Page 1

6

Ecologische corridor De ecologische corridor OostvaardersWold staat al geruime tijd ‘op het verlanglijstje’ van de provincie Flevoland. Op een aantal omwonende boeren na, voor wie de komst van de corridor vrij grote implicaties zou hebben, wil men - de bevolking, beleidsmakers en natuurliefhebbers - graag dat er een robuuste verbinding komt die de moerassige natuur van de Oostvaardersplassen zal verbinden met de droge(re) bossen van het Horsterwold, de Veluwe en uiteindelijk met de Duitse natuurgebieden. Nu er door de financiële crisis te weinig geld beschikbaar is voor ecologische doelstellingen, moeten we slimmer gaan nadenken over de mogelijkheden van zo’n ecologische verbindingszone. Natuur creëren puur voor verhoging van de biodiversiteit, voor flora en fauna is verleden tijd. Wat kan er dan nog wel?


Visie

visie

vitale natuur: oostvaardersplassen

doelstellingen

vitale natuur: horsterwold

robuuste corridor: oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Functioneel én vitaal Over het belang van de komst van een robuuste verbindingszone die het geïsoleerd liggende, maar ecologisch zeer waardevolle gebied de Oostvaardersplassen gaat verbinden met de Veluwe en uiteindelijk met natuurgebieden in Duitsland, is al heel veel geschreven en gezegd, zowel in dit rapport als in andere literatuur. Overkoepelende afspraken De overheid heeft het belang ervan ook erkend en heeft, samen met andere EU-landen, al jaren geleden afspraken gemaakt voor de realisatie van een overkoepelend netwerk van natuurgebieden die via robuuste verbindingszones met elkaar in verbinding zouden staan. De natuurgebieden vormen niet het grootste probleem. Dat betreft doorgaans nl. gebieden die al aanwezig zijn. De verbindingen zijn echter wel een probleem. Door een dicht netwerk van infrastructuur en andere vormen van landgebruik is het voor veel dieren (maar ook planten) moeilijk om zich te verplaatsen van het ene natuurgebied naar het andere. In de meeste gevallen zit flora en fauna gevangen binnen de grenzen van geisoleerde natuurgebieden. Soms letterlijk, doordat er, zoals bij grote delen van de Veluwe, maar ook de Oostvaardersplassen, vanuit veiligheidsoverwegingen hekken om zo’n gebied zijn geplaatst. In andere gevallen vormt het gebrek aan geschikte habitats in de omgeving (stapstenen) de grootste barrière omdat flora en fauna niet in staat zijn om grote afstanden te overbruggen naar het volgende leefgebied.

6. eco-corridor

Het belang van verbindingen Zonder verbindingen kunnen dier- en plantsoorten uitsterven, omdat ze zich niet kunnen aanpassen (mn. verplaatsen) bij veranderende omstandigheden die bijvoorbeeld veroorzaakt worden door klimaatveranderingen. Om dit te voorkomen zijn die robuuste verbindingen zeer noodzakelijk. Daar zijn strenge beleidsmatige afspraken over gemaakt. De realisatie van het netwerk, de EHS, zou in 2018 klaar moeten zijn. De crisis, gecombineerd met een regering die het belang van het instand houden en vergroten van de biodiversiteit niet zo heel veel prioriteit toekent, heeft tot een breuk geleid in de afspraken die gemaakt waren met andere landen. Een streep erdoor. Er wordt simpelweg geen geld meer voor uitgetrokken. Ecologisch evenwicht? Het belang van de corridor is er echter niet minder om geworden. Middels een zeker populatiebeheer wordt de wildstand in de Oostvaardersplassen op een dusdanig peil gehouden dat dierenleed zoveel mogelijk voorkomen wordt. Dit beleid leidt echter niet tot een zeker evenwicht of een verhoging van de biodiversiteit. De onnatuurlijk hoge populatie edelherten en grote grazers - die zonder natuurlijke vijanden onbeperkt kan uitbreiden - trans121

formeren dit belangrijke leefgebied naar een kale vlakte waar de biodiversiteit het laatste decennium sterk is afgenomen. Je zou dit als een ecologisch experiment kunnen beschouwen. Wat gebeurt er als we nog langer niets doen? Ontstaat er - als we helemaal niet ingrijpen - uiteindelijk toch een min of meer stabiel ecosysteem? Echter, een echt gezond evenwicht, zal waarschijnlijk nooit ontstaan. Nu is het de vraag of evenwicht het streven zou moeten zijn. De natuur kent immers ook schommelingen. Het ene jaar zorgt droogte voor schade of zorgen koude winters voor extra veel of juist weinig plaagdieren. Ook overstromingen zorgen ervoor dat bepaalde planten verdwijnen en andere beter gedijen. Die schommelingen zijn normaal. Wat niet ‘normaal’ is, en nooit ecologisch gezond kan zijn of worden, is natuurgebieden isoleren. Low budget doorzetten Wij streven naar een zo hoog mogelijke biodiversiteit. Hoe hoger de biodiversiteit, hoe sneller natuur kan herstellen na natuurlijke gebeurtenissen die schade veroorzaken (droogte, overstromingen, toename plaagdieren, stormschade, etc.). Voor dit streven naar biodiversiteit is de komst van die corridor tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold essentieel. Nu de komst ervan door financiële tegenslag onzeker is geworden, willen wij een concept voorleggen, waarin de verbinding ook zonder financiële overheidssteun (vrijwel) rendabel kan zijn. Met andere woorden: de corridor moet financieel ‘zijn eigen broek op kunnen houden.’ Functioneel én vitaal In ons ontwerpproces gaan we op zoek naar de optimale balans tussen functionele en vitale natuur. Op de vruchtbare kleigrond is traditionele, grootschalige landbouw zeer rendabel. Op dergelijke grond hoeven er - behalve draineren - in principe niet zo heel veel kunstgrepen uitgehaald te worden voor een goede oogst. Maar die grootschalige landbouw gaat helaas niet samen met een streven naar een zo hoog mogelijke biodiversiteit. Daar komt nog bij dat er - omdat er in dit grootschalige landschap geen biologisch evenwicht bestaat - er gebruikgemaakt moet worden van bestrijdingsmiddelen. Wat de oogstopbrengst betreft, leveren we in ons ontwerp een beetje in, maar daar krijgen we veel voor terug. We zetten in op maximale meerwaarde op diverse gebieden: recreatie, biodiversiteit, gebruik van ecosysteemdiensten, oogstopbrengst, dierenwelzijn en veerkracht. We gaan voor en, en, en en niet voor of, of, of. Dat betekent dat je op sommige terreinen een klein beetje inlevert in ruil voor winst op andere terreinen. Een beetje polderen dus. Daar zijn we immers goed in!


Doelstellingen

vitale natuur: oostvaardersplassen

visie doelstellingen

vitale natuur: horsterwold

robuuste corridor: oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Inleiding doelstellingen

Doelstellingen UN

Er zijn diverse belangen gemoeid bij het ontwerp en realisatie van een ecologische corridor. In deze paragraaf proberen we alle belangen en doelstellingen samen te vatten.

Het United Nations Development Programme (UNDP, 2004a), waar tijdens de VN-Millenniumtop in september 2000 afspraken voor zijn gemaakt, bevat een aantal Millennium Development Goals (MDG’s) waar elk VN-land naar zou moeten streven. Speerpunten zijn oa. armoedeen hongerbestrijding en de bescherming van een duurzaam leefmilieu. De onderlinge wisselwerking tussen biodiversiteit, ecosysteemdiensten en duurzame ontwikkeling neemt een belangrijke plek in. Van belang voor Zuidelijk Flevoland zijn de volgende MDG’s:

Het pakketje doelstellingen is vrij complex en staat soms (schijnbaar) haaks op elkaar. Zo is voedselvoorziening in de doelstellingen van de UN prioriteit nummer één; je zou in principe dus geen goede, productieve landbouwgronden mogen ‘inbrengen’ voor versterking van natuurwaarden. Hierdoor lijkt het streven naar ecologische duurzaamheid haaks te staan op de doelstelling om het voedseltekort terug te brengen en op de korte termijn is dat ook zeker waar. Op de lange termijn is het een ander verhaal. Een gezond systeem heeft de langste adem. Andere doelstellingen lijken weer heel goed samen te gaan. Zo is de ecologische waarde van wetlands (waar ook de Oostvaardersplassen toe behoort) op mondiaal niveau erkent. Wetlands behoren beschermd te worden en bij voorkeur in areaal toe te nemen. Vanwege het grote, grensoverschrijdende belang zijn bestaande wetland-habitats onderdeel van het Natura2000-netwerk; een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De omstandigheden in Nederland zijn potentieel erg interessant voor de ontwikkeling van wetlands. En deze natte habitats blijken, niet verrassend, erg goed te combineren met de wateropgave die voor gebieden met (potentiele) wateroverlast gelden, zoals voor het gebied Almere OosterWold.

Dat wij in Nederland voldoende voedsel en geen tekorten aan zoet (drink)water hebben, wil niet zeggen dat we ons niet aangesproken hoeven te voelen. De ecologische footprint van de Nederlander is zo groot dat als iedereen in de wereld net zoveel zou consumeren als de gemiddelde Nederlander in 2008, er drieënhalve aarde nodig zou zijn om dit mogelijk te maken (Living Planet Rapport, WNF 2012). Die footprint moet omlaag.

6. eco-corridor

De doelstellingen varieren in omvang en prioriteit of urgentie. Sommige doelstellingen zijn van mondiaal belang, andere van regionaal of lokaal niveau.

Beëindiging van de honger (MDG 1) hangt samen met duurzame en productieve landbouw, die op zijn beurt is gebaseerd op het behoud en onderhoud van landbouwgronden, water, genetische hulpbronnen en ecologische processen; De capaciteit van de visserij aan honderden miljoenen mensen in de wereld te voorzien van het grootste deel van hun dierlijke eiwitinname is afhankelijk van het behoud van ecosystemen die vissen voorzien van voedsel en een geschikte habitat (zoals wetland ecosystemen). MDG’s gericht op verbetering van de gezondheid en sanitaire voorzieningen (MDG’s 4, 5 en 6), zijn gezonde, goed functionerende zoet water ecosystemen aan voldoende aanvoer van schoon water te voorzien, en genetische hulpbronnen voor zowel moderne als traditionele medicijnen.

grootschalige

landbouw

staat

haaks op vergroten biodiversiteit

ecologische footprint

het behoud van wetlands is van

per land

mondiaal ecologisch belang

122


Doelstellingen Ecologische doelstellingen De hoofddoelstelling voor natuur bestaat uit de realisatie van het Flevolandse deel van een functionele ecologische verbinding met als doelsoort het edelhert. De gehele verbinding loopt van de Oostvaardersplassen via de Veluwe naar Duitsland. Daarvoor is het nodig dat er een verbindingszone komt die deels functioneert als leefgebied en die gemiddeld ca. 1 kilometer breed is, over de totale lengte van het gebied. Het OostvaardersWold zal twee grote kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur, de Oostvaardersplassen en het Horsterwold met elkaar verbinden. Hiermee zal een aaneengesloten natuurgebied van circa 15.000 hectare ontstaan. De zone wordt ingericht als een waterrijk landschap met waterstrengen en drogere delen. De doelsoorten waarop de verbinding wordt gedimensioneerd, zijn - naast edelherten - ook konikpaarden en heckrunderen. Tal van andere (kleinere) diersoorten zullen zich verplaatsen via het OostvaardersWold. Gelet op de afstand tussen beide kerngebieden is het noodzakelijk dat het gebied niet alleen als verbinding gaat functioneren, maar ook een rustgebied heeft. Voor het edelhert wordt een rustgebied van circa 300 hectare gerealiseerd om zich te kunnen terugtrekken.

6. eco-corridor

Foerageergebied blauwe en bruine kiekendief De blauwe en de bruine kiekendief zijn beide soorten die broeden in de Oostvaardersplassen, maar die voor hun voedsel veelal afhankelijk zijn van het gebied er omheen. Door de voortgaande groei van de steden en een verdere intensivering van het landbouwgebied zijn de omstandigheden voor deze soorten geleidelijk verslechterd. Op basis van de Natuurbeschermingswet geldt de verplichting om een populatie van minimaal 4 paar blauwe kiekendieven en 40 paar bruine kiekendieven in en nabij de Oostvaardersplassen in stand te houden. Hiertoe kan binnen het plangebied OostvaardersWold 470 hectareoptimaal foerageergebied te worden aangelegd of een equivalent aan suboptimaal foerageergebied. Door in de directe omgeving van het bestaande broedgebied nieuwe zones te creëren waarin het gebied geschikt gemaakt wordt voor foerageermogelijkheden van de kiekendieven, wordt het mogelijk de instandhoudingsdoelstellingen voor de langere termijn zeker te stellen. Topnatuur creëren door biodiversiteit te bevorderen Ook al zijn de grote grazers belangrijke iconen voor het totale gebied, zij zijn onderdeel van een groter en gevarieerder systeem. Het totale Oostvaardersland is te be123

schouwen als een deltasysteem. Dit systeem wordt zo veel mogelijk gestuurd door een natuurlijke dynamiek van water, wind, seizoensinvloeden en de wisselwerking tussen plant en dier. Door binnen het OostvaardersWold zo veel mogelijk variatie te realiseren ontstaat een soortenrijkdom die te kwalificeren is als topnatuur. Hiervoor worden gradiënten gerealiseerd, geleidelijke overgangen van droog naar nat, geleidelijke overgangen van klei naar zand, geleidelijke overgangen tussen gebieden met meer en minder begroeiing. Ook worden gebieden gecreëerd die geïsoleerd liggen. Hoe gevarieerder en completer het systeem hoe meer natuurlijke processen zich in hun eigen tempo kunnen ontwikkelen. Deze projectdoelstelling past binnen het nationale en provinciale beleid om biodiversiteit voor toekomstige generaties te bewaren en beschikbaar te houden voor duurzaam gebruik. Biodiversiteit blijft wereldwijd onder druk staan. De provincie Flevoland heeft daarom beleid uitgewerkt waarin biodiversiteit binnen de Provincie wordt geborgd en waar mogelijk versterkt. Het OostvaardersWold kan daar een invulling aan geven. Ecologische normdoelstelling water Voor een hoge biodiversiteit is het van belang om een zo hoog mogelijke waterkwaliteit te bereiken, vooral in gebieden die gekenmerkt worden door natte natuurdoeltypen (wat in de corridor het geval zal zijn). Een hoge waterkwaliteit vereist een zo laag mogelijke voedselrijkdom. Te voedselrijk water resulteert in een verhoging (blauw)alg en (blauw)wierenfytoplankton. De toename in biomassa vermindert het doorzicht in het water, waardoor hoge waterplanten minder goed gedijen. Het water in de tochten is momenteel (te) voedselrijk (momenteel P=0,26mg/l, N=6,2mg/l - optimum P=0- 0,1mg/l, N=0-1mg/l), en is enigszins vervuild met chloride, waardoor het licht brak is (momenteel 375mg/l, optimaal 20-80mg/l). Optimum natuurlijke toestand ecosysteem plas In de ideale situatie is het water voedselarm. Er is een uitgestrekte, ondiepe oeverzone waar plantengroei kan voorkomen die in de diepere delen ontbreekt door afwezigheid van voldoende licht. Vooral in diepe plassen met een goede zuurstofhuishouding kan de bodemfauna rijk ontwikkeld zijn. Aan de oevers komen hogere planten uit de fontuinkruidfamilie voor. Het water is stilstaand of heeft slechts geringe stroming. Voeding met zoet water, door regen, uit ander oppervlaktewater of uit grondwater. Niet verder dan 7-8m uitdiepen (diepe delen). Zoveel mogelijk hydrologische isolatie. Beperkte recreatie en sportvisserij.


vitale natuur: oostvaardersplassen

visie doelstellingen

vitale natuur: horsterwold

robuuste corridor: oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Wateropgave

Overige ambities

Een randvoorwaarde voor het OostvaardersWold betreft de realisatie van een duurzaam watersysteem binnen het OostvaardersWold. Vanuit het waterbeleid geldt voor het OostvaardersWold de opgave om het omliggende watersysteem niet te belasten (niet afwentelen).

Boscompensatie Bos dat binnen de provincie Flevoland gekapt wordt voor bijvoorbeeld verstedelijking moet elders worden gecompenseerd. Omdat binnen de gemeente Almere bijvoorbeeld nauwelijks ruimte beschikbaar is, bestaat de ambitie om deze compensatie (deels) te realiseren in de groenblauwe zone

Dit betekent dat het watersysteem (de waterkwantiteit en de waterkwaliteit) van het OostvaardersWold duurzaam zal moeten worden ingericht, waarbij rekening gehouden wordt met mogelijke klimaatveranderingen en bodemdaling. Voor de waterkwantiteit dient het OostvaardersWold de benodigde waterberging voor het gebied zelf te verzorgen. Bodemdaling in combinatie met zeer zware regenval kan er in de toekomst (2050) toe leiden dat, verspreid over Zuidelijk en Oostelijk Flevoland, 6.200 hectare met wateroverlast te maken krijgt. Het waterschap kan naar verwachting ongeveer de helft van deze opgave oplossen door bestaand beleid uit te voeren. Dit bestaand beleid betreft flexibel peilbeheer (vasthouden), de aanleg van duurzame oevers (bergen), het oplossen van knelpunten in het watersysteem en het optimaliseren van het gemaalinzet (afvoeren). Voor de rest van de opgave moet het waterschap andere oplossingen zoeken.

Reductie bodemdaling en verzilting Door sterke inklinking, die het gevolg is van een te extreme drooglegging icm. rijping van de ondergrond, zijn grote delen van de polder ernstig verzakt. Dit rijpingsproces is nog niet voltooid en zal nog minimaal 40 jaar doorzetten. Naast het inklinkingsprobleem heeft de drooglegging ook een negatief effect op het zoutgehalte in de bodem. Door ontwatering komt op kwelgevoelige plaatsen meer kwel aan het oppervlak. De kwaliteit van dit kwelwater is op zich goed, maar doordat het stroomt door zoutlagen in de ondergrond raakt het vervuild met zoutchloride en neemt dit mee naar het oppervlak. Zowel de verzilting als bodemdaling zouden gereduceerd moeten worden. Duurzame houtproductie Nederland heeft afgesproken dat vijf procent van het hout dat wij jaarlijks gebruiken, uit eigen land moet komen. Uit duurzaam beheerde bossen. Onderzocht kan worden of een bijdrage aan deze duurzame houtproductie afkomstig kan zijn uit de corridor

6. eco-corridor

Van het gebied dat in 2050 niet aan de normen voldoet, bevindt zich 340 hectare in het plangebied van het Oostvaarders- Wold. Deze bijdrage aan het oplossen van de wateropgave (340 ha.) wordt gerealiseerd door de functieverandering van landbouw naar natuur. Voor natuur geldt namelijk, in tegenstelling tot agrarisch- en woongebied, geen norm voor wateroverlast.

Recreatie Het is het streven om 85% van de te realiseren natuur beleefbaar te maken voor recreanten. Het OostvaardersWold betekent een flinke uitbreiding van het recreatieve uitloopgebied van Almere. Ook moet de zone bijdragen aan het ervaren van een Unique Selling Point op het gebied van natuur gerichte recreatie.

ecologische verbinding

natuurrecreatie en water-

boscompensatie

doelsoort edelhert

berging

ders gekapt bos

voor

el-

124


Robuuste verbinding oostvaarderswold

horsterwold

oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Robuuste verbindingszone

De ecologische hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. De ecologische hoofdstructuur zou samen met het Natura 2000 netwerk, een belangrijke bijdrage moeten leveren aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit in Nederland.

In de Nota Ruimte is het doel opgenomen om tussen de natuurgebieden Oostvaardersplassen en de Veluwe een robuuste ecologische verbinding te realiseren als onderdeel van de grote verbinding tussen de belangrijkste Nederlandse en Duitse natuurgebieden.

Klimaatveranderingen, en vooral het tempo waarin deze verlopen, maken de komst van een aangesloten netwerk nog urgenter. Het ontbreken van ecologische verbindingen kan ertoe leiden dat bepaalde natuurgebieden met hun leefgemeenschappen geĂŻsoleerd raken (Dit wordt ook wel habitatfragmentatie genoemd). Het is normaal dat de omstandigheden in een leefgemeenschap niet altijd gelijk zijn. Wanneer een populatie in een slechte periode achteruit gaat, dan bestaat het risico dat een kritische ondergrens overschreden wordt waardoor een organisme verdwijnt. Mitigatie is een term die gebruikt wordt in het kader van de Flora- en faunawet. Bij aantasting van het leefgebied van beschermde soorten planten en dieren kan de overheid mitigerende maatregelen eisen. Deze maatregelen zorgen ervoor dat beschermde soorten ook na de aantasting kunnen blijven voortbestaan in hun leefgebied, de ecologische functionaliteit blijft in dat geval behouden. Als dit niet het geval is, dan kan de overheid compenserende maatregelen voorschrijven waarbij buiten het oorspronkelijke leefgebied nieuw leefgebied wordt gemaakt (nieuwe natuur).

6. eco-corridor

oostvaardersplassen

doelstellingen

Ecologische hoofdstructuur

De ecologische hoofdstructuur is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. Het doel is om deze structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Een ecologische verbindingszone is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur) die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Ecologische verbindingszones worden aangelegd om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken (uitwisseling van genen).

125

visie

De Oostvaarderswold moet een verbinding gaan vormen tussen twee belangrijke natuurgebieden, de Oostvaardersplassen en het Horsterwold. In rijksnota’s wordt voor de realisatie van de robuuste ecologische verbinding door Flevoland ingezet op het edelhert als doelsoort. De meeste mensen kennen het edelhert slechts van de droge bosgebieden zoals de Veluwe. Van oudsher kwam deze soort echter vooral langs de grote rivieren voor. Door menselijk toedoen zijn ze daar op veel plaatsen verdreven. In het buitenland (bijvoorbeeld Spanje en Schotland) komt het edelhert nog steeds voor in meer open en moerassige terreinen, vergelijkbaar met het Oostvaardersplassengebied. Gelet op de afstand tussen beide kerngebieden is het noodzakelijk dat het gebied niet alleen als verbinding gaat functioneren, maar ook een rustgebied heeft. Voor het edelhert wordt een rustgebied van minimaal 300 hectare gerealiseerd om zich te kunnen terugtrekken. De verbindingszone geeft de soorten meer voedselbronnen, bescherming, diverse(re) habitats, vergroot het leefgebied, biedt mogelijkheden voor migratie en draagt bij aan de stabiliteit van het systeem.

Locatie corridor


Robuuste verbinding oostvaardersplassen

visie

oostvaardersplassen

doelstellingen

horsterwold

oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Kenmerken

Fauna

Het gebied wordt gekenmerkt door ruige en korte graslanden, rietvelden, ruigtekruiden en verspreid staande bomen en bossen van voornamelijk wilgen, met berk, meidoorn, populier en es. Er zijn ca. 250 plantensoorten vastgesteld. Bijzondere soorten, zeldzaam buiten de Oostvaardersplassen maar talrijk in het gebied, zijn moerasandijvie, goudknopje, moerasdroogbloem en rode ogentroost.

Zoogdieren Edelhert, konikpaard, Heckrund, ree, haas, konijn, veldmuis, woelmuis, bosmuis, dwergmuis, vos, hermelijn, bunzing, wezel, muskusrat. Vissen Karper, brasem, stekelbaars, baars, pos, winde, kolblei, spiegelkarper, blankvoorn, paling, snoekbaars. Bijzondere soorten zijn alver, serpeling, spiering en kopvoorn. AmfibieĂŤn en reptielen Gewone pad, rugstreeppad, bruine kikker, groene kikker, meerkikker, watersalamander, ringslang. Insecten en vlinders Oeverlibel, blauwe platbuik, landkaartje, oranjetipje, rietvink, zwarte aaskever. Grote grazers In de zomer van 2010 waren in de Oostvaardersplassen de volgende aantallen grote grazers: 1090 Konikpaarden (introductie 1984); 320 Heckrunderen (introductie 1983); 2200 - 2800 edelherten (introductie 1992)

Oppervlakte: circa 6000 ha (waarvan 1.600 open water, 2.000 riet en 2.400 gras en bos)

6. eco-corridor

Vogels Zeearend, visarend, bruine en blauwe kiekendief, lepelaar, grote en kleine zilverreiger, aalscholver, blauwborst, baardmannetje, porseleinhoen, roerdomp, bergeend, brandgans, grauwe gans, grutto, kluut, kolgans, krakeend, nonnetje, pijlstaart, slobeend, smient, tafeleend, wilde zwaan, wintertaling, kuifeend.

konikpaarden bron: wikipedia

126


Robuuste verbinding horsterwold

visie

oostvaardersplassen

doelstellingen

horsterwold

oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Kenmerken Het Horsterwold is een jong bos nabij Zeewolde dat grenst aan het Nuldernauw. Dit bos is niet alleen het grootste loofbos van Nederland, het is tevens bijzonder omdat dit een bos is op kleigrond. De groei van bomen is spectaculair doordat zure regen geen vat heeft op dit milieu en doordat de grondsoort zeer vruchtbaar is. Het bos is aangeplant en bestaat voor een groot deel uit productiebos. Bij het planten is rekening gehouden met de abiotische factoren (vnl. wind en bodemtype). Een deel, de zgn. stille kern, bestaat uit bos waarin de natuur zijn gang mag gaan. Hier ontstaat een ooibosmoeras. Er grazen runderen en paarden die zorgen voor een natuurlijk beheer. Er wordt gezocht naar een gezond evenwicht. De populatie grote grazers is groot genoeg om te voorkomen dat het een dicht bos wordt, maar is ook weer niet zo groot dat de boel wordt kaalgegeten.

6. eco-corridor

In het stiltegebied zijn geen gebaande paden; de recreant

stiltekern horsterwold foto: arie van g

127

kan gebruikmaken van de groenstroken, wildwissels, of gewoonweg rondstruinen. Er zijn plannen om in het Nuldernauw eilandjes aan te leggen. Van de zo ontstane ecologische verbindingszone zullen in eerste instantie soorten als de das, de snoek, de Europese otter en de ringslang profiteren. Wanneer ook de A6 en de A28 overbrugbaar zijn, dan is er een connectie tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe. Hiervan zullen het edelhert en het wild zwijn profiteren. De edelherten zullen het randmeer zwemmend of over het ijs oversteken van en naar de Veluwe. Oppervlakte: ca. 3700 ha.


Robuuste verbinding

visie

oostvaarderswold

oostvaardersplassen

doelstellingen

horsterwold

oostvaarderswold

ecologische natuurdoeltypen

Habitattypen

Doelsoorten

Om een natuurlijke overgang te creĂŤren van de natte natuurvegetaties van de Oostvaardersplassen (vnl. wilgenstruweel, ruige graslanden en rietvegetaties) en de drogere vegetatietypen van het Horsterwold (vnl. jonge polderbossen met rijke ondergroei van besdragende heesters. Bomen: populier, es, esdoorn, eik, iep, linde en beuk. Afwisseling bos met grazige weiden) zal de corridor gradiĂŤnten van zowel natte als droge(re) natuurtypen moeten bevatten.

Edelhert Konikpaard Heckrunder Sleedoornpage Waterspitsmuis Boommarter Das Bever Bruine/blauwe kiekendief Evt. otter Evt. wild zwijn

Het bodemtype is in de gehele corridor hetzelfde en bestaat uit een dikke, homogene en voedselrijke zeekleiafzetting. De bovenste 1,2m hiervan is gerijpt en vertoont verticale scheuren als gevolg van dit rijpingsproces. De bodem kan daardoor relatief veel vocht opnemen (spons). Naast realisatie van zo natuurlijk mogelijke vegetaties is het doel het areaal randen (zoomvegetaties) te maximaliseren.

das

6. eco-corridor

edelhert

sleedoornpage

rietvegetatie

wilgenooibos

128


Ontwerp ecologische corridor Onze inzet is een zo functioneel mogelijk gebruik van de corridor, maar met behoud en optimalisatie van de ecologische waarde en dus een zo groot mogelijke biodiversiteit. De biodiversiteit kun je op verschillende manieren verbeteren, oa. door:

6. eco-corridor

 Barrière’s wegnemen De natuur heeft een hoge aanpassingsgraad, mits vrij verkeer van de ene plek naar de andere mogelijk is. Door dispersie/migratie en mitigatie mogelijk te maken, wordt inteelt voorkomen (genenuitwisseling) en worden diersoorten voor uitsterven behoed.  Kleinschaligheid brengen in het landschap Een kleinschalig landschap heeft een afwisselend microklimaat en een maximalisatie van de hoeveelheid randen. Struweel, zoom en mantel vertonen een veel hogere biodiversiteit dan de kern van een bos. Ook fragmentarisch beheer zou moeten bijdragen aan de realisatie van een mozaïeklandschap.  Natuurlijke overgangen creëren. Abrupte overgangen zijn bijna net zo desastreus als infrastructurele barrières (wegen ed.) Een geleidelijke overgang tussen natte en droge natuur is essentieel.  Gebruik van inheemse planten Inheemse planten zorgen voor voldoende voedsel voor inheemse diersoorten. Exoten doen dat niet.  De juiste plant op de juiste plaats Indien gekozen wordt voor teelten in plaats van natuurlijk ontstane vegetaties, dan moeten de teelten de natuurlijke vegetaties zo dicht mogelijk benaderen.  Een ecologische balans vinden In uitzonderlijk grote natuurgebieden ontstaat van nature een ecologische balans tussen prooidieren en roofdieren. In kleinere natuurgebieden is dat lastiger. Het ontbreken van natuurlijke vijanden voor bepaalde diersoorten, zorgt ervoor dat populaties ongezond groot kunnen worden. Je zou kunnen stellen dat er vanzelf een evenwicht ontstaat als de voedselvoorraad maar klein genoeg wordt. Een kale vlakte á la Oostvaardersplassen is het resultaat. Een ecosysteem bestaat echter niet uit één diersoort, maar uit een samenwerking tussen allerlei dieren en planten. Overheersing van één soort staat haaks op verhoging van de biodiversiteit. Zolang natuurgebieden niet volledig verbonden zijn, is daarom populatiebeheer nodig. Dat het streven naar een zo groot mogelijke biodiversiteit ook kan samengaan met functioneel gebruik, en in zekere zin functioneel gebruik zelfs kan helpen, willen we bewijzen met dit ontwerp voor de corridor. Door maximaal gebruik te maken van ecosysteemdiensten (zie kader rechtsboven), de natuur inzetten voor drinkwaterwinning, als (piek)bergingscapaciteit, plaagdierbestrijding, gewasbestuiving, waterzuivering en teelt van groene grondstoffen en biomassa, halen we maximaal rendement uit deze ecologische zone en dat terwijl de ecologische waarde slechts minimaal lager is dan wanneer deze corridor in zijn geheel zou worden ‘teruggegeven’ aan de natuur. 129

agroforestry agroforestry, waaronder ook sylviculture en sylvopasture, zijn waardevolle teeltmethoden waarbij de opbrengst weliswaar lager is dan bij traditionele teeltmethoden, maar die wel goed te combineren zijn met de ecologische doelstelling en wateropgave. Ze putten de bodem niet uit en zijn ecologisch bijzonder waardevol.

veeteelt in de corridor In de corridor is ruimte voor één boerenbedrijf. Dit moet een kleinschalig gemengd bedrijf zijn dat vee laat grazen in de sylvopasture-weiden via een rotatiesysteem. De weiden die begraasd worden, zijn afgesloten voor wilde dieren. De onbegraasde weiden zijn wel toegankelijk. Het boerenbedrijf draagt ook de zorg voor populatiebeheer zodat een gezonde balans ontstaat tussen het beschikbare oppervlak en (wilde) dieren.


 vitale natuur

Het deel dat we ‘de badkuip’ noemen zal binnen de corridor de grootste peilfluctuaties hebben, omdat het tevens fungeert als piekbergingsbekken. De hoogte van de fluctuaties staan niet vast, omdat er geen ondergrens is vastgesteld, maar zal waarschijnlijk groter zijn dan 1m (-4,7 NAP bij piekberging tot -5,7 NAP bij droogte). Regelmatige inundatie (tijdens piekbuien) is in dit deel vrij waarschijnlijk. In ‘de badkuip’ vindt daarom geen traditionele, perceelsgebonden teelt plaats en worden er geen percelen uitgerasterd. De natuur mag hier haar gang gaan. Vegetatietypen ontstaan spontaan. Beheer bestaat uit begrazing door grote grazers, maar ook door cyclische teelt van biomassa.

Ecosysteemdiensten

Een ecosysteemdienst is een dienst die door een ecosysteem aan mensen wordt geleverd. Het betreft het verstrekken van een product door een ecosysteem (bijvoorbeeld drinkwater), of van een regulerende dienst (bijvoorbeeld bestuiving van gewassen), of van een culturele dienst (bijvoorbeeld gelegenheid geven tot recreatie) of van een dienst die de voorgaande diensten ondersteunt (bijvoorbeeld de kringloop van nutriënten in een ecosysteem). Door de verdubbeling van de wereldbevolking de afgelopen 50 jaar, de vergroting van de ecologische voetafdruk van de bevolking in de westerse wereld, en de opwarming van de aarde staan ecosystemen en hun diensten wereldwijd steeds meer onder druk. De afname in ecosysteemdiensten heeft in verschillende landen geleid tot een grotere bewustwording van het belang van deze diensten voor de bevolking en de economie.

 functioneel gebruik

Dat we inzetten op maximalisatie van het functionele gebruik van de corridor betekent niet dat we inleveren als het gaat om vitale natuur en ecologische waarden. Door slimme teeltmethodes te kiezen met inheemse gewassen die ook ‘van nature’ zouden ontstaan, kunnen vitale natuur en functionele natuur uitstekend samengaan. Omdat we de corridor ook willen inzetten voor de wateropgave van het gebied, komt er een extra criterium bij. Een deel van de te kiezen gewassen mag niet overstromingsgevoelig zijn. Ook deze voorwaarde hoeft niet ten koste te gaan van zowel de oogstopbrengst als de biodiversiteit en kan zelfs een meerwaarde opleveren.

 natuurlijke barrière

6. eco-corridor

recreatieve routes Er lopen twee verschillende recreatieve routes door en langs de ecologische corridor. De rode (fiets)route, die langs de rand van de corridor voert, is jaarrond opengesteld. De oranje (wandel)route wordt tijdens de bronsperiode van het groot wild (mn. edelherten) afgesloten. Deze periode loopt van augustus t/m oktober.

Edelherten zijn goede zwemmers en zijn bij nood zelfs in staat om een rivier over te zwemmen. Ze worden daarom niet tegengehouden door de beek. Voor konikpaarden en heckrunderen is dat een ander verhaal. Bij een minimale waterdiepte van 1m fungeert de beek aan de ene zijde en de bestaande vaart aan de andere zijde van de corridor een natuurlijke barrière voor deze grote grazers. Het edelhert kan zich in de hele zone begeven, muv. percelen die (tijdelijk) zijn afgerasterd of dmv. hoge hagen (meidoorn/sleedoornstruwelen) zijn afgeschermd.

130


(Grond)watersituatie

‘de badkuip’

Door natuurlijke, abiotische verschillen in de ondergrond (met name hoogteverschillen, het grondwaterpeil en kwelstromen) is de watersituatie voor elk deel van de corridor anders en kunnen er verschillende biotopen ontstaan. Hoewel de hoogteverschillen niet extreem zijn het verschil tussen het hoogste en laagste deel bedraagt slechts 1m, over een afstand van 9km gemeten - is de variatie in vegetatietypen toch erg groot. Juist in het spectrum van (ondiep) oppervlaktewater tot grondwatertrap III-IV (GWL >120cm onder mv) is de variatie natuurtypen het grootst. De mogelijke natuur- en teelttypen loopt van natte natuurvegetaties als riet-associaties (de teeltvariant is een rietzuiveringsmoeras), wilgenooibossen (de teeltvariant is wilgenteelt als biomassa en groene grondstof) via vochtige vegetaties als dotterbloemgrasland (ontstaat bij zomermaaien rietvegetatie) en kamgrasweiden (wat per definitie een natuurdoeltype is, omdat dit vegetatietype samenhangt met agrarisch beheer) en eindigt bij matig vochtige tot droge vegetatietypen als essen/elzenbos en essen/iepenbos (de teeltvariant is hakhout-middenbos voor houtproductie). De diverse gradaties in grondwatersituatie worden in ons plan nog verder uitvergroot door te gaan vergraven. Uitgegraven (klei)grond wordt elders in de corridor hergebruikt, oa. voor de aanleg van de wooneilanden, maar ook om de natuurlijke hoogteverschillen in met name het vitale natuurdeel te versterken. Hogere delen worden verder verhoogd en het ontstaan van droge stapstenen, waar zich bos kan ontwikkelen, worden kansrijker. Uitgangspunt is een gesloten grondbalans. Doordat de corridor ook ingezet wordt voor de wateropgave en er een flexibel peilbeheer wordt ingezet bij extreme neerslag, fluctueert het grondwaterpeil met maximaal +30cm (bij piekbuien). Een ondergrens (extreme droogte) is niet vastgesteld, maar kan -70cm of lager zijn.

Grondwatertrappen

In de corridor komen de volgende grondwatertrappen voor: 6. eco-corridor

Grondwatertrap

131

Gemiddeld hoogste grondwaterstand

Gemiddeld laagste grondwaterstand

I

--

< 50

IIa

< 25

50 – 80

IIb

25 – 40

50 – 80

IIIa

< 25

80 – 120

IIIb

25 – 40

80 – 120

IV

40 – 120

80 – 120

Het laagste deel van de corridor dient tevens als piekbergingsbekken en heeft dus een fluctuerend waterniveau. In de ‘natuurlijke situatie’ staat het grondwater met het nieuwe peilbesluit van -5 NAP net op of net onder het maaiveld. Om jaarrond oppervlaktewater te krijgen, moet gegraven worden. De plas die dan ontstaat is grotendeels erg ondiep (tot 1m) muv. bepaalde delen die dieper uitgegraven worden. Diepere delen zijn belangrijk om de waterkwaliteit te verbeteren én te voorkomen dat één rietmoeras ontstaat. Met name rondom de bebouwing zal de plas diepere delen hebben, mede om muggenoverlast voor bewoners te voorkomen. Ondiep water met een ongelijkmatige bodem vertegenwoordigt een grotere ecologische waarde dan diep water. Ondiep water is vooral rechts gesitueerd.

rietzuivering

De natuurlijke grondwaterstand die nodig is voor de realisatie van rietzuiveringsvelden is niet aanwezig op het beekbegeleidende deel van de corridor. Om hier toch rietzuiveringsvelden te kunnen aanleggen, wordt een laagje van de bodem afgegraven. De natuurlijke gemiddelde grondwaterstand varieert van 50-30cm onder maaiveld, terwijl een GVG van 10-20cm onder mv tot 50cm boven maaiveld ideaal is. Er wordt dus minimaal 20cm, maximaal 70cm weggegraven.

beekprofiel 

De beek, die wordt gesitueerd op de plek van een uitloper van de oude Eem, wordt voorzien van een accoladeprofiel. Een relatief smal deel wordt dieper uitgegraven en heeft een diepte van 1-2m diep en is daardoor altijd watervoerend, ook in tijden van droogte. De brede oevers hebben een heel flauw aflopend talud en zijn alleen (gedeeltelijk of volledig) watervoerend tijdens piekbuien. De beek wordt gevoed door grondwater, regenwater, maar ook vanuit het seizoensbekken. Dit laatste is niet om het waterpeil op niveau te houden, maar om tbv. de waterkwaliteit altijd een zekere doorstroming te garanderen. De beek staat in principe niet in verbinding met de Hoge Vaart (is afgesloten met een stuw of sluis, zie ook paragraaf recreatie), maar kan wel dienen als verbinding voor doelsoorten uit een beekbegeleidende habitat.


Legenda Oppervlaktewater minimaal 1m diep Oppervlaktewater maximaal 1m diep Oppervlaktewater/ droogvallend GWT I/GWT II a GWT II b GWT III a GWT III b GWT IV

 grondwater vs teeltype

De hoogtekaart - en de direct afgeleide grondwaterstanden tov het maaiveld - vormen de basis voor het teeltplan. Elk teeltype kent een minimale, maximale en optimale grondwaterstand. Niet de teelt bepaalt het grondwaterpeil, maar het grondwaterpeil bepaalt de teelt. Rietzuivering op de laagste delen, essen/iepen-hakhoutbos op de hoogste delen.

 bestaande tocht

6. eco-corridor

De bestaande tocht blijft gedeeltelijk behouden en wordt alleen in het meest zuidelijke deel van de corridor een stuk omgelegd. Het laatste deel van de vaart bestaat in de huidige situatie uit twee vaarten die uit één punt vertakken. Om extra ruimte te creëren, komt er daarvan één te vervallen. Deze vaart wordt deels gedempt, maar niet volledig. De greppel die overblijft fungeert in de nieuwe situatie als perceelsgrens en levert een extra, ca. 10m brede strook voor een smalle, natte biotoop in een gebied dat zich kenmerkt door steeds drogere vegetatietypen.

132


Gewassenteelt We hebben onszelf als doel gesteld om teelttypen te vinden die de vegetatietypen benaderen die zouden ontstaan als we de natuur haar gang zouden laten gaan. Wat via natuurlijke processen ontstaat, omvat meestal de grootst mogelijke biodiversiteit die haalbaar is binnen een bepaald gebied, omdat de flora en fauna dat zich vestigt, precies de soorten zijn die zich van nature thuisvoelen op die plek en onder die (a)biotische omstandigheden. We hebben daarom onderzoek gedaan naar de vegetatietypen die zich van nature zouden ontwikkelen binnen de corridor. De resultaten van dit onderzoek staan verderop in dit hoofdstuk onder detaillering > natuurdoeltypen. Met de uitkomsten van dit onderzoek zijn we verder gaan onderzoeken welke van deze planten een commerciële waarde vertegenwoordigen, maw.: met welke planten is een verdienmodel op te zetten. Het streven is niet om teelten te vinden die even winstgevend zijn als de traditionele gewassen, maar wel om teelten of teeltmethoden in te zetten die de zogenaamde best of both worlds vertegenwoordigen: een zo hoog mogelijke ecologische waarde in combinatie met een optimale commerciële waarde of andere waarde, die misschien niet direct in geld is uit te drukken, maar die neveneffecten hebben die winst in de breedste zin van het woord betekenen. De waarde van planten kan heel breed geïnterpreteerd worden. Denk aan ecosysteemdiensten (reeds wat verder uitgediept op de vorige pagina) of winst uit biomassa of groene grondstoffen-oogst. Ook verschillende, kleinschalige teeltmethoden kunnen een verhoging van de biodiversiteit opleveren, evenals een hogere oogstopbreng. De gevonden teelt(methodes) worden verderop in dit hoofdstuk verder uitgelegd.

Agroforestry

Agroforestry betreft landgebruiksystemen waarbij het planten en/of actief beheren van bomen wordt gecombineerd met landbouw of veeteelt.

6. eco-corridor

Agroforestry is een dynamisch en ecologisch verantwoord systeem van beheer van natuurlijke hulpbronnen. Door de integratie van bomen in de bedrijfsvoering van boerenbedrijven en in landbouwgebieden draagt het bij aan de verbetering van economische, milieu- en sociale baten door uitbreiding en verduurzaming van de productie. Agroforestry kan worden onderverdeeld in: Agro-sylvicultuur (Eng. agro-sylviculture), de combinatie van bomen en landbouwgewassen, en Sylvopastoralisme (Eng. sylvopasture), de combinatie van bomen en veehouderij.

133

salixteelt

Salix (wilg) kent vele toepassingen. In landen die kampen met droogte, is het blad van wilg een prima ‘backup’ als voer voor vee. Het zit boordevol voedingsstoffen. Door de snelle groei is het een interessant gewas voor biomassa-teelt, daarnaast kan het gewas ingezet worden voor waterzuivering, zelfs bij sterke vervuiling met zware metalen. Ook kunnen er groene bouwstoffen uit wilg gewonnen worden (oa. flavonen, flavonoides, cellulose, anti-bacterials, salicylzuur). Last but not least: De ecologische waarde is zeer groot.

sylvopasture/sylviculture

De combinatie veeteelt met houtproductie (sylvopasture, begrazing in populieren-boomweides) levert vele voordelen. Het is beter voor het vee, het vlees smaakt volgens onderzoeken beter en de houtproductie profiteert van begrazing (mits overbegrazing voorkomenwordt). De combinatie gewassenteelt en houtproductie (sylviculture) levert eveneens een dubbel voordeel. Houtsingels houden wind tegen, waardoor een groeizaam microklimaat ontstaat dat vroeger oogsten mogelijk maakt. Ook vormen de singels een geschikte habitat voor bestuivers en nuttige insecten die op hun beurt zorgen voor een goede bevruchting en plaagbestrijding.


ď&#x20AC;Ťrietzuivering Riet heeft enkele bijzondere eigenschappen, waardoor het de potentie heeft om een winst-

gevend gewas te zijn. Riet kan geoogst worden als biomassa, maar heeft daarnaast ook een zuiverende werking en kan op grote schaal ingezet worden als waterzuivering. Het fosfaat dat door de planten wordt opgenomen, kan eventueel gewonnen worden voor hergebruik in de landbouw. Op geen van de terreinen kan riet winstgevend geteeld worden, maar de mogelijkheden tezamen, vormen wel potentieel. De ecologische waarde van de rietlanden is groot. Het vegetatietype is veelvuldig aanwezig in de Oostvaardersplassen, maar is daarbuiten weinig te vinden. Door rietlanden ook in de corridor een plek te geven, kan het leefgebied van de vele riet- en watervogels flink worden uitgebreid.

Legenda Rietzuiveringsvelden Silvyculture/sylvopasture Salixteelt

Hakhout/middenbos

ď&#x20AC;Ť elzen-essen-iepen hakhout

Om de overgang van de moerasvegetatie van de Oostvaardersplassen naar de rijke loofbosvegetatie van het Horsterwold gegradeerd te laten verlopen worden steeds meer bospercelen aangeplant. Elzen/essenhakhoutbossen gedijen op plekken met een relatief hoge grondwaterstand (I-II), maar kunnen slecht tegen langdurige inundatie. Dit type beplanting kan daarom alleen op de delen geplant worden die niet overstromingsgevoelig zijn. Het grondwater bevindt zich hier op 40-50 cm onder maaiveld. 6. eco-corridor

Op de hoogste delen wordt iepen-essenhakhoutbos aangelegd. Het grondwater bevindt zich hier op 60-90 cm onder maaiveld.

134


Teeltsystemen inleiding

inleiding

sylvopasture

rietzuiveringsvelden

sylviculture

salixteelt

hakhout-middenbos

Inleiding We hebben gezocht naar teeltsystemen die de natuurlijke vegetatietypen zoveel mogelijk benaderen. Dit houdt in dat er uitsluitend inheemse gewassen mogelijk zijn. Uitheemse gewassen vallen af, ook bij een verhoogde opbrengst of een groter potentieel op het gebied van groene grondstoffen. Dit is een algemeen geldende spelregel voor de hele corridor. Of genetisch gemanipuleerde gewassen toegestaan zijn, daarover is discussie mogelijk. Wanneer uit onderzoek blijkt dat genetisch gemanipuleerde gewassen de biodiversiteit verlagen, mogen ze beslist niet toegepast worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij gewassen die zo gemanipuleerd zijn dat ze steriel geworden zijn. In de landbouw wordt biotechnologie vaak ingezet tegen schadelijke insecten. Gewassen kunnen genetisch gemodificeerd worden, zodat insecten de planten vermijden. Dankzij de genetische verandering zijn minder bestrijdingsmiddelen nodig. In dat laatste geval kan het genetisch gemanipuleerde gewas een meerwinst opleveren. Desondanks zijn we van mening dat door uitwisseling van genen, kruisbestuiving en natuurlijke selectie vanzelf een genetisch sterk evenwicht ontstaat en willen het gebruik van genetisch gemanipuleerd materiaal daarom niet motiveren.

6. eco-corridor

We hebben een keuze voor de teelten gemaakt binnen de inheemse vegetatietypen. In de natuur ontstaan vaak associaties, nooit ĂŠĂŠn plant in monocultuur. Monoculturen zijn per definitie minder bio-divers dan vegetaties die uit veel verschillende plantensoorten bestaat. In onze teelstystemen, willen we de natuurlijke plantenassociaties zoveel mogelijk benaderen. De plantensoorten die we willen telen, worden geplant, maar we laten ruimte over, in houtwallen, langs randen, onderbegroeiing, etc. voor spontane natuurontwikkeling.

geen grootschalige landbouw, maar variatie voor biodiversiteit

135

Grondwatertrap en teeltkeuze In de corridor is plek voor een grote variatie teelten en teeltsystemen, waaronder agroforestry en korteomloop-teelten. Deze verschillende teelten krijgen hun plek niet lukraak toegewezen. Deze is afhankelijk van de grondwaterstand op die plek en de overstromingsgevoeligheid tijdens piekbuien. Doordat er een licht verhang in het gebied zit en er bovendien hoogteverschillen zijn ontstaan door verschil in inklinking van de ondergrond, verschilt de grondwaterstand sterk van plek tot plek. Het grondwaterpeil is bepalend voor de keuze: GW I + (langdurige) inundaties Riet(associaties) kunnen lange tijd onder water staan. Voor ontkieming is tijdelijk droogvallen noodzakelijk. GWI-IIa + overstromingsdynamiek Wilgen(associaties) gedijen het beste bij een hoge overstromingsdynamiek en weerstaan vrij lange inundatieperioden. Zonder inundaties omvorming tot vochtig hardhoutooibos GWI-IIb zonder inundaties Graslanden (bloemrijk grasland) gedijen goed bij een grote invloed van grondwater, maar verdragen geen (winter)inundaties. De teeltvariant is de boomweide (Sylvopasture) GWI-III zonder overstromingsdynamiek In potentie valt een vrij groot deel van de corridor binnen dit criterium, omdat vooral het laagste deel 9de badkuip) echt overstromingsgevoelig is. Bij geen (hak)beheer of beweiding zou leiden tot het elzenrijk essen-iepenbos. De teeltvariant is elzen/essen hakhout-middenbos. Omdat de oogstwaarde van een dergelijke teelttype relatief laag is, hebben we het voorkomen ervan beperkt tot percelen met grondwatertrap IIIb GWII-III zonder inundaties In potentie valt een vrij groot deel van de corridor binnen dit criterium, omdat vooral het laagste deel 9de badkuip) echt overstromingsgevoelig is. Bij geen (hak)beheer of beweiding zou leiden tot het elzenrijk essen-iepenbos. De teeltvariant is elzen/essen hakhout-middenbos. Omdat de oogstwaarde van een dergelijke teelttype relatief laag is, hebben we het voorkomen ervan beperkt tot percelen met grondwatertrap IIIb. De ecologische waarde is wel groot.  GW III-IV zonder inundaties Deze grondwatertrap is optimaal voor het droog iepen-essenbos. De teelvariant is iepen/essen-hakhout-middenbos. Ook is deze grondwatertrap optimaal voor weide en akkerbouw. Een biologisch evenwichtige, meer natuurlijke variant is het sylviculture-principe.


Teeltsystemen

rietzuiveringsvelden

inleiding

sylvopasture

rietzuiveringsvelden

sylviculture

salixteelt

hakhout-middenbos

Rietzuiveringsvelden Rietvegetaties zijn zeer algemeen voorkomend in de Oostvaardersplassen en daarom essentieel om op te nemen in de corridor, om een natuurlijke overgang te creëren van de natte natuurtypen van de Oostvaardersplassen naar de droge(re) bosvegetaties van het Horsterwold. In rietvegetaties is riet (Phragmites australis) de belangrijkste soort, maar komen er naast riet ook andere soorten voor. Riet heeft een grote ecologische waarde, maar ook een commerciële. Zo is riet een snelgroeiend gewas dat zich leent voor de teelt van biomassa. Op zichzelf staand is de opbrengst van riet als biomassa niet voldoende om te kunnen concurreren met traditionele teelten, maar de commerciële waarde wordt een stuk aantrekkelijker wanneer ook andere eigenschappen van riet worden ingezet. Riet heeft een zeer hoog waterzuiverend vermogen. Het gewas bindt fosfaat uit water aan zich en wordt daarom veel gebruikt in helofytenfilters. Riet heeft een periode nodig van droogte om te kunnen ontkiemen, maar kan vervolgens tot 70cm onder water staan. Het gewas kan daarom ook prima worden aangeplant in waterbergingsgebieden. De recreatieve waarde is vervolgens ook groot. De ecologische waarde tot slot, is moeilijk in opbrengst te kwantificeren, want wat is ecologische waarde nu ‘waard’? Tel alle opbrengsten bij elkaar op en je hebt een gewas dat wél kan concureren met traditionele gewassenteelt. Het gaat om de functiemenging die voor meerwaarde zorgt, niet alleen de oogstwaarde.

Moerasvegetaties vormen een zeer belangrijke biotoop voor planten, vogels, vissen en andere fauna en dragen bij aan het landschapsschoon en het ‘zelfreinigend vermogen’ van wateren. Maaibeheer Rietteelt, waarbij het riet jaarlijks gemaaid wordt, en moerasvogels, die afhankelijk zijn van helofytenvegetaties waaronder riet, gaan niet zo goed samen. Aan de andere kant zijn moerasvogels wel afhankelijk van het maaien van riet om het riet niet te veel te laten verruigen en verbossen. Deze anomalie betekent een lastige beheeropgave. Biodiversiteit Veel internationaal en nationaal zeldzame moerasvogels zijn mede afhankelijk van Nederlandse moerassen. De Blauwborst, Purperreiger, Roerdomp, Rietzanger, Woudaapje, Porseleinhoen, Snor, Grote Karekiet en Bruine Kiekendief zijn vogelrichtlijnsoorten (Natura2000-soorten) die grotendeels afhankelijk zijn van moerasgebieden met een belangrijk aandeel helofytenvegetatie. Verschillende moerasvogels verschillen echter nogal in habitateisen. Overjarig riet (riet dat niet jaarlijks gemaaid wordt) is belangrijk voor de meeste van deze vogels. De meest kritische soorten zijn gebonden aan overjarige waterrietvegetaties, d.w.z rietvegetaties die in winter en tot laat in het voorjaar water boven het maaiveld hebben staan. Hoewel overjarig riet in het algemeen de belangrijkste biotoop vormt voor moerasvogels, hebben veel moerasvogels dus ook belang bij de aanwezigheid van alle successiestadia van jong of gemaaid waterriet naar rietruigte en moerasbos. Het is daarom voor rietbewoners belangrijk dat er periodiek gemaaid wordt om successie tegen te gaan en een mozaïek aan successiestadia te realiseren, van gemaaid waterriet tot rietruigte.

6. eco-corridor

Beheer vindt plaats door maaien. Bij zomermaaien wordt de meeste fosfaat ‘afgevangen’ (70%), maar is minder duurzaam, omdat het riet dan langzaam verdwijnt. Wintermaaien houdt de vegetatie in stand en levert toch nog een zuiveringsrendement van 60% op. De zuiveringscapaciteit is 500m3 per dag per ha=182.500m3/ha/jaar.

Ecologische waarde

rietmoeras

rietoogst in winter

een rietmoeras is soortenrijk en bevat ook lisdodde

136


Teeltsystemen salixteelt

inleiding

sylvopasture

rietzuiveringsvelden

sylviculture

salixteelt

hakhout-middenbos

Salixteelt Wilg (salix) wordt wereldwijd op steeds grotere schaal geteeld als biomassa. De teelt van gewassen als biomassa is echter niet onomstreden. Biomassa wordt geteeld op percelen die doorgaans ook gebruikt zouden kunnen worden voor onze eerste levensbehoefte: voedsel. Zolang er wereldwijd een tekort aan voedsel is, heeft het verbouwen van voedsel de prioriteit boven het verbouwen van biomassa. Daar komt nog bij dat voor het verbouwen van biomassa een grote aanslag betekent op de wereldwijde voorraad fosfaat (dat meestal in de vorm van kunstmest wordt toegediend). Ook fosfaat is nodig voor de voedselproductie en zou dus niet ‘opgebruikt’ mogen worden voor biomassa. Toch hebben wij wilgenteelt gekozen als teeltype voor bepaalde percelen binnen de corridor. Wilg heeft namelijk meer potentieel dan biomassa-teelt alleen. De ecologische waarde is relatief hoog, zeker in vergelijking met traditionele teelten. De waterzuiverende capaciteit is erg groot, vergelijkbaar met de capaciteit van riet. Daarnaast heeft wilg meer mogelijkheden en kan - afhankelijk van de vraag/opbrengst voor grondstoffen, ingezet worden voor houtproductie (houtsnippers voor spaanplaat), of voor de oogst van groene grondstoffen (salicylzuur, cellulose, flavonen of flavonoiden voor de chemische of farmaceutische industrie. Verder kan wilgenblad heel goed dienen als veevoer, als vervanger voor hooi, bijvoorbeeld tijdens droogte. Het blad bevat veel voedingsstoffen.

De ecologische waarde van wilgenplantages is veel groter dan van bouwland met traditionelere gewassen of hooilanden, maar weer lager in vergelijking met andere, spontaan ontwikkelde natte natuurtypen (met name moerasvegetaties en bosvegetaties). Dit heeft vooral te maken met de beperktere soortenrijkdom. Wanneer ruimte wordt vrijgehouden voor spontane ontwikkeling (langs randen), betekent dit een aanzienlijke verhoging van de biodiversiteit. Habitat voor vogels Over het algemeen telt een wilgenplantage significant meer vogels per ha dan ‘gewone’ landbouwpercelen en hooilanden (3,1/ha tov 0,8 ha). Ook de soortendichtheid is hoger (32 soorten tov 21 soorten). Fragmentatie en houtwallen Monoculturen dragen per definitie minder bij aan de biodiversiteit dan een soortenrijke vegetatie. Omwille van de ecologische waarde is het belangrijk de percelen bescheiden van formaat te houden en deze rondom te voorzien van houtwallen met gemengde beplantingen waarin ruimte voor spontane natuurontwikkeling is. Opgaande beplanting Doordat wilgentakken vrijwel tot de grond worden teruggesnoeid voor de oogst, lopen ze ook weer van onderaf uit. Hoe vaker ze worden teruggeknot, hoe massiever de uitgroei. op den duur vormen zowel het 1,2 als 3-jarig hout dichte opgaande beplantingen die voor veel beschutting zorgen voor schuwe diersoorten (met name het edelhert) Onderbegroeiing In het eerste jaar na aanplant zijn de wilgenstekken nog niet opgewassen tegen concurrentie van onkruid, maar de jaren daarna wel. Hoe rijker de onderbegroeiing, hoe groter de ecologische waarde.

6. eco-corridor

Wilg wordt geoogst in de winter. Oogsten in de winter betekent dat er geen verstoring van vogels optreedt gedurende het broedseizoen of van vogels die in de zomer migreren. Anderzijds trekken vers geoogste gebieden kieviten, veldleeuweriken en patrijzen aan. Doordat niet alle wilgenplantages in hetzelfde jaar geoogst worden, zijn alle genoemde habitatten altijd vertegenwoordigd.

Ecologische waarde

winteroogst

gelaagde opbouw met hagen en kruidenzoom

137

tweejarig hout


Teeltsystemen sylvopasture

inleiding

sylvopasture

rietzuiveringsvelden

sylviculture

salixteelt

hakhout-middenbos

Sylvopasture De basis van agroforestry-teeltsystemen bestaat uit een meerlagige productiemethode, waarbij een gezonde uitwisseling van voedingsstoffen, licht en water tot een hogere opbrengst kunnen leiden. Sylvopasture (of silvopasture) is zoâ&#x20AC;&#x2122;n agroforestry-systeem, waarbij veeteelt gecombineerd wordt met houtproductie (maw. het vee graast in boomweides). Dit levert een aanzienlijke meerwaarde op voor natuur en dierenwelzijn. Zie kader hiernaast. De dubbelteelt levert een commerciĂŤle winst op. Bij sylvopasture worden gramineae (grassen) gecombineerd met vlinderbloemigen (bijvoorbeeld klaver). De proteine-waarde van het blad is bijna 30%, wat veel hoger is dan in commerciĂŤle voedermixen het geval is (meestal 14-18%). Het gebruik (inzaai) van vlinderbloemigen is daarnaast van groot belang vanwege de eigenschap dat het stikstof bindt. Daardoor is het niet nodig om kuntsmest te gebruiken.

De ecologische waarde van het sylvopasture-systeem tov de ecologische waarde van traditionele veeteelt (met begrazing) of houtproductie zonder veeteelt is veelbelovend. Om diverse redenen worden populierenbossen in het algemeen niet als ecologisch interessant beoordeeld. Een nadere beschouwing leert dat dit doorgaans onterecht is. Zo blijkt populier voor veel insectengroepen veel belangrijker dan bijvoorbeeld es, esdoorn of haagbeuk, soorten die vaak als vervangers en duurzaam alternatief voor de populier worden gezien. Flora Bossoorten kunnen zich in populierenopstanden vestigen als er zich een struiklaag kan ontwikkelen danwel is aangelegd, als de populier wordt beheerd in een extensief systeem waar langere omlooptijden gelden en als de soorten kunnen koloniseren vanuit nabijgelegen populaties. Op natte gronden kan de vegetatieontwikkeling zeer snel verlopen, binnen 50 jaar kan het ruigtestadium met riet en zeggesoorten overgaan in een moerasbosvegetatie. Epifyten Populieren zijn een belangrijke gastheer voor epifyten (mossen en korstmossen). Er is geen sprake van een bepaalde voorkeur voor inlandse populieren enerzijds en cultivars anderzijds. Dierenwelzijn Bomen die het vee schaduw of bescherming tegen wind bieden, hebben een klimaatstabiliserend effect door het verminderen van hittestress. Sommige studies hebben aangetoond dat de bescherming van bomen het directe koude-effect met 50% of meer terugbrengt en de windsnelheid met maar liefst 70%. Onder deze omstandigheden verbruiken dieren minder energie waardoor de vleesopbrengst wordt vergroot.

6. eco-corridor

Boomsoorten die geschikt zijn om te combineren met veeteelt, moeten aan een aantal criteria voldoen. Ze moeten snel groeien en een open kroon hebben die voldoende licht doorlaat om onderbegroeiing mogelijk te maken. Ook moeten ze vrij diep wortelen, om de concurrentie met de onderbegroeiing aan te kunnen. Verder is het belangrijk dat ze een lage plaag- en ziektegevoeligheid hebben en een commercieel interessante houtkwaliteit opleveren. Op de vruchtbare, vochtige kleigrond is populier een logische keuze. Voor de teelt ligt beplanting in rijen voor de hand, maar dit hoeft niet, zolang de ruimte tussen bomen maar gewaarborgd blijft. Als bomen meer dan een bedekkingsgraad van ongeveer 35% hebben, neemt de productie snel af. Onderzoeken hebben aangetoond dat de biodiversiteit (vermoedelijk) even hoog is op inlandse soorten als klonen en hybriden. Omwille van de houtkwaliteit gaat de voorkeur naar klonen.

Ecologische waarde

een boomweide vormt een

klaver is een goede stik-

zwarte populier met rijke

gezonde leefomgeving

stofbinder

kruidlaag

138


Teeltsystemen sylviculture

inleiding

sylvopasture

rietzuiveringsvelden

sylviculture

salixteelt

hakhout-middenbos

Sylviculture Het sylviculture-principe (ook wel silviculture genoemd) komt oorspronkelijk uit de tropen, waar kleinschalige percelen uit het bos gehakt werden voor gebruik als landbouwgrond. Deze werkwijze heeft zeer veel voordelen in vergelijking met de grootschalige ontbossing voor agricultuur. De ecologische waarde is aanzienlijk groter, de kans op erosie is vrijwel nihil en na uitputting van de bodem (en het verder trekken van de boeren) kan het bos weer makkelijk regenereren, omdat zaden altijd in de buurt zijn. Het spreekt voor zich dat de grootschalige ontbossings problematiek niet speelt in de Flevopolder. Op de rijke kleigrond vormen uitputting en erosie ook geen problemen. Desondanks is het sylviculuur-principe óók in de polder erg interessant. Hier in het grootschalige landschap kampen we namelijk wel met een ander probleem: wind. De wind heeft vrij spel en door het ontbreken van opgaande beplanting ontstaan er bovendien nauwelijks verschillende microklimaten.

Agro-sylviculture-systemen bestaan uit twee of meer ‘etages’: een kruidlaag, soms een struiklaag, en een boomlaag, net als in een natuurlijke situatie. Deze opbouw heeft een veel grotere ecologische waarde dan een niet gelaagd systeem. Maximalisatie lengte vegetatieranden Doordat percelen verhoudingsgewijs klein van formaat zijn èn omzoomd met houtwallen, zijn er relatief veel vegetatieranden. Juist deze randen zijn ecologisch waardevol. De kern van een bos of andere opgaande beplanting heeft een veel lagere biodiversiteit dan er aan de randen te vinden is. De randen vertonen een rijke schakering beplantingen en een optimaal ontwikkelde beplanting, met ruime zoom en mantel. Microklimaat De relatief kleine percelen leveren niet alleen veel vegetatieranden, maar ook bijzondere microklimaten. Juist die microklimatologische verschillen zorgt voor een sterke verhoging van de biodiversiteit. Door de stand van de zon blijken met name de zuidwestzijde van vegetatieranden rondom een perceel een uitzonderlijk hoge biodiversiteit te vertonen, met een hoge soortenrijkdom van oa. vogels, insecten en vleermuizen. Het spreekt voor zich dat vegetatieranden zich juist aan die zijde goed zouden moeten kunnen ontwikkelen. Verhoging vastlegging koolstof Wanneer een perceel uit een mengteelt van bomen met gewassen bestaat is het mogelijk meer koolstof vast te leggen dan wanneer er enkel gewassen worden geteeld. Bestuiving Een optimalisatie van de biodiversiteit door de aanleg van houtwallen is niet alleen gunstig voor verhoging van de ecologische waarde, maar ook voor een hogere opbrengst van gewassen. Zie tekst linkerkolom.

6. eco-corridor

In plaats van landbouwgronden uithakken uit het bos, doen we in de Flevopolder het omgekeerde. We planten houtige gewassen aan in vegetatiestroken rondom (bescheiden formaat) percelen. Deze houtige beplantingen worden cyclisch geoogst als biomassa, groene grondstoffen of hout. Op de percelen worden andere gewassen geteeld: groenten, fruit of granen. Deze gewassen profiteren van het prettige microklimaat binnen de houtsingels, zijn daardoor eerder oogstrijp en hebben minder last van plagen en ziekten. Wanneer voor de houtsingels uitsluitend gekozen wordt voor inheemse planten, zal dit leiden tot een verhoogde biodiversiteit en een groot aantal bestuivende insecten. De te telen gewassen worden zo van nature makkelijker bevrucht dan wanneer ze geteeld worden op het open veld.

Ecologische waarde

139

een kleinschalig landschap

Canada, houtwinning + be-

gerstproductie

levert dezelfde voordelen

vorderen microklimaat

neerd met houtproductie

gecombi-


Teeltsystemen

hakhout-middenbos

inleiding

sylvopasture

rietzuiveringsvelden

sylviculture

salixteelt

hakhout-middenbos

Hakhout-middenbos Hakhoutbossen zijn loofbossen die bestaan uit houtgewas dat men niet hoog laat opschieten, maar dicht bij de grond afzet om de stronken weer te laten ontspruiten en de gevormde opslag te kunnen oogsten. Middenbos bestaat uit hakhout met overstaanders (doorgegroeide hakhouttelgen) of bovenstaander (aanplant). Door hakhoutbeheer kan een voortdurende houtopbrengst gewaarborgd worden. Op rijke gronden, zoals aanwezig in Flevoland, kan een bijna tweemaal zo hoge opbrengst worden gerealiseerd als op droge, armere plekken. In de corridor komen twee typen voor, elzen/essen en essen/iepen-hakhout. Een kanttekening is wel op zijn plaats. Deze teelt is commercieel niet rendabel. Inkomsten voor de agrariër kunnen naast inkomsten voor de houtopbrengst bestaan uit aanvullende inkomsten uit beheerpakketten binnen de regeling natuurbeheer. Voor wilgen, essen en elzenbos kan de beheersbijdrage onder bepaalde voorwaarden oplopen tot een bedrag van 1284,- euro per hectare. Maar dan moet minstens 60% van de aanwezige hakhout-stoven ouder zijn dan 25 jaar. Het pluspakket hakhout en griend is financieel vooral interessant als energieteelt geïntegreerd kan worden met een bestaande of deels om te vormen griend. Dat is niet het geval in de Flevopolder.

Deze ecologische waarde neemt sterk toe naarmate de leeftijd van het bos toeneemt. Jonge hakhoutbossen hebben nog niet zo’n hele grote waarde, maar feitelijk geldt dat voor alle jonge vegetatietypen. Aanplant van bossen op de drogere delen en deze beheren als hakhout-middenbos betekent een investering in de toekomst Oude bossen Met name oud hakhout en middenbos herbergt met de oude groeiplaats, het dunne strooiseldek en het hakhoutbeheer samenhangende zeldzame bosplanten van vochtige standplaatsen en aan oude hakhoutstoven gebonden mossen en insecten. Zorg voor leeftijdsopbouw Middenbos is een hakhoutsysteem met overstaanders. Maar die overstaanders komen er niet vanzelf. Het is aan te raden bij elke kapronde een aantal potentiële overstaanders te sparen. Het resultaat is idealiter een piramidevormige leeftijdsopbouw van de opgaande bomen. Dit vereist een zorgvuldige bosbouwkundige planning met oog voor de ontwikkelingen op de lange termijn. Zodra het systeem functioneert kunnen er ook inkomsten uit houtopbrengsten gegenereerd worden, vooral wanneer ook het geplande quotum aan overstaanders geoogst kan worden. Uit oogpunt van natuurbeheer is het echter aan te bevelen om een deel van de overstaanders nooit te kappen en uiteindelijk op stam te laten sterven. Dit levert in feite gewoon een extra leeftijdsklasse op in het teeltsysteem. Cyclisch oogsten Door het gefaseerd oogsten van relatief kleine percelen kunnen dier- en plantensoorten zich altijd goed handhaven en zijn alle stadia van kaal tot dicht bos aanwezig. Bron: natuurkennis.nl

6. eco-corridor

Dat wij toch gekozen hebben voor dit teelttype en een uitzondering hebben gemaakt op onze stelregel dat de corridor ‘zijn eigen broek moet kunnen ophouden’, is vanwege de grote ecologische waarde van dit bostype. Door de rijke onderbegroeiing die op den duur in dit bos zal ontstaan (waaronder bosanemoon, speenkruid, etc) ontwikkelt een dergelijk bos zich op termijn tot een natuurparel die ook een recreatieve waarde vertegenwoordigt vanwege het visueel aantrekkelijke karakter.

Ecologische waarde

hakhoutbis met rijke on-

oogst van hakhout met be-

derbegroeiing

houd van overstaanders

essen/iepen-hakhout

140


Dispersie en rotatieteelt Het hoofddoel van de corridor is dispersie van diersoorten die voorkomen in de Oostvaardersplassen/Veluwe. Dispersie van juvenielen is het uitzwerven, nadat ze zelfstandig zijn geworden. Ze gaan dan op zoek naar een eigen leefgebied. Dit uitzwerven is ongericht, in tegenstelling tot de trek (migratie), die altijd gericht is. Dispersie hoeft in principe maar eenmaal gedurende de levenscyclus van een dier plaats te vinden. De snelheid waarmee dieren zich verplaatsen verschilt sterk per diersoort. Edelherten verplaatsen zich normaal gesproken ca. 5km per etmaal en blijven dan altijd min of meer binnen het eigen leefgebied, maar tijdens dispersie kunnen de afstanden flink toenemen. De gemiddelde dispersieafstand is 19km, maar 60km is geen uitzondering. De dispersie vindt plaats binnen enkele dagen. Vanwege de lengte van de corridor is het desondanks wel noodzakelijk om - als tussenstap - ook een deel in te richten dat als leefgebied zou kunnen dienen. Het functioneren van een robuuste verbinding door wilde hoefdieren kan worden bevorderd door de overgang leefgebied - verbinding zo geleidelijk mogelijk te laten verlopen. Qua vegetatiesamenstelling en –structuur wijkt die overgang in het ideale geval niet af van het leefgebied. Omdat de verbinding gewoonlijk door een ‘vijandige’ omgeving zal verlopen, moet de inrichting in belangrijke mate bestaan uit dekking- en luwtebiedende vegetaties. De door ons gekozen teelten lenen zich allemaal om als leefgebied te dienen. Ze leveren voedsel en beschutting. Niet elk perceel is jaarrond toegankelijk, maar door het toepassen van een uitgekiend perceleringsplan ontstaan er altijd doorgaande routes over percelen die wél toegankelijk zijn. De beekoevers zijn jaarrond toegankelijk voor dispersie.

Rotatiecyclus

rotaticycli teelt De zijde van de ecologische corridor die door de watervoerende beek (zie onder) niet toegankelijk is voor grotere zoogdieren hoeft geen rotatiecylus te hebben die past binnen een doorgaande dispersieroute. Desondanks wordt ook deze zijde cyclisch beheerd. Het is ecologisch waardevoller om niet alle teelt in één jaar te oogsten.

Alle teeltsystemen hebben een eigen rotatiecyclus. Het oogstmoment hangt bij de meeste teeltsystemen samen met de openstelling van percelen voor dispersiedoeleinden. 6. eco-corridor

De eerste jaren na aanplant, maar ook de eerste jaren na de oogst, zijn de gewassen kwetsbaar voor vraatschade. In die kwetsbare jaren moet vraatschade dan ook zoveel mogelijk voorkomen worden. In de legenda op de rechterpagina staat de rotatie/oogstcyclus voor de verschillende teelten vermeld. Een voorbeeld: een korte omloopgewas als wilg is na 3 jaar oogstrijp. De eerste twee jaar kan vraatschade aan de loten of bladeren resulteren in een (veel) lagere oogst). In het derde jaar zijn de takken zo hoog dat vraatschade vrijwel nihil is. Lichte begrazing is dan zelfs gunstig. Dierlijke uitwerpselen bemesten de bodem en onkruid in de onderbegroeiing wordt weggegeten.

141

beek als natuurlijke barrière

De (blijvend watervoerende) beek vormt een barrière voor de meeste wilde hoefdieren, waardoor de oever van de beek de grens is van de dispersiecorridor. De beek kent een accoladeprofiel, waardoor er ook in de zomer water door het diepste deel stroomt. De natuurvriendelijke oevers hebben een zeer flauw talud, met een helling 1:20 of flauwer. ‘s Winters en tijdens piekbuien kunnen de oevers tijdelijk onder water staan. Op andere momenten vormen de oevers een belangrijke dispersieroute. Deze worden niet functioneel gebruikt. De minimale breedte van beek en oevers is 10m.


In het diepste, noordelijke deel is meer ruimte voor spontane natuurontwikkeling dan in het steeds hoger oplopende deel van de corridor, dat middels teeltsystemen beheerd wordt. De overgang tussen functionele en vitale natuur is er echter vooral op visueel niveau duidelijk herkenbaar (van ruigte naar een indeling in percelen). De vegetatietypen zijn daarentegen vrijwel identiek. Voor de dieren die gebruik maken van de corridor, zal de overgang daarom vrij vloeiend verlopen van natte natuur naar steeds drogere vegetatietypen.

Legenda Toegankelijkheid: jaarrond toegankelijk via schouwpaden Cyclus: jaarlijks oogsten in winter Toegankelijkheid: niet toegankelijk tijdens begrazing Cyclus: Om de 3-7 dagen rouleren. Dan 20 dagen niet begrazen Toegankelijkheid: om de 3 jaar (jr voor oogsten) één jaar toegankelijk Cyclus: 1e jaar inplanten, jaar 1+2 rust, 3e jaar ‘s winters oogsten Toegankelijkheid: om de 3 jaar (jr voor oogsten) één jaar toegankelijk Cyclus: 2e jaar inplanten, jaar 2+3 rust, 4e jaar ‘s winters oogsten Toegankelijkheid: om de 3 jaar (jr voor oogsten) één jaar toegankelijk Cyclus: 3e jaar inplanten, jaar 3+4 rust, 5e jaar ‘s winters oogsten Toegankelijkheid: 1e 5 jr. na kap ontoegankelijk (rust) daarna toegankelijk. Cyclus: Aanleg in jaar 5. Eerste kap in jaar 15. Daarna kapcyclus van 10 jaar. Toegankelijkheid: 1e 5 jr. na kap ontoegankelijk (rust) daarna toegankelijk. Cyclus: Aanleg in jaar 1. Eerste kap in jaar 10. Daarna kapcyclus van 10 jaar. Toegankelijkheid: 1e 5 jr. na kap ontoegankelijk (rust) daarna toegankelijk. Cyclus: Aanleg in jaar 1. Eerste kap in jaar 5. Daarna kapcyclus van 10 jaar. Dispersieroute doelsoorten

barrières

Om de dispersiecorridor succesvol te maken, zullen alle aanwezige barrières, zoals wegen en waterlopen overbrugd moeten worden met ecoducten, wildtunnels, etc.

6. eco-corridor

 overgang

Omdat de corridor door de aanwezigheid van water en natte natuur ook een geschikt leefmilieu vormt voor doeltypen als de otter, kamsalamander etc., zou het een grote meerwaarde vormen indien de corridor ook via een natte dispersieroute in verbinding staat met de Oostvaardersplassen. Hiervoor zullen de bestaande tochten die beide gebieden verbinden aangepakt moeten worden en worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. 142


Detaillering

ecologische corridor

detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Detaildoorsnedes

Detaillering corridor In de volgende paragrafen wordt de ecologische corridor verder uitgewerkt. Van verschillende plekken in de corridor zijn doorsnedes gemaakt, zodat meer inzicht verkregen kan worden in hoe de corridor wordt ingericht, hoe de teelten een plek krijgen in de zone en hoe de wisselwerking is tussen teelt/natuurtype en (grond)watersituatie.

’A A ’B B

’C C

Vervolgens worden de doelsoorten behandeld die gebruik zullen gaan maken van de corridor. Dit is in de eerste plaats het edelhert, het hoofddoeltype waarop de corridor wordt ingericht, maar ook de bruine en blauwe kiekendief waarvoor de provincie Flevoland zichzelf een opgave heeft gesteld het voortbestaan van de soort te stimuleren. Daarnaast zijn er nog andere doelsoorten waar rekening mee gehouden dient te worden. Er wordt ingegaan op de manier waarop deze dieren dispergeren en op welke wijze de inrichting van de corridor aansluit (zal aansluiten) bij hun natuurlijke habitat.

Doorsnedes Er zijn drie locaties gekozen voor de doorsnedes. De locaties zijn zo gekozen dat een representatief beeld ontstaat van de verschillende karakters, teelten/natuurtypen en (grond)watersituaties die samenhangen met de hoogteligging/grondwaterstand in de zone.

Ook zijn de natuurdoeltypen onderzocht die zouden ontstaan op de Flevolandse kleigrond als de natuur haar gang mocht gaan. Hoewel wij grotendeels kiezen voor teelten en de natuur maar gedeeltelijk natuur spontaan tot ontwikkeling laten komen in de zone, is dit onderzoek toch erg belangrijk. De uitkomsten hebben namelijk de basis gevormd voor de teeltkeuze.

Doorsnede A bevindt zich in ‘de badkuip’, het laagste deel van de corridor. Dit deel fungeert ook als piekbergingsbekken en heeft door de lage ligging al van nature de hoogste grondwaterstand. Dit deel heeft het meest natuurlijke karakter.

Tot slot worden andere aspecten van de corridor behandeld, zoals recreatie-(on)mogelijkheden en de financiële verantwoording.

Doorsnede B ligt iets hoger, wat resulteert in andere teelten/vegetatietypen. Gezocht wordt naar een optimale balans tussen vitale en functionele natuur.

6. eco-corridor

Dit laatste geldt ook voor doorsnede C, maar door de nog iets hogere ligging, hebben we hier te maken met weer andere teelten/vegetatietypen.

*hoogteverschillen zijn overdreven om relatie grondwaterpeil en vegetatie/teelttype beter in kaart te brengen 143

wilgenooibos

gw -5 NAP

wilgenooibos

rietvegetatie

diepste deel plas

ecologisch wonen

Doorsnede detail A-’A


Doorsnede A-’A

detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Detail A 1: 12.500

Teelttypen

(Grond)watersituatie

In dit deel van de corridor ligt de prioriteit in de eerste plaats bij vitale natuur. Daarmee verschilt deze zone met het overige deel van de corridor, waar gezocht wordt naar een optimale balans tussen vitale en functionele natuur.

In het piekbergingsbekken staat het grondwaterniveau in normale situaties (geen droogte of piekbergingssituatie) op of net iets onder het maaiveld (tot maximaal 30cm onder mv). Dit correspondeert met GW I

Er is geen indeling in percelen en er zijn dus ook geen uitgerasterde delen die (tijdelijk) niet toegankelijk zijn.

Een uitzondering geldt voor de kleinere, donkergroene eilanden (ooibos). Dit zijn natuurlijke verhogingen in het maaiveld waar in de geomorfologische opbouw van de bodem oeverwallen (van het Eembekken) te vinden zijn. Hier bevindt het grondwater zich op 60cm onder mv (kleine bosjes). Dit correspondeert met GW IIb

6. eco-corridor

wilgenassociatie

ondiep water met rietvegetatie

Deze vitale natuurzone zal naar alle waarschijnlijkheid niet uitsluitend als dispersiecorridor dienst doen. Door het karakter en de ruime omvang van dit gebied, mag verwacht worden dat diverse diersoorten de piekbergingsbekken zullen uitkiezen als leefomgeving.

Het grotere bos in de rechter bovenhoek bevindt zich op maar liefst 1,1m boven het grondwaterpeil (GW IV) Door dit grote verschil in grondwaterstand in dit gebied zal een grote variatie in vegetatietypen ontstaan. Door peilfluctuaties (op jaarbasis varieert het peil van maximaal -4,7NAP (door flexibel peilbeheer bij piekbuien) tot ca. -5,5 NAP of lager (extreme droogte) ontstaan er nog meer gradaties.

natuurlijke hoogte essen/iepenbos

Er is ruimte voor spontane natuurontwikkeling, de natuur mag (deels) haar gang gaan. Dat wil echter niet zeggen dat dit deel van de corridor niet functioneel gebruikt mag worden. Voor zover grote grazers de beplanting niet enigzins open houden, wordt hier ook, net als in de rest van de corridor, biomassa (wilg en riet) geoogst. Deze oogst zal cyclisch plaatsvinden, zodat er altijd voldoende beschutting en voedsel te vinden is voor de dieren die gebruikmaken van de corridor.

144


Detail B-‘B

detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Teelttypen

(Grond)watersituatie

De omstandigheden aan de randen van het gebied zijn optimaal voor wilgenteelt. Iets naar binnen toe liggen enigszins hoger gelegen stroken die zich lenen voor de sylvopasture-methode (veeteelt in boomweiden) en het hart van het gebied, dat wordt afgegraven tot ca. -4,9/-5 NAP, zal na afgraving geschikt zijn voor de aanleg van rietzuiveringsvelden.

Door verschil in rijping/inklinking (vermoedelijk door de aanwezigheid van oeverwallen van de Eem in diepere bodemlagen en invloed van lokale kwel uit de nu nog aanwezige tocht) liggen de randen lager dan het middendeel. De randen (wilgenteelt) hebben een grondwaterstand van I-IIa, de boomweiden IIb-III. Het middendeel heeft na ontgraving een grondwaterstand I.

6. eco-corridor

rietzuiveringsveld

wandelroute

wilgenteelt

fietsroute

gw -5 NAP

biologische landbouw

Doorsnede detail B-’B*

verhoogd schouwpad

Detail B 1: 12.500

*hoogteverschillen zijn overdreven om relatie grondwaterpeil en vegetatie/teelttype beter in kaart te brengen 145

biologische veeteelt

sylvopasture

watergang met accoladeprofiel

wandelroute

sylviculture

hakhoutbos 10 jaar

gw -5 NAP

fietsroute

s e i z o e n s b e rg i n g met rietzuivering

Doorsnede detail C-’C*


Doorsnede C-’C

detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Detail C 1: 12.500

bestaande tocht gw -6,2 NAP

6. eco-corridor

traditionele landbouw

bestaande tocht gw -6,2 NAP sylvopasture

hakhoutbos 15 jaar

sylvopasture hakhoutbos 5 jaar

hakhoutbos 10 jaar

watergang met accoladeprofiel

wilgenteelt 3e jaar

Door verschil in rijping/inklinking door de invloed van lokale kwel vanuit de tocht, vertoont de hoogtekaart gelijkenissen met de perceelsgrenzen. De rechte kavels in het midden hebben een lagere grondwaterstand dan de omliggende percelen (IV). De boomweiden en sylviculure-systemen hebben een grondwaterstand van IIIa-IIIb.

wilgenteelt 1e jaar

Daar waar nu één van de twee vertakkingen van de huidige tocht ligt, zal volgens het ontwerp in de toekomst het meest bosrijke deel van de corridor komen te liggen. Hier ontstaat hakhout middenbos (elzen/essen of essen/ iepen, afhankelijk van de grondwaterstand). In de omliggende perdelen een mengeling van sylviculture en sylvopasture.

wilgenteelt 2e jaar

(Grond)watersituatie

rietzuiveringsveld

Teelttypen

146


Fauna - Doelsoorten edelhert

Habitat

foto: ruben smit

Het edelhert heeft uitgestrekte loof- en naaldbossen en mogelijk ook moerassen en graslanden als leefgebied. Er moet voldoende water aanwezig zijn, want het edelhert kan erg goed zwemmen en is niet vies van een modderbad.

kaalwild genoemd. De naam zegt het al; de hindes dragen geen gewei in tegenstelling tot de herten. De herten in roedels die meestal kleiner zijn. Ze bestaan uit ongeveer 10 dieren. Een edelhert heeft een groot territorium nodig.

Voedsel Edelherten zijn variabele eters. Dit maakt dat zij in vele biotopen kunnen voorkomen. Het edelhert eet uitsluitend plantaardig voedsel. In de zomer bestaat het dieet voor 80% uit gras. Verder wordt het aangevuld met bloemen, vruchten en bladeren. In de herfst eet het dier soms paddenstoelen en eikels. In de winter eet hij de helft van wat hij in de zomer eet en dan bestaat het dieet vooral uit boomtakken, bramen, klimop, schors, bosbessen en dode bladeren.

Actieve periode Het edelhert is de gehele dag door actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit laten ze zich vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond zien. ‘s Ochtends trekken ze meestal naar de graslanden om daar te kunnen grazen. Met uitzondering van de Oostvaardersplassen zijn de edelherten in Nederland door menselijke activiteit zeer schuw geworden. De van nature dagactieve dieren zijn zodoende overwegend nachtactief geworden.

6. eco-corridor

Voortplanting De bronsttijd van de edelherten begint eind augustus en duurt tot eind september/begin oktober. Tijdens de bronst duldt het hert geen andere herten in de buurt. Op de plekken waar vaak hinden komen, gaan de herten burlen. Door te burlen raakt het hert zijn agressie kwijt, hierdoor worden gevechten voorkomen. Edelherten zijn geslachtsrijp vanaf één jaar. Na ongeveer twee jaar verlaat de spitser, dat is een mannelijk dier ouder dan een jaar, zijn moeder en vormt een groepje met andere spitsers. De vrouwelijke dieren ouder dan een jaar worden smaldier genoemd. Na ongeveer het 18de levensjaar wordt de hinde onvruchtbaar door ouderdom. Familiebanden Edelherten leven in roedels. De hindes leven bij elkaar in groepen van vijf tot dertig individuen, zo’n roedel wordt 147

Populatiebeheer Behalve in de Oostvaardersplassen worden alle edelherten in Nederland door afschot gereguleerd naar aanleiding van het regionale Faunabeheerplan. De laatste ecologische inzichten wijzen er echter op dat regulering van edelherten niet nodig is en dat de populatiedichtheden zich vanzelf aan het beschikbare natuurlijke voedsel zullen aanpassen. Is de voedselvoorraad beperkt of minder bereikbaar, dan loopt ook de vruchtbaarheid terug. De magere dieren krijgen dan geen kalfjes. Een natuurlijke geboortebeperking. Dat deze stelling ook samengaat met de ambitie om de biodiversiteit te maximaliseren is onwaarschijnlijk. Een zekere (jaarlijkse) schommeling in de populatiedichtheid is bevorderlijk voor de biodiversiteit, zo is uit onderzoek gebleken, maar een streefdichtheid ca. van 1 edelhert/ha blijkt optimaal samen te gaan met het streven naar optimale biodiversiteit én agrarische activiteit.


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Dispersie

Inrichtingseisen verbindingszone

Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar het dispersie/migratiegedrag van edelherten. Onderzoeken zijn schaars, zodat de cijfers met enige terughoudendheid gebruikt moeten worden.

Breedte corridor In de literatuur (oa. het handboek robuuste verbindingen) wordt gesproken over een gemiddelde, minimale breedte van 1km om als corridor functioneel te zijn. Uit oogpunt van biodiversiteit, bepaalt niet zozeer de breedte van een verbinding de ecologische robuustheid, als wel het aantal (micro-)habitats dat meegenomen wordt in een verbinding. Daarom wordt wel aanbevolen om de functie van verbinding te koppelen aan prevalerende hydrologische condities, bijvoorbeeld aan het stroomgebied van een rivier of beek. Onder natuurlijker omstandigheden verloopt de trek van edelherten jaar in jaar uit doorgaans langs dezelfde wegen. Zij wordt dan vaak gestuurd door rivierdalen, rivierbegeleidende bossen en andere karakteristieke landschapselementen. Met de breedte van het rivierdal kan de breedte van dergelijke migratiezones sterk variëren. Beschutting/knopen Edelherten zijn vrij schuw en hebben daarom vrij veel beschutting in de vorm van opgaande beplanting nodig. Het spreekt voor zich dat een open boomweide deze functie minder goed kan vervullen. De rietzuiveringsvelden, hakhout/middenbossen en wilgenplantages zorgen daarentegen voor extreem veel beschutting. Hoogte afrastering/hagen In noodsituaties kan een edelhert ca. 1.8-2m hoog springen. Voorwaarde hierbij is wel dat voldoende aanloopruimte aanwezig is. Om gewassen in (aangrenzende) teeltpercelen te beschermen genoemde hoogte wel aanhouden. Afrastering kan geschieden met wildgaas, maar ter bevordering van de biodiversiteit wordt bij voorkeur gekozen voor hagen.

In de eerste stadia van dispersie betreft het vooral jonge mannelijke dieren, maar ook adulte mannetjes zijn op zoek naar een partner tijdens de bronst. De late herfst en winter laat voor zowel mannetjes als vrouwtjes de meeste migraties zien. Gemiddeld gaat ca. 15-20% van de totale populatie op dispersie. Een hogere populatiedichtheid leidt niet tot meer migratie. Van de mannetjesdieren migreert ca. 30%. De gemiddelde dispersieafstand bedraagt 19km. Ca. 10% dispergeert over een veel langere afstand, tot 60km. Vrouwtjesdieren migreren aanzienlijk minder dan mannetjes (ca. 1%) en de dispersie-afstand is zeer gering. Meestal niet meer dan 2,5km van het moederdier.

Het edelhert in de eco-zone

1

De ecologische corridor wordt ingericht als dispersiecorridor van de Oostvaardersplassen naar het Horsterwold en heeft niet de intentie te fungeren als leefgebied voor het edelhert. 6. eco-corridor

Per etmaal loopt een edelhert gemiddeld 5km, maar bij dispersie kan dit tijdelijk toenemen tot 50km in enkele dagen. De verblijfstijd is naar verwachting kort. De oevers van de nieuwe beek zijn jaarrond toegankelijk, evenals de schouwpaden en rietvelden. Het edelhert kan goed zwemmen. De aanwezigheid van de beek vormt daarbij geen opstakel. 2

3

1. De optimale habitat bestaat uit moeras, struweel, gras en bos 2. Edelherten zijn vrij schuw en hebben beschutting nodig 3. Dispersiegedrag zie je vooral bij mannetjes

Riet kan jaarrond als knoop functioneren. Opstanden van 10-40 ha blijken al uitstekend als knoop te kunnen functioneren. De dekkingsfunctie van loofboombos wisselt sterk per seizoen. De oppervlakte voor een knoop dient dan 50 ha of meer te zijn. 148


Fauna - Doelsoorten

bruine en blauwe kiekendief

Habitat

foto: peter d

Kiekendieven zijn roofvogels van de onderfamilie Circinae. De Kiekendieven onderscheiden zich onder andere van de andere (dag)roofvogels, doordat het bijna allemaal grondbroedvogels zijn, met andere woorden ze maken geen nest in bomen, maar op de grond. Dit maakt ze kwetsbaar en afhankelijk van agrarisch beleid. Door intensivering van de landbouw is het aantal broedparen sinds 1950 sterk afgenomen. In Nederland komen drie soorten als broedvogel voor: de blauwe kiekendief, de bruine kiekendief en de grauwe kiekendief. Alle deze soorten staan in Nederland als (ernstig) bedreigd op de rode lijst.

6. eco-corridor

De blauwe kiekendief (Circus cyaneus) is een zeer schaarse broedvogel in Nederland. De soort heeft slechts een aantal broedplaatsen, waaronder de Oostvaardersplassen. De hoofdprooi is het konijn, maar zangvogels en muizen zijn ook belangrijke voedselbronnen. Broedperiode: mei-begin juni. De grauwe kiekendief (Circus pygargus) Een volwassen vrouwtje is circa 45 centimeter groot, het mannetje

blijft iets kleiner, tot 38 centimeter. Het mannetje is grijs en heeft een gestreepte onderkant. Het vrouwtje is bruin. De leefomgeving, het gedrag en de broedgewoonten zijn vrijwel identiek aan die van de blauwe kiekendief. De grauwe kiekendief is een opportunist wat betreft voedselkeuze. In goede muizenjaren bestaat tot 74% van het voedsel uit muizen. Daarnaast staan er vooral zangvogels op het menu, afgewisseld met insecten en amfibieĂŤn en hagedissen. Broedperiode: mei-begin juni. De bruine kiekendief (Circus aeruginosus) Van de drie soorten in Nederland broedende kiekendieven is de bruine kiekendief verreweg de algemeenste. Bruine kiekendieven jagen op kleine vogels en hun kuikens, maar ook kleine zoogdieren worden graag genuttigd. Broedperiode: april-juni. Broedplek Natte ruigtevegetaties, met daarin enkele struiken die worden gebruikt om een nest te bouwen dat ook bij een verhoogde waterstand droog blijft, en vooral veel riet: dat is wat kiekendieven nodig hebben. In deze gebieden is het vooral belangrijk dat de rust gewaarborgd is; verstoring is voor alle kiekendieven funest. Foerageergebied Voor een paar bruine kiekendieven is nodig 23 tot 47 ha optimaal foerageergebied of 56 tot 93 ha suboptimaal. Voor een paar blauwe kiekendieven is nodig 75 tot 150 ha optimaal foerageergebied of 600 tot 1500 ha suboptimaal. Flevoland heeft zich als doel gesteld het areaal foerageergebied te vergroten. Berekeningen van de kiekendiefopgave wijzen uit dat er circa 600 hectare optimaal foerageergebied nodig is om aan de compensatie te voldoen.

149


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Vliegafstand

Inrichtingseisen verbindingszone

Op basis van ecologische studies is aangenomen dat de vliegafstand van foeragerende (blauwe en bruine) kiekendieven maximaal 8 kilometer bedraagt. Dat betekent dat alleen het noordoostelijk deel van het plangebied OostvaardersWold voldoet.

Faunaranden. Het aanleggen van een juiste dichtheid aan faunaranden kan voor een aanzienlijke verhoging van het aantal prooidieren zorgen. Van de belangrijke prooi-dieren is de veldmuis de meest prominente gebruiker van goed uitgevoerde faunaranden. De dichtheden zijn significant hoger dan in het gangbare akkerland. Een effectieve faunarand heeft een breedte van ten minste 6 meter. Een ideale situatie zou kunnen bestaan uit een coherente mix van brede (24 meter), relatief brede (12 meter) en smalle randen (6 meter).

In het landschap vermijden kiekendieven opgaande structuren als gebouwen en bos(-randen). Tevens blijkt dat kiekendieven wegblijven van mensen in het landschap met een geschatte afstand van minimaal 50 meter. Voor overleving van de sleutelpopulatie is het noodzakelijk dat er voldoende agrariërs zijn die bij hun bedrijfsvoering bereid zijn rekening te houden met nesten van de grauwe kiekendief en is het ook noodzakelijk dat er op vliegafstand plekken zijn waar voldoende voedsel is te vinden.

Natuurbraak en akkerreservaten Meerjarige braaklegging biedt perspectief voor foeragerende grauwe kiekendieven. De introductie van het zg. twee-slagen-stelsel met wintertarwe een positieve uitwerking hebben op de dichtheid van zaad-etende zangvogels als Ringmus en Kneu en ligt het voor de hand dat Veldmuis en Dwergmuis toenemen. Voorwaarde is dat dit wintertarwe niet wordt geoogst. Luzerne is een optimaal gewas voor Veldmuis, Veldleeuwerik en bijv. Haas. Door gefaseerd maaibeheer kan bovendien veronkruiding relatief eenvoudig worden tegen gegaan. Extensivering van bermen en schouwpaden Extensivering van het maaibeheer zal voor foeragerende Grauwe Kiekendieven positief uitpakken, doordat dit een vergroting van de muizenpopulatie oplevert. Bron: Stichting Werkgroep Grauwe Kiekendief

1

De kiekendief in de eco-zone

6. eco-corridor

In de Oostvaardersplassen is voldoende broedplek, maar als foerageergebied voldoet het niet. (Extensief beheerd) agrarisch gebied met een flink areaal brede bermen en schouwpaden hebben meer potentieel, omdat hier meer prooidieren (oa. de veldmuis) leven. De eco-zone bestaat in zijn geheel uit extensief beheerde, agrarische percelen met natuurvriendelijke bermen en brede, extensief beheerde schouwpaden. Wintertarwe zou, tijdens beurtjaren, kunnen worden ingezaaid op de percelen die bestemd zijn voor sylviculture. Deze tarwe zal dan niet worden geoogst. 2

3

1. Nest met jonge grauwe kiekendieven 2. Brede, muisrijke bermen en extensief beheerde schouwpaden 3. Nest kiekendief

Naast het areaal foerageergebied is ook de moerashabitat aanwezig. De corridor levert daarom ook een geschikte broedplek.

150


Fauna - Doelsoorten overige fauna

Dispersie en leefgebied in zone Grote grazers Het OostvaardersWold wordt ook voor konikpaarden en heckrunderen een verbinding tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold. Deze maken gebruik van dezelfde ecoducten als de edelherten. Om voldoende variatie te houden in het totale gebied wordt op een zo natuurlijk mogelijke wijze deelgebieden gecreëerd waar de konikpaarden en heckrunderen wel of juist niet kunnen komen. De beek aan de ene zijde en de bestaande vaart aan de andere zijde van de corridor worden gebruikt als natuurlijke afscheiding voor het gebied van heckrunderen en konikpaarden. Door een waterdiepte van minimaal 1 meter kunnen deze dieren de watergangen niet oversteken. Hun gebied bevindt zich tussen de watergangen. Waterspitsmuis De corridor heeft een geschikte habitat voor de Waterspitsmuis. Voorwaarde is wel dat er natuurvriendelijke oevers (flauwe gradiënt, begroeiing met kruidlaag) aanwezig zijn; het beheer en de inrichting van de oevers speelt dus een belangrijke rol. Das De Das is al aanwezig in Flevoland, al laat hij zich nog niet zien in het zuiden van de provincie. Daar is ook weinig geschikt habitat, want de zeekleibodem is vaak te vochtig voor een Dassenburcht. Door vergraving en natuurlijke hoogteverschillen zal een deel van de corridor voldoende droog zijn om wel als geschikte habitat te dienen.

6. eco-corridor

Bever In het Horsterwold zijn reeds vraatsporen waargenomen en in de Oostvaardersplassen is de soort al ruim vertegenwoordigd. Om een goede uitwisseling tussen deze gebieden te faciliteren is de Bever dan ook een van de doelsoorten voor de verbinding. Boommarter De Boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de Boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet, de Boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. In de corridor worden grote arealen bos aangeplant, maar door de teeltwijze vindt steeds verjonging plaats. Als leefgebied zal de corridor dan ook zelden helemaal optimaal functioneren. Als dispersiecorridor naar verwachting wel. De grote arealen aaneengesloten bos zijn belangrijk voor de boommarter, die graag wegblijft van menselijke ver151

storing. Sleedoornpage De sleedoornpage komt momenteel oa. voor in het Oostvaardersbos en op de Veluwe. De sleedoornpage staat bekend als een weinig mobiele vlinder die zelden verder vliegt dan enkele honderden meters langs een bosrand of struweel. Voor een goede verspreiding van de soort is een aaneengesloten stelsel van struwelen (die sleedoorn bevatten) essentieel. De corridor leent zich voor aanplant van stuwelen en kan daardoor een zeer geschikte habitat vormen voor de sleedoornpage. Wilde zwijnen (doelsoort of niet?) Jonge mannelijke dieren gaan alleen of in groepsverband op dispersie. Bij oplopende dichtheden neemt de emigratie toe. In voedselarme gebieden is de emigratie hoger dan in voedselrijke gebieden. Minder dan 2% van de populatie dispergeert 50-250 km. Wilde zwijnen kunnen zeer snel grote arealen met geschikt leefgebied innemen waarbij binnen 1 jaar de grens van het areaal met 100 km kan opschuiven. Het zijn goede zwemmers die zich graag in de buurt van water ophouden. Nederland kent twee ‘officiële’ (en ingerasterde) leefgebieden voor het wild zwijn, te weten Nationaal Park De Hoge Veluwe, en Nationaal Park De Meinweg bij Roerdalen. Voor overig Nederland hanteert men een zogenaamd nuloptie-beleid - wat wil zeggen dat men ze liever helemaal ziet verdwijnen. Voor de Oostvaardersplassen en het Horsterwold is het wilde zwijn dan ook geen doelsoort. Dat wil niet zeggen dat er geen rekening met de komst van wilde zwijnen hoeft te worden gehouden. Gezien het feit dat het uitstekende zwemmers zijn en er in december 2010 ook al een eerste ‘pionierszwijn’ opdook in de Oostvaardersplassen (nu nog zonder ecologische verbinding) geeft aan dat er rekening mee wordt gehouden dat wilde zwijnen straks in grotere getale van dezelfde verbinding gebruik gaan maken als het edelhert. Het is de vraag of het bestaande nulbeleid dan moet worden gehandhaafd of dat beter gezocht kan worden naar een nieuwe balans, waarbij optimale biodiversiteit het doel is. Kortom: (flexibel) populatiebeheer: ja, maar nulbeleid: nee. Bijschriften rechterpagina 1. Wild Zwijn 2. Boommarter 3. Das. Foto: André Donker 4. Bever 5. Konik paarden. Foto: Marianne van Versendaal 6. Heckrunderen. Foto: Michel Legerstee 7. Waterspitsmuis 8. Sleedoornpage


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

1

3

2

6

5

6. eco-corridor

4

7

8 152


Flora - Natuurdoeltypen rietland en ruigte

Rietland en ruigte

Kenschets Het type ruige riet en zeggevegetaties komen voor langs zoet en brak water of op moerassige plaatsen. De soortenrijkdom is het grootst in zoetwatergebieden. Het type is vooral van belang voor broedvoegels. Veel doelsoorten prefereren structuurvariatie, waardoor het beheer dient te bestaan uit gedifferentieerd maaien of begrazen. In eutroof tot mesotroof water op zeekleigronden in de situatie zoals aanwezig in de ecologische corridor is het ontstaan van de volgende aquatische en terrestrische ecotopen en vegetatietypen aannemelijk:

6. eco-corridor

Mattenbies-associatie Aquatische ecotoop. Mattenbies is een pionier en is in staat om vrij diep water te koloniseren. Het komt voor in open, eutroof water. De waterdiepte varieert tot maximaal 3m. Kensoorten: Mattenbies. Gedijt goed bij golfslag en waterstroming. Afname ervan vormt een bedreiging. Instandhouding bestaat uit tegengaan van verdere verlanding.

riet-associatie

153

Riet-associatie De waterdiepte varieert van 0,5m tot maximaal 3m. Voor kieming is droogval noodzakelijk. GW I. Kensoorten: Riet, kleine lisdodde. Be誰nvloeding van hypertroof water vormt een bedreiging. Maaien en afvoeren in de winter houdt de gemeenschap in stand. Oeverzegge-associatie Deze soortenarme gemeenschappen vormen van alle grote zeggenvegetaties de meest voedselrijke variant. Het komt voor in ge誰nundeerde weilanden en ondiepe sloten die niet geschoond worden. Hier treden zij vaak op als storingsgemeenschap. Kensoort: Oeverzegge. Bedreigingen: Geen. Langdurige inundatie belangrijk, handhaven hoge grondwaterstand tot ver in de zomer. Droogte wordt goed weerstaan. Zonder beheer (jaarlijks maaien) ontstaat moerasstruweel.

oeverzegge


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Rietland en ruigte in zone Rietland en ruigte omvat zowel de beheerde als onbeheerde fase in zoet water die volgt op de fase van open water. Deze vegetaties bevinden zich op de overgang van water naar land en kunnen over het algemeen ook periodiek droogvallen. Bij een wintermaaibeheer kunnen rietvegetaties lang stand houden en ontstaan er diverse typen rietland. Ruigten ontstaan op plaatsen met een ‘slordig’ beheer waar bijvoorbeeld wel wordt gemaaid, maar niet afgevoerd of op plaatsen waar bagger op de kant wordt gezet. In onderstaande kaart zijn de locaties aangegeven waar de juiste omstandigeheden heersen voor het ontstaan van genoemde natte natuurdoeltypen. Afhankelijk van of de chloriderijke kwelstroom in het laagste deel door de verhoogde waterstand wordt on-

derdrukt of niet, kunnen ook zwak brakke vegetaties ontstaan, zoals de associatie van ruwe bies of associatie van Heen en Grote waterweegbree. Moerassige vegetaties vormen een belangrijk leefgebied voor allerlei moeras- en rietvogels, diverse vleermuizen en amfibieën als de heikikker. NB! De rietvegetatie kan voor een optimale zuiveringscapaciteit het beste zomers gemaaid worden, omdat dan het opgenomen fosfaat nog in de bladmassa aanwezig is. ‘s Winters zakt dit terug de bodem in. Voor het instandhouden van dit vegetatietype is wintermaaien eigenlijk beter. Bij zomermaaien ontstaat op den duur dotterbloemhooiland. Aangeraden wordt om het riet langs de plas ‘s winters te maaien en in de productievelden te experimenteren met het oogsttijdstip.

Legenda Mattenbies-associatie: Komt alleen voor in de grotere open wateren. Dit ivm ontbreken golfslag overige wateren. Riet-associatie: Komt alleen voor in delen met grondwaterstand I tot maximaal 3m onder water (tijdelijk)

6. eco-corridor

Oeverzegge-associatie: Komt voor langs droogvallende watergangen met voedselrijk water. Verdwijnt bij verschraling.

154


Flora - Natuurdoeltypen graslanden

Graslanden

Natte schraalgraslanden Dit type bestaat uit natte hooilanden, waarbij sprake is van toevoer van grond en/of oppervlaktewater van goede (voedselarme, kalkrijke) kwaliteit. Met uitzondering van het dotterbloemhooiland komen deze vegetaties nauwelijks voor in het voedselrijke milieu van het zeekleigebeid. Verdere verschraling vindt plaats door zomermaaien en afvoeren. Op zeekleigronden in de situatie zoals aanwezig in de ecologische corridor is het ontstaan van de volgende terrestrische ecotopen en vegetatietypen aannemelijk, zij het op beperkte schaal:

6. eco-corridor

Associatie van Harlekijn en Ratelaar (Dotterbloemhooiland) Binnen het dotterverbond worden zes associaties onderscheiden, maar slechts ĂŠĂŠn komt voor in het zeekleigebied, die van Harlekijn en Ratelaar. Kensoort: Harlekijn. De gemeenschap is gebonden aan een hoge grondwaterstand en een hoge basenverzadiging. De terreinen mogen echter niet inunderen. Het is een kwetsbaar

dotterbloemhooiland

155

vegetatietype dat vele bedreigingen kent, zoals eutrofiering, verdroging of (winter)inundaties. Beheer bestaat uit zomermaaien met nabeweiding. Bloemrijk grasland Dit type bestaat uit Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden. Het type komt voor op voedselrijkere en minder vochtigere bodems dan de schraalgraslanden. Het type is vooral waardevol als leefgebied voor weidevogels en minder vanuit floristisch oogpunt. Het gewenste vegetatiebeheer bestaat uit beweiden en/of maaien, met inachtneming van rustperiode in het broedseizoen en bemesting met ruige stalmest (alleen bij mesotrofe bodemtype). In de corridor is het voorkomen van het volgende vegetatietype aannemelijk: Kamgrasweide Dit vegetatietype ontstaat bij (niet te intensieve) beweiding. Kensoort: Kamgras. Bedreiging vormt intensivering van het beheer.

kamgrasweide


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Graslanden in de zone Natte schraalgraslanden ontstaan bij een hoge waterstand door het stringent toepassen van zomermaaibeheer (zie vorige paragraaf). Dotterbloemhooilanden vormen de voedselrijke variant en zijn op zeeklei eigenlijk de meest waarschijnlijke, omdat het erg lang duurt voordat deze bodemsoort echt verschraalt. Op plaatsen met langdurige verschraling onder een basisch milieu zijn andere schraalgraslanden mogelijk. Het ontstaan van dotterbloemhooilanden is niet heel waarschijnlijk. De gebieden die in aanmerking komen voor het ontstaan liggen vooral in het piekbergingsbekken. Regelmatige inundatie is niet uitgesloten. Langs de randen van de watergang, met name de hoger gelegen delen die minder gevoelig zijn voor inundatie, maken wel kans op dit vegetatietype, mits beheer hierop is toegespitst. Het ontstaan van dotterbloemhooilanden mogelijk op plaatsen waar rietvegetatie via zomermaaien beheerd wordt.

Bloemrijk grasland ontstaat veelal door verschraling van voedselrijke, intensief gebruikte graslanden (voormalige weilanden). Afhankelijk van de beheersvorm (beweiden of hooien) zal een bepaald type ontstaan. Bloemrijk grasland is van Europese betekenis en wordt beschermd onder de habitatrichtlijn. In de zone is het vegetatietype kamgrasweide mogelijk in de weilanden die beheerd worden met het silvopasture-systeem. Deze extensief beweide percelen worden niet bemest en zullen daardoor langzaam verschralen. Maaien ipv beweiden levert het vegetatietype glanshaverassociatie op. In de zone Kamgrasweiden vormen een geschikte habitat voor onder andere weidevogels als Grutto en Kemphaan.

Legenda Dotterbloemhooiland: Stadium volgt op rietvegetatie dat door zomermaaien beheerd wordt.

6. eco-corridor

Kamgrasweide: Dit type kent een agrarisch beheer (beweiding). Alleen mogelijk bij grondwaterstand IV en V

156


Flora - Natuurdoeltypen struweel, mantel en zoom

Struweel, mantel en zoom

Kenschets Struweel en ruigte op voedselrijke, zowel droge als natte bodems. De typen komen optimaal tot stand bij een integraal begrazingsbeheer, zodat de grens tussen bos en niet-bos geleidelijk verloopt. Ze vormen de overgang tussen de intensiever gebruikte graslanden en de niet of nauwelijks gebruikte bossen. In de successiereeks is dit het stadium voor de ontwikkeling tot bosvegetaties. Op zeekleigronden in de situatie zoals aanwezig in de ecologische corridor is het ontstaan van de volgende terrestrische vegetatietypen aannemelijk:

6. eco-corridor

Associatie van Grauwe wilg en Zwarte els Struweelgemeenschap met een tamelijk goed ontwikkelde kruiden moslaag. Vaak komen er soorten uit het rietverbond in voor. Ontstaat op natte, matig voedselrijke bodems. Kan ook als bosrandvegetatie voorkomen langs het iets drogere Elzenrijk, Essen-Iepenbos. Bedreigingen: eutrofiering, verdroging. Beheer: niets doen. Associatie van Amandel- en Katwilg Pioniersge-

dsleedoornstruweel

157

meenschappen, voorafgaand aan het schietwilgenbos. Dit struweel komt in het zeekleigebied op de natste, zeer voedselrijke delen tot ontwikkeling. Bedreigingen: verdroging, voortgaande successie. Beheer: niets doen, pionierssituatie creĂŤren. Associatie van Look zonder look en Dolle kervel Ruderale zoomvegetatie (=storingsvegetatie). Ontstaat op vochtige, matig tot zeer voedselrijke bodems in halfschaduw van heggen, bos- en struweel. Meestal als bosrandvegetatie van het droog essen-iepenbos. Bedreiging: eutrofiering en daarmee gepaard gaande verruiging, verdroging. Beheer: maaien. Vlier- en sleedoornstruweel Ontstaat op vochtige, matig tot zeer voedselrijke bodems. Verdragen een beperkte mate van inundatie. Komt zelfstandig voor, maar ook als bosrandvegetatie langs droog Essen-Iepenbos. Bedreiging: verdroging eutrofiering. Beheer: niets doen. Zevenbladassociatie Ontstaat op vochtige, zeer voedselrijke bodems. Langs sloten, in zomen en struwelen langs bossen op zeer voedselrijke standplaatsen. Bedreiging: geen. Beheer: maaien, niet afvoeren.

struweel op rijke grond


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Struweel, mantel en zoom Struweel ontstaat op plaatsen waar geen vegetatiebeheer wordt toegepast. Struweel kan zich zowel direct uit riet en grote zeggenvegetaties ontwikkelen als op plaatsen waar een maaibeheer wordt stopgezet.

schappen in stand. Door het gebruik van de corridor als productielandschap worden alle bosgemeenschappen relatief kort gehouden en is de vraag of deze niet in hun geheel vallen onder de vegetatietypen struweel.

De standplaatsparameters voor de verschillende vegetatietypen is heel divers en is afhankelijk van de bosnatuurtypen waar ze bij horen. Zo zal de associatie van amandel- en katwilg ontstaan op de natste plekken. Deze struweelgemeenschap ontwikkeld zich in een later stadium tot schietwilgenbos. Langs de randen van de rietvegetaties mag je verwachten dat struweel van het type associatie van grauwe wilg en zwarte els zal ontstaan.

Ondanks het feit dat struweelvorming feitelijk een successiestadium is en daardoor in principe (zonder ingrijpen) altijd van voorbijgaande aard, is het ecologisch belang van het in stand houden van zoveel mogelijk struweel enorm. Nergens is de biodiversiteit hoger dan in struweel en zoomvegetaties.

Struweel is feitelijk nooit een stabiele situatie. Bij niets doen zal op den duur uit elk struweel bos ontstaan. Een te streng maaibeheer voorkomt het ontstaan van struweel. Integraal beheer van begrazing in combinatie met cyclisch maaien/kappen houdt de struweelgemeen-

Dit is dan ook de reden waarom wij voor afscherming van de percelen waarop teelten plaatsvinden zoveel mogelijk kiezen voor struwelen in plaats van traditionele afrasteringen (prikkeldraad/schrikdraad). Langs de zuidwestzijde is het microklimaat het meest optimaal, zodat daar ook de meeste diersoorten aangetroffen worden. Als stelregel geldt dat in ieder geval alle perceelsranden aan de zuidwestzijde worden ‘afgerasterd’ met struweelranden in plaats van wildgaas.

Legenda Associatie grauwe wilg en zwarte els Associatie amandel- en katwilg Zevenblad-associatie

6. eco-corridor

Vlier- sleedoornstruweel en associatie look-zonder-look en dolle kervel

158


Flora - Natuurdoeltypen bosgemeenschap van zeeklei

Bosgemeenschappen

Kenschets Bostypen van echte zeekleigronden komen momenteel nauwelijks voor. De grond is zo vruchtbaar dat deze meestal in agrarisch gebruik is. Bossen in de vorm van populierenplantages zie je nog wel. Op de voedingsrijke bodem groeien de bomen vrij hard en kan er snel geoogst worden. Alleen bij landgoederen worden nog wel bossen van de rijke gronden aangetroffen. Op zeekleigronden in de situatie zoals aanwezig in de ecologische corridor is het ontstaan van de volgende terrestrische ecotopen en vegetatietypen aannemelijk:

6. eco-corridor

Schietwilgenbos Het echte schietwilgenbos komt alleen voor in zoetwatergetijdengebied waar naast langdurige inundaties in voorjaar en zomer dagelijks overstromingen plaatsvinden. Het is een vrij open bostype waarin struiklaag en boomlaag min of meer in elkaar overvloeien. Het bos volgt op de associatie amandelwilg en katwilg. Bedreigingen: peilverlaging, opslibbing, afname overstromingsdynamiek. Beheer: niets doen.

schietwilgen-ooibos

159

Elzenrijk Essen-Iepenbos Komt voor op lager gelegen delen dan het droog essen-iepenbos (GWT I-III. Ook van dit type bos is in Nederland maar weinig areaal te vinden. Niet meer dan 0,1% van het werkelijk potentieel is in gebruik als bos. Opgaand bos komt nauwelijks voor. De meeste bossen zijn in hakhoutbeheer (geweest). Bedreigingen: verdroging, eutrofiering, inundatie met vervuild water, doorschieten van hakhoutbossen door achterwege laten beheer. Beheer: voorzetten hakhoutbeheer Droog Essen-Iepenbos Dit is het natuurlijke bostype van de drogere delen van het zeekleigebied. Delen die niet onder invloed van direct grondwater staan (GWT III-IV). Inundatie wordt verdragen, mits niet van te lange duur. Dit type kenmerkt zich door een weelderige, soortenrijke kruidenlaag en een goed ontwikkelde mantel en zoom met veel doornige struiken. Belangrijke delen van de aangelegde bossen in de IJsselmeerpolders kunnen zich op den duur tot dit type ontwikkelen. Bedreigingen: inundatie vervuild water, ontwatering, eutrofiering, grote recreatiedruk. Beheer: niets doen of beheren als hakhout-middenbos.

elzen-essenbos


detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-â&#x20AC;&#x2122;a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-â&#x20AC;&#x2122;b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-â&#x20AC;&#x2122;c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

Bosgemeenschappen in de zone Op plaatsen zonder vegetatiebeheer ontwikkelt zich uiteindelijk bos. Afhankelijk van de grondwaterstand zijn dit natte tot droge bostypen die allen op zeeklei voorkomen, maar vaak ook op wat zandiger, lemige bodems. Soms wordt het bos als hakhout of griend beheerd. De standplaats is dan echter gelijk aan die van het bos. De ecologische waarde van bosvegetaties op rijke gronden is heel groot. Niet alleen de boomlaag is goed ontwikkeld, maar er is ook een rijke onderbegroeiing die bestaat uit heesters. ook is er een goed ontwikkelde, weelderige kruidlaag aanwezig. Deze bossen hebben niet alleen een rijke flora. De vele besdragende en nectargevende planten trekken allerlei dieren aan. De kans om dit soort rijke bosvegetaties tot ontwikkeling te kunnen laten komen, moet waar mogelijk binnen de corridor worden aangegrepen.

In welke mate het schietwilgenbos van nature zou ontstaan, is niet met zekerheid te zeggen. De overstromingsdynamiek zal beduidend lager zijn dan in het rivierengebied (waar dit type bos veelvuldig voorkomt), maar is zeker wel aanwezig. Vooral ook omdat overtollig water uit de verschillende wijken en het landbouwgebied dat niet kan infiltreren in deze gebieden uiteindelijk afvloeit en zich verzamelt in de corridor. Het ontstaan van drogere bostypen (elzen/essen en essen/iepen) is zeer waarschijnlijk. Het beheer van deze bossen als hakhout-middenbos ecologisch zeer interessant, vanwege de soortenrijke kruidenlaag. Hoe dichter de boomkroon groeit, hoe minder licht er op de bodem groeit, des te minder weelderig is de onderbegroeiing. Desondanks is het ecologisch nog waardevoller om een percentage bomen niet te beheren als hakhout, maar de kans geven tot volwassen exemplaren uit te groeien.

Legenda Schietwilgenbos: Heeft voldoende overstromingsdynamiek nodig. Is successiestadium na amandel-katwilgassocatie Elzen-essenbos: Beheer als hakhout ecologisch meest interessant. Bij verdroging overgang in essen-iepenbos

6. eco-corridor

Essen-iepenbos: Hogere standplaats (lagere GWT) dan elzen-essenbos. Beheer als hakhout, met volwassen stadia.

160


Recreatie Recreatie en vitale natuur Het scheppen van recreatiemogelijkheden zijn essentieel voor de komst van de corridor. Een dergelijk project kost de gemeenschap veel geld (met name voor de realisatie van ecoducten, grondverzet, bijdrage/subsidies voor minder rendabele teelten ed.). Om draagvlak en steun te creëren voor deze uitgaven, is het van groot belang dat inwoners ook een beetje mee kunnen profiteren van de aanleg van een corridor. Daarnaast is recreatie ook een functie die mee kan helpen om de corridor financieel rendabel te maken. Een verbinding tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold maakt het mogelijk om (vrijwel zonder infrastructurele barrière) van het ene naar het andere natuurgebied te lopen of fietsen. Dit is niet alleen voor omwonenden een aantrekkelijke optie, maar zal ook recreanten van buiten de regio aantrekken. Recreatie gaat helaas niet optimaal samen met vitale natuur, maar het één sluit het ander niet uit, mits er bepaalde voorwaarden gehanteerd worden. Met name de hoofddoelsoort voor de corridor - het edelhert - is erg schuw. Benutting van een robuuste verbinding door de doelsoort edelhert wordt bevorderd door een regime van rust. Dit betekent dat eventuele vormen van menselijk medegebruik beperkt moeten zijn tot de daglichtperiode en de randen van de corridor. Vormen van jacht waarbij de mens door het dier kan worden geassocieerd met gevaar, zijn een ramp voor de zichtbaarheid van de dieren. Andere voorbeelden van onvoorspelbare activiteiten zijn mensen die zich buiten wegen en paden begeven (struinen), al dan niet met loslopende honden.

6. eco-corridor

Edelherten ervaren mensen als bedreigend en reageren op hun aanwezigheid door aanpassing van hun dagindeling en terreingebruik. Een voorbeeld is de beperking van hun activiteit tot de schemering en de nachtelijke uren Wanneer de mens niet of in mindere mate wordt geassocieerd met gevaar, zoals in de Oostvaardersplassen of plaatselijk op de Veluwe, kunnen ze dagactief blijven en zich laten zien op de open terreingedeelten. Hierbij speelt de uitgestrektheid van de open terreingedeelten, die maakt dat het gevaar op grote afstand kan worden waargenomen, een rol. Edelherten zijn gevoeliger voor optische dan voor akoestische verstoringen. Wanneer edelherten worden verstoord, kunnen drie soorten vluchtgedrag worden onderscheiden: dekking opzoeken, afstand vergroten en optische controle houden. De afstand waarop edelherten besluiten om te vluchten (vluchtdrempel) en de ruimte die ze creëren tussen zichzelf en de verstoringsbron, is af161

hankelijk van de samenstelling van het gebied (dekking/ open ruimte), aanwezigheid van jacht en jachtmethode, en de mate van voorspelbaarheid van verstoring. Effecten dichtheden van wandelheden in leefgebieden van edelherten: <10 m/ha: optimaal 10-20 m/ha: gunstig 20-40 m/ha: beperking benuttingsmogelijkheden >40 m/ha: voor de fauna blijven resten over van het benuttingsgebied, schade neemt toe door concentratievorming (Bron: Edelherten in de Gelderse Poort - haalbaarheidsstudie, G.W.T.A. Groot Bruinderink et al., Alterra, 2005) Uit voorgaande informatie kan geconcludeerd worden dat hoe smaller de corridor is, hoe groter het effect is van recreatie op het gedrag van de dieren en benutting van de corridor voor dispersie. Ook kan afgeleid worden dat hoe smaller de corridor is, des te belangrijker beschutting (in de vorm van opgaande beplanting) wordt. Recreatie in de corridor In het ontwerp is geen ruimte voor verblijfsrecreatie opgenomen, afgezien van enkele bankjes langs de route. De corridor is dus niet alleen een dispersiezone voor dieren, maar ook voor mensen. In ons ontwerp zijn twee recreatieve routes gepland, een oranje (wandel)route die vrij dicht langs het hart van de corridor loopt en voor een groot deel de beekoever volgt en een rode (fiets)route die voornamelijk de rand van de corridor volgt. Beperken recreatiedruk wandelroute Naar verwachting zal de beekoever ook een belangrijke dispersieroute gaan vormen voor het edelhert. Een te grote recreatiedruk van de wandelroute is daarom niet wenselijk, en al helemaal niet tijdens de bronst die loopt van augustus tot oktober. Door ‘natuurlijke ontmoediging’ kan de recreatiedruk op dit pad laag gehouden worden. Door het wandelpad niet té gebruiksvriendelijk te maken (sturen materiaalkeuze, het wandelen net iets meer een uitdaging te maken), zal de grote massa er geen gebruik van maken. Parkeren in/bij de zone is niet mogelijk, zodat de doelgroep vanzelf beperkt blijft tot de serieuze wandelaar of natuurvorser. Deze situatie is vergelijkbaar zoals het beleid dat in de stiltekern in het Horsterwold gehanteerd wordt. Hier mag men naar hartelust struinen, maar het ontbreken van paden en de natte natuurtypen maken het gebied alleen betreedbaar met stevige laarzen. Onderzocht moet worden of de recreatiedruk laag genoeg is (blijft) om deze route ook tijdens de bronstperi-


ode open te houden. Eventueel is tijdelijke afsluiting een optie. Het is waarschijnlijk dat de recreatiedruk toeneemt wanneer alle geplande wijken daadwerkelijk gebouwd worden. Wanneer er echte verstedelijking gaan plaatsvinden in fase IV is het aannemelijk dat het wandelpad een aantrekkelijkere uitlooproute vormt voor de bewoners in dit gebied. Fietsroute hoge recreatiedruk Verwacht wordt dat de grootste recreatiedruk echter komt te liggen op de rode (fiets)route. Deze zal vermoedelijk zowel door omwonenden als fietsrecreanten van buiten de regio veelvuldig benut worden. Wanneer ook een boerenlandwinkel langs deze route gesitueerd wordt, waar lokaal geteelde producten verkocht worden, zal het gebruik van deze route nog meer gestimuleerd worden. De hoge gebruiksdruk kan uitstekend samen gaan met de functie van de corridor als dispersieroute voor het edelhert, doordat deze route (vrijwel) helemaal langs de

detaillering

doelsoorten: overige soorten

doorsnede a-’a

natuurdoeltype: rietland en ruigte

doorsnede b-’b

natuurdoeltype: graslanden

doorsnede c-’c

natuurdoeltype: struweel en zoom

doelsoorten: edelhert

natuurdoeltype: loofbos rijke grond

doelsoorten: kiekendief

recreatie

rand van de corridor loopt. Doordat edelherten met name reageren op optische verstoringen, minder op akoestische, is de breedte van de corridor (tot aan het fiets- of wandelpad) in principe meer dan voldoende, omdat er op alle plekken altijd meer dan voldoende bedekking aanwezig is om de dieren een schuilplaats te bieden. Ook in de winter, wanneer het blad gevallen is en beplantingen transparanter van karakter, zal de rietbeplanting langs de oevers van de beek nog altijd zorgen voor voldoende beschutting. Verwacht mag worden dat de recreatiedruk ‘s winters bovendien lager is dan ‘s zomers. Waterrecreatie Niet uitgewerkt, maar wel onderzocht zou kunnen worden of het mogelijk/wenselijk is om niet-gemotoriseerd waterverkeer (roei en kanoboten) via een eenvoudige sluis vanuit de Hoge Vaart toegang te verlenen tot de beek in de corridor. Een rechtstreekse verbinding zonder sluis is vanwege het verschil in peilniveau en de magere waterkwaliteit in de Hoge Vaart niet mogelijk.

6. eco-corridor

wandelrecreatie

fietsrecreatie

recreatieve routes

162


Financiering corridor

financiële draagkracht creëren

Geld verdienen met ecologie Het voert te ver om te proberen een sluitende begroting voor de corridor te maken. De precieze financiële kosten en baten zouden moeten worden doorgerekend door verschillende deskundigen en zelfs dan is het nog lastig om bepaalde waarden te kwantificeren. Wat is bijvoorbeeld de waarde voor ecologische stabiliteit? De gevolgen van het ontbreken van stabiliteit zijn moeilijk te overzien en waarschijnlijk pas op lange termijn merkbaar. Ecosysteemdiensten Andere financiële aspecten zijn wel (enigszins) door te rekenen. Zo kunnen de diverse ecosysteemdiensten, zoals waterzuivering, waterberging, fijnstoffiltering en co2opslag wel worden berekend of op zijn minst geschat. Voor de ecosysteemdienst klimaatbeheersing (water en groen benutten om het klimaat in de woonomgeving of zelfs in de woning te reguleren), is ook een financiële kosten/baten-analyse te maken, maar dat kan pas wanneer het ontwerp geheel tot in detailniveau is uitgewerkt. Zeker op gebouwniveau is veel winst te behalen, maar voor het bepalen van de hoogte van die winst is noodzakelijk dat bekend is hoeveel bebouwing er precies zal komen in en grenzend aan de corridor. De meerwaarde voor de landbouw in de omgeving op het gebied van bestuiving en plaagbestrijding is afhankelijk van de teelten. Wanneer bestuiving noodzakelijk is (bijvoorbeeld bij fruitteelt), is de winst veel groter dan wanneer dit niet het geval is. Recreatie Ook de waardevermeerdering voor recreatiedoeleinden is in kaart te brengen, evenals de waardevermeerding van wooneenheden in de directe omgeving, die profiteren van de aanwezigheid van groen in de buurt.

6. eco-corridor

Winst uit teelten en neveneffecten Daarnaast is de kostenbesparing die gemoeid gaat met het reduceren van de bodemdaling eveneens financieel te kwantificeren. De opbrengst van de teelten is afhankelijk van de prijs voor de grondstoffen die de teelten opleveren: voornamelijk biomassa, hout en andere groene grondstoffen. Deze prijs kan jaarlijks fluctueren en is deels afhankelijk van de vraag naar energie en het aanbod van andere energiebronnen. Maatschappelijke meerwaarde Minder makkelijk kwantificeerbaar is de maatschappelijke meerwaarde van de nabijheid van robuuste groenzones. Diverse studies hebben aangetoond dat de nabijheid van groen een flinke gezondheidswinst kan opleveren. Wonen in een groene omgeving levert significant gezondere mensen op dan wanneer de woonomgeving verstoten blijft van groen. Onderzoekers durven echter nog geen harde cijfers te geven, ook omdat de onderzoeken moei163

lijk ‘zuiver’ te houden zijn. Mensen die in groene zones wonen hebben doorgaans ook meer geld te besteden en zouden ook om die reden gezonder kunnen zijn. Er zijn in ieder geval al wel voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat veel groen in de omgeving tot een betere gezondheid en minder stress leidt. Boscompensatie De provincie Flevoland heeft de opgave gesteld om bos dat gekapt moet worden voor alle infrastructurele of stedelijke uitbreidingen die moeten plaatsvinden eenzelfde areaal bos elders terug te planten. Deze opgave kost geld, met name omdat voor die opgave grond voor moet worden aangekocht of onttrokken aan de landbouw. Wat is de waarde? Een probleem bij het kwantificeren van alle kosten en baten is een lastige taak, vooral omdat er voor veel van de genoemde winsten nog geen marktwaarde bepaald is. Een groot deel van de genoemde ecosysteemdiensten, zoals fijnstoffiltering, co2-opslag, klimaatbeheersing, maar ook waterzuivering en waterberging, is momenteel wel een issue, maar nog geen verplichting. De overheid heeft op dit terrein nog geen regels gesteld en er is dus ook geen geld voor gereserveerd. De opbrengst moet dus gekwantificeerd worden door het omgekeerde te doen. Wat kost het de maatschappij, de direct omwonenden als we de verschillende ecosysteemdiensten niet zouden benutten? Wat kost het als gebieden eens in de x aantal jaren overstromen en er ontstaat waterschade aan gebouwen en andere eigendommen. Wat scheelt het aan kosten voor klimaatbeheersing (airco/energie) wanneer we meer gebruik gaan maken van natuurlijke klimaatregulering? Zo zijn er allerlei kosten die bespaard kunnen worden door natuur slim in te zetten. Deze kosten moeten een marktwaarde gaan krijgen, zodat agrariërs die de teelten in de corridor beheren gecompenseerd worden voor hun verlies aan inkomsten in vergelijking met conventionele teelten (bolgewassen, suikerbieten, aardappels). Zonder een sluitende balans te maken en de precieze kosten en baten van de corridor in kaart te maken, willen we toch beweren dat het mogelijk is om een vitale én functionele corridor te realiseren die financieel rendabel is. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat beleidsmakers een mindshift maken en verder kijken dan de gemakkelijk in geld te kwantificeren kosten en baten. De maatschappelijke winst/kosten zijn veel groter dan de opbrengst (of verminderde opbrengst) van de teelten op landbouwgronden. Die maatschappelijke meerwaarde zou een veel groter gewicht mogen hebben in beslissingen dan nu het geval is. Daar ligt duidelijk een opgave.


Enkele cijfers Met alleen maar wat aannames kom je er niet. Om onze beweringen wat meer kracht bij te zetten, hebben we toch alvast een aanzet gedaan. In diverse studies zijn we op zoek gegaan naar wel te kwantificeren baten. De niet kwantificeerbare baten zouden daar dus nog bij opgeteld moeten worden, maar er blijkt reeds dat in principe een sluitende balans gemaakt kan worden voor beheer van de corridor. Bepaalde initiële kosten voor de realisatie (mn. verwerving gronden, aanleg ecoducten, etc.) zijn hierbij niet meegenomen. Overgenomen uit ‘Kansen voor de aanleg van wilgenplantages in Nederland, M. Boosten et al., 2011): Opbrengsten van wilgenplantages van 1 hectare groot met verschillende levensduur in vergelijking tot de kosten. Levensduur

Financieel resultaat/ha

6 jaar (2 oogstcycli)

-2.653,61 euro

9 jaar (3 oogstcycli)

-1.425,86 euro

12 jaar (4 oogstcycli)

-389,21 euro

15 jaar (5 oogstcycli)

+647,44 euro

18 jaar (6 oogstcycli)

+1.684,59 euro

Inkomsten

Opbrengsten/ ha/jr

1. Biomassa. Inkomsten uit verkoop 750 euro biomassa: uitgaande van 30 euro per ton; opbrengst 25 ton biomassa per ha. 2. Natuur. Vergoeding realisatie 900 euro wetlandnatuurdoelen, conform SAN Landschappakket Rietzoom en klein rietperceel, vaarland. 900 euro 3. Waterberging. Waterberging in 250-550 euro de rietlanden op polder- en/of boezemniveau. Uitgangspunt is dat de rietlanden 1 of meer keer per jaar beschikbaar zijn voor waterberging en voor een langere periode. 4. Waterzuivering. Natuurlijke zui- 300-500 euro vering van water door het zuiverende effect van riet (ook zonder gebruik kunstmest/bestrijdingsmiddelen) in gebieden waarvan de waterkwaliteit verbeterd moet worden. Totale opbrengst biomassaproductie 2 . 1 5 0 - 2 . 7 5 0 en maatschappelijke diensten euro In hetzelfde rapport is ook een vergelijking gemaakt met de opbrengsten van melkveehouderij in vernat veenweidegebied. Een kosten en batenanalyse levert een meerwaarde van 600 euro in het voordeel voor rietteelt.

6. eco-corridor

In genoemde cijfers zijn ook de initiële kosten voor de aanleg van de plantage meegenomen. Door de relatief hoge initiële kosten, is een wilgenplantage pas na 15-18 jaar rendabel en niet op hele korte termijn. Let wel: dit bedrag is enkel en alleen gebaseerd op de huidige (relatief) lage opbrengst. Gezien het feit dat Lelystad een bioenergiecentrale heeft (geringe vrachtkosten) en de vraag naar duurzame energie toeneemt, mag verwacht worden dat de opbrengst voor lokaal verbouwde biomassa zal stijgen. De meerwaarde mbt ecosysteemdiensten (waterzuivering, berging) is hierbij niet meegenomen. Ook zonder deze waarden is een rendabele teelt al mogelijk.

Overgenomen uit ‘De introductie van de rieteconomie’ Grandiek et al, 2007): Inschatting inkomsten rietproductiebedrijf met groene en blauwe diensten (opbrengsten/ha/jr)

ecosysteemdiensten: waterberging

co2-opslag

ecosysteemdiensten: waterzuivering

164

Ecologische corridor  

Onderdeel van het rapport Almere 2.0

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you