Page 1

SecJure Jaargang 26 | Oktober 2011 nr. 1 | SecJure is een uitgave van Magister JFT

Juridisch Faculteitsblad

Vier de vrijheid!  Vrijheid van meningsuiting en godsdienst  Staan VN-resoluties boven mensenrechten?  De teloorgang van de democratie  Kinderarbeid en muziekcensuur


Stibbe100 jaar Nieuwsgierig? Grijp je kans en meld je voor 10 oktober 2011 aan via onze website www.werkenbijstibbe.nl


De grens van de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in en buiten Nederland | 10

Goodbye! | 7 We nemen afscheid van het dagelijks bestuur 2010-2011 van Magister JFT

Smaad & Privacy | Nina Dorenbosch | 10 Over persvrijheid en vrijheid van meningsuiting.

Staan VN-resoluties boven mensenrechten? | Anne de Vries | 13 De gevolgen van de Kadi-uitspraak op de Nederlandse rechtsorde

Monstrous Court of Human Rights? | Rolf Everhardus | 18 Het EHRM wordt niet door iedereen positief bejegend.

Pro/Contra: Panterprintjes en Tijgerleggings | Robbert Coenmans en Michiel Peters | 20 Heeft iedereen de vrijheid, verwerpelijke kledij te dragen?

Slaapwandelmoordenaars | Aïcha Peutz | 24 De (juridische) gevolgen van moorden – al slapend gepleegd.

De islamitische bankpraktijk en wijze van financieren | Milad Sheidai | 27 De oplossing ter voorkoming van een nieuwe financiële crisis?

Activiteitenkalender Magister JFT | 30 Welke activiteiten staan allemaal op de agenda?

Vrijheid van godsdienst in internationaal perspectief | Esra van der Wolk | 32 Hoe is het gesteld met de vrijheid van godsdienst?

Onderhavig | Dan de Vries | 35 Onderhavig’ in wetteksten: een ‘gedrochtelijk uitspruitsel des onverstands’ of wel nuttig?

Kinderarbeid – de belemmering van de vrijheid van het kind om kind te zijn | Sylvia Kuijsten | 38 Een confrontatie met de realiteit: kinderarbeid is nog lang niet verdwenen

Brieven uit Boedapest | Janneke van der Heijden | 41 Janneke gaat studeren in Hongarije. Lees hier over al haar doldwaze avonturen!

Het Kruisverhoor: Ger van der Sangen | Melanie Hermes | 42 Ger van der Sangen wordt geconfronteerd met een spervuur van vragen

Magistraat in de U-raad | Puck van Tilburg | 45 Puck zit dit jaar in de Universiteitsraad.

Immanuel Kant: vrijheid als basis van ethiek | Feye van Westing | 46 Alles over Kant en zijn ideeën over vrijheid.

Dit was het recht | Rolf Everhardus | 48 Alle actualiteiten netjes op een rijtje.

Meer vennootschappelijke vrijheid door invoering one-tier board? | Melanie Hermes | 52 Een kritische blik op het wetsvoorstel dat one-tier boards mogelijk maakt.

Teloorgang van de democratie: een botsing tussen tradities en globalisering | Tim Adriaansen | 54 Evenwicht tussen de internationale en traditionele samenleving: noodzakelijk voor een democratie?

Prettige kennismaking! | 57 De redactie stelt zich voor.

Muziekcensuur | Loes van Puijenbroek | 58 Als 99 Luftballons niet meer op de radio gedraaid mag worden, is er toch iets mis.

Going Abroad: Paris, je t’aime! | Victoria Kalfsbeek | 60 Victoria studeerde zes maanden in Parijs. 3 | SecJure Oktober 2011

Inhoudsopgave

Smaad & Privacy


Colofon Redactieadres

Redactioneel

Kamer E221 Postbus 90153 5000 LE Tilburg Tel. (013) 466 80 73 Mail: secjure@magisterjft.nl

Hoofdredacteur Loes van Puijenbroek

Redactie Tim Adriaansen Therris Burgers Nina Dorenbosch Rolf Everhardus Janneke van der Heijden Melanie Hermes Sylvia Kuijsten Michiel Peters Aïcha Peutz Milad Sheidai Anne de Vries Feye van Westing Esra van der Wolk

Met dank aan Tessa Barten Robbert Coenmans Dan de Vries Victoria Kalfsbeek Dagelijks Bestuur Magister JFT 2010-2011

Productie Wolf Legal Publishers Oplage 3295 SecJure jaargang 26 nr. 1 De redactie behoudt zich het recht voor ingeleverde stukken niet te plaatsen of te wijzigen. De inhoud van de artikelen vertegenwoordigt niet noodzakelijkerwijs de mening van de redactie. © Niets uit deze uitgave mag op welke wijze dan ook gereproduceerd worden zonder voorafgaande toestemming van de redactie.

En voilà, voor je ligt de eerste editie van alweer de 26e jaargang van SecJure! Deze keer voor het eerst met een thema. Een rode draad die alle artikelen samenbindt tot een mooi boeket van fleurige bloemen. Hoewel, fleurig? Vrijheid is niet per definitie een term die garant staat voor vrolijkheid en gelukkig zijn. “Vrijheid is het kiezen van een gevangenis,” aldus Herman Brusselmans. Naargeestig, maar er zit een kern van waarheid in. De vrijheid die wij ervaren is niet absoluut; er zijn grenzen. Het uiten van een mening wordt bijvoorbeeld beperkt door de wet. Smaad wordt niet getolereerd in deze samenleving. Maar waar ligt de grens tussen smaad en vrijheid van meningsuiting? Deze staat niet vast. Niets is absoluut aan de term vrijheid – zelfs zijn begrenzingen niet. De redactie heeft ook recht op vrijheid. Vrijheid een onderwerp te kiezen en de vrijheid het artikel te schrijven zoals zij het willen. Daarom is vrijheid, zijnde een breed en relatief begrip, de beste term om onze reeks van thema-edities mee te beginnen. Van deze vrijheid hebben de redactieleden deze editie dankbaar gebruik gemaakt – en het resultaat mag er zijn. Columns en artikelen, interviews en rapportages, allen met zorg geschreven door redactieleden die in de vakantie achter het bureau zaten en de hangmat nog even lieten wachten. Deze inzet alleen al geeft genoeg reden om de redactie even voor te stellen, zodat het artikel het product wordt van een bekend gezicht in plaats van een paar letters onderaan de titel. Achterin deze SecJure wordt daarom de gehele redactie, inclusief flatterende foto’s en vreemde weetjes, geïntroduceerd. Natuurlijk willen wij ook kennismaken met jou, de lezer. Informatie daaromtrent kan je tevens vinden in dat artikel. Vrijheid is dan misschien het kiezen van een gevangenis, maar is zeer zeker onontbeerlijk in onze samenleving en ook voor de SecJure. Waren de artikelen goed geweest als ik er met een zweep en dwang achter had gezeten? Ik vermoed van niet. Zonder vrijheid van meningsuiting zouden onze redactievergaderingen maar vijf minuten duren en daarbij heel wat minder productief zijn. Sowieso zou de SecJure zonder persvrijheid niet bestaan. Al met al is vrijheid toch een groot goed, wat wij moeten koesteren. “Freedom is the freedom to say that two plus two make four. If that is granted, all else follows,” aldus George Orwell. Laten we blij zijn dat iedereen dit inderdaad kan zeggen. Ook al is het algemeen bekend dat juristen niet kunnen tellen. Gelukkig kunnen wij ook beweren dat twee plus twee vijf is. Dankzij vrijheid! Veel plezier met het lezen van deze eerste editie van de SecJure, jaargang 26! Ook namens de redactie, Loes van Puijenbroek Hoofdredacteur 2011-2012 5 | SecJure Oktober 2011


1981 WALKMAN

1985 FLUITKETEL

1988 GAME

1992 BBQ

1994 WEKKERRADIO

1997 FOTOCAMERA

2007 KOELKLUIS

2009 OPBLAASBANK

2010 ZITZAK

ANNO NU â‚Ź40,-

NA ZOVEEL JAAR ERVARING WEET JE WAT STUDENTEN WILLEN Daarom nu 40 euro bij een Studenten Pakket Het gratis Studenten Pakket van ABN AMRO bevat alles wat je nodig hebt als student. Met Internet Bankieren regel je al je bankzaken veilig en gemakkelijk via internet. Maandelijks kun je gratis 10 betaalalerts ontvangen, bijvoorbeeld wanneer je studiefinanciering is bijgeschreven of je collegegeld is afgeschreven. Met de Saldo App of Messenger Saldo weet je altijd wat het saldo op je rekening is. Verder zijn alle wereldwijde pintransacties gratis en bepaal je zelf je pincode. Kortom, met het Studenten Pakket van ABN AMRO heb je al je bankzaken goed geregeld. Bovendien krijg je 40 euro cadeau wanneer je tussen 30 mei en 1 oktober 2011 je Studenten Pakket opent! Kijk voor meer informatie en de actievoorwaarden op abnamro.nl/studenten


Dagelijks Bestuur Magister JFT 2010-2011

7 | SecJure Oktober 2011

Magister JFT

Goodbye!


Good Naam: Laurien Martens Functie: Voorzitter Leeftijd: 23

Naam: Wouter van Loon Functie: Vicevoorzitter Magister JFT Leeftijd: 22 jaar

Wat vond je het hoogtepunt van dit jaar?

Wat vond je het hoogtepunt van dit jaar?

Het hoogtepunt van dit jaar was voor mij het totaalplaatje van dit hele jaar. Tijdens een bestuursjaar maak je zo ontzettend veel mee dat ik van het afgelopen jaar ontelbaar veel mooie herinneringen heb. Zoveel herinneringen, dat ik af en toe wel een aantal herinneringen ‘vergeet’. Het begon natuurlijk allemaal met de Wissel ALV en de Constitutieborrel. Andere mooie feestjes die volgden waren de Dies, de vele Magisterborrels, het gala in Groningen, het après skiën tijdens Stuwi, ons eigen Magistergala, het Kamerfeest en het Juridisch Eindfeest met als thema “Stout in het Oerwoud”. Naast deze mooie en vaak hilarische avonden, zijn er natuurlijk ook ontzettend veel “serieuze” activiteiten georganiseerd. Het Congres, de Nationale Snelpleitwedstrijden waar wij als Dagelijks Bestuur aan deelnamen en de Juridische Bedrijvendagen; activiteiten waar ik als Dagelijks Bestuurder met veel trots op terug kijk.

Eigenlijk zijn alle activiteiten een hoogtepunt in je bestuursjaar. Je loopt toch wel als een trotse pauw rond als Dagelijks Bestuurder op activiteiten van de vereniging. Als ik er dan toch één moet kiezen was het wel de JBT afgelopen jaar. Als vicevoorzitter ben je toch nauw betrokken bij de organisatie en op de Business Day komen de meeste sponsoren in één keer naar Tilburg, dan is het heel mooi om te zien dat dit goed verloopt. Met een recordaantal inschrijvingen en heel veel positieve reacties van sponsoren, kun je alleen maar trots zijn op het resultaat. Bij dezen nogmaals alle lof voor de commissie en in het bijzonder Marloes.

Zien je we je nog bij Magister? Volgend jaar zal ik zeker nog actief zijn bij Magister JFT. Naast zeer actief aanwezig te zijn op alle borrels en feestjes zal ik plaatsnemen in de Opleidingscommissies van Vrijspraak.

Zien je we je nog bij Magister? Jullie gaan me zeker nog zien bij Magister JFT! Zoals van oudsher zal ik te vinden zijn op de Magisterborrels en al de andere mooie (studiegerichte) activiteiten. Jullie zullen me waarschijnlijk niet meer zien in een commissie of iets dergelijks, omdat ik niet het hele jaar beschikbaar zal zijn. Maar wie weet vinden we daar wel een oplossing voor.

Eerste indruk van: Jeroen Mijn eerste indruk van Jeroen… Tijdens het ALW van 2009/2010 heb ik Jeroen leren kennen. Daar viel het meteen op: Jeroen is te vereenzelvigen met de naam “woordgrappenmaker” en drinkt graag een biertje. Dat Jeroen een kei is in het maken van zeer flauwe tot zeer goede grappen heeft Jeroen het afgelopen jaar bewezen. Dat geldt ook voor het feesten en met name de themafeesten: geen outfit gaat te ver voor Jeroen!

Wat wil je aan Robert meegeven? Ik wil Robert heel veel succes wensen, maar ook heel erg veel plezier. Voor mij was dit het mooiste jaar van mijn studententijd en ik weet zeker dat dit ook voor hem zal gelden. Geniet er dan ook van, want voor je het weet is het bestuursjaar al (bijna) voorbij en schrijf je voor de tweede maal een stukje in de “Hello Goodbye” van de SecJure! SecJure Oktober 2011 | 8

Eerste indruk van: Laurien Mijn eerste indruk van Laurien was er eigenlijk helemaal niet. Ik werd voorgesteld aan de destijds nieuwe kandidaatsvoorzitter van Magister JFT, maar ik zag haar niet. Toen hoorde ik uit het niets, ‘kijk eens naar beneden omlaag.’ (Lees: ‘kijk naar beneden’ – Zeeuws dialect.) Dat ik naar beneden en omlaag moest kijken bleek uiteindelijk niet overdreven, want daar stond Laurien. Een klein en tenger vrouwtje waarvan je denkt: moet zij die drie mannen in bedwang gaan houden?! Nou, na een jaar met de nodige potten behangplak en stokslagen piepen wij alledrie wel anders…

Wat wil je aan Maaike meegeven? Vooral dat ze heel veel moet gaan genieten van dit bestuursjaar. Het is een jaar waarin je heel veel bijzondere dingen meemaakt, die slechts voor weinigen zijn weggelegd. Van besturendagen bij advocatenkantoren tot LOJFV’s (Landelijk Overleg Juridische Faculteitsverenigingen).


bye! Naam: Roy van Helvoirt Functie: Secretaris Leeftijd: 22

Naam: Jeroen van den Bliek Functie: Penningmeester Leeftijd: 24 jaar

Wat vond je het hoogtepunt van dit jaar?

Wat vond je het hoogtepunt van dit jaar?

Dat vind ik heel lastig om te zeggen. Hoogtepunten zijn toch wel de grote evenementen die ook slagen. Zelf vond ik het bijvoorbeeld geweldig om een volle zaal uit zijn dak te zien gaan bij B.E.S.T., hoewel ik bij de organisatie zelf weinig betrokken ben geweest. Daarnaast het succes van Magister JFT | DiCiT als pleitdispuut met veel dispuutsgenoten en Magister JFT | Livius, dat dit jaar meteen goed op de kaart is gezet met veel mooie en succesvolle activiteiten. Een persoonlijk hoogtepunt is dat de commissies weer grotendeels gevuld zijn (ook met veel nieuwe actieve leden) en natuurlijk het hoge aantal nieuwe leden dit jaar.

Dit jaar heeft mij veel hoogtepunten gebracht. Om er een paar te noemen: de eigen constitutieborrel, de constituties van zusterverenigingen, met zijn vieren naar het Gala van ons zusje in Groningen, de Stuwi, de diverse weekenden en borrels en vooral ook benefietevenement B.E.S.T., dat dit jaar weer een groots succes was!

Zien je we je nog bij Magister? Ik ga zelf volgend jaar nog de almanakcommissie in en proberen een meesterwerk neer te zetten. Daarnaast ga ik mijn master Rechtsgeleerdheid volgen en hopelijk ook afronden, dat verplicht Halbe me toch wel. Het zal dus ook mijn laatste jaar bij Magister JFT worden.

Eerste indruk van: Wouter Ik kende Wouter van gezicht uit de collegebanken, hij is in hetzelfde jaar begonnen als ik. Hij zag er enigszins uit als een sloddervos, met zijn wilde haren. Het sloddervos-imago is bevestigd. Wouter heeft altijd stapels papieren op zijn bureau, die allemaal door elkaar liggen. Stapels is dan ook een groot woord, zijn bureau ligt vol met papieren zal ik maar zeggen. Verder is Wouter ook vrij ongeorganiseerd, zijn opvolgster heeft ook problemen met zijn werkstijl, waardoor hij is begonnen met het gebruiken van to do-lijsten.

Wat wil je aan Esther meegeven? Geniet ervan, probeer zoveel mogelijk dingen mee te doen, voor je het weet is het weer voorbij. Vergeet niet om tijd voor jezelf te nemen. In het begin denk je dat je overal aan mee kunt en moet doen, maar dat gaat niet. Dat merk je echter pas later in het jaar. Probeer daarom ook niet alles te doen: borrels met Magister JFT, stappen met vrienden in Tilburg en stappen met vrienden thuis: sla af en toe een keer over, anders trek je het niet! Waar ik zelf nog aan denk: ga nu eens bier drinken!

Zien je we je nog bij Magister? Zeker! Naast het actief blijven aan de goede zijde van de bar tijdens de borrels en deelname aan hopelijk een aantal mooie activiteiten zal ik plaatsnemen in de Opleidingscommissie Rechtsgeleerdheid binnen Vrijspraak samen met o.a. mijn (inmiddels oud-)bestuursgenoot Wouter. Van hem ben ik dus ook nog niet af…

Eerste indruk van: Roy Mijn eerste indruk van Roy heb ik reeds beschreven in de eerste SecJure van de vorige jaargang. Van Helvoirt zou een ware vrouwenverslinder zijn. Van deze indruk is echter weinig waar gebleken en volgens de officiële documenten is hij nog steeds bezig met het verslinden van zijn eerste aanwinst dit jaar. Roy is een bescheiden, nuchtere jongeman. Prettig in de omgang, geen gedoe en ‘to the point’. Typen kan hij als de beste, net zoals verjaardagskaarten en post versturen. In een minder nuchtere staat moet je bij hem zijn voor (letterlijk) eindeloze sterke verhalen. Ook legt hij het spelletje graag nog een keer uit en is heeft hij dit jaar geleerd om veel slechte grappen te maken! Velen zouden hem een hoog aaibaarheidsgehalte toekennen. Toch kan deze Schijndelaar pittig uit de hoek komen tijdens discussies, zoektochten naar Topadvocaten en braspartijen op constitutieborrels! Menig zusterbestuur heeft hij (bijna) aan het huilen gebracht met zijn partners in crime Wouter en ondergetekende. Gelukkig hoef ik hem nog niet te missen en zullen we elkaar nog genoeg zien in de collegebanken.

Wat wil je aan Naomi meegeven? Allereerst het allerbelangrijkste natuurlijk: de bankpassen van de club! Daarnaast zou ik willen meegeven om er zoveel mogelijk van te genieten. Het jaar vliegt namelijk voorbij.

9 | SecJure Oktober 2011


Beschouwing

Smaad & privacy:

de grens van vrijheid van meningsuiting Nina Dorenbosch

Hoewel steeds minder mensen zich er bewust van lijken te zijn, is de vrijheid van meningsuiting geen absoluut recht. Zowel artikel 7 van de Grondwet als artikel 10 van het EVRM staan bepaalde beperkingen toe. Smaad en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, oftewel privacy, zijn daar voorbeelden van. Een tijdje geleden was het begrip smaad weer actueel toen de Hoge Raad de veroordeling van Maurice de Hond definitief maakte.1 Dit deed bij mij de vraag opkomen waar de grens van vrijheid van meningsuiting ligt. Wanneer prevaleert de vrijheid en wanneer is er sprake van smaad? Hoe zit het daarnaast met de verhouding tussen privacy en persvrijheid?

Smaad Artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht omschrijft smaad als de opzettelijke aanranding van iemands eer of goede naam, door de beschuldiging van een bepaald feit, met het doel dat bekend te maken. Het gaat hierbij om een uitlating waarbij de reputatie van iemand dusdanig wordt aangetast, dat zijn of haar morele integriteit in het gedrang komt. De beschuldiging heeft betrekking op een specifiek misdrijf of een moreel verwerpelijke gedraging, zoals een buitenechtelijke relatie. Ondanks dat het aan de definitie voldoet, kan de uitspraak soms toch toelaatbaar zijn. Artikel 10 van het EVRM staat namelijk alleen beperking van de vrijheid van meningsuiting toe als het, behalve bij wet te zijn voorzien en een van de legitieme beperkingen dienend, ook noodzakelijk is in een democratische samenleving. Soms kan het volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens noodzakelijk zijn om ‘beledigende, schokkende of verontrustende’ informatie te verstrekken, omdat dit nodig is voor het publieke debat.2 Hierbij is ook van belang of het gaat om een publieke persoon, zoals een politicus, omdat deze vanwege zijn functie meer kritiek heeft te dulden.3

Maurice de Hond Eind november 2006 werd Maurice de Hond op aandringen van het slachtoffer vervolgd voor smaad en smaadschrift, omdat hij de ‘klusjesman’ had aangewezen als de dader in de Deventer moordzaak. Hij had in SecJure Oktober 2011 | 10

meerdere dagbladen, televisieprogramma’s en op zijn weblog bevestigd dat hij er honderd procent zeker van was dat ‘klusjesman’ Michael de moord had gepleegd. Daarnaast had hij ook gesteld dat diens vrouw hem een vals alibi had verschaft. Vooral het grote aantal keren dat de opiniepeiler, een man van algemene bekendheid en daardoor ook van enig gezag, de beschuldigingen uitte, betekende dat zijn aantijgingen onder de definitie van smaad vielen. Zoals eerder gezegd hoeft een dergelijke opmerking nog niet strafbaar te zijn en de advocaat van de verdachte, Knoops, heeft dan ook een beroep gedaan op artikel 10 EVRM. Maurice de Hond zou er alleen op uit zijn geweest om aan te tonen dat er heel wat mis was gegaan bij het onderzoek naar de moord op de weduwe Wittenberg en om hiermee een discussie op te roepen over de prestaties van politie en justitie. Een eventuele veroordeling van de ‘klusjesman’ zou niet zijn bedoeling zijn geweest. Terwijl de verdachte dit bedoelde als een argument wat voor hem zou moeten spreken, zag het Hof dit precies andersom. Juist omdat het doel was geweest om tekortkomingen bij politie en justitie aan te tonen, was het niet nodig om Michael aan te wijzen, De Hond had dit ook anders kunnen bewerkstelligen. Bovendien ging het in dit geval om een gewone burger en niet een publieke persoon. Ook daarom woog het belang van de aangever hier zwaarder dan het belang dat door vrijheid van meningsuiting was gediend. Maurice de Hond werd, evenals in eerste aanleg, veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Half juni oordeelde de Hoge Raad dat er geen reden was om de uitspraak van het Hof te herzien.

Super-injunctions In geval van onjuiste beschuldiging zoekt men in Nederland meestal nog zijn toevlucht bij een aanklacht van smaad, maar in Engeland en Wales worden dit soort problemen meer en meer op een andere wijze opgelost. Hier is namelijk sinds 2009 de ‘super-injunction’ in aantocht. Al jaren is er de gewone injunction; een gerechtelijk verbod op het doen van bepaalde uitlatingen, wat ook in Nederland wel wordt gebruikt, zoals recentelijk het geval was bij Edwin de Roy van Zuydewijn.4 Dit wordt vaak toegepast in afwachting van een rechtszaak aangaande smaad of om een rechtszaak juist te voorkomen.


Een super-injunction verschilt van een gewoon bevel doordat het de pers ook niet meer is toegestaan om te rapporteren dat er sprake is van een verbod; op het verbod zelf ligt ook een zwijgplicht.5 Hoger beroep is uiteraard mogelijk, maar dit kan wel zes maanden duren en in de tussentijd mag het artikel niet gepubliceerd worden. Dit brengt de kans met zich mee dat het onderwerp na een half jaar verouderd is, waardoor het publiek zijn gehele recht op informatie wordt ontzegd. Bovendien kan een krant het soms te duur vinden om het verbod aan te vechten. Wie een publicatieverbod negeert kan worden veroordeeld voor contempt of the court.6 Dit wordt in landen die het common law systeem kennen, gebruikt als iemand de rechtbank niet gehoorzaamt. Het heeft een grote afschrikwekkende werking aangezien er ofwel een gevangenisstraf op staat ofwel een geldboete van ongelimiteerde hoogte. De reden dat injunctions zo effectief zijn, vloeit voor uit de Spycatcher Case uit eind jaren tachtig, waarin is bepaald dat een verbod niet alleen geldt voor de krant tegen wie het uitgegeven is, maar voor elke nieuwsorganisatie die er weet van heeft.7 Het is dus voor een advocatenkantoor niet nodig om telkens opnieuw iemand gerechtelijk de mond te snoeren. De krant hoeft alleen maar geattendeerd te worden op het bestaande verbod.

Hoe het begon: Trafigura De ophef over super-injunctions begon met een rapport over het dumpen van giftig afval in Ivoorkust, dat gestolen was van het bedrijf Trafigura en werd overgeleverd aan de krant The Guardian.8 De handelsonderneming Trafigura eiste en kreeg een super-injunction, die inhield dat het rapport noch het feit dat er een verbod was, gepubliceerd mochten worden. Een parlementslid vroeg zich echter af wat voor effect dit zou hebben op de vrijheid van meningsuiting en stelde hierover een vraag in het Lagerhuis. De advocaten van Trafigura beweerden dat de super-injunction ook gold voor het publiceren van parlementaire stukken, maar om vierhonderd jaar geschiedenis te grabbel te gooien aan advocaten die zelfstandig de persvrijheid proberen in te perken ging dan toch echt te ver; het recht op vrije publicatie van parlementaire handelingen stamt namelijk nog uit de Bill of Rights van 1689. De Britten bonden de strijd aan en wel op Twitter, waar de naam van het parlementslid en de vraag zelf vrijelijk werden verspreid. Als gevolg hiervan besloten de advocaten allereerst toe te staan om openbaar te maken dat er sprake was van een verbod. De gehele ban werd uiteindelijk opgeheven toen het rapport over de afvaldumping op internet terecht kwam. Het is echter nog steeds niet duidelijk wat de wet precies 11 | SecJure Oktober 2011


bepaalt betreffende de verhouding tussen het parlementaire privilege en gerechtelijke bevelen, zelfs na een jaar onderzoek door de hoogste juristen in het land.9 De Lord Chief Justice Lord Judge heeft wel gezegd dat ook het publiceren van uitspraken van parlementariërs, die een verbod negeren enkel omdat ze tegen de privacywetgeving zijn, contempt of court kan opleveren. Hiermee is evenwel nog niet alles zeker en dus zal er een nieuw onderzoek komen.

Beroemdheden v. Roddelpers De vraag is hoe functioneel een super-injunction nog is als alles toch op internet terecht komt, waar men anoniem het verbod kan schenden zonder gestraft te worden. Toch weerhield dit niet de vele beroemdheden die volgden super-injunctions aan te wenden om hun schan-

Soms kan het volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens noodzakelijk zijn om ‘beledigende, schokkende of verontrustende’ informatie te verstrekken

dalen uit de pers te houden. Vele verboden werkten waarschijnlijk ook prima, al is dat moeilijk te controleren door al de geheimzinnigheid. Gezien vanuit de beroemdheid is het enige probleem van een publicatieverbod dat men wel bewust moet zijn van het artikel dat in de maak is. De roddelpers is niet altijd even consequent in het vragen naar de andere kant van het verhaal en zo ook bij Max Mosley. Van de ene op de andere dag was een niet geheel waarheidsgetrouwe weergave van het seksleven van deze president van de Formule 1 overal te lezen én te bekijken.10 Een injunction heeft niet veel zin meer als het al algemeen goed is geworden, zo vond ook de rechter, maar deze schending van het recht op privacy had wel een schadevergoeding ten gevolge. Het verhaal kreeg nog een staartje. Mosley adverteerde een soort recht op super-injunctions voor iedereen die zich in zijn privacy bedreigd voelt, wanneer hij hierna bij het EHRM verzocht om een plicht voor journalisten om vóór publicatie het ‘onderwerp’ te attenderen op het artikel. Zo bracht hij de kwestie weer terug naar waar het allemaal begon. De super-injunctions zijn namelijk voortgekomen uit de strijd die ontstond tussen artikel 8 en artikel 10 van het EVRM SecJure Oktober 2011 | 12

nadat het Verenigd Koninkrijk in 2000 het EVRM ratificeerde. In de Max Mosley zaak beklaagde het Hof weliswaar het gedrag van de Engelse krant, de inmiddels opgeheven News of the World, maar kon zich niet vinden in een verplichte waarschuwing vóór publicatie.11 Een dergelijke plicht zou niet alleen effect hebben op de sensatiepers, maar ook op zaken die van publiek belang zijn. Het Hof vreesde dat een strafrechtelijke sanctie of punitieve schadevergoeding een verstarrend effect zou hebben op juist die laatste categorie journalistiek waaraan artikel 10 EVRM extra veel bescherming dient te bieden. Hoewel de verplichting die Mosley voorstelde een grote inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zou zijn, is het wel zo dat op het moment de super-injunction juist de consciëntieuze journalist raakt. Deze is namelijk degene die wel op zoek gaat naar de andere kant van het verhaal en daarmee de deur openzet voor het publicatieverbod.

Conclusie Vrijheid van meningsuiting eindigt daar waar een uitspraak iemands morele integriteit aantast. De verhouding tussen privacy en persvrijheid is er een die voor iedere zaak opnieuw bekeken moet worden, met het oog op het publiek belang bij de uitkomst van de informatie en het persoonlijke belang om niet alles openbaar te hoeven maken. Er zijn natuurlijk altijd aangelegenheden die zonder twijfel privé moeten blijven, maar het grote verschil tussen een aanklacht van smaad en een superinjunction is dat dit laatste voorafgaat aan publicatie. Bij Maurice de Hond is gebleken dat hij zijn doel ook op een andere manier kon bereiken, maar dit zal niet bij elk geval van tevoren duidelijk zijn. Voor de bescherming van beroemdheden tegen de bemoeienissen van de roddelpers werkt een publicatieverbod uiteraard beter dan een claim achteraf wegens smaad, maar het zijn de effecten die ditzelfde mechanisme kan hebben op de serieuze onderzoeksjournalistiek waarvoor men moet oppassen. (Endnotes) 1 HR 14 juni 2011, LJN BP0287. 2 EHRM 4 juni 2009 (Standard Verlags GmbH v. Oostenrijk). 3 EHRM 8 juli 1986, NJ 1987, 901. 4 ‘Justitie legt De Roy van Zuydewijn zwijgplicht op over incestbeschuldiging’, Volkskrant 6 juli 2011. 5 Clive Coleman, ‘Has the John Terry Case doomed super-injunctions?’, BBC 23 februari 2010, http://news.bbc.co.uk/2/hi/ uk_news/8528685.stm. 6 G. Gooch & M. Williams, Oxford Dictionary of Law Enforcement, Oxford: Oxford University Press 2007, p. 85. 7 High Court Australia 2 juni 1988, Attorney General (UK) v. Heinemann Publishers Australia PTY. LTD. [1988] 165 CLR 30. 8 ‘‘Toxic waste’ report gag lifted,’ BBC 17 oktober 2009, http:// news.bbc.co.uk/2/hi/uk_news/politics/8311885.stm. 9 ‘MPs attacked for flouting orders’, London Evening Standard 21 mei 2011. 10 Amber Melville-Brown, ‘Max Mosley, the media and UK privacy laws’, Law Gazette 19 mei 2011. 11 EHRM 10 mei 2011, nr. 48009/08 (Mosley v. the United Kingdom).


Beschouwing

Staan VN-resoluties boven mensenrechten? De invloed van de Kadi-uitspraak op de Nederlandse rechtsorde Anne de Vries Ben je als burger beschermd wanneer je grondrechten worden geschonden door de VN? Kunnen VN-resoluties getoetst worden aan Europese grondrechten? In september 2008 deed het Hof van Justitie hierover uitspraak in de geruchtmakende Kadi & Al Barakaat-zaak.1 Het Hof bepaalde in de Kadi-zaak dat EU-verordeningen die VN-resoluties implementeren ook getoetst kunnen worden aan Europese grondrechten. De Kadi-uitspraak kan gezien worden als een mijlpaal voor de mensenrechtenbescherming in de EU. De uitspraak heeft veel stof doen opwaaien, omdat het Hof van Justitie indirect de VN-resolutie zou beoordelen op haar rechtmatigheid, terwijl de EU op de internationale ladder onder de VN staat.2 Of de Nederlandse rechter het Hof van Justitie hierin zou volgen was niet duidelijk. Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag zich als eerste Nederlandse rechter expliciet over deze kwestie uitgelaten: de Kadiuitspraak is ook van toepassing binnen de Nederlandse rechtsorde.3 Volgens het Gerechtshof Den Haag moet Nederlandse regelgeving in overeenstemming zijn met Europese grondrechten, ook wanneer zij een VN-resolutie implementeert.4 De uitspraak is een novum in het Nederlandse recht en vanuit mensenrechtelijk oogpunt te verwelkomen. Vanuit een strikt positiefrechtelijke aanpak was een andere uitkomst echter ook denkbaar geweest. Zo lijkt de Raad van State in een uitspraak uit 2010 zich terughoudend op te stellen bij de toetsing van een besluit dat gebaseerd is op een VN-verdrag.5 In dit artikel zullen de Kadi-uitspraak van het Hof van Justitie en de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag en de Raad van State worden besproken en vergeleken. Met name zal worden ingegaan op het conflict waarin de nationale rechter zich bevindt: het Hof van Justitie volgen, of de VN?

Het Hof van Justitie in de Kadi & Al Barakaatuitspraak In de Kadi & Al Barakaat-uitspraak gaat het om de rechtmatigheid van de bevriezing van financiĂŤle tegoeden van personen en entiteiten die geassocieerd worden met de Taliban. Deze personen en entiteiten staan vermeld op een door de VN-Veiligheidsraad bij resolutie vastgestelde lijst.6 De staten dienen de resolutie strikt uit te voeren en zijn verantwoordelijk voor de feitelijke bevriezing

van de tegoeden.7 Aanvankelijk was er een compleet gebrek aan bescherming tegen de plaatsing op de lijst: de redenen voor plaatsing werden niet bekend gemaakt en er bestond geen procedure waarin de rechtmatigheid van de plaatsing getoetst kon worden.8 Later is de rechtsbescherming enigszins verbeterd doordat personen en entiteiten op de lijst de mogelijkheid kregen om een verzoek te doen om van de lijst gehaald te worden.9 Een dergelijk verzoek wordt echter niet behandeld door een onafhankelijke rechter die zelfstandig de feiten vaststelt, het recht toepast en een persoon van de lijst kan schrappen.10 De betreffende VN-resoluties zijn vervolgens op EU niveau geĂŻmplementeerd in een EU-verordening.11 In Kadi & El Barakaat speelde de vraag of deze verordening nietig is wegens een schending van het recht op een eerlijk proces en het recht op eigendom.12

Het Gerecht van eerste aanleg Het Gerecht van eerste aanleg oordeelde dat, hoewel er een schending was van het recht op een eerlijk proces en het recht op eigendom, deze schending niet kan leiden tot vernietiging van de verordening. Toetsing van de verordening zou namelijk indirect leiden tot toetsing van de VN-resolutie. Dit zou onder meer in strijd zijn met artikel 103 van het VN-Handvest dat bepaalt dat de verplichtingen uit het VN-Handvest (waar ook VN-resoluties onder begrepen worden) voorgaan op daarmee strijdige andere internationale verplichtingen. Volgens het Gerecht gaan VN-resoluties in beginsel voor op internationale mensenrechtenverdragen. Dit is slechts anders 13 | SecJure Oktober 2011


indien de VN-resolutie normen van ius cogens schendt; hogere internationale normen waaraan alle internationale instanties onvoorwaardelijk gebonden zijn.13

Het Hof van Justitie Het Hof van Justitie neemt een andere positie in en vernietigt de verordening wegens strijd met het recht op een eerlijk proces en het recht op eigendom.14 Volgens het Hof vormt de eerbiediging van de grondrechten een van de grondslagen van de Europese Unie. Het is de taak van de Europese rechter te beoordelen of Europese regelgeving deze grondrechten respecteert.15 Dit is niet anders wanneer een verordening uitvoering geeft aan een VN-resolutie; een dergelijke verordening geniet geen immuniteit van jurisdictie.16 Hoewel het Hof zichzelf niet bevoegd acht om VN-resoluties te toetsen (ook niet aan normen van ius cogens), levert de toetsing van een verordening die een VN-resolutie implementeert volgens het Hof geen indirecte toetsing van die VN-resolutie op.17 Vervolgens overweegt het Hof dat zelfs wanneer verplichtingen die voortvloeien uit het VN-Handvest een plek zouden krijgen binnen de Europese rechtsorde, deze nog geen voorrang zouden hebben op de algemene beginselen van de EU, waaronder de grondrechten.18 Hiermee lijkt het Hof de voorrang van VN-regelgeving op grondrechten überhaupt niet te erkennen, ook niet indien de resolutie rechtstreeks zou doorwerken in de Europese rechtsorde. Hoewel het Hof zich dus eerst niet bevoegd acht om VN-resoluties te beoordelen, lijkt het dit daarna feitelijk toch te doen.

Onzekerheid over de gevolgen van Kadi voor de lidstaten Het Hof van Justitie laat zich in Kadi niet uit over de consequenties van de uitspraak voor de lidstaten. Hierdoor is onduidelijk in hoeverre lidstaten vrij zijn om VN-resoluties die strijdig zijn met Europese grondrechten op nationaal niveau te implementeren. Opvallend is de overweging van het Hof dat de uitvoering van VN-resoluties dient te geschieden volgens de nationale regels van elk van de leden van de VN, aangezien het VN-Handvest in beginsel de vrije keuze laat tussen verschillende implementatie-mogelijkheden.19 Het is niet helemaal duidelijk wat het Hof hiermee bedoelt. Enerzijds kan betoogd worden dat het Hof meent dat door vrijelijk te kiezen voor implementatie op EU-niveau de EU-grondrechten van toepassing worden. Dit zou betekenen dat lidstaten toetsing aan deze grondrechten kunnen voorkomen door te kiezen voor implementatie op nationaal niveau. Anderzijds kan betoogd worden dat het Hof hiermee juist heeft bedoeld dat ook bij implementatie op nationaal niveau rekening gehouden moet worden met de Europese grondrechten. Deze grondrechten vormen immers ook een integraal onderdeel van de nationale rechtsstelsels SecJure Oktober 2011 | 14

van de lidstaten. Tot het Hof van Justitie deze kwestie verduidelijkt zal het aan de nationale rechters zijn om te bepalen in hoeverre ze de Kadi-uitspraak volgen. De twee, hierover tamelijk tegengestelde, uitspraken van de Nederlandse rechter zullen nu besproken worden.

De Raad van State In de uitspraak van 3 maart 2010 van de Raad van State ging het over de weigering van de Minister van Defensie om documenten over de VN-vredesoperatie in Srebrenica openbaar te maken.20 De Afdeling oordeelde dat deze documenten terecht geweigerd zijn, omdat het ging om VN-documenten die ingevolge artikel II § 4 van het VN-Immuniteitsverdrag onschendbaar zijn. Deze documenten kunnen daarom niet zomaar door een orgaan van een staat openbaar gemaakt worden.21 Dit vormt geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM. Het gaat dan ook volgens de Afdeling om een situatie die niet vergelijkbaar is met de Kadiuitspraak, waar het wel ging om de schending van een grondrecht.22 Tot zover is de uitspraak goed te volgen. Echter, de Afdeling voegt hieraan toe dat er nog een ander wezenlijk verschil is met de Kadi-uitspraak. Terwijl het besluit van de minister rechtstreeks gebaseerd is op het VN-Immuniteitsverdrag, ging het in Kadi om implementatieregelgeving waarbij lidstaten de vrije keuze hadden tussen verschillende manieren om een VN-resolutie te implementeren. Het Hof van Justitie heeft zich niet bevoegd geacht de wettigheid van een dergelijke resolutie te beoordelen, aldus de Afdeling. Het lijkt er op dat de Afdeling meent dat toetsing van een besluit dat rechtstreeks gebaseerd is op een VN-verdrag tevens leidt tot toetsing van dat VN-verdrag zelf, wat ingevolge de Kadi-uitspraak niet is toegestaan. Een dergelijke opvatting getuigt mijns inziens van een onjuiste lezing van de Kadi-uitspraak. Daarin bepaalde het Hof, zoals gezegd, dat zelfs wanneer VN-verplichtingen een plek zouden krijgen binnen de Europese rechtsorde, deze nog geen voorrang zouden hebben op grondrechten.23 Daarnaast bepaalde het Hof expliciet dat het EG-verdrag geen grond biedt voor lidstaten om bij de uitvoering van internationale verplichtingen af te wijken van de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.24 Het Hof spreekt hier van “uitvoering van internationale verplichingen” wat niet slechts implementatieregelgeving inhoudt, maar ook andere besluiten. Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat het inconsistent zou zijn om regelgeving ter implementatie van VN-resoluties wel te toetsen aan grondrechten en andere besluiten ter uitvoering van VN-verplichtingen niet. De Raad van State lijkt een te restrictieve uitleg van de Kadi-zaak aan te hangen door te stellen dat deze slechts van toepassing is op besluiten die VN-resoluties implementeren. Aangezien im-


plementatieregelgeving veelal algemeen verbindende voorschriften betreft en hiertegen geen beroep bij de Afdeling openstaat (zie artikel 8:2 Awb), heeft de Afdeling binnen haar werkterrein de werking van de Kadiuitspraak zeer beperkt.

De uitspraak van het Gerechtshof Den Haag In de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 april 2011 ging het om de rechtmatigheid van een regeling die Iraanse onderdanen uitsluit van opleidingen waar zij nucleaire kennis kunnen opdoen.25 Deze regeling strekt tot uitvoering van een VN-resolutie. Het Gerechtshof oordeelt dat de regeling discriminerend is en dat de VN-resolutie ook had kunnen worden geïmplementeerd zonder dat dit zou leiden tot discriminatie.26 Maar zelfs wanneer de VN-resolutie Nederland geen enkele keuze had gelaten volgt uit de Kadi-uitspraak dat het de Nederlandse rechter vrij staat de regeling aan de grondrechten te toetsen, aldus het Gerechtshof. De rechtbank heeft volgens het Gerechtshof ten onrechte geoordeeld dat bij gebrek aan implementatievrijheid toetsing aan de grondrechten niet mogelijk is omdat uit artikel 103 VNHandvest volgt dat VN-regelgeving voorrang heeft.27 Het Gerechtshof neemt in deze zaak een duidelijke positie in: de Kadi-uitspraak is van toepassing in Nederland. Ook indien een VN-resolutie op nationaal niveau wordt geïmplementeerd mag dit geen strijd opleveren met mensenrechten. Dit is in overeenstemming met een advies uit 2010 van de Staatscommissie Grondwet om artikel 94 GW zo aan te passen dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen toepassing vinden indien zij in strijd zijn met fundamentele Nederlandse grondrechten.28

Conclusie Hoewel de Kadi-uitspraak een belangrijke stap is voor de mensenrechten blinkt hij niet uit in duidelijkheid. Welk effect de uitspraak heeft in de lidstaten, hangt vooralsnog af van de nationale rechter. De Raad van State kiest voor een restrictieve uitleg waarbij besluiten die rechtstreeks gebaseerd zijn op VN-verdragen immuniteit genieten van toetsing aan mensenrechten. Het Gerechtshof, daarentegen, kiest voor een aanpak die vanuit de mensenrechtenbescherming te verkiezen is: nationale regelgeving die VN-resoluties implementeert kan in volle omvang aan de Europese grondrechten getoetst worden. Bescherming door de nationale rechter zal nodig blijven zolang er voor private partijen geen goede rechtsbescherming op VN niveau bestaat.29 Zoals Advocaat-Generaal Maduro in de Kadi-zaak opmerkt: “In times where the risk of threats to international peace and security are considered to be extremely high, there is a risk that the fundamental rights of individuals become subordinate to political motives and the fears of the majority.”30

(Endnotes) 1 HvJ EG, 3 September 2008, nr. C-402/05 & C-415/05 (Kadi & Al Barakaat International Foundation t. Raad en Commissie), Jur I, p. 6351. 2 Zie kritisch G. Búrca, ‘The European Court of Justice and the International Legal Order after Kadi’, Jean Monnet Working Paper No. 1/09. (<www.jeanmonnetprogram.org/papers/09/090101. html>). Zie ook de recente uitspraak van het Gerecht EU, nr. T85/09 (Kadi t. Commissie), para. 115-121, waarin het Gerecht de voornaamste kritiek op de Kadi-uitspraak opsomt en te kennen geeft dat deze kritiek niet geheel ongefundeerd is. 3 Gerechtshof ’s-Gravenhage 26 april 2011, JB 2011, 160 m. nt. R.J.B. Schutgens. 4 Gerechtshof ’s-Gravenhage 26 april 2011 (n. 3), r.o. 5.5. 5 ABRvS 3 maart 2010, AB 2010, 109 m.nt. P.J. Stolk. Zie met name r.o. 2.4.6. 6 VN Resolutie 1267 UNSC van oktober 1999, onder par. 2 en VN Resolutie 1333 van 19 december 2000. 7 VN Resolutie 1267 onder par. 6; zie ook HvJ Kadi (n. 1), par. 15 en 20. 8 GvEA EG 2005, nr. T-315/01 (Kadi t. Raad en Commissie), Jur. II 2005, p. 3649, para. 273 en GvEA EG, 21 september 2005, nr. T-306/01 (Yusuf & Al Bakaraat International Foundation t. Raad en Commissie), Jur. II 2005, p. 3533, par. 273. 9 Resolutie1730 van de Veiligheidsraad van 19 December 2006; Resolutie 1735 van de Veiligheidsraad van 22 December 2006; Resolutie van de Veiligheidsraad van 1822 van 30 June 2008. 10 Resolutie 1730, at para. 8 en The Al-Qaida and Taliban Sanctions Committee, Guideline of the Committee for the conduct of its work, amended on 8 December 2008, par. 7 (g). Voor meer info, zie: J. Reich, ‘Due Process and Sanctions Targeted Against Individuals Pursuant to Resolution 1267 (1999)’, Yale Journal of International Law (33)2008- 2, p. 5. 11 Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban (PBEU 2001 L139/9). 12 Ondermeer vastgelegd in artt. 6 en 13 EVRM en art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. 13 GvEA EG 2005, nr. T-315/01 (Kadi t. Raad en Commissie), Jur. II 2005 en GvEA EG, 21 september 2005, nr. T-306/01 (Yusuf & Al Bakaraat International Foundation t. Raad en Commissie), Jur. II 2005, p. 3533, para. 182-184, 221-226 en 230. 14 HvJ Kadi (n. 1), par. 281 e.v. 15 HvJ Kadi (n. 1), par. 283-285 en 303-304. 16 HvJ Kadi (n. 1), par. 299-300. 17 HvJ Kadi (n. 1), par. 286-288 en 299. 18 HvJ Kadi (n. 1), par. 305-309. 19 HvJ Kadi (n. 1), par. 298. 20 ABRvS 3 maart 2010 (n. 5). 21 ABRvS 3 maart 2010 (n. 5), r.o. 2.4.4. 22 ABRvS 3 maart 2010 (n. 5), r.o. 2.4.6. 23 HvJ Kadi (n. 1), par. 305-309. 24 HvJ Kadi (n. 1), par. 301-303. 25 Gerechtshof ’s-Gravenhage 26 april 2011 (n. 3). 26 Gerechtshof ’s-Gravenhage 26 april 2011 (n. 3), r.o. 5.4. 27 Gerechtshof ’s-Gravenhage 26 april 2011 (n. 3), r.o. 5.5. 28 Rapport Staatscommissie Grondwet 2010, 11 november 2010, p. 125-130 (te vinden op: ,www.staatscommissiegrondwet.nl/ publicaties>). 29 Zie artikel 24 van het Statuut van het Hof van Justitie. Voor meer over het gebrek aan rechtsbescherming voor particulieren op VN-niveau zie: M. Nettesheim, ‘U.N. Sanctions against individuals – A challenge to the architecture of European Union Governance’, CML Rev (44)2007, p. 568; I. Cameron, ‘UN Targeted Sanctions, Legal Safeguards and the ECHR’, Nordic Journal of International Law (72)2003, p. 159-214. 30 Conclusie van AG Poiares Maduro in Zaak C-402/05 P(Kadi), 16 januari 2008, par. 45.

15 | SecJure Oktober 2011


Play to Win. BANNING Advocaten is een advocatenkantoor met ambitie. Om te winnen heb je talent en inzet nodig, in de juiste samenstelling. Vanuit onze kantoren in ’s-Hertogenbosch en Rotterdam werken we met ruim 85 advocaten voor nationale en internationale cliënten. In onze 9 gespecialiseerde praktijkgebieden zijn sterke teams samengesteld met de juiste mix van jonge talenten en ervaren advocaten. Zo worden nieuwe inzichten continu gecombineerd met oude wijsheid en blijft BANNING zich ontwikkelen. Daarmee behaalt BANNING succes. Ook worden er met regelmaat teams gevormd uit de diverse praktijkgebieden en zijn er specialisten met expertise binnen de zorg-, energie-, technologie- en automotive sector. De advocaten van BANNING worden ondersteund door het eigen Wetenschappelijk Bureau, verantwoordelijk voor onderwijs, onderzoek en kennismanagement.

Interview met mr. Peter Huijbregts Peter Huijbregts studeerde in 2009 af in de richting Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit van Maastricht. Na zijn master Staat- en Bestuursrecht is hij in augustus 2009 beëdigd als advocaat in het arrondissement Rotterdam waar hij werkzaam was bij Loyens & Loeff. Het inhoudelijke deel van zijn beroepsopleiding heeft hij doorlopen middels The Law Firm School. In dit kader heeft hij kennis opgedaan over de internationaal commerciële en financiële rechtspraktijk.

Hoe ziet je werkweek eruit? De week begint met het doornemen van post en email. Daarna bekijk ik mijn roloverzicht met lopende zaken en maak globaal een indeling voor de week. Het is belangrijk om termijnen en afspraken met cliënten strikt na te komen. Naast mijn eigen werkzaamheden informeer ik vaak of kantoorgenoten nog interessante besprekingen of zittingen hebben die in het kader van mijn opleiding relevant zijn.

Sinds juni 2011 is Peter werkzaam als advocaat bij BANNING binnen de vastgoedpraktijk. Hierbij gaat zijn aandacht voornamelijk uit naar het algemeen bestuurs(proces)recht, ruimtelijke ordeningsrecht en het milieurecht.

Op woensdag is er overleg met de business-unit. Tijdens dit overleg komen lopende zaken aan bod, evenals actuele jurisprudentie. Het bestuursrecht is ontzettend breed, maar tegelijkertijd ook heel specialistisch. Je kunt dus altijd veel van elkaars ervaringen opsteken. Op donderdag heb ik milieurechtoverleg. Tijdens dit overleg komen acquisitiemogelijkheden, onderwerpen voor mogelijke publicaties en relevante ontwikkelingen op milieurechtelijk gebied aan bod. Op vrijdagmiddag wordt de week afgesloten in de bar. Jong of oud, advocaat of secretaresse, samen wordt er getoost op het weekend.

Waarom heb je voor BANNING gekozen? Ik heb voor BANNING gekozen omdat ik bij dit kantoor de uitdaging heb gevonden waar ik naar op zoek was. Tijdens mijn studie ben ik werkstudent geweest bij NautaDutilh. Na mijn studie heb ik twee jaar gewerkt bij Loyens & Loeff. Ik weet daarom als geen ander wat een groot internationaal kantoor te bieden heeft, maar ook wat niet. Bij BANNING heb ik mijn persoonlijke uitdaging gevonden: het volledige advocatenberoep uitoefenen. Binnen relatief korte tijd wordt je hier als volwaardig advocaat gezien en adviseer en procedeer je zelfstandig. Natuurlijk kun je hierbij altijd rekenen op gedegen begeleiding. De dynamiek van het vak komt bij BANNING beter uit de verf. Ondernemende types en goede ideeën krijgen daarnaast bij BANNING volop de ruimte. Ik werk samen met een kantoorgenoot, mr. Tim Segers, aan het uitbouwen van de milieurechtpraktijk van BANNING die wij op de (landelijke) kaart willen zetten. Dit kost veel tijd en moeite, maar een uitdaging is het zeker!

SecJure Oktober 2011 | 16

Zijn er vaardigheden die je in je studententijd hebt geleerd, waar je nu nog veel aan hebt? Ja. Ik vind het aardig dat in deze vraag wordt gerefereerd aan ‘de studententijd’ en niet aan ‘de tijd op de universiteit’. Als advocaat moet je namelijk over verschillende capaciteiten beschikken die je niet uitsluitend op de universiteit leert. Het is immers een beroep waarin je soms betrokkenheid moet tonen bij cliënten, maar soms ook zakelijke keuzes moet maken. Daarnaast is het belangrijk om doortastend en juridisch vaardig te zijn. Mijn juridische basisvaardigheden heb ik zeker op de universiteit meegekregen. Overige meer sociale vaardigheden heb ik opgedaan tijdens bijbaantjes en bestuursfuncties. Al deze vaardigheden komen direct, of indirect bij dit werk van pas.


Advertorial

Kun je meer vertellen over de verschillen tussen interne opleidingen van BANNING en de The Law Firm School? Voor stagiaires is bij BANNING de opleiding Draakenstein in het leven geroepen, bestaande uit juridische en niet-juridische onderdelen. Je leert rekening te houden met termijnen en reglementen, hoe je beslag moet leggen en wanneer je een deurwaarder in kunt schakelen etc. Deze opleiding biedt ook een aanzienlijk aantal modules om de niet-juridische vaardigheden verder te ontwikkelen zoals presentatievaardigheden, commerciële vaardigheden en adviesvaardigheden. Dit programma duurt in totaal drie jaar. Daarnaast wordt deelgenomen aan het reguliere onderwijs van de beroepsopleiding van de Orde van Advocaten. Het doorlopen van The Law Firm School is uitsluitend mogelijk voor de advocaat-stagiaires die zijn aangesloten bij bepaalde Randstadkantoren. Dit programma duurt in totaal één jaar maar is uiterst intensief. Je volgt daarnaast een beperkt gedeelte van de beroepsopleiding van de Orde van Advocaten. Je moet echter wel dezelfde tentamens maken als iedere andere advocaat-stagiaire. Daarnaast moet je nog een aantal extra vakken doorlopen die allemaal gericht zijn op de internationale commerciële en financiële praktijk. Naar mijn mening zijn beide opleidingsprogramma’s moeilijk met elkaar te vergelijken. Het meest opvallende verschil is volgens mij dat Draakenstein meer op praktische vaardigheden is gericht en The Law Firm School meer op kennisvergaring. Hoe verloopt de sollicitatieprocedure? Doorgaans vindt een eerste kennismakingsgesprek plaats en daarna een verdiepend gesprek met twee of meer advocaten van de sectie waarvoor je solliciteert. Tot slot is er een assessment-dag. Tijdens deze dag krijg je IQ-testen en persoonlijkheidstesten voorgelegd en vindt er een rollenspel en een interview

plaats. Dit assessment is ook bedoeld om de voortgang in je loopbaan op latere tijdstippen te kunnen beoordelen. BANNING is erg gericht op je persoonlijke ontwikkeling, dat is prettig. Er is aandacht voor ieder individu. Ondanks dat ik ‘horizontaal’ ben ingevlogen, heb ik alle onderdelen doorlopen. Op deze manier heb ik het kantoor goed leren kennen, en het kantoor mij. Hierdoor wist ik beter waar ik aan toe was voordat ik definitief besloot de overstap te maken. Welke tips wil je meegeven aan toekomstige sollicitanten? Weet goed waarom BANNING jou zou moeten aannemen, maar ook waarom jij bij BANNING wilt werken. Deze overtuiging is belangrijk. Draag dit uit en ben oprecht. Ben tot slot onderscheidend, want voor tien dezelfde advocaten hebben wij helaas geen plaats. Waar is Peter over vijf jaar? Over vijf jaar heb ik samen met mijn kantoorgenoot de milieurechtpraktijk van BANNING op de kaart gezet. Daarnaast hoop ik mijzelf ooit te verbinden aan een juridische faculteit als hoogleraar Bestuursrecht. Wellicht laat deze wens nog wat langer op zich wachten, maar de ambitie is er. Interesse? Nieuwsgierig naar jouw mogelijkheden bij BANNING? Neem dan contact op met mr. Patricia Bossema-De Greef via telefoonnummer 073-6927 751 of per e-mail naar k.swinkels@banning.nl. Op.14 oktober a.s. organiseren wij weer een kennismakingsmiddag op ons kantoor te ’s-Hertogenbosch. Lijkt je dit interessant, meld je dan snel aan. Kijk voor meer informatie op www.werkenbijbanning.nl

17 | SecJure Oktober 2011


Opinie

Monstrous Court of Human Rights? Rolf Everhardus

The European Convention on Human Rights (ECHR) is a living instrument.1 However, critics now question the legality of the Con-

will challenge the Court’s decision, this case (amongst others) has led to the question whether the UK should not withdraw from the Convention altogether.

vention’s ‘aliveness’. In the last couple of months the European Court of Human Rights (ECtHR), as enforcing body of the ECHR, was criticized throughout Europe, including the Netherlands. Is it true that the Court has become an uncontrollable, ever growing monster with an appetite for Member States’ legislation and sovereignty? This contribution will provide a brief overview of the lively debate and the arguments put forward by both sides.

ECtHR as monster In a recent article2 in a Dutch Newspaper, Blok and Dijkhoff fueled the discussion that was already started by critics of the ECtHR in the Netherlands by stating that the ECtHR rulings are endangering Member States’ sovereignty by questioning their national legislation which is based on democratic processes. In their opinion the precious Trias Politica has been lost, since not the democratically elected politicians, but the ECtHR judges decide on the contents and scope of legislation in the Member States. They state that the ECHR was written for a different period in time. Furthermore, they feel that ECtHR judges have become politicians by deciding on cases of purely national interest, such as access to a Member States welfare system and immigration policies. In their opinion this is one of many examples in which the Court has expanded her jurisdiction and with that, taking a bite out of Member States sovereignty. This could lead to the situation where the ECtHR will lose its credibility and support due to its interference in national democratically legitimized political decisions. This last statement is also under scribed by the UK Supreme Court judge Hale who also spoke out against Strasbourg. Lady Hale is of the opinion that the notion of “Human Rights” is undergoing a constant demotion, especially in the UK. Alleged human rights violations are too easily put forward and accepted in cases.3 For example, recently a UK prisoner successfully secured his voting rights by a ruling of the ECtHR.4 Although the UK government SecJure Oktober 2011 | 18

Back to the Dutch debate. Baudet was one of the first to recently criticize the Court in his essay5 in which he refers to the Court as an all-eating-monster which is threatening the democracy in, and the sovereignty of, the Member-States, which is basically in line with the thoughts of Blok and Dijkhoff.6 In his essay he names several ECtHR cases that he feels to be outrageous, such as Lautsi versus Italy7 which forbids schools to decorate their classrooms with catholic religious symbols because constitutes a violation of the right to freedom of religion. 8 He also points out that there are over 140,000 pending cases and an average waiting list of 6 years before the Court, which makes the Court a highly inefficient last resort. Baudet feels that certain areas of national policy should in no circumstance be ruled by Strasbourg, such as immigration and asylum policies. In his opinion everyone shares the ideals of human rights, however, these ideals cannot be captured in a legal document and cannot be commonly interpreted in a way that is acceptable and fitting for all Member States. The rights and freedoms in the Convention are vague and need interpretation. This interpretation and its limits should be left up to the Member States themselves and not be delegated to judges in Strasbourg who were not democratically chosen and over whom is no control. In addition to the above, in order to gain more control over the Court, professor Zwart has pleaded for a stronger position of the Council of Europe’s Committee of Ministers. This Council should ensure the principle of ‘checks and balances’ with regard to the Courts jurisdiction. 9

ECtHR as protector Both critics and supporters of the Court agree on the enormous caseload of the Court, so it is not strange that there are some controversial rulings to be found. Therefore, these rulings alone cannot serve as examples to dismiss an entire system from which citizens have benefitted since the signing of the ECHR.10 Moreover, rulings of the Court that are very intertwined with national


Is there a monster inside? interests and the national situation are dealt with very cautiously and with restraint. This means that Member States are granted a very wide margin of appreciation11, which is different in cases that deal with fundamental rights (f.e. right to life, prohibition of torture etc.), in which the Court applies a more narrow margin of appreciation. This can be explained by a common understanding among the Member States with regard to those absolute rights and freedoms. In addition to this, in case of disagreement, Member States always have the possibility of appeal at the Grand Chamber of the ECtHR, which has led to different outcomes in the past. Furthermore, the Court allows Member States a wide margin of appreciation to repair a violation of the ECHR. On to the lack of democratic legitimacy and Trias Politica of the Court. Was the ECHR not signed by all the representatives of the Member States, who were elected by their citizens? The Member States, including The Netherlands chose to give up a certain part of its sovereignty, in favour of European protection of human rights. Zwart proposes to let the Committee of Ministers determine how the Court must interpret the ECHR. However, the Committee already makes resolutions on ECHR subjects which are weighed by the Court and which often support even its controversial rulings.12 But more importantly, did Montesquieu not mean by Trias Politica that judges should remain independent from politics? Article 120 of the Dutch Constitution prohibits Dutch judges to challenge the legality of formal laws, such as the constitution. The ECtHR enables citizens to oppose these national laws if they are not in line with their human rights. In addition, one should not forget that the core principle of human rights lies in the protection of citizens against their state. Critics speak of democracy, but might forget that democracy does not only entail the ruling of the majority, but also the protection of the minorities, a service in which the European Court luckily provides. Furthermore, it was said that ECtHR judges have become politicians who are able to freely interpret too vague rights and freedoms laid down in the ECHR.

However, the same goes for Dutch judges, who for instance deal with vague terms such as “reason and justice” 13 . A need for interpretation does not make a judge a politician. Politicians telling judges what to do, does. Last but not least, critics are of the opinion that the ECHR has become obsolete due to its age and changed conditions. However, the right to protection of your human rights and freedoms described in the ECHR remains unchanged, although the present interpretation could be different. Dommering and others name the example of confidentiality of mail; the details may have changed (the term “mail” now also includes e-mail, text messages unheard of in the nineteen fifties) but the protection principle is nonetheless the same.14 The rights and freedoms stated in the ECHR are considered to be universal, inherent to being a human being and therefore timeless.

Concluding remark. This contribution, although brief, hopes to have provided the reader with an insight in the ongoing debate on the ECtHR and of its importance, since human rights concern all of us. In my humble opinion, calling the European Court of Human Rights a monster is an insult to civilization. (Endnotes) 1 This phrase is often used in cases decided by the European Court of Human Rights (ECtHR) and was first used in the Tyrer-case. This phrase basically entails that its content must be viewed in the light of present day conditions. (Tyrer v. United Kingdom, ECtHR (1978), App.No. 5856/72, Series A No 26, (1979-80) 12 EHRR 1, par.31.). 2 Blok/Dijkhoff, Leg het Europese Hof aan banden, De Volkskrant 7 april 2011. 3 Barones B. Hale, Beanstalk or living instrument, how tall can the ECHR grow?, <www.supremecourt.gov.uk/docs/ speech_110616.pdf>. 4 Hirst v. United Kingdom, ECtHR (2005), Appl.No. 74025/01. 5 T. Baudet, ‘Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vormt een ernstige inbreuk op de democratie’, NRC Handelsblad 13 november 2010. 6 Thierry Baudet, ‘Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vormt een ernstige inbreuk op de democratie’, NRC Handelsblad 13 november 2010. 7 Lautsi v. Italy [GC], ECtHR (2011), Appl.No. 30814/06. 8 Burgemeester heeft Maastrichtse coffeeshop onterecht gesloten’, 29 juni 2011, < http://www.raadvanstate.nl/pers/persberichten> 9 T. Zwart, Bied dat mensenrechtenhof weerwerk, NRC Handelsblad 17 januari 2011 10 J. Gerards, Waar gaat het debat over het EHRM nu eigenlijk over?, NJB 2011/10 11 The margin of appreciation doctrine takes the view that the EHRM can be interpreted differently in Member States and, therefore, allows Member States maneuvering space to fulfill their obligations under the Convention. Judges have to consider cultural, historic and legal traditions of the Member States. This doctrine was first used in the Handyside v. The United Kingdom case. (Handyside v. United Kingdom, ECtHR (1976), Appl.No. 5493/72. 12 Dommering/Hins/Lawson/Peters, Met Europese Verdrag voor de mensenrechten is niets mis, De Volkskrant 11 april 2011. 13 “Redelijkheid en billijkheid”, see for example: article 3 of book 3 of the Dutch Civil Code. 14 Dommering/Hins/Lawson/Peters, Met Europese Verdrag voor de mensenrechten is niets mis, De Volkskrant 11 april 2011.

19 | SecJure Oktober 2011


Opinie

Panterprintjes en tijgerleggings

SecJure Oktober 2011 | 20


Een nieuwe editie van SecJure betekent een nieuwe pro/contra. Robbert Coenmans revancheert zich dit jaar als schrijver van dit huzarenstuk. Een keus die menigeen bevreemd, maar vermoedelijk was er niemand anders te vinden. De tweede helft van dit illustere schrijversduo zal bestaan uit Michiel Peters, die na een glansrijk betoog over de noodzaak van polygamie in de vorige editie is gesmeekt te blijven vanwege zijn retorische kunnen. Voor de nieuwe lezers van de SecJure een kleine inleiding. De pro/contra is een opiniestuk. Doch niet een zoals u gewend bent. Het niveau van borrelpraat - zelfs slechte borrelpraat - zal zelden overstegen worden. Dat is ook de bedoeling. Wij zijn hier niet om er voor te zorgen dat u ergens ook maar een snars van opsteekt, maar om u te vermaken. Zo ook dit keer, waarbij betoogd zal worden dat er een verbod dient te komen op onwelvoegelijke kleding van onwelvoegelijke mensen. Michiel Peters zal u met vermoedelijk deugdelijke argumenten proberen over te halen dat dit een erg goed, zelfs noodzakelijk, gegeven is. Terwijl Robbert Coenmans dusdanig verwerpelijke argumenten gebruikt contra, dat u het met hem ook niet eens kan zijn. Dit alles in een omvangrijke poging u te corrumperen. Ten slotte dient het nog gezegd te worden dat de daadwerkelijke mening van beide heren niet eens in de buurt komt van wat zij hier neerpennen.

Lompe kleren is de beste manier om lompe mensen te herkennen: een noodzakelijkheid Robbert Coenmans Ten tijde van het schrijven van dit artikel is het bijna weer kermis in Tilburg. Een periode van jolijt. Of althans, jolijt; een periode waarbij het bezichtigen van meer dan twee attracties je ongeveer evenveel kost als een gemiddelde stapavond; waarbij de totale binnenstad onbereikbaar wordt en waarbij je, in de regel, de meest opmerkelijke mensen ziet rondlopen. Inwoners van Tilburg, en ongetwijfeld ook de nabije omgeving, die je normaal niet ziet. Hele gezinnen met bierbuiken, dochters en moeders in tijgerprint en meer dan voldoende gouden tanden om de huidige staatsschuld van Portugal af te lossen. Zo bekeken is het betoog van mijn waardige opponent, de heer Peters, niets minder dan verleidelijk te noemen. Zo zijn de beelden van de verscheidene lubberkonten van vorig jaar nog steeds niet van mijn netvlies. Om nog maar niet te zwijgen over Roze Maandag, een dag waarbij, naar ik vermoed, met name heteroseksuelen de carnavalsdoos opentrekken om zich uit te dossen als iets dat zich in het schemerveld tussen SM-heks en een kleurenblinde papegaai bevindt. Het betoog van onze Michiel is dan

ook niet zonder aantrekkingskracht. We maken ons zorgen over het straatbeeld; over zwerfafval en voldoende groen. Dus waarom laten we dan wel mensen met het gewicht van een middelgrote asteroïde in een naveltrui rondlopen? Op een terras wat versnaperingen naar binnen knagen nadat een van deze gedrochten voorbij is gewaggeld is een nabij onmogelijke opgaaf. Mijn eetlust keldert in ieder geval ogenblikkelijk en even hard als een defecte Russische onderzeeër. Dit is een reactie die ik niet zou hebben als er wat afval op straat zou liggen, iets waar we wel beleid op maken, dus waarom hier niet?� Ik zou nu een uitgebreid betoog kunnen houden over de vrijheid van meningsuiting. Hoe het dragen van een legging die iedere kwab pijnlijk zichtbaar maakt een vorm van expressie is. Ongetwijfeld zou ik daar ook nog een of ander ellendig verhaal omheen kunnen breien, met citaten van Mill en nog een paar van dat soort prutsers; maar daar heb ik geen zin in. Ten eerste omdat mij geheel ontgaat waarom het adverteren van een vadsig, 21 | SecJure Oktober 2011


vadsig lichaam een vorm van expressie is. (Tenzij het een soort performance art is die mij ontgaat, zoals, het dient gezegd te worden, vrijwel alle vormen van performance art.) Ten tweede denk ik bovendien dat het harm-criterion van Mill van toepassing is.2 Het doet namelijk pijn aan mijn ogen en beschadigt mijn humeur. Waar ik het wel graag over wil hebben is selectie. Ik ben iemand die op de rand van politieke correctheid grappen maakt. En als ik zeg op de rand, dan bedoel ik zo ver voorbij de rand dat deze nauwelijks meer zichtbaar

is. Voor mij is het dan ook belangrijk mensen te kunnen inschatten en kleding is daarbij essentieel. Ik zal niet snel grappen maken over de moeder van Geert Wilders tegen iemand in een trainingsbroek, een bierpens en, zoals de Amerikanen het zo mooi noemen, een wife-beater shirt. Terwijl als iedereen, zoals Michiel zo mooi betoogt, er netjes bij loopt, ik mogelijk wel deze vergissing zou begaan. Hetgeen mij een blauw oog zou kunnen opleveren en een paar voortanden zou kunnen kosten. Nu zult u zeggen: â&#x20AC;&#x153;Maar Robbert Coenmans, dat verdient u ook in een dergelijk geval.â&#x20AC;? Daarop zeg ik: dat is allemaal mooi en aardig, maar ik vind het vervelend. En mijn mening, beste lezer, is belangrijker dan de uwe. Bovendien zou het ook een ieder van u kunnen overkomen; wat ongetwijfeld wat gewicht in uw magere schaal legt. Bovendien is daar nog de nobele kunst van het vrouwen versieren. Iets waar ik ontzagwekkend slecht in ben, maar in mijn kennissenkring bevinden zich enkele lieden die pretenderen op dat vlak te weten waar ze mee bezig zijn. Stelt u zich eens voor dat u op een fraai vrouwmens of manspersoon afstapt, om tot de schokkende ontdekking te komen dat ze naar RTL Boulevard kijken. Of dat u dit ontgaat, bij haar thuis belandt, en vervolgens de kamer moet delen met vier slapende kinderen van dubieuze afkomst. Mijn humeur, evenals libido, zou vernietigd zijn. Dat is niet goed. Aangezien de woordengrens nadert, kan mijn betoog als volgt worden samengevat: laat ze maar lekker. Natuurlijk is het vervelend om de vetrollen te kunnen tellen van uw buurvrouw, maar het is ook glashelder dat de consequenties van dit niet kunnen doen nog veel vervelender zijn. (Endnotes) 1 Tenzij het zwerfaval natuurlijk wat extremere vormen aanneemt; denk aan dode honden. 2 Een uiting kan pas verboden worden als het schade berokkent.

De terreur van de tijgerlegging: verbieden is de enige optie Michiel Peters Misschien heb je het in eerste instantie niet eens in de gaten. Je loopt nietsvermoedend over straat, geniet van het mooie weer, kijkt vrolijk om je heen. Ineens valt je oog op iemand die een stukje voor je loopt. Grofweg honderdzevenenvijftig kilo1, gekleed in naveltruitje en tijgerlegging. Omdat iedereen zich voor kan stellen dat enkel de nachtmerries die mogelijk met dit beeld geSecJure Oktober 2011 | 22

paard gaan overheidsingrijpen kunnen rechtvaardigen, zal ik dan ook betogen dat het tijd is dat we ingrijpen. In de hoop met dat ingrijpen zowel mijn nachtrust, als het Nederlandse straatbeeld te doen veranderen in een droomwereld. Nu kan ik mij voorstellen dat Robbert in zijn betoog zal beweren dat er allerlei redenen zijn om niet in te grijpen,


misschien in het belang van de mensen om wie het gaat, maar waarschijnlijker in zijn eigen belang. Ongetwijfeld gaat hij proberen u met een betoog dat volledig draait om zijn belang te overtuigen. Laat u daardoor vooral niet misleiden. In een land waar koeien en schapen een beroep kunnen doen op de inzet van agenten, in een land waar een derde van de bevolking gelooft dat een kabinet een soort van kastje is, in dat land kan het toch niet zo zijn dat we lijdzaam toezien terwijl de textielindustrie ons straatbeeld vervuild? Vroeger, toen mannen nog dassen droegen en hun hoed afnamen was alles beter.2 Er was minder criminaliteit, minder rommel op straat en minder overlast. Die vaststelling leert ons dat de tijgerlegging de moderne samenleving de das omdoet. Terwijl ‘Den Haag’ debatteert over frivole onderwerpen als het pensioenstelsel en de AOW leeftijd, worden onze straten geterroriseerd door mensen die oprecht geloven in kleding waar Jantje Smit zijn naam aan heeft geleend. De oplossing is eenvoudig; de overheid legt afzichtelijke en onverzorgde mensen een ‘dresscode’ op, de politie handhaaft en bij meerdere overtredingen sluiten we mensen op. Klinkt dat strafvoorstel iets te zwaar? Realiseert u dan dat het vaak deze Telegraaf-lezende en SBS-kijkende figuren zijn die om strengere straffen vragen. Die kunnen we ze natuurlijk niet onthouden. Nu zullen de ‘vrijheidsdenkers’ wel weer gaan roepen dat deze gedachte uitermate ‘onliberaal’ is en ingaat tegen allerlei verwaarloosbare vrijheden.3 Daar hebben ze vanzelfsprekend ongelijk, het is uitermate ‘liberaal’ van mij om te betogen dat mensen die er niet uitzien geholpen moeten worden. Om te beginnen is het van belang aan te geven dat de overheid mag ingrijpen in het leven van burgers, daar waar zij er zeker van is dat die burger, wanneer hij zou beschikken over dezelfde kennis en kunde, waarover de overheid nu al beschikt, dezelfde keuze zou maken. Deze gedachtegang heeft twee voordelen. Fundamentalistische christenen4 kunnen zich niet bemoeien met onze persoonlijke vrijheden, omdat daar geen sprake is van goede of foute keuzes.5 Tijgerleggings en vergelijkbare kledingstukken kunnen worden afgeschaft, omdat iedereen die over gezond verstand beschikt het daarmee eens is. Met deze redenering zijn we er eigenlijk - niemand kan tenslotte beweren dat een babywalrus in een naveltruitje er aantrekkelijk uitziet. Nu ik heb aangetoond dat het rechtvaardig is de samenleving te beschermen tegen de terreur van het trainingspak, de nachtmerrie van de netkous en de pauperpracht van het petje is het tijd om u uit te leggen waarom dit ook goed is voor de minderbedeelden onder ons. Bij een nadere kennismaking kan een meer acceptabele kledingkeuze enorm helpen; ineens bij uw bank verder mogen lopen dan de receptieruimte, een kopje koffie

aangeboden krijgen bij de autodealer of misschien zelfs een sollicitatiegesprek voor kassamedewerkster of interieurverzorgster succesvol afronden, de mogelijkheden zijn eindeloos. Door de overheid op te laten treden geven we deze mensen een kans, een kans om op te gaan in de middelmaat, een kans om mee te doen aan talentenshows op de commerciële televisie, een kans om met de caravan naar Frankrijk te gaan, een kans om in exact matchende windjacks een stukje door de polder te fietsen… Het zou uitermate onfatsoenlijk zijn als ik dit pleidooi niet af zou

steken, tenslotte ontneem je mensen daarmee kansen, zelfs Robbert zou eigenlijk met mij eens moeten zijn dat het ontnemen van kansen gewoon niet aardig is. Ik hoop dat dit betoog een omschakeling in uw denken als lezer teweeg zal brengen; dat eindeloze discussies over een verbod op het dragen van een boerka voortaan worden omgebogen naar een vurig pleidooi voor het verbieden van afzichtelijke kleding. Zonder te overdrijven zou ik willen stellen dat het dragen van een boerka in sommige gevallen kan bijdragen aan de oplossing van een probleem. (Endnotes) 1 Vergelijkbaar met het geboortegewicht van een babywalrus. 2 In het Engeland van 1873, om maar een jaar te noemen. 3 Grofweg de eerste vier pagina’s van de Nederlandse Grondwet. 4 Inderdaad, fundamentalistische christen is een pleonasme. 5 Bovengenoemde christen is het hier mogelijk niet mee eens.

23 | SecJure Oktober 2011


Beschouwing

Slaapwandel-moordenaars Aïcha Peutz

Er zijn veel voorbeelden van moorden, waarbij de dader slaapwandelde, of zei te slaapwandelen. Het eerste voorbeeld stamt al uit 1846, waarbij een jaloerse klant van een prostituee haar op brute wijze van het leven berooft. De jury gelooft echter dat hij dit deed buiten zijn bewustzijn om. Twee andere bekende voorbeelden hiervan zijn Scott Falater, die zijn vrouw vermoordde en Kenneth Parks, die op zijn beurt zijn schoonouders al slaapwandelend van het leven beroofde. Is het ook echt mogelijk dat iemand een ander vermoordt terwijl hij slaapwandelt? Slaap Er zijn vijf verschillende slaapfasen te onderscheiden. De eerste vier fasen vallen onder de non-REM (Rapid Eye Movement) slaap. De vijfde fase is de REM slaap. Fase één van de non-REM slaap is de overgang tussen wakker zijn en slapen, deze fase is een erg lichte slaap. Tijdens deze fase wordt je ademhaling regelmatiger en neemt je spieractiviteit geleidelijk aan af. In de tweede fase van de non-REM slaap ontspant je lichaam nog meer, en wordt naast je ademhaling ook je hartslag rustig en regelmatig. In deze fase is iemand nog wakker te krijgen, al gaat dit minder eenvoudig dan in de eerste fase van de non-REM slaap. In de derde en vierde fase van de non-REM slaap ben je het diepst in slaap. Dit wordt ook wel SWS-slaap (Slow Wave Sleep) genoemd. Deze wordt gekenmerkt door langzame hersengolven. Ook in deze fase zijn de ademhaling en hartslag langzaam en regelmatig. Tijdens de SWS-slaap is iemand vaak lastig wakker te krijgen, aangezien de hersenen minder gevoelig zijn voor gebeurtenissen van buitenaf. Bij slaapwandelaars is een ander deel van de hersenen wel actief. Hierdoor zijn slaapwandelaars in staat ‘automatische’ handelingen te verrichten, waaronder eenvoudige, dagelijkse handelingen worden verstaan. Het gedeelte van de hersenen dat verantwoordelijk is voor het bewustzijn en controleren van gedragingen is op dit moment echter niet actief. Dit zorgt ervoor dat slaapwandelaars tijdens hun slaap dingen doen waar zij, als ze weer wakker zijn, niets meer van weten. SecJure Oktober 2011 | 24

Kenneth Parks In 1987 wordt Kenneth Parks wakker nadat hij zijn schoonmoeder vermoord heeft. Daarnaast heeft hij ook zijn schoonvader aangevallen terwijl hij zou hebben geslaapwandeld. Zijn schoonvader heeft Parks’ aanval net overleefd. Wat er exact is gebeurd, is helaas niet te achterhalen. Wel is duidelijk dat Parks met zijn auto naar het huis van zijn schoonouders gereden is - 23 kilometer van zijn eigen woning vandaan. Parks zou dit al slaapwandelend gedaan hebben. Parks had zijn schoonouders beloofd hun ketel te maken. Waarschijnlijk heeft hij hierover gedroomd en wilde hij dat in zijn droom gaan uitvoeren. Slaapwandelaars voeren tijdens hun slaap vaak een actie uit die ze in hun hoofd hadden voor zij gingen slapen. Wanneer slaapwandelaars gestoord worden bij de uitvoering, kunnen zij die met geweld door willen zetten. Vermoedelijk hebben de schoonouders van Parks hem gehinderd bij zijn handelen en is Parks daardoor doorgedraaid. Wanneer hij zijn schoonmoeder al vermoord heeft wordt Parks wakker. In eerste instantie vraagt hij zich af waar hij is. Hij beseft zich dat hij niet in zijn eigen woonkamer is. Wanneer hij dan rondkijkt, ziet hij zijn schoonmoeder dood op de grond liggen en ziet dat zijn schoonvader ernstig gewond is. Parks beseft dat er iets vreselijks voorgevallen moet zijn. Hij belt de ambulance voor zijn schoonvader, want voor zijn schoonmoeder kan hij helaas niets meer betekenen. Parks geeft zichzelf aan bij de politie omdat het voor hem, door het bloed op zijn handen en kleren, duidelijk is dat hij degene is die verantwoordelijk is voor het drama. Parks had geen motivatie om zijn schoonouders te vermoorden. Hij had een goede band met zijn schoonouders. Wel had Parks last van stress; hij had een gokverslaving waaraan het spaargeld van zijn vrouw en hun dochtertje al was opgegaan. Daarnaast was hij door zijn gokverslaving ook werkloos geworden. Door dit alles sliep hij al weken slecht. Vermoedelijk is er een verband tussen deze stress, het slaapgebrek en zijn slaapwandelen.

Scott Falater Ook Scott Falater heeft een stressvol leven en daardoor last van een slaaptekort. Het gaat al even niet zo lekker op zijn werk. Falater heeft de week voorafgaand aan


de moord op zijn vrouw slecht geslapen. De dag na het voorval zou hij een belangrijke vergadering op zijn werk hebben. Hij hoopt die nacht dus goed te kunnen slapen en gaat daarom vroeg naar bed. Zijn vrouw blijft nog tv kijken in de woonkamer en hun kindje ligt al in bed te slapen. Falater slaapt nog niet heel lang als hij door politieagenten gearresteerd wordt - waarom dat is of wat er gebeurd is weet hij dan nog niet. Dan komt hij erachter dat zijn vrouw vermoord is. De buurman van Falater heeft 911 gebeld toen hij zag dat Falater zijn vrouw aan het vermoorden was. Vermoedelijk heeft Falater de pomp in het zwembad willen repareren in zijn slaap en heeft zijn vrouw hem hierbij ‘gehinderd’. Hij is haar toen aangevallen. Opmerkelijk is echter dat Falater, nadat hij zijn vrouw met een flink aantal messteken zwaar verwond had, zijn handen is gaan wassen en werkhandschoenen is aan gaan doen. Vervolgens heeft hij zijn vrouw verdronken in het zwembad en heeft hij zijn vieze kleren in een doos in de garage opgeborgen. Toen de buurman dit alles zag gebeuren heeft hij, logisch, het alarmnummer gebeld en de politie was ook snel ter plaatse. Dat Falater zijn vrouw aangevallen heeft met het mes, dat hij wilde gebruiken om de waterpomp uit het zwembad open te snijden, is nog aannemelijk. Dat is gedrag wat strookt met reacties van een slaapwandelaar die gewekt of gehinderd wordt. Discutabeler is het dat hij na het voltooien van zijn daad zijn kleren heeft weggestopt en de sporen heeft geprobeerd uit te wissen, dat is geen gedrag dat strookt met het gedrag van een slaapwandelaar. Daarvoor lijkt het bewustzijn actief te moeten zijn, en juist dat deel van de hersenen is niet actief tijdens de fase van de slaap waarin slaapwandelen voorkomt.

Falater zei zich van het hele voorval niets te kunnen herinneren. Net zoals Parks zo’n honderd jaar voor dit voorval, zich ook niet kon herinneren dat hij zijn schoonmoeder vermoord had. Beide mannen konden zich niets herinneren vanaf het moment dat zij in slaap waren gevallen tot het moment dat zij weer wakker werden. Via onderzoeken kan men erachter komen of iemand slaapwandelt. Echter, er is nooit met volledige zekerheid te zeggen of iemand ten tijde van het delict ook daadwerkelijk slaapwandelde. Bepaalde handelingen die de dader verricht kunnen wel op slaapwandelen wijzen. Zo pakte Parks tijdens zijn woedeaanval bij zijn schoonouders thuis het mes bij het lemmet vast. Iemand die zich bewust is van zijn handelingen, zal dit niet doen. Parks heeft daardoor ook pezen in zijn eigen hand kapot gesneden, wat zijn slaapwandelverweer geloofwaardiger maakt. Wetenschappers zijn het er (nog) niet over eens of het mogelijk is om in je slaap zoiets heftigs te doen als een ander van het leven beroven. In sommige gevallen lijkt het er inderdaad op dat het al slaapwandelend is gebeurd, maar in veel gevallen zal het slaapwandelverweer geen kans van slagen hebben.

(Endnotes) www.slaapklachten.nl http://pauwenwitteman.vara.nl/uploads/media/Voorproefje_-_De_ vrije_wil_bestaat_niet_01.pdf http://channel.nationalgeographic.com/series/is-it-real/2510/ Overview#tab-Videos/01563_05

25 | SecJure Oktober 2011


Maak kennis met je nieuwe carrière Dirkzwager is altijd op zoek naar ambitieuze professionals. Juristen die een stap verder willen gaan, die hun kennis willen verbreden en delen. Om dat laatste draait het bij ons. We delen onze juridische kennis met onze cliënten en elkaar, zodat we samen sterker staan. Kennis ontwikkelen staat daarom hoog in het vaandel. We bieden dan ook uitstekende opleidingsmogelijkheden binnen en buiten onze Dirkzwager Academy. Maar ook door te werken aan uitdagende (internationale) projecten voor mooie cliënten. Daarnaast heb je altijd toegang tot brede juridische kennis die jij en je collega’s delen via onder andere onze eigen kennispagina’s, juridische (digitale) bibliotheken en de Dirkzwager KennisApp. Dirkzwager is een veelzijdig, landelijk top-20 kantoor. We werken voor grote en middelgrote bedrijven, overheden, instellingen en particulieren, op de meest uiteenlopende rechtsgebieden. Ons kantoor heeft vestigingen in Arnhem en Nijmegen en telt ca. 260 medewerkers, waarvan 110 juristen die zich thuis voelen in een professionele en collegiale werkomgeving.

Kom kennis maken en kennis delen bij Dirkzwager. Kijk op www.dirkzwager.nl voor de actuele vacatures en studentenstages.


Een bancair systeem ter voorkoming van een nieuwe financiële crisis? Milad Sheidai

Islamitisch financieren is een betrekkelijk nieuwe vorm van financieren, dat de afgelopen jaren een hoge vlucht heeft genomen. Alle financiële transacties binnen het islamitische bankwezen moeten voldoen aan de religieuze voorschriften van de Sharia, het islamitisch recht. De populariteit van islamitisch bankieren heeft thans zodanige vormen aangenomen, dat zelfs enkele westerse regeringen hun nationale wet- en regelgeving hebben aangepast om islamitisch bankieren te kunnen structureren. Bovendien kennen diverse conventionele banken islamitische divisies en bieden zij financiële producten aan die naar islamitische maatstaven geoorloofd zijn.1 Niettemin is de Nederlandse regering vooralsnog niet voornemens om ‘bankieren volgens de Sharia’ toe te staan. Het is onmiskenbaar dat islamitisch financieren in de lift zit. Dat blijkt met name uit de explosieve groei en omvang van deze markt. Daarnaast is het opvallend dat islamitische financiële instellingen niet of nauwelijks getroffen zijn door de kredietcrisis. Doordat deze instellingen een wijze van bankieren hanteren dat steunt op de Sharia, zouden zij beter bestand zijn tegen een kredietcrisis. Algemene karakteristieken van de Sharia

Het beginsel van ‘Profit and loss sharing’

Islamitisch bankieren en conventioneel bankieren bestaan naast elkaar. Het conventioneel financieren steunt op het principe dat een kredietverstrekker (crediteur) een financiële vergoeding ontvangt voor het ter beschikking stellen van geld aan de debiteur. De achterliggende gedachte hiervan is dat de kredietverstrekker hiermee zichzelf een zekerheid verschaft, met betrekking tot het terugbetalen van de geleende geldsom door de debiteur van de vordering. De islamitische financiële dienstverlening onderscheidt zich echter wezenlijk van het conventioneel bankieren. Het onderscheidend element dat ten grondslag ligt aan deze twee financieringsvormen moet gezocht worden in de Sharia. In het voorgaande werd de Sharia aangeduid als islamitische wetgeving. Desalniettemin moet men er op bedacht zijn dat de Sharia niet gezien moet worden als ‘recht’ in westerse zin. De Sharia is een religieuze plichtenleer die het menselijk handelen in wereldse en religieuze zaken bepaalt, zowel in de relatie van mensen onderling als van mens tot God.2 Men behoort zich te houden aan deze gedragsregels aangaande religieuze, sociale en economische zaken.Voorts maakt de Sharia een onderscheid tussen de Qur’an en de Sunna. De Qur’an beslaat openbaringen van God aan de profeet Mohammed, die later op schrift zijn gesteld. De Sunna heeft betrekking op de uitleg van de Qur’an aan de hand van uitspraken en gedragingen van de profeet Mohammed. Deze geven de Qur’an nadere betekenis.3

De islamitische financiële dienstverlening en de ethische en religieuze voorschriften die daaraan ten grondslag liggen, laten zich als volgt samenvatten. De voorschriften uit de plichtenleer kenmerken zich door het stellen van drie absolute verboden met betrekking tot het financieren. Achtereenvolgens geldt er een verbod op rente (Riba), een verbod op onzekerheid in contracten (Gharar) en een verbod op speculatie en gokken (Maysir en Qimar). Alvorens wordt ingegaan op deze verboden, wordt allereerst stilgestaan bij het adagium ‘Profit and loss sharing’, oftewel winst- en verliesdeling. Binnen het islamitisch financieren is namelijk enkel een financieringsovereenkomst toegelaten, waarbij sprake is van een billijke verdeling van winsten en verliezen. De kredietverstrekker moet, indien hij eventuele toekomstige winsten wil delen, bereid zijn om ook eventuele verliezen te delen en wel in verhouding tot de kapitaalinbreng.4 Er moet dus steeds een rechtvaardige verdeling van de winst en het verlies zijn tussen de participerende contractspartijen. De bij de transactie betrokken partijen moeten tevens commerciële risico’s nemen die eerlijk worden verdeeld.

Absolute verboden binnen de islamitische bankpraktijk Een van de bekendste verboden waar de islamitische bankpraktijk zich strikt aan houdt is het verbod op riba. De terminologie ‘riba’, die in de Arabische taal wordt 27 | SecJure Oktober 2011

Beschouwing

De islamitische bankpraktijk en de wijze van financieren:


gehanteerd, kan worden vertaald als ‘toename of vermeerdering’. Het is echter niet duidelijk of deze term ziet op alle vormen van interest of louter op woekerrente. In de rechtswetenschap is daar dan ook enige discussie over ontstaan.5 Liberale denkers stellen dat de Qur’an enkel een verbod op woekerrente kent en niet een verbod op alle vormen van rente.6 Orthodoxe denkers stellen in tegenstelling tot liberale denkers, dat er op alle vormen van rente een verbod rust. Het verschil in de benaderingen heeft alles te maken met de interpretatie van de term ‘riba’. Riba zorgt namelijk voor enige verwarring, omdat de uitleg dikwijls tweeledig is. Enerzijds zou ‘riba’ kunnen verwijzen naar arba dat ‘woeker’ impliceert. Anderzijds zou bij de interpretatie van ‘riba’ kunnen worden gedacht aan raba. Raba is veel ruimer dan arba en ziet dan ook op alle vormen waarbij de welvaart wordt

Rente wordt als onrechtvaardig aangemerkt.

vergroot. Hierdoor zouden alle vormen van rente onder het verbod van riba vallen.7 De vraag of het verbod op riba al dan niet alle vormen van rente raakt, laat ik hier in het midden. In het vervolg van deze bijdrage zal ik de orthodoxe leer volgen. In dat verband kan riba verwijzen naar een van tevoren overeengekomen bedrag, dat de debiteur voor een lening moet terugbetalen boven de hoofdsom van de lening. In het verlengde hiervan geldt tevens dat indien een transactie vertraging oploopt, doordat betaling achteraf plaatsvindt, in dat geval daar geen rente over verrekend mag worden.8 De oplettende lezer zal hebben opgemerkt dat het verbod op riba op een lijn ligt met het principe van ‘Profit and loss sharing’. Het verrekenen van rente zorgt namelijk op voorhand voor een onevenwichtige balans tussen de winst en het verlies voor de contractspartijen. Rente wordt om die reden dan ook als onrechtvaardig aangemerkt. In het bovenstaande werd gesteld dat ethische en religieuze voorschriften ten grondslag liggen aan de islamitische bankpraktijk. De ethiek en moraal die besloten ligt in de voorschriften van de Sharia is kenmerkend voor de wijze van bankieren. Het leidend principe dat wordt gehanteerd is dat geld slechts een ruilmiddel is en het geen intrinsieke waarde heeft.9 Indien een kredietverstrekker een lening zou verschaffen, dan zou dit vanuit het oogpunt SecJure Oktober 2011 | 28

van liefdadigheid gezien moeten worden. Het verrekenen van rente zou dan ook tegenstrijdig zijn met de leer van de Sharia.10 Het verbod op rente impliceert echter niet dat geen winsten behaald mogen worden. Het maken van winst is overeenkomstig de Sharia toegestaan en wordt gestimuleerd. De betrokken partij moet bij de handel echter wel enige ondernemingsrisico gelopen hebben.11 De rechtvaardiging van de winst zit in het feit dat men bedrijfskundige ofwel commerciële risico’s heeft genomen. Het verbod op contractuele onzekerheid, oftewel het verbod op gharar, is een tweede uitgangspunt van het islamitisch financieren. Transacties die conform de Sharia geschieden, mogen geen excessieve onzekerheid bevatten met betrekking tot de essentialia van het contract.12 In zoverre zou men kunnen betogen dat het verbod op contractuele onzekerheid binnen de Sharia, eigenlijk het equivalent is op het Nederlandse concept van de bepaalbaarheid van contracten. Binnen het Nederlandse civiele recht dienen ingevolge art. 6:227 lid 1 BW alle contracten de essentiële elementen van de overeenkomst te bevatten.13 Het betreft hier met name bepalingen met betrekking tot de prijs, het soort goed, het tijdstip en de levering van het goed. In het verlengde van het verbod op onzekerheid in contracten kan worden gewezen op het derde verbod binnen het islamitisch financieren. Maysir en Qimar zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en hangen voorts nauw samen met het verbod op onzekerheid in contracten. Indien men een transactie aangaat waaraan onnodige speculatieve risico’s vastzitten, dan wordt deze niet toegestaan binnen de Sharia. De Sharia laat – zoals reeds in het voorgaande geschetst is – slechts transacties toe waarbij respectievelijk de winst of het verlies gerechtvaardigd is. Een toevallige omstandigheid waarbij sprake is van gokken, speculeren, of enige andere vorm van kansspel wordt niet erkend. Een overkoepelend concept dat naast deze drie verboden als een deken over het islamitisch financieren ligt, is het feit dat investeringen in bepaalde assets niet toelaatbaar worden geacht. Het investeren in ‘onreine producten’ wordt als haram aangemerkt en is binnen het islamitisch recht strikt verboden. Verboden ‘producten’, zoals de wapenindustrie, drugs, alcohol, pornografie en voedselwaren zoals varkensvlees, worden gezien als onethisch en onverantwoord. Binnen de islamitische bankpraktijk moet dan ook worden voorkomen dat geld uit deze industrieën afkomstig is. Dit geldt overigens ook voor conventionele banken, zoals Goldman Sachs en Barclays, die naast hun conventionele bancaire systeem ook islamitische divisies kennen. ‘Besmetting’ van de islamitische bankpraktijk met het conventionele bancaire systeem zal desastreuze gevolgen hebben.14


Securitisatiepraktijk als oorzaak van de financiële crisis De islamitische financiële dienstverlening is vrijwel gevrijwaard gebleven van de financiële crisis. De securitisatie van vorderingen wordt als een van de oorzaken van de financiële crisis gezien. Securitisatie kan worden omschreven als een vorm van het liquide maken van vorderingen die een ondernemer heeft op zijn afnemers. Om het vastgelegde vermogen van vorderingen liquide te maken, draagt een bank (als orginator) de portefeuille, over aan een speciaal daartoe opgerichte entiteit. Deze entiteit – die ook wel een Special Purpose Vehicle (hierna: ‘SPV’) wordt genoemd – heeft een specifieke doelomschrijving, namelijk het opkopen van vorderingen. De overdracht van deze vorderingen van de bank aan de SPV vindt plaats overeenkomstig een stille cessie op grond van art. 3.84 lid 1 jo. 3:94 lid 3 BW. Met de komst van een nieuw wetsvoorstel inzake de stille cessie, is een mededeling van de cessie geen constitutief vereiste meer.15 Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 200304, 28 878, nr. 3) blijkt dat in de financiële praktijk het mededelingsvereiste praktische belemmeringen veroorzaakte, indien financiële instellingen een ‘pakket’ vorderingen wilden overdragen. Bos stelt in het verlengde hiervan dat er zelfs sprake zou zijn van logistieke, commerciële en financiële bezwaren.16 De SPV trekt de vorderingen aan met financiële middelen die door investeerders zijn ingebracht. In ruil daarvoor krijgen investeerders bonds, oftewel obligaties die een schuldpapier omvatten. Het gevolg is dat de SPV met de middelen, de koopprijs van de vordering aan de bank kan voldoen. Welbeschouwd wordt met securitisatie getracht om de onderliggende vaste activa – bijvoorbeeld een woning die met een bankhypotheek is gekocht – te verhandelen op de effectenbeurs. Dit ging goed totdat de vorderingen werden overgedragen en daarop steeds een pandrecht werd gevestigd. Dit systeem zorgde op een gegeven moment voor minder transparantie. Doordat de relatie uiteindelijk te verwijderd was met de vaste activa, stortte de kapitaalmarkt ineen. Binnen het islamitisch financieren zou dit niet mogelijk zijn geweest, omdat financiële transacties altijd een relatie moeten hebben met goederen en diensten in de reële economie. Het maken van winst door het creëren van geld over geld is overeenkomstig de Sharia niet toegelaten.17

De toekomst van het islamitisch financieren Nederland kan wellicht een interessante vestigingsplaats zijn om islamitisch financieren binnen de wetgeving te structureren. Met aanpassingen in de fiscale wetgeving zou dat eventueel mogelijk zijn. Mijns inziens kan deze wijze van ‘bankieren volgens de principes van de Sharia’ vanuit politieke overwegingen voor enige ophef zorgen. Een minderheidskabinet met gedoogsteun van de Partij Voor de Vrijheid zal roet in het eten kunnen gooien.

Let wel dat in Indonesië enkele jaren geleden islamitisch financieren mogelijk is gemaakt. Siamat – hoofd Shariafinanciering van het Ministerie van Financiën – betoogt dat de religie van de islam geen rol heeft gespeeld bij de vraag of het land al dan niet voor islamitisch financieren moest kiezen. Het zou toevallig afgeleid zijn van de islam en zo is het Sharia-systeem overgenomen.18 Daar waar andere landen al wel het islamitisch financieren hebben ingepast binnen de nationale wet- en regelgeving, lijkt Nederland toch echt de boot te gaan missen. Wel staat vast dat indien in de toekomst islamitisch financieren wordt doorgevoerd, financiële instellingen hier als haviken op neer zullen slaan. Het draagvlak voor islamitisch financieren zal namelijk met een toename van de moslimgemeenschap groeien. Daarnaast zal de recente financiële crisis de invoering van het islamitisch financieren in Nederland kunnen bevorderen. (Endnotes) 1 R.P.J.L. Tjittes, ‘Islamitisch financieren in Nederland’, Rechtsgeleerdheid Magazine Themis 2008-4, p. 136. 2 B. Verhoef, S. Azahaf & W. Bijkerk, ‘Islamitisch financieren en toezicht: een verkennende analyse’, DNB Occasional Studies Vol. 6/No.3 (2008), p. 9. 3 Voor een verkort en duidelijk overzicht van de Sharia zie: R.P.J.L. Tjittes, ‘Islamitisch financieren in Nederland’, Rechtsgeleerdheid Magazine Themis 2008-4, p. 137-139. 4 L.J.J. van Eekelen, ‘Islamitisch bankieren’, Serie Research Memoranda 1992-46, p. 4. 5 I. Ahmad, ‘Riba and interest: Definitions and implications’, Minaret of freedom preprint series 96-5, Herndon 1993. 6 S.F. Ulgener, ‘Monetary conditions of economic growth and the Islamic concept of interest’, The Islamic review Vol. 55/no. 2, 1967. en F. Rahman, ‘Riba and interest’, Islamic Studies, Karachi 1964. 7 B. Verhoef, S. Azahaf & W. Bijkerk, ‘Islamitisch financieren en toezicht: een verkennende analyse’, DNB Occasional Studies Vol. 6/No.3 (2008), p. 12. 8 M.T. Usmani, An introduction to Islamic finance, Den Haag: Kluwer Law International 2002, p. 55-60. 9 S.A.J. van Rossum, ‘Islamitisch financieren onder Nederlands civiel recht’, Ondernemingsrecht 2009, 86, p. 361. 10 R.M. Wibier & O. Salah, ‘De kredietcrisis en islamitisch financieren’, Nederlands Juristenblad 2010, 1397, p. 1741. 11 J.M. Taylor, ‘Islamic commercial banking – moving into the mainstream?’, Transnational Law 2005/18, p. 419. 12 S.A.J. van Rossum, ‘Islamitisch financieren onder Nederlands civiel recht’, Ondernemingsrecht 2009, 86, p. 361. 13 J. Hijma e.a., Rechtshandeling en overeenkomst, Kluwer: Deventer 2007, p. 54-55. 14 Binnen het islamitische bankwezen worden diverse financieringsconstructies aangeboden. De literatuur is omvangrijk hierover en bespreekt enkele interessante invalshoeken van diverse financieringsconstructies zoals: Murabaha, Musharaka en Ijara (lease). Door gebrek aan ruimte in deze editie van de SecJure, zal ik deze niet behandelen. Dat impliceert echter niet dat deze constructies een minder belangrijke positie innemen binnen de islamitische bankpraktijk. 15 W. Ruys & M.H. van Raay, ‘Securitisation: mogelijke structuren’, Onderneming & Financiering 2005, nr. 67, p. 13-14. 16 M. Bos, ‘Stille cessie en securitisatie transacties’, Bedrijfsjuridische berichten bank- en effectenrecht 2004, nr. 47, p. 172. 17 Voor een uitgebreid overzicht zie: R.M. Wibier & O. Salah, ‘De kredietcrisis en islamitisch financieren’, Nederlands Juristenblad 2010, 1397. Zie overigens ook: Me Judice, O. Salah over islamitisch bankieren. 18 E. Schouten, ‘Probeer bankieren eens met de Sharia: Islamitische banken denken het antwoord op de crisis te hebben’, NRC Handelsblad, 14 januari 2009.

29 | SecJure Oktober 2011


Activiteitenkalender 07 september rrel Constitutiebo

14 september ak OFV Vrijspra

21 september ss Music Madne

23 september ag d n e d e L e v e i t c A

21 september ak OFV Vrijspra 24 september op bantlo a r B n a v t r a H

11 oktober l Magisterborre

30 september nderbescherming de Ki r o o v d a a R Bezoek

20 oktober ager w z k r i D k e o z Kantoorbe

SecJure Oktober 2011 | 30

26 oktober ak a r p s j i r V V F O


27 oktober ijstand b s t h c e R S A D Pleittraining 01 november l Magisterborre 09 november biercantus as Pre Sinterkla

04 november t ezoch G t a a c o v d a p o T

16 november Fraud - Get rich quick? sium o p m y S r i a t l Interfacu 22 november er JFT Magist s i l a t a N s e i D

30 november ak OFV Vrijspra 31 | SecJure Oktober 2011


Opinie

Vrijheid van godsdienst in internationaal perspectief Esra van der Wolk

Internationaal bezien is geen enkele vrijheid zoveel in het geding en in het nieuws als de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Verankerd in artikel 6 van onze Grondwet en herhaaldelijk bevestigd in tal van belangrijke verdragen1, zou je zeggen dat de vrijheid van godsdienst inmiddels een gegeven is geworden, een vaststaand recht

Voordat ik deze kritiek ga bespreken, wil ik eerst eens dieper ingaan op de precieze inhoud van de vrijheid van godsdienst. Om te begrijpen wat voor rechten deze vrijheid van godsdienst toekent aan individuen, moet men eerst inzien dat de vrijheid van godsdienst twee componenten heeft. Namelijk het vrijelijk uiten en belijden van je geloof en de vrijheid om zelf te kiezen welk geloof je

dat eenieder zou moeten toekomen. Niets is echter minder waar. Toen Jezus van Nazareth aan het kruis werd genageld vanwege zijn andere geloofsbelijdenis, werd er een tijdperk ingeluid waarin het strijden voor geloof centraal stond. Er zijn sindsdien vele oorlogen gevoerd in naam van het geloof en vele zendelingen hebben getracht overzeese volkeren hun geloof op te dringen. Historische aangelegenheden waarvan tot op de dag van vandaag nog de gevolgen worden ondervonden. Van de bloederige kruistochten reizen we in dit artikel naar de hedendaagse politieke discussies omtrent de vrijheid van

Net als politiek, is godsdienst een gevoelig onderwerp; het is een manier van leven, een overtuiging van hoe je goed zou moeten leven.

godsdienst, want zoals je ziet; het blijft een actueel onderwerp.

Godsdienst is eigenlijk net zoiets als je politieke kleur. Het is niet iets dat je altijd graag wilt delen met de rest van de wereld. Het is een persoonlijke voorkeur, vaak ingegeven door je opvoeding, ervaring en karakter. Net als politiek, is godsdienst een gevoelig onderwerp; het is een manier van leven, een overtuiging van hoe je goed zou moeten leven. En hoe kun je nu objectief kritiek uiten op iemands persoonlijke wereldbeeld? Dat is bijna gelijk aan jezelf verheffen als een alleswetende, bovengoddelijke (maar ongelovige/andersgelovige) prins die zijn volk vertelt dat ze chocola lekker moeten vinden, omdat hij er nu eenmaal dol op is. De wetenschappelijke kritiek bestaat al langer. De evolutietheorie van Darwin en de grootte van het heelal ondermijnen de meeste standaardopvattingen binnen de verschillende geloven, maar je ziet de laatste jaren een trend ontstaan naar steeds meer maatschappelijke en politieke kritiek op de vrijheid van godsdienst. Die kritiek is niet meer zozeer gericht op de inhoud van de godsdienst, maar meer op het uiten van je geloof en de gelovigen zelf. SecJure Oktober 2011 | 32

aanhangt (ook om op een ander geloof over te stappen). Maatschappelijke en individuele vrijheid van godsdienst dus, ook wel te vertalen als het verticale en horizontale recht op vrijheid van godsdienst. Ik heb altijd gedacht dat deze vrijheid in Nederland goed gewaarborgd was. Wij leven hier immers in een samenleving die zich â&#x20AC;&#x2DC;multicultureelâ&#x20AC;&#x2122; mag noemen. Vele culturen, geloven en nationaliteiten hebben zich door de eeuwen heen in Nederland gevestigd en zijn niet meer weg te denken uit het leven van veel Nederlanders. Denk aan de islamitische slager om de hoek, de Surinaamse eettent in de stad en het Braziliaanse zomercarnaval dat in steeds meer steden gevierd wordt. Ook in het buitenland wordt Nederland gezien als een tolerant land.2Â Die mening, dat het met de vrijheid van godsdienst in Nederland wel goed zit (en die ik overigens met veel mensen deel, sommigen vinden het zelfs iets te goed geregeld hier), ben ik nog steeds toegedaan. Toch zijn er wereldwijd, ook in Nederland, een aantal misstanden


rondom deze omstreden vrijheid die ik hieronder zal toelichten.

Individuele vrijheid van godsdienst Hierboven ben ik al even kort ingegaan op het recht op individuele vrijheid van godsdienst, welk recht inhoudt dat eenieder zelf mag kiezen welk geloof men aanhangt en tevens zijn of haar geloof mag verlaten als hij of zij zich daar niet meer in kan vinden. Een van de grootste religies ter wereld schendt deze vrijheid op mondiale schaal, namelijk de islam. De islam verbiedt afvalligheid en op het verlaten van het geloof staat in sommige landen zelfs de doodstraf.3 Dit knelt te meer omdat kinderen uit islamitische milieus bij hun geboorte al moslim worden en opgroeien met het idee dat uittreden niet is toegestaan, hetgeen tot gevolg heeft dat moslims geen keuzemogelijkheid wordt geboden. De vrijheid van godsdienst wordt kinderen dus al bij de geboorte afgenomen. In andere geloven krijgen kinderen bij hun geboorte ook het geloof aangereikt, maar die religies staan afvalligheid toe en hebben vaak nog een keuzemoment op latere leeftijd (denk aan het vormsel in het christendom). Tegenover deze afgenomen vrijheid van godsdienst staat dan wel dat de meeste moslims zelf mogen kiezen hoe streng zij hun geloof volgen en in hoeverre zij zich aan de regels houden. Zij mogen hun geloof volledig laten versloffen, maar dit is slechts een eendimensionale variant van geloofsvrijheid, omdat zij niet op een ander geloof mogen overstappen of openlijk mogen breken met de islam.4 Natuurlijk is de islam niet het enige geloof waarin afvalligheid niet is toegestaan, maar het is wel het enige geloof van de grootste vijf wereldwijd dat afvalligheid verbiedt. Je ziet vaak dat in streng gelovige gemeenschappen zoals de Hare Krishna, Jehova’s getuigen en het orthodox jodendom, de maatschappelijke druk ook erg hoog is en daardoor uittreding niet mogelijk is zonder te breken met familie en vrienden en op de vlucht te gaan. Maar bij deze religies is het niet vastgelegd zoals bij de islam. Ook al is in Nederland en in vele andere landen wereldwijd het recht op vrijheid van godsdienst in de wet verankerd, door het toestaan van bovengenoemde praktijken heeft deze vrijheid van godsdienst geen horizontale werking en wordt dus wereldwijd geschonden.

Maatschappelijke vrijheid van godsdienst In Nederland is de maatschappelijke vrijheid van godsdienst een gegeven; eenieder is het namelijk toegestaan in alle openheid zijn geloof te belijden. Niet voor niets kent Nederland een hoog aantal protestantse en christelijke kerken, maar ook moskeeën en tempels. Met de horizontale werking van de vrijheid van godsdienst zit het hier dus wel goed. Helaas is dit niet in alle landen zo. Ik haalde hiervoor al aan dat in sommige landen de doodstraf staat op het verlaten van de islam. In deze landen bestaat dus helemaal geen vrijheid van godsdienst en is de wetgeving zelfs gebaseerd op het geloof, de zogenaamde Sharia wetgeving. Landen waar het geloof en wetgeving zo vervlochten zijn met elkaar, maken het onmogelijk voor ingezetenen om van hun geloof af te stappen of over te stappen naar een ander geloof. Moslims in deze landen kiezen in stilte voor afvalligheid en zullen hier nooit met iemand één woord over spreken. Zelfs in landen zoals Egypte, waar de vrijheid van godsdienst is opgenomen in de grondwet, zijn moslims niet vrij om te breken met hun geloof, omdat de Sharia daar onder de bevolking erg sterk leeft en deze wetgeving de familie het recht geeft de afvallige te doden. Een mijns inziens kwalijke zaak, aangezien veel mensen van mening zijn dat de vrijheid van godsdienst een kernrecht is dat eenieder op deze wereld zou moeten bezitten. Ik hoop dat dit artikel jullie bewust heeft gemaakt van een probleem dat onder de aandacht moet worden gebracht bij het grote publiek. Dit met als doel dat wij in ieder geval in Nederland een stap kunnen zetten naar een betere waarborg van individuele vrijheid van godsdienst. (Endnotes) 1 Zie o.a. artikel 9 EVRM, artikel 18 IVBPR en artikel 10 Handvest EU. 2 Met de praktijken en de ideeën van de PVV wordt dit imago enigszins geweld aangedaan, maar desalniettemin heeft Nederland een lange en diepgewortelde traditie van tolerantie. 3 Onder meer in Soedan, Mauritanië en Jemen. Andere landen waarin de sharia wetgeving van toepassing is kennen ook de doodstraf op afvalligheid via deze wetgeving. 4 M. Hegener, Vrijheid van godsdienst en afvalligheid, Justitiële verkenningen, jaargang 33, nummer 1, 2007.

33 | SecJure Oktober 2011


NOG STUDENT EN NU AL EEN MEESTERLIJK STUK

de redactie van

                  Discussiëren met de redactie? Check onze gloednieuwe facebookpagina op www.facebook.com/SecJure. Wil je zelf in de redactie? Kijk dan op www.magisterjft.nl/secjure of stuur een email naar secjure@magisterjft.nl.


Dan de Vries1

Veel wetgevers zouden behoorlijk ongelukkig worden als zij het woord “onderhavig” niet meer zouden mogen gebruiken. Terecht, zoals hierna wordt aangetoond, al dacht men daar vroeger heel anders over.

Onderhavig in de 19e eeuw: WNT en Bilderdijk Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (Wikipedia: “het grootste woordenboek ter wereld”), hierna WNT, is de oorspronkelijke betekenis van onderhavig: “onderhevig” (zoals in “aan slijtage onderhevig”). Een voorbeeld die het WNT (1876) geeft: ‘’De Koning, die van minzuchtiger aart, ende uitnemende onderhavigh was van de bekoringen der vrouwelijke schoonheden.’’ Onderhavig in de huidige betekenis was in de 19e eeuw in opkomst. Het WNT: Nu onderhavig in de hier behandelde beteekenis verouderd en door onderhevig vervangen is, heeft men het woord in onze eeuw opnieuw in gebruik gebracht, en wel in een geheel anderen zin, t.w. in de uitdrukking ‘’de onderhavige zaak’’, ‘’het onderhavige geschil’’, ter aanduiding van datgene waarvan op ‘t oogenblik sprake is, dat men nu behandelt of onder handen heeft… Deze (betekenis)ontwikkeling zint het WNT helemaal niet: Doch met … dergelijk willekeurig woordsmeden is de taal niet gediend. Tevreden constateert het WNT daarom: Het woord heeft dan ook weinig opgang gemaakt. Het is door alle taalkenners eenparig veroordeeld. Bilderdijk noemde het een ”onlijdelijk en verfoeilijk” woord, een ”gedrochtelijk uitspruitsel des onverstands”! Wie was de heer Bilderdijk? Volgens Wikipedia was hij een Nederlands geschiedkundige, taalkundige, dichter en advocaat, die “al vroeg werd gekweld door gonzingen in het hoofd van vermoeidheid van denken ontstaan”. Ik weet niet of ik door een dergelijke advocaat met hoofdgonzingen verdedigd zou willen worden. In zijn hoedanigheid als taalkundige schreef hij: Onderhavig is een onlijdelijk moffenwoord en verfoeilijk. Het heeft niets waar het meê in verband staat. Want zoo het van have kwam, moest het onder de bezitting behoorend, beteekenen,

Willem Bilderdijk en niet onderworpen (subject). Weg met dit gedrochtelijk uitspruitsel des onverstands! (Brieven. Deel 2. W. Messchert, Amsterdam 1837). Aangezien we niet kunnen beoordelen of deze uitspraak was veroorzaakt door hoofdgonzingen of gebaseerd op solide taalkundige overwegingen, laten we de hoofdgonzingen verder onbesproken en zullen we ons beperken tot Bilderdijk’s taalkundige kwaliteiten. We kijken hiervoor naar zijn verhandeling “Verklarende Geslachtslijst der Nederduitsche naamwoorden, op stellige taalkunde gevestigd” (1822). Daarin legt Bilderdijk uit dat paard, rund, konijn, schaap en hoen onzijdig zijn, omdat je eigenlijk zou moeten zeggen: paarddier, runddier, konijndier, schaapdier en hoendier. En dier is zoals we allemaal weten onzijdig: het dier. Vandaar het paard, het rund, het konijn, het schaap, het hoen en niet de paard enz. Zijn taalkundige ambities gaan verder dan alleen het verklaren van het woordgeslacht: Doch het eigenlijk doel dezer Uitgaaf … is de meer volkomen kennis der woorden in ‘t innige hunner beteekenis … waar tevens de vorming uit blijken kon…. Anders gezegd, Bilderdijk gaat ook door op de herkomst van de woorden. Waar komen bijvoorbeeld de woorden “buis” of “bus” vandaan? Dat zit zo: Buis, en bus toont werklijk een koker aan, door de vorming die de mond daarby aanneemt. Voor wie dit niet helemaal vat: als iemand het woord buis uitspreekt, dan lijkt het net of zijn mond een buis is. En daarom zeggen we ook buis. Heel logisch dus. Een ander voorbeeld. Bul (in de betekenis van stier, Engels: bull) komt van bel, omdat stieren een bel om hebben. Bul is dus eigenlijk belstier. 35 | SecJure Oktober 2011

Opinie

Onderhavig


En darm, je zou het niet meteen zeggen, komt van d’orm = “de orm” en dat komt van het werkwoord ormen dat eigenlijk wormen is en dat kronkelen betekent. Darm is een verbastering van “de orm” en dat betekende vroeger “de kronkel”. Wat valt er op te merken over “hond”? De kunne onderscheidt zich in reu (dat is, roede) en teve of teef (dat is, tepel); waaronder men dan hond, als ’t ware reuhond en teefhond verstaat. De reu is dus eigenlijk gewoon piemel(hond), maar dan iets netter, en teef staat voor tepel(hond). Een laatste voorbeeld. Dat gaat over de herkomst van “duim”. Duim komt, zegt Bilderdijk, van het werkwoord du-en, duwen, zoo dat duim eigenlijk duïng, duwing is, het geen op zich-zelf V.(vrouwelijk) zou zijn. Eigenlijk is de oorsprong in het woord um (oude uitdrukking bij de krachtoefening door het sluiten van de lippen en inspannen van de borst veroorzaakt) en duim is niets anders dan de um, tot één woord samengetrokken, of liever de um-vinger, d.i. de vinger waar men de drukkende kracht meê doet. Inventief is de taalkunde van Bilderdijk inderdaad. Maar klopt het ook? Of heeft Bilderdijk gewoon een heel grote um-vinger? Trouw (7 februari 1992) hield het op een grote duim en sprak van “de pseudo-etymologische verdichtselen van Bilderdijk”. En dat was ook de opvatting van de hoogleraar Nederlandse taalkunde Jan te Winkel in 1906: ‘voor de strenge rechtbank der wetenschap mogen zijne taalbeschouwingen niet kunnen bestaan’. Bilderdijk’s aanklacht dat “onderhavig” een gedrochtelijk uitspruitsel des onverstands is, treft dus geen doel.

Een casus, of hoe onderhavig de internationale samenwerking bevordert Uit bovenstaande blijkt dus dat we de taalkundige bezwaren van pseudotaalkundige Bilderdijk niet serieus hoeven te nemen. Daaruit mag je echter niet afleiden dat onderhavig voor goede, precieze wetgeving onmisbaar is. Hier is een bewijs voor nodig, wat ik ontleen een uit het leven gegrepen casus. SecJure Oktober 2011 | 36

Eerst een intermezzo over een verdrag dat België, Nederland en Luxemburg 25 jaar geleden hebben gesloten: de “Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen samenwerkingsverbanden of autoriteiten” (Trb. 1986, 160). De brochure “Benelux, actief en actueel” (2008) zegt hierover: ‘Samenwerking over de grenzen heen kan op veel manieren, zowel informeel als formeel. Natuurlijk is het mogelijk om met de buren tussen pot en pint overeen te komen dat je samen een aantal zaken gaat aanpakken. Vaak is informele samenwerking echter afhankelijk van persoonlijke contacten en stopt deze spoedig nadat deze contacten wegvallen.” Het verdrag kent 13 artikelen, waarin 13 keer “onderhavige” voorkomt, zoals in de eerste volzin van het eerste lid van artikel 1: “De onderhavige Overeenkomst is van toepassing op onderstaande ….autoriteiten: [volgt opsomming waarin ook gemeenten worden genoemd]”. Dat je hierboven “onderhavig” niet zomaar kunt vervangen door “deze”, zal straks blijken.

Eikenprocessierupsen Stel: je bent burgemeester van de gemeente Leudal (Limburg, Nederland) en je hebt net gehoord dat het elektronische eikenprocessierupsenwaarnemingssysteem een processie heeft waargenomen van eikenprocessierupsen. De processie is op weg van Roggel (gemeente Leudal) naar Molenbeersel, gemeente Kinrooi in Limburg, België. Als verantwoordelijk burgemeester weet je dat zo´n invasie van eikenprocessierupsen al snel een hoop overlast kan geven voor de inwoners van Molenbeersel. En dat wil je als goede buur niet op je geweten hebben. Nu zou de burgemeester van Leudal de optocht van de rupsen met zijn Kinrooise collega kunnen bespreken tussen pot en pint. Maar deze vorm van informele samenwerking is te zeer afhankelijk van persoonlijke contacten en eindigt zodra deze contacten wegvallen. En dat wil de burgemeester niet. Gelukkig herinnert hij zich de eerder genoemde Benelux-Overeenkomst. Hij vraagt zich af of op basis daarvan Leudal en Kinrooy samen de rupsenprocessies duurzaam kunnen bestrijden. In artikel 1, eerste lid, staat immers heel duidelijk dat de onderhavige Overeenkomst ook van toepassing is op samenwerking tussen Belgische en Nederlandse gemeenten. En dankzij de woordkeuze “onderhavige”, staat ook ondubbelzinnig vast welke overeenkomst wordt bedoeld. Dat is inderdaad de Overeenkomst die is gepubliceerd in het Tractatenblad van Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1986, nr. 160. Geen twijfel mogelijk. Maar nu het eerste lid van artikel 2 van de BeneluxOvereenkomst. Dat zegt: “Onverminderd de mogelijkheden om op basis van het privaatrecht samen te werken kunnen de in artikel 1 genoemde territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten … op basis van deze Overeenkomst met elkaar samenwerken …”.


Let wel: er staat in artikel 2, eerste lid, niet dat de autoriteiten met elkaar kunnen samenwerken “op basis van de onderhavige Overeenkomst” (dat is dus die uit Trb. 1986, nr. 160). Neen, er staat: “deze Overeenkomst”. En het is volstrekt onduidelijk wat met deze Overeenkomst wordt bedoeld. Geen wonder dat de burgemeester er geen touw aan kan vastknopen. Hij roept dan ook vertwijfeld: “Chips patat curry nog aan toe, rododendron, bamibal!2. Om welke Overeenkomst gaat het? Er zijn zoveel overeenkomsten! Moet ik nu alle Tractatenbladen laten aanrukken om te zien wat ze bedoelen met ”deze Overeenkomst?” Gelukkig heeft deze geschiedenis een happy end. Want de lezer die de moeite heeft genomen zelf het Tractatenblad er op na te slaan, zal gezien hebben dat artikel 2, eerste lid, anders luidt, namelijk: “Onverminderd de mogelijkheden om op basis van het privaatrecht samen te werken kunnen de in artikel 1 genoemde territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten … op basis van de onderhavige Overeenkomst met elkaar samenwerken ten einde gemeenschappelijke belangen te behartigen…” De beide burgemeesters kunnen dus samen het rupsprobleem uit de wereld te helpen. Niet en passant, tussen pot en pint, maar zoals het hoort: structureel en toekomstbestendig.

in 402 van de in totaal 2.438 verdragen voor, zo’n 16,5% van het totaal. Bij (formele) wetten lijken de gonzingen in het hoofd van wetgevers echter de overhand te krijgen. Van de 1.869 (formele) wetten zijn er maar 54 waar het woord onderhavig(e) in de wettekst voorkomt, 3% dus. Voor amvb’s is de score 88 op een totaal van 2306, zo´n 3,8%. Voor ministeriële regelingen is dat 308 van 5.539 (5,6%), beleidsregels 124 van 965 (12,8%), circulaires 69 van 378 (18,3%), regelingen zbo’s 32 van 572 (5,6%) en regelingen PBO/OLBB 83 van 915 (9,1%). Natuurlijk gaat het bij wetgeving niet alleen om wetteksten. Ook toelichtingen zijn belangrijk. De wetgevingskwaliteit komt hier veel beter uit de verf. In de memorie van toelichting bij de Telecommunicatiewet (Kamerstukken II 1996/97, 25 533, nr. 3) komt onderhavig(e) bijvoorbeeld 167 keer voor. In alle parlementaire stukken bij Telecommunicatiewet is dat zo’n 1.191 keer. Niet slecht, maar het kan beter, zo zien we bij de rechterlijke macht. Van de 138.196 uitspraken die op rechtspraak.nl zijn te vinden (peildatum 20 juli 2011) bevatten 94.594 één of meer keer het woord onderhavig(e), dus in 68,4% van alle rechterlijke uitspraken.

Epiloog: meer is beter

Onderhavig, wel in verdragen, (bijna) niet in wetten

Onderhavig(e) mag dan 1.191 keer voorkomen in de parlementaire stukken van de telecomwetgeving, de woorden “dit” en “deze” komen in deze stukken 32.114 keer voor. Laten we aannemen dat in tenminste een kwart van deze gevallen “dit” kan worden vervangen door “het onderhavige” en “deze” door “de onderhavige”. Dan zou de score van 1.191 moeiteloos stijgen naar 9.219. De winst daarvan? Duidelijker teksten voor de burger. En mooi meegenomen is dat de auteurs van Kluwer’s wetgevingsserie Lexplicatie (vroeger Schuurman & Jordens), die per bladzijde betaald krijgen, ook nog een graantje meepikken. En waarom zouden we onderhavig(e) niet consequent in wetteksten gebruiken? Neem bijvoorbeeld het tiende lid van artikel 5.2. van de Telecommunicatiewet. Daar staat nu: “Onverminderd dit artikel gelden de gegeven voorschriften bij of krachtens andere wetten terzake van het gebruik van deze gronden, gebouwen of wateren.” Maak daar nou gewoon van: “Onverminderd het onderhavige artikel gelden de gegeven voorschriften bij of krachtens andere wetten terzake van het gebruik van deze gronden, gebouwen of wateren.” Veel nauwkeuriger toch? Ik zou zeggen: doen!

Wie Nederlandse wetten de onderhavig-maat neemt, komt tot een verbijsterende conclusie: in de tekst van wetten komt bijna geen onderhavig voor. Dat is vreemd, want de aanwijzingen van de regelgeving zeggen er niets over, dus daar hoef je het niet om te laten. En als het in verdragen mag, waarom dan niet in (gewone) wet- en regelgeving? Wat statistiekgegevens: onderhavig(e) komt

(Endnotes) 1 Dan de Vries werkt voor het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Hij adviseert daar over regelgeving op het gebied van telecommunicatie. 2 Dit zijn 3 mogelijke alternatieven voor vloeken. Ze worden aanbevolen op de website van De Bond tegen het vloeken (opgericht in 1917).

Zonder onderhavig blijft wetgeving broddelwerk Waarom dan de lezer op het verkeerde been zetten door “op basis van de onderhavige Overeenkomst” te vervangen door “op basis van deze Overeenkomst”? Uiteraard ter wille van de bewijsvoering. Want nu kan iedereen in een oogopslag zien hoe een ondubbelzinnige wettekst verandert in een onnauwkeurige, vage, onbegrijpelijke tekst. Ik pleit dan ook voor een veel minder terughoudend onderhavig-beleid bij wetgeving. Zeker als trefzekere wetgeving een conditio sine qua non is, zoals bij telecomwetgeving. Want iedereen weet dat in de telecomsector de ontwikkelingen razendsnel gaan. Dat stelt hoge eisen aan de wetgever. Hij moet uiterst precies formuleren wat mag en niet mag, omdat je in zo’n turbulente markt met al die duizelingwekkende ontwikkelingen al snel het spoor volledig bijster raakt. Met alle negatieve spiralen van dien.

37 | SecJure Oktober 2011


Beschouwing

Kinderarbeid – de belemmering van de vrijheid van het kind om kind te zijn Sylvia Kuijsten

Zoals u, trouwe lezer, al uit de Redactioneel heeft kunnen opmaken, betreft het thema voor de eerste editie van dit collegejaar de term ‘vrijheid’. Er wordt door mijn mederedacteuren onder andere gesproken over democratie, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst, stuk voor stuk belangrijke onderwerpen. Mijn bijdrage voor deze editie is een artikel dat zich richt op de vrijheid van kinderen. Ik zal me hier voornamelijk toespitsen op kinderarbeid, een praktijk die, hoewel het in Nederland gelukkig zo’n honderd jaar geleden is afgeschaft, helaas nog steeds regelmatig voorkomt in onze huidige tijd. In het onderstaande wordt eerst een stuk gewijd aan de geschiedenis van de kinderarbeid in Nederland en hoe deze uiteindelijk werd afgeschaft. Vervolgens volgt een stuk over internationale verdragen betreffende kinderen. In het derde deel van dit artikel probeer ik ten slotte een beeld te geven van de kinderarbeid zoals deze in onze huidige tijd helaas nog steeds voorduurt. De definitie van kinderarbeid Voordat we ons gaan verdiepen in de geschiedenis van kinderarbeid in Nederland moeten we eerst duidelijk stellen wat nu precies wordt verstaan onder kinderarbeid. Een eenduidig antwoord blijkt lastig te geven, maar in de gangbare definities zijn drie begrippen van belang:1 1. De minimumleeftijd voor toegang tot arbeid; de arbeid die verricht wordt door kinderen die jonger zijn dan de vastgestelde wettelijke minimumleeftijd voor dat bepaalde werk. 2. Gevaarlijk werk: de aard van het werk of de omstandigheden waarin het verricht wordt, zijn schadelijk of gevaarlijk voor de lichamelijke, geestelijke of zedelijke gezondheid van het kind. 3. De ergste vormen: slavernij, kinderhandel of andere vormen van gedwongen arbeid, rekrutering van minderjarigen in gewapende conflicten, prostitutie, pornografie en andere illegale activiteiten.

Kinderarbeid in Nederland Nu we hebben vastgesteld aan welke eisen moet worden voldaan wil er sprake zijn van kinderarbeid, kunnen we SecJure Oktober 2011 | 38

de geschiedenis induiken. De rechten en vrijheden die een kind in Nederland heden ten dage heeft, zijn niet zonder slag of stoot verworven. De eerste (pogingen tot) wetten die speciaal gericht zijn op kinderen, vinden we in Nederland terug aan het einde van de 19e eeuw. Het was de tijd van de Industriële Revolutie, waarin arme arbeiders naar de steden trokken in de hoop op een beter bestaan. Het merendeel kwam echter bedrogen uit. Lange werkdagen, lage lonen, kleine woningen en huishoudens met veel kinderen zorgden ervoor dat veel gezinnen het zwaar hadden. Dat kinderen meewerkten om de kost te verdienen werd als normaal beschouwd en had niet alleen als voordeel dat de kinderen geld verdienden en niet over straat zwierven, maar ook dat hen plichtsbesef en orde werd bijgebracht. Dat was in ieder geval het idee. Het feit dat de kinderen lange werkdagen maakten, veel te zwaar werk deden (wat onder andere leidde tot lichamelijke misvormingen, stress en stoflongen) en dit werk uitvoerden in zeer onhygiënische omstandigheden tegen een miserabel loon, werd naar de achtergrond verdrongen. Pas omstreeks 1840 werden de eerste bedenkingen rondom kinderarbeid geuit. Lange tijd leefde bij de overheid de opvatting dat men niet in mocht grijpen in het gezinsleven, maar dat de ouders zelf mochten bepalen in hoeverre hun kinderen zouden werken of naar school zouden gaan. Gaandeweg kwam men echter tot het inzicht dat de overheid ook de verplichting tegenover haar bevolking had om bescherming te bieden, te beginnen bij kinderen.2 Deze bescherming werd in 1874 concreet door het alom bekende Kinderwetje van Van Houten.3 Kort gezegd hield deze in dat het verboden was kinderen beneden de twaalf jaar in dienst te nemen of in dienst te hebben. Uitgezonderd hiervan was veldwerk en huiselijke en persoonlijke diensten. Overtredingen werden bestraft met een geldboete (variërend van 3 tot 25 gulden) of een gevangenisstraf (1 tot 3 dagen).4 Van Houten beoogde met zijn wetsvoorstel twee doelen. Allereerst zouden latere arbeidsgeneraties meer en beter presteren wanneer ze in hun vroege jeugd niet te snel waren begonnen met werken en dus de gelegenheid kregen om iets te leren. Daarnaast zou er een grotere vraag naar volwassen arbeidskrachten ontstaan wanneer de arbeid van kinderen beneden een bepaalde leeftijd verboden werd.5 Zowel de kinderarbeid als werkeloosheid werden


dus aangepakt. Wegens gebrek aan controle op naleving van deze wet ging kinderarbeid echter op grote schaal door. Om dit probleem aan te pakken, werd in 1887 een parlementaire enquête gehouden waar de invoering van de Arbeidsinspectie uit voortkwam.6 Daarnaast ontstonden er meer vakscholen, zoals technische scholen en land- en huishoudscholen. De echte beëindiging van de kinderarbeid vond echter pas decennia later plaats met de leerplichtwet, die in 1900 werd aangenomen en in 1901 van kracht werd.7 Kinderen van zes tot twaalf jaar moesten voortaan verplicht onderwijs volgen. Ook hierop golden enkele uitzonderingen, zoals boerenzonen die moesten helpen bij oogsttijd of meisjes die thuis voor het gezin moesten zorgen, maar het merendeel van de kinderen was verlost van de wantoestanden in de fabrieken. Doorleren werd vanzelfsprekend.

Het kinderrecht in een stroomversnelling Na het Kinderwetje van Van Houten kwamen de wetten betreffende kinderen in een stroomversnelling. Zoals hierboven vermeld, werd in 1901 de leerplichtwet van kracht en in 1905 traden de Kinderwetten, die in 1898 waren ingediend, in werking. De Kinderwetten bestonden uit de Burgerlijke Kinderwet (de Staat mag de opvoeding van de kinderen op zich nemen als de ouders hiertoe niet in staat blijken), de Strafrechtelijke Kinderwet (wet met aparte strafbepalingen voor kinderen) en de Kinderbeginselenwet (procedurele veranderingen in de rechtszaak).8 De overheid kon nu definitief ingrijpen in het gezin en dit zorgde voor een enorme ontwikkeling in de jeugdhulpverlening en –gezondheidszorg. De Kinderwetten vormen dan ook de basis voor ons huidige stelsel omtrent jeugdbescherming en jeugdzorg.

Het huidige arbeidsrecht voor jeugdigen Tegenwoordig zijn er strenge regels verbonden aan de hoeveelheid uren die een jeugdig persoon mag werken.

Kinderen onder twaalf jaar mogen niet werken, al kan de Arbeidsinspectie wel toestemming verlenen voor bijvoorbeeld het beperkt deelnemen aan televisieprogramma’s, theatervoorstellingen, etcetera. Dertien- en veertienjarigen mogen buiten schooltijd maximaal twee uur per dag ‘niet-industriële hulparbeid van lichte aard’ verrichten. In vakantieperiodes bedraagt dit zeven uur per dag, maar maximaal 35 uur per week. Een vijftienjarige is tijdens schoolperiodes ook nog gebonden aan die twee uur per dag, maar in vakantieperiodes mag hij acht uur per dag aan de slag, met een maximum van veertig uur per week. Het gaat hier nog steeds om niet-industriële arbeid van lichte aard, maar hij ontvangt hiervoor wel een minimumloon (denk bijvoorbeeld aan kranten bezorgen). Voor zestien- en zeventienjarigen geldt ten slotte dat er maximaal negen uur mag worden gewerkt in vakantieperiodes, ook hier geldt een maximum van veertig uur per week.9 Op het hier voorafgaande gelden weer meer specifieke regels over nachtdiensten, verplichte pauzes, werken op zondag, etc. Het wordt echter te uitgebreid om dat hier helemaal uiteen te zetten. En om nog even duidelijk te maken hoe schrijnend de situatie was vóór afschaffing van de kinderarbeid: kinderen werkten zo’n dertien uur per dag, zes dagen per week.

Internationale verdragen omtrent kinderen Nu we een algemeen beeld hebben gekregen van de geschiedenis van de positie van het kind in Nederland, steken we de landsgrenzen over en kijken we welke kinderverdragen en -wetten op internationale vlak terug te vinden zijn. Het verdrag dat hierbij direct opvalt, is het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).10 Het verdrag werd op 20 november 1989 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen en werd van kracht in september 1990. Het verdrag schetst in 41 artikelen de mensenrechten die moeten worden

39 | SecJure Oktober 2011


gerespecteerd en beschermd voor elk kind jonger dan 18 jaar. In Nederland werd het IVRK op 6 februari 1995 geratificeerd. Op twee landen na, te weten Somalië en de Verenigde Staten, hebben alle landen ter wereld het verdrag geratificeerd. Naast het Verdrag heeft de Algemene Vergadering van de VN nog twee aparte protocollen opgesteld, te weten een protocol ter bescherming van kinderen in gewapende conflicten en een protocol over kinderen die verhandeld en geëxploiteerd worden.11 In 2000 heeft Nederland beide protocollen ondertekend. Dit heeft voor Nederland als gevolg dat het onderworpen is aan verdergaande verplichtingen dan alleen die van het IVRK.12

• • •

Hoewel het IVRK gelijk in het oog springt als we aan verdragen over en voor kinderen denken, zijn er ook in andere verdragen artikelen opgenomen. Hierbij valt te denken aan het Eerste en Tweede Protocol van het Verdrag van Genève,13 maar ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het ILO-verdrag (International Labour Organization), welke kinderen beschermen tegen kinderarbeid en gewapende conflicten. Verder kennen we ook het in 2003 opgerichte Europese Verdrag inzake de Omgang van en met Kinderen, dat door twaalf landen is ondertekend en door een vijftal landen is geratificeerd. Daarnaast zijn er nog allerlei aparte instanties en werkgroepen die zich inzetten voor de belangen van kinderen.

9% werkt in de zware industrie (mijnen, fabriekswerk, openbare nutsbedrijven), 22% van de kindarbeiders werkt in de service-industrie (hotels, restaurants, transport, sociale diensten, etc) en 69% werkt in de agrarische sector (jagen, bosbouw, vissen en landbouw). 8,5 miljoen kinderen worden gedwongen te werken als slaven in de prostitutie, pornografie en andere illegale activiteiten. Van deze kinderen zijn 1,2 miljoen gesmokkeld of ontvoerd. Latijns-Amerika en de Cariben boeken de grootste vooruitgang in de strijd tegen kinderarbeid. Elk jaar sterven 22.000 kinderen aan de gevolgen van kinderarbeid.

Cijfers omtrent kinderarbeid

De cijfers behoeven waarschijnlijk weinig uitleg. Door de jaren heen zien we sterke stijgingen en dalingen in het aantal kindarbeiders. Naast traditionele opvattingen en een gebrekkig onderwijssysteem, wordt met name de economie als de belangrijkste factor gezien voor kinderarbeid. In het geval van een economische crisis stijgt het aantal kindarbeiders door het feit dat het goedkope krachten zijn. Hierdoor vinden volwassenen geen werk en moeten de kinderen blijven werken om geld op de plank te krijgen. We zitten dus in een vicieuze cirkel waar we misschien nooit uit zullen komen. Gelukkig zijn er organisaties die zich inzetten om kinderen te helpen, maar of dat ooit genoeg zal zijn? Ik hoop dat ik dat moment nog mag meemaken.

Hoewel kinderarbeid op grote schaal verboden is, komt het in de praktijk tragisch genoeg nog veel te vaak voor, met name in ontwikkelingslanden. In mijn zoektocht naar cijfers om een beter beeld te krijgen van de hoeveelheid slachtoffers van kinderarbeid, stuitte ik op een verscheidenheid aan bronnen, waarvan de cijfers over het algemeen redelijk overeen kwamen. Toch zullen de percentages naar alle waarschijnlijkheid in de realiteit (een stuk) hoger liggen, bedrijven lopen er uiteraard niet mee te koop dat ze kinderen inzetten om arbeid te verrichten. Hieronder volgen enkele cijfers en percentages die zijn gebaseerd op de gegevens van ‘Stop Childlabour’ en ‘Childright’: • 1 op de 6 à 7 kinderen op de wereld verricht kinderarbeid. • Dat komt neer op 218 miljoen kindarbeiders. 73 miljoen van deze werkende kinderen zijn jonger dan 10 jaar. • Meer meisjes zijn kindarbeider dan jongens. • Kinderarbeid komt het meeste voor in Afrika en Azië. 127 miljoen van hen zijn jonger dan 14 jaar. • Ook in de zogenaamd ontwikkelde landen van Europa en Noord-Amerika komt kinderarbeid voor: hier ligt het aantal op zo’n 2,5 miljoen.

(Endnotes) 1 S. Meuwese, M. Blaak & M. Kaandorp, Handboek Internationaal Jeugdrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2005, p. 555 2 Bakker, Noordman en Rietveld-Van Wingerden, ‘Vijf eeuwen opvoeden in Nederland: idee en praktijk, 1500-2000’, 3 Originele naam: ‘Voorstel van wet van den heer v. Houten, strekkende om overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen tegen te gaan’. 4 Art. 1 jo. 4 Kinderwet van Van Houten. 5 http://nic.vanholstein.com/view/houten.htm 6 http://www.europa-nu.nl/id/vh8lnhrpmxw9/parlementaire_enquete_naar_de_toestand 7 De leerplichtwet vormt de basis voor de leerplicht die we nu kennen en heeft door de jaren heen verschillende veranderingen doorgemaakt. Inmiddels begint de leerplicht op de eerste dag van de maand na de vijfde verjaardag en duurt tot de achttiende verjaardag. 8 J. Hermanns, ‘Handboek Jeugdzorg, deel 1: stromingen en specifieke doelgroepen’, Bohn Stafleu van Loghum, 2005, p. 29 9 Bron: Jurofoon. 10 Zie voor de artikelen van het verdrag http://www.vormen.org/ Kompas/PDFfiles/SamenvattingIVRK.pdf 11 UN Document A/RES/54/263. 12 S. Meuwese, M. Blaak & M. Kaandorp, Handboek Internationaal Jeugdrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2005, p. 3. 13 Trb. 1978, 41 en trb. 1978, 42

SecJure Oktober 2011 | 40


Column

Brieven uit Boedapest

Eindelijk! Janneke van der Heijden

Volgende week ben ik verlost van Tilburg, saaie industriestad, waar na vijf jaar studie de progressie toch wat gestagneerd is. Eindelijk bevrijd van het ranzige studentenhuis waar ik al te lang woon. Nooit meer op de Vrijspraakkamer bestuursstukken lezen, teksten schrijven of werkgerelateerde discussies voeren. Eindelijk onafhankelijk van mijn ouders en vrienden op eigen benen staan. Het is tijd voor een nieuwe stap. Over een week gaat het gebeuren. Dan luidt mijn vlucht naar Boedapest een nieuw collegejaar in. Een collegejaar waarin ik hopelijk een heel nieuw leven aanga. Waarin ik ten minste om het weekend naar een Europese of Latijns-Amerikaanse stad zal afreizen om samen met mijn nieuwe vrienden de bloemetjes buiten te zetten. Een jaar waarin ik alleen kortstondige en oppervlakkige relaties aanga en me niet laat binden door sociale conventies en controle. Een jaar waarin ik zeker niet ga werken, ‘vrijwilligen’ of stagelopen. En ik ga vooral niet terugkomen omdat ik heimwee heb naar Tilburg, de Universiteit, mijn huisgenoten of mijn vriendje. Alleen denken aan reizen, genieten, en nog even een paar vakken binnen tikken. Een vlucht naar het buitenland voor kortere of langere tijd is voor Nederlanders dé kans om een nieuw leven op te bouwen. Dit dient bij voorkeur te gebeuren in een warm land waar men geen last heeft van het Hollandse weer en het calvinistische gedrag. Vaak overheerst een ongerechtvaardigd gevoel van ontevredenheid over het leven in Nederland. Een klaagzang volgt en men besluit een Bed & Breakfast in Toscane, een schildersatelier in Frankrijk of een pannenkoekenrestaurant in de Oostenrijkse Alpen te beginnen. Getuige de vele televisieprogramma’s moet de activiteit die in het land van bestemming ontplooid zal worden vooral niets te maken hebben met eerder opgedane ervaringen. Veeleer probeert men een droom na te streven die vaak onbereikbaar blijkt omdat in het betreffende gezin de benodigde vaardigheden niet aanwezig zijn. Het opstarten van een bedrijf in een onbekend land zonder beheersing van de taal en begrip van de cultuur blijkt toch wat lastig te zijn. Het euforische gevoel van ultieme vrijheid slaat na een paar weken dan ook langzaam doch doordringend om in een prikkelbare en depressieve stemming. Met alle gevolgen

van dien. Het jonge koppel dat vol goede moed aan het vrije leven begon gaat uit elkaar en man en vrouw keren afzonderlijk en met hangende pootjes terug na het buitenlandse fiasco. Komend jaar ga ik dat allemaal anders doen. Om de gelukzalige stemming van ultieme vrijheid te kunnen behouden heb ik me gedegen voorbereid. Na het lezen van de eerste alinea u zou kunnen toeschijnen dat het voortzetten van mijn studie in het buitenland een haastige vlucht is en dat het studeren, werken en leven in Tilburg mij benauwen. In tegendeel; het vertrek is juist een weloverwogen en al langer vaststaande beslissing. Taalcursussen en een workshop interculturele communicatie zouden ervoor moeten zorgen dat ik in Hongarije en Argentinië mijn draai weet te vinden. Mijn huisvesting is geregeld en de studentenorganisaties zorgen ervoor dat ik in een hechte internationale gemeenschap wordt opgenomen. Mocht de verveling toeslaan heb ik als back-up altijd nog de masterscriptie om me volledig op te storten. Geen reden dus om bang of nerveus te zijn voor het afscheid. Toch heb ik het risico dat ik een avond lang zou janken omdat ik al het moois uit Tilburg en mijn studentenleven een jaar moet gaan missen zoveel mogelijk proberen te beperken door geen afscheidsfeest te geven. Kortom, voor vertrek is alles geregeld. Meer zorgen maak ik me over de terugkomst. Dat heeft vooral te maken met het programma ‘Hello Goodbye’ van Joris Linssen. Zeker eenmaal per aflevering schieten mijn ogen vol. Het is gewoon niet te doen. Iedere week blijkt dat het onzeker is wat er in het buitenland gebeurd. Mensen maken mooie dingen mee of juist hele droevige. Zojuist nog een item over een man die zijn broer in Amerika had verloren en wachtte op de terugkomst van zijn moeder. Gewoonweg tranentrekkend. En altijd worden de mensen gemist door de thuisblijvers. Ik hoop dat dat bij mij ook het geval is. Liefs, Janneke

41 | SecJure Oktober 2011


Interview

Het Kruisverhoor

Ger van der Sangen Melanie Hermes

Tijdens zijn colleges haalt hij veelvuldig het voorbeeld van de gitaarfabrikant aan, maar wat heeft hij zelf met gitaren? Schuilt er stiekem een rocker in hem? Heeft hij verder nog verborgen talenten waar wij nog niets van weten, of houdt hij het toch liever bij het doceren van ondernemingsrechtelijke vakken? Ger van der Sangen vertelt alles tijdens “Het Kruisverhoor”.

1. Naam Gerardus Johannes Hendrikus van der Sangen 2. Woonplaats Capelle aan den IJssel 3. Geboortedatum/leeftijd 31 oktober 1964, dus 46 jaar oud. 4. Huwelijkse staat Gehuwd, 2 kinderen (Johan en Mirte). 5. Werkzaam als Universitair hoofddocent binnen de vakgroep Business Law. 6. Afgestudeerd Privaatrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. 7. Hobby’s Fotografie, badminton, gitaar spelen, wielrennen en Spanje. Met name de ongereptheid van de natuur in het noorden van Spanje spreekt mij aan. 8. Welk type student was u? Dat moeten we eigenlijk in twee perioden splitsen. Voornamelijk in de eerste anderhalf jaar was ik geen geïnteSecJure Oktober 2011 | 42

resseerde student. Dat had te maken met de toenmalige structuur van de opleiding in Nijmegen. Het eerste jaar was heel algemeen met veel economie en het tweede jaar was volledig publiekrechtelijk. Het licht ging bij mij pas branden in het derde jaar, toen privaatrecht aan bod kwam. Dat gaat namelijk niet over menselijke ellende, maar over op geld waardeerbare transacties en dat trok mij enorm, in het bijzonder de manier hoe dat via het privaatrecht gestructureerd is. 9. Wie was of is uw voorbeeld? Ik had heel lang geen voorbeelden, maar ik was wel heel erg gecharmeerd van juristen als Stein, Schoordijk en Van der Grinten; allen zeer breed en privaatrechtelijk georiënteerd schrijvende juristen. Ik heb het geluk gehad dat ik hier mocht komen werken bij professor Raaijmakers en hij past in het rijtje van voorbeelden. 10. Wat wilde u vroeger worden en wat is er mis gegaan? Dat was wat iedereen wilde worden als jongen: straaljagerpiloot. Wat er mis is gegaan, is dat ik een bril kreeg. 11. Waarom hebt u voor rechten gekozen? Toen ik op het VWO zat had ik al interesse voor hoe de maatschappij in elkaar zat. Voor mij waren er drie opties: economie, geschiedenis of rechten studeren. Economie


vond ik teveel modelmatig, het toekomstperspectief voor geschiedenis was niet denderend, dus ik heb toen de ‘veilige’ optie genomen door voor rechten te kiezen. Die keuze heeft eigenlijk helemaal niet verkeerd uitgepakt. Hoewel ik me dus wel geërgerd heb aan dat eerste jaar in Nijmegen, waar we een heel semester macro-economie gedoceerd kregen. Als ik nu opnieuw zou moeten kiezen, zou ik zowel economie als rechten studeren. Dat was best te combineren geweest. 12. Heeft u een verborgen talent? Ja, dat heb ik, althans dat zeggen ze thuis altijd, en dat is koken. Dat is uit nood geboren. Als je studeert en je hebt een beetje hang naar kwaliteit en je weegt dit op tegen de investering die het kost om het zelf te maken, dan ga je als student al snel zelf koken. Dat heeft er bij mij toe geleid dat ik redelijk goed ben in het maken van vleesgerechten en stoofschotels. Ik meet overigens nooit iets af, want op een gegeven moment moet je intuïtief aan de slag en gewoon dingen proberen. Ik zie daarin wel een parallel met rechten: in het begin is het belangrijk om de structuur te doorgronden en inhoudelijk goed op de hoogte te raken, maar de echte inzichten komen daarna door zaken te combineren en dat begint vaak intuïtief. 13. Wat is uw slechtste gewoonte? Mensen, en ik dus ook, zijn geneigd om onderbewust die dingen te doen, waarmee ze bekend zijn en die het makkelijkst zijn. Elke dag moet je daar alert op zijn en er rekening mee houden. Probeer nu eens iets te doen dat uitdagend is. Als je dat ene artikel moet schrijven, dan moet je daar gewoon mee beginnen en niet eerst nog tentamens nakijken, want dat kan ’s avonds ook. Het gaat dus eigenlijk over timemanagement. 14.Wat is uw leukste (uni-gerelateerde) anekdote? Dat is een moeilijke vraag, want er zijn zoveel leuke momenten. In 2006 had ik niet het postuur dat ik nu heb, ik was wat forser. Ik was in een vrij korte periode zeker twintig kilo afgevallen. Dit was in de periode dat studenten mij nog in mijn volslanke versie bij Ondernemings- en Insolventierecht gezien hadden en vervolgens andere vakken van mij kregen. Ik merkte al dat er werd gefluisterd. In de pauze werd het sterker en met name op de eerste rij heerste verwarring. Ineens kwam de vraag ‘Bent u het nou?’ en ik kon antwoorden ‘Ja, ik ben het!’. Dat vond ik wel erg leuk. 15. Wat wilt u de studenten meegeven? De verwondering die ontstaat door intuïtief aan de slag te gaan, zouden studenten veel meer moeten uiten. Ondanks dat studenten in een wereld leven van Twitter en Hyves, zie ik te weinig dat studenten die verwondering werkelijk uiten. Iedereen in deze maatschappij kan zijn

mening delen en doet dat ook graag, maar altijd in de veilige omgeving van de vriendenkring of in anonimiteit. Docenten zijn juist benieuwd naar wat studenten verwondert en staan open voor vragen. Ook als iets niet duidelijk is in de stof. Wij docenten zijn er voor studenten en ik zou zeggen: maak daar meer gebruik van. Dat is een uitnodiging die staat. 16. Waar komt uw fascinatie voor gitaren vandaan? De fascinatie voor gitaarspelen is ontstaan toen ik dertien was. Ik hoorde op de radio het singeltje van Carlos Santana ‘She’s not there’ (overigens toen al een cover). Het enige waar ik altijd spijt van heb gehad, is dat ik nooit goed noten heb leren lezen. Dat komt vanuit ons thuis. Wij moesten kiezen voor sport of muziek. Ik heb gekozen voor sport en daar was ik toen wel goed in. Ik heb behoorlijk wat prijsjes gewonnen met badminton. Mijn dochter volgt overigens wel gitaarlessen, maar ik ben een autodidact. Stelling 1: Onderzoeken of doceren? Volmondig allebei. Dat is ook de weg die de faculteit steeds meer inslaat, maar voor mij is het altijd allebei geweest. Onderzoek en doceren zijn verweven. Het aardige van het werken bij Business Law is, dat het zo is ingericht dat de mensen ook de vakken geven waar ze onderzoek in doen. Stelling 2: Rechter-plaatsvervanger of redacteur? Ook hier zeg ik wederom allebei. Ik ben inderdaad rechter-plaatsvervanger binnen de rechtbank Den Bosch. Dat vind ik belangrijk, want het is een maatschappelijke functie. Daarnaast is het een grote inspiratiebron voor zaken die tijdens colleges aan bod kunnen komen. Ook ben ik redacteur van de Groene Serie, maar daar bestaat het redactionele werk uit het gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de opbouw van de serie. Je beoordeelt niet het werk van een ander. Stelling 3: Universiteit van Tilburg of Tilburg University? Tilburg University. De ingeslagen weg van internationalisering is een proces dat niet meer tegen te houden is. Zo zit de maatschappij in elkaar en dan kun je maar beter zorgen dat je als universiteit bij de besten hoort, dan dat je er achteraan holt. Eilandjurisdicties bestaan niet meer. Stelling 4: Klassiek recht of law and economics? De basis klassiek recht plus, zou ik zeggen. Het is goed dat law and economics er is, maar je moet realiseren dat er ook wel beperkingen zijn. Voor een goed begrip van het ondernemingsrecht blijft een goede privaatrechtelijke basis nodig.

43 | SecJure Oktober 2011


Schrijf je in voor onze

Masterclass Vastgoed

en beleef de praktijk Als je als advocaat werkt in het vakgebied vastgoed, dan voel je je wel eens bevoorrecht. Je krijgt de kans mooie, en vaak buitengewone, projecten juridisch in goede banen te leiden. Vastgoed strekt zich uit over meerdere rechtsgebieden. Dat betekent veel samenwerken en overleggen met collegaâ&#x20AC;&#x2122;s. Niet alleen op kantoor, maar ook op locatie. Een intrigerend vakgebied, waarvoor we binnen ons kantoor veel specialisten hebben. Specialisten die je graag vertellen wat hun werk zo boeiend maakt en die benieuwd zijn naar jouw visie op het vak. Daarom organiseert Poelmann van den Broek op donderdag 17 en vrijdag 18 november 2011 een tweedaagse Masterclass Vastgoed, waarin je onder meer een klant bezoekt, adviseert en zelf gaat pleiten in een echte procedure. Zo ervaar je het vak van binnenuit. Kijk voor meer informatie op www.poelmannvandenbroek.nl.

St. Canisiussingel 19f 6511 TE Nijmegen T +31 (0)24 381 08 10 F +31 (0)24 381 08 20 info@poelmannvandenbroek.nl www.poelmannvandenbroek.nl


Column

Magistraat in de U-raad Puck van Tilburg1 Mijn naam is Puck van Tilburg, vijfdejaars bestuurskundestudent en tevens vijf jaar lid van Magister JFT. Na een jaar in de onderwijscommissie van Vrijspraak te hebben gezeten, ben ik het komende jaar een ‘magistraat in de U-raad’. Ik zit namelijk namens fractie SAM in de Universiteitsraad en zal dus opkomen voor het belang van de student. Vaak wordt aan mij gevraagd wat de Universiteitsraad voor de student kan betekenen. Heeft de Universiteitsraad echt invloed? Mijn antwoord daarop is: “Ja!”. Natuurlijk is er een bepaalde grens aan de mate van inspraak die je hebt, maar in tegenstelling tot wat veel studenten denken, maak je wel degelijk een verschil. Het College van Bestuur neemt beslissingen over de universiteit en komt daarbij op voor wat het beste is voor de universiteit. Dit kan botsen met wat het beste is voor de student. Zo zou het voor de organisatie wellicht goed zijn om minder geld uit te geven in slechte financiële tijden. Echter, om die reden was het College van Bestuur voornemens te bezuinigen op videocolleges en was er zelfs sprake van het opdoeken van het scriptorium. Wanneer dit zou gebeuren, zouden de belangen van de student in het geding zijn. Videocolleges zijn belangrijk voor studenten en het scriptorium heeft al velen geholpen met afstuderen. De studentenfracties komen op voor studentenbelangen, en hebben daarom gepleit voor het behoud van deze zaken. Dit is gebeurd en met succes: beide zaken blijven! Door mijn bestuurskundige achtergrond weet ik dat het altijd goed is om situaties vanuit verschillende perspectieven te bekijken. Als je dat niet doet, loop je de kans dat maatregelen die vanuit een bepaald perspectief oplossingen lijken, juist nieuwe en/of grotere problemen veroorzaken. Zo zouden de bezuinigingen op langere termijn juist meer kosten met zich mee kunnen dragen. Alle partijen hebben verschillende perspectieven en het is goed om deze uit te wisselen. Wanneer meerdere partijen aan tafel zitten, weten zij altijd meer dan één. Ze hebben oog voor andere zaken, zodat meerdere aspecten in een besluit worden betrokken. Daarnaast hebben verschillende partijen andere belangen. In dit geval wo-

gen de bezuinigingen voor sommigen niet op tegen het verlies van bovenstaande zaken. Door samen aan tafel te gaan zitten, kan rekening worden gehouden met de verschillende belangen en ontstaat draagvlak voor de beslissingen die worden genomen. Wat vaak een groter succes betekent voor een gekozen maatregel. Kortom, het is belangrijk om meerdere partijen te betrekken bij het maken van beslissingen, zodat oplossingen ook echt oplossingen zijn en blijven. Dit is tevens de reden dat mijn fractie geregeld overlegt met allerlei verenigingen op de universiteit. De input van verschillende partijen kan ons goed voorbereiden op de vergaderingen van de Universiteitsraad. Zo weten we zeker dat we niks zullen missen en opkomen voor alle studenten en niet slechts een selecte groep. Daarnaast krijg je vaak stukken voor ogen waarin bepaalde argumenten worden aangehaald. Echter, navraag geeft vaak een hele andere kijk op de zaak. Situaties liggen net wat anders; er blijkt meer aan de hand te zijn dan wat te lezen is in het stuk. Ook daarom is het belangrijk dat we als studentenfractie als het ware ‘ meekijken’ met het College van Bestuur. Besturen blijft een politieke zaak, waarbij niet altijd de ware motivatie voor een besluit wordt verteld en zaken zijn daardoor op het oppervlak anders dan wanneer je er in duikt. Juist studentenfracties kunnen navraag doen bij verschillende studenten-, studie- en sportverenigingen en overleggen met faculteitsraden. Op die manier kunnen we een strategie bepalen en adviezen geven die daadwerkelijk bijdragen aan verbeteringen voor studenten. Als studentenfractie kunnen we dus echt iets betekenen voor studenten. We kunnen belangen van studenten ten gehoor brengen, nagaan of in stukken echt staat waar het om gaat en bijdragen aan weloverwogen besluiten. Schroom daarom niet ons te vertellen hoe je over bepaalde zaken denkt en weet ons te vinden wanneer je vindt dat er een probleem moet worden aangepakt op de universiteit. Wij zullen ons altijd voor het belang van de student inzetten!

(Endnotes) 1 Puck is masterstudent Bestuurskunde en zit vanaf september 2011 in de Universiteitsraad

45 | SecJure Oktober 2011


Beschouwing

Immanuel Kant Vrijheid als basis van ethiek Feye van Westing

Mensenrechten, (en eigenlijk internationaal recht überhaupt) veronderstellen een ‘universele’ opvatting van de mens. Universeel in de zin dat ieder mens een vrij en moreel wezen is en onvervreemdbare rechten heeft. Dit idee, dat is opgekomen grofweg in de periode van de Verlichting(1650-1800), is niet altijd even onomstreden (geweest).1 In dat licht wil ik u graag laten kennismaken met de denker Immanuel Kant en nader ingaan op zijn in zeker opzicht belangrijkste werk ‘Kritik der Praktischen Vernunft’. Kant is bij de meeste mensen vooral bekend om zijn ‘Kritik der Reinen Vernunft’(KRV) en zijn ‘categorisch imperatief’, uiteengezet in zijn latere werk ‘Kritik der Praktischen Vernunft’(KPV), waardoor hij wordt gezien als één van de meest invloedrijke denkers uit de moderne tijd. Kant is dan ook nog steeds het beste wapen tegen cultuurrelativisten die elke vorm van universele morali-

“Handel zo dat de maxime van je wil tegelijk als principe van algemene wetgeving kan gelden.”8

teit afwijzen - en daarmee de grond voor mensenrechtenverdragen.� Daarnaast is Kant is ook nog steeds het beste wapen tegen neuro-wetenschappers3 die stellen dat wij slechts projectielen zijn, geleid door de chemische processen in onze hersenen - en daarmee de grond afwijzen voor ethiek überhaupt. Kant moet dus gezien worden als één van de meest krachtige pleitbezorgers van de vrije en morele mens en daarmee als de grootste producent van SecJure Oktober 2011 | 46

één van de meer succesvolle en aansprekende stromingen uit de ideeëngeschiedenis. Zijn ‘producten’ vinden nog altijd gretig aftrek en worden in grote getalen via verdragen, toespraken en handelingen gereproduceerd en van een nieuwe verpakkingsdatum voorzien door fabrikanten als de Verenigde Naties, Wereldhandelsbank, International Monetair Fonds enzovoorts. Dan rijst de vraag: wat zijn nu de grondstoffen van zijn ideeën? Ondanks dat Kant bij velen voornamelijk bekend zal staan om zijn ‘Kritik der Reinen Vernunft’4 waarmee hij onder meer de basis heeft gelegd voor de moderne natuurwetenschappen is dat niet zijn meest centrale idee. Dit idee heeft hij namelijk uiteengezet in zijn ‘Kritiek der Praktischen Vernunft’.5 Na twaalf jaren denken schreef Kant zijn KRV in een paar maanden tijd als wegbereider voor zijn KPV. Door eigenlijk een empirische van een noumenale6 wereld te scheiden in de KRV kon hij de basis leggen voor het argument dat de mens een vrij wezen is. Deze vrijheid houdt in dat de mens de plicht7 heeft zich aan de universele morele wet te onderwerpen: de categorische imperatief. Die luidt: In de KPV verkent Kant in wezen de bestaansvoorwaarde van de moraal. De vrijheid die hij daar logisch tracht te ‘bewijzen’9 is de ‘sine qua non’ van moraliteit. Kant laat eigenlijk zien dat er twee opties zijn. Of wij zijn volstrekt gedetermineerde wezens, of men moet meegaan in zijn redeneringen neergezet in de kritiek van de praktische rede. Pas nadat de tweede optie wordt geaccepteerd, kan nagedacht worden over die andere10 grote filosofische vraag: wat moet ik doen? De eerste aanzetten tot het beantwoorden van deze vraag start Kant al in de KPV maar een aantal ‘macro-ethische’ vraagstukken, namelijk hoe moeten wij samen leven, behandelt Kant in zijn politiek-filosofisch werk ‘Zum ewigen frieden’.11 Dit geschrift, uitgebracht in 1795(rondom de Franse Revolutie), bestaat uit drie delen waarvan het eerste deel ‘quasi-juridisch’12 is. Het tweede deel is meer filosofisch en het derde deel gaat in op de relatie tussen politiek en moraliteit. In het eerste, ‘quasi-juridische’, deel staan zes preliminaire artikelen geformuleerd die de basis moeten vormen voor een situatie van internationale vrede. In deze zes verbodsbepalingen is onder meer opgenomen


Immanuel Kant dat staten geen staatsschulden mogen maken met betrekking tot buitenlandse zaken, staande legers geleidelijk moeten worden afgeschaft, staten niet door koop, erf of ruil verworven kunnen worden, er niet met geweld ingemengd mag worden in de constitutie en regering van een andere staat en tijdens een oorlog geen buitensporige vijandelijkheden begaan mogen worden die het toekomstige vertrouwen schaden. Een aantal van deze principes lijken onhaalbaar en verder weg dan ooit, maar er zijn wel degelijk strikte voorwaarden gesteld wanneer de internationale gemeenschap zich wel of niet mag bemoeien met binnenlandse aangelegenheden. Hierbij kun je denken aan recente gebeurtenissen in de Ivoorkust, Egypte, Libië en juist ook Syrië. Dat er regels zijn die gelden tijdens gewapende conflicten(jus in bello) was destijds een tamelijk revolutionaire gedachte, nu is het gangbare praktijk. Kant staat niet te boek als een politiek-filosoof, maar wordt vooral gedoceerd in kentheoretische vakken. Toch heeft Kant met zijn begrip van vrijheid de ethiek van een fundering voorzien. Zijn ethiek is er een waarbij individuen zelfstandig hun leefregels(maximes) moeten opstellen en is bovendien een ethiek die uitgaat van de gedachte dat ieder mens vrij en daarin gelijk is. Daarmee

is Kant dus nog altijd het beste middel tegen neurofielen en cultuurrelativisten: mensen die de ideeën ten grondslag liggende aan mensenrechten en het handhaven daarvan niet steunen. (Endnotes) 1 Zoek bijvoorbeeld op google.nl met de trefwoorden ‘human rights’ in combinatie met ‘western imperialism’. 2 Waar bijvoorbeeld het perspectivisme(zowel met betrekking tot waarheid en kennis als tot de moraal) van Nietzsche(1844-1900) van grote invloed is geweest. 3 Zie bijvoorbeeld ‘De vrije wil bestaat niet’ van Victor Lamme die naar aanleiding van zijn boek afgelopen januari nog een lezing heeft gegeven op Tilburg University of zie ook ‘Wij zijn ons brein’ van Dick Swaab. 4 In het Nederlands ‘Kritiek van de zuivere rede’. Hierin behandelt hij kort gezegd de vraag: wat kan ik weten? 5 In het Nederlands ‘Kritiek van de praktische rede’. 6 Grofweg te begrijpen als ‘geestelijke’. 7 Het voert te ver om hier uiteen te zetten hoe hij het concept ‘plicht’ met ‘vrijheid’ verbindt. 8 Kant, I. Kritiek van de praktische rede, P. 72. 9 Natuurlijk is deze vrijheid niet bewijsbaar in natuurwetenschappelijke zin. Hierom is Kant nog steeds nuttig als repliek tegen neurowetenschappers als Victor Lamme of Dick Swaab die stellen dat wij volstrekt gedetermineerde wezens zijn. Kant zou betogen dat je altijd nog méér kunt onderzoeken en beschrijven, maar dat dit altijd slechts binnen de empirisch gegeven werkelijkheid mogelijk is. 10 De eerste is zoals gezegd: wat kan ik weten? 11 In het Nederlands vertaald als ‘Naar de eeuwige vrede’. 12 Formulering van de inleider van de Nederlandse vertaling van ‘Zum eewigen frieden’.

47 | SecJure Oktober 2011


Reportage

Dit was het recht Rolf Everhardus

Het recht is constant in beweging. Deze beweging blijft vaak niet onopgemerkt, waardoor juridische nieuwsberichten vaak de media halen. Dit is tijdens de zomermaanden niet anders. Daarom, speciaal voor de degenen die tijdens de zomer enkel de stand van de zon en de kelderende beurskoersen in de gaten hebben gehouden, een aantal juridische nieuwsberichten om er weer helemaal in te komen.

IJskoude Noor Niet alleen het aanhoudende slechte weer in juli zorgde voor de nodige koude rillingen. Na ons eigen drama in Alphen aan de Rijn in april van dit jaar, heeft de Noorse Anders Breivik op 22 juli een nieuwe dimensie gegeven aan het begrip Anders Behring Breivik schietdrama. Nadat hij eerst een bomaanslag op een regeringsgebouw in Oslo had gepleegd, vertrok hij naar een klein eilandje waar op dat moment een kamp van de jeugdafdeling van de regerende Noorse Arbeiderspartij plaatsvond. Aldaar opende hij koelbloedig het vuur op de aanwezige jongeren. Vervolgens kon hij nog ruim een uur lang jacht maken op de resterende jongeren voordat de politie hem wist te overmeesteren.1 Begin augustus lag het dodental van de gecombineerde terreurdaad op 77.2 Uit verschillende documenten van zijn hand hebben de autoriteiten afgeleid dat Breivik zijn daden langdurig en uitvoerig heeft voorbereid. Breivik blijkt een rechtsextremist te zijn en achtte zijn acties noodzakelijk.3 Psychiaters die Breivik onderzoeken achten het niet waarschijnlijk dat hij psychotisch verklaard zal worden, aangezien het er alle schijn van heeft dat hij volledig bewust was van zijn daden en het contact met de werkelijkheid niet verloren was. Breivik weigert overigens medewerking aan Noorse psychiaters.4 Zijn proces zal waarschijnlijk pas rond de jaarwisseling starten.5

SecJure Oktober 2011 | 48

Nederlandse Staat aansprakelijk voor Srebrenica Slecht nieuws voor de Nederlandse schatkist, goed nieuws voor de nabestaanden van slachtoffers van het bloedbad in Srebrenica. Het Gerechtshof te Den Haag heeft arrest gewezen in de zaak die familieleden van drie moslimmannen hadden aangespannen tegen de Nederlandse Staat. Deze mannen waren in dienst van het destijds in Srebrenica gelegerde Dutchbat, dat de toegestroomde vluchtelingen moest beschermen. Deze mannen werden echter net als vele duizenden andere mannen, overgedragen aan de troepen onder leiding van Ratko Mladic (eind juni gearresteerd) en vervolgens vermoord. Nederland wist tot op heden echter haar verantwoordelijkheid hierin van de hand te wijzen, door te stellen dat de leiding van de missie in handen van de Verenigde Naties lag. Het Hof deelt deze mening echter niet en vindt dat Nederland aansprakelijk is voor de dood van de drie mannen, daar Nederland effectieve controle uitoefende en specifieke instructies gaf aan Dutchbat. Nederland is nu gehouden een schadevergoeding te betalen aan de nabestaanden. Na de zomer zal blijken of het Ministerie van Defensie, dat deze uitspraak niet had voorzien, in cassatie zal gaan tegen het gewezen arrest.6

Up in Smoke De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ABvRS) kwam na een prejudiciĂŤle vraag aan het Europese Hof tot de conclusie dat de Maastrichtse APV die de verkoop van softdrugs reguleert in strijd is met de Opiumwet. Het Hof besloot dat de APV met een ingezetenencriterium weliswaar inbreuk maakt op het Europese recht van het vrij verrichten van diensten, doch dit in het licht van het handhaven van de openbare orde en het terugdringen van overlast en drugstoerisme toelaatbaar is.7 Middels dit ingezetenencriterium kan onderscheid gemaakt worden tussen wel en niet in Nederland woonachtige personen. In desbetreffende APV had de Gemeente Maastricht een ingezetenencriterium opgenomen dat het toelaten van niet in Nederland wonende toeristen


• Landelijke politie. De ministerraad is akkoord gegaan met het Wetsvoorstel om de politie te hervormen naar een landelijke politie met tien regionale eenheden, onder leiding van één korpschef die ondergeschikt is aan de Minister van Justitie en Veiligheid.12 • Trekvissen. Kabinet-Rutte voert het “Besluit Beheer Haringvlietsluizen” toch uit. Helaas niet omwille van pacta sunt servanda, maar onder dreiging van schadeclaims. Deze sluizen worden op een kier gezet als onderdeel van een multilateraal plan om de waterkwaliteit (o.a. vismigratie) in de Rijn te verbeteren.13 • Schandpaal. Burgers mogen geen foto’s, videobeelden en namen van criminelen meer publiceren op straffe van hoge boetes tot wel 25.000 euro. Het College Bescherming Persoonsgegevens springt hiermee op de bres voor de privacy van criminelen. 14 • Rebelibië: Rebellen in Libië hebben Tripoli veroverd, terwijl van Kaddafi nog elk spoor ontbreekt. Het ICC heeft om de overdracht van de gevallen leider gevraagd. 15 • Strauss-Kahn. De aanklachten tegen Strauss-Kahn zijn ingetrokken vanwege twijfel over de betrouwbaarheid van het kamermeisje. Er rest nu nog een civiele procedure in de VS en een zedenaanklacht in Frankrijk.16

• Overdrachtsbelasting. Het kabinet verlaagt de overdrachtsbelasting met terugwerkende kracht per half juni 2011 voor één jaar van zes naar twee procent om de kwakkelende woningmarkt vlot te trekken.17 • Zuid-Sudan. Begin juli heeft Zuid-Sudan zich officieel onafhankelijk verklaard. Veel landen, waaronder Nederland hebben het nieuwe land erkend.18 • Douane-unie. Rusland, Wit-Rusland en Kazachstan hebben begin juli een douane-unie gevormd, ter bevordering van de handel tussen de landen en als mogelijke opstap naar een gemeenschappelijke markt met een vrij verkeer van goederen en personen.19 • Langstudeerdersboete. De Eerste Kamer heeft in juli ingestemd met de maatregel om studenten die meer dan één jaar langer over hun studie (bachelor of master) doen 3000 euro per jaar extra te laten betalen. Daarnaast mag de onderwijsinstelling de hoogte van het collegegeld voor een tweede studie zelf bepalen! De maatregel gaat in per 1 september 2012; studenten hoeven aankomend collegejaar deze boete echter nog niet te betalen.20 Intussen is een rechtszaak door studenten aangekondigd.21 • Vingerafdrukken. De vingerafdrukken die gebruikt worden voor verwerking in het paspoort worden vanaf eind juli na productie van het paspoort niet meer bewaard vanwege onzekerheid over de beveiliging van de database.22

KORT! tot bepaalde horecagelegenheden (in dit geval werden coffeeshops aangewezen) kon verbieden, op straffe van sluiting. 8 Deze maatregel is echter volgens de ABRvS in strijd met de Opiumwet, omdat deze de verkoop van alle drugs verbiedt. In een APV kan dan vervolgens ook geen onderscheid gemaakt worden tussen de verkoop aan ingezetenen en niet-ingezetenen. De Burgemeester kan overigens wel gebruik maken van zijn bevoegdheid tot bestuursdwang tegen coffeeshops die in zijn ogen overlast veroorzaken.9 Volgens het Ministerie van Veiligheid en Justitie staat deze uitspraak niet aan de invoering van de wietpas in de weg. Het gebruik van een ingezetenencriterium is immers toegestaan door het Europese Hof, daar Nederland heeft aangetoond dat er redelijke en objectieve gronden voor bestaan die deze maatregel rechtvaardigen. 10 Na een eenvoudige wettechnische aanpassing omtrent de onverenigbaarheid van de APV met de Opiumwet kan de wietpas volgens het Ministerie gewoon ingevoerd worden.11 (Endnotes) 1 ‘Zinkende boot zorgde voor ‘trage’ politieactie Utøya’, 24 juli 2011, <www.nrc.nl> 2 ‘Dodental Noorse slachtoffers verhoogd naar 77, alle namen bekend’, 29 juli 2011, <www.nrc.nl> 3 ‘Noorse media: schutter rechtsextremist en islamcriticus’, 23 juli 2011, <www.nrc.nl> 4 ‘Breivik weigert onderzoek Noorse psychiaters’, 29 juli 2011, <www.nu.nl>

5 ‘Breivik op zijn vroegst tegen jaarwisseling berecht’, 28 juli 2011, <www.nrc.nl> 6 ‘Nederland aansprakelijk voor dood drie moslims na val Srebrenica’, 5 juli 2011, <www.volkskrant.nl> 7 ‘Wietpas mag worden ingevoerd’, 16 december 2010, <www. nu.nl> 8 ‘Burgemeester heeft Maastrichtse coffeeshop onterecht gesloten’, 29 juni 2011, < http://www.raadvanstate.nl/pers/persberichten> 9 ‘Burgemeester heeft Maastrichtse coffeeshop onterecht gesloten’, 29 juni 2011, < http://www.raadvanstate.nl/pers/persberichten> 10 ‘Ministerie na uitspraak Raad van State; Wietpas gaat door’, 29 juni 2011, <www.omroepbrabant.nl> 11 ‘Ministerie: Wietpas kan doorgaan’, 29 juni 2011, Kassa <kassa. vara.nl> 12 ‘Minsterraad akkoord met indienen wetsvoorstel nationale politie bij Tweede Kamer’, 22 juni 2011, <www.politiebestel.nl> 13 Tweede Kamer der Staten Generaal, Kierbesluit Haringvlietsluizen, <www.tweedekamer.nl> 14 ‘CBP wil afschrikwekkende boetes voor plaatsen beelden dieven’, 1 augustus 2011, <www.nrc.nl> 15 ‘Kaddafi moet naar ICC’, 31 augustus 2011, <www.nu.nl> 16 ‘Alle aanklachten tegen Strauss-Kahn ingetrokken’, 1 september 2011, <www.nrc.nl> 17 ‘Overdrachtsbelasting een jaar op 2 procent’, 1 juli 2011, <www.nu.nl> 18 ‘Ook Nederland erkent Zuid-Sudan’, 9 juli 2011, <www.nos. nl> 19 ‘Rusland vormt douane-unie met Wit-Rusland and Kazachstan’, 6 juli 2011, <www.nrc.nl> 20 ‘Eerste Kamer keurt boete voor langstudeerders goed’, 6 juli 2011, <www.nrc.nl> 21 ‘Rechtszaak om hoog collegegeld’, 1 september 2011, <www. depers.nl> 22 ‘Eind juli stop opslag vingerafdruk paspoort’, 5 juli 2011, <www. nu.nl>

49 | SecJure Oktober 2011


3 november 2011: Studentendag ministerie van Financiën Deze tijd vraagt om scherpe keuzes. Het geld kan maar één keer worden uitgegeven. Bij het maken van de afwegingen speelt het ministerie van Financiën een sleutelrol. De minister wil graag weten wat jij adviseert. En snel ook. Op 3 november sta je in zijn agenda... Tijdens de Studentendag 2011 werk je aan een actuele case en maak je kennis met een interessante werkgever. Het ministerie van Financiën is een jonge organisatie waarin nieuw talent direct wordt beloond met een flinke dosis verantwoordelijkheid.

www.werkenvoornederland.nl

Schrijf je in vóór 17 oktober 2011 Je bent tweede-, derde- of ouderejaarsstudent algemene, bedrijfsof fiscale economie. Ook met Nederlands of fiscaal recht en met bestuurskunde ben je van harte welkom, net als met iedere andere studie met daarin het vak openbare financiën. Wil je op 3 november de minister adviseren en een onuitwisbare indruk achterlaten? Schrijf je dan in vóór 17 oktober 2011 via www.studentendag.nl.


Als ambitieuze academicus kun je overal aan de slag. Ook bij de overheid. Daar moet je wel bewust voor kiezen, de publieke zaak moet je ter harte gaan. Bij Financiën vertaal je politieke keuzes in concreet beleid. Het gaat daarbij om heel veel geld, zo’n 180 miljard euro per jaar, een bedrag dat zo effectief en efficiënt mogelijk moet worden ingezet. Resultaatgericht en projectmatig werken is bij ons dan ook eerder regel dan uitzondering. Tegelijkertijd opereren we in de context van hectische politieke verhoudingen en maatschappelijke ontwikkelingen. Die dimensie maakt het werk extra spannend.

beleidsvorming toetst. Dit vergt veel van je analytisch vermogen, maar ook van je overtuigingskracht en vastberadenheid.

Vanaf dag één meedoen

Zo blijf je in beweging Bij het ministerie van Financiën tel je meteen mee. Maar het is natuurlijk belangrijk dat je je ook snel verder ontwikkelt. Daarbij krijg je hulp in de vorm van allerlei individuele en collectieve opleidingsprogramma’s.

Bij het ministerie van Financiën draai je gelijk volledig mee. Ons beleid moet legitiem zijn en jouw blik beperkt zich daarbij niet tot een strafzaak of rechtszaal, maar is zo breed als het werkterrein van Financiën zelf. Van gezondheidszorg tot defensie. En van verkeer tot welzijn. Als jurist zorg je ervoor dat nieuwe wetten en regels passen binnen het bestaande juridische raamwerk.

Je kunt betrokken zijn bij de privatisering van staatsondernemingen. Of bij het maken van de Rijksbegroting. Wil je mee discussiëren en beslissen over staatssteun? Of ga je liever met de minister mee naar de Tweede Kamer om actuele vragen te beantwoorden? Allemaal mogelijkheden bij het ministerie van Financiën. Kortom, je krijgt vanaf de eerste werkdag de kans om jezelf te bewijzen. Om te laten zien dat je de verantwoordelijkheden aankunt. Uiteraard word je niet zomaar in het diepe gegooid. Er zijn altijd seniorcollega’s die je coachen of als mentor optreden. Als jurist aan de slag Bij Financiën opereren we uiteraard altijd binnen de grenzen van de wet. Als jurist zorg je ervoor dat nieuwe wetten en regels passen binnen het bestaande juridische raamwerk. Je bent als jurist nooit alleen bezig met een wetboek of een dossier, maar ook met politieke en maatschappelijke verhoudingen. Bij alle projecten ben jij het die de

Wat wil je doen? Bij het ministerie spelen juristen een belangrijke rol. Wat jij precies gaat doen, hangt natuurlijk af van je achtergrond en belangstelling. Je kunt denken aan: het schrijven van wetteksten, het bevorderen van de export, het beschermen van consumenten tegen dubieuze geldverstrekkers en het sluiten van deals tijdens de privatisering van staatsbedrijven.

Financiën is voor juristen een plek met heel veel doorgroeimogelijkheden. We kennen een roulatiebeleid, zodat je steeds nieuwe dingen leert en je grenzen verlegt. Zowel op nationaal als op internationaal niveau. Hoe ver je komt, is ook een kwestie van ambitie en talent. Studentendag Elk jaar organiseert het ministerie van Financiën de Studentendag voor academici vanaf het tweede studiejaar. Tijdens deze dag krijg je een unieke kans om het ministerie van binnenuit te leren kennen. Je draait een dag mee en wordt door enthousiaste medewerkers begeleid. Meer informatie op www.studentendag.nl. Meer informatie Wil je meer weten over werken bij het ministerie van Financiën? Kijk voor informatie over vacatures, stagemogelijkheden en onze recruitmentactiviteiten op www.werkenvoor nederland.nl/minfin. Je kunt ook meteen solliciteren via recruitment@minfin.nl. Bellen kan ook naar (070) 342 73 17.

51 | SecJure Oktober 2011

Advertorial

Bij Financiën tel je meteen mee Zeker als jurist


Opinie

Meer vennootschappelijke vrijheid door invoering one-tier board? Melanie Hermes

De Eerste Kamer heeft op 31 mei 2011 ingestemd met wetsvoorstel 31 763. Dit wetsvoorstel beoogt het Nederlandse vennootschapsrecht internationaal aantrekkelijker te maken en vennootschappen de vrijheid te geven om de keuze te maken voor de zogenaamde one-tier board. De one-tier board is een model waarin geen Raad van Commissarissen (RvC) bestaat, maar uitvoerende en niet-uitvoerende bestuursleden in één orgaan plaatsnemen. Kan de one-tier

De RvC is voor haar informatievoorziening van het bestuur afhankelijk. Dit maakt dat zij vaak pas in een laat stadium op de hoogte raakt van de meest recente ontwikkelingen, waardoor haar toezichthoudende rol tekort gedaan wordt. Het huidige art. 2:141/251 BW heeft immers bepaald dat het bestuur tijdig de voor de taakuitoefening van de RvC noodzakelijke gegevens dient te verstrekken en dat zij de RvC ten minste één maal per jaar schriftelijk op de hoogte dient te stellen van onder andere de hoofdlijnen van het strategische beleid.

board echter wel voldoen aan alle verwachtingen? Geeft het de venOne-tier board

nootschap werkelijk meer vrijheid? Two-tier board In het huidige vennootschapsrecht is gekozen voor een dualistisch systeem, het two-tier model. In dit systeem bestaat naast het bestuur en de algemene vergadering van aandeelhouders een RvC. De RvC heeft een toezichthoudende en adviserende functie binnen de vennootschap. Deze adviserende functie houdt in dat zij nagaat of een uitvoerende bestuurder in alle redelijkheid tot een bepaald besluit heeft kunnen komen. Hierbij staat het vennootschappelijk belang te allen tijde centraal, er wordt voorbij gegaan aan persoonlijke belangen van de individuele leden van de RvC.

Bestuur Bestuur

RvC

AVA AVA Two-tier board SecJure Oktober 2011 | 52

One-tier board

Het wetsvoorstel gaat uit van een monistisch systeem, het one-tier model. In het one-tier model is afscheid genomen van de RvC en worden uitvoerende en nietuitvoerende bestuurders in één orgaan opgenomen. De niet-uitvoerende bestuurders zijn te vergelijken met de commissarissen als bedoeld in een two-tier board. De commissarissen worden in de nieuwe situatie ‘niet-uitvoerende bestuurder’ genoemd, omdat zij wel tot de bestuurders behoren, maar niet belast zijn met uitvoerende taken. Daarnaast wil men ze niet de naam ‘toezichthouder’ geven, omdat ze meer doen dan enkel toezicht houden. De functie van de niet-uitvoerende bestuurder ligt dus eigenlijk tussen die van de bestuurder en commissaris in. Een aantal specifieke punten zijn in het monistische stelsel wezenlijk anders dan in het dualistische stelsel. Het dualistische stelsel is in het bijzonder bedoeld om het Nederlandse vennootschapsrecht aantrekkelijk te maken voor internationale ondernemingen. Nederland is namelijk een van de weinige landen die nog gebruik maakt van het two-tier systeem. Vooral Anglo-Amerikaanse landen maken gebruik van het monistische systeem. Veel Nederlandse vennootschappen zijn nu al opgericht naar het vennootschapsrecht van een ander Europees land, vanwege hun voordelen en goede naam. Royal Dutch Shell is bijvoorbeeld een Public Limited Company1. Dit is mogelijk omdat het vrij staat om gebruik te maken van andere Europese rechtsvormen2. De niet-uitvoerende bestuurders verkrijgen een licht besluitvormende bevoegdheid en nemen deel aan bestuursvergaderingen. Dit brengt als voordeel met zich


mee dat de niet-uitvoerende bestuurders gelijktijdig met de uitvoerende bestuurders worden geïnformeerd. De verbeterde informatievoorziening maakt dus dat het toezicht kan worden aangescherpt. Tegelijkertijd ligt het gevaar op de loer dat de relatie tussen de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders te hecht wordt. Doordat er een nauwe band tussen de bestuurders ontstaat, zou er afbreuk worden gedaan aan de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders. Door de toezichthouders in een apart orgaan te plaatsen, wordt de afstand tussen de bestuurders en de commissarissen vergroot. Dit is het geval in een two-tier board. Mocht een vennootschap het monistische stelsel invoeren, dan moet de onafhankelijkheid worden gewaarborgd. Het toezicht wordt binnen het monistische systeem versterkt doordat er een grote onderlinge controle zal worden ingevoerd. Niet-uitvoerende bestuurders gaan na of andere niet-uitvoerende bestuurders voldoende onafhankelijk zijn en uitvoerende bestuurders moeten erop toezien dat de mede-uitvoerende bestuurders hun taken deugdelijk uitvoeren3. Als stok achter de deur geldt het aansprakelijkheidsrisico van art. 2:9 BW. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, hebben de nietuitvoerende bestuurders een licht besluitvormende taak. Zij zullen zich bezighouden met besluiten die de dagelijkse gang van zaken betreffen4. Dit maakt dat de bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de genomen besluiten. Dit maakt dat de niet-uitvoerende bestuurders een groter aansprakelijkheidsrisico kennen dan de commissarissen in het dualistische stelsel. Onbehoorlijk bestuur van de uitvoerende bestuurders wordt gezien als onbehoorlijk bestuur van de niet-uitvoerende bestuurders. Art. 2:9 BW is dan ook van toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders. In het wetsvoorstel is art. 2:9 BW als volgt gewijzigd: Lid 1. “Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld”. Lid 2. “Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden”. Art. 2:149/259 BW, het wetsartikel dat bepaalt dat ook commissarissen onder art. 2:9 BW vallen, is niet langer van toepassing in het dualistische stelsel. Er zijn immers geen commissarissen meer en de niet-uitvoerende bestuurders vallen automatisch onder art. 2:9 BW. Disculpatie blijft mogelijk, zij het in bijzondere gevallen.

Tot slot Waarschijnlijk zal het wetsvoorstel op 1 januari 2012 daadwerkelijk kracht van wet krijgen. Tot die tijd moeten vennootschappen genoegen nemen met het huidige Nederlandse vennootschapsrecht of hun toevlucht nemen tot een rechtsvorm van één van de overige Europese landen. De nieuwe wetgeving brengt voordelen met zich mee, zoals de betere samenwerking, maar roept tegelijkertijd ook enkele vragen op. Zo is het gevaar van een te hechte relatie tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders zeer groot. Om dit gevaar af te wenden, is het noodzakelijk dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over het te houden toezicht. Dit is in mijn ogen precies de bedoeling van het two-tier model. Daarnaast is het niet de bedoeling dat niet-uitvoerende bestuurders de vennootschap zullen gaan vertegenwoordigen. Dat is iets wat in het bijzonder geregeld moet

worden, omdat de wet hierover geen uitsluitsel geeft. Tevens is het niet zeker dat internationale ondernemingen zich nu naar Nederlands vennootschapsrecht in zullen richten. Het Nederlandse vennootschapsrecht is ook na invoering van de one-tier board nog altijd niet op één lijn met het Anglo-Amerikaanse systeem. Het is dan ook zeer de vraag of het opnemen van de one-tier board in het Nederlandse vennootschapsrecht voldoende is om te stellen dat het Nederland als vestigingsland aantrekkelijker maakt. Mijns inziens brengt het invoeren van de one-tier board zoals zij nu is geschetst geen extra vrijheid met zich mee. Een heel aantal zaken moet alsnog vastgelegd worden. Deze afspraken zijn van essentieel belang en worden in het two-tier model automatisch en volledig geregeld. Meer vrijheid verkrijgen door voor een one-tier board te kiezen is dan ook haast onmogelijk. (Endnotes) 1 Zie ook www.shell.nl. 2 Zie bijvoorbeeld het Inspire Art arrest en het Centros arrest van het Hof van Justitie. 3 P.J. Dortmond, ‘Nota van wijziging wetsvoorstel aanpassing regels over bestuur en toezicht’, Ondernemingsrecht, 2009-6, p. 312. 4 J.B. Wezeman, ‘Uitvoerende bestuurders en niet uitvoerende bestuurders van naamloze en besloten vennootschappen’, Ars Aequi 2009-02, p. 111.

53 | SecJure Oktober 2011


Beschouwing

Teloorgang van de democratie: een botsing tussen tradities en globalisering Tim Adriaansen

Voor veel landen in de wereld zijn de democratische landen van Europa een voorbeeld. Verschillende filosofen en politiek denkers, zoals Kishore Mahbubani, bezien de vrijheid die burgers binnen democratieën verkrijgen als een hoger goed.1 Zij hopen dat ook hun burgers deze vrijheid ooit verkrijgen, maar zij benadrukken wel dat de weg naar democratie voor ieder land anders is. Men is namelijk bang dat de burgers uit traditionele werelden niet goed met de vrijheid om kunnen gaan en dat daarom tradities verdwijnen.1 In Nederland leven wij in zo’n democratie en kunnen burgers in vrijheid leven. De vrijheid bestaat erin te mogen doen wat de rechten van een ander geen schade toebrengt.2 Hoewel men binnen democratieën ook met problemen kampt, tracht men rechtvaardigheid te stimuleren. Democratieën zijn verbonden aan nationale grenzen. Intern bestaat een staat uit verschillende kleine gemeenschappen. Extern is een natie een onderdeel van intergouvernementele samenwerking. Zowel lokale als mondiale krachten lijken de democratie uit zijn verband te trekken. Is het werkelijk mogelijk dat tradities en globalisering de democratie inperken?

Culturele botsingen binnen de EU: België en Frankrijk Ook binnen de Europese Unie kampt men met democratische problemen veroorzaakt door een botsing tussen tradities en globalisering. In Europa zijn tal van gemeenschappen die een hoge waarde aan tradities toekennen. De verleiding zich tegen moderniteit af te zetten is in deze gemeenschappen groot.3 Een voorbeeld van een dergelijke democratische gemeenschap is België. België is een federatie van de gewesten Vlaanderen, Wallonië en Brussel, met een federaal bestuur. Het federale kabinet heeft bevoegdheden op het gebied van alle nationale aangelegenheden, zoals financiën, justitie of het gemeenschappelijke buitenlandse beleid. Daarnaast heeft ieder Gewest eigen bevoegdheden, met name op het gebied van onderwijs en cultuur.4 Vergelijkbaar met

SecJure Oktober 2011 | 54

Nederland werd de Belgische politiek lange tijd gedomineerd door christendemocraten. In 2007 nam de politiek een heel andere wending. Het kabinet kwam ten val. Struikelpunt hierbij was vooral het tweetalige kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde, waar men geen oplossing voor kon vinden. Noodgedwongen kwamen er in 2010 vervroegde verkiezingen. Uit deze verkiezingen kwamen twee grote winnaars voort, namelijk de Nieuw Vlaamse Alliantie en de Parti Socialiste uit Wallonië.4 Tot op heden is de formatie van een nieuw kabinet nog niet beëindigd. Een oorzaak hiervan is te vinden in de manier waarop men omgaat met traditionele verschillen. In België leven twee grote entiteiten: de Walen en de Vlamingen. Elke entiteit wordt gekenmerkt door een eigen taal en een eigen cultuur en iedere entiteit hecht veel belang aan de eigen tradities. Het bestaan van twee traditionele entiteiten maakt het lastig gedeelde normen en waarden te genereren. Wanneer beide groeperingen zich niet kunnen identificeren met ieders normen en waarden wordt het zeer lastig op democratische wijze een regering te vormen. Er moeten te veel compromissen gesloten worden, waardoor beide partijen mogelijk hun traditionele identiteit verliezen. Pas wanneer beide partijen inzien dat men van ieders tradities kunnen leren, kan men de eigen normen en waarden versterken en gezamenlijk beleid vormen. Een ander voorbeeld van een democratie, die verdeeld wordt door lokale tradities, is Frankrijk. In Frankrijk zijn verschillende lokale gemeenschappen te vinden die veel belang hechten aan hun culturele dialecten. Deze dialecten zijn op dit moment erg populair. De taal vormt namelijk een manier om je als persoon van de massa te onttrekken. Men spreekt ook wel van cultureel subnationalisme. Moderne patriotten vragen zich dan ook af wat er van Frankrijk over blijft als men het land verdeeld in verschillende streken als Normandië, Bretagne en het Baskenland.3 De streekdialecten lijken een bedreiging te vormen voor de centrale Franse cultuur en het centrale, Europees georiënteerde, politieke klimaat. Maar tegelijkertijd vormen die streekdialecten de basis voor het multiculturele Frankrijk.3 Juist de multiculturele mix van lokale tradities en nationalisme maken van Frankrijk een land waar de Fransen trots op zijn. Het is echter de vraag


in hoeverre men binnen dit democratisch gecentraliseerde systeem van Frankrijk rechtvaardig om kan gaan met locale verschillen, zodat locale behoeften en daarmee de wil van het volk werkelijk gehoord worden.

Een botsing tussen globalisering en tradities buiten de Europese Unie: Quebec en Zwitserland Een Franstalige streek dat zich werkelijk van het democratische Canada wil afscheiden is Quebec. De burgers uit Quebec zien zichzelf niet als een onderdeel van Canada. Zij hopen dan ook dat Quebec ooit een soevereine natie wordt binnen een verenigd Canada. Deze separatistische neigingen van Quebec worden gevoed door een strijd om culturele autonomie en versterkt door de sterke economische positie die Quebec inneemt.3 Quebec beroept zich op de cultuur van een land dat helemaal aan de andere kant van de wereld ligt, namelijk: Frankrijk. Dankzij de Franse taal en cultuur is het voor burgers uit Quebec mogelijk zich te differentiëren van het voornamelijk Engelstalige Canada. Ook hier lijken globaliserende en traditionele verschijnselen Canada te verdelen in kleinere deelstaten. Omdat in iedere deelstaat weer andere bevolkingsgroepen, zoals de Cree-indianen, wonen, vraagt men zich af in hoeverre culturele argumenten tot separatie kunnen leiden. Volgens velen zou het dan ook mogelijk moeten zijn dat Engelsen die in Franstalig Quebec wonen, of zelfs de Cree-indianen een eigen soevereine staat vormen. Voorlopig lijkt het dan ook onwaarschijnlijk dat Quebec soevereiniteit behaalt. Het idee alleen al dat een streek in Canada zich wil afscheiden op basis van een gedeelde cultuur met een land in Europa is zeer interessant voor het globaliseringdebat en is geschikt om het begrip globalisering nader te formuleren. Globalisering wordt gezien als een verschijnsel dat ervoor zorgt dat burgers bewuster worden van de wereld en streek waarin zij leven. De wereld lijkt, dankzij het internet, kleiner te worden. Burgers worden ertoe aangezet verder te kijken dan de lokale gemeenschap en de nationale grenzen. Het lijkt er zelfs op dat burgers geprikkeld worden na te denken over de positie van de eigen natie op wereldniveau. Wanneer we naar ons voorbeeld kijken zou men kunnen stellen dat Quebec, als soeverein lidstaat van een verenigd Canada, een sterkere positie op wereldniveau behaalt dan een Quebec dat in de vorm van een provincie onderdeel is van Canada. Als soeverein lidstaat heeft Quebec meer inspraak in de buitenlandse politiek dat Canada voert. Echter komt Quebec dan terecht in een wereld van mondiale politiek. Binnen deze wereld vindt er een spanning plaats tussen enerzijds intergouvernementele samenwerking en anderzijds supranationale entiteiten. Wanneer we de Europese Unie nader onder de loep nemen, kan men stellen dat

de lidstaten de Europese Unie als economische entiteit steeds meer nodig hebben. Men vraagt zich dan ook af of de Europese Unie in de laatste jaren niet te veel macht heeft verkregen. De Europese Unie is naast de VS, India, China en Japan één van de grootste economische mogendheden. Hierdoor is het ontstaan van de Europese Unie een grote globaliserende factor in Europa. De burgers globaliseren en worden zich steeds bewuster van de gezamenlijke buitenlandse politiek die de Europese Unie namens de soevereine lidstaten voert. Toch wil niet iedereen lid zijn van een grote economische mogendheid zoals de Europese Unie. Zo is in Zwitserland de discussie over het lidmaatschap van de EU meerdere malen gevoerd. Globalisering wordt in Zwitserland gezien als een verschijnsel dat de cultuur van lokale Zwitserse gemeenschappen laat verdwijnen. Zwitserland is onder andere om deze reden geen lid geworden van de EU. Door deze beslissing zijn er breuken ontstaan tussen de verschillende gebieden waaruit Zwitserland bestaat. Zwitserland bestaat uit Duitse, Franse en Italiaanse fragmenten. De beslissing om geen lid van de EU te worden kan het interne politieke evenwicht in de federatie destabiliseren. Dit verzet tegen de Europese Unie weerspiegelt een bewuste strijd voor het behoud van de plaatselijke cultuur, lokale democratie en regionale vrijheid.3 Omdat multinationals mogelijk uit het land zouden vertrekken was men bang dat Zwitserland haar rijkdom zou verliezen. Toch was men uit principiële redenen bereid tegen het lidmaatschap van de EU te stemmen. Tot op heden is Zwitserland nog steeds het land met één van de hoogste levensstandaarden ter wereld. Echter zou globalisering ertoe kunnen leiden dat federaties zoals Zwitserland of confederaties zoals Canada separeren en daarmee hun rijkdom op het spel zetten.

Op weg naar een democratie: Kroatië In landen die op weg zijn naar democratie vinden ook botsingen plaats tussen verschijnselen van globalisering en tradities. Dit zijn bijvoorbeeld de Oostbloklanden die na de val van de Berlijnse Muur inzagen dat het communisme niet tot een goede financiële positie leidt. Deze landen zijn voornamelijk erg nationalistisch. Maar ook zijn er landen die zoals Kroatië zeer multicultureel van aard zijn. “Kroatië is een gebied waarin stormen van haat woeden”.3 De spanning tussen nationalisme en tradities beperken de mogelijkheden tot globalisatie en wederopbouw van de nationale staat van bijvoorbeeld Kroatië. Het is moeilijk om westerse ideeën over vrijheid en democratie aan landen uit het Oostblok op te leggen. Zij moeten zich eerst herpakken. Het communistisch gedachtegoed en nationalisme zal eerst veranderen in een gedachtegoed waarin een open samenleving centraal staat. Vervolgens kan men denken aan economische groei en politieke stabiliteit. Westerse ideeën over 55 | SecJure Oktober 2011


democratie zijn moeilijk te implementeren. Deze landen kennen namelijk een lange geschiedenis waarin dictators hun macht aan het volk oplegden. Nu worden zij plots blootgesteld aan een kapitalistisch vrije markt waarin grote economische entiteiten zoals de EU, Japan en China de dienst uitmaken. Binnen de politiek is niet langer de militaire macht van hoogst belang. Het lijkt er zelfs op dat de politieke macht verbonden is aan de economische gesteldheid van een staat. Aan die economische macht verbindt men het idee dat een land dat rijk is sociaal rechtvaardig moet kunnen handelen. Volgens George Soros betekent dit dat rijke landen anderen helpen door sociaal te handelen. Alleen op deze manier is het volgens hem mogelijk een mondiale samenleving te genereren waarin botsingen tussen tradities en globalisering controleerbaar zijn, zodat er rechtvaardig gehandeld kan worden.5

Een flexibele democratische rechtstaat Om rechtvaardig handelen te stimuleren is het volgens Soros dus noodzakelijk dat democratieën sociaal handelen. Democratieën kunnen andere staten helpen democratische systemen te ontwikkelen. Zoals uit de voorbeelden blijkt is een mondiale aanpak moeilijk te implementeren. Dit komt omdat democratische landen aan landelijke grenzen gebonden zijn. Buiten die grenzen lijkt alles mogelijk. Zo kunnen bedrijven onethisch handelen en locale bevolkingen misbruiken.6 Het stimuleren van rechtvaardigheid buiten de nationale grenzen betekent een noodzaak tot internationale samenwerking. Landen vormen grote economische entiteiten zodat zij een zwaarder gewicht in deze internationale onderhandelingen vormen. Men is van mening dat wanneer er meer landen binnen een unie aangesloten zijn de mondiale machtspositie sterker wordt. Dan vergeet

SecJure Oktober 2011 | 56

men echter dat rechtvaardig handelen niet alleen buiten de democratieën gestimuleerd moet worden. Intern betekent rechtvaardig handelen dat traditionele samenlevingen niet verloochend worden, maar binnen het democratisch systeem een stem krijgen. Wanneer dit niet gebeurd bestaat er een kans dat de democratieën separeren. Zoals ik aan de hand van voorbeelden tracht aan te duiden is een rechtvaardig evenwicht tussen de (inter) nationale en traditionele samenleving noodzakelijk voor de rust en veiligheid binnen landen. Wanneer deze “rust” zich niet ontwikkelt wordt het enerzijds voor sommige landen moeilijk democratische systemen te ontwikkelen, of op democratische wijze regeringen te vormen. Anderzijds wordt het lastiger internationale samenwerking, het zij in de vorm van een federatie of confederatie, bij elkaar te houden. Frankrijk lijkt echter een ander verhaal. Fransen zijn namelijk zowel locaal traditioneel als nationalistisch ontwikkelt. Hoewel een sterk centralistisch democratisch systeem zijn vruchten ook niet afwerpt en de stem van de locale bevolking nauwelijks laat horen, zal het in Frankrijk waarschijnlijk niet tot een separatie komen. Een democratie is een regeringsvorm dat nooit stilstaat en zich blijvend zal schikken naar de wil van het volk. Een systeem dat zowel locaal als internationaal een flexibele houding toestaat lijkt dus noodzakelijk.

(Endnotes) 1 Tegenlicht, De eeuw van Azië, 2010. 2 Dirk Verhofstadt, Het menselijk liberalisme,2002. 3 Benjamin Barber, Jihad Versus McWorld, 2001. Voor meer informatie over het conflict tussen globalisering en tradities zou ik graag verwijzen naar dit boek. 4 Montesquieu- instituut.nl. 5 George Soros, Globalisering, 2002. 6 Noreena Hertz, De stille overname, 2002. Dit boek is een aanrader voor iedereen die meer wil weten over globalisering en rechtvaardige handel.


Magister JFT

Prettige kennismaking! De redactie stelt zich voor Dat de redactie artikelen schrijft, is voor iedereen duidelijk. Maar uit welke mensen bestaat de redactie eigenlijk? Tijd voor een introductie, zodat jij, de lezer, meer weet dan de naam van een auteur. Als in een artikel verrassend veel verwezen wordt naar tuinkabouters, weet je voortaan meteen – zonder de auteursvermelding te lezen – dat Sylvia het artikel geschreven heeft. Een artikel over Groot-Brittannië is waarschijnlijk uit de pen gekropen van Nina en als het artikel plots exotische woorden als ‘asdfjiekekaib’ bevat, kan je concluderen dat Aïcha tijdens het typen aan de kieteldood is onderworpen. Altijd handig om te weten. Dus, bij deze: nice to meet you! Loes van Puijenbroek 20 jaar | 3e jaar bachelor Rechtsgeleerdheid | Heeft in een ver verleden het zesde deel van Harry Potter geschreven. Het was veertig pagina’s lang en een van de personages was Sinterklaas. Sylvia Kuijsten 21 jaar | 4e jaar bachelor Rechtsgeleerdheid | Heeft een fascinatie voor tuinkabouters en Disneyfilms, leeft voor monchoutaart. Aïcha Peutz 23 jaar | 5e jaar bachelor Rechtsgeleerdheid | Wordt helemaal gek als iemand onder haar voeten kietelt.

Feye van Westing 24 jaar | masterstudent Filosofie | Wilde als kind Paleontoloog worden als beroep.

Janneke van der Heijden 23 jaar | masterstudent Bestuurskunde | Droomde ooit van een muzikale carrière en heeft daarom ook de vooropleiding van het Conservatorium gedaan. Echter, daar is ze mee gestopt omdat ze te vals zingt. Melanie Hermes 21 jaar | masterstudent Recht & Management en Rechtsgeleerdheid accent privaatrecht | Houdt van aquarobics, ondernemingsrecht, verzekeringsrecht en lezen.

Anne de Vries 24 jaar | masterstudent Rechtsgeleerdheid accent privaatrecht | Had vroeger een enorme theezakjesverzameling.

Michiel Peters 27 jaar | bachelorstudent Bestuurskunde | Koken is zijn grootste hobby.

Esra van de Wolk 21 jaar | 3e jaar bachelor Internationaal en Europees Recht | Slaapt, ondanks haar altijd veranderende stoere kapsels, nog steeds met een knuffel.

Milad Sheidai 23 jaar | 3e jaar bachelor Nederlands Recht | Is lid van een echte hengelsportvereniging en kan vloeiend Perzisch.

Nina Dorenbosch 19 jaar | 3e jaar bachelor Internationaal en Europees Recht | Verkiest Guiness boven ons Hollandse bier. “Dat is pas echt bier”, aldus Nina. Rolf Everhardus 25 jaar | masterstudent International Public Law: Human Rights / Rechtsgeleerdheid accent Privaatrecht | Houdt niet van blokken maar van beuken bij Studenten Rugbyclub Tarantula. Therris Burgers 23 jaar | masterstudent Rechts­ge­leerd­heid accent Privaatrecht en accent Rechtsgeschiedenis | Is het langstzittende redactielid: al vijf jaar verblijdt Therris de SecJure met de meest briljante artikelen. Tim Adriaansen 22 jaar | masterstudent Bestuurskunde | Wordt elke zaterdag wakker met de soundtrack van kinderprogramma Pieter Post, zodat hij met blij gemoed als postbode de brieven bezorgt.

Ook een fan van Pieter Post of Guiness? Praat met de redactie op facebook.com/ SecJure. Lid worden van dit illuster gezelschap? Mail naar secjure@magisterjft.nl! 57 | SecJure Oktober 2011


Beschouwing

Muziekcensuur Loes van Puijenbroek

Na de aanslagen op 11 september 2001 was de hele wereld in rep en roer. Mensen waren bang, mensen waren boos. Dit had zijn weerslag op de muziek. Honderden nummers werden in de Verenigde Staten niet meer gedraaid op de radio. Geen ‘Aeroplane’ van de Red Hot Chili Peppers, geen ‘Learn to Fly’ van de Foo Fighters, ‘Great Balls of Fire’ van Jerry Lee Lewis mocht de luisteraar niet meer verblijden en ’99 Luftballons’ van Nena was uit den boze.1 Muziekcensuur: het kan ver gaan. Waar ligt de grens? Er zijn drie verschillende fases van muziekcensuur.2 De eerste fase houdt in dat een nummer niet gepubliceerd mag worden. Vaak gaat het om zelfcensuur, waarbij de platenmaatschappij weigert een nummer te publiceren vanwege zijn inhoud. De tweede fase gaat al heel wat verder; het beluisteren van het nummer wordt voorbehouden aan een selecte groep mensen. Denk aan de stickers met ‘Parental Advisory’ en het slechts mogen uitzenden van het nummer vanaf een bepaald tijdstip. Ten slotte heb je het geheel verbieden van het publiceren en spelen van nummers. Vooral deze laatste vorm van muziekcensuur is aan kritiek onderhevig.

Fase 1: voorkomen Een voorbeeld van zelfcensuur: de List of potentially offensive songs van Clear Channel Radio, eigenaar van vele radiozenders in onder andere de Verenigde Staten, welke na 9/11 werd ingesteld bij ruim 1100 radiostations.3 Dit is een relatief recent voorbeeld, maar zelfcensuur is zeker geen modern begrip. In de jaren ’50 werd de zin ‘Drinking wine’ al vervangen door ‘Drinking Coca-Cola’ in een nummer van T-Bone Walker, omdat radiostations het nummer anders niet wilden draaien. Radiostations hadden dus een zeer grote invloed op de muziekindustrie. Dit tot grote blijdschap van regeringen in verschillende landen – aangezien de opkomende Rock ’N Roll en (voorloper van-) R&B, naar hun mening, de properheid van de burger negatief zou beïnvloeden. Publieke omroepen, afhankelijk als zij waren van subsidies van de overheid, weigerden daarom deze muziek te draaien. Na de opkomst van commerciële omroepen bleef deze onwil SecJure Oktober 2011 | 58

om bepaalde nummers te draaien bestaan; niet om morele, maar commerciële redenen. Een groter publiek wordt bereikt als de muziek bij niemand in het verkeerde keelgat schiet. Dat daardoor nummers als ‘Let’s spend the night together’ werden veranderd in ‘Let’s spend some time together’, werd niet gezien als een groot probleem.

Fase 2: beperken Iedereen kent wel de Parental Advisory-sticker. Zwart en wit, grote dreigende letters, en bedoeld om mensen te waarschuwen voor grof taalgebruik dat minderjarigen kan schaden in hun ontwikkeling. Deze sticker is in 1985 door de Recording Industry Association of America (RIAA) bedacht. Wederom is er sprake van zelfregulering: de RIAA is een samenwerkingsverband van verschillende muzieklabels.4 Deze labels worden door de RIAA verplicht om het Parental Advisory te melden aan de klant. Aangezien de RIAA tevens de instantie is die, net als Brein in Nederland, het intellectueel eigendom en andere rechten van de muzieklabels beschermt, wordt het muzieklabel eigenlijk gedwongen lid te zijn van deze organisatie. Zo’n 85% van alle op legale wijze geproduceerde muziek in de Verenigde Staten valt hierdoor onder de RIAA.5 Veel vrijheid is er dus niet om onder de verplichting van zo’n sticker (en dus het beperken van de groep luisteraars) uit te komen. Aangezien sommige winkels als Wal-Mart en zelfs landen als China en Saoedi-Arabië weigeren (Amerikaanse) albums met Parental Advisory te verkopen, heeft dit een grote impact op de artiest. Toch kan een artiest blij zijn met slechts een sticker op het album. Het kan namelijk nog veel erger. Op naar fase 3: niet het beperken van-, maar de gehele afwezigheid van vrijheid.

Fase 3: verbieden ‘The government totally sucks’ roept Jack Black van Tenacious D in het gelijknamige nummer. In de meeste landen wordt hier om gelachen, zeker als hij verderop in het nummer Ben Franklin omschrijft als een wietrokende naturist.6 Echter, in andere landen zou meneer Black linea recta richting gevangenis gaan. Niet alleen teksten welke de gevestigde orde beledigen worden niet getolereerd; ook schijnbaar onschuldige teksten zijn soms een stap te ver. Op grond van het zingen van gezagsonder-


mijnende teksten is bijvoorbeeld de Tibetaanse zanger Tashi Dhondup vijftien maanden lang vastgehouden in een Chinese gevangenis.7 De overheid kon zijn oproep aan de Dalai Lama om terug te keren naar Tibet, niet waarderen. Een schrijnender geval vinden we dichter bij huis. De droom van Özlem Gerçek, Mahir Çelebi and Ercan Duman kwam in vervulling: ze mochten optreden op een festival in hun vaderland Turkije. Na afloop van het concert stond er een delegatie te wachten. Geen familie maar politie, door wie ze vervolgens werden gearresteerd. Waarom? Wegens het zingen van een Koerdisch nummer. Naast dat het gebruik van de Koerdische taal in Turkije niet als wenselijk beschouwd wordt (tot 1991 was het spreken van de Koerdische taal zelfs verboden), is ook de inhoud van het nummer een brug te ver.8 Het nummer ging over bergen, barricades, Koerdistan, slachtoffers en schieten, weiden en strijd (revolutie) voor vrijheid in een samenleving waar kinderen willen lezen.9 Nu is het streven naar een wereld vol boekenwurmen natuurlijk wel een Parental Advisory sticker waard, echter, die weg koos de Malatya Criminal Court niet. De rechter veroordeelde de band tot tien maanden gevangenisstraf, zodat de band goed zijn zonden kon overdenken. Dit is geen incidentele gebeurtenis: een paar weken voor deze uitspraak belandde zanger Cevdet Bacga ook in de cel wegens het uiten van ‘opruiende teksten’ en artiest Rojda moest één jaar en acht maanden achter de tralies wegens het zingen van een Koerdisch nummer. Naast hen worden nog vele andere artiesten belemmerd10 in hun artistieke vrijheid: in Noord-Korea mag bijvoorbeeld alleen muziek gedraaid mag worden welke het gevestigde gezag verheerlijkt.11 Echter, soms is muziekcensuur wel degelijk nodig. Muziek kan emoties opwekken die zo hoog op kunnen lopen, dat de veiligheid van mensen niet meer gegarandeerd kan worden. Zo zijn ‘nazi-nummers’ als het ‘Horst-Wessel-Lied’ verboden in Duitsland: het zingen van deze nummers is ex. §86a Strafgesetzbuch strafbaar en kan drie jaar gevangenisstraf opleveren.12 De nummers zijn een overblijfsel van een zwarte bladzijde in de Duitse geschiedenis en doordat ze veelal emoties, van instemming- of tegenspraak, opwekken en mensen kunnen aanzetten tot geweld, wordt het onveilig geacht het ten gehore brengen hiervan toe te staan. In Zuid-Afrika werd Julius Malema, leider van de ANC-Jeugdliga13, geconfronteerd met dezelfde gedachte. Hij zong het nummer ‘Shoot the Boer’, waarbij met ‘Boer’ gedoeld wordt op blanken in Zuid-Afrika tijdens een rally. ‘Shoot the Boer’ was zijn nieuwe versie van het nummer ‘Kill the Boer’, welke in 2007 als hate speech werd bestempeld door de South African Human Rights Commission.14 Het nummer werd uiteindelijk door het Gerechtshof van Johannesburg ongrondwettelijk en illegaal verklaard, aangezien het aanzette tot moord.15

Niet per definitie slecht dus, muziekcensuur. Muziek blijft toch een gevaarlijk middel. Het is vaak meer dan een paar deuntjes op een rijtje.16 Het haalt emoties naar boven, geeft een boodschap mee; het inspireert, het confronteert. Soms met gevaarlijke gevolgen. Censuur lijkt dan haast noodzakelijk – hoewel dit per land varieert.17 Maar wat wel zeker is: artistieke vrijheid is een groot goed. Een goed dat niet zomaar beperkt mag worden. (Endnotes) 1 Zie: de ‘List of potentially offensive songs’ van Clear Channel Radio (<http://www.clearchannel.com/>) 2 M. Cloonan, ‘What is music censorship? Towards a better understanding of the term.’ <musicfreedomtoday.nl> 3 Eric Nuzum, ‘Crash into me, baby: America’s implicit music censorship since 11 September’, p. 151, in: Shoot the Singer! Music censorship today, London: Zed Books 2004 4 <www.RIAA.com> 5 Idem. 6 De bron van dit interessante feit vermeldt de heer Black echter niet. 7 ‘Tibetan Singer Released From Jail’, 8 februari 2011, <www.rfa. org> 8 Zie bijvoorbeeld ‘Speaking Kurdish is still a crime: politicians sentenced to prison.’, 8 juni 2010, <www.en.firatnews.com> 9 Aangezien mijn Koerdisch niet opperbest is - deze grove samenvatting heb ik van: ‘Court sentences band members to 10 months imprisonment for Kurdish song’, 27 juli 2010, <www. freemuse.org> 10 Zie ‘Music freedom day’, 3 maart 2011, <www.freemuse.org> 11 ‘Censorship treatens future musicians’, 28 mei 2004, <www. news.bbc.co.uk> 12 In deze paragraaf wordt het gebruik van symbolen van organisaties welke tegen de gedachte van de grondwet indruisen, verboden. Hieronder valt natuurlijk het Nazisme; niet alleen het luisteren liederen, maar ook het gebruik symbolen als het hakenkruis is hierdoor strafbaar. 13 Het ANC, Afrikaans Nationaal Congres, is een partij welke strijd tegen de apartheid. 14 ‘Malema under fire for ‘Kill the boer’ song’, 10 maart 2010, <www.iol.co.za> 15 ‘Malema gagged’, 8 augustus 2011, <www.iol.co.za> 16 Tenzij je het over de vogeltjesdans hebt natuurlijk – of Justin Bieber. 17 Wat China bijvoorbeeld gevaarlijk acht (bijvoorbeeld een oproep naar de Dalai Lama), zouden wij in Nederland nog in het bejaardentehuis draaien.

59 | SecJure Oktober 2011


TLS

Paris, je t’aime! Een onvergetelijke, leerzame en plezante studie-ervaring Victoria Kalfsbeek

Parijs… De stad van de liefde? De stad met kaas, wijn en stokbrood? Een stad die mijn leven zou kunnen veranderen? Een stad die ik nooit meer zal vergeten? Tijdens mijn eerste jaar op de universiteit kwam ik er achter dat er de mogelijkheid was om in het buitenland te studeren met het Erasmus programma. In beginsel dacht ik dat het nooit iets voor mij zou kunnen zijn. Ik vond al de verhalen van vrienden en kennissen die er ervaring mee hadden heel leuk en aardig, maar ik? Nee, het trok mij wel, maar ik was tegelijkertijd ook bang voor het onbekende. Toch besloot ik om er voor te gaan. Zelf hou ik ervan om nieuwe dingen te ontdekken en als iets mislukt, zal er altijd wel een manier zijn om het op te lossen. Voor mijn studie, Internationaal en Europees recht, was het meest geschikte moment om in het buitenland te studeren het tweede semester van mijn derde bachelor jaar. De keuze voor Parijs heb ik niet zomaar gemaakt. Ik wilde graag een derde taal beheersen en aangezien ik heb meer ervaring met Frans dan met Spaans. Daarnaast leek het mij ook een mooie kans om de Franse cultuur te beleven. Ik heb namelijk vaak gehoord dat Fransen chauvinistisch en bureaucratisch zouden zijn. Ook dacht ik dat het een mooie kans was voor verdere zelfontplooiing. Na de selectieprocedure kreeg ik het nieuws dat ik naar Parijs mocht gaan! Ik was hiermee zeer blij en besefte vanaf dat moment dat ik allereerst nog heel wat moest gaan regelen alvorens mijn avontuur van start kon gaan. Als snel kreeg ik van de universiteit allerlei informatie van hoe ik het moest aanpakken en wat ik moest doen. De belangrijkste dingen in mijn ogen waren het zorgen dat ik op de universiteit van Parijs, ‘Université Paris 1 Panthéon-Sorbonne’, zou worden ingeschreven en dat ik daar onderdak zou hebben alvorens ik er arriveerde. Ik wilde immers niet in een kartonnen doosje onder een brug van de Seine gaan bivakkeren. Het regelen verliep moeizaam. Ik heb toen mijn eerste les al snel geleerd, namelijk dat Fransen geen Engels willen spreken. Ik had een Engelstalige e-mail verstuurd in verband met het regelen van een kamer en kreeg maar geen reactie. Na twee weken nog niets te hebben ontSecJure Oktober 2011 | 60

vangen, besloot ik maar mijn hersenen te kraken om een Franstalige e-mail op te stellen en te versturen en wonderbaarlijk kreeg ik dezelfde dag nog antwoord! Uiteindelijk dacht ik een mooi stulpje te hebben gevonden in het zuiden van hartje Parijs. Het volgende wat mij te wachten stond was het regelen van mijn inschrijving en vakkenpakket. Echter, dit kon ik pas voltooien wanneer ik ter plaatse zou zijn, dus dit stond stil. Aangezien ik een persoon ben dat alles op tijd wil regelen, viel dit een beetje tegen, maar ik dacht: het komt wel goed! Tijdens het eerste semester van mijn derde bachelor jaar kreeg ik te horen dat er een integratieweek zou zijn, startende op 12 januari 2011, alvorens het nieuwe semester in Parijs zou starten. Uiteindelijk was het zover: 11 januari 2011, het begin van het avontuur! Mijn ouders brachten mij naar Parijs en bleven één nachtje slapen. Eenmaal aangekomen gingen we eerst mijn kamer bekijken en mijn spullen opbergen. Ik weet nog dat mijn vader mij helemaal verrot zat te schelden omdat de hele auto vol zat. Ik durfde amper te zeggen: ‘Pap, kan dit er nog bij?’ Na wat administratieve handelingen en het zetten van stempels, waar de Fransen gek op zijn, kreeg ik de sleutel van mijn kamer. Lopend naar mijn kamer, hoopte ik dat het zou meevallen omdat het gebouw echt aftands was en vanaf 30 juni 2011 in restauratie zou gaan. Niet dus…Ik kwam mijn kamer binnen en verschoot mij een hoedje. Het was echt oud, om het maar netjes te verwoorden. Voor de rest van de dag ging ik met mijn ouders op stap in Parijs. Tijdens het dessert van het avondeten kreeg ik al een brok in mijn keel. Over een paar minuten was het afscheid nemen voor een half jaar. Na het pijnlijke afscheid zat ik


op mijn kamertje mij voor te bereiden op mijn taaltoets, die ik op de eerste dag van de integratie week zou hebben zodat ze ons per niveau konden indelen. Ik bereidde het voor en al snel zag ik een beestje en nog een beestje lopen… Aangezien ik al helemaal niet tegen insecten kan, besloot ik maar naar bed te gaan. Na tien minuten voelde ik gekriebel en ik dacht dat het psychisch was omdat ik al beestjes had gezien. Na tien minuten voelde ik weer gekriebel. Ik deed mijn laken omhoog en het krioelde van de ‘bed bugs’. Ik schoot uit mijn bed en besloot met mijn slaapzak in de lobby te gaan slapen. Goh, wat een leuke eerste dag! De integratieweek was wel plezant. Ik leerde mijn Erasmus groep kennen. Er waren Brazilianen, Duitsers en overige nationaliteiten. De week was intensief: elke dag was volgepland met Franse taallessen, Franse juridische methodologie lessen en het bezoeken van bibliotheken. Na deze integratieweek begon het officiële semester. Ik volgde vijf vakken en al snel schoot ik in de stress met de gedachte: oh mijn lieve hemel, waar ben ik aan begonnen. Geen powerpoints, geen syllabussen, geen verplichte literatuur; alleen een professor waar je anderhalf uur per college naar kon luisteren voor 12 weken lang. Ik had een voicerecorder gekocht, maar deze vond al snel de kast omdat ik aan het einde van het semester aan de Franse studenten collegeaantekeningen ging vragen. Na twaalf weken lang lessen volgen en taken maken, waren er examens. Deze waren mondeling en hierin zat ook het venijn. Je moest een kaartje trekken, en daarop stond een algemeen- of gedetailleerd onderwerp van de gehele cursus die ze hadden gegeven. Had je pech, kon je terugkomen voor een herkansing. Uiteindelijk had ik drie van de vijf vakken gehaald, wat voor mij voldoende zou zijn. Alleen mijn thesis moest ik nog schrijven. Totdat ik thuis mijn ECTS ging natellen: ik miste één studiepunt. Ik heb toen in Nederland enkele tentamens gemaakt waarvan ik er uiteindelijk twee heb gehaald - wat gelukkig dus voldoende was. Als ik naar dit half jaar terugkijk, is het snel voorbij gegaan. Ik heb veel geleerd maar om op mijn vragen van het begin terug te vallen, kan ik het volgende wel zeggen. Voor mij is Parijs niet de stad van de liefde, ik ben daar geen ventje voor mijzelf tegengekomen. Het is zeker een stad met kaas, wijn en stokbrood, want ik heb vaak

genoeg in verschillende parken gezeten om hiervan te genieten. Ik heb mijn Franse taal absoluut goed bijgespijkerd en er is zeker sprake van zelfontplooiing waardoor mijn leven zal veranderen. Ik zal de stad in elk geval nooit meer vergeten. Ik zou iedereen aanraden om een half jaar in het buitenland te gaan studeren. Ook al lijkt het eng, het komt wel goed!

Feel up for the challenge? But you still have questions? Contact: Drs. Tessa Barten Coordinator Mobility Email: law-exchange@uvt.nl Tel: 013-466 2502 http://www.tilburguniversity.nl/students/study/ abroad/ Consultation hours Tuesday or Thursday: 11.00 - 12.00 am 61 | SecJure Oktober 2011


e

26 JAARGANG

WAT IS-IE TOCH SNEL GROOT GEWORDEN

DE OMA VAN

      Discussiëren met de redactie? Check onze gloednieuwe facebookpagina op www.facebook.com/SecJure. Wil je zelf in de redactie? Kijk dan op www.magisterjft.nl/secjure of stuur een email naar secjure@magisterjft.nl.


30 november tot en met 2 december

Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen

mr.

De masterclass van Pels Rijcken

Meld je nu aan op pelsrijcken.nl/mrz


WINNAAR

“AMBITIE IS JOUW SLEUTEL, WIJ ZIJN HET SLOT NAAR SUCCES.” Jan van Hövell tot Westerflier, rechtenstudent Utrecht Winnaar van een reis voor twee naar het Burning Man festival, in de Amerikaanse Black Rock Desert. Overige winnaars

“LIEVER PASSIE VOOR HET VAK, DAN IN HET VAK PASSEN.” Kees van Ekeren, rechtenstudent Leiden “ELKE DAG EEN MEESTERWERK.” Tjerk Sigterman, rechtenstudent Utrecht “OPEN DEUREN BELEID? IK WIL GEWOON BIJ IEMAND AAN KUNNEN KLOPPEN!” Joost van Slooten, rechtenstudent Groningen “MEER WETEN, BEL ONS!” Diederik Wokke, rechtenstudent Utrecht “DURF EEN VERSCHIL TE MAKEN.” Julia Mascini, rechtenstudent Leiden

www.boekel.com Wij leveren zakelijke, juridische dienstverlening voor bedrijven, overheidsinstellingen en non-profit organisaties. Daarbij ligt onze focus op ondernemingsrecht, vastgoed en arbeidsrecht. Wij zijn gevestigd in Amsterdam en Londen.

Jaargang 26, nr. 1  

SecJure is het onafhankelijke faculteitsblad van de Faculteit Rechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg

Jaargang 26, nr. 1  

SecJure is het onafhankelijke faculteitsblad van de Faculteit Rechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg

Advertisement