Page 1

De Geffense Plas verbonden in blauwgroen

LIOR en detailuitwerking Masterplan Shera van den Wittenboer - T2DA i.o.v. Hogeschool Van Hall-Larenstein juni 2011


inhoudsopgave inleiding > analyse

1 2 3

> het concept

5

> visie en masterplan

7 7 8 9

Functionele analyse Sociale analyse

Masterplan Analyse van het masterplan Referentiebeelden

> infrastructuur

Toegankelijkheid Referentiebeelden infrastructuur Principeprofielen Principedoorsnede 1: toegangsweg Principedoorsnede 2: groenblauwe zone Principedoorsnede 3: wandelpromenade Principedoorsnede 4: knuppelpad

> oevertypen

Oevertype 1 - cultuurlijke oevers Oevertype 2 - half naltuurlijke/cultuurlijke oevers Oevertype 3 - half natuurlijke oevers - speelnatuur Oevertype 4 - natuurlijke oevers

11 11 12 15 17 19 21 23 25 26 27 28 29

> grondwerk

31

> groenstructuur

33

Referentiebeelden beplantingen Staalkaarten beplanting Staalkaart 1: ecologische bosrand Staalkaart 2: cultuurlijke bosrand Staalkaart 3: omvorming productiebos naar gemengd loofbos Staalkaart 4: soortenrijk droog schraalgrasland Staalkaart 5: parkachtige beplanting

34 39 41 45 49 53 57

> beheer

Beheerniveaus Beheertypen Uitwerking beheertype 1: boomgroepen in gras Uitwerking beheertype 2: bloemrijk grasland Uitwerking beheertype 3: gemengd loofbos

61 61 62 64 65 66

> overdrachtsdocument

67

> detaillering ontwerp

69 Analyse deelgebied 69 Concept, visie en uitwerking deelgebied 69 Detailuitwerking 1: waterelement 75 Detailuitwerking 2: schaduwrijke zitjes 77 Detailuitwerking 3: wandelpromenade 79 Detailuitwerking 4: entree 81 Detailuitwerking 5: parkeervoorziening 83

bijlagen

85


inleiding De Geffense Plas is een plek met veel potentie. In de huidige staat wordt slechts weinig van die potentie benut. Sterker nog, het gebied is in slechte staat, visuele en fysieke barriéres schermen het zicht af of belemmeren de doorgang. Veel natuurpotentie is tot op heden onbenut en speelmogelijkheden zijn vrijwel teruggebracht tot nul. Het is niet moeilijk om de ‘aandachtspunten’ op te sommen. Dat dit gebied onder de loep genomen moet worden is duidelijk. Het formuleren van de opgave is niet zo ingewikkeld, het uitwerken van een plan waarin alles samenkomt - intensieve recreatie én extensieve natuurbeleving, spelen én watersport, wandelen én fietsen - vergt meer. In dit rapport wordt een totaalplan beschreven en gevisualiseerd om de Geffense Plas te transformeren tot een recreatieknooppunt voor intensieve en extensieve recreanten waarbij de ecologische waarde een aanzienlijke rol speelt. Het rapport is vierledig. Het eerste deel bestaat uit de LIOR (Leidraad Inrichting Openbare Ruimte). In deze LIOR worden de wegtypen, oevertypen en terreininrichtingen beschreven en uitgewerkt. Ook maakt het grondwerk (oa. grondbalans) deel uit van de LIOR. Het tweede deel behandelt de beplantingsstructuur en de in het gebied voorkomende beplantingstypen. Vijf van de genoemde beplantingstypen worden uitgewerkt in een staalkaart. Het derde deel gaat over het beheer van het gebied. Welke kwaliteitszones zijn er en wat is de beoogde beeldkwaliteit voor die verschillende zones. Dit deel wordt afgesloten met een overdrachtsdocument. Het vierde deel betreft de detaillering van het gekozen detailgebied. In dit deel wordt verder doorontworpen op een detailgebied uit het masterplan. Dit gebied wordt op ‘key features’ vervolgens nog weer verder doorontworpen. In de bijlagen staan de technische profieluitwerkingen die horen bij de LIOR.


Bodemtype De Geffense Plas is gegraven uit een voormalig landbouwperceel. De oorspronkelijke kavelgrens is nog zichtbaar in de vorm van de plas. Dit perceel, alsmede de kavels waaruit de ligweide is ontstaan, bestaan uit een bodemtype uit de humuspodzolgronden, nl. een veldpodzol. Dit is een matig voedselrijk bodemtype. de duinvaaggronden zijn heel arm. Het podzoleringsproces is nog nauwelijks op gang gekomen. Deze stroken duinvaaggrond lenen zich voor de ontwikkeling van heide of stuifzandvegetaties. Aan de randen treffen we zwarte enkeerdgronden. Deze (voormalige) akkers zijn al heel lang in cultuur. De grond is zeer vruchtbaar. Rijkere bostypen (beuk, es, esdoorn, haagbeuk) kunnen zich hier ontwikkelen.

Grondwatertrappen De grondwatertrappenkaart laat grondwatertrappen zien die horen bij een dekzandrug. Het grondwater zit overwegend diep in de bodem, muv de rand aan de zuidzijde van het gebied. Hier zijn enkele poelen aanwezig. Ondanks deze grondwaterstanden, is een groot gedeelte van het gebied toch vrij nat. Dit heeft te maken met de kwelsituatie die is ontstaan na het graven van de plas. Met name in de winter is het gedeelte aan de zuidwestkant van de plas vochtig tot plasdras. Hier zijn enkele broekbosjes ontstaan. ‘s Zomers is dit gebied (in de huidige situatie) veel droger. Er is namelijk een vrij groot verschil tussen de grondwaterstand in de zomer of winter.

Microreliëf Een rijk microreliëf met plaatselijke hoogteverschillen in de ondergrond tot 2m zorgen voor grote verschillen in bodemsituatie, waardoor een rijk scala aan beplantingstypen is ontstaan of mogelijk kan ontstaan


analyse

1

In de analyse worden alleen bevindingen genoemd die in het plan verwerkt zijn, hebben bijgedragen tot de visie- of conceptvorming. Overige onderzochte aspecten worden weggelaten.

In het natte, zuidwestelijk deel van de plas bevinden zich gebufferde poelen en heeft zich elzenbroekbos ontwikkeld. Dit biedt een potentieel interessante leefomgeving voor (kritische) amfibieën.

De Geffense plas is een zandafgraving gelegen ten zuiden van Oss en ten oosten van Geffen in het Brabantse dekzandgebied. Het omliggende agrarisch gebied bestaat uit essen- en oude hoevenlandschap. De oude verkavelingsgrenzen zijn ook nog duidelijk af te lezen aan de vorm van de plas. Direct aan de oostelijke kant vind je nu voornamelijk bos met enkele open heidevelden.

Het gebied sluit aan op andere natuurgebieden in de buurt en maakt deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. De Ceresweg vormt hierin wel een fysieke barrière.

Ondergrond Het gebied bevindt zich op de overgang van dekzandrug naar nat beekdal met kwel. Door het ontgraven van het zand komt de kwel uit de dekzandrug nu grotendeels in het plangebied aan de oppervlakte. De plas heeft hierdoor een drainerende werking op zijn directe omgeving, maar ter plekke levert dit wel een bijzondere kwelsituatie op die ingezet kan worden bij natuurontwikkeling.

Oppervlaktewater en kwel Voor het ontgraven van de Geffense Plas kwam het kwelwater, dat infiltreerde op de dekzandrug, pas in het beekdal aan de noorwestzijde van Oss aan het oppervlak. Door de ontgraving is de kwelstroom onderbroken en komt het water ter plekke al aan het oppervlak. Er is hierdoor een redelijk unieke situatie ontstaan waarbij de (droge) dekzandrug pal naast een (natte) kwelzone is gelegen. Deze situatie biedt veel potentie voor natuurontwikkeling. Op de kwelkaart hieronder is te zien hoe de kwelplek zich bevindt tussen veel drogere infiltratiezones.

Concurrentiepositie en uniciteit De concurrentiepositie van de Geffense Plas zou heel sterk kunnen zijn. Rondom Den Bosch liggen meerdere zanwindplassen, maar dat is bijna 20 kilometer verderop. Veilig natuurzwemwater (dus niet de uiterwaarden) is er niet in de nabije omgeving. Inwoners van zowel Oss, Schaijk als Geffen gaan naar het plaatselijke zwembad of naar de Geffense Plas. Vanwege de slechte staat van de Geffense Plas wordt het zwembad momenteel vaak verkozen boven de plas. Verwacht wordt dat de concurrentiepositie van de Geffense Plas veel sterker wordt na realisatie van de plannen.

Het gebied heeft daarnaast een rijk microreliëf met hoogteverschillen tot ca. 2m (gemeten op land, de diepte van de plas dus niet meegerekend) Natuurwaarde Het grootste oppervlak van het beplante deel bestaat uit droog productiebos wat een relatief geringe ecologische waarde heeft. De ecologische potentie van het gebied wordt daardoor niet ten volle benut.

Beleid Het gebied, noch omgeving is opgenomen in de natura 2000-beleidskaart. Er gelden geen habitat- of weidevogelrichtlijnen. Ook valt het gebied niet onder natuurbeschermingswet. De waterlopen in en rond het gebied zijn grotendeels kunstmatig. Het betreft gegraven waterlopen, net zoals ook de Geffense Plas een kunstmatig ontstane waterplas is. Dat ze kunstmatig van karakter zijn, wil niet impliceren dat ze daarmee ongeschikt zijn om te dienen als Ecologische Verbindingszone (EVZ). De gemeente Oss wil graag een groenblauwe verbinding realiseren langs de zuidzijde van Oss (zie ook kaartje links). Deze groenblauwe verbinding loopt door het gebied van de Geffense Plas. Op dit moment wordt hier nog geen oppervlaktewater aangetroffen. Waterlopen zullen hiervoor gegraven moeten worden. In de nabije omgeving is echter al wel water aanwezig. De te graven verbindingen zullen daarom niet zo talrijk zijn.

Het gebied maakt wel deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. In de visie van de gemeente Oss wordt de wens uitgesproken om een groenblauwe verbinding (EVZ) gerealiseerd wordt langs de zuidzijde van Oss. Aangezien de Geffense Plas grenst aan de zuidzijde van Oss, impliceert dit dat deze groenblauwe zone geintegreerd moet worden met het plangebied. Voor het plangebied - dat valt onder een groter gebied: de Verborgen Heerlijkheid van Oss - is een uitgebreide visie opgesteld door BügelHajema. De bijbehorende visiekaart is hierboven weergegeven.


Functionele analyse

Aan de (noord)westzijde is het maken van verbindingen met het omringende landschap wel een optie. Hier bevinden zich al relatief weinig barrières (wegen en bebouwing) en is het landschap vrij open en bovendien aantrekkelijk. Aan de noordzijde grenst het gebied direct aan een woonwijk.

De functionele analyse is slechts ten dele gebaseerd op de huidige situatie. De gewenste situatie is als uitgangspunt genomen. De functionele analyse hangt nauw samen met de sociale analyse op de pagina hiernaast. Het gebied is ruwweg in te delen in twee zones, die van de extensieve recreatie/ecologische hoofdstructuur en de intensieve recreatie. De verschillende functies zijn in deze twee zones ondergebracht. Het gebruik (en de gebruiksfrequentie) hangen samen met het karakter van de betreffende zone. In de zone van de intensieve recreatie ligt de gebruiksfrequentie veel hoger dan in de zone van de extensieve recreatie. Ter bescherming van de natuurwaarden is dit ook gewenst. We zouden het dus ook anders kunnen stellen: in de zone van de intensieve recreatie zijn alle functies geplaatst die een hoge gebruiksfrequentie met zich meebrengen, in de extensieve zone alle functies die een lage gebruiksfrequentie hebben. In de intensieve recreatiezone is de horeca gesitueerd, de lig- of zonneweide, de parkeerplek en vrijwel alle speelmogelijkheden voor kinderen. Ook is dit de plek waar men aankomt en fiets of auto ‘parkeert’. Alle extensieve activiteiten die niet ‘bijten’ met de ecologische doelen van het gebied zijn gesitueerd in de extensieve zone. Een uitzondering daarop vormt de jongerenplek. Deze bevindt zich aan de rand van de plas op de extensieve helft. Dit is (bij benadering) de plek waar de jongeren momenteel al verblijven. Er is om diverse redenen voor gekozen om deze plek te handhaven. De plek is ten eerste goed bereikbaar, ook zonder door het bos te hoeven, waarmee de druk op de flora en fauna alweer wat afneemt. Daarnaast betreft het een enigzins luidruchtige doelgroep die niet uitermate goed combineert met andere doelgroepen. Bovendien hebben ze graag wat privacy. Op deze manier blijft een zekere afstand bewaart en kunnen ze - doordat ze direct op een zichtas geplaatst zijn - toch een beetje in de gaten gehouden worden. Zo kunnen ze hun eigen gang gaan (wat voor die leeftijdsgroep zeer belangrijk is), maar blijven eventuele risicos (mn. brandgevaar) beperkt. De plaatsing van de jongeren op deze plek is dus een weloverwogen compromis.

tree

Ruimtelijke analyse Door de huidige houtopstanden is het gebied besloten van karakter en sterk op zichzelf georiënteerd. Ingezet kan worden op het ‘openen’ van het gebied, zodat een verbinding met het omliggende landschap ontstaat, maar deze beslotenheid kan ook als kwaliteit gezien worden. De omliggende wegen aan de zuid en oostkant (snelweg en ontsluitingsweg) maken het ‘openen’ van het gebied in die richting onlogisch, omdat de nabijheid van verkeer niet bijdragen aan een goede recreatieve sfeer.

zichtas + en

2

doorgaande fietsroute ecologische verbinding

ligweide zonnebaden evenementen horeca/ontmoeting

(fiets)parkeren

duikvereniging

vogels kijken feature zandwinheuvel

struinnatuur

zwemmen waterrecreatie

entree 2 (fiets)parkeren

Intensieve zone kinderstrand natuurspelen waterspelen

jongerenhonk

extensieve zone ecologische hoofdstructuur


Sociale analyse De Geffense Plas wordt al door een ruim aantal doelgroepen bezocht, maar in de nieuwe situatie worden dit er nog meer, omdat het terrein nog meer doelgroepen zal aanspreken. In de sociale analyse is niet uitgegaan van de huidige gebruikersgroepen, maar de potentiele doelgroepen die het gebied om uiteenlopende redenen zouden kunnen bezoeken. Per categorie is beschreven op welke manier het gebied de doelgroep zou kunnen aanspreken. Huidige en potentiele doelgroepen zijn: Zonaanbidders en waterrecreanten Deze categorie overlapt andere doelgroepen gedeeltelijk, maar moet toch apart genoemd worden, omdat de aanwezigheid van zon en water de Geffense Plas tot een belangrijke trekpleister maken. Concurrende locaties op dit gebied zijn wel te vinden, met name het zwembad van Oss trekt momenteel vrij veel potentiele bezoekers.

3 Kinderen uit de buurt In de huidige situatie wordt het deel dat voor kinderen de meeste aantrekkingskracht zou hebben afgeschermd middels een afrastering. Een gemiste kans! De plas grenst direct aan een woonwijk en kan daarnaast gemakkelijk de iets oudere kinderen uit omliggende wijken aantrekken om als speelplek te fungeren voor die leeftijdsgroep die al zelfstandig en redzaam genoeg is om zonder toezicht van ouders te gaan spelen. Vanwege de aanwezigheid van water betreft het dan vooral kinderen met een zwemdiploma. Schoolreisgangers Momenteel heeft de Geffense Plas nog te weinig te bieden om schoolreisgangers te trekken. Deze wijken nu nog uit naar recreatiegebieden in de buurt. Wanneer de plannen gerealiseerd worden is dit echter niet langer het geval. Met name het aan te leggen speelbos en speelnatuur met water zullen grote trekpleisters vormen.

Gezinnen met jonge kinderen De Geffense Plas moet veel doelgroepen kunnen aanspreken, maar er is één doelgroep in het bijzonder die van families met jonge kinderen - waar bijzondere aandacht naar uit gaat. Het betreft een grote groep die met de juiste voorzieningen gemakkelijk overgehaald kunnen worden de plek veelvuldig te bezoeken. Door het creëren van een kindvriendelijke omgeving en veel speelmogelijkheden (oa. speelnatuur) wordt deze plek erg aantrekkelijk voor deze doelgroep.

Ommetjesmakers (met of zonder hond) De Geffense Plas - met name het gebied buiten de afrastering - doet momenteel al dienst als ommetje vanuit de omgeving. Vooral mensen met honden gebruiken de plas als dagelijks (of meerdagelijks) ommetje. Het is de bedoeling dat dit alleen maar aantrekkelijker wordt. Honden zijn welkom, mits aangelijnd ivm de ecologische waarde aan de zuidzijde van de plas en de recreatieve waarde aan de andere zijde. Er geldt wel een hondenpoep-verbod.

Jongeren Een grote groep jongeren uit de omgeving van Oss heeft in de Geffense Plas een plek gevonden om elkaar te treffen. In de volksmond worden dit ‘hangjongeren’ genoemd. In de praktijk betreft het een kwetsbare doelgroep die door het uitdagende gedrag zelden ergens welkom is. Graag zouden we deze groep een ‘echte’ plek gunnen in het gebied. Wanneer samen gezocht wordt naar een eigen plek, onstaat ook een groter verantwoordelijkheidsgevoel deze plek aantrekkelijk te houden.

Lange afstandwandelaars/natuurliefhebbers De ecologische waarde van het gebied is momenteel nog niet zo erg groot, vanwege de relatief beperkte soortenrijkdom. Dit aspect kan echter veel beter en zal in de huidige plannen ook opgepakt worden. Natuurliefhebbers zijn daarom een te verwachten doelgroep. Met de realisatie van het gehele plangebied ‘Verborgen Heerlijkheid van Oss’, waar de Geffense Plas onderdeel van is, zal het gebied ook lange-afstandwandelaars trekken.

Fietsers (recreatief en ‘doorgaand’ verkeer) Momenteel loopt er al een recreatief waardevolle fietsverbinding door het gebied van de Geffense Plas. Door uitbreiding van het fietsnetwerk, wordt dit verbeterd en trekt het gebied niet alleen recreatieve fietsers, maar ook doorgaande fietsers. Dit draagt bij aan de bekendheid van de plek. Ook maakt dit het gebied levendiger, met name wanneer er geen aangenaam zomerweer is.

Horecabezoekers De huidige horecagelegenheid wordt vrijwel uitsluitend bezocht door mensen die de plas ook al om andere redenen bezoeken (zon, water, wandelen). Dit kan veel beter. Door een aantrekkelijk, trendy horecapaviljoen neer te zetten waar lekker gegeten kan worden voor nette (gemiddelde) prijzen, kan het horecapaviljoen zelf ook fungeren als trekpleister. We verwachten daarom ook bezoekers die speciaal voor de horeca naar de plas komen. Duikers De duikvereniging is een trouwe bezoeker van de plas. Er wordt alles aan gedaan om dat zo te houden. In de huidige plannen worden er aanpassingen gemaakt aan de oevers en komt er een aansluiting van de plas met waterlopen in de omgeving. Dit zal ongetwijfeld zorgen voor een verandering van de waterkwaliteit. Verwacht wordt dat dit op den duur zal leiden tot een betere waterkwaliteit, maar het duurt enige tijd voordat een nieuw evenwicht is ontstaan. Festival- en evenementbezoekers Deze groep kan bestaan uit mensen die om geen enkele andere reden ooit de plas zouden bezoeken. Ze komen voor een speciaal doel of evenement. Door verruiming van de ligweide, onstaat een flexibeler in te delen ruimte die ingezet kan worden voor (grotere) evenementen.


legenda concept masterplan: extensieve natuurzone en intensieve recreatiezone verbonden in blauwgroen

In de natuurlijke zone vormt de huidge ondergond de basis voor de (toekomstige) natuurdoeltypen. Het aanwezige microreliĂŤf wordt niet alleen benut als onderlegger voor paden, maar is ook richtinggevend voor verontdieping van de oevers en verdere vernatting van de natte laagtes.

4

De beslotenheid en het introverte karakter van de Geffense plas wordt -met name in de extensieve, natuurlijke zone - in stand gehouden. Wel zullen de ecologische waarden versterkt worden door langzame omvorming van productiebos naar gemengd loofbos met een kruidenrijke onderbegroeiing.

De zone waar de extensieve recreatie plaatsvindt is extraverter, weidser en meer cultuurlijk vormgegeven. De nadruk ligt hier op flexibiliteit en programma.

De Geffense plas takt aan bij de groenblauwe verbinden die de gemeente Oss wil realiseren. Deze verbinding zal lopen langs de onderrand van Oss. Via een parkachtige groenblauwe zone worden stad, de extensieve recreatie en de extensieve natuur met elkaar verbonden

De richting van de pijl geeft aan of de ruimte introvert of extravert van karakter is

stedelijke bebouwing


het concept Het gebied van de Geffense Plas zal ruwweg te verdelen zijn in drie verschillende zones, elk met een eigen karakter, programma en uitstraling. We onderscheiden een extensieve zone (lichtgroen). Hier staan extensieve recreatie en de versterking van natuurwaarden centraal. De aanwezige ondergrond en het microrelief zijn hierbij leidinggevend. Daarnaast is er een intensieve recreatiezone die geheel wordt ingericht om een zo rijk mogelijk programma te bieden en zoveel mogelijk doelgroepen te bedienen. Tot slot is er de groenblauwe zone, een zone waarin natuur gecombineerd wordt met water. Deze verbind niet alleen de waterlopen uit de omgeving met de plas, maar zal ook de intensieve en extensieve zone met elkaar verbinden. Daarnaast is er nog een overkoepelende verdeling in open en besloten ruimte. De huidige naaldbossen vormen de gesloten gebieden. Deze omsluiten de open ruimte die gevormd wordt door de plas als een soort jas. Dit contrast tussen open- en beslotenheid zal worden gehandhaafd, maar deze naaldbossen zullen wel worden omgevormd tot gemengd loofbos.

5


legenda masterplan Rijker programma Ruime ligweide, flexibel gebruik mogelijk Horecapaviljoen op toplocatie aan het water Vuurplek voor jongeren Kinderspeelbos Groenblauwe verbindingen Brede waterloop verbindt de plas met de groenblauwe verbinding

6

Parkachtige, groenblauwe zone verbindt de stad met de plas Een smal bosbeekje vormt een tweede verbinding Ook de waterrijke speelnatuur maakt onderdeel uit van de groenblauwe verbinding Vrijliggende poelen voor kritische amfibieën De randen van de oevers aan de zuidkant worden natuurvriendelijker Versterking natuurwaarden Het stuifzandgebied wordt uitgebreid

Ook het heideareaal wordt groter Gradiënten in de bodem maken het mogelijk dat diverse natuurtypen vlak naast elkaar bestaan Toegankelijkheid/infrastructuur De entreeweg is in de eerste plaats ook een zichtas De wandelpromenade met flanneerallure Doorgangen van het plangebied naar de aangrenzende wijk Secundaire wandelpaden volgen de natuurlijke laagtes in het microreliëf Fietsparkeren Parkeren


visie en masterplan Als aanhanger van de theoriën van stadsfilosoof en -socioloog Jane Jacobs, geloof ook ik dat diversiteit en functiemenging kunnen leiden tot een vitale, veilige plek waar veel mensen zich prettig voelen. Geen vastomlijnde kaders of een strakke verdeling van de ruimte per doelgroep, maar een flexibele indeling die mogelijkheden overlaat voor creativiteit en ‘organisch’ gebruik van de beschikbare ruimte. De ruimte kan niet door één doelgroep worden opgeeist, de ruimte is van iedereen en iedereen vindt er iets dat hem of haar aanspreekt. Jane Jacobs gebruikt haar standpunten om aan te geven wat een hele stad of wijk levendig maakt, maar op het niveau van ‘de plek’ (bijvoorbeeld een plein, park of recreatiezone) zijn haar standpunten minstens net zo bruikbaar als handvat, zo niet nog bruikbaarder. Op kleine schaal is een totaalplan immers eenvoudiger uit te voeren dan op grote schaal. Diversiteit, een rijk programma en functiemenging nemen dan ook een aanzienlijke rol in in de visie. Functiemenging garandeert dat de ruimte efficiënt wordt benut en dat er op alle tijden van de dag bedrijvigheid plaatsvindt en niet slechts ‘s ochtends of ‘s middags, of enkel op zonnige dagen. Het gaat daarnaast ook om een variatie binnen functies, bijvoorbeeld speelmogelijkheden voor het hele jonge kind (tot 4), maar ook het kind dat zelfstandig op onderzoek uit kan en mag en ‘spelen’ voopr jongeren, zoals een vuurplek en een skatebaan. Verder is een plek gebaat bij hoge concentraties van mensen, die bij voorkeur uit alle segmenten van de samenleving afkomstig zijn. Diversiteit zorgt voor interactie, geeft een plek leven en voorkomt dat bepaalde doelgroepen zichzelf een plek toeeigenen. Diversiteit maakt een plek vitaal, brengt leven en zorgt voor veiligheid. Om die diversiteit te bereiken, wordt ingezet op een rijk programma. Dit wordt enerzijds gerealiseerd door het vergroten van de flexibiliteit van de ruimte (opschaalbaarheid van evenementen), anderzijds door de introductie van extra, plekgebonden functies die speciaal gericht zijn op specifieke doelgroepen. Zo komen er aparte zones voor gezinnen met kinderen (kinderstrand, speelbos), jongeren (vuurplek) en horecabezoekers (horecapaviljoen met allure). Deze verdeling is niet dwingend, maar zal door de te realiseren functies richting gaan geven aan het gebruik. Het rijke programma is niet alleen gericht op intensieve recreatie, maar ook op versterking van extensieve recreatie door de natuurwaarden te versterken en aantrekkelijker te maken. De zones van intensieve en extensieve recreatie lopen niet door elkaar, maar bestaan naast elkaar, omdat de doelgroepen zo verschillend zijn. Bij de intensieve recreatie denken we meer aan doelgroepen die houden van levendigheid

Masterplan en de aanwezigheid van andere mensen, bij extensieve recreatie denken we eerder aan rustzoekers en natuurliefhebbers die liefst alleen of in beperkte groep genieten van de natuur.

Zone intensieve recreatie: inzetten op een rijk, gevarieerd programma • De ligweide wordt verruimd, waardoor een flexibeler gebruik van de ruimte mogelijk is (festivals)

De speerpunten uit de visie kunnen samengevat worden in:

• De toegankelijkheid vanuit de buurt, ook vanuit de directe omgeving, wordt vergroot doordat extra doorgangen gecreerd worden en hekken en andere barrieres verwijderd. Hierdoor wordt de Geffense Plas aantrekkelijker voor kinderen uit de omgeving en komt het gebied eerder in aanmerking als ‘ommetje’ (met of zonder hond).

• Functiemenging zorgt voor een flexibel en organisch gebruik van de ruimte en wordt waar mogelijk toegepast. • Diversiteit mbt. doelgroepen die gebruikmaken van de plek maakt deze plek levendiger, vitaler en veiliger. Om die die diversiteit te bereiken, is een rijk programma nodig dat verschillende doelgroepen aanspreekt • Nieuwe functies zullen gedeeltelijk plekgebonden zijn en daardoor richting geven aan het gebruik en de ruimte in zekere mate indelen, maar deze indeling is nooit dwingend, zodat flexibel gebruik mogelijk blijft. • Om zoveel mogelijk doelgroepen aan te spreken wordt zowel ingezet op intensieve recreatie als extensieve recreatie. Deze functies zijn wezenlijk anders en kunnen dan ook niet door elkaar bestaan, maar wèl naast elkaar. Via een zonering worden deze functies min of meer gescheiden.

• Diverse ‘speelmogelijkheden’ moeten kinderen in verschillende leeftijdscategorien aantrekken, van heel jong (overzichtelijk en veilig) tot jong volwassenen (skatebaan, vuurplek). • Een aantrekkelijk horecapaviljoen op een prachtlocatie, half over het water, kan wat allure betreft concurreren met eetgelegenheden uit de binnenstad en zal daarom ook buiten de zomermaanden bezoekers trekken.

Beleids- en visiepunten gemeente Oss die overgenomen worden in de visie

Zone extensieve recreatie: natuurwaarden versterken • De bestaande houtopstanden worden zoveel mogelijk in stand gehouden, maar er wordt wel ingezet op versterking van de natuurwaarden door gefaseerde omvorming van het droge productiebos naar soortenrijk loofbos. Ook de potentie voor natte natuur (natte ruigte, broekbos en poelen) willen we benutten en versterken.

• De gemeente Oss wil een groenblauwe natuurzone realiseren die grenst aan de zuidelijke stadsrand. Het plangebied maakt deel uit van deze groenblauwe zone. • Ook wil de gemeente een grotere verbinding realiseren met het omliggende landschap. Met name de zichtlijn van-uit de noordwestzijde is belangrijk.

• De huidige gradiënten in de bodem (vocht, grondsoort, hoogte, zie analyse) maken veel verschillende natuurtypen mogelijk op realtief korte afstand van elkaar. Door diverse natuurtypen te (helpen)realiseren ontstaat een aantrekkelijke variatie die ook ecologisch waarde heeft.

• Voortbouwend op het huidige gebruik wordt ingezet op het verder ontwikkelen van het gebied voor dagrecreatie, primair gericht op bezoekers vanuit de directe omgeving (Oss en omstreken). Families met kinderen zijn daarbij een belangrijke doelgroep. Het thema ‘spelen’ zal daarbij een belangrijke plaats moeten innemen.

• Het microreliëf vinden we waardevol en willen we – waar mogelijk – versterken en accentueren. Secundaire wandelpaden lopen waar mogelijk door laagtes, zodat licht holle paden ontstaan. Groenblauwe verbinding: verweving van zones en functies • De groenblauwe verbinding en de aanwezigheid van water wordt ingezet als ‘rode draad’ die het gebied, verschillende functies en de de intensieve en extensieve zone met elkaar verweeft. De groenblauwe verbindingen zijn, afhankelijk van de zone, verschillend van karakter. Soms hebben ze de uitstraling van een parkachtige, cultuurlijke waterloop, dan die van een bosbeek, speelnatuur, natte ruigte of elzenbroekbos met poelen.

7


8

Analyse van het masterplan

1. Relatie microreliëf en waterlopen 2. Vernatting en ontgraving 3. Infrastructuur 4. Programma 5. Natuurtypen

Grootschalig en duurzaam

3

Het concept en masterplan zijn gelaagd en kunnen daarom ook weer ontleed worden in verschillende onderdelen. Op deze pagina wordt dit gedaan, zodat duidelijker te zien is waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt en waarom bepaalde natuurtypen, waterlopen en functies op welke plek zijn ‘ontworpen. Zelden is de plek toevallig gekozen, vrijwel altijd ligt er een onderliggende reden aan ten grondslag.

Speelbos

Duikvereniging

Speelwater/kinderstrand

Zo is duidelijk te zien dat voor de uitbreiding van het oppervlaktewater zoveel mogelijk gekozen is voor de al in het landschap aanwezige laagtes (afb. 1)

Vuurplek

Vogelkijkhut

Voor het ontgraven (of verontdiepen) van de plas zijn de plekken gekozen waar de plas momenteel al enigzins ondiep is, zodat de hoeveelheden te storten (arm) zand geminimaliseerd konden worden (afb. 2) Toegangswegen sluiten aan op het huidige wegennetwerk. Nieuwe routes (mn voor de fiets) vormen doorgaande routes door het gebied en sluiten aan op reeds aanwezige fietspaden. De secundaire wandelpaden volgen zoveel mogelijk het reeds aanwezige microreliëf (afb. 3)

Ligweide en promenade

Horeca

Zandberg

Struinnatuur

1

4

Het programma is het meest intensief in de intensieve recreatiezone. Voor bepaalde doelgroepen zullen de struinnatuur, zandberg en vogelkijkhut echter ook fungeren als trekpleisters (afb. 4)

Groenblauwe verbinding met bloemrijk grasland

De grote variatie in bodemsituaties levert bijzondere, dicht naast elkaar gelegen gradiënten op waar verschillende natuurtypen mogelijk zijn. Door deze mogelijkheden optimaal te benutten kan op een beperkt oppervlak een zeer divers landschap worden gecreëerd. Al deze landschappen horen ook van nature bij een dekzandrugbeekdallandschap, alleen komen ze in ‘het echt’ nooit zo dicht naast elkaar voor. In principe spreken we hier ook niet van een beekdal, maar door het graven van een plas is wel een soortgelijke kwelsituatie ontstaan die bij een beekdal hoort.

Stuifzand

Vochtig broekbos/ elzen/essen

Rietvegetatie Heide Natte ruigte

Gemengd loofbos met ecologische randen Bloemrijk grasland

2

5


1. Terras aan het water 2. Ligweide met een breed programma 3. Promenade langs de oevers voor flaneren en zitten 4. Flexibele indeling maakt grote evenementen mogelijk 5. De mogelijkheden die het gebied geeft, zal diverse doelgroepen aantrekken 6. Kinderen vormen een belangrijke doelgroep die hier volop in de natuur en met water kunnen spelen

Referentiebeelden intensieve recreatie...

7. Knuppeladen maken het mogelijk om door ruige, natte natuur te struinen 8. Rievegetatie langs de oevers maken de oevers ecologisch en recreatief waardevoller 9. In de winter is de natte zone nog veel natter

10. Elzenbroekbos ontstaat rond poelen 11. Door omvorming van naaldbos naar loofbos ontstaat een aantrekkelijker bostype met seizoensbeleving 12. Grote variatie in natuurtypen door microreliĂŤf en bodemtypen 13. Fraaie bruggen in de groen-blauwe parkzone 14. De waterlopen worden zoveel mogelijk begeleid door bloemrijk grasland 15. De parkzone is best te omschrijven als een natuurlijk park 16. zie 15 17. Een tweede waterverbinding loopt dwars door het bos 18. Ook de waterrijke speelnatuur maakt deel uit van de groen-blauwe verbinding

...versus extensieve natuurbeleving...

...verbonden in blauw-groen

1

2

7

8

13

14

3

4

9

10

15

16

5

6

11

12

17

18

9


legenda infrastructuurkaart omliggende wegen 10

ontsluitingswegen fiets/wandelpaden promenade knuppelpaden wandelroutes (zand) wandelroutes (gras) nevenwandelpaden


infrastructuur Het uiterlijk van de verhardingen hangt nauw samen met de zone waarin de betreffende infrastructuur zich bevindt. In het extensieve recreatiedeel hebben wegen en paden een veel landelijker, natuurlijker karakter. Ze bestaan doorgaans uit halfverhardingsmateriaal (dolomiet of een puinmenging) of uit zand. Randen lopen doorgaans over in de beplanting. In het gedeelte bestemd voor intensieve recreatie wordt gebruik gemaakt van luxere materialen en hebben de verhardingen een strakkere afwerking (waterpas gelegd, vaak voorzien van kantopsluitingen). Wanneer de paden overlopen in de beplanting, dan betreft het gazon dat regelmatig gemaaid zal worden. Deze tweedeling in zones is ook terug te vinden in de functionaliteit van de verschillende verhardingen. In de meest intensieve zones, vindt men de breedste wegprofielen. Ook zijn hier fiets- en wandelpaden gescheiden, terwijl in het extensieve deel naast ‘exclusief gebruik’ eveneens gemengd gebruik plaatsvindt. Zo zal het fietspad dat door de extensieve zone loopt ook als wandelpad dienst doen. Wel zal er een extra brede berm worden gerealiseerd, zodat beide activiteiten makkelijker gecombineerd kunnen worden. In het extensieve deel zijn geen wegen aangelegd bestemd voor gemotoriseerd verkeer. Hierover meer onder de paragraaf ‘Toegankelijkheid’.

Toegankelijkheid

11

In het extensieve deel zijn geen wegen aangelegd bestemd voor gemotoriseerd verkeer. In geval van calamiteiten of in het kader van beheerwerkzaamheden zijn er een aantal wegen in het extensieve gebied die desondanks wél toegankelijk zijn voor gemotoriseerd verkeer. Kwetsbare natuurgebiedjes die bij droogte gemakkelijk vlam vatten, zoals heide, zijnzonder uitzondering aan deze toegankelijke paden gesitueerd en kunnen daardoor bij nood toch door de hulpdiensten bereikt worden. Ook de ‘vuurplek’ voor jongeren, waar vuurtje stoken gedoogd wordt, is in geval van nood makkelijk toegankelijk. Door de extra aan te leggen watergangen, bestaat het gevaar dat de de toegankelijkheid van het meest extensieve deel van het gebied - de ligweide - bij calamtiteiten minder toegankelijk is voor hulpdiensten, omdat het gebied feitelijk wordt ‘afgesneden’ door deze watergangen. Om dit te voorkomen zullen de aan te leggen bruggen geschikt moeten zijn om gemotoriseerd verkeer aan te kunnen. Ook bij het opbouwen van materieel tbv van festivals zal bovendien ook beperkt vrachtverkeer moeten kunnen plaats hebben van en naar de ligweide. Om deze redenen moeten tenminste twee bruggen in het gebied aanwezig zijn die sterk genoeg zijn om een vrachtwagen of brandweerauto te kunnen dragen. Op de kaart is aangegeven hoe de toegankelijkheid in geval van uitzonderlijke situaties geregeld is (bij calamiteiten of de opbouw van een festival). Toegankelijkheid voor minder validen Het intensieve gedeelte is in zijn geheel toegankelijk voor minder validen (mensen die slecht ter been zijn of rolstoelgebruikers). De brugovergangen overstijgen nergens de aanvaardbare maximale helling die zelfstandig met een rolstoel genomen kan worden. De gebruikte materialen hebben een egaal oppervlak en bevatten geen uitstekende delen. Het extensieve gedeelte is daarentegen niet goed toegankelijk voor minder validen. Met name de secundaire wandelpaden en de knuppelpaden zijn moeilijker begaanbaar. Deze kunnen nog wel genomen worden met wandelwagens, mits het stevigere modellen betreft. De begaanbaarheid met eenvoudige buggy’s is niet optimaal. in dit opzicht zijn er keuzes gemaakt die ten koste zijn gegaan van de toegankelijkheid, maar die het natuurlijke karakter wel ten goede komen.

toegankelijkheid hulpdiensten igv calamiteiten brug sterk en breed genoeg om ook vrachtverkeer te dragen brug sterk en breed genoeg om ‘lichte’ hulpdiensten toegang te verlenen


12

referentiebeelden infrastructuur

Ontluitingswegen*

Fietspad intensief*

Een aantal van de verschillende paden en wegen worden uitgebreid uitgewerkt in principeprofielen, waarbij ook de materiaalkeuze wordt aangegeven. Vooor het totaalbeeld wordt hier een overzicht gegeven van alle in het plangebied aanwezige infrastructuur.

Alleen het voorste gedeelte van de ontsluitingwegen is bestemd voor bezoekers van de Geffense plas. De ingangen naar de parkeerterreinen zal gelijk aan het begin van de entree gesitueerd worden. De rijweg hoeft op het overige deel daarom niet breed te zijn, mits voldoende ruimte overblijft voor vrachtverkeer (laden/lossen) tbv. het horecapaviljoen. Om de veiligheid voor fietsers te verbeteren, wordt een apart, dubbel fietspad aangelegd tot aan het eind van de rijweg (waar ook fietsparkeren gesitueerd is). *Deze onsluitingsweg is uitgewerkt als principeprofiel

Het intensief te gebruiken fietspad is gesitueerd in de groenblauwe zone, te realiseren aan de zuidrand van Oss. Op dit moment is hier nog geen fietspad aanwezig. Toch kan worden aangenomen dat dit fietspad een belangrijke doorgaande route zal worden, omdat hiermee een aanzienlijk deel van de huidige routes kan worden afgesneden. De parkachtige omgeving en aanwezigheid van water zullen dit een populaire fietsroute maken. De uitwerking is verzorgd, maar toch ‘natuurlijk’. *Dit fietspad komt voor in het principeprofiel van de groenblauwe zone.


Fietspad extensief

Wandelpromenade*

Knuppelpaden*

De extensieve fietspaden zijn grotendeels gesitueerd op de plek waar momenteel ook al (fiets)paden aanwezig zijn. Gekozen is om deze te (her)structureren en uitvoeren in een goed begaanbare halfverharding van grijsgeel dolomiet. De paden worden licht bollend gelegd, zodat afwatering kan plaatsvinden naar de zijkanten. De realisatie van brede bermen moeten gemend gebruik met wandelaars mogelijk maken.

De wandelpromenade is gesitueerd aan de oever van de plas, in de intensieve recreatiezone. Hier wordt gebruikgemaakt van hetzelfde materiaal als bij de extensieve fietspaden (grijsgeel dolomiet), maar krijgt een andere afwerking. Ze zullen worden afgestrooid met een fijnere kwaliteit dolomiet. Bovendien worden er rvs strips gebruikt om een strakke en esthetische randopsluiting te verkrijgen.

De knuppelpaden zijn gesitueerd in de extensieve, natuurlijke zone. De paden moeten functioneel en extreem duurzaam zijn om de natte situaties waaraan ze blootgesteld worden het hoofd te bieden. Gekozen is voor een bestaand systeem (Sustainable Knuppelpad van Streetlife. De hierbij gebruikte decking bestaat uit hout-kunstofcomposiet.

*De wandelpromenade is verder uitgewerkt in een principeprofiel.

*Deze knuppelpaden zijn verder uitgewerkt in een principeprofiel

13


14

Wandelroutes in bos

Wandelroutes in gras

Secundaire wandelroutes

De wandelroutes in het bos bestaan uit een onderlaag van zand (bestaand) en zullen worden afgestrooid met een laag Grimès® van 5cm dik. Dit materiaal is een halfverharding met een natuurlijke uitstraling, speciaal ontwikkeld voor het verharden van wandel en fietspaden. De wandelpaden liggen zoveel mogelijk op de laagste delen van de dekzandrug, zodat het reliëf zoveel mogelijk benadrukt wordt. Dit heeft als consequentie dat ze naar verhouding meer water ontvangen. De paden worden licht bollend gelegd met een afwatering naar smalle geulen aan de randen.

Deze wandelroutes zijn vooral te vinden in de groenblauwe zone en bestaan uit twee typen. Het pad evenwijdig aan de waterloop is uitgevoerd in geel dolomiet (zonder kantopsluiting, zie referentiebeeld). In tegenstelling tot het referentiebeeld, zal dit pad tussen hoog grasland doorslingeren, waarbij aan beide zijden van het pad 50cm gemaaid gazon wordt aangehouden. De paden die dwars op dit dolomieten pad staan, lopen door het hoge, bloemrijke grasland. Ze worden in stand gehouden door maaien en zijn precies even breed als de arm van de maaier.

Secundaire wandelroutes zijn feitelijk niet veel meer dan ‘olifantenpaadjes’. Vanwege de kwetsbaarheid van sommige beplantingstypen (oa. heide), wordt dit proces echter wel gestuurd. Smalle paden worden afgestrooid met een laag puin om begroeiing enigzins tegen te gaan. Paden moeten via beheer toegankelijk blijven, maar verder onderhoud is niet nodig. De paden moeten ontstaan door wandelactiviteit. Ivm. het ontstaan van olifantspaden, moet bij de aanleg (en sturing) al rekening worden gehouden met wandellogica (de kortste weg), dus geen haakse hoeken.


Principeprofielen

15

Een aantal van de hiervoor genoemde infrastructurele verhardingen zijn verder uitgewerkt. Het betreffen de entreeweg, de infrastructuur in de groenblauwe zone, de wandelpromenade en het knuppelpad. De gekozen profeiluitwerkingen bevinden zich in verschillende zones van een intensieve gebruikszone tot een extensieve gebruikszone.

Principeprofiel 1 - Entreeweg

Twee van de genoemde verhardingen bevinden zich in het meest intensief gebruikte deel van het plangebied, nl. de entreeweg (een dubbelfietspad met aangrenzende smalle rijweg) en de wandelpromenade (een alleen voor voetgangers toegankelijke hoofd-wandelroute langs de oevers van de plas). Deze hebben een - bij deze zone horende - luxe materiaalgebruik en strakke afwerking.

45째

Principeprofiel 2 - groenblauwe zone (fietspad en wandelpaden)

Het knuppelpad bevindt zich in de zone met het meest extensieve gebruik. De uitwerking is sober, passend bij de natuurwaarde en natuurlijke uitstraling van het gebied. Er is echter wel gekozen voor duurzame materialen. In aanschaf is dit iets duurder, maar door het beperkte beheer dat hiervoor noodzakelijk zal zijn, is dit op de lange termijn voordeliger. Het duurzame karakter past bovendien beter bij de visie en doelstellingen voor de Geffense plas.

toegangsweg 4m

berm 2.5m

fietspad 2m

berm 2.5m

houten beschoeiing

natuurvriendelijke, flauwe oever

De groenblauwe zone bevindt zich in het gemengd in- en extensief gebruikte deel en is daardoor iets soberder in materiaalkeuze. Hier is gezocht naar een goede mix tussen verzorging en soberheid: netjes en gebruiksvriendelijk, maar wel met een natuurlijke uitstraling.

talud met lis 2.5m

flauw aflopend talud bloemrijk grasland 6m

beek 4.5m

30째

Principeprofiel 3 - Wandelpromenade

1m

bloemrijk grasland 2m

halfnatuurlijke oever

laagste deel beek 9m

cultuurlijke oever 1,5m

flauw aflopend talud bloemrijk grasland 6m

1m

Alle profielen zijn ook technisch uitgewerkt. De technische uitwerkingen zijn als bijlagen aan dit rapport toegevoegd.

ligweide

promenade 4.5m

rand 0.5m

Principeprofiel 4 - Knuppelpad

gazon 5m

Streetdeck 40 - hout/kunstofcomposiet

natte natuur

Streetlife sustainable knuppelpad 2m

natte natuur

strand

dolomiet wandelpad 1.8m

1m

zone gemaaid gras

fietspad 3m

zone gemaaid gras

1m

zone gemaaid gras

plas

zone gemaaid gras

NB! Naast de hier genoemde profielen is ook het horeca-paviljoen verder uitgewerkt. Dit horecaplein vormt het hart van de intensieve gebruikszone en zal daarom de meest exclusieve materiaalkeuze hebben van alle uitgewerkte principeprofielen. Het horecaplein is niet uitgewerkt in de LIOR, maar in de detaillering van het masterplan. Deze uitwerkingen zijn te vinden vanaf bladzijde 69 en verder.

30째

wijk


16

Bestaande bomen handhaven: Quercus robur (bomen 1e grootte). Bomen staan niet in strakke lijn geplant.

45째

berm 2.5m

toegangsweg 4m

fietspad 2m

berm 2.5m

talud met lis 2.5m

30째

beek 4.5m

Dubbel fietspad. Breedte beperkt. Doorgaans is de weg ook beschikbaar

flauw aflopend talud bloemrijk grasland 6m

Overrijdbare middenberm scheidt fietsers van overig verkeer. Tijdens drukte of calamiteiten is flexibel gebruik mogelijk.


Principedoorsnede 1: Entreeweg De toegangsweg is in de eerste plaats een zichtas. De weg wordt ook gebruikt als entree voor voetgangers en fietsers. Het eerste deel van de weg is daarnaast bestemd voor gemotoriseerd verkeer, maar ‘gewoon’ bestemmingsverkeer wordt vervolgens al snel omgeleid richting parkeerplaats. Alleen leveranciers mogen het overige deel van de weg gebruiken en kunnen voor leveringen helemaal tot aan het plein voor het horecapaviljoen doorrijden. Op dit plein is voldoende ruimte beschikbaar voor voertuigen met een grote draaicirkel, zodat ook vrachtwagens kunnen keren. De weg is niet breed genoeg om twee vrachtwagens tegelijkertijd in tegengestelde richting gebruik te kunnen laten maken van de weg. In praktijk zal de situatie waarin twee vrachtwagen tegelijkertijd gebruik willen maken van de ze weg zich echter praktisch niet voordoen. Er is daarom voor gekozen om dit wegdeel relatief smal te houden. Dit haalt eventuele snelheid uit het verkeer. Bovendien blijft er zo meer ruimte over voor een brede berm. De eiken die aan weerszijden geplant zijn, maken in de huidige situatie al deel uit van het straatprofiel. Deze worden dus gehandhaaft. De bomen staan niet in een rechte lijn en zullen dus nooit het karakter van een statige laan krijgen. Een dubbel fietspad dat door een overrijdbare middenberm gescheiden wordt van de hoofdweg, maakt eventueel flexibel gebruik mogelijk (bijvoorbeeld in geval van calamiteiten, wanneer meerdere hulpdiensten tegelijkertijd toegang moeten krijgen tot het gebied). In alle andere gevallen betekent deze constructie een extra veilige situatie voor fietsers. Het fietsparkeren bevindt zich vlak naast het horecaplein.

1. Bermafwerking asfaltweg, grasbetontegel 400x600 (de Hamer) 2. Oevervegetatie van gele lis met een kruidlaag (vnl. grassen) 3. Straatverlichtingarmatuur Archilede van ‘iGuzzini door ENEL Sole’

1

Zowel de hoofdweg als het fietspad zijn vervaardigd uit asfalt (op zandbed van 40cm, asfalt opgebouwd uit drie lagen). De wegen worden niet opgesloten binnen afsluitbanden. Door de lage snelheid en lage verkeersdruk zullen grasbetontegels aan de bermzijde - ter bescherming van de berm - niet nodig zijn. Langs de randen wordt aan weerszijden een strook gras van 1m kort gehouden. Het overige deel wordt 2x per jaar gemaaid en beheerd als bloemrijk grasland. Als overijdbare tussenberm is gekozen voor een verhoging, afgewerkt met straatklinkers’ (Terca Wienerberger, kleiklinkers DF kleur Crea Torino - rood). Deze kleur sluit aan bij de rode kleur van het fietspad. Armatuur In het straatverlichtingarmatuur Archilede van ‘iGuzzini door ENEL Sole’ zijn Golden DRAGON® Plus LED van OSRAM Opto Semiconductors met een kleurtemperatuur van 6.000K verwerkt. De kleurweergave van de LED zorgt voor een natuurlijke kleurimpressie die de veiligheid verhoogt. Dankzij hun gerichte licht voorkomen LED verstrooiing en verminderen ze algemene lichtvervuiling. Bovendien hebben ze een lange levensduur (tussen 60.000 en 100.000 uur, afhankelijk van het gebruik) die zich vertaalt naar lagere onderhoudskosten.

2

NB! Het profiel van deze toegangsweg is in een latere fase herzien. Het fietspad bevindt zich niet meer langs de gehele weg, maar is vervangen door een voetpad. Dit is logischer, omdat de entreeweg leidt naar een zone voor voetgangers. Voor fietsers is vlak bij deze plek ook het fietsparkeren gesitueerd. Het fietsparkeren kan echter ook via de parkeerplaats bereikt worden en behoeft dus niet via de toegangsweg. Daarnaast was de verkeersintensiteit dusdanig laag dat een aparte fietsstrook overdreven en niet nodig is. De toegangsweg is in de nieuwe situatie dus uitsluitend bedoeld als: 1. Zichtas 2. Aanvoerroute bestemd voor laden/lossen horeca 3. Ter vergroting van de toegankelijkheid voor hulpdiensten bij calamiteiten. Eventueel kan de weg nog steeds gebruikt worden voor fietsers om via het plein bij het fietsparkeren te komen. Verwacht wordt dat dit scenario in de praktijk zal voorkomen. Onderzocht moet worden of dit voor overige bezoekers hinder oplevert. Het hier getoonde profiel is gebaseerd op de ‘oude’ situatie. In de bijlagen is een technische uitwerking van dit profiel te vinden. Deze is wel gebaseerd op de nieuwe situatie.

3

17


houten beschoeiing

natuurvriendelijke, flauwe oever 18

30째

halfnatuurlijke oever

laagste deel beek 9m

cultuurlijke oever 1,5m

flauw aflopend talud bloemrijk grasland 6m

1m

dolomiet wandelpad 1.8m

1m zone gemaaid gras

bloemrijk grasland 2m

zone gemaaid gras

1m zone gemaaid gras

1m zone gemaaid gras

plas

fietspad 3m

wijk


Principedoorsnede 2: groenblauwe zone

1. Bloemrijk grasland en een parkachtige, groepsgewijze beplanting of solitaire bomen. 2. Brug Shortline met profieldrager, zigzag hekwerk met RVS 316 reling e Streetdeck® 40 profielen. Producent: Streetlife 3. Dolomietpad als wandelroute 4.Dubbel fietspad in rood asfalt. Gras aan beide zijden (1e meter maaien) 5. Armatuur Urban Star (Philips)

3

De blauwgroene zone is qua sfeer het best te omschrijven als een natuurlijk park. De meeste parken uit de praktijk zijn iets formeler van opzet en hebben een gemaaid gazon. In deze parkzone is dat niet het geval. De beplanting is parkachtig (solitaire bomen en boomgroepen of groepsgewijze beplantingen), maar deze worden omzoomd door hoog, bloemrijk grasland, waardoor de lijnen van het park verzacht worden. Het getoonde profiel is een dwarsdoorsnede van deze groenblauwe zone. In de lengterichting van de zone lopen (in volgorde) een dubbele fietstrook van rood asfalt, een waterloop die op de meeste delen 9m breed is, maar op sommige delen breder en tot slot een halfverhard (hoofd)wandelpad van geel dolomiet. Langs het fietspad is aan de ene zijde straatverlichting geplaatst. Aan de andere zijde staan bomen (Prunus yedoensis) op regelmatige afstand van elkaar. De straatverlichting wordt ook toegepast langs de wandelpromenade. Deze verlichting veroorzaakt weinig strooilicht, is energiezuinig en speciaal ontwikkeld voor fiets en voetpaden. Het rode asfalt loopt over in het gras en wordt niet voorzien van opsluitbanden. De eerste meter gras aan weerszijden van het pad worden kort gehouden, het overige gras mag hoog groeien.

1

4

2

5

De waterloop heeft één cultuurlijke oever met een houten beschoeiing en één natuurlijke oever met een flauw aflopend talud. Het pad van geel dolomiet loopt gewoon over in het gras en wordt niet voorzien van opsluitstrips of banden. De eerste meter gras aan weerszijden van het pad worden kort gehouden, zoals ook het geval is bij het fietspad. Niet in de dwarsdoorsnede te zien zijn de nevenwandelpaden die in de dwarsrichting lopen. Deze bestaan uit gemaaide paden binnen het hoge grasland. Op drie plekken worden de oevers middels een brug met elkaar verbonden. Gekozen is voor een brug van Streetlife, type Shortline, vanwege het elegante uiterlijk en vriendelijke ontwerp.

19


20

Een herhaling van bomen, verlichting, banken en afvalbakken geven de promenade een boulevardgevoel.

ligweide

promenade 4.5m

gazon 5m

rand 0.5m

Strak afgwerkt pad van halfverharding (dolomiet) met rvs kantopsluiting

strand

Impressie van de wandelpromenade


Principedoorsnede 3: wandelpromenade

4. Longlife bank (Streetlife) 2. Afvalbak Constructo 50 (Grijsens) 3. RVS kantoplsuiting 4. Constructietekening Garsy kantopsluiting Edging ega-g 5. Armatuur Urban Star (Philips)

3

De wandelpromenade moet flaneer-allure krijgen. Langs het gehele cultuurlijke deel van de oevers van de Geffense plas loopt een 4m breed pad van geel dolomiet. Door de herhaling van banken, verlichting, afvalbakken en bomen doet de promenade denken aan een boulevard. De promenade en het plein kruizen elkaar bij het horecapaviljoen. De bestaand everharding lopen hier in elkaar door. Dit is verder uitgewerkt in principeuitwerking 5. De promenade vormt, samen met het horecaplein, het hart van de zone die bestemd is voor intensieve recreatie. Hier is een luxere afwerking op zijn plaats. De bestaande, knoestige eiken geven beschutting. Doordat ze verschillen in grootte en niet kaarsrecht staan, vormen de bomen een nonchalante tegenhanger voor de luxe materiaalkeuze en strakke afwerking. De verlichtingsarmaturen ‘Urban Star’ zijn gekozen, omdat deze speciaal ontwikkeld zijn om een hoge lichtopbrengst te genereren, zonder strooilicht te verspreiden. In een natuurlijke zone is het wenselijk zo min mogelijk de natuurlijke habitat te verstoren met lichtvervuiling. De houten banken (‘warm’ materiaal voor het zitvlak), de rode afvalbakken en het gele dolomiet dat gebruikt wordt als (half)verharding hebben een vriendelijke uitstraling.

1

4

2

5

21


22

Bestaande bomen handhaven: Quercus robur (bomen 1e grootte)

Streetdeck 40 - hout/kunstofcomposiet Dubbel fietspad. Breedte beperkt. Doorgaans is de weg ook beschikbaar

natte natuur

Streetlife sustainable knuppelpad 2m

natte natuur

Overrijdbare middenberm scheidt fietsers van overig verkeer. Tijdens drukte of calamiteiten is flexibel gebruik mogelijk.


Principedoorsnede 4: knuppelpad Voor de knuppelpaden wordt gebruikgemaakt van een bestaand, duurzaam systeem dat ontwikkeld is door Streetlife: Het Sustainable Knuppelpad. Dit systeem is gemakkelijk uitbreidbaar en kent een extreem lange levensduur, die - ook vergeleken met hardhoutsoorten als bankirai - veel duurzamer blijken. Ook de slip- en slijtvastheid is zeer goed. Deze eigenschappen maken het systeem zeer geschikt voor natuurgebieden. Paden hoeven niet algenvrij gemaakt te worden of op andere wijze onderhouden te worden, maar blijven toch zeer lang in goede conditie.

1. Sustainable knuppelpad (Streetlife) 2. Funderingselementen van donkergrijs, gegoten kunststof 3. Referentiebeeld van het systeem toegepast in een plasdras situatie. 4. De profielen worden blind bevestigd

1

Basisgegevens Streetdeck速40: - Profielmaat 4 x 19 cm - Standaardlengte 2 en 3 meter - Gering eigengewicht 25 kg/m2 - Blinde bevestiging met hamerkopbouten, eventueel kikkerplaten of strippen, van onderaf - Met speciale montagebeugel ook van bovenaf op bestaande houten of composiet onderconstructie te bevestigen ( alleen voor voetgangers) - Overspanning h.o.h. 100cm (5 kN/m2)

Het Sustainable Knuppelpad is speciaal ontwikkeld voor toepassing in parken en natuurgebieden. Voor het dekmateriaal en onderbalken wordt milieuvriendelijk composiet hout gebruikt. Deze Streetdeck速40 profielen hebben een maatvoering, 40 x 190 mm, en worden blind bevestigd. De breedte van het knuppelpad is ca 2 meter. De slijt- en slipvastheid is beter dan traditioneel hout en er zal minder onderhoud nodig zijn. De funderingselementen zijn van gegoten kunststof en kunnen extra verzwaard worden met zand, al naar gelang de ondergrond. Deze donkergrijze elementen verdwijnen uit het zicht en kunnen ook deels ingegraven worden. Met stalen ankerpennen worden ze aan de ondergrond verankerd.

2

3

4

23


legenda oevertypenkaart 24

natuurlijke, flauwe oevers met riet- of elzenbroekvegetatie half-natuurlijke, enigzins steile oevers zonder beschoeiing cultuurlijke oevers met beschoeiing


oevertypen In de praktijk wordt vaak onderscheid gemaakt in drie soorten oevers: natuurlijke, cultuurlijke en natuurvriendelijke oevers. Een natuurlijke oever ontstaat zonder invloed van de mens in een natuurlijke watergang. In Nederland komen natuurlijke watergangen vrijwel niet voor, maar op diverse locaties wordt de natuurlijke oever bijna volledig benaderd. De cultuurlijke oever is een volledig door de mens gedomineerde oever, waarbij voor natuur geen ruimte is. Hieronder vallen bijvoorbeeld oevers met een harde beschoeiing, zoals kades. Een natuurvriendelijke of half natuurlijke oever ligt tussen de cultuurlijke en natuurlijke oever in. De natuurvriendelijke oever is een door de mens ingerichte oever waarbij ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie expliciet wordt gestimuleerd. Dit is een zeer brede definitie, die in de praktijk leidt tot een breed scala aan soorten natuurvriendelijke oevers. Een natuurvriendelijke oever wordt natuurvriendelijker beoordeeld als deze de natuurlijke situatie dichter benadert.

25 Oevertype 1 - Cultuurlijke oever Aflopende oever zonder begroeiing met houten beschoeiing

aflopende oever

Oevertype 2 - Half cultuurlijke/natuurlijke oever Trapeziumvorm, doorgroeiconstructie kraagstuk met lichte bestorting

bakprofiel, damwand met houten beschoeiing

gazon

oevervegetatie

Bij de Geffense plas komen alle drie de typen voor, waarbij de half natuurlijke/natuurvriendelijke oever in twee verschillende vormen voorkomt. Ook de ‘natuurlijke’ oever komt in twee verscheidingsvormen voor - de randen van de plas en de randen van de poelen. In deze uitwerking worden vrijwel alle verschillende oevervormen beschreven aan de hand van doorsnedes en referentiebeelden. Alleen de randen van de poelen zijn achterwege gelaten, omdat deze weinig verschillen van de natuurlijke oevers rond de plas. In de uitwerking van oevertype 4 - Natuurlijke oever worden de verschillen kort belicht.

gazon

houten beschoeiing

lichte bestorting

houten beschoeiing

15-25°

Oevertype 3 - Half natuurlijke oever Flauwe oevers zonder beschoeiing onbegroeide flauwe oever

onbegroeide flauwe oever

15°

15°

Natuuurlijke oever met vooroeververdediging, helling 1:6 Oevertype 4 - Natuurlijke oever

oevervegetatie (riet) vooroeververdediging


26

Oevertype 1 cultuurlijke oevers

1. Referentiebeeld waarop de beoogde afwerking goed te zien is 2. De situering van de cultuurlijke oever met damwand 3. Een robuuste uitvoering. Zo’n uitvoering heeft de voorkeur dan de versie op foto 1, maar is veel kostbaarder.

2

Het deel van de Geffense Plas dat wordt aangemerkt als intensieve recreatiezone, is de oever voorzien van een damwand van 60cm hoog van hout/ kunstof-composiet. Deze rand is aan de bovenzijde afgewerkt met een lijst van 50cm breed, vervaardigt uit hetzelfde materiaal. Deze lijst is bedoeld als fraaie afwerking, maar dient tevens als zitgelegenheid. Aan de hoge kant grenst de damwand aan een strook gazon, aan de lage kant aan het strand, vergelijkbaar met de huidige situatie.

1

3

Aflopende oever zonder begroeiing met houten beschoeiing

aflopende oever

houten beschoeiing

gazon


27

Oevertype 2 half naltuurlijke/cultuurlijke oevers

1. De waterlopen zijn gesitueerd in een parkachtige zone. De breedte van de waterlopen is steeds ongeveer gelijk, maar op sommige plekken zijn uitstulpingen aangebracht waar de oever nog flauwer kan aflopen, zodat een rijkere begroeiing mogelijk is. 2. Referentiebeeld van een beekloop met degewenste sfeer. 3. Referentiebeeld uit Den Bosch. Hier is het contrast tussen de cultuurlijke oever met beschoeiing tegen de weelderig begroeide halfnatuurlijke oever te zien.

2

De waterlopen in de blauwgroene zone (aangegeven in de kaart hieronder) hebben steeds twee verschillende oevers. Aan de ene zijde een cultuurlijke oever met houten beschoeiing, aan de andere zijde een flauwe, natuurvriendelijke oever met een minimale helling van 1:4. Op sommige delen zijn uitstulpingen aangebracht. Hier is meer ruimte beschikbaar, waardoor op deze plekken een helling met een verhouding van 1:6 kan worden gehanteerd. Om de oever te beschermen tegen erosie en begroeiing sneller tot stand te laten komen, wordt een dunne laag puin aangebracht van ca. 5cm. De waterstand is gebaseerd op het grondwaterpeil, waardoor de waterstand ‘s zomers lager zal zijn dan in de winter. Er is vanwege deze schommelingen voor gekozen om geen horizontale plasberm (een natte oeverstrook met een diepte van zo’n 10 tot 50 centimeter onder het gemiddelde waterpeil) aan te brengen. Een horizontale plasberm moet permanent watervoerend zijn en met dergelijke schommelingen is die voorwaarde niet gegarandeerd. Een flauwhellend talud is in deze situatie flexibeler en ecologisch waardevoller, omdat door de verschillende vochtigheidsgradiënten een nog rijkere variatie in vegetatie mogelijk is. 1

3

Trapeziumvorm, doorgroeiconstructie kraagstuk met lichte bestorting

bakprofiel, damwand met houten beschoeiing

gazon

oevervegetatie

lichte bestorting

15-25°

houten beschoeiing


Oevertype 3 half natuurlijke oevers - speelnatuur

1. Het eerste deel blijft vrij van beplanting. De breedte hiervan varieert en is op de ene plek 1m en op de andere meer dan 5m breed. 2. In en om het water is ruimte voor speeltoestellen, liefst zo simpel mogelijk. Door gebruik te maken van natuurlijke materialen houdt deze speelnatuur zijn natuurlijke uitstraling. 3. Ter aanvulling op 2

2

28

Het talud van deze oevers is dermate flauw dat deze, wat helling betreft, in aanmerking komen voor het predikaat natuurvriendelijk. Doordat beplanting achterwege moet blijven en er regelmatig druk gespeeld zal worden, mag deze oever toch niet ‘natuurlijk’ heten. Tijdens recreatief rustige periodes (avond en onder schooltijd) kunnen de oevers wel gebruikt worden door bijvoorbeeld amfibiën om in en uit het water te komen. De helling van het talud mag variëren (zoals ook te zien is op de referentiebeelden), maar heeft steeds een gemiddelde helling van 1:6, zodat ook jongere kinderen gemakkelijk in en uit het water kunnen komen.

1

3

Flauwe oevers zonder beschoeiing

onbegroeide flauwe oever

onbegroeide flauwe oever

15°

15°


Oevertype 4 natuurlijke oevers

1. Pas beplant talud van een natuurlijke overe met flauwe helling 2. Eindbeeld: de rietvegetatie is dusdanig toegenomen dat de oevers niet meer zichtbaar zijn. Voor de ecologische functionaliteit is het belangrijk enige gelaagdheid aan te brengen en het riet op sommige stukken in toom te houden. Dit kan het best door zomermaaien. 3. Op dit referentiebeeld is te zien hoe riet langzamerhand uitbredit en zich vestigt op de hogere gelegen zandophopingen. Verwacht wordt dat ook de vooroeververdedigingen vanzelf worden gekoloniseerd door riet.

2

29

De natuurlijke oevers rond de plas hebben een flauw hellend talud met een gemiddelde verhouding van 1:5. De vooroeververdediging wordt aangebracht om de pas aangeplante rietplanten te beschermen tegen golfslag bij sterke wind. Achter de vooroever verdediging kan in een relatief rustig milieu een vegetatiezone tot ontwikkeling komen. Om een goede waterkwaliteit en levensruimte voor waterorganismen te realiseren is de minimale diepte vlak achter de oeververdediging 50 cm. Oevervegetatie komt meestal voor vanaf een diepte van 30 cm zodat er een open-waterzone in de vooroever ontstaat. De oevervegetatie strekt zich uit van 30 cm beneden zomerpeil tot net boven de waterlijn en heeft een minimale breedte van 1 m. De taludhelling in dit traject is minimaal 1:3. Om verversing van water in de vooroever mogelijk te maken moeten er om de 50 meter openingen in de vooroever verdediging gemaakt worden. Naast verversing van water zorgen deze openingen voor de toegankelijkheid van dieren en planten vanuit de watergang naar de vooroever. Bij voorkeur zijn de openingen over de gehele diepte van de vooroever verdediging. Als minimale eis geldt een breedte van 1m en een hoogte van 30 cm.

1

3

*De natuurlijke oevers rond de poelen zijn op dezelfde manier opgebouwd, maar verschillen van de oevers van de plas in beplanting. Hier tref je geen rietvegetatie, maar elzenbroekvegetatie. Ook de vooroeververdediging wordt achterwege gelaten, omdat deze poelen zo beschut liggen dat schadelijke golfbewegingen nauwelijks voor zullen komen.

Natuuurlijke oever met vooroeververdediging, helling 1:6

oevervegetatie (riet) vooroeververdediging


-

-

rijke grond

-

rijke grond

-

30

+ -

+

-

arme grond

-

+ arme grond

-/+

++

arme grond nodig

-/+

rijke grond

-

rijke grond

-

+

-

+ -

rel.arme grond

arme grond nodig

-

legenda Grondwerk Arm zand zandwinning gebruiken voor verontdiepen plas

+

+ -

rel.arme grond

Zand voor zandbed (extern aanvoeren)

+

Te ontgraven delen tbv van opp. water hergebruik zand op eigen terrein


grondwerk In het plan voor de Geffense plas wordt relatief veel grondwerk verricht. Het betreft hierbij niet alleen het graven van cunetten voor de aanleg van verhardingen, maar vooral ook het graafwerk dat nodig is om de groenblauwe verbindingen te realiseren en de plas op sommige plekken te verontdiepen en op andere te ontgraven. Het gaat in totaal om aanzienlijke hoeveelheden. Geprobeerd wordt om alle grond op locatie een herbestemming te geven, zodat uiteindelijk op een vrijwel gesloten grondbalans uitgekomen kan worden. Zonder herbestemming van grond is de grondbalans:

Zand aanvullen: 33.500m3 Zand ontgraven: 80.000m3 Over voor herbestemming: 46.500m3

Zowel voor het verontdiepen van de plas als voor het zand-voor-zandbed is arme grond nodig zonder bijmenging van de bouwvoor. De bouwvoor en de ondergrond zullen daarom gescheiden moeten worden ontgraven. Bij: Zand voor verontdiepen Voor het verontdiepen van de plas is het zand gebruikt uit de zandberg aan de oostkant van de plas. Om de waterkwaliteit in de plas goed te houden, is bijmenging van rijke grond niet aan te raden. Dit verstoord het evenwicht en zorgt voor algengroei. De grond uit de zandberg is arm en geschikt voor dit doel. De zandberg bevat ca. 25.000m3. Voor het verontdiepen is 21.3000m2 nodig. Blijft 3700m3 over voor gebruik als zand-voor-zandbed tbv van de aan te leggen verhardingen. Zandberg: 25.000m3 Af: Verontdiepen plas: 21.3000m3 Totaal zand over: 3.700m3 Af: Zand ontgraven voor waterlopen en vernatten natuur Dit onderdeel in het grondwerkplan is met afstand het meest omvangrijkste onderdeel. Met name het beekje aan de noordwestkant tbv van de groenblauwe verbinding en de speelnatuur levert al 29.000m3 zand op. De hoeveelheden op een rijtje: Natte natuur: 11.000m3 Waterlopen groenblauwe verbinding: 23.250m3 Speelnatuur en beek: 29.000m3 Poelen: 3.525m3 Totaal: 66.775m3

31

Af: Cunetten ontgraven tbv zand-voor-zandbed Men hoeft slechts 20-25cm te ontgraven indien gebruik gemaakt wordt van menggranulaat ipv zand voor zandbed, maar omdat in dit plan zoveel geschikte grond vrijkomt, is ervoor gekozen om gebruik te maken van zand als stabiliseringsmateriaal. De bouwvoor zal worden hergebruikt op een ander deel van het terrein. Voor het ontgraven van de cunetten is een diepte van 0,5m aangehouden voor alle verhardingen. Cunetten ten behoeve van: Asfaltweg parkeerplaats: 6.000m3 Fietspad groenblauwe route: 2.500m3 Promenade: 1.850m3 Plein: 3.250m3 Totaal: 13.600m3 De bouwvoor moet hierbij gescheiden worden ontgraven van de de ondergrond, omdat bouwvoor en ondergrond een verschillende herbestemming zullen krijgen. Bij: Zand-voor-zandbed Voor bovengenoemde cunetten is in totaal 11.800m3 nodig. De benodigde grond kan op eigen terrein gewonnen worden en zal afkomstig zijn uit de voorraad ontgraven ondergrond. Herbestemming: In de totale hoeveelheid grond waarvoor herbestemming gezocht moet worden, is niet het zand-voor-zandbed meegenomen, omdat deze al verwerkt is in de eerder genoemde grondbalans. Te herbestemmen ondergrond: Nieuwe stuifzandnatuur: 5.000m3 Reliëf in speelnatuur (flauwe heuvels): 4.000m3 Heraanvulling oorspronkelijke zandheuvel: 25.000m3 Totaal: 34.000m3

Herbestemming bouwvoor: Heuvel ligweide: 12.500m3

Eventuele verschillen en fouten in de calculaties kunnen verwerkt worden in de ligweide. Deze fungeert als ‘sluitpost’, omdat hier zand over een groot oppervlak verspreid kan worden, waardoor grond ‘onzichtbaar’ kan worden weggewerkt.


legenda groenstructuurkaart gazon natte ruigte 32

elzenbroekbos stuifzand heide gemengd loofbos bosrand ecologisch bosrand cultuurlijk (bestaande) houtwallen soortenrijk grasland rietvegetatie oppervlaktewater boomgroep bomenrij


groenstructuur De groenstructuur in het plangebied is tamelijk complex. Vanuit de visie wordt ingezet op vergroting van de natuurwaarden. Dit vertaalt zich in het optimaal gebruikmaken van de aanwezige potentie. Wat potentie betreft is het gebied bijzonder divers. Er is een rijk microreliëf aanwezig, waardoor er grote verschillen zijn in de vochtigheidsgraad van de bodem. We hebben in de eerste plaats te maken met een dekzandrug en de daarbij behorende beplantingstypen. Door het graven van de zandwinplas is daarnaast een kwelsituatie ontstaan die vergelijkbaar is met die van een beekdal. Deze situatie is op zichzelf niet uniek: normaal gesproken vinden we naast een dekzandrug vrijwel altijd een kwelplek of beekdal. Zelden bevinden de dekzandrug en kwelplek zich echter zo dicht naast elkaar. Het kwelwater komt doorgaans pas enkele kilometers verderop aan de oppervlakte, terwijl in de situatie van de Geffense plas de dekzandrug en kwelplek nog geen kilometer van elkaar liggen. Kortom: Het gebied rond de Geffense plas kent een aaneenschakeling van zones die verschillen qua bodemtype en/of -vochtigheidsgraad. Hierdoor zijn uiteenlopende natuurtypen mogelijk, variërend van typische dekzandrugvegetaties (oa. loofbos, heide, stuifzand) tot beekdalvegetaties (oa. broekbos, natte ruigte). Getracht wordt om zoveel mogelijk verschillende natuurtypen te realiseren. Dit heeft een hoge ecologische waarde, maar niet in de laatste plaats ook een recreatieve waarde.. Tweedeling intensief en extensief Ook in de groenstructuur is de tweedeling tussen intensieve en extensieve recreatie duidelijk aanwezig. In de zone van de extensieve recreatie ligt de nadruk op het ecologische aspect en niet op de natuurbeleving vanuit de mens. Zo heeft het loofbos in de extensieve zone uitsluitend ecologische bosranden. Deze bosranden zijn dusdanig opgebouwd dat ze vrijwel dichtgegroeid zijn, waardoor bijna geen doorzicht richting boskern mogelijk is. Zo’n dichte bosrand heeft een hoge ecologische waarde, maar een veel lagere recreatieve. In de intensieve zone is het net andersom. Daar staat de mens centraal en komt de ecologische waarde op de tweede plaats. In deze zone wordt ingezet op zoveel mogelijk inkijk richting boskern. Het visuele beeld staat steeds voorop. Het bos en de bosrand worden naar dit ideaalbeeld beheerd en gevormd. Ecologische waarde Deze tweedeling wil echter niet zeggen dat de ecologische waarde van het intensieve deel verwaarloosbaar is, integendeel. De groenblauwe verbindingen die door deze

Onder: Kwelkaart van het gebied Rechtsboven: Ecologische structuren (reeds aanwezige en geplande structuren). De Geffense Plas maakt deel uit van een bestaande Ecologische hoofdstructuur. Men is voornemens om deze te verweven met een groenblauwe verbinding Rechtsonder: Beheertypenkaart waarop niet alleen de Geffense Plas, maar ook het aangrenzende gebied staan afgebeeld.

33 zone lopen, worden begeleid door waardevolle natuurtypen als bloemrijk grasland. De oevers van alle nieuwe waterlopen zullen bovendien zoveel mogelijk voorzien zijn van een flauw hellend talud, zodat er een brede oeverbeplanting mogelijk is. Doordat de grondwaterstand in de winter significant verschilt van de grondwaterstand in de zomer, onstaat een brede zone met een rijke gradatie oeverbeplantingstypen. Ook dit heeft een grote ecologische waarde. De ecologische waarde van het extensieve deel is, logischerwijs, wel veel groter. Dit ‘patchwork’ van natuurtypen resulteert in een bijzonder kleinschalig landschap. Veel diersoorten zhebben baad bij een dergelijke kleinschaligheid. Met name bosranden zijn ecologisch zeer waardevol. Zoals de verschillende natuurtypen in het plan aan elkaar geschakeld zijn, is de totale lengte van de bosranden gemaximaliseerd. Voor de flora- en fauna die verbonden zijn bij natte natuur heeft de Geffense Plas veel te bieden. Oppervlaktewater en natte natuur kent verschillende verscheidingsvormen (oa. als bosbeek, brede waterloop met natuurvriendelijke oevers, waterplas met rietvegetatie en niet verbonden poelen met broekbos). Leefgebied en stapsteen voor doeltypen Door deze verscheidenheid en het voorkomen van visloze, vrijliggende poelen kan het gebied ook fungeren als stapsteen of leefgebied voor kritische amfibiën, zoals de kamsalamander. Voorwaarde hierbij is wel dat ook langs de te realiseren groenblauwe verbinding vrijliggende poelen worden gerealiseerd, zodat kritische amfibiën in staat zijn om zichzelf voort te bewegen van het ene naar het andere gebied (vanuit onder andere de nabijgelegen beekdallaagte de Haag, het Ganzenven en het Klompven en vanuit leefgebied de Geffense Plas richting uiterwaarden van de Maas)


34

Referentiebeelden beplantingen

Ligweide/gazon

Boomgroep

Een aantal van de verschillende paden en wegen worden uitgebreid uitgewerkt in principeprofielen, waarbij ook de materiaalkeuze wordt aangegeven. Vooor het totaalbeeld wordt hier een overzicht gegeven van alle in het plangebied aanwezige infrastructuur.

De ligweide moet sterk zijn en er gezond uitzien. Hiervoor is een frequent maairegime noodzakelijk. Ook tijdens zachte periodes in de winter moet een enkele keer gemaaid worden. Tijdens de zomermaanden wordt 2x per week gemaaid muv. periodes van grote droogte. Dan wordt het gras iets hoger gelaten en volstaat een wekelijkse maaibeurt. Bij voorkeur de noodzaak tot sproeien zoveel mogelijk voorkomen door het maairegime aan te passen. Kalk strooien en bemesten is nodig om het gazon in goede conditie te houden.

De boomgroepen bestaan uit zomereiken en acacia (gemengd geplant). De plantafstanden zijn niet regelmatig, maar steeds minimaal 3m en maximaal 7m. Op termijn levert dit een verschil in dikte op (dicht op elkaar geplante bomen blijven dunner en groeien ijler dan bomen die de ruimte krijgen of die aan de randen staan). Het referentiebeeld onder geeft daar een goede indruk van. De bomen hebben geen boomspiegel, het gazon loopt tot aan de stam. Ivm met evt. schade door maaien mag het gras rondom de voet iets hoger gelaten worden.


Bomenrij

Parkachtige beplanting*

Gemengd loofbos*

De bomenrijen langs de Geffense plas bestaan uitsluitend uit eiken (zomereik, Quercus robur). Veelal wordt uitgegaan van de bestaand beplanting. Voor nieuw aan te planten bomenrijen worden dezelfd ebeplantingspatronen aangehouden. De bestaande rijen staan niet op regelmatige afstand en zijn ook niet exact op ĂŠĂŠn rij geplant. Enige variatie in grootte en afstand is aanwezig. De eiken zijn ook niet allemaal even recht. Dit levert een wat speelse, nonchalante uitstraling op en vormt een bijzonder contrast met de strakke vormgeving van verhardingen en horecapaviljoen.

Bijzondere boomsoorten als hemelboom en sierkersen worden als solitair en soms groepsgewijs aangeplant.

Het gemengde loofbos moet ontstaan vanuit een omvorming van een naaldhoutproductiebos naar een soortenrijk loofbos. Er wordt onder andere gebruikgemaakt van populier, winterlinde en hazelaar om de strooisellaag van het bos sneller te verbeteren. Een groot deel van de aanwezige dennen wordt hiervoor gerooid.

*Dit beplantingstype is verder uitgewerkt in een staalkaart.

*Deze omvorming wordt verder uitgwerkt in een staalkaart.

35


36

Bosrand ecologisch *

Bosrand cultuurlijk *

Elzenbroekbos

De ecologische bosrand is gevarieerd van opbouw en vrij dicht beplant. Doorzichten zijn niet tot nauwelijks mogelijk. De ecologische bosrand varieert in breedte, maar is steeds gemiddeld ca. 20m breed. In deze bosrand is een onderverdeling van boszoom-kruidlaag.

In tegenstelling tot de ecologische opbouw is er bij de cultuurlijke bosrand juist wel doorzicht mogelijk. De opbouw is feitelijk omgekeerd in vergelijking met de ecologische bosrand. De bomen staan als boomgroepen in het gazon en loopt over in bos. Hier zijn enkele heesters geplant, maar deze mogen zich nooit dusdanig ontwikkelen dat het (door)zicht belemmerd wordt.

Het elzenbroekbos is gelegen op laaggelegen delen waar reeds poelen aanwezig zijn of poelen worden gegraven. Gedeeltelijk zijn al elzenbroekbosjes aanwezig, gedeeltelijk bestaat de vegetatie ook uit vnl. berkenbroek. Dit komt door het gebrek aan een rijke strooisellaag. Dit verandert op termijn, zeker als naast elzen op de drogere delen ook enkele essen en hazelaars geplant zullen worden. De elzenbroekbossen zullen beheert worden als middenhakhoutbos.

*Dit beplantingstype is verder uitgewerkt in een staalkaart.

*Dit beplantingstype is verder uitgwerkt in een staalkaart.


Natte ruigte

Stuifzand

Heide

De ontwikkeling van de vegetatie in de vernatte zones zullen zeer gevarieerd zijn. Het ontstaan van soorten is sterk afhankelijk van de overstromingsfrequentie en de (blijvende) vochtigheid van de bodem. Het is juist deze rijke variatie die dit beplantingstype zo waardevol maakt, niet alleen in ecologisch opzicht, maar zeker ook in recreatief opzicht, omdat deze variatie een aantrekkelijk beeld oplevert.

Het perceel stuifzand is eigenlijk te klein om in stand te houden. Door de omringende beplanting zal er gemakkelijk een nieuwe strooisellaag ontstaan en ontstaat er ook snel een pioniersvegetatie. Dit type is daarom alleen in stand te houden door om de 10-15 jaar een deel van de bovengrond af te graven. Aan de randen zoveel mogelijk Pinus nigra laten staan en dit deel van het bos niet omvormen tot gemengd loofbos om het stuifzand zoveel mogelijk in stand te houden. Een evenwicht zal echter nooit ontstaan, zodat ingrijpen nodig blijft.

Van oorsprong - voordat de dekzandrug beplant werd met Pinus nigra - trof men op deze plek voornamelijk heide aan. Doordat niet meer gegraasd wordt en dit gebied te klein is om grazers in te zetten, zal de heide door beheer in stand gehouden moeten worden (regelmatig maaien om heestergroei en vergrassing tegen te gaan). Deze delen zijn wat hoger gelegen en vallen onder de ‘droge’ heide. We zullen hier daarom vooral dopheide aantreffen.

37


38

Rietvegetatie

Soortenrijk grasland *

Het deel van de plas dat gelegen is in de extensieve recreatiezone wordt uitgebreid om de oevers een flauw talud te geven en het natte deel verder te vernatten. Aan de randen zal rietvegetatie worden aangeplant. Op sommige delen dient deze rietvegetatie (op termijn) middels zomermaaien in toom gehouden worden. Op die manier ontstaat een grotere afwisseling tussen hoge rietvegetatie en gemengde oevervegetaties.

Met name de groenblauwe zone wordt begeleid door soortenrijk grasland. Daarnaast zijn er diverse weiden in het bos waar het gras hoger mag worden. Het maairegime zal teruggebracht worden tot 2x per jaar, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. In de groenblauwe zone bestaat de uitgangssituatie (grotendeels) niet uit gras. Hier zal daarom met een zaaimengsel worden gewerkt. De weiden worden enkel via verschraling (steeds maaien en afvoeren) steeds soortenrijker. *De tot stand koming van het soortenrijk grasland in de groenblauwe zone wordt uitgewerkt in een staalkaart.


Staalkaarten beplanting In de staalkaarten beplanting worden vijf van de hiervoor genoemde beplantingstypen verder uitgewerkt. De beplantingen worden op verschillende manieren in woord en beeld verduidelijkt. Met behulp van tekeningen wordt de opbouw weergegeven. Met behulp van referentiebeelden wordt het beoogde eindresultaat geschetst. Ook wordt het sortiment verder uitgewerkt.

39 Beplantingsstaalkaart 1 - Ecologische bosrand

Bij de uitwerkingen hoort, naast de hiernaast getoonde vier beplantingstypen ook een vijfde staalkaart, die van het bloemrijke grasland. weiland

hoog grasland 4m

kruidlaag 6m

heesterlaag 10m totaal mantel en zoom 20m

Beplantingsstaalkaart 2 - Cultuurlijke bosrand

Beplantingsstaalkaart 3 - Gemengd loofbos

Beplantingsstaalkaart 5 - Parkachtige beplanting

boomlaag


zijaanzicht In het zijaanzicht is de hoogteopbouw van de zoom en mantel goed te zien. Het hoge grasland biedt ruimte aan bloeiende grassen en bloemsoorten (oa. fluitekruid, zachte dravik, zuring). De kruidlaag bestaat voornamelijk uit klimop, braamstruweel en opschot van in het gebied aanwezige boomsoorten. De heesterlaag varieert in hoogte van ca. 6m tot ca. 10m hoog en bevat heesterssoorten als meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos en hazelaar.

40

weiland

hoog grasland 4m

kruidlaag 6m

boomlaag

heesterlaag 10m totaal mantel en zoom 20m

bovenaanzicht In het bovenaanzicht is goed te zien dat de bosrand geen strakke grens heeft, maar juist een grillig verloop. De breedtes van de verschillende lagen (hoog grasland, kruidlaag en heesterlaag) zijn indicatief, maar kunnen ook variëren. Zo kan soms de heesterlaag wel 15 breed zijn met een kruidlaag en graslandlaag van samen ca. 6m of juist andersom. Deze variatie in breedte levert ook een variatie in hoogte op, waardoor diepe inhammen ontstaan die een ander (warmer en beschutter) microklimaat hebben dan de ‘uitstekende’ delen van de bosrand. Deze inhammen vormen een waardevolle ecologische zone voor diverse diersoorten.

weiland

hoog grasland 4m

kruidlaag 6m

heesterlaag 10m

boomlaag


Staalkaart 1: ecologische bosrand

1. een strook hoog grasland als eerste laag 2. Een kruidlaag is belangrijk als schuilplaats voor veel dieren 3. Een ecologisch waardevolle bosrand heeft een breed struweel en kruidlaag 4. Sleedoornstruweel 5.Dood hout in de bosrand

3

In een gezonde, natuurlijke situatie is de bosrand opgebouwd uit meerdere lagen. Er is een boomlaag waar bomen van verschillende leeftijden, soorten en maten groeien. Verder is er een heesterlaag, die zich vooral aan de randen van het bos en bij open plekken bevindt. Hieronder vinden we de kruidlaag die bestaat uit oa. braamstruweel. Kruiden groeien onder de hogere beplanting, op open plekken en aan de randen. De laatste laag van de bosrand tenslotte bestaat uit hoog grasland. Bosranden leveren een belangrijke bijdrage aan de natuurfunctie van bos, maar ook aan de recreatiefunctie; de belevingswaarde. Goed ontwikkelde, geleidelijke bosranden bezitten de grootste soortenrijkdom aan dieren en planten van het hele bosgebied, omdat zij zowel de soorten van het bos als het open terrein bevatten. Daarbij leven veel ongewervelde dieren (bijvoorbeeld vlinders) in bosranden. Idealiter is een breedte van 20 tot 30 meter nodig om een gevarieerde bosrand te vormen, die van een zoomvegetatie trapsgewijs overgaat via een mantel in de eigenlijke boskern. Vooral aan de zonnige zuidzijde is veel ruimte nodig. Hier is vanwege de hoge lichtinval een groter aantal (soorten) planten en dieren te verwachten evenals een betere ontwikkeling van de struiklaag. Als voldoende ruimte aan de zuidzijde beschikbaar is, kunnen inhammen worden gemaakt. Het is goed hier te streven naar brede, rafelige randen. Door hier en daar enkele inspringende bomen te verwijderen zal bovendien in het aangrenzend deel van het bos variatie in lichtklimaat ontstaan. De bosrand oogt dan gevarieerder en heeft altijd luwe hoeken, wat voor veel insecten aantrekkelijk is. Aan de noordzijde is minder ruimte nodig; een smalle strook van circa 5 tot 10 meter is voldoende. Als vuistregel geldt dat op de wat rijkere, vochtige bodems de potenties voor soortenrijke bosrandgemeenschappen groter zijn dan op arme, enigzins zure grond.

1

4

2

5

Ook in gesloten bos hebben de randen van bospaden veelal een vegetatie die iets afwijkt van die in het aangrenzend bos. Meestal is de vegetatie langs de paden iets rijker. Daarnaast geldt dat de boomsoorten via lichtklimaat en vooral strooiselkwaliteit bepalend zijn voor de soortensamenstelling van de ondergroei. Dit geldt nog het meest in de bossen op de meest arme gronden. Door te kiezen voor boomsoorten met goed afbreekbaar ‘rijk’ strooisel (o.a. Linde, Es, Esdoorn) ontstaan meer kansen voor een soortenrijke ondergroei met veel specifieke bosplanten. De mantel en zoom (bosrand) kan dan ook niet geheel los gezien worden van de aangrenzende boskern. In de staalkaart die de omvorming van productiebos naar soortenrijk loofbos beschrijft, komt deze randzone dan ook nog weer kort aan bod.

41


42

aanleg en sortiment Op dit moment staan er rondom de ligweide van de Geffense plas reeds boomgroepen en solitaire bomen in het gras. De boomsoort is nu echter voornamelijk Pinus nigra. Dit is geen goede keuze als goede sierboom die dienst kan doen als schaduwbrenger op een ligweide en zal daarom vervangen moeten worden door boomsoorten die beter geschikt zijn. Om de mantel te maken zijn er twee verschillende manieren; ten eerste kan er een interne mantel gemaakt worden. Hierbij wordt een strook van het bos omgevormd tot mantel. De bomen in de rand worden afgezet, waarbij de buitenste boom laag bij de grond wordt afgezaagd. De tweede rij bomen wordt gelipt en de derde rij bomen wordt hoger afgezet. Hiertussen plant men heesters om de vorming van een gevarieerde bosrand te voorspoedigen. Ook is er ruimte voor spontane ontwikkeling. Zo hoeven bramen niet te worden aangeplant, deze zullen vanzelf ontstaan. Het voordeel van zo’n interne mantel is dat het geen extra ruimte kost. Het nadeel is echter wel dat het evenwicht in het bos enigszins verstoord wordt. Deze methode wordt toegepast voor bosranden binnen het bosareaal, dus langs de wandel en fietspaden. De tweede methode, die ingezet zal worden voor bosranden langs de buitenzijde van het bosareaal, dus langs de open plekken en weiden - is het maken van een externe mantel. Hierbij worden heesters aan de buitenrand van het bos aangeplant. Ook hier is ruimte voor spontane ontwikkeling. Er ontstaat een grote variatie in structuur en leeftijd door concurrentie met andere planten, vraat door dieren en verschil in groeiplaats. Voor beide methoden geldt: Bewerk de bodem slechts op die plaatsen waar geplant gaat worden. Hiermee wordt voorkomen dat het bodemprofiel onnodig verstoord wordt waarmee het natuurlijke evenwicht uit balans raakt. Een verstoorde bodem heeft in de eerste plaats een minder rijk bodemleven en daarnaast ontstaan gemakkelijk monoculturen van bijvoorbeeld brandnetel en akkerdistels. Dergelijke situaties zijn enigzins tijdelijk van aard, maar kunnen toch gedurende jaren voortduren. In een recreatiegebied als de Geffense plas is een dergelijke situatie niet gewenst. Reliëf en variatie Reliëf betekent verschillen in hoog en laag, in nat en droog, in warm en koud, enzovoorts. Door het instandhouden of aanbrengen van reliëf op de plaats waar de bosranden ontwikkelt moeten worden, bevordert u de variatie van de uiteindelijke begroeiing. Hoe groter de variatie, des te hoger is de ecologische waarde.

1. Zomereik (Quercus robur) 2. Amerikaanse Krent (Amelanchier lamarckii) 3. Meidoorn (Crateagus monogyna) 4. Sleedoorn (Prunus spinosa) 5. Gelderse roos (Viburnum opulus) 6. Wilde liguster (Ligustrum vulgare) 7. Hazelaar (Corylus avellana) 8. Lonicera periclymenum 9. Kruidenrijke zoomvegetatie (spontane ontwikkeling)

1

Sortiment Het sortiment zal bestaan uit uitsluitend inheemse soorten. Gekozen wordt voor autochtoon plantmateriaal, omdat dit zoveel mogelijk aansluit bij de al aanwezige flora en fauna. Een deel van de aan te leggen bosranden is gelegen op droge, enigzins arme (droge) zandgrond. Bij spontane ontwikkeling zal zich hier voornamelijk lijsterbes en berk vestigen. Deze soorten hoeven daarom niet aangeplant te worden, omdat ze vanzelf deel uit zullen gaan maken van de beplanting. Er is voor gekozen vooral soorten aan te planten die van oorsprong horen bij de iets vruchtbaardere gronden, maar die wel gedijen onder de huidige omstandigheden, alleen net iets minder weelderig uitgroeien. Op deze manier zal sneller een rijke en ecolgisch waardevolle soortenvariatie ontstaat. Heesterlaag

Percentage oppervlak

Acer campestre

5%

Prunus spinosa

20%

Prunus padus

15%

Crateagus monogyna

20%

Niet in schaduw

Corylus avellana

15%

Individueel planten

Viburnum opulus

15%

Ligustrum vulgare

10%

Niet in schaduw

Salix cinerea

5%

Natte bosranden

Kruidlaag

Percentage

Opmerkingen

Lonicera periclymenum

15%

Rosa rubiginosa

15%

Hedera helix

15%

2

3

4

5

6

7

Opmerkingen Drogere bosranden

Niet in schaduw

Spontane natuurontwikkeling Soorten die zich spontaan zullen vestigen zijn ruwe berk (Betula pendula) en lijsterbes (Sorbus aucuparia). Deze soorten mogen zich vestigen evenals de meeste andere soorten die zich spontaan vestigen. Uitzondering hierop staan beschreven bij ‘ongewenste soorten’ onder het kopje ‘beheer’ op de pagina hiernaast.


8

Menging Meng gekozen soorten niet individueel, maar plant ze in groepjes van dezelfde soort. Kies voor een ruim plantverband, bijvoorbeeld één exemplaar per twee of drie vierkante meter, of hanteer een driehoeksverband van 2 x 2 x 2 m. Een uitzondering geldt voor Corylus avellana. Deze kan wel individueel uitgeplant worden. Deze heester kan als solitair uitgroeien tot een struik met een doorsnede van 8m breed, maar daar hoeft bij het planten geen rekening mee gehouden te worden. Een plantafstand van 3m is voldoende. Voorkomen beter dan genezen Met de aanleg van een diepe greppel naast het struweel zorgt u ervoor dat de struiken niet de kans krijgen met de wortels het gras- of bouwlandperceel in te groeien.

Kwaliteit en kosten

Beheer

Door ‘niets te doen’ op een strook grond waar u een struweel wilt hebben ontstaat dit op een gegeven moment vanzelf. Dit is de goedkoopste manier van aanleg, maar de duurste als het om beheer gaat. Ook het gewenste eindbeeld laat op deze wijze lang op zich wachten. Dat wil echter niet betekenen dat de aanleg een zeer kostbare aangelegenheid hoeft te zijn. Ook betekent dit niet dat er geen ruimte is voor spontane ontwikkeling, integendeel.

Het behouden van een ecologische bosrand vraagt beheer, met name omdat op den duur boomvormers de overkant kunnen krijgen en lagere heesters kunnen overgroeien. Ingrijpen blijft dan ook altijd noodzakelijk. Beheer kan echter zeer gefaseerd plaatsvinden in perioden van ca. 5-15 jaar. De eerste jaren - totdat een zeker evenwicht is ontstaan - moet echter ook gecontroleerd worden op uitval of het ontstaan van monoculturen van onkruid.

Voor de aanleg, ontwikkeling en instandhouding van ecologische bosranden moet gezocht worden naar een ‘gulden middenweg’ tussen kosten, gewenst eindbeeld en de termijn waarbinnen dit eindbeeld bereikt moet worden. Door te werken met groot (en kostbaar) plantmateriaal is eerder een dicht beeld te bereiken, maar de uitval is relatief groot. Jonge spillen (één- of tweejarig plantmateriaal) slaan sneller aan en halen meerjarig plantmateriaal vaak al na een jaar of twee in wat groei betreft. Als we kijken naar het kostenplaatje, is de besparing dusdanig groot, dat aangeraden wordt om te werken met een combinatie van spillen en meerjarig materiaal, waarbij het meerjarige materiaal puur vanuit recreatief oogpunt wordt toegepast. Kosten plantmateriaal Bij een gemiddelde kostprijs van 3,60 euro per plant en een gemiddelde plantafstand van 1 plant per 2,5m2, komt de prijs per 100m bosrand (gemiddeld 20m diep) op 360,euro.

Tijd

De eerste twee à drie jaar na aanleg van een bosrandvegetatie is het beeld dat van een pas aangelegde beplanting. Het plantmateriaal is nog weinig vertakt en steekt de energie in de ontwikkeling van een wortelgestel. Vanaf de jaren daarna raakt de beplanting redelijk dicht en is reeds een recreatieve waarde bereikt. Voordat ook de gewenste ecologische waarde bereikt is, is minstens 7-10 jaar nodig.

9

Pas dan beginnen de heesters ook echt goed te bloeien en vrucht te dragen en is een gebiedseigen soortenrijk graslandvegetatie ontstaan. Een zorgvuldig, gefaseerd beheersplan moet er vervolgens voor zorgen dat de ecologische waarde (en de soortenrijkdom) alleen maar toeneemt. Wanneer het beheer achterwege blijft, verliest een bosrand al na een jaar of 5-10 zijn functie, omdat niet afgezette boomvormers het stokje dan over nemen en alle licht wegnemen.

Instandhouding Bij het aanplanten van struiken of bomen is (jaarlijkse) controle noodzakelijk om te zien of de nieuwe beplanting niet overwoekerd raakt door opslag van bomen. Als dit het geval is moet de opslag worden verwijderd. Voor de mantel kan een hakhout-beheer worden toegepast. Dit houdt in dat de struiken om de 3 tot 15 jaar bij de grond worden afgezet. Om ook hier weer de variatie te vergroten kan er elk jaar een strook met een lengte van 50 tot 100 meter afgezet worden. Het daaropvolgende jaar wordt er een andere strook afgezet. Doe dit liefst gefaseerd om de bestaande flora en fauna zo min mogelijk ‘uit balans’ te brengen. Snoei nooit meer dan éénderde van de heesters ineens weg. Dik hout kan dienst doen als brandhout en het dunnere hout kunt u verwerken in een takkenhoop of -ril. De zoom kan het beste een maaibeheer krijgen waarbij er elk jaar 33-50 % van de ruigte gemaaid wordt. Het maaitijdstip hangt af van de gewenste vegetatie. Het maaisel kan afgevoerd worden om verruiging te voorkomen en ook kan het in hopen in of naast de bosrand verwerkt worden. Uitval Uitval van de jonge beplanting kunt u tolereren tot circa 30 - 50 % van de hoeveelheid aangebracht plantgoed. Op deze plaatsen zullen zich spontaan andere soorten vestigen (vermoedelijk lijsterbes, berk). Deze spontane ontwikkeling is gewenst. (On)kruid Indien het optreden van brandnetel- en akkerdistelhaarden een probleem vormt, maai de haarden dan enkele keren per jaar met een zeis of bosmaaier. Doe dat voor de bloei en tijdens vochtige weersomstandigheden. U heeft dan kans dat de planten wegrotten. Ongewenste soorten Naast het hierboven genoemde scenario waarbij een monocultuur van onkruiden dreigt te ontstaan, zal ook al het opschot van de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) verwijdert moeten worden. Verwijdering dient in een 8-jaarlijkse beheercyclus 5 te worden opgenomen, zodat ze dan worden verwijdert voordat ze zich uitzaaien.

43


44

vooraanzicht In het vooraanzicht is te zien dat hier feitelijk een omgekeerde opbouw gehanteerd wordt in vergelijking met de ecologische bosrand. De boomvormers lopen door tot in het gazon van de ligweiden, terwijl de heesterlaag spaarzaam dieper in de bosrand mag bestaan. De heesterlaag zal om twee redenen niet te robuust kunnen of mogen uitgroeien. Ten eerste is er dieper in het bos te weinig licht voor een dichte heesterlaag. Ten tweede is het belangrijk om openheid te houden. Men moet ver het bos in kunnen kijken, tussen de boomstammen door. Dit verhoogt de beleving van de bezoeker.

bovenaanzicht In het bovenaanzicht komt de opbouw nogmaals duidelijk naar voren. De bosrand begint feitelijk al in het gemaaide gazon/ligweide, waar solitaire bomen en boomgroepen zonder onderbegroeiing als een kruid- of heesterlaag zijn te vinden. Het gazon gaat over in een zone waar het gras hoog mag uitgroeien. De gemaaide rand die gazon en hoog gras scheidt, vormt de overgang van ligweide naar bos. Tussen de bomen is nog steeds veel open ruimte, maar men spreekt niet meer van boomgroepen of solitairen, hoogstens van een open of transparant bos. In dit hoge gras mag ook een spaarzame kruidlaag tot ontwikkeling komen, waar behalve gras ook oa. fluitenkruid, varens en hier en daar wat braamstruweel deel uit zal maken. Nog iets dieper het bos in mogen heesters tot ontwikkeling komen. Omdat de verhouding bomen/openheid door strategisch kappen ook hier een vrij open bosstructuur opgelevert heeft, zullen de heesters vrij makkelijk groot uitgroeien. Door beheer moet de spontane ontwikkeling van heesters in de hand gehouden worden. Doorzichten moeten vrij open blijven. Steeds mag niet meer dan ca. 40% van de bodem bedekt zijn met hoge heesters die het (door)zicht belemmeren.

aflopend richting plas

hoog gras (ongemaaid) bomen in overlopend in kruidlaag met enkele heesters gazon als clump en vrij open structuur (verhouding boom/open ruimte is 60-40% solitair. ca. 15m max 25m vanaf bosrand

boomlaag geleidelijk steeds dichtere structuur en minder heesters. De verhouding bomen/open ruimte is 80-20% Deze verhouding houdt stand tot aan de boskern


Staalkaart 2: cultuurlijke bosrand

1. Verspreid staande bomen bieden schaduw op de ligweide 2. Langs de randen staan bomen in groepen 3.In de tweede zone ontstaat een onderbegroeiing met een grazige vegetatie 4.De grazige vegetatie loopt over in een meer schaduwtolererende vegetatie met varen en pijpestrootje 5.In de boskern is de onderbegroeiing spaarzamer door gebrek aan licht en een minder goed verteerbare strooisellaag. Op open plekken kan plaatselijk wel een weelderige vegetatie ontstaan

3

De cultuurlijke bosranden krijgen een heel ander karakter dan de ecologische bosranden. De ecologische bosranden zijn gesloten en geven niet of nauwelijks inkijk richting de kern van het bos. Ze zijn optimaal ingericht om een zo groot mogelijke ecologische waarde te hebben. De cultuurlijke bosranden daarentegen zijn in de eerste plaats ingericht voor de (menselijke) bezoeker. De ecologische waarde staat op de tweede plaats. Voor een optimale beleving wordt hier wel gestreefd naar openheid richting boskern. Ook willen we hier een geleidelijkere overgang bereiken van ligweide naar bos. Dit willen we onder andere bewerkstelligen door bomen (als solitair of als groepen) al ruim voor de bosrand verspreid aan te planten (en waar mogelijk de bestaande houtopstand te handhaven). Deze bomen in de ‘eerste zone’ maken deel uit van de ligweide. Ze bieden schaduw aan bezoekers van de plas. Deze bomen worden omgeven door gemaaid gazon (referentiebeeld 1 en 2). In de tweede zone is de boomstructuur nog steeds heel open, maar kan met niet meer spreken van losse boomgroepen of solitaire bomen, maar van bos . We spreken hier echter nog steeds van een zeer open bostype waarin veel licht de ondergrond kan bereiken en waardoor ook een onderbegroeiing mogelijk is. De onderbegroeiing loopt respectievelijk over van een grazige vegetatie (referentiebeeld 3) naar een vegetatie die gedomineerd wordt door varens met pijpestrootje (referentiebeeld 4). In deze zone zullen ook enkele heesters aangeplant worden. Deze heesters hoeven niet inheems te zijn, maar dienen wel een ecologische waarde te vertegenwoordigen (en moeten dus dracht- of nectarplanten zijn). Ook moeten ze zich staande kunnen houden op een boom- en schaduwrijke standplaats. De heesters mogen de openheid van het bos niet in de weg staan en mogen dus nooit meer dan 40% van de bodem bedekken.

1

4

2

5

In de derde zone - de boskern - is de kruidlaag veel minder dicht. Bomen staan hier dichter op elkaar, zodat minder licht de bodem bereikt en er dus ook een minder rijke kruidlaag tot ontwikkeling kan komen. Ook zijn de hoofdsoorten hier de oorspronkelijk aangeplante Pinus sylvestris met een menging van Quercus robur. Beide soorten zorgen voor een langzaam verterende strooisellaag waar maar weinig plantensoorten op gedijen. Via beheer (ringen en kappen van bomen) en natuurlijke uitval ontstaan open plekken in het bos, waar de omstandigheden licht genoeg zijn om een rijkere en weelderige vegetatie tot stand te laten komen.

45


46

aanleg en sortiment De cultuurlijke bosranden zijn gedeeltelijk gelegen op de grens van duinvaaggrond en veldpodzolgrond (zie ook het hoofdstuk van de analyse). In vaaggronden hebben nog weinig bodemvormende plaatsgevonden. Je kunt hier dan ook spreken van arme bodemcondities. Nu hebben bossen op arme gronden van nature een minder grote diversiteit dan bossen op rijkere gronden en worden doorgaans ook minder aantrekkelijk gevonden. Omdat het recreatieve aspect bij deze bossen een grote rol in neemt, is het van belang om het bodemleven op deze bodems op gang te brengen. Het hoge percentage Pinus nigra doet weinig voor het bodemleven. De naalden zorgen voor een moeilijk verteerbare strooisellaag en door het relatief gesloten dak van boomkronen kan er geen gevarieerde kruidlaag tot ontwikkeling komen. Om dit bos aantrekkelijker te maken is het dan ook belangrijk om zoveel mogelijk boomsoorten te planten die een makkelijk verteerbare strooisellaag achterlaten, zoals linde, es, esdoorn en robinia, zodat de strooisellaag verbeterd, verzuring wordt tegengegaan en op termijn een weelderiger, aantrekkelijker bostype kan ontstaan.

1. Zomereik (Quercus robur) 2. Amerikaanse krent (Amelanchier lamarckii) 3. Ruwe berk (Betula pendula) 4.Grove den (Pinus sylvestris) 5. Noorse Esdoorn (Acer platanoide) 6. Lijsterbes (Sorbus aucuparia) 7.Mannetjesvaren (Dryopteris felix-mas) 8. Productiebos na dunning 9. Links productiebos vóór dunning, rechts drie jaar ná dunning

1

kozen soorten leveren een goede bijdrage aan het verbeteren van de strooisellaag. Bomen ligweide

Percentage beplanting

Opmerkingen

Quercus robur

100%

planten als

Bomen bosrand

Percentage beplanting

Opmerkingen

Betula pendula

20% behouden

Quercus robur

20% behouden of bijplanten

Pinus nigra

15% behouden

Fraxinus excelsior

10%

Vnl. aan de randen

Tilia cordata

20%

Kan tegen schaduw

Acer platanoides

15%

Robinia pseudoacacia

20%

Dit onderwerp zal nog iets uitvoeriger beschreven worden in de staalkaart die de omvorming van productiebos met naaldhout naar gemengd, soortenrijk loofbos beschrijft. Grotendeels worden daar dezelfde plantensoorten geintroduceerd als bij de cultuurlijke bosranden. Ik ga daar iets uitvoeriger in op de toepassing van dit sortiment ter verbetering van de strooisellaag.

Bomen boskern

Percentage beplanting

Opmerkingen

Pinus nigra

20%

Gefaseerd verwijderen

Acer platanoides

20%

Tilia cordata

25%

Zie ‘beheer’

Sortiment In het sortiment zijn een aantal boomsoorten opgenomen die van nature niet willen groeien op arme duinvaaggronden en (in iets mindere mate) op veldpodzolgronden. Dit geldt met name voor Fraxinus excelsior en Acer platanoides. Deze boomsoorten zullen het naar verhouding zwaarder krijgen op deze bodems en vragen meer beheer (een voorkeursbehandeling door het verwijderen van concurrende boomsoorten in de omgeving). Desondanks zijn deze soorten onontbeerlijk om het bodemleven op gang te blijven. Zou men enkel kiezen voor soorten die wél gedijen onder deze condities, dan blijft de huidige situatie nog heel lang in stand.

Quercus robur

25%

Zie ‘beheer’

Betula pendula

20%

Heesterlaag

Percentage beplanting

Opmerkingen

Amelanchier lamarckii

10%

Vnl. aan de randen. Niet inheems, maar verwilderd

Corylus avellana

25%

Het sortiment zal voor het grootste deel bestaan uit inheemse soorten. Gekozen wordt voor autochtoon plantmateriaal, omdat dit zoveel mogelijk aansluit bij de al aanwezige flora en fauna. Bij spontane ontwikkeling zal zich hier voornamelijk, zomereik, lijsterbes en berk vestigen. Deze soorten hoeven daarom niet aangeplant te worden, omdat ze vanzelf deel uit zullen gaan maken van de beplanting. Er is voor gekozen vooral soorten aan te planten die van oorsprong horen bij de iets vruchtbaardere gronden, maar die wel gedijen onder de huidige omstandigheden. De ge-

Waardevol ter verbetereing van de strooisellaag

Sorbus aucuparia

10% (behouden)

Al aanwezig en ontstaat van nature.

Sambucus nigra

15%

Groepsgewijze menging

Frangula alnus

25%

Groepsgewijze menging

Acer campestre

15%

Groepsgewijze menging

2

3

4

5

6

7


8

Kruidlaag

Percentage oppervlak

Opmerkingen

Lonicera periclymenum

15%

Groepsgewijze menging

Dryopteris felix-mas

nvt.

Ontstaat vanzelf. Evt. bladen met sporen uit naburig bos neerleggen.

Hedera helix

15%

Groepsgewijze menging

Alle planten worden als spil of ‘bosplantsoen’ geplant in maat 60/80 muv. de bomen die deel uitmaken van de ligweide. Deze worden geplant in de maat 20/25 Dunnen naaldhout Pinus nigra hoort eigenlijk niet thuis in een gemengd loofbos, maar door het grote, reeds aanwezige aantal, zal deze boomsoort niet geheel verwijderd worden. Sterke exemplaren worden gespaard, de rest gedund waarvan max. 7% geringd of gelipt wordt (10% in de boskern, 3% in de rand), zodat ook staand dood hout een plek krijgt. Hoewel dood hout een waardevolle toevoeging is voor de kwaliteit van het bodemleven, zal slechts 20% hergebruikt worden, waarvan 12% als houtsnippers en 8% als stammen. Dit heeft twee redenen: In de eerste plaats is het beeld dat al dit hakhout oplevert niet erg fraai en in de tweede plaats betreft het zo’n grote hoeveelheid hout dat het bos, waarvan het evenwicht al verstoord raakt door de flinke dunning, nog verder verstoord raakt.

Kwaliteit en kosten

Beheer

Beheer zal een kostbaar deel vormen bij dit type beplanting, met name omdat het proces en steeds bijgestuurd moet worden. Zo moeten bepaalde boomsoorten voorrang krijgen in de concurrentiestrijd. De kosten voor het plantmateriaal is relatief hoog, wat vooral te wijten is aan het kostbare meerjarige plantmateriaal dat toegepast wordt voor de boomgroepen in de ligweide. Voor de gewenste maten betaald men al gauw 20-30x zoveel als voor een hoogstam/spil met een stamdoorsnede en hoogte die volstaat voor gebruik in de ‘daadwerkelijke’ bosrand of kern.

In de staalkaart die de omvorming van productiebos naar gemengd loofbos beschrijft wordt dieper ingegaan op een aantal zaken die ook van toepassing zijn op het beheren van de cultuurlijke bosranden, omdat ze zo nauw samenhangen. In deze cultuurlijke bosrand is namelijk zoveel doorzicht gewenst dat ook de boskern van belang is. Zaken als hoe om te gaan met concurrentie van bomen tov van voorkeursbomen wordt hierin beschreven. Hier wordt beschreven hoe een kruidlaag als ondergroei (die in dit type bosrand van belang is) tot stand komt en welk beheer dit vraagt.

Voor de aanleg, ontwikkeling en instandhouding van cultuurlijke bosranden moet gezocht worden naar een ‘gulden middenweg’ tussen kosten, gewenst (eind)beeld en de termijn waarbinnen dit eindbeeld bereikt moet worden. Door te werken met groot (en kostbaar) plantmateriaal is het gewenste beeld eerder te bereiken, maar de uitval is relatief groot. Jonge spillen (één- of tweejarig plantmateriaal) slaan sneller aan en halen meerjarig plantmateriaal vaak na enkele jaren in. Waar mogelijk zal dus gekozen worden voor jonge spillen of hoogstambomen. De boomvormers voor de ligweide zullen echter wel als meerjarig plantmateriaal worden geplant, omdat het recreatieve aspect en het beeld in dit gedeelte zeer belangrijk is.

Op alle kale en omgewoelde bodems waar houtige gewassen kunnen groeien, ontstaat in de aanlegfase zonder enige uitzondering een kruidachtige, veelal lichtminnende vegetatie. Hoe voedselrijker de bodem is en hoe meer de bodem is omgewoeld, des te weelderiger zal die vegetatie zich ontwikkelen. In ons geval betreft het arme duinvaaggronden en relatief arme veldpodzolgronden. De verwachting is dat de ontwikkeling van een weelderige kruidlaag daar niet zo uitbundig zal verlopen. Desondanks moet wel bijgestuurd worden in dit proces.

Kosten plantmateriaal De kosten worden vooral bepaald door de eerste 25m van de bosrand, waarin bomen in de maten 20/25 en 18/20 worden toegepast. Voor een cultuurlijke bosrand (met een gemiddelde diepte van 50m) bedragen de kosten gemiddeld 15.500 euro/100m.

Tijd

Het proces van omvorming van met braamstruweel begroeide rand van het productiebos, zoals dat in de huidige situatie kan worden aangetroffen, naar een open en weelderige bosrand vergt een lange adem. In eerste instantie zal er een flinke kaalslag moeten plaatsvinden voordat toegewerkt kan worden naar een fraaier eindbeeld.

9

Dit impliceert echter niet dat tot het gewenste eindbeeld bereikt is, er geen fraai beeld ontstaat. Op de foto links (rechterdeel) is goed te zien wat het effect van dunning na slechts een paar jaar is. Het open karakter dat we voor ogen hebben, waarin doorzichten bestaan richting boskern, is er nog niet, maar er is al wel een weelderiger en lichtere situatie ontstaan die een aantrekkelijker beeld oplevert. Kortom van beginsituatie naar eindbeeld duurt enkele decennia, maar van beginsituatie naar aantrekkelijke overgangssituatie hoeft maar enkele jaren te kosten.

Groei van kruiden bij dunning Onder jonge, gesloten beplantingen van 6-15 jaar oud is de bodem vaak volledig kaal. Plantengroei treedt pas weer op als er licht toetreedt. Dat gebeurt zonder uitzondering na dunning. Onder invloed van het licht ontkiemen dan zaden van allerlei planten. Vooral op voedselrijke en gestoorde bodems kan deze vegetatie wel twee meter hoog worden. Bij het opnieuw sluiten van de beplanting verdwijnt deze vegetatie weer. Een herhaling van dit proces vindt plaats bij de tweede dunning en zal zich blijven herhalen bij alle grotere ingrepen in de beplanting. Het is hetzelfde proces dat we bij hakhout op voedselrijke bodems zien: een steeds wisselende dominantie van kruiden of houtigen. In bossen, parken en grotere plantsoenen is het uit faunistisch oogpunt zeer interessant om verschillende van deze fasen naast elkaar te hebben. Op de ene plek domineert een onstuimige ontwikkeling van kruidachtigen, tweehonderd meter verder heerst een schijnbare stabiele situatie en daar tussenin bestaat een geleidelijke overgang. In de eerste plaats ondervindt de beplanting in mindere of meerdere mate concurrentie van de kruidachtige vegetatie. Maar als de beplanting eenmaal aan de groei is, worden de rollen omgedraaid en is het de beplanting die de kruiden beconcurreert. Bij het sluiten van de beplanting verdwijnen onder het jonge kronendak binnen enkele jaren vrijwel alle kruidachtige planten. Alleen langs de randen blijven de kruiden aanwezig. Het kruidenbeheer van de kruiden langs deze randen wordt randenbeheer genoemd. 5

47


48

vooraanzicht In het vooraanzicht wordt de gevarieerde opbouw duidelijk. Populieren zullen als eerste de volwassen status bereiken en al vroeg zorgen voor een bosbeleving. Dit is vanuit recreatief oogpunt waardevol. Ook dragen deze bomen bij aan de verbetering van de strooisellaag waardoor een rijke kruiden en heestervegetatie kan ontstaan. De lichtdoorlatende boomkronen dragen hier ook aan bij en zorgen er tevens voor dat de ontwikkeling van blijvende boomsoorten (linde, eik en beuk) niet geremd wordt.

bovenaanzicht In het bovenaanzicht is een fragment van de verdeling te zien. In totaal zal (in aanvang) 25% van de boomvormers bestaan uit populier en 15% uit de oorspronkelijke beplanting van grove den. De loofbomen die zich al op natuurlijke wijze hebben gevestigd, worden allemaal gespaard. Boomvormers als es en linde worden groepsgewijs geplant om ze een grotere overlevingskans te geven. Daarnaast moeten er open plekken blijven in het bos waar een kruidenrijke vegetatie kan ontstaan en waar ruimte is voor natuurlijke verjonging. Op die manier blijft er een bepaalde leeftijdspreiding bestaan, waarmee voorkomen wordt dat de omvorming een bos oplevert waarin al het plantmateriaal dezelfde leeftijd heeft.

open plek voor kruidenvegetatie

PD

Tc

Tc

Pc

Tc Ps

PD

PD

Ps=Pinus sylvestris Pc=Populus canescens PD=Populus ‘Dorskamp’ Tc=Tilia cordata

Ps

PD

Tc

Pc

Ps

open plek voor kruidenvegetatie

Pc


Staalkaart 3: omvorming productiebos naar gemengd loofbos

1. Ook bij nietsdoen zal een naaldbos uiteindelijk vanzelf langzaam omvormen. Wanneer een boom sterft, maken andere soorten dankbaar gebruik van het vrijgekomen licht. 2. Soortenrijk loofbos met weelderige kruidenvegetatie in bos bij kasteel Doorwerth als ‘ultiem’ gewenst beeld. 3.Beuken moeten spaarzaam gebruikt worden ivm hun eigenschap een zware kroon te hebben waardoor te weinig licht doorgelaten wordt voor de ontwikkeling van ondervegetatie. 4.Een gezond bos heeft een kruidlaag, heesterlaag en boomlaag en zowel jong als oud plantmateriaal. 5.Wanneer een boom sterft ontstaat een lichte plek in het bos. Hier ontstaat al spoedig een rijke kruidenvegetatie.

1

De omvorming van productiebossen van naaldhout naar gemengd loofbos wordt al decennia op grote schaal toegepast in Nederland. De productiebossen zijn ooit aangeplant om verstuiving van dekzandruggen tegen te gaan, maar hebben hun productiewaarde inmiddels verloren. Hout importeren is rendabeler. Veel van deze bossen hebben tegenwoordig vooral een recreatieve waarde. Om deze recreatieve waarde te vergroten (naalbossen worden ervaren als relatief saai in vergelijking met loofbossen) en de ecologische waarde te vergroten (naaldbomen vertegenwoordigen een geringe ecologische waarde in vergelijking met loofbossen), wordt overgegaan tot omvorming. Omvorming kan heel rigoureus -totale kap en herplant- of meer geleidelijk -gefaseerd dunnen- verlopen. Vanuit ecologisch oogpunt is het raadzamer om niet te rigoureus aan de slag te gaan. Wanneer men alle huidige naaldhoutopstanden ineens zou kappen en herplanten, krijgt men een jong loofbos waarin vrijwel alle bomen en heesters eenzelfde leeftijd hebben. Waardevoller is een bos waarin een gefaseerde omvorming kan plaatsvinden. Gefaseerde omvorming wordt ‘perceelsgewijs’ aangepakt. Op het gebied van omvorming wordt veel geëxperimenteerd. Juist omdat omvormingen van productiebossen op zo’n grote schaal plaatsvindt, spreken we immers ook van een groot vraagstuk. Voor de bossen rond de Geffense plas willen we ook adviseren om te gaan werken met methodes die nog enigzins experimenteel te noemen zijn, maar waar op vrij korte termijn wel goede resultaten mee te behalen zijn. In de vorige staalkaart die de cultuurlijke bosranden beschrijft werd het principe ook al aangeboord, maar hier zullen we deze methode nog uitvoeriger beschrijven.

2

3

4

5

De methode is gebaseerd op het principe dat het verbeteren van de strooisellaag de basis legt voor een gezond en soortenrijk bostype. De ingrepen en soortkeuze is dan ook grotendeels gebaseerd op dit principe. Welke soorten leveren een goede strooisellaag. Twee onderzoeken, te weten ‘De omstreden positie van Populier in het natuurbehoud’ (Arne Verstraeten, et al) en ‘De linde terug in het bos - Verslag veldwerkplaats Droog zandlandschap’ (Patrick Hommel, et al) vormen de inspiratie voor deze aanpak. In het eerstgenoemde veldonderzoek wordt gepleit voor de toepassing van linde en andere plantensoorten die de strooisellaag ten goede komen (zoals hazelaar, es en esdoorn), dit om bodemvormende processen sneller op gang te brengen. In het tweede onderzoek wordt gepleit om populieren (Populus canadensis)- hoewel niet inheems - aan te planten in omvormingsbossen met een geringe ecologische waarde. De redenen hiervoor worden beschreven bij ‘Aanleg en sortiment.’

49


50

aanleg en sortiment De aanplant van populieren is als pioniersbeplanting bedoeld is, die na verloop van tijd wordt omgevormd naar gemengd loofbos. Voor het ontstaan van een gevarieerd bos kan er desgewenst een gemengde struikenvegetatie tussen de populieren worden aangebracht. Welke struiksoorten hiervoor het meest geschikt zijn, wordt vooral bepaald door de groeiplaats. Denk aan bijvoorbeeld hazelaar, veldesdoorn, vuilboom. Enkele groepen struiken (met ongeveer 25 struiken per groep) aangeplant onder de populieren geeft gedurende lange tijd structuurvariatie, wat de aantrekkelijkheid en de biodiversiteit van het bos vergroot. In de boomlaag kunnen de populieren worden afgewisseld met groepen es, esdoorn en linde - die eveneens bijdragen aan een goede strooisellaag. Zodra de populieren ongeveer 10 m hoog zijn, zijn ze heel geschikt om er beuk of eik onder te planten. De aanplant van enkele grote solitaire bomen of heesters, bijvoorbeeld langs de randen of langs open plekken verhoogt niet alleen de aantrekkelijkheid van het nieuwe bos, maar zorgt ook snel voor zaadbronnen voor natuurlijke verjonging. In de om te vormen productiebossen hebben we te maken met grondwaterstanden VI tot VII. Dit betekent dat de grondwaterstand ‘s zomers lager is dan 120cm onder het maaiveld. Voor de populieren is dit niet ideaal, omdat deze tijdens hun groeiperiode bij voorkeur een grondwaterstand van maximaal 2m onder maaiveld behoeven. Op te arme, zure bodems kan aanvullende bemesting nodig zijn. Verder grondonderzoek moet dit uitwijzen. Sortiment Het gekozen sortiment bevat voornamelijk soorten die bijdragen aan een goede strooisellaag en die een wat lichtere boomkroon hebben, zodat de ontwikkeling van een soortenrijke bodemvegetatie (met voorjaarsaspect) tot stand kan komen. Populieren worden ingezet als pioniersbeplanting vanwege de snelle groei, waardoor al na enkele jaren de beleving van een bos ontstaat. Winterlinde wordt geintroduceerd als ‘duurzame’ bosbewoner die een langzame groei kent, maar ook een hoge leeftijd kan bereiken en zo langdurig zal bijdragen aan de verbetering van de strooisellaag. De linde is in staat om met haar diep en goed vertakt wortelstelsel de laatste restjes kalk in de bodem bereiken en is tevens in staat deze kalk in haar bladeren in te bouwen. Wanneer de boom in de herfst haar blad laat vallen wordt het daar in razend tempo verteerd. Dit kalk reageert weer met het zuur in de bodem. Het bodemleven neemt toe en zo wordt de negatieve spiraal van strooiselophoping, verzuring en verarming doorbroken. Linde verdraagt schaduw vrij goed en kan daarom in de schaduw van boomkronen gedijen.

1. Populierenbos met uitgesproken, weelderige voorjaarsvegetatie 2. Gewone vlier (Sambucus nigra) 3. Grauwe abeel, (Populus canescens) 4.Gewone es (Fraxinus excelsio) 5. Winterlinde (Tilia cordata) 6. Vuilboom (Frangula alnus) 7. Valse acacia (Robinia pseudoacacia) 8.Referentiebeeld bos met rijke kruid en heesterlaag 9. Links productiebos enkele jaren na dunning

1

Heestersoorten als Corylus avellana hebben ook een sterk positief effect door het makkelijk verteerbare strooiselmateriaal. Gekozen soorten zullen het op de in aanvang vrij arme grond niet heel gemakkelijk hebben en zullen dus via beheermaatregelen een voorkeursbehandeling moeten krijgen ten opzichte van invasievere soorten. Niet alle gekozen soorten zijn inheems (Acer platanoides, Populus canadensis en Populus canescens). Op den duur is het de bedoeling dat de populieren dmv natuurlijke sterfte en ringen uit het bosbeeld verdwijnen zodra inheemse soorten het volwassen stadium bereikt hebben. Een kruidlaag hoeft niet te worden aangeplant, omdat zaailingen vanuit de randen zich vanzelf zullen vestigen. Boomvormers

Percentage beplanting

Opmerkingen

Populus canadensis ‘Dorskamp’

15%

Pioniersbeplanting

Populus canescens

20%

Pioniersbeplanting

Pinus sylvestris

15% huidige opstand behouden, 8% ringen

Ivm met ecologisch evenwicht gefaseerd kappen

Fraxinus excelsior

10%

Vnl. aan de randen

Tilia cordata

20%

Kan tegen schaduw. In dichte groepen planten

Robinia pseudoacacia

15%

Acer platanoides

10%

Fagus sylvatica

8%

Na 10 jaar planten Niet in aantal laten toenemen

Quercus robur

15%

Na 10 jaar planten Niet in aantal laten toenemen

Heesterlaag

Percentage beplanting

Opmerkingen

Corylus avellana

25%

Waardevol ter verbetereing van de strooisellaag

Sorbus aucuparia

10% (behouden)

Al aanwezig en ontstaat van nature.

2

3

4

5

6

7


8

Sambucus nigra

15%

Groepsgewijze menging

Frangula alnus

25%

Groepsgewijze menging

Acer campestre

25%

Groepsgewijze menging

Plantmateriaal Gewerkt wordt met tweejarige spillen in de maat 60/80 en 2x verplante hoogstammen van 10-12 en 12-14 (met kluit). Plantafstanden Men kan flexibel zijn in de plantafstanden van de populieren en plantafstanden van 4 x 4 m tot 7 x 7 m hanteren. Een dichtere stand van de bomen heeft als voordeel dat het bos na aanplant sneller in sluiting gaat en sneller een bosbeeld krijgt waardoor het al gauw geschikt is voor recreatief medegebruik. Populieren met balsembloed lenen zich het beste voor het gebruik bij kleine platafstanden, omdat ze in dichte beplantingen relatief lang een dichte kroon behouden met levende zijtakken. Heesters worden aangeplant in groepen van ca. 25 stuks. Wanneer de lichtopbrengst lager wordt doordat de kronen dichter groeien, zullen de heestergroepen zich vanzelf dunnen en steeds meer plaatsmaken voor een kruidachtige onderbegroeiing met voorjaarsaspect. Aan de randen blijven heesters in grotere getalen aanwezig. Eik en beuk worden na 10 jaar bijgeplant. Zowel een individuele als groepsgewijze inplant is dan mogelijk. Eiken moeten door hun tragere groei na het planten wat langer in de gaten gehouden worden of ze niet verstikt worden door andere soorten. Dunnen van populieren is evt. dan al mogelijk.

9

Kwaliteit en kosten

Beheer

Beheer zal nodig zijn, omdat het proces en de omvorming steeds bijgestuurd moet worden en bepaalde boomsoorten voorrang gegeven moet worden in de concurrentiestrijd. De onderhoudsfrequentie ligt de eerste jaren hoger. Doordat zoveel mogelijk gewerkt wordt met jonge spillen zijn de kosten voor heraanplant na de dunningswerkzaamheden relatief laag.

Populierenbossen kunnen met succes worden omgevormd naar een gemengd loofbos door een onderplanting of door gebruik te maken van de aanwezige spontane verjonging. Gezien het risico op schade is het volgens ons evenwel niet aangewezen om Populieren in oude hak- of middelhoutbestanden zomaar te kappen. Het is beter ze te laten staan (dood hout brengt leven in het bos), en eventueel een deel van de bomen te ringen teneinde het omvormingsproces enigszins te versnellen.

Voor de omvorming van productiebos naar gemengd loofbos wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van jonge spillen. Jonge spillen (één- of tweejarig plantmateriaal) slaan sneller aan en halen meerjarig plantmateriaal vaak al na een jaar of twee in wat groei betreft. Als we kijken naar het kostenplaatje, is de besparing dusdanig groot, dat aangeraden wordt om te werken met spillen. Omdat vrij rigoureus gekapt gaat worden, is het echter wel belangrijk de spillen te mengen met enkele hoogstambomen met een beperkte stamomtrek. Zo wordt aangeraden om voor populieren te kiezen voor hoogstambomen in de maten 12-14 en 10-12 (2x verplant, zonder kluit). Er is voor deze omvang gekozen, omdat dit bos reeds intensief gebruikt wordt voor recreatie. Zou men enkel met spillen werken, dan duurt het te lang (3-5jaar) voordat het bos weer als enigzins aantrekkelijk beschouwd zal worden. Kosten plantmateriaal De kosten per 1ha bedragen ca. 8800-9500 euro, dit is op basis van een menging van hoogstam met spillen met een gemiddelde plantafstand van 5m.

Tijd

Plant vooralsnog in groepen met redelijk dicht verband en experimenteer met dichtheden, startsubsidie (o.a. bekalken), en wildbescherming etcetera. De linde heeft op de armere zandgronden een vergelijkbaar groeiritme als de eik. Houd ze dus in de gaten dat ze niet overgroeid worden. Linde is gelukkig een schaduwboomsoort, en is dus niet zomaar verdwenen. Al met al reden om in forse groepen te planten en niet als individu. Verwijder ongewenste soorten (oa. Amerikaanse vogelkers) en soorten die andere, gewenste soorten overwoekeren. Eik en beuk Eiken en beuken kunnen na 10 jaar worden toegevoeg aan de beplanting. Plant ze in groepen om hun overleveingskansen te vergroten. Zorg er vervolgens voor dat de eiken (die niet zo’n hoge groeisnelheid heeft) niet overwoekert wordt door andere soorten. Zie er tevens op toe dat beuken nooit meer dan 15% van het totale oppervlak in bezit nemen, omdat dit - door het dichte bladerdek van de beuk - ten koste gaat van een rijke onderbegroeiing.

Populieren zijn snelle groeiers die samen met berk al vrij snel (al na ca. 10 jaar) een bosbeleving geven. Door de gekozen soorten zal de strooisellaag verbeteren, waardoor al spoedig een weelderige kruidenlaag ontstaat. ook de hoeveelheid licht draagt hiertoe bij. We spreken dan al van een recreatief interessant bos.

Wijkers-blijvers systeem Door hun beperkte levensduur zullen de populieren op den duur door natuurlijke selectie verdwijnen. Zodra andere boomsoorten in staat zijn om het over te nemen, kan alvast begonnen worden om de populieren ‘te helpen’ te wijken voor de blijvers, bij voorkeur door ze te ringen. Werk gefaseerd en ring nooit alle populieren ineens, omdat het belangrijk is en blijft om een bos te hebben waarin de beplanting verschillen in leeftijd. Een gezond bos kent een kringloop van jong plantmateriaal, oude bomen en dood hout.

Vanaf het moment van aanplant moet door middel van een beheerplan gestuurd worden in de omvorming. Dit proces kan weliswaar aan de natuur worden overgelaten, maar dna duurt het veel langer voordat het gewenste eindbeeld bereikt is. Door sturing en strategisch kappen en ringen van ongewenste boomsoorten (op den duur dus ook de populieren) wordt de omvorming versnelt en ontstaat op termijn een ‘oud’ bostype met een verhoogde biodiversiteit en relatief rijke ondervegetatie.

NB! De witte paardenkastanje, linde en Italiaanse populier staan op dit moment nog buiten de boswet. Wanneer deze soorten worden gebruikt om een gekapt bos mee aan te planten, is dit officieel ontbossing. Waarschijnlijk wordt dit in de toekomst veranderd in de wetgeving. In overleg met de provincie is er vaak 5 toch wel veel mogelijk.

51


52

De bloemenweide Vaak gebruikt men voor inzaai een zaadmengsel waarin veel eenjarige akkerbloemen zoals klaproos en korenbloem is opgenomen. Dit geeft, zeker op verstoorde grond, meteen al een uitbundige bloemenweide. Dit resultaat is eenmalig. Wil men dit herhalen dan dient de bodem jaarlijks opnieuw verstoord te worden (net als op de akkers) en ingezaaid met een eenjarigen akkermengsel. In praktijk is dit niet haalbaar noch wenselijk. Wel is het zo dat de jaren na inzaai het resultaat vaak eerst wat tegenvalt. Een echte soortenrijkdom bereiken vergt een lange adem en een consequent maaibeleid. Zo zal de verstoorde grond (en ongetwijfeld nog een flinke restdosis stikstof in de bodem) in eerste instantie leiden tot storingsvegetaties van bijvoorbeeld grote brandnetel. In het beste geval is een (bijna) monocultuur van duizenblad en margrieten ontstaan. Stel de verwachtingen bij en ga aan de slag met het beheer. Door te blijven maaien, in de eerste jaren liefst al in mei in plaats van juli, raakt men de storingsvegetatie kwijt en wordt de vegetatie langzamerhand rijker.

Zure regen gooit nogal eens roet of beter gezegd stikstof in het eten bij dit procédé van verschraling. Dat is te zien aan de heide die zonder ingrepen binnen enkele jaren verandert in een grassteppe van pijpenstrootje. Grassen reageren sneller op die stikstofgift dan bloeiende planten. Een slimme methode om te verschralen is het uitzaaien van de kleine ratelaar (Rhinantus minor). Het is een plantje waarvan de bloemen in de verte wel wat op die van het leeuwenbekje lijken en dat parasiteert op de wortels van grassen. Omdat dit plantje groen blad heeft spreekt men van een halfparasiet. Het moet wel in flinke hoeveelheden worden uitgezaaid en dan komt het ’t jaar daarna gegarandeerd op en doet zijn werk. De grote ratelaar (Rhinantus major, zie foto) is mooier om te zien met zijn lichtgroene, opgeblazen kelken maar- anders dan in de flora vermeld staat- zeldzamer dan de kleine die in grasbermen soms in grote hoeveelheden groeit. De Rhinantus-methode werkt echt. De wei moet wel wat later gemaaid worden omdat de ratelaar pas in juli rijp zaad vormt. Het is een eenjarige plant die bij het maaien in juni snel verdwijnt.


Staalkaart 4: soortenrijk droog schraalgrasland

1. Meerjarige schraal grasland met een gemaaid pad 2. Zelfs als eenmaal evenwicht bereikt is, varieert de bloemenweide van jaar tot jaar 3. Grasland met een voorjaarsbloeipiek die gedomineerd wordt door scherpe boterbloem 4. Grote ratelaar met koekoeksbloem en scherpe boterbloem 5.Grote ratelaar is massaal ingezaaid.

1

Voor een bloemenwei is schrale grond een vereiste. Ten eerste stoelen de grassen op schrale grond nauwelijks uit, ten tweede zullen de meeste tweezaadlobbigen (grassen behoren tot de eenzaadlobbigen) van ellende gaan bloeien. Immers als er nauwelijks of geen voedsel aanwezig is gaat een plant bloeien en zaad vormen dat hopelijk in rijker grond terechtkomt. Verschraling is te bereiken door bij rijke grond de toplaag te verwijderen. Uiteraard kan het plaggen en omwerken van de grond het beste vóór de winter gebeuren. Resterende worteleinden die in het voorjaar uitlopen kunnen dan nog tijdig verwijderd worden. Een langzamer verschralingsprocédé wordt bereikt door éénmaal per jaar, bij rijkere groei tweemaal, te maaien en te hooien dat wil zeggen het gemaaide gras om te husselen zodat de rijpe zaden in de grond terechtkomen, en het maaisel daarna af te voeren. In het gebied dat we willen omvormen tot bloemrijk grasland hebben we overwegend te maken met droge, voedselarme tot iets voedselrijke, zwakzure tot kalkrijke bodems. Op deze bodems valt het toekomstige bloemrijke grasland onder de klasse droog schraalgrasland. Zonder maaibeheer of natuurlijke begrazing hebben alle vegetaties die onder deze klasse vallen de neiging om over te gaan in struweel- of bosachtige vegetaties. Binnen natuurgebieden worden in vergelijkbare situaties vaak grote grazers ingezet. Buiten de natuurgebieden (bermen, grasvelden etc.) worden de vegetaties 1 a 2x per jaar gemaaid. Zodra deze activiteiten worden gestaakt, veranderen alle vegeties op al deze terreinen vrijwel zonder uitzondering in struweel en bosachtigebegroeiingen.

2

3

4

5

Verder zijn er interessante overgangsgradiënten naar nattere zones. Juist deze overgangen leveren de rijkste soortenvariatie op. Het tijdstip van maaien bepaald voor een deel welke van de - voor droog schraalgrasland kenmerkende soorten - ook daadwerkelijk zullen gaan voorkomen. Maait men vroeg in het seizoen, dan zal er een bloeiperiode in het voorjaar en in de nazomer plaatsvinden. Meestal wordt aangeraden om te wachten met maaien tot eind juli, gevolgd door een tweede maaibeurt aan het eind van het seizoen. Het maaisel wordt steeds afgevoerd om de verschraling (verarming) door te zetten. Verwacht wordt dat de huidige voedselrijkdom van het om te zetten gebied relatief laag is. We spreken van veldpodzol waar voor een groot deel bos te vinden is dat al meerdere decennia oud is. Voor het graven van de watergang en het verwijderen van (een deel van) de bomen, zal de bodemstructuur al dusdanig verstoord raken dat men net zo goed een stapje verder kan gaan door de toplaag te verwijderen, zodat de arme onderlaag overblijft.

53


aanleg en sortiment

54

Na de aanleg van infrastructuur, het graven van de waterloop en het aanbrengen van het talud, kan een zaadmengsel worden ingezaaid om de soortenrijkdom alvast een stap in de richting te geven. In zo’n zaadmengsel kunnen ook eenjarige akkerkruiden als papaver en korenbloem worden opgenomen, zodat meteen het eerste jaar al een spectaculaire weide ontstaat. Dit effect is eenmalig. Hierna moeten de meerjarige planten het overnemen. Het is verstandig om mondjesmaat grassoorten bij te zaaien, omdat deze vanzelf hun intrede zullen doen en het straks de bedoeling is om zo min mogelijk grassen over te houden en zoveel mogelijk andere plantensoorten. In normaal gazonzaad zit doorgaans vooral rood zwenkgras en Engels raaigras. Soorten die een flinke productie hebben. In een bloemenweide willen we deze soorten juist weren. Wat we wel verwelkomen - en dus ook kunnen opnemen in een zaadmengsel - is reukgras (Anthoxantum odoratum), beemdhaver (Avenula pratensis) en beemdlangbloem (Festuca pratensis). Alledrie zijn polvormende, bescheiden groeiende grassoorten. Ook welkom is het thimotheegras (Phleum pratense). Verder zijn alle draviksoorten polvormend (Bijv. Bromus hordeaceus en Bromus sterilis). Tot slot kunnen kamgras (Cynosurus cristatus) en veldbies (Luzula campestris) aan het mengsel worden toegevoegd. Doorgaans is het bijna ondoenlijk om alle zaadsoorten apart en in een op maat gemaakt mengsel te verkrijgen. Kies dan voor Advanta mengsel uit de A-categorie* en vul dit aan met de volgende soorten: Soort

Gewenst percentage

Opmerkingen

Rinanthus major

10%

Parasiteert op grassen

Centaurea cyanus

5%

Eenjarig

Papaver rhoeas

4%

Eenjarig

Campanula rotundifolia

2%

Lupinus polyphyllus

3%

Bindt stikstof

Rumex acetosella

2%

Kan overheersen

Hieracium aurantiacum

3%

Grassen

Percentage

Anthoxantum odoratum

5%

Bromus horeaceus

5%

1. Ratelaar (Rhinanthus major) met scherpe boterbloem (Ranunculus acris) 2. Oranje havikskruid (Hieracium aurantiacum) 3. Op den duur kunnen orchideeĂŤn hun intrede doen 4. Margriet (Leucanthemum vulgare) 5. Reukgras (Anthoxantum odoratum) 6. IJle dravik (Bromus sterilis) 7. Beemdlangbloem (Festuca pratensis) 8.Bloemenweide eerste jaar - akkerkruiden domineren het beeld 9. Verstoringsvegetatie van grote brandnetel (verdwijnt door maaien) 10. Bloemenweide in mei, de bloei van boterbloem, zuring en rode klaver.

Phleum pratense

3%

Festuca pratensis

5%

Cynosurus cristatus

5%

Bromus sterilis

5%

1

Om de ecologische doelstellingen, zoals vermeld in de visie, zoveel mogelijk na te streven, wordt gewerkt met regionaal verkregen zaad van uitsluitend inheemse soorten. Als basis kan men kiezen voor de mengsels 1a, te zaaien op de droge delen en mengsel 3a, te zaaien langs de oevers van het water. Voor kleur en bloei vanaf het eerste jaar wordt 20% van de zaaihoeveelheid (op zowel de natte oevers als de droge, schrale delen) vervangen door mengsel no 5, een mix die is samengesteld uit eenjarige akkerkruiden.

2

3

4

5

6

7

Zaai langs de oevers in ieder geval ook wat schapengras mee (Festuca pratensis), omdat Rhinantus grassen nodig heeft om op te parasiteren. *A-categorie houdt in dat: - De soorten in ons land in het wild voorkomen - Het algemene soorten betreft in ecologisch verantwoorde samenstellingen - Gebruik mogelijk is zowel binnen als buiten de bebouwde kom - Vrijwel alle zaad in eigen regio gewonnen is.

Opmerkingen


Kwaliteit en kosten

Beheer

De aanleg van een bloemenweide kan een zeer kostbare investering vragen, wanneer direct bij aanvang een op maat gemaakt mengsel moet worden gebruikt. Wanneer men kiest voor bestaande mengsels, geschikt voor de aanwezige grondsoort, is men goedkoper uit, maar bestaat de kans dat soorten gaan overheersen en andere soorten verdwijnen. Bij standaardmengsels duurt het eenvoudigweg langer voordat een zeker evenwicht is ontstaan. Desondanks blijft het een feit dat ook wanneer er wel een zeker evenwicht is, de bloemenweide van jaar tot jaar kan verschillen in samenstelling.

De belangrijkste randvoorwaarde voor het natuurtype is dat de matige tot schrale voedselrijkdom in stand blijft. De bodem mag niet substantiëel verrijken via de lucht of de bodem. Door hun relatief hoge ligging in het landschap ondervinden droge schraalgraslanden meestal geen gevaar voor toevoer van meststoffen via grond- of oppervlaktewater. De gegraven waterloop die het grasland zal begeleiden, voert wel gedeeltelijk verrijkt water af, omdat dit water ‘vervoert’ dat ook langs akkerlanden heeft gestroomd en afwateringswater van deze akkers met zich mee. Of dit consequenties heeft voor de verrijking van het schraalgrasland is niet bekend. Te verwachten valt dat de invloed zich tot de rand beperkt.

8

Vanuit kostenbesparing wordt aangeraden om uit te gaan van ‘standaard’-mengsels (zie ‘aanleg en sortiment’ voor meer informatie). Voor inzaai is minimaal 15kg/ha nodig. Mengsel no. 1a kost 395,- euro per kg Mengsel no. 3a kost 375,- euro per kg Mengsel no. 5 kost 90,0 euro per kg 9

Uitgaande van de percentages en hoeveelheden genoemd in sortiment en aanleg, komt dit op een totaalbedrag van 4950,- euro/ha

Tijd Met een goed maaibeleid zal een bloemenweide na verloop van tijd steeds mooier worden. Door de inzaai van eenjarige akkerkruiden, zal het eerste jaar een vrijwel onovertroffen kleurenspektakel zijn, waarna het jaar erop waarschijnlijk een terugslag plaatsvindt. In dat tweede jaar ontstaan vaak (bijna) monoculturen van bijvoorbeeld duizenblad of boerenwormkruid. Er is tijd voor nodig om tot een soortenrijk evenwicht te komen. Bloemrijk grasland ontwikkelt zich langzaam, zeker op verstoorde grond (waar we hier mee te maken hebben). Er is geduld voor nodig en kennis ten aanzien van beheer. Het beheer hoeft niet omvangrijk te zijn, mits het op de juiste momenten en op de juiste wijze gebeurd.

10

Voordat storingsvegetaties zoals paardestaart dusdanig zijn teruggedrongen dat ze niet meer als dominant worden ervaren, zijn we enkele jaren verder. Bloemrijk grasland heeft de potentie om zich steeds verder te ontwikkelen, waarbij een steeds evenwichtiger beeld onttstaat en de vegetatie steeds soortenrijker wordt.

Het natuurtype heeft actief graslandbeheer of -gebruik nodig om in stand te blijven, anders zal het zich opnieuw ontwikkelen in richting van natuurbos. Om bloemrijke graslanden te bevorderen of te behouden moeten ze afhankelijk van de bodemvruchtbaarheid en de grondwaterstand 1 of 2 maal per jaar worden gemaaid. Het maaisel moet altijd worden afgevoerd. Klepelen is meestal funest voor flora en fauna. Graslandplanten groeien op enigzins stabiele bodems. Omdat in dit geval de bodem verstoord wordt, zal in de eerste jaren na inzaai een storingsvegetatie domineren. Door te blijven maaien, verdijnt deze vegetatie en ontstaat een nieuw evenwicht waarin ook andere soorten gedijen. Maairegime Maaien in juli, zodra de ratelaar is uitgebloeid en nogmaals in oktober of november. Na het maaien Na het maaien het maaisel een paar dagen laten liggen, zodat zaden zich kunnen uitzaaien. Daarna het maaisel afvoeren. Zou men het laten liggen, dan verteerd het en veriijkt daarmee de bodem. Kalkgift In Wageningen zijn uitgebreide en langdurige proeven gedaan met proefvelden met soortenrijke schraalgraslanden die op verschillende manier beheerd werden. De meest soortenrijke bloemenweide blijkt het proefveld dat enkel een jaarlijkse kalkbemesting krijgt. Of een kalkgift ook op deze bodem resultaten geeft, is niet zeker. De Wageningse proefvelden hebben een ondergrond van rivierklei en hier betreft het zand. Wanneer hiermee geëxperimenteerd wordt, altijd met mate, want de com5 binatie kalk met rivierklei werkt beter dan kalk op zand (het is minder snel teveel).

55


vooraanzicht In het vooraanzicht is de opbouw van beplanting goed te zien. Boomgroepen, heestergroepen en solitairen wisselen elkaar af. Het beschikbare oppervlak is niet geheel beplant. Tenminste 80% van de beschikbare ruimte moet ‘open’ blijven. Daarnaast is er variatie in open ruimtes - waar de hoge beplanting schaars is- en besloten ruimtes, waar meer en hogere bomen de ruimte afschermen en voor beschutting zorgen.

56

Als onderbegroeiing mag hier een soortenrijke graslandvegetatie ontwikkelen. Door de verschillen in bodemvochtigheid in dit gebied en ook de verschillen in schaduw en licht zal er een gevarieerde graslandvegetatie ontstaan.

bovenaanzicht De parkachtige beplanting dient in zijn geheel ontworpen te worden. De hier getoonde snipper is daarom louter illustratief voor de beoogde verdeling van solitaire bomen, boom- en heestergroepen, open ruimtes en de verschillende paden.

gemaaid graspad 2m breed

Bloemrijk grasland met solitaire bomen, boomgroepen en heestergroepen De verhouding bomen/open ruimte varieert van 20/80 tot 40/60%

waterloop met natuurvriendelijke, flauwe oevers

hoofpad. Halfverharding van dolomiet


Staalkaart 5: parkachtige beplanting

1. Het hoofdpad in deze zone bestaat uit halfverharding waarlangs een strook gemaaid gras loopt. De overige bodembegroeiing bestaat uit hoog soortenrijk grasland. 2. Enkele solitaire treurwilgen langs het water zijn een must, ook voor een tikkeltje minder formele parkbeplanting 3. Referentiebeeld Beatrixpark, Amsterdam, waarop de verdeling van beplanting goed te zien is. 4. De zone houdt het midden tussen park en natuurgebied. 5. Bloemenweide met heestergroepen 6.Een grote variatie, ook in hoogte, levert verschillen in microklimaat op.

1

Allereerst behoeft de term ‘parkachtige beplanting’ enige uitleg, want wat wordt daar nu precies mee bedoeld. Parkbeplantingen kunnen immers variëren van weelderig en losjes tot heel formeel met gemillimeterd gazon. De beoogde parkachtige beplanting die toegepast moet gaan worden in de groenblauwe zone die de stad ‘verbindt’ aan de Geffense plas zal wat informeler en nonchalanter van karakter zijn. De beplanting bestaat niet geheel uit inheemse soorten, maar is verder wel ecologisch in opbouw. Een grote variatie aan open en besloten plekken leveren niet alleen waardevolle microklimaten op voor de inheemse fauna, maar zorgen tevens voor een aantrekkelijk beeld. Het is lastig om exact de juiste referentiebeelden te vinden die dit beeld op de juiste manier illustreren. De verschillende referentiebeelden hiernaast vertellen elk een deel van het beoogde beeld. De één te netjes, de ander te weelderig of te massief beplant. Samen vertellen ze echter wel het complete beeld.

4

2

3

5

6

57


aanleg en sortiment

58

1. Plant de boompaal gelijk mee in het plantgat. Plant niet dieper dan ze bij de kweker stonden. 2. Verschillende solitairen vormen één ‘boomgroep’ 3. Vleugelnoot (Peterocarya fraxinifolia) 4. Krent (Amelanchier laevis ‘Ballerina’) 5. Ruwe berk (Betula pendula ‘‘Dalecarlica’) 6.Walnoot (Juglans regia) 7. Honingboom (Sophora japonica) 8. Sierkers (Prunus yedoensis)-volwassen bomen 9. Sierkers (Prunus yedoensis) in bloei 10. Er is veel variatie tussen open plekken en besloten ruimtes 11. De boomvormers en heesters zijn geplant tussen een grasland vegetatie waar gemaaide paden tussendoor lopen. 12. Bomen snoeien -afhankelijk van de soort- in winter of herfst.

3

Solitaire bomen dienen solitair te staan en mogen elkaar dus niet verdringen. De bomen moeten zoveel mogelijk hun natuurlijke vorm behouden. Plant bij een bomengroep de bomen ruim uit elkaar, de minimale plantafstand is 6 meter. Een volwassen boom kan al snel een kroon ontwikkelen van 10 meter breed. Plaats naast de boom één of twee boompalen en bevestig de boom hier met steunband aan vast. Soort

Aantal/ha

Opmerkingen

Juglans regia

6

‘Als boomgaard’ planten

Amelanchier ‘Ballerina’

13

In kleine groepen met Betula ‘Dalecarlica’, meidoorn en hazelaar

Corylus avellana

8

Zie Amelanchier

Pterocarya fraxinifolia

2

Als solitair

Crateagus monogyna

20

Zie Amelanchier

Betula ‘Darlecarlica’

15

Zie Amelanchier, tevens als groepen

Sophora japonica

1

Als solitair

Prunus yedoensis

6

In groepen

Salix sepulcralis

2

Als solitair langs oever

Robinia ‘Monophylla’

1

Als solitair

4

5

6

7

8

9

1

2


10

Kwaliteit en kosten

Beheer

In een dergelijke, parkachtige beplanting waarbij bomen en heesters als solitair of boomgroep worden geplant, hoort robuust plantmateriaal in de best verkrijgbare kwaliteit.

Het beheer van solitaire bomen en boomgroepen is extra belangrijk, omdat schade in zo’n situatie veel nadrukkelijker opvalt dan wanneer de bomen halfverscholen liggen in het bos. Een goede boomverzorging is daarom essentieel.

Omdat het voor een groot gedeelte solitaire bomen en heestergroepen betreft, wordt gewerkt met meerjarig, vrij groot plantmateriaal. De meeste gekozen soorten zijn niet verkrijgbaar met een stamomtrek van 20-25. Indien niet leverbaar, wordt gekozen voor de grootst verkrijgbare maat. In veel gevallen zijn dat bomen die gekweekt zijn om als solitair te worden geplant. Het plantmateriaal varieert in hoogte van 1.75m (Amelanchier) tot 4m (Pterocarya). Alle boomvormers moeten als solitair gekweekt zijn, 3 a 4x verplant zijn en een draadkluit hebben. (Specificaties op basis van de catalogus van de boomkwekerij Lappen).

11

Kosten Er zal een grote afwisseling zijn in open plekken en besloten, dichter beplante plekken. Genoemde richtprijs is dan ook een gemiddelde. Voor deze zone zal een exact beplantingsplan gemaakt moeten worden om precieze aantallen (en prijzen) te berekenen. Als richtprijs kan uitgegaan worden van 7000,- euro per ha.

Tijd Omdat gewerkt wordt met relatief groot plantmateriaal, heeft de beplanting gelijk al enige body. De meeste bomen krijgen echter pas echt karakter als ze volwassen worden. Gedurende de komende twintig jaar voltrekt dit proces zich. Een aantal bomen, mn. Betula ‘Dalecarlica’, groeit sneller, maar is wel een minder duurzame boomsoort. De berk is een pionier die snel hoog wordt, maar niet het eeuwige leven heeft. Deze zullen op termijn (na circa 50 jaar) vervangen moeten worden.

Watergeven Zeker in de jaren na aanplant moet tijdens echt droge periode extra water gegeven worden, totdat de bomen goed zijn aangeslagen. Doordat de bomen de ruimte hebben om hun wortels te spreiden en ze geen concurrentie hebben van andere bomen, zullen ze weinig problemen ondervinden om zich te vestigen. Snoeien Door middel van een visuele beoordeling kan worden bekeken of onderhoudssnoei noodzakelijk is. Het verdient aanbeveling om regelmatig zijtakken die sterk omhoog groeien (zogeheten zuigers), schurende takken en dood hout te verwijderen. Snoeien kan over het algemeen in de wintermaanden, met uitzondering van walnoot en berk. Deze soorten kunnen het beste gesnoeid worden in de periode september-begin januari in verband met sapuittreding of bloeden. Laat de kruin van de boom zoveel mogelijk met rust. ‘Uitgeklede’ bomen zijn erg lelijk. Verwijder indien nodig niet meer dan 20% van de omvang van de kruin. Houd een verhouding kruin – onderstam aan van 1:1 bij jonge bomen en 2:1 bij volwassen bomen. Boomband Ook dient de boomband gecontroleerd te worden en na 4 tot 5 jaar verwijdert te worden. Boomspiegel Het is raadzaam de plantspiegel de eerste twee tot drie jaar min of meer vrij van diepwortelende grassen en kruiden te houden. Voor de aanplant van een solitaire boom is een plantspiegel van 0,5 tot 1 meter doorsnede voldoende. Houd deze gedurende twee jaar zwart door te schoffelen. Daarna moet de boom zichzelf kunnen redden.

Spreekt men over het totaalbeeld dan blijft echter overeind dat een dergelijke beplanting met veel solitairen simpelweg tijd vraagt. In eerste instantie is het beeld dan ook veel opener en transparanter dan het eindbeeld zal zijn. Ook dit proces heeft goede kanten. Regelmatige bezoekers kunnen hun park volwassen zien worden. 12

5

59


60

legenda beheerzones Beheerniveau A - extra verzorgd Beheerniveau B - verzorgd Beheerniveau C - basis Beheerniveau D -extensief beheer


beheer De inrichting legt een basis voor de intensiteit en de kosten van het latere beheer. Voor het beheer van een bepaald gebied is een beperkt budget beschikbaar. Een beheerplan zorgt voor een verdeling van het budget op basis van gebruiksintensiteit. Heeft een gebied een representatieve functie en wordt het intensief gebruikt, dan is een intensievere beheerfrequentie gerechtvaardigd. Voor extensief gebruikte gebieden is minder beheer nodig en wordt ook minder budget gereserveerd. Ook de Geffense Plas is in te delen in zones, aflopend in gebruiksintensiteit. Deze zonering is gekoppeld aan een bijbehorend beheerniveau. Het leidt in dit geval tot een onderscheid in vier verschillende beheerniveaus. Binnen deze beheerniveaus zijn weer verschillende beheertypen te vinden. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de beheerzonering en de groene beheertypen van de Geffense Plas.

Beheerniveaus

Voorbeeld 1 Zwerfvuil waterlopen

De beheerniveaus zijn ingedeeld naar intensiteit van het gebruik. Hoe intensiever de zone (door mensen) bezocht wordt, des te hoger het beheerniveau, variërend van het hoogste kwaliteitsbeeld A (extra verzorgd) tot kwaliteitsbeeld D (begeleide natuurontwikkeling). In dit hoofdstuk zal worden aangegeven wat de verschillende beheerniveaus inhouden. Elk beheerniveau is omschreven en voorzien van voorbeeld-referentiebeelden. De meeste gemeenten hanteren een indeling van A (of A+) tot D, waarbij D de beheerzone betreft voor het buitengebied of natuurgebieden. De Geffense plas bevindt zich in het buitengebied én bestaat voor zeker de helft uit natuurgebied, maar valt desondanks niet geheel in beheerzone D, omdat er grote verschillen zijn in intensiteit van het gebruik. Er is daarom voor gekozen om de Geffense plas een eigen indeling in beheerniveaus te geven die los staat van de zonering die voor het binnenstedelijk gebied gehanteerd wordt. De indeling hiervan is als volgt:

A

B

Op het eerste gezicht ligt er geen drijfvuil in het water.

Beheerniveau A- extra verzorgd Het onderhoud in de zone met beheerniveau A is intensief. Onkruid en zwerfvuil worden slechts zeer beperkt getolereerd. Dit beheerniveau geeft de openbare ruimte een zeer verzorgd beeld. Tijdens het hoogseizoen wordt het zwerfvuil dagelijks verwijderd en wordt het gazon tweemaal per week gemaaid. Bij beheerniveau A hoort een relatief exclusieve terreininrichting dat in goede staat moet blijven.

Drijfvuil in water per 100m2: 1-2st Drijfvuil tegen oever per 100m2: 2-4st

Beheerniveau B - verzorgd Het onderhoud in de zone met beheerniveau B geeft een verzorgd beeld, maar tegen redelijke kosten. Enig zwerfvuil wordt getolereerd, gras mag iets hoger groeien en bij lichte beschadigen aan straatmeubilair hoeft nog geen actie te worden ondernomen. Beheerniveau C - basis De inrichting is functioneel en eenvoudig en kent weinig bijzondere elementen en materialen. Het beheerniveau basis is de gemiddelde kwaliteit voor het onderhoud van de openbare ruimte. Zwerfvuil is toegestaan, maar moet wel in de hand gehouden worden. Beschadigingen aan meubilair is in bepaalde mate toegestaan. Beheerniveau D - extensief beheer Extensief beheer betekent dat er relatief weinig onderhoudsmaatregelen plaatsvinden. Dit beheerniveau is bijzonder geschikt om te koppelen aan plaatsen waar natuurwaarden van belang zijn. Het zal daarom worden toegepast in grote delen van het natuurlijke deel van de Geffense Plas. Het extensieve beheer geeft een natuurlijker beeld tegen lagere kosten. Dit deel van de plas wordt niet voorzien van buitenmeubilair. Snoeien of maaien gebeurt uitsluitend als dit de natuurwaarde verhoogt.

C

D

Op sommige stukken klein drijfvuil in het water en langs de rand.

Er ligt frequent middelgroot drijfvuil in het water en langs de rand.

Drijfvuil in water per 100m2: 2-4st Drijfvuil tegen oever per 100m2: 5-10st

Drijfvuil in water per 100m2: 4-6st Drijfvuil tegen oever per 100m2: 10-15st

* Overgenomen uit de Cibor©gids, maar met aanpassingen.

61


Voorbeeld 2 Kwaliteit speeltoestellen

62

Beheertypen Voor de voorkomende beheertypen is afgesproken ons te concentreren op de beplantingsbeheertypen. De verhardingen, meubilair en speeltoestellen in het gebied blijven hier dus buiten beschouwing. De voorkomende beplantingsbeheertypen worden genoemd en kort omschreven. In een beheermatrix worden de verschillende beplantingsbeheertypen per zone genoemd. Sommige beheertypen komen in meerdere zones voor. Drie van deze beheertypen zijn verder uitgewerkt in referentiebeelden en maatregelen per beheerniveau.

A

De speeltoestellen hebben een luxe uitstraling en zijn in onberispelijke staat. Grafitti, zwerfvuil en schade is niet aanwezig.

B

Speeltoestellen zijn van deugdelijke kwaliteit, maar van eenvoudige materialen. Beperkte schade is toegestaan, mits dit geen noemenswaardig letsel kan veroorzaken. Zwerfvuil zeer beperkt toegestaan.

Gazon Kort gemaaid gazon bevindt zich in twee beheerzones, de ligweide in beheerniveau A en in stroken langs de fiets en wandelpaden van de groenblauwe parkzone in beheerniveau B. Ze verschillen van elkaar in maaifrequentie (ligweide in groeiseizoen 2x per week, tov 1x pw voor de stroken). Daarnaast is de afwerking in beheerniveau A hoger, met name bij de aansluiting naar de verhardingen. Tevens is het noodzakelijk dat in zone A gemaaid wordt met een extra mes waardoor gras fijngesneden wordt voordat het uitgestrooid wordt. Voor niveau B is dit geen must. Bomenrij Bomenrijen bevinden zich in beheerzone A -langs de entreeweg en langs de wandelpromenade- en in zone B - langs het fietspad in de groenblauwe parkzone.

C

Van natuurlijke materialen zijn speeltoestellen gemaakt. Spelen is op eigen risico, maar er wordt wel voor gezorgd dat verbindingen stevig blijven. Enig zwerfvuil is toegestaan.

D

Speeltoestellen bestaan uit natuurlijke materialen. Spelen is op eigen risico. Onderhoud aan de speelmogelijkheden vindt niet plaats

De verschillen zijn niet noemenswaardig. In beide gevallen moeten bomen opgekroond worden indien ze verkeershinder veroorzaken. Ook moet dood hout uit de kroon verwijderd worden. De eiken in de ligweide moeten gestofzuigd worden als er een processierupsenplaag voor mocht doen. Het voorkomen van stamopschot is bij aanwezige boomsoorten niet van toepassing.

Boomgroep in gras* Boomgroepen in gras bevinden zich in de beheerzones A en B. Dit beheertype wordt later in dit hoofdstuk uitgebreider beschreven.

Soortenrijk grasland* Soortenrijk grasland bevindt zich in de beheerzones A, B en D. Dit beheertype wordt later in dit hoofdstuk uitgebreider beschreven.

Gemengd loofbos* Gemengd loofbos bevindt zich in de beheerzones B en D. Dit beheertype wordt later in dit hoofdstuk uitgebreider beschreven.


Beheertypenmatrix Cultuurlijke bosrand De cultuurlijke bosranden bevinden zich in beheerzones A en B. De cultuurlijke bosranden zijn open van opbouw, zodat doorzichten naar de boskern bestaan blijven. De bosrand begint met bomen in gras. De kruid- en heesterlaag mogen pas verderop in het bos ontstaan. Beheer is nodig om deze openheid te bewaren. Dit geldt voor zowel beheerniveau A als B (zie ook staalkaart). Het verschil in beheer betreft de staat van onderhoud van de boomspiegels: in beheerniveau A staan de bomen in kort gras, in beheergroep B in hoog gras. Ecologische bosrand De ecologische bosranden bevinden zich in beheerzones C en D. In beide zones is het beheer vooral gericht op het verhogen van de ecologische waarde. Dit type bosrand moet beheerd worden om te voorkomen dat de bosrand verdwijnt. Heesters mogen niet te ver oprukken in de kruidlaag en zaailingen van boomvormers moeten periodiek (= 1x per 5 jaar) worden teruggezet indien ze opkomen in de heester of kruidlaag. Alleen de beheerfrequentie mbt het verwijderen van zwerfvuil verschilt. Deze ligt iets hoger in zone C. Stuifzand De als stuifzand beheerde delen bevinden zich temidden van beheerzone D, maar hebben desondanks toch beheerniveau C meegekregen. Deze stukjes natuur fungeren als trekpleister en worden daarom intensiever bezocht. Zwerfvuil zal daarom eerder toenemen ĂŠn - door de grote openheid van dit natuurtype - ook eerder als storend worden ervaren. De beheerfrequentie ligt daarom hoger. Verder beheer is toegespitst op het in stand houden van dit natuurtype (maximaal 10-15% begroeiing).

Heide Zie de uitleg bij stuifzand. Voor de delen van de plas die zijn ingericht als natuurtype heide geldt hetzelfde als stuifzand. Hier geldt alleen geen maximale begroeiing, maar een maximaal percentage heester en boomvormers (30%). Ook vergrassing moet worden tegengegaan, bij voorkeur door periodieke begrazing, anders door selectief maaien. Rietvegetatie Het oppervlaktewater is dĂŠ belangrijkste trekpleister van de Geffense Plas en valt daardoor nergens in beheerniveau D. Het meeste extensieve deel van de plas bevindt zich in niveau C. De randen hebben hier een rietvegetatie. Voor het zicht en ter vergroting van de ecologische waarde moet zwerfvuil worden verwijderd wanneer deze de de volgende criteria overschreidt: Op sommige stukken klein drijfvuil in het water en langs de rand. Drijfvuil in water per 100m2: 2-4st Drijfvuil tegen oever per 100m2: 5-10st Om open plekken te behouden zullen op bepaalde plekken de rietvegetatie middels zomermaaien in bedwang gehouden moeten worden. Elzenbroekbos Het elzenbroekbos bevindt zich in een zeer extensief deel van de plas. Veel zwerfvuil wordt hier - vanwege het natuurlijke en vochtige karakter - niet verwacht. Hier is geen meubilair aanwezig. Onderhoud aan paden gebeurt indien de onderhoudsstaat gevaarlijke situaties kan opleveren. Verder beheer als middenhakhoutbos (=1x per 10-15 jaar deels afzetten).

Beheertype

A

B

Gazon

X

X

Bomenrij

X

X

Boomgroep*

X

X

Soortenrijk grasland*

X

X

X

X

X

Gemengd loofbos* Cultuurlijke bosrand

X

C

D

X

Ecologische bosrand

X

Stuifzand

X

Heide

X

Rietvegetatie

X

X

Elzenbroekbos

X

Natte ruigte

X

* Beheertypen gemerkt met een sterretje worden verder uitgewerkt meer referentiebeelden

63


64

Uitwerking beheertype 1: boomgroepen in gras Boomgroepen in gras komen voor in zowel beheerzone A als B. In beheerzone A komen boomgroepen voor in kortgemaaid gazon ĂŠn in een strook bloemrijk grasland. In beheerzone B staan de boomgroepen uitsluitend in (hoog) bloemrijk grasland. Het beheer van het bloemrijke grasland wordt verder gespecificeerd in de uitwerking van beheertype 2. In deze uitwerking wordt uitsluitend ingegaan op het beheer en kwaliteitsbeeld van de boomgroepen, bijbehorende boomspiegels en de directe omgeving van de boomgroepen. In het kaartje hiernaast is te zien waar de boomgroepen voorkomen. De blauwe tint betreft de boomgroepen met beheerniveau A, de gele tint betreft boomgroepen in zone B. In zone A zijn de boomgroepen rechts naast de entree geplaatst in een strook bloemrijk grasland. In de referentiebeelden hiernaast is het verschil te zien in beeldkwaliteit tussen beheerniveau A en B.

Boomspiegels In beheerniveau A staan de boomgroepen grotendeels in kort gazon. Ter bescherming van de bast van de bomen tijdens beheerwerkzaamheden, moet voorkomen dat dicht langs de stam gemaaid moet worden. Hiervoor is het belangrijk om - met name bij jonge bomen- een boomspiegel vrij te houden van minstens 30cm vanaf de stam. Deze boomspiegel mag na verloop van tijd worden opgeheven, ook omdat de boomspiegel dan door de vollere boomkroon meer schaduw ontvangt en gras vanzelf minder hard groeit (zie referentiebeeld bovenaan de pagina). In het bloemrijke, hoge grasland valt een boomkroon uit de toon en is het door de lage maaifrequentie ook niet nodig. Boomspiegels zullen in dit hoge grasland dan ook zonder uitzondering ontbreken, ongeacht of het beheerniveau A of B betreft.

A

B

A

B

A

B

Zwerfvuil rond bomen Beheerzone A: Op eerste gezicht geen zwerfafval aanwezig, bij goed kijken is enig klein zwerfvuil aanwezig. Beheerzone B: Op sommige stukken kleiner zwerfafval, zoals een blikje.

Kwaliteitsbeeld bomen Beheerzone A: Bomen hebben evenwichte kroon met minimale hoeveelheid dood hout (o-2%). Er is geen beschadiging aan de stam aanwezig. Er is geen opschot aanwezig. Beheerzone B: Bomen hebben een redelijk evenwichtige kroon, met enige kleine gaten. Er kan een enkele dode tak aanwezig zijn (2-5%). Lichte beschadiging aan stam bestaat. Ook kan wat lichte opschot aanwezig zijn.


Uitwerking beheertype 2: bloemrijk grasland Het beheer ten behoeve van de ecologische waarde is voor dit natuurtype in alle beheerzones gelijk: tweemaal per jaar maaien - 1x in juli na de bloei en zaadzetting van de ratelaar en 1x in oktober - het maaisel een paar dagen laten liggen zodat zaad zich kan verspreiden en dan het maaisel afvoeren. Waarin wel verschil bestaat is in de beheerfrequentie als het om verwijderen van zwerfafval gaat. Ook in de afwerking of vooral de overgang van dit beheertype naar een ander beheertype (verharding, gazon) bestaan grote verschillen in beeldkwaliteit. In het kaartje hiernaast is te zien waar de bloemrijk grasland voorkomt. De blauwe tint betreft bloemrijk grasland met beheerniveau A, de gele tint betreft bloemrijk grasland in zone B. De donkergroene tint staat voor beheerzone D. In de referentiebeelden hiernaast is het verschil te zien in beeldkwaliteit tussen beheerniveau A en B en D. De referentiebeelden zijn van boven naar beneden geplaatst

Grootschalig en duurzaam

65

Randafwerking Beheerzone A: Een mooi, strak contrast tussen het hoge gras en het lage gazon. Beheerzone B: Graspollen mogen overhangen en hoeven niet bijgewerkt te worden met een kantenmaaier. Beheerzone D: Het pad wordt slechts 2x vaker gemaaid dan het bloemrijke grasland. Het pad moet grotendeels vanzelf ontstaan doordat dit pad regelmatig betreden wordt. Een dergelijk beheer scheelt niet alleen in kosten, maar draagt bovendien ook bij aan de gewenste natuurlijk uitsraling in deze extensieve zone. A

A

B

B

D

D

Zwerfvuil en hondendrollen in gras Beheerzone A: Op eerste gezicht geen zwerfafval of drollen aanwezig. Bij goed kijken is enig klein zwerfvuil en enkele drollen aanwezig. Drollen max 1-3 in nabije omgeving. Beheerzone B: Op sommige stukken kleiner zwerfafval, zoals een blikje. Een aantal hinderlijke drollen is aanwezig. Maximaal aantal drollen in nabije omgeving 3-6 Beheerzone D: drollen en zwerfvuil worden alleen verwijderd tijdens maaiwerkzaamheden (2x per jaar) muv illegale dumppraktijken van huishoudelijk grofvuil. Deze worden wel verwijderd. NB! In hoog gras is het moeilijker om hondendrollen en afval te vinden en verwijderen. In praktijk gebeurd het verwijderen van afval 2x per jaar tijdens maaiwerkzaamheden. Voor de ontwikkeling van bloemrijk grasland is het niet wenselijk dat bezoekers van het gebied de paden verlaten en tussen het bloemrijke gras gaan lopen. De aanwezigheid van (onzichtbare) hondendrollen kan dit ongewenste gedrag wellicht helpen te verminderen. De stelregel voor het verwijderen van afval en hondendrollen is dan ook: verwijderen volgens de gestelde criteria indien hinderlijk in het zicht aanwezig, bijvoorbeeld vlakbij of langs de paden.


66

Uitwerking beheertype 3: gemengd loofbos Het gemengde loofbos beslaat een aanzienlijk deel van het terrein rond de Geffense Plas. Het grootste deel valt in de extensieve beheerzone D, maar een deel valt in beheerzone B. Dit deel is voornamelijk bestemd als speelbos voor kinderen en zal daardoor veel intensiever gebruikt worden. Een hogere frequentie tav van het opruimen van zwerfvuil is vereist. Daarnaast is ook een aanpassing noodzakelijk als het gaat om controle op eventueel gevaarlijke situaties (loshangende, dode takken). In het kaartje hiernaast is te zien waar de het gemegd loofbos voorkomt. De gele tint betreft loofbos in zone B. De donkergroene kleur betreft loofbos in beheerzone D. In de referentiebeelden hiernaast is het verschil te zien in beeldkwaliteit tussen beheerniveau B en D.

Grootschalig en duurzaam Onderbegroeiing en openheid In beheerniveau B is een grotere openheid en minder onderbegroeiing gewenst. Gedeeltelijk zal de bodem door het veelvuldige gebruik al minder snel begroeid raken, maar beheer moet hierbij een handje helpen. Met name op de speelplekken waar ook speeltoestellen staan, dienen zaailingen van bomen en heesters regelmatig verwijdert te worden. Op echt open speelplekken is een maximale (onder)begroeiing van 25-35% toegestaan. Grassen tellen hierbij niet mee. In beheerniveau D is het alleen toegestaan dat bezoekers op de paden wandelen en niet in het bos zelf. Hierdoor kan een onderbegroeiing ontstaan, dit is zelfs wenselijk. Om de onderbegroeiing te stimuleren, dient 20% van het totale oppervlak te bestaan uit open plekken. Direct na de omvorming hoeft hier geen rekening mee gehouden te worden, omdat er dan vanzelf al veel open plekken ontstaan. Op termijn is dit wel van belang.

B

D

B

D

B

D

Dood liggend hout Beheerzone B: Dood snoeihout is gewenst, maar bedoeld om mee te spelen en niet aanwezig vanwege de ecologische waarde. De ecologische waarde neemt toe naarmate het oude hout verrot en verteerd. Dit rottende hout is juist minder geschikt en kan het eerder tot gevaarlijke situaties leiden, omdat rottend hout makkelijker afbreekt onder gewicht van kinderen. Zodra het oude hout begint te rotten wordt dit hout verplaatst naar beheerzone D. Hierbij hoeft niet rigide omgegaan te worden. Kinderen zijn niet van suiker. Dergelijke werkzaamheden kunnen gecombineerd worden met snoeiwerkzaamheden en hoeven niet vaker dan eens per jaar uitgevoerd te worden. Beheerzone D: Dood hout is gewenst vanwege ecologische redenen. In een gezond bos bestaat ca. 5-10% van het aanwezige hout uit rottend (staand of liggend) hout. Dood staand hout Beheerzone B: Bomen die deels gekapt zijn om openheid te creĂŤren in het bos, kunnen worden omgevormd tot speelelementen. Ze worden (deels) verwijderd indien ze dusdanig vermold zijn dat het gevaar bestaat dat ze tijdens het spelen omzakken. Beheerzone D: Staand hout levert ecologisch waardevolle nest en schuilgelegenheden op voor allerlei diersoorten. In een gezond bos is ca. 5% staand, rottend hout aanwezig. Indien dit (nog) niet het geval is, kunnen bomen geringd worden, zodat ze langzaam afsterven.


overdrachtsdocument Na gereedmelding van het werk door de aannemer en vooropname en goedkeuring van de werkzaamheden door de gemeente/opdrachtgever, zal de gemeente zorgdragen voor het beheer van het gebied muv. het horecagebouw met vlonderterras. Beheer hiervan komt voor rekening van de beheerder van het horecapaviljoen. Onderhoudstermijn en beheerfrequentie Het onderhoudstermijn en beheerfrequentie is per project afhankelijk en dient per project contractueel te worden vastgelegd. Voor alle werken dient een onderhoud en beheerprogramma te worden en ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeente, waarin staat aangegeven welk onderhoud/beheer de eerste 10 jaar noodzakelijk is om de kwaliteit van de materialen en objecten te behouden en te garanderen. Het doel van het onderhoud is tweeledig: het in zodanige staat houden van de werken dat deze de functie waarvoor ze zijn aangelegd kunnen blijven vervullen en het voorkomen van gevaarlijke situaties, waardoor schadeclaims zouden kunnen ontstaan.

67 snoeiwerkzaamheden en afvoeren snoeimateriaal, het mechanisch onkruidvrij houden (alleen in beheerzone A en B, 8x verspreid over groeiseizoen) en het zo nodig terug- en rechtzetten. Bij de nazorg en herstel gedurende 6 maanden na eerste oplevering van bomen moet rekening worden gehouden met snoeiwerkzaamheden en afvoeren snoeimateriaal (na het groeiseizoen), vervangen en rechtzetten boompalen inclusief boombanden, rechtzetten bomen (alleen in beheerzone A en B), 1x een boomcontrole en het onkruidvrij houden van de boomspiegels (alleen in beheerzone A, 8x per groeiseizoen). Tevens moet na het groeiseizoen inboet van alle planten plaatsvinden. In de herfst volgend op de definitieve oplevering na 6 maanden zal door de ontwikkelaar tezamen met de gemeente het aantal te vervangen bomen en struiken naar soort worden opgenomen. Het inboetmateriaal moet minimaal voldoen aan dezelfde eisen als het oorspronkelijke plantmateriaal.

Beheerprogramma Ten behoeve van dit onderhoud dient de ontwikkelaar voor oplevering een onderhoud- en beheerprogramma op te stellen voor alle civiel- en cultuurtechnische werken. Hierin moeten minimaal de volgende onderdelen worden opgenomen en omschreven:

Waterpartijen/oppervlaktewater Het water dient te worden schoongehouden volgens de door de gemeente op te stellen eisen (vastgelegd in een cibor handboek of beeldkwaliteitsplan). Onderhoud van de watergangen bestaat verder uit het inspecteren en zonodig herstellen van de beschoeiingen, duikers, kunstwerken e.d. en het doorspuiten van duikers.

• doelstelling onderhoud; • de gebruikte/aanwezige materialen en hoeveelheden; • het inspectieregiem en eventuele acties die worden ondernomen bij geconstateerde gebreken; • het voorgestelde onderhoud (maatregelen, frequentie, tijdstip/periode en materiaal).

Verhardingen Verhardingen dienen te worden onderhouden volgens de door de gemeente op te stellen eisen (vastgelegd in een cibor handboek of beeldkwaliteitsplan). Gebreken aan verhardingen, zoals vorstschade, schade door wortelopslag, dienen aan de gemeente te worden voorgelegd. De gemeente zal zelf opdracht geven voor de herstelwerkzaamheden.

Dit beheerprogramma kan in de vorm van een beeldkwaliteitsplan of een ciborhandboek waarin met behulp van referentiebeelden de beoogde beeldkwaliteit wordt aangegeven.

Straatmeubilair Straatmeubilair moet aan de eisen voldoen zoals opgesteld in het beeldkwaliteitsboek of cibor-handboek, overeenkomstig de verschillende beheerzones. Voor de staat van onderhoud zal altijd een bepaalde, toelaatbare marge bestaan, maar dient bij overschrijding vervangen of gerepareerd te worden.

Beheermaatregelen worden zo concreet mogelijk weergegeven, zodat duidelijke en controleerbare richtlijnen voor het beheer ontstaan. Groen en recreatie Voor alle groenvoorzieningen geldt dat de laatste inboet plaatsvindt in de eerstvolgende herfstperiode na de laatste opname. Voor de nazorg en herstel gedurende 6 maanden na eerste oplevering van struiken, heesters, bosplantsoen en bodembedekkers moet rekening worden gehouden met


68


P

P

detaillering ontwerp Bij de keuze om het gebied rondom het horecapaviljoen verder uit te werken heb ik me vooral gebaseerd op het feit dat op dit punt een aantal belangrijke speerpunten van het ontwerp samenkomen. Het horecaplein is het hart van de intensieve recreatiezone en daarnaast takt precies op dit punt de meest opvallende groenblauwe verbinding samen aan de Geffense Plas. Op welke manier die verbinding tot stand zou moeten komen, behoefte een verdere detaillering. Tot slot vond ik dit gebied interessant, omdat het een knooppunt is in de infrastructuur, waarbij diverse verhardingsmaterialen bij elkaar komen en in elkaar overlopen. Ook dat vraagt om oplossingen en een verdere detaillering op een veel lager schaalniveau. In de uitwerking zijn diverse aandachtspunten of ‘key features’ van het detailontwerp verder doorontworpen op een nog lager schaalniveau. Het gaat daarbij om de entreeweg, de wandelpromenade, het waterelement/water-knooppunt, de aangrenzende parkeerplaats met fietsparkeren en de ‘zitruimtes’. Deze worden op de volgende pagina’s uitgwerkt. De detaillering begint met een analyse van het detailgebied. Deze borduurt voort op de analyse van het totale gebied, maar zoomt in om ontwerphandvaten te verkrijgen. Op basis van deze analyse en visie is het deelontwerp gemaakt. Middels een sketchupmaquette is het ontwerp gevisualiseerd, zodat - aan de hand van beelden - een ‘wandeling’ door het gebied gemaakt kan worden.

1. Knooppunt van water 2. Knooppunt van infrastructuur 3. Knooppunt van functies

P

Analyse deelgebied Bij de analyse van het deelgebied wordt verder gekeken naar de randvoorwaarden die noodzakelijk zijn bij het tot stand komen van de groenblauwe verbinding tussen de parkzone en het water van de Geffense Plas. De belangrijkste voorwaarde voor de realisatie van het plan is dat het technisch en visueel haalbaar moet zijn een waterverbinding te maken. De grondwatertrap in dit gebied is VI: ‘s zomers lager dan 120cm onder maaiveld, ‘s winters tussen 40-80cm. Dit betekent dat een watergang van ca. 250cm diep gewenst is, waarbij de oevers ‘s zomers 150cm boven het waterniveau uitsteken. Dit is mi. wat aan de diepe kant voor het beoogde effect. Aangezien er aan deze kant ruimte genoeg is, wordt het hoogteverschil opgevangen door een vrij breed, flauw aflopend talud, waardoor het wateroppervlak niet zo diep lijkt te liggen. Ruimtelijke analyse op ontwerpniveau Een deel van de analyse is een ruimtelijke analyse geweest, welke tijdens het ontwerpproces heeft plaatsgevonden. Ik heb Sketchup gebruikt om de juiste locatie en afmetingen te bepalen van het horecapaviljoen om zo de groenblauwe verbinding en het zicht op de plas te maximaliseren. In de afbeeldingen hieronder is het proces te zien. De eerste visualisatie laat zien dat het paviljoen, gezien vanaf de entree en de groenblauwe verbinding, het zicht op de plas juist gedeeltelijk wegneemt. In afbeelding twee is het paviljoen opgeschoven om het zicht op de plas open te houden. de groenblauwe verbinding loopt nu letterlijk door in het paviljoen (onder en bovenlangs).

Concept, visie en uitwerking deelgebied Het concept voor dit deelgebied is in één woord te vangen: KNOOPPUNT. Het deelgebied vormt in veel opzichten een knooppunt: het is een knooppunt van water, van infrastructuur, van horeca en zelfs van functies als (fiets)parkeren. Daarnaast ligt dit punt ook nog eens in de zichtlijn van de belangrijkste zichtas, de entreeweg waarbij men van buiten het gebied uitkijkt op het water. Al deze factoren maken dit punt het ‘hart’ van het gebied, de focuszone. Het spreekt dan ook bijna voor zichzelf dat dit gebied eruit mag springen, zowel wat vormgeving betreft als materiaalkeuze. Ik heb ervoor gekozen het waterknooppunt en het zicht op de plas als hoofthema te kiezen in het ontwerp en dit bijna op extreme wijze te benadrukken. Het water van de plas en de groenblauwe verbinding worden ‘opgetild’ en ontmoet elkaar in de watermuren van het horecapaviljoen. Het water is via een ‘waterspiegel’ geintegreerd met het plein. De zichtlijn moet openblijven, zodat het zicht op de plas ook van buiten het gebied bewaard blijft. De huidige entree wordt aangepakt, waarbij de eiken langs deze weg gehandhaaft worden om het zicht te ‘begeleiden’. Het horecaplein moet door extra functionaliteit (zitjes, terras ‘in het zicht’, opname in wandelroute) meer levendigheid gaan uitstralen en een soort ‘zuigende’, aantrekkende werking gaan hebben op bezoekers. De uitstraling van het gebied moet warm zijn, een tikje bourgondisch en luxeus. Door te werken met warme kleuren (geel dolomiet, warme houtsoorten, oranje en rood voor meubilair en paviljoen) en gebruik te maken van boomsoorten met een licht bladerdek, wordt een warme, sfeervolle en lichte plek gecreerd waar mensen graag willen verblijven. De plek moet bestemd zijn voor een breed scala aan doelgroepen (zie ook sociale analyse), zodat een levendige diversiteit ontstaat die een aantrekkingskracht heeft op álle mensen en niet op één of twee doelgroepen in het bijzonder.

1

2

3

69


70


Een korte wandeling in het detailgebied

1. De wandelpromenade van geel dolomiet. 2. Het grote plein wordt verdeeld door de promeande en een tweetal ‘zitruimtes’ - een serie banken met Betula utilis ‘Jacquemontii’ als schaduwbrenger. 3. Vanuit de zitruimtes is er uitzocht over de plas en het vlonderterras. 4.Uitzicht vanaf het vlonderterras richting plein en entreeweg. 5. De wandelpromenade loopt dwars over het plein en doorkruist de waterloop via een brug. 6. Het water in het waterelement is hoger dan het feitelijke (grond)waterpeil. Via een kleine waterval komt het water weer samen. 7. Aan de andere kant van het plein, terugkijkend. 5

1

3

6

2

4

7

71


Materialisatie verhardingen

72

1. De ‘kade’-randen en de randen langs het waterelement bestaan uit basaltblokken met één ruwe zijde en 5 gezaagde zijden. 2.Vlonderterras van het horecapaviljoen, bestaande uit cederhouten planken van 10cm breed. 3. Graniet; Tegels wildverband. Alle zijden gezaagd, bovenzijde gevlamd. Wave gevlamd (Stonebase) 4 Diverse verhardingsmaterialen worden geintegreerd in het plein 5.Betula pendula (meerdere kleine stammen bij elkaar) staan in een bed van geel dolomiet. 6. Geel dolomiet pad - opgesloten door rvs oplsuitstrips

4

Op het plein worden diverse verhardingsmaterialen met elkaar geintegreerd. De wandelpromenade, bestaande uit geel dolomiet, loopt dwars over het plein. Ditzelfde verhardingsmateriaal komt terug bij de zitelementen (zie ook de desbetreffende detailuitwerkingen). Het vlonderterras rond het horecapaviljoen bestaat uit vrij smalle, cederhouten planken van 10cm breed. Het plein bestaat uit granieten, rondom gezaagde tegels die gelegd zijn in wildverband. Doordat het plein ook toegankelijk moet zijn voor vrachtverkeer, zijn de granieten op speciale manier verwerkt door ze te verlijmen op beton (zie ook Omnicol).

1

2

5

3

6

72


Materialisatie overig

1. Streetlife Shortline brug met buisdrager en Artdeck® roosters in geelachtige tint. 2. Het dolomietpad van de wandelpromenade loopt vrijwel naadloos over in de brug. 3. Zie 2. 4. Het plein, dat in tweeën gesplitst wordt door het water, wordt weer verbonden door de brug 5. Streetlife Shortline brug - referentiebeeld 6. De brug heeft een heel lichte bolling

4

Het detailgebied kent een relatief hoge concentratie straatmeubilair. Vrijwel alle elementen worden in de volgende pagina’s behandelt, bij de desbetreffende deeluitwerkingen. Op deze pagina kan daarom ‘enkel’ volstaan worden met de uitwerking van de brug. ‘Enkel’ staat tussen aanhalingstekend, omdat het een architectonisch en zeer beeldbepalend element betreft. De wandelpromenade loopt vrijwel naadloos over in de brug, dmv. Artdeck roosters in een geelachtige tint.

1

2

5

3

6

73


74


Detailuitwerking 1: waterelement

1. Verhoogde waterspiegel tov. eigenlijk waterpeil 2. Basaltblokken, waterdicht verlijmd 3. Het vlonderterras wordt geheel doorsneden door deze waterfeature 4.Het verhoogde deel is feitelijk maar 50cm diep zodat de kiezellaag zichtbaar blijft 5. Via een watertrap (of waterval) wordt het verval opgevangen

3

Het waterelement is enorm belangrijk voor het plein en de wijze waarop het water uit de beek verbonden wordt met het water uit de Geffense plas. Dit element vraagt dan ook om een nadere detallering in tekening, aangevuld met uitspraken over de materialisatie. Dit waterfeature is daarom verder uitgewerkt in aanvullende visualisaties, referentiebeelden, een plattegrond op kleinere schaal en een doorsnede. De doorsnede is te vinden op de volgende pagina. In deze doorsnede is ook het verval te zien is. Tevens wordt duidelijk dat het water onder het waterfeature doorloopt. Niet uitgewerkt is de locatie en werking van het pomp- en filtersysteem dat het water omhoog moet pompen.

1

4

2

5

Materialisatie verhoogde waterspiegel Waterspiegel De ‘waterspiegel’ is in zijn geheel opgebouwd uit ruwe basaltblokken van 20x60x30cm. Deze blokken worden waterdicht en vrijwel naadloos verlijmt. In de waterloop zijn twee watertrappen geplaatst die het verval van het water opvangen. Bij het terrasgedeelte staat het waterniveau 5cm lager dan de Watermuur Met de aanleg van een diepe greppel naast het struweel zorgt u ervoor dat de struiken niet de kans krijgen met de wortels het gras- of bouwlandperceel in te groeien.

75


76


Detailuitwerking 2: schaduwrijke zitjes

1. Streetlife Long & Lean 323 x 89 x 71,5, 12-zitter 2. Referentiebeeld voor de beoogde sfeer (licht en luchtigheid), mede dankzij het gebruik van meestammige Betula utilis ‘Doorenbos’ 3. Tweede referentiebeeld. Mooi qua transparantie, maar te verspreid staande zitelementen om interactie mogelijk te maken. 4. Detailuitwerking van één van de twee zitjes 5. Visualisatie van deze detailuitwerking

3

De schaduwrijke zitjes moeten een plek worden om samen te komen, om af te spreken en eventueel op elkaar te wachten alvorens een plek op de ligweide te zoeken. Ook moet het een plek zijn waar mensen die niet komen om te zonnebaden, kunnen verblijven en eventueel uitrusten van een (flinke) wandeling of fietstocht. De zitjes zijn redelijk willekeurig van opbouw, meer gebaseerd op een serie stroken als van een streepjescode dan op een regelmatig patroon. De zijkanten zijn wel afgeleid van de andere aanwezige lijnen, met name de randen van het plein en de promenade. Voor de boomgroepen is gekozen voor meestammige Betula utilis ‘Doorenbos’. Deze bomen worden al niet zo hoog, maar blijven als meesrtammige exemplaren nog luchtiger. Het bladerderk van berken is heel licht en luchtig, zodat een vriendelijk gefilterd licht ontstaat, geen donkere schaduwplekken. De gekozen banken maken flexibel gebruik mogelijk. Ze zijn niet over de gehele lengte voorzien van een rugleuning, zodat het makkelijker voor gebruikers is om zich naar elkaar toe te keren. Het warme hout voelt nooit koud aan aan het zitvlak en oogt bovendien ook warm.

1

4

2

5

Voor de materialisatie is hetzelfde materiaal gekozen als voor de wandelpromenade. Ook dezelfde randafwerking wordt gehanteerd. meer over deze afwerking op de volgende pagina. Voordeel van het gebruik van dit materiaal is dat het waterdoorlaatbaar is. De berken hoeven daarom niet voorzien te worden van een extra boomrooster.

77


78

legenda Grondwerk


Detailuitwerking 3: wandelpromenade

4. Longlife bank (Streetlife) 2. Afvalbak Constructo 50 (Grijsens) 3. De bestaande eikenbomen die deel uit gaan maken van de promenade 4. RVS kantoplsuiting 5. Armatuur Urban Star (Philips)

3

De wandelpromenade is reeds beschreven in de LIOR op pagina 21. Op die pagina is ook de keuze voor de materialisatie verwoord. Deze detailuitwerking bevat alleen extra informatie in beeld, nl. twee extra visualisaties en een plattegrond.

1

4

2

5

79


80

legenda Grondwerk


Detailuitwerking 4: entree

1. De bermen en oevers kunnen zich door aangepast maaibeleid ontwikkelen tot bloemrijk grasland 2. De bestaande eiken worden gehandhaafd. De eiken staan niet in een loodrechte lijn en zullen dus altijd wat nonchalanter van karakter zijn 3. De eerste meter langs de berm wordt gemaaid 4. Oevervegetatie van gele lis met een kruidlaag (vnl. grassen) 5. Straatverlichtingarmatuur Archilede van ‘iGuzzini door ENEL Sole’

3

De wandelpromenade is reeds beschreven in de LIOR op pagina 17. Op die pagina is ook de keuze voor de materialisatie verwoord. Deze detailuitwerking bevat alleen extra informatie in beeld, nl. twee extra visualisaties en een plattegrond.

1

2

4

4

81


82

legenda Grondwerk


Detailuitwerking 5: parkeervoorziening

1. Afscheiding van parkeervakken dmv. zomereik en berk in hoog gras, hoogr gras maaien 2x per jaar. Parkeergras maximaal 1x per week 2. Fietsparkeren op gras (maaien maximaal 1x per week) 3. Parkeervakken zijn niet per vak aangegeven 4. Hoofdroute asfalt 5. Fietsparkeersysteem Dubbelzijdig ophangrek A22 (Respro)

3

De Geffense plas zal voornamelijk drukbezocht worden tijdens mooi weer. Parkeervoorzieningen hoeven derhalve niet 100% weatherproof te zijn en mogen op een landelijke manier worden ingepast. De hoofdparkeerroute bestaat uit asfalt, de parkeervakken hebben een ondergrond van gras. De parkeervakken worden niet per vak apart aangegeven, maar wel min of meer ‘gelimiteerd’ door de begrenzingen van zomereik en berk in stroken hoog gras. De wijze waarop de parkeervoorzieningen zijn vormgegeven zijn relatief goedkoop te realiseren, maar dit is niet de belangrijkste overweging geweest om te kiezen voor deze uitwerking. Een dergelijk beeld draagt bij aan het landelijke, natuurlijke karakter van de plas. In feite heeft zo’n parkeervoorziening een dubbele functie. Het fungeert tijdens drukke dagen als parkeerplaats en op rustige dagen als een extra natuurzone. De maaifrequentie wordt afgestemd op het gebruik. In het voorseizoen mag het gras wat hoger worden dan tijdens het hoogseizoen. De parkeervakken zijn steeds op het gras gesitueerd, de ‘hoofdroute’ bestaat uit een rijbaan van asfalt. Het asfalt wordt licht bollend gelegd, zodat water kan weglopen. Ivm met de gemakkelijke waterdoorlaatbaarheid van de graszoden is de aanleg van drainagegoten niet nodig.

1

4

2

5

83


84


bijlagen

85


Principeprofiel toegangsweg


Principeprofiel wandelpromenade


Principeprofiel knuppelpad


90


Principe-uitwerking Paviljoen

Rapport Integrale Opdracht  

Rapport Integrale Opdracht. De herinrichting van de Geffense Plas in Oss van ontwerp tot materialisatie en beheer. 2e jrs studieopdracht T&L...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you