Page 1


Bij een vijftigste nummer hoort uiteraard een balans, zullen diegenen zeggen, die hierin een bloeiende handel drijven. Nu, reken maar ! Niet enkel kom ik beroepshalve niet onder de balansen uit en besteed ik daar de betere jaren van mijn leven aan zodat ik deze diertjes geen onverdeelde liefde toedraag maar bovendien dient een balans, volgens de aloude theorie, een vergelijking in te houden. En wat zouden we hier dan vergelijken? Het ledental van SFAN, de subsidies van Staat, Provincies en Gemeenten, de opkomst bij onze ledenvergaderingen, of de Belgische deelname aan onze SFANCONS ? Kom, zegt men me hier, niet bitter worden, man. Vijftig nummers is toch geen kleinigheid en wordt SF-Magazine niet algemeen erkend als ... Ja, vroeger troostten wij elkaar in moeilijke ogenblikken met de gedachte aan al die thesissen, die vroeg of laat aan ons werk zouden worden gewijd, om het over gedenkplaten aan onze respektievelijk appartementen nog niet te hebben •• Laat het nou wel wezen,zoals onze Noord-Nederlandse abonnenten plegen te zeggen, wanneer zij uiting geven aan hun scepticisme. En toch. Kijk, er zijn zovele zaken die je zou willen zeggen bij dergelijke gelegenheid, en ongetwijfeld schieten me er, wanneer dit editoriaal gedrukt is, ook nog heel wat zaken te binnen, die ik had moeten of willen zeggen •• Zo gaat dat ... zou ik hier aan toevoegen, ware het niet dat deze uitdrukking inmiddels in zestien talen wettelijk werd gedeponeerd, en dus door het (c) werd beschermd. Overigens,voor je 't weet wordt je sentimenteel en/of zeurderig en bovendien zijn er zaken,die voor jezelf een grote betekenis hebben, maar die erg door-de-weeks overkomen bij wie dit soort teksten vluchtig doorneemt.


Wat ik toch zou willen aanhalen is de menselijke zijde van deze ervaring. Wanneer ik aan de vijftig eerste nummers van dit blad terugdenk, dan denk ik in de eerste plaats aan een aantal kontakten. De mensen, die deze publikatie hebben gestart - vooral Paul Torfs en Simon Joukes dan - en al die anderen, die zich in de loop der jaren bij ons hebben gevoegd en die recht hebben op onze dankbaarheid. Onbekenden, die je leerde apprecieren; mensen met een heel andere instelling, waar je leerde mee samenwerken en die vaak goede vrienden werden .. Meer dan eens ging het ook niet : er waren kontakten, die je niet kon leggen,; reacties die uitbleven of vriendschappen die stukliepen om dwaze redenen als gebrek aan kommuni katie, misverstanden of overwerk. Waarop we overgaan tot de welgevulde dagorde. Vooreerst enkele praktische punen, die het clubleven van SFAN aanbelangen, en die werden vastgelegd bij gelegenheid van een werkvergadering, waaraan ruim tien mensen deelnamen. De werkgroep, die instaat voor onze public-relations en voor het tot-stand-brengen van dit blad, blijft in 1976 nagenoeg ongewijzigd in funtie. Dit betekent dat Simon Joukes aanblijft als voorzitter van de vereniging en als kontaktman in binnen- en buitenland, in verband met conventies en bijeenkomsten. Kortom, in verband met alles wat een officieel karakter draagt. De redactie van het blad blijft tot de bevoegheid behoren van ondergetekende, die echter door een comitĂŠ wordt bijgestaan, en die ook nog de financiĂŤn blijft beheren, omdat dit (sic) tot zijn natuurlijke competentie hoort. De ledenadministratie en het secretariaat gaan echter over naar Lou Grauwels (Lange Kievitstr. 27, 2000-Antwerpen). Dit houdt in dat Lou instaat voor het beheer van de abonnenten, voor inlichtingen, opzeggingen, werving en zo meer. De illustratie, de lay-out en de druk van SF-Magazine worden verder verzorgd door Herman Ceulemans en door Marc Corthouts die bij de technische afwerking alle medewerking met dank aanvaarden. Een woord van dank in dit verband aan Paul Torfs (nogmaals) en aan Wilfried Cools, maar ook aan mijn echtgenoten, die redactie en realisatie van dit blad niet enkel geduldig doorstaat, maar die ook sinds tientallen nrs. actief mee de handen uit de mouwen steekt.


Een punt waar zonodig dringend dient aan gewerkt is wel het clubleven zelf. Inderdaad stagneert dit nu sinds geruime tijd en is weinig beterschap waar te nemen. De eens zo druk bijgewoonde vergaderingen te Gent, waar eerst André De Rijcke en nu Marcel Van Heeke voor instaan, trekken nauwelijks nog een vijftiental menssn, zelfs wanneer recente (en kostelijke) films worden vertoond, en ook te Antwerpen, waar Lou Grauwels sinds vorig jaar bijeenkomsten inricht, komt omzeggens geen respona, buiten een vaste kring bekenden. SF-Magazine zelf, dan. Zoals U intussen merkte is dit vijftigste nummer een extra dikke brok geworden, waarin wij uitsluitend fictie bijeenbrachten, naast enkele korte theoretische beschouwingen. Uiteraard onze dank aan de mensen, die ons dit werk afstonden en aan Thijs van Ebbenhorst, die de cover verzorgde. Aarzel niet ons uw opinie te doen kennen, want een publicatie betekent heel weinig, wanneer er geen reactie op komt. wat houden wij dan nog voor 1976 in petto ? Geen prijsverhoging, voorlopig. Ondanks de 'schrikbarende stijging' van onze kosten (papier, druk, verzending e.a.) blijft de prijs van fr.300 per jaar behouden. Vraag ons niet hoe wij dit doen, want we weten het nl. zelf nog niet te best. Wat de periodiciteit betreft, zijn wij om praktische redenen verplicht een achttal nrs. per jaar te brengen, in plaats van tien, zoals dit vroeger het geval was. Dit houdt een zekere compensatie in van de kostprijs, hoewel SF-Magazine toch veruit het goedkoopste blad blijft van het taalgebied en we dan weer op de dikte van de nrs. niet kijken, zoals U merkte. Het houdt echter in de eerste plaats een herademing in voor onze technische dienst, die het hoge rithme niet meer kon aanhouden. De bedoeling is nu een vijftal nrs. voor de vakantiemaanden te brengen,en een drietal erna, met een tussenpauze van twee a drie maanden, om de eenvoudige redenen dat onze super-technicus Marc in de zomer meerdere maanden in het buitenland dient door te brengen. U merkte ook dat wij sinds een vijftal nrs.op offset-druk zijn overgegaan en dat dit procédé thans voldoening geeft. Deze wijze van drukken biedt bovendien meer illustratiemogelijkheden, die we graag ten volle zouden benutten. Toezending van illo's is dus welkom, doch liefst in een betrekkelijk scherpe uitvoering en op het formaat van het blad. Blijft me enkel nog te wijzen op een vernunftigheid, zoals dit heet, die we van Kurt Vonnegut Jr. leerden, en die we op de hiernavolgende pagina met vrucht toepassen. Tenminste,dat hopen we. Tot horens,zoals een nochtans gehuwde vriend me onlang schreef.


Nee, Sfan leeft niet van editorialen alleen. Wat wij doen en wat wij plannen staat of valt nu eenmaal met de regeling van de bijdragen van onze abonnenten. Is uw abonnement vervallen, stort dan aub. onmiddellijk Fr.300 op de bankrekening van Sfan-Antwerpen, te weten nr.220-0961338-07 bij de Generale Bankmaatschappij aldaar. Houdt U er niet meer aan ons blad te ontvangen, meldt U ons dit dan aub. correct en verplicht onze administratie niet tot veelvuldige maningen.

S R VE

A E B N E P O ! E E D I D I W S N I

Houdt U daarentegen aan SF-Magazine, tracht xx dan ook vrienden en beken-xx den als abonnent te winnen. xxxxx Vergeet ook niet dat wie nu zijnxxxx bijdrage voor 1976 regelt, nog kan genieten van ons gelegenheidsaanhod, nl. Bob vanxx Laerhoven's "Grijze Alliantie", in een prachtige uitvoering, Ă Fr.30 i.p.v. Fr.60. Hiertoe stortx U ons eenvoudig Fr.330 en U krijgt deze uitgave metxxx uw eerstvolgende SF-Magazine toegezonden.xxxxxxxxxxxxxxx Een aanbod, dat wij ook na 31.1 kunnen verlengen, doch slechts zover onze voorraad strekt.xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Apprecieer overigens, dat dit de eerste maal is, dat wij nietx in ons editoriaal over deze pijnlijke geldkwestie hoeven texx praten.xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Nog een SFAN-primeur !xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx


Een zorgvuldig uitgegeven plaquette, ca. 40 blz., waarin BOB VAN LAERHOVEN's LAERHOVEN recentste verhaal werd opgenomen. "GRIJZE GRIJZE ALLIANTIE" ALLIANTIE speelt zich af in de States, in een niet zoverre toekomst en combineert moderne mythe met rauwe politieke werkelijkheid, zoals de auteur dit reeds deed in het bekroonde "WANDELEND WANDELEND ROND KENNEDY" KENNEDY en in het verhaal dat hierop aansluit, Nl. "ZOU ZOU DIT MIJN OUDE VRIEND DE PRESIDENT NIET ZIJN ?", dat eerlang in vertaling verschijnt bij Heyne Verlag !! Te verkrijgen tegen de prijs van 60Frs bij de auteur : BOB VAN LAERHOVEN Spoorwegstraat 72/4 2300 TURNHOUT

SPECIALE AANBIEDING Een beperkt aantal gesigneerde exemplaren van deze plaquette wordt door SFAN aangeboden tegen de prijs van 30Frs aan ALLE LEDEN DIE HUN ABONNEMENT 1976 HERNIEUWEN VOOR 31 JANUARI 1976. Hiertoe stort u 300Frs + 30Frs op bankrekening van SFAN ANTWERPEN, nummer 220-0961338-07. U krijgt dan deze plaquette toegezonden samen met het eerstvolgende nummer van SF-MAGAZINE !


Het nummer 50 van uw blad ligt voor u; straks komt het op een dikke stapel te liggen : 6 jaar verenigingswerk van SFAN en evenvele jaren redaktie- en produktiewerk. Een jubileum- en lustrumjaar werd dus afgesloten; een nieuw tijdperk gaat heden in. Dit pleegt men bij dergelijke gelegenheden te zeggen. Shit, natuurlijk ! In werkelijkheid worden we door onze gevoelens overmand en we zijn van plan onze emotie voor ĂŠĂŠn keer niet op te kroppen : eerst de gevoelens van trots. Wat enkele mensen jarenlang in hun vrije tijd hebben gepresteerd is zeker waard om fier op te zijn : een vereniging die leefbaar is en levend is, zij het soms met horten en stoten, een blad dat het, ondanks regelmatig terugkomende produktieproblemen, niet alleen heeft uitgehouden, (de overheid weze hier nogmaals bedankt voor het uitzonderlijke gunsttarief dat ons tijdschrift en andere marginale bladen wordt toegekend !) maar waarvan inhoud zowel als uiterlijke vormgeving kwalitatief steeds vooruit zijn gegaan en, tenslotte, een jaarlijks congres dat steeds meer de internationale aandacht heeft getrokken, ook al hebben organisatieproblemen zwaar gedrukt op de jongste uitgave ervan. En uiteindelijk mogen we zeker niet onze jaarlijkse wedstrijden voor het korte nederlandstalige essefverhaal en de SFAN-awards vergeten. Dat is allemaal mogelijk is gebleken, is een wonder op zichzelf; zeker als je er rekening mee houdt - het werd en wordt tot in den treure herhaald - dat het allemaal gratis en in de vrije tijd moet gebeuren. Dat brengt me op het tweede luikje : gevoelens van dankbaarheid voor de enkelingen die het toch maar gepresteerd hebben. Het zijn er slechts enkelen, die wroeters. Ik wil ze dan ook niet met naam en toenaam opsommen; insiders weten wie het zijn; de een deed al wat meer dan de andere, of hield het langer uit; maar allen hebben er recht op dat we ze in onze gebeden bedenken. Niet dat ze zulks van ons zouden verlangen : ze zijn wel wijzer ! Maar recht op erkenning hebben ze wel.


Ja, dan kom je als vanzelf naar de keerzijde van de medalje. Feedback met de lezers en leden van de vereniging is er eigenlijk zelden geweest. Vanuit de niet eens altijd anonieme lezersschaar is al die jaren weinig begrip getoond voor de vaak zware arbeid van redactie en bestuur. Meestal was er niet eens contact en pijnigden de redactieleden zich de hersenen om te weten of de lezers wel tevreden waren. Ik moet de waarheid zeggen : de een na de ander, een wat vroeger, de ander wat later, zijn stuk voor stuk alle "aktievelingen" voor goed op de vereniging afgeknapt omdat er nooit waardering bleek te zijn voor wat gedaan werd. Het gaat je tenslotte niet in de koude kleren zitten ! En wat misschien nog erger is, dat is de neurose. Je begint namelijk met enkele kennissen aan iets te bouwen en te sjorren. Je wordt vrienden. En dan komen de spanningen, overigens onvermijdelijk als je in groepsverband iets doet. Die spanningen komen niet tot ontlading door het rechtstreekse contact met de leden, want die laten niets van zich horen. Dus komt het tot uitbarstingen in het groepje werkers met als gevolg dat na verloop van tijd, de vereniging een aktieve medewerker kwijt is, en de vriendschap het vaak ook niet overleeft. Wanneer ik zelf deze woelige jaren overzie, bekruipt me vooral een gevoel van spijt : spijt om wat mogelijk zou zijn geweest als meer hulp gekomen was, spijt om kansen die door misverstanden werden gemist, spijt om onhandigheden van materiële en mentale aard, maar vooral, spijt om vriendschappen die niet standhielden, ondanks de goede trouw van ALLE betrokkenen. De conclusie van dit alles is duidelijk: de uiteindelijke leefbaarheid van een vereniging staat of valt door de werkelijke inbreng van alle leden. Het is zinloos te menen dat het anders kàn zijn. Hoe groot iemand's ambitie of geldingsdrang ook is, zonder voedingsbodem, zonder respons, verdwijnt ze in het slijk. Thans, op de drempel van een nieuw jaar en van een nieuwe periode van het blad, heb ik maar één wens : dat er eindelijk wordt samengewerkt. Als dit niet gebeurt dan blijven onze moeilijkheden aanhouden. SIMON JOUKES


een willekeurige greep uit het programma : + 4 Ă 5 lange hoofdfilms + talloze kortfilms en tekenfilms + sf-verhalen-wedstrijd hoofdprijs Fl. 150,00 met recht op publicatie, uitreiking oorkonden + klachtenpanel sd-uitgevers + verschillende sf-exposities, eventueel originele boekomslagen; allerlei kunstwerken; + zoveel mogelijk muziek, waaronder de via computer gedirigeerde "Ode an die Freude", Beethoven (Sinthesizer); + diverse schrijvers, John Brunner, Brian Aldiss of Michael Moorcock; en uiteraard een Guest of Honour; + boekenstands; splinternieuwe uitgaven; boekenruilen; + verschillende programma's tegelijkertijd : het kan niet op ! + membership op vrijdag 14 mei gratis : te beginnen met films logies/ontbijt, kamer douche/toilet per nacht logies/ontbijt, kamer met warm water twee persoonskamer per nacht lunch diner twee pauze consumpties (koffie, thee) attending membership inlichtingen en reserveringen : P. van Oven, NCSF Rietgors 62, Eemnes 2670, Nederland

pp. pp.

Fl. Fl. Fl. Fl. Fl. Fl. Fl.

41,25 31,25 36,25 9,50 18,00 2,50 25,00


De einder is een helwitte, loodrechte muur, onderaan afgevreten door de donkere silhouetten van de bergen. Onder mij is het landschap bijna zo wit als de witte lucht zelf. En donkere, getande vormen wijzen omhoog. Bomen. Zijn verlangen trekt me aan. Hij weet dat de golems hem in een passende Plooi geworpen hebben, want hier is geen leven. Alleen de dood en ik, alhoewel ik andere Plooien evenzeer ken. En in ieder geval is dat wat ik ga doen mijn plicht. Hij ligt op een aflopende helling en de ijzige wind doet de sneeuw in de hele omgeving als rook opwaaieren, naar boven stijgen en dan weer vallen, alsof de bergen grote, verstarde beesten zijn waarvan alleen de ademhaling nog zichtbaar is. Als ik naar hem neerdaal kom ik even in een zwerm van zwarte vogels terecht en ik weet dat zijn ogen die zwarte vogels volgen en dat hij beseft dat deze zijn leven langzaam wegpompen met hun zwaaiende vleugels. En ik vraag me af of hij het verschil ziet tussen mij en hen. Dan strijk ik naast hem neer. Zijn bleke wangen hebben bijna de tint van de sneeuw rond hem. Het bloed dat uit verschillende wonden druipt heeft dan niet. Hij is nog erg jong. Zijn bleke ogen zijn mooi. De manier waarop hij ligt, op zijn rug met zijn handen naast zijn zijden en zijn benen lichtjes gespreid, is erg berustend. "Ben je daar terug, vogel ?", zegt hij. "Ja", zeg ik. "Het was mijn plicht om toch nog een uitweg te zoeken, maar sinds die er niet is, is mijn plicht ook veranderd. Er is geen Poort in deze Plooi, Ayandale. 'Weet je wat dat betekent ?" Hij klemt de lippen opeen en spreidt zijn benen nog iets verder met een langzaam, zoekend gebaar. "De laatste realiteit van de dood", zegt hij dan. "Ja". "Ben jij de dood". "Nee". "Dan blijf ik je "vogel" noemen, alhoewel je er niet helemaal op lijkt. Maar deze onjuiste benaming .... zal vlug genoeg verdwijnen met mij". Hij glimlacht flauw om zijn eigen woorden en ik merk dat zijn wimpers wit geworden zijn.


"Je weet hoe ik hier gekomen ben ?", zegt hij dan. "Ja. Je volgde een lichtmeisje dat door de golems ontvoerd was". "Yokei. Ja ... " "De golems zijn oppermachtig in sommige Plooien. Je had het beter kunnen laten". "Ik weet het", zegt hij op een vreemde toon. "Je weet niet waarom je haar volgde ?" Stilte. Dan: "Nee". Het rood van de sneeuw rond hem is een belachelijke plek vergeleken met de uitgestrekte witheid van het landschap. Maar de bergen met hun wuivende monden van sneeuw en de stille vogels zijn onze enige getuigen. Hij lacht en het geluid klinkt erg gek in deze ijzige omgeving. Alsof er zeer kleine steentjes door de krakende sneeuw worden geschoven ... "Het is liefde ... ", zeg ik. Eerst worden zijn ogen donker en tuit hij zijn lippen zeer licht, maar dan glimlacht hij en zijn ogen worden weer heel licht. Maar zijn adem gaat iets sneller. "Een legende. Een ongevormde emotie die in geen enkele Plooi te vinden is. Een gevoel dat geen enkele Plooi gevormd heeft". "Omdat ze van alle realiteiten is. Elke Plooi heeft er een deel van en het is moeilijk om alle delen samen te voegen. Het is onmogelijk, eigenlijk ..." Stilte. Ik kijk omhoog naar de zwarte vogels en zie hun gestage vleugelslagen. Ze stijgen echter niet hoger. Ik heb nog even tijd. Ik klap met mijn vlerken, ongeduldig, verlangend. "Elke emotie heeft een realiteit geschapen", zegt hij zacht. "Elke nuance van emotie heeft een realiteit geschapen zodat er geen einde komt aan de Plooien. Maar een Plooi van Liefde of een nuance ervan ... nee ! Ik volgde haar om het eeuwige leven te krijgen. Lichtmeisjes hebben het vermogen om toch de laatste Plooi te bereiken en als je mee kunt gaan op hun vleugels ... dan leef je eeuwig". "En voor dat eeuwige leven, sterf je". "Nee ! De golems. Ze wilden haar pijn doen. Pijn is voor een onsterfelijk wezen een onverdraaglijke gedachte". "Voor andere wezens ook". "Maar de pijn die de golems veroorzaken kan eeuwig duren als ze dat willen !"


"Als je eeuwig wilde leven had je een ander lichtmeisje kunnen zoeken. Er zijn er meer". "Ik ... Yokei". "De focus van je emotie", zeg ik zacht. "Nee". Het klinkt meer dan een zucht.

"Waarom ben je zo bang van het woord ? Het is een emotie die niemand volledig kan bevredigen, toegegeven, maar geen enkel gevoel kan dat. Daarom zijn jullie menstypes". De fluitende wind is genoeg antwoord voor me. Hij weet dat ik gelijk heb. "Ayandale ... " "Ja". "Je sterft". "Ik voel het, ... ja". "Zal ik je een paar dimensies laten zien van de liefde voor je sterft ? Om de tijd te passeren ?" "Yokei ... moet ik echt sterven? God, is dit een koortsdroom van de Plooi die visioenen werpt". "Je weet wel beter". "Ja, doe het. Doe het vlug". Zijn bleke ogen en zijn haar, waar sneeuw doorgeweven zit, tezamen met zijn nog altijd bleker wordende wangen doen hem lijken op een ijswezen dat langzaam wegsmelt. "De eerste dimensie", zeg ik traag, "is van het onbegrepen verlangen". "Een pijnlijk geheim ?", zegt hij heel zacht. "Ja".

De kamer heeft de kleur van een zalmenbuik en de blinden zijn neergelaten. Een groot, bruin bureau dat bezaaid is met papieren vormt de enige kleurbreking in die kamer. Hij staat voor het raam en gluurt door de blinden naar de bron van lawaai en het gespetter.


De blinden die hij niet omhoog kan trekken, verdelen de helblauwe hemel zuinig in strepen en het zwembad is een enorme, gestreepte, hartvormige rog. Haar witte zwempak blinkt pijnlijk tegen zijn ogen omdat het contrast tussen wit en gebruinde huid groot is. Zijn hart doet zodanig pijn dat het hem moeilijk valt om niet te huilen. Zijn ogen steken. Een volkomen hulpeloos gevoel overvalt hem als hij naar het meisje kijkt. Haar lachen klinkt luider en melodieuzer dan het lach en van de andere zwemmers en haar bewegingen zijn veel sierlijker. Ze is een nimf, een droomwezen. En zijn onbereikbare verlangen snijdt diepe sporen in zijn jonge hart. De edelste gevoelens en ook de laagste wellen in hem op. Haar beschermen tegen gevaar, haar meesleuren naar donkere plaatsen .... Hij zucht en gaat weer voor zijn bureau staan. Het werk wacht. De theorie moet klaar zijn. Zijn positie is onwaardig. Zij is alles, hij is niets. Bij deze gedachte klapt hij bijna dubbel van de pijn en er springen tranen in zijn ogen. Hij kijkt star naar de helwitte muur voor hem en hij weet zeker dat ze niet eens beseft dat hij bestaat. Hij gaat voor het bureau zitten, grijpt met klamme handen enkele papieren en tracht zich te concentreren. De theorie moet klaarkomen, moet zijn status veranderen, moet haar aandacht op hem vestigen. Maar de wanhoop is groter dan zijn vastberadenheid. Als hij opkijkt is de deur open en terug dicht geweest en staat haar broer naast hem, een jonge, slanke, gebruinde god, helemaal niet zoals hijzelf. Hijzelf is bleek en tenger omdat de zon hem nooit kan raken. "Zeg", fluistert broer, "weet je, weet je ..." "Wat", zegt hij, "Wat weet ik ?" "Ze is gek op je", zegt hij met een frons. "Laat in de avond gaat ze slapen met jouw naam op haar lippen, met jouw hart tegen haar borsten. Ze is gek op je". Zijn toon is afwezig en zijn stem lijkt van ver te komen. "Dat kan niet", zegt hij zacht, en dan dapper : "Je liegt". Broer fronst zijn wenkbrauwen nog harder en zo lijkt hij op een jonge, woedende Zeus. Plotseling trekt broer hem van zijn stoel en sleurt hem met verbazingwekkend gemak naar het raam met de blinden.


"Kijk", zegt broer hard en nasaal. "Zie je haar in die witte bikini, met die gebruinde huid daaronder ? Zie je haar in die witte bikini, het bewegen van dat lichaam, weet je hoe ze ruikt, hoe ze haar lippen plooit ? Ja ! Want jij zit in haar ziel vastgeboord als een termiet. Wat ze doet, het kleinste, het minste, doet ze voor jou! Ze is stapel op je ! Ze houdt van je !" "Ik kan het niet geloven", mompelt hij met bleke lippen en hij is bang voor de hoop die in hem opwelt. "Ze staat met je op en ze gaat met jou slapen", vervolgt broer. "Ze is bang van je omdat je stralend bent, omdat je ziel zo groot is. Ze vereert je als een god. Soms heeft ze de hoogste gedachten over wat jullie zouden doen als jullie samen waren, en dan weer de laagste, bijvoorbeeld ..." Zijn mond is ver open om verder te gaan, maar dan slaat hij die met ĂŠĂŠn hand terug dicht en hij houdt die hand met zijn andere bij de pols vast en trilt over zijn hele lichaam, een minuut lang. "Vannacht breng ik je bij haar", gaat hij dan met een nerveus, hikkend lachje verder. "Dit kan zo niet blijven duren. Ik voel pijn in je en ik heb een hekel aan pijn en aan gevoel. Ik breng je bij haar. Ze zal warm op je liggen wachten. Dit is een wonderlijke zaak". Die laatste zin slaat als een hamer op zijn bewustzijn. Een wonderlijke zaak. Zijn hart lijkt stil te staan, overmand door dit enorme wonder, door de vrees en het verlangen dat hij voelt ... Al deze gevoelens brengen het koude zweet op zijn voorhoofd, doet zijn buik ineenkrimpen en maakt zijn hoofd licht.

"Ik ... ik durf niet", zegt hij met een samengeknepen stem en opnieuw springen er tranen in zijn ogen.


"Och. Jawel, jawel", zegt broer verveeld terwijl hij een punt van de muur fixeert, "er is niets aan, werkelijk. Een beweging van enkele spieren, een beslissing ... Het zal allemaal leuk verlopen, erg leuk. Zie je ? Ze springt in het water; ze verbeeldt zich dat ze in jouw hart springt. Je hebt geen andere keus, mijn beste, helemaal geen andere keus. Komaan ... laten we gaan". De nacht is erg plotseling gevallen. De hemel is zwart met wit door de witte einden en het water beneden glanst eenzaam, olieachtig en dreigend als een heimelijk, wit-zwart gestreept beest. "Kom, kom", zegt broer, "Het is tijd. We moeten voortmaken". Zijn knieĂŤn knikken en zijn tenen steken stijf vooruit van de spanning. Zijn maag begint door te zakken als een gezwel en zijn hoofd draait als een mallemolen. Een steek van het opperste geluk wordt gevolgd door een ontzettende smak in hopeloosheid. Ze is onbereikbaar mooi en lief ... en hels. "Het is een licht meisje", zegt broer fluisterend in de pikzwarte duisternis. "En erg licht meisje. Als een wolk". Hij ziet nu niets meer, zelfs de blinden niet, zelfs de wanden van de kamer niet. Hij heeft alleen de ijskoude hand van broer in zijn handen; de hand die hem als een glibberig dier meesleurt naar een onbekende, angstige bestemming. En plotseling zucht broer in de duisternis en de hand wordt nog kouder. Een onderdrukt, binnensmonds gefluister. "Ja ... hier ga je dan", zegt de stem aan zijn oor, tezamen met het gevoel van een koude adem. "Hier ga je, vergeet het niet : veel geluk in je verdere leven, ĂŠcht veel geluk ... Het kan altijd verkeerd lopen, zie je. Je bent nooit zeker, nooit is er iets dat je volkomen opvangt, dat je meeneemt naar uiterste toppen. Geluk ... of zoiets. In ieder geval : m'n beste zegen vergezelt je, m'n jongen" .


De hand duwt hem weg alsof ze positieve en negatieve ladingen zijn. Hij voelt zich door een deur vallen. Zijn hart is een opgekropte massa van tegenstrijdige gevoelens. Dan gaat het licht langzaam aan en zijn hart wordt kouder. Hij hijgt naar adem vindt er geen, opent zijn geest onwillekeurig voor de totale troosteloosheid, voor het afsterven van het onbereikbare. Dan sterft hij. Daarna staart hij naar de witte muren, of niet helemaal wit maar bleek als de buik van een zalm, en hij kijkt neer op het bureau met zijn witte, witte lege papieren. Dan gaat hij langzaam naar het raam met de blinden die hij nooit omhoog kan trekken en staart naar haar bij het zwembad. De andere mensen zijn slechts zwarte, bewegende vlakken, maar zij is wit, wit, wit ...

Zijn adem is onregelmatig en de vogels stijgen iets. Zijn ogen staan ver open en de bleke sterren van deze Plooi zakken er langzaam, beredeneerd, in. "Is dat het einde ?", vraagt hij dan langzaam. "Ja", zeg ik. "Dat is het einde". "Ik begrijp er niets van". "Daarom is het geheimzinnig. En onbegrepen natuurlijk".


Hij probeert te lachen, maar begint te hoesten. Het is een troosteloos geluid in deze omgeving die snel donkerder wordt zodat de schaduwen diepe grotten worden. Het verschil tussen de rotsen en de wolken is nog nauwelijks zichtbaar en de sneeuw glanst staalgrijs. "Het is geen vertelling uit een Plooi die ik ken", zegt hij op de duur. "Nee, Ayandale, ze komt van de Aarde. De Aarde was er voor de Plooien. In zekere zin waren de menstypes zelf de oorzaak van het ontstaan van de Plooien". "Er zijn meer dimensies aan de liefde ?" "Ja". "Vertel me dan over een tweede, vogel. Doe het vlug. Ik geloof niet dat ik nog tijd heb om over de Aarde na te denken". "De tweede dimensie is de dood vermengd met de haat, Ayandale". Hij heft zijn linkerhand een beetje op en laat haar dan terug vallen. Zijn ogen glanzen iets krachtiger. "Dat begrijp ik beter", zegt hij dan zacht. "Dat geloof ik toch ... Aarde ?" "Aarde" .

Zijn grijze, verweerde hoofd bobbelde over de andere, zwarte hoofden en hield dan ineens stil. Hij hield een broeder aan en zwaaide met zijn politiestok voor diens gezicht. Hij trok zich geen barst aan van de boze blikken van de omstaanders. Ik stond in de grauwe schaduw van de bouwvallige huizen met mijn pet diep over mijn voorhoofd gedrukt. Natuurlijk hing zijn pistool aan zijn koppelriem. Ik zag zijn stijve, keurig afgeborstelde lichaam iets meer naar voor buigen toen hij de zwarte iets toesnauwde. Nou ja, dit is Zuid-Afrika en de Afrikanen liggen aardig onder de blanke voetzolen, wat ? Ik haatte hem niet alleen omdat hij een blanke was die, zonder daartoe recht te hebben buiten het recht van de sterkste, op het punt stond een broeder af te tuigen. Ik haatte hem vooral omdat ik wist dat hij naar Marylou ging. En ik was de minnaar van Marylou, haar rechtmatige minnaar die met haar zou gaan trouwen.


Het heeft geen belang. Maar ze had van mij moeten zijn en behalve haar te delen met de schim van haar ouders, moest ik haar nog weggeven aan iemand die gewoon nam wat hij wou en verder niets voelde. Ik zweer het : als hij van haar gehouden had, en zij van hem, dan zou ik deze haat niet gevoeld hebben. Het zou nog pijnlijk geweest zijn maar deze vretende, bruisende haat die me zelfs na zijn dood nog achtervolgt zou me bespaard gebleven zijn. Aan de avondschool van Johannesburg heb ik de leer leren kennen van grote mannen die wijsheid en vergevingsgezindheid predikten, maar ik weet niet of die wijze mannen ooit in mijn plaats gestaan hebben. Mijn illusies werden met de dag meer en meer verscheurd. Het was als een kwaadaardig gezwel dat in mij groeide en ik kon de krop op de duur niet meer inhouden. Als een hond moest ik telkens door het stof kruipen om hem te volgen en dan moest ik wachten aan de overkant van de straat tot hij weer buitenkwam. Hij ging altijd op dezelfde dag naar haar, alhoewel het uur varieerde. Hij wou het me misschien makkelijk en tegelijkertijd moeilijk maken. Het zag het als een spelletje. Ik heb nooit een woord tegen hem gesproken. Ik heb nooit geprobeerd de situatie aan hem uit te leggen. Hij wachtte op zo'n kans om me belachelijk te maken, om me nog meer te kwetsen. Hij ging zodanig op in zijn macht dat hij zich een god voelde, dat hij zich niet meer kon indenken wat de gevoelens van een ander mens waren. Hij volgde nog alleen de bevrediging van instinkten. En die laatste keer kon ik het niet meer inhouden. Ik had een revolver gekregen van iemand wiens naam ik hier niet vernoemen zal, wiens naam ik tijdens al de martelingen die ze me hebben laten ondergaan, verzwegen heb. - Ze hebben al mijn tanden uitgerukt Die keer zag ik hem weer verdwijnen, met die brede rug van hem gebogen om door de deur te kunnen en toen ik die rug zag, kreeg ik angst. Ik kon helemaal niet met een revolver omgaan en die grote handen zouden het leven uit mij en haar knijpen voor hij zou sterven. Ik kon het niet doen, ik moest hem weer laten begaan. Ik moest deze kwelling altijd blijven verdragen. En dan flitste het rode licht van de razernij in mij op en voor ik het wist was ik de straat over en stond ik met een getrokken revolver in de deur. Ik weet nog altijd niet wat het betekent een mens te doden, alhoewel ik gedood heb.


Hij had de zwarte goed uitgekafferd, hij had zijn pleziertje gehad en hij ging verder. Ik volgde hem. Ik wilde weten of hij naar die bepaalde wijk van Sophiastad ging, of hij haar ging bezoeken. Hij wist dat ik bestond. Hij wist best dat ik hem soms volgde om te weten wat hij ging doen. Hij wist dat ik mijn werk in de steek liet om ervoor te zorgen dat ik wist of hij naar Marylou ging of niet. Hij kuierde altijd met een brede grijns op zijn gezicht bij haar binnen. Hij kende me van gezicht, hoe dat weet ik nog altijd niet, en hij wist dat mijn ogen machteloos in zijn brede rug beten als hij bij haar naar binnen ging. Hij heette Gert Schouwe en hij was hoofd van de polite in Sophiastad. Marylou zei altijd dat ik moest doen alsof hij niet bestond, dat hij net als een hond was die soms in een huis binnenliep om eten te bedelen. Maar zo kon ik niet denken, zelfs niet als ze me geld toestopte om een avondschool (voor negers) te volgen. Dat was eigenlijk het ergste. Ik dacht uren aan zijn grijns als hij haar het geld toestopte dat ze niet wou, dat hij dan liet neerdwarrelen op de tafel, best wetend dat ze het toch aan mij zou geven. Hij had de waarheid over mj uit haar geslagen, dat wist ik, dat kon ik tellen aan haar blauwe plekken alhoewel ze er nooit iets over zei. Ik kende hem, ik kende hem al lang. Ik kon me nog herinneren dat hij gewoon agent was, in 1955, van de klap die ik van hem kreeg toen we uit onze huizen werden gezet, zonder een vorm van proces, toen we naar hokken in een nieuwe stadswijk werden overgezet. Onze huizen werden met de grond gelijk gemaakt. Wij hadden natuurlijk niets in te brengen. Ik was jong en ik hield van dat kleine, gezellige huisje van ons en ik schreeuwde wat. Hij gaf me die klap. En gek genoeg moest het zes jaar later dezelfde zijn die mijn meisje keer op keer verkrachtte. Ik houd zoveel van haar. Van haar geest, haar zachtheid, haar grote droevige ogen, van haar tere hals. Als een gazelle is ze, een gazelle die zo vlug gekwetst is, mijn Marylou. Een halfbloed. Engelse of Hollandse ouders. Het is niet bekend. Haar voornaam kan zowel Engels als Hollands zijn, zoals zoveel voornamen hier.


Ik zag alleen zijn bewegende, naakte rug met die grote spieren onder het witte, harige vel en plotseling sloeg de revolver in mijn hand omhoog en ik schoot een stuk muur boven hem. De kalk viel op zijn hoofd en maakte zijn haar wit. Hij sprong op en hij draaide zich zo snel om dat ik alleen maar een vage vlek zag door de tranen in mijn ogen. Ik bleef daar met open mond staan terwijl hij zwierig als een danser naar zijn koppel tippelde die over een stoel lag. Ik slikte en kon niets meer zien, zelfs Marylou niet, alleen hem. Hij greep moeiteloos naar zijn revolver. Ik greep de mijne met beide handen vast en dan donderde het wapen opnieuw, opnieuw, opnieuw ...

Er verschenen bloederige proppen op zijn borst en ik zag hem langzaam ineenzakken, zag elke spier van zijn gezicht vertrekken, zag het laatste rode blaasje op zijn bleke lippen verschijnen. Buiten staat nu een galg. Ik vraag me af of het geloof van mijn wilde voorouders waar is : dat er andere werelden zijn die zo goed op deze gelijken maar telkens verschillen ... oneindige werelden, en dat je die na je dood bezoekt. Ik zal het vlug weten. Meer kan ik niet zeggen behalve dat ik weet dat Marylou leeft, dat ze nog altijd in haar huis woont, dat ik van haar houdt, dat ze van mij houdt en dat dit papier door de authoriteiten zal verbrand worden.

Ik lees de liefde, de haat en de dood in zijn hart en hoe die opwelden toen de golems haar die nacht, in die bepaalde Plooi, bij de woonwagens oppikten.


Ze kwamen zoals altijd: eerst een punt dat opgloeit in de nacht, deze keer echter te dicht bij het vuur zodat hun licht niet werd opgemerkt, en dat dan een ronddraaiende bol met vurige protuberansen wordt. Een verschrikkelijk gezicht en onmogelijk om te benaderen door de hitte. Dan worden de protuberansen golems ... koude wezens. Ik heb me dikwijls afgevraagd : koude wezens uit het vuur geboren ... En Ayandale sprong naar hen, bevocht hun ledematen van gebakken klei omdat ze zijn lichtmeisje meenamen. Hij vocht met hen tot de sterren voor zijn ogen heel de nacht vulden, tot hij koude grond onder zijn klauwende vingers voelde, tot de woonwagens als zwarte blokken op hem neervielen. De haat en de liefde deed hem de golems volgen in de Plooien tot hij ze weer kon bevechten, tot ze hem in deze Plooi achterlieten, wachtend op zijn dood. Zijn vuisten zijn onwillekeurig gebald. Het is bijna volledig donker nu. Zijn adem is bijna niet meer te horen. En toch vecht hij nog tegen de dood. Zijn haat is een goede brandstof. "Dit begrijp ik beter", zegt hij op de duur toonloos. "Maar waarom verhalen vertellen uit een legendenplaats ? Haat is makkelijker herkenbaar in de Plooien". Ik klapper zachtjes met mijn vlerken en zeg : "Liefde is ook een legende, weet je niet meer ? Hoe moet ik deze emotie verduidelijken zonder verhalen uit legendenplaatsen te vertellen ?" Nu is hij weer langstil, maar ik weet dat zijn tijd nog niet helemaal gekomen is. "Misschien heb je gelijk", zegt hij dan toonloos. "En ... ik heb het gevoel alsof je verhalen bekend zijn ... en toch lijkt er geen samenhang tussen te zijn ... Maar inderdaad ... In de Plooien kun je niemand vertrouwen. Lichtmeisjes geven je geen onsterfelijkheid, maar ontmannen je. Golems geven je de geheime naam van god niet maar onthoofden je. Avonddansers geven je geen rust, maar verdoven je om je op te kunnen eten. Een menstype moet zichzelf zijn ... en altijd op zijn hoede. Maar met Yokei ... "


"Was het anders", vulde ik aan. "Ik vertrouwde haar". "Je houdt van haar". "Vertel me dan nog een verhaal, vogel. Doe het vlug. Misschien voel ik dezelfde vage herkenning". "Dit verhaal is één van de mooiste", zeg ik. "Liefde betekent ook opoffering ... heldhaftigheid of zelfverloochening. Hoe noem je het ? Dat hangt van jezelf af. Eén ding nog : mijn verhalen komen altijd vaag bekend over". "Hah !", zegt hij heel zacht, maar ik hoor dat de klank niets smalends heeft.

Ik stond op de hoogste top. De rotsen onder mij waren warm. De witblauwe dampen deden mijn ogen tranen en mijn adem ging sneller. Maar mijn kracht kreeg ik van de vulkaan. Het is een harde moeder, een vrouwelijk oorlogsdier, maar oprecht en betrouwbaar. Ik keek neer in de krater en zag zeesterren van geel-blauw-rood vuur onder mij kronkelen. Ik zag haar leven pulseren. "Ja", zeg ik. "Het is de laatste. Maar hij is erg machtig, zoals de legenden voorspeld hebben". De patronen veranderden en een monoliet van vuur steeg recht omhoog. "Het zal moeilijk zijn", zei ik. Als antwoord klonk er een geweldig gebulder achter mij. Ik draaide me om en de hemel boven mij was rood, bijna purper. Langs de zachtst glooiende helling van de vulkaan liep een kilometerslange strook van lava naar de zee waarin ze sissend oploste. Het was een rogvormige figuur met een staart van helle rook die aan het einde van de kolom rood werd. Rood ... indigo ... blauw. Prachtig. Sissen ... "Ja", zei ik. "Alles vermengt zich zoals jouw lava vermengt met andere elementen. De Aarde vervaagt, moeder. Andere realiteiten nemen over. Wilde geruchten gaan over de nieuwe landen. Verhalen over golems, landen die op zee liggen te glanzen en niet blijken te bestaan als je hen bereikt, of wel bestaan maar nèt buiten je bereik, verhalen over vreemde wezens die geen menselijke vorm hebben. Dat kunnen we niet tegenhouden."


Gebulder ... "Ja", zei ik. "We mogen de atomen niet meenemen als de nieuwe realiteiten de Aarde opslokken. Daarom zullen we deze laatste nog doden. Misschien zal zij het kunnen doen. Je hebt gelijk". En ik dook zonder verder oponthoud in de lavavuren.b De patronen namen me op, verstuurden me, voedden me. Ik vond haar op haar geliefkoosde plek, waar de wind en zee samenkwamen. "Zoyi", zei ik achter haar rug en toen ze zich omdraaide scheen haar gezicht met de glans van pas gewreven koper. Ze glimlachte en ik ging naast haar zitten. "Ik kom je rust verstoren, Zoyi", zei ik en toen ik die woorden uitsprak werd de wind kil en fluisterde de zee grimmige dingen. Ik sloeg mijn mantel rond mij en zat daar, somber en koud, als een oude, zwarte vogel. "Ik heb het gevoeld", antwoordde ze. "De laatste is geboren". "Ja". "Ik ben moe, Georgo". Ik bleef zitten zonder te antwoordden. Dan keek ze me weer aan en glimlachte. "Georgo", zei ze. "Het is mooi hier. Ik kom hier niet vaak genoeg, Zoyi". "Nee". "Ik hou van je". "Dat weet ik". "Ik kom niet genoeg. De taak ... " "Ik weet het". "Soms wil ik het opgeven. Bij jou zijn. Maar de aarde valt uiteen. We voelen het duidelijk : we zijn allemaal oud, theatraal en moe. We moeten de jonge volkeren de nieuwe realiteiten inleiden. Dat zijn we verplicht aan hen. En de wezens die uit de kerncentrales geboren worden kunnen we niet meenemen op deze tocht". Stilte. "En de anderen hebben ons nodig. De nieuwe mensen. Ze smelten terug ijzer in Afrika. Europa vervaagt en er komt niets anders voor in de plaats en AziĂŤ is een broeinest van barbaren. Afrika ... daar ligt mijn eerste hoop. Als de tijd rijp is, verplaats ik hen. Ik laat hen de hervonden kunsten aan andere volkeren leren en dan gaan we de nieuwe realiteiten verkennen ... Het mag zo lang niet meer duren ... "


"Georgo", lachte ze stil, "je zegt dat je moe bent en je plant maar raak. Maar je hebt gelijk ... Waar staat de reaktor ?" "Op Bora-Bora ... Ik ben echt moe, weet je ... van het vechten. Ik filosofeer liever. En de nieuwe veranderingen beloven het ontstaan van nieuwe filosofieĂŤn ... misschien. Ah, en dat is verlokkend voor me. Ik denk over de dingen na ... probeer toch. Parallelle universa ? De aarde die zich binnenstebuiten keert na de grote atoomrampen als duidelijk teken van haar afkeer? Of ... " Ze lachte, een aanvulling van het geluid van de wind. "Je bent onverbeterlijk, Georgo. Is hij werkelijk zo machtig ?" "De metingen zijn nog nooit zo sterk geweest, Zoyi", zei ik ernstig. "Dan is het de laatste". "De legenden, de vulkanen, de zeeen, ... iedereen zegt het". "Het zijn geen legenden". "Nee". "Hij is de laatste". "Ja". Ze keek me aan en toen las ik in die zwarte ogen heel mijn leven, al de bittere trots die ik in me opgestapeld had en ik zei : "Het is niet makkelijk om te zijn wat de mensen van ons denken, Zoyi. In hun ogen ... " Ze glimlachte en raakte mlJn hand aan. Ik keek over haar domein en liet de rust op me inwerken. De rotsen waren zwart, staalgrijs, grondbruin. Het water kolkte als een enorme witte wolk vijftig meter onder ons ,zo wit als sneeuw. Verderop werd de gorge breder en daar was het ijsblauw. Dan verdween het met een fijne waaier van schuim veertig meter in de diepte. De wind deed mijn mantel opbollen. De zwarte randen ervan fladderden soms voor mijn ogen. We bleven lang stil. "En jouw kracht ?" vroeg ze dan. "De metingen wijzen erop dat hij aan mij gewaagd is. We hebben ongeveer dezelfde orde van kracht'!. Opnieuw stilte, maar ik voelde goed genoeg waaraan ze dacht en daarom zei ik het hardop :' "Jouw kracht is van een andere orde dan de mijne en ze is ook zo groot als de mijne, Zoyi". Ze keek naar het blauwe water, vlak voor het verdween, niet naar het witte.


"Ik zal het doen", zei ze dan. "Ik ga mee, Zoyi". Natuurlijk wist ze dat ik meeging, dat we geen risiko's mochten nemen met deze laatste van de Omnivoren. De uitslag van de strijd tussen hem en mij kon niet voorspeld worden. Haar kracht had dezelfde grootte-eenheid als de mijne, maar was van een andere orde : haar kansen waren groter. Mijn angst omdat zij met hem zou strijden was groter. Maar de vulkanen hadden beslist. Ik legde mijn arm rond haar schouders en ze leunde tegen me aan. Zo bekeken we het water dat stroomde en viel om opnieuw te kunnen stromen. Die nacht trok ik niet verder. Het eiland leek op een reusachtige, verwrongen knijptang. De grote lagune, die de twee knijpers van elkaar scheidde, had een groenblauwe kleur met witte, opkrullende randen van de kleine golven aan de stranden. Aan de dikste hefboom van de knijptang stond de kerncentrale. "Natuurlijk weet hij dat we komen", zei Zoyi zacht en toen ik naar haar keek was er afstand tussen ons. In tijden van gevaar veranderen wij. De krachten die wij gebruiken nemen dan gedeeltelijk bezit van ons karakter. Op dat moment was zij verheven, dodelijk ... Ik hield de schaduw van mijn kracht pal achter mij, gereed om tussenbeide te komen. "Natuurlijk", zei ik moe. "Dat weten ze altijd. Laten we naar beneden gaan, Zoyi. Laten we er een einde aan maken. Ik ben het zat". Ze keek me doordringend aan en ik voelde wat ze dacht : we waren allebei moe. Onze krachten waren als reusachtige kappen boven onze hoofden, kappen die tot de wolken reikten. Maar onze geesten waren in essentie menselijk gebleven en eeuwen strijd tegen de Omnivoren hadden veel gevergd .. , Het was kil toen we van de berg afdaalden naar het lage, grijsgroene land van Bora-Bora. De kerncentrale stond aan de kust en we zagen haar al van ver met als achtergrond de blauwgroene lucht en enkele witgrijze stapelwolken. De streek rond de centrale was bar en woest en de keien schampten tegen mijn laarzen. Er waaide een kille bries vol met eeuwenoude geuren die vreemd op ons inwerkten. En de centrale zelf : een metalen berg in verval ... maar nog steeds vol grimmige, dodelijke kracht. De halveringstijd van het spul in haar ingewanden was erg groot. Het was een toren van metaal, onderverdeeld in pijpen, opslagreservoirs en twee gigantische koeltorens. Geen afgeronde contouren aan dat gebouw : enkel scherpe


of zware omtrekken. Enkele zeemeeuwen, ver op zee, krijsten en we hoorden het, hoe ver ze ook waren. Alles leek verlaten. Links van ons was het grijsgroene land van Bora-Bora met de achtergrond de vulkanische gebergten. Ik voelde de kracht door haar zinderen, de reinigende sikkel die ze zou hanteren. En tegelijkertijd werd ik de loodzware, verstikkende deken van kracht van de laatste Omnivoor gewaar. We kwamen aan de eerste uitlopers van de Centrale. Er werd niet meer gesproken. De metalen buizen boven ons vormden ingewikkelde, gestyleerde handen. Het wirwar van pijpen en leidingen die losgeslagen waren, leidde ons naar de ingang van de centrale. En hij stond in die ingang als een miniatuurnabootsing van de centrale zelf. Natuurlijk had hij een soort menselijke gedaante, maar hij leek toch op de één of andere manier op de centrale zelf. Eeuwen strijd hadden eigen regels gemaakt zoals elke situatie haar eigen regels schept. Daarom moest ik blijven staan, terwijl zij verder ging. Zjjn loodgrijze gestalte stak niet af tegen de achtergrond van metaal en ik herinnerde me de keren dat ik in de gloeiende ogen van zulke wezens gekeken had, dat ik hun kracht geproefd had en dat ik hen vernietigd had. Eénmaal bleef ze staan, vijf meter verder dan ik, en keek ze om. En haar blik was een wereld van wanhoop en liefde. Plotseling schoot er woede door mij, woede die me toefluisterde dat ik ondanks alles een soort van god was, dat mijn kracht nooit geëvenaard was geworden, ook niet door de hare, en dat ik het moest zijn die de laatste Omnivoor vernietigde, dat dat mijn recht en mijn plicht was. Maar het was te laat. Hun krachten grepen ineen en de hemel werd duister en sterren van bliksem grepen in elkaar. De grond golfde en trilde en één schrille kreet, als van een verre zeemeeuw, was te horen boven het gebulder van de losgeslagen zee. En dan was het weer een normale dag met witte wolken aan een groenblauwe hemel. De wind suisde zachtjes en dan werd het stil, erg stil, toen ik langzaam naar voor ging, naar de wachtende gestalte toe. Er gingen onbegrepen gedachten, snel als dodelijke pijlen, door me heen en elke stap die ik nam deed de stilte intenser worden. De loodgrijze gestalte voor mij ... en aan mijn voeten de zwarte mantel die genadig haar gezicht bedekt had toen ze viel. Mijn ogen bleven droog en ik hield niet stil bij haar lichaam. Ik ging verder zonder haar een formele groet te brengen want die hommage ging ik op een andere manier doen.


Het koude deken van zijn macht botste tegen mij maar boog terug voor de golf van kracht en haat die van mij uitging. Ik ging verder en de gedaante voor mij en de centrale bleef staan en de vuren in haar ogen brandden intenser, intenser ... Ik stopte niet tot ik voor hem stond en toen strekte ik mijn armen omhoog. Zijn kracht kaatste tegen mij, deed me ineenkrimpen en maakte mijn woede, mijn haat en verdriet nog groter. Rondom ons was het stil door de krachten die rond mij slopen, die op mijn bevel wachtten. Ik keek hem aan en liet hen groeien tot zelfs ik hen niet meer in bedwang kon houden. En dan liet ik hen los en stuurde ik hen naar de koude, onbegrijpelijke lichten in zijn ogen. De wereld ging onder in vlammen. De grond kwam omhoog, de hemel daalde neer en alle rotsen die de Aarde ooit gedragen had, vlogen als regendruppels door de lucht. Bergen kreunden en schokten in hun verre kluisters van tonnen en tonnen aarde en dan draaide alles 180 graden om. De patronen onder mij pulseerden kalm. Verderop sproeide een waaier van roze en lichtgouden vonken honderden meters hoog uit een bijkrater. Ik hield mijn mantel voor mijn mond en keek naar beneden. "Je had gelijk", zei ik toonloos. "Ik was moe. We waren allebei moe. We zouden waarschijnlijk gefaald hebben ..." De lavafontein werd breder en hoger en grillige goudsporen die een misvormde hand tekenden, weefden zich door de oranje-mauve regen. "Je had gelijk !", schreeuwde ik en mijn woede deed de vulkaan schokken. "Door haar dood vond ik mijn kracht terug zoals die moest zijn. Zij stierf en ik ontwaakte uit mijn lethargie, uit mijn verheven dwaasheid. Nu is het gedaan! Het is afgelopen !" Ik zweeg uitgeput.


De lavafontein werd zacht koperkleurig. Oud koper, zo oud als ik me op dat moment voelde. De tranen drongen in mijn borst, maar tegelijkertijd was ik minder menselijk door de kracht die nog altijd ongeduldig, hongerend in mij rondsloop. Ik begreep hoe ver we altijd van de normale menstypes geleefd hadden met onze grimmige strijd. "Na de Omnivoren zullen er andere gevaren komen", ging ik zacht verder. "Ze wilde dat ik bleef leven omdat ze wist dat ik de andere realiteiten graag zou verkennen. Ze offerde zich voor mij op. En nu komen er inderdaad andere tijden waarin andere kracht moet gehanteerd worden. Het godenrijk is dood. Neem terug wat je me gegeven hebt". Ik dook in de lavabronnen diep onder mij en de vergetelheid kwam als een draak in de nacht. Ik ben nu stamhoofd en spoedig zal ik de prauwen commanderen die de nieuwe landen die steeds weer vervagen en dan terugkeren, gaan onderzoeken. Ik wil weten wat het zijn : visioenen, parallelle werelden die door de grote energieuitbarstingen van de laatste eeuwen zijn vrijgekomen of gewoon dromen van een verre god die nu dichterbij is. We hebben alles wat we nodig hebben : moed en vertrouwen. Mijn volk is zwart, sterk en intelligent. Mijn volk eert de vulkanen en een gebalsemd lijk dat in een zwarte mantel gewikkeld is. Ik ben je niet vergeten, Zoyi. Ik zal je nooit vergeten.

Zijn gezicht is een bleke vlek in de nacht. Ik zwijg. Mijn verhalen zijn verteld. De zwarte vogels die zijn ziel wegwieken zijn onzichtbaar geworden door de nacht. "Je vertelt me heel vreemde, heel bekende dingen, vogel", zegt hij op de duur met de krachtige stem die het symptoom is van de laatste opflakkering van helderheid voor de dood. "En al je verhalen komen uit die onwerkelijke plaats ... Wie was die eerste ik-persoon in de droomvertelling ?" "Ik klap zacht met mijn vlerken: "Jij". "En de tweede ?" "Dat was jij". "En de derde ?"


"Hetzelfde. De menstypes leven méér dan één keer. Laat dat een troost voor je zijn". "Wie of wat ben je dan ?" "Ik heb je drie dimensies van een emotie laten zien ... Ik ben de vierde". "Van de liefde ?" "Nee. Van elke emotie". Zijn hijgen is als het voortkruipen van een jonge gletsjer : gekweld. "Men zegt dat iemand die sterft zijn leven voor zijn geestesoog ziet voorbij flitsen" , zegt hij dan. "Levens", zeg ik. "Niet alles. Flitsen". "Ik begrijp het niet", zegt hij zacht. "Elk levend wezen gaat door mij, vroeg of laat. Ik ben de Wachter naar een nieuw leven". "Dus toch de dood", fluistert hij. "Nee. De dood is één van mijn aspekten. Ik ben meer dan hem alleen. Ik louter. Je hebt me in je voorbije levens goed genoeg gekend, Ayandale. Ik vind dat het nu tijd wordt dat je alleen verder gaat. Je hebt me niet nodig om de laatste Plooi te vinden". En dan begreep hij het en hij wist dat ik zolang gewacht had om weg te kunnen gaan. "Jij bent ook de poort tot de liefde", fluistert hij zacht. "Onder andere, natuurlijk. Nu kan ik alleen verder. Ga nu weg. Nu !" En ik sla gehoorzaam mijn vleugels uit en verdwijn in de nacht terwijl de zwarte vogels zijn ziel over de grimmige bergen van de dood wieken naar de stralende Plooi die daarachter ligt.


Zit ik toevallig in mijn luie stoel, probeer ik mijn avond genoeglijk door te brengen met Wijn, Trijn en Gezang (i.c. Essef), en wordt mijn plezier weer eens vergald. Ditmaal door OMEGA 3. Dan herinner ik me dat ik ook op punt stond een en ander neer te tikken bij het doorbladeren van het vorige nummer. Maar het was toen zo verschrikkelijk warm - 't was me inderdaad het zomertje wel dat ik soelaas vond bij het verstevigen van de aandelenpositie van twee bekende Deense brouwerijen. Nu, dit keer zullen Rias en Vrienden uit het Hoge Noorden er niet aan ontsnappen. Ik mag ze best - daar niet van - en hun blad is de moeite waard, en tenslotte richt mijn agressiviteit zich niet tegen personen, maar tegen VERSCHIJNSELEN. Hou je vast, nu komt het! Ik BLIJF het NIET pikken, al dat geouwehoer over samenwerking tussen de verschillende bladen : jarenlang heb ik me er het vuur voor uit de sloffen gelopen, in België, in Nederland en zelfs in internationaal verband. En wat gebeurt er ? In plaats van dat de weinige aktievelingen hun medewerking aanbieden aan het moeilijk in leven blijvend bladenbestand, zetten ze nog maar eens een eigen blaadje op ! Ik BAAL ervan. Ze kunnen voor mij de pot op ! Want ze kunnen zich zogezeid niet verenigen met de bestaande redakties en met de aangeboden kwaliteit. Godbetert ! Wie houden ze voor de gek ??? De bestaande bladen schreeuwen, roepen, huilen, smeken, bidden om flinke medewerkers ! En elk velletje BEHOORLIJKE kopij wordt in dank aanvaard en gepubliceerd. Ik gun iedereen zijn eigen snertblaadje - individuele expressie van individuele emotie, weetje-wel, da's ook al zo'n honderd jaar oud - maar laten ze dan in vredesnaam hun mond houden over de "K W AL I T E I T". Zelfs de dorpsidioot weet dat je in het Nederlandse taalgebied in het beste geval, met de beste auteurs, in de gunstigste financiële omstandigheden, slechts één redelijk Essefblad kunt maken, zij het met veel zweet en tranen.


Met name verwijt ik de Groningse doe-het-zelvers INCONSEQUENT DENKEN. En hun kritiek op de kwaliteit van de nummers 46 en 47 van SF-MAGAZINE (die in uiterst moeilijke omstandigheden, toch maar konden worden geproduceerd) schuif ik dan ook als volkomen irrelevant terzijde. Jullie hebben geen recht van spreken, jongens : jullie staan letterlijk off-side ! En verder ben ik een oude sentimentele bok en verklaar ik jullie met veel tremelo's en pathos : probeer nou eerst maar eens een vijftigtal nummers van OMEGA klaar te stomen, en open dan eens je bek. Overigens ben ik niet rancuneus : stuur jullie kopij maar naar onze redaktie : als 't goed is nemen we het wèl op. Hebben jullie nooit gehoord over pluralistische opvattingen ? Menen jullie heus dat SF-MAGAZINE of HOLLAND-SF jullie proza niet zouden aanvaarden ? Kom nou ! Eerlijkheidshalve, voeg ik er aan toe dat bovenstaande verwijten ook op anderen, in binnen- en buitenland, van toepassing zijn. En ik zeg jullie allen heel beslist : nooit van z'n leven komt er een echt goed nederlandstalig essefblad als niet ALLE (want er zijn er zo weinig) aktieven samenwerken en bereid zijn een stuk van hun individualisme --- NIET van hun persoonlijkheid --- op het altaar van het goede doel te offeren. Dat, en niets anders, is de realiteit. De rest is in het beste geval een onwerkelijke droom, in het slechtste geval, poeha en het idiote verlangen zich belangrijk te voelen. Kijk, voor mij mag het hoor ! Laat iedereen maar blijven voortklungelen, tot-ie er kotsmisselijk van wordt, maar ik zal jullie ballonnetjes BLIJVEN doorprikken. Zo is het ! Tweede akte van deze commedia dell'arte : de kritiek op BENELUXCON 3 te Brugge. Jullie kunnen nogmaals mijn fundament kussen ! Waar zijn al die steengoeie programmapunten gebleven die jullie dankbare organisator hebben aangeboden ? Of eenvoudigweg de materiÍle hulp die hij zo broodnodig had ? Herman Ceulemans heeft niet voor niets een zenuwinzinking gehad ! En hoewel die jongen zich wel eens heeft vergist - mag-ie, alsjeblieft - hij heeft zich tenminste letterlijk kapot gewerkt om iets uit de grond te stampen. En verder heeft niemand wat gedaan. Wil dus iedereen zo eerlijk zijn om z'n grote wafel dicht te houden ? Ik weet wel dat jullie het allemaal veel beter kunnen dan Herman Ceulemans. God-Almachtig, waarom hebben jullie dat dan niet gedaan ? Mag ik alsjeblieft even zeggen dat jullie allemaal luie zakken bent geweest ! En dan maar kritiek leveren ... Maar ik herhaal het: IK NEEM HET NIET LANGER; WAT DENKEN JULLIE EIGENLIJK WEL ? Jullie zijn een stelletje kwajongens, en dat neem ik jullie hoogst kwalijk, want op die manier ONDERWAARDEER je jezelf. Als je pit hebt in je lijf, als je werkelijk persoonlijkheid bezit, zorg dan tenminste dat de organisatoren van BENELUXCON 4 iets aan jullie hebben, al was het maar om de asbakken op tijd schoon te maken of om garderobediensten te verrichten. Doen jullie dat niet, dan zijn jullie waardeloze praters, aan wier mening absoluut geen aandacht mag worden besteed.


Het wordt tijd dat die dingen in de harde koppen van velen wordt gehamerd. Ik hoop dat het nooit meer nodig zal zijn. Het derde luikje van mijn woestheid, betreft een gevoelig en zeer punt. De KLUDDE-reeks wordt mede door Belgen verzorgd en in Brabant gedrukt. Dat kan dus niet goed zijn. Alleen boven de rivieren wordt goed gewerkt. Jullie mogen van geluk spreken dat jullie 350 km hier vandaan zitten, want ik verkocht jullie zo'n klap dat jullie wel nooit meer uit de zeeklei zouden opstaan. Wat een grenzeloze pretentie; kunnen jullie wel ? Toevallig woont, leeft en/of werkt 65 % van wie zich in de Nederlanden met Essef bezighoudt, beneden de Moerdijk ! Zet ze allemaal op een rijtje (auteurs, critici, fans, kunstenaars, enz.) en kom niet aandraven met het lijstje van een vijftal uitgeverijen boven de rivieren die een essefserie publiceren. Die zijn allemaal waardeloos : Raes, Bertin, Van Brussel, Van Herck, Van Herp, enz. En wie toevallig boven de Bergsche Maas of de Merwede woont, is dus goed. Wat verschrikkelijk, zeg. Gelukkig hebben we nog carnaval in het zuiden, om ons groot ongenoegen weg te spoelen ! En niet te verwonderen dat de nederlandstalige essef zo'n geringe verspreiding kent, met al die "oeteldonks" ! Wat zegt u ? Bertin in het Engels en in het Frans uitgeven, Van Herck ook, Van Brussel ook, dat zijn dan zeker vergissingen, want wat in de Achterhoek of bij de Hunebedden wordt geproduceerd, is zoveel béter ! Zeg jongens, waar halen jullie eigenlijk dat superioriteitsgevoel vandaan ? Wat een pueriele opgeblazenheid ! Als ik jullie was, dan verhuisde ik prompt naar Den Bosch of Breda, dat zou het algemene niveau in het donkere zuiden zeker ten goede komen. Maar jullie riskeren dan wel dat je niet au sérieux wordt genomen, want we zijn nu eenmaal gemoedelijke feestneuzen die nà carnaval hun masker voor een jaar in de kast opbergen. En bij ons wordt om clowns alleen gelachen. Tenslotte zal ik jullie iets voorspellen : jullie zullen hoogst ernstig op mijn woede-uitbarstingen ingaan en zin voor zin aanhalen om aan te tonen dat ik naast de kwestie zit en dat ik jullie artikels niet gelezen heb, en dat ik dus een domoor ben, enz. Q.e.d. Arme Kerels. Gelukkig kan IK nog lachen …

" In boekhandel W.P.van Stockum, Buitenhof 36, Den Haag gaat van 21/2 tot 6/3 een tentoonstelling door van SF-boeken. Dit in samenwerking met de British Council."


Saymoun-Plus was great and wise a cyborg to be proud of dreamt and spoke 'bout a new sunrise when all the stars would take off ai-ho ! Saymoun-Plus ! bits of flesh and hunks of steel would like to bring all space at peace ai-ho ! Saymoun-Plus ! why don't you take the steering wheel ? Got a bunch o'men he did Saymoun-Plus would save the world created an army, safely hid to start a new era, you've never heard First shot took Saymoun's left leg mankind didn't want to see the light Saymoun fought on, didn't beg after all he was certain he's right ai-ho ! Saymoun-Plus ! bits of flesh and hands of steel would like to bring all space together ai-ho ! Saymoun-Plus ! no more talk but still glib as an eel They slew his army, they were brave even with a rocket bomb in Saymoun's chest nuts and bolts sprung but his brain was safe which after all, was the best 'Twas only a head left and the brain final trophy to Saymoun's reign and toil and even that went down the drain when the assassin put sugar in Saymoun's oil ai-ho ! Saymoun-Plus ! eyes a mess, nothing left to feel would like to dream a dream of More ai-ho ! Saymoun-Plus ! don't you know a dream's not real ?


"Ungleichheit !" Ja, je herinnert je Dr. Hasselman, van lang voor hij internationale bekendheid ging genieten. Kijk, daar, zijn vaste plaats : hij staat met de rug tegen de tapkast aan en onderlijnt zijn uitroep met een weids gebaar, waarmee hij alle aanwezigen tot getuigen neemt. Zijn stem dreunt door het toch al luidruchtige BURGERVEREIN en zelfs de waard kijkt af en toe even op van de biertjes, die hij in een haast ononderbroken stroom de rookbewalmde zaal rondbrengt. "Ach, die Dr. Hasselman toch ! Ja, wat !", schuddebollen Notaris Schuhmacher en Raadsman Müller. En : "Ja, wat !", echoën Hoofdonderwijzer Herr Schmidt en Frau Hertha Mann, plichtsbewust. Ja, je herinnert je Dokter Hasselman. Dokter Hasse1man als jong chirurg, met zijn kleine, oude wagentje van voor de crisisjaren ...

Dokter Hasse1man, met zijn onooglijke kliniek, waarvan de geïmproviseerde wachtzaal én de spreekkamer uitpuilen van stoffige publikaties en ten koste van persoonlijke offers gekochte tweedehandsmateriaal ... Dokter Hasselman, met zijn provocante sociale uitspraken in de anders zo behoudsgezinde Burgerkring, waarin hij nauwelijks en wantrouwend werd geaccepteerd ... "Ongelijkheid ! Ziedaar de ware nood van een lijdende mensheid ... !" "Man, dit is een welvaartstaat, weet je wel ... ", puffen Schuhmacher en Müller, geschokt. Maar : "Ongelijkheid hoeft niet noodzakelijk materieel te wezen", replikeert Hasselman, onverstoorbaar als altijd, "Rechtvaardigheid is in de eerste plaats gelijkberechtiging, en gelijkberechtiging is veeleer een persoonlijk dan wel een sociaal probleem ... "


"Filosofie, wat ..." maakt ...", zuchten hun aandacht weer delen en je alléén staan.

en "Wijsbegeerte heeft deze natie grootgezijn toehoorders, waarop ze, gerustgesteld, over koetjes én hun kalfjes én hun biertjes vertegenover Hasselman en diens theoriën laten

"Klasse en huidskleur !", gaat de goede dokter verder, "Leeftijd en geslacht, groepen en bewegingen, iedereen is de straat reeds opgekomen. Maar de ongelijkheid gaat veel dieper : Wie heeft ooit de discriminatie aangeklaagd tegenover hen die door de natuur minder werden bedeeld ? Niet de fysische handicap, maar de psychologische : Wie kent de afzondering van een lelijk mens ? De eenzaamheid van de gecomplexeerde ? Het onpeilbare onbehagen van wie door bedeesdheid wordt gekweld ?" Nu, daar kan je inderdaad over meepraten : zelfvertrouwen was nooit je sterkste zijde en hoeveel kansen heb je al wel niet gemist door dat knagende gevoel anderen groter of mooier te weten ? Door dit "idée fixe" dat je nauwelijks tot de schouder reikt van je vrienden, of dat je niet half de eigenschappen bezit die van je worden verwacht ? "Maar, Dokter Hasselman", begin je aarzelend, "heeft de psychanalyse dan ..." Aan je zenuwtrek heeft hij je probleem echter onmiddellijk doorzien : hij legt de ene hand op je schouder, wuift met de andere in een brede geste symbolisch zowat driekwart van de mensheid weg en troont je mee naar een minder dicht bevolkte hoek van het lokaal. "Ach wat, analyse en psycho-therapie berusten op een zelfoverschatting van de heler, jongen", deklameert hij, slechts een weinig minder luid, "Bescheidenheid ! Een dokter is geen geestelijke leider, maar een uitvoerder. Homo machina : de mens is een machine, en een gevoelige machine, maar een machine herstel je niet met ertegen te PRATEN ! Wel met een ingreep, met olie en ruilonderdelen. Zo eenvoudig is het wel !" Waarop hij je verder apart neemt en je een programma van biochemische injecties uiteenzet die in de kortste tijd aan je minderwaardigheid dienen te verhelpen, of althans aan de "werkelijke bronnen van je onbehagen". Je maakt een reeks afspraken en de volgende weken wordt je een getrouw bezoeker van Dr. Hasselman's kliniek, waar je, mits een niet goedkope, maar wel erg efficiënte behandeling, spoedig je gecomplexeerde ego en je zenuwtrekken ruilt voor een nieuwe persoonlijkheid, een geheven hoofd en een zelfzekere stalen blik ...


De een en de ander kijken hiervan wel raar op. De eigenares van je flatje bijvoorbeeld, wanneer je haar botweg de derde verhoging weigert, die ze je dit jaar tracht af te persen. Of de verzekeringsman, die in jou steeds een gemakkelijke prooi zag, wanneer je hem voor de eerste maal in je leven de deur uit blaft, in een ticker-tape parade van versnipperde kleine lettertjes. Minnie, je verloofde, tenslotte, want biochemische injecties hebben ergens als eerste functie je potentie te verhogen, wat haar uiteraard niet ongelegen komt. Zo merk je tot je eigen verbazing dat ze plots de verkleinwoordjes vergeet, waarmee ze je bij je thuiskomst pleegt te begroeten en die ze bij een intiemer samenzijn wel eens in je oor durft te fluisteren ... En wat ze je nu wèl toevertrouwt ... kort en hijgend, weet je wel ... Wel, wel ... de kwaliteit van het leven, wat? Je tevredenheid slinkt slechts een hele poos later, wanneer er een hogere post vrijkomt in het bedrijf waar je je dagen slijt. Hoewel je je patroon nu zelfs in de ogen durft te kijken, wordt je gewoon over het hoofd gezien en gaat de begeerde functie naar een graatmagere jonge kerel, die nauwelijks een jaartje in dienst is. Een onaangename wending, die je behoorlijk dwars zit en waarvan je bezorgd de verklaring zoekt. Je bevoegdheid ? Nonsens ! Een vertrouwenskwestie ? Evenmin ! Je voorkomen dan ? En weer gaat er iets aan het knagen, diep in jezelf, en weer wordt je erg gevoelig voor wat over je wordt gezegd. Tot je op een morgen enkele flarden opvangt van een gesprek tussen twee collega's, waarbij het woord "dikhuid" valt en stiekem en grinnikend in je richting wordt gekeken. "Natuurlijk !", denk je dan, en nog diezelfde avond zit je weer tegenover Dr. Hasselman. "Een veel voorkomende vorm van ongelijkheid", verklaart hij, "zwaarlijvigen lijden niet enkel subjectief onder wat je hun "handicap" zou kunnen noemen, maar worden ook STATISTISCH AANTOONBAAR gediscrimineerd. Het merendeel van de mensheid is duidelijk bevooroordeeld tegen de zwaardere man of vrouw, hoewel zij dit natuurlijk niet zullen toegeven, wanneer je hen brutaalweg de vraag zou stellen ... "


Wat voel je je kleintjes tegenover deze wijze man ! "Kan corpulentie worden verholpen, dokter ? Met geneesmiddelen, of is het eerder een psychologisch probleem, een zoeken naar ... ?" Dokter Hasselman is echter kategoriek :

"Onzin, jongen, onzin allemaal. Waarom het verder zoeken dan strikt nodig is ? Kijk, je probleem is tweevoudign: niet alleen ben je een ietsje te kort, om zelfs maar een slanke gestalte tot zijn recht te doen komen ... Twee ongelijkheden waaraan door een betrekkelijk eenvoudige ingreep in enkele dagen kan worden verholpen. De verlenging van het dijbeen hoeft wel geen commentaar. Het inkorten van de twaalfvingerige darm kan daarentegen ongebruikelijk lijken, doch je moet hierbij wel realiseren dat het dit onderdeel van je gestel is dat de bruikbare bestanddelen uit het voedsel assimileert, terwijl de kwantiteit van de opname evenredig is met de actieve oppervlakte, en, ergo, met de lengte van dit orgaan ..." "Dokter Hasselman, u is niet enkel een genie, maar bovendien een weldoener van de mensheid, en ... en ..." "Kalm, jongen, laten we bescheiden blijven. Het is voor mij een persoonlijke voldoening met enkele eenvoudige veranderingen te kunnen bijdragen tot het uitschakelen van ..." "Ongelijkheden !", onderbreek je de grote man, en ergens voel je je z'n partner in deze lovenswaardige strijd. En zo ruil je de daaropvolgende dagen twee iets te korte dijbeenderen voor twee langere en vijf-en-veertig centimeter twaalfvingerige darm voor een identieke lengte superb uitgevoerd, bijzonder soepel en vooral erg inactief plastic-materiaal.


De ingreep kost je een bepaald niet-onaardig bedrag, waarover je tegenover Minnie erg vaag blijft, maar het resultaat is gewoon verbazingwekkend en terwijl je zienderogen verslankt volg je, vanop je nieuwe hoogte, met een zekere triomf de reakties van je buren en van je collega's en van de notabelen in het "Verein". Het aanvankelijk scepticisme maakt plaats voor een stille appreciatie, en zelfs voor een zeker ontzag, hoewel de gevoelens erg gemengd blijven wanneer je Hasselman's theorieĂŤn mee gaat propageren. Nu, daarom niets gelaten. Elke pionier is eerst wel voor dorpsidioot versleten, niet ? Tenslotte ga je jezelf nauw bij de zaak betrokken voelen, en het is heus niet alleen omdat Juffrouw Lindman je smadelijk heeft afgewezen dat je kort daarop je hobbelige neus en je toch iets minder geslaagde onderkaaksbeen inruilt tegen een acquilaans frontstuk en een kordate, doch vloeiende, (enkele) kin ...

"Kijk", zeg je Dr. Hasselman, de avond waarop je hem deze kleinigheden afrekent, "Hier is een opvallende stunt vereist om deze eenvoudige mensen te overtuigen, hoewel ikzelf niet dadelijk zie ... " Maar, lieve hemel, wat heb je nu gezegd? Bijna wijst de goede dokter je de deur en je merkt wel dat het louter goedheid is van zijnendwege wanneer hij je Ăźberhaupt nog te woord wil staan "Weet, jongen", zegt hij met een overslaande stem, "dat het medische beroep geen CIRCUSBEDRIJF is, en de wetenschap geen SPEKTAKEL, SPEKTAKEL dat nutteloze ingrepen ons door onze eed worden VERBODEN en dat het doel, hoe juist dan ook, NOOIT de middelen heiligt !"


Waarop hij zich in een nukkige stilte terugtrekt en je met een immense schuldgevoel laat worstelen. "Tu quoque !", huilt je geweten, terwijl het je met de vinger nawijst als de meest ondankbare kerel die ooit de eerste woorden van Ethica en Deontologie niet heeft begrepen ... "Begrijp me, Dokter Hasselman", stamel je, haast onverstaanbaar, "mijn enige bedoeling was de anderen eveneens te laten genieten van ... uw ... " "Ach, ach", sust de dokter, "Het is onze taak de patiĂŤnt te begrijpen, hoe hard dit ons persoonlijk ook kan vallen. Ook wanneer onze integriteit in twijfel wordt getrokken en ook wanneer onze bedoelingen verkeerd worden uitgelegd ... Tenslotte is dit ook mijn schuld. Althans gedeeltelijk, omdat ik je werkelijke probleem reeds lang had doorzien, jongen, maar aarzelde je erover te spreken ..." "Mijn werkelijke ... probleem, Dokter ? Bedoelt U ... ?" "Kijk, dit is een pijnlijke zaak, maar wellicht is het beter het mes onmiddellijk in de wonde te steken, vooraleer verder onheil geschiedt ... Beloof me dat je me sereen zal laten praten en dat je dit louter als een medische kwestie zal aanzien, zonder verouderde en negentiende-eeuwse bijgedachten ..." "Maar, Dokter, vanzelfsprekend ... Zegt U me alstublieft ... ?" "Is het je - persoonlijk - niet opgevallen dat je aandacht voor je voorkomen iets ... overdreven te noemen valt ? Dat je verminderde potentie, tegenover je verloofde ... Zie je wat ik bedoel? Of dat de manier waarop je je aan mij bent gaan hechten ergens iets ... onnatuurlijks had ? Onnatuurlijk dan in de volkse, zeker niet in de medische betekenis van de uitdrukking ?" "Dokter, bedoelt U dan ... ?" "Inderdaad, jongen, hoewel je hieruit helemaal geen verkeerde conclusies dient te trekken ... Zoals ik zei wordt op deze zaken enorm victoriaans gereageerd ... Een bijzonder hoog percentage van de mensheid beleeft haar sexualiteit verkeerd, omdat zij niet de moed opbrengt om voor zichzelf uit te maken ... Kijk, we moeten hier onbevooroordeeld tegenover staan : dit is niet een van die vroegere eeuwen, waarin Homofilie spottend werd afgedaan ..." "Maar, Dokter, Minnie ..."


"Ach, jongen, vaak is het deze dubbelzinnigheid die de partner in je aantrekt, en die hem ook blijft aantrekken, al wordt dan in de geslachtelijke gemeenschap geen volledige bevrediging bereikt ... Dit heeft hoegenaamd niets dramatisch en het hoeft dit ook niet te hebben, begrijp je me ? Hoogstens een valse schaamte, waar je overheen moet weten te stappen, en een betrekkelijk kleine interventie, die heel behoorlijk kan worden uitgevoerd. Wel delikaat, wat maakt dat hieraan relatief hoge kosten zijn verbonden, maar waarom zou je iemand verplichten gebonden te blijven aan het toeval van de geboorte ? Voortdurend in beweging blijven, jongen : het leven is dynamisch en stagnatie dient te allen prijze voorkomen ... En bestaat de echte, de uiterste gelijkheid er tenslotte niet in in alle omstandigheden zelf, vrij je weg te kunnen kiezen !" Zo laat je je overtuigen en zo verwissel je tenslotte van geslacht. Daar kijkt Minnie pas verbaasd van op. Begrijpelijk ook. Eerst is het wel even wennen, maar daarop ga je samen heerlijke spelletjes doen en ontdek je samen dagelijks nieuwe mogelijkheden om jezelf echt dieper te beleven. Dit is pas leuk. Hoewel je natuurlijk ook nog de buitenwereld in moet, en daar is de reactie, eerlijk gezegd, minder onverdeeld. Aan sensatie geen gebrek, dat spreekt.


Je krijgt reporters over de vloer, sensatiefotografen in je achtertuin en geroddel overal over heen. Mits enkele kleine aanpassingen van het parcours wordt het straatje waar je woont overigens vlot ingeschakeld in de dagelijkse avondwandeling van de godganse plaatselijke bevolking. De verplichte rustpauze wordt echter tegenover je buren gehouden, want té opvallend hoeft het nu ook weer niet ... Het enthousiasme is echter erg gematigd, hoezeer en hoe hardnekkig je je standpunt - en Dr. Hasselman's ideeën - ook verdedigt. Zo kom je te weten dat in de onderneming waar je werkt ernstig je ontslag wordt overwogen, tot voor de juridische en financiële gevolgen werd teruggeschrikt. Ook in het "Verein" durf je na een eerste demonstratie, stilaan niet meer te vertonen. Schaarse vrienden rapporteren je overigens dat ook Hasselman in weken niet meer werd gezien en dat je uitsluiting werd voorgesteld op grond van "immoraliteit". Een vervelende situatie, dat hoeft geen betoog. Tenslotte wordt Raadsman Müller afgevaardigd om met je te spreken, en, waarachtig, je voelt dat zelfs deze praatzieke man in nauwe schoentjes zit. "Het komt er op aan deze pijnlijke zaak op de juiste manier te benaderen en samen een oplossing te zoeken, die alle partijen kan bevredigen", brengt hij uit. Zweet parelt op zijn voorhoofd. "Nu weten jullie best dat ikzelf steeds het volste begrip heb opgebracht voor al wat nieuw en gedurfd is en dat ik steeds een erg progressief standpunt heb ingenomen ... wat overigens nogmaals tot uiting zal komen ter gelegenheid van mijn campagne bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen, maar dit is een ander onderwerp. ... Begrip en bekommernis, zie je ... " "Dan begrijpt u wel, Raadsman, dat dit een persoonlijke" ... "Juist, juist Daarover dienen we het dus helemaal niet te hebben. Je weet dat ik de grootste persoonlijke vrijheid voorsta en uiteraard ben ik ook op de hoogte van Dokter Hasselman's ideeen omtrent de gelijkheid ... Maar daar ligt, dacht ik huist, het probleem, zie je ... Zijn jullie misschien niet ... ik bedoel ... ergens té gelijk, begrijp je ?


Gesteld dat jullie standpunt te verdedigen valt, en ik wil dit dan ook niet betwisten, zou het dan wellicht niet een oplossing zijn hierop consequent door te denken ... Ik bedoel wanneer ook Juffrouw, heh ... ?" Tja, zover had je zelf nog niet gedacht, en inderdaad valt hiervoor iets te zeggen. Vooral omdat je op die manier niet verplicht wordt jouw en Dr. Hasselman's overtuiging te herroepen. Geen compromis, maar een stap verder, zo kan je het zien. Wel, het blijkt moeilijker Minnie te overtuigen dan je zou vermoeden, maar er moet een oplossing komen en tenslotte beschik je over een hele voorraad argumenten, die reeds vroeger hun bruikbaarheid hebben bewezen. Wanneer je echter samen, op een maanloze avond, Dr. Hasselman's kliniek opzoekt, die even buiten de bebouwde kom gelegen is, sta je voor gesloten deuren én voor het feit dat de dokter het stadje heeft verlaten. Is de goede dokter dan bezweken voor het onbegrip en heeft hij de haast algemene veroordeling van zijn baanbrekend werk niet kunnen dragen ? Pas later kom je te weten dat de goede dokter zijn zware ZuidDuitse tongval heeft geruild voor een bevallig Weens accent, zijn oude wagentje voor een vierdeurse Vandenberg Dymo-4004 Astro-Glider, zijn onooglijke kliniekje voor een super-de-luxe instelling, annex buitenverblijf mét zwembad bij Genève en zijn toch al niet bescheiden honoraria voor een nu astronomische tarificatie. Daar kijk JIJ nu van op.

BENELUXCON IV : SF-VERHALENWEDSTRIJD Ook in Nederland wordt dit jaar een sf-verhalenwedstrijd uitgeschreven, waarvan de uitslag zal worden bekendgemaakt bij gelegenheid van Beneluxcon IV, van 14 tot 16 mei e.k. De prijzen belopen resp. 100, 75 en 50 fl., met een bijzondere 'King-Kong' - prijs van nogmaals fl. 100-. Inzendingen, vóór 4.4.I976, aan Redactie TERRA, t.n.v. Derkwillem Visser Jr., Postbus 3997, Amsterdam, waar ook het volledige reglement kan worden aangevraagd.


Laatst kwam Rob Vooren, mederedacteur van HOLLAND-SF, een weekend bij me logeren en natuurlijk werd er heel wat uitgepraat. Wat me onder meer is bijgebleven, was een gesprek over de plaats van science-fiction in de literatuur. Beiden waren we het erover eens dat essef in de eerste plaats ontspanningsliteratuur is zonder dat het daarom altijd triviale literatuur zou moeten zijn. Als je nou de klassieke beoordelingsnormen - ik bedoel, de standaarden waaraan de literair geschoolden de zogeheten "mainstream"-roman toetsen - gaat hanteren in verband met een essefroman, of een andere triviale literatuurvorm, dan kom je ALTIJD tot de conclusie dat essef waardeloos is, want slecht geschreven, slecht geconstrueerd, enz. Dan zijn de pogingen om essef als volwaardige broeder in de Literatuur te laten opnemen, inderdaad zielig, soms lachwekkend, en ronduit zinloos. En dan is het ook niet meer dan normaal dat een talentvol schrijver als Ballard, of Vonnegut, UIT de essef probeert te komen. Kijk, dat is volgens mij het Grote Misverstand. En dan komt die vervelende vermanende wijsvinger ons vertellen - ook ik heb dat jarenlang gedaan, dat geef ik toe - dat de essefauteurs eerst maar eens moeten leren SCHRIJVEN, dat ze hun vak maar eens behoorlijk moeten kennen. En dan krijg je die prachtige lezingen, als van Jo Dautzenberg op BENELUXCON 2, waar je triest "ja" zit te knikken omdat je het helemaal eens bent met de spreker : er is inderdaad geen speld tussen te krijgen. Tot je opeens beseft dat het uitgangspunt, namelijk dat essef en de klassieke roman in wezen deel uitmaken van dezelfde familie en derhalve op dezelfde manier moet worden beoordeeld en veroordeeld, volkomen verkeerd is, het resultaat van een foute conditionering.


Essef en klassieke literatuur zijn geen takken van dezelfde boom, het zijn twee verschillende bomen, waarvan sommige takken wel eens met elkaar verward raken. De boom van de klassieke literatuur is zelfs aan het verdorren, terwijl de boom van de essef eeuwenlang gesluimerd heeft en nu stilaan weer aan het ontwaken is. Niet de essef, maar juist de klassieke roman is een uitvloeisel van de industriĂŤle beschaving met een verfijnde technologie en precies omdat deze maatschappijvorm, de burgermaatschappij, overal op de helling wordt gezet - voor zover ze er al niet afdondert - bevindt ze zich in een crisistoestand. Met andere woorden, werken als "Ulysses" zijn geen vernieuwing in de echte zin van het woord, maar de stuiptrekkingen van een stervende : de voorboden - want per slot van rekening zijn kunstenaars vaak profeten - van een onherroepelijk sociaal-economische omwenteling. Essef, en dan vooral het speculatieve en verbeeldende element, is wel degelijk de belichaming van de kreet die steeds weer opdook tijdens de meirevolte van 1968 : "L'Imagination au Pouvoir" (= de verbeelding aan de macht). Essef, dat is de zuivere emotie van de Mens, de fantasie en de fantasmen die teruggaan op de magische gezangen van de "primitieve" stam, en ook op de oerangsten die in de Mens leven (ziet u de nauwe band tussen horror en essef ?) en op zijn diepe en wilde verlangens : vrij te zijn, god te zijn, tijd en ruimte te beheersen. Essef houdt zich niet bezig met de pietepeuterige probleempjes die enkelingen hier op aarde zichzelf aanmeten : ze laat dit grootmoedig over aan de "klassieke" literatuur. Essef is een blik naar het IK ("inner space") in diens relatie tot de Wereld ("outer space"), essef dat is de dansende medicijnman of regenmaker, de bezweerder, de ontbinder van geheime krachten. Kortom, essef is de afstand nemende irrationaliteit, de niet in te tomen of plat te drukken levenskracht van de Mens, de fijnpletter van de gadgetdroom; juist precies: ESSEF IS REVOLUTIE.

Na deze lyrische uitbarsting past het mij (klassieke, Latijnse uitdrukking) mijn bek te houden en jullie brsinradertjes te laten bekomen. Misschien breng ik nog eens bouwsteentjes aan voor bovenstaande maar, ik zweer het, ik zal er nooit een "essay" over schrijven, want, dan moet nou toch duidelijk zijn, het klassieke medium is gewoon niet geschikt voor essef. Ik wens u allen een plezierige spijsvertering toe. SIMON JOUKES


In het begin van 1974 maakte ik diverse nota's voor een verhaal, met deze titel, dat nooit geschreven werd. Dat verhaal had een vermomde satire moeten worden op een héél specifieke stroming van de klassieke "space opera" van de jaren '30 en '40, maar dan volledig in moderne essef-stijl uitgewerkt. Toen ik in juli 1974 het derde verhaal van mijn "membraan-trilogie" schreef, "Als een eenzame bloedvogel" , verwerkte ik die nota 's in de membraanreeks. Deze novelle bleek echter véél te lang voor eender welke fanzine of geprojecteerde magazine, en de membraan-trilogie zal dan ook in haar geheel enkel in een boek kunnen verschijnen (dat boek is momenteel in behandeling bij een uitgever; het resultaat blijft af te wachten), en daarom viste ik in maart '75 de afzonderlijke elementen terug op, rondde ze af tot een volkomen zelfstandig geheel door toevoeging van elementen die enkel in de novelle voorkwamen, en zo ontstond dan uiteindelijk toch "ER IS NOOIT EEN WEG TERUG". Het verscheen reeds in een niet SF-tijdschrift, en deze speciale publikatie in SF-MAGAZINE nr. 50 is dan ook de laatste ervan.

(C) Roger Dyckmans


Terwijl hij beneden aan de loopbrug op de servobot stond te wachten, die hem zijn reiskoffer en toegangspapieren moest brengen, riepen de luidsprekers reeds de aankomst uit van een nieuw ruimteschip. Cygan Morris keek op, en krabte zich verveeld de kin met zijn felgoudgelakte nagels. Een inktvlek verscheen aan de hemel, en tekende zich daar scherp af tegen het vale groen van de twee namiddagzonnen. De inktstip groeide vlug uit tot een zwarte oktopus, als vloeide hij uit doorheen het vloeipapier van de hemel van Dygo-II. De tentakelstruktuur begon af te remmen, kleine flikkerende vuurtongetjes onder aan de buik van het neerkomende schip. Het ontwikkelde zich tot een log eivormig goederenschip van Vegar-6, dat zijn stompe landingspoten als dinosaurusklauwen naar de grond uitstrekte. Ongeinteresseerd wendde Cygan zijn blikken af, en keek uit over de landingsvlakte van Dygo-II. Hoe lang is het geleden, dacht Cygan bitter, tien jaar, vijftien jaar ? Er leek zo weinig veranderd op de ruimtehaven : de landingsen startkokers priemden nog steeds op regelmatige afstanden uit de metalen grond, als stomp afgebroken tanden van een robotgebit. De afsluiting die de ruimtehaven omcirkelde, als een kunstslang met haar eigen staart in de muil, was vervangen door een nieuwe, en hogere. Maar de kontroletorens waren nog steeds dezelfde, enkel waren er een drietal hyperruimtekontroletorens bijgebouwd. Met lompe schreden kwam de servobot van het passagiersschip naar beneden, beladen met reistassen, toeristische folders en identifikatiepapieren, die hij feilloos aan de wachtenden uitdeelde. Cygan nam zijn kleine maar zware koffer in bezit, zijn toegangspapieren, maar wimpelde de reisfolder af. Hij stak zijn betaalsleutel in de daartoe bestemde gleuf in de borst van de robot, zodat de dienstkosten automatisch van zijn rekening naar deze van de reisdienst overgeboekt werden, en begaf zich naar de uitgang. Terwijl hij voorbij de spiegelglanzende metaalmuren van de kontrolegebouwen liep, keek hij even naar zijn eigen beeltenis. Hij droeg een dofgrijze tuniek zonder enige identifikatietekens, met


een brede zwarte gordel en korte hooggehakte laarzen. Zijn borst was breed, en leek buîten proporties in verhouding met zijn dunne armen en benen. Ik ben weinig veranderd, dacht hij, terwijl hij de eerste lome tasters van pijn in zijn rug voelde opkomen. Zo verliet ik Dygo-II, een eeuwigheid geleden, met iets méér dan waarmee ik terugkom. En ik verliet het vlugger ook. Ik had toen niet de kracht, noch de mogelijkheden om te vechten. En heb ik die NU ? Zijn gelaatstrekken waren mager, bijna uitgeteerd, zijn jukbeenderen sprongen lichtjes naar voren, en zijn kin was dun en scherp. Zijn ogen waren diepliggend, met bijna kleurloze pupillen als bezoedelde ijsblokken onder zijn modieus groengeverfde wenkbrauwen. Wanneer hij glimlachte, kon Cygan zichzelf begroeten met een flits van platina-tanden, maar hij glimlachte zelden. Je verleerde het glimlachen vlug, wanneer de pijn je konstante metgezel geworden was. Als een begerige parasiet had ze zich in zijn ruggegraat genesteld, en woekerde vandaar verder doorheen gans zijn lichaam, knaagde met boosaardige rattetanden in zijn dijen, vrat zich doorheen zijn armen en polsen. Zelfs het dragen van de reiskoffer was uitputtend. En JIJ bent teruggekomen, dacht hij bitter, en wààrom ? Kan je terugkrijgen wat ze je afnamen ? Néén ! Kan jij alleen op tegen het industriële imperium dat nu geregeerd wordt door Clarhe Segyn ? Néén ! Waarom dan terugkeren naar deze godvergeten planeet, die je uitgebraakt heeft als een stuk vuilnis ? Wat denk je er te vinden ? Hij gaf zichzelf het antwoord : misschien een einde aan de pijn. De pijn die geboren was toen hij Dygo-II verlaten had, de pijn die hij als afscheidsgeschenk meegekregen had, en die zich als een boosaardig zaad in zijn innerlijk ontplooid had tot ze een woekerende parasietplant geworden was, die op hem teerde, die hem verteerde. Hij wandelde de toegangsburelen binnen, en vervulde met nauwelijks verholen tegenzin de noodzakelijke formaliteiten. De bediende keek op toen hij de papieren inzag. - Wel, wel, zei hij, een Ex-Dygoner komt terug ! Welkom thuis. - Dank je, zei Cygan, bitser dan hij bedoeld had, en verontschuldigend voegde hij er aan toe, het is lang geleden. Er zal wel veel veranderd zijn. De bediende van de ruimtehaven grinnikte. Nou, ik denk dat het is


zoals in jouw tijd : we hinkelen nog steeds de sterrenbeschaving achterna zonder ze ooit te kunnen inhalen. Er zijn enkele sensotheaters bijgekomen, veronderstel ik, maar verder zal je hier niets vinden wat niet reeds lang in onbruik geraakt is op de andere werelden. En jij schijnt er een ganse massa bezocht te hebben. Inderdaad, dacht Cygan, en voor wat ? Een zinloos vergaren van rijkdom op manieren die ik mij liever niet wens te herinneren, en enkel om ze in vlagen van waanzin op andere planeten weer te verspillen. Voortdurend op de vlucht voor de pijn, zonder ze ooit te kunnen overwinnen. Zonder verder kommentaar ruilde hij zijn betaalsleutel in voor een krediet bij de Planeetbank van DygoII, en kreeg een overeenstemmende betaalpas ter hand gesteld. Hij bedankte de bediende met een kort hoofdknikje, en eenmaal buiten de ruimtehaven signaleerde hij via een der oproeppalen een luchtschuiver, die hem op zijn verzoek naar een goedkoop hotel in het centrum van de stad bracht. De luchtschuiver schoot vooruit, en behoedzaam liet Cygan Morris zich neerzakken in de meegevende kussens van de autozetel, die zich dadelijk aan zijn lichaamsvormen aanpaste. Het maakte de pijn draaglijk. Cygan sloot de ogen, en probeerde zijn gejaagde ademhaling tot bedaren te brengen. De pijn was dof en loom, maar konstant. Hij had geleerd ze enigszins te verdragen, maar na verloop van zekere tijd moest hij zijn pijnschild gebruiken. Het was begonnen nadat hij van Dygo-II weggevlucht was, nadat Clarhe, zijn vriend, zijn partner, hem uit de firma had weten wegwerken, en hem dan het belangrijkste uit zijn ganse leven ontstolen had. Hij had eerst dokters geraadpleegd op de andere werelden, had weken en maanden doorgebracht in privaatklinieken, en daarna maanden gezwoegd om hun rekeningen te kunnen betalen. Hij had pillen geslikt, en injekties genomen, tot deze hem ook in de steek lieten. Dan waren er psychiaters geweest, de ene al beter dan de andere, die hem enkel konden zeggen dat hem lichamelijk nièts scheelde, hetgeen hij zélf ook wist. Tot ze begonnen te graven in zijn brein, en één ervan was goed genoeg geweest, was toegewijd genoeg geweest om door te dringen tot het afgesloten deel van zijn geest. En dat deel was ontploft. Hij herinnerde er zich weinig van, alsof hij katatonisch geworden was, en toen hij weer wist wie hij was, en wààr hij was, zat hij boven op het roerloze lichaam van de psychiater, en er was bloed overal, op de grond, op zijn kleren, en op de zware bureellamp die hij in zijn handen hield. Dat was zijn laatste poging geweest om op de-


ze manier te proberen een uitweg te ontdekken voor de pijn. Hij was nog net tijdig van die planeet weggeraakt, en had later voorzichtig geïnformeerd naar de toestand van de psychiater. Hij was opgelucht toen hij tenminste wist dat deze nog in leven was. Maar de pijn was óók in leven gebleven, en verergerd. Tot driemaal toe in de week moest hij het pijnschild gebruiken, wanneer de lichamelijke foltering té erg werd om nog te kunnen dragen. Hij had verschillende projekten gestart, die hij niet had kunnen voltooien omdat zijn lichaam, zijn verdoemd zwakke geteisterde lichaam het hem niet toestond, en uit de aanvankelijke aanvaarding en berusting was eerst moedeloosheid gekomen, en daarna, toen hoop na hoop opgevreten werd door de pijnparasiet, een kille, intense razernij. Ik ben waanzinnig, fluisterde hij tot zichzelf, en ik wéét het. Anders zou ik niet hierheen teruggekomen zijn. Maar mijn waanzin is bewust, doelgericht. Als er geen plaats meer is noch voor hoop noch voor wanhoop, resteert enkel nog de woede. Ik wéét niet wat er in mijn geest huist, misschien wil ik het wel zélf niet weten, niet opnieuw ervaren, dus kan ik het kwaad niet aan de basis uitroeien. Maar ik kan een uitlaatklep vinden. De woede had zich geconcentreerd in hem, onopgemerkt, tot ze een koude ijsklomp was, ergens in zijn brein, als een oude batterij die voortdurend oplaadde, tot ze de explosiegrens van haar potentieel bereikte. Dan was hij teruggekeerd naar Dygo-II. Terug voor jou, Clarhe Segyn, fluisterde hij zacht, en het was alsof het uitspreken van de naam voldoende was om even met een voorzichtige vinger de razernij-klomp in hem aan te raken. En toch werd deze getemperd door iets wat hij niet kon begrijpen, een gevoel dat hem totaal vreemd leek, en dat hij van zich af probeerde te zetten, zonder het te moeten verwerken. De luchtschuiver had een ringbaan rondom de stad genomen, die hem waarschijnlijk op de vlugste manier naar het centrum zou brengen. De eerste namiddagzon was reeds verdwenen, en de tweede was ook reeds aan het zakken. De groene hemel had dofgrijze tinten aangenomen, waarin de verdwijnende zon als een enorme felgroene knikker gevangen zat. Ze gleden nu voorbij een meer. Het water leek zwart en somber, als een reusachtig loom dier, dat met voorzichtige tanden aan het zandstrand knabbelde.


Een grote schaduw viel plots even boven de luchtschuiver, en Cygan veerde recht, en gaf de autodriver het bevel te stoppen. Gehoorzaam verwerkte de autocomp dit in zijn programma, en rekende 20 credits extra aan voor vertraging van de rit. Cygan keek omhoog, naar de enorme schaduw die langzaam doorheen de sombergroene avondhemel gleed. Hoe moet het aanvoelen om gedurende honderd jaar te sterven ? De Bloedvogel wist het. Misschien was hij het enige schepsel van de creatie die het hoorde te weten. Cygan plaatste een macrolens in zijn rechteroog, en volgde de eenzame vlucht van de grote vogel. Wat ging er om in het minuskule brein dat schuilging in de platte, driehoekige kop met de lange zuigsnavel ? De facetogen van de vogel waren koud, zonder enig kenmerk van intelligentie. Misschien voelde de bloedvogel zijn ouderdom, zijn dood in de aansluipende loomheid in zijn sterke vleugelspieren, speurde het einde in de verkrampte manier waarmee hij zijn drie lange poten tegen zijn platte buik gedrukt hield ? Maar had tijd wel enig werkelijk belang voor zijn soort ? Misschien lette hij momenteel enkel op zijn schaduw, die getande, onregelmatige zwarte driehoek die zich onder hem voortspoedde. Het strand was dood en leeg, roerloos alsof zelfs de trage golfkloppingen van het meer weigerden er nog enig leven aan te schenken. Vroeger was dit strand vol leven geweest, gevuld met het schitteren van de parelmoeren schubben van de Kryti, het flikkeren van hun robijnogen. Waar waren nu de welbekende sporen die hun nagels en gevorkte staarten in het zand achterlieten? Verdwenen, dacht Cygan grimmig, uitgeroeid, zoals alles wat de mens nuttig kan zijn wanneer hij het ontmoet op een andere planeet. Hij herinnerde zich nog de beelden die de instruktieschermen hem plachten door te geven tijdens de formatielessen, toen


hij acht, negen jaar oud was, over de oorspronkelijke levensvormen op Dygo-II. Bijna uitsluitend deze waarmee de mens niets kon aanvangen, waren overgebleven. En deze die te dom waren om te sterven, zoals de bloedvogels. De bloedvogel begon rond te cirkelen over een welbepaalde plek, die een honderdtal meters van zijn werkelijke nest verwijderd was. Niets bewoog in zijn omgeving. Land gerust, dom beest, dacht Cygan, voor wie voer je je eeuwige maskerade-vlucht op ? Er is niemand die nog geïnteresseerd is in je eieren, niemand die ze zal proberen te stelen. En niemand om ze in leven te houden want er zijn geen Kryti meer. De vogel liet zich plots als een steen vallen, en ontplooide zijn lange, dunne poten. Het fijne zand spoot even op. De bloedvogel hield zijn lederachtige vleugels wijdopengespreid, als een beschermend schild boven zijn verborgen nest, terwijl hij met zijn middenste poot de zandbedekking wegkrabte. De eieren waren er nog, ze waren er al een eeuwigheid, misschien reeds van vóór zijn geboorte, bedacht Cygan. Nu zou de vogels behoedzaam het reeds lang gestolde, en grotendeels door het zand opgeslorpte bloed verwijderen, de eieren voorzichtig reinigen, en dan terugplaatsen. Pas dan zou hij zijn zuignappen naar buiten slokken, en het daarin tijdens zijn rooftocht verzamelde bloed in het nest ledigen. Warm, vers levengevend bloed. Jij dom, zinloos dier, kraste Cygan. Waarom wil je voortdurend dezelfde fase in je leven herbeleven ? Weet je niet waar de kryti zijn, de kryti dle zich in je nest dienden te graven en zich te voeden met het bloed dat jij aanbrengt ? Er is geen symbiose meer, bloedvogel, de kryti waren te gevaarlijk : hun giftige beet doodde te veel kolonisten, toen Dygo-II beschaafd begon te worden, en bovendien hadden de kryti véél te mooie huiden. Ze werden maar al te vlug een geliefkoosd luxe-produkt voor uitvoer. En toen we beseften wat we deden, was het te laat, bloedvogel. Jij beseft niet, niet intelligent, maar het wèten, de kennis van de symbiose ligt in je cellen gegraveerd. Je wéét niet dat de kryti noodzakelijk waren, dat zij na zich gevoed te hebben met het bloed dat jij verzamelde, een stof afscheidden, die zich langzaam doorheen de wand van je eieren vrat, en die zo het natuurlijk organisme van je jongen aktiveerde. Maar er zijn geen kryti meer, bloedvogel, en jij leeft enkel nog omdat je oud wordt, vele malen ouder dan wij, mensen. Jij bent een stuk antiek, een levende relikwie uit het verleden, en het natuurlijke ritueel dat je vervult is even nutteloos, even zinloos als jijzelf ! Het was pijnlijk naar het tafereel te kijken, en Cygan nam de lens uit zijn oog, en gaf de autodriver bevel door te rijden. Binnenkort ben jij ook verdwenen, bloedvogel, dacht hij. Misschien zijn we wel gelijk, jij en ik, beide vervullen een zinloos ritueel. Maar het mijne brengt me tot Clarhe Segyn. De korte haren in zijn nek leken overeind te komen, alsof enkel reeds het spreken en het


denken van die naam voldoende was om een golf van bijna elektrische haat doorheen zijn gestel te jagen. Weldra nu, dacht hij, weldra nu, zien we elkaar terug. Cygan bracht zijn handen omhoog, en keek naar zijn nagels. De grillige tekeningen in de'goudlak' schenen een bevreemdend onwezenlijk leven op zichzelf te leiden. Maar jullie zijn een deel van mij, dacht Cygan, jullie zijn een brokstuk, een splinter van mijn pijn en van mijn razernij. En een deel van mijn waanzin. Misschien zijn we wel allemaal krankzinnig, zijn het altijd geweest, van in het begin. Onder zijn nagels openden zijn vingertoppen zich op het bevel van zijn brein en de minuskule openingen werden zichbaar, de kleine monden waarin de dodelijke gifnaalden rustten, reptielen die sluimerden in de vuurmonden die parallel met zijn beenderen in zijn vingers ingewerkt waren. Twintigduizend credits, dacht hij, twee jaar werken hebben jullie mij gekost, liefjes. En jullie zullen slechts éénmaal gebruikt worden. De naaldpistolen sloten zich weer, en hij leunde achteruit in de kussens. De pijn was nu een harnas rondom hem, zodat zelfs het bewegen moeilijk was. Mijn schild, ik moet mijn schild gebruiken, dacht hij, en vlug nu. Ik heb het gemist tijdens de vlucht, die te lang geduurd heeft, en nu wreekt dit zich. Het was moeilijk met de pijn te blijven leven. Maar ik weet wààrom, fluisterde Cygan zachtjes, ik wéét waartoe, Clarhe Segyn ! De hotelkamer was ruim, en had een groot venster dat uitkeek op een mooi-onderhouden tuin. Cygan negativeerde het raam; hij had geen behoefte aan een mooi uitzicht, en beslist niet aan eventuele nieuwsgierigen. Het raam werd een ondoorzichtbare vlek op de muur, als een volledig zwart schilderij. Hij sloot het deurmaas achter zich door zijn vingerdruk, die de moleculaire struktuur ervan verdichtte zodat het enkel nog van binnenuit kon worden verbroken door diezelfde vingerafdruk. In de kamer stond een ouderwets bureelmeubel, een drietal agravzetel~ en een robobar. Drie nycoönse impulskegels waren in de muur ingewerkt en verspreiden een zachtgroen pulserend licht. Een slaapweb zweefde in een hoek van de kamer. Hij verbrak de contacten van zijn tuniekvest, en stelde zo het wapenarsenaal dat in de vest zat op veilig. Hij gooide ze achteloos in een der agravzetels, ging naar de robobar .en ponste zich een milde dzogog-coctail. Binnen de twee seconden had de bar zijn drankje klaar. Hij nam het smalle en hoge glas op, waarin het licht van de impulskegels goudgroene vlammetongetjes gooide. - Op jou, Clarhe, toaste hij. Dan nam hij zijn detektor, en begon een minutieuze speurtocht doorheen de kamer, maar ontdekte nergens een breinspion of een verklikkersoog. Pas dan ontdeed hij zich van zijn laarzen, doofde de impulske-


gels tot een zwakke, nauwelijks waarneembare gloed, en stapte voorzichtig in het slaapweb, dat zich als een baarmoeder rondom hem vouwde. Hij gaf zijn brein het bevel het contact met de injectiepistolen in zijn vingers te verbreken. De scherpe nasmaak van de contail brandde nog na op zijn lippen. Dan begon hij het pijnschild op te voeren. Het zweet barstte hem reeds uit vooraleer de eerste impulsen doorkwamen. De pijn begon zich te concentreren, hij voelde als het ware de onzichtbare vingers van het pijnschild die zich doorheen zijn lichaam begaven, de pijn opgroeven en ze samenbrachten tot één kernpunt, een brandend punt ergens in zijn brein. Eerst waren het enkel onaangename irriterende impulsen. Als een kwal die zich in het duister boven hem schuilhield, en die heel voorzichtig even zijn gelaat aanraakte, vooraleer er zich volledig op neer te laten. Een huivering liep doorheen zijn benen. Het pijnschild was zijn laatste nood-oplossing geweest : het vergaarde de pijn uit zijn lichaam, onttrok ze aan de zenuwen van zijn ledematen, en bracht ze samen in één plek. Het was een

noodzaak geworden voor hem, wanneer hij iets specifieks en uiterst belangrijks wou ondernemen. De psychische pijn belette zijn lichaam normaal te functioneren, tenzij hij opvoorhand doorheen de hel ging. De eerste golf kwam, een scherpe tinteling, een aanspoeler die ergens in zijn heupen een aanloop nam, even opklom en dan weer terugzakte in de wachtende duisternis. Soms leek het alsof de duisternis zelf de pijn was, een verslindend en alles vernietigend beest dat hem voorgoed in haar greep had, en waaraan hij nooit zou kunnen ontsnappen. Die golf werd dadelijk gevolgd door een tweede, een derde. Cygan probeerde zijn handen ontspannen te houden, maar dat ging niet meer. Zijn vingers verkrampten zich op het ritme van de pijngolven. Dan plots kwam de concentratie, het ineenvloeien van de pijn die van alle delen van zijn lichaam tot hem kwam. Hij knarsetandde, en zijn lichaam richtte zich op als een gespannen boog


toen de pijn als een vurig reptiel langs zijn rug omhoogrende en zich tegen zijn schouderbladen smakte. Als vloeibaar metaal smeedde ze zich tegen zijn rug en stolde daar, een onverbreekbare mantel van pijn waarvan de intensiteit opgevoerd werd, harder en harder. Ze beukte op hem in als een elektrische ontlading, wat het ook enigszins was, want het was gans zijn lichaam, zijn armen en benen en geslachtsdelen die de pijn in een vloedgolf op zijn brein loslieten, aangetrokken door het pijnschild. Het slaapweb bood nergens een aangrijpingspunt voor zijn tastende vingers om zich aan vast te klampen. Zijn lippen waren ver van elkaar nu, geopend in een schreeuw, die hij probeerde te verdringen. Dunne straaltjes speeksel liepen uit zijn mondhoeken. De pijn werd een zee van laaiend vuur, waarin de uiteinden van zijn zenuwen losspoelden als wieren, verschroeiend bij elke beweging. de pijn brandde als napalm in elke cel van zijn brein, liet geen plaats meer voor coherente gedachten. Hij kronkelde in het slaapweb, maar maakte geen geluid behalve een dof kreunen. De pijn brandde de huid van zijn vlees, en dompelde hem onder in een bad bijtend zuur. Zijn vlees kloof, en het zuur vrat zich doorheen zijn oogballen tot het zijn brein bereikte. Zijn lichaam ontspande zich in een orgasme van pijn, een exploDan was er enkel nog de loomte, de doffe na-impressie van de pijn. Ze was niet weg, dat wist hij, maar ze was verdoofd, en zou dit gedurende enkele dagen blijven. Daarna zou ze terugkomen, gestadig, zich langzaam weer in zijn lichaam invreten. Zijn rug was koud en nat. Zijn handen voelden week en krachteloos aan, als walgelijk opgezwollen kwallen. Hij ademde langzaam in en uit, en probeerde zo het waanzinnig-bonkende ritme van zijn hartslag te bedaren. Hij kon zich niet meer herinneren hoe het moest geweest zijn v贸贸r de pijn er was. Hoe heerlijk moest het zijn volledig vrij te zijn van de pijn, vrij te gaan waar je wilde, niet langer de slaaf van je eigen zwakke lichaam ... hoe hadden ze niet gezocht, met hun instrumenten en pillen en injecties, zijn lichaam gecartografeerd als een bizar landschap van bloed en ingewanden. Hoe hadden ze daarna niet in zijn brein gezongen, met woorden als het gefluister van vleermuisvleugels, hem gezegd dat hijzelf de pijn was; dat hijzelf de basis ervan moest kennen, als hij het zich maar durfde te herinneren. Dieper en dieper wilden ze in hem doordringen, zijn persoonlijkheid uitrafelen als de ingewanden van een kikker op een ontleedplank, en dat kon hij niet toestaan.


Moeizaam kroop hij uit het slaapweb, re-aktiveerde de lichten en ponste zichzelf een nieuwe drink op de robobar. Weldra nu, Sygen, dacht hij. Weldra zal de hel ten einde zijn. Het kostte hem weinig moeite om te ontdekken waar het privé-verblijf was van Clarhe Segyn. Het bleek een buiten het stadscentrum gelegen alleenstaande villa te zijn, en een nachtelijk tochtje in de buurt verstrekte Cygan voldoende informatie over de door Segyn genomen veiligheidsmaatregelen. Zoals hij verwacht had, had Segyn zich verder en verder omhooggewerkt, en de industriële complexen die hij nu beheerde, namen een zesde van gans de stad in beslag. Hij vroeg zich af hoe Lyca het stelde, en schrok bijna dadelijk terug voor de gedachte. Het had geen zin om aan Lyca te denken, zij was een deel van het verleden, een deel van de pijn. Zij behoorde tot Segyn's imperium, een deel dat hij overgenomen had toen hij Cygan buitengewerkt had. Maar toch keek hij naar de ring die hij droeg, en raakte de contactknop aan. De ovale melksteen veranderde van kleur, dan van vorm. Grote donkere ogen keken hem aan, van tussen een schittering van gouden haren. Lyca, mompelde hij, mijn lieve Lyca, jij feeks, jij slet, jij prostie ! Hij spuwde op de steen, en bracht hem dan aan de lippen. Vervloekt, dacht hij, en nogmaals vervloekt allemaal. Om zich te verstrooien nam hij een luchtglijder, en ging naar de Fonteinen van Gay, die onveranderd bleken. Nog steeds waren ze gevangen in hun enorme vacuumkokers waarin kleurige zuurmassa's voortdurend veranderende sculpturen vormden. Vandaar ging hij naar Egfel's Gruweltoren, een herschepping van een oude attraktie van de Oude Aarde, die men daar toen "wasmuzeum" pleegde te noemen. Diverse personaliteiten, casosterren, politiekers en misdadigers van diverse planeten werden hier tentoongesteld, en door invoering van vijf credits kwamen ze tot leven, en hun geschiedenissen werden verteld, geïllustreerd door filmpjes op de projectieschermen achter hen. Het interesseerde hem maar matig, hij bezocht het casorama, waar vier op elkaar ingestelde casobollen een doorlopende symfonie schiepen, en dan Knoitsy's leefkamers, waar levende specimens van tientallen planeten schijnbaar vrij rondliepen. In werkelijkheid


zat elk wezen opgesloten in zijn eigen schutschild dat het voorzag van de aangepaste atmosfeer en voeding, en het tevens belette de bezoekers aan te vallen. Zonder het werkelijk te beseffen was Cygan afgedwaald naar de historische afdeling, en stond plots voor het skelet van een wezen dat op een bizarre kruising leek tussen een vogel en een vleermuis. - Zo ontmoeten we elkaar opnieuw, bloedvogel, zei hij spottend. Hoe voelt je skelet zich hier, opgepropt tussen de andere antikwiteiten ? De beenderen glommen vuilgeel, de enorme vleugels die uit een webwerk van fijne, lange beenderen bestonden, waren gespreid, alsof de skeletvogel klaar stond om vlucht te nemen. Maar de lege oogkassen staarden dof en moedeloos terug. Het was alsof ze hem nastaarden toen hij de zaal verliet. Die avond deed hij zijn zet. Een luchtschuiver bracht hem tot op een honderdtal meters van Sygen's villa, en vandaar af was hij op zichzelf aangewezen. Het uitschakelen van het elektronische alarmweb rondom de villa was een kleinigheid, en ook de twee robohonden waren geen probleem voor iemand die zovele trukjes geleerd had als hij. Hij verwonderde zich over zijn eigen koelbloedigheid, toen hij het mĂŠzaslot van de deur deaktiveerde. Hij had zich nog nooit zo rustig gevoeld, het leek wel alsof de woede, al de razernij zich in zichzelf teruggetrokken hadden. Maar hij wist dat het er nog altijd was, en enkel afwachtte. De infrabril die hij zich aangeschaft had verschafte hem voldoende zicht om zijn weg te vinden doorheen Sygen's villa. Hij had het niet moeilijk, want aan de einde van een corridor was een open deur, van waaruit het licht van impulskegels vrij in de gang gestrooid werd. Geruisloos naderde hij de open deur, en bleef staan in de opening. Clarhe Segyn zat een tiental stappen van hem verwijderd in de kamer, en draaide zich langzaam om in zijn zetel. - Ik had je al eerder verwacht, Cygan, zei Clarhe. Hij glimlachte, schijnaar ontspannen, maar de aders op zijn voorhoofd stonden strak. Hij was verouderd, merkte Cygan op; zijn schedel was kaal en beschilderd met dekoratieve tekeningen. Met een lichte schok merkte Cygan op dat Clarhe zijn handen doen vervangen had. Ze lagen naast hem nu, twee gespreide stalen spinnen naast een groot toetsenbord, maar Cygan wist dat het contactpunt in Sygen's her-


senen ingebouwd was, en dat deze enkel het bevel hoefde te denken om de pseudo-onafhankelijke robothanden te doen vooruitsnellen en zijn handelingen uit te voeren, veel vlugger en efficiënter dan zijn eigen gewone handen ooit zouden gekund hebben. - Dat ging nogal, zei Cygan. De mechanische snufjes van je fort bleken niet zo ingewikkeld als ik ze verwacht had. Het leek absurd op deze manier te spreken tot iemand die hij bijna vijftien jaren niet gezien had, iemand die eens zijn beste vriend, en daarna zijn partner geweest was. - Om eerlijk te zijn, ik had niet verwacht dat ze je zouden tegenhouden, Cygan, zei Clarhe. De robohonden en alarminstallaties zijn er eerder voor de show, en ik hoop enkel dat je ze niet al te erg beschadigd hebt. Vervangstukken kosten duur tegenwoordig. - Dat zal jou wel een zorg zijn. - Neen, niet bepaald. Het schijnt je niet erg te verwonderen dat ik op je komst voorbereid ben ? Je begrijpt natuurlijk, mijn beste Cygan, dat ikzelf mijn eigen beste verdediging ben. - Ik ben inderdaad niet zó erg verrast. Het was te verwachten dat de leider van een groot complex zijn eigen inlichtingendiensten heeft ... zelfs op de ruimtehaven. - Inderdaad. Ik dien me tenslotte te beveiligen tegen indringers, tegen potentiële vijanden. En tegen mensen die speciaal komen om mij te doden. Al vraag ik me af waarom, mijn vriend. - Noem me niet "vriend", siste Cygan. Hij was roerloos blijven staan, terwijl zijn ogen de kamer rondflitsten, op zoek naar Sygen's verdediging. Zijn handen hingen los langs zijn zijden, maar in de tippen van zijn vingers openden zich de injectievuurmonden zich. De dodelijke naalden zaten klaar in de lopen, ze wachtten enkel op het bevel van zijn brein. - Maar we waren toch vrienden, Cygan ? In die tijd vooraleer ... weet je, ik zou NIET proberen te bewegen, met niets, geen stap voor- of achteruit, zelfs geen vingertip. Je ziet mijn handen ? Ja, ik verloor de mijne jaren geleden, maar de robothanden zijn véél beter. Ze zijn vooral véél vlugger, en ze bevinden zich vlak bij het toetsenbord. Je hebt er misschien nog geen acht op geslagen, Cygan, maar je staat nog steeds precies in de deuropening, en je zult daar best blijven staan ook. Als je even héél voorzichtig wil kijken, beste vriend, zal je zien dat gans deze omlijsting rondom jou heen afgezet is met vuurmonden. Eén gedachte van mijn brein, en mijn handen zullen de vuurtoetsen indrukken. Cygan bewoog niet, zijn rugstijf en koud. Zijn ogen gleden terzijde en vanuit zijn ooghoeken registreerde hij de openingen, de talrijke kleine zwarte lege ogen die hem aanstaarden vanuit de randen van de deuropening.


- Je hebt me inderdaad verwacht, zei hij. Heel omzichtig begon zijn ene been een onmerkbare beweging voorwaarts, een gecontrolleerde beweging die zijn rechtervoet twee centimeter vooruit zou brengen gedurende de tijdsspanne van enkele minuten. - Jou, of iemand anders zoals jij, bezeten door hetzelfde doel, zei Segyn zachtjes. Tenslotte heb ik vele vijanden gemaakt. Misschien heb ik inderdaad jou wel terug verwacht, al wist ik niet wanneer, of onder welke naam, met welk gezicht je zou komen. Ik probeerde je terug te vinden toen je wegging, werkelijk. Ik kon je spoor volgen van planeet tot planeet, tot ik het bijster werd. Ik probeerde je te contacteren, maar steeds was je reeds weg, weer op de vlucht. Voor wie, Cygan, beslist niet voor mij. Voor jezelf misschien? - Alsof je dat niet wĂŠĂŠt.

- Ik kan het vermoeden, maar niet begrijpen, Cygan. We waren toch vrienden, jij en ik. Partners in een goed-draaiende business, die jij begon te verknoeien. De kilte begon zich over gans Cygan's lichaam te verspreiden, een koude mantel die zich tussen huid en vlees inweefde als een harnas. Het begon te zieden en te borrelen in hem. - Ik verknoeide ? Jij hebt er mij uitgewerkt, met je vernuftige fiskale streken, je vriendjespolitiek ! Jij probeerde mij ontoerekenbaar te verklaren, om zo alles in te palmen wat we samen gecreeerd hadden ! En je bent er in geslaagd ook ! - Cygan. Je WAS ontoerekenbaar. En ik begrijp nog steeds niet hoe of waarom je veranderde, nog steeds niet na al deze jaren, en ik heb er veel over nagedacht. Moet ik je de outputs vragen van die jaren? De computer kan mij de print-outs leveren in enkele seconden, als je bewijzen nodig hebt. Je bent mij beginnen haten, en ik heb nooit begrepen waarom. Waarom is die haat noodzakelijk in je leven ?


- Haat wordt een essentie op zichzelf na verloop van tijd, zei Cygan bitter, mijn haat heeft geen reden meer nodig. - Nee, ze voedt zich met jou, veronderstel ik. Maar er moet toch een basisreden zijn. Mensen die volkomen gelijk denken kunnen een afkeer van elkaar krijgen omdat er geen aanvulling is. Zoals gelijke polen beginnen ze elkaar af te stoten, omdat er geen behoefte meer is, geen nood tot geven en nemen. Maar wij vulden elkaar aan, Cygan, jij en ik waren als twee schema's die wel parallel maar niet identiek liepen, we hadden elk deze elementen die in het denkschema van de ander ontbraken. - Behalve Lyca, fluisterde Cygan. De razernij balde zich op in hem, werd een vurige kern, nog steeds in bedwang gehouden, een vloedgolf van haat. - Behalve Lyca, zei Segyn zachtjes, dus was het toch omwille van haar niet ? En omwille van jezelf. Cygan probeerde niet te luisteren. De lava van zijn woede klotste tegen het gebeente van zijn schedel, en dreigde van zijn lippen te druipen. Hij WOU niet horen wat de ander te zeggen had, het waren leugens, leugens die hij verwacht had te horen, en nu maakte het hem misselijk er toch naar te moeten luisteren. - Cygan, ze koos MIJ, zei Segyn zacht, kan je dat, na al die jaren nog steeds niet verwerken. - Ze hield van mij, zei Cygan. Zijn rechtervoet was nu bijna waar hij zijn moest. - Ja, ze hield van je, en ze hield van mij, Cygan, en op een bepaald moment moet er altijd een keuze gedaan worden. Het doet er niet toe wat deze keuze beïnvloedt, of hoe ze uiteindelijk tot stand moet komen, maar ze komt er, altijd. Lyca had de keuze, en daarna begon jij je zelfvernietigingskruistocht. - Jij begon mij uit de firma weg te werken, jij hebt haar beïnvloed, zodat er geen sprake meer was van een vrije keuze. - Dat was dààrna, Cygan ! Alles begon nadat ze mij gekozen had, van toen af aan veranderde jij volkomen, begon je mij te haten. Durf je dat nu nog niet inzien ? Is dat de basis van al je haat, het feit dat ze uit vrije wil van jou afzag ? Cygan luisterde niet meer, het was alsof een innerlijke stem het hem verbood, alsof de woorden iets aanraakten dat diep in hem zat, dieper dan de haat en de razernij, iets dat terugreikte tot de pijn, tot de oorsprong van de pijn, en héél even besefte hij dat hij het werkelijk niet WILDE weten.


(C) Roger Dyckmans


Anders zou de pijn de razernij blussen, en daarvoor was het te laat nu, te vele jaren waren voorbijgegaan waarin hij de woede gekoesterd had als bescherming, als afweer tegen de basis van de pijn. Hij had de waarheid gezegd : de hààt was een essentie geworden, een doel ... alles beter dan iets te moeten aanvaarden dat hij niet kon aanvaarden. - Waar is ze nu ? vroeg hij. - Ze is dood, zei Sygen koud. Ik hield van haar zoveel zoals jij van haar moet gehouden hebben, zoals je misschien nog van haar houdt, maar ze stierf niettemin. Acht jaar geleden, toen het mnatoc-virus uitbrak. Het was onwerkelijk, de woorden hadden geen zin. Lyca, Lyca ! Ze kon niet dood zijn, ze was zo lief, zo teder, zo zacht. Leugens! Het waren allemaal leugens ! - Probeer dàt tenminste te aanvaarden, Cygan. Ze is dood en noch jij, noch je haat kan daaraan iets veranderen. Ik probeerde je te bereiken, zette zelfs detektives op je spoor. Misschien voelde ik me wel een beetje schuldig, maar je was niet te vinden. Ik kon enkel wachten, en de jaren zijn ook voor mij moeilijk en hard geweest. Ik weet dat je me haat, Cygan, al is je haat ook ongegrond. Kan je dan niet inzien dat je jezelf aan het vernietigen bent ? Heb je gedurende al deze jaren dan nog niet de moed gekregen om jezelf én de waarheid in het gezicht te zien ? Een doffe pijn begon in Cygan's benen te sluipen. God neen, dacht hij niet nu, niet nù het einde zo nabij is. Pijn, blijf weg van mij, gezel, laat mij nu gerust. Maar het was alsof Sygen's woorden de aankomende pijn enkel aanwakkerden. - Kom tot jezelf, Cygan, vervolgde Sygen. Hij had nog steeds niet bewogen in zijn zetel, als een standbeeld keek hij neer op Cygan, zijn metaalhanden roerloos op de tafel. - Eens waren we vrienden, beste vrienden, we hebben zo veel samen gedaan, zo veel samen verwezenlijkt ... - Zelfs dezelfde vrouw gedeeld, siste Cygan, de woorden borrelden moeizaam van tussen zijn vertrokken lippen. - Nee, nooit gedeeld, zei Sygen, Lyca had ons altijd gescheiden, hoewel ze van ons beiden hield slaagde ze er nooit in om ons samen te brengen, ook in haar geest bleven we voortdurend gescheiden, tot dit haar tot de keuze bracht die ze moest nemen, en waartoe zij de moed had die jij niet hebt. Het is allemaal voorbij, Cygan, als jij nu ook die moed kan opbrengen die zij had. Wij hebben een weg terug.


- Er is nooit een weg terug, zei Cygan. Zijn handen waren in beweging gekomen, milimeter na milimeter kwamen ze omhoog, terwijl hij verder sprak : wij kunnen enkel onszelf zijn, vooruitgaan op het pad dat we voor onszelf uittekenen, marionetten in een spel dat we zelf geschreven hebben. Er is nooit een weg terug. De spieren in zijn heupen spanden zich, verzetten zich tegen de verlammende pijn die omhoogkroop langs zijn ruggewervels. Hij had te lang gewacht. De vingers van zijn handen waren klaar, gespreid, tien schorpioenangels. Hij had Sygan niet de kans mogen geven om te praten, de woorden rukten teveel herinneringen uit zijn geheugen, teveel zaken die hij zich niet mocht herinneren. Als hij ze doorliet zouden ze zijn denken aan zijden flarden scheuren. De pijn begon in zijn hersenen te sijpelen als brandend zuur. - Weet je, zei Segyn zacht, je hebt slechts drie kansen op tien om het tegen mij te halen. - Ik weet het, zei Cygan, en zijn lichaam bewoog nog voor hij de woorden volledig uitgesproken had. Het goud flikkerde op van zijn vingernagels toen hij zijn handen uitstrekte, en zich wentelend tussen de vuurbrakende muren gooide.

IN MEMORIAM. Zopas vernamen wij dat Christian HOUSSA, medewerker van het Luikse blad BETWEEN en van LEODIUM SF, het volgende SFANCON, op 17 januari bij een ongeval om het leven kwam. Ons oprechte medeleven aan zijn familie en aan onze Luikse vrienden, voor wie het wegvallen van Christian ongetwijfeld een pijnlijk verlies betekent.


ARTIKEL 1 : SFAN, Vereniging voor Science-Fiction & Fantastiek, kent in 1976 voor de zevende maal twee prijzen toe ter bekroning van de beste korte SF-verhalen in het Nederlands die haar worden toegezonden. ARTIKEL 2 : Deze wedstrijd staat open voor iedereen. Ook gemeenschappelijk werk wordt aanvaard. ARTIKEL 3 : Het ingezonden werk wordt beoordeeld door een jury van bekende Belgische specialisten welke minstens uit 3 personen bestaat. De jury mag zich laten bijstaan of vervangen door bevoegde personen die zijzelf aanduiden. ARTIKEL 4 : De leden van de jury kunnen niet mededingen, ook niet als zij zich laten vervangen. ARTIKEL 5 : De ingezonden verhalen moeten rechtstreeks in verband met Science-Fiction staan. De keuze van het thema wordt aan de auteur overgelaten. Bij betwisting beslist de jury souverein of een ingezonden verhaal al dan niet in aanmerking komt voor deelname. ARTIKEL 6 : Voor deze wedstrijd wordt oorspronkelijk niet eerder gepubliceerd Nederlandstalig werk verwacht. Vertalingen en bewerkingen worden uitgesloten. ARTIKEL 7 : De verhalen moeten in drievoud worden opgestuurd, getypt op kwartoformaat met ruime marge en dubbele interlinie. De maximumlengte bedraagt 6.500 woorden (ongeveer 15 bladzijden). Vignettes tot maximum 2 bladzijden zijn niet toegestaan. De drie exemplaren moeten v贸贸r 31 mei 1976 op de redactie van de vereniging toekomen : SFAN, p/a Robert Smets, Itali毛lei 84/3, B-2000 ANTWERPEN. ARTIKEL 8 : De inzending geschiedt onder Kenspreuk : voor elk ingezonden werk moet een andere kenspreuk worden gebruikt, welke op de drie exemplaren van de inzending voorkomt. De werkelijke naam en adres van de deelnemer worden vermeld op een kaart welke onder gesloten omslag bij de zending wordt gevoegd.


ARTIKEL 9 : De prijzen bestaan uit respectievelijk 2.500BF en 1.500 BF welke in voorkomend geval kunnen worden verdeeld en/of gesplitst indien de jury dit nodig acht. ARTIKEL 10 : De jury houdt zich het recht voor één of meer prijzen niet toe te kennen indien het ingezonden werk niet aan de minimumnormen voldoet. In voorkomend geval dient zij echter een omstandig verslag hierover te publiceren. ARTIKEL 11 : De uitslag van de 7e wedstrijd voor het korte Nederlandstalige SF-verhaal wordt bekendgemaakt op het zevende Science-Fiction congres, SFANCON 7, dat in augustus in Luik wordt gehouden. De laureaten worden geruime tijd van tevoren schriftelijk op de hoogte gesteld van de uitslag. De geldprijzen en/of eervolle vermeldingen worden, behoudens geldige verontschuldiging, slechts uitgereikt aan de persoonlijk op het congres aanwezige laureaten. ARTIKEL 12 : De inzenders behouden het copyright in verband met hun werk en mogen dit vrij publiceren, terwijl de winnaars melding mogen maken van de behaalde prijs. Door voor deze wedstrijd in te zenden, stemt de auteur echter impliciet in met de éénmalige gratis publikatie van zijn verhaal in het maandblad van de vereniging, SF-MAGAZINE, ook indien zijn werk niet werd bekroond. Twee manuscripten van de drie worden op verzoek teruggezonden mits insluiting van retourport bij de kenspreuk. ARTIKEL 13 : Elke deelnemer mag zoveel verhalen inzenden als hijzelf nuttig acht. ARTIKEL 14 : Door deel te nemen aan de wedstrijd stemt de inzender volledig in met onderhavig wedstrijdreglement, waarover niet wordt gecorrespondeerd. De jury beslist souverein in verband met problemen die niet in het reglement ter sprake komen. ARTIKEL 15 : SFAN, de inrichtende vereniging verbindt zich ertoe tussen auteurs en uitgeverij te bemiddelen met het oog op de eventuele opneming van de beste inzendingen in een speciale verhalenbundel


ARTIKEL 1 : SFAN, Vereniging voor Science-Fiction en Fantastiek, kent in 1976 voor de vierde maal een prijs toe ter bekroning van de beste SF-illustratie die haar wordt toegezonden. ARTIKEL 2 : Deze grafische wedstrijd staat open voor iedereen en er is géén beperking van het aantal inzendingen. Ook gemeenschappelijk werk wordt aanvaard. ARTIKEL 3 : De ingezonden werken moeten worden ingezonden op wit tekenpapier van degelijke kwaliteit. Het maximum formaat van de bladspiegel is het A4 formaat, het minimumformaat is 20 x 20 cm. ARTIKEL 4 : De ingezonden werken moeten rechtstreeks, hoewel in de breedste zin, in verband staan met Science-Fiction. ARTIKEL 5 : Voor de gekozen techniek gelden als enige twee voorwaarden dat de inzendingen éénkleurig moeten zijn en rechtstreeks reproduceerbaar op offset-cliché. Ook lino-sneden e.d. zijn toegelaten. Pentekeningen met oostindische inkt of met houtskool gefixeerde tekeningen zijn toegelaten. Tekeningen met behulp van viltstiften en/of potloden zijn niet toegelaten. ARTIKEL 6 : De ingezonden tekeningen worden beoordeeld door een jury van specialisten welke minstens uit 3 personen bestaat. Deze jury mag zich laten bijstaan of vervangen door bevoegde personen die zijzelf kan aanduiden. ARTIKEL 7 : De leden van de jury mogen niet mededingen, ook niet als zij zich laten vervangen. ARTIKEL 8 : Voor deze wedstrijd wordt oorspronkelijk, niet eerder gepubliceerd of tentoongesteld werk verwacht. ARTIKEL 9 : De inzendingen geschieden onder Kenspreuk : elke tekening moet een andere kenspreuk op de rugzijde vermelden. De werkelijk naam en adres van de deelnemer worden vermeld op een kaart welke onder gesloten omslag bij de zending wordt gevoegd. De uiterste inzenddatum is bepaald op 31 mei 1976.


ARTIKEL 10 : De prijs bestaat uit 1000 BF en een oorkonde, ontworpen door de bekende Antwerpse graficus Frank-Ivo Van Damme. ARTIKEL 11 : De jury behoudt zich het recht toe de prijs niet toe te kennen indien het ingezonden werk niet aan minimumnormen beantwoordt. In voorkomend geval dient zij echter wel een omstandig verslag hierover te publiceren. ARTIKEL 12 : Het werk moet worden ingezonden op de redactie van de vereniging SFAN, p/a Robert Smets, Italiëlei 84/3, B-2000 ANTWERPEN. ARTIKEL 13 : De uitslag van de 4e wedstrijd voor de SF-illustratie wordt bekend gemaakt tijdens het zevende science-fiction congres, SFANCON 7, dat in augustus te Luik wordt gehouden. De laureaten worden geruime tijd van tevoren schriftelijk op de hoogte gesteld van de uitslag. De geldprijs wordt, behoudens geldige verontschuldiging, slechts uitgereikt aan de persoonlijk op het Congres aanwezige laureaten. ARTIKEL 14 : Ter gelegenheid van de prijsuitreiking wordt een tentoonstelling ingericht van een selectie van de ingezonden werken. ARTIKEL 15 : De inzenders behouden het copyright in verband met hun werk en mogen dit vrij publiceren en/ of tentoonstellen, terwijl de winnaars mogen melding maken van de behaalde prijs. Door voor deze wedstrijd in te zenden, stemt de deelnemer echter impliciet in met de éénmalige gratis publicatie van zijn werk in het maandblad van de vereniging, SF-MAGAZINE, of in een speciale portefeuille, uitgegeven door SFAN, ook indien zijn werk niet werd bekroond. Na afloop kunnen de deelnemers hun werk terugvorderen mits bijsluiting van retourport bij de kenspreuk. ARTIKEL 16 : Door deel te nemen aan deze wedstrijd stemt de inzender volledig in met onderhavig wedstrijdreglement waarover niet wordt gecorrespondeerd. De jury beslist souverein in verband met problemen die niet in dit reglement ter sprake komen.


SF-MAGAZINE 50  

Clubmagazine SFAN

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you