Page 1


Indien u in bovenstaand vakje Een kruisje vindt, dan is uw Lidgeld uitgeput. Gelieve dan 250 F op onze rekening bij de N.V. GENERALE BANKMAATSCHAPPIJ te ANTWERPEN te storten窶馬r 220-096I338-07 van SFAN-ANTWERPEN (Nederland uitsluitend per interNationaal postmandaat). DANK U !!!


/


Normaal ontvangt u dit nummer van SF-MAGAZINE kort na of zelfs samen met het voorgaande, waarop het grotendeels aansluit. Ook ditmaal wordt de hoofdbrok gevormd door een artikel gewijd aan Russische SF. Wie Darko Suvin's artikel in het maartnr. doornam herinnert zich ongetwijfeld hoe hij drie grote delen onderscheidde in de utopie en de anticipatie in de U.S.S.R. : de zestiger jaren van de negentiende eeuw, de twintiger jaren van deze eeuw en tenslotte de huidige periode (na 1958). Eerstgenoemde periode omvat werk in de utopische richting, dat sterk verweven is met de sociale achtergrond van die tijd en slechts zijdelings bij SF aansluit. Beide andere perioden brengen echter werk dat zonder voorbehoud tot de SF kan gerekend worden. En waar Darko Suvin in zijn artikel nader inging op de recentste periode (met Jefremov, de Stroegatski's en Varsjavski) gaat Robert Smets in dit nummer nader in op de anticipatie der twintiger jaren. Een uiterst boeiende periode, waarin de Russische literatuur een bloei kende welke men pas later op zijn volle waarde is beginnen apprecieren. Het artikel spreekt voor zichzelf en behoeft dan ook weinig verdere kommentaar. Wel zou ik er op willen wijzen dat waar Darko Suvin de klemtoon op de evolutie van de utopische gedachte legde, Robert Smets hier meer in het bijzonder belangstelling aan de dag legt voor de verhouding en de stellingname van de schrijvers in die bewogen periode. Zo, en nu van de twintiger jaren over naar het huidige 1974, en meer bepaald 31 augustus, 1 september, SF-hoogdagen met SFANCON 5. Nog steeds worden uw inschrijvingen met plezier genoteerd op onze redaktie. Ons knelpunt wordt evenwel de afsluitdatum van de traditionele verhalen- en illustratiewedstrijd, na rijpe overweging (het werkelijke aantal inzendingen is miniem in vergelijking tot vorige jaren, om onze afsluitdatum te handhaven) besloten we de einddatum te verleggen naar 31 juli 1974, om eventuele laat-geinspireerden ook nog een kans te laten. Dus aan het werk jongens, and so long !


/


SF-MAGAZINE P. 03

/ EEN INLEIDING De twintiger jaren vormen een interessante periode inzake spekulatieve literatuur in de U.S.S.R. Niet enkel kwantitatief kende de anticipatie in die jaren een ongekende bloei, maar ook kwalitatief. Darko Suvin, de Zuid-Slavische essayist die een reeks studies aan Oost-Europese SF heeft gewijd, noteerde de publikatie van zowat 155 "SF"-romans in de U.S.S.R., tussen 1920 en 1927. En zij hier terloops en als vergelijkingspunt aan herinnerd dat Hugo Gernsback's eerste volwaardige SF-magazine "Amazing Stories" in 1926 het licht zag. Van meer betekenis echter dan getallen en datums is wel dat velen van de belangrijkste Russische schrijvers zich in die tijd aan anticipatie hebben gewaagd. Waar regelmatig wordt gesproken over de grenzen tussen SF en "mainstream" - en over het doorbreken van het marginale karakter van het genre - stelt men niet zonder enige verbazing vast dat auteurs als Brioesov, Boelgakov, Ehrenburg, A. Tolstoï, Zamjatin of Majakovski (ondermeer !) de spekulatie in hun werk een plaats geven, zonder dat zij terzake enig kwalitatief onderscheid maakten. Daardoor ligt dit werk uiteraard reeds op een hoog literair niveau. Bovendien hebben enkele van deze schrijvers juist in hun spekulatief werk een terrein gevonden om nieuwe uitdrukkingsvormen uit te testen, die toen werkelijk recent waren. Ik denk meer in het bijzonder aan Majakovsji's experimenten, maar bv. ook aan de mathematisch/schematische vormgeving van Zamjatin's "WIJ". Belangrijk is verder de grote verscheidenheid van inhoud en ideeÍn welke in die jaren in de anticipatie tot uiting komt. Niet zozeer technisch; prognose was voor deze auteurs meestal een middel om hun visie uit te drukken over de gebeurtenissen die zij beleefden, en over de evolutie, die de veranderingen waarvan zij getuige waren op korte of lange termijn zouden inleiden. De aard en de inhoud van hun extrapolatie, verschilden dan ook van de een tot de andere, naargelang van ieders persoonlijke (politieke) instelling en van ieders opvatting van de rol van de schrijver in de gemeenschap. Vandaar ook dat juist dit spekulatief werk als stellingname een niet te onderschatten plaats in de carrière van deze auteurs innam. Eerder dan een abstrukte benadering van het fenomeen, verkozen wij het werk te belichten van een aantal schrijvers die wij namelijk in funktie van hun verscheidenheid in optiek en evolutie selekteerden. Men merke daarbij dat dit ons als het ware een staalkaart biedt, niet alleen van de richtingen welke het genre uitkan, maar ook van de richtingen welke de schrijver zelf als getuige of als deelnemer aan het tijdsgebeuren uitkan. Een bijzonder bewogen tijdsgebeuren dan wel. Een korte historische terugblik, die overigens noodzakelijk is om biografie en oeuvre van deze auteurs te situeren, zal een en ander ongetwijfeld verduidelijken. Doch kunnen wij in de eerste plaats wellicht vooreerst trachten een verklaring te geven voor de plotse groei van de "SF" in die jaren en voor de relatieve eklips


SF-MAGAZINE P. 04 welke zij later - ruwweg van 1930 tot 1955 - kende. Waarom een opkomst van het genre omstreeks 1920 ? Een vraag waarop allerlei antwoorden kunnen worden gegeven. Persoonlijk zie ik een verklaring in een samenloop van faktoren binnen het klimaat van een bepaalde dekade. Laten we hier even nader op ingaan : In de eerste plaats is er de permanentie van de utopische tendentie in de Russische literatuur. Wij kunnen al meteen als voorbeeld citeren de bekendheid door Tsjernisjevski's "Wat te doen ?" verworven. Een tendentie die overigens werd versterkt door het sociaal klimaat in het tsaristische Rusland, dat velen naar een andere toekomst deed uitkijken en anderen ertoe aanzette met woord en daad de strijd op te nemen. Mensen als Majakovski en Zamjatin vinden wij heel vroeg in de revolutionaire beweging. Net als vele anderen ondergaan zij de repressie, na 1905, in de vorm van gevangenisstraf of verbanning, doch de hoop op een andere samenleving blijft onverminderd voortbestaan, terwijl de absurditeit van de eerste wereldoorlog en de daaruitvolgende uitputting van het land met zich meebracht, helpen de tegenstellingen en de verwachtingen nog verscherpen. In de tweede plaats dient eraan herinnerd dat een fantastisch element volwaardig besloten lag in de Russische volksaard. Men denke bv. aan de schilderijen van Marc Chagall of aan het werk van Russische komponisten. Alleszins kon een Russisch schrijver zich zonder complexen richten tot een vorm van verhalen die hier voor marginaal doorgaat. En ook in hun modernistische werken bleven deze schrijvers, in tegenstelling met zekere westerse schrijvers, die zich, in die periode, eerder zochten te distantiĂŤren, nauw met hun natie verbonden. Min of meer in ditzelfde verband kunnen we ook het on-konventionele klimaat in herinnering brengen dat literaire en andere kringen in de twintiger jaren kenmerkte. Dit was zo in het Westen, maar ook in de Sovjet-Unie, waar het ganse bnrgerlijke bestel en de ganse burgerlijke waardenschaal omvergeworpen waren. Tenslotte is er wat we de "technische schok" zouden kunnen noemen. Het kontakt met de moderne technische middelen kwam voor Rusland beduidend later dan voor de meeste westerse landen : uiteraard verwekte de plotse impact ervan op dit nog overwegend agrarisch en in vele opzichten nog middeleeuws land als een schok. In "Ikzelf : een autobiografie" (1928) verhaalt Majakovski van een tocht met zijn vader door mist en duisternis. Hij is dan zowat zeven jaar : "Plots scheurt de mist en alles om me heen wordt helderder dan de dag; elektriciteit. De natuur verloor van dat ogenblik haar belang voor mij. Zij is onvoldoende geperfektioneerd ..." Soortgelijke reaktie vinden we in die periode ook bij westerse schrijvers. Vergelijk bv. Marinetti's manifest. Doch de toon en vooral de houding tegenover de realiteit liggen anders. Jules Verne en H.G. Wells worden druk gelezen en Tsiolkovski is reeds aan de wetenschappelijke studie van ruimtevaart toe. In deze samenhang brengt 1917 een revolutie die een wetenschappelijke aanpak voorstaat en een technische ontwikkeling vooropstelt om archaĂŻsche strukturen te hervormen en de bestemming van de nieuwe Staat te wijzigen. De werkelijkheid belooft


SF-MAGAZINE P. 05 plots de fiktie te achterhalen, of onvermoede mogelijkheden binnen bereik te brengen. Misschien werd juist dit vooropstellen van een technische ontwikkeling de onmiddelijke aanleiding tot het creĂŤren van anticipatiewerken. "Mistero buffo" werd door Majakovski geschreven om de eerste verjaardag van de revolutie te herdenken. In de tweede versie hiervan, die van 1921 dateert, treffen we volgende passage aan : "Vandaag streven miljoenen naar een kommunistische muatschappij ... binnen een vijftigtal jaren wellicht zullen de ruimteschepen van deze maatschappij uitzwermen naar verre planeten ..." Anderzijds is van Lenin bekend dat "hij Lowell en Bogdanov las over Mars, en, in 1920, midden in de burgeroorlog, tijd vond om een lezing bij te wonen over de bouw van ruimteschepen ..." De eerste jaren na '17 brachten inderdaad burgeroorlog over de nieuwe staat, buitenlandse invasie, moordende hongersnood, ontzettende behoefte en epidemieĂŤn. H.G. Wells, die de U.S.S.R. bezocht en (overigens een typerend detail) door Lenin werd ontvangen, verwonderde er zich over hem in zulke moeilijke tijden plannen te zien maken voor elektrifikatie van het land. "Een Utopist" zei hij. In zijn "Oktober-klassieker" "De Klok van het Kremlin" ging Nikolaj Pogodin nader op deze ontmoeting in, overigens niet zonder enige ironie. Men kan zich met Wells over deze bevreemdende samenhang verwonderen; men mag echter niet uit het oog verliezen dat juist de moeilijkheid van de situatie en haar tragiek de voorvechters van het proletariaat dwongen tot voortdurende aktie en tot gedurfde initiatieven. Een klimaat waarin nieuwe ideeĂŤn uiteraard een vruchtbare bodem vonden. Het was voor hen, denk ik, levensnoodzakelijk in de toekomst te geloven om te volharden; en van dit denken in funktie van de toekomst blijken zij ook anderen te hebben doordrongen. Hoe men ook over de gebeurtenissen denkt, toch dient vastgesteld dat zelfs zij die de revolutie niet onverdeeld gunstig gestemd waren, hun kritiek in "termen van de toekomst" uitbrachten. Indien wat voorafgaat een aantal aanduidingen verschaft omtrent het "waarom ?" van het plotse toenemen van anticipatiewerken in de twintiger jaren, dan blijft de lezer zich toch vragen om welke redenen aan deze bloei geleidelijk een einde kwam. Wij zullen hierop een antwoord suggereren met een historisch overzicht van de gebeurtenissen en het literaire leven van die jaren, zoals wij hoger reeds beloofden. Na de overwinning van het Rode Leger volgt een konsolidatie op alle fronten. Nieuwe republieken sluiten (al dan niet tussen aanhalingstekens) bij de U.S.S.R. aan en geleidelijk gaat de partij, die dan toch van een minderheidspositie was vertrokken hoe langer hoe meer sektoren van het openbare leven impregneren. Dit gebeurt echter geleidelijk. Ekonomisch wordt in '21 zelfs een overgangsperiode ingeleid, de zg. NEP, een "nieuwe ekonomische politiek", die een zekere mate van liberalisme herstelt in een poging staatsbedrijven en privaat initiatief naast elkaar te laten bestaan. Tot verdere stappen in de richting van het socialisme mogelijk worden. De NEP brengt na enige tijd ook weer wantoestanden met zich mee, waartegen reaktie komt. Een definitieve doorbraak naar een meer socialistische ekonomie komt pas met het eerste vijfjarenplan, in 1929.


SF-MAGAZINE P. 06 Ondertussen hebben zich aan de top echter enkele wijzigingen voorgedaan. In 1924 sterft Lenin, die reeds enige tijd politiek minder aktief was, en langzaam aan bouwt de Georgiër Dzoegasjvili zich een persoonlijke macht op, die hij tot in de vijftiger jaren onder de meer bekende naam "Stalin" uitoefent. Lev Trotski wordt in 1927 uit de partij gestoten en twee jaar later verbannen. Dit gaat niet zonder een aantal verdachtmakingen en aanklachten over en weer, die stilaan het politieke klimaat gaan vertroebelen en bijdragen tot de ontwikkeling van een zekere dogmatische geest in het partij-apparaat en in organismen en instellingen die zich ermee verbonden voelen. De "geest" van de NEP-periode is dan ook heel anders dan die van de dertiger jaren. In de literatuur, waar we ons hier meer bijzonder toe beperken, komt dit verschijnsel duidelijk tot uiting. Hoewel het fout zou zijn de literatuur van de twintiger jaren uitsluitend te zien in tegenstelling tot die van een latere periode - wat helaas te veel gebeurt - moet men toch vaststellen dat vanaf 1927 een zekere planifikatie van de literatuur aan de gang is, terwijl, vooral vanaf '29, de schrijvers, al dan niet onder druk, andere thema's gaan aansnijden en in hun werk andere technische en literaire procédés aanwenden dan voorheen. De redenen daartoe zijn te zoeken in de konsolidatie van het partijoverwicht binnen de artistieke organisaties en in het entoesiasme dat werd gewekt door, alsmede in de propaganda die diende gevoerd voor de verschillende vijfjarenplans. In deze optiek zal hoe langer hoe minder plaats overblijven voor individualistische kunstvormen, die op bourgeois-perioden teruggaan, en voor een te scherpe kloof tussen verbeelding en realiteit. Een en ander treft ondermeer de anticipatie-literatuur. Is de kunstenaar verder iemand voor wiens werk bijzondere regels gelden, dan wordt toch ook van hem verwacht dat hij zich inzet ten dienste van de proletarische ideeën. En het volstaat niet dat hij zich op een individualistische manier inzet voor deze idealen : bepaalde richtlijnen kunnen hem worden opgelegd in verband met tematiek en formele behoeften. Vandaar een nieuwe vorm van akademisme, die in 1934 zal worden bekrachtigd onder de naam van "socialistisch-realisme". Wie vertrouwd is met de konstanten van het spekulatieve genre ziet dadelijk in dat de voorwaarden voor een verdere uitbouw ervan in deze gewijzigde omstandigheden in mindere mate aanwezig waren. Laten we echter een stap teruggaan en even nader de ontwikkeling van het literaire leven volgen rond 1917 en vooral in de loop zelf van de twintiger jaren. De periode vóór de revolutie kende veel literaire stromingen, die druk onder mekaar bekvechtten. Bij de symbolisten, de akmeïsten, de realisten en zo meer voegden zich nog de futuristen, met Majakovski en Chlebnikov. Laatstgenoemden onderscheidden zich, deels door zekere excentriciteiten (of wat men toendertijd voor doorging), deels ook door hun engagement en hun dynamisme : rondreizend verkondigden zij hun modernistische visies en hun geloof in een andere toekomst. Wanneer de revolutie plaats heeft is hun groep dan ook de eerste om daadwerkelijk aan te sluiten, daar waar vele andere kunstenaars aarzelden of naar het buitenland vertrokken.


SF-MAGAZINE P. 07 Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat hun werkwijze haar stempel drukte op een belangrijk gedeelte van het artistieke leven in de jaren die onmiddellijk op "oktobere volgden. Loenatsjarski, de volkskommissaris voor kunst en onderwijs, was hen bepaald gunstig gestemd en op allerlei gebieden gingen zij aktief aan de slag. Journalisme, publiciteit, propaganda, film en festiviteiten dragen een tijdlang hun stempel. Een belangrijke instelling is in die periode de zg. "proletkult", dat zich tot taak stelde de kultuur bij de massa's te brengen, en hiertoe bijzonder intensieve didactische arbeid leverde. Zonder dat futuristen en "Proletkult" het steeds met elkaar eens zijn, overweegt toch een tijdlang de modernistische strekking in deze in zekere opzichten ietwat "gauchistische" beweging. Het is in deze periode dat Majakovski zijn "Mistero buffo" schrijft en zijn anonieme "150.000.000". De inzet van de NEP-periode in '21 leidt ook een zekere reaktie in tegen al dit modernisme en tegen het futurisme en het konstruktivisme die in die jaren, zeker vanuit een westers standpunt gezien, ean verrassende weerklank bij brede bevolkingslagen gevonden hadden. Een verklaring hiervan zal, zoals we hoger zeiden, rekening dienen te houden, én met het intensieve didactische werk dat word geleverd, én met het feit dat deze "moderne" kunstenaars toch met de diepe gronden van de volksaard vergroeid bleven. Hoewel het er hier nu helemaal niet de plaats toe is, kan men moeilijk nalaten zich even af te vragen hoe de Russische Kunst zou zijn geëvolueerd indien deze stromingen verder doorgang hadden gevonden en - veel breder dan - indien de tientallen Russische kunstenaars, die nu in grote mate mee het beeld van onze westerse kunst hebben bepaald, zich in eigen land hadden geïntegreerd, of hadden kunnen integreren, en daar hun eigen visie op schoonheid en kultuur, kunst en revolutie hadden uitgebouwd en een eigen bodem hadden behouden om hun denkbeelden door een nieuwe generatie, of een nieuwe mens voort te laten dragen en verder uit te diepen. Marc Chagall, een tijdlang kommissaris voor schone kunsten te Vitebak, Chaim Soutine, Kandinski, Larionov en Malevitsj, Archipenko, Lipchitz en Zadkine; mensen als Nijinski, Diaghilev, Strawinski. Maar ook bv. Isaac Asimov, wiens vader in 1917 de U.S.S.R. verliet. Nu dient men uit wat voorafgaat (en uit onze paranthese) niet te besluiten dat hier van enige repressie sprake was. De regering had wel andere zaken om het hoofd. Moderne kunstvormen lokken nu eenmaal overal reakties uit, waarom zouden we dan hier een uitzondering maken. Lenin's persoonlijke reaktie terzake is overigens ondubbelzinnig. Hijzelf houdt meer van Poesjkin of van Gorki, en zijn brieven aan Loenatsjarski bevatten wel eens licht verwijtende woorden voor diens avant-gardisme. Toch brengt hij meer begrip op voor deze "avant-garde" wanneer hij persoonlijk het entoesiasme van deze mensen heeft vastgesteld, en bij gelegenheid aarzelt hij niet uitspraken van Majakovski ter overweging te geven aan zijn admistratie. En wanneer in 1922 een censuur wordt ingesteld, dan is deze preventief en niet preskriptief : zij richt zich in de eerste plaats tegen zg. "émigré-propaganda". Het is inderdaad zo dat in deze periode in het buitenland nog druk gekomploteerd wordt


SF-MAGAZINE P. 08 en dat, vooral in deze betrekkelijk liberale jaren, op een herstel van het burgerlijk regime wordt gespekuleerd. Een aantal anticipatiewerken, die in de NEP-periode ('21-'28) het licht zien, dienen trouwens geïnterpreteerd in het licht van de tegenstelling tussen de jonge Sovjet-staat en de steeds dreigende buitenlandse en industriële machten. Vooral dan de zg. politieke anticipatie : Ehrenburg's werk ("Trust D.E.") bv. Een aantal van Alexej Tolstoj's romans als "De hyperbolid (of : de dodenstraal) van Ingenieur Garin" of "Zeven dagen waarin de wereld werd beroofd" handelen over samenzweringen, waarbij soms vreemde technische wapens worden aangewend. Ook de publikatie van literair werk vindt geen moeilijkheden : wordt een boek niet door de administratief ietwat logge staatsuitgeverij aanvaard, dan kan het worden verspreid door een van de talrijke private uitgeverijen die werken; bovendien circuleert het vrij in literaire kringen en wordt het op allerlei vergaderingen voorgelezen. Verder bestaat druk kontakt met het buitenland (Berlijn, Praag,...) en ook daar is publikatie geen probleem. Bepaalde kringen aldaar zoeken zelfs systematisch naar minder gunstig ontvangen werk. Wel zal later, in 1929, aan een tweetal auteurs worden verweten een gecensureerd werk in émigré-kringen te hebben laten verspreiden, nl. Zamjatin's "WIJ" en Pilnjak's "ROODHOUT" (Mahonie), maar in welke mate hadden we hier met voorwendsels te doen ? Belangrijke literaire groepen zijn in de NEP-periode de zg. proletarische schrijvers die in een reeks verenigingen hun visie verkondigen, de formalisten, de konstruktivisten, de zg. Serapion-broeders, omheen Zamjatin, en de LEF, omheen Majakovski. Niet uitdrukkelijk socialistische schrijvers noemt men "medereizigers", maar er wordt onder geen enkele vorm druk op hen uitgeoefend, tot omstreeks 1927. Ook wanneer disputen ontbreken tussen deze verschillende groepen wordt officieel geen standpunt ingenomen, en in 1925 beslist de K.P. nadrukkelijk geen van de bestaande richtingen exclusieve voordelen of enige erkenning te honoreren. Het is in het kader van wat voorafgaat dat we bv. Boelgakov's kritische "SF"-novellen "De noodlottige eieren" en "Hondehart" dienen te plaatsen, die resp. van 1924 en 1925 dateren. Vooral in eerstgenoemd werk neemt hij de administratie zwaar op de korrel. Dit boek geniet kort daarop grote bekendheid in West-Europa. Hoewel "Hondehart" dan niet meer wordt gepubliceerd, kent de auteur anderzijds toch een belangrijk succes met zijn toneelwerk, en pas later zal hij moeilijkheden ondergaan. Het is inderdaad pas omstreeks 1927/28 dat de dogmatische tendens waarvan we reeds spraken zich sterk gaat laten voelen. De krachtlijnen die aan het licht komen passen binnen het streven van de proletarische schrijversvereniging, die dan RAPP heet, en vooraleer in '32 ontbonden te worden gaat dit organisme zich druk met een vorm van regimentatie inlaten. Zg. "medereizigers" worden van dan af in RAPP-publikaties bekritiseerd en zelfs aangevallen, terwijl langs verschillende zijden druk wordt uitgeoefend op uitgevers, schrijversbonden en teater-direkties. Sommige werken worden niet meer gepubliceerd, of niet meer verspreid, soms bijzonder populaire toneelwerken worden uit het repertoire geschrapt; kortom alles wordt in het werk gesteld om "rivale" groepen en prominenten tot instemming te brengen met de denkbeelden van RAPP en tot aansluiting bij dit organisme te dwingen.


SF-MAGAZINE P. 09 Ze moesten de resp. nationale en leningradse voorzitters van de Algemeen Russische Schrijvers-Unie, die zowat met een PEN-club te vergelijken viel, het bijzonder ontgelden, nl. Boris Pilnjak en Jevgenji Zamjatin. Zoals we reeds suggereerden, kan het idee hier voorgelegen hebben beiden als voorbeeld aan de kaak te stellen om meer volgzame naturen uit eigen beweging tot een koerswijziging aan te zetten. Ook Majakovski, die nochtans gekozen had zich volledig voor het 1e vijfjarenplan in de zetten, kreeg zijn deel aan verwijten te inkasseren en noch zijn "Vlo", noch zijn "Baden", noch zijn herinneringstentoonstelling in 1930 werden een sukses. Nu mag deze RAPP campagne , waarbij - zoals ook in de U.R.S.R. wordt toegegeven – zware fouten werden begaan, toch niet te monolithisch werden benaderd: noch inzake doelstellingen, waarbij zowel politieke ideeën als persoonlijke rivaliteiten een rol speelden, noch inzake methoden, waar naast hatelijkheden ook onhandigheden werden begaan, noch inzake officiële steun tenslotte, aangezien bepaalde akties door hogere tussenkomst werden teniet gedaan. Boelgakov en Zamjatin richten zich bv. persoonlijk tot Stalin en verkregen zekere voldoeningen. Anderzijds werpt ook de toetreding van Majakovski een vreemd licht op de RAPP. Na als "medereiziger" te zijn afgeschilderd, besluit deze plots tot deze vereniging toe te treden : maar dan weet dit "vervaarlijke" gezelschap plots geen raad meer en aarzelt men even hem te aanvaarden. " De RAPP-bestuurleden zagen zijn toetreding met bezorgdheid tegemoet", herinnert Libedinaki zich later, "alsof we vreesden dat ons kleine scheepje zou worden beschadigd door het gewicht van zulk een olifant…" Kort na de kreatie van "De Baden" – het laatste werk waarover we verder zullen handelen – pleegde Majakovski zelfmoord. We zijn dan begin 1930, om bij dit jaar, dat in vele opzichten een keerpunt betekende, kunnen we dit overzicht dan ook best afsluiten. Bij de bespreking van het werk van de schrijvers welke we weerhielden, dienden we Uiteraard de nadruk te leggen op het spekulatieve. Zijzelf zagen dit ongetwijfeld niet los van hun ander werk, en om die reden gingen we ook iets nader in op de samenhang waarin al deze werken ontstonden. Uit wat voorafgaat blijkt voldoende dat we aan de Russische literatuur van de twintiger jaren in zekere zin een "delikaat onderwerp" hebben. Van Westerse zijde hebben vele studies inderdaad de neiging deze te benaderen als een dramatisch gegeven dat kulmineert in totalitaire repressie. Auteurs worden dan ook vooral bestudeerd in het licht van de moeilijkheden die zij ondervonden, en een herontdekking wordt licht geplaatst in de samenhang van een recente oppositionele strekking. Hierbij vergeet men dan dat al deze mensen (neem bijvoorbeeld Zamjatin) heel eigen opvattingen hadden, die nu niet onmiddellijk in onze huidige westerse optiek zouden worden geapprecieerd. Van Russische zijde wordt deze literatuur soms iets gerelativeerd omdat zij nog te dicht bij burgerlijke stijlen aanleunt, terwijl latere werken nauwer bij de "sovjet maatschappij" aansluiten. Hierbij wordt dan ook enigszins uit het oog verloren dat ook andere richtingen mogelijk waren, terwijl misschien de opvattingen van de grondleggers van de "oktober-revolutie" zelf op een aantal punten afweken van deze welke later aan de orde kwamen.


SF-MAGAZINE P. 10 Gelegenheid te over dus om de bal mis te slaan. doch niet minder interessant om.

Het opzet wordt er moeilijker,

Konkluderend zou ik herhalen dat we, zoals reeds gezegd, deze literatuur niet mogen benaderen in oppositie tot een andere, die in andere omstandigheden onstond. Nieuwe verwachtingen en een gewijzigd toekomstbeeld hebben in een bepaald klimaat een anticipatie-stroming doen ontstaan en, zoals we verder zullen zien, ligt juist het belang ervan in haar uiterste verscheidenheid en in haar bijzonder hoog niveau.

BIBLIOGRAFIE ************ De plaats ontbreekt hier uiteraard om een uitvoerige bibliografie te brengen. Citeren we voornamelijk enkele interessante werken, van verschillende strekking : - "La Littérature Soviétique, les problèmes et les hommes" Korneli Zelinski (Editions du Progrès, Moskou). - "Soviet Russian Literature 1917-1950" Gleb Struvo (University of Oklahoma Press, 1951). - "A history of Soviet Literature 1917-1964" Vera Alexandrova (Anchor Books - Doubleday N.Y., 1964).


SF-MAGAZINE P. 11

Einde 1917 spoedt een scheepsingenieur, die reeds enkele verhalen publiceerde, zich, uit Groot-Brittannië terug naar het revolutionaire Rusland en volgt daarbij in omgekeerde richting de weg die vele van zijn landgenoten in die moeilijke jaren naar het Westen voert. Later zal hij deze weg teruggaan, richting Berlijn en Parijs. Wanneer de Oktober-revolutie zich voltrekt, heeft de 33-jarige Jevgenji Zamjatin reeds een bewogen jeugd achter zich. In 1884 geboren, te Lebedian, in het hart van de "Provincie" ten zuid-oosten van Moskou, komt hij als student naar Sint-Petersburg. "Ik was Beljeviek", zegt hij in 1928, in een autobiografische schets, en ostentatief voegt hij er op dat ogenblik tussen haakjes aan toe : (Nu ben ik het niet meer). Hoe dan ook, in 1905 raakt hij betrokken bij de gebeurtenissen; een verblijf in Helsinki met de "muiterij" te Sveaborg. Gearresteerd, blijft hij een aantal maanden alleen opgesloten en wordt hij daarop uit de hoofdstad verbannen. Dit belet hem evenwel niet klandestien in Sint-Petersburg te blijven en er zijn studies te voltooien. In 1911 opnieuw gearresteerd en een tweede maal verbannen, wordt hij tenslotte in 1913 begenadigd. Hij heeft dan zijn titel behaald en een plaats aanvaard als docent aan de technische fakulteit. Ook heeft hij enkele novellen geplaatst : o.a. " Een verhaal uit de provincie" (1911) en "Bij het einde van de wereld" (1914). Dit laatste beschrijft het leven van een kleine garnizoensstad in Siberië en bezorgt schrijver en uitgever een dagvaarding wegens smaad aan het tsaristische leger. De aanklacht bleef echter zonder gevolg. Onthouden wij hier vooral de belangstelling van de schrijver voor het provinciale Rusland en een vroege neiging tot satire. Tijdens de eerste wereldoorlog vingen we Zamjatin terug in Engeland, waar hij de bouw van Russische ijsbrekers superviseert. " Een van onzer grootste ijsbrekers, de "Lenin" ( ex-Alexander Neveski") is mijn werk", zegt hij in zijn autobiografie. Ook in Engeland kijkt hij echter kritisch om zich heen en in een tweetal verhalen, "De eilandbewoners" en "De mensenvanger", neemt hij de schijnheiligheid van de Engelse samenleving op de korrel. Indrukken van zijn verblijf en van de arbeidsvoorwaarden (Taylor) zal hij in 1920, in zijn omstreden roman "WIJ" verwerken. Een detail dat overigens van belang is voor een juiste interpretatie van dit werk. Van bij zijn terugkeer stort Zamjatin zich hals over kop in het verwarde literaire leven van die jaren; hij publiceert, omringt zich met andere schrijvers en onderricht, zoals ook andere kunstenaars het doen. Het oude bestel werd echter afgewezen en ieder zoekt naar nieuwe uitdrukkingsvormen om de gebeurtenissen te verwoorden. 1918-1920 : hooggespannen verwachtingen eneerzijds, enorm moeilijke levensomstandigheden anderzijds; daarbij het gevoel zich voort te spoeden naar een onbekende bestemming. De metafoor die Zamjatin gebruikt is typerend voor de periode : "Die drie jaren waren we opgesloten binnen een talen projektiel – we suisden in de Duisternis door de ruimte en niemand wist waarheen. In die ijselijke jaren dienden wij iets te ondernemen, tot een vorm van samenleving te komen in die slingerende raket ..."


SF-MAGAZINE P. 12 om Zamjatin heen verzamelden zich de zg. Serapion-broeders, een literaire groep zonder duidelijk omschreven programma, waarvan de leden zich echter tot doel stelden een zo oprecht mogelijk beeld van de realiteit om hen heen weer te geven zonder aan utilitaire literatuur te doen. Zowel in naam van deze groep als in eigen naam publiceerde hij een aantal theoretische geschriften, waarin deze anti-dirigistische en anti-uilitaire stellingname scherp werd verwoord : de scherpe reakties welke hierop volgden hoeven niet te verwonderen. Maar daar komen we later op terug, bij de interpretatie van "WIJ", waarin een groot aantal uitspraken van de schrijver in dit verband werden hernomen en geïllustreeerd. Verwijlen wij nog even bij de literator en de stilist. "De taal van onze tijd is scherp en snel als een kode", schrijft Zamjatin in 1923; en "WIJ", dat in 1920 geschreven werd, maar juist in 1923 in zijn definitieve vorm werd voorgebracht (en afgewezen), is wel het werk waarin hij deze snelle schriftuur het best heeft toegepast. Als stilist is Zamjatin echter bijzonder veelzijdig en hij bezit een opmerkelijk talent zich in elk van zijn teksten telkens weer anders uit te drukken. Hij varieert op verbluffende wijze, van parodie tot liriek, en verschillende kortere verhalen die hij in de jaren na de revolutie schreef zijn absoluut merkwaardig. Ik denk aan "De Draak" (1918), "Het Hol" (1920), "Het Oude Rusland (1923), "Een verhaal over de belangrijkste zaak" of "Het woord is aan kameraad Tsjoerigin" (1926). Landelijke en stedelijke verhalen : in "Het hol" beschrijft Zamjatin het leven in een Sint-Peterburgs appartement tijdens de winter van 1920 : er is geen verwarming en het wegnemen van enkele houtblokken bij een benedenbuur schildert hij af als een expeditie die verloopt in een prehistorische sfeer, waarbij de kachel als een onvoldane god midden het "hol" troont. Dit verleggen van de grenzen van de werkelijkheid is kenmerkend voor vele van zijn teksten; zo al hij ook regelmatig de metafoor (of een haast grotesk detail hiervan) de realistische weergave laten overspoelen : "De holegod werd stiller en stiller, rilde nog even na en verstomde. Nu en dan kraakte hij zachtjes nog wat na. Beneden, bij Objorstysjevs, kloofde de stenen bijl de balken van een bark ..." (vertaling C.J. Pouw). Het poëtische, dikwijls muzikale procédé is duidelijk. Het "Hol" verloopt bv. als Opus 74 van Skrjabin. Tezelfdertijd legt dit in zekere zin surrealistische aspekt bepaalde kosmische verbanden bloot, zekere wetmatigheden, waarin de mens haast een mechaniche rol vervult. Parodie en satire ook : in "Het woord is aan Kameraad Tsjoerigin" parodieert hij de de (wel uiterst) gebrekkige retoriek van de man van het platteland, die komt te vertellen hoe de revolutie tot zijn dorpsgemeenschap is doorgedrongen, hierbij Raspoetin te pas brengt en zelfs de Romeinse god Mars met Karl Marx weet te verwarren ... Elders laat hij boeren vertellen hoe zij, overeenkomstig de resolutie die in het dorp werd gestemd, de bezittingen van een klooster in beslag moeten nemen, maar er zelfs niet toe komen hun boodschap aan de oude moeder-overste mede te delen. Men begrijpt dat een en ander niet altijd in goede aarde viel. Het gebrek, of het tekort aan degelijk goed eigentijds toneelwerk bracht Zamjatin ertoe enkele werken te schrijven met historische achtergrond : "De Vlo" gaat terug op een oud-Russische legende, "De Vuren van de H. Dominicus" speelt zich af in de tijd van de Spaanse Inquisitie en, in wat hijzelf als zijn belangrijkste werk aanzag, nl. "Atilla", geeft hij een eigen visie weer op deze veroveraar, waarbij hij bepaalde politieke ideeën onderstreept en enigszins een parallel legt tussen de bewo-


SF-MAGAZINE P. 13 gen tijd van de volksverhuizingen en het begin van onze eeuw. "Attila" werd door het Leningradse Bolsjoj-theater aanvaard, maar nog voor de eerste opvoering van de affiche gehaald. Tezelfdertijd werd de publikatie van zijn "Verzameld werk" geschorst en zette de RAPP een campagne tegen de schrijver in wegens buitenlandse publikatie van gecensureerd werk. Bedoeld werd : de zg. uit het Tjechs terug in het Russisch vertaalde verkorte versie van "WIJ", die inmiddels in het Westen reeds in een drietal landen was verschenen, en nu vanuit Praag in een emigranten-uitgave werd verspreid (1927). Publikatie werd Zamjatin dan ontzegd en in 1931 richtte hij zich tot Stalin in een persoonlijke brief, waarin hij zich bitter bekloeg over deze tragedie - dit doodvonnis - en toelating vroeg de U.S.S.R. te verlaten, tot de omstandigheden zouden toelaten "in de literatuur weer de grote ideeën te dienen, zonder te hoeven kruipen voor kleine mensen ... en de vraag aan de orde zal komen een kunst te scheppen die de revolutie waardig is" (vertaling W. Smit). Door bemiddeling van M. Gorki werd dit verzoek ingewilligd en Zamjatin vertrok naar Parijs. Daar hield hij zich echter afzijdig van het emigranten-milieu, waarmee hij weinig gemeen had. Belangrijke publikaties bracht hij niet meer. Wel werkte hij aan een roman-versie van "Attila" ("de Gesel Gods"), wanneer hij op 10.03.1937 aan een hartaanval overleed. Men merkt dat "Wij" een belangrijke rol in het leven van de schrijver heeft gespeeld. Hoewel het dus niet in de U.S.S.R. werd gepubliceerd, circuleerde het boek toch vlot in literaire kringen, en werden geen moeilijkheden gemaakt wanneer het (in vertaling) verscheen te New York (Dutton, 1924), Parijs of Praag. Het was de Amerikaanse uitgave die Huxley en Orwell later zou inspireren, resp. bij hun "Brave New World" en "1984". "WIJ" is als het ware het prototype van de anti-utopie, waarin de auteur bepaalde dirigistische tendenzen en repressieve neigingen van de teoretici van de nieuwe staat extrapoleerde tot een totalitair paroxysme, dat in die jaren uiterst karikaturaal moet zijn aangevoeld. Is de technokratische achtergrond een vertekening van de evolutie welke in elke andere staat eveneens aan de orde was - en werd de Tayloriaanse dagindeling bv. geïnspireerd door de Engelse ervaringen van de schrijver - dan is de "wetenschappelijke etiek" toch duidelijk een uitbouwen van (voornamelijk) in de U.S.S.R. aan de orde zijnde ideeën, onder meer in het kader van de "Proletkult". Het boek treft onmiddellijk reeds door zijn vormgeving : in een reeks van veertig aantekeningen verhaalt de protagonist, D-503, zijn belevenissen sinds hij werd benoemd tot bouwer van het ruimteschip "De Integraal" : deze vorm houdt het midden tussen een dagboek en het karnet van een onderzoeker; elke aantekening wordt verder voorafgegaan door een drietal "onderwerpen" bij wijze van titel. Ik noem willekeurig : Liturgie. Iamben en trocheeën. Een gietijzeren hand.

(9)

of nog : Ik weet het niet - misschien enkel : Een weggeworpen sigaret.

(38)

"Wij" speelt zich af in de 23e eeuw, in een ommuurde stadstaat, die de "Ene Staat" wordt genoemd. Terloops wordt aangegeven dat voor de staat tot stand kwam een tweehonderdjarige oorlog woedde tussen stad en platteland, waarna slechts een fraktie van


SF-MAGAZINE P. 14 de wereldbevolking overleefde. Enkele kenmerkende details : de nummering van de burgers (en dus ook van de hoofdfiguren, D-503, de wiskundige, O-90, zijn toegewezen vriendin, R-13, de dichter...) de Tayloriaanse dagindeling, die slechts ĂŠĂŠn uur vrij laat voor de namiddagwandeling, op rijen van vier, bij marsmuziek (maar daar komen we ook nog wel overheen, eens zal ook dit uur niet meer nodig zijn ...), propaganda-uurtjes, chemische voeding, roze bonnen voor sex (waarbij dan de blinden even mogen neergelaten worden ...) en zo meer. Kinderen bv. zijn "vanzelfsprekend" geen privaat bezit meer. Verder is er verplichte aangifte van vastgestelde "afwijkingen" aan het bureel van de Wachters, foltering in een "gasbel", een executie-machine en een heel ceremonieel van bestraffing op het plein van de Kubus, in aanwezigheid van de "Weldoener", die jaarlijks unaniem wordt herkozen (zie Orwell's "Big Brother"). "De Integraal" wordt gebouwd om de weldaden van het systeem, d.w.z. een wetenschappelijk en onfeilbaar geluk uit te dragen in de kosmos aan alle volkeren die nog in vrijheid leven. Eerst zal men hun getuigenissen bezorgen van tevreden burgers van de "Ene Staat"; mocht dit overtuigingskracht missen, ja dan ... En het is juist deze oproep aan alle burgers hun geluk onder woorden te brengen die ook D-503 aan het schrijven zet (nl. van "WIJ"). D-503 is diep overtuigd van de volmaaktheid van de "Ene Staat" en beschrijft haast kinderlijk zijn dagelijks doen. Maar naarmate de dagen verlopen, gebeuren vreemde zaken en wijkt hij meer en meer van het rechte pad af. O-90 verwacht een onwettig kind van hem (en zal moeten sterven wegens overtreding van de norm) en bovendien raakt hij hopeloos verliefd op de geheimzinnige I-330, die zich min of meer aan hem heeft opgedrongen en hem allerlei onorthodoxe gewaarwordingen veroorzaakt. Hij maakt afspraken op verboden uren en plaatsen, veinst ziekte wanneer hij hoort te werken en verzuilt I-330 aan de Wachters aan te geven, wat hem in een vicieuze cirkel brengt en I-330 toelaat bepaalde zaken van hem te eisen. D-503 gaat twijfelen en dromen, wat vreemde dingen zijn voor een eerlijk "nummer"; de dokter die hij gaat opzoeken ontdekt dat hij een "ziel" heeft ontwikkeld. "Is dat ... echt gevaarlijk ?" vraagt hij. "Ongeneeslijk" replikeert de dokter. I-330, die in de ondergrondse aktie betrokken is, toont hem de wereld buiten de muur, waar behaarde mensen leven, die de oorlog hebben overleefd, en ook vluchtelingen, bv. moeders van onwettige kinderen. Af en toe spreekt zij een bepaald opstandige taal. Op de volgende "eenstemmigheidsdag" komt de oppositie aan het licht : duizenden stemmen tegen de "Weldoener", wat de kranten evenwel minimaliseren, en allerwegen breken onlusten uit, tot zelfs de Muur wordt opgeblazen. Wegens zijn kontakten met I-330 wordt ook D-503 verdacht en gevolgd; maar hij weet O-90 buiten de stad in veiligheid te brengen. De "Weldoener" heeft intussen ontdekt dat de verbeelding de oorzaak is van alle moeilijkheden : zij wordt gelokaliseerd in de hersenen, en daar zij mits een kleine operatie kan worden weggenomen, dienen alle burgers zich hieraan te onderwerpen. D-503 wordt erop gewezen dat het de bouwer van de "Integraal" is die I-330 en haar gezellen interesseert en niet hemzelf. Toch aarzelt hij zich aan de operatie te onderwerpen maar hij wordt opgepikt en geopereerd waarna hij zonder schroom zijn geliefde en haar medeplichtigen aangeeft en zelfs haar foltering onder de "gasbel" bijwoont. In de straten wordt nog fel gevochten, maar de rede moet het halen.


SF-MAGAZINE P. 15 Basisfilosofie van de "Ene Staat" is een wetenschappelijke etika. De opperste orde is wiskundig, wetmatig, voorzienbaar. Schoonheid komt voort uit regelmaat en gehoorzaamheid aan bepaalde wetten. De dans bv. Eenstemmigheid leidt tot een groote hymne en conformisme is synoniem van geluk. Welk een wonder vormen de tafels van vermenigvuldiging niet ? Welnu, deze zijn vast en onveranderlijk : vrijheid kan in dit verband dus alleen tot fouten leiden, tot afwijkingen, onjuistheden en verwarring. Op het menselijk vlak getransponeerd besluiten we dat vrijheid in een geordende maatschappij eveneens tot fouten leidt en tot misdaad. "Liberty is Crime", om een van Orwell's vergelijkingen te parafrazeren. De misschien iets intrigerende titel "WIJ" brengt ons op het kulturele vlak. Een van de ordewoorden van de "Proletkult" was namelijk het einde van de individualistische kunstvormen en hun vervanging door een gemeenschapskunst ten dienste van het algemeen. Daarom moet "ik" in de literatuur de plaats ruimen voor "wij". Ook hier draaft D-503 behoorlijk door : Het "Ik" staat de unanimiteit in de weg, zegt hij, ook in andere kulturen zoals het kristendom was het reeds zondig. Originaliteit is al evenzeer uit den boze, immers ook zij staat een echte gelijkheid in de weg. Kunst zal daarom mechanisch zijn, bv. èn in naam van de gemeenschap spreken èn in funktie blijven van de taken van de dag. Het nummer krijgt immers pas zin in een "reeks" (zoals die van Taylor en Mc. Laurin ...). We zagen reeds dat ook technokratische strekkingen in westerse landen in dit boek werden bedoeld. Zamjatin's kritiek gaat vele richtingen uit. Ook het kristendom bv. krijgt een aantal analogieën te inkasseren. "Bedenk even," zegt R-13, "die twee in het paradijs, hadden de keuze : geluk zonder vrijheid of vrijheid zonder geluk ... Die idioten kozen de vrijheid, en met welk gevolg ? Alleen wij hebben de manier gevonden om het geluk te herwinnen ... Tenslotte hielpen wij God de duivel te overwinnen ..." (11) "Vroeger begrepen dit alleen de kristenen, onze enige voorgangers (hoe onvolmaakt ook) : onderwerping is een deugd, eigenzinnigheid een ondeugd; "WIJ" is goddelijk, "Ik" des duivels" (22) Of nog, wanneer de "Weldoener" beschuldigingen weerlegt : "En wat van de liefderijke kristelijke god, die al wie zich niet onderwierp zachtjes roosterde in het hellevuur ? Was hij geen beul ? Toch werd hij eeuwen als God der Liefde vereerd ... Echte liefde tot de mensheid is noodzakelijk onmenselijk ..." (36) Wat stelt Zamjatin nu tegenover de ideologie van de "Ene Staat" ? I-330 argumenteert wetenschappelijk wiskundig, als de tegenpartij : alles wordt bedreigd door "entropie" en deze onderkent zij in de uniformiteit : "Gelijkvormigheid, overal ... daar schuilt de entropie, de psychologische entropie." Daarentegen : "Enkel een schok, een explosie, een nieuwe revolutie kunnen de energie leveren, die nodig is om nieuw leven te wekken ..." Een voortdurende revolutie weliswaar : "Wel dan," zegt zij, "noem me het hoogste getal ..." "Maar dat is dwaas", antwoordt D-503, "indien het aantal getallen oneindig is, hoe kan er dan een laatste nummer zijn ?" "Hoe zou er dan een laatste revolutie mogelijk zijn ?" replikeert zij daarop, "... Er is geen laatste, definitieve revolutie ... Enkel kinderen zijn bevreesd voor de oneindigheid. Wij moeten altijd vragen : En wat dààrna ?" (30)


SF-MAGAZINE P. 16 De essays van de schrijver die hevige reakties uitlokten, bevatten veel uitspraken in deze zin; revolutie houdt voor Zamjatin een extreem dynamisme in, een roekeloos vooruitzin, brede filosofische horizonten, een onbevreesd "Waarom ?" en "Wat dan ?" "Revolutie is overal, in alles; oneindig. Het is onmetelijk meer dan een sociale wetmatigheid, het is een kosmische, universele wet." "Revolutie is de tegenpool van al wat statisch is of dogmatisch, van zekerheden, conformisme, unanimiteit of entropie ..." "Wie zijn ideaal gevonden heeft is als de vrouw van Lot", zegt hij elders, en : "Literatuur die nu absurd aandoet, is nog nuttiger dan utilitair werk; 150 jaar later wordt zij als juist erkend ..." Of nog : "De wereld blijft door ketterij in leven : de ketter Kristus, de ketter Copernicus, de ketter Tolstoj ... Ketterij is het symbool van ons geloof ..." Onwillekeurig herinnert men zich André Gide : "Le monde ne sera sauvé, s'il peut l'être, que par des insoumis ..." Literair wijst hij, zoals we zagen, elke gebruiksliteratuur af. Wanneer men hem een " binnelands émigré" noemt (het woord zou van Trotsky zijn) en hem individualisme aanwrijft, antwoordt hij : "Belangrijkst is de lezer te verontrusten, hem verder te voeren ... Hoever ? Hoe verder hoe beter. En wat hindert het indien de schrijver een individueel echo verwekt ? Ik kan me een goed krantenartikel indenken in verband met dagelijkse problemen, maar geen boek van Tolstoj in verband met verbetering van sanitair ..." Anderen dan Zamjatin hebben tegen de formele programmapunten van de Proletkult gereageerd. Soberder, weliswaar. "Bij Proletkult spreekt men/noch van zichzelf/noch van persoonlijkheid ... Opdat de psychologie/gemeenschappelijk weze/dan bij ons futuristen/zegt men/wij/in plaats van ik ... Maar als je 't mij vraagt/behandel je een onderwerp slecht/ en vervang je mij door wij/het helpt je niets vooruit ..." Majakovski "Zwijgen over jezelf in dichtkunst brengt er je onvermijdelijk toe te zwijgen over anderen, over hun lijden en hun verdriet ... hun complexiteit en hun konflikten ..." J. Jevtoesjenko (een voortijdige autobiografie) "WIJ" zouden we in dit verband haast kunnen zien als een demonstratie "ab absurdo" tegen misbruiken en tegen de volgzaamheid. Vaak houdt deze demonstratiewijze zwakheden in : in Zamjatin's geval zou men er in de eerste plaats kunnen op wijzen dat hij als wetenschapsmens er in "WIJ" niet toe gekomen is juist te formuleren waar de wetenschappelijke methode begint misbruikt te worden (en tot waar we haar in deze toch steeds complexer wordende maatschappij een finaliteit mogen opleggen). Het is in zekere zin zo dat hij insidieuze redeneringen als fout aanklaagt, zonder de verantwoordelijkheden precies te situeren. Tweede beperking is dat de positieve zijde (dus wat hij als oplossing aangeeft) tenslotte erg vaag blijft. Het gebrek aan inhoud van zijn verdere, permanente revolutie. Zamjatin verwerpt dirigisme, utilitaire kunst, de (stijl waarin de) diktatuur van het proletariaat (wordt uitgeoefend) en negeert edelmoedige ideeën die aan het "wij" ten grondslag zouden kunnen liggen. Het sociale aspekt verwaarloost hij overigens globaal. Bij zijn revolutionaire visie is men geneigd aan vormen van libertair-socialisme te denken; anderzijds lijkt het wel of hij een ganse europese orde wil verwerpen,


SF-MAGAZINE P. 17 inklusief kristendom en marxisme, en andere horizonten voor ogen had (zie zijn geloof in het provinciale Rusland - de wereld achter de muur - en misschien zijn herwaardering van Attila ... ?). Mogen wij aannemen dat het de bedoeling was van de schrijver een aantal teoretische stellingnamen door extrapolatie te weerleggen, dan deden zich ondertussen in de U.S.S.R. echter een aantal feiten voor die Zamjatin's "WIJ" een bijkomende dimensie hebben verleend, doordat men in dit werk een voorafbeelding heeft willen zien van de latere personencultus, de Moskouse processen en zo meer. Het is betrekkelijk eenvoudig (en ook wel indrukwekkend) de schrijver een profetische visie toe te schrijven en te stellen dat hij reeds in 1920 de excessen had voorzien waartoe de persoonlijke macht later zou leiden of, indien men de begane fouten niet tot ĂŠĂŠn persoon wenst terug te brengen, omdat hij alleszins de latente gevaren had aangevoeld die de evolutie van de toestand reeds op dat ogenblik inhield. Ik zou hier wel enig voorbehoud willen maken. Het is toch zo dat totalitaire excessen niet uitsluitend in de U.S.S.R. vielen waar te nemen en dat bv. in 1937, aan de andere zijde van Europa, een aantal fascistische diktaturen allerhande voorbereidingen maakten waarop wij hier niet hoeven in te gaan, hoewel, en daar wilde ik vooral op wijzen, zij alle principes welke aan de U.S.S.R. eigen waren juist 100 % verafschuwden ... Een fenomeen dat overigens nu nog kan vastgesteld worden. Verder houdt een "profetische" interpretatie van "WIJ" in dat, vertrekkend van een aantal teoretische programmapunten en ordewoorden, waarvan het "WIJ" van de Proletkult een exponent was, de verdere evolutie, die we daarnet aanhaalden hetzij noodzakelijk, hetzij onvermijdelijk was; juist daaruit dialectisch diende voort te vloeien ... Wellicht minimaliseert men daarbij zekere andere oorzaken, vooral als men ziet waartoe deze laatste in een strijdige kontekst reeds hebben geleid. In deze samenhang begrijpt men dat Zamjatin's tijdgenoten, althans de leidende teoretici wie dit noodzakelijk verband zeker niet als een axioma voorkwam, zijn werk inderdaad schokkend hebben aangevoeld. Laten we "WIJ" misschien juist daarom niet al te tijdsgebonden opvatten, maar er een meer algemene waarschuwing in zien, en wel in het bijzonder tegen een aantal vormen van massa-manipulatie en misbruik van de media. In dat opzicht en in vele andere, blijft het boek ongetwijfeld aktueel en stemt het ook nu nog tot ernstig denken. Bibliografie ************ "WIJ" verscheen te Amsterdam, bij de Arbeiderspers in 1970. Een Engelse vertaling is verkrijgsbaar bij Bantam (ref. 553-07271) Verder verscheen een bundel korte verhalen van Zamjatin in vertaling bij Meulenhoff, in 1969, onder de titel "Teken van Leven". Citeren we, in Engelse vetaling nog : "The Dragon : fifteen stories by J. Zamjatin" (N.Y. 1967) "A Soviet heretic : essays by J. Zamjatin" (Chicago, 1972) "The life and works of J. Zamjatin" (Alex M. Shane, Berkeley, 1968)


SF-MAGAZINE P. 18

Alexej Tolstoj bekleedt een voorname plaats niet alleen in de Russische literatuur in 't algemeen maar ook in de Sovjet-literatuur. Hij liet ook een bijzonder omvangrijk en verscheiden oeuvre na, dat nu druk wordt gelezen, al is de waarde ervan vaak wat ongelijk. Een eerste vaststelling die men doet bij het benaderen van werk en auteur, is dat beiden een kontinu誰teit hebben gespannen tussen de negentiende-eeuwse Russissche literatuur, zoals wij die kennen van Poesjkin, Tolstoj of Tourgenjev, en de specifieke Sovjet-literatuur van onze dagen. Een vrij zeldzaam verschijnsel, aangezien de oktober-revolutie, al op zovele gebieden, ook op literair een breuk veroorzaakte, tussen oud en nieuw, ware het alleen maar door het verstoren van de gehele gevestigde struktuur van het literaire leven, met zijn mondaniteiten, zijn kringen en zijn afzetgebied in gespecialiseerde en zorgvuldig uitgegeven tijdschriften. Een tweede konstatatie is dat we in die kontinu誰teit zeer precies de evolutie van de idee谷n in die zelfde periode weervinden. Continu zijn het verhalende realisme, de brede fresco's, de verbondenheid met het volk en die behoefte zijn lijden en verwachtingen te vertolken; evolueren doen zijn onderwerpen, zijn visies en de geest van zijn werk. Alexej Tolstoj was inderdaad heel nauw met zijn tijd verbonden. Als zoon van een graaf groeide hij op in het goevernement Samara, op een klein landgoed bij de Volga. Zijn moeder, een Toergenjev van afkomst en vaag verwant met de schrijver van de zelfde naam, genoot bekendheid als schrijfster van romans en kinderboeken. Ook zijn stiefvader had een verstrekkende intellectuele en kulturele belangstelling, en beiden zouden hem aanzetten het literaire pad te kiezen. De eerste resultaten waren echter eerder teleurstellend en Tolstoj ging dan de ingenieursgraad halen, eerst te Sint-Petersburg en later te Dresden. Toch onderhoudt hij kontakt met de literatuur, onder meer met de leidende symbolische dichters van de periode om de eeuwwisseling. Op dat ogenhlik had een gedeelte van de kunstzinnige wereld in Rusland inderdaad het realisme de rug toegekeerd om, zoals Zelinski zegt, onder invloed van het zoete gif van dekadentie en pessimisme liefdevol Baudelaire's "Bloemen van het Kwaad" te kultiveren in literaire tijdschriften en in de zwoele serres van modieuze literaire kringen. Deze dekadente geest vinden we ook terug in het werk dat Tolstoj geleidelijk begint te publiceren : een dichtbundel in 1907, verhalen en romans vanaf 1910, toneelwerk vanaf 1913. De personnages die hij beschrijft evolueren in de kringen van de arme landadel van die jaren, geru誰neerde aristokraten, fuifnummers, spelers en zo meer, of ook in het milieu van de ontwortelde intelektuelen, die hun wanhoop omheen de wereld dragen en het zinloze van hun bestaan illustreren. Maar Tolstoj schrijft bijzonder vlot (hoewel soms wat schematisch); hij kan aangrijpend vertellen en weet zijn figuren kleurrijk af te schilderen, bijwijlen naar het groteske toe, en spoedig heeft hij zich een behoorlijke reputatie verworven.


SF-MAGAZINE P. 19 Tijdens de eerste wereldoorlog vinden we hem aan het front als korrespondent van een Moskou's blad en geleidelijk evolueren daar zijn visies; deels onder indruk van het gewelddadig gebeuren, deels door kontakten met de gewone soldaat. Vooral het idee van een heropstanding van het Russische volk zal in zijn latere boeken verder rijpen. Dan komen echter de gebeurtenissen van 1917. Entoesiast begroet hij de februari-revolutie van Kerinski, maar de Oktober-revolutie lijkt hem de ineenstorting van al zijn ideeën in te houden. Daarom vinden we hem in 1918 in Parijs terug, waar hij artikels laat drukken in anti-kommunistische émigré-tijdschriften. Toch mist hij zijn vaderland en reeds in 1921 sluit hij zich te Berlijn aan bij de "Na Kanoen" groep ("Op de vooravond ..."), die een algemene verzoening betracht en kontakten legt voor een terugkeer naar de U.S.S.R. In 1923 keert hij dan terug. Toch zal nog enige tijd verlopen vooraleer hij in de Sovjet-maatschappij werkelijk zijn weg gevonden heeft. Uit deze periode dateren een aantal anticipatie-werken, waaronder "Aelita", dat onmiddellijk als dé Russische SF-klassieker zou gaan gelden en reeds in 1924 werd verfilmd, nauwelijks twee jaar nadat het te Berlijn was gepubliceerd. De ingenieur Loss plant een expeditie naar Mars, met een ruimteschip dat door hem is ontworpen en gebouwd. Als reisgezel krijgt hij tenslotte alleen Goessev, een harde, listige volksmens, die zijn sporen heeft verdiend in de revolutionaire strijd in de verstafgelegen hoeken van de Sovjet-Unie. Wanneer beiden op Mars landden, treffen ze daar echter sporen aan van belangrijke kulturen, en een volk dat zich van zijn naderend einde bewust is. Zij worden gehuisvest bij Aelita, die de dochter is van Toeskoeb, leider van de "Raad van Ingenieurs" en praktisch ook de diktatoriale heerser over de planeet. Loss - aarzelend, individualistisch - wordt steeds sterker tot Aelita aangetrokken. Maar Goessev van zijn kant gaat op speurtocht uit, en aan de hand van een soort televisiescherm ontdekt hij de ware toedracht van heel wat zaken : de Martiaanse werkers leven ondergronds en in mensonwaardige omstandigheden, Toeskoeb heeft in zijn "Parlement" met een sterke oppositie af te rekenen en - vreemd genoeg - spelen beide aardemensen in dit politieke gebeuren een rol, die buiten verhouding ligt tot hun aantal. De verklaring hiervan krijgt Loss in een tweetal betrekkelijk lange uiteenzettingen van Aelita : in werkelijkheid zijn de leidende kasten van de Martiaanse bevolking overlevenden van Atlantis, die voor de ondergang van hun rijk naar Mars waren ontkomen en zich daar met de plaatselijke bevolking hadden vermengt. Het idee van redders die van de aarde zouden komen om de stervende bevolking nieuwe kracht te schenken, is echter levendig gebleven en de oppositie, die wordt geleid door Gor, hoopt de "Zonen van de Hemel" voor haar zaak te winnen, wat vanzelfsprekend grote indruk op de bevolking zou maken. Toeskoeb daarentegen plant de vernieling van de steden en een "einde in schoonheid" voor de overlevenden. Wanneer hij kans ziet zal hij dan ook beide ruimtevaarders zonder veel omhaal laten omkomen. Een en ander volstaan Goessev natuurlijk ruimschoots om zich aan de zijde en er weldra de leiding op te nemen van de oppositie, een opstand uit te lokken tot bevrijding van de onderdrukte werkers en het regime na een aantal spektakulaire akties de val nabij te brengen. Hij droomt reeds van een aansluiting van Mars bij de Sovjet-Unie, omdat hij nu een-


SF-MAGAZINE P. 20 maal toch niet met lege handen terug kan komen. Hoewel hij Loss kan bewegen de revolutionairen te vervoegen en Aelita de bevelen van haar vader weigert uit te voeren als deze haar gebiedt de "Zonen van de Hemel" om te brengen, zal de aktie toch niet met sukses worden bekroond, en zullen beide mannen hals over kop terug de ruimte in moeten vluchten. Loss, die juist zijn eerste liefdesnacht met Aelita achter de rug heeft, vermoedt dat zij ter dood werd gebracht wegens het verbreken van haar zuiverheidsbelofte, maar wanneer hij reeds enige tijd in Petrograd terug is, wordt hij door Goessev opgehaald om naar radiosignalen te luisteren, die van de rode planeet afkomstig zijn. En vanuit de ruimte komt de melancholische stem van Aelita tot hem, de stem van de liefde, de stem van de eeuwigheid ... "Een heel goed geschreven roman en een origineel literair werk, dat volledig tegemoet komt aan de smaak die de hedendaagse lezer vindt in buitengewone avonturen ..." schreef Gorki. Toch roept nu de lezing van "Aelita" een aantal bedenkingen op. De verwantschap met soortgelijke werken is frappant : ik denk aan de verschillende Atlantis-teorieën die toendertijd in omloop waren (Pierre Benoit), Burroughs, Martiaanse prinsessen, en meer algemeen aan Wells en Verne. Op zichzelf is een hernemen van deze tema's natuurlijk geenszins te verwerpen, maar het is wel zo dat de geloofwaardigheid van het verhaal, vooral betreffende de erin verdedigde ideeën, geschaad wordt door een teveel "van het goede" : zaken die losweg worden bijgevoegd, niet helemaal of helemaal niet doorgedacht of uitgediept worden, andere die er haast voor de vorm werden bijgesleurd : de weddenschap met de Amerikaanse journalist, bv. die ik als een overbodige reminiscentie van Phileas Fogg ondervond. Ook op het gebied van de maatschappelijke ideeën heerst in dit boek als het ware onbehoorlijke verwarring. Als ingenieur verwerpt Tolstoj een vorm van technokratische diktatuur en hoewel hij, temeer hij in 1922 dit boek schreef, nog tot de Berlijnse émigré-kringen behoorde, wordt Goessev's revolutionaire aktie uitdrukkelijk als een ophefmakende sociale omwenteling beschreven, waarbij herhaaldelijk naar "Oktober" wordt verwezen ... Goed. Maar toch halen Toeskoeb's mannen het, en wanneer we iets dieper op de figuur van Goessev ingaan, merken we, afgezien van bepaalde Sancho Panza-trekken, dat zijn opstandigheid bijna als iets irrationeels wordt uitgebeeld en dat hij eerder uit verveling tot opstand komt ... Mijns inziens dienen we Tolstoj's overtuiging in dit stadium dan ook maar nationalistisch te interpreteren, met lichte anarchistische tonen. Net als het esoterisme van de in de roman verwerkte Atlantis-mythe blijft dit alles ondiep en ergens onbevredigend. Nu is een en ander naar mijn mening terug te brengen tot het vakmanschap van de schrijver, die het genre misschien te vakkundig beheerste, en dit boek dan ook naar alle waarschijnlijkheid heel vlot heeft geschreven zonder zich al te veel vragen te stellen. Ook stylistisch wordt de lezer herhaaldelijk getroffen door kleine slordigheden, schematische paragrafen of plots uit het niets opduikende elementen. Geen overkomelijke bezwaren voor een licht verhaal, zegt men terecht, in de mate waarin "Aelita" een licht verhaal is; en indien zij zich misschien een ietsje overleefd heeft, dan houdt haar sensuele persoontje voor wie wil luisteren naar de stemmen van oneindigheid en verloren liefde een zekere nostalgieke charme in.


SF-MAGAZINE P. 21 Kort daarop, in 1926, publiceerde Tolstoj een tweede anticipatie-roman, die hij nog driemaal zou herwerken, tot in 1937, onder de titel "Giperboloid Inzjenjera Garina" ("De dodenstraal van ingenieur Garin", of "Garin, de diktator"). Garin was een amoreel wetenschapsman, die droomt van een wereld, waarin een scheppende kaste heerst over een robotachtige massa, gespeend van gevoelens en ideeën en uitsluitend voor werk en voortplanting dienstig is. Intriges en opstanden, kernenergie een een "dodende straal", industriëlen en volksmassa, zijn de ingrediënten van wat Darko Suvin een anti-imperialistisch en anti-fascistisch werk noemt. Aangezien ik dit boek niet heb gelezen kan ik er ook niet op ingaan, evenmin als op "Zeven dagen waarin de wereld werd beroofd". In dit laatste boek beschrijft Tolstoj een Amerikaans industriële groep, die de ganse wereld in zijn macht zoekt te krijgen door schrik en chantage, bombardementen en zo meer, en ook door bij wijze van demonstratie, de maan te laten ontploffen. Tenslotte wordt ook deze diktatuur weer omvergeworpen. Over de rol van de visionair in onze samenleving handelde Tolstoj in "Azuren Steden" (1925), waarin de jonge kommunist Boezjennikov zijn plannen voor wonderlijke nieuwe Steden, die hij met zijn vrienden na de burgeroorlog zal bouwen met de werkelijkheid konfronteert. Het is kentekenend voor de enorme werkkracht die Alexej Tolstoj aan de dag legde, dat voormelde werken en romans slechts een episode in zijn leven uitmaken; een detail waar we ons als het ware met een vergrootglas hebben gebogen. Mettertijd werkte hij zich inderdaad op tot een van de belangrijkste schrijvers van zijn tijd, auteur, dramaturg, journalist, academicus en afgevaardigde bij de opperste Sovjet. Toen hij in 1945 overleed liet hij meer dan twintig toneelwerken na, waaronder "Iwan de verschrikkelijke" en een lijvig oeuvre, waaruit vooral zijn twee meesterwerken dienen onderstreept nl. de drie delen van "De Lijdensweg" en "Peter de Grote". In de drie delen van "De Lijdensweg", nl " Zusters", "Negentienachttien" en "Een sombere morgen", waar hij meer dan twintig jaar aan werkte en pas in 1941 de laatste hand legde, schildert Tolstoj de moeilijkheden die Rusland doormaakte van 1900 tot 1930 en de "lijdensweg" die zijn volk aflegde, omwille van de vrijheid en de waardigheid. In de trilogie gewijd aan Peter de Grote, waarvan het derde deel echter onafgewerkt bleef, gaat hij uitvoerig en kleurrijk in op deze autoritaire en gekontroverseerde heerser en dienst pogingen zijn land te verheffen. Hoewel de schrijver waarschuwde tegen het zoeken van parallellen en met de dertiger jaren houdt "Peter de Grote" niettemin de resultaten in van een diepgaande overwegingen omtrent de zin en tragiek van het bouwen van een nieuwe staat. Biografie ********* Aelita. Editions en langues étrangères, Moskou. Deze uitgeverij verzorgde verder ook een vertaling van het driedelige " Le chemin des Tourments" van dezelfde auteur.


SF-MAGAZINE P. 22

Mikhaïl Boelgakov, die naar het einde der twintiger jaren, ook in het westen, een relatieve bekendheid genoot, diende in zekere zin in de loop van de laatste jaren herontdekt. Zowel in de U.S.S.R. zelf als in het buitenland wordt hij nu een der belangrijkste Russische schrijvers van deze eeuw genoemd, maar deze erkenning kwam slechts na een letterkundige ongenade, die omstreeks 1929 inzette en tot lang na zijn dood voortduurde. Zijn romans en novellen werden in die periode niet meer uitgegeven of niet meer verspreid en zijn toneel werk, dat nochtans bijzonder populair was, werd nog, na veel moeilijkheden, in beperkte mate terug opgevoerd. Hij werd in 1891 te Kiev geboren, in een gezin van zeven kinderen, studeerde en beoefende een tijdlang de geneeskunde (venereologie), zwierf rond in de moeilijkste jaren na de revolutie en vestigde zich tenslotte te Moskou, waar hij door meer journalistisch werk in zijn onderhoud voorzag (’21). Zonder van dit werk te houden, was hij ondermeer verbonden aan het blad "Gudok" (de Stoomfluit) van de Bond van Spoorwegarbeiders, dat in die periode veel nieuw literair werk bracht en zeker meer was dan enkel maar een vakorgaan. Hij publiceerde enkele novellen, waarin hij zijn kritiek niet spaarde op bureaucratie en journalistiek en andere naar zijn zin minder gelukkige aspecten van de NEP. Hierbij horen beide fantastische werken, waar we verder op in zullen gaan : "De noodlottige eieren" (1924) en "Hondehart" (1925), doch dit laatste werk verscheen, voor zover ik kon nagaan niet in boekvorm in de U.S.S.R. Van 1925 dateert ook "De Witte Wacht" dat het volgende jaar, onder de titel "De Dagen van de Turbins" in toneelversie werd opgevoerd en zijn auteur de bekendheid bracht. In dit werk behandelt Boelgakov de periode van burgeroorlog en buitenlandse interventie die op de revolutie volgde en dit, eigenzinnig genoeg zou ik zeggen, vanuit de optiek van zg."Witten". Impliciet hield dit een zekere stellingname in tegen de meer stereotiepe verbeelding van deze groep, die in die jaren haast uniform als bloeddorstig en reactionair werd gebrandmerkt. Vergeten we niet dat deze binnenlandse strijd nog slechts een vijftal jaren achter de rug was en dat in het buitenland nog druk werd gecomploteerd tot omverwerping van het soviet-regime. Boelgakov’s personages zijn vaak mensen die de " gebeurtenissen" ondergaan en om hen heen hun wereld zien ineenstorten. Het is vooral dit diep-menselijk aspekt en de echtheid van de getoonde reakties (onlangs werd aangetoond hoe de schrijver in de "Witte Wacht" veel authentieke jeugdherinneringen had verwerkt) die na een zekere aarzeling het werk zowel door literaire officiëlen als publiek deden aanvaarden en het zelfs tot een sukses maakten. Van dezelfde periode dateren ook nog "De Vlucht" en "Het Purperen Eiland", die een zekere weerstand opnieuw aanwakkerden en tenslotte scherpe kritiek uitlokten. Een en ander zal de RAPP, wanneer deze aktief in het litteraire leven zal ingrijpen (1929), aanleiding geven tot felle stellingnamen tegen de auteur en tot het schorsen van de opvoeringen van zijn werk.


SF-MAGAZINE P. 23 Het mechanisme van deze reactie is gecompliceerd en voor wie geneigd zou zijn hier te snel van "stalinistische repressie" te spreken, zou ik in dit verband het verwarrende feit willen aanhalen dat uit de archieven van het Moskouse kunsttheater is gebleken dat Stalin zelf het stuk "De Dagen van de Turbins", waarvan de vertoning nu werd stopgezet, niet minder dan vijftien maal had bijgewoond ... Net als Zamjatin is het ook Stalin zelf dat Boelgakov zich in 1930 met een persoonlijke brief wendt om dit "literaire doodvonnis" aan te klagen. Een tussenkomst van Gorki bracht een zekere kentering teweeg maar niettemin trad voor de auteur een moeilijke en obscure periode in, waarvan wij een echo waarnemen in verschillende werken die nu werden gepubliceerd, doch toen niet werden uitgegeven. Pas na een nieuw beroep op Stalin en een aantal coupures werden de "Turbins" in 1932 terug op het repertoire van het MKT genomen; een nieuw stuk, "Molière", werd in 1936, na vier jaar complicaties allerhande, eindelijk in regie van Stanislavski opgevoerd doch verdween praktisch onmiddellijk van de affiche. Een belangrijk thema in Boelgakov's werk werd in die periode inderdaad het conflikt tussen kunstenaar en gevestigde macht en de bedoelingen die hij had bij het in beeld brengen van de laatste jaren van deze 17e-eeuwse toneelauteur, die in vele opzichten een voorbeeld voor hem geworden was, ontgingen niemand. Deze moeilijkheden vormden de aanleiding tot het schrijven van "Zwarte Sneeuw" (in 1965 verschenen onder de titel "Een Theatrale Roman"), waarin onder weinig verhullende namen Stanislavski en een aantal personen, die betrokken waren bij het schrijven van de "Witte Wacht" en de omwerking hiervan voor het toneel werden te kijk gesteld, en ook tot Boelgakov's ontslagname bij het MKT waar hij sinds een tiental jaren zelf werkzaam was. Daarna werkt de schrijver voor het Bolshoï-theater : hij schrijft nog het bekende "De Meester en Margarita" (in 1966 verschenen en inmiddels overal vertaald en ook, in 1973, in Frankrijk verfilmd); doch wordt in september 1939 blind en sterft op 10 maart 1940, een zevental maanden later. Vermelden we nog "Don Quichote" en "Poeschkin" bij de veertien toneelwerken die hij naliet, en een bijzonder vlotte en geestige biografie van zijn model "De Roman van Monsieur de Molière". Wij moeten ons hier tot de anticipatie beperken : stilistisch zouden we Boelgakov in dit verband, vooral voor wie slechts oppervlakkig met Russische letterkunde vertrouwd is, enigszins met N. Gogol kunnen vergelijken : dit werk heeft een sterk satirische inslag, die wordt getemperd door een humor die -zonder de scherpste zijden van zijn luciede en soms bittere kritiek volledig af te ronden- de leesbaarheid van zijn boeken, ook na een vijftigtal jaar, integraal bewaart. Ook de kennis welke Boelgakov van toneeltechniek had en de daaruit voortvloeiende vaardigheid in dialoog en situering van zijn personages dragen tot een vlotte en aangename lektuur bij. De verwantschap met Gogol, welke we zojuist aanhaalden, blijkt overigens overduidelijk uit een aantal kortere teksten, die meer in het fantastische thuishoren en waarop we hier niet zullen ingaan, nl. "Duivelswerk" en "De Avonturen van Tchitchikov". Vooral in eerstgenoemd werk, dat als ondertitel draagt : "Hoe een tweeling de ondergang van een sekretaris veroorzaakte" wordt in een vreemde wirwar van gebeurtenisuen het ambtelijk bestaan op de korrel genomen.


SF-MAGAZINE P. 24 Noch "De Noodlottige Eieren", noch "Hondehart" zijn uitdrukkelijk politiek getinte werken. Beide zijn evenwel precies gesitueerd in het Moskou van de eerste decade na de omwenteling en noemen bij name de verschillende administratieve en officiële instanties, waarmede hun wetenschappelijke protagonisten af te rekenen krijgen. In beide romans zijn dit professoren van het klassieke pre-revolutionaire type, die zich slechts schoorvoetend aan de nieuwe strukturen hebben aangepast. Een komisch element (maar de vraag is wel in welke mate ?) vormen juist hun humeurige uitvallen tegen al die veranderingen en al die onbekwaamheid, kortom tegen "heel die geschiedenis" die hun isolement is komen verstoren en hun werk komen dwarsbomen. Bij de aanvang van "De Noodlottige Eieren" klinkt zelfs iets als tragiek door. Professor Persikov is een zoöloog met een voorliefde voor batracheeën. Zijn echtgenote is er, in 1913, met een tenor van door gegaan en naar het einde toe van het boek verneemt hij haar overlijden. Bij het uitbreken van de revolutie overweegt hij een ogenblik het land te verlaten, maar hij blijft, om zijn werk en zijn verzameling zeldzame dieren ten gronde te zien gaan. "Hoestend en met een plaid om zich heen staarde hij in de vlammende mond van een oven die Maria Stepanova met vergulde stoelen vulde en dacht aan zijn pad uit Suriname". De verwarmingsmoeilijkheden in de jaren van het "oorlogscommunisme" en de ondergang van herenhuizen duiken regelmatig op in Boelgakov's satirisch werk. Zie bv. ook het verhaal "Arbeiderscommune Elpite nr. 13", dat men in de Marabout-uitgave van "Les Oeufs Fatidiques" werd opgenomen. 1922 brengt echter een kentering : een nieuwe assistent, kursussen en leerlingen (die echter met verbetenheid worden gebuisd ...), nieuw materiaal en vooral nieuwe amphibieën. Dan anticipeert Boelgakov naar 1928 : op een dag ontdekt Persikov toevallig dat een bepaald onderdeel van elektrisch licht, uiteraard een "rode" straal (!) ongehoorde ontwikkelingen veroorzaakt bij kikkerbroedsel. Hij kan ternauwernood het hoofd bieden aan een overweldiging door monsterachtig grote en aggressieve kikvorsen. Daarop bouwt hij een groter toestel en bestelt zich langs "bevoegde" weg een voorraad anaconda- en struisvogel eieren. Hierop volgt echter een nieuwe invasie, ditmaal van journalisten, die onmiddellijk van de "levensstraal" gaan spreken en hem zaken in de mond leggen, die hij helemaal niet heeft gezegd, of althans zeker niet onder die vorm. Hij wordt een beroemdheid die zelfs door buitenlandse agenten wordt benaderd. Meer dan voldoende gelegenheid, voor de schrijver, om een aantal vertegenwoordigers van pers en volkscommissarissen geducht te hekelen. Een nieuw element doet zich voor wanneer een hoenderziekte alle kippen van de U. S.S.R. doodt. Een verdienstelijk man, die echter de naam Rokk (= noodlot) draagt, stelt de overheden voor bebroede kippe-eieren in te voeren en met Persikov's straal te behandelen. Zo verhuizen diens toestellen, ondanks hevig protest, naar een sovkoze in de omgeving van Smolensk.


SF-MAGAZINE P. 25 Maar wanneer Persikov's bestelling anaconda-eieren per vergissing in de sovkoze belanden en Rokk's kippe-eieren bij de professor, loopt natuurlijk alles in het honderd. De plaatselijke authoriteiten kunnen de honderdduizenden enorme reptielen, die zich bovendien aan een hels ritme voortplanten, niet overmeesteren; het leger, met zijn elektrische pistolen, al evenmin. Zelfs de luchtmacht staat machteloos en slechts wanneer Moskou zelf op het punt staat overweldigd te worden zal een plotse, providentiële koudegolf (-18°) in augustus (!) de dieren in twee nachten uitroeien. Ondertussen is Persikov echter, evenals zijn huishoudster, gedood door een woedende volksmassa, die meteen het hele instituut platbrandde. Komen in dit werk de hoogste authoriteiten ter sprake, het Kremlin, de geheime politie en meerdere volkscommissarissen (ministers), dan doet "Hondehart", dat een jaar jonger is, intimistischer aan. Paradoxaal in zekere zin is wel dat hoewel Boelgakov in dit werk, dat overigens niet in de U.S.S.R. werd uitgegeven, op sommige plaatsen behoorlijk op (bepaalde vertegenwoordigers van) de proletarische klasse scheldt, het boek toch dichter bij de mens staat, in zijn dagelijkse doen, dan het voorgaande. De echte hoofdfiguur is ditmaal een uitgehongerde, gekwetste straathond, die nochtans meent te weten wat in dit leven te koop is, maar die geheel onverwacht wordt opgenomen door Filip Filippovitch Preobrajenski, bekend chirurg en verjongingsspecialist. Er volgen heerlijke dagen en vooral veel "Krakau-worst". Preobrajenski heeft invloedrijke patiënten en geniet derhalve in deze bewogen periode immers een aantal voorrechten, waarvan de hond Boule meegeniet. Niet dat die voorrechten iedereen gelukkig stemmen. Wij zijn in Moskou, na de revolutie, en het ordewoord is toch "proletarische solidariteit" ? Zo heeft bv. het beheerscomité van het herenhuis waar hij woont plannen met betrekking tot de herverdeling van de zeven kamers waarover hij nog beschikt. Maar relaties zijn nu eenmaal relaties en de professor, die niet zo heel hoog met proletarïers oploopt, wijst hen de deur en weigert zelfs botweg bij te dragen om het lot van noodlijdende Duitse kinderen te verzachten. "Nooit werd hier iets gestolen," zegt hij zo ongeveer, "maar sinds deze geschiedenis begon, verdwenen alle overschoenen uit de hall, plus drie wandelstokken, een jas en de samovar van de portier. Van de centrale verwarming spreek ik nog niet eens. Er is een sociale omwenteling aan de gang en dus is centrale verwarming overbodig. En heeft Karl Marx traplopers verboden ?" "Economie ? Ze hoorden eerst met het hoofd tegen een muur te stoten, te maken aan hun zinsbegoochelingen, dan op te houden met hun gezang werk te gaan. Mensen die tweehonderd jaar op Europa ten achter zijn zelf hun broek te knopen ! En dit is niet eens contra-revolutionaire woon gezond verstand !

om een einde en aan het en onbekwaam taal : ge-

"Wat een spreker" denkt de hond. "Maar de dokter heeft plannen met hem en wanneer een "donor" wordt gevonden verricht hij met zijn assistent Bormental een transplantatie van menselijke hypofyse en geslachtsorganen op zijn beschermeling om na te gaan waarin de persoonlijkheid schuilt. Wonder boven wonder overleeft deze het nog ook : hij groeit geleidelijk, verliest een deel van zijn haren en gaat meer en meer op een kleine gedrongen kerel


SF-MAGAZINE P. 26 lijken. De eerste woorden welke hij spreekt brengen echter reeds de ontgoocheling : de "donor" was een "echt" proletariër en Boule herhaalt voor zichzelf zowat alle vloeken en obsceniteiten van de Russische taal. En naarmate hij verder "mens" wordt, betert het er helemaal niet op; hij kleedt zich opvallend, gebruikt bijna uitsluitend onbetamelijke uitdrukkingen, gedraagt zich onbehoorlijk aan tafel, drinkt vodka als water en valt de huishoudster en haar dochter lastig ... Bovendien heeft het beheerscomité in het plots opduiken van deze figuur aanleiding gezien om het de dokter verder lastig te maken : administratief ontstaan immers allerlei complicaties. Zwijgen we dan nog over Boule's afkeer voor katten, die uiterst vervelende situaties schept. Strenge vermaningen van de dokter zijn woorden in de wind : integendeel, Boule, die zich nu Poligraf Poligrafovitch Boulle laat noemen (met dubbele l !), vindt een begrijpende vriend in de voorzitter van het comite, die hem Engels te lezen geeft en hem er zelfs toe brengt tegen zijn weldoener te getuigen. Hij ontdekt zijn ware roeping als hoofd van de dienst voor het opruimen van zwervende dieren. Onderverstaan katten, enz. ... "We nemen hun pels," rechtvaardigt hij zich, "en we maken er jassen van voor de arbeiders." Wanneer hij dan nog dagen wegblijft en opnieuw opduikt met een dame die hij zoekt te verplichten met hem bij de professor in te trekken, is de maat vol. "Mijn ontdekking heeft geen zin", zegt de professor, "waarom kunstmatig Spinoza's maken, wanneer om het even welke vrouw er op elk ogenblik ter wereld kan brengen ?" Samen met zijn assistent neemt hij dan ook radikale maatregelen en Boule wordt opnieuw "de beste vriend van zijn meester', die bewonderend kijkt wanneer deze zijn overplantingen verricht. Het is duidelijk dat in deze romans, naast de anecdote, waar we betrekkelijk uitvoerig op ingingen, andere interpretaties mogelijk zijn. Nochtans noemde ik deze werken "niet uitdrukkellijk politiek getint" en zou ik ze ook niet als "contra-revolutionair" willen bestempelen. Voornamelijk dan omdat Boelgakov, zoals ik hem zie, eerder een moralist is; niet in de zeurderige betekenis van het woord, maar in de misschien iets oudere betekenis van "wie de zeden van een bepaalde periode of van een bepaald milieu schetst". Al spreekt Boelgakov nu niet bepaald in idyllische termen over zekere vertegenwoordigers van de proletarische klasse, in "Hondehart", noch over de bedoening van deze mensen, dan is zijn satire m.i. alleszins niet éénzijdig : het volstaat Preobrajenski's gezeur over zijn bevuilde oosterse tapijten te plaatsen in de context van hongersnood en burgeroorlog, die op de revolutie volgde, om de draagwijdte van zijn zg. gezonde kritiek en van zijn levenservaring behoorlijk te relativeren. Eerder meen ik dat de schrijver zich in de eerste plaats richtte tegen onbekwaamheid en aanmatiging, en tegen diegenen die, aan beide zijden, van bewogen omstandigheden toch altijd weer gebruik weten te maken om een en ander naar hun hand te zetten, ook al hebben ze dan de ommekeer misschien niet aanvaard. Vanzelfsprekend is het een moeilijke zaak in bepaalde omstandigheden evenwichtig gedoseerde kritiek te (willen) brengen; een moeilijk aanvaarde zaak ook. Bepaalde wendingen en appreciaties zal in dergelijke samenhang een draagwijdte worden toege-


SF-MAGAZINE P. 27 schreven, die de schrijver er (misschien) niet had ingelegd. zijn bekend.

Andere voorbeelden

En kritiek op instellingen en strukturen wordt betrekkelijk eenvoudig geassimileerd met kritiek op het systeem, waar deze strukturen uit voorvloeien. Bij gebrek aan ander elementen is het wellicht beter ons niet verder op dit glibberig terrein te bewegen. Herhalen wij, met hier te nadrukkelijk op in te gaan, misschien niet de fout welke wij Boelgakov's censors toeschrijven ? Besluitend kunnen wij echter zeggen dat, wat dan deze stellingname van de precies ook ware, deze zijn herontdekking literair ruimschoots verdient. tirisch werk, en dan vooral "Hondehart", leest bijzonder aangenaam en ook 's andere, niet-anticipatie werk zal m.i. zelfs de verwende lezer bepaald rassen.

schrijver Zijn saBoelgakov nog ver-

Bibliografie ************ Van Boelgakov verscheen een vijftal werken in Nederlandse vertalingen, nl. "De Noodlottige Eieren" "Hondehart" "De Meester en Margerita" "Zwarte Sneeuw" "De roman van Mr. De Molière"

(?) (?) (Arbeiderspers, Amsterdam, 1968) (Arbeiderspers, Amsterdam, 1972) (Meulenhoff)

Verder verschijnt kortelings "Verhalen van een jonge arts". opnieuw bij de Arbeiderspers. In franse vertaling vinden we : "Les Oeufs Fatidiques" "Coeur de Chien" "Le Roman de Mr. De Molière" "Le Maître et Marguerite"

(Marabout, 452) (Gallimard, 309) (Folio, 378) (Robert Laffont)

In Engelse vertaling : "The Black Snow" "The White Guard" "The Master and Margerita"

(Penguins, 14003227.4) (Fontanta, 3153) (Fontana)


SF-MAGAZINE P. 28

Vladimir Majakovski, futurist. Hij droeg deze titel als een pamflet, een belijdenis. Het Russische futurisme verschilt sterk van het Italiaanse : aan de basis lag de bedoeling reeds anders : Een avond ontvluchten Majakovski en zijn vriend Boerlioek een Rachmaninov-concert : "Gesprek : de verveling van Rachmaninov bracht ons tot de verveling van het Instituut (voor Schone Kunsten), die van het Instituut tot de verveling die van de hele klassieke kunst uitgaat. Bij David de verontwaardiging en het ongeduld van de meester die vooruit is op zijn tijd, van mijn kant het pathos van de socialist, die overtuigd is dat het einde van de hele oude rotzooi niet meer te vermijden valt. Het Russische futurisme is geboren." (in "Ikzelf ... ", 1928) Wordt de naam ontleend, en daarop ook enkele poëtische beelden, dan ligt de evolutie van dit futurisme op een heel ander vlak. Het is moeilijk een kunstenaar aan te duiden in wiens werk de toekomst een belangrijker rol heeft gespeeld dan wel bij Majakovski; niet de evasie of de romantiek, maar de toekomst zelf. Zijn hele werk baadt in verwachting, en later in ongeduld : een messianische verwachting eerst, maar wanneer de geschiedenis zich eenmaal van hem meester heeft gemaakt, plaatst hij zijn toekomstbeeld heel precies - in een nieuwe mens, in een nieuwe staat, in een overwinning op de tijd, in een overwinning op de dood. Moeilijk ook een boeiender persoonlijkheid te noemen in de literatuur van deze eeuw, meen ik : zijn verschijning, de enorme aktiviteit die hij betrekkelijk korte tijd. aan de dag legde, zijn engagement en tenslotte zijn tragische dood treffen en intrigeren zelfs tezelfdertijd; zijn invloed ook, zowel op zijn tijdgenoten als op latere generaties. Zij die hem hebben gekend, heeft hij een onuitwisbare indruk nagelaten en in alle geschriften of memoires die de literatuur van de twintiger jaren behandelen duikt zijn monumentale gestalte - onontkoombaar - steeds weer op; anderzijds verzamelen zich nu nog duizenden voor de "poëzie-dagen" omheen de voet van zijn standbeeld, tegenover het Satirisch Theater, te Moskou en "Patroneert" hij als het ware, in het verblindende licht van de schijnwerpers, dichters als Jevtoesjenko, die zich uitdrukkelijk op hem beroepen. Een fascinerende verschijning, vol ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, die velen niet onmiddellijk begrepen hebben : enorm en zachtaardig, luidruchtig en afwezig, uitbundig en humeurig, speler en idealist, uitdagend en innemend ... "On croit encore le voir apparaître dans les rues de Moscou," herinnert zich Elsa Triolet, die hem persoonlijk kende en wiens zuster, Lili Brik, de echtgenote van Ossip Brik, Majakovski's blijvende liefde en bron van inspiratie was, " ... la tête toujours au-dessus des autres passants, sa tête magnifique ... aux longues joues creuses, à la forte mâchoire, aux yeux marrons ... des yeux de bon chien fidèle, pathetiques et doux, des yeux indifférents et infranchissables ..." "Tijdens zijn leven heb ik hem niet begrepen en ik meen dat velen hetzelfde kunnen zeggen ..." zegt Korneli Zelinski, de constructivist, (toch) ging van hem een


SF-MAGAZINE P. 29 magnetisch kracht uit : de aantrekking die hij uitoefende kwam voort uit een vermenging van overmoed, ridderlijkheid en revolutionaire zuiverheid, die hem zowel als mens als als dichter eigen waren ... Zijn ogen waren als meren van een andere wereld ... Hij was een ridder uit de legenden, en wij, de kinderen die met hem speelden ..." In "Vrijgeleide" ging Boris Pasternak iets nader op de psychologie van de schrijver in : "Bij hem werd het natuurlijke bovennatuurlijk. Meer dan wie ook uitte hij zich volledig in zijn verschijning ... Het was alsof hij steeds net een geestelijke ervaring kwam te beleven. Nochtans lag er een grote bedeesdheid aan de basis van zijn uitdagende houding, terwijl achter een geveinsde beslistheid een zwak karakter schuilging, een uiterste gevoeligheid en een onberedeneerde hang naar somberheid. De gele vest (die Majakovski in zijn futuristische periode als fabrieksmerk droeg) kan je op dezelfde manier verklaren." Majakovski werd als zoon van een boswachter geboren in 1893 te Bagdadi bij Koetajssi in GeorgiĂŤ. Dit stadje, niet zo heel ver van de huidige Turkse grens, draagt overigens nu zijn naam. Wanneer de vader ingevolge een infektie overleidt verhuist de familie (moeder en zusters) naar Moskou, waar ze door handarbeid aan de kost tracht te komen; door het beschilderen van houten paaseieren ondermeer. Maar zij kent bittere armoede. Dertien, veertien jaar leest Majakovski Jules Verne en Don Quichote, maar ook Hegel en de Marxistische klassieken en een jaar later wordt hij lid van de Bolsjevistische partij. In 1908 gaat hij kort na elkaar tweemaal in de gevangenis, de eerste maal als militant en propagandist, de tweede maal, voor elf maanden, omdat hij medeplichtig wordt geoordeeld aan de ontsnapping van een aantal veroordeelde vrouwen uit de gevangenis van Novinsk. In de gevangenis leest hij klassieke schrijvers en beseft hij dat hij de literaire en wetenschappelijke bagage ontbeert om een nuttig, oorspronkelijk, socialistisch kunstenaar te wordon. Wanneer hij vrijkomt zoekt hij hieraan te verhelpen door zijn studies terlug op te nemen, maar de enige plaats waar men hem toelaat zonder certifikaat van politieke betrouwbaarheid is het Instituut voor Schone Kunsten. Decoratie, schilderwerk, schilderkunst, maar ook reeds enkele gedichten. Daar volgt ook de ontmoeting met Boerlioek, die hem onmiddellijk tot een geniaal dichter proklameert, hoewel hij praktisch nog niets geschreven had. "Schrijf dan," zegt Boerlioek zo ongeveer, "of je maakt me belachelijk ..." Enkele jaren gaat het er in de futuristische beweging woelig aan toe : een periode waarin Majakovski deelneemt aan het manifest "Een kaakslag aan de smaak van het publiek", Klebnikov ontmoet, zijn eerste eigen werk publiceert, in het Luna-Park te St.-Petersburg zijn "Vladimir Majakovski : een tragedie" doet opvoeren (en hoort uitjouwen), kubistische schilderijen exposeert, "De Wolk met de Broek" schrijft en Rusland rondreist voor voordrachten en manifestaties, onder het waakzame oog van de lokale gezagsvoerders. De periode ook van de gele vest (die men hem zijn verdere leven zal verwijten) en van de dandy-uitrusting. Maar toch is het sociale element, en de tragiek, niet afwezig in het werk van deze periode. "Ik ben daar waar pijn is, overal", wordt een leitmotiv.


SF-MAGAZINE P. 30 Maar ook reeds die vreemde, heel eigen benadering van natuur en omgeving : "Luister ! Sterren worden aangestoken. Dat betekent toch dat ze iemand nuttig zijn !" Vooral wanneer de wereldoorlog zijn ware gelaat heeft getoond, reageert Majakovski heftig. Van de oorlogsjaren dateren het gedicht "Aan U !", gericht tot de confortabele burger, waarvoor anderen als soldaat anoniem hun leven geven, "Oorlog en Vrede", "De Oorlog en de wereld" (waaruit de militaire censuur ganse passages doet verdwijnen) en een aantal bijdragen tot Gorki's pacifistische publikaties. Verder ook "De Mens", waarin het basisidee van het latere "Mistero Buffo" reeds aanwezig is, namelijk het verschijnen van een menselijke messias-figuur, die, enerzijds de weg aangeeft naar een andere maatschappij en, anderzijds, de opstanding symboliseert van diegenen tot wie hij zich richt. Majakovski resumeert zich volledig in deze gepassioneerde drang het menselijke bestaan geheel te herbouwen en woorden als "volk", "geluk" en "vrijheid" vinden in zijn werk opnieuw een eerlijke, direkte weerklank. Terwijl anderen zichzelf vragen stellen, is Majakovski, in "Oktober" een van de eerste kunstenaars om zich aan de zijde van de revolutie te scharen. "Aansluiten of niet ? De vraag stelde zich niet voor mij (noch voor de andere futuristen te Moskou). Dit was mijn revolutie. Ik begaf me naar Smolni (het revolutionaire hoofdkwartier) en werkte mee aan om het even wat te doen viel." En dit omvat heel wat ! Affiches, propaganda, ondermeer de gekende "vensters" van het Russische telegraaf-agentschap "Rosta" waarvoor hij, samen met twee schilders, in ongeveer 1300 afbeeldingen de burgeroorlog verslaat, publiciteit voor staatsondernemingen als de Mosselprom, campagnes (ondermeer tegen het alcoholisme), kulturele tijdschriften (ondermaar in het kader van Proletkult), marsliederen voor het front, scenario's, ook voor films waarin hij zelf optrad, en zo meer ... Zijn Kulturele bagage ? Nu realiseert hij zich dat hij alles leerde "op de straat", tussen de mensen, en dat daar ook het essentiĂŤle ligt wat te leren valt. Hals over kop stelt hij zich ten dienste, ook voor de nederigste taken en voor het eenvoudigste rijmpje. Toch brengt hij in deze periode nog belangrijk literair werk voort. Bovendien, is men geneigd te zeggen, wanneer men voorgaande opsomming heeft overlopen. Beide versies van "Mistero Buffo" in de eerste plaats, een symbolisch toneelwerk in drie delen, waarin de bevrijding wordt getoond van de arbeidende klasse : wanneer zij tsaar en bourgeoisie van zich heeft afgeschudt, verschijnt haar "De Mens, eenvoudig", om haar een paradijs binnen te voeren, een beloofd land, waar zij zich met de instrumenten, en de produkten van haar arbeid verzoent. Een heroisch stuk, episch en satirisch; scenisch verwant aan het middeleeuwse mirakelspel en aan het volkse poppenspel, opgevoerd in een circus, in een regie van Meyerhold. Een en ander geeft voldoende de afstand weer tussen dit werk en het klassieke toneel ... Vervolgens het anonieme "150.000.000" : een lang dichtwerk dat de strijd verhaalt van het Russische volk, de 150.000.000-koppige Iwan, tegen de internationale grootmachten, verpersoonlijkt door Woodrow Wilson. "150.000.000 is de naam van de arbeider die dit gedicht schreef. Ritme : de kogel. Rijm : het vuur dat overslaat van gebouw tot gebouw. Ik spreek voor 150.000.000 ..."


SF-MAGAZINE P. 31 Het dichtwerk wordt aktie en proklamatie; verzen als slogans en een gevecht dat als een boksmatch wordt geschreven en waaraan zelfs - een opvallende prognose bakteriologische en ideologische oorlogsvoering te pas komt. Wanneer Wilson verslagen neerligt, huldigen, in een verre toekomst, komende generaties de overwinnaars. Het is meteen het eerste optreden, in Majakovski's werk, van de mens uit de toekomst, die het te bereiken ideaal vertegenwoordigt en het heden, vanuit zijn optiek, kommentarieert. Met de jaren zal zijn kommentaar echter kritischer en bitterder worden en in die zin loopt er een lijn doorheen Majakovski's werk, van "De Mens" tot "De Vlo" en "De Baden", welke kort voor zijn dood werden opgevoerd. Voorlopig zijn we echter nog een en al entoesiasme. Ziehier enkele fragmenten uit "150.000.000" in de vertaling van Elsa Triolet : "Une année suivie de zéros innombrables. Une fête, qui dans le calendrier n'a pas de rang. ... Peut-être est-ce le centième anniversaire de la révolution d'octobre, peut-être est-on, simplement, extraordinairement gai. Lançant les dirigeables sous la pente des cieux, par trains ... arrivent et se rangent les formations humaines. Gros de tête, auréoles de rouge, se rangent les Martiens arrivés de Mars. L'aéro saute dans les airs ... Et à nouveau, partant de planètes lointaines, les hélices s'éventaillent derrière le soleil. Les déserts sont lavés de la gueule du monde, les arbres féerisent tronc après tronc. Sur une plaçe de verdure, l'ex-Sahara, s'installe aujourd'hui la solennelle fête annuelle". De benadering is direkt, de illustratie ongekompliceerd; de revolutie wijzigt radikaal de verhoudingen tussen de mensen en brengt meer rede en meer rechtvaardigheid. Niet te verwonderen dat de bezittende klasse over heel de wereld ongerust reageert ! De strijd is dan ook hard, maar de overwinning laat geen twijfel en opent onvermoede perspektieven. Na de odyssea van de hongerjaren zullen allen samenwerken, in een vernieuwde geest, en een nieuwe wereld opbouwen, waarin zowel alles mogelijk wordt, het vruchtbaar maken van de Sahara als ruimtevaart of reanimatie. Haast didaktisch werk, waarin de "Martiaan" in naïeve kleuren, dezelfde rol vervult als de figuurtjes van de "Rosta". Na de jaren van het "Oorlogskommunisme" volgt een geleidelijke stabilisatie van het regime. Majakovski levert dagelijkse bijdragen aan de "Izvestia" en later ook aan


SF-MAGAZINE P. 32 de "Pravda", in de vorm van kommentaar bij hat politieke gebeuren, maakt verder publiciteit voor de staatsondernemingen - we zijn immers in de NEP-periode en ( tot zijn ongenoegen) zijn ook private ondernemingen op de markt - reist voortdurend in binnen- en buitenland en verzorgt voordrachten, korrespondentie en propaganda. Zowel in Rusland als in Frankrijk, de USA of Mexico worden zijn voordrachten overigens druk bijgewoond en geven achteraf aanleiding tot diskussies en controverse. In de U.S.S.R. is het gebruikelijk briefjes met vragen op het podium te werpen en Majakovski beantwoordt er zowat 20.000. Terecht kan hij er later bepaalde critici op wijzen dat hij zeker wel op de hoogte is van de reakties en van de wensen van het breedste publiek en dat zijn werk, naar hij uit eigen ervaring weet, niet zo duister is als hem wel wordt verweten. Ook hier heeft hij weer een merkwaardige reaktie : "De klassiekers (zegt men) zijn begrijpelijk voor de massa ... Is dit waar of niet ? Het is waar en niet waar. Poesjkin was enkel volledig begrijpelijk voor zijn klasse, voor de maatschappij wier taal hij bezigde en volgens wier begrippen en gevoelens hij werkte ... Wij weten niet of Poesjkin begrepen werd door de massa der boeren van zijn tijd, om de goede reden dat ze gewoon niet konden lezen. Maar de echte proletarische Sovjet-kunst (zegt men) moet begrijpelijk zijn voor de brede massa's ... Is dit waar of niet ? Het is waar en niet waar. Het is waar, maar met een verbetering aangebracht door de tijd en door de propaganda. De kunst is geen kunst voor de massa's vanaf haar geboorte : ze wordt een kunst voor de massa's als resultaat van een som aan inspanningen : haar kritische ontleding, haar verspreiding ... Het begrip van de massa's is het resultaat van onze strijd en niet het kaft, in hetwelk de gelukkige boeken van een of ander literair genie geboren worden ..." "Hoe groter de waarde van het boek, hoe meer het op de gebeurtenissen vooruitloopt", zegt hij ons nog, en hier vindt de anticipatie duidelijk haar plaats. Zolang we ons maar herinneren dat de toekomst geen abstrakt gebeuren is, geen "Volga die zich voortspoed naar de Kaspische Zee", maar een gegeven waaraan voortdurend dient gebouwd. In het literaire leven van de twintiger jaren situeert Majakovski zich zelfstandig, d.w.z. dat hij, met een aantal futuristen en andere kunstenaars, een zekere afstand neemt van de verschillende groeperingen (Russische schrijvers, proletarische schrijvers e.a.). De beweging die hij animeert, nl. de LEF (Later de "nieuwe LEF"), is een "links front", uitgesproken revolutionair, doch zonder de formele beperkingen die stilaan karakteristiek worden voor genoemde groeperingen. LEF huldigt zeer kategorieke standpunten : afwijzing van alle traditionele en niet-geĂŤngageerde kunstvormen, gewone fiktie, psychologie, lyriek, estetisme ... In die zin streeft zij zelfs het einde na van "kunst" als dusdanig, voorzover daar onder iets individualistisch wordt verstaan, dat wordt gebracht vanuit een ivoren toren. Voor haar beperkt zich de rol van de kunstenaar tot het omvormen van feiten tot een nieuw "produkt" dat het publiek tot een gesteld doel kan bewegen. Tot een "aktiveren". Agitatie, publiciteit, orde-woorden en journalistiek zijn de "kunstvormen" die passen in een samenleving die zich koortsig technisch uit bouwt.


SF-MAGAZINE P. 33 In "Hoe worden verzen' gemaakt", geeft hij in 1926 volgend voorbeeld van een goed gedicht. "Ik overdrijf nu gewild ... (maar) wat ik bv. een goed gedicht zou noemen, zou geschreven zijn in opdracht van het Komintern, op het thema van de overwinning van het proletariaat, in een nieuwe treffende taal, maar toch voor iedereen verstaanbaar, op een tafel die speciaal voor dit soort werk werd ontworpen, en zou per luchtpost aan de uitgever dienen verzonden. Ik herhaal "per luchtpost", want het engagement van het gedicht in het dagelijkse leven is een van de belangrijkste elementen van onze produktie." Formeel houdt Majakovski vast aan het futurisme, d.w.z. voor hem in de eerste plaats aan een nieuwe sensibiliteit : de moderne techniek treedt in de plaats van de natuur en de dichter richt zich tot de mens van de dertigste eeuw, eerder dan tot zijn eigen "ziel". Hij schrijft zijn verzen zoals ze dienen voorgedragen en hernieuwt voortdurend zijn woordenschat; vandaar de moeilijkheid zijn werk behoorlijk te vertalen : neologismen en woordspelingen lenen zich daar inderdaad weinig toe. Toch kan men zijn werk, met uitzondering misschien van enkele zaken uit de periode 1912-14 die een zekere inspanning vergen, zeker niet duister noemen. Nochtans heeft hij zich op dit vlak dienen te verdedigen en had hij regelmatig te kampen met onbegrip en zelfs met tegenwerking. Hij wist nochtans waaraan zich te verwachten en streed ook op dit vlak. Toch hebben deze moeilijkheden een diepere indruk op hem gemaakt dan tijdgenoten misschien wel meenden, en wel omdat - voor hem - meer dan formele punten werden aangeraakt, in de mate juist waarin hij zichzelf volledig had ingezet en het als het ware een gave van zichzelf was die verkeerd werd begrepen, bespot of afgewezen. "Mistero Buffo" werd pas opgevoerd na lange komplikaties en Lenin zelf vond "150.000.000" maar gekheid waarvoor een oplage van 1500 exemplaren ruim volstond. Meesterlijk werk als "Ik bemin" (1921) en "Hierover" (1923) werd te persoonlijk genoemd en over zijn persoonlijke leven werd dan ook druk geroddeld. Toch had Majakovski ook harsttochtelijke verdedigers, onder meer in de persoon van Loenatsjarski, en geleidelijk werd hij aanvaard als een der grootste Sovjetdichters. Wanneer hij nader kontakt met hen had gehad vatte Lenin sympathie op voor de jongere kunstenaars en voor hun werk en op een bepaald ogenblik loofde hij - tegen een zekere strekking in - nadrukkelijk het satirisch karakter van Majakovski's werk, vooral waar deze zich afzette tegen bureaukratie, eindeloze resoluties en zo meer. En hier raken wij de kern van de strijd van Majakovski's laatste jaren : revolutie is voor hem een manier van leven, een voortdurend dynamisch in de weer zijn, wars van oude vormen, van routine en sleur. Sleur (byt) en routinemensjes (obyvatel) ziet hij echter overal om zich heen veld winnen, terwijl arrivisten en profiteurs goede kansen en carrière maken in de instellingen van de nieuwe staat. Dit hindert hem meer dan iemand anders, omdat hij juist, zoals wij zeiden, alles aan de revolutie had geofferd, ook elke persoonlijke echo, tot hij er, zoals Pasternak het uitdrukte, organisch een mee geworden was. "Deze staat die in de geschiedenis zocht te treden ... de band tussen hen beiden was zo treffend dat ze tweelingen leken ..." In 1923 brengt hij - steeds op een anticipatief thema - "De Vijfde Internationale"


SF-MAGAZINE P. 34 en kort daarop "De Vliegende ProletariĂŤr". In 1924, na diens overlijden, zijn "Vladimir Ilitsj Lenin", en, na een aantal dokumentaire werken, in 1927, bij de tiende verjaardag van de revolutie, zijn "Chorosjo" ("Goed !"). Toch geeft hij hierbij te kennen dat hij een tweede dichtwerk plande, onder de titel "Het gaat niet goed !" en in vele werken die hij middelerwijl publiceerde komt wrevel tot uiting om zaken die fout lopen en aansporingen om "de toekomst uit het slop te halen". Wat is er dan gebeurd ? Eenvoudig : de "nieuwe geest", die de opbouw van het socialisme, na zijn materiele en militaire overwinning, zou begeleiden, komt minder en minder tot uiting : de permanente (geestelijke) omwenteling blijft uit, de revolutionaire storm is gaan liggen en de "filistijn toont weer zijn snuit". Politiek en persoonlijk. Balalajkas en romances, kanaries en geraniums, liefde op het eerste gezicht en tweepersoonsbedden hebben de revolutie overleefd, en anderen dringen zich nu, in naam van werkers en boeren, op de eerste rij. Wanneer allen wordt gevraagd een literaire inspanning te doen om de "grote sprong voorwaarts" van het eerste vijfjarenplan te doen lukken, zal zijn bijdrage er juist in bestaan deze misvormingen van het socialisme aan de kaak te stellen, en wel in toneelvorm, om wat hem op het hart ligt een brede weerklank te geven. Zo ontstaan "Klop" en "Bani", "De Vlo" en "De Baden", twee satirische werken, die respektievelijk in 1929 en in 1930 voor het eerst worden opgevoerd, beide in het theater van Meyerhold. Vanzelfsprekend, zouden we haast zeggen, projekteert hij zijn visie in de toekomst : Sovjet-burgers van latere generaties komen in beide werken arrivisten en bureaukraten "de bol wassen" en "op hun plaats zetten" en wel letterlijk en figuurlijk. De jonge arbeider Prissipkin in "De Vlo" meent dat hij voldoende gestreden heeft en dat hij nu het recht heeft te rusten "bij een kalme beek"; praktisch betekent dit dat hij zijn vriendin Zoja Berjozkina verlaat om zich te "verloven" met juffrouw Elzevira Renaissance, manicure en dochter van de eigenares van een kapsalon, wie enkele proletarische relaties niet ongelegen komen. Hij leert dansen en wanneer zijn kameraden met hem spotten, roemt hij de verdiensten van "een echtgenote, een huis en goede manieren", maar terwijl hij sentimentele liedjes zingt schiet zijn vroegere vriendin zich een kogel door het hart. Daarom werpen zijn vrienden hem aan de deur. "Maak jij een drukte, kerel, om je van je klasse los te maken !", zegt de vager bitter. Prissipkin laat zich dit alles echter niet aan het hart komen en huwt zijn manicure met goede manieren met groot burgerlijk ceremonieel, inklusief toespraak van de lokale partij-sekretarisch. Gekheid en dronkenschap doen nochtans brand ontstaan, en voor de brandweer iets kan ondernemen, komen allen in de vlammen om. "Stofwolken en alkohol, geen wonder dat de brand uitslaat", zegt het hoofd van de brandweer en in koor zingen de brandweerlieden het publiek toe dat "alkohol een ondeugd is en dat dronkaards de republiek in vlammen laten opgaan". Nu is Prissipkin echter niet omgekomen, zoals men dacht, doch gevat in een waterstroom van de brandweer, die naar de kelder afvloeide en daar onmiddellijk bevroor. En zowat 50 jaar later wordt hij opgegraven en naar een reanimatiecentrum overgebracht.


SF-MAGAZINE P. 35 Het idee van deze reanimatie is niet nieuw en reeds in 1923 had Majakovski dit thema aangeraakt in "Hierover". Een uitzetting over Einstein's relativiteitstheorie, waarvoor hij zich passioneerde, had hem namelijk in zijn overtuiging gesterkt dat vroeg of laat de tijd, en dus de dood, zouden kunnen worden overwonnen. "Ik wil mijn leven volkomen leven in alle nooit tot recht gekomen mogelijkheden ... ... noch door verrotting noch door stof belaagd, stralend van achter zich gelaten eeuwen verheft zich het atelier der menselijke reanimatie. Ziehier de kalme scheikundige met het brede voorhoofd, gerimpeld door ervaring. In het boek : "de hele aarde" kiest hij zich een naam. "De twintigste eeuw ... wie doen herleven ? Majakovski misschien ... Zoeken we briljanter mensen, zo mooi was hij niet, die dichter." Dan roep ik van hieruit, vandaag van deze bladzijde : "Blader niet verder ! Mij moet je reanimeren !" Zou de "scheikundige met het brede voorhoofd" bij de naam Majakovski waarschijnlijk niet hebben geaarzeld, bij de naam "Prissipkin" doet hij dat juist wel. Tenslotte wordt Zoja Berjozkina bijgehaald, die haar zelfmoordpoging, nu 50 jaar vroeger, toch had overleefd en als deskundig doorgaat voor de periode waarvan het subjekt afkomstig is. Prissipkin wordt gereanimeerd, samen met een vlo die met hem bevroren was geraakt. Spoedig wekt hij echter het wantrouwen van de wetenschappelijke wereld, wanneer hij, met zijn gitaar en zijn listige streken, een vreemde epidemie veroorzaakt in deze asceptische wereld van de toekomst : hij brengt leden van de medische staf aan het drinken, meisjes aan het dromen, rookt en vloekt en zo meer; kortom hij bezoedelt zijn omgeving en oefent een uiterst nefaste invloed uit op al wie hem benadert. Zelfs honden blaffen en spelen niet meer, maar doen kunstjes en likken de handen van de voorbijgangers. Als enige oplossing blijft hem op te sluiten in de zoo, met zijn vlo en zijn gitaar, postkaarten en drank. Bedienden van de zoo verkopen desinfekterende middelen, een ventilator verdrijft de kwalijke geur van het dier, bijzondere filters matigen zijn grove uitlatingen en nicotine en alkohol worden hem gegeven om hem ertoe te brengen te doen wat van hem wordt verlangd. "De vlo-normalis en de petit-bourgeois vulgaris; beiden treft men aan in de beschimmelde matrassen van de tijd", legt de directeur van de dierentuin aan de bezoekers uit, "de vlo voedt zich op het lichaam van de mens en valt dan onder het bed. De kleinburgerlijke arrivist voedt en bezuipt zich op het lichaam van de


SF-MAGAZINE P. 36 maatschappij en valt dan op het bed. Daar ligt het enige onderscheid ... Een rare vogel, die zich nestelde in opera- en theaterloges, Tolstoj voor Marx liet doorgaan, iedereen wist te charmeren, maar opgelet ! : vergeeft me de uitdrukking, die echter vuiligheid voortbracht in zulke hoeveelheden dat we nog moeilijk van een eenvoudige hinder kunnen spreken ..." Daarop richt Prissipkin zich rechtstreeks tot de toeschouwers in de zaal, waar hij zijns gelijken meent te ontwaren (!). "Kalmte", zegt de direkteur, "Het insekt is moe. Morgen zien we verder." In "De Baden" gaat Majakovski een hele stap verder en richt zich tegen de administratieve kaste en tegen de hele parasitaire en filistijnse fauna die in haar regionen vegeteert. Centraal staat de funktionaris Pobjedonossivov, die zijn omgeving met door de schrijver komisch misvormde ordewoorden tiranniseert; er is de ondoorlaatbare sekretaris Optimistenko, de pseudo-intellektueele meeloper Ivan Ivanovitsj, de korrupte boekhouder Notsjkin, Pobjedonossikov's maĂŽtresse, die werkzaam is bij de "kulturele betrekkingen met het buitenland" en tenslotte haar vriend, Mister Pont Kitsj, het type van de buitenlandse magnaat, wiens tussenkomst in het stuk zich beperkt tot korte interventies in een onverstaanbaar taaltje met Engelse accenten. Tegenover deze bende staan kameraad Pobjedonossikov's echtgenote (die hij omwille van zijn standing toch zo graag zelfmoord zou zien plegen), de afgedankte sekretaresse Underton, en vooral ingenieur Tsjoedankov en zijn jonge Komsomol-vriend Velosipedkin. Nu heeft de ingenieur een machine ontworpen die zich van het heden kan losmaken en dan in gelijk welke richting voortsnellen kan; een tijdmachine, die hij bij de aanvang van het stuk aan Velosipedkin voorstelt : "Een groots idee", zegt hij, "Onze geboorte wierp ons als boomstammen in de Vo1ga van de tijd en spartelend werden wij stroomafwaarts meegesleurd : wel, deze Volga is ons nu onderworpen. Ik zal de tijd dwingen stil te houden of voort te hollen, in om het even welke richting en aan het even welke snelheid. De mensen zullen van de dagen kunnen stappen als reizigers van een tramrijtuig of van een autobus. Met mijn machine kan je het ogenblik van geluk stilleggen en er een maandlang van genieten, als je dat wenst, tot je er genoeg van krijgt. Met mijn machine schudt je lange ongeluksjaren van je af ... Kijk, het vuurwerk van Well's verbeelding, Einstein's futuristische geest, de overwintering der dieren, de yogi's ... alles samengebracht, samengedrukt en door elkaar vermengd in deze machine ..." Maar het geld ontbreekt om grote experimenten uit te voeren en van Mr. Pont Kitsj buitenlands kapitaal wil Velospidkin natuurlijk niet weten. Dan maar naar het Bureel voor KoĂśrdinatie, maar daar zetelt Pobjedonossikov dan weer, konfortabel en onraakbaar, door wiens ogen je zeker het socialisme niet ziet, maar enkel inktpot en "presse-papiers". Een hopeloze zaak dus, zou je zeggen. Maar daar verschijnt plots, uit de toekomst, meer precies uit 2030, de "Forforiserende Vrouw", die voor 24 uur is overgekomen en met verbazing kennis neemt van een aantal plaatselijke wantoestanden. Haar opdracht bestaat erin voor het "Instituut voor de studie van het ontstaan van het socialisme" de waardevolste elementen uit 1930 naar haar tijd over te brengen, en vanzelfsprekend is Pobjedonos-


SF-MAGAZINE P. 37 sikov nu plotseling een en al aandacht ! En wanneer het ogenblik van het vertrek naar de toekomst is aangebroken wringt hij zich natuurlijk op de eerste rij, inklusief maĂŽtresse en reisvergoeding, verbaasd geen eigen coupĂŠ te krijgen. Dan komt de machine midden het geknal van vuurwerk op gang, maar spuwt bij haar vertrek Pobjedonnosikov en konsoorten genadeloos uit; prompt laten zijn satelieten hem dan ook in de steek, onmiddellijk reeds op zoek naar een ander "om hun respekt te betuigen". Opnieuw richt de hoofdfiguur zich dan tot het publiek : "Jullie, en de schrijver, wat bedoelen jullie hier nu mee ? Dat ik en mensen als ik ballast uitmaken voor het kommunisme ?" Het is zonder meer duidelijk dat het in deze werken niet om de plot gaat, noch om het psychologische drama. In zijn inleiding "Wat zijn deze "Baden" en wie wordt er geschrobt ?" stelt Majakovski dat het hier om "journalistiek" stukken gaat : daarom treden er geen mensen van vlees en bloed in op, maar geanimeerde tendenzen. De moeilijkheid en de zin van het hedendaags theater berusten juist in het levendig maken van agitatie, propaganda en idee, zegt hij. Toneelspelers hebben zich vaste rollen aangemeten ... en het toneel vergat hierbij dat het spektakel was ... Den zin van mijn werk is een poging het toneel zijn spektakulaire zijde te laten terugvinden : een poging van het podium een tribune te maken." Nu heeft "De Baden", in die zin, zijn ondertitel "Spel in zes delen, met circus en vuurwerk" zeker niet gestolen. Net zoals "De Vlo" is het een en al sprankelende vondsten en humor en de opvoering van beide stukken, bv. door het Satirisch Theater, is een spektakel van eerste gehalte. Ondanks een grote persoonlijke inzet van de schrijver, die zelf slogans schilderde die in het teater werden opgehangen, kenden beide werken bij hun eerste opvoering echter niet het verwachte succes. Elsa Triolet noteert hierbij dat de regie van Meyerhold, voor wie Majakovski echter een onbegrensde bewondering koesterde, misschien te sterk de nadruk legde op het spektakulaire element, waarbij de tekst die woord voor woord de aandacht van de toeschouwer dient te krijgen - wellicht minder overkwam. De voornaamste reden van deze relatieve mislukking ziet zij nochtans in de natuur zelf van de strijd die Majakovski voerde tegen de oude wereld. Uiteraard verdedigde deze zich en teveel personen konden zich door zijn satire geraakt voelen, opdat zij zijn werk een massieve instemming zouden betuigen. Onder de mom de oude kunst te verdedigen, verscholen zij zich achter oude monumenten en onder voorwendsel van kritiek op de schrijver uitten zij een nimmer aflatende haat tegen hem die hen kwam ontmaskeren. Onbegrip en laster bleven knagen tot ze bij ogenblikken ondraaglijk werden. Laten we even de data overlopen : in 1929 wordt "De Vlo" opgevoerd; begin 1930 ziet zowel Majakovski's toetreding tot de RAPP als de betrekkelijke mislukking van een herdenkingstentoonstelling en van "De Baden"; 14 april 1930 schiet Majakovski zich een kogel door het hoofd. Men kan moeilijk ontkennen dat Majakovski heeft geleden onder de aanvallen waarvan hij langs verschillende zijden het voorwerp was. Nochtans had hij gekozen zich volledig in te zetten voor de "sprong voorwaarts" en in zijn laatste werk, nl. "Vo vjes golos", "Luidkeels", herinnert hij er met nadruk op dat hij "zijn eigen lied de voet op de keel heeft gezet" terwijl hij voor zichzelf geen ander monument wenst dan het socialisme dat in gezamelijke strijd werd opgetrokken.


SF-MAGAZINE P. 38 Op verschillende manieren heeft men getracht het fatale schot te verklaren. Reeds in zijn eerste futuristische periode had Majakovski met het idee gespeeld, doch later had hij zich, met name na de zelfmoord van Jesenin, fel tegen deze oplossing gekant. Ook persoonlijke motieven speelden hierin een rol : een paroxystische spanning, een gekompliceerde liefde, teleurstellingen. Ongeduld echter eerder dan wanhoop. "J'ai largement reçu le don d'aimer ..." zegt hij in "Ik bemin". "Dès maintenant, j'ai perdu le contrôle de mon coeur. Je connais chez autrui 1e domicile du coeur. Il est dans la poitrine - c'est connu de chacun. Avec moi. l'anatomie a perdu la tête, je suis tout coeur - cela bat de partout ..." Deze latente spanning tussen het persoonlijke element en de verhouding tot de Staat waarvoor hij steeds verklaart m.i. de onderdrukking "van zijn eigen lied". Het is m.i. in deze optiek dat wij ook Majakovski's zelfmoordnota dienen te begrijpen : "Ik sterf," schrijft hij, "geef niemand hiervan de schuld : en geen geroddel. De overledene had daar een hekel aan ... Vergeef me : ik raad dit aan niemand aan, maar mij blijft geen andere uitweg ... ... Zoals men zegt : het incident is nu gesloten. Het bootje van de liefde liep te pletter op de dagelijkse sleur ..." En hij sluit met een "Wees gelukkig". Een tijdlang kende de verspreiding van zijn werk na zijn dood nog moeilijkheden waaraan Stalin echter in '36 lakoniek een einde maakte door te stellen dat Majakovski ongetwijfeld de grootste Sovjet-Russische dichter was. Een bibliotheek-museum werd datzelfde jaar ingehuldigd, hoewel in letterkundige uitgaven Majakovski's werk toch niet werd beklemtoond. Herdenkingsuitgaven volgden in 1940 en de herneming van "De Baden" in 1954. De oprichting van het monument op het Majakovski-plein te Moskou tenslotte in 1958. Dit zijn echter details van zeer betrekkelijk belang tegenover de blijvende waarde en "luidkeelse" boodschap van de dichter, voor wie het "Ik te klein geworden was". Bibliografie ************ "Maiakovski, vers et proses", ingeleid, vertaald en gekommentarieerd door Elsa Triolet Deze uitgave van de Editeurs Français Réunis omvat ook Elsa Triolet's herinneringen aan Majakovski en een studie in verband met zijn toneelwerk. "Maiakovski par lui-même" van Claude Frioux. Toujours, nr. 56-1970 Tenslotte Pasternak's herinneringen in : "Sauf Conduit" Livre de Poche nr. 3622

Editions du Seuil, Ecrivains de


SF-MAGAZINE P. 39

Een pessimistische visie Denk eens even : Al dadelijk opent het doek van de geschiedenis zich op een magistraal gebeuren. A clash of cymbals ! Een orgelpunt dat klassiek zal blijven. In het dal van de Neander, midden dicht beboste Rijnlandse heuvels en duistere kloven en grotten, neemt de mens zijn eigen lot in handen. En hij illustreert dit door een speer hoog in de lucht te werpen. Naar weet ik welke laagvliegende eend, weet je nog wel ? Een voorval vol adembenemende symboliek en een prachtige vondst, waarvan wij allen diep onder de indruk bleven. Ook de Neanderthaler, neem ik aan; het was immers ook voor hèm de eerste maal dat hij in een échte geschiedenis optrad. Emoties en zo meer. Hij was een ruwe, zwaargebouwde man, met diepe oogkassen en stekelige wenkbrauwen in een vluchtend gelaat, en hij liep nog wel iets gebogen. Een weinig ontwikkeld man, weinig elegant in voorkomen, die dringend wat beschaving gebruiken kon. Nu is beschaving niet zomaar iets, wat je in drie tellen hebt bereikt. Moeilijker dan het zetten van een strik of het vangen van een wild zwijn, als je begrijpt. Landbouw is vereist, om tot een weinig cultuur te komen, en een vaste woonst, en veeteelt, en je dient de Grote Moeder gunstig te stemmen, en af en toe hoor je te vechten voor wat je hebt of hebben wil. En handwerklieden horen er te zijn, en ruilhandel, en later ook epische dichters en monumentale architecten, wil je tot een echte beschaving komen, waar het nageslacht wat aan heeft. En priesters en koningen heb je nodig, om wetten uit te vaardigen en om de orde te handhaven, en om je te zeggen hoe het allemaal hoort, wat je hoort te doen en wat je vooral niet hoeft te doen, en wat je hoort te denken en te voelen, en wie je hoort te bestrijden en wie dan ook weer niet. Of andersom, wanneer dit toevallig zo schikt. Wanneer dit hèn zo schikt ? Het wordt zo stilaan wel iets moeilijker om volgen, maar dat hoort nu eenmaal bij beschaving en je kan nu eenmaal gewoon niet altijd alles zelf blijven doen. Gewoon een taakverdeling, zegt men : sommigen zijn immers van nature meer geschikt voor het lichtere handwerk, anderen voor gezang en muziek, nog anderen om de wil van de goden te verklaren. Wel fijn, dat iemand het zwaardere denkwerk op zich neemt. Enkele misbruiken komen wel voor, maar zelfs tyrannen laten meestal wel de kleine man met rust. Wanneer hij zich rustig houdt. En het resultaat loont ook wel echt de moeite, vaak. Je hebt nu zachtere kleding, en metalen gebruiksvoorwerpen, en glas en sieraden, en met de voedselvoorraden zit het meestal ook wel vlot. Hoewel je daar normaal slechts in moeilijker tijden aan herinnerd wordt.


SF-MAGAZINE P. 40 Oorlogen zijn nu eenmaal onvermijdelijk, en het gaat toch om jouw land, of om jouw leiders ... Maar je kan nog veel verder, als je wil. Dan heb je echte geleerden nodig, om verder voortuit te gaan, en echte filosofen om uit te maken waarom de hemeld dan niet valt, of nog, wat vooruitgang dan wel inhoudt. Gezeur, veelal. Oosterse filosofen en wijzen besluiten voor je dat je hebben en zijn dient op te geven; westerse daarentegen dat beiden belevenswaard zijn en dat de voldoening van je intiemste driften mede de kwaliteit van het leven bepalen kan. Of iemand predikt broederschap, en zijn volgelingen gaan dan elkaar verketteren. Geraak er nog uit wijs. En industrie en produktie heb je nodig, om tot welvaart te komen, en ondernemers en politici, om je te vertellen hoe je het juist aan boord hoort te leggen, en wat het beste voor je is. Koningen heb je inmiddels opzij gezet, maar anderen hebben zich immers aangeboden om je te vertegenwoordigen, en om macht en orde waar te nemen. Dat hoort ook zo. Gewoon verbazend, wat iedereen al zo voor iedereen doet. En zo loop je dan op een dag, in Biedermeyer-pak of in gebleekte levy's door diezelfde streek, waar nu, dank aan de kultuur, geen beren of wolven je meer belagen. Langs diezelfde heuvels, die nu ontbost en ontgonnen zijn, en langs de rivier, die nu de oevers volgt, die hem door jou werden opgelegd. En als een meisje bij je is, draagt ze waarschijnlijk een van die verrukkelijke wollige synthetische truitjes, en ... Soms ben je werkelijk gelukkig. Soms ben je het niet. Soms zijn anderen dit ook niet. Er is natuurlijk altijd nog wel veel elende, maar kom ... je mag ook niet ondankbaar zijn. Ideologische conflikten, zegt men. Best is je er niet mee te bemoeien. Desnoods vechten technici en machines het wel voor je uit. Wie begrijpt ook nog het fijne, van wat in de wereld omgaat ? En met alle drukte die de beschaving met zich meebracht heb je tenslotte toch ook maar weinig tijd om omhoog of om je heen te kijken. Vaag zit je misschien ergens iets verkeerds. Alsof je voelt dat misschien ergens iets verkeerd is gegaan, maar je niet weet wat ... of waar. Typisch voor je generatie, die twijfel, en dat gevoel dat je ergens schuld zou hebben. Alsof in het hele verhaal iets uit het oog verloren werd. Een hele weg ook, van die eerste dag ... Die speer misschien, waar was die dan ook weer ... ? Misschien kijk ju dan juist wel even terug omhoog. Juist. Ook die speer heeft inmiddels wel iets aan verfijning en raffinement gewonnen. Zwaar en indrukwekkend is zij nu geworden. "Gosh", denk je, "daarom bleef ze ook zolang weg". Niet dat je zoveel tijd blijft om ze nauwkeurig te bekijken, wanneer ze omlaag komt. "I.C.B.M." heet ze nu, want je denkt in afkortingen. Dan hoor je ook minder lang te denken, niet ?


LES CORNWELL, Beersebaan 1, 2310 RIJKEVORSEL Kreeg verleden week (beetje laat, maar begrijp het hoor) het februari-nummer van SF-MAGAZINE toegestuurd. Nou, daar stond ik van te kijken. Ik had echt niet gedacht dat ze zoiets in BelgiĂŤ konden presteren (ik ben zelf Engelsman maar dat vermoedde je waarschijnlijk al). Heel goed vond ik het deel gewijd aan Jack Vance, hoewel ik zelf niet erg van deze auteur hou. Vooral de bespreking van Simon Joukes vond ik geslaagd, evenwichtig en erg objectief. De korte verhalen vond ik echter niet zo denderend. Ook een pluim voor de presentatie. ... Voor mensen die moeilijkheden hebben met het zoeken naar SF-boeken in de openbare-bibliotheek heb ik, samen met mijn schoonbroer, ook een verwoede SF-lezer, een lijstje opgesteld van een 230-tal auteurs (natuurlijk vatbaar voor aanvullingen). Voor diegenen die er belang in stellen verkrijgbaar bij Les Cornwell, Beersebaan 1 te 2310 RIJKEVORSEL. RED. Eindelijk nog eens een reactie op onze nieuwe nummers van SFMAGAZINE. Vooreerst, dit nummer bereikt je toch later dan 18 mei, hartelijk gefeliciteerd met je huwelijk. Wat je sf-lijst betreft denk ik wel dat het nuttig is als leidraad in de doolhoven van onze openbare bibliotheken, dus voor de geĂŻnteresseerden onmisbaar. En wacht tot je SF-magazine 1975 ziet ...


SF-MAGAZINE P. 42

U zult het misschien maar een raar en akelig verhaal vinden; hetgeen ik u nu wens te vertellen. Geloof me, vrienden, ik wenste dat er een ander was dat ik u KON vertellen ... maar dit spookt door mijn hoofd en ik moet het eruitwerken, misschien zal het daarna beter gaan. Het gaat wel wat moeilijk dat deze ballpen, ik ben altijd gewoon geweest met een klassieke pen en inkt te schrijven. Ja, ik weet wel dat ik geen scherpe voorwerpen in mijn buurt krijg. Maar tenslotte ben ik toch niet gevaarlijk, en het kan me geen snars schelen wat die kerels in hun witte jassen achter mijn rug kletsen. Het is niet waar dat ik bij elke volle maan aanvallen krijg, of tenminste, ik herinner me er niets van. Ze beweren dat ik dan telkens in de geluidloze cel moet, en ik weet zelfs niet hoe die eruitziet van binnen. Maar terzake, de dokter zegt dat ik het maar eens allemaal moet neerschrijven, àlles zie je, alles wat ik me herinner, en op mijn eigen manier, zoals IK het mij herinner. Als ik het dan daarna eens allemaal zal herlezen, zwart op wit op dit maagdelijk papier, misschien zal de obscessie dan wijken, zal ik weer kunnen denken en handelen als een normaal mens. Of misschien ook niet. Sommige gebeurtenissen laten een blijvend merkteken na in het brein, kunnen er niet meer uit verwijderd worden. Misschien vormden de gebeurtenissen rond William Pandira ook zo'n gruwelijk litteken, waarvan het afgrijzen voor altijd in mijn gedachten zal blijven spoken. Het begon allemaal met William Pandira. Kent u William ? Sorry, KENDE u William, want nu is hij dood. Behalve dit was hij altijd een aardige jongen, maar de manier waarop hij dood ging deed hem veel vrienden verliezen. Ik kan het hem niet kwalijk nemen, hij verloor ook MIJ als vriend door de manier waarop hij uiteindelijk onze wereld verliet. Dat klinkt raar, hé ? Maar tenslotte begint mijn verhaal pas, en u weet dus nog niet waarover ik het heb. Wililam was een oude schoolvriend van mij, een beetje verlegen en ingetogen type. Hij kon enorm kleine spiekbriefjes maken, en daar we in een gesplitste klas zaten die de examens op verschillende data hadden, wisselden die voortdurend van hand, en hielpen me door menig zwaar vak. U ziet, ik ben in àlles eerlijk. Toen we de humaniora doorliepen, gingen we regelmatig na schooltijd een pint pakken samen. Uiteindelijk scheidden onze wegen zich, en hij bracht - naar ik later vernam - een hele tijd door in diverse afgelegen streken van de wereld. Buanos Aires, Kuala Lumpur, Tokyo, magische namen, en hij kon er enorm boeiend over vertellen. Hij schreef op een enorm korte tijd een aantal belangrijke studies over oude folkloristische gebruiken, en zijn lijvige "Praktijken van Voodoo in Hedendaags Amerika" is nog steeds een standaardwerk voor diegenen die zich erin interesseren. Dat vernam ik natuurlijk pas na ettelijke jaren, toen we elkaar stomweg tegen het lijf liepen in een cafe, en ontdekten dat we nauwelijks enkele straten van mekaar af woonden. Onze vriendschap werd hernieuwd, en gedurende jaren ontmoetten we elkaar regelmatig. Hij had ook zijn gebreken, deze die hij reeds in zijn jeugd gehad had. Een daarvan was dat hij gewoonweg niet kon vergeven en vergeten. Oog voor oog, tand om tand, was zijn leuze en ondanks zijn schijnbare schuchterheid pastte hij deze ook toe. Ik weet bijvoorbeeld nog heel goed hoe een jongen tijdens de speeltijd eens op zijn


SF-MAGAZINE P. 43 teen trapte, per toeval, en net toen de klastijd begon. William zei niks, maar de volgende morgen liep die tenentrapper rond met een kei van een blauw oog. Zo was William. Dergelijke voorvallen zou ik met dozijn kunnen aanhalen, maar ze zijn niet belangrijk voor dit verhaal. Die avond toen mijn nachtmerrie begon, kwam William mij thuis opzoeken. Hij weigerde de gebruikelijke whisky, iets wat zeer vreemd was, en deed helemaal zenuwachtig en ongewoon. Hij begon bijna dadelijk zinsspelingen te maken op onze jarenlange vriendschap, en tenslotte vroeg ik hem dan ook op de man af wat er nu eigenlijk wel op zijn hart lag. Dan vroeg hij mij hem een dienst te bewijzen, en het was de vreemdste eis die mij ooit gesteld werd. Want het betrof een dienst die ik moest bewijzen na zijn dood. "Luister goed", zei hij, "en begin niet dadelijk met je gebruikelijke vragen over hoezo en waarom. Luister gewoonweg en hou je bek dicht. Ik wil dat je iets voor me doet, iets wat ik aan niemand anders kan vragen, want het is een nogal ongewoon verzoek". Hij leunde achterover in zijn stoel, en keek me scherp aan met zijn doordringende grauwe ogen. Zoals hij daar toen zat, zie ik hem soms nog voor mij, zijn lange, fijne vingers tegen elkaar en voor zijn gezicht, zodat ik enkel die dwingende ogen zag. Hij leek wel een van die helse voodoo-priesters waarover hij me soms verteld had. "Ik wil," zei hij, met nadruk op elke lettergreep, "dat JIJ ervoor zorgt dat na mijn dood mijn neef Thomas gedurende een zekere tijd allĂŠĂŠn in mijn rouwkamer is, en de deur dicht. Hij, gans alleen. Je krijgt hem wel binnen onder een of ander voorwendsel, ik betrouw op je vernuft." Het was een heel gekke vraag, snapt u ? Wie praat er nu over wat er na zijn dood moet gebeuren, terwijl hij nog in levende lijve voor je zit ? Wel, William deed het wel, en hij wou er verder niets aan toevoegen, hoewel ik veronderstelde dat het een of andere erfeniskwestie was. Het klonk mij zeer idioot in de oren, maar stommeling dat ik waa, ik beloofde het hem. Hij bedankte me plechtig, en aanvaardde daarna zijn whisky voor de avond. Twee dagen later was hij dood. Ze vonden hem 's morgens in een doodlopend steegje. Het had gestortregend die nacht, en hij lag met zijn hoofd in een diepe plas water. Eigenlijk was het niet helemaal water meer, als u snapt wat ik bedoel, het grootste deel was stroperig, en roodgekleurd. Hij was er dan ook niet in verdronken. Na lang en intens zoeken vonden ze ook de zware ijzeren staaf, die gestolen was op een nabije werf, en waarmee zijn schedel ingebeukt was. De staaf was in een riool gegooid, niet ver van de plaats waar William lag, maar die rioolput was overvol slijk, en het stuk ijzer was daarin blijven steken. Ze hadden dus een lijk, en een staaf die precies pastte in het gat in William's hoofd. Het zou een pracht van een afgerond zaakje geweest zijn, moesten ze de moordenaar ook nog gesnapt hebben, maar dat hadden ze niet. De politie deed wat ze kon, zoals dat heet in zo'n gevallen, maar vinden deden ze hem niet. Ze hadden wel vermoedens en zo, maar namen werden natuurlijk niet genoemd, en er kwam dan ook verder niets ter zake. Na het gebruikelijke onderzoek, lijkschouwing en dies meer, werd het lijk vrijgegeven voor de rouw en de teraardebestelling. William's kop werd een beetje opgekalefaterd, maar schijnbaar konden ze hem toch niet zeer toonbaar maken, want hij werd in een gesloten luxueuze doodskist in de rouwkamer geplaatst. Het was een


SF-MAGAZINE P. 44 zeer mooie kamer, weet u, groot en ruim, met dure fluwelen zwarte gordijnen. Die gordijnen zie ik nog zo voor mij, want ze hingen reeds in William's salon voorheen, zeer dik en zwaar, en bestikt met allerlei vreemde symbolen en tekens. Ik heb sommige van die tekens later teruggevonden in zijn werk over voodoo. Er waren geen vensters in die kamer, enkel die ene deur. Dit is belangrijk, let er dus op. Er waren ook massa's bloemen, ontstellend hoeveel mensen William wel kende. Het was allemaal wel erg ontroerend, en ik pinkte in stilte een traan weg. William was toch een goede vriend geweest, en het was werkelijk een schande dat iemand zomaar de kop kon ingeslagen worden zonder dat men de dader bij de lurven kon pakken ... De tweede dag waren er zeer weinig rouwers. Ik had de organisatie van die boel zo 'n beetje op mij genomen, want William had geen rechtstreekse familie meer, enkel die ene neef Thomas, en die trok er zich bijster weinig van aan. Hij had zelfs getelefoneerd dat hij pas de tweede dag het lijk zou komen groeten omdat er de eerste dag altijd teveel volk is. En toen herinnerde ik mij die belofte, ziet U. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij niet bijster beviel. Ik begon ze zelfs bepaald vervelend te vinden, maar ik heb nog nooit een belofte gebroken, en dat was ik dan nu ook niet van plan. Dus besloot ik maar van de nood een deugd te maken; ik wimpelde enkele "bezoekers" af en wachtte tot Thomas arriveerde. Ik had hem maar tweemaal ontmoet, en bepaald sympathiek was hij me ook bepaald niet. Hypermodern pakje, een beetje verwijfde maniertjes, maar een loense blik. Als je hem ontmoette, kreeg je automatisch de neiging om je portefeuille stevig vast te houden. Ik weet niet meer precies welk smoesje ik gebruikte. Ik herinner me dat ik zei dat hij maar alleen even moest gaan, dat ik hem even alleen moest laten omdat ik moest telefoneren, of iets dergelijks. In elk geval, hij wandelde naar binnen, en daar stond de kist, zonder kruis, maar met zes lange brandende kaarsen ernaast. Ze flikkerden zachtjes, en wierpen een vreemd licht, geelgetint. Toen hij binnen was, gooide ik de deur gewoon dicht. Ik draaide de sleutel om, en zorgde ervoor dat deze bleef steken in het slot. Ik had het al uitgedokterd : als hij buiten kwam zou ik gewoonweg zeggen dat de deur door de tocht dichtgeslagen was - ik had ervoor gezorgd dat de voordeur openstond - en dat het slot geblokkeerd was, zodat ik verplicht geweest was een slotenmaker te gaan zoeken. Daarmee zou de kous afgeweest zijn, en mijn belofte vervuld. "He, wat betekent dat ?" hoorde ik Thomas roepen. Zijn stem klonk gedempt, en ik vond het toch maar onrespektvol van hem om zo te roepen in de rouwkamer. "Wil je die deur godverdomme opendoen ?" Nounou, dacht ik, het is nu ook weer niet nodig om er zo'n kabaal van te maken. Ik laat je er straks wel uit, jochie. Maar dan hoorde ik het. Eigenlijk geen geluid, of misschien wel. Er zijn geluiden die we wel enigszins waarnemen, zonder ze te kunnen horen, zoals de getrainde politiehond het geluid van de fluit hoort waarvan de trillingen buiten het ontvangstbereik van ons trommelvlies liggen. Zo was ook dit geluid, als een sinistere trilling die doorheen me voer, alsof mijn ganse lichaam en ziel een reflektie opvingen, een echt van iets dat niet normaal was. Mijn hart begon als waanzinnig te bonken in mijn borst en zonder dat er een goeie reden voor was barstte het zweet mij aan alle kanten uit. Ik voelde dat er iets aan de gang was dat niet normaal was, iets zo ongewoons en akeligs dat ik er zelfs geen naam voor kende. Er was een licht, hĂŠĂŠl licht krakend geluid, dat plots harder en harder werd, gevolgd door een luide bons, alsof iets zwaars neerviel.


SF-MAGAZINE P. 45 Dan krijste Thomas. Het was geen roepen of gillen, het was een krijsen dat niets menselijks meer had, een huilen als van een dier in doodsnood. Hij sprong tegen de deur aan als poogde hij ze te doorbreken, en bonsde erop met zijn vuisten, als waanzinnig. "Laat me eruit, laat me buiten, god, laat me buiten !" Ik had de tijd niet om na te denken, ik sprong naar de deur en draaide de sleutel om. Maar ze ging niet open ! Hoe ik ook wrikte en wrong, ze leek wel dichtgesmeed. Het is niet waar dat ik toen wegrende, ik bleef proberen ze open te krijgen, alhoewel ik VOELDE dat het nutteloos was. Ik bleef, ook toen de deur in ijs scheen te veranderen, en er vanuit de kamer een vloedgolf van kilte stroomde dat mijn vingers schenen te bevriezen en ik zelfs niet meer in staat was om die verrekte sleutel om te draaien. Het "geluid" dat vreemd aanvoelen, als ik het zo kan noemen, was sterker en sterker geworden, het scheen een bijna tastbare werkelijkheid te vormen die in golven van verschrikking op mij inbeukten vanachter die gesloten deur, waar Thomas gilde en gilde. Nochtans waren het niet Thomas' kreten die mij op de vlucht joegen, en evenmin de lugubere weemakende stank die plots tot in de gang doordrong. Ik deinsde achteruit, jawel, de deur was zo koud geworden dat ik ze niet meer kon aanraken, een kilte die gans mijn wezen vulde met haar onnatuurlijkheid, zodat ik wankelde en als een kreupele wegliep. Ik kon niet meer helder denken, ik besefte enkel dat daarbinnen iets vreselijks gebeurde, en ik kon het niet tegenhouden. Maar ik rende pas weg, toen ik die rode vingers zag die vanonder de deurspleet op mij toe kropen. Toen ik weer bij mezelf kwam, zat ik op een stoel in het politiebureau. Later vernam ik dat ik er als een waanzinnige was komen binnenvallen, en dat ze het eerste uur enkel krankzinnige wartaal uit me kregen. Er bestaat een bandopname van enkele van de dingen die ik zei, en ik heb er sedertdien naar geluisterd, omdat zij ze ook niet begrepen. Woorden in een vreemde taal, gezongen in mijn stem, maar ook ik begreep ze niet. Daarbij zat ik vreemde tekeningetjes te maken, en later hebben ze dat allemaal opgezocht, en het een en ander teruggevonden in William's notitieboeken. Het heeft iets te maken met voodoo en zombies, een soort bezweringsformule, maar ik zweer u dat ik ze niet ken, en niet begrijp. Heeft William mij die avond onder hypnose gebracht en mij die vreemde formules ingeprent ? Daarna kon hij mij door een posthypnotisch bevel weer alles doen vergeten, en ik zou gewoonweg nooit beseft hebben dat ik een poosje "weg" geweest was. Meer en meer begin ik dit te vermoeden, wanneer ik aan hem denk zoals hij die avond kwam om zijn vreemde verzoek te doen, een man met een onbuigzame wilskracht, en een bizar vooropgezet plan. Ik zie hem nog naar mij staren, met die scherpe ogen die tot in het diepste van mijn brein schenen te dringen, alsof hij daar alles naar willekeur kon lezen. En er alles naar willekeur kon in plaatsen, zoals de kennis van de bezweringen waarvan ik nooit vermoed had dat ze bestonden, of het maken van magische tekens die ik zelf niet begrijp. Want die vreemde tekens vonden ze ook aan de buitenkant van de deur van de rouwkamer. Ze waren er ingegrift met een tafelmes dat achteloos in de gang geworpen was, en waarop enkel mijn vingerafdrukken stonden. Maar ik herinner het me niet! Ik herinner me enkel die traagkruipende dunne rode straaltjes die vanonder de deur sijpelden, en dan niets meer. Misschien maakte ik die inkepingen in de deur, misschien was ik wel even gek. In elk geval, om terug te keren tot mijn verhaal, uiteindelijk kregen ze toch een adres van me los, daar in dat politiebureau, en ze stopten me, met een zenuwarts


SF-MAGAZINE P. 46 die ze inmiddels al opgebeld hadden, samen met enkele agenten in een wagen, en gingen kijken. Het bloed had een plasje gevormd in de gang, en nog steeds sijpelde er meer vanonder de deur. Er leek wel geen einde aan te komen. Ze openden de deur, maar ze wou niet wijken. Tenslotte zetten ze er met drie man hun schouders tegenaan, en iets gleed beukend weg, en de deur ging open. De doodskist lag tegen de deur aan, gelukkig voor mij. We gingen binnen in de rouwkamer, en ik zag Thomas. God; ik zag Thomas, de vele kleine uiteengereten stukjes Thomas die over de vloer verspreid lagen, die tegen de munen gekleeft waren, die aan de zwarte gordijnen kleefden. Ik zag de waanzinnige tekeningen die met rood op de vloer getekend waren, en de rouwbloemen die in de gaten van zijn romp geplant waren. Ik strompelde naar buiten, en braakte, en twee van de drie agenten kwamen mij nagerend en deden hetzelfde. Ze moesten andere, meer geharde mannen halen om de foto's te nemen die niemand ooit te zien kreeg, en om de boel op te ruimen. Ik was vrij van alle blaam, de doodskist tegen de deur aan de binnenzijde van de kamer zuiverde mij volkomen van alle verdenking. Niettemin zit ik nu hier, en alles wat ik verder nog weet, vernam ik brokjes bij beetjes, als kleine stukjes van een sinistere legpuzzel. Ziet u, William hĂ d een testament, en dat had hij gewijzigd even voor hij bij mij kwam die avond met zijn vreemde verzoek. Hij had iets vernomen over de levenswandel van Thomas dat hem niet bijster beviel, en alles nagelaten aan een of andere liefdadige instelling. Gelukkig niets aan mij, want dat zou een enorm bezwarend punt in mijn nadeel zijn geweest. Het doet me wel een beetje pijn als ik er aan denk dat hij niets aan mij schonk, zelfs geen schilderij of zo, maar ik bedenk erbij dat het allemaal opzettelijk was. Hij vermoedde wat er zou gebeuren als Thomas vernam wat hij gedaan had, en hij zorgde ervoor dat niet het geringste motief mij zou kunnen toegedacht worden. Thomas is nooit officieel de moordenaar van William verklaard; maar William had zijn leuze, ziet u. Oog om oog, tand om tand. Zo was hij nu eenmaal, hij kon niet vergeven. Zelfs niet na zijn dood. Ze hebben de zaak in de doofpot gestopt ... tenslotte, wat konden ze er anders mee doen ? Ze hebben ook datgene onderzocht wat IN de doodskist lag, met Thomas' afgerukte hoofd tussen de klauwen, maar dat was inderdaad reeds enkele dagen dood, zoals dat zwart op wit in de overlijdensakte stond. (c) by E.C. BERTIN (1974)


SF-MAGAZINE P. 47

op 17.09.1974 is het tien jaar geleden dat deze auteur te Gent overleed. Naar aanleiding hiervan plant de "Werkgroep Jean Ray" een herdenkingsplechtigheid op zondag 15 september 1974, uiteraard in deze stad. Ook staat een vierde "Cahier Jean Ray" op verschijnen en werd een bibliofiele uitgave aangekondigd. Voor alle inlichtingen betreffende deze werkgroep richte men zich tot haar sekretaris, Dhr. Jozef Peeters, Ruiterslaan 11 te 3200 KESSEL-LO.

GeĂŻnteresseerd in volledige check-lists van de Born pocket~uigaven ? Deze is op eenvoudige aanvraag te bekomen bij het sekretariaat, p/a Robert Smets, ItaliĂŤlei 84 te 2000 ANTWERPEN (4 blz., dus zegel voor antwoord, a.u.b.). !!! Vergeet in dit verband niet dat twee pockets toekomen AAN IEDER DIE EEN NIEUW LID AANBRENGT

SF-vriend Robert Waegeneire, Lossystraat 4 te 9120 DESTELBERGEN, zoekt twee kleine boekjes van Edgar R. Burroughs die bij de uitgeverij Ridderhof verschenen zijn, nl. : "Val door de eeuwen" "Land der verschrikking" Per deeltje houdt hij 100 BF ter beschikking. Wie kan hem hierbij helpen ?

In tegenstelling met wat andere jaren gebeurt ontvingen wij dit jaar nog maar enkele inzendingen voor onze verhalenwedstrijd en een inzending voor onze illowedstrijd. De inzenddattum werd daarom verlengt tot 31 juli 1974. Wacht dus niet te lang, a.u.b.

In de SFAN-bibliotheken, breng ze een bezoek. Te Antwerpen : bij Daniel De Raeve, Cogels-Osylei 37 te 2600 BERCHEM Te Gent : bij mevr. Cure, Sleepstraat 125 te 9000 GENT


SF-MAGAZINE P. 48

bestaan verschillende literaire tijdschriften, die zoals het onze ten koste van grote persoonlijke inspanningen het licht zien. Met enkele hiervan hadden wij de laatste tijd persoonlijk kontakten en wellicht krijgt u in de volgende nummers SF-werk van mensen, die u minder bekend zijn, maar die op een ander literair vlak bekendheid genieten. Anderzijds kan u met allerlei werk dat misschien minder fantastisch gericht is (gedichten en proza ...) terecht bij volgende adressen : BETOEL

: Marginaal tijdschrift voor literatuur. P/a Fernand Lambrecht, Gistelstraat 150 te 8202 VARSENARE.

KRUISPUNT-SUMIER

: P/a Georges Van Acker, Ketsbruggestraat 8, BRUGGE. Dit tijdschrift neemt allerlei werk op, doch bij voorkeur geĂŤngageerde teksten.

Het blad van het N.C.S.F. is nu aan zijn achtste jaargang toe. Het verschijnt zesmaal per jaar en brengt interessante informatie, besprekingen en discussies. Vraag eens een proefnummer aan bij het secreratiaat : A. ROUWENHORST Sichemstraat, 7a ROTTERDAM En vergeet niet : BENELUXCON 2 gaat dit jaar door in Nederland, nl. in Amersfoort, op 12 en 13 oktober. Hou die dagen vrij.

Mevr. J. COOLEWITS-VERSTRAETE

St.-Bernadettestr.260

9000 GENT

Dhr. LESLIE CORNWELL

Beersebaan 1

2310 RIJKEVORSEL

Dhr. JERRY GEORGE

Scheldeweg 6d

9231 GONTRODE

Dhr. ROLAND BRACKE

Achterkouterstraat 49

9040 OOSTAKKER

Dhr. JEAN DE CLERCQ

Papagaaistraat 34

9000 Gent

Dhr. ROGER LE COMTE

Molenstraat 121

9000 GENT

Mevr. MYRIAM DE CROCK

Tentoonstellingslaan 10 9110 ST.-AMANDSBERG

Ontvingen we op ons verzoek om commentaar bij de recenste nummers van SF-MAGAZINE. Een teleurstelling voor de mensen die hieraan een enorm aantal uren hebben gewijd. Misschien zit het warme voorjaar en de naderende vakantie hier wel iets voor tussen ? Trek zelf ook eens een uurtje uit om ons uw aandacht te laten kennen, en uw wensen, en uw voorstellen ... Daarmee doet u ons nu eens een genoegen. Schrijf aan Simon Joukes of aan het secretariaat. SO LONG


SF-MAGAZINE 35  

Clubmagazine SFAN

Advertisement