Page 1

Beeldkwaliteitplan Beplantingen de identiteit van het landschap versterken met streekeigen beplantingen


. Karakterisering gebied

colofon

Inspiratieboek beplanting stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen Opgesteld door: Shera van den Wittenboer T2D1 In opdracht van: Hogeschool Larenstein 2010 Beeldmateriaal, tekst: Shera van den Wittenboer et al.


Inhoudsopgave Voorwoord

2

Leeswijzer

4

1. Inleiding

6

2. Gebiedsanalyse

2.1 Inventarisatie 2.1.1. Ontstaansgeschieidenis en bodemkaart 2.1.2. Grondwaterkaart 2.1.3. Potentieel natuurlijke vegetatie 2.1.4. Conclusies 2.2 Landschappelijke deelgebieden 2.2.1. Uiterwaardenlandschap 2.2.2. Oeverwallenlandschap 2.2.3. Essenlandschap 2.2.4. Oude hoevenlandschap 2.2.5. Jong ontginningslandschap

3. Beleid en beplantingsvisie 3.1 Huidig beleid stedendriehoek 3.2 Beplantingsvisie

4. Beplantingsadvies per landschapstype 4.1 Beplantingselementen 4.2 Beplantingsmatrix 4.2 Uiterwaarden 4.3 Oeverwallenlandschap 4.4 Essenlandschap 4.5 Oude hoevenlandschap 4.6 Jong ontginningslandschap

5. Bijlagen beplantingsadvies 5.1 Inheemse beplanting 5.2 Extra nuttige informatie

8

10 12 14 16 18 20 22 24 26 28 30

32 34 36

38 40 42 43 47 51 55 59

64 65 68

Begrippenlijst Literatuurlijst

70 74

Casus beplantingsplan camping

76


1

Het Beekbergerwoud is enkele jaren geleden opnieuw ingericht. Natuurontwikkeling en recreatie mogen hier samen gaan.


Voorwoord Het agrarisch cultuurlandschap is gevormd door de natuurlijke omstandigheden en hoe de mens daarop heeft ingespeeld. Het agrarisch cultuurlandschap is een gebruikslandschap bij uitstek. Het agrarisch gebruik in het verleden heeft de basis gelegd voor het landschap van nu. Hoewel het landschap met name vanaf de laatste eeuw drastische veranderingen heeft ondergaan, zijn in verreweg het grootste deel van ons huidige landschap nog belangrijke structuren en kenmerken aanwezig die dateren van eeuwen geleden. Deze eigenschappen geven een gebied streekeigen karakteristieken en zorgen voor een gevarieerd landschap.

Het landschap verandert

Veranderingen in gebruik van de grond, de schaalvergrotingen in agrarisch gebruik, verstedelijking en de steeds grotere behoefte aan industriegebieden maakt dat we het landschap anders zijn gaan inrichten en gebruiken. De uitvinding van kunstmest maakte het mogelijk om ook de zogenaamde woeste gronden in gebruik te nemen die voorheen te arm waren voor landbouw. De uitvinding van prikkeldraad is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de landbouw, maar heeft ervoor gezorgd dat veel van de karakteristieke, maar onderhoud eisende houtwallen zijn opgeruimd en vervangen door afscheidingen van onderhoudsarm prikkeldraad. De grote ruilverkavelingen halverwege vorige eeuw deden er nog een schepje bovenop. Ook het kleinschalige landschap werd grootschaliger en meer houtwallen verdwenen. Het buitengebied nivelleert, verliest zijn herkenbaarheid en contrasten tussen open, grootschalige landschappen en kleinschalige, gesloten landschappen worden steeds kleiner.

Nieuwe ontwikkelingen

Pas sinds enkele decennia zijn we ons bewuster gaan worden dat nieuwe inpassingen in het landschap zorgvuldiger moeten gebeuren. Voorheen speelde schoonheid geen rol, enkel economische belangen en praktisch nut. Nu zijn wij ons meer en meer bewust dat we ons cultureel agrarisch erfgoed en de eigenheid, de identiteit van een streek niet willen kwijtraken. Veranderingen moeten dan ook met zorg en respect voor het bestaande landschap worden toegepast. Oude landschapstypen (zoals het oude hoevenlandschap en essenlandschap) staan zeer onder druk door de schaalvergrotingen die voor de huidige agrarische sector noodzakelijk zijn om nog economisch rendabel te kunnen functioneren.

De identiteit van het landschap versterken

Als we ons landschap willen behouden, zullen we moeten ingrijpen en bijsturen. Ook zal het noodzakelijk zijn om bepaalde kenmerken te versterken, te herstellen of soms zelfs helemaal te reconstrueren om de identiteit van een gebied veilig te stellen.

Kwaliteitsimpuls

De veranderingen in het landschap hebben uiteraard niet alleen afbreuk gedaan aan de beleving van het buitengebied, maar ook bijgedragen. Denk aan voorzieningen voor recreanten en natuurontwikkeling. We zijn meer gaan genieten van het landschap en zijn de verschillen in landschapstypen beter gaan waarderen. Het dichte bos, de open uiterwaarden, de charme van het kleinschalige oude hoevenlandschap. Deze vernieuwde waardering voor het landschap vraagt om een kwaliteitsimpuls om de eigenheid van het landschap (de verschillende landschapstypen) te versterken.

2


3

Natuurontwikkeling en ecologie vormen belangrijke speerpunten in het beleid van de stedendriehoek. Beplanting moet hier zoveel mogelijk op aansluiten.


4

Leeswijzer

De basis van dit Beeldkwaliteitsplan Beplantingen is de kaart van de landschapstypen (hoofdstuk 2.2). Deze kaart geeft een indeling van het plangebied weer in vijf verschillende deelgebieden, elk met een eigen historie en karakter. Deze landschapstypen zijn: het uiterwaardenlandschap, het oeverwallenlandschap, het essenlandschap, het oude hoevenlandschap en tot slot het jonge ontginningslandschap. Per landschapstype wordt kort beschreven hoe het landschap is ontstaan, wat de huidige kenmerken zijn en hoe het cultuurlandschap er vóór de grote ruilverkavelingen van midden vorige eeuw uit moet hebben gezien. Daarna wordt dieper ingegaan om de streekeigen beplanting per landschapstype. De beplantingselementen ‘lanen en bomenrijen’, ‘bosjes en hagen’, ‘singels en houtwallen’ en ‘boomgaarden’ komen hierbij aan bod, indien deze van toepassing zijn op het landschapstype. Vervolgens worden aanbevelingen gedaan om de kernkwaliteiten per landschapstype te verbeteren en te versterken. U kunt lezen welke beplantingstypen streekeigen zijn, uit welke plantensoorten deze bestaan en hoe de beplanting beheert dient te worden. Met behulp van referentiebeelden en tekeningen worden heldere voorbeelden getoond. De voorbeelden en richtlijnen in dit Beeldkwaliteitsplan Beplantingen zijn niet dicterend bedoeld. Ze dienen als inspiratiebron en om richting te geven om de beeldkwaliteit en streekeigenheid van het buitengebied te verbeteren en te versterken.


5


1

6

Inleiding

Het beeldkwaliteitsplan Beplanting beschrijft alle cultuurlandschappen die binnen de stedendriehoek Apeldoorn - Deventer - Zutphen voorkomen en hun streekeigen beplanting. Hierbij wordt niet alleen de beplanting behandeld, maar wordt ook kort ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van deze landschappen en hun kenmerken. Door ruilverkaveling, steeds grootschaligere agrarische activiteiten en verrommeling vindt een nivellering van het landschap plaats. De oorspronkelijke kenmerken van de verschillende landschapstypen, variĂŤrend van de grote openheid van de jonge broekontginningen tot de kleinschaligheid van het oude hoevenlandschap, verdwijnen. Landschappen gaan steeds meer op elkaar lijken en verliezen hun streekeigen en oorspronkelijke karakter. Dit Beeldkwaliteitsplan Beplantingen vormt een aanvulling op het landschapsontwikkelingsplan (LOP) dat reeds ontwikkeld is voor de stedendriehoek. In woord en beeld wordt concreter ingegaan op welke wijze beplantingen kunnen bijdragen in het versterken van de unc id dolor. Phasellus id libero dui, dictum facilisis erat. Aenean ultricies hendrerit eros a dignissim. Aenean tincidunt arcu in nibh

landschappelijke kenmerken. Het beeldkwaliteitsplan wordt hierbij als toetsingskader gehanteerd. Dit beeldkwaliteitsplan is opgesteld voor verschillende doelgroepen. Het is in eerste instantie bedoeld voor gemeentes uit de stedendriehoek om te kunnen gebruiken als handvat bij gebiedsontwikkelingen. Het beeldkwaliteitsplan kan tevens gebruikt worden bij nieuwe ruilverkavelingen waarbij kavelgrenzen opnieuw moeten worden vastgesteld en herbeplant. Tot slot kan dit boek een belangrijke inspiratiebron zijn voor de bewoners van het gebied die door middel van streekeigen erf- en kavelbeplanting willen bijdragen aan de eigenheid en het karakter van hun leefomgeving.

Het oude hoevenlandschap is gevarieerd en kleinschalig. Relatief kleine, grillig gevormde akkers worden omzoomd door houtwallen.


7

Het rechte verkavelingspatroon, de vele rechte sloten en transparante, hoge laanbeplantingen zijn belangrijke kenmerken van het jonge ontginningslandschap


8

2

Gebiedsanalyse

De ondergrond (het bodemtype, hoogteverschillen in de ondergrond en de waterhuishouding) vormt de basis voor de wijze waarop de grond in cultuur is genomen. Akkerbouw vindt plaats op de daarvoor meest geschikte gronden. Vrijwel alle grond in Nederland is in cultuur genomen. Ook de gronden die we nu bestempelen als ‘natuur’ zijn in het verleden begraasd door het vee van onze voorouderen. Alle patronen in het landschap - zoals de clustering van huizen tot dorpen, de vormen van kavels, de beplantingen - zijn op logische wijze tot stand gekomen. Om ontwikkelingen bij te sturen en landschappelijke kenmerken te versterken, moeten we het landschap leren te begrijpen. We moeten ons daarom ook verdiepen in de ondergrond en de historie van het landschap. In dit hoofdstuk wordt allereerst de omvang van het gebied gedefinieerd. Met behulp van de bodemkaart en de grondwatertrappenkaart wordt een Potentieel Natuurlijke Vegetatiekaart (PNV) gemaakt. Deze kaart geeft weer welke vegetatietypen (in principe) van nature zouden ontstaan, met andere woorden: welke vegetatie ontstaat er als we vanaf nu het landschap niet meer zouden beheren en de ontwikkeling van het toekomstige landschap aan natuurlijke processen zouden overlaten? Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een kaart waarop de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen zijn aangegeven. Er wordt kort ingegaan op de historie van deze landschapstypen. Ook vindt u een korte beschrijving van de kenmerken. In hoofdstuk 3 wordt verder ingegaan op de beplantingstypen die horen bij de verschillende cultuurlandschappen.


9

Deventer Teuge

Twello

Apeldoorn

Gorssel

Voorst Klarenbeek Beekbergen

Lieren

Zutphen


10

2.1

Inventarisatie

Het studiegebied bevint zich ruwweg binnen de stedendriehoek Apeldoorn - Zutphen - Deventer. Dit gebied is onderdeel van de IJsselvallei. Aan de westzijde wordt dit gebied begrenst door de het Veluwe massief. Aan de oostzijde stroomt de IJssel. Binnen dit gebied liggen diverste kleinere plaatsjes (waaronder Twello en Voorst). De strook langs de oeverwallen is rijk aan cultuurhistorie. Hier vindt men onder andere landgoederen en buitenplaatsen, maar ook essen (of enken) en kleinschalige landschappen. Het deel net ten oosten van Apeldoorn wordt gedomineerd door infrastructuur (snelwegen, spoorrails). Ook zijn hier enkele industriegebieden aangelegd, waaronder de VAR (de vuilstort van gemeente Apeldoorn). Een van de publiekstrekkers is Bussloo, een voormalige zanduitgraving die is getransformeerd tot recreatieplas. Hieromheen is een aantrekkelijk park aangelegd. Het Appensche bos, een heel gevarieerd bos met zowel natte als droge delen - grenst hieraan. Naast het Appensche bos zijn er ook andere natuurgebieden te vinden binnen deze stedendriehoek

Zo is er de Tondense heide, een uniek stukje natuur dat met verdroging wordt bedreigd. Eveneens waardevol zijn het gebied rondom de Beekbergse beek en het Woudhuis. Beide hebben een hoge cultuurlijke waarde. Zo is de Beekbergse beek een opgeleide sprengenbeek en bestaat het Woudhuis voornamelijk uit kleinschalig cultuurlandschap waarbij bos percelen worden afgewisseld met eenmansessen. De meer natuurlijke gebieden in de stedendriehoek worden niet behandeld in dit beplantingsboek, omdat deze een te specifieke behandeling nodig hebben. Er moet namelijk ook gekeken worden naar ecologische waarde voor doelsoorten en daarbij zijn niet alleen plantensoorten van belang, maar ook bijvoorbeeld het bodemprofiel of de minimaal benodigde breedte van beplantte oppervlakken. In dit beplantingsboek wordt daarom uitsluitend in gegaan op beplantingen van de meer cultuurlijke gebieden, oftewel het buitengbied met een duidelijk herkenbare, agrarische oorsprong.


11

Legenda bodemtypenkaart arme grond gemiddelde grond rijke grond

profiel podzolbodem


2.1.1

Onstaansgeschiedenis en bodemkaart

De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische processen – zoals ijs- wind- en waterstromen, erosie en sedimentatie – en biotische processen – zoals vestiging van plant- en diersoorten – inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Met uitzondering van bodemtypes met een door mensen aangebracht cultuurdek (enkeerdgronden of laarpodzolen) zijn alle bodemsoorten op natuurlijke wijze ontstaan. Pleicosteen landschap

De basis van de bodem in dit deel van Nederland bestaat uit zand. Het is een erg oud landschap. De belangrijkste vormingsprocessen hebben zich afgespeeld in het Pleicosteen.

Ontstaan van het stuwwallenlandschap

Tijdens de voorlaatste ijstijd (het Saalien) was een groot deel van ons land bedekt met landijs. Deze ijstongen duwden grote hoeveelheden grond op tot stuwwallen. Het ijs schuurde hierbij over de bodem, waardoor stenig materiaal eronder werd fijngemalen en er onder het ijs een dun laagje keileem werd afgezet. Aan het eind van deze ijstijd, toen het ijs begon te smelten, maar de bodem nog wel bevroren was, kon het smeltwater niet in de bodem zakken, waardoor het naar het laagste punt afvloeide. Dit ging met veel geweld gepaard. Het smeltwater nam dikke keien mee die lager op de helling werden afgezet en sleet diepe dalen uit in het landschap. Hieruit zijn onze huidige beekdalen en rivieren ontstaan.

Onstaan van het dekzandlandschap

Tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) werd het in Nederland niet zo koud dat het landijs ons land kon bereiken. Het was echter wel zo koud dat plantengroei bijna niet mogelijk was. Er ontstond een soort poolwoestijn. De arme zandgronden konden gemakkelijk verstuiven. Zand werd van de hoge stuwwallen afgeblazen en kwam in de luwte van de stuwwal terecht waar ze de laagtes gedeeltelijk opvulden. In de beekdalen ontstonden hierdoor rivierduinen, hogere dekzandvlaktes in het laaggelegen gebied. De oorspronkelijke enorme hoogteverschillen in het landschap werden op die manier wat afgevlakt. Stuwwallen werden minder hoog, dalen minder diep

Bodemvormende processen

De basis (de ondergrond) van het landschap is daarna niet meer veranderd. Verdere bodemvormende processen (met name het podzoleringsproces) kwamen op gang na de laatste ijstijd toen beplanting zich opnieuw kon vestigen. Op de arme zandgronden werd het podzoleringsproces in gang gezet doordat beplantingsmateriaal op de bodem terecht kwam en verteerde. Podzolvorming is kenmerkend voor zandgronden in Nederland. De bodems die hieruit voortkomen hebben een duidelijke uit- en inspoelingslaag (te zien in een doorsnede van het bodemprofiel).

Rijke en arme gronden

Afhankelijk van de invloed van grondwater ontstonden uit arme zandgronden haarpodzolgronden (weinig hydrologische invloed), veldpodzolgronden (enige hydrologische invloed) en beekof broekeerdeerdgronden (grote hydrologische invloed). De vruchtbaardere bodemtypes zijn onder grote invloed van grond en overstromingswater ontstaan. Dit zijn bijvoorbeeld de beekeerd- en komgronden (al dan niet met een vruchtbaar kleidek). Ook de uiterwaarden en oeverwallen zijn erg voedselrijk. De rivier heeft tijdens overstromingen materiaal afgezet (klei en leemdeeltjes) die de bodem verrijkt hebben. De hoogste gronden (oa. het Veluwemassief en enkele rivierduinen, waarvan er één ligt op de plek waar later het Appense bos is ontstaan), staan nauwelijks onder invloed van grondwater. Vertering van plantaardig materiaal verloopt hier moeizaam. De bodems zijn daardoor nog steeds relatief arm. Om te kunnen bepalen welke plantensoorten waar zullen gedijen is het belangrijk vast te stellen hoe vruchtbaar de bodem is. In de kaart hiernaast zijn de verschillende grondsoorten vereenvoudigd en ingedeeld in vruchtbaar, middelmatig en arm. Dit is de gedaan om de kaart voor een groter publiek leesbaar en begrijpelijk te maken.

12


13

Legenda grondwatertrappenoverig grondwaterprofiel hangwaterprofiel


2.1.2

Grondwaterkaart

Om te kunnen bepalen welke plantensoorten waar van nature kunnen groeien, hebben we - behalve de bodemkaart - ook nog een grondwatertrappenkaart nodig. Sommige boomsoorten (zoals elzen en wilgen) groeien alleen op vochtige gronden. Beuk en eik geven de voorkeur aan iets drogere gronden. Berk doet het vrijwel overal, maar is een pionierssoort. De boom vestigt zich gemakkelijk, maar leeft niet lang, heeft veel licht nodig. Hij zal daardoor op den duur verdrongen worden door andere boomsoorten. De potentieel natuurlijke vegetatie (PNV) van het gebied wordt in de volgende paragraaf behandeld. In deze paragraaf komt de grondwatertrappenkaart aan bod.

Grondwater en kwelstromen

Het gebied kent een bijzondere variatie in grondwatertrappen. Op het hoge Veluwemassief is de invloed van grondwater niet aanwezig. Water dat nodig is voor plantengroei, wordt aangevoerd via regenwater. Regenwater dat niet wordt opgenomen door de wortels, infiltreert in de bodem. We noemen dit daarom een inzijgingsgebied. Dit infiltratiewater heeft vervolgens een lange weg te gaan. Het zijgt diep weg in de bodem en komt jaren later aan de voet van de stuwwal als kwelwater omhoog. Het kwelwater komt vooral omhoog in de zone die grofweg loopt van het Beekberger Woud via de wetering ‘Grote Leigraaf/ Grote Wetering’ richting Teuge. Op sommige plekken levert dit extreem natte kwelsituaties op. Deze kwel wordt nu versneld afgevoerd via de wetering, maar kan - door de unieke kwelsituatie - ook mogelijk-heden bieden voor natte landnatuur. Behalve deze natte strook is vrijwel het hele deel van het beekdal tussen Apeldoorn en Bussloo door de lage ligging vrij nat. Tot zo’n 150 jaar geleden waren deze gronden door de hoge waterstand vrijwel onbruikbaar voor landbouw. Door betere ontwateringstechnieken is de watersituatie in dit gebied extreem veranderd ten opzichte van vroeger. Om te bepalen welke plantensoorten nu op deze gronden zullen gedijen, moeten we uitgaan van het huidige grondwaterprofiel.

14

Grondwaterprofiel en hoogtekaart

In dit boekje is geen hoogtekaart opgenomen. Desondanks geeft ook de waterkaart inzicht in de hoogteverschillen in het landschap. De grillige verschillen tussen grondwaterprofielen (profielen waarbij het grondwater van invloed is op de bodemvorming) en hangwaterprofielen (profielen waarbij de grondwaterstand te laag is om van invloed te zijn op de bodemvorming) leveren patronen op die vrijwel identiek zijn aan de patronen op de hoogtekaart. De vele, hoger gelegen dekzandkopjes in het natte beekdal liggen als ‘eilandjes’ in het lage gebied. Er is dan ook veel microreliëf. De dekzandkopjes leenden zich, door de minder natte bodems wel voor akkerbouw en zijn daardoor ook al vroeg ontgonnen. Dit heeft voor een heel gevarieerd landschap gezorgd. De (natuurlijke) oeverwallen en (door mensen aangelegde) dijken liggen ook hoger in het landschap en hebben daardoor eveneens overwegend een hangwaterprofiel. Uiteraard zijn er gradaties. Bovenop de stuwwal is het extreem droog (grondwatertrap VII* - de laagste trap in het grondwatertrappen-kwalificatiesysteem dat loopt van I (plasdras) tot maximaal VII* (gemiddelde grondwaterstand dieper dan 1.4m). De oeverwallen zitten grotendeels tussen grondwatertrap V en VII (grondwater op een gemiddelde laagste diepte van 1.20m). Voor het bepalen van de PNV kunnen we volstaan met een iets vereenvoudigde kaart. De indeling tussen hangwaterprofiel en grondwaterprofiel is dan voldoende.


15

Legenda PNV haagbeukenverbond

verbond van vochtige elzen- essenbossen

beuken-eikenbos

Elzenbroekbos

berken-eikenbos

Wilgenvloedbos

verbond iepenrijke eiken- essenbossen


2.1.3

Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV)

Door het aanwezige microreliëf en de grote, lokale verschillen in watersituatie (zie vorige paragraaf), ziet de PNV er heel grillig uit. Op korte afstand van elkaar zijn er grote verschillen in zowel vruchtbaarheid van de bodem als grondwaterprofiel. Dit levert een rijke schakering aan beplantingen op. De legenda-eenheden worden één voor één behandeld. Kort wordt beschreven waarom de genoemde plantenverbonden juist hier voorkomen en uit welke plantensoorten ze ruwweg bestaan.

Haagbeukenverbond

Het haagbeukenverbond is verbonden met hogere, rijke gronden. Van nature komen die maar heel weinig voor. Alleen de hooggelegen bodems in het heuvellandschap van Limburg bevatten voldoende voedselrijk leem om in aanmerking te komen voor het haagbeukenverbond. In de stedendriehoek zijn de randen langs het beekdal en enkele dekzandkopjes in het beekdal zelf door eeuwenlange bemesting via het potstalsysteem (zie begrippenlijst) flink verrijkt. Deze hebben een dik cultuurdek gekregen van soms meer dan een meter dik. Deze vruchtbare bodems komen door dit cultuurdek in aanmerking voor dit beplantingsverbond van de rijke gronden. In de boomlaag vinden we Haagbeuk (Carpinus betulus), Kleinbladige linde (Tilia cordata) en Zoete kers (Prunus avium). Daarnaast heeft het haagbeukenverbond een rijke kruid-laag met een uitgesproken voorjaarsaspect.

Beuken-eikenbos

Beuken- eikenbossen behoren tot de eikenklasse. De eikenklasse is onderverdeeld in twee subklassen, de beuken-eikenbossen en de berken-eikenbossen. Eik en berk gedijen ook op arme gronden, beuk gedijt alleen op iets voedselrijkere, niet al te natte gronden. Beuken-eikenbossen vinden we dan ook voornamelijk op de overgang van arme naar rijke gronden.

In de boomlaag vinden we Beuk (Fagus sylvatica), Zomereik, (Quercus robur). De kruidlaag bestaat uit oa. Hulst (Ilex aquifolium) en Vlier (Sambucus nigra). De kruidlaag is vrij rijk en bestaat onder andere uit fluitekruid, brandnetel en hondsdraf.

Berken-eikenbos

Dit is het armste bosstype dat van nature in Nederland voorkomt op de hogere gronden. Deze vinden we op de stuwwallen, maar ook op de hogere dekzandruggen. Alle dekzandgebieden met een grondwaterstand lager dan VII. In de boomlaag vinden we vooral Ruwe berk (Betula pendula) en Zomereik (Quercus robur). De kruidlaag is schaars en bestaat voorname-lijk uit mossoorten.

Verbond iepenrijke eiken- essenbossen

Dit type bos wordt ook wel vogelkers-essenbos genoemd. Dit type bos is kenmerkend voor riviervalleien. Het is vaak een weelderig beekbegeleidend bostype, met een deels drassige bodem met ondiep grondwater. Het organische stofgehalte kan hoog zijn. Omdat de ondergrond vruchtbaar is en daardoor heel geschikt voor agrarisch gebruik, zijn destijds grote oppervlakten van dit bostype verdwenen door omzetting in grasland en ook akkers. De boomlaag bestaat uit Es (Fraxinus excelsior) en Zwarte Els (Alnus glutinosa), aangevuld met Europese vogelkers, Grauwe abeel, Gladde iep, Zomereik en Zoete kers. De struiklaag wordt gedomineerd door Hazelaar, Gelderse roos, Gewone vlier, Eenstijlige meidoorn, Europese vogelkers, Kardinaalsmuts en Rode kornoelje. De kruidlaag heeft een uitgesproken voorjaarsaspect met Bosanemoon, Muskuskruid, Slanke sleutelbloem, Speenkruid.

Verbond van vochtige elzen-essenbossen

Dit bostype komt van nature voor op de rijkere gronden als overgangszone tussen

16


17

de drogere typen (Iepenrijke eiken-essenbossen) en de natte typen (Broekbossen). De ondergrond is venig tot kleiig/lemig. De gronden hebben een continue hoge, maar ook stagnerende grondwaterspiegel. Op de venige kleigronden vindt wellicht afbraak van humus plaats, vooral na enige ontwatering. Het zijn standplaatsen die (net zoals bij Iepenrijke eiken-essenbossen) in cultuur gebracht werden tot grasland, en daardoor in min of meerdere mate verstoord werden. In het gebied binnen de stedendriehoek moet dit bostype vroeger, toen de grondwaterstanden nog veel hoger waren - in vrijwel het gehele beekdal hebben gelegen. Nu is dit potentieel alleen nog mogelijk in enkele laagtes in het beekdal. Dit type bos is erg gevoelig voor vermesting. De boomlaag bevat Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) in wisselende verhoudingen, de struiklaag EĂŠnstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), Grauwe wilg, Boswilg en Gewone vlier. De kruidlaag bevat hoog opschietende, vochtminnende soorten zoals Moerasspirea, Echte valeriaan, Koninginnekruid.

Elzenbroekbossen

Elzenbroekbos vinden we in moerassige laagtes met een venige toplaag. De diepere ondergrond kan zeer uiteenlopend zijn. In de winter met grondwaterspiegel net boven, in de zomer net onder maaiveld. Van nature op plaatsen met stagnerend (grond)water, maar door ontwatering veelal verdwenen of sterk veranderd (verruigd, type elzen-essenbossen). Dit type bos is erg gevoelig voor ontwatering en sterk fluctuerende grondwaterstanden.

De uiterwaarden van de IJssel met het karakteristieke kasteel Nijenbeek

Zwarte els (Alnus glutinosa) is dominant in de boomlaag, sporadisch aangevuld met Zachte berk (Betula pubescens). De struiklaag wordt gevormd door Zwarte bes (Ribes nigrum) en wilgen (vooral Boswilg, Salix caprea), in rijkere varianten met Gelderse roos (Viburnumopulus). De kruidlaag wordt gekenmerkt door Elzenzegge (Carex elongata) en Moerasvaren (Thelypteris palustris).

Wilgenvloedbossen

Het bos dat behoort tot het Wilgenvloedbos of zachthoutooibos is kenmerkend voor een relatief voedselrijk substraat van afzettingen van rivierzand en rivierklei. Zoals de naam al aangeeft, betreft het bossen die regelmatig overstromen. Weinig plantensoorten zijn bestand tegen deze waterdynamiek waardoor de wilgenvloedbossen een zeer kenmerkend, rivierbegeleidend bostype zijn. Men treft ze voornamelijk in uiterwaarden. De boomlaag bestaat voornamelijk uit Schietwilg (Salix alba) en plaatselijk Zwarte populier (Populus nigra); in de struiklaag zijn vooral struikvormige wilgen te vinden zoals Katwilg (Salix viminalis). De kruidlaag bestaat uitgewone smeerwortel, Haagwinde, Harig wilgenroosje, Kleefkruid, Gele lis, Grote kattenstaart, Liesgras, Rietgras en Riet


2.1.4

Conclusies

Het landschap binnen de stedendriehoek is een bijzonder gevarieerd beekdallandschap met veel microreliÍf (subtiele hoogtes en laagtes). Hierdoor zijn er lokaal sterke verschillen in grondwaterstand. Dit levert grote variaties in bodemtype op. Elk van die bodemtypes kent een eigen gebruiks- en ontginningsgeschiedenis (de occupatie van het landschap). Deze het ontstaan van het landschap wordt nader uitgewerkt in 2.2. De basis van dit landschap is gelegd tijdens het Pleicosteen. Bodemvormende processen, alsmede de dynamiek van de rivier de IJssel, hebben het landschap verder bepaald. Ook de mens heeft een grote invloed gehad op het landschap. Sommige delen zijn al heel lang in cultuur waardoor de bodem inmiddels verrijkt is met een dik cultuurdek (de eerdgronden). Door ontginning en versnelde afwatering van natte gebieden hebben er drastische veranderingen plaatsgevonden in het grondwatersysteem. Gebieden die tot zo’n 200 jaar geleden nog heel nat waren, zijn dat inmiddels bijna niet meer. De beplanting zoals die er in de oertijd uitgezien moet hebben - met in de laagtes overwegend natte elzenbroekbossen - is dan ook niet meer mogelijk. De huidige grondwaterstand is leidend geworden bij het bepalen van de potentieel natuurlijke vegetatie.

18


19

Legenda landschapstypenkaart

oude hoevenlandschap

uiterwaardenlandschap

essenlandschap

oeverwallenlandschap

bos

jong ontginningslandschap

bebouwing


20

2.2

Landschappelijke deelgebieden

Binnen de stedendriehoek zijn veel verschillende landschapstypen op een relatief klein oppervlak te vinden. Dit komt door de grote verschillen in ondergrond - de bodem en waterhuishouding. Het gebied wordt ruwweg verdeeld in vijf stroken die lopen van noord naar zuid. Aan de meest westelijke zijde liggen de flanken van het Veluwe massief. Op de hoogste delen van de stuwwal was de bodem te droog om akkerbouw te bedrijven. Dit gedeelte werd vroeger gebruikt om het vee op te laten grazen en heideplaggen af te steken. Later werd dit beplant met bos om zandverstuivingen tegen te gaan. Op de grens tussen hoge en lage gronden - daar waar de bodem niet te nat, maar ook niet te droog was - ontstonden essen of enken: grote akkers omzoomd met houtwallen, die gezamenlijk bewerkt werden en in de loop der tijd flink zijn verrijkt met mest en heideplaggen. Rondom deze essen ontstonden de eerste dorpen en sommige zijn later uitgegroeid tot steden (zoals Apeldoorn) Het laaggelegen deel - het beekdal - bevat twee landschapstypen. De natste delen (de zgn. broekgebieden) zijn pas heel laat ontgonnen. Deze gebieden hebben grote kavels en zijn daardoor heel open en uitgestrekt van karakter. Daar waar de ondergrond afwisselen laag en hoog is - waar dekzandverstuivingen boven de laagtes uitsteken - ontstond het oude hoevenlandschap. Kleine eenmansessen, omzoomd door houtwallen, liggen verspreid in het landschap. Dit landschapstype is heel kleinschalig van karakter.

Op de overgang van het lage beekdal naar de oeverwallen van de IJssel vinden we weer het essenlandschap dat direct overvloeit in het oeverwallenlandschap. De oeverwallen van de IJssel waren erg vruchtbaar en heel geschikt voor akkeren tuinbouw. Hier treft men van oudsher ook veel fruitboomgaarden aan. Tussen de winterdijken van de IJssel ligt het uiterwaardenlandschap. Dit landschap overstroomt ‘s winters regelmatig (geheel of gedeeltelijk). Dit levert vruchtbare bodems op, maar leent zich lang niet voor alle agrarische doeleinden. Vaak werden deze gebieden in gezet om ‘s zomers het vee op te laten grazen. Het gebied is open van karakter en bevat alleen relatief lage beplantingen (wilgen en meidoornhagen). Aan de andere zijde van de IJssel - op de strook tussen Deventer en Zutphen - herhaalt zich dit patroon. Het oeverwallenlandschap loopt over in essenlandschap en vervolgens beekdallandschap. De hogere delen in het beekdal vertonen kenmerken van het oude hoevenlandschap. Te hoge (droge) bodems die niet geschikt zijn voor landbouw zijn beplant met bos. Hier vind men landgoederen en buitenplaatsen. De indeling in landschapstypen is vergelijkbaar met de indeling in het LOP, behalve dat de natte heide ontginningen en hooiontginningen zijn samengevoegd met de broekontginningen tot het landschapstype ‘jonge ontginningen’. Veel landschapskarakteristieken komen overeen en samenvoegen van beide, maakt de kaart eenvoudiger.


21

De uiterwaarden karakteriseren zich door hun open karakter. Bebouwing is schaars, evenals hoge beplanting. Ondanks de openheid kenmerken de uiterwaarden zich - zeker binnen de stedendriehoek - door een kleinschalig karakter met hun aaneenschakeling van grillig gevormde percelen.

zomerdijk

akkers omzoomd door robuuste meidoornhagen achter de winterdijk ook andere beplantingstypen (oa. elzenessenbos)

bebouwing uiterwaarden alleen op hoger gelegen rivierduinen

goede mogelijkheden voor waterretentie wilgenstruweel op delen uiterwaarden die regelmatig overstromen

akkers omzoomd door geschoren meidoornhagen

winterdijk

verstevigde pieren om erosie door snelstromend water tegen te gaan


2.2.1

Het uiterwaardenlandschap

De jongste afzettingen van de IJssel liggen in de uiterwaarden en rivierbedding. Vooral in de periode na de bedijking, toen de IJssel verhoudingsgewijs door een smal stroombed moest stromen, zijn in de uiterwaarden aanzienlijke pakketten zand en klei afgezet. Op veel plaatsen zijn deze later weggegraven ten behoeve van de baksteenfabricage. Talrijke tichelputten herinneren hier nog aan. Het grootste deel van de vruchtbare, kalkrijke gronden van de uiterwaarden zijn al eeuwenlang in gebruik als weiland. Deze weilanden zijn van groot belang voor weidevogels en ganzen.

Reliëf

Hier en daar liggen hogere zandkopjes of zandruggetjes. De uiterwaarden kenden in hun ‘natuurlijke’ toestand dan ook een gevarieerd microreliëf. De uiterwaarden bestaan uit binnendijkse en buitendijkse ontginningen. De schaarse bebouwing in de buitendijkse ontginningen ligt overwegend op pollen.

Landschapsbeeld

Het landschap langs de IJssel heeft een uitgesproken agrarisch karakter met een sterke cultuurhistorische lading. Het landschapsbeeld wordt gedomineerd door openheid, grote vlaktes en het ontbreken van bebouwing, alsmede het ontbreken van grote aaneengesloten gebieden met beplanting. Hierdoor lijkt het landschapsbeeld vrij natuurlijk. De dijken zijn belangrijke linten voor de landschapsstructuur en belevenis. De percelen vlak langs de rivier, voornamelijk graslanden, zijn niet groot. De hoger gelegen gronden zijn droger en grootschaliger. Hier is meer afwisseling tussen akkerbouw en grasland. Perceelsgrenzen en wegen worden op sommige plaatsen nog gekenmerkt door hagen.

Wegenstructuur Wegen zijn schaars. Ze volgen natuurlijke hoogtelijnen en lopen (soms) langs perceelsgrenzen.

Beplanting

Karakteristieke beplantingen bestaan uit kleine bossages, ruige oevers, solitaire bomen, struweel. Hier vindt men soorten die tegen overstromingen kunnen, zoals populieren en wilgen. Op veel plaatsen kwamen vroeger - en ook nu nog - meidoornhagen voor. Ze werden geplant als veekering en voor boerengeriefhout. Hagen in de uiterwaarden staan nu ter discussie, omdat ze ongunstig werken op de doorstroming van de rivier bij hoog water. De erven die er zijn, zijn zwaar be-

plant, veelal met groepen bomen rondom het erf. Aan de oostzijde van het erf bevindt zich de minste beplanting. Op hoge delen veel vruchtbomen. In het gebied zijn doorgaans alleen de watergangen beplant. Wegen kennen weinig beplanting.

Landschapskarakteristieken

Bodem: Vnl. jonge rivierkleigronden, op sommige plekken kalkhoudend, op andere kalkarm. Hydrologie: Overstromingsgebied, ontvangt ook lokale kwel (vanuit de rivier) Reliëf: Gevarieerd microreliëf van hoge zandruggen en lage kreekbeddingen PNV: Wilgenvloedbos, hogere gronden verbond vochtig elzen-essenbos. Verkaveling en wegen: verkaveling rijk, kleinschalig mozaiek. Wegen schaars en slingerend, volgend aan natuurlijke hoogtelijnen. Structuurdragers: Kavelgrenzen (hagen, beken) en hoge dekzandruggen, pollen met bebouwing. Bebouwingsvormen: Schaars en verspreid. Schaal landschap: Kleinschalig, open landschap Erven: Erven zo groot als de ruimte op de pollen toeliet en dus vrij compact. Vaak dicht beplant, omzoomd door (meidoorn)hagen.

Kernkwaliteiten:

• De IJssel heeft een sterk natuurlijk karakter. Dit komt o.a. tot uitdrukking in de talrijke meanders in de huidige rivierloop en de oude IJsselarmen in de (voormalige) uiterwaarden. Belangrijke natuurwaarden zijn gekoppeld aan de IJssel in de vorm van stroomdalgraslanden, ooibossen en rietmoeras. Daarnaast vormen de uiterwaarden een belangrijk biotoop voor verschillende vogelsoorten. • Het landschap van de IJssel is rijk aan kleinschalig reliëf, wat een gevarieerd landschap oplevert. • De zijdelings toestromende beken zijn karakteristiek voor de IJssel. Ze vormen de verbindende lijnen tussen de rivier en de omliggende hogere zandgronden. Het zijn daarmee landschappelijke en ecologisch verbindende structuren.

Bedreigingen

• Met betrekking tot het natuurlijke karakter van de IJssel vormt het ontbreken van de dynamiek in het riviersysteem een belangrijk knelpunt. De karakteristieke natuurlijke elementen en structuren (meanders, rivierduinen) vinden hun oorsprong in natuurlijke processen die niet meer plaatsvinden. Zonder dynamiek worden deze kwaliteiten dan ook niet vernieuwd en versterkt, hoogstens in stand gehouden. • Het kleinschalige reliëf is een kwetsbare kwaliteit. Door (intensief) agrarisch gebruik kunnen de subtiele terreinvormen vervlakken en verliezen ze hun herkenbaarheid.

22


23

wegen volgen de natuurlijke hoogtelijnen langs de oeverwallen en zijn bochtig van vorm. Grote open ruimtes (essen) worden afgewisseld met kleine, door beplanting omzoomde akkers

typische, lintvormige oeverwal-dorpen ontstonden langs de rand van de essen

een gordel van landgoederen langs de oeverwal

grote, open, langwerpige essen op de overgang van hoog naar laag

wegen en randen volgen de natuurlijke hoogtelijnen van het landschap open gebieden (essen) worden afgewisseld door kleinschalig landschap. Dit levert een gevarieerd landschapstype op


2.2.2

Het oeverwallenlandschap

De noord-zuid gerichte oeverwal bestaat uit zandige afzettingen van de IJssel en vormt de overgang tussen het licht glooiende dekzandgebied en de uiterwaarden van de IJssel. Het oeverwallenlandschap wordt ook wel stroomruglandschap genoemd.

Reliëf

De hooggelegen, vruchtbare oeverwallen waren voor de mens aantrekkelijke woonplaatsen. Er werden talrijke boerderijen, nederzettingen, kronkelende wegen (die de oeverwal volgen), onregelmatig gevormde akkers en boomgaarden aangelegd. De dorpen op de oeverwal zijn vaak rond een cluster van boerderijen ontstaan. Veel dorpen op de oeverwal hebben door het grillige wegenpatroon en de ruime opzet een groen, maar enigszins onsamenhangend karakter. Naast hoge delen bestaat de oeverwal ook uit lager gelegen delen. Dit zijn de gebieden, die zijn ingesloten tussen de zandige rug en de dijk of die de overgang vormen naar de achterliggende broekontginningen. De lagere gedeelten van de oeverwallen werden in veel gevallen als grasland in gebruik genomen. Om overstromingen tegen te gaan werden aan de rivierzijde dijken op de oeverwal aangelegd. Ook in het landschap van Veluwe tot IJssel is dit patroon terug te zien.

Landschapsbeeld

Het oeverwallenlandschap is een kleinschalig, gevarieerd, groen en half open landschap. Akkergronden, grote open essen, maar ook kleine percelen, boomgaarden, kassen, lintbebouwingen en kleine buurtschappen zijn op de ruggen te vinden. Bijzonder is de aanwezigheid van allerlei karakteristieke landschapselementen, zoals kolken, gemalen, IJsselhoeven en landgoederen. Een karakteristiek kenmerk zijn de IJsselhoeven op de binnenrand van de oeverwal. Vaak zijn deze boerderijen via een doodlopend en beplant weggetje bereikbaar.

Wegenstructuur

Zowel wegen als waterlopen slingeren en volgen de natuurlijke hoogtelijnen van de stroomruggen.

Beplanting

In het gebied is een grote verscheidenheid aan beplanting te zien. Karakteristiek zijn de boomgaarden en meidoornhagen. Erven, lanen en akkers zijn stevig omzoomd door groen. Landgoederen vaak omgeven door grote, groene zones.

24

Landschapskarakteristieken

Bodem: De basis wordt gevormd door (jonge) rivierkleigronden. Op veel plekken zijn de akkers (essen) verrijkt via het potstalsysteem. Deze gronden hebben nu een dik cultuurdek van bruine en zwarte eerdgronden. Hydrologie: Grotendeels grondwatertrap VII-VI Reliëf: Microreliëf, langerekte stroomruggen worden afgewisseld door lage, natte gronden. Op deze plekken zijn dijken aangelegd om overstromingen van het achterland te voorkomen PNV: Wisselend, variërend van iepenrijke eikenessenbossen (lagere delen) tot haagbeukenverbond Verkaveling en wegen: Onregelmatige mozaiekverkaveling. Wegen parallel slingerend aan de IJssel, de natuurlijke hoogtelijnen van de stroomruggen volgend. Structuurdragers: Beplantingen langs akkers en wegen. De hogere dijken en oeverwallen vormen karakteristieke beeldelementen in het landschap. Bebouwingsvormen: Lintvormig. Typische oeverwaldorpen zijn ontstaan die worden ingesloten tussen het beekdal enerzijds en essen aan de zijde van de oeverwal. Schaal landschap: Redelijk kleinschalig. Waar essen zijn ontstaan grootschaliger. Erven: Ruim opgezet, veel opgaand groen.

Kernkwaliteiten:

• Slingerende, markante dijk- en oeverwalwegen met zicht op de IJssel. • Het groene karakter, de massief ingeplante erven en de variatie van open en gesloten gebieden maakt het een recreatief aantrekkelijk landschapstype. • Vanaf de hoge delen waardevolle doorzichten naar het lage, natte achterland. • Omdat het gebied al heel vroeg ontgonnen is, treffen we hier veel historische bebouwing (gemalen, dijkwoningen, landgoederen, oude hoeven)

Bedreigingen:

• Door toenemende uitbreidingsdruk raakt de oeverwal steeds voller. Zicht op achterland of de IJssel kan verdwijnen. Ook de markante hoogteverschillen van de dijken en oeverwallen in het lagere landschap vervagen. • De essen die deel uitmaken van het oeverwallenlandschap dreigen volgebouwd te worden waarmee waardevolle open ruimtes verloren gaan. Zie verder bedreigingen essenlandschap. • Veel van de kenmerkende boomgaarden zijn verdwenen evenals een groot deel van de kavelgrensbeplantingen.


25

De Engelander Enk bij Beekbergen is nog grotendeels bewaard gebleven. Aan de achterzijde ne randen worden de grote, bolle akkers begrensd door massieve groenstructuren. Bebouwing ligt aan de rand op de laagste delen.

agrarische bebouwing bevindt zich aan de randen van de es uitgestrekte essen vindt men doorgaans op de overgang van lage naar hoge gronden (vnl. stuwwallen, oeverwallen). Hoge gronden met een te lage waterstand waren niet geschikt voor landbouw en zijn in het verleden beplant met bomen voor houtproductie. Grote essen worden daarom aan ĂŠĂŠn zijde vaak begrensd door flinke bossen

de wegen en randen van de es zijn massief ingeplant met bomen de randen van grote escomplexen zijn doorgaans uitgegroeid tot steden of dorpen

grote, aaneengesloten percelen vormen samen flinke, open essen. Deze essen zijn omsloten door massieve groenstructuren, waardoor de ruimte nog groter lijkt


2.2.3

Het essenlandschap

Het essenlandschap ligt van oudsher op de overgang van hoge gronden naar lage en heeft een kenmerkende bebouwing rond de es. Deze essen (of enken) werden doorgaans gezamelijk gebruikt en waren redelijk grootschalig van karakter.

Situering

De essen in het IJsseldal zijn te vinden op de oostflank van het Veluwe massief en op de dekzandruggen die grenzen aan de Veluwe. De flank is noord-zuid gericht, de dekzandruggen voornamelijk west-oost (de meestvoorkomende windrichting) Karakteristieke essen zijn te vinden bij Loenen (de Dalenk) en Beekbergen (de Engelander Enk, zie foto links)

Reliëf

Eeuwenlange bemesting ­ met heideplaggen en stalmest (middels het potstalsyteem) ­ heeft geleid tot een karakteris­tiek, bollend reliëf met soms hoge stijlranden.

Landschapsbeeld

Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet, waarbij de kerktoren een belangrijke rol vervult. Esdorpen vindt men doorgaans evenwijdig aan de lange zijde van de es.

Wegenstructuur

De oorspronkelijke zandpaden volgden steeds de meest logische lijnen van het landschap. Dit waren veelal natuurlijke hoogtelijnen, langs de rand van de es en van de brink van het ene dorp naar de brink in het andere dorp. Op die manier ontstonden heel herkenbare spinnewebstructuren waarbij diverse wegen vanuit de kern uitwaaierden naar dorpen in de nabije omgeving.

Beplanting

Op en langs de de akkercomplexen werden vaak houtwallen opgeworpen om wild- en veevraat te voorkomen en de akkers te beschermen tegen de oprukkende stuifzanden. De erven zijn groot en redelijk massief beplant, vaak ook met bomensingels aan één zijde van het erf.

26

Landschapskarakteristieken

Bodem: Bruine of zwarte enkeerdgronden, de basis zijn zandgronden met daarop een dik cultuurdek van 0.5m- >1m dik Hydrologie: Grondwatertrap VII-VI, inzijgingsgebied Reliëf: Karakteristieke bolling van de akkers PNV: Haagbeukenverbond Verkaveling en wegen: Organisch, spinnewebpatronen. Structuurdragers: Essen Bebouwingsvormen: Lintvormige esdorpen, soms kransvormig. Kern gesitueerd rondom de brink. Erven liggen lager dan de es. Schaal landschap: Grootschalig tot tamelijk grootschalig. Erven: Grote erven met grote volumes en massieve beplantingen langs de randen (lage beplanting langs de weg). Erven liggen vrij dicht bij de weg.

Kernkwaliteiten:

• Contrast openheid essen en massieve randbeplanting • Robuuste groenstructuren zijn belangrij-ke dragers van het landschap en ecologisch waardevol. • Karakteristieke bolling van de akkers (te benadrukken met akkerbouw ipv graslanden) • Geen bebouwing op de essen • Vaak nog steeds in gebruik als landbouwgrond • Vanwege de leeftijd van dit landschapstype bestaat de omliggende argarische bebouwing uit authentieke, monumentale boerderijen die het landschap aantrekkelijker maken.

Bedreigingen

• Oprukkende bebouwing vanuit de kern vormt een bedreiging van het open karakter op de es. • Randbeplantingen raken door ruilverkavelingen steeds meer versnipperd. • Veel van de akkers zijn tegenwoordig vaak in gebruik als mais- of grasland of zelfs voor teelt van bomen, waardoor de karakteristieke bolling minder goed waar te nemen is. De bolling en lijnen komen het best tot hun recht bij teelt van middelhoge, éénjarige gewassen.


27

Het kleinschalige karakter van het oude hoevenlandschap wordt versterkt door de massieve weg en akkerbeplantingen in de vorm van houtwallen en bomenrijen. De beplanting is relatief laag.

diverse voetpaden lopen over en langs de erven (de zgn. klompen- of kerkenpaden) het recht van overpad blijft bestaan

diverse, kleine eenmansessen, omzoomd door stevige groenstructuren (houtwallen en bomenrijen)

het grillig wegenpatroon verbindt de erven met elkaar

lanen - voorzien van dubbele bomenrijenversterken het kleinschalige karakter van het oude hoevenlandschap

erven zijn doorgaans alleen omzoomd door (lage) hagen en niet door hoge bomenrijen. hakhoutbosjes hebben hun functie verloren, maar zijn nog steeds veelvuldig aanwezig in het oude hoevenlandschap.


2.2.4

Het oude hoevenlandschap

Het oude hoevenlandschap heeft veel kenmerken gemeen met het essenlandschap, alleen is dit landschapstype veel kleinschaliger. Het oude hoevenlandschap komt men tegen aan de randen van beekdalen waar relatief kleine dekzandruggen en dekzandkopjes zijn afgezet. Deze gebieden hebben een bijzonder microreliëf waarbij lage gebiedjes met natte gronden worden afgewisseld door hoger gelegen gebiedjes met drogere gronden. Deze hogere, drogere gronden waren geschikt voor akkerbouw. Hier ontstonden eenmansessen, verrijkt via hetzelfde potstalsysteem als in het essenlandschap, maar dan op veel kleinere schaal. In feite spreken we hier van een essenlandschap in het ‘klein’.

Situering

Het oude hoevenlandschap is in het IJsseldal vooral te vinden in de overgangzones van essenlandschap naar het jonge ontginningslandschap. Op sommige plekken, daar waar langgerekte dekzandruggen tot ver in het beekdal uitwaaieren, volgt het oude hoevenlandschap de hogere gronden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij De Wilp-Achterhoek en Klarendal. Van Apeldoorn tot Twello bestaat vrijwel het gehele landschap uit oude hoevenlandschap.

Reliëf

Bijzonder microreliëf, glooiend landschap. Akkerbouw op bollende esjes op de hogere delen, graslanden en beken op de lagere delen.

Landschapsbeeld

Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Vanuit het omringende, vlak en open jonge ontginningslandschap is het hoevelandschap te herkennen als groene eilanden die een stuk hoger in het landschap liggen

Wegenstructuur

De verspreidstaande erven zijn via een fijnmazig wegennetwerk (vaak zandwegen) met elkaar verbonden. De meeste paden zijn organisch ontstaan: de ‘kortste’ routes van boerderij naar boerderij, naar de kerk, school of de weg van dorp naar dorp. Deze paden vormden de basis voor de latere wegen. Zo ont­stond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende akkers en de dorpen in de omgeving. Vroeger waren er veel meer paden dan nu, maar een aantal oude paden langs erven en akkers(kerkepaden of schoolpaden) zijn nog steeds per voet of fiets begaanbaar.

Beplanting

In het gebied is een grote verscheidenheid aan beplanting te zien. Singels en houtwallen zijn ruim aanwezig. Op ongeschikte (te natte) gronden staan elzenbroekbosjes. Erven zijn stevig beplant, maar windsingels met hoge bomen zijn schaars. Vanwege het kleinschalige karakter en de bomen langs wegen, ontbrak de noodzaak windsingels aan te leggen.

Landschapskarakteristieken

Bodem: Laarpodzolgronden. Op dekzandruggen en kopjes is een cultuurdek aangebracht tot ca. 0.5m dik. Hydrologie: Grondwatertrap VII-VI, inzijgingsgebied op hogere gronden, grondwatertrap V-II op lagere gronden, soms met lokale kwel. Reliëf: Microreliëf, kleine dekzandkopjes worden afgewisseld door lage natte gronden. PNV: Wisselend, variërend van vochtig elzen-essenbos tot beuken-eikenbos. Verkaveling en wegen: Organisch, fijnmazig en grillig. Daar waar dorpen zijn ontstaan, hebben wegen een spinnenwebpatroon, uitwaaierend vanaf de kern. Vele routes lopen van erf naar erf. Structuurdragers: Beplantingen (singels, houtwallen) langs akkers, erven en wegen. Hakhoutbosjes. Bebouwingsvormen: Soms in kleine clusters, maar vaak vooral verspreid in het landschap. Schaal landschap: Van oorsprong zeer kleinschalig, maar door ruilverkavelingen grootschaliger. Erven: Grillig gevormde erven van middelmatige grootte. Vrij massief beplant. Erven liggen wat verder van de weg.

Kernkwaliteiten:

• Kleinschalig karakter van het landschap. Open en gesloten gebieden wisselen elkaar af. • Massieve groenstructuren maken het gebied ecologisch waardevol en (recreatief) aantrekkelijk. • Stevig beplantte erven • Fijnmazig routenetwerk is recreatief waardevol

Bedreigingen

• Schaalvergroting van de landbouw en de daarbij behorende ruilverkavelingen tasten het kleinschalige karakter van dit landschapstype aan. • Veel van de onderhoudseisende houtwallen en singels zijn opgeruimd en vervangen door onderhoudsarm prikkeldraad. • Wanneer boeren hun agrarische activiteiten staken, wordt de grond en het huis vaak verkocht voor burgerbewoning. Dit kan nieuwe kansen bieden, maar kan ook een bedreiging vormen voor het oorspronkelijke, agrarische karakter van het oude hoevenlandschap.

28


29

Forse groenstructuren langs lanen en wegen zorgen voor een leesbaar landschap. Door het ontbreken van onderbeplanting blijft het transparante, open karakter van dit landschapstype gewaarborgd

brede weteringen en vele kleine sloten moeten het van oorsprong vrij natte gebied ontwateren

grote erven met kloeke bebouwingen passend bij een schaalvergroting en moderne bedrijfsvoering

wegen zijn (of horen) stevig beplant te zijn met bomen van de 1e grootte. Deze beplantte wegen geven een sterke groenstructuur en beschutting tegen wind

kavels zijn groot en regelmatig van vorm (rationele verkavelingspatronen). Het wegenpatroon sluit hierbij aan.

erven zijn aan minimaal ĂŠĂŠn zijde beplant. De erven staan als groene eilanden in het open landschap


2.2.5

Het jonge ontginningslandschap

Door nieuwe technieken en inzichten konden de natte heide en broekgebieden vanaf eind 19e , begin 20e eeuw worden ontgonnen voor de landbouw. Deze jonge ontginningen karakteriseren zich door de rationele opbouw: een regelmatige blokverkaveling, rechte wegen en grote agrarische bedrijven. De wegen zijn veelal beplant met hoge, maar transparante laanbeplantingen. De jonge ontginningen zijn ingericht tbv. agrarisch gebruik. Vooral veehouderij (en dus graslanden).

Situering

De jonge ontginningen vindt men in het IJsseldal voornamelijk op de meest natte gronden. De gebieden grenzend aan de onderzijde van de oeverwal ontvangen extreem veel regionale kwel (afkomstig vanuit de stuwwal). Deze kwel maakt de grond zo nat, dat het grootste deel van het gebied lange tijd onontgonnen is gebleven. Het gebied

Reliëf

Vrijwel geen relëf.

Landschapsbeeld

Het gebied kenmerkt zich door openheid en vergezichten. Bebouwing grenst aan de ontginningwegen en liggen verspreid langs linten in het landschap. De bebouwing is relatief laag en tast de openheid van het gebied niet aan. Door de van oorsprong natte situaties vind je in dit gebied veel sloten (tbv. afwatering). Deze vormen vaak de perceelgrenzen en zijn al dan niet beplant met (lage) boomsoorten. Op heel natte gronden een fijnmazig verkavelingspatroon van lange, smalle kavels met sloten ertussen. Iets minder natte gronden zijn grootschaliger verkaveld. De lanen met bomenrijen zijn belangrijke structuurdragers, evenals de massief beplante erven.

Wegenstructuur

De wegenstructuur is identiek aan de ontginningsassen. De wegen zijn grotendeels recht en regelmatig verspreid. Door de beplanting en de openheid zijn het aanwezige elementen in het landschap.

Beplanting

Forse laanbeplantingen zonder ondergroei (transparant) zijn belangrijke structuurdragers. Dit zijn doorgaans bomen van de eerste grootte. De vrij stevig beplantte erven staan als groene eilanden in het open landschap. Op de minst geschikte gronden vindt men elzenbroekbosjes. Deze hebben een strakke rand, bepaald door de kavelgrens.

Landschapskarakteristieken

Bodem: Beekeerdgronden, gronden die onder invloed van grond en (in mindere mate) overstromingswater zijn ontstaan. Hydrologie: Grondwatertrap II-IV (vroeger I-III), hangwaterprofiel Reliëf: Vrijwel geen reliëf. PNV: Door verbeterde afwatering en een lagere waterstand zal het iepenrijke, eiken-essenbos het meest voorkomende plantenverbond zijn. Verkaveling en wegen: Rationeel en recht, blokverkaveling en relatief grote percelen. Structuurdragers: Een sterk raamwerk van fors beplantte lanen en sloten. Bebouwingsvormen: In linten langs de ontginningsassen. Schaal landschap: Grootschalig tot zeer grootschalig. Schaal erven: Erven zijn relatief smal, maar lopen ver door naar achter. Bebouwing staat in de lengterichting, haaks op de weg. Erven liggen vrij dicht langs de weg gesitueerd en zijn rechthoekig.

Kernkwaliteiten:

• Openheid en vergezichten geven een gevoel van ruimte. De overgang naar omliggende hogere landschapstypen (zoals het oude hoevenlandschap) is goed te zien. • Sterke groenstructuren in combinatie met de openheid maken dit een zeer leesbaar en begrijpelijk landschapstype.

Bedreigingen

• Verrommeling ligt op de loer. Wanneer laan- of erfbelanting ontbreekt, levert dat meteen een rommelig beeld op. Alles is zichtbaar, dus ook een verrommeld erf of onduidelijke groenstructuur. • Doordat dit het jongste landschapstype is, ontbreekt cultuurhistorie, waardoor het gebied snel in aanmerking komt voor veranderingen. Jonge ontginningsgebieden worden gemakkelijk ‘opgeofferd’ voor nieuwe industriegebieden of andere gebiedsontwikkelingen. Ook deze veranderingen zijn duidelijk zichtbaar in het open landschap en tasten de omgeving drastisch aan. • Schaalvergroting bebouwing erven (extra stallen) kan een bedreiging vormen voor de openheid.

30


31

Bussloo is niet alleen een recreatiegebied, maar tevens onderdeel van een landgoederengordel langs de oeverwallen van de IJssel.


32

3

Beleid en beplantingsvisie

De beplantingsvisie die in dit hoofdstuk wordt gepresenteerd, hangt nauw samen met de structuurvisie die is opgesteld voor de regio stedendriehoek. Daarom zal de beplantingsvisie vooraf gegaan worden door een paragraaf waarin de beleidspunten zijn opgenomen die van belang zijn voor landschappelijke beplantingen in het buitengebied. Opgenomen zijn enkele standpunten met betrekking tot water, ecologie en landschapsversterking. De visie bestaat uit twee delen, een algemeen deel en een aanvullend deel dat specifiek gericht is op de verschillende landschapstypen. Het specifieke deel is opgenomen in de paragrafen van hoofdstuk 4, het hoofdstuk dat de beplantingen van de deelgebieden behandelt.

. Karakterisering gebied

colofon

Inspiratieboek beplanting stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen Opgesteld door: Shera van den Wittenboer T2D1 In opdracht van: Hogeschool Larenstein 2010 Beeldmateriaal, tekst: Shera van den Wittenboer et al.


33

Op de vruchtbare oeverwallen stonden vroeger veel meer vruchtboomgaarden dan nu. Ze vormen een karakteristiek onderdeel van het oeverwallenlandschap


34

3.1

Huidig Beleid Stedendriehoek

Er is reeds een structuurvisie opgesteld voor het gebied binnen de stedendriehoek. Deze structuurvisie zal als basis dienen voor de beplantingsvisie. De structuurvisie bevat beleidsrichtingen op diverse terreinen, van infrastructuur tot hoe om te gaan met stedelijke vernieuwingen. Dit beeldkwaliteitsboek gaat alleen dieper in op beplantingen in het buitengebied, waardoor niet alle beleidsuitspraken uit de structuurvisie relevant zullen zijn. De beleidsrichtingen die van belang zijn op landschappelijke beplantingen zijn de volgende:

Algemeen

Nattere tijden - met naar verwachting 10 tot 40 procent intensievere regenbuien – hebben ook gevolgen voor het regionale watersysteem. De IJssel is namelijk de spil in de regionale watersystemen. De sprengen en weteringen in het noordwesten, de Graafschapse beken en laken in het zuidoosten en de Veluwse beken in het zuidwesten, wateren er op af. Als de IJssel een hogere waterstand heeft, kan de afwatering in gevaar komen en kan wateroverlast optreden. Om deze regionale overlast te voorkomen of te beperken is extra ruimte nodig.

Bepalend voor het ruimtelijk structuurbeeld is de wijze waarop (nieuwe) kwaliteiten van water, natuur en landschap worden ontwikkeld. Water speelt hierin een sturende rol. In deze visie wordt een onderscheid gemaakt in de ontwikkeling van de ‘natte’ landschapsstructuur en de ontwikkeling van de ‘droge’ landschapsstructuur.

• Inzet op een duurzaam watersysteem: kwantiteit: vasthouden en bergen van water vóór afvoeren; • Waterafvoer bovenstrooms vertragen en meer ruimte voor berging van oppervlaktewater en peilbeheer • Afvoer hoofdsysteem (IJssel) op orde brengen om veiligheid te kunnen garanderen in combinatie met ruimtelijke kwaliteit • Behoud en herstel van waardevolle landschappen en kwetsbare watersystemen (beken, sprengen, weteringen en natte natuurgebieden) • Regionale grondwaterstromen herstellen en beschermen door verduurzaming van de water winning • Voorkomen van aantasting van bodemgesteldheid en geomorfologische bodemstructuren

Thema water

Thema ecologie

De Stedendriehoek kiest voor een duurzaam raamwerk van water, natuur, landschap en cultuurhistorie, als grondslag voor de ruimtelijke ontwikkeling. Water en bodemkwaliteit spelen een centrale rol. De keuze om de ondergrond bepalend te laten zijn voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, hangt sterk samen met de noodzaak om te komen tot een duurzaam watersysteem.

De Stedendriehoek wordt de komende decennia in toenemende mate geconfronteerd met wateroverlast, als niet ingespeeld wordt op het ’nieuwe’ adagium: meer ruimte voor water. Meer ruimte voor water is noodzakelijk door een sterke toename van verharding en het versneld afvoeren van water doordat watergangen zijn rechtgetrokken. Daarnaastspeelt de verwachte klimaatverandering een belangrijke rol. Zonder verruiming van het afvoerende vermogen van de IJssel zullen vooral Deventer en Zutphen vaker met wateroverlast te maken krijgen.

Een bijzondere vorm van landschapsversterking is het ontwikkelen van twee ‘groene wiggen’ rond Apeldoorn: een groene wig tussen Epe en Vaassen en de Beekbergsepoort ten zuiden van Apeldoorn. De Beekbergsepoort wordt ontwikkeld als doorgaande ecologische verbinding tussen het Veluwemassief, via de IJsselvallei, naar de Graafschap en Salland.


35

Deze verbinding kan verder vorm en inhoud krijgen door een actieve ontwikkeling van natte natuur in combinatie met waterretentie, het creëren van extra ruimte voor het watersysteem, peilverhoging en aanleg van landschapselementen, in combinatie met plekgebonden extensivering van de landbouw. Hierdoor kan deze nationale ecologische verbinding grote betekenis voor fora en fauna krijgen en ook in recreatief opzicht bijdragen aan de groene kwaliteiten van de Stedendriehoek als geheel.

Thema identiteit van het landschap

Voor de droge landschapsstructuur zet de Stedendriehoek in op versterking van de ecologische en landschappelijke diversiteit, door gebiedsspecifieke kwaliteiten van het landschap te ontwikkelen. Hierbij wordt een driedeling gemaakt in de ruimtelijk visuele karakteristieken van het landschap: de open landschapseenheden, de oude cultuurlanden en de oeverwallen langs de IJssel.

Openheid landschap (met name grote essen, jonge ontginningen en uiterwaarden)

Bij het thema ‘Openheid van het landschap’ gaat het om het zichtbaar maken van de grootschalige, visueel open ruimten binnen de Stedendriehoek, die begrensd worden door allerlei vormen van (verspreide) bebouwing, boscomplexen, lanen, singels en bomenrijen. Dergelijke vormen van ‘massa’ in ruimtegebruik vormen vaak een belemmering voor doorgaande zichtlijnen in het landschap. Zwaartepunt ligt hier bij behoud en versterking van de landschappelijke openheid in het middengebied. De vergezichten over de open IJssel-

vallei zijn niet alleen visueel van waarde, maar hebben van oudsher ook een cultuurhistorische betekenis. Ook het zicht op en de beleving van de overgang van de Veluwe naar IJsselvallei blijft zo gehandhaafd.

Oeverwallenlandschap

De hoger gelegen oeverwallen van de IJssel bieden goede mogelijkheden voor de aanleg van kleinschalige, nieuwe natuur- en landschapselementen die de oude structuur van verspreide, afwisselende boscomplexen herstellen. Door verschillende landschapselementen te ontwikkelen op de oeverwallen, kan op termijn een doorgaande ecologische landschapsstructuur ontstaan die het stroomgebied van de IJssel begeleidt.

Oude hoevenlandschap

Ontwikkelen van oude cultuurlanden en woeste gronden tot een afwisselend coulissenlandschap met oude, verspreide bosgebieden. Voor landschapsversterking toevoegen van kleinschalige extensieve vormen van landelijk wonen gecombineerd met verplichte landschapsbouw.

Essenlandschap

De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. Ook de oorspronkelijke routing (langs en over de erven) moet -waar mogelijk- worden hersteld en geaccentueerd.

De IJsselhoeven zijn onlosmakelijk verbonden met de IJssel. Men treft ze aan weerszijden van de oeverwallen, zoals hier op de overgang naar het natte beekdal


36

3.2

Beplantingsvisie

Een aantal punten gelden voor alle landschapstypen en zullen daarom als eerste benoemd worden. Speerpunten zijn: • Het verhogen van het contrast tussen hooggelegen gebieden en laagtes. Dit hoog-laagpatroon is één van de belangrijkste dragers van het landschap. Dit geldt voor de overgang van de hoge stuwwal naar het beekdal, maar zeker ook voor het microreliëf in het beekdal en op de oeverwallen; • Het versterken van cultuurhistorische kenmerken door middel van beplantingselementen; • Het zoveel mogelijk herstellen van landschapskenmerken door middel van sterke landschappelijke groenstructuren; • Het behouden van openheid binnen de open gebieden (dit geldt voor alle landschapstypen die van toepassing zijn, met name de uiterwaarden, jonge ontginningen, de zones rond de weteringen en grote essen); • Versterken van ecologische waarden en biodiversiteit door groenstructuren zoveel mogelijk te schakelen. Ook erven maken een belangrijk onderdeel uit van deze groene schakels en moeten daarom zoveel mogelijk worden ingeplant met inheems plantmateriaal; • Ruimte voor duurzame watersystemen is belangrijk. Waar mogelijk wordt dit gecombineerd met natte landnatuur, behalve als dit overige beleidspunten in de weg staat; • Alle beplantingselementen worden ingeplant (of langzamerhand vervangen) met streekeigen beplantingssoorten. Op erven mogen ook niet inheemse (sier)heesters voorkomen, mits deze passen bij het karakter van de streek. Hierbij gaat de voorkeur uit naar ecologisch waardevolle planten, zoals sering en vlinderstruik (nectarplanten). Gebruik zoveel mogelijk bladverliezende soorten om het seizoenskarakter te versterken. Conifeer hoort niet thuis in het buitengebied.


37

Een steeds groter deel van de weteringen en waterlopen wordt opgenomen in recreatieve wandelroutes.


38

4

Beplantingsadvies per landschapstype

Dit hoofdstuk behandelt de beplanting van de landschappelijke deelgebieden en is het meest praktisch van aard. Het geeft handvaten voor de inrichting van wegbeplanting, singels, houtwallen en hagen en gaat tevens in op de inrichting van erven. We beschrijven het streekeigen sortiment per landschapsstype en geven aan hoe en waar beplanting wordt toegepast. Ook gaan we in sommige gevallen wat uitvoeriger in op het beheer van de beplantingselementen.

. Karakterisering gebied

colofon

Inspiratieboek beplanting stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen Opgesteld door: Shera van den Wittenboer T2D1 In opdracht van: Hogeschool Larenstein 2010 Beeldmateriaal, tekst: Shera van den Wittenboer et al.


39


40

4.1

Beplantingselementen

De kaart met beplantingselementen laat een gevarieerde verdeling zien van beplantingselementen. Elk landschapstype heeft zijn karakteristieke beplantingselementen. Om deze wat beter uit te vergroten is de kaart ook opgedeeld in de verschillende elementen. Het beplantingstype ‘bos’ dat onder andere te vinden is op de Veluwe, het Appense bos en het Woudhuis, laten we in deze uitwerking verder buiten beschouwing.

Hagen

Bomenrijen en lanen

De grootste concentratie hagen (erfbeplanting niet meegerekend) is te vinden in de uiterwaarden en het oeverwallenlandschap. Hier treft men voornamelijk meidoornhagen aan (zowel geschoren als breed uitgegroeide hagen) die de perceelsgrenzen markeren. Dezelfde of gemengde hagen komt men ook tegen in het essenlandschap, zij het in mindere mate dan eerder genoemde landschapstypen. Bomenrijen langs lanen en wegen horen feitelijk bij elk landschapstype, maar drie van de vijf genoemde landschapstypen zijn extra rijk aan bomenlanen. In het grote middengedeelte (de jonge ontginningen) vormen bomenrijen langs lanen de belangrijkste beplantingselementen. Daarnaast hebben met name het oude hoevelandschap en het oeverwallenlandschap veel lanen met bomenrijen. Alleen het uiterwaardenlandschap heeft van nature weinig boomrijke lanen. Met uitzondering van enkele lanen op kreekruggen (meestal als oprijlaan naar een landgoed), vindt men hier geen bomenlanen. De bomenlanen verschillen per landschapstype behoorlijk van karakter. Zo betreft het bij het jonge ontginninglandschap transparante bomenlanen, terwijl het oeverwallenlandschap en essenlandschap zeer robuuste, oude eikenlanen betreft.

Singels en houtwallen

Singels en houtwallen horen bij veel landschapstypen, al zijn ze anders van karakter. Bij de jonge ontginningen bestaan ze vrijwel uitsluitend uit


41

transparante boomsingels, bedoeld als windkering. Rijen knotwilgen of elzensingels markeren de sloten of perceelsgrenzen. In het essenlandschap, het oude hoevenlandschap en het oeverwallenlandschap betreffen het vaak houtwallen waarin zowel lage heesters als bomen(singels) zijn toegepast.

de verkavelingspatronen die karakteristiek zijn per landschaptype: Rechthoekig bij de jonge ontginningen, grillige van vorm bij de overige landschapstypen. Rondom landgoederen treft men grotere concentraties ‘bosjes’.

Boomgaarden

Van oorsprong werden deze houtwallen meestal gebruikt als geriefhout en daarvoor om de paar jaar afgezet. De noodzaak voor geriefhout is niet meer zo aanwezig, waardoor boomsoorten ook daadwerkelijk konden uitgroeien tot bomen. De houtwallen hebben daardoor een ander karakter gekregen dan ze vroeger hadden.

Bosjes

Bosjes komt men in elk landschapstype tegen, maar het minst in de uiterwaarden. Bosjes werden aangelegd als hakhoutbos. Men vindt ze traditioneel op de percelen die het minst geschikt waren voor akkerbouw. De kavelgrenzen weerspiegelen

Boomgaarden komen vanuit cultuurhistorisch oogpunt vooral voor op de oeverwallen. De vruchtbare grond van de stroomruggen leende zich heel goed voor de teelt van fruit. De grond van de uiterwaarden is net zo vruchtbaar, maar minder geschikt voor fruitbomen, vanwege de regelmatige overstromingen. Hier treft men boomgaarden alleen op de iets hogere kreekruggen. In de overige landschapstypen komt men ze vooral tegen als erfbeplanting - als onderdeel van de nutstuin. Ze maken deel uit van ons cultureel erfgoed en hebben een grote landschappelijke waarde.

Solitaire bomen, erfbeplanting, laanbeplanting, struwelen, houtwallen en andere beplantingselementen vormen het groene kader


42

4.2

Beplantingsmatrix

oeverwallenlandschap

essenlandschap

vaak weelderig ingepast (rondom landgoederen) kenmerkend

nadrukkelijk aanwezig, scherpe grens bos-akkers kenmerkend

boomlaan

sporadisch, alleen op kreekruggen bij landgoederen (bijv. kasteel de Nijenbeek)

robuuste bomenlanen verbinden bossen en landgoederen kenmerkend

in dubbele of enkele, Vaak met onderberegelmatige rijen groeiing, soms in wildverband geplant. Soms met kenmerkend onderbegroeiing.

zonder onderbegroeiing, hoge bomen (populier, berk of eik) kenmerkend

bosje

alleen op plaatsen waar natte natuur zich mag ontwikkelen. wilgenvloedbos of iepenrijke elzen-essen

weinig toegepast als kleine hakhoutbosjes, vaak wat grotere arealen bos (rondom landgoederen)

relatief bescheiden van formaat, vaak als robuuste aankleding erf.

oorspronkelijk als hakhout, vaak op slechte, natte gronden. kenmerkend

rechte perceelsgrenzen. Voorkomend op natste gronden kenmerkend

clump

soms een groep (geknotte) wilgen bij elkaar

boomgroep als erfaankleding

boomgroep, bijv. eikengaard op het achtererf kenmerkend

boomgroep, bijv. eikengaard op het achtererf kenmerkend

solitaire boom

op hogere pollen die te klein zijn voor een erf, kon soms een boom (eik) uitgroeien

markante, oude, solitaire bomen markeren bep. plekken.

markante, oude, solitaire bomen markeren bep. plekken kenmerkend

markante, oude, solitaire bomen markeren bep. plekken.

singel/ bomenrij

deelgebieden

uiterwaarden

uitsluitend als geknotte wilgen (zie knotbomen)

bosrand

beplantingstype

houtwal geschoren struweel haag knotbomen boomgaard

als clumps en rij kenmerkend

rond erven en als perceelsafscheiding (vooral meidoorn) kenmerkend

alleen op hogere kreekruggen (productie) en bij erven (nutstuin)

jong ontginnings landschap

elzensingels als per- bomenrijen fungeren ceelsafscheiding op als windsingels in het open landschap natte gronden kenmerkend massieve, brede houtwallen als randbeplanting langs essen. kenmerkend

meidoornstruweel als afscheiding van percelen. Ook wilgstruweel. kenmerkend

oude hoeven landschap

belangrijk als erfafscheiding kenmerkend

zowel grote productieboomgaarden als op erven (nutstuin) oorspr. kenmerkend

massieve, brede houtwallen als randbeplanting langs essen. kenmerkend oorspronkelijk veel houtwallen als hakhoutstruweel (boomvormers die steeds teruggezet werden)

vaak als gemengde houtwal met bomen en heesters kenmerkend oorspronkelijk veel houtwallen als hakhoutstruweel (boomvormers die steeds teruggezet werden)

Veelvoorkomende erfafscheiding

Veelvoorkomende erfafscheiding

Veelvoorkomende erfafscheiding

als slootbegeleidende perceelsmarkering

als slootbegeleidende perceelsmarkering kenmerkend

bij erven (nuts-tuin) aan voorzijde huis

bij erven (nuts-tuin) aan voorzijde huis

bij erven (nuts-tuin) aan voorzijde huis


43 Visie uiterwaarden

De visie voor de uiterwaarden is niet voor het gehele gebied gelijk. Dit heeft te maken met het feit dat het beschermen van cultuurhistorische kenmerken (de relatief kleinschalige uiterwaardenverkaveling doorsneden met robuuste meidoornhagen) lijnrecht staat op het beleidspunt om meer ruimte voor de rivier en waterretentie te creëren. Hoe meer beplanting, hoe slechter dit is voor het watervoerend vermogen van de rivier. Daarnaast wordt de rivier aangemerkt als natte ecologische zone in combinatie met natuurontwikkeling in de vorm van ooibossen. Deze ooibossen staan haaks op het streven het watervoerend vermogen te vergroten en bovendien staat het ook haaks op het standpunt de openheid te beschermen in waardevolle open gebieden. Om toch gebruik te kunnen maken van de verschillende mogelijkheden die de uiterwaarden te bieden heeft, is ervoor gekozen om deelgebieden aan te wijzen die elk in aanmerking komen voor één van bovengenoemde beleidspunten. Zo hebben de uiterwaarden achter Gietelo (Nijenbeekse klei) een uitgesproken cultuurhistorisch karakter. Hier vindt men de grootste dichtheid karakteristieke meidoornhagen. Deze moeten beschermd worden. De Voorsterklei leent zich uitermate goed om te ontwikkelen tot natte landstructuur met ooibossen (en kan eventueel een aansluiting vormen met de Beekbergsepoort). De Wilpsche klei heeft een open karakter dat absoluut behouden moet blijven. Het natuurlijke microreliëf van kreekruggen en pollen naast beddingen en laagtes moet versterkt worden. Dit wordt het best bereikt door de lage delen open en vrij te houden. De erven op de hoger gelegen pollen kunnen benadrukt worden door ze (nog) steviger in te planten met meidoornhagen. Het is hierbij wel belangrijk dat de historische opstallen niet geheel uit het zicht onttrokken worden. Doorzichten richting oeverwal en IJssel moeten gewaarborgd blijven. De overheersende plantrichting is dan ook oost-west. Belangrijk is het behouden van het contrast tussen de openheid van de uiterwaarden en de verdichte oeverwal. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke karakteristiek. De rivierdijk met continu karakter wordt samen met de IJssel ingezet en versterkt als structuurdrager en recreatieve as. Voor een betere beleving van het landschap dienen de dijken dan ook voor extensief recreatief verkeer toegankelijk te zijn en open te blijven om het zicht over de uiterwaarden te behouden. Beplanten mag, maar alleen met transparante beplantingen (bomenrijen, geen struweel).

Hoofdkenmerken

Sterke agrarische basis, open gebied, microreliëf, grillige lijnen, volgend aan de natuurlijke lijnen. Weinig bebouwing.

De uiterwaarden hebben een sterk agrarisch karakter en kenmerken zich door de openheid, het microreliëf en het (vrijwel) ontbreken van bebouwing


44

4.3

Uiterwaardenlandschap

hagen

struweel

boomgaard

(knot)bomen

meidoornhagen

meidoornstruweel

vruchtbomen

geknotte wilgen (rij)

hagen om het erf

wilgenstruweel

boomgaard als nutstuin

geknotte wilgen (clump)

• Vruchtboomgaarden vindt men uitsluitend op pollen en kreekruggen, bij erven of sporadisch als productieboomgaard. Vruchtbomen zijn dan ook niet onderhevig aan overstromingen. • Veel voorkomende soorten zijn appel, peer, walnoot en kers. • Op erven maken boomgaarden onderdeel uit van de nutstuin. Deze worden om cultuurhistorisch en esthetische waarde in stand gehouden.

• Wilg, es, populier (soorten die tegen overstroming kunnen) • Genoemde soorten komen ook als solitaire boom voor, maar zijn minder groot in aantal. • Bomenlanen zijn schaars, maar indien aanwezig beplant met es of populier. Op hogere kreekruggen ook eik. • Op erven (per definitie hoger gelegen) vruchtbomen, eikenclumps, es, populier, wilg.

• Meidoornhagen zijn onlosmakelijk verbonden met de uiterwaarden. Door het arbeidsintensieve beheer dreigen ze steeds meer te verdwijnen. • Erven liggen uitsluitend op de wat hogere gronden en zijn daardoor wat minder gebonden aan soorten die tegen overstroming kunnen. Men treft er naast meidoorn ook veldesdoorn, beuk en haagbeuk aan. Hagen zijn laag (tot heuphoogte) en geschoren.

• Meidoornstruweel heeft een grote cultuurhistorische waarde. Men paste deze hagen toe als perceelsaf-scheiding en om het vee binnen te houden. Voor het landschapsbeeld zijn ze van groot belang. • Wilgenstruweel ontstaat van nature in de uiterwaarden wanneer deze niet (meer) gebruikt worden voor akkerbouw. Wilgenstruweel mag plaatselijk ontstaan in gebieden die zijn aangewezen voor natuurontwikkeling.


45 Uitgelicht: meidoornhaag Functie: Sortiment: Plantverband: Plantafstand: Randafstand: Hoogte: Beheer : Leeftijd:

Begrenzing, markering Crataegus monogyna Geplant in een enkele rij 0,25 m 0,25 m 1,25 m 2x per jaar knippen. 40 jaar

Overgenomen uit ‘Hagen en Bosjes’, powerpoint presentatie Marianne Tijs Ron Becking, Arjan Bouma

Gesprek met een beheerder

Het beheer vindt gefaseerd plaats en door middel van verschillende beheervormen. Vlechthagen worden anders beheerd dan Andere heggen, die langs paden en wegen liggen, en meestal mede-eigendom zijn van de gemeenten of van particuliere eigenaren, worden geklepeld door de gemeente. Een deel van de heggen wordt helemaal niet gesnoeid, andere ongeveer een keer in de 6 of 12 jaar. We streven naar biodiversiteit en grote natuurwaarde, maar op andere plekken staan weer cultuurhistorie of puur praktische belangen van agrariërs voorop. Wat zijn de knelpunten in de praktijk? De kosten van het beheer lopen gigantisch uit de klauwen. Veel snoeiwerk is nu uitbesteed aan aannemers die het machinaal doen, maar dat gebeurt met erg zware machines, die alleen ingezet kunnen worden op de paden of wanneer de grond goed berijdbaar is, bijvoorbeeld door bevriezing. Dat betekent óf veel achterstallig onderhoud, óf arbeidsintensief en duur handwerk. Gelukkig kan dat op een aantal plekken door in handwerk gespecialiseerde aannemers nog wel, maar dat is wel erg begrotelijk. Een ander probleem is het dreigende verbod op het verbranden van het snoeihout in 2006. Komt er geen dispensatie voor deze elementen, dan wordt het beheerprobleem nog veel groter. Zijn er andere complicaties? Het optreden van bacterievuur in sommige heggen. Dat komt overigens met name voor in niet-inheems plantmateriaal (Italiaanse meidoorn bijvoorbeeld). We werken bij (her-)aanplant dan ook samen met een leverancier van inheems plantmateriaal. Vrij overgenomen van de stichting Cultuurhistorisch Beheer

Beheer: knippen hagen

Het knippen van bijv. een heg betreft een beheersmaatregel ten behoeve van het ecologische beheer van deze elementen. Het draagt tevens bij aan de ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden Activiteit:Knippen (elektrische heggenschaar) Arbeid 2 uur € 27,50 € 55,00 per 100 m1 Machines Elektrische heggenschaar 2 uur € 1,70 € 3,40 per 100 m1 Totaal € 58,40 per 100 m1 Activiteit: Knippen (Trekker met klepelmaaier) Arbeid 0,5 uur € 27,50 € 13,75 per 100 m1 Machines Trekker 0,5 uur € 15,36 € 7,68 per 100 m1 Klepelmaaier 0,5 uur € 20,36 € 21,15 per 100 m1 Brandstof 0,5 uur € 10,00 € 5,00 per 100 m1 Totaal € 47,58 per 100 m1


meidoornstruweel herstellen

Oorspronkelijk waren alle percelen omzoomd door robuuste geschoren of tot struweel uitgegroeide meidoornhagen. Tegenwoordig zijn de meeste hagen vervangen door prikkeldraad en zijn er slechts enkele restanten van de meidoorn terug te vinden. Hier en daar staat nog een struik tussen het braam- en brandnetelstruweel dat ervoor in de plaats is gekomen. Met name de meidoornstruwelen zijn ecologisch zeer waardevol en zouden zoveel mogelijk moeten worden teruggebracht in het landschap. Hierdoor komt de kenmerkende mozaiekverkaveling beter tot zijn recht. Bovendien vormen de struwelen samen één grote ecologische verbinding.

De schaarse erven in de uiterwaarden kunnen door een aantal ingrepen beter tot hun recht komen.

erven ruim beplanten, wel zicht houden op bebouwing

Door het aanbrengen van beplanting op de pollen, wordt het microreliëf benadrukt. Hierbij horen ook enkele boomclumps en eventueel een boomgaard (zie beplantingselementen voor soorten). De beplanting mag echter niet doorlopen tot de randen van de pollen. Ook mag de beplanting de bebouwing niet geheel omsluiten. Doorzichten, met name naar de IJssel en de dijk moeten open blijven. Hagen worden op heup- of maximaal borsthoogte gehouden

46

microreliëf versterken (erven op pollen stevig beplanten) hagen op heuphoogte, zicht op de IJssel behouden

Historisch waardevolle gebouwen moeten voor iedereen zichtbaar blijven. Ze geven het landschap identiteit en karakter en hebben een grote cultuurhistorische waarde. Een omzooming van heesters en een enkele boom mag best, mits er genoeg openingen in de beplanting overblijven om zicht te houden op de bebouwing. historisch waardevolle bebouwing niet verstoppen achter beplanting

Bewaak en behoud de afwisseling van open en besloten gebieden in de uiterwaarden. Het karakter van de uiterwaarden is voor het grootste deel open en om de waterdoorvoerende functie te verstevigen, is die openheid ook heel belangrijk. Laat robuuste struwelen/natte natuur alleen tot ontwikkeling komen in tot daarvoor aangemerkte natuurontwikkelingsgebieden. Overige gebieden blijven open en behouden hun agrarische karakter. Dijken mogen visueel versterkt worden door hun omgeving open te houden en er eventueel transparante boomrijen op aan te planten (laatste is geen noodzaak). Ook moeten dijken toegankelijk blijven of gemaakt worden voor extensieve recreatie.

Gebruik beplanting als omlijsting en niet als afscherming.

wilgenstruwelen toestaan op delen uiterwaarden die worden aangemerkt als natuurgebied

oevers open houden voor uitzicht en waterbeleid

dijken versterken en open houden voor extensieve recreatie. Geen of transparante beplanting


47 Visie oeverwallen

De oeverwallen en dijken vormen markante verhogingen in het landschap. Deze verhogingen moeten zoveel mogelijk versterkt worden middels beplanting. Ook moet de kenmerkende afwisseling in het landschap (afwisseling bos, vennen, houtwallen en open essen) zoveel mogelijk versterkt worden. Behoud en versterking van de weg en laanbeplantingen, met name langs wegen die over rivierduinen lopen (om de hoogteverschillen en grillig verloop van de wegen te benadrukken). Van oudsher werden rivierduinen veelal beplant met fruitboomgaarden. Hier zijn nog weinig relicten van over. Onderzocht moet worden of het aantal boomgaarden omhoog gebracht kan worden. Dit kan eventueel gepaard gaan met recreatie (zelfplukboomgaarden). Oorspronkelijk betrof dit hoogstamboomgaarden, maar laagstamboomgaarden passen beter in onze huidige tijd (ivm economische belangen en Arbo). Herstel en behoud laanbeplantingen (eiken, linden, essen, notenbomen). Belangrijk is het om waardevolle doorzichten naar zowel IJssel als het lage achterland open te houden. De beplantingsrichting zal daarom overwegend oost-west gericht zijn (haaks op de IJssel). Dijken kunnen visueel extra versterkt worden door aanplant van bomenrijen zonder onderbegroeiing (transparant, om doorzichten te behouden).

Hoofdkenmerken

Sterke groene structuren, veel groen als bos en laanbeplanting. Afwisseling open essen en dichte bossages. Veel (zichtbaar) reliĂŤf.

Op de vruchtbare oeverwallen vindt men van oudsher veel vruchtboomgaarden. Hier zijn nog maar weinig relicten van terug te vinden.


48

4.4

Oeverwallenlandschap

hagen

bomen

boomgaard

bomenlaan

meidoornhagen

parkachtige bosjes

hoogstam

nieuwe aanplant dijk

hagen om het erf

solitaire bomen erf

laagstam

oude eikenlanen

• Hoogstamboomgaarden zijn van oorsprong sterk verbonden met de vruchtbare oeverwallen. Vorige eeuw zijn er echter veel gerooid. Gekeken moet worden of een aantal boomgaarden kan worden teruggebracht. • Veel voorkomende soorten zijn appel, peer, walnoot en kers. • Laagstam boomgaarden passen om economische redenen en arbo beter bij deze tijd en zijn een prima alternatief.

• Dijken en oeverwallen kunnen visueel versterkt worden door het aanbrengen van transparante, begeleidende beplanting (es, knotwilg, populier) • Robuuste bomenlanen met eiken, beuk of essen verbinden de diverse bossen en landgoederen en zijn ecologisch waardevol • Bomenlanen zijn vaak nogal breed uitgroeiend en niet alleen opgaand (zoals de populierenlanen in polders)

• Meidoornhagen horen niet alleen bij de uiterwaarden, maar ook bij de oeverwallen. Door het arbeidsintensieve beheer dreigen ze steeds meer te verdwijnen. • Erven zijn omgeven door massief groen, maar hebben aan de voorzijde doorgaans vrij uitzicht. Lage (geschoren) hagen van veldesdoorn, beuk, haagbeuk of meidoorn omzomen de voortuin die vaak in formele stijl is aangelegd (bijv. met buxusvakken)

• De rijkdom van het oeverwallenlandschap uit zich in de vele landgoederen. Een groot deel van de beplanting is op een parkachtige manier aangelegd en volgt lang niet altijd de perceelsgrenzen. • Bomen zijn van groot belang in het oeverwallenlandschap. Oeroude, monumentale, solitaire eiken treft men midden in weilanden. Ook op de erven zijn monumentale solitairen (eik of kastanje) of boomclumps (eik, es of populier) vaak aanwezig.


49 Uitgelicht: hoogstamboomgaard Plant niet alleen appelbomen, maar ook peren-, pruimen-, kersen- en notenbomen. U kunt bewust kiezen voor oude fruitrassen, zoals de sterappel, maar ook voor gangbare rassen, zoals cox orange. Voordeel van vele ‘ouderwetse’ rassen is dat deze minder ziektegevoelig zijn en ook zonder bestrijdingsmiddelen goed fruit geven. Let op de grondsoort en grondwaterstand, want niet alle soorten en rassen groeien overal even goed. Let ook op de ziektebestendigheid en bestuivingsaspecten. Zet nieuwe bomen 5 tot 10 meter uit elkaar zodat deze voldoende kunnen uitgroeien. Voor pruimenbomen geldt een onderlinge afstand van circa 6, voor peer circa 8 en voor appel circa 10 meter.

een heel uur per boom. De prijs van een hoogstamfruitboom is ongeveer € 25. De materiaalkosten (boompalen en boomband) bedragen circa € 20,- per boom. In de eerste vier tot vijf jaar dient een nieuwe fruitboom regelmatig te worden nagelopen op beschadigingen. Daarnaast kost het reguliere snoeien gemiddeld een kwartier (bij jonge aanplant) tot een half uur (bij tien jaar oude bomen) per boom per jaar. Financiële bijdragen zijn mogelijk via onder andere de regelingen voor aanleg en onderhoud van (kleine) landschapselementen. Er is soms ook een aanvullende bijdrage mogelijk via gemeenten.

Gebruik liever geen verduurzaamde boompalen. Deze verontreinigen de bodem. Er zijn milieuvriendelijke palen van europees hardhout (eik, robinia en kastanje) in de handel. Arbeid en financiering Het planten van een hoogstamfruitboom (inclusief het spitten van een plantgat en het plaatsen van een boomkorf) kost, afhankelijk van de grondsoort, ongeveer een half tot Overgenomen uit ‘Handboek Agrarisch natuurbeheer’, 3.2.1, huis- of boerenboomgaard

Gesprek met een beheerder

Een jaar of zeven geleden nam een eigenaar van een boomgaard in Tull en ‘t Waal ( langs de Lek) contact op met de gemeente omdat hij, als niet-fruitteler, het onderhoud niet meer rond kreeg. Wat troffen jullie toen aan? Een boomgaard van ongeveer 1 hectare groot, een gemengde aanplan van hoogstam en halfstam en ook veel verschillende appel- en perenrassen. De bomen waren een jaar of dertig oud en stonden op rabatten (walletjes). Het onderhoud aan de bomen liep wat achter en ze begonnen in elkaar te groeien: ze stonden vrij dicht op elkaar. De boomgaard werd jaarrond begraasd door schapen. Wat is er daarna gebeurd? Een deel van de fruitbomen is verwijderd: de ongezonde, verder de te dicht op elkaar staande en fruitsoorten waarvoor geen afzet was. Op een aantal open plaatsen zijn kort daarna jonge bomen aangeplant om wat spreiding in de leeftijd van de bomen te krijgen. Gekozen werd voor soorten die goed de markt liggen. Wie waren en bij betrokken en wie betaalde het? Vrijwilligersgroepen werkten er, zoals een knotgroep en het NJN. Ook Landschapsbeheer Utrecht was er intensief bij betrokken en een fruitplukker voerde snoei uit. De gemeente betaalde het werk in het begin, en ook de begeleiding door de landschapscoördinator. Daarna werd gebruik gemaakt van de PSAN-regeling (Subsidieregeling Agrarisch Natuurberheer). Vrij overgenomen van de stichting Cultuurhistorisch Beheer

PSAN-regeling

Inrichtingssubsidie is een eenmalige vergoeding van de kosten voor noodzakelijke aanpassingen om aan een beheers- of landschapspakket te voldoen. De hoogte van de inrichtingssubsidie bedraagt maximaal 95% van de werkelijk gemaakte, noodzakelijke en subsidiabele kosten. U kunt inrichtingssubsidie aanvragen voor bijvoorbeeld het graven van een poel of de aanleg van een hoogstamboomgaard. Middels inrichtingssubsidie kan geen achterstallig onderhoud worden gefinancierd. U kunt inrichtingssubsidie aanvragen in combinatie met alle landschapspakketten en een beperkt aantal beheerspakketten. Het gaat daarbij om landschapspakketten als: • Elzensingel • Geriefhoutbosje • Knip- en scheerheg • Knotbomen • Hoogstamboomgaard • Poel • Houtkade, houtwal, haag en singel • Raster (indien ten behoeve van een element uit dezelfde PSAN aanvraag, m.u.v. hoogstamboomgaarden)


Landhuizen worden omgeven door robuuste beplantingen. Vaak grenzen ze aan één of meer zijden aan een bosperceel. De erfbeplanting is hieraan aangepast. Robuust uitgroeiende boomsoorten (beuk, kastanje of eik) zijn aangeplant als solitaire boom of als clump (een groep bomen). Ook heesters worden veel toegepast. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het inheemse sortiment (bijv. Gelderse roos, krenteboompje), maar ook van uitheemse sierhesters (hortensia, rododendron).

landhuizen mogen stevig beplant worden met bijzondere beplantingsvormen (hier kastanje als leivorm) en solitaire bomen

De oeverwallen vormen karakteristieke stijlranden en overgangen van de lage, open uiterwaarden met relatief weinig microreliëf naar het hogere oeverwallenlandschap met dichte beplantingen. De oeverwallen zijn uitgebreid met dijken, de zgn. winterdijk van de IJssel (waar het water ook bij extreem hoog water niet overheen komt). Dit hele dijken en oeverwallensysteem vormt een doorlopende en rivierbegeleidende route die zoveel mogelijk opgenomen moet worden in recreatieve wandelen fietspaden.

lage hagen (hier veldesdoorn) versterken beeld oeverwal

Denk ook aan uitzichten richting het lage, natte achterland (niet overal mogelijk).

geknotte wilgen als afscheiding

Daarnaast zijn vrucht- en notenbomen belangrijk.

monumentale beplanting is gewenst, mits waardevolle uitzichten niet verloren gaan

Lage hagen en bomenrijen zonder onderbeplanting kunnen deze hoge structuren visueel versterken, mits waardevolle uitzichten niet verloren gaan.

hakhoutbosjes achter erven

vruchtbomen als onderdeel nutstuin

hagen (veldesdoorn, meidoorn, beuk, beukhaag) laag houden

Robuuste bomenlanen met eiken of essen verbinden de diverse bossen en landgoederenen zijn ecologisch waardevol. Lanen zijn aan tenminste één zijde open, zodat uitzichten richting de lage uiterwaarden, open esssen en het natte achterland gewaarborgd blijven. De andere zijde kan een onderbeplanting hebben van heesters. Ook deze struwelen vormen belangrijke ecologische verbindingen voor diverse diersoorten. Bomenlanen zijn vaak nogal breed uitgroeiend en niet alleen opgaand (zoals de populierenlanen in polders).

50

routing over hoogste punt overwal met mooie uitzichten

Door de vroege ontginning van de oeverwallen zijn hier veel historische boerderijen te vinden. De IJsselhoeven (vnl. halleboerderijen) zijn karakteristiek voor de IJsselvallei en zeer waardevol. Erfbeplanting moet aansluiten bij het historische karakter. Waar mogelijk worden nutstuinen aangelegd (op het voorerf en dus zichtbaar voor iedereen). Ook vruchtbomen maken hier onderdeel vanuit. Aan de achterzijde kunnen hakhoutbosjes in ere worden hersteld. Lage hagen (veldesdoorn, meidoorn, beuk, haagbeuk) omlijsten de erven bomen beplanten op regelmatige afstand. Bomen mogen breed uitgroeien

uitzichten op open gebieden (lage uiterwaarden, essen en laag achterland) handhaven

grillige wegenstructuren worden benadrukt met boombeplanting (robuust, bijv. eiken of essen)


51 Visie essenlandschap

De openheid van het essenlandschap staat behoorlijk onder druk. Door gebiedsuitbreidingen vanuit de kernen worden veel essen (geheel of gedeeltelijk) omgezet in bouwgronden. Hiermee gaat een belangrijk cultuurhistorisch landschapstype verloren. Waar mogelijk dient deze ontwikkeling voorkomen te worden. Beplanting (en bebouwing) behoort niet op de es, maar erlangs. Een uitzondering vormt de zgn. overhoek, het deel van de es dat bij het bewerken steeds ‘over’ blijft. Deze kunnen worden ingeplant. Randbeplantingen (houtwallen) worden zoveel mogelijk hersteld. Aan de voorzijde van de es (langs de weg) wordt geen beplanting gebruikt of blijft deze beperkt tot bomenrijen. Dit is bedoeld om het zicht op de bolling van de es zo open mogelijk te houden. Beplanting dient niet ter verdichting. De waardevolle openheid en het reliëf mogen niet worden aangetast. Laanbeplanting moet worden hersteld. Laanbeplantingen bestaan uit monumentaal uitgroeiende boomsoorten zoals eik. Onderbeplanting is niet aan de orde, omdat deze het open karakter van de essen aantast. Erven zijn van oorsprong vrij groot van formaat en stevig beplant met inheemse soorten. Het gebeid is rijk aan oude hoeven. Deze zijn met de voorzijde richting weg gesitueerd en hebben vaak een formele voortuin of boomgaard aan de wegzijde.

Hoofdkenmerken

Sterke contrasten massieve bosrand en randbeplantingen tegen openheid (grote) es. Robuust in groen, erven en akkers.

De besloten en beboste stuwwalkern versterkt het reliëf ten opzichte van de lagere, open hellingen (de es of enk)


52

4.5

Essenlandschap

bosrand

bomen

houtwal

bomenlaan

meidoornhagen

monumentale bomen

gemengde houtwal

dubbele bomenrijen

hagen om het erf

overhoek

struweel met bomen

oude eikenlanen

• Gemengde houtwallen en singels werden vanuit cultuurhistorisch oogpunt aangeplant als veekering en voor gebruik als hak- en geriefhout. Deze functie is komen te vervallen, maar de ecologische en landschappelijke waarde is nog steeds heel groot. • Het streven is om zoveel mogelijk houtwallen en singels te herstellen, uitsluitend door gebruik van inheemse plantsoorten.

• Robuuste bomenlanen met eiken of essen begeleiden de wegen van dorpskern naar dorpskern en zijn ecologisch waardevol. • Alle lanen die deel uit maken van de ‘spinnewebstructuur’ (de hoofdwegen) dienen (opnieuw) te worden voorzien van laanbeplanting. • Bomenlanen zijn vaak nogal breed uitgroeiend en niet alleen opgaand (zoals de populierenlanen in polders)

• Essen vindt men doorgaans op de grens tussen hoog en laag, aan tenminste één zijde ingesloten door bos. Deze scherpe overgang tussen akker en bos vormt een belangrijk stijlkenmerk. Daarnaast is deze lange bosrand ecologisch waardevol. • vlak langs de bosrand valt altijd meer schaduw dan op de rest van de akkers. Deze strook is daarom minder rendabel voor akkerbouw. Hier is plek voor een onverharde weg of struweel.

• In dit oude cultuurlandschap vindt men veel monumentale, solitaire bomen in akkers of erven. Met name eiken kunnen erg oud worden. Beuken en populieren doen er iets minder lang over om een monumentaal voorkomen te krijgen, maar leven korter en zijn daardoor op lange termijn minder interessant dan eiken. • De overhoek langs of op de es leent zich om beplant te worden met een boomgroep of solitaire eik.


53 Uitgelicht: monumentale, solitaire bomen Ook oude bomen zijn ooit door iemand geplant, vaak met een reden. Nieuwe solitaire bomen planten met de bedoeling ze te laten uitgroeien tot monumentale, beeldbepalende bomen, vereist een lange-termijnvisie. De planter zal zelf niet meer meemaken dat de door hem of haar geplantte boom de respectabele omvang die gepaard gaat met ouderdom heeft bereikt. Desondanks is ook de heraanplant van solitaire bomen van groot belang.

Kies inheemse, streekeigen soorten, passend bij de ter plaatse aanwezige grondsoorten en waterhuishouding. Plant bomen in de wintermaanden (eind oktober - half maart), maar niet tijdens een vorstperiode. Plaats naast de boom één of twee boompalen en bevestig de boom hier met steunband aan vast. Doe dat niet te strak en controleer jaarlijks of de band nog goed zit. Na enkele jaren kunnen de boompalen weg.

Omdat een monumentale boom een extra cultuurhistorische waarde heeft wordt hij gespaard op momenten dat in de omgeving veel andere bomen worden weggehaald of afgezet. Daardoor is zo’n oude solitaire boom nogal eens het enige ‘oude hout’ in een gebied. Dat vergroot de ecologische waarde, want allerlei vogelsoorten hebben voor hun voedsel of voor nestgelegenheid een oude boom nodig. Met het planten van een boom (alleenstaand, maar ook in een groep of laan) draagt u bovendien bij aan de verfraaiing van het landschap. Kies de juiste maat boom of struik Voor de aanplant van solitaire bomen kunt u het beste plantmateriaal met een stamomtrek van 8 - 10 cm gebruiken. Gedeeltelijk overgenomen uit ‘Handboek Agrarisch natuurbeheer’, 3.7.1, solitaire boom, struik of laan

Gesprek met een beheerder

Lucien Calle en Rudie Geus werken bij Landschapsbeheer Zeeland. Ze zijn daar onder andere betrokken bij het project ‘Grenslindes’. Die bomen stonden vroeger in de zak van Zuid-Beveland op veel hoeken van oude grenzen van polders, waterschappen en gemeenten. Nu staan er nog zo’n 200, er zijn exemplaren bij van 250 jaar oud. Wat troffen jullie aan? Nogal wat bomen die minder vitaal waren door bijvoorbeeld vraat aan de bast of achterstallig onderhoud. Soms was er zelfs sprake van gevaarlijke situaties: takbreuk, instabiliteit. Wat is er gedaan in het kader van het project? Noodzakelijk snoeiwerk aan bomen is verricht. Voor verdwenen bomen zijn nieuwe geplant. Soms is er een korf om de boom geplaatst. Heb je een advies voor de omgang met solitaire bomen met cultuurhistorische waarde? - Zoek een goede snoeier. Er zijn veel ondeskundige en onzorgvuldige. Particuliere eigenaren zien ook vaak het belang niet van zo’n boom. - Voer regelmatig controles uit, kijk dan ook of er niet aan de bast gevreten wordt, en of koeien die beschutting zoeken onder de boom de oppervlakkige wortels niet stuktrappen. - Pak dit niet op eigen houtje aan, zoek contact met bijvoorbeeld landschapsbeheer. Vrij overgenomen van de stichting Cultuurhistorisch Beheer

Beheer monumentale bomen

De boom moet minstens eenmaal per jaar geïnspecteerd worden op ziekten, dood hout en beschadigingen. Snoeiwerk wordt verricht wanneer er sprake is te zwaar wordende horizontale takken, of dubbele, elkaar beconcurrerende kronen. Het afzagen van takken moet op zo’n manier gebeuren dat de snoeiwond zo klein mogelijk is. Dit kan door goed haaks op de lengte van de tak te zagen en de aanzet van de tak (de ‘takkenkraag’) te laten zitten. Snoei ook niet te veel takken in een keer van de boom af: geef de boom de kans om vitaal te blijven om zich zo te kunnen wapenen tegen ziekten. Verwijder nooit meer dan een derde van de kroon in één keer. Zaag eerst de takken af die de grootste problemen veroorzaken, wacht met andere en minder dikke takken tot een volgend seizoen. Sommige soorten verdragen geen snoei meer wanneer de sapstroom al op gang is gekomen. Wanneer dat het geval is, is afhankelijk van de strengheid van de winter en de standplaats. Voor de zekerheid kan men die soorten beter niet meer snoeien na 1 januari. Dit geld onder andere voor berken, notenbomen en esdoorns. Prunusachtigen, die gevoelig zijn voor loodglansziekte, moeten in het najaar gesnoeid worden. De flora- en faunawet verbiedt verstoring van nesten en nestlocaties. Snoei bomen dus niet in het broedseizoen.


monumentale boom midden op de akker

de bosrand stekend scherp af tegen de open essen

de bolling van de es is goed zichtbaar

Het essenlandschap wordt niet doorsneden met talloze houtwallen, omdat de percelen (de oude essen) relatief groot zijn. De randen van de essen zijn echter wel stevig beplant met robuuste houtwallen bestaande uit heesters, bomenrijen of een combinatie van beide. Vaak stonden er boomvormende plantensoorten in zo’n houtwal die om de ca. 7-10 jaar werden teruggezet. Het hout deed dienst als hak- of geriefhout. De houtwallen waren van oorsprong dan ook zelden heel hoog. Nog bestaande, oude houtwallen zijn doorgaans al lang niet meer teruggezet waardoor bomen zich konden ontwikkelen. Ook deze hoge houtwallen zijn waardevol (ecologisch en landschappelijk). Bij het herstel van verloren gegane houtwallen zou echter zoveel mogelijk onderzocht moeten worden of de nieuw aan te planten houtwal rendabel als hakhoutstrook beheerd kan worden.

formele voortuin met buxusvakken. evt. leibomen of vruchtbomen in de voortuin als stijlelement.

Het essenlandschap komt het best tot zijn recht als het contrast tussen de verticale bosrand en de open es maximaal zichtbaar is. Wanneer de es begroeid is met gras, is de bolling zichtbaar, maar eigenlijk is dit geen authentiek gebruik van de es. De natte gronden waren van oudsher de graslanden en de essen juist bestemd voor akkerbouw. Essen zouden dan ook zoveel mogelijk gebruikt moeten worden voor de teelt van lage gewassen (bijv. granen als tarwe, maar geen mais, want dat wordt te hoog) De solitaire bomen zijn relicten van vroeger en markeerden vaak een speciale plek, een herdenkingsboom of de grens tussen twee ‘percelen’ op een samengevoegde es. Ze moeten gekoesterd worden.

houtwallen werden als hakhoutwal beheerd en bleven daardoor relatief laag

robuuste randbeplantingen zijn een kenmerk van het essenlandschap

De oude hoeven in het essenlandschap staan met hun voorzijde naar de weg (en kijken uit over de es). De oprijlanen zijn relatief kort, waardoor de voortuinen echt aan de weg grenzen. De voortuin is vaak in formele stijl aangelegd met (lage) buxus of taxusvakken en lei- of vruchtbomen in een symmetrische setting. Alternatief is een boerennutstuin met groenten en plukbloemen (dahlia’s, cosmos, gladiolen, tulpen) op voorwaarde dát deze goed onderhouden wordt. Ook zo’n boerennutstuin is formeel van opzet en heeft een vakverdeling omzoomd met buxus.

Essen grenzen doorgaans aan één zijde aan het bos. Vaak zijn dit uitgestrekte bospercelen (op stuwwallen). In de stedendriehoek ligt een lange strook essen (waaronder de essen van Lieren en Beekbergen) langs de flanken van de Veluwe, het grootste bosareaal van Nederland.

3e laag bosrand bomen 2e laag bosrand heesters

Door het uitbreiden van de bosrand richting akkers kan een breder struweel worden gerealiseerd waar talloze dier- en plantensoorten van profiteren. Deze strook hoeft maar enkele meters diep te zijn (ca. 15m waarbij de wat hogere heesterlaag feitelijk maar 8m in beslag neemt). Op die manier wordt er relatief weinig van de kostbare open ruimte op de es ‘afgesnoept’, de winst voor de natuur is echter enorm.

54

ecologisch waardevollere opbouw van de bosrand door opbouw in lagen 1e laag bosrand kruidlaag


55 Visie oude hoevenlandschap

Het kleinschalige landschap van het oude hoevenlandschap kan versterkt worden door het besloten karakter te herstellen. Dat kan door weg- en erfbeplanting te versterken (met name hagen) en bosjes te herstellen. De kampen zelf, de oude akkers, dienen echter vrij te blijven van opgaande beplanting om hun openheid te behouden. De kampen liggen wat hoger dan de omliggende gronden. Die hoogteverschillen kunnen geaccentueerd worden met beplanting. De lagere delen zijn veelal open van karakter. Deze openheid moet gewaarborgd blijven. Het kampenlandschap biedt veel mogelijkheden voor recreatieve verbindingen over de erven. Als in het kampenlandschap de wegen en perceelsranden fors beplant zijn, is het minder van belang het erf stevig in te planten. Omdat er door de beschutte ligging van erven minder noodzaak is tot windkering staan bomen en struiken in groepjes. Waar de wegen niet (meer) fors beplant zijn kan aan dit landschap gebouwd worden door bossages en bomenlanen aan te planten langs een of twee zijden van het erf. Boerderijerven op kleine dekzandkopjes temidden van lagere gebieden accentueren door aanplant van een solitair van de 1e grootte (beuk, linde, kastanje). De omringende akkers vrij en open houden zodat de hoogteverschillen benadrukt worden.

Hoofdkenmerken

Van oorsprong zeer kleinschalig landschap met veel variatie (natte gronden, naast hogere eenmansessen). Veel groen (houtwal, laan)

De kleinschaligheid en gevarieerdheid van dit landschap zijn waardevolle en zeer antrekkelijke eigenschappen. Dit landschapstype wordt zeer gewaardeerd


56

4.6

Oude hoevenlandschap

(hakhout)bosjes

boomgroepen

houtwal

bomenlaan

essenhakhoutbosje

clump oude eiken

gemengde houtwal

oude eikenlaan

bosjes achter het erf

bomen op het erf

struweel met bomen

oude eikenlanen

• In dit landschapstype zijn houtwallen relatief smal (veel smaller dan bij het essenlandschap). Vaak bestaan houtwallen uit één of twee rijen boomvormers (beuk, eik, berk, els), aangevuld met (inheemse) heesters als hazelaar, vlier, gelderse roos en krent. • Boomvormers werden vroeger meestal teruggezet, maar hebben zich nu ontwikkeld tot hoge bomen. • Houtwallen zijn ecologisch zeer waardevol.

• In het oude hoevenlandschap komen regelmatig ingeplantte boomlanen voor, maar ook niet regelmatig ingeplantte bomenlanen waarin een (iets) variabele plantafstand en een (net) niet zuivere lijn is aangehouden. Dit levert nonchalantere lanen op (of romantischer?) • Veel lanen hebben aan één of beide zijden een onderbegroeiing -een kruidof heesterlaag- zoals bij een houtwal of houtsingel.

• (Voormalige) hakhoutbosjes liggen op gevarieerde lokaties in het landschap. Soms op de natte, voor akkerbouw onbruikbare delen (dan elzenbroekbos) of direct achter erven (vaak essenhakhoutbos) • De (hakhout)bosjes dragen in grote mate bij aan de kleinschaligheid van het landschap en zijn ecologisch waardevol, zeker als ze door houtwallen met elkaar verbonden worden.

• De noodzaak om boomsingels als windkering aan te planten rondom de erven is in dit kleinschalige landschap niet zo aanwezig. Bomen komen wel voor als erfbeplanting, maar meer in groepsbeplanting in de vorm van bijvoorbeeld een eikengaard. • Bomen staan in een groep meestal niet op gelijke afstand van elkaar, soms dicht bij elkaar waardoor bomen iets schuin groeien. Dit geeft een nonchalant beeld.


57 Uitgelicht: houtwallen en houtsingels

Houtsingels en houtwallen zijn lijnvormige beplantingen met bomen en/of struiken. Deze elementen vormen vaak begrenzingen van percelen of zijn afscheidingen met een andere functie. Grofweg kunnen twee typen worden onderscheiden: beplantingen die op een kunstmatige aarden wal staan (houtwal) en beplantingen die op dezelfde hoogte staan als het omringende land (houtsingel). De ouderdom van deze elementen varieert sterk. Houtwallen zijn vaak tijdens de ontginning aangelegd. Soms vond die ontginning in de Middeleeuwen plaats, op andere plaatsen in de 19e eeuw. Houtwallen liggen vooral op hogere (zand-) gronden, waar ze de vee- en wildwerende functie kregen die in het laagland de sloten hadden. Houtsingels liggen vooral in lagere gebieden, meestal parallel aan sloten. Sommige zijn eeuwenoud, andere zijn pas in de 20ste eeuw aangelegd. • Plant inheemse soorten en kijk wat er al in de streek staat, dan heb je het meeste kans op een succesvolle aanplant. • Houd het mozaïek in stand, met variaties zowel in de soorten die er staan, de leeftijden en de verschillende stadia van onderhoud. Zo’n kleinschalig en gevarieerd landschap is een eldorado voor veel planten en dieren, onder andere geelgors, kleine ijsvogelvlinder en wespendief. Voorbeeld: houtwal van 6m breed langs een eenmanses

Gesprek met een beheerder

Een van de grotere gebieden van het Brabants Landschap is De Mortelen, ongeveer 1200 hectare ten noorden van Best en Oirschot. Het is een kleinschalig agrarisch landschap, met onder andere houtwallen en andere perceelscheidingen. De reservaatbeheerder, Gerard Traa, is zelf afkomstig uit dit gebied en al 25 jaar bij het beheer betrokken. Wat voor gebied is De Mortelen? Het bestaat uit een mengeling van middeleeuwse akkerdorpen met gemeenschappelijke weides en hooilanden en het meer recente hoevenlandschap, een tweedeling die overeenkomt met die tussen essen en kampen. De hoeven zijn door vererving opgedeeld. Afscheiding gebeurde met onder andere houtwallen met daarop hakhout. Langs de hogere stukken staan eik en es, op lagere delen els en wilgensoorten. Ook stonden er vroeger veel steeliepen, die door iepziekte bijna allemaal zijn verdwenen en doornstruiken zoals meidoorn en sleedoorn. Er liggen tussen de graslandjes veel bosjes en bomenrijen. Het hout was eeuwenlang belangrijk als inkomstenbron voor de boeren. Welke uitgangspositie is er aangetroffen? Van de wallen was niet veel meer over. Wel lagen er nog veel perceelsscheidingen zonder wallichaam, maar veel ervan waren ook verdwenen door schaalvergroting van de landbouw. Wat was de historische functie? De begroeiing moest het vee keren,en leverde brandhout en mutserts(takkenbossen) voor de verkoop, en eigen gebruik.

Wat is er daarna gebeurd? Op percelen waar de afscheidingen verdwenen waren zijn die voor een deel hersteld. Langs de Oude grindweg is ook een essenwal hersteld. Wat is de huidige functie? Het kleinschalige mozaïek heeft een grote natuurwaarde, verder is er de cultuurhistorische waarde. Ook is het gebied in trek bij recreanten. Er zijn verschillende wandelroutes aangelegd, met zelfs wandelroutes midden over percelen. Waaruit bestaat het beheer nu? Het hakhout op de wallen en in de singels wordt eens in de 7 tot 8 jaar afgezet. Vroeger werd het hout ook veel voor rijshout en matten gebruikt, ten behoeve van de dijkenbouw. Nu is er hooguit nog vraag naar wanneer het hout gratis afgehaald kan worden. Brandhout is het meest in trek wanneer er een cyclus van ongeveer 12 jaar wordt gehanteerd. Vrij overgenomen van de stichting Cultuurhistorisch Be-

heer


boomlaag heesterstruweel

hagen op borsthoogte voor meer privacy

monumentale bomen op het erf als solitair of boomgroep

Het oude hoevenlandschap wordt door veel mensen aantrekkelijk gevonden en biedt allerlei recreatieve mogelijkheden. Deze kunnen verder versterkt worden door de aanleg van wandel en fietspaden (voor extensieve recreatie) die lopen langs en over erven en akkers. Vroeger zijn deze paden er ook geweest. Men deed veel lopend en koos de kortste route van erf naar erf, naar school, de kerk of een ander dorp of gehucht. De zgn. schoolpaden of kerkepaden ontlenen hieraan hun afkomst. Tegenwoordig worden steeds meer akkers en erven opengesteld, mits dit samen kan gaan met het eigenlijke gebruik van de percelen (akkerbouw of veeteelt). Veehekjes houden het vee binnen. Aangrenzende erven die in de route worden opgenomen kunnen profiteren van de recreanriestroom door bijv. streekproducten aan te bieden.

landschap is opgebouwd uit laagjes (coulissen) tot het zgn. coulissenlandschap

Erven liggen in het oude hoevenlandschap doorgaans wat verder van de weg en zijn bereikbaar via een oprijlaan. De formele voortuinen ontbreken doorgaans. De oude hoeven zijn landschappelijk ingepast in hun omgeving en lijken soms half te verdwijnen tussen houtwallen, boomgroepen en hakhoutbosjes. Hagen omsluiten niet het gehele erf, enkel de zitgedeelten en nutsttuin. Rondom de zitgedeelte mogen hagen iets hoger blijven voor meer privacy (borsthoogte), zolang erven niet geheel uit het zicht verdwijnen. (Hakhout)bosjes bij voorkeur opbouwen uit meerdere lagen voor een grotere ecologische waarde.

heesterstruweel

recreatieve routing loopt over of langs erven en akkers

Het oude hoevenlandschap karakteriseert zich door kleinschaligheid. De verschillende groenstructuren (erfbeplanting, laanbeplanting, houtwallen, bosjes) zijn zoveel mogelijk met elkaar verbonden en vormen stroken en eilanden in het landschap. Het coulissenlandschap is vooral bekend van de Achterhoek en Twente, maar hoort gewoon bij het oude hoevenlandschap van het zandgebied en komt dus ook voor in de stedendriehoek. Het oude hoevenlandschap is in deze streek alleen wat gefragmenteerder aanwezig dan in de Achterhoek of Twente en daardoor minder nadrukkelijk. Desondanks zeker net zo waardevol!

Lanen zijn veel ongedwongener (nonchalanter) van opbouw dan de regelmatige, statige lanen van het essenlandschap en het oeverwallenlandschap. Bomen worden lang niet altijd in een rechte lijn geplant (vaak een beetje ´uit het lood`). De plantafstand is minder regelmatig en er zijn vaker onderbrekingen (hier en daar een rijtje bomen en dan weer even niets). Ook bestaan bomenlanen veel vaker uit meer dan één boomsoort. Dit landschap ontleent een zekere romantiek aan deze ´rommeligheid´, maar er moet wel voor gewaakt worden dat het beeld niet té rommelig wordt. Dit moet per situatie bekeken worden.

58

ruwe berk zomereik es


59 Visie jonge ontginningen

Dit landschapstype kenmerkt zich door de transparante beplanting van erf en lanen. Alleen op slechte gronden vindt men bosjes. De kavelvormen zijn zeer regelmatig. De dragende structuren worden gevormd door het landschappelijk raamwerk van lanen, bosjes en waterlopen die de lineaire structuur versterken. Binnen deze structuur is schaalvergroting mogelijk, mits de landschappelijke structuur verstevigd wordt. Waterlopen en sloten mogen begeleidt worden door singels, mits deze transparant van karakter zijn (bijvoorbeeld knotwilgen). Verharde wegen moeten dubbelzijdig worden ingeplant met bomen. Heesterbeplanting blijft achterwege om de openheid te behouden. Onverharde wegen worden enkelzijdig ingeplant. Erven dienen groene eilanden in het open landschap te vormen en behoren stevig beplant te zijn met zowel hagen, houtwallen en bomensingels aan minimaal ĂŠĂŠn zijde van de bebouwing (doorgaans de westkant ivm. overheersende windrichting). Deze groene eilanden dragen bij aan de groenstructuur, zijn belangrijke ecologische verbindingen en dienen bovendien om verrommeling van de erven tegen te gaan.

Hoofdkenmerken

Weidse openheid die versterkt wordt door de transparante laanbeplantingen. Sterke groenstructuur. Erven als groene eilanden

Knotwilgen als slootbegeleidende perceelsmarkering. De transparante beplantingen versterken de openheid en benadrukken de platheid van het laagland


60

4.7

Jong ontginningslandschap

(hakhout)bosjes

knotbomen

bomenrij

bomenlaan

berkenbroekbosje

knotwilgen

windsingel

transparante beplanting

strakke perceelsgrens

knotelzen

beekbegeleidende singel

stevige groenstructuur

• In dit open landschap is wind één van de grootste plagen. Erven worden aan tenminste één zijde (de zijde met de overheersende windrichting, dus de westkant) beplant met bomen om de wind te breken. • Ook akkers worden op regelmatige afstanden doorsneden met bomenrijen om als windsingel te fungeren. Deze bomenrijen lopen haaks op de bomenlanen. en vormen samen een groen stramien

• Bomenlanen zijn zeer regelmatig van vorm: de plantafstand is regelmatig, en de bomen staan in strakke rijen. Het betreft soorten die tegen enigzins natte voeten kunnen, zoals els, berk, populier. Op iets drogere delen ook veel eik. • De lanen en de haaks daarop gelegen bomenrijen vormen samen een stevige, groene structuur. De erven horen ook stevig beplant te zijn en vormen zo groene eilanden in de open ruimte.

• Sommige delen in dit natte laagland bleven ook na de aanleg van een uitgebreid slotensysteem tbv. ontwatering te nat om als akkergrond of grasland in te zetten. Deze werden beplant met bomen. De armste, slechtste bodems bestaan uit berkenbroekbos. • De grenzen van (hakhout) bosjes in het jong ontginningslandschap reflecteren de verkavelingsstructuren van de percelen en zijn dus recht.

• Knotwilgen begeleiden de watergangen en staan in markante, rechte lijnen in het open landschap. Geknotte bomen kunnen doorgaans veel ouder worden dan niet geknotte bomen. • Niet alleen wilgen worden veel gebruikt als knotbomen op de natte gronden, ook elzen worden veel toegepast .


61 Uitgelicht: knotbomen

Aanplant van nieuwe knotbomen is nodig om de ‘soort’ knotboom niet uit te laten sterven. Het op tijd knotten van reeds bestaande knotbomen is noodzakelijk om het voortijdig verdwijnen ervan (bijvoorbeeld door omwaaien) te voorkomen. De wortels van knotbomen langs sloten verstevigen de oever. Plant een nieuwe knotboom Van alle knotbomen is de knotwilg het meest eenvoudig te planten. Zaag een rechte tak van zo’n 2,5 à 3 meter lengte van een schiet- of kraakwilg. Snijd de onderkant hiervan schuin af. Schil repen bast van de onderste meter. Steek de staak circa 1 meter diep in de grond. Plant de nieuwe knotwilgen – in voldoende vochthoudende grond – op een onderlinge afstand van zo’n 4 tot 8 meter. Ook populieren kunt u op deze wijze stekken en poten. Voor andere soorten knotbomen moet u gebruik maken van bewortelde jonge bomen. Zorg voor stevigheid en bescherming tegen vee Plaats op erg winderige plekken twee boompalen naast de nieuwe knotbomen en bind deze er met boombanden aan vast. Bescherm de jonge aanplant tegen veevraat door de bomen individueel te voorzien van een boomkorf – al dan niet met puntdraad – of op 1 meter afstand van de bomenrij een raster te plaatsen. Na enkele jaren kunt u het raster verwijderen. Gedeeltelijk overgenomen uit Handboek Agrarisch Natuurbeheer, 3.7.2 Knotbomen

Gesprek met een beheerder

Arthur van Veen is lid van de IVN afdeling Ronde Venen. Hij is actief betrokken bij het onderhoud van knotwilgen sinds 1980. Traditioneel stonden er veel knotbomen rond boerenland en boerenerf, die werden onderhouden door de boeren. Maar vanaf de jaren zestig, zeventig van de vorige eeuw had het hout van die bomen voor hen geen nut meer en het ontbrak ze aan tijd om de bomen nog bij te houden. Wat troffen jullie aan? Zwaar verwaarloosde bomen waarvan de stam begon te scheuren door het zware hout dat erop stond. Ook waren bomen omgevallen of doodgegaan, waardoor er gaten in de rijen waren ontstaan. Het achterstallige onderhoud is opgeheven en er zijn op open plaatsen nieuwe knotbomen aangeplant. Welke functie hebben de knotbomenrijen nu? Ze hebben een natuurfunctie en een belangrijke landschappelijke functie. Niet alleen vanwege hun eigen schoonheid maar ook omdat ze helpen bij de inpassing van nieuwe gebouwen in het landschap. Heb je aanbevelingen? • Vertrouw wat het werven van vrijwilligers betreft vooral op mond tot mond reclame. • Laat dikke takken van vijf jaar of ouder, om het werk gemakkelijker te maken, een eind bóven de knot afzetten door vrijwilligers. • Haal aan het eind van de dag of een dag later de resterende stompen er af met kettingzagen. Vrij overgenomen van de stichting Cultuurhistorisch Beheer

Beheer knotbomen Zorg voor een goede ontwikkeling van de kruin Snijd regelmatig de loten die uit de stam groeien weg, met uitzondering van de topscheuten. In de tweede winter na het jaar van aanplant kunt u het aantal topscheuten terugbrengen tot zo’n 8 à 12. Dit heet ‘stikken’. Knot regelmatig Verwijder regelmatig alle takken van de kruin. Voor een wilg en populier geldt daarbij een frequentie van eens in de vier tot zes jaar. Knot een els na iedere vijf tot zeven jaar en een es een keer in de zeven tot tien jaar. Bij knotwilgen geeft langer wachten een risico voor het optreden van watermerkziekte. Bovendien is het wegwerken van achterstallig onderhoud een arbeidsintensief en lastig karwei. Haal eventueel na iedere knotbeurt kort na het eerste groeiseizoen zoveel takken weg dat er zo’n tien tot twintig (afhankelijk van de ouderdom van de boom) overblijven. Zaag de takken niet te kort af Laat bij het knotten stompjes tak staan van ongeveer drie tot tien cm lang. Er ontstaan dan eerder holten in de knot dan wanneer u de takken kort op de kruin afzet. Holten zijn gunstig voor holenbroeders en eenden. Gedeeltelijk overgenomen uit Handboek Agrarisch Natuurbeheer, 3.7.2 Knotbomen


aanplant van bomen om verrommeling tegen te gaan

De aanleg en soortkeuze van windsingels en erfgroen moet bedachtzaam gebeuren. Ter illustratie een foto genomen in de stedendriehoek (tussen ´t Woudhuis en De Wilp-Achterhoek).

In dit open en weidse landschapstype wordt weinig verhuld en dus is er ook goed zicht op de erven. Veel van de agrarische erven in dit landschapstype zijn echte productieerven en bevatten dan ook de bijbehorende, minder fraaie elemneten zoals mesthopen (bedekt met autobanden), voedersilo´s en landbouwmaterieel. Ook de enorme schuren doen het landschap vaak geen goed. Om dit in goede banen te leiden en tevens een stevigere groene structuur te krijgen, moeten de erven getransformeerd worden tot groene eilanden in het open landschap. Het erf hoeft niet geheel aan het zicht te worden ontrokken, alleen de verrommelde delen van het erf worden omzoomd door groen.

62

heesterstruweel

hoogte italiaanse populieren niet in verhouding met omgeving. Niet in balans!

De hoge Italiaanse populieren zijn ten eerste niet inheems en ten tweede compleet uit verhouding met de lage bebouwing op het erf én de omliggende beplanting. Op deze manier krijgen we geen groene eilanden, maar groene ´flats´. Daar komt nog bij dat deze populieren aan de onderzijde vrij transparant zijn, zodat ze verrommeling op het erf niet uit het zicht houden. Kortom, zo moet het dus niet!

erven als groene eilanden in het weidse landschap

Deze afbeelding toont het ´groene-eilanden-principe´ op een goede manier. In de weidsheid van de graslanden liggen de beplantte erven op vrij regelmatige afstand van elkaar. De beplanting is gevarieerd en er zijn vooral inheemse soorten gebruikt. De gekozen boomsoorten hebben een afmeting die in verhouding is met de bebouwing op het erf. In principe komen vrijwel alle inheemse boomsoorten in aanmerking, mits ze passen bij de waterhuishouding en bodemsoort van het gebied. Bij iets natte gronden passen heesters als schietwilg en geoorde wilg. Boomsoorten zijn berk, beuk, els, populier

De karakteristieke knotbomen begeleiden watergangen en doorsnijden de rechtte kavels. Om de lechtrijnigheid te versterken is het belangrijk om gesneuvelde of zieke knotwilgen te vervangen. Dit hoeven geen volgroeide knotbomen te zijn. Knotbomen, vooral wilgen, zijn heel gemakkelijk uit staken van snoeiafval te maken en slaan - zeker op natte gronden - heel gemakkelijk aan. Voer deze klus dan ook uit wanneer de bomen geknot gaan worden. Zie de pagina hiernaast voor de werkwijze.

ontbrekende knotwilgen uit rij herplanten


63

Probeer zoveel mogelijk inheemse plantensoorten toe te passen. Dit is ecologisch waardevoller voor de dieren uit uw eigen streek.


64

5

Bijlagen beplantingsadvies

In dit hoofdstuk vindt u enkele bijlagen die dieper ingaan op de geschikte soortkeuze per bodemsoort en grondwaterhuishouding. Deze helpen om de juiste, streekeigen soorten te kiezen die horen bij het betreffende landschapstype, maar ook bij de betreffende plek. Zeker als het om de aanplant van bomen gaat, is niets schadelijker als de gekozen soort niet gedijt onder de daar geldende omstandigheden. Planten die moeten groeien onder de verkeerde condities zijn vatbaarder voor ziektes en plagen, maar ook voor stormschade. Dit kan vervelende en ook gevaarlijke situaties opleveren. Doe gedegen onderzoek voordat u een uiteindelijke keuze maakt of vraag hulp in bij uw gemeente, landschapsbeheer of een landschaps-ontwerpbureau. Zij kunnen u helpen bij het maken van een beplantingsplan.

. Karakterisering gebied

colofon

Inspiratieboek beplanting stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen Opgesteld door: Shera van den Wittenboer T2D1 In opdracht van: Hogeschool Larenstein 2010 Beeldmateriaal, tekst: Shera van den Wittenboer et al.


rivierengebied (rivierkleigronden) oeverwallenlandschap

voedselarm/nat (natte heide-ontginningen, veldpodzolen) deel jonge ontginningen

voedselarm/droog (haarpodzolgronden) voo voorkomend op hogere dekzandruggen

voedselrijk/nat (beekeerdgronden) oude hoevelandschap en deel jonge ontginningen

rijke, hoge gronden (enkeerdgronden) langs en op essen in essenlandschap

65 Inheemse heesters en bomen


Matrix gedeeltelijk overgenomen uit Handboek Agrarisch Natuurbeheer, bijlage 6. rivierengebied (rivierkleigronden) oeverwallenlandschap

voedselarm/nat (natte heide-ontginningen, veldpodzolen) deel jonge ontginningen

voedselarm/droog (haarpodzolgronden) voo voorkomend op hogere dekzandruggen

voedselrijk/nat (beekeerdgronden) oude hoevelandschap en deel jonge ontginningen

rijke, hoge gronden (enkeerdgronden) langs en op essen in essenlandschap

66

Bijlage 1 Inheemse bomen en heesters


67


68

Bijlage 2 Extra nuttige informatie

Extra leesvoer is heel welkom als het gaat om het uitzoeken welke subsidieregelen beschikbaar zijn om erf of streek aan te kleden met beplanting. Ook is het erg prettig om extra goed uit te kunnen zoeken welke planten geschikt zijn voor welke grond. Daarnaast is het prettig om van te voren te weten waar u aan begint. Welke beheersmaatregelen zijn nodig en wat kost het beheer in de toekomst of waar kan ik met mijn snoeiafval naartoe? De onderstaande lijst is een selectie van de beste documentatie die momenteel (gratis via internet) te raadplegen is.

Welke plant waar?

• Brochure “Plantgoed voor meer streekeigen groen” http://www.west-vlaanderen.be/kwaliteit/Leefomgeving/natuur/Documents/leefomgeving/natuur/plantgoed.pdf (denk eraan dat de genoemde subsidieregelingen niet voor Nederland gelden. Alle beplantingen zijn ook inheems binnen de stedendriehoek. Kijk bij de tabellen voor meer informatie) • BOM+ Beplantingsstructuren en inpassingen http://venray.nl/otf/content.jsp?objectid=35634

Inrichten erf

• Brochure “Erven bij IJsselhoeven” http://ijsselhoeven.nl/sites/default/files/u3/groene_project.pdf (brochure is hier ook op papier te bestellen) • Notitie veranderende kwaliteit erven - gemeente Voorst http://www.voorst.nl/Internet/Digitaal_Loket/Documenten/Ruimtelijke_plannen/Functieverandering/notitie_verand_kwal_erven_Voorst_nov_2009.pdf

Agrarisch beplantingen en natuurbeheer

• Handboek agrarisch natuurbeheer http://www.landschapsbeheer.nl/webwinkel/agrarisch-natuurbeheer-handboek • Bochure “Opgaande beplanting in de praktijk” http://www.landschapsbeheer.nl/uploads/landschapsbeheernederland/misc/products/cursus_ landschapsbeheer_deel_opgaande_beplanting.pdf

Subsidies en financiering

• Diverse brochures mbt. opzetten landschapsfondsen http://www.landschapsbeheer.nl/webwinkel/beleid-en-financiering-van-landschap • Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) http://www.portaalnatuurenlandschap.nl/snl/

Geschiedenis en ontstaan landschap

• De geschiedenis van de landbouw en IJsselhoeven http://ijsselhoeven.nl/sites/default/files/u3/deel4landbouw.pdf


69


70

Begrippenlijst

Abiotisch – Onder invloed van niet-organische processen tot stand gekomen Beekeerdgrond - Beekeerdgronden liggen langs beken. Ze zijn ontstaan door ontginning van elzenbroekbos. De bodem heeft twee lagen: een donkere bovengrond, met een scherpe overgang naar een organische stofarme ondergrond. Beeldkwaliteitsplan - Een plan, opgesteld als aanvulling op het ruimtelijke plan dat zich doorgaans vooral richt op functionele kwaliteiten, dat de na te streven beeldkwaliteit beschreven. Dat gebeurt onder meer door aan te geven op welke ruimtelijke kenmerken van landschap en bebouwing en landschappelijke structuren en elementen moet worden ingespeeld en welke streefbeelden moeten worden nagestreefd Biodiversiteit - Biologische verscheidenheid, het aantal soorten planten en dieren Biotisch – Onder invloed van organische processen tot stand gekomen Bodemprofiel - De -meestal- gelaagde doorsnede van de bovenste 1 a 2 meter van de aardkorst. Broekbos - Bos op laaggelegen terrein met zeer hoge grondwaterstanden, soms geheel dras. De bodem is vaak zeer humeus tot venig. Bekende typen zijn elzenbroekbos (rijkere grond) en berkenbroekbos (armere grond) Broek - Een ‘broek’ is een laaggelegen gebied dat nat blijft door opwellend grondwater (kwel) of is een langs een rivier of beek gelegen laag stuk land dat regelmatig overstroomt en `s winters vaak langere tijd onder water staat. Clump – Een groep bomen Cultuurdek – Via het potstalsyteem verrijkte aarde die in een dikke laag (het cultuurdek) werd opgebracht op arme zandgronden om deze beter geschikt te maken voor akkerbouw. Cultuurlandschap - Een landschap dat ontstaan is door de activiteiten van de mens. Dekzand- Dekzand bestaat uit door de wind afgezette zanden gedurende het laatste deel van de laatste IJstijd Dekzandrug – Lage duinrug ontstaan door de opeenhoping van dekzand; vaak op de overgang van onbegroeide naar begroeide gebieden. Dynamiek rivier – De afwisseling in stroomsnelheden van het af te voeren rivierwater en overstromingsprocessen geven de rivier een bepaalde vorm (stroomruggen en kreken, microrelief). De rivier slijt materiaal uit en zet ook materiaal af langs de oevers, waardoor een rivier steeds van vorm verandert. Enkeerdgrond - Door de mens gevormde bodem van 50 cm of dikkere laag die een hoog percentage organisch materiaal bevat (verkregen via het postalsysteem. (zie cultuurdek en potstalsysteem) Erosie - Afslijting van land door de werking van de wind, het ijs, stromend water en de zee Es/enk - Met mest opgehoogde akkers die vooral vroeger rondom dorpen in het zandlandschap te vinden waren. Extensieve recreatie - Ontspanningsmogelijkheden, meestal op kwetsbaar terrein, waarvoor weinig voorzieningen nodig zijn en waaraan weinig mensen tegelijkertijd en op dezelfde plek deelnemen, bijv. wandelen in een bos Geriefhout - Hout voor eigen gebruik van een boerderij: essenhout voor stelen van gereedschap, berkenhout voor bezems en wilgenhout voor in de kachel Grondwaterprofiel – De onderkant van de wortelzone blijft gedurende het groeiseizoen in contact met het grondwater


71 Haarpodzolgrond – Relatief arme zandbodem Hakhout – zie geriefhout Hangwaterprofiel – Het contact tussen de onderkant van de wortelzone en het grondwater is aan het begin van het groeiseizoen al verbroken Heesterlaag – Middelste beplantingszone in de opbouw van een bosrandstruweel, bestaande uit heesters. De andere twee zones zijn de kruidlaag (voorste zone) en de boomlaag (achterste zone) Holoceen – Geologisch tijdsvak. De periode die loopt vanaf de laatste ijstijd (het einde van het pleistoceen) tot nu Inheems – Afkomstig uit de eigen streek Inzijggebied (of infiltratiegebied) - Gebied waar het water als neerslag de grond intrekt Keileem - Een afzetting die door het landijs wordt gevormd door de wrijvende werking op meegevoerd en ter plaatse aanwezig materiaal. Komgrond - Kleigrond afgezet buiten het zomerbed van een rivier Kreek(bedding en -rug) - Geul in buitendijkse gronden Kruidlaag - Voorste beplantingszone in de opbouw van een bosrandstruweel, bestaande uit kruidachtigen. De andere twee zones zijn de heesterlaag (middelste zone) en de boomlaag (achterste zone) Kwelwater - Water dat via de ondergrond stroomt en in een ander gebied naar buiten treedt Laarpodzolgrond –Vergelijkbaar met enkeerdgrond, maar dan met een cultuurdek van maximaal 50cm dik. Vaak voorkomend in het oude hoevenlandschap Lintbebouwing – Bebouwing geconcentreerd langs een weg en zo een lint vormend Microreliëf – Relatief kleinschalige hoogteverschillen Ooibos - Het ‘ooibos’ is een oorspronkelijke biotoop die zich met name voordoet langs rivieren. Peilverhoging – het vernatten van bepaalde gebieden tbv. natuurontwikkeling Plantverband – De wijze waarop de planten (bomen en struiken) onderling t.o.v. elkaar geplant zijn (bijv. driehoeksverband – in een driehoek geplaatst - of wildverband – zonder stramien) Pleistoceen – Geologisch tijdsvak. De periode duurde van 2,588 miljoen tot 11,56 duizend jaar geleden en werd opgevolgd door het holoceen. De bodemopbouw van met name het zandlandschap is voor een groot deel tijdens het pleistoceen gevormd. Podzoleringsproces – Zie podzolvorming Podzolvorming – het onstaan van een uit- en inspoelingslaag in de bodem. Zie ook uitleg en afbeelding op blz. 11-12 Potentieel natuurlijke vegetatie/PNV – De vegetatie die op den duur van nature zou ontstaan op een bepaalde plek onder de huidige groeicondities (klimaat, bodem, waterhuishouding) Potstalsysteem – Oud landbouwsysteem dat op zandige gronden tot ontwikkeling kwam en dat voortkwam uit een samenhangend systeem van akkercomplexen, woeste gronden en weidegronden. Men stalde het vee in een zogenaamde potstal waarin heideplaggen op de grond werden gelegd. De mest vermengde zich met de plaggen en als een dik pakket was ontstaan, werd dit uit de stal geschept en gebruikte men deze potstalmest om de voedselrijkdom van de landbouwgronden te verhogen. Rivierkleigrond – Bodems met een laag door rivieren afgezette klei Saalien – De voorlaatste ijstijd. Onderdeel van het Pleicosteen Sedimentatie - Sedimentatie is afzetting van materiaal door rivieren, zeeën, gletsjers en/of wind Spinnewebstructuur – het wegenpatroon dat kenmerkend is voor het essenlandschap waarbij wegen niet rechtlijnig en rationeel zijn, maar vanuit de kern van een dorp uitwaaieren naar andere dorpen in de omgeving – als in een spinneweb


72 Streekeigen – Behorend tot en kenmerkend voor een bepaalde streek/gebied Stroomrug - Relatief hooggelegen strook in een riviervlakte, bestaande uit een opgevulde, verlaten rivierloop en de daarbij horende oeverwallen. Struweel - Vegetatie die gekarakteriseerd wordt door struiken (minder dan 5 meter hoog) Terugzetten – Het terugsnoeien/-kappen van boomvormers (dit deed men vroeger vaak tbv. de productie van brand- of geriefhout) Veldpodzol – Behoort tot de podzolgronden. Van oorsprong meestal in gebruik als weiland. Verkavelingspatroon - De wijze waarop een bepaald gebied verdeeld is in kavels. Deze kavels kunnen recht en hoekig zijn (rationele verkaveling), maar ook grillig van vorm (mozaïekverkaveling) Waterretentie – Het vasthouden van water op plekken waar dit mogelijk is om overstroming in bevolkte gebieden te voorkomen. Watersysteem - Het watersysteem bestaat uit het oppervlaktewater, het grondwater en de daarmee samenhangende waterbodems, oevers en kusten, alsmede de daarin levende organismen Weichselien – Laatste ijstijd. Onderdeel van het Pleicosteen Winterdijk – Dijk op grotere afstand van de rivier die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming. Het gaat om een hoge dijk die samen met de zomerdijk de uiterwaarden begrensd Zomerdijk - Lage dijk of kade aan weerszijden van de rivier, die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming in de zomer


73


74

Literatuurlijst

Indeling op titel Beeldkwaliteitplan Breukelen-Loenen Brons & Partners Landschapsarchitecten Brons & Partners Landschapsarchitecten, 2008 Beeldkwaliteitsplan buitengebied, gemeente Montferland F. Fähnrich BügelHajema Adviseurs, 2010 Beplantingstypen – dictaat J. Martin et al. Hogeschool Larenstein, 2000 Erven bij IJsselhoeven – het groene project Tanny Brons et al. Stichting IJsselhoeven, 2007 Handboek agrarisch natuurbeheer Landschapsbeheer Nederland Handreiking ruimtelijke kwaliteit IJssel Bosch Slabbers Landschapsarchitecten iov. Provincie Overijssel, 2007 Inspiratieboek Keppel en omgeving A. Harsveld Dienst Landelijk gebied, 2010 Landschapsbouw – dictaat M. van Lidth de Jeude et al. Hogeschool van Hall Larenstein Landschapsecologie – dictaat M. van Dijk Hogeschool van Hall Larenstein, 2008 Landschapsontwikkelingsplan ‘Van Veluwe tot IJssel’ LOS Stadomland ism. gemeente Epe, Heerde en Voorst, 2009 Landschapsontwikkelingsplan Breukelen-Loenen Brons & Partners Landschapsarchitecten Brons & Partners Landschapsarchitecten, 2008 Notitie ruimtelijke kwaliteit veranderende erven Voorst Gelders genootschap iov. Gemeente Voorst, 2009 Omgevingsvisie Overijssel Provincie Overijssel in samenwerking met: H+N+S Landschapsarchitecten/Van Paridon x de Groot landschapsarchitecten, 2009


75 Ontstaan van het Nederlandse landschap – cursusdeel 1 H. Wientjes Landschapsbeheer, 2003 Opgaande beplanting in de praktijk – cursusboek H. Wientjes Landschapsbeheer, 2003 Regionale structuurvisie Stedendriehoek 2030 – visie op het bundelingsgebied Edwin van Uum, Cristien Bensink Regio Stedendriehoek, 2007 Visie buitengebied Lochem mRO ism. gemeente Lochem Gemeente Lochem, 2007 Websites: Cultuurhistorisch beheer www.chbeheer.nl Landschapsbeheer Nederland www. landschapsbeheer.nl


76

Casusuitwerking beplanting camping

De casusuitwerking beplantingsplan is als bijlage aan het beeldkwaliteitsplan toegevoegd. In deze casus uitwerking is een (fictieve) situatie als uitgangspunt gekozen, nl. een boerderij in het oude hoevenlandschap. De eigenaars van deze boerderij hebben de wens het erf om te zetten tot mini-camping en willen daarbij hun erf zou goed mogelijk inpassen in het landschap. Dat betekent het gebruiken van streekeigen beplantingstypen en plantensoorten. Aan de hand van de in dit boek opgestelde visie en gebiedseigen kenmerken wordt een beplantingsontwerp opgesteld. Dit ontwerp wordt uitgewerkt in een beplantingsplan en aangevuld met een bestellijst. Situatieschets: Ik ben uitgegaan van een erf, gelegen op een dekzandrug die iets hoger ligt dan het nattere beekdal. De bodem bestaat uit (via het potstalsysteem verrijkte) laarpodzolgrond. Dit is dus nog geen enkeerdgrond, maar de bodem bevat wel een eerdlaag van bijna 50cm dik. De bodem is niet tot nauwelijks verstoord geweest, zodat horizonten nog duidelijk aanwezig zijn. De huidige grondwatertrap is VI. De bomenlanen in de omgeving zijn grotendeels stevig beplant, waardoor het niet nodig is om een bomenrij als windsingel langs het erf te planten.


77

heesterstruweel


78

Kenschets en visie oude hoevenlandschap

Het oude hoevenlandschap staat reeds uitvoerig beschreven in het beeldkwaliteitsplan, maar voor de volledigheid worden hier de belangrijkste kenmerken nogmaals herhaald. Deze kenmerken scheppen het kader voor het beplantingsplan. Ter aanvulling worden sfeer- en referentiebeelden gepresenteerd.

Visie oude hoevenlandschap

Het kleinschalige landschap van het oude hoevenlandschap kan versterkt worden door het besloten karakter te herstellen. Dat kan door weg- en erfbeplanting (met name hagen) te versterken en bosjes te herstellen. De kampen zelf, de oude akkers, dienen echter vrij te blijven van opgaande beplanting om hun openheid te behouden. De kampen liggen wat hoger dan de omliggende gronden. Die hoogteverschillen kunnen geaccentueerd worden met beplanting. De lagere delen zijn veelal open van karakter. Deze openheid moet gewaarborgd blijven. Het kampenlandschap biedt veel mogelijkheden voor recreatieve verbindingen over de erven. Als in het kampenlandschap de wegen en perceelsranden fors beplant zijn, is het minder van belang het erf stevig in te planten. Omdat er door de beschutte ligging van erven minder noodzaak is tot windkering staan bomen en struiken in groepjes. Waar de wegen niet (meer) fors beplant zijn dient aan dit landschap gebouwd worden door bossages en bomenlanen aan te planten langs een of twee zijden van het erf. Boerderijerven op kleine dekzandkopjes temidden van lagere gebieden accentueren door aanplant van een solitair van de 1e grootte (beuk, linde, kastanje). De omringende akkers vrij en open houden zodat de hoogteverschillen benadrukt worden.

Aanvullende beleids- en visiepunten De volgende algemene beleids- en visiepunten zijn van toepassing: • Het verhogen van het contrast tussen hooggelegen gebieden en laagtes. Dit hoog-laagpatroon is één van de belangrijkste dragers van het landschap. • Het versterken van cultuurhistorische kenmerken door middel van beplantingselementen; • Het zoveel mogelijk herstellen van landschapskenmerken door middel van sterke landschappelijke groenstructuren; • Versterken van ecologische waarden en biodiversiteit door groenstructuren zoveel mogelijk te schakelen. Ook erven maken een belangrijk onderdeel uit van deze groene schakels en moeten daarom zoveel mogelijk worden ingeplant met inheems plantmateriaal; • Beplantingselementen worden ingeplant (of langzamerhand vervangen) met streekeigen beplantingssoorten. Op erven mogen ook niet inheemse (sier)heesters voorkomen, mits deze passen bij het karakter van de streek. Hierbij gaat de voorkeur uit naar ecologisch waardevolle planten, zoals sering en vlinderstruik (nectarplanten). Gebruik zoveel mogelijk bladverliezende soorten om het seizoenskarakter te versterken. Conifeer hoort niet thuis in het buitengebied.

Hoofdkenmerken

Van oorsprong zeer kleinschalig landschap met veel variatie (natte gronden, naast hogere eenmansessen). Veel groen (houtwal, laan)


79

Een rustiek landschap vraagt tijd

Aanvullende eisen tav. het gebruik

Het erf zal in gebruik genomen worden als minicamping. Dit vereist aanvullende voorwaarden voor de beplantingen die niet af te leiden zijn uit de visie. Zou men normaal gesproken in dit type landschap geneigd zijn een eik, kastanje of linde aanplanten als solitair aan te planten - is het hier beter om te kiezen voor andere soorten. Eik, met name zomereik, wordt momenteel erg belaagd door de processierups die veel overlast kan veroorzaken. Een linde en kastanje hebben een erg dicht bladerdek en geven daardoor relatief veel schaduw. Bovendien hebben de meeste lindes last van honingdauw, een kleverig goedje, afgescheiden door bladluizen, dat van de bomen afdruipt. In het plan is gekozen voor populier.

heesterstruweel

Van alle landschapstypen in de stedendriehoek is het oude hoevenlandschap het meest romantisch en nonchalant. Klassieke, statige lanen zijn niet aan de orde, rustieke, knoestige bomen (solitaire eiken, oude fruitbomen, scheefgroeiende boomclumps) echter wèl. Deze nonchalance heeft een erg aantrekkelijke charme en geeft een vriendelijke uitstraling, maar gaat helaas wel gepaard met ouderdom. Beplantingen moeten de tijd krijgen om tot wasdom te komen en rustiek uit te groeien in bochten en kronkels. De echte sfeer van het oude hoevenlandschap laat jaren op zich wachten. Men moet het hercreëeren en herstellen van het oude hoevenlandschap dan ook zien als een tijdsinvestering voor de toekomst. Gelukkig laat niet alle beplanting op zich wachten. Houtsingels zijn na enkele jaren al gevuld en hagen hebben na 3 jaar body.

Inheems en divers

Om de ecologische waarde te vergroten moet zoveel mogelijk (liefst uitsluitend) gebruik worden gemaakt van inheemse beplanting. Onder inheems wordt ook verstaan - planten die al sinds honderden jaren in Nederland groeien en die verwilderd zijn in de streek. Voor de biodiversiteit is het van belang om een zo gevarieerd mogelijk aanbod te kiezen (dus géén monocultuur!). De tabel achterin het beeldkwaliteitsplan is aangevuld met een kolom waarin voor elke inheemse plantensoort staat aangegeven voor welke diersoorten de plant nuttig is.

Voor nut en genoegen

In onze huidige maatschappij is het belang van het hebben van een nutstuin niet meer zo aanwezig. De supermarkt is immers altijd dichtbij. Desondanks zijn veel elementen die cultuurhistorisch gezien deel uitmaken van een erf en die het agrarisch landschap een zekere autenticiteit verlenen, van oorsprong bedoeld om ons tot nut te zijn. Een boomgaard werd niet geplant voor de schoonheid, maar voor het fruit en een met bomen beplant perceel werd benut als hakhout- of geriefbosje. Het zou goed zijn om deze beplantingstypen weer voor nut en genoegen in te zetten en niet alleen voor het beeld. Dus fruit om op te eten en in te maken en bosjes om (gefragmenteerd, dus niet alles in één keer) brandhout uit te oogsten.


80

Het beplantingsplan

Juglans regia -okkernoot

Prunus padus- vogelkers

Carpinus betulus-haagbeuk

Lonicera peryclimenum

Quercus robur-zomereik

Populus alba - witte abeel

Viburnum opulus-Gelderse roos

Prunus spinosa-sleedoorn

Crataegus laevigata-meidoorn

Peer ‘Beurré Hardy’


81

(Hakhout-)vogelbosje

Het vogelbosje dat de speelweide omsluit, bestaat uit boomvormers en heesters. Haagbeuk wordt gecombineerd met inheemse vogelkers (Prunus padus), hazelaar (Corylus avellana) en wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum). Fluitekruid, look-zonder-look, kleefkruid en andere planten die op den duur de kruidlaag zullen vormen, worden niet aangeplant. Ze zullen vanzelf verschijnen wanneer de bodem een zekere bedekking bereikt heeft. Haagbeuk vormt uitstekend brandhout met een hogere stookwaarde dan elke andere inheemse houtsoort. Eenmaal per 10-15 jaar terugzetten is voldoende. Doe dit gefaseerd ivm de in het bosje levende fauna. Verdeel het perceel hiervoor op in beheerseenheden.

Struweel

Door de aanwezigheid van talrijke bomenlanen in de omgeving van het erf, is het niet nodig om ĂŠĂŠn zijde van het erf te beplanten met een rij bomen die als windsingel dient. Er is voor gekozen om de houtsingel relatief laag te houden (tot maximaal 5-6m hoog). De gekozen heestersoorten worden eens per 5-8 jaar teruggezet. Het afzetten gebeurd om ecologische redenen bij voorkeur gefaseerd. Gefaseerd snoeien heeft nog bijkomende voordelen voor het gebruik van de camping: campingasten behouden hun privacy, omdat de singel nooit helemaal kaal is. Soorten die zijn opgenomen in de houtsingel zijn: Gelderse roos, katwilg, tweestijlige meidoorn, sleedoorn, wilde kardinaalsmuts en veldesdoorn.

Variatie in fruitsoorten

In de boomgaard is een variatie aan fruitsoorten van belang voor de biodiversiteit. Het gebruik - er moet in de boomgaard gekampeerd kunnen worden - stelt echter wel eisen aan de te gebruiken soorten. Zachtfruit dat in de zomer rijp is (kers, pruim), is niet geschikt vanwege de vlekgevoeligheid en het aantrekken van wespen. Gekozen is voor appels en peren die laat te oogsten zijn (vanaf september) zodat overlast voor bezoekers vrij-wel nihil is. Er is voornamelijk voor bewaarappels en peren gekozen zodat lang van de oogst geprofiteerd kan worden. Het verschil in vorm (peer-appel) geeft extra karakter.

Hagen

In het oude hoevenlandschap hoeven hagen niet echt gemillimeterd te worden. Een wat uitgegroeide haag past beter bij het landschap. In het beplantingsplan zijn twee verschillende haagplanten opgenomen. Meidoorn (Craetagus laevigata) wordt gebruikt voor de haag rondom de speelweide en de voorzijde van het erf. Deze haag is heuphoog. Aan de achterzijde van het erf is gekozen voor veldesdoorn (Acer campestre). Ivm de privacy worden de hagen hier op schouderhoogte gehouden. Dit zorgt ervoor dat campingbezoekers wel uitzicht houden wanneer ze staan, maar uit het zicht kunnen zitten. In principe volstaat eenmaal per jaar snoeien. Doorschietende takken in het campinggedeelte kunnen evt. nogmaals worden weggesnoeid.


83 82

Van aanleg naar eindbeeld

• Boomvormers die tot boom mogen uitgroeien worden aangeplant als boom. Deze bomen moeten vrijblijven van concurrentie. Boomspiegels moeten goed onderhouden worden en gras- en onkruidvrij blijven. Dit is van essentieel belang om de bomen goed aan te laten slaan. Na ongeveer 5 jaar is deze behandeling niet meer nodig. • Heesters - met name in het struweel - worden geplant als bosplantsoen. De plantafstand is niet de eindafstand, maar er hoeft ook niet gedund te worden. Er worden steeds drie exemplaren bij elkaar geplant op een onderlinge afstand van 1m. Deze zullen op termijn één grotere heester vormen. Door dicht op elkaar te planten, zal het struweel eerder gesloten zijn. Er wordt dus ook niet gewerkt met het systeem van wijkers en blijvers. In principe hebben alle gebruikte heesters een vergelijkbare groeikracht. De gekozen soorten komen ook in het wild voor als plantverbond (meidoorn-sleedoornverbond). Vlier en schietwilg zijn - ondanks hun ecologische waarde - niet in dit plan opgenomen, vanwege hun enorme groeikracht. • De hoogstam-vruchtboomgaard bestaat uit twee appelrassen en twee perenrassen. De rassen bestuiven elkaar en bloeien gelijktijdig. Alle gekozen rassen zijn laat te oogsten, vanaf oktober, muv. de peer ‘Beurré Hardy’, deze is rijp vanaf september. Het hoogseizoen is dan al voorbij, zodat vallend fruit geen echt grote problemen zal veroorzaken, maar desondanks wordt dit perenras toch aan de zij-randen geplaatst.Dit ras levert tevens het enige fruit op dat niet lang bewaard kan worden (tot november -de overige soorten tot maart). Er is gekozen voor soorten die erg oud kunnen worden, een goede groei hebben en een rustiek uiterlijk krijgen. Uiteraard is hier wel enig geduld bij nodig (minimaal 25 jaar). De bomen zullen echter al wel veel eerder vruchtdragen. • Populus alba is een snelgroeiende boomsoort en zal dus al vrij snel een redelijk formaat hebben. Daarnaast kan deze boom vrij oud worden, waardoor deze op den duur bijdraagt aan het rustieke karakter van het oude hoevenlandschap. Daarnaast is deze boomsoort ecologisch waardevol.

• Bij het bosje en struweel worden planten in driehoeksverband uitgezet. Dit driehoeksverband hoeft niet zuiver te zijn (het uitzetten met behulp van draden is dus niet nodig, zolang de plantafstanden maar ongeveer kloppen). • De gehanteerde plantafstanden voor het struweel zijn afkomstig uit het Handboek Agrarisch Natuurbeheer (1m voor bosplantsoen in struweel). Voor het hakhoutbosje hanteren we een plantafstand van 1.5m. • Het hakhoutbos moet een minimale bedekking van 50% hakhout bevatten om voor subsidie in aanmerking te komen. • In het hakhout/vogelbosje is een kruidlaag gewenst, omdat dit de bodem vochtiger houdt, waardoor gekozen soorten beter aanslaan. Er kan eventueel een tijdelijke kruidlaag worden ingezaaid. Op termijn zal de kruidlaag hier bestaan uit schaduw-minnende soorten. Dat is direct na aanplant nog niet aanwezig. Er kan dan ook beter voor gekozen worden om de bodem in te zaaien met een tijdelijke kruidlaag die geschikt is als onderbegroeiing (Bijv. Limagran, bestelnummer 6: Speciaal samengesteld voor ruige onderbegroeiing en bosranden op voedselrijke grond.) Zorg voor dood hout in het bos. Dit bevordert de aanwezigheid van paddestoelen en holenbroeders. Laat bijvoorbeeld enkele dode bomen staan en ruim omgevallen bomen niet op. Bestaat de ondergroei van een bosje vooral uit fluitenkruid, brandnetel, zevenblad of andereoverheersende kruiden, maai deze dan vóór de bloei. Het maaisel kunt u laten liggen of desnoods wat bij elkaar harken. Houd dit enkele jaren vol. Na verloop van tijd zult u merken dat de vegetatie soortenrijker wordt.


1m

1m

Detailuitwerking 1 - struweel

1m 7 plantrijen per 6m breedte in verschoven of ‘onzuiver’ driehoeksverband. De onderlinge plantafstand bedraagt 1m. De planten worden evenredig verdeeld over het beschikbare oppervlak. Wel worden alle planten steeds in groepjes van drie geplant. Zo’n groep van drie vormt op termijn één struik Percentages: Crataegus laevigata - 25% Prunus spinosa - 25% Salix viminalis - 15% Acer campestre - 10% Euonymus europaeus - 10% Viburnum opulus -15%

1,5

m

1,5

m

Detailuitwerking 2 - bosje

1,5m 14 plantrijen per 12m breedte in verschoven of ‘onzuiver’ driehoeksverband. De onderlinge plantafstand bedraagt 1,5m. De planten worden evenredig verdeeld. Wel worden de soorten Prunus padus en Corylus avellana steeds in groepjes van drie bij elkaar geplant. Percentages: Carpinus betulus - 60% Prunus padus - 20% Corylus avellana - 15% Lonicera periclymenum - 10%

0,3m

Detailuitwerking 3 - haag 0,5m breed

0,4m Haag geplant in 2 rijen in verschoven verband. De afstand in de rij is steeds 0,4m, de afstand tussen de rijen is 0,3m. De uiteindelijke breedte van de haag bedraagt 0,5m.

0,35 - 0,35m

Detailuitwerking 4 - haag 1m breed

0,4m

Haag geplant in 3 rijen in verschoven verband. De afstand in de rij is steeds 0,4m, de afstand tussen de rijen is 0,35m. De uiteindelijke breedte van de haag bedraagt 1m.


84 82

Uitvoeringstekening en bestellijst


Het agrarisch cultuurlandschap is gevormd door de natuurlijke omstandigheden en hoe de mens daarop heeft ingespeeld. Het agrarisch cultuurlandschap is een gebruikslandschap bij uitstek. Het agrarisch gebruik in het verleden heeft de basis gelegd voor het landschap van nu. Hoewel het landschap met name vanaf de laatste eeuw drastische veranderingen heeft ondergaan, zijn in verreweg het grootste deel van ons huidige landschap nog belangrijke structuren en kenmerken aanwezig die dateren van eeuwen geleden. Deze eigenschappen geven een gebied streekeigen karakteristieken en zorgen voor een gevarieerd landschap. In de huidige maatschappij moeten agrariĂŤrs op steeds grotere schaal gaan opereren om nog in hun bestaan te kunnen voorzien. Dit legt een grote druk op het landschap. Veel van de cultuurhistorische kenmerken, zoals houtwallen en struwelen, verdwijnen steeds meer uit het landschap, waardoor gebieden hun streekeigen karakters verliezen en er uiterlijk steeds minder verschil is tussen het ene landschapstype en het andere. Daarnaast betekent het verlies van beplantingselementen ook een groot verlies voor inheemse flora en fauna voor wie de cultuurlijke beplantingslementen van grote waarde zijn. Om het tij te keren is dit beeldkwaliteitplan opgesteld. Het helpt gemeentes, agrariĂŤrs en burgers om de leefomgeving in het buitengebied te verbeteren met behulp van laan-, kavelgrens- en erfbeplantingen.

iov. Hogeschool van Hall Larenstein, 2011

Landschappelijke beplanting  

Rapport landschappelijke beplanting. Streekeigen beplantingstypen binnen de stedendriehoek Apeldoorn-Zutphen-Deventer

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you