Page 7

INTERVIEW

Jan Derksen studeerde begin jaren zeventig af aan de School voor de Journalistiek. “Toen ik de opleiding afgerond had, kreeg ik het idee dat er voor mij te weinig uitdaging zat in een baan als journalist”, vertelt Jan Derksen, “en zo kreeg ik het idee om een universitaire opleiding te gaan volgen.” De belangstelling voor de psychologie was er altijd al en zo studeerde hij vervolgens psychologie, sociologie en filosofie. Sinds die tijd werkt hij aan de Sectie Klinische Psychologie, is hij hoogleraar klinische psychologie en vervult een persoonlijk universitair hoofddocentschap in psychodiagnostiek. Hij doceert aan de Radboud Universiteit en de Vrije Universiteit van Brussel.

Naast zijn universitaire werk is hij in 1978 een praktijk gestart in de eerstelijnsgezondheidszorg. In deze gecombineerde eerstelijns-en psychotherapiepraktijk werken momenteel vijftien collega's. Zelf werkt hij hier anderhalve dag per week en op deze dagen probeert hij veel patiënten te zien en supervisie te geven. Daarnaast heeft hij een postdoctoraal opleidingscentrum opgericht en een uitgeverij voor psychologische testmaterialen. In zijn wetenschappelijk werk heeft hij zich jarenlang beziggehouden met persoonlijkheidsstoornissen en met psychologische tests (onder meer persoonlijkheidstests, emotionele intelligentie tests) en publiceerde hierover nationaal en internationaal. Dat hij de journalistiek nooit heeft losgelaten, blijkt wel uit de vele boeken die hij alleen of in samenwerking schreef en de vele artikelen en columns. Op de PSC-dagen zult u een lezing geven over de aandacht die er in de psychologie uitgaat naar labels. Wat kunt u hierover vertellen? “Emoties zijn altijd al een beetje het stiefkind geweest van de academici binnen de psychologie. Vroeger lag het accent vooral op het waarneembare gedrag (behaviorisme). Daarna zijn daar de cognities bijgekomen (cognitieve patronen), maar de emoties hebben eigenlijk nooit veel aandacht gekregen binnen de psychologieopleiding. Terwijl de emoties juist datgene zijn waarmee mensen zitten. Dus in die zin zie ik wel enige achterstand. Tegenwoordig wordt in de psychologische diagnostiek veel te veel met de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) gewerkt. De DSM is eigenlijk een medisch classificatiesysteem en gaat niet over psychologische diagnoses. De classificaties zijn niet zo geschikt voor de klinische praktijk.” Waarom zijn ze daar niet geschikt voor? “Omdat de DSM spreekt over categorieën. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over een angststoornis als iemand voldoet aan zeven criteria. Als iemand maar voldoet aan zes criteria, heeft deze persoon geen angststoornis terwijl hij of zij wel degelijk angstig is. Het werken met categorieën betekent dat er gewerkt wordt met grenzen. In de geneeskunde werken deze grenzen meestal wel. Je hebt bijvoorbeeld je been gebroken of niet gebroken; je hebt een longontsteking of niet. Bij psychische problematiek gaat het meer over dimensies. Je bent bijvoorbeeld meer of minder angstig en dan is een DSM-label dat zegt dat je een angststoornis hebt, eigenlijk niet zo zinvol. Als je niet voldoet aan alle criteria heb je geen angststoornis, maar je bent wel angstig en je hebt wel degelijk een hulpvraag. Zo zijn er veel mensen met een hulpvraag die niet past binnen de DSM, maar die wel hulp nodig hebben. Het probleem hierbij is dat de verzekeraars er eigenlijk met de DSM vandoor gegaan zijn. Daardoor vallen veel mensen buiten de boot. De labels die voortkomen uit het gebruik van de DSM, hebben nog een groot nadeel. Mensen met labels gaan hier vaak mee aan de loop. Iemand heeft bijvoorbeeld borderline of een borderlinepersoonlijkheidsstoornis. Vervolgens zitten ze bij een borderlinepatiëntengroep en dan hebben ze een identiteit en een claimkracht en dan is de kans groot dat ze gaan leven naar het label. Dan ontlenen ze een stuk van hun identiteit aan een label uit de DSM. Dat vind ik niet het prototype van gezond gedrag en van goede coping. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook massaal met ADHD. Ouders zeggen dan: nou snap ik het. Mijn kind heeft ADHD. Dan valt ineens het kwartje. Maar eigenlijk is dat kletskoek, want ADHD is niks. ADHD is een label dat staat voor vijf trekken, maar het verklaart niets. Het wordt eigenlijk ‘verdingenlijkt’ zoals dat wel eens genoemd wordt. Door de etiketten lijkt

PSC 7

PSC MAGAZINE EDITIE 2 – 2014  

PSC MAGAZINE EDITIE 2 – 2014