__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

S LANG

Uifsf(t!b!ofx!tmboh!jo!upxo

VOLUME 5, 2012 LIT, MAGAZINE


SLANG Magazine ISSN 2213-0411


Wat is SLANG in hemelsnaam?

SLANG IS EEN JONG PLATFORM WAAR LITERATUUR, ACTUALITEIT EN VORM ELKAAR ONTMOETEN. SLANG HEROPENT - SAMEN MET U LITERATUUR, IN WOORD & IN BEELD.

SLANG MAGAZINE

Tijdschrift

SLANG BYTES

Website

SLANG FRAMES

Video

SLANG on STAGE Podium

Dompel je onder in een mix van

Dompel je onder in een mix van

Dompel je onder in een mix van

Dompel je onder in een mix van

print, beleving en experiment.

internet, interactie en dynamiek.

film, geluid en creativiteit.

sprekers, discussie en sfeer.

-3


BA KA IN HO U D

CO LU M N

ES SA Y DI AL OO G

-2

Editorial

Saskia Buddelmeijer

Lady B

Guido van Eijck

I

Dane Zajc's Danse Macabre Urška Orešnik

De pornoficatie van Joegoslavië Sven Peeters Voor de natie of de federatie? Arja van den Bergh

6

Een volstrekt willekeurig gesprek Claudia Zeller

25


AL AN I NT ERV IE W PR OZ A

AG EN D A

naakte vrouwen op je dak Robert Steltenpool & Twan Zegers

2

BA LK AN IN

schilderij Friso van Endt

Illustratie Serge Baeken

FOto-illustratie Rik Wulaert

FOto & schilderij Roel Vlemmings

fotografie Eli Vandecasteele cartoon Ester Vanhoutte

4

BEELD

(DADAÏSME) VANUIT EEN DADA-ARTIEST Noor Kuijpers Zvjezdan Willem Slofstra

Internationale betrekkingen Twan Zegers

5

30

PO ËZ IE

PA ST IC HE

Mea România Andrei Patru

-- E-mail Mea România D Perie

Coitus Amor Mirza Dolic

14

Walter's Awkward Encounter Daniel JV

22

-1


Šlang

-

l

CO LO FO N

Onder leiding van:

Saskia Buddelmeijer, Lisa de Grunt

Secretaris:

Jan de Graaf, Noor Kuijpers, Zadok Samson, Robert Steltenpool, Ellen Swart, Claudia Zeller

Ellen Swart

Vormgeving:

Lisa de Grunt

Webdesign:

Twann Zegers, Fen Hiah

Audiovisueel:

Penningmeester: Eindredactie:

PR/promotie:

Nadja Krüger, Twan Zegers, Claudia Zeller

Coverfoto:

Eli Vandecasteele

0

Redactie:

Stephanie Delbecque Stephan de Wolf Jelle Stroo

Met dank aan:

SLAA, CREA, ASVA, Alpha, FSR, Dutch Quality Printing, Folia, Lloyd Hotel & Culturele Ambassade, Julie & Shelley, het SLANG-team

-1


EDI TO RI AL

{Saskia Buddelmeijer}

SLANG #5

g

Hoe het Balkanthema van deze SLANG-editie er kwam, weet niemand precies. Wel stelde de redactie toen het er eenmaal was een aantal voorwaarden vast: allereerst mocht het niet te hip worden, daarnaast dienden clichés over wodka en kalasjnikovs te worden vermeden, en er moest plaats zijn voor literatuur uit de Balkan. De oplettende lezer zal zien dat niet alle teksten gaan over of afkomstig zijn uit gebieden die strikt geografisch gezien onder de definitie van 'Balkan' vallen, maar gezien de geschiedenis die de verschillende landen met elkaar delen, lijkt ons dit gerechtvaardigd. Bovendien heeft de redactie vooral met het oog op kwaliteit geselecteerd.

CO LU M N

g Nederlanders en een Vlaming lieten voor deze SLANG hun licht schijnen over de Balkan. Jaap Scholten vertelt in een interview hoe de emigratie naar Hongarije zijn schrijven heeft veranderd. Guido van Eijck doet in zijn column ‘Lady B’ verslag van een bezoek aan een kapperszaak in Mitrovica, een stad in het noorden van Kosovo, die voor de helft door Serviërs en in de andere helft door Albanezen bewoond wordt. In ‘De pornoficatie van Joegoslavië’ schrijft Balkanblogger Sven Peeters uitermate kritisch over de manier waarop de drie generaties Cremer over hun avonturen berichten. Maar er is in SLANG #5 ook plaats voor autochtone literatuur: de Sloveense literatuurwetenschapper Urška Orešnik laat ons kennis maken met het existentialisme van Dane Zajc, Andrei Patru schreef een tweetalig gedicht over ‘zijn’ Roemenië en Mirza Dolic maakte ‘Coitus Amor’. De verscheidenheid aan beeldende bijdrages - van fotografie tot schilderij en cartoon - zorgen er tot slot voor dat tekst en beeld elkaar aanvullen, afwisselen en SLANG #5 als boeiend geheel wordt neergezet. g Wil je meer lezen van SLANG? Neem dan een abonnement: voor €20 per jaar krijg je elk editie van SLANG Magazine in je brievenbus. Je kunt ons bereiken via info@slangbytes.nl en op www.slangbytes.nl

1


INT ERV IE W

NAAKTE VROUWEN OP JE DAK

{Rob Steltenpool en Twan Zegers}

Ik houd niet van interviewers zoals die in Nederland populair zijn: het soort dat zijn onderwerp vijandig en agressief ondervraagt. Als ik zelf een vraaggesprek houd, laat ik liever degene met wie ik praat aan het woord. Dat vind ik niet alleen eerbiediger, ik denk ook dat het beter werkt. Neem nu Kameraad Baron. Voor dat boek heb ik slachtoffers geïnterviewd van de Roemeense communisten, die, nadat ze van de Russen de macht in de schoot geworpen kregen, de etnisch Hongaarse aristocratie van Transsylvanië zo’n beetje alles ontnamen wat ze bezat. Over zulke ontberingen praten mensen niet graag met je als ze je niet vertrouwen. Sommige recensenten vonden dat ik het degenen met wie ik sprak voor Kameraad Baron te makkelijk maakte. Ik denk dat die kritiek gebaseerd is op een clichématig en onjuist beeld van de adel: men is geneigd die te zien zoals ze in de communistische propaganda werd voorgesteld, als een stel uitzuigers van de boeren die op hun land werkten. Mijn criticasters vinden het bezwaarlijk om mee te moeten leven met zulke ‘onderdrukkers’. Maar de Transsylvaanse aristocratie was zo

2

slecht niet: veel van haar leden probeerden de ideeën van de Verlichting in de praktijk te brengen. Ze deden hun best; voor zichzelf, maar ook voor de boeren. De lui die nu de macht hebben in Hongarije en Roemenië zijn een stuk minder bezorgd om het welzijn van het volk. Hoewel Hongarije een indrukwekkende geschiedenis heeft waar de Hongaren graag op terugkijken, is het momenteel een land zonder traditie. Met ‘traditie’ bedoel ik: overdracht van cultuur, van beschavingsnormen. Dat komt doordat de aristocratie en de burgerij, de twee klassen die in landen als Nederland zulke normen dragen, er in de loop van de twintigste eeuw min of meer zijn vernietigd. Eerst kregen ze de voor Hongarije rampzalige nasleep van de Eerste Wereldoorlog te verduren; niet lang daarna brak de Tweede Wereldoorlog uit, die de vernietiging van de Joodse burgerij met zich meebracht; de genadeklap waren de veertig jaren van communistische tirannie, waarin iedereen vervolgd werd die onafhankelijk dacht of een tegenkracht vormde. Wie wil begrijpen hoe fijnmazig de vernietiging van de beschaving onder de communis-


JAAP SCHOLTEN

Foto: Keke Keukelaar

ten was, moet De witte koning van György Dragomán las ik Céline, Flaubert en Kerouac; ik wilde een – eigenlijk de enige Hongaarse schrijver met wie meeslepend leven, geen burgerlijk bestaan. Door ik bevriend ben, trouwens – lezen. De witte koning mijn verblijf hier zijn mijn denkbeelden daarover gaat over een jongetje waarvan de vader door de wat veranderd. Securitate, de Roemeense geheime politie, afOok over de Hongaarse vrouwen oordeel gevoerd wordt. De lokale partijbaas chanteert de ik nu minder hard: toen ik hier net kwam begreep moeder van het jongetje vervolgens, en dwingt ik niet waarom ze zich vóór het huwelijk alleen lehaar om hem seksuele diensten te verlenen. Het ken te kunnen kleden als snollen en daarna alis niet vreemd dat onder een volk dat zulke dinleen als tuthola’s; ik miste de eigenzinnigheid van gen heeft meegemaakt wantrouwen heerst en pesde meisjes die ik in Amsterdam had zien fietsen. simisme over de toekomst. Nu snap ik meer wat de vrouwen in Hongarije beIk kwam naar Hongarije voor het avonweegt. Als mij door mijn geschiedenis en die van tuur, maar ik ben hier de voorspelbaarheid van mijn ouders en grootouders was gebleken dat ik het leven in Nederland meer gaan waarderen. niet zeker kon weten dat ik morgen nog zou hebToegegeven, ik word nog steeds een beetje mies ben wat ik vandaag had, zou ik misschien ook een van het feit dat in Holland zelfs de ongebruikte sterke man willen behagen die me kon beschergrond in een klaverblad nog een partijtje bomen men. Zelfs de dreigende houding van de nieuwe of een vijvertje toebedeeld krijgt, en ik moet berijken hier kan ik in dat licht misschien nog wel kennen dat de perfectie van het voegwerk in Nebegrijpen, ook al houd ik niet van Mercedessen derlandse geveltjes me op de een of andere mamet geblindeerde ruiten die me afsnijden. nier aan crematoria doet denken. Maar hoewel De Hongaren die ik hun eigenaardighede hekloosheid van het Hongaarse platteland me den niet kan vergeven, zijn de architecten. Het is lucht geeft en het bevrijdend is dat niet elke centiongelooflijk wat voor Dubai-achtige wanstaltighemeter natuur hier door den zij laten optrekken. een commissie ontworToen ik hier in Boeda"Als je het verhaal optekent van een ander, pen is, snap ik nu beter pest een huis wilde verde Hongaren die me bouwen, nam ik contact moet je daarbij eerbied betrachten." aankijken alsof ik gek op met een architect ben wanneer ik ze vertel die ook hoogleraar is. dat ik liever in hun land woon dan in mijn paraApetrots liet hij mij zijn ontwerpen zien. Op elke dijselijke vaderland. tekening stonden naakte vrouwen; op de muren Ik deel nu bijvoorbeeld de bewondering van iedere kamer en zelfs op het dak en de voordie veel Hongaren voelen voor Sándor Márai. Ik raadkast waren ze afgebeeld. En deze man was dus vind hem zo'n goede schrijver omdat hij iets deed hoogleraar! wat eigenlijk voor een schrijver helemaal niet cool Ik heb dan ook – met hulp van vele anis: hij brak een lans voor de saaie, redelijke deugderen – zelf mijn huis op het land ontworpen en den van de bourgeoisie (bijvoorbeeld in Bekengebouwd. Dat heb ik heel geleidelijk gedaan: een tenissen van een burger). Toen ik nog studeerde beetje als een eekhoorn hamsterde ik materialen

3


en daar vervaardigde ik langzaam dat gebouw mee. dat Esterházy zijn vader zo verraadt, alleen maar Eigenlijk schrijf ik ook zo. Ik onthoud de dinom meer boeken te verkopen. Als je het verhaal gen die ik zie, ik neem de taal van de mensen om van anderen optekent, moet je daarbij eerbied me heen in mij op en ik luister naar de verhabetrachten. Dat is wat ik probeer. len die anderen mij vertellen. Wat ik verzameld heb gebruik ik dan om er mijn eigen verhaal mee te maken. Dat ik zo schrijf betekent dat de ervaringen van anderen in mijn boeken terechtkomen; mijn werk is niet alleen autobiografisch, zoals dat van elke auteur, maar beschrijft ook de levens van anderen. Ik vind dat ik daarmee ook een zekere verantwoordelijkheid jegens die anderen op me neem. Péter Esterházy heeft over zijn familie een boek geschreven dat Harmonia Caelestis heet; daarbij heeft hij een toevoeging geschreven. Die is intens leugenachtig en pretentieus. Hij onthult erin dat zijn vader een avó-verklikker was. Van verschillende kanten heb ik gehoord dat het een publiek geheim is geweest dat Esterházy's vader gedwongen was te klikken, zoals zovelen; bovendien hoorde ik dat hij geen gevaarlijke verklikker is geweest. Ik vind het fout Schilderij: Friso van Endt

BALKAN IN BEELD

4


PR OZ A

(DADAÏSME)VANUIT EEN DADA-ARTIEST {Noor Kuijpers}

Marcel Janko Le Poilu 1924

Mijn vrienden zijn net als ik. Allemaal nog vol kinderlijke dromen over de talenten die we bezitten, maar ook realistischer dan een kind is – we hebben al wat meegemaakt. Wij zijn een generatie gevangen in de geschiedenis, getekend door wat er gebeurd is. Wij kunnen hier niet weg. Desondanks zijn wij vol gevoel, en sidderen we van geluk. Wij staan aan de vooravond van een geheel nieuwe geschiedenis. Het is een heen-en-weer gaan tussen zin en zinsverlies, tussen vrees en hoop, en angst en vrijheid. Het schilderen in vlakken is een manier om mijn leven overzichtelijk te maken en om weerstand te bieden aan het ravijn gevuld met zinloosheid. Men verwacht van mij als kunstenaar dat ik mezelf dat ravijn induw, om de vrijheid te ervaren. De waarheid is dat ook ik bang ben. Misschien wel meer dan de anderen, omdat ik idealen en dromen nastreef. Het leven lijkt zo zinloos – juist omdat ik als enkeling ruimte in de wereld inneem. Er wacht mij, de dadaïst, een droom, en er wordt van mij verwacht dat ik die droom realiseer. Ik ben de representant van de wereld, ik laat als eerste zien wat er speelt. Soms laat ik dat achteraf pas zien, maar dan nog zal het ervaren worden als een openbaring. Zonder mij is de wereld een lege plek.

Dat ik als kunstenaar pas achteraf, veel later, toebehoor aan een stroming, is ironisch; immers stond ik gedurende mijn levenstijd alleen. Schilderen in vlakken is een manier om ook het ravijn te relativeren, en om het als noodzakelijke mogelijkheid te zien – het is de sprong in de vrijheid, die door de enkeling genomen moet worden. En dan is het teleurstellend om uiteindelijk te behoren tot een groep of klasse; omdat dat iedereen ontdoet van het zijn van een enkeling. Toch zal dit niet mijn doodsteek zijn; ik weet uiteindelijk wat ik bewerkstelligd heb. Niet voor de wereld, maar voor mezelf. En dat kan slechts als enkeling bereikt worden. Het is juist het geweld waarmee de wereld en zijn inwoners tegen elkaar opbotsen dat essentieel is voor mijn werk. Ik zie immers in de brokstukken opnieuw mijn vlakken weerspiegeld, en daarmee mezelf, als artiest of albatros, terwijl ik veilig land in de diepte van het ravijn waarin ik mijzelf gestort heb. Dat is de droom en de zin en de hoop en de vrijheid. De realiteit van een beladen geschiedenis mag mij niet beletten me te storten in mijn vlakken, en samen te vallen met mijzelf als mijzelf.

5


ES SA Y

DANE ZAJC’S DANSE MACABRE {Urška Orešnik}

Zajc’s words move along a thin line between life and death, as if they were walking on Al-Araf, the mythical wall separating paradise and hell in the Koran, flirting with both sides at once, and – most importantly – speaking the language of Truth, or, as the poet himself calls it in his poem 'Lump of Ashes': A new language of earth, language that speaks words of clay. Zajc’s works try to show the things that make up the world in their primal form, as they truly are. Like a prophet the poet opens our eyes and lets us re-think the reality of things. Maybe that’s why the performance of Zajc’s play Potohodec (Pathwalker) made such an unforgettable impression on me. The students of the Academy of Radio, Film and Television in Ljubljana made their own interpretation of Zajc's most gloomy, absurd and grotesque play. It’s interesting that there are few – or almost no – references to mythology in Pathwalker (in contrast to his other plays, such as Jagababa (Baba Yaga)). Nor does it contain any of the allusions to animal imagery that abound in his poems. Nonetheless, we can still call Zajc's plays poetic dramas because of the old-fashioned language and neologisms. These

6

plays are very modern but, in the same breath, in dialogue with tradition and mythology; consequently, his work is of a universal character due to its archetypal nature. Nevertheless, it surprised me that even though the mise-en-scène was very modern (there were neon lights on the stage), it still seemed like the play took place somewhere in the Slovenian countryside in the first half of the twentieth century. There are some political references, which may be responsible for this nostalgia I felt – but I don’t think those are the reason for it. The worlds Zajc created are somehow archaic, archetypical and thus universal; they defy time and place. We don’t know exactly where the Pathwalker is supposed to take place, just that there is a cemetery and two rooms and that the Woman’s room has many doors. The names of the characters are descriptive: the Seeker, the Old Lady, the Woman, the Pathwalker, the Eyes of the Law, the Old Man, the Young Couple, the Gravedigger, and so on. The place could be anywhere, the protagonists could be anyone – they could be me, or us; the play could take place today. It is chaotic, refuses to be grasped, and exists on several levels of reality. A total absence of values – that’s why this play is so now.


Let me explain the plot: the Seeker, who is in search of his friend the Pathwalker, and the Pathwalker, who may be in trouble, are the main characters of the play. But it seems that they both represent parts of just one person in search of his identity. And Death is on its way, together with other dead people and a lustful femme fatale – all acting like subjects of a greater organization chiefly interested in tormenting the living and decaying corpses. We will kill all the birds. / All. All, said the ravens in the dark. They want the Pathwalker on their side, but he hid something they aren’t able to find and that can’t be retrieved from his brain. The truth is unreliable in this sadistic world. We cannot define the boundary between the dead and the living – death is the only certain thing – Nothing happens but death. The Seeker, an everyman figure bound up in a metaphysical search for his other self, asks the Old Woman where Pathwalker went, and she answers:

We are all substitutes. Mixed to the uncountable. When, finally, the Pathwalker gives up to death, With yourself you must pay for everything, the Seeker wanders in obscure landscapes, where he’s not understood at all; an image of a poet, giving up, groaning: Is there anyone who understands the language I’m speaking? According to the execution of the play, yes, there are some, and, hopefully, there always will be: they are those who do not let their brains be washed by who-knows-which-kind of regime and who’ll keep on searching, walking the path – sometimes dancing to the rhythm of a rowdy accordion and laughing dark laughs to drown out the fear of that one certain thing.

He never left. He’s always returning. Later we learn that the Seeker never actually met Pathwalker, since he just met him in a dream. He dreamt he was someone else and this someone else dreamt he was the Seeker; like Zhuang Zi and the butterfly. The world of endless insecurity; a dance macabre of man’s darkest dreams and, as the Woman said:

2

7


BALKAN IN BEELD Illustratie: Serge Baeken


PR OZ A

ZVJEZDAN Mijn ouders wonen in Friesland. Het dorp waar zij wonen, Sandfirden, is klein en afgelegen en bevindt zich op een soort schiereiland tussen de Oudegaaster Brekken en een aantal vaarten en meren die leiden naar de Fluessen. Zij zijn hier een jaar of tien geleden naartoe verhuisd, toen ik al uit huis was. Mijn vader is Fries. Ik ben en voel mij Amsterdammer. Maar mijn vader wilde terug naar waar hij vandaan kwam. In Sandfirden zijn mijn ouders bevriend geraakt met een Bosniër. Hij heet Zvjezdan en woont daar met zijn vrouw Džejla. Hoe hij uitgerekend in Sandfirden terecht is gekomen weet ik niet precies. Hij is ongeveer twintig jaar geleden gevlucht voor de oorlog. Zvjezdan komt regelmatig bij mijn ouders over de vloer. Hij komt dan gewoon binnenlopen door de achterdeur, de keuken in. Zvjezdan kan alles maken en repareren. Hij helpt mijn vader met schilderen, houthakken en het snoeien van de heggen en bomen, omdat mijn vader daar te oud voor is geworden. Zvjezdan is een kleine, gedrongen en beresterke man met de bouw van een kogelstoter en de ademhaling van een os. Hij rookt de hele dag sigaretten zonder filter, die hij thuis zelf maakt met een of andere machine. Zijn vrouw rookt nog meer, maar die komt zelden het huis uit. Soms stellen mijn ouders voor om Zvjezdan en Džejla mee uit eten te nemen maar ze gaan bijna nooit mee, behalve als het lekker weer is en je buiten kunt eten en aan tafel kunt roken. Op een dag wilde Zvjezdan mij laten zien hoe je hout moet hakken. Hij noemt mij nooit bij mijn naam maar zegt altijd: jongen. Mijn naam is Jongen. Met dreunende slagen zwaaide hij de bijl in het hout. Het hout spleet in precies even grote, mooie blokken uit elkaar. Het zag er eigenlijk niet zo moeilijk uit. Bij mijn eerste poging miste ik het hout. Wankelend onder het zich door de zwaai verplaatsende gewicht en het momentum van de zware bijl wist ik in ieder geval nog wel te voorkomen dat ik hem in mijn eigen knie sloeg, zoals mijn betovergrootvader eens had gedaan. Zvjezdan zei: ‘Stop maar Jongen, jij beter niet dit doen. Is gevaarlijk voor jou.’ Af en toe blijft Zvjezdan ‘s avonds plakken. Ik mag bij mijn ouders thuis niet roken. Zvjezdan eigenlijk ook niet, maar hij doet het toch. Zvjezdan praat niet vaak over de oorlog die hem zijn vaderland heeft doen verlaten, alleen soms met mijn vader, die van 1938 is en als kind onderduikers heeft zien komen en gaan in de boerderij van mijn opa en oma. Terwijl zich in onze huiskamer een langzaam uitdijende blauwe walm vormt, vertelt Zvjezdan over de plek waar ooit zijn huis stond. Ook Zvjezdan wil terug naar waar hij vandaan kwam. Uit zijn ogen spreekt een verdriet en een weemoed die als de zon zijn: warm als een gloed, maar pijnlijk om recht in te kijken.

{Willem Slofstra}

9


ES SA Y

DE CREMERS EN DE PORNOFICATIE VAN JOEGOSLAVIË {Sven Peeters}

‘Don’t worry, fluisterde m’n Bosnische meisje lief. Maar dat had ze niet hoeven zeggen. Ik voelde me juist uitgelaten. Beschouwde de [granaat-]inslagen als een opwindend achtergrondmuziekje. Joegoslavië-stijl. Het gaf een geheel nieuw cachet aan de seks. En dat is nooit weg’ (Clifford C. Cremer, Bomberjack, p. 302)

Als je de autobiografische teksten van de Nederlandstalige auteurs die de afgelopen twintigste eeuw Joegoslavië bezochten naast elkaar legt, kan je niet om die traumatische cesuur heen die de jaren negentig van de vorige eeuw vormen. Je zou die teksten grosso modo kunnen indelen in twee categorieën: avontuurlijke en sterk geromantiseerde verhalen uit de Joegoslavische periode; en voyeuristische, sensationele, soms ronduit perverse egodocumenten uit de postJoegoslavische jaren negentig. In het eerste geval zijn de auteurs doorgaans nieuwsgierige reizigers die het onbekende, in hun ogen primitieve, niet gemoderniseerde en dus authentieke Zuid-Slavië willen verkennen. In het tweede geval gaat het vaak

10

om (amateur)journalisten en/of avonturiers die blij waren de zo saaie Lage Landen te kunnen verruilen voor een spannend oorlogsgebied binnen handbereik. Eigenlijk zijn beide types romantici die zuchten naar exotiek. Maar de eerste is er een die de Ander wil ontmoeten, de laatste wil deze Ander enkel neuken of doden. In het korte bestek van dit essay wil ik beide categorieën illustreren aan de hand van drie generaties Cremer. De bekendste is uiteraard Jan Cremer, die in 1964 de schandaalroman Ik, Jan Cremer schreef. In 1978 publiceerde hij een boek van zijn vader, Jan Cremer Sr. Op de fiets de wereld in. Het is een geïllustreerde verzameling reisimpressies die Cremer sr. voor diverse kranten schreef


Net zoals Jan Cremer jr. zijn vader tijdens een fietstocht naar Palestina in 1937-1938. Cremer sr. nooit heeft gekend – hij was twee jaar Bij zijn terugkeer uit het Oosten fietste hij dwars toen zijn vader stierf – zo kent ook Clifford C. door de Balkan en delen van het toenmalige Koninkrijk Joegoslavië (vooral het huidige Kroatië Cremer zijn vader nauwelijks. Hij groeide op bij en Bosnië). Clifford C. Cremer, een zoon van Jan zijn oma en heeft tijdens zijn leven slechts spoCremer jr, schreef jaren later het boek Bomberjack radisch contact gehad met zijn verwekker, die hij (2000), waarin (ex-)Joegoslavië ook opduikt, zij in zijn levensverhaal Bomberjack consequent 'Ik Jan' het op totaal geperverteerde wijze. noemt. Cliff Cremer (1965), ‘ex-marinier, freeMaar eerst trekken we op de fiets de welance journalist en moreld van het Joegosla'Ongeveer zestig jaar na het blitzbezoek van vische interbellum in. derne avonturier’, alDat Joegoslavië was na dus de covertekst, holt grootpa Cremer aan Joegoslavië, helpt in ruim 350 pagina’s de Eerste Wereldoorlog de eerste poging geweest eigenlijk alleen maar kleinzoon Cremer het land kapot te maken.' om de Zuid-Slavische zijn pik achterna. Dat volkeren in één staat samen te brengen maar was hyperactieve lichaamsdeel leidt hem onder andere naar Kenia en Thailand en ten slotte naar Joegointussen een dictatuur onder Servisch koningschap geworden. Het was een ruw stuk Europa slavië, dat begin jaren negentig uitbarst in burwaar, zeker buiten de steden, de moderne tijd nog geroorlogen. Cremers reactie op het conflict zet meteen de toon: ‘Een oorlog brak uit zoals die in niet begonnen was. Daar lees je alles over bij de Europa in bijna vijftig jaar niet meer was gezien. onvolprezen Balkanofiel, journalist en antifascist A. den Doolaard (over wie Hans Olink vorig jaar En dat was natuurlijk helemaal te gek […] Geweldig vond ik dat […] Want als er ooit één oorlog is nog een monumentale biografie publiceerde). Jan geweest waar ik m’n hele leven naar uit heb zitten Cremer sr. is helaas geen Den Doolaard: daarvoor zijn zijn observaties te vrijblijvend, te oppervlakkig kijken, dan was dat wel die in Kroatië.’ (p. 289) en naïef. Ze bevestigen de stereotiepe, romantiCremer belandt in 1992 als vrijwilliger in Kroatië dankzij de Nederlands-Kroatische Werkgemeensche beeldvorming die in die tijd gebruikelijk was: ‘Alle dagen is er markt in Dubrovnik. Hier vind schap (NKW) die zich aan de zijde schaart van je een mozaïek van kleurige klederdrachten en fascistisch geïnspireerde Kroatische milities die mooie typen van de landsbevolking, ongekunsteld tegen de Servische vijand strijden. Daar ontdekt Cremer de sensatiejournalist in zichzelf. Enige en gedistingeerd.’ (Jan Cremer sr, p.159) Verder beperkt Cremer sr. zich vooral tot het beschrijven tijd later trekt hij naar het Bosnische Tuzla, waar van zijn problemen met geld, met documenten, er zonder dralen geneukt moet worden. ‘Ik zag [in de hotelbar] twee aantrekkelijke blonde vrouwen met de arm der wet, met andere buitenlanders en zitten […] Ik was de oorlog alweer vergeten […]’ met het eten – de onvermijdelijke paprika smaakt hem niet. Cremers teksten stellen zowel literair (p.301) In Sarajevo speelt Cremer voor sniper en als inhoudelijk weinig voor en zijn bovendien in doodt hij naar eigen zeggen drie ‘doelwitten’. Die gebeurtenissen worden op een kille en klinische het licht van wat volgt de onschuld zelve.

11


manier beschreven. Het doden is, zegt Cremer: ‘Een vervulling van een lang gekoesterde wens. Ik ben nu niet langer toeschouwer, maar deelnemer aan een oorlog. Een goed gevoel.’ (p.314) Eerder noemde hij het ‘het beste wat ik in jaren had gehad’. (p.310) Ongeveer zestig jaar na het blitzbezoek van grootpa Cremer aan Joegoslavië, helpt kleinzoon Cremer het land kapot te maken. Grootvaders onschuldige portret werd twee generaties later verminkt en verkracht. En hoewel Clifford Cremer meer pagina’s wijdt aan het land, blijft hij even oppervlakkig als Cremer sr. zestig jaar geleden. Nergens vind je een overtuigend argument om actief deel te nemen aan een uitheemse burgeroorlog. Nergens is er sprake van empathie, laat staan emotie. Neen, de jongste Cremertelg is slechts een wild in het rond neukende en schietende voyeur (in concreto: een sniper). Een primair pornoliefhebber dus, opgejaagd door driften en lusten. Daarvan getuigt bij wijze van climax de allerlaatste gedachte van dit boek, die níét gewijd is aan zijn net vermoorde broer Clint, maar aan een opwindende B-52-bommenwerper die verschijnt aan het Kosovaarse firmament.

Het valt buiten het bestek van dit essay om andere auteurs te bespreken, maar in de categorie van sensationeel-voyeuristische boeken vallen onder andere ook bioloog Dirk Draulans, Welkom in de hel (1993), Robert Dulmers, Zwart (2003) en Heere Heeresma jr, hoewel die laatste met zijn De held van Srebrenica (2005) een volkomen fictief boek heeft geschreven. Uiteraard zijn er ook Balkanreizigers en/ of -correspondenten die wél met nuance en respect hebben geschreven over de Joegoslavische oorlogen. Als belangrijkste exponenten noem ik de journalisten Bibliografie Frank Westerman, http://members.chello.nl/~c.cremer/ De brug over de Tara (infosite over Clifford C. Cremer) (1994 en 2007 http://members.chello.nl/~c.cremer/ (herzien)), Stefan Nieuwe%20Revu%20080300.pdf (‘Ik ben voor Blommaert, De on- drugs én voor de doodstraf’. Interview met Clifford dergang van Slobodan C. Cremer. In: Nieuwe Revu, 8 maart 2000) http://www.barendenvandorp. Milošević (2003) en nl/uitzendingen/uitzending-30-03-2000 (tvSerge Van Duijninterview met Clifford. C. Cremer) hoven, die tevens Jan Cremer Sr., Op de fiets de wereld in. dichter is, Balkan. Voorwoord Jan Cremer. De Bezige Bij, 1978. Wij noemen het rozen Clifford C. Cremer, Bomberjack. (1999). Aspekt, 2000.

g Voor meer van auteur Sven Peeters, bezoek: www.balkanboeken.blogspot.com

12


BALKAN IN BEELD Foto-illustratie: Rik Wulaert

11


PO ËZ I E

ROMÂNIA MEA MY ROMANIA {Andrei Pătru}

Brazi verzi se-nalță pe creste-nzăpezite, Și se oglindesc cu cerul în albastrul lacurilor lungi Ca plete se revarsă de-a lungul râurilor tulburi Din vale până-n șes, în deltă și în mare. Green firs grow tall on snowy ridges And with the sky reflect themselves in long blue lakes Like braids they flow along the troubled rivers From the valleys to the flats, to the delta and the sea. Un freamăt se aude, în pădure, în depărtare, Mii de coifuri lucii ies din ascunzătoare Căci mânați în luptă de Vlazi, Mihai sau Ștefi, Își apără sărăcia, și nevoile și neamul, A rustling can be heard in the forest, in the distance And a thousand shining helmets now exit from their hiding. They are driven in battle by Vlads, Michaels or Stefans To defend their poverty, needs and people Trecând fluviile și munții cu sabia și cu arcul, Cu puști, și în tancuri, Înaintând pe fronturi, dânduși sufletul și corpul pentr-un petec de pământ Ce și mâine se va mai chema, România. Passing streams and mountains with swords and bows, With guns and in tanks, Advancing on the fronts, giving their soul and their body for a piece of land Which will be called the same tomorrow: Romania. În fața pieirii, brav popor am fost, deștept și de temut La fel cum în preajma prietenilor frățește am combătut Zile-ntregi de voie bună, dans, plăcere și iubiri Dar și durere, și pericol, zile negre și dezamăgiri.

14


We have been brave in the face of death, as well as smart and feared Just like amongst friends, like brothers we have gone through Long days of joy, dancing, pleasure and love But also pain and danger, black days and disappointment. Am avut și oameni care, ne-au mândrit cu ce-au putut, Ne-au pictat străduințele, ne-au sculptat dorințele Ne-au cântat trecut și au inventat viitorul.` Nume ca Grigorescu, Eminescu, Coandă sau Brâncuși, Ne-au definit valorile, și cultura, și speranțele, Și ne-au unit în credința că știm cine suntem. We had people who made us proud with what they could do They painted our struggles, sculpted our wishes Sang our past and invented the future. Names like Grigorescu, Eminescu, Coandă or Brâncuși, Defined our values and culture and hopes And united us all in the belief that we know who we are. Și mulți am plecat. Ne-am luat adio de la bucata de pământ ce casă ne-a fost tinereții Dar nu vom uita ce-am învățat, și ce-am trăit și nici luptele care le-am dus Iar cu voi, tovarășii noștrii din lumea mare, vom lucra și vom petrece, Vom trece Prin momente frumoase și grele, și Cu unii ne vom unii pentru totdeauna. Și cu drag vă vom povesti, și ne vom aminti întotdeauna De-acel petec de pământ ce se va mai chema și mâine, România. And a lot of us went away. We said goodbye to that piece of land that was our childhood home But we’ll never forget what we learned and what we lived and the struggles that we fought And with you, our worldwide friends, we shall work and we shall cheer We shall pass Through beautiful and difficult moments, And with some we will unite forever. And with love we will tell of and we will forever remember That piece of land, that will be called the same tomorrow: Romania. Acum e liniște-n distanță. Și alb. Și verde și albastru. Șesul e galben. Și pământul maroniu ascunde roșu. Râuri curg și vrăbii cântă, și soarele-mi arde pleoapele grele. E un pământ făcut să iubești viața, și mulți vor să o iubească precum noi. Multe comori se ascund în ăst pământ, și-n ăștia munți, Și multe se ascund și-n acești oameni. Și de-acum mulți vor putea să ne cunoască, și să ne înțeleagă.

15


It’s quiet now in the distance. And white. And green and blue. The flats are yellow. And there’s red hidden beneath the rich brown earth. Rivers flow and sparrows sing, and the sun burns my heavy eyelids. This is a land made for loving life, and many want to love it as we do. Many treasures hide in this here land and these here mountains And many hide in these here people. And from now on, many will be able to know us, and understand us.

Beste heer Steltenpool, Ik weet niet waar en hoe u dit gedicht hebt gevonden maar het doet heel erg negentiende eeuws aan. Het is een duidelijk voorbeeld van late romantiek maar sindsdien is de Roemeense dichtkunst evenals de Nederlandse overigens toch behoorlijk geëvolueerd. Als u toch iets aandoenlijk ouderwets wilt publiceren omdat dat recht doet aan het door u beoogde beeld van het land dan zit u op de juiste weg. De vertaling is overigens goed. Vriendelijke groet, D. Perie

16


ES SA Y

VOOR DE NATIE OF DE FEDERATIE? {Arja van den Bergh}

Op 2 augustus 1944 trad Macedonië onder de naam Democratisch Macedonië toe tot Democratisch Federaal Joegoslavië, waarmee ook de Macedonische taal voor het eerst in de geschiedenis officieel werd geregistreerd.1 Voor zich als Macedonisch profilerende schrijvers die tijdens het interbellum nog onder Bulgaars, Servisch en Grieks bewind hadden moeten werken, bood de erkenning van de Macedonische taal nieuwe perspectieven. Schrijvers uit alle windhoeken van het tot dan toe verdeelde land maakten in 1944 de balans op: wie zijn we en waarover schrijven we? Er waren enkele opties. Schrijven over de opbouw van de republiek binnen de Joegoslavische federatie leek dankzij Tito’s bevrijding van het land een voor de hand liggende keuze. In het verlengde daarvan werden auteurs aangemoedigd het sociaal realisme te omarmen, de door communisten voorgeschreven methode voor de kunsten die arbeiders moest opvoeden in de geest van het socialisme. Uit een grondige bronnenstudie van de voor- en naoorlogse Macedonische dichtkunst is echter gebleken dat de poëzie direct volgend op de erkenning van de Macedonische natie in 1944 nauwelijks in dienst stond van de opbouw van een Joegoslavische ‘supranationale’ cultuur. Anders dan enkele historici beweren, werd er in de eerste jaren na de bevrijding met geen woord gerept over Joegoslavië; de naoorlogse poëzie zette vooralsnog de nationaal gekleurde folkloristische traditie voort.

Macedonische poëzie na 1944

Dankzij de politieke erkenning in 1944 konden Macedonische kunstenaars, wetenschappers en schrijvers voor het eerst in vrijheid hun werk uitoefenen. Deze culturele vrijheid in de nieuwe socialistische staat hield in dat men zich, zoveel men wilde, nationaal mocht uiten. De gedachte hierachter: culturele vrijheid diende de band tussen Macedonië en de rest van Joegoslavië te versterken en het nog aanwezige Bulgaarse bewustzijn van enkele Macedoniërs af te zwakken. Vooral dat eerste ging niet moeiteloos. De nieuwe generatie schrijvers had namelijk nog het een en ander te verwerken. Eeuwenlange Ottomaanse overheersing, om maar iets te noemen, en de daaropvolgende onderdrukking door buurlanden Servië, Bulgarije en Griekenland. Bovendien had de zojuist uitgevochten Narodnoosloboditelna Borba na Makedonija (nob, Nationale Vrijheidsstrijd van Macedonië) tot een officieel erkende staat geleid. In het vroege naoorlogse werk van schrijvers als Aco Šopov, Slavko Janevski, Blaže Koneski, Srbo Ivanovski, Gogo Ivanovski en Lazo Karovski werd voorlopig dan ook vooral gereflecteerd op het (recente) verleden. Liederen over de gruwelen van de oorlog en de hang naar vrijheid domineren, evenals de liefde voor het vaderland (tatkovinata). In Gogo Ivanovski’s gedicht ‘Kolonata’ (De kolonie), uit de bundel 1. Het land zou in 1945 worden Za novata prolet (Voor omgedoopt tot Volksrepubliek Macedonië om de nieuwe lente) uit 1946, komen alle vervolgens van 1963 tot aan de desintegratie van

Joegoslavië in 1991 de naam Socialistische Republiek van Macedonië te dragen.

17


elementen terug die de Macedonische poëzie kort na 1944 kenmerkten:

Toj što gi znae Goce i Jane 
 nivnite, verni, drugari smeli 
 (...)  Toj što e gledal sinite vodi na Ohrid 
 kako širno se širat – 
 (...) Toj što e četel vo trošna soba 
 ‘Lenka’ na Racin, so trepet čuden 
 (...) 

 Toj što e peel so siot narod 
 zorata koganse ragala nova,
 toj znae kolku, kolku e mila 
 zemjata naša – zemjata rodna

Hij die Goce en Jane kent hun trouwe, dappere vrienden (...) 

 Hij die de blauwe wateren heeft gezien van Ohrid hoe breed ze zich verspreiden – (...) 

 Hij die heeft gelezen in een slechte kamer ‘Lenka’ van Racin, met een vreemde beving (...) 

 Hij die met het volk bezingt de zonsopgang van de geboorte van het nieuwe (volk) hij weet hoe erg, hoe dierbaar is ons land – ons vaderland2

18

Hij die de nieuwe natie toezingt, heeft het vaderland lief. Kennis over de nationale helden staat voorop: 'Goce' slaat op Goce Delčev en 'Jane' verwijst naar Jane Ivanov Sandanski, beiden revolutionaire figuren binnen de in 1893 opgerichte Vnatrešna Makedonska Revolucionerna Organizacija (vmro, Binnenlandse Macedonische Revolutionaire Organisatie), een organisatie die in 1903 middels een opstand een onafhankelijk Macedonië wilde bewerkstelligen. En hoe kun je van je land houden als je nog nooit aan het Ohridmeer bent geweest? Kočo Racin, door velen gezien als de grondlegger van de hedendaagse Macedonische literatuur, wordt aangehaald als verplichte literatuur. Kortom, hij die bovenstaande zaken koestert, heeft het vaderland lief. Ook Lazo Karovski’s gedicht ‘Misirkov’ uit 1951 is een treffend voorbeeld.3 Het versje spreekt diepe bewondering uit voor het door filoloog Krste Petkov Misirkov in 1903 opgetekende Za Makedonski raboti (Over Macedonische aangelegenheden), het eerste betoog voor de codificatie van een unieke Macedonische taal en cultuur:

za prv pat te gledam no jas te imam za učitel star i gord sum... gord... što odam po tvojot dlabok trag...

ik zie je voor het eerst maar ik heb je nu als oude mentor en ik ben trots... trots... dat ik diep in je voetafdruk loop


Misirkov was in 1903 een van de eersten die voor een onafhankelijke Macedonische natie pleitte; het feit dat Lazo Karovski daar in 1951 nog naar verwijst, zegt zonder meer iets over de mate waarin het nationale erfgoed in het hart van de naoorlogse Macedonische schrijver huisde. In het werk van Venko Markovski zien we dat nog sterker naar voren komen. Van alle liederen die tijdens de revolutie zijn geschreven, werden zíjn liederen het vaakst gezongen – een van de redenen waarom hij de naoorlogse generatie sterk zou beïnvloeden. Markovski wilde recht doen aan het nationale ontwaken van het Macedonische volk aan het einde van de negentiende eeuw en putte daarom als dichter uit de rijke folkloristische traditie. In al zijn werken domineren de inmiddels bekende thema’s: de revolutie en het verlangen naar vrijheid, de Ilinden-opstand in 1903 met nationale held Goce Delčev als stralend middelpunt, en de onderdrukking die het Macedonische volk eeuwenlang ten deel is gevallen. De schrijver had tot aan de erkenning van Macedonië al een aardig oeuvre opgebouwd en veel van deze werken werden in 1945 gebundeld en onder een andere titel opnieuw uitgebracht. Dit kan zonder meer geïnterpreteerd worden als een bewuste keuze, als een manier om aan te geven dat wat de Macedonische natie had gevormd ook de basis zou zijn voor een nog uit te werken nationale literatuur.

Het opnieuw uitbrengen van Markovski’s vooroorlogse werk karakteriseert het literaire landschap van Macedonië kort na 1944; het overgrote deel van de werken dat werd uitgegeven is schatplichtig aan de vooroorlogse thema’s. In de voor en tijdens de oorlog geschreven gedichten en liederen wordt vooral verwezen naar een eerdere revolutie: de Ilinden-opstand in 1903. Juist door deze cruciale gebeurtenis uit de Macedonische nationale geschiedenis veelvuldig naar voren te brengen, werd de basis gelegd voor een nationale literatuur. Het zou nog een aantal jaren duren voordat Joegoslavië als onderwerp in beeld kwam. De folklore, de Ilinden-opstand, het harde leven door de onderdrukking en de vurig gestreden strijd voor vrijheid: het waren voor Macedonische schrijvers dé onderwerpen waarmee hun identiteit 2. G. Ivanovski, Gedicht zonder titel, was gevormd en in: Za novata prolet (1946) 3. waarmee de nieu3. L. Karovski, 'Misirkov', in: Rodinata we staat ingeleid v pesni (1951) 31-32. moest worden.

19


CO LU M N

LADY B

{Guido van Eijck}

Lady B zal een eind in de veertig zijn. Hoogblond, en met een lijf dat kunstmatige ingrepen verraadt. Ze verkent mijn haren in uiterste concentratie. Ik merk dat zij niet gewend is dat een man zijn haar niet op tondeuselengte draagt. Lady B is niet haar eigen naam, maar die van haar kapsalon in het Noord-Kosovaarse Mitrovica. Ik ben erheen gegaan met een kennis die als tolk optreedt en mijn haarwensen voor haar vriendin, de kapster, vertaalt. Ook zij moest een knipbeurt, en wanneer haar roodgeverfde krullen weer in model zitten geeft Lady B haar een kusje in haar nek. ‘Dat doe ik alleen bij vrouwen’, zegt ze lachend via mijn kennis. ‘Helaas,’ stamel ik in mijn roestige Servisch.

20

Lady B, de kapperszaak, is klein en volgebouwd met kappersstoelen, lampjes, haarverlengstukken en nepnagels. Op een kleine televisie spelen videoclips. Mijn haar wordt gewassen in een kamertje ter grootte van een toilet. Wanneer tijdens het knippen de stroom uitvalt, bukt Lady B zich om uit het niets een stekker tevoorschijn te halen die het vertrek terug op aarde brengt. Vandaag, 8 maart, denk ik terug aan Lady B en haar vrouwenparadijs. Het is Internationale Vrouwendag, een dag die tot vandaag altijd geruisloos aan mij is voorbijgegaan. Als ik ’s ochtends – onwetend nog – met een vrouw, Nataša, sta te praten, valt mij op dat zij werk heeft gemaakt van haar make-up en bloemen bij zich draagt. Iemand vraagt in het voorbijgaan of ik Nataša al een prettige 8 maart heb gewenst; een ander geeft haar twee zoenen. Vrouwendag blijkt een groot feest te zijn. Mij wordt uitgelegd dat vrouwen op die dag in het zonnetje worden gezet, dat ’s avonds de cafés en restaurants gereserveerd zijn voor vrouwen, die doen wat ze willen, terwijl mannen er aan de deur geweigerd worden. Dwars


BALKAN IN BEELD Foto & Schilderij: Roel Vlemmings

door Mitrovica loopt een strikte etnische scheidslijn die voor veel spanningen zorgt, maar deze dag lijkt beide kanten te raken. In het Albanese en islamitische zuiden van de stad schijnen de vrouwen zelfs een nog grotere behoefte te hebben aan een dag voor zichzelf. Op straat is het druk. Onder het standbeeld van een Russische diplomaat in het Servische noorden is een normaal lege driesprong nu een bloemenkraam. Nataša koopt er bloemen voor een collega in het zuiden, die aan haar kant van de stad alleen maar plastic kan krijgen. En voor haar zoon, die door de telefoon aangeeft te mannelijk te zijn om voor zijn vriendin een bloemenwinkel binnen te lopen. Nataša heeft er een uur werk aan. Een maand of wat geleden bezocht ik Vitina, een dorp niet ver van de Macedonische grens. Ik was daar voor de slava van Stefan, een Servische jongen van mijn leeftijd die in Mitrovica studeert. Tijdens de slava eren Servische families hun beschermheiligen, wat neerkomt op een paar dagen eten en drinken met bezoek. Wanneer ik rond de middag van de derde slavadag aankom, verwelkomt Stefan mij met een vermoeid gezicht: zijn slava was zwaar; veel alcohol.

De rolverdeling tijdens de slava is meteen duidelijk: de dames bereiden tientallen kilo’s vlees en vis en zijn na een weekend uitgeput, de heer des huizes heeft als taak meer te drinken dan wie ook in zijn huis aanwezig. Stefan is die heer des huizes en schenkt mij al snel een glas rakija in. Hij kijkt er moeilijk bij. Zijn moeder, tante en vriendin zetten eten op tafel. Ik belandde bij Lady B omdat ik de lokale herenkappers en hun tondeuses wantrouw. Terwijl ik in het raam op mijn knipbeurt zit te wachten, belt een vriendin mij. In het voorbijgaan zag ze mij zitten en nu is haar vraag wat ik in vredesnaam bij die vrouwenkapper doe. Ik wil haar uitleggen dat ik evenmin terugschrik voor bloemenzaken of dit vrouwenparadijs, als voor bier en barbecue; dat dát gelijkheid is. In plaats daarvan wijs ik haar op de aanwezigheid van mijn tolk – haar ook bekend – en mijn voor herenkappers te lange haren. Mannen, vrouwen, iedereen in het naar binnen gekeerde Mitrovica houdt elkaar zo in de houdgreep. Eén Vrouwendag per jaar om die ban te breken is zo verkeerd nog niet.

21


PA ST IC HE

WALTER’S AWKWARD ENCOUNTER {Daniel JV}

‘Hey Walter!’, said Bates once to me, ‘What’s that place you’re always banging on about?’ ‘It’s not so much a place as a feeling,' I answered, with a voice that hinted at the complexity of the subject, ‘a feeling I believe to be essential to the understanding of escapism.’ I smiled at Bates’ befuddled expression. He held his enormous Monte Christo between his fingers with a confidence that intimidated me, with my limply rolled stick of tobacco. Bates is male, he knows what he wants. The other day I accompanied him on one of his afternoon walks; he stopped every five minutes to address his pedestrians, like Roman spectators they judged him well, affecting all kinds of knowledge he stole their hearts; medicine, martial arts, flora and fauna, he gargled up all kinds of nonsense about trees that afterwards my encyclopaedia’s denied. He’d have impressed even me, were it not that I knew of the farce, had scraped through to the very core of his nature. He spends his time roaming through the archives of Wikipedia and applies this surface-knowledge to his own deeply opaque exterior. A gigantic structure of referential hullabaloo. ‘Hey Walter!’ Bates said a second time,

22

‘tell me one of your stories, I haven’t had a laugh since the last time you read me your poetry. I answered carefully and slowly, contemplating how I could communicate my thinly woven together theories, often so precariously constructed that a single inconsistency, or subversive afterthought could shatter the whole bulk. ‘Listen to me, Bates, you old kitchen sink, you,’ I said, not without conviction, ‘I will tell you of that place I'm always banging on about.’ Always banging on about? Who did he even think he was, I don't bang, I ponder! I felt nervous around Bates, always on guard, he often drove me to the most revolting kind of complaisance. Yes Bates, indeed Bates, yes, I suppose I hadn’t thought of things in that way, yes. That kind of grotesque feminine tradition of giving to, giving in, that I so despise when observing others. ‘Bates,’ I said, ‘Bates, let me tell you of this place.’ I remember Bates’ face just staring at the tip of his cigar, a face that reflected genuine interest, apprehension personified. How very foolish of me, things couldn’t have been further from the truth. I raised my voice and commenced with expounding my current state of mind with song: ‘When turning away from a ‘life’, (or rather) A homage to grasping the truth, (a mockery) (Stabbing myself with a knife) metaphorically My suffrage as such, is uncouth For human nature, it frightens me, Others expectancy, their lending of courtesy, In scholarly shape, or salacious fragrance Carnal debate or quest for clairvoyance.’


Now as if some kind of reverie had befallen me, I took to the skies and wept. I thought it must have been the emotion, the melodic perfection with which I sang that had lulled Bates into a deep sleep. I kept singing, but without an audience I rapidly lost all sense of rhythm and subsequent melody, in fact, my voice began to drawl; my mind wandered off, I began thinking about my own begotten ills, misfortunes, the wretchedness of my existence, etc. As I watched Bates sleep, my life in its entirety flashed before me. A boxing match took place between Lost Hope and Contrivance, in which the former bit his poor opponent’s ear off, as now an earless Contrivance sat sulking beneath the lamentations of his manager, who now regrets ever having bothered. As a result my religious uncertainties reawakened. I lost my balance, as it were, and fell straight from the belfry into a muddy stable.

‘ Ô douleur! ô douleur! Le Temps mange la vie,’ I exclaimed, whilst {hinein} interpreting the deep breathing of my good friend Bates as Bach’s first cello suite (in G Major). ‘Ô douleur! ô douleur! Le Temps mange la vie’ These words began to assume symbolic significance, as if I suddenly had understood them. I knew all too well that for my age I was considered ripe. ‘I am after-all, an English breakfast,’ the profundity of this observation made me smile, but moments later the same thought provoked

a burning stomach ache. The pain became excruciating. I thought I would die, and so hunched in my pigs-stable, I howled at the moon, in anguish. The Lord would hear me tonight. ‘Oh Lord,’ I said, wiping the spit from my herpes-ridden lips, ‘Always have I behaved accordingly, unless expected otherwise... my discourse is geared to please... Always have I followed the example of the giant sunbeam, Why then does the proprietor of greatness always seem, so impertinently to neglect my wants and needs?’ ‘Oh Lord,’ I said, bearing the grief stored by my weak and passive spleen, ‘My peers, they call me a man of great expectations, How terribly vile. How vile my friends must be in their judgement I am an afflicted soul and your pernicious neglect offends me Thought of detrimental type has affected my arteries vain attempts at keeping blood-circulation regular, have provoked my vascular lymphoid organ to sneeze!’ ‘Oh Lord!’ Am I time's excrement, forever to be remembered as ‘Walter the paltry?’ ‘You must let me escape from insignificance, Hell, oh please!’ Whilst releasing this torrential downpour of grief and anger, or otherwise my paroxysm of misery, I noticed Bates’ lip curl, ever so slightly. Bates had heard all I had been saying! I blushed, he wasn’t at all asleep! How very awkward! His eyes were closed, but the sly devil must have smelt my blush because he by this time had stopped his pretending. He rested his eyes derisively upon me and spoke in his tone of persiflage: ‘Do you know what you need to do Mr. Walter?'’ ‘No’, I answered meekly. ‘Get a bloomin’ move on Cause time's soon hurrying by, Get your skates on mate, get your skates on mate, that 'll stop you messin’ round today’ Join the self-preservation society’

23


I’ll never join the self-preservation society, I’ve far more an inclination towards self-expression or renovation, but preservation has such a vulgar air to it, doesn’t it just? I haven’t left my room since the awkward encounter with Bates, and shan’t until the bugger comes to fetch me himself!

24


DI AL OO G

EEN VOLSTREKT WILLEKEURIG GESPREK {Claudia Zeller}

(De bovenste verdieping van een ongedefinieerd kantoorgebouw ergens aan de rand van de grote stad. Enter TAMÁS en MIKLOS.)

TAMÁS: (staat bij het raam en kijkt naar beneden) Heb jij je weleens afgevraagd hoe anderen over ons zouden denken? Die mensen daarbeneden weten waarschijnlijk niet dat ik hier sta en naar ze kijk. Maar ze zijn er wel, omdat ik ze zie. En ik ben er ook, terwijl ze mij niet zien. De anderen, altijd weer de anderen. MIKLOS: Welke anderen bedoel je? Er is hier niemand behalve wij. En iedereen is zoals wij. We denken niet na over de mensen om ons heen, en de mensen om ons heen denken niet na over ons. Ze zijn er niet omdat ze er wel zijn. TAMÁS: Ik denk niet na over anderen, ik denk nauwelijks na over mezelf. En toch stel ik me dit soort vragen, zonder dat het antwoord me interesseert. MIKLOS: Als je een vraag stelt, verwacht je een antwoord, ook al is er niemand die dat antwoord kan geven. TAMÁS: Heb ik een vraag gesteld? Ik kan het me niet herinneren. MIKLOS: Ik hoor wel iets maar ik versta het niet. (ze zwijgen en luisteren)

TAMÁS: Hoorde je iets? MIKLOS: Ssst, ik probeer te luisteren. TAMÁS: Zie je al iets? MIKLOS: Waarschijnlijk wel, maar misschien ook niet. TAMÁS: Waar kijk je naar als je denkt iets te zien? MIKLOS: Ik kan alleen iets zien wanneer ik niet kijk. Je moet stil zijn als je wilt dat ik je versta. (ze zwijgen en luisteren) TAMÁS: En, hoor je al iets? Er is er niemand behalve wij. Alles is stil. MIKLOS: En toch kan ik niets horen, en als ik al iets hoor dan kan ik het niet begrijpen. TAMÁS: Ik dacht dat ik iets zag, daarbeneden. (hij opent het raam) Er is niets, en toch dacht ik dat ik iets zag. MIKLOS: (leunt uit het raam) Je kunt alleen iets zien als er niets is om te zien. TAMÁS: En toch dacht ik dat er iets was. MIKLOS: De stoeptegels zijn roodgekleurd. TAMÁS: (doet een stap naar achteren) Er is niets te zien. Er is niets te zien. Er is niets.

25


26

PO Ă‹Z I E

{Mirza Dolic}

I gave birth to a stillborn love.

victoriously walked away.

You donned a coat of indifference and

wriggling in multiple orgasms of masochism.

deflowered it and left it bleeding,

You penetrated my ovulating heart,

as a prophylactic.

wearing nothing but my crushed ego

I stood exposed;

COITUS AMOR


Fotografie: Eli Vandecasteele

BALKAN IN BEELD


PR OZ A

INTERNATIONALE BETREKKINGEN {Twan Zegers}

Hier stond ik dan, doorweekt en alleen, in een verlaten straat, half hurkend voorovergebogen om de stapel brieven die zwaar op mijn verkrampte rechterarm leunde tegen de regen te beschermen. De ijzeren kar waarin de rest van de post lag, leek niet te kunnen wachten om zich in het portier van een verderop geparkeerde Mercedes te boren. Met mijn linkerelleboog hield ik hem in bedwang, terwijl de overeenstemmende hand met een klamme reclamefolder worstelde die niet van zins was zich van onder zijn deken van soortgenoten te laten wegrukken. Mijn knieën knikten. Ik was bang dat ze het onder de inspanning zouden begeven, en in gedachten smeekte ik het weerspannige krantje om in godsnaam toch alsjeblieft mee te werken. Net toen het erop leek dat het zich zou laten vermurwen, donderde iemand boven mijn hoofd: ‘Post! Ben je altijd zo laat?'’ Ik hoorde een doffe smak: het was de zorgvuldig drooggehouden stapel brieven, die in een plas aan mijn voeten tot stilstand kwam. Naast me begon een Mercedes te loeien. Met grote ogen keek ik omhoog. Het duurde even voordat ik me bedacht dat het vast dom stond, zo’n envelop in je mond, maar toen het zover was, overhandigde ik hem gauw aan de frons in de deuropening. ‘Weer

28

een blauwe,’ gromde hij naar het punt aan de horizon waar zich zijn onbarmhartige lot bevond. De deur klapte dicht. Ik keek omlaag. Terwijl ik de tijd nam om eens nadrukkelijk te zuchten, ging de wind er met een bankafschrift en een tv-gids vandoor. Langzaam kroop er een druppel door mijn wenkbrauw, om vervolgens de diepte in te zeilen en ten slotte uiteen te spatten op het zonovergoten strand dat me van op een ansichtkaart toelachte. Ik zuchtte nog eens diep en zette me ertoe mijn spulletjes weer bijeen te rapen. Het was een schrale troost dat er in Afrika kindjes doodgingen van de honger. ‘Iedereen kijkt naar je uit,’ zeiden de wervers voor het postbedrijf, maar de bewoners van mijn wijk lieten zich aan die belofte weinig gelegen liggen. Ze keken helemaal niet naar me uit. Ze keken me ook niet aan: ze keken langs of door me heen. Ze keken naar hun schoenen; ze tuurden naar de overkant van de straat; ze staarden in de leegte. Ze namen de kleinste details met de grootste aandachtigheid in zich op, zolang ze daarmee maar voorkwamen, mij te moeten zien. Maar ik zag hen wel, en ik hoorde ook veel.


‘Et dona ferentes ...’ Op de bankjes bij het pleintje zag ik jongemannen, die op de loer lagen. Ik hoorde dat je hier 's nachts je leven niet zeker was. Ik zag lakens door de straten schrijden, waarvan ik wist dat er vrouwen in waren. Ik hoorde dat die vrouwen in hun huizen vaak geslagen werden. Ik zag winkeltjes met fout gespelde namen, waarin klandizieloze eigenaren grasduinden door huis-aanhuisblaadjes, en met pennen speelden. Ik hoorde dat in zulke etablissementen geld verdiend werd onder tafels en in achterkamertjes. Ik zag ongehaaste luxewagens rondjes door het buurtje rijden en halthouden voor vluchtig overleg met mannen die baarden of bontkragen droegen. Ik hoorde dat het gevaar van een terreuraanslag in ons land niet onderschat moest worden. Ik zag enveloppen met de logo’s van de sociale dienst, de rechtbank en de reclassering. Ik hoorde dat uitkeringsfraude een groeiend probleem was. In kamers als aquariums zag ik tv’s zo groot als billboards hangen, en halfgeklede, uitgeleefde mensen. Ik hoorde dat het islamitische volksdeel een demografische tijdbom was. Ik zag onbevoogde kinderen die zich met sleutels en stiften op prullenbakken en lantaarnpalen stortten. Ik hoorde dat de Grieken te veel staakten en te weinig werkten, en dat ze daardoor onze lening nooit meer zouden kunnen terugbetalen. Inmiddels was ik bijna klaar met mijn ronde. De zon was doorgebroken, en ik kon me verheugen over het feit dat ik de tijd die mijn baas voor mijn werkzaamheden had vastgesteld en waarvoor ik beloond werd, met minder dan twee uur overschreden had. Mijn rug had zich dapper gehouden: de steken die ik erin voelde waren heviger noch frequenter dan normaal. Ik had me nuttig gemaakt.

Toen ik bij het laatste adres kwam, nam ik een handvol elastieken uit mijn kar. Een paar dagen geleden had een Griek me bedelend aangeklampt. Hij had een wasserette in de buurt; achter een vergeelde poster die witter dan wit wassend poeder aanprees deed hij daarin dutjes. De Griek had gebedeld om elastiekjes: zijn zoon, zei hij, had die nodig voor school. Ik had hem toegezegd er voortaan aan het einde van elke ronde een paar in zijn brievenbus te gooien. Ik tilde de klep van de bus omhoog om er de elastiekjes door te doen. Er glinsterde iets op het randje. Ik stopte de elastieken in mijn jaszak en pakte het op: het bleek een zuurtje te zijn. Het kleefde aan de folie die eromheen zat. Ik bekeek het briefje dat onder het zuurtje gelegen had. In een kinderhand stond erop geschreven: 'Dank u wel.' Met kleurpotloden was er naast de woorden een harkmannetje getekend dat iets vasthield waarvan ik met enige moeite kon bepalen dat het een envelop moest zijn. Het torende uit boven een huisje dat omkranst werd door een zwevende regenboog; op het hoofd van het mannetje prijkte een even uitbundige grijns als op de zon die uit de rechterbovenhoek van het papiertje piepte. Vloekend verscheurde ik het briefje, smeet de snippers naar de grond en keilde het zuurtje weg. Een auto-alarm ging af. Ik propte de elastieken door de brievenbus; alvorens haar op mijn vingers dicht te klappen, spuugde ik bij wijze van groet een flinke klodder slijm door de hal. Ik verbeet de pijn en nam resoluut mijn kar bij het handvat. Met de borst naar voren, de schouders naar achteren en de neus in de wind paradeerde ik mijn oranje-zwarte uniform de straat uit. Door de verblindende zonsondergang schemerde het silhouet van een stad.

29


AG EN D A

PICK ONE or two or Three or all

t/m 10 juni

Centraal Museum - UT

‘God save the queen’ Kunst, kraak, punk: 1977-1984

Entree: €9, studenten €4

05 juli _ 15 juli

NDSM-werf

‘Over het IJ-festival’ Elf dagen lang vormen de oude scheepsloodsen, de oevers langs het IJ en de ruwe hellingen op de NDSM-werf het toneel van meer dan 20 locatietheatervoorstellingen.

08 juni

20h15

Entree: vanaf €4 per voorstelling, muziekpodium gratis

Salon Saffier - UT

‘A.A. Milne, schepper van Winnie-de-Poeh’ Vierde deel van de serie Schepper voor twee zielen Gepresenteerd door Niels Bokhove, literatuur-historicus & filosoof, met tekstvoordracht door een acteur, beeld- en geluidsmateriaal

Entree: €17

30

t/m 18 juli

Rialto

‘On the Road’ Langverwachte verfilming van Jack Kerouacks gelijknamige klassieker

Entree: 1 bioscoopbeurt


04-13 AUG.

Het Stenen Hoofd

‘Pluk de nacht' fill in

open air filmfestival Kijk iedere dag de mooiste onontdekte films vanuit je luie strandstoel

Entree: vrij

t/m 03 sept.

BosTheater

‘Wiener Wald' Muziektheater over verstikkende burgerlijkheid versus grote verlangens in tijden van crisis.

Entree: vrij

t/m 31 dec

Museum Meermanno - DH

‘Van lood tot led, de ontwikkeling van het boek sinds 1850’ De bezoeker loopt langs een tijdlijn van 'lood', de periode waarin boeken met loodzetsel werden gedrukt, tot 'led', naar de huidige tijd, waarin het e-book steeds populairder wordt.

Entree: €8

31


CA RT OO N

TEASER

{Ester Vanhoutte}

Dit is het laatste panel van de strip Zagreb Lift. LEES MEER OP www.slangbytes.nl/zagreb-lift

32


Het thema van het zesde SLANG Magazine volume is:

ERROR Maak iets literairs of iets beeldends wat daar goed of fout bij past, stuur het naar info@slangbytes.nl en word gepubliceerd in SLANG #6! g

!

Alle bijdrages worden warm verwelkomd op info@slangbytes.nl en de beste worden gepubliceerd in SLANG #6.

9DQDIMDQXDULRS Het zomeraanbod 2012

Staat nu online! URHWHU6HLODQG CREA Debat CREA

lezingen, films, films, documentaires documentaires en en debatten debatten lezingen,

CREA Popquiz

uitkateren met muziek op zondagmiddag uitkateren

CREA Plug & Play CREA

CREA Klassiek

nieuwe bands, bands, iedere iedere 3e 3e vrijdag vrijdag nieuwe

CREA Open Podium CREA nieuw talent, talent, iedere iedere 2e 2e donderdag donderdag nieuw

concertavonden, iedere 4e donderdag concertavonden,

Goedkoop Cabaret

veelbelovende professionals voor ďż˝ 7,33 veelbelovende

CREA Cursussen CREA

Fotografie, theater, theater, dans, dans, muziek, muziek, literatuur, literatuur, Fotografie, film en en meer! meer! Nieuwe Nieuwe cursussen cursussen starten starten in in film februari. Schrijf Schrijf je je in! in! februari.

Nieuwe Achtergracht 170 1LHXZH$FKWHUJUDFKW

Theater

CREA producties, improvisatietheater en CREA studentengezelschappen

www.crea.uva.nl ZZZFUHDXYDQO


Profile for SLANG Magazine

SLANG Magazine #5 - Balkan  

Bekijk hier het vijfde nummer van SLANG Magazine, met het thema Balkan. Met teksten van o.a. Willem Slofstra, Mirza Dolic, Twan Zegers en Sv...

SLANG Magazine #5 - Balkan  

Bekijk hier het vijfde nummer van SLANG Magazine, met het thema Balkan. Met teksten van o.a. Willem Slofstra, Mirza Dolic, Twan Zegers en Sv...

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded