Page 1

de natuur ontkleed Rollin Verlinde


de natuur ontkleed Rollin Verlinde


Eerste druk, herfst 2012 Š2012 De Groene Gedachte, Tienen www.degroenegedachte.be ISBN 978 90 818 0917 7 Auteur & fotograaf: Rollin Verlinde Fotografie grutto en zwartkop: Yves Adams - Vildaphoto www.vildaphoto.net Grafische vormgeving & opmaak: Dennis Martens SFAR creative group, Hasselt www.sfar.be Uitgeverij: De Groene Gedachte, Tienen

colofon

4

De Groene Gedachte helpt bij het verspreiden van een positief gedachtegoed, gaande van gezonde voeding, een gezonde levenshouding, balansbewerkstellende en balansherstelllende mechanismen of interacties van mens tot mens, van cultuur tot cultuur en tussen mens en natuur. Dit boek werd geproduceerd en gedrukt in BelgiĂŤ wat energieverspillende transporten overbodig maakt. Het papier is FSCgelabeld. Het hout als basisgrondstof werd aldus geproduceerd in ecologisch beheerde bossen met een gegarandeerde heraanplanting. Distributie: Distribook - B 4 Books Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt, door middel van druk, fotocopie, microfilm, of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van De Groene Gedachte. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission from De Groene Gedachte.


de natuur ontkleed ecologisch alfabet colofon inleiding chapiter A chapiter B chapiter C chapiter D chapiter E chapiter F chapiter G chapiter H chapiter I chapiter J chapiter K chapiter L chapiter M chapiter N chapiter O chapiter P chapiter Q chapiter R chapiter S chapiter T chapiter U chapiter V chapiter W chapiter X chapiter Y chapiter Z bibliografie

4 7 9 15 23 27 35 43 46 52 56 59 60 66 69 76 87 92 101 103 105 118 123 127 137 139 140 141 146

5


Is dit ook onze toekomst? Ongeveer duizend jaar geleden zag een kleine groep varende Polynesiërs tot hun grote opluchting weer land opdoemen aan de horizon. Na weken te hebben rondgedobberd in twee open kano’s op de Stille Oceaan werd het dringend tijd dat ze vers voedsel en water vonden. Het eiland zag er paradijselijk uit, bedekt met reuzenpalmen, weelderig struikgewas, varens en grassen. Het zat er vol vogels, waaronder papegaaien en rallen. Ze doopten het land Rapa Nui en ze besloten er te blijven. Hoe het eiland er precies uitzag voordat deze kleine groep mensen arriveerde, dat weet men zo ongeveer: fossiele resten van planten en dieren zijn er veelvuldig aangetroffen. Uit stuifmeelkorrels,  opgeslagen in het veen, kan men immers afleiden wanneer welke vegetatie er gedijde. Het is een techniek die men ook gebruikt om in West-Europa de vegetatieontwikkeling na de ijstijden te reconstrueren. Wat exact gebeurd is nadat de mensen het eiland gingen exploiteren, dat weet men echter niet. De eerste geschreven verslagen dateren van honderden jaren later, met name van Paaszondag 5 april 1722. Het was ene Jacob Roggeveen die het eiland herontdekte, dat hij bedacht met de naam ‘Paaseiland’. De bossen waren inmiddels verdwenen, de vogels nagenoeg uitgestorven en de mensen hadden het grootste deel van het bruikbare land ingericht als landbouwgebied om te kunnen overleven. Kleine akkertjes waren wanhopig omgeven met stenen muren om de oceaanwinden en erosie door hevige neerslag tegen te houden.

Een theorie die tegenwoordig meer opgang maakt, is dat de eerste kolonisten Polynesische ratten bij zich hadden. Die werden gebruikt als voedsel door de eilandbewoners, maar de dieren aten op hun beurt de eieren van de vogels op, naast alle boomzaden. Bijna alle resten van boomzaden die men nog kon vinden vertoonden knaagsporen van ratten. Noch de traaggroeiende bomen, noch de vogels, die nu op de grond moesten broeden, hadden enig verweer tegen de nieuwe vijand. En evolutie werkt niet snel genoeg om een adequate verdediging mogelijk te maken. De gevonden skeletten toonden daarenboven geen sporen van oorlogswonden. Sommige onderzoekers beweren zelfs dat er geen sprake was van overdreven overbevolking. Er vond dus geen oorlog plaats maar een ecologische catastrofe, te wijten aan de niet inheemse dieren die ze meebrachten.

7 inleiding

Verschillende theorieën doen de ronde. De populaire is dat ten gevolge van overbevolking een groot deel van de bossen werd gekapt en dat de vogels werden opgegeten. De resterende bomen werden benut om de gekende enorme beelden op hun plaats te kunnen zetten, als een soort megalomaan bouwproject van een eerzuchtig oorlogsheer. Door honger en veelvuldige stammentwisten stortte de bevolking tenslotte in elkaar en de cultuur verdween grotendeels.


Het verhaal van Paaseiland wordt regelmatig gebruikt als mogelijk toekomstscenario voor de mens op deze planeet. Ook de aarde is een soort eiland met een beperkte grootte. Ongelimiteerde bevolkingsgroei is niet meer mogelijk. De nieuwe theorie van wat er op het eiland gebeurd is, illustreert, althans wat mij betreft, veel beter wat ons als mensheid ook te wachten staat. De populaire oorlogstheorie waarbij iedereen vecht om de laatste druppels zuiver water is niet erg realistisch. Wel stevenen we af op een kaal eiland waar bijna elke vierkante meter gebruikt zal worden om voedsel te telen. Niemand ziet dit als een positieve toekomst voor zijn kinderen en kleinkinderen, het milieubewustzijn neemt net daardoor op veel plaatsen snel toe. Er worden natuurreservaten opgericht, werkgroepen beschermen bomen en bossen. De ecologische voetafdruk is ondertussen voor niemand nog een loos begrip.

inleiding

8

We moeten er wel op letten niet dezelfde fout te maken als de Polynesiërs: zij beseften niet dat hun inspanningen om de schaarse hulpbronnen te beschermen in feite vruchteloos waren door de almaar groeiende rattenpopulatie op het eiland. Tegen de tijd dat ze dit doorkregen was het helaas te laat om in te grijpen. Het zou jammer zijn als ons hetzelfde zou overkomen. Rondom mij zie ik veel mensen van goede wil, maar door gebrek aan kennis worden nogal wat fouten gemaakt, zelfs op het hoogste politieke niveau. Ook kranten staan vol fouten als het op ecologie aankomt. Maar weinig mensen hebben een correct inzicht in hoe die natuur in elkaar zit en de anderen nemen dan ook verkeerde beslissingen. Een nestkastje hangen, maar tegelijk je twee katten laten loslopen in je tuin en parelvederkruid kopen voor in je vijver: deze daden zijn eigenlijk onverenigbaar. Het bestrijden van ‘exotische’ planten- en diersoorten kost de overheden miljoenen euro’s, maar anderzijds worden er wel steeds meer van die soorten verkocht. Landschappen worden geëgaliseerd voor de landbouw, waardoor vogels geen nestplaats meer vinden. De oplossing lijkt er vervolgens in te bestaan de ‘nuttige’ predatoren af te schieten. Dit boek zet een aantal misverstanden recht. Wellicht zijn sommige stukjes leuk en andere erg confronterende eye-openers; toch hoop ik oprecht dat een boswandeling, het lied van een merel of het gekrijs van een voorbijvliegende ekster na het lezen van dit boek andere gevoelens zullen oproepen dan voorheen. Gevoelens van empathie voor wilde planten en dieren die jaar in jaar uit, in winter en zomer moeten zien te overleven in de natuur. Begrip voor een ekster die een merelnest leeghaalt. En bewondering voor hoe kleine mieren een enorm nest kunnen bouwen, en vooral de omgeving rond dat nest sterk kunnen beïnvloeden. Met die extra kennis wens ik je veel plezier in de natuur!


chapiter

B

Bedreigd

Hoe kun je te weten komen welke soorten bij ons bedreigd zijn? Zoals gezegd zijn er lijsten en tabellen gemaakt, waarin soortgroepen zijn ingedeeld in niet-bedreigd, zeldzaam, kwetsbaar, bedreigd, met uitsterven bedreigd en uitgestorven. Er is ook nog een wazige categorie ’onvoldoende gekend’, want een wetenschapper doet, in tegenstelling tot de rest van de maatschappij, alleen uitspraken als hij ergens voldoende zekerheid over heeft. Die tabellen heten ‘rode lijsten’ en je vindt ze onder meer op de website van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Vlaanderen of van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in Nederland. Zoek ze eens op en verwonder je ook over de rijkdom aan namen en het aantal soorten dat bij ons is verdwenen, zonder dat je er ooit al van hoorde. Of wilde je beweren dat de gegroefde naaktslak en opstijgende steentijm bij jou wel een belletje doen rinkelen?

15 chapiter B

Een term die je in bijna elk artikel over natuur te lezen krijgt. Een bedreigde diersoort hier en een bedreigde plantensoort daar. Niet minder dan 40 % van de soorten op aarde zou bedreigd zijn. Maar wat betekent dat eigenlijk? Een soort is bedreigd als zijn kans op uitsterven vergroot is door menselijke activiteiten. Dat is natuurlijk niet altijd goed na te gaan, vandaar dat er afspraken zijn gemaakt om een soort bedreigd te kunnen noemen. Het gaat om een combinatie van de mate van achteruitgang van een soort, de oppervlakte waarop hij voorkomt en het aantal individuen dat de populatie nu nog telt. Een soort die in de laatste 10 jaar met 50 % is afgenomen en over een paar duizend vierkante kilometer voorkomt, is duidelijk bedreigd. Je kunt dit dus alleen maar weten als je over goede tellingen beschikt. Anderzijds is een soort die maar op 100 km² voorkomt, maar wel groot is in aantal is en niet in aantal achteruitgaat, niet bedreigd. Vooral als zijn habitat niet in oppervlakte of kwaliteit achteruitgaat. Wetenschappers hebben op die manier dus vastgelegd wanneer je mag spreken over een bedreigde soort. Vervolgens hebben ze lijsten gemaakt van alle soorten die naar hun normen bedreigd zijn. Bedreigd wil zeker niet zeggen dat een soort aan het uitsterven is, we moeten er gewoon op letten maatregelen te nemen zodat de situatie niet erger wordt. Anders komt de soort terecht in de categorie ’met uitsterven bedreigd’ en ten slotte in ’uitgestorven’. Let wel, ook dat hoeft geen drama te zijn. Een soort kan in Vlaanderen uitgestorven zijn en in Oost-Europa heel algemeen voorkomen. Dat is natuurlijk geen excuus om een soort te laten vallen, maar enkel uitgestorven op wereldschaal is definitief.


Beschermd Vroeger had ik op mijn kamer een poster met de titel ‘Beschermde planten van België’. Met afbeeldingen van bijvoorbeeld de kievitsbloem, herfsttijloos en enkele orchideeën. Veel heeft het niet opgeleverd voor heel wat van die soorten. Bovendien durf ik zonder te verpinken een flink veldboeket met die planten afgeven op het plaatselijke politiekantoor. Er zullen niet veel wetsdienaren zijn die in een boeket met klokjesgentiaan, wolverlei of koningsvaren een overtreding zien. Je hebt dus als soort weinig aan een beschermde status. Met uitzondering van de enkele hardwerkende handhavingswachters van het Agentschap voor Natuur en Bos of Staatsbosbeheer is de controle minimaal. Bovendien geraken de meeste soorten niet eens bedreigd omdat ze worden geplukt of verzameld. Zeer recent worden in natuurgebieden wel orchideeën uitgegraven door antropocentristen maar dan nog. Voor al die soorten zijn overbemesting, verlies aan kwalitatief leefgebied en grondwaterdalingen oneindig veel erger dan het plukken ervan. In Vlaanderen wordt jaarlijks ongeveer 500.000.000.000 liter water opgepompt. Wellicht veel meer, maar dit gaat over de vergunde waterputten. Veel bedreigde plantensoorten zijn afhankelijk van dat grondwater, een daling van 10-20 cm kan al een probleem vormen. De status ’beschermd’ zal ze daarbij helaas niet veel helpen.

Bijvoederen

chapiter B

16

Ik weet dat de meesten onder jullie beseffen dat vogels het niet makkelijk hebben, het aantal winterse voederplankjes overtreft tegenwoordig met gemak de goudvisbokalen. Dat illustreert gelukkig onze veranderende visie op de manier waarop we van dieren kunnen genieten. Die voederplankjes zijn dikwijls voorzien van meer lekkernijen dan ik soms op mijn eigen bord vind: vetbollen in alle maten, pindaslingers, uitgelezen zaadmengelingen, spekzwoerden, appeltjes en zonnebloempitten. Het helpt heel wat vogels de winter door en doortrekkers kunnen eens goed bijtanken. Na de winter kunnen de plankjes weg, want jonge vogels zijn niet gebaat met zaden, zij hebben insecten nodig. Die bevatten de noodzakelijke eiwitten om snel te kunnen groeien. Insecten, je weet wel, dat zijn die vieze beestjes die het jou en je tuin toch zo moeilijk maken. Rupsen, emelten, wormen, bladluizen, spinnen, muggen, vliegen … alle engerds, voor zover ze geen angel hebben, worden door de jonge ouders verzameld en met volle bekken tegelijk in de opengesperde snaveltjes van de jongen gepropt. Mijn familieleden en buren zijn zonder uitzondering grote vogelliefhebbers. Mijn overbuur zelfs in de betekenis waarmee kleine kooitjes en volières gemoeid zijn. Vol enthousiasme komen ze me vertellen dat ze in de tuin een ’bruine vogel met een gekleurde kop’ hebben gezien, en ze zijn oprecht verontwaardigd als een


Vleeskleurige orchissen zijn wettelijk beschermd. Je mag ze niet plukken en dit is terecht. Ze worden echter nog meer bedreigd door bemesting en verdroging van de bodems.


chapiter

G

Gewei

chapiter G

46

Een gewei, wat een prachtige uitvinding! Een Zwitsers zakmes voor herten. Makkelijk ook om je te verdedigen. Hert is namelijk erg lekker en dat weten wolven ook. En herten weten dat wolven dat weten. Dus zo’n stoer gewei is handig om wolven op afstand te houden. Als een hert echter een wolf ontmoet, stampt hij hem eerder dan zijn gewei te gebruiken. Als je wilt weten wat er handig is in de natuur, kijk je beter naar de dames. Als een gewei echt een wapen was tegen wolven, zouden hindes ook met zo’n ding op de kop rondlopen, zij hebben immers een kalf te verdedigen. Wanneer een lichaamskenmerk ontbreekt bij dames, dan is dat enkel bedoeld om de mannetjes tot last te zijn. Want met hoe meer handicaps mannen moeten zien te overleven, hoe sexyer de dames het schijnen te vinden. Vooral bij soorten die niet in koppeltjes leven. Zo is een mannetjespauw metaalachtig blauw en heeft hij een enorme staart en gesteelde bolletjes op zijn hoofd. Wie met zo’n clownspak overleeft in de Zuid-Aziatische jungle, die heeft supergenen, die weet wat overleven is. Die is ook onweerstaanbaar voor de pauwendames, die uiteraard zeer goed gecamoufleerd zijn. De natuur is niet eerlijk maar het werkt wel, veel mannetjes zijn er immers niet nodig om de soort in stand te houden. Kijk maar naar het hert, dat in de bronstperiode een harem van wel tientallen hindes rondom zich verzamelt. Die hindes kiezen het mannetje met het stevigste gewei dat er ook weg mee weet. Heel de bronstperiode door vecht het mannetje met uitdagers, opdat zijn concubines hem de beste keuze zouden blijven vinden. Een rijk nakomelingschap is dan ook de beloning. En zonen met grote geweien. Dat kan uit de hand lopen. Het reuzenhert, niet zo veel groter dan een edelhert, had een gewei, dat vier meter breed was en 50 kg kon wegen. Elk jaar opnieuw 50 kg beenderen aanmaken werd de soort mogelijk fataal. Hadden de dames gekozen voor heren met een schattig geweitje, dan was het wellicht anders uitgedraaid. Maar wat met rendieren? Dat zijn ook herten, maar hun naam is jammer genoeg een vergissing. In het Noors heten die dieren ‘rein’ (wat ‘gehoornd dier’ betekent), waar de Engelsen vervolgens rein-deer van hebben gemaakt. Gewei-hert zou aldus een betere benaming zijn dan ren-dier. En zou vooral meer van toepassing zijn, want de vrouwtjes hebben wél een gewei. En inderdaad, in het noorden is dat ding heel nuttig om in de winter dikke pakken sneeuw opzij te schuiven en om struikjes en korstmos te kunnen bereiken. Het voorste deel is daarvoor zelfs uitgegroeid tot een platte sneeuwschop. Ik moet er niet aan denken dat de mens een gewei zou hebben, alle deuren zouden


een halve meter hoger moeten zijn en we zouden enkel met een open dak kunnen rijden… Dan is ons alternatief voor een gewei toch eleganter, we noemen dat dan een BMW, een horloge van Breitling of een kostuum van Armani. Of humor, voor heren die geen geld hebben.

Groen Een term die te pas en te onpas wordt gebruikt. Het is een kleur, dat staat vast. Een maïsakker is groen en als je je gevel in ’Pale Moss’ of ’Dusty Emerald’ schildert, is die ook groen. Als je dus meer groen wilt, kun je dat op veel manieren bekomen. Meestal bedoelen mensen daar echter stadsparkjes mee of een flinke wingerd aan een voorgevel. Die zijn nodig, de gezondheid van mensen gaat er op vooruit als er meer groen in de buurt is. De onderzoekers bedoelen daar geen verf mee, maar echte bomen en struiken.

Groene long Het Zoniënwoud is de groene long van Brussel. Ik wacht nog steeds tot iemand de andere organen benoemt, de blindedarm, de lever en de buis van Eustachius. De maag zal wel in de buurt liggen van de rue des Bouchers. De groene long dus. Vooral bij natuurgidsen en lifestylemagazines ligt deze benaming goed in de mond. Die eretitel is dan ook te danken aan de zuurstofproductie. Een boom produceert immers zuurstof, het Zoniënwoud staat vol met bomen, heel dikke zelfs. Quod erat demonstrandum. Volgens mij komt er uit dat Zoniënwoud nauwelijks zuurstof. Uit het Amazonewoud, dat dikwijls ook de benaming ’groene long’ als compliment opgespeld krijgt, evenmin. Dat vraagt om een woordje uitleg. Planten maken zichzelf uit

47 chapiter G

Echte natuur is soms helemaal niet groen. Neem het Westhoekreservaat, 350 hectare redelijk goede natuur met veel verschillende vegetatietypes en meer dan 500 verschillende plantensoorten. In elk geval, een van de meest ongerepte natuurgebieden van Vlaanderen, hoewel dat nauwelijks een referentie is. Twee typische soorten in dit gebied zijn duindoorn en helmgras, omdat ze op bijna puur zand kunnen groeien. De eerste is wat grijzig en de tweede geelachtig. Een duin vol helm wordt ook een blonde duin genoemd. Mijn vader woont in De Panne en kijkt uit over dit reservaat, een mooier zicht kan ik me nauwelijks voorstellen. Maar als hij bij mij op bezoek komt (in het zuidelijke Pajottenland met zijn eentonige graslanden, mais en bieten) zegt hij steevast: “Wat woon jij toch mooi, zo in het groen!”


Bij het edelhert hebben enkel de mannen een gewei, het is een sieraad om indruk te maken op hinden en andere mannen. koolstofdioxide of CO2 en wat water. Ze gebruiken daarbij zonlicht als energiebron. Omdat ze zichzelf grotendeels opbouwen uit koolstof, moeten ze met die -dioxide ergens blijven. Dat is zuurstof, sinds jaar en dag een afvalproduct van planten. Dit is de fotosynthesevergelijking, die je ongetwijfeld ooit voor een biologie-examen vanbuiten hebt moeten leren: koolstofdioxide + water + zonlicht => plant + zuurstof

chapiter G

48

Hoe meer plant er wordt geproduceerd, hoe meer afval er is, dus hoe meer zuurstof. Let op, een plant produceert niet per se zuurstof, enkel als er plantenmassa bijkomt. Dus wanneer ze groeit, komt er zuurstof bij. Intussen verdwijnt er wat CO2 uit de lucht; een effect dat oneindig veel belangrijker is dan de zuurstofproductie. En nu een stap verder. Je kunt de fotosynthesevergelijking uitbreiden en alle bomen, struiken en planten samennemen, tot je het hele bos hebt. Dan is: CO2 + water + zonlicht=> het ZoniĂŤnwoud + zuurstof Dus als het bos groeit en zijn gewicht aan plantaardig materiaal toeneemt, zou er zuurstof bijkomen. Dat is echter niet het geval. Het ZoniĂŤnwoud is een oud bos met grotendeels volgroeide bomen. Het gewicht neemt niet toe. En als het gewicht niet toeneemt, komt er geen zuurstof vrij. Dat is vreemd, want de bomen zelf groeien toch? Dat is waar, maar oude bomen gaan dood, worden opgegeten door beestjes en schimmels die evenveel zuurstof verbruiken om de boom af te breken als die boom ooit heeft geproduceerd. We steken die bomen in een houtkachel, waarbij ook weer dezelfde zuurstof wordt gebruikt. Enkel als we het hout voor altijd hout laten zijn, waardoor het geen zuurstof verbruikt, wordt het bos zwaarder. Het


Het Westhoekreservaat, net zoals elk Vlaams duinengebied met appartementsblokken op de achtergrond. Het is een van de mooiste natuurreservaten, maar het is niet groen.

Het ZoniĂŤnwoud nabij Brussel is prachtig, maar het produceert geen zuurstof.

Een rustende nachtzwaluw. Een ecoloog heeft het dier voorzien van een zender, en kan nu nagaan waar de vogel broedt, rust en jaagt en wie de predatoren zijn.


chapiter

I

Inheems

chapiter I

56

Inheems is het tegenovergestelde van exoot. De haas is inheems, dat betekent dat de soort hier van oudsher voorkomt en hier na de ijstijden ook is geraakt en wel op een natuurlijke manier, met andere woorden op eigen kracht. Wellicht zou de soort hier ook voorkomen zonder tussenkomst van de mens. Als de soort hier op eigen kracht is geraakt maar enkel kan overleven dankzij de mens, dan noemen we hem een cultuurvolger. Een soort die (al dan niet bewust) is ingevoerd, wordt een exoot genoemd. De haas is inheems en ook de blauwe reiger, de bosuil, het vijfvingerkruid, het kussentjesveenmos en de zomereik. Inheems slaat op de soort, maar veel natuurbeschermers vinden dit niet steeds een bruikbaar begrip. In OostEuropa komen ook zomereiken voor. Als je eikels van die bomen hier opkweekt en er een bos vol van plant, heb je weliswaar een inheemse soort gebruikt, maar wel uitheems genetisch materiaal. Zomereiken uit Hongarije zijn aangepast aan koudere winters en warmere, drogere zomers. Het is wel dezelfde soort, maar toch wat anders. Het is dus beter inheems genetisch materiaal te gebruiken en de term daarvoor is autochtoon of streekeigen. Als je streekeigen boompjes gebruikt, stammen ze af van eiken waarvan de verre voorouders hier op eigen kracht zijn geraakt en waarvan de populatie zich intussen heeft aangepast aan de lokale situatie. Zo is de bloeitijd meestal aangepast aan de activiteiten van de bestuivers. Planten uit andere streken bloeien vroeger of later, wat een probleem kan zijn voor specifieke bijensoorten die maar korte tijd in het jaar actief zijn. Niet voor niets dus, dat de overheid en de Regionale Landschappen het gebruik van autochtoon materiaal stimuleren.

Inteelt Inteelt krijg je als je ouders familie zijn van elkaar. Een organisme kun je vergelijken met een huis. Dat wordt gebouwd aan de hand van een bouwplan, het zogeheten DNA. Met dat verschil dat wij als organisme, gebouwd worden met twee bouwplannen, een komt van de vader en een van de moeder. In bouwplannen komen steeds fouten voor. Door de twee plannen met niet dezelfde fouten naast elkaar te leggen, kom je toch tot een goed resultaat. Als je ouders familie zijn, hebben ze mogelijk dezelfde genetische foutjes. Daardoor is er geen foutencorrectie beschikbaar, wat verschillende gevolgen kan hebben. Een eerste is


De bosuil is een inheemse soort. Ook zonder de mens zou het dier hier voorkomen.

Het is voor de nakomelingen van deze azuurwaterjuffers te hopen dat de ouders niet aan elkaar verwant zijn. Anders loert inteelt om de hoek met een verminderde overlevingskans tot gevolg.


Mier De boeiendste diergroep waarmee ik me tot nu toe heb beziggehouden, zijn de mieren. Die beestjes roepen geen al te beste associaties op bij de meeste mensen: ze graven nesten onder je terras, zitten in de keuken en ze maken bulten in het gazon. Die kleine snoodaards zitten enkel waar ze niet moeten zitten, zo lijkt het wel. En toch, een boek over de ecologie van mieren is het enige wetenschappelijke werk dat ooit de Pulitzerprijs won. Niet alleen omdat het door de heren Hรถlldobler en Wilson zo boeiend was geschreven, maar ook omdat het leven van mieren zo razend interessant is, dat de jury er helemaal weg van was. Geen kortverhaal overigens, het boek is een kanjer van formaat. Je begrijpt dus dat ik hier niet de volledige levenswijze van mieren uit de doeken kan doen. Er zijn mieren die werksters roven uit andere nesten om ze als slaaf te gebruiken, sommige mierensoorten breken in in de nesten van andere mieren om voedsel te stelen. Veel soorten hebben de allures van een dictator en nemen hele volkeren over, zelfs populaties van een andere mierensoort. Mieren vechten oorlogen uit met enorme aantallen slachtoffers en sommige mieren voeden larven van andere diersoorten, wat je het houden van huisdieren zou kunnen noemen. Zoals je ziet, niets mierlijks is mensen vreemd.

chapiter M

70

Ik beperk me hier tot de gele weidemier, een soort waarmee ikzelf in vrede mee samenleef. Ons huis kochten we vanwege de tuin. Die bestond uit een schapenwei met een drietal prachtige kerselaars en een appelboom. Doordat die met schapen werd begraasd, waren de verste delen van de tuin arm geworden aan voedingsstoffen, en dat had speciale planten tot gevolg. Wat echter opviel waren de enkele bulten die hoog boven het gras uitstaken. Sommige daarvan bijna een halve meter hoog. Koeien zouden zoiets platlopen, maar schapen niet. Ik herkende de bulten meteen als mierennesten. Met name, die van de gele weidemier. Dat is een vrij kleine, bleke, langzame mier die uitsluitend ondergronds leeft. Vanuit de nestbulten vertrekken gangen naar de wortels van de omliggende planten. Op die wortels leven wortelluizen, die het sap uit de wortels zuigen en die lijken op bladluizen. In dat sap zit veel suiker en weinig eiwitten. Het teveel aan suiker scheiden de luizen af via hun achterlijf. Ook bladluizen doen dat, waardoor je auto soms helemaal onder de plakkerige stroop zit als je geparkeerd staat onder een boom waarin zulke beestjes zitten. Mieren halen hun eiwitten uit insecten. Ze eten enorme hoeveelheden rupsen en andere kriebelbeesten. Maar daar zit weer weinig suiker in en suiker is energie. Het is nodig om actief te kunnen zijn. Mieren likken daarom het sap op van bladluizen. Soms komt meer dan 80 % van de energie in een mierennest uit de bladluissuiker. Mieren verdedigen hun energieleveranciers dan ook met gevaar voor eigen leven. Ze vallen de larven aan van lieveheersbeestjes


In mijn tuinvijver komen ongeveer 50 alpenwatersalamanders voor, dat is niet genoeg om inteelt tegen te gaan. Gelukkig zijn er nog poelen in de buurt en wordt een habitatnetwerk gevormd.

Gele weidemieren zijn rustige, ondergronds levende miertjes.


Hoe moet het nu verder? De waterkwaliteit is wellicht al wat beter, maar ik denk niet dat veel mensen vrijwillig het water zouden drinken waarin die dieren moeten rondzwemmen. Het verkeer is niet afgenomen sinds 1988. Ik weet niet wat ik moet denken van dat soort natuurbeheer. Otters zijn geweldig leuke dieren, maar mensen zijn erg ongeduldig. Als we dat soort kersen op de (natuur)taart echt terug willen, staat ons het volgende te doen: we maken (het grootste deel van) het oppervlaktewater opnieuw drinkbaar, we zorgen voor natuurverbindingsgebieden in Europa (een otter uit de Wieden stierf onder de wielen in Osnabrßck (150 km verderop). Ze komen dus vanzelf wel) en we voorzien in grotere aaneengesloten natuurgebieden. Tot voor kort werd daar in Nederland allemaal hard aan gewerkt. In BelgiÍ speelt de ruimtelijke ordening ons niet bepaald in de kaart. De mooiste beloning is echter dat de otter dan vanzelf weer opduikt. Dat doet meer deugd dan dat je hem ergens moet vangen (met dode otters tot gevolg) en de rest tegen wil en dank in een van de dichtstbevolkte regio’s ter wereld dropt. Daar zijn otters echt niet mee geholpen. Enkel je soortencollectie is dan wat vollediger, maar is dat de juiste doelstelling?

chapiter O

90


De meeste mensen bestempelen deze goudoogdaas als ongedierte, maar of een dier die titel verdient hangt enkel van de context af en het is niet soortafhankelijk.


De lange snuit van hondachtigen zit volgepakt met geurreceptoren, een wolf ruikt duizenden keren beter dan wij.


chapiter

R

Ruiken Een bos na een regenbui, een bloeiende sering, het haar van een geliefde of een misstap in wat iemands huisdier op de stoep heeft achtergelaten. Ik durf te wedden dat dit niet enkel een visueel beeld oproept, maar dat je de geur er meteen bijkrijgt. Maar hoe goed ruiken wij, vergeleken met andere dieren? Zoogdieren ruiken vrij goed, maar er bestaat een groot verschil tussen de soorten. Dat kan worden verklaard door de oppervlakte aan slijmvlies met geurreceptoren in de neus. Die is bij ons ongeveer 16 vierkante centimeter (twee flinke postzegels) groot. Een wolf of hond ruikt beter omdat dat oppervlak bij hem tien keer groter is. En dat niet alleen, de receptoren zitten ook nog eens 100 keer dichter bij elkaar. Een hond heeft dus duizend keer meer geurreceptoren dan de mens, wat verklaart hoe zo’n speurneus tot hoogstandjes in staat is, zoals het volgen van een geurspoor van een vluchtende misdadiger of een vermist persoon. Men heeft ontdekt dat bloedhonden bijna tien miljoen keer beter ruiken dan mensen! Ik denk eerlijk gezegd dat het geen voordeel is. De meeste honden zijn tegenwoordig veroordeeld tot levenslange opsluiting in een huiskamer vol potpourri, lavendelverstuivers en geurkaarsen.

Ook vreemd is dat sommige stoffen voor de ene mens reukloos zijn, terwijl een ander ze wel kan ruiken. Androstenon bijvoorbeeld, dat in mannenzweet te vinden is, ruikt naar een kruising van urine en rottend hout met een vleugje bloemen. Kortom, naar muskus. 30 % van de mensen kan deze stof niet waarnemen, want ze werkt vooral in hoeveelheden die niet opvallen. Ik verklaar me nader. Geur is voor ons een onopvallend zintuiglijk iets, maar de geuren kunnen op bepaalde momenten, ons leven wel sterk bepalen. Feromonen zijn onopvallende geurstoffen

103 chapiter R

Met geur is er nog iets eigenaardigs aan de hand. Het opvangen van chemische signalen uit de omgeving is een van de oudste zintuigen. De geurprikkels die van de neus naar de hersenen lopen, volgen zelfs een ander soort pad dan bijvoorbeeld de tastzin en de smaak. Ze volgen een binnenweg en komen zo makkelijker terecht in ons langetermijn- en emotionele geheugen. Vandaar dat we bij bepaalde geuren echte flashbacks kunnen krijgen naar onze jeugd. In mijn geval de geur van een bepaalde houtsoort of vernis waarvan mijn kleuterspeelgoed was gemaakt. Als ik die geur opvang, zit ik meteen weer voor mijn telraampje van toen.


hierop door afleidingsmanoeuvres uit te voeren. Ze maken bochten of ze laten zich vallen. De mooi gekleurde beervlinders hebben niet veel aan hun rode patroon. Het duidt erop dat ze niet lekker of zelfs giftig zijn, maar dat zie je niet in het donker. Als ze een vleermuis horen, antwoorden ze met een ultrasoon geluid dat gewoon een akoestische afweerkleur is. Vleermuizen leren, net als jonge vogels, wat eetbaar is en wat niet. De volgende keer dat ze dit geluid horen, laten ze de mot links liggen, euh ... vliegen.

Vogeltrek De zwartkop is een zangvogel die struikgewas verkiest en die ook broedt in meer natuurlijke tuinen. Hij valt meestal op door zijn zang, die prevelend begint en eindigt met luide, heldere en jodelende tonen die aan een merel doen denken. Hij behoort dan ook tot de zangers, een familie binnen de zangvogels. Deze bestaat uit relatief kleine, bruingroene vogeltjes die voor leken moeilijk te onderscheiden zijn en die voornamelijk insecten eten. Ze worden ook kbv’tjes genoemd, de ’kleine bruine vogeltjes’. De zwartkop is op verschillende vlakken een uitzondering: hij is makkelijk herkenbaar aan zijn zwarte kruin en zijn dieet is relatief breed. Net als de andere leden van de familie trekken zwartkoppen in de winter bij gebrek aan insecten naar het zuiden. Voor hun vertrek eten ze vooral suikerhoudende bessen van bijvoorbeeld meidoorn, vlier en bramen, waarmee ze een vetreserve aanleggen voor hun trek naar Zuid-Europa en Afrika.

chapiter V

130

Zo’n lange trek houdt heel wat risico’s in voor een vogel van enkele grammen, maar in normale winters vormt ter plaatse blijven geen optie. De vogel vindt niet genoeg voedsel om het verlies aan lichaamstemperatuur in de winterse kou goed te maken. Toch zijn er zwartkoppen die het anders aanpakken en wel enig risico nemen: ze blijven in het noorden en proberen te overleven op bessen. Tijdens milde winters kan zoiets nog goed aflopen, maar tijdens een strenge winter sterven de blijvers. Recent is daar echter verandering in gekomen. Niet alleen zijn de winters gemiddeld zachter, ook het voedselaanbod is enorm toegenomen. In veel tuinen zijn nu voederplanken en vetbollen te vinden, die een betrouwbare voedselbron zijn. Vooral in het Verenigd Koninkrijk zijn mensen erg enthousiast in het aanbieden van zaden en vetbollen. Met een miljoen leden, 20.000 vrijwilligers en 200 natuurreservaten, is de Britse vogelbeschermingsorganisatie de grootste van Europa. Tijdens mijn reizen heb ik kunnen vaststellen dat er in de meeste tuinen voederplankjes staan. Opmerkelijk genoeg zijn de zwartkoppen daar ook achter gekomen. Een deel van de Duitse zwartkoppen trekt niet meer naar Spanje en Afrika, maar naar Engeland. Dat is wellicht begonnen met een paar suïcidale vogeltjes die compleet de verkeerde kant opvlogen, maar die niettemin wel in leven bleven. Aangezien Engeland dichterbij ligt dan Zuid-Spanje, hadden ze zelfs


Dit tweekleurig hooibeestje ruikt, net als alle andere vlindersoorten, met zijn voetzolen.


“Komen truffels enkel voor in de Périgord? Vossen roven kippen, maar tegelijk hoor je dat erop jagen niets oplost. Hoezo? Minder vossen betekent meer kippen, of niet dan? Een vijver met helder water heb je nog maar zelden gezien, waarom is het water zo troebel? Gelukkig kan je met een flinke boswandeling nog eens flink wat zuurstof opdoen, of klopt ook dàt niet? En waarom liggen onze bossen eigenlijk vol dode takken en stammen? Zijn hun schimmels dan niet schadelijk voor het natuurlijk evenwicht? Maar wat wil dat dan zeggen, dat evenwicht? Bestaat het eigenlijk wel?Iedereen komt in aanraking met ecologie want of je dat nu wil of niet, de natuur maakt deel uit van ons leven. We wandelen, tuinieren, ademen lucht en genieten op allerlei manieren van het groen rondom ons. Veel doorgeefkennis ging onderhand verloren. Best wel spijtig. Met een beetje ecologische achtergrond, krijgt je natuurlijke omgeving meteen wat meer betekenis. Ecologie is namelijk de wetenschap die probeert te begrijpen hoe de natuur in elkaar zit. Rollin Verlinde is niet enkel een gepassioneerd natuurfotograaf, hij werd opgeleid als bosbouwingenieur en werkt als docent ecologie voor Inverde. Hij vertelt vlot vanuit zijn eigen natuurervaringen en maakt daardoor allerlei processen en verbanden duidelijk. Hij toetst algemeen geaccepteerde wilde verhalen aan de wetenschap. Ben je ook benieuwd wat daar dan nog van overblijft? Start dan alvast met dit boek. Het is namelijk geschreven voor iedereen die graag een goed inzicht wil krijgen in de natuur en er is helemaal geen voorkennis vereist!”

ISBN 978 90 818 0917 7

De Natuur Onkt(k)leed  

uitgeverij De Groene Gedachte - auteur Rollin Verlinde

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you