerheid en eergevoel de staatsorganen verlaten. Toch bekijk je het niet op deze manier. Wat je slechts in beschouwing neemt, is het feit dat er enkele rotte appels zijn die ontheven zouden moeten worden uit hun functies in een systeem dat u voor lief neemt. Wanneer wordt gezegd dat Amerikanen geen respect voor het recht hebben, wordt bedoeld dat ze zich gewoonlijk minder bewust zijn van de doorluchtigheid van de staat dan andere volkeren. De staat ondersteunt immers de objectieve regering van zichtbare mannen en wetten. In een republiek zijn de mannen die een functie bekleden niet te onderscheiden van het gewone volk. Slechts weinigen onder hen kunnen aanspraak maken op dat greintje waardigheid – zelfs als ze 1 Bourne heeft het uiteraard over de Eerste Wereldoorlog.


wisten dat het bestond – waarmee ze hun politieke functie zouden kunnen uitoefenen. Ze behoren bovendien niet tot een hogere klasse die hun wat prestige zou kunnen geven. In een republiek wordt de regering met veel tegenzin gehoorzaamd, omdat het geen trucs of heiligheden heeft om mee uit te pakken. Als je een goede ouderwetse democraat bent, ben je daar blij om, je verheerlijkt de middelmatigheid van een systeem waarin elke burger koning is geworden. Als je meer van de wereld bent, betreur je dat er geen waardigheid of eer meer is in staatsaangelegenheden. Maar in praktijk bejegent een democraat een verkozen burger niet in het minst met het respect dat een koning te beurt valt, en erkent de wereldwijze burger evenmin waardig gedrag wanneer hij het tegenkomt. De republikeinse staat heeft amper manieren om de gewone man aan te spreken. Wat het wel heeft, is militair van aard, en in een niet-militair tijdperk als datgene wat we doorgemaakt hebben sinds de Burgeroorlog is zelfs militaire opsmuk maar weinig verspreid. In zulk een periode verdwijnt het belang van de staat bijna volledig uit het menselijke bewustzijn.

Wanneer er echter een oorlog uitbreekt, kan de staat weer op adem komen. Het is de regering die, zonder mandaat van het volk, zonder raadpleging van het volk, alle onderhandelingen voert, het werk achter de schermen, de bedreigingen en de uitleg doet, met als gevolg dat de staat langzaam op ramkoers komt met een andere staat en op een subtiele manier onherroepelijk in een staat van oorlog afglijdt. Ten behoeve van de trotse en hoogmoedige burgers wordt dit alles nog aangedikt met een lijst ontoelaatbare beledigingen die de andere naties naar ons hoofd hebben geslingerd; ten behoeve van de liberalen en weldadigen trekken we ten oorlog voor overtuigende, morele doeleinden; ten behoeve van de ambitieuze en agressieve sociale klassen doen we hun stiekeme hoop op een grotere rol voor zichzelf op het wereldtoneel groeien. Het gevolg is dat geen enkele wetgevende instantie ooit een verzoek tot oorlogsverklaring van de uitvoerende macht heeft afgewezen, zelfs in de landen waar oorlogsverklaringen theoretisch gezien een zaak van de volksvertegenwoordigers zijn. De uitvoerende macht voert haar buitenlandpolitiek immers achter gesloten deuren en op een volledig onverantwoorde manier. Goede democraten maken graag een groot verschil tussen een staatssysteem waarin het volksparlement of -congres de oorlog verklaart en een staatssysteem waarin een absolute monarch of heersende klasse de oorlog verklaart. Maar wanneer we dit aan een grondig onderzoek onderwerpen, blijkt het verschil niet treffend te zijn. Zowel in de meest vrije republiek als in het meest tirannieke rijk zijn buitenlandse zaken, de diplomatieke onderhandelingen die de oorlog uitroepen of tegenhouden, evenzeer in exclusief bezit van de


uitvoerende macht van de regering en evenzeer vrij van welke vorm van rekenschap aan volksorganen of verkiezingen dan ook.

Op het moment dat de oorlog uitgeroepen wordt, geraakt het volk er echter door een of andere spirituele toverij van overtuigd dat het gesproken heeft en dat het de beslissing zelf heeft uitgevoerd. Met de uitzondering van enkele ontevredenen laten ze zich vervolgens in de rij duwen, be誰nvloeden en van streek maken in alle aspecten van hun levens en laten ze zich omvormen tot een stevige machinerie die alles vernietigt wat niet van hen is en wat volgens de voorgeschreven gang van zaken wordt afgekeurd door de regering. De burger vergeet zijn minachting en onverschilligheid tegenover de regering, vereenzelvigt zich met diens doeleinden, poets al zijn militaire herinneringen en tekens op en zo spreekt de staat in al zijn glorie opnieuw tot 's mans verbeelding. De liefde voor het vaderland beheerst onze gevoelens en zorgt meteen voor die krachtige en hopeloze verwarring tussen de verplichtingen tegenover de maatschappij die elk individu heeft en de verplichtingen die elk individu zou moeten hebben.

De patriot kent geen onderscheid meer tussen de staat, de natie en de regering. In tijden van vrede vormt de natie of het vaderland het basisconcept van onze samenleving. We hebben het dan vagelijk over een losse bevolkingsgroep die zich verspreid heeft over een bepaald geografisch deel van het aardoppervlak, die dezelfde taal spreekt en in een homogene beschaving leeft. Ons idee over het vaderland steunt op het niet-politieke karakter van een volk: diens leefgewoonten, karakteristieken, literatuur en kunst, diens slevensopvattingen. Wij zijn Amerikanen omdat we in een zeker begrensd territorium leven, omdat onze voorouders grote pioniers en kolonisatoren waren, omdat we in bepaalde types van gemeenschappen wonen die een bepaald standpunt hebben en hun ambities op een bepaalde manier vorm geven. We zien zelf dat onze beschaving verschilt van die van naburige beschavingen zoals de Indische en de Mexicaanse. De instellingen van ons land vormen een zeker netwerk dat diep tot in ons innerlijk invloed uitoefent en onze gedachten beheerst op een manier die deze andere beschavingen niet kennen. Wij maken deel uit van het vaderland, of we dat nu willen of niet. We zien hier terechtgekomen door fysiologische wetten, en op geen enkele manier uit eigen keuze. Wanneer we onze zogeheten rijpe leeftijd hebben bereikt, zijn onze gewoontes, onze waarden en denkpatronen al zodanig gekneed dat we nooit meer echt de stempel van onze beschaving kunnen kwijtraken of we verward kunnen worden met de afstammeling van een ander land hoezeer we ons ook bewust geworden mogen zijn van onze wortels. Onze gevoelens voor


landgenoten worden bepaald door gelijkenis of eerder vage kennis. We kunnen verschrikkelijk trots zijn op ons eigen beschavingsnetwerk en het erg toegenegen zijn, maar we kunnen ook de meeste elementen ervan verachten en fulmineren tegen de gebreken. Dit neemt niet weg dat we er onlosmakelijk mee verbonden zijn. Als onontkoombare groep waarin we geboren worden en als belangrijkste determinant van ons burgerschap in de wereld lijkt het vaderland een essentieel deel van ons bewustzijn te zijn, een onherleidbaar minimum van het gemeenschapsgevoel.

Nu is deze affectie voor het vaderland in wezen niet-competitief; we beschouwen ons eigen volk slechts alsof het samen met andere groepen op aarde leefde. Het maakt niet uit of die relatie nu aangenaam of verwerpelijk is: fundamenteel is dat ons volk de wereld met hen deelt. In ons simpele begrip van het Vaderland zijn er niet méér gevoelens van rivaliteit met andere volkeren dan dat er zijn in onze families. Onze notie van belang gaat inwaarts, niet uitwaarts, en is intensief maar niet agressief. Wanneer we opgroeien, bepaalt onze verbeelding de grenzen van de wereld waarin we leven. Méér dan het gevoel te behoren tot deze grote mensenmassa en te kunnen functioneren in diens instellingen heeft deze verbeelding als beloning voor haar impulsen van de kuddegeest niet nodig. De affectie voor het vaderland zou oneindig zijn als de staat en de regering er niet mee verbonden waren. Het vaderland is een begrip dat vrede, tolerantie, ‘leven en laten leven’ behelst. Maar de staat is wezenlijk de belichaming van macht en concurrentie: het beduidt een groep die wordt bepaald door zijn agressieve aspecten. Spijtig genoeg worden we niet alleen geboren in een land maar ook in een staat en naarmate we ouder worden verwarren we die twee steeds meer tot een hopeloos kluwen.

De staat is het land dat optreedt als een politieke entiteit, als de ruggengraat van de macht, de wegbereider van het recht, de arbiter van gerechtigheid. Het buitenlandbeleid is machtspolitiek omdat het om betrekkingen tussen staten onderling gaat - en dat is wat staten zonder pardon en met desastreuze gevolgen doen: hun krachten als gigantische menselijke en industriële machines uitbreiden en tegen elkaar opzetten in oorlogen. Een land wordt belichaamd door de staat wanneer het eendrachtig optreedt voor of tegen een ander land, wetten oplegt aan zijn inwoners, of individuen of minderheden in deze of gene richting dwingt of duwt. De geschiedenis van het land Amerika is erg verschillend van die van de staat Amerika. In het eerste geval gaat het om de tragiek van de verovering van het land door de pioniers, om de groeiende rijkdom en de manieren waarop die werd gebruikt, het onderwijs en de verspreiding van


spirituele ideeën, om de klassenstrijd. De geschiedenis van de staat draait echter om het Amerikaanse belang in de wereld, om het voeren van oorlogen, het belemmeren van internationale handel, het bewaren van de eenheid, het straffen van de burgers van wie de samenleving vindt dat ze gevaarlijk zijn en het ophalen van taksen.

Anderzijds is een regering niet hetzelfde als een staat of een natie. Het is het mechanisme dat de natie, bij wijze van de staat, nodig heeft om haar staatsfuncties uit te voeren. Regeringen zijn het raamwerk van de rechtsadministratie en van de handhaving van de publieke orde. Regeringen zijn de belichaming van het idee van de staat dat in praktijk wordt gebracht door duidelijk aangewezen, concrete en feilbare mannen. Ze zijn een zichtbaar teken van een onzichtbare gratie. Ze zijn het woord vlees geworden. En ze kennen noodzakelijkerwijs de beperkingen die iedere praktische regeling eigen is. De enige gedaante waarin we denken dat de staat kan bestaan, is de regering, hoewel die twee zeker niet gelijkaardig zijn. We mogen nooit vergeten dat de staat een mystiek idee is. De glorie en gewichtigheid van de staat staan altijd achter de regering en sturen al diens acties.

In oorlogstijd komt het ideaalbeeld van de staat zeer duidelijk op de voorgrond en worden bepaalde houdingen en neigingen blootgelegd. In vredestijd is de republiek gedemilitariseerd en verzwakt de aandacht voor de staat - oorlog houdt de staat immers gezond. Het ideaalbeeld van de staat betekent dat de macht en de invloed van de staat universeel moet zijn binnen zijn territorium. De staat wordt beschouwd als het lichtende pad naar politieke redding voor de mensheid, zoals de Kerk de tussenweg voor diens spirituele redding is. Het straalt een zeker idealisme uit dat alle onderdelen van het politieke lichaam van een rijke bloedstroom voorziet. En het is precies in oorlogstijd dat de eenheidsgedachte het meest de kop opsteekt en de noodzaak van universaliteit het minst in vraag wordt gesteld. De staat organiseert de kudde zodat die offensief of defensief kan optreden tegen een andere kudde die op gelijkaardige wijze is georganiseerd. Hoe meer reden er lijkt te zijn om in het verweer te gaan, des te strikter wordt de kudde georganiseerd en des te dwingender wordt de invloed op elk individu in de kudde 2. Oorlog stelt eenieders doelen en bezigheden gelijk en verspreidt die over de hele kudde, tot in de onderste lagen en vertakkingen. Alle bedrijvigheid in de samenleving wordt zo vlug mogelijk gebundeld om één centraal doel te dienen: een militaire offensieve of defensieve actie opzetten. De staat wordt dan eindelijk wat die in tijden van vrede maar moeilijk kan zijn - de 2 Voor een hedendaagse analyse: Paul Gilroy, professor aan de London School of Economics, heeft uitstekend werk gepubliceerd in het domein van racisme, groepsprocessen en zogenaamde securitocracy.


onverbiddelijke rechter die allemans zaken, gedragingen en meningen bepaalt. Men zet zich aan het werk, alles komt in stroomversnelling en de natie sjokt zich traag maar steeds sneller en zekerder vooruit, totdat het glorieuze einddoel is bereikt, de “zielsrust van de oorlog” zoals L.P. Jacks3 het zo tijdloos omschreef.

De sociale klassen die een actieve en niet gewoon een passieve rol kunnen spelen in de organisatie van de oorlog, voelen al hun levendigheid en energie bevrijd worden. Individuen worden uit hun oude routines gerukt, velen onder hen krijgen andere verantwoordelijkheden, nieuwe technieken moeten worden aangeleerd. Lastige banden met de familie worden verbroken en vrouwen, die anders aan hun kinderen gebonden zouden blijven, worden bevrijd en ingelijfd in overzees werk. De belangrijkste klassen ondergaan een algehele verjongingskuur en krijgen een hernieuwd gevoel van belangrijkheid in de wereld. Oude nationale ideeën worden bovengehaald, aangepast aan de doelstellingen en gebruikt als universeel criterium of modellen waaraan ieder oordeel getoetst moet worden. Iedere individuele burger die in vredestijd geen rol te spelen had die hem het gevoel kon geven dat hij actief deel uitmaakte van de staat, wordt een pseudoprofessionele agent van de regering die spionnen en afvalligen aangeeft, geld voor de regering ophaalt of het heil van de maatregelen propageert die de bureaucratie nodig acht. Terwijl de meningen van minderheden in vredestijd slechts vervelend waren en ze niet van rechtswege het zwijgen konden worden opgelegd - tenzij op een misdadige manier – worden ze in oorlogstijd een reden om die minderheden in ballingschap te sturen. Kritiek op de staat, bedenkingen bij een oorlog, lauwe reacties voor de noodzaak of de schoonheid van de dienstplicht, dit alles wordt onderworpen aan wilde straffen die veel verder gaan dan de straffen die normaal gezien aan daadwerkelijke misdaden worden gegeven. De publieke opinie (zoals die te lezen staat in de kranten), de preekstoelen en de scholen scharen zich achter hetzelfde front. Alle beroepen, technieken en bezigheden worden getest op basis van hun “trouw”, of eerder oorlogsvoering als enige ware leer. Dit is voornamelijk het geval in de intellectuele sfeer. In dat geval denkt men dat de kleinste smet de hele ziel bezoedelt, met als gevolg dat een professor in de fysica ipso facto niet gekwalificeerd is om fysica te onderwijzen of een eervolle post aan de universiteit (de republiek van het onderwijs) te bekleden als hij het niet eens is met de oorlog. Zelfs de kleinste band met zulke ‘besmette’ personen is reden genoeg om een docent uit te sluiten. Alles wat met de vijand te maken heeft, wordt taboe. Vijandige boeken worden zo veel mogelijk gecensureerd, de taal verboden en de kunstvoorwerpen beschouwd als 3 Laurence Pearsall Jacks, Brits liberaal denker, professor en dominee.


de dragers van de meest subtiele spirituele verloedering van de ziel van eenieder die ervan durft te genieten. Zo wordt ook de muziek van de vijand onderdrukt en worden onmiddellijke maatregelen genomen tegen iedereen wiens artistieke geweten niet klaar is om zulk een daad van zelfopoffering te stellen. De manische queeste naar loyaal conformisme is onpartijdig en vaak diametraal tegengesteld aan andere dogma’s en traditionalistische, conformistische of zelfs idealistische neigingen. De triomfantelijke rechtzinnigheid van de staat bereikt haar hoogtepunt wanneer christelijke predikers hun preekstoel wordt afgenomen omdat ze de Bergrede min of meer letterlijk interpreteren, en wanneer christelijke ijveraars een gevangenisstraf van twintig jaar krijgen omdat ze liturgische teksten hebben verspreid waarin staat dat oorlog niet conform de christelijke leer is.

Oorlog houdt de Staat gezond. Het zet die onweerstaanbare krachten van uniformiteit in de samenleving in werking, krachten die ons vol overgave met de regering willen doen samenwerken en die ons minderheden en individuen die de kuddegeest missen, verplichten te gehoorzamen. Het raderwerk van de regering bepaalt de drastische straffen en voert ze uit; minderheden worden ofwel geïntimideerd tot ze zwijgen, ofwel langzaam op andere ideeën gebracht door een subtiel spel van overtuiging dat lijkt alsof ze gewoon bekeerd worden. Het ideaal van perfecte loyaliteit, van perfecte uniformiteit wordt natuurlijk nooit echt bereikt. De sociale klassen die al deze amateuristische dwang moeten verdragen, blijven geestdriftig, maar vaak verscherpt die onrust hun verzet nog in plaats van ze weg te nemen. Minderheden worden ontevreden en sommige intellectuelen beginnen bitter en satirisch te schrijven. Maar in het algemeen groeit de natie in oorlog naar hetzelfde uniforme gevoel toe, een hiërarchie van waarden die haar toppunt bereikt wanneer de Staat het onbetwiste ideaalbeeld is - iets wat onmogelijk bereikt zou kunnen worden zonder oorlog als katalysator. Trouw - of eerder mystieke toewijding aan de staat - wordt de belangrijkste denkbare menselijke waarde. Andere waarden, zoals artistieke creativiteit, kennis, rede, schoonheid en het verbeteren van de levenskwaliteit, worden ogenblikkelijk en haast unaniem opgeofferd en de hogere klassen, die zichzelf als vrijwillige agenten van de staat hebben opgevoerd, beginnen deze waarden niet alleen op te offeren voor zichzelf, maar dwingen ook alle anderen die waarden op te offeren.

Een oorlog - of toch tenminste een moderne oorlog, die gevoerd wordt door democratische republieken tegen sterke vijanden – lijkt alle dromen te vervullen die de vurigste politieke idealisten zich kunnen wensen voor hun staat. Burgers gedragen zich niet langer onverschillig


tegenover hun regering; ieder deeltje in het staatsapparaat gonst van leven en bedrijvigheid. We zijn dan eindelijk op weg om het idee van de collectieve gemeenschap, waarin ieder individu op de een of andere manier de kracht van het geheel vertegenwoordigt, volledig in de praktijk om te zetten. In een natie in oorlog vereenzelvigt iedere burger zich met het geheel en voelt die zich onnoemelijk veel sterker door deze vereenzelviging. Iedere persoon die het beste van zichzelf geeft voor de oorlog belichaamt het doel en het verlangen van de collectieve gemeenschap. De hinderpaal die ooit het onderscheid tussen de samenleving en het individu was, is bijna volledig weggenomen. In oorlogstijd is het individu bijna één met zijn samenleving geworden. Hij bereikt het summum van zelfbewustzijn, een intuïtie die hem zegt dat al zijn ideeën en gevoelens juist zijn, zodat hij zich onoverwinnelijk sterk voelt wanneer hij zijn tegenstanders weet te onderdrukken. Hij voelt de steun van de collectieve gemeenschap in zijn rug. Het individu lijkt zijn apotheose te hebben volbracht als sociaal wezen in oorlog. De Amerikaanse natie zou zulk een massale toewijding, zo een opoffering en noeste arbeid nooit tentoonstellen als het uit een of andere religieuze impuls was geweest. Ze zou stellig haar rijkdom en levenskracht niet doen vloeien en zulke draconische dwangmaatregelen tegen zichzelf niet nemen, zoals het opslokken van het kapitaal en alle mannen, als het voor een seculiere zaak was geweest, bijvoorbeeld algemeen onderwijs of het onderwerpen van de natuur. Maar ter wille van een offensieve oorlog uit zelfverdediging, gedekt onder de problematische vlag van “democratie”, zou de natie het hoogste niveau van collectieve kracht ooit waargenomen bereiken.

Deze seculiere zaken, zoals het verbeteren van de levenskwaliteit, algemeen onderwijs en het aanwenden van het intellect om rede en schoonheid te doen bloeien in de gemeenschappelijke ruimte van de natie, maken geen deel uit van het traditionele ideaalbeeld van de taat. De staat is nauw verbonden met oorlog, aangezien het het raamwerk van de collectieve gemeenschap is wanneer die politieke actie onderneemt - en politieke actie tegen een rivaliserende groep heeft doorheen de geschiedenis altijd maar een ding betekend: oorlog.

Het woord ‘kudde’ heeft geen negatieve connotatie wanneer het in verband met de sstaat wordt gebruikt. Het is gewoonweg een poging om de aard van deze instelling, in wiens schaduw we allemaal leven, bewegen en ons bestaan situeren, in zijn essentie te vatten. Etnologen zijn het er in het algemeen over eens dat de menselijke samenleving eerst een troep van mensen was en niet een verzameling van individuen of paren. De kudde is in feite de oorspronkelijke groep, en


pas toen individuele persoonlijkheden zich begonnen te ontwikkelen, werd de kudde meer verscheiden. Het is aangetoond dat de meeste primitieve mensenstammen die nog bestaan in een zeer complexe maar erg rigide sociale structuur leven, waarin mogelijkheden voor individualisering slechts zelden voorkomen. Deze stammen veranderen hun strikte kuddestructuur niet, en het verschil tussen hen en de moderne staat is niet zo groot; het verschil is eerder op het niveau van verfijndheid en verscheidenheid van organisatie te situeren.

Psychologen erkennen de kuddegeest als een van de sterkste primitieve krachten die verschillende groepen van hoger ontwikkelde soorten bij elkaar houden. Hetzelfde geldt voor de mens. Onze evolutionaire geschiedenis en conflictueuze natuur hebben ervoor gezorgd dat die drang nooit verdwijnt. De kuddegeest betekent dat we de neiging hebben om te imiteren, ons aan te passen, ons te verenigen, en is het krachtigst wanneer de kudde gelooft dat er een aanval dreigt. Dieren troepen samen om zich te beschermen en mensen zijn zich het meest bewust van wat ze gemeen hebben wanneer er oorlog op til is.

Het bewustzijn van de gemeenschap scherpt ons vertrouwen aan en geeft ons een gevoel van massale kracht, wat op zijn beurt zorgt voor groeiende vechtlust... en de strijd is geopend. Voor de beschaafde mens dient de impuls van de kuddegeest niet alleen om een gecoรถrdineerde verdediging op te zetten, maar ook om gelijkgestelde meningen te produceren. Aangezien 'denken' een vorm van 'doen' is, dringt de kuddegeest het rijk van het denken binnen en zorgt het voor die uniformiteit van meningen die in tijden van oorlog zo wijdverspreid is. En het is maar net door het collectieve bewustzijn binnen te dringen dat het kuddegeest zijn gang kan gaan. Net zoals seksuele impulsen ontzettend veel meer in onze moderne samenleving worden losgelaten dan nodig is, zo wordt er op de impulsen van de kuddegeest ontzettend veel meer beroep gedaan om de samenleving te verdedigen dan nodig is. Het zou ruimschoots volstaan als we onze kuddegeest aanwendden om simpelweg de aanwezigheid van anderen op prijs te kunnen stellen, om met hen te kunnen samenwerken en we een licht ongemak voelden als we alleen waren. Helaas valt die impuls echter niet te verenigen met deze redelijke en aanvaardbare wensen. In de plaats daarvan legt het de nadruk op het feit dat we altijd en overal gelijkgestemd moeten en zullen zijn, in alle domeinen van het leven. Bijgevolg moet iedere vorm van menselijke vooruitgang, alles wat nieuw en niet-conformistisch is, zich eerst een weg banen


voorbij de weerstand van het tirannieke kuddegeest dat het individu dwingt om te gehoorzamen en zich aan te passen aan de meerderheid. Zelfs in de meest moderne en verlichte samenlevingen ziet het er niet naar uit dat dit instinct aan het verdwijnen is. Terwijl meedogenloze economische eisen ons nog verder vervreemden van het domein van het sociale nut, wint het instinct terrein ten nadele van de wereld van gevoelens en meningen, met als gevolg dat men steeds vaker en agressiever conformisme gaat willen en eisen.

De kuddegeest versterkt zijn greep nog meer wanneer de groep in beweging komt of een positieve actie onderneemt. Dan wordt de machtshonger van het individu nog meer gevoed door het gevoel tot een groep te behoren en erdoor ondersteund te worden. Het individuele organisme wilt die honger immers voortdurend stillen. Je voelt je sterk door je te conformeren, en je voelt je verlaten en hulpeloos als je geen deel uitmaakt van de menigte. Zelfs als je de macht niet kan veroveren door te denken en te voelen zoals de rest, krijg je zo toch een warm gevoel van gehoorzaamheid, het sussende gevoel beschermd te zijn door van alle verantwoordelijkheid te zijn ontheven.

Hand in hand met deze hardnekkige individuele neigingen – genoegen vinden in macht en gehoorzaamheid – gaat het kudde-instinct, zodanig dat het niet meer te vermijden valt in de samenleving. Oorlog maakt dit nog erger, tot in de hoogst mogelijke graad. Het verspreidt zijn invloed, zijn mysterieuze kuddegeest samen met de inflatie van macht en gehoorzaamheid, tot in de verste uiteinden van de maatschappij, tot bij ieder individu, elke kleine groep die maar kan aangetast worden. En het zijn net die impulsen waarop de staat – de organisatie van de hele kudde, van de hele gemeenschap – is gebouwd en waarvan de staat gebruikt maakt.

Een groot deel van de affiniteit voor de staat is uiteraard kinderlijke mystiek. Het gevoel van onveiligheid, het verlangen naar bescherming, gaat terug tot de vader en moeder – met hen zijn de vroegste gevoelens van bescherming verbonden. Het is niet voor niets dat de staat wordt bewoord als een Vader of een Moederland, dat de betrekking met de staat wordt omschreven als een familieband. De oorlog heeft aangetoond dat deze primitieve, kinderlijke houding zich nergens anders beter heeft kunnen ontwikkelen, uit schrik voor het gevaar, dan in ons land. Wij mogen het vaderlijke gevoel van de Duitser die zijn Vaterland aanbidt dan wel niet hebben, maar we hebben tenminste toch Uncle Sam als symbool van bescherming en vriendelijk gezag,


en in de vele moederfiguren op de posters van het Rode Kruis zien we hoe gemakkelijk in de meer tedere taken van de oorlogsdienst de hegemonie van de organisatie wordt voorgesteld als een familie. Een volk dat in oorlog verkeert, is in de meest letterlijke betekenis opnieuw een gehoorzaam, respectvol en trouw kind geworden dat heel naïef volledig vertrouwen heeft in de alwetendheid en almacht van de volwassene die voor het kind zorgt. Die legt zijn milde doch noodzakelijke wil op en het kind kan al zijn verantwoordelijkheden en angsten kwijt. Deze opflakkering van de kindertijd is erg bemoedigend en geeft ons nieuwe kracht. De meeste mensen vinden het erg lastig om een onafhankelijke volwassene te zijn, en al zeker degene die tot de belangrijke sociale klassen behoren en de taak of verantwoordelijkheid op zich hebben genomen om een regering te leiden. De staat verschaft de meest geschikte symbolen waaruit deze klassen hun eigenlijke pragmatische voldoening kunnen putten en aan de macht blijven, maar tegelijkertijd kunnen ze zichzelf van de psychologische last van volwassenheid ontdoen. Ze blijven aan het hoofd van de industrie en de regering en alle instellingen in de maatschappij, net zoals voorheen, maar volgens hun eigen bewustzijn en in de ogen van het grote publiek hebben ze hun egoïstische en roofzuchtige natuur afgezworen en zijn ze trouwe dienaars van de maatschappij geworden – of van iets dat groter is dan zichzelf: de staat. De man die zijn managerspositie in een groot bedrijf in New York inruilt voor een baan in het management van de oorlogsindustrie in Washington lijkt zijn macht of zijn administratieve werkwijze op het eerste gezicht niet te veranderen. Maar psychologisch gezien heeft er een grote transfiguratie plaatsgegrepen! Niet alleen macht maar ook roem is zijn deel geworden! En zijn gevoel van voldoening is rechtevenredig met de omvang van zijn leiderschap en de voorrechten in de industrie die hij heeft behouden, niet met de onvervalste persoonlijke opoffering die misschien deel heeft uitgemaakt van zijn overstap.

De leden van deze klasse voelen een soort onoverkomelijke verontwaardiging als de overgang van de privé-industrieën naar de Staatsdienst een reëel verlies van macht of persoonlijke privileges met zich meebrengt. Als we dan toch een pragmatische opoffering moeten maken, denken ze, laat het dan voor ons eergevoel zijn, in de traditioneel geprezen dood op het slagveld, in die omweg naar zelfmoord, zoals Nietzsche oorlog noemt. In oorlogstijd zorgt de Staat ervoor dat de voldoening aan dit ware verlangen wordt voldaan, maar de belangrijkste waarde voor de Staat is de mogelijkheid tot regressie naar de kinderlijke naïeviteit. In reactie op een ingebeelde aanval op je land of een belediging aan het adres van de regering zoek je


bescherming in de kudde, conformeer je he in woord en daad, en betoogt hartstochtelijk dat iedereen als één geheel zou moeten denken, spreken en handelen. En je fixeert je liefhebbende, waarlijk kinderachtige blik op de Staat, alsof het de Vader van de kudde was, het haast persoonlijke symbool van de kracht van de kudde, de leider en rechter van je vastberaden acties en gedachten.

De leden van de arbeidersklassen, of toch tenminste het deel dat zich niet vereenzelvigt met de vooraanstaande klassen en hen probeert te imiteren en tot hun status op te klimmen, zijn berucht omdat ze veel minder gevoelig zijn aan het symbolisme van de staat – oftewel, anders gezegd: ze zijn minder patriotisch dan de vooraanstaande klassen. Want macht en roem zijn hun deel niet. De staat biedt hun niet de mogelijkheid tot regressie aangezien ze de status van volwassenen in de maatschappij nooit hebben bereikt en het bijgevolg ook niet kunnen verliezen. Als ze gedrild en gedisciplineerd worden, zoals het industriële regime dat met hen heeft gedaan in de voorbije eeuw, zijn ze gehoorzaam genoeg om ten oorlog te trekken voor hun staat, maar ze hebben dat kinderlijke gevoel, en zelfs dat kudde-intellect dat zo sterk verspreid is onder hun ''meerderen'', bijna helemaal niet. Hoewel ze bij wet vrij zijn, leven ze gewoon in industriële slavernij, wat hen in de praktijk als klasse aan een systeem van machinale productie bindt waarvan ze de middelen niet bezitten en waarin ze niet de minste inspraak over de distributie van de producten hebben – uitgezonderd die zeldzame keren wanneer ze in bedekte termen druk kunnen uitoefenen zodat een iets groter deel van de productie voor hen wordt bestemd. Maar ze komen toch in de militaire onderneming terecht, met dezelfde apathische gevoelens als wanneer ze in de industrie terechtkomen en werken – niet met die hoeragevoelens van de vooraanstaande klassen wiens instincten toch zo worden aangedreven door de oorlog. Vanuit dat standpunt kunnen we oorlog bijna een sport voor de hogere klassen noemen. De interessante nieuwigheden en de opwinding die het hun verschaft, the machtsinflatie, de voldoening die ze krijgen van die uiterst hardnekkige menselijke impulsen (de kuddegeest en het regressieve verlangen naar de ouders) – dit alles begiftigt oorlog met alle kwaliteiten van een luxueuze teamsport waarvan de opwindendheid volledig in proportie is met hun gevoel van belangrijkheid in de sociale stratificatie van de maatschappij. Een land in oorlog – en dan voornamelijk je eigen land in oorlog – handelt niet als een zuiver homogene kudde. De


vooraanstaande klassen bezitten de kuddegeest in al zijn primitieve intensiteit, maar er zijn hinderpalen, of toch zeker verschillen in intensiteit, zodat dit instinct niet vrij en onbelemmerd doorheen de hele natie stroomt. Een modern land vertegenwoordigt een lang historisch en sociaal proces van de versnippering van de kudde. In vredestijd is de natie geen groep, het is een netwerk van een veelvoud aan groepen die de samenwerking en samenhorigheid vertegenwoordigen van mannen van allerlei kaliber en met allerlei menselijke belangen en ondernemingen. In ieder modern industrieel land zijn er parallelle niveaus van economische klassen met uiteenlopende mentaliteiten, verschillende instellingen en belangen – de burgerij en het proletariaat, met hun vele onderverdelingen naargelang hun macht en functie en zelfs hun verwevenheid, zoals de beter geschoolde arbeiders die zich gewoonlijk met de bezittende en vooraanstaande klassen vereenzelvigen en proberen op te klimmen tot de burgerij en hun culturele normen en gedragingen imiteren. Dan zijn er nog de religieuze groepen met een zeker doch tanend gevoel van verwantschap, en de machtige etnische groepen die bijna culturele kolonies in de Nieuwe Wereld zijn omdat ze hardnekkig vasthouden aan de tradities van hun taal en geschiedenis – hoewel hun kuddegeest meestal gebaseerd is op culturele symbolen in plaats van symbolen van de staat. Er zijn zelfs bepaalde vage sektarische groepen. Al deze kleine sektes, politieke partijen, klassen, sociale lagen en belangen kunnen brandpunten van de kuddegeest zijn. Ze doorkruisen elkaar en zijn dooreengeweven, en één en dezelfde persoon kan lid van verschillende groepen op verschillende niveaus zijn. Zijn kudde-instinct kan aangewakkerd worden in deze of gene richting bij verschillende gelegenheden. In een religieuze crisis zal hij zich ontzettend bewust worden van de noodzaak van het overleven van zijn sekte (of 'onderkudde'), terwijl hij in een politieke campagne van de noodzaak van de overwinning van zijn partij bewust wordt.

Al deze kleinere kuddes bieden bijgevolg weerstand aan de verspreiding van de kuddegeest. De enige groepen die ernstige weerstand bieden aan de verspreiding van die kuddegeest, die voortkomt uit het gevaar van een dreigende oorlog en die normaal gezien de volledige natie verwikkelt, zijn uiteraard de groepen die zich voortdurend vereenzelvigen met de andere natie waar zij zelf of hun ouders vandaan komen. In vredestijd zijn ze uit de meest praktische overwegingen allen burgers van hun nieuwe land. Ze houden hun etnische tradities eerder als luxe in stand. Deze tradities hebben inderdaad de neiging om snel uit te sterven, tenzij ze verbonden blijven met een of ander nationalistisch conflict in het buitenland dat onopgelost is


gebleven, met een bevrijdingsstrijd of irredentisme. Als ze bewust worden tegengewerkt door een al te haatdragende politiek van amerikanisering, worden ze meestal sterker. En in oorlogstijd staan de etnische elementen die enige traditionele banden hebben met de vijand van nature onverschillig tegenover de nationale kuddegeest dat teruggaat op de tradities van de staat waarvan ze geen deel uitmaken, ook wanneer de meeste individuen maar weinig echte sympathie voor de zaak van de vijand hebben. Maar de autochtonen die affiniteit met de staat hebben, kunnen zich zulke weerstand of apathie niet veroorloven. Deze kuddegeest, dit pas ontwaakte bewustzijn van de staat, kan niet zonder universalisme. De leiders van de vooraanstaande klassen, die deze dwang van de staat het meest voelen, eisen toewijding aan de Amerikaanse zaak voor de volle 100 procent van 100 procent van de bevolking. De staat is een jaloerse God en zal geen rivalen dulden4. Zijn oppermacht moet door iedereen gevoeld worden, en iedere emotie moet tot een gestereotypeerde vorm van romantisch vaderlandslievend militarisme worden gekneed dat de traditionele uitdrukkingsvorm van de kuddegeest van de staat is. Zo ontstaan conflicten binnen de staat. Oorlog is haast een sport tussen de jagers en de opgejaagden. De klopjacht op de interne vijanden weegt zwaarder door dan de psychologische aantrekkingskracht van de aanval op de externe vijand. De hele schrikwekkende kracht van de staat wordt op de afvalligen losgelaten. De natie kookt door een trage, volhardende koortsigheid. De regering zet een blank terrorisme op tegen pacifisten, socialisten, vreemdelingen en vijanden, en een mildere officieuze vervolging van alle personen of bewegingen die van ver of dichtbij met de vijand te maken zouden kunnen hebben. Oorlog zou de staat gezond moeten houden, brengt alle burgerlijke elementen en het gewone volk bij elkaar, en verklaart de rest vogelvrij. Het revolutionaire proletariaat toont meer tekenen van verzet tegen deze eenmaking; het gaat, zoals we hebben gezien, psychisch niet mee met de stroom. Hun voorhoede, zoals het I.W.W.5, wordt genadeloos vervolgd, ondanks het bewijs dat het maar een symptoom is en niet de oorzaak. Hun vervolging verhoogt het misnoegen van de arbeiders en verscherpt de spanning in plaats van ze te verminderen.

4 Het is zeer waarschijnlijk dat Bourne Bakoenins bekendste werk, 'God en de Staat', kende. Het werd voor het eerst naar het Engels vertaald in 1883. 5 International Workers of the World, een internationale vakbond opgericht in 1905 in Chicago door invloedrijke Amerikaanse anarcho-syndicalisten zoals Mother Jones, Lucy Parsons en Bill Haywood. Ze ijverden voor de afschaffing van het loonarbeidssysteem en voor directe actie, directe democratie en zelfbeschikking van de arbeiders. Een illustratie van het I.W.W. door Ralph Chaplin, een sissende zwarte kat, is nu een wijdverspreid anarchistisch symbool.


Maar de emoties die betrokken zijn in de verdediging van de staat houden geen rekening met de pragmatische resultaten. Een natie in oorlog die door de vooraanstaande klassen gevoerd wordt, wil de impulsen loslaten die het al geruime tijd niet meer de vrije loop heeft kunnen laten. Het geeft een bepaalde voldoening, en de eigenlijke oorlogsvoering of de toestand van het land zijn in feite bijkomstig in vergelijking met het plezier van de nieuwe vormen van moed en kracht en agressiviteit die het ons schenkt. Als er afdoende bewijs was voor het feit dat de vervolging van elementen met een licht afwijkende mening eigenlijk voor ontzettend veel meer problemen zorgde in de productie en de organisatie van de oorlogsvoering, dan nog zou de heersende politiek amper wijzigen. De vooraanstaande klassen moeten hun plezier kunnen halen uit de klopjacht op en de afstraffing van iedereen van wie ze instinctief denken dat die niet doordrongen is met het huidige enthousiasme voor de staat – hoewel de staat zelf eigenlijk moeilijkheden heeft om de doelen te bereiken waarvoor het zo vurig strijd voert. Het beste bewijs daarvoor is dat de klopjacht op samenzweerders, die al sinds het begin van de oorlog in Europa onophoudelijk en minutieus gevoerd wordt, minder misdaden heeft opgelost en minder daders heeft gestraft dan dat er strafzaken waren simpelweg voor het uiten van een mening, omdat men kritiek uitoefende op de staat of het nationale beleid. De straf voor vrije meningsuiting is veel zwaarder en wisselvalliger dan de straf voor banale misdaad. Onberispelijke Anglosaxische Amerikanen die minder begaan waren met pacifisme of socialisme dan de door de staat geobsedeerde heersende publieke opinie hebben in vele gevallen zwaardere straffen en zelfs grotere schande over zich heen gekregen dan de duidelijk vijandige Duitse samenzweerder. De publieke opinie lijkt te lijden aan een soort van sociale misvorming van normen en waarden, een soort van sociale neurose die onderzoek en begrip vereist, wanneer het bijna eenduidig een veroordeling tot twintig jaar cel voor het uiten van een mening steunt als zijnde rechtvaardig, gepast, knap, verdiend en in harmonie met de idealen van vrijheid en vrijheid van meningsuiting. Toen we in de oorlog zijn gestapt, waren er verschillende personen die deze normatieve misvorming voorspelden, personen die vreesden dat de binnenlandse democratie meer te lijden zou hebben van een Amerika in oorlog dan dat de buitenlandse democratieÍn eraan zouden winnen. Die angst is ruimschoots werkelijkheid geworden. De vraag of de Amerikaanse natie zich zou gedragen ofwel als een verlichte democratie, die ten oorlog trekt voor hogere idealen, ofwel als een kudde geobsedeerd door de staat, heeft een definitief antwoord gekregen. Het is gewikt en gewogen en kan niet meer ongedaan gemaakt worden. De geschiedenis zal ons leren


of het terroriseren van de vrije meningsuiting en de disciplinering van het leven gerechtvaardigd waren onder de meest idealistische vorm van democratisch bestuur. Ze zal aantonen dat de Amerikaanse natie, toen ze de kans had om ogenschijnlijk een dappere oorlog te voeren, verkoos om de meest hatelijke en repressieve maatregelen van de vijand en de andere landen in oorlog over te nemen, en om te wedijveren met de intimidatie en de wreedheid van de straffen in de slechtste regeringssystemen van onze tijd, in plaats van de veiligheid van de binnenlandse democratische waarden veilig te stellen. De natie heeft blijkbaar het gelag moeten betalen voor haar vroegere gebrek aan bewustzijn en respect voor het ideaal van de staat en is nu volledig naar het andere, gewelddadige eind van het spectrum overgeheld. De onredelijkheid in de onderdrukking van de minderheden is zulk een duidelijk teken van de kuddegeest van de natie dat de interpretatie van het verloop van de oorlog vanuit het psychologische standpunt van het kuddegedrag zeker niet gekunsteld is. Het heeft onbewust de ware aard van de staat en diens intieme banden met oorlogvoering klaarhelder gemaakt. Het heeft de vijanden van oorlog en de criticasters van de staat van de meest veelzeggende argumenten voorzien. De nieuwe passie voor het ideaal van de staat heeft onbewust een zeer reële hervormingsbeweging in gang gezet en aangemoedigd. Het heeft de ogen geopend van degenen die vastbesloten zijn om de oorlog te beëindigen en aangetoond dat het niet volstaat om de oorlog te beëindigen door simpelweg het probleem van het beëindigen van de oorlog op te lossen. Oorlog is immers een ingewikkelde zaak waarin een natie handelt volgens een een spirituele dwang, misschien zelfs tegen de eigen belangen en verlangens in, tegen alle normatief besef. Het zijn de staten die oorlog voeren en niet de naties 6, en het eigenlijke idee, ja zelfs de noodzaak van oorlog is volledig met het ideaalbeeld van de staat verbonden. Naties hebben in geen eeuwen oorlog gevoerd; het enige historische voorbeeld van naties die oorlog voeren zijn de grote invasies van de barbaren in Zuid-Europa, de invasies van Rusland vanuit het Oosten, en wellicht de islamitische golf over Noord-Afrika tot in Europa na de dood van Mohammed. En de beweegredenen voor zulke oorlogen waren ofwel de rusteloze expansie van rondtrekkende stammen ofwel de vlam van religieus fanatisme. Wellicht kunnen deze grote migratiestromen zelfs amper oorlogen genoemd worden, aangezien iedere oorlog een gedrild volk met een leider nodig heeft: het is in feite de voorwaarde voor iedere staat. Zulke grote conflicten tussen naties – en onder natie wordt 'culturele groep' verstaan - zijn ondenkbaar geworden sinds Europa zulke organisaties heeft. Het is onzinnig om te veronderstellen dat er in Europa eeuwenlang welke 6 Bourne ontwricht hier expliciet de kritiek als zou nationalisme en niet etatisme de ideologie zijn die de voornaamste bedreiging vormt voor vredesprocessen wereldwijd.


mogelijkheid dan ook is geweest voor een volk om en masse (met hun eigen leiders, en niet met de leiders van hun tijdig gevormde staat) in opstand te komen en over de grenzen heen te stromen om een naburig volk te overvallen. De oorlogen van de legers van de Franse Revolutie dienden duidelijk ter verdediging van hun bedreigde vrijheid en bovendien waren ze duidelijk niet gericht tegen andere volkeren, maar tegen de autocratische regeringen die samenwerkten om de Revolutie te verslaan. In de geschiedenis is er geen voorbeeld te vinden van een puur nationale oorlog. Er zijn voorbeelden van nationale verdediging, tegen de ondraaglijkheid van een vijandige inval door naburige tirannen of tegen onderdrukking, zoals bijvoorbeeld in primitieve beschavingen in de Balkan. Oorlog kan echter niet als dusdanig gevoerd worden zonder een netwerk van wedijverende staten, die met elkaar in contact staan via diplomatische kanalen. Oorlog is een functie van het staatssysteem en zou niet zonder dat systeem kunnen plaatsvinden. Tenzij het gaat om een politieke centralisatie van een dynastie of een hervormde afstammeling van een dynastie, kunnen naties, als een organisatie van interne administratie, als een federatie van vrije gemeenschappen of op welke manier dan ook, onmogelijk oorlog tegen elkaar voeren. Ze zouden niet alleen geen reden tot conflict hebben, maar ook onmogelijk alle krachten bijeen kunnen brengen om de oorlog efficiĂŤnt te maken. Er zou misschien allerlei amateuristisch geplunder kunnen zijn, misschien guerilla-expedities van de ene groep tegen de andere, maar er zou niet die verschrikkelijke massale oorlog van de natiestaat kunnen zijn, niet de uitbuiting van de natie voor de belangen van de Staat, niet dat misbruik van het nationale leven, van de nationale middelen, in de waanzinnnige collectieve zelfmoord die moderne oorlog is. Het kan niet al te zeer benadrukt worden dat oorlog een functie van de staat is en niet van een natie, dat het wel degelijk de elementaire functie van de staat is. Oorlog is een erg kunstmatig iets. Het is niet de naĂŻeve, spontane uitbarsting van de bloeddorst van de kudde; het is niet meer primair dan formele godsdienst is. Oorlog kan niet bestaan zonder militaire instellingen, en militaire instellingen kunnen niet bestaan zonder een staatsapparaat. Oorlog heeft een onheuglijke traditie en erfelijkheid enkel en alleen omdat de staat een lange traditie en erfelijkheid heeft. Maar deze twee zijn onlosmakelijk en functioneel met elkaar verbonden. We kunnen geen kruistocht tegen oorlog voeren zonder impliciet ook tegen de staat in te gaan. En we kunnen niet verwachten of ervoor zorgen dat deze oorlog de oorlog is die een einde zal


maken aan oorlog als we er niet tegelijkertijd voor zorgen dat we een einde maken aan de staat in haar traditionele vorm. De staat is niet de natie en de staat kan hervormd en zelfs afgeschaft worden in haar huidige vorm zonder dat de natie hieronder moet lijden. Integendeel zelfs: zonder de dominantie van de staat zullen de echte, levensverbeterende krachten van de natie bevrijd worden. Als oorlog de elementaire functie van de staat is, dan moet de staat een groot deel van haar energie uit de natie zuigen om te voldoen aan haar louter steriele defensieve en offensieve doeleinden. De staat besteedt al haar krachten aan de verspilling of de feitelijke vernietiging van de levenskracht van de natie. Niemand zal ontkennen dat oorlog een veelomvattend complex is van krachten die het leven vernietigen en verlammen. Als oorlog de elementaire functie van de staat is, dan gaat de bezorgdheid hoofdzakelijk uit naar de coördinatie en de verdere ontwikkeling van destructieve krachten en technieken. En dat betekent niet alleen de daadwerkelijke en potentiële vernietiging van de vijand, maar ook van de eigen binnenlandse natie. Het eigenlijke bestaan van een staat in een systeem van staten impliceert immers dat de natie altijd in gevaar van oorlog en invasie verkeert, en het kanaliseren van alle energie in militaire doeleinden verlamt de productieve en levensverbeterende processen van het nationale leven. De hele organisatie van levensbedreigende energie en techniek is geen natuurlijk maar een erg gesofisticeerd proces. Het heeft nooit kunnen bestaan zonder de staat, voornamelijk in moderne naties, maar ook doorheen de hele moderne Europese geschiedenis. Het voldoet aan de voorwaarden van geen enkele andere instelling, het volgt geen enkele religieuze, industriële of politieke belangen. Als de vraag naar militaire organisatie en militaire instellingen niet vanuit het staatsapparaat maar van het grote publiek lijkt te komen, komt die vraag enkel van het deel van het grote publiek dat geobsedeerd is met de staat, de groepen die het ideaal van de staat het meest genegen zijn. En in dit land hebben we maar al te duidelijk gezien hoe machteloos de pacifistisch ingestelde staatsdienaren staan tegenover de obsessie van de staat van de vooraanstaande klassen. Als een machtig deel van de vooraanstaande klassen zich sterker vereenzelvigt met de positie van de staat, dan zullen ze zonder twijfel de regering op tijd en stond naar hun wensen weten te schikken, zich opnieuw weten te positioneren als de belichaming van de staat – hetgeen ze beweren te zijn. In ieder land hebben we groepen gezien die loyaler waren dan hun eigen koning, meer vaderlandslievend dan hun eigen regering: de loyalisten van Ulster in Groot-Brittannië, de Junkers in Pruisen, Action Française in Frankrijk, onze vaandelzwaaiers in Amerika. Deze groepen proberen het roer van de staat in handen te houden


en ze laten de natie nooit al te ver afwijken van het ideaal van de staat. Militarisme symboliseert uitsluitend de verlangens van deze sociale klassen en bevredigt enkel hun instincten. De andere klassen zijn aan hun lot overgelaten en hebben te veel andere behoeften, belangen en ambities om zich in te laten met zulk een duur en destructief spel. Maar de groep die geobsedeerd is door de staat kan ofwel de controle over het staatsapparaat overnemen, ofwel de mensen die de controle hebben zodanig intimideren, dat de andere klassen, die gierig en onwillig zijn, kunnen verplicht worden om mee te gaan in een militair programma, door gebruik te maken van collectieve dwang. Staatsidealisme sijpelt tot in alle lagen van de samenleving door; hoe groter het prestige van deze dominante klasse is, des te meer het groepen en individuen in vervoering brengt. Op die manier is de kudde op één lijn gebracht tussen twee extremen in: aan het ene eind de militaristische patriotten, die qua gedragingen en vijandigheid amper te onderscheiden zijn van de meest reactionaire Bourbons in een keizerrijk, en aan het andere eind de ongeschoolde arbeiders, die totaal niet geïnteresseerd zijn in het staatsapparaat. Maar de staat treedt op als één geheel, en de sociale klasse die de kuiperijen van de regering controleert, kan de kudde als één geheel in actie laten schieten. De kudde is emotioneel gezien eigenlijk geen geheel, maar door een vernuftige mix van vleierij, opschudding en intimidatie wordt de kudde opgepoetst en tot een efficiënt, mechanisch geheel geboetseerd, misschien zelfs tot een spiritueel geheel. Alle mannen wordt tegelijkertijd wijsgemaakt dat ze uit eigen wil tot het militaire establishment toetreden, dat het prachtig is om zichzelf op te offeren voor het welzijn van hun land, en dat ze opgespoord en verschrikkelijk zwaar gestraft zullen worden als ze niet willen toetreden. Uit de meest onbeschrijflijke verwarring van democratische trots en persoonlijke angst onderwerpen ze zich aan de vernietiging van hun welzijn en zelfs hun eigen levens – iets wat hun voorheen zo weerzinwekkend had geleken dat ze het niet geloofd zouden hebben. In dit grote massale raderwerk zijn meningsverschillen als zand in de lagers. Het ideaal van de staat is in de eerste plaats een soort van blinde drijftocht van beesten in de richting van militaire eenheid. Welke oneffenheid in die eenheid dan ook kan de volledige kracht van de impuls vernietigen. Dissidenten worden vlug buiten de wet gesteld en de regering, die gesteund wordt door de vooraanstaande klassen en door al degenen die zichzelf met hun vereenzelvigen, waar ze ook mogen wonen of hoe onbetekenend ze ook mogen zijn, onderneemt actie tegen de ballingen zonder rekening te houden met hun meerwaarde voor de andere nationale instituties,


en zonder rekening te houden met de mogelijke reacties van de publieke opinie op hun vervolging. De kudde wordt opgedeeld tussen de jagers en de prooien, en de hele oorlogsonderneming verandert niet alleen in een technisch spel, maar ook in een sport. We mogen nooit vergeten dat het niet de naties zijn die elkaar de oorlog verklaren, en dat het in de strikte zin niet de naties zijn die elkaar bevechten. Er is veel gezegd over het feit dat moderne oorlogen worden gevochten door hele volkeren en niet door dynastieÍn. De gehele natie wordt gedisciplineerd en alle nationale middelen voorhanden gaan volledig op in de oorlog, maar dat betekent niet dat het het land an sich is dat aan het vechten is. Het is het land dat zich georganiseerd heeft als staat dat aan vechten is, en enkel als staat kan het vechten. Het zijn dus letterlijk de staten die oorlog tegen elkaar voeren en niet de volkeren. Regeringen zijn de agenten van de staten en door de oorlog aan elkaar te verklaren, handelen ze in de beste belangen van het grote ideaal van de staat dat ze vertegenwoordigen. In de moderne geschiedenis is er geen enkel voorbeeld te vinden van een volksraadpleging voor de aanvang van een oorlog. De huidige vraag naar ''democratische controle'' van de buitenlandpolitiek toont aan hoezeer buitenlandpolitiek altijd de meest heimelijke privÊ-aangelegenheid van de uitvoerende tak van de regering is geweest, zelfs in de meest democratische moderne natie. Hoezeer parlementen en congressen ook representatief kunnen zijn voor het gehele volk als het om de interne administratie van de politieke aangelegenheden van een land gaat, in het geval van buitenlandse betrekkingen is het nooit mogelijk geweest om iets anders te beweren dan dat het volk een louter decoratieve functie had en de wil van de uitvoerende macht moest bekrachtigen. De technische details die parlementen en congressen moeten doorlopen om de oorlogstoestand uit te roepen zijn slechts een formaliteit. Vooraleer de oorlog kan verklaard worden, zal het land eerst op de rand van oorlog gebracht moeten worden door de buitenlandpolitiek van de uitvoerende macht. Met iedere stap zal het argeloze land verder in de neerwaartse spiraal van de oorlogsactie terechtkomen, de ene stap al fataler dan de vorige, en iedere beslissing zal genomen worden zonder dat het volk geraadpleegd wordt of zijn gevoelens kan uitdrukken. Wanneer de uitvoerende macht uiteindelijk de oorlog wil verklaren, zal het parlement of het congres dit niet kunnen weigeren – tenzij ze de volledige loop van de geschiedenis overhoop willen halen, tenzij ze verloochenen wat de andere staten zien als hun symbolische vertegenwoordiging van de wil en de strijdlust van de natie. Door op zulk een moment de uitvoerende kracht te verloochenen, zou men de hele wereld laten zien dat het land


openlijk is bedrogen door de eigen regering, dat het land door een haast misdadige nonchalance van de eigen regering zich zou hebben laten compromitteren met gigantische nationale ondernemingen waarin het geen enkel belang had. In zulk een crisis zal zelfs het parlement met veel plezier de buitenlandpolitiek ondersteunen die het nog minder begrijpt dan wanneer het de moeite had genomen om het te begrijpen, en het zal bijna unaniem voor een onberekenbare oorlog stemmen waarin de natie goed en wel in het verderf gestort kan worden – zelfs in de meeste democratische staten, waar het parlement de gewone man vertegenwoordigt en niet de vooraanstaande klassen die het ideaal van de staat zo sterk genegen zijn. Dat is de reden waarom zelfs de meest bedachtzame democraten het idee van het referendum, waarvoor sommigen pleitten als een test van het Amerikaanse oorlogssentiment, afdeden als behoorlijk ongepast. De teerling was geworpen. De grillen van het volk kunnen de majestueuze mars van het staatsbeleid op diens nieuwe kruistocht voor wereldvrede enkel maar ontsporen en kolossaal verknoeien. Het onweerstaanbare ideaal van de staat is in het gestel van het volk gekropen. Terwijl het tot op heden bewonderenswaardig is geweest om neutraal te blijven in woord en daad omdat de buitenlandpolitiek van de staat dat zo vereiste, is het voortaan verschrikkelijk misdadig om neutraal te blijven. Het Middenwesten, dat zo loom en pacifistisch is geweest in onze neutrale dagen, is in enkele maanden tijd net zo loom en oorlogszuchtig geworden, en hun jacht op heksen en de geur van de interne vijanden kent zijn gelijke niet in dit land. De kuddegeest volgde trouw de staatsgeest en vermits de mobilisatie voor een referendum al snel vergeten was, kwam het land tot de universele conclusie dat de natie de hele affaire op de meest plechtige en universele manier goed had doordacht en aangepakt, aangezien het congres de oorlogstoestand formeel al had uitgeroepen. De onderdrukking van minderheden werd goedgepraat door te betogen dat die groepen de rationeel opgebouwde en plechtig verklaarde wil van de meerderheid van de natie koppig bleven tegenwerken. De contractie van opinies in de kudde, die onvermijdelijk werd toen de staat oorlogstaal begon te hanteren, werd geïnterpreteerd als een populaire beslissing nog voor de oorlog begonnen was, en onwil om te buigen naar de wil van de kudde werd beschouwd als een monsterlijk asociaal iets. Zodoende had de staat, die een felle tegenstander was van het referendumidee en hardnekkig en, uiteraard, succesvol bleef vasthouden aan haar autocratische en absolute controle over het buitenlandbeleid, het genoegen om het land binnen enkele maanden te zien worden overgegeven aan een illusie met terugwerkende kracht, alsof een referendum wel degelijk had plaatsgevonden. Zodra een land deze aanpak van de staat


overneemt, verdwijnt de geschiedenis ervan; het legitimiseert zichzelf alsof het land het zo heeft gewild, niet dat het het hele beleid en de oorlogstechniek gewoon heeft aanvaard. De vooraanstaande klassen en hun aanhangsels vereenzelvigen zich met de staat, zodat de meerderheid het voorstelt alsof hetgene wat de staat heeft gewild, via de tussenkomst van de regering, ook is wat zij heeft gewild. Dit alles bewijst dat de staat alle autocratische, arbitraire, repressieve en oorlogszuchtige krachten binnen een sociale groep vertegenwoordigt. Het is een soort van web dat alles omvat wat tegennatuurlijk is voor de moderne, vrije, creatieve geest: levenslust, vrijheid en het streven naar geluk. Oorlog houdt de staat gezond. Enkel wanneer de staat oorlog voert, heerst er eenheid in de stemming van de moderne maatschappij, enkel dan is er kritiekloze vaderlandslievende toewijding, samenwerking over alle lagen heen, en dit is altijd het ideaal van de liefhebber van de staat geweest. Door de verwoestingen die het democratische gedachtegoed aangericht hebben, kan de moderne republiek echter geen oorlog meer voeren op basis van oude ideeĂŤn: autocratie en levensbedreigende oorlogslust. Als een succesvolle eensgezindheid nodig is voor een renaissance van de idealen van de staat, kunnen die enkel terugkeren onder democratische vorm, onder de vorm van terugwerkende animositeit voor democratische controle van het buitenlandbeleid, als democratisch verlangen naar oorlog, en belangrijker nog als de vereenzelviging van democratie met de staat. Hoezeer de oude staatsvorm in onbruik geraakt is, wordt echter bepaald door de wetten tegen muiterij en door de onveranderde houding van de regering in het buitenlandbeleid. Een van de eerste eisen van de meer vooruitdenkende democraten in de geallieerde democratieĂŤn was de oproep om geheime diplomatie te laten varen. Men dacht dat de oorlog mogelijk was gemaakt door een web van geheime afspraken tussen staten, bondgenootschappen die werden gesloten tussen regeringen onderling, zonder een zweem van steun of zelfs het medeweten van het volk, met vage, halvelings begrepen toezeggingen die nooit als verdrag of overeenkomst konden beschouwd worden, maar die wel sluitend bleken te zijn. Die democratische wijsgeren dachten bij zichzelf dat oorlog zeker vermeden kon worden als dit giftige ondergrondse netwerk van geheime diplomatie, dit systeem waardoor de kracht, rijkdom en manhaftigheid van een natie afgeschreven mag worden als een cadeau blanco cheque die een geallieerde natie mag innen zodra een nieuwe crisis opdoemt, vernietigd wordt. Overeenkomsten die de levens van hele volkeren op het spel kunnen zetten, mogen niet door regeringen gemaakt worden, maar door de volkeren zelf, of toch tenminste door hun vertegenwoordigers die in volledige openheid


werken en kritiek kunnen aanvaarden. Zulk een eis voor ''democratische controle van het buitenlandbeleid'' leek vanzelfsprekend. Zelfs toen het land door een heimelijk beleid in oorlog was gestort, dat pas publiek werd gemaakt toen het al van kracht was, had men de indruk dat de aanpak van de Amerikaanse staat in zijn buitenlandbeleid slechts een relikwie was van de slechte oude tijd en dat die vervangen moest worden in de nieuwe maatschappij. De Amerikaanse President, 's werelds liberale hoop, pleitte in hoogsteigen persoon, althans in de ogen van de wereld, voor open diplomatie, overeenkomsten die vrij en open bekomen worden. Betekende dit dat er een onvervalste machtsoverdracht zou komen in de meest cruciale afdeling van het staatsapparaat van de regering naar het volk? Helemaal niet. Toen de kwestie recent ter discussie werd gebracht in het Congres, toen de gevolgen van open discussie ietwat specifieker werden bestudeerd en de wenselijkheid ervan openlijk werd aanbevolen, liet de President in niet mis te verstane bewoordingen zijn afkeuring blijken. Niemand heeft President Wilson ooit beschuldigd geen staatsidealist te zijn, en telkens wanneer democratische aspiraties de idealen te ver uit de omloopbaan van de staat slingerden, kon men steeds op hem rekenen voor fors weerwerk. Hier diende zich een duidelijk conflict aan tussen democratisch idealisme en het grote pijnpunt van het concept van de staat. Hoe ondoordachtzaam hij zich ook opgesteld mag hebben door open diplomatie aan te moedigen in zijn liberaliseringsplan, hij verraadde het idee toen hem duidelijk werd gemaakt wat de gevolgen waren, en bewees dat het slechts een middel was om de verlossersrol van Amerika in zijn hoofd te benadrukken. Hij had een echt open diplomatie nooit beschouwd als een serieuze, praktische mogelijkheid. En waarom zou hij? Het laatste bolwerk van de macht van de staat is immers het buitenlandbeleid. In het buitenlandbeleid handelt de staat op de meest geconcentreerde wijze als een georganiseerde kudde, met het volste besef van zijn agressieve macht, met de grootste willekeur. In het buitenlandbeleid kan de staat het meest zichzelf zijn. Van staten kan gezegd worden dat ze in een voortdurende staat van latente oorlog met betrekking tot elkaar verkeren. De term ''gewapende wapenstilstand'' was ons zo bekend voor 1914 en was een accurate beschrijving van de normale betrekkingen tussen staten wanneer ze geen oorlog voerden. Het is inderdaad niet overdreven om te stellen dat de normale betrekkingen tussen staten oorlog is. Diplomatie is vermomde oorlog waarin staten voordeel proberen te halen door te onderhandelen en intriges op te zetten, en via allerlei truken proberen te verkrijgen waarvoor oorlog een al te onhandige manier zou zijn. Diplomatie wordt gebruikt wanneer staten weer op verhaal komen na een conflict waarin ze al hun krachten hebben


opgebruikt. Het is een spel van vermoeide pestkoppen die elkaar opvleien en onderhandelen terwijl ze weer rechtkrabbelen en langzaam hun krachten verzamelen om opnieuw te beginnen vechten. Als diplomatie een moreel equivalent van oorlog was, een hogere fase in de menselijke vooruitgang, van onschatbare waarde om woorden in plaats van daden te laten spreken, dan was militarisme al vernietigd en vervangen. Maar aangezien het gewoonweg een tijdelijke vervanging is, oorlogsenergie in een andere verpakking, is een surrogaateffect bijna volledig in proportie met de militaire sterkste die erachter zit. Wanneer de diplomatie faalt, wordt de toevlucht meteen gezocht in de militaire technieken die altijd in de schaduw hebben gestaan. Een diplomatie die de democratische krachten van het volk in hun niet-staatgebonden vorm vertegenwoordigt, is helemaal geen diplomatie. Dat zou niet meer steek houden dan de Spoorwegen- of Onderwijscommissie die van het ene naar het andere land gestuurd worden om rationele, constructieve gesprekken te voeren. De staat, die als een diplomatisch-militair ideaalbeeld handelt, voert eeuwig oorlog en moet in vredestijd in eenheid optreden, net zoals het in oorlogstijd arbitrair en autocratisch te werk moet gaan. Eengemaakte controle betekent noodzakelijkerwijs autocratische controle. Democratische controle van het buitenlandbeleid is bijgevolg een contradictio in terminis. Open discussie doet de mogelijkheid voor snelle en stellige actie teniet. Het verlamt de giganteske staat. President Wilson kan blijven vasthouden aan zijn ideaalbeeld van de staat en tegelijkertijd de wens uitdrukken om oorlog overbodig te maken. Hij wilt dat het een veilige wereld voor democratie en voor diplomatie is. Wanneer die twee met elkaar in conflict komen, zegt zijn heldere politieke inzicht en zijn staatsidealisme hem dat men de naïevere democratische waarden moet oppofferen. De wereld moet in de eerste plaats veilig gemaakt worden voor diplomatie. De invloed van de staat mag niet verkleinen. Wat is de staat eigenlijk? Hoe dieper onze analyse gaat, des te mystieker en persoonlijker het wordt. De natie kunnen we vrij accuraat omschrijven als een specifieke sociale groep met bepaalde gewoontes en kwaliteiten die duidelijk genoeg zijn om betekenisvol te zijn. Het bestuur kunnen we beschouwen als een zekere organisatie met machthebbende functies, de machine van wetgeving en wethandhaving. De regering is een herkenbare groep van politieke functionarissen die de tijdelijke leiding hebben over het bestuur. De staat daarentegen is de ruggengraat van dit alles, eeuwigdurend, geheiligd, het lijkt leven in het bestuur en de regering te blazen. Zelfs de natie – of toch alleszins de vooraanstaande klassen ervan – denkt dat het haar


macht en doelstellingen uit het ideaal van de staat haalt, zeker in oorlogstijd. Tussen de natie en de staat wordt amper een onderscheid gemaakt en de concrete, praktische, ogenschijnlijke feiten gaan volledig op in symboliek. We vereren de vlag, niet ons land. Hoe streng we ons land ook kunnen bekritiseren, oneerbiedig zijn tegenover de vlag is altijd veel gevaarlijker. Niet het ideaal van of de vrome hoop op een vrij en verlicht Amerika doet de harten van de natie sneller slaan, maar de vlag en het uniform. Het affectieve verband is uiteraard niet hetzelfde omdat de vlag het symbool van de natie is, wat betekent dat we de natie eerbied betonen wanneer we de Amerikaanse vlag eerbied betonen. De vlag is immers niet het symbool van een land als culturele groep dat bepaalde levensidealen volgt, maar uitsluitend het symbool van de politieke staat, onlosmakelijk verbonden met prestige en expansie. De vlag is het nauwst verbonden met militair succes, militaire herinneringen. Het symboliseert het land niet in al zijn intensiteit, maar als een verafgelegen uitdaging voor de hele wereld. De vlag is in de eerste plaats de oorlogsbanier; het is verbonden met het volkslied en de nationale feestdag. Het roept oude militaire herinneringen op. Vaderlandse geschiedenis is enkel en alleen een oorlogsgeschiedenis, dat wil zeggen de roemrijke geschiedenis van de gezond functionerende staat. Wanneer we bijgevolg de roep van de vlag volgen, volgen we de roep van de staat, het symbool van de kudde die georganiseerd is als een offensief en defensief lichaam en die bewust is van zijn moed en mystieke krachten. De overheidsfunctionarissen in de huidige regering, die de autocratische controle over meningsuiting hebben, voelen dit onderscheid aan, hoewel ze er amper over kunnen filosoferen. Men heeft vol overtuiging verklaard dat de verschrikkelijke straffen tegen opruiende taal en afwijkende meningen geen legitieme kritiek (dat wil zeggen partijkritiek) op het bestuur in de weg hoeven te staan. Men maakt daarbij een onderscheid tussen de regering en het bestuur. Dit discours is een duidelijke aanwijzing dat de regering een tijdelijke bende partijgebonden politici zijn die de leiding hebben over de bestuursmechanismen en de mystieke beleidsplannen van de staat uitvoeren. De manier waarop ze die mechanismen laten werken, mogen hun politieke tegenstanders vrij bespreken en bekritiseren. De bestuursmechanismen mogen, wanneer nodig, ook op legitieme wijze worden veranderd. Wat niet besproken of bekritiseerd mag worden, is het eigenlijke mystieke beleid of de beweegredenen van de staat om zulk een beleid in te voeren. Het klopt dat de president soms voorrang heeft gegeven aan regeringskandidaten op basis van hun partijgebonden steun voor zijn regering, maar wat hij eigenlijk bedoelde, was steun voor


het beleid van de staat zoals het trouw wordt uitgevoerd door de regering. Bepaalde regeringsmaatregelen werden specifiek genomen om de staat gezond te houden, zoals de wet op

dienstplicht

en

de

spionagewetten.

Andere

waren

eerder

gericht

op

de

bestuursmechanismen. Verzet tegen die wetten was verzet tegen de staat en was bijgevolg niet aanvaardbaar. Verzet tegen die andere maatregelen was verzet tegen de feilbaarheid van het menselijke inschattingsvermogen en hoewel dat laakbaar was, moest het derhalve niet noodzakelijk leiden tot politieke zelfmoord. Het onderscheid tussen het bestuur en de staat is echter onderbelicht gebleven. In oorlogstijd spreekt het vanzelf dat het bestuur, het hoofdkwartier van het gezag, verward wordt met de staat, de mystieke bron van gezag. Het is moeilijk om een mystiek idee als de staat schade te berokkenen, maar de bestuursprocedures kunnen gemakkelijk belemmerd worden. Daarom zijn de twee voor het grote publiek zo verwant aan elkaar, en ieder uiting van misprijzen of vorm van oppositie tegen de bestuursmechanismen wordt beschouwd als heiligschennis van de staat. De indruk onstaat dat een aanval op het trouwe surrogaat van de staat een aanval op de staat zelf is, en de publieke emoties lopen hoog op om de staat te beschermen. Het maakt zelfs elke vorm van kritiek op het bestuur een misdrijf. Een mooi voorbeeld van de innige band tussen militarisme en de staat zijn de wetten die de belemmering van de werking van het leger en de marine een van de zwaarste misdrijven maken. Praktisch gezien wordt een daad van antikapitalistische sabotage of een staking in de oorlogsindustrie dan plots veel gevaarlijker voor het succesvolle verloop van de oorlog dan een geĂŻsoleerd geval waarbij een individu tevergeefs probeert de recruteringscampagnes van het leger te verstoren. Maar volgens de traditie van het ideaal van de staat wordt zulk een ongeoorloofde industriĂŤle inmenging in het nationale beleid niet gezien als een misdrijf tegen de staat. Er kan enige ontevredenheid over zijn en het kan rationeel gezien als een zeer ernstige belemmering beschouwd worden, maar het gaat ongemerkt voorbij in de obscure kronkels van de kuddegeest, die de aard van misdrijven en hun gepaste straffen vastlegt. Het leger en de marine daarentegen zijn de wapens van de staat, de bron van al diens vitaliteit. Door hen te verlammen wordt de staat zelf aangetast. De grootsheid van de staat is zo heilig dat zelfs maar een poging om de staat te verlammen een even groot misdrijf is als een succesvolle staking. Het volstaat om het te willen. Alhoewel iedere individuele poging om de recruteringscampagne te verstoren volkomen en jammerlijk zal falen, zullen de daders niet gespaard blijven. Laat de toorn


van de staat hen straffen voor hun goddeloosheid! Zelfs als zulke acties niet openlijk worden uitgevoerd en zelfs als iemand bepaalde bewoordingen gebruikt die toevallig op de meest onrechtstreekse manier iemand doen beslissen te verzaken aan de dienstplicht, dan nog is die persoon schuldig. De hoeders van de staat hoeven niet te weten of er een of ander praktisch gevolg was aan deze kwade wil of plannen. Het volstaat dat er een wil is. Vijftien tot twintig jaar cel word niet overdreven geacht voor zulke heiligschennis. Deze discours en wetten, die een belediging zijn voor ieder principe van de menselijke redelijkheid, zijn noch een ongeluk noch een gevolg van de oorlogshysterie. Alle sociale klassen die zich vereenzelvigen met het ideaal van de staat vinden ze rechtvaardig, gepast en knap, en vinden dat ze gewoonweg een bewijs zijn van de gezondheid en de sterkte van de reactie van de staat tegen diens vijanden. Zulke overtuigingen komen onvermijdelijk van de aanbidders van de staat. De Sstaat is immers zowel een persoonlijk als een mystiek symbool, en het kan enkel geanalyseerd worden door de historische achtergrond ervan te op te sporen. De moderne staat is niet het rationele en intelligente product van de verlangens van de moderne mens om in harmonie samen te leven met respect voor elkaars leven, bezittingen en meningen. Het is geen organisatie die uitgedacht werd als praktisch middel voor een gewenst sociaal doel. Al het idealisme waarmee men ons geleerd heeft de staat te begiftigen is achteraf de vrucht van onze verbeelding gebleken. Wat het voor ons betekent in termen van veiligheid en welzijn, is toevalligerwijs een neveneffect en een ontwikkeling van de originele functies, niet omdat op een of ander moment bepaalde personen of klassen al hun inzicht en intellect aanwendden om dat resultaat te verkrijgen. Het is erg belangrijk om af en toe de onverbeterlijke sluier op te lichten over dat terugwerkende idealisme: we houden er een prestigieuze schijn van rationalisme over de werkelijkheid mee op en in de extase van maatschappelijke verwaandheid doen we alsof wij persoonlijk de grijze instituties die we rondom ons zien zelf hebben uitgevonden en opgebouwd ter meerdere eer van God en de mensheid. De dingen zijn zoals ze zijn en gebeuren nooit zonder de nodige fouten en kwaadwilligheid. Politieke filosofie kan ons verheugen met allerlei droombeelden en kan ons ervan overtuigen dat het leven dat we leiden eigenlijk best een goede kopie is – uiteraard vol fouten, maar toch min of meer degelijk en eerlijk – van de ideale maatschappij waarvan we denken dat we ze aan het bouwen zijn. De volgende stap is dan de stilzwijgende veronderstelling dat we op de een of andere manier een belangrijke rol hebben gespeeld in de


creatie ervan en dat we verantwoordelijk zijn voor de handhaving en onschendbaarheid ervan. Niets is echter minder vanzelfsprekend dan het feit dat iedereen toetreedt tot de maatschappij als iets waarop we niet de minste invloed hebben gehad. We hebben zelfs niet het voordeel dat die kleine ongeboren zieltjes in L'Oiseau Bleu 7 hebben: een bewustzijn te hebben voordat we onze levensloop op aarde beginnen. Tegen de tijd dat we hier geraakt zijn, zitten we al verstrikt in een web van gewoontes en gebruiken en zijn onze verlangens en belangen al grosso modo voor ons uitgetekend. Tegen de tijd dat we de voogdij zijn voorbijgegroeid en we de jaren van verstand hebben bereikt, zodat het niet meer ondenkbaar is dat we onze invloed kunnen gebruiken om sociale instellingen te hervormen, zijn de meesten onder ons al dusdanig gekneed door de maatschappij en de sociale klasse waarin we leven, dat we ons nog amper bewust zijn van ieder onderscheid tussen onszelf als individuen met meningen en verlangens, en onze sociale omgeving. We zijn zo succesvol gekneed dat we akkoord gaan met alles waarmee onze maatschappij akkoord gaat, dat we alles verlangen wat onze maatschappij verlangt, en daar voegen we nog onze eigen hartstochtelijke aversie tegen veranderingen aan toe, aversie tegen alles wat redelijk, avontuurlijk en mooi is. Eenieder van ons wordt zonder uitzondering geboren in een reeds bestaande maatschappij, net zoals de fauna en flora in een reeds bestaand milieu. Voor ieder individu die tot de maatschappij toetreedt, zijn de sociale instellingen net zozeer natuurlijke fenomenen als het weer. Er is bijgevolg niet meer natuurlijke heiligheid in de staat dan in het weer. We kunnen ervoor knielen, net zoals onze voorouders voor de zon en de maan knielden, maar de enige reden daarvoor is het onveranderlijke in ons dat genoegen schept in zulke gewoontes, niet omdat de institutie die we aanbidden iets essentieel eerbiedwaardigs heeft. Zodra de staat is beginnen werken en een grote sociale klasse haar belangen en machtsbetuigingen veilig ziet in de staat, zal deze heersende klasse gehoorzaamheid afdwingen van iedere onge誰nteresseerde minderheid. Een bepaalde klasse kan zo haar macht doen gelden over de hele kudde via bemiddeling van de staat. De heersende klasse leert om het ontzag dat van de staat uitgaat voor haar eigen profijt te gebruiken, ten nadele van de meerderheid, en om het in een algemene weerstand tegen iedere aanval op haar privileges te doen veranderen. De heiligheid van de staat en de heiligheid van de heersende klasse worden aan elkaar verbonden, en men laat die laatste aan de macht blijven, omdat we onder de indruk verkeren dat we hen maar moeten gehoorzamen als we een dienst willen bewijzen aan de maatschappij, de natie, de grote gemeenschap van ons allemaal. 7 Een theaterstuk van Maurice Maeterlinck uit 1908.

Oorlog houdt de staat gezond  

Dutch translation of 'War is the health of the state' by Randolph Bourne (1918)

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you