Page 1

B&B Brand&Brandweer

APRIL 2016

• Nieuwe norm brandveiligheid grote compartimenten • Volop ontwikkeling in methodiek regionaal risicoprofiel • Veel doden door brand in België

vakblad voor brandweer, hulpverlening en rampenbestrijding

Spannende momenten door explosie bij brand Losser

B&B Brand&Brandweer

www.brandenbrandweer.nl

4

jaargang 40


Vliegveld Twenthe 2, 3 en 4 juni 2016 ‘Dé beurs voor de veiligheidssector’ • Award gala “Hulpverlener van het jaar” Uitreiking door Minister van V&J • Uitgebreid show- & demonstratieprogramma • Zie en beleef de nieuwste voertuigen en operationele techniek • Groepsarrangementen inclusief lunch • Hét evenement voor brandweer, politie, defensie en ambulancezorg.

GRATIS TICKETS VIA: www.exporic.nl


INHOUD

nummer 4 april 2016

Coverstory 10

27

Brandweerlieden verrast door flinke explosie bij grote brand Losser

Alleen dit jaar al zijn er 23 branddoden in België. Een fors aantal. Sinds twee jaar verzamelt Tim Renders gegevens over fatale woningbranden in het land. De cijfers laten wisselende beelden zien.

Een zeer grote brand legt op donderdag 25 februari een autobedrijf in de as. Als de bemanning van de tweede TS in de naastliggende ruimte de brandwerende scheiding controleert, ontploft een acetyleenfles. Het loopt net goed af. Met behulp van drone Argus wordt de verdere inzet bepaald. 35

Artikelen 14

16

39

Brand Houten: goed optreden brandweer, gebouw voldeed niet

Stilte typeert treinongeval Dalfsen Een uit drie wagons en een motorcompartiment bestaande passagierstrein komt op dinsdagochtend 23 februari tussen Ommen en Dalfsen in botsing met een hoogwerker. Ploegleider Wiljo Wienen, OvD Boudewijn Postma en bevelvoerder Ronald Schepers blikken terug.

20

Ouder personeelsbestand zorgt voor meer vacatures Door de hogere gemiddelde leeftijd ontstaat meer uitstroom en dus komen er steeds meer vacatures voor beroeps brandweerlieden. Wat voor mensen worden gezocht? En welke rol is in de werving en selectie weggelegd voor diversiteit binnen de brandweer?

Het brandverloop bij een zeer grote brand in Houten in juli vorig jaar is sterk beïnvloed door bouwkundige tekortkomingen, concludeert IV&J in haar onderzoeksrapport. Daarnaast moet er meer aandacht komen voor de gevaren van wind driven fires. 18

Methodiek Regionaal Risicoprofiel volop in ontwikkeling Risicoanalyses zijn een ondergeschoven kindje, zo stelt voorzitter Bruno Goddijn van het Netwerk Regionaal Risicoprofiel. Met het netwerk wil hij de methodiek voor de risicoprofielen verder doorontwikkelen.

‘NEN 6079 is juist een fijne norm’ Hartelijk werd hij niet ontvangen. NEN 6079 is de nieuwe norm voor de beoordeling van de brandveiligheid van zeer grote brandcompartimenten. Vanuit verschillende hoeken klinkt kritiek. Ellard Roersma en Herman Isendam van de Vakgroep Veilig Bouwen lichten de norm toe.

België veel branddoden, weinig rookmelders

Incidentonderzoeksdag: een vol en gevarieerd programma Het programma van de incidentonderzoeksdag kende voor ieder wat wils. Ondergeventileerde branden, de première van de Mythburners en commandovoering zijn slechts enkele onderwerpen die tijdens de dag aan bod zijn gekomen.

Rubrieken 5 6 23 31 32 42

Van de redactie Actueel Brandweer Nederland Brandweer buitenland Zo vader zo zoons Ingezonden

Op de cover: De roldeur is door een grote explosie tijdens de brand op 25 februari bij een garagebedrijf in Losser volledig ontwricht. Brandweerlieden komen net goed weg. Fotografie: 112Twente

Brand&Brandweer

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

3


>100 m3/u >50 m diep Mobiel Stand-alone

www.smitsveldhoven.nl

Haal méér uit de Wgr! isbn 978 90 12 39424 6 | auteurs: Els Boers, Douwe Brongers omvang: 380 pagina’s | prijs: ¤ 50,35 incl. btw

De Wet gemeenschappelijke regelingen helder uitgelegd Ω Voor

bestuurders en ambtenaren de mogelijkheden én onmogelijkheden: er kan vaak meer dan u denkt Ω Geen juristentaal, maar begrijpelijk Nederlands Ω Handig om dit boek altijd bij de hand te hebben Ω Ontdek

Meer informatie op sdu.nl/overheid


VAN DE REDACTI E

Niets doen is geen optie!

I

n het gebouw van de Tweede Kamer in Den Haag vond op woensdag 9 maart een wellicht toekomstbepalende bijeenkomst voor de brandveiligheid bij ouderen plaats. Kamerleden hadden verzocht om een rondetafelgesprek met een groot aantal maatschappelijke organisaties. De Brandweeracademie, Aedis/Actiz, de Nederlandse Brandwonden Stichting, de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland en de Unie Katholieke Bond voor Ouderen waren slechts enkele van de insprekers. Het probleem mag wellicht bekend zijn. De lector Brandpreventie René Hagen heeft hier uitgebreid onderzoek naar gedaan. Over vijftien jaar is een kwart van de bevolking ouder dan 65 jaar (met een piek in de leeftijdsgroep van 80- tot 85-jarigen). Ouderen zijn 2,7 keer zo vaak het slachtoffer van een fatale woningbrand dan de gemiddelde inwoner van Nederland. En in 2030 zullen bij ongewijzigd beleid ongeveer 23 slachtoffers van 65 jaar en ouder overlijden ten gevolge van een fatale woningbrand. Naast dodelijke slachtoffers praten we hierbij ook over honderden gewonden. Niets doen is geen optie voor alle partijen die betrokken zijn bij deze problematiek. Dat geldt niet alleen in de laatste plaats voor onze eigen brandweerorganisatie. Wat kunnen wij doen om ons voor te bereiden op deze ontwikkeling? Moeten we lijdzaam afwachten? Of gaan we nu initiatieven ondernemen? In ieder geval is het geen optie om langer naar elkaar te blijven kijken. Wie is verantwoordelijk? Waar moeten we de rekening neerleggen? Niets doen is geen optie in het werk voor onze collega’s van preventie. Zij hebben de mogelijkheid om direct met de eigenaren van wooncomplexen voor senioren in overleg te gaan. Zij hebben de mogelijkheid om bij de verbouw van verzorgingshuizen tot wooncomplexen met gemeenten samen op te trekken om een voldoende brandveiligheidsniveau te realiseren. Zij hebben de mogelijkheid het belang van projecten als Geen Nood Bij Brand nogmaals binnen de organisatie te onderstrepen.

van. Meer en meer wordt van hen verwacht dat zij voldoende in staat zijn om onder zeer moeilijke omstandigheden hun werk te doen. Niets doen is geen optie voor onze collega’s van de preparatieve afdelingen. Aanpassing van objectinformatie naar de realiteit van de dag. Niet meer alleen de focus op de wooncomplexen die van oudsher bekend waren, maar juist ook daar waar meer en meer een concentratie van ouderen ontstaat in de wijk of buurt. Wat betekent dit voor de informatie die wij aan onze collega’s van repressie leveren? Bussiness Intelligence in optima forma. Niets doen is ook geen optie voor onze collega’s die zich bezig houden met de voorbereiding op calamiteiten, groot en klein. Het inrichten van de reguliere oefenavond juist op deze groep mensen kan een enorme bijdrage leveren aan een snel en effectief optreden. Doden en gewonden kunnen worden voorkomen. Voorop staat hierbij de samenwerking met zorgverleners, bhv’ers en niet in de laatste plaats de oudere zelf. Niets doen is geen optie was ook de boodschap van portefeuillehouder Brandveilig Leven, Hilda Raasing. In heldere bewoordingen gaf zij aan dat aanvullende brandveiligheidsmaatregelen bij ouderen noodzakelijk zijn. Zij pleitte voor verplichte rookmelders, ook voor bestaande bouw. Voor regelgeving voor de nieuwe, omgebouwde seniorencomplexen, voor het inzetten van innovatieve oplossingen in woningen en het versterken van voorlichting aan de sociale omgeving van ouderen. Alleen als we nu maatregelen nemen hebben we over vijftien jaar voldoende effectiviteit. De hoogste tijd dus om in actie te komen. Niets doen is geen optie! Marcel van Galen

Niets doen is geen optie voor onze collega’s van Brandveilig Leven. Voorlichting bij ouderen thuis, de Broodjes Brandweer en regionale ouderenbeurzen zijn de ultieme mogelijkheden om in gesprek met ouderen te gaan. Hier halen we winst. Niets doen is geen optie voor onze collega’s in de repressieve dienst. Zij komen voor ongekende problemen te staan bij calamiteiten in ouderencomplexen. De Notenhout in Nijmegen is hier een schrijnend voorbeeld

Brand&Brandweer

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

5


ACTU E EL

Assen start nieuw jeugdbrandweerkorps

Bruinsma is twintig jaar leider geweest van de jeugdbrandweer in Coevorden. Ruim een jaar geleden is hij verhuisd naar Assen. Daar is hem gevraagd of hij in die stad een nieuw jeugdbrandweerkorps wilde opzetten. ‘Veiligheidsregio Drenthe wil een betere spreiding van de jeugdbrandweerkorpsen in de regio. Ik heb ervaring met de jeugdbrandweer en had een idee hoe we een nieuw jeugdkorps op konden zetten. Gelukkig hebben we veel hulp gehad van de veiligheidsregio en de Stichting Jeugdbrandweer Nederland’, aldus Bruinsma. Goede begeleiding van de jeugdleden is ontzettend belangrijk, zo weet hij. ‘Daar ben ik mee begonnen. In korte tijd had ik een team van negen jeugdleiders geformeerd. Vervolgens hebben we een informatieavond georganiseerd. Daar kwamen 25 jongeren op af.’

ontdekken wat voor vlees we in de kuip hebben’, legt Bruinsma uit. ‘Zo hebben we iedereen tijdens de informatieavond een boekje meegegeven over de brandweer in Assen. In het theoretische deel hebben we daar vragen over gesteld. Dat varieerde van de branddriehoek, tot soorten branden, wat een TS is en hoeveel water in een TS kan. Het was verrassend dat alle jongeren bijna alle vragen goed

hadden. Ze zijn echt geïnteresseerd. Bij de groepsopdrachten hebben we gelet op hoe ze samenwerken en wie zich opstelt als leider en bij de sporttest hebben we gekeken naar beweeglijkheid en het uithoudings- en doorzettingsvermogen.’ De jeugdleiders hadden vooraf vastgesteld dat ze wilden starten met maximaal zestien kinderen. Bruinsma: ‘Je wilt ze ook goede begeleiding bieden. Met een te grote groep lukt dat niet. Maar op de selectiedag kwamen achttien kinderen af. Ze waren allemaal zo enthousiast dat we niet twee af wilden laten vallen. We starten nu dus met achttien leden. Daarvan is de helft twaalf jaar en zit in de junioren groep. De andere helft is dertien tot zestien jaar en ingedeeld in de groep aspiranten. Het is een mooi gemeleerd gezelschap. Niet alleen van verschillende leeftijden, maar er zitten ook drie meiden bij.’ Het mooiste vindt Bruinsma dat er relatief veel kinderen bij zitten die op geen enkele manier een relatie hadden met de brandweer. ‘Zij hebben onze oproep via Facebook, posters en advertenties gezien en zijn enthousiast geraakt.’ De eerste oefenavonden hebben de jeugdleden inmiddels gehad. ‘Ze staan te springen en kunnen eigenlijk niet wachten tot de volgende keer. Tot juni doen we met name groepsopdrachten, teambuilding en theorie. Daarna hebben ze hun brandweerpak en kunnen we beginnen met echte jeugdbrandweeroefeningen.’ Fotografie: Jeugdbrandweer Assen

Fotografie: Jeugdbrandweer Assen

Veiligheidsregio Drenthe heeft er sinds 1 maart een nieuw jeugdbrandweerkorps bij. Naast Coevorden, Hoogeveen en Meppel is ook Assen gestart met een jeugdkorps. Achttien jongeren in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar kunnen niet wachten tot ze echt kunnen kennismaken met het brandweervak. ‘Maar dat duurt nog even’, vertelt jeugdleider Elwin Bruinsma. ‘Hoewel we de eerste oefenavond hebben gehad, kunnen we nog geen brandweeroefeningen doen. De kleding is aangemeten en komt in juni. Pas dan kunnen we van start met brandweertechnische opdrachten.’

Selectiedag Voor de jongeren die echt geïnteresseerd zijn, organiseren de jeugdleiders een selectiedag. Deze dag bestond uit een theoretisch deel, groepsopdrachten en een sporttest. ‘Dit was niet zozeer om ze heel grondig te testen, maar wel om te 6

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Brand&Brandweer


Fotografie: IFV

Actueel

Offensieve buiteninzet nauwelijks effectief in aangrenzende ruimten Uit het onderzoeksrapport De offensieve buiteninzet bereikbaar? van de Brandweeracademie van het IFV blijkt dat offensieve buiteninzetten in aangrenzende ruimten van de brandruimte nauwelijks effectief zijn. In de brandruimte zelf wordt het grootste effect bereikt. In het onderzoek zijn de effecten op de blussing, koeling van de rookgassen en de verbetering van de parameters voor overleefbaarheid meegenomen. Het rapport is een deelrapport van de experimenten voor de offensieve buiteninzet. De experimenten voor de offensieve buiteninzet zijn gedaan met de coldcutter, nevelkogel, fognail, repressieve ventilatie (alleen vanuit de aangrenzende ruimte), drukluchtschuim (DLS) en lage druk (LD). Alle technieken zijn in staat om bij de inzet gericht op de brandruimte de vuurhaard te blussen in de vorm van een knockdown. Bij de inzet op de aangrenzende ruimte zijn behalve repressieve ventilatie alle technieken in eerste instantie in staat een knockdown te creëren, maar alleen bij de inzet van LD en bij één experiment met DLS is de knockdown volgens het rapport van blijvende aard. Wat betreft de rookgaskoeling zijn alle onderzochte technieken in staat om binnen een minuut na de start van de inzet in de brandruimte de temperatuur voldoende omlaag te brengen voor een veilige offensieve buiteninzet. Bij de inzet in een gebouw met twee ruimten, met de inzet niet rechtstreeks in de brandruimte, blijken offensieve buiteninzetten met LD en in mindere mate met DLS in staat om ook in een aangrenzende ruimte een inzet te doen met effect in de brandruimte. Repressieve ventilatie veroorzaakt

Brand&Brandweer

een toename van de temperatuur in de brandruimte. Op het gebied van de parameters voor overleefbaarheid blijkt uit de experimenten dat een aantal factoren van invloed is op de overschrijding van de grenswaarde. Het gaat hierbij niet alleen om de offensieve buiteninzettechniek,

maar ook om de locatie van het slachtoffer ten opzichte van de vuurhaard en de lay-out van de ruimte. Heel algemeen lijkt het er volgens het onderzoek op dat een offensieve inzet rechtstreeks in de brandruimte, waarbij het slachtoffer zich in deze ruimte bevindt, een positiever effect heeft dan niets doen. Bij een inzet in de aangrenzende ruimte lijkt het erop dat het veelal een negatief effect heeft ten opzichte van het niet uitvoeren van een inzet. Het volledige rapport is te downloaden via www.ifv.nl.

Veiligheid in en om het huis thema van de Landelijke Veiligheidsdag De derde editie van de Landelijke Veiligheidsdag op 16 april staan in het teken van de veiligheid in en om het huis. De brandweer, politie, Defensie, GGD, Koninklijke Nederlandse Reddings Maatschappij, Kustwacht en de Reddingsbrigade laten tijdens deze dag volop zien wat het werk van de Nederlandse hulpdiensten inhoudt en hoe zij onderling samenwerken. Tijdens de Landelijke Veiligheidsdag zijn er doorlopend demonstraties van de brandweer, jeugdbrandweer, USAR.nl, Defensie en de Reddingsbrigade Nederland. Daarnaast is er een informatiemarkt met onder andere buurt- en inbraakpreventie en PIT Veiligheidsmuseum. Voor kinderen is er bovendien een fotomoment met Brandweerman Sam. Voor meer informatie: www.vvv.almere.nl.

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

7


ACTU E EL

Fotografie: Meldkamer Noord-Nederland

Het nieuwe melden, visie op modernisering 112 meldproces

In 2025 is bellen uit de tijd. Het bestaat misschien nog wel, maar er komen nieuwe manieren bij om incidenten bij de meldkamer te melden, zo concludeert TNO in Het nieuwe melden, een toekomstverkenning. In deze visie beschrijft TNO welke stappen nodig zijn om vernieuwende manieren van interactie tussen burger en overheid bij incidenten mogelijk te maken. TNO stelt in vier tijdvakken voor welke innovatiecycles en werkwijze doorlopen kunnen worden. Tijdvak één staat in het teken van versnelling met een meer kort-cyclische aanpak in visieontwikkeling, beleid en de stapsgewijze realisatie op basis van trial and error. Datakanalen kunnen worden gerealiseerd waarin locatiebepaling en naast spraak ook beeld en tekst een belangrijk onderdeel zijn. In het tweede tijdsvak worden data en met name beelden steeds dominanter in het meldproces. Burgers en bedrijven melden zoals zij dat wensen en krijgen een steeds betere terugkoppeling op maat. In tijdsvak drie gaan naast mensen ook steeds 8

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

meer apparaten melden. Verdergaande automatisering moet in dit tijdsvak zorgen voor eenvoud voor alle gebruikers. In het vierde en laatste tijdsvak raakt de meldkamer meer op de achtergrond. Steeds vaker zullen slimme processen waarneming en opvolging aan elkaar verbinden. Uiteindelijk verwacht de burger

dat opvolging niet slechts reactief is, maar meer proactief handelt bij signalen. Bij het opstellen van de visie heeft TNO nauw samengewerkt met het ministerie van Veiligheid en Justitie, de Nationale Politie en de LMO.

Brand&Brandweer zoekt columnist Werk jij bij de brandweer, heb je een vlotte pen en kun je je mening op een scherpe en leuke manier verwoorden in een column? Dan zijn wij op zoek naar jou! Voor Brand&Brandweer zijn wij op zoek naar brandweerlieden die hun mening of wat zij in de dagelijkse praktijk meemaken goed kunnen verwoorden. Alle brandweergerelateerde onderwerpen zijn mogelijk, van het kleine dagelijkse tot grootse ideeën. Herken jij je in dit profiel? Stuur dan jouw column van ongeveer 600 woorden voor 11 april naar b&b@sdu.nl. Uit de ingezonden columns maakt de vakredactie een keuze.

Brand&Brandweer


Actueel

Brand door ombouw rookafvoerkanaal Het Team Branonderzoek van Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland concludeert dat straling vanuit een warme kachelpijp brand kan veroorzaken. Na brandonderzoek in een woning constateerden de onderzoekers dat tussen de rookafvoerpijp en de sierlijst te weinig ruimte zat, waardoor brand is ontstaan. De kunststof sierlijst langs het plafond, ter hoogte van de enkelwandige kachelpijp is in brand gevlogen. Door het druppen van het kunststof zijn vervolgens op diverse plaatsen secondaire branden veroorzaakt. Brand veroorzaakt door het te dicht monteren van constructiedelen op het rookafvoerkanaal komt volgens het Team Brandonderzoek vaker voor. Erkende kachelspecialisten adviseren om tussen een dubbelwandig rookgasafvoerkanaal en brandbare constructiedelen minimaal 5 tot 7,5 cm aan te houden. Voor enkelwandige rookgasafvoerkanalen geldt een afstand van minimaal 50 cm vrije ruimte.

Cartoon

Brand&Brandweer

Relatie tussen kenmerken plant en intensiteit heidebranden Een hogere heide dichtheid levert intensere branden op, zowel bij jonge als oude heide. Daarnaast blijkt jonge heide kort en intensief te branden en oude heide langer maar gematigder. Dat concludeert promovendus Luke Blauw van de faculteit Aard- en Levenswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor zijn onderzoek heeft Blauw in totaal veertien heidevelden verbrand die varieerden tussen de 250 en 1200 m2, een schaal waarop ze een natuurlijk brandverloop representeren. In elk brandend heideveld lagen vier gemanipuleerde stukken heide van drie bij drie meter waarin de temperatuur is gemeten. Door de manipulaties konden verschillen in brandbaarheid worden waargenomen. Die zijn vervolgens verklaard aan de hand van de samenstelling en de interacties tussen de brandstoffen. ‘Een leuk feitje is dat bij dit experiment ongeveer 30.000 kg CO2 is vrijgekomen. Deze hoeveelheid is vergelijkbaar met de uitstoot van twee brandweerauto’s’, aldus Blauw. Het onderzoek van de promovendus is gecombineerd met remote sensing technologie voor het meten op afstand. Onderzoekers van Wageningen University & Research centre hebben de brandstofeigenschappen gemeten met speciaal hiervoor geschikte camera’s. Een octocopter heeft vanaf ongeveer tachtig meter hoogte beelden gemaakt van de vegetatie. Indien de relatie tussen deze beelden en de brandstofeigenschappen even sterk is als de relatie tussen de brandstofeigenschappen en de brandbaarheid, dan kunnen in de toekomst wellicht risico-analyses worden gemaakt en branden worden voorspeld met behulp van drones en (octo)copters.

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

9


bran d van de maan d

Brandweerlieden verrast door flinke explosie bij grote brand Losser

Een zeer grote brand legt op donderdag 25 februari een autobedrijf in het Twentse Losser in de as. Al bij aankomst van de eerste TS slaan de vlammen uit het dak. In het bedrijf zijn enkele gas- en acetyleenflessen aanwezig. De gevaren zijn bekend. Toch zorgen deze flessen voor een hachelijk moment als ze exploderen. Het loopt net goed af. Tijdens de inzet zorgt drone Argus voor luchtbeelden. Met behulp van die informatie wordt de verdere inzet wordt bepaald.

10

nummer 3 maart 2015 - Sdu Uitgevers

Brand&Brandweer


bran d van de maan d

Een grote brand legt op 25 februari een garagebedrijf in Losser in de as. Fotografie: PVS Fotografie

Brand&Brandweer

Sdu Uitgevers - nummer 3 maart 2015

11


Fotografie: 112Twente

bran d van de maan d

De roldeur van het garagebedrijf is door de explosie van een acetyleenfles volledig ontwricht

Door Jildou Visser

H

et is die ochtend ongeveer kwart voor tien als Michel Boersma als manschap van de tweede TS wordt gealarmeerd voor een garagebrand. ‘Wij zijn daar redelijk bekend en wisten dat er veel brandbare vloeistoffen aanwezig waren en we rekening moesten houden met explosiegevaar. Toen onze bevelvoerder vertelde dat er echt brand woedde en deze uitslaand was, zette ons dat op scherp’, zo begint hij. De eerste bevelvoerder schaalt dan op naar middelbrand, grote brand en niet veel later zeer grote brand. Ook Officier van Dienst (OvD) Adriaan ter Huurne wordt gealarmeerd. ‘Ik heb direct de LiveOP erbij gepakt en las in de kladblokregels dat het ging om een garagebedrijf. Eén van de eerste scenario’s die door mijn hoofd schoot was die van De Punt’, aldus Ter Huurne. ‘Daarnaast weet je dat er gasflessen en andere brandbare vloeistoffen aanwezig zijn en je daar rekening mee moet houden.’ Eenmaal ter plaatse bouwt Boersma met zijn collega’s de waterwinning voor de lage druk op. De eerste TS staat aan de andere kant van het gebouw. ‘We wilden de brand van twee kanten aanpakken door met zoveel mogelijk water de vlammen neer te slaan. Het garagebedrijf zit in een soort verzamelgebouw waarin de panden van meerdere bedrijven aan elkaar geschakeld zijn. Het garagebedrijf heeft een oppervlakte van ongeveer zes bij twaalf meter, dat stond volledig in lichterlaaie.’ Explosie Als Ter Huurne ter plaatse komt, meldt hij zich bij de eerste en tweede bevelvoerder. ‘Zij wisten me te vertellen dat het complex bestond uit drie geschakelde hallen. Tussen de brandende hal en die ernaast zat een éénsteensmuur, maar daar zaten kleine gaten van ongeveer tien vierkante centimeter in. Ik wilde met 12

nummer 3 maart 2015 - Sdu Uitgevers

de redvoertuigen van bovenaf een stoplijn maken op die muur in de hoop dat we de brand konden beperken tot één hal’, vertelt de OvD. ‘In overleg met de bevelvoerder van de tweede tankautospuit zijn de manschappen van de tweede TS in de aangrenzende hal naar binnen gegaan om te verkennen of we de brand bij de scheiding konden houden. Tegelijkertijd zag ik buiten dichtbij de brandende hal opslagtanks met vloeistoffen staan die al behoorlijk werden aangestraald. Op dat moment wist ik nog niet wat daarin zat. Met de eigenaar ben ik naar de opslagtanks toegelopen en hij wist me te vertellen dat het ging om 1200 liter diesel, een tank met ruitenwisservloeistof, 5000 liter koelvloeistof en 5000 liter afgewerkte olie. Toen ik weer terugliep naar de tweede tankautospuit deed zich een grote explosie voor. De grote roldeur werd met een enorme kracht uit de loods geblazen en miste op een haar na een bemanningslid van de autoladder. Een enorm schrikmoment. Via de portofoon heb ik direct contact gezocht met de eerste en tweede bevelvoerder. De eerste meldde snel dat hij en zijn ploeg veilig waren, maar met de tweede kreeg ik geen contact. Dan voel je je flink klote. Als OvD ben ik ook verantwoordelijk voor hun veiligheid.’ Boersma is op het moment van de explosie met zijn collega de scheidingsmuur in de aangrenzende hal aan het controleren. ‘Ineens voelden we een enorme drukgolf en hoorden een harde knal. Gelukkig bleef de muur intact en wij dus ongedeerd. We zijn snel naar buiten gegaan, hebben met de OvD en bevelvoerder alle koppen geteld en zijn buiten een defensieve inzet gestart’, aldus Boersma. Drone Om een beter beeld te krijgen van de situatie in de loods, wordt Argus, de drone van Brandweer Twente gealarmeerd. Als het team van drie man met de drone ter plaatse is, duurt het nog zeker een half uur voordat zij ingezet kunnen worden. ‘Je moet het materi-

Brand&Brandweer


Fotografie: PVS Fotografie

bran d van de maan d

Bij de brand wordt drone Argus ingezet. Op basis van de beelden van de camera en de warmtebeeldcamera van de drone kan de inzet worden bepaald.

aal uitpakken, checklisten nalopen, een operationeel plan maken, obstakels en andere stoorzenders in kaart brengen en het toestel moet gereed worden gemaakt’, legt piloot Martijn Zagwijn uit. In die tussentijd bedenken de OvD en de tweede bevelvoerder het plan om bij de scheidingsmuur gaten in het dak te maken om zo de stoplijn te kunnen handhaven. Ter Huurne: ‘Met de eerdere explosie in het achterhoofd twijfelde ik even, maar na overleg heb ik ze één kans gegeven. Op het terrein stond een verreiker die we daarvoor konden gebruiken. Hiermee zijn gaten in het dak gemaakt en toen de drone ingezet kon worden, zagen we al snel het effect van deze inzet.’ Zagwijn krijgt van de Regionaal Officier van Dienst (ROvD) de opdracht om met Argus boven het pand met de camera en de warmtebeeldcamera beelden te maken. ‘De ROvD en de OvD konden op de grond live meekijken, zodat zij de hoogwerker gericht konden inzetten om te blussen. Op de warmtebeeldcamera konden we van bovenaf goed zien dat de doorslag naar de naastliggende hal meeviel. In totaal hebben we drie vluchten gemaakt, waarvan twee toen de brand nog woedde. De laatste vlucht was meer een controlevlucht.’ Rond half 12 weet Ter Huurne dat ze de brand kunnen beperkten tot één hal. Leerpunten Na de inzet gaat de OvD met de tweede TS mee terug naar de kazerne om de inzet na te bespreken, een schets te maken van het pand en de inzet. ‘Ik heb toen mijn gevoel eruit gegooid. Ik voelde me schuldig dat ik de mannen naar binnen had gestuurd, terwijl ik wist dat er risico aan zat, maar ik dacht ook oprecht dat het verantwoord was.’ Boersma: ‘Wij wisten ook dat er risico’s zaten aan het binnentreden. Toch handel je naar eer en geweten. Je gaat veilig en onder dekking van een straal naar binnen via een andere ruimte. Ik zou zo weer naar binnen gaan. Het is ontzettend lastig om vast te stellen wat veilige marges zijn. Als je op vijfhonderd

Brand&Brandweer

meter staat, kun je niets. Risico’s kun je niet volledig uitsluiten in ons beroep.’ Beide mannen zijn het erover eens dat ze van dit incident willen leren. Ter Huurne: ‘Als mensen tips en trucs hebben hoe te handelen bij dit type branden, dan horen we het graag. Als je op een paar honderd meter staat, kun je immers niks meer.’ Ook Zagwijn heeft een leerpunt overgehouden aan één van zijn eerste echte praktijkvluchten. ‘We moeten aan de voorkant nog meer inzetten op het bewustwordingsproces dat we ter plaatse tijd nodig hebben voordat we de lucht in mogen. Niet iedereen begrijpt dat nog. Daarnaast moeten we duidelijker afspraken maken over de communicatie tussen het RPAS-team en de operationele eenheden. Dat is ook een kwestie van trainen en ervaring opdoen. Al met al denk ik dat we met de beelden van Argus een goede bijdrage hebben kunnen leveren aan de inzet.’ ■

Luchtbeeld van drone Argus. Vanuit de lucht is goed te zien waar de brandweerlieden de stoplijn in het dak hebben gemaakt. Sdu Uitgevers - nummer 3 maart 2015

13


Risicobeh eersi ng

‘NEN 6079 is juist een fijne norm’

‘De brandweer is er om mensen te redden en ervoor te zorgen dat een brand niet overslaat naar de omgeving. Gebouweigenaren moeten beseffen dat hun pand bij brand verloren is’, aldus Ellard Roersma van de Vakgroep Veilig Bouwen van Brandweer Nederland.

Hartelijk werd hij begin dit jaar niet ontvangen: de NEN 6079. Met deze nieuwe norm wordt de brandveiligheid van zeer grote brandcompartimenten beoordeeld. Maar vanuit verschillende hoeken klinkt kritiek. Ellard Roersma en Herman Isendam hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de NEN 6079 en snappen de negatieve reacties. ‘Maar het is wel koudwatervrees.’

Door Casper Ferwerda Fotografie Ginopress

‘W

aarom wordt er geen rekening gehouden met de omgeving?’ ‘De norm heeft niks te maken met echte brandveiligheid.’ ‘Krijgen we dagenlange rookoverlast voor de omgeving?’ De reacties op Twitter rond de publicatie van de NEN 6079 begin februari waren behoorlijk pittig. ‘Men moet eerst maar ervaring opdoen met deze norm, reageert Ellard Roersma, specialist risicobeheersing bij Veiligheidsregio Drenthe. ‘Het is vooral koudwatervrees.’ Als lid van de Vakgroep Veilig Bouwen van Brandweer

14

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Nederland was hij nauw betrokken bij de totstandkoming van de NEN 6079. De norm heeft hetzelfde doel als de NEN 6060, die verscheen in 2015 en is een update van de methode Beheersbaarheid van Brand 2007, maar onderscheidt zich met een risicogerichte benadering. Roersma: ‘Er wordt door sommigen gedacht dat door de NEN 6079 enorme, onbeheersbare brandcompartimenten gaan ontstaan. Dat is niet waar.’ Herman Isendam, adviseur brandpreventie bij Veiligheidsregio Gelderland-Zuid en tevens lid van de Vakgroep Veilig Bouwen, weerlegt die veronderstelling ook. ‘Bij het hanteren van de norm wordt wel degelijk goed naar de omgeving en vluchtveiligheid gekeken. De norm beperkt zich tot de factoren die het Bouwbesluit

Brand&Brandweer


Risicobeh eersi ng

2012 voorschrijft. Wanneer de vluchtveiligheid is verzekerd en de kans op branduitbreiding naar de omgeving afneemt, kunnen de eisen voor interne brandcompartimentering op basis van gelijkwaardigheid met Bouwbesluit 2012 afnemen. Dat is de essentie.’ Realistische benadering Roersma en Isendam begonnen twee jaar geleden samen met andere NEN-commissieleden aan het opstellen van de nieuwe norm. In februari van dit jaar was de definitieve versie klaar. De NEN 6079 is bedoeld voor brandcompartimenten die groter zijn dan in het Bouwbesluit 2012 staan voorgeschreven. Het gaat om gebouwen, nieuwbouw en bestaande bouw, groter dan duizend vierkante meter en bij industrieel gebruik groter dan 2.500 vierkante meter. Bijvoorbeeld industriehallen, kantoorpanden en sportcomplexen. ‘Gebouwen die nu ook al bestaan’, aldus Isendam. Roersma: ‘Het was zaak om de brandveiligheid voor dit soort panden nu goed te regelen.’

‘De maatregelen die moeten worden getroffen worden risicogericht bepaald’ Welke maatregelen moeten worden getroffen, wordt bij de NEN 6079 risicogericht bepaald. Wat kan er bij brand gebeuren en hoe groot is de kans daarop? Maatregelen en voorzieningen die de kansen op overslag of het falen van een brandwerende scheiding beïnvloeden, worden meegewogen. De omvang van een brandcompartiment is geen doel op zich. ‘Met een realistische benadering onderscheidt de NEN 6079 zich van andere normen, die veelal regelgericht zijn’, zegt Roersma. ‘De kansen en risico’s worden in kaart gebracht. Bij een loods vol appels wordt niet alleen gekeken naar de hoeveelheid appels, maar ook naar de appelsoort en het zuurstofgehalte in de loods, factoren die invloed hebben op de kans op brand. Ook risico’s als brandstichting en technisch falen worden in kaart gebracht. Er is sprake van maatwerk. Bij een melkfabriek spelen andere factoren mee dan bij een bloemenkwekerij die net zo groot is.’ De kans op brand wordt met statistieken berekend. Daarbij plaatste Brandweer Nederland enige tijd geleden nog de nodige vraagtekens, vertelt Roersma. Volgens hem zijn de bronnen redelijk betrouwbaar en komen er steeds meer waardevolle data beschikbaar. ‘Het gaat onder andere om data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), gegevens van verzekeraars en rapporten van Team Brandonderzoek.’ Om tafel Het vaststellen of een gebouw voldoet aan de NEN 6079 is een samenspel van de gebouweigenaar, een adviesbureau, het bevoegd gezag en de brandweer. Roersma: ‘We gaan letterlijk samen om tafel om naar de brandveiligheid van het gebouw te kijken. Wat wil iemand er precies mee? De brandweer adviseert en werkt tegelijk aan het besef van de eigenaar over de brandrisico’s. Iedere partij aan tafel heeft zo zijn eigen belangen. Wij willen dat er voorzieningen komen waardoor een eventuele brand zo klein mogelijk blijft. Maar daarvoor moet de eigenaar natuurlijk wel investeren. De adviseur vanuit de brandweer legt hem de gevolgen voor. Wil je minder maatregelen nemen en daarmee het risico lopen dat bij een brand jouw gebouw volledig afbrandt? Dan ben

Brand&Brandweer

je alles kwijt en kan het bedrijf niet meer worden voortgezet, zo leert de praktijk.’ Het gebouw op zichzelf heeft immers niet de prioriteit van de collega’s van repressie, gaat Roersma verder. ‘De brandweer is er om mensen te redden en ervoor te zorgen dat een brand niet overslaat naar de omgeving. Een inzet moet veilig zijn voor hulpverleners. Daar gaat het om. We proberen de schade zoveel mogelijk te beperken, maar we zijn er niet om het gebouw te redden.’ Compleet verhaal Een kant-en-klaar adviesrapport waarbij de brandweer geen inspraak heeft gehad, moet niet door brandveiligheidsadviseurs worden geaccepteerd, vindt Isendam. ‘Wij nemen dan meteen contact op met het adviesbureau. Gelukkig zijn veel bureaus zeer professioneel en komt dit steeds minder voor. Maar sommige hebben nog steeds de neiging om, net als bij andere normen, de goede punten in een rapport uit te vergroten zodat andere aspecten minder opvallen. Bijvoorbeeld wanneer de kans op overslag zeer gering blijkt te zijn. Maar zo werkt het niet met de NEN 6079, het moet om het totale risico gaan.’ Om het complete verhaal over een gebouw en zijn omgeving in beeld te krijgen, is een gesprek over elkaars soms tegenstrijdige belangen cruciaal volgens Isendam. ‘De ene keer is zo’n overleg wat makkelijker, bijvoorbeeld bij een locatie op de hei. Gaat het om een dichtbevolkt gebied, dan zijn ze lastiger. Een gemeente zit er bijvoorbeeld niet op te wachten om dagenlang belangrijke wegen te moeten sluiten door een brand. Voor de gesprekken hebben de brandveiligheidsadviseurs eerst contact met collega’s van repressie. De aandachtspunten die zij aankaarten, nemen ze mee naar het overleg met de gebouweigenaar, een adviesbureau en het bevoegd gezag.’ Ervaring opdoen Dat de NEN 6079 nu gereed is, betekent niet dat de klus geklaard is voor Isendam, Roersma en de Vakgroep Veilig Bouwen. Ze blijven kritisch kijken naar de norm. Isendam: ‘De adviesrapporten die aan de hand van de NEN 6079 in Nederland worden opgesteld, worden geanalyseerd door ons en de schrijvers van de norm, Klaas Jan de Boer (Antea Group) en Peter van de Leur (DGMR). Eventuele knelpunten gaan we oplossen door de norm bij te schaven.’

‘Een gesprek over elkaars soms tegenstrijdige belangen is cruciaal’ De beide heren hopen dat de kritiek in de tussentijd afzwakt. ‘Toegegeven, de NEN 6079 is geen eenvoudige norm’, zegt Roersma. ‘Maar als je er regelmatig mee werkt, zul je zien dat hij makkelijker toepasbaar is dan bijvoorbeeld de NEN 6060 en het juist een fijne norm is om mee te werken.’ Isendam: ‘Momenteel reageert men nog ongenuanceerd en zijn het onderbuikgevoelens. Dat vind ik jammer. Via cursussen over de NEN 6079 kunnen de brandweer, verzekeraars, VNO-NCW en adviesbureaus meer kennis en inzicht krijgen. Voor de direct betrokkenen is het uiteindelijk een kwestie van ervaring opdoen. En bij vragen kun je een deskundige in jouw veiligheidsregio raadplegen. Uiteindelijk hopen we dat de NEN 6079 als een warm bad gaat aanvoelen.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

15


on derzoek

Brand Houten: goed optreden brandweer, gebouw voldeed niet De Inspectie Veiligheid & Justitie concludeert dat de brandweer bij een zeer grote brand in Houten op 25 juli vorig jaar goed heeft opgetreden. Het brandverloop is sterk beïnvloed door tekortkomingen in de bouwkundige en installatietechnische toestand van het gebouw. Toch zijn er ook leerpunten. Veiligheidsregio Utrecht moet meer aandacht hebben voor de gevaren van wind driven fires tijdens het brandweeroptreden en de procedure grote drukte moet beter aansluiten bij de dagelijkse praktijk.

Bij aankomst van de eerste TS is de brand in de nagelstudio al uitslaand. Door JILDOU VISSER Fotografie Koen Laureij

D

e gemeenschappelijke meldkamer krijgt op 25 juli om 15.42 uur de melding van een brand boven een cafetaria aan de Herenweg in Houten. Op dat moment woedt een zomerstorm in Nederland, waardoor brandweer Houten met twee eenheden is ingezet voor het afhandelen van stormschade. De meldkamer alarmeert daarom een TS uit Schalkwijk. Ter plaatse treffen zij een uitslaande brand aan in de nagelstudio die op de eerste verdieping aan de achterzijde van het pand is gevestigd. De eerste TS schaalt op naar zeer grote brand en zet in op de primaire vuurhaarden. Toch kunnen ze niet 16

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

voorkomen dat in een later stadium een secundaire brand in het cafetaria op de begane voorgrond aan de voorkant van het pand ontstaat. Deze brand zorgt voor veel ophef onder de bevolking in Houten. Omstanders klagen over de late aankomst en ineffectief handelen van de brandweer. ‘Dat is teleurstellend’, aldus Bas van den Hemel, directeur Brandweerrepressie van Veiligheidsregio Utrecht. ‘Omdat we wilden weten welke leerpunten te trekken waren op het gebied van alarmering, brandbestrijding en het informeren van de bevolking, hebben we de inspectie gevraagd onderzoek te doen. Gelukkig zijn zij tot de conclusie gekomen dat we adequaat hebben opgetreden. Dat neemt niet weg dat er ook enkele verbeterpunten zijn.’

Brand&Brandweer


on derzoek

Procedure grote drukte De inspectie concludeert in haar rapport dat de twee eenheden uit Houten al zijn ingezet. Eén van die eenheden staat als gevolg van de afhandeling van stormschades en het niet correct toepassen van de procedure grote drukte, in het gemeenschappelijk meldsysteem te boek als ingezet. Dat was niet correct. Zij zijn bezig met de afhandeling van een prio 2 melding en horen volgens de procedure grote drukte als beschikbaar geregistreerd te staan. Volgens de kazernevolgordetabel is het voertuig uit Schalkwijk op dat moment het snelste voertuig. Vijf minuten na de melding rukt deze TS uit en dertien minuten na de melding zijn zij ter plaatse. De inspectie concludeert dat de procedure onbewust niet correct is toegepast doordat deze niet aansluit bij de dagelijkse praktijk en adviseert de procedure aan te passen. Van den Hemel: ‘Wij zijn hiermee bezig. Tijdens de jaarwisseling hebben we een ander model getest, waarbij ook de minder urgente inzetten zijn gecoördineerd vanuit de Gemeenschappelijke Meldkamer Utrecht (GMU). Hiervoor is direct naast de meldkamer een vaste post ingericht met een bezetting van acht personen die op de meldkamer zijn gehuisvest. Dit heeft voldaan. De normale meldprocedure is gebruikt. De implementatie gaan we nu verder vormgeven.’

laag risico en vallen niet onder toezicht van de brandweer. Omdat dit probleem moeilijk te adresseren is, vraagt de inspectie ook aan het landelijk platform Brandveiligheid hieraan aandacht te besteden’, vertelt Van den Hemel. ‘Het is onmogelijk om repressief op te lossen wat preventief ontbreekt. Iets wat aan het zicht is onttrokken, kun je niet bestrijden. Tenzij je plafonds en dergelijke gaat verwijderen en delen van het gebouw gaat slopen, maar dat zal de burger terecht ook niet accepteren. Wel is het blijven uitvoeren van de kubusverkenning cruciaal om tijdig branduitbreiding te signaleren.’ De inspectie constateert daarover dat de kubusverkenning in het cafetaria niet geheel is uitgevoerd. Met name het meest onzichtbare deel, de onderzijde, van de kubus is niet onderzocht op mogelijke branduitbreiding. Of op dat moment de latere uitbreiding richting het cafetaria al ontdekt had kunnen worden, is onzeker. Deze bevond zich tussen het plafond en bovenliggend terras en was daardoor slecht te lokaliseren. Bovendien is door het

Wind driven fires De gevaren van wind driven fires zijn volgens de inspectie tijdens de inzet onvoldoende meegewogen in de veiligheid van het repressief optreden. Tijdens de verkenning van het cafetaria aan de voorzijde is geen straal en geen warmtebeeldcamera meegenomen. Een onveilige aanpak, zo concludeert het rapport. Het mogelijke effect van de sterke wind op de branduitbreiding en daarmee de veiligheid van de verkenning is niet in de overwegingen meegenomen. Leidinggevenden hadden hieraan meer aandacht moeten besteden. De eenheden hebben zich moeten terugtrekken als gevolg van plotselinge zeer intense rook in het cafetaria. Er is vervolgens besloten een waterkanon in te zetten om de rookgassen in de ruimte te koelen en zelfontbranding ervan te voorkomen. Geen slechte gedachte, zo concludeert de inspectie, maar een sproeischerm tegen de wind in heeft geen effect. ‘Wij zijn beperkt bekend met het fenomeen wind driven fires’, geeft Van den Hemel toe. ‘We gaan dit verwerken in onze opleidingen, trainingen en oefeningen, zodat onze mensen beter bekend raken met dit fenomeen. Ook tijdens reguliere oefenavonden moet hier aandacht aan worden besteed.’ Bouwkundige toestand Uit waarnemingen ter plaatse constateert de inspectie dat in de bouwkundige scheidingen tussen de nagelstudio en het cafetaria openingen bevonden waardoor de brand zich vrijwel ongehinderd en ongezien kon verplaatsen van de nagelstudio naar de ruimte tussen het plafond en bovengelegen dakterras. Dit heeft een belangrijke rol gespeeld in het uiteindelijke brandverloop. De brandweer is geconfronteerd met een branduitbreiding die op grond van de uiterlijke kenmerken van de panden niet was te voorzien. Bovendien was de brandwerende deur tussen de publieksruimte en de keuken van het cafetaria niet zelfsluitend. De Weerstand tegen Branddoorgang en Brandoverslag (WBDBO) van dertig minuten tussen beide ruimten was daardoor niet aanwezig. ‘Dit type kleine winkels en kleine horecagebouwen waar minder dan vijftig mensen gelijktijdig aanwezig zijn, worden gezien als

Brand&Brandweer

In het rood omlijnde kader bevindt zich aan de rechterkant de nagelstudio.

niet geheel uitvoeren van de kubusverkenning niet vastgesteld of de ploeg die de woning boven het cafetaria moest verkennen, dit veilig over het platte dak boven het cafetaria kon doen. De veiligheid van de ploegleden was op dat moment niet gewaarborgd, zo concludeert de inspectie. ‘Wij zijn tevreden met de uitkomsten van het onderzoek’, stelt Van den Hemel. ‘We hebben gevraagd om de leerpunten en gaan daar nu ook invulling aan geven.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

17


Repressi e

‘Ik verwachtte chaos en paniek in en rond de trein, maar het was muisstil’, aldus ploegleider Wiljo Wienen.

Stilte typeert treinongeval Dalfsen Een uit drie wagons en een motorcompartiment bestaande passagierstrein komt op dinsdagochtend 23 februari tussen Ommen en Dalfsen in botsing met een hoogwerker. De trein schiet volledig uit de rails en komt gekanteld in een drassig weiland tot stilstand. Ter plaatse treffen de brandweereenheden een ravage aan bij de spoorwegovergang. De focus gaat uit naar de trein die verderop in het weiland ligt. ‘Ik verwachtte in en rond de trein chaos en paniek, maar het was muisstil. Er was niemand meer’, vertelt ploegleider Wiljo Wienen van brandweerpost Dalfsen. Samen met Officier van Dienst (OvD) Boudewijn Postma en bevelvoerder Ronald Schepers blikt hij terug.

Door Jolanda Haven Fotografie Marcel van Saltbommel

‘O

ngeval wegvervoer letsel’, zo luidde de eerste melding voor de eenheden van brandweerpost Dalfsen. Ronald Schepers is bevelvoerder van de eerste TS. ‘Op basis van het adres wist een collega dat het nabij een spoorwegovergang was. Het vermoeden bestond dat er een trein bij betrokken was. Zou een auto in botsing zijn gekomen met een trein? Er schoten diverse scenario’s door mijn hoofd.’ De brandweerlieden krijgen te horen dat er mogelijk meerdere slachtoffers zijn. ‘Hoeveel zijn meerdere slachtoffers?’, vervolgt de bevelvoerder. ‘Ik wist dat ik een chaos aan kon treffen, maar kon me er geen beeld bij vormen. Uit het aantal voertuigen dat werd gealarmeerd maakte ik op dat het om een groot incident ging.’ 18

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Tweede peloton OvD Boudewijn Postma krijgt van de meldkamer te horen dat er een ongeval is gebeurd met een passagierstrein op een beveiligde spoorwegovergang tussen Ommen en Dalfsen. ‘Een trein op zijn kant met mogelijk meerdere slachtoffers. Ik wist dat het om een forensentrein ging, dus ik stond direct op scherp. Ik besloot op te schalen naar GRIP1’, vertelt Postma. ‘De processen werden in gang gezet, dus daar hoefde ik mij niet druk om te maken. Wel heb ik benadrukt dat de spanning van de bovenleiding gehaald moest worden.’ Het is dan nog niet duidelijk om hoeveel wagons het gaat, hoeveel mensen in de trein zitten en hoeveel gewonden er zijn. Drie TS’en en een HV rukken uit. Postma voegt daar nog een TS en HV aan toe. ‘Als er veel slachtoffers zouden zijn, hadden we veel handen en mogelijk redgereedschap nodig. Gezien het tijdstip van het ongeval, rond 9.00 uur, was die kans groot’, aldus de OvD.

Brand&Brandweer


Repressi e

‘Aanrijdend ging er van alles door mijn hoofd en dacht ik na over de inzet. Moest er een tweede peloton worden gealarmeerd? Als de trein vol zat, dan heb je per wagon minimaal een peloton nodig. Of een tweede of zelfs meerdere pelotons nodig waren, kon ik ter plaatse na de verkenning pas beoordelen.’ De HovD schaalt tien minuten na de melding op naar GRIP2 en binnen twintig minuten is het CoPI ingericht en operationeel. Verkenning De eerste TS wordt bij de spoorwegovergang gestationeerd. ‘Het was daar een chaos. De hoogwerker was behoorlijk toegetakeld’, aldus Schepers. ‘De bestuurder kon tijdig de hoogwerker verlaten en is er zonder verwondingen vanaf gekomen. De trein was met volle vaart op de hoogwerker ingereden. Ongeveer honderd meter verderop kwam hij tot stilstand in een drassig weiland.’

‘Ik heb zelfs mijn helm

Na een botsing met een hoogwerker komt de trein gekanteld in een weiland tot stilstand. Alle inzittenden hebben de trein al verlaten als de brandweer ter plaatse komt.

afgedaan, maar nog steeds hoorde ik niks’ Vier man gaan op verkenning uit. Aangezien de eenheden nog geen bevestiging van de meldkamer hebben dat de spanning van de bovenleiding is gehaald, kunnen ze de trein niet in. Ze maken een plan voor het moment dat ze de trein in kunnen en verkennen ondertussen buitenom. Op een later tijdstip wordt met een warmtebeeldcamera rondom het treinstel verkend. Ook de tweede TS wordt ingezet op verkenning. Ondertussen spreekt de bestuurder van de hoogwerker Schepers aan. ‘Hij was in shock, maar wist te vertellen dat een aantal mensen uit de trein was geklommen en verderop in het weiland stond. Ze waren opgevangen door omwonenden.’ Schepers went zich tot de groep. Doodstil ‘Er zaten in totaal vijftien mensen in de trein’, vervolgt de bevelvoerder. ‘Een aantal van hen is licht gewond geraakt. De hulp kwam voor de machinist te laat. Hij was al overleden toen de brandweer arriveerde.’ De conducteur van de trein weet te vertellen dat waarschijnlijk niemand meer in de trein is. Die constatering hebben Wienen en zijn collega inmiddels ook gedaan. ‘We hebben geroepen en geschreeuwd, maar er kwam geen geluid uit de trein’, aldus Wienen. ‘Het was er doodstil. Zelfs geen fluitende vogels. Geen ruisende wind en al helemaal geen mensen die in paniek waren. Helemaal niks. Ik heb zelfs mijn helm afgedaan, maar nog steeds hoorde ik niks. Ik keek dwars door een lege trein en zag niemand. Het was bizar, waar waren alle mensen?’ Zodra de spanning van de bovenleiding is gehaald kunnen de mannen naar binnen voor controle. Zit er misschien nog iemand op het toilet? Ook bestaat de mogelijkheid dat er iemand onder de trein lag. ‘Dat was gelukkig niet het geval’, aldus Wienen. Informatievoorziening Politie en geneeskundige zorg schalen zelf op. Diverse ambulances en twee traumahelikopters zijn snel ter plaatse, evenals ProRail. In een naastgelegen boerderij wordt een opvanglocatie ingericht en worden de slachtoffers behandeld. ‘Het was van belang dat we iedereen uit de trein bij elkaar hielden. Zij waren mede getuige en waren van belang voor het onderzoek’, aldus Postma. ‘De eenhe-

Brand&Brandweer

den van de derde TS richtten zich mede op de mensen uit de trein en ondersteunden waar mogelijk. Aangezien er geen mensen meer uit de trein gered hoefden te worden, had de vierde TS geen taak en kon terugkeren naar de kazerne.’ Ondertussen brengt Postma mogelijke overige gevaren in kaart. Er is onder andere gekeken of er een gasleiding in de buurt zit. Ook wordt uitgesloten dat er asbest verwerkt is in de trein. deBriefing De communicatie tussen de hulpdiensten en ProRail verloopt goed. De processen van de hulpverlenende diensten lopen als een tandwiel bijna naadloos in elkaar over. Wanneer de brandweereenheden geen taken meer hebben, gaan ze naar een nabij gelegen camping. Ook om de rust op de plaats van incident te bewaren en andere diensten de ruimte te geven, want er worden ter plaatse meteen onderzoeken opgestart door de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Ook politie, ProRail, Arriva en de Arbeidsinspectie doen onderzoek. Op de camping worden de eenheden van de drie TS’en en HV’en gedebriefd. Daarnaast vindt een debriefing van het CoPI en de multipartners plaats. Aan het begin van de middag wordt afgeschaald. nazorg ’s Avonds komen de ingezette brandweerlieden van de eerste TS nog even bij elkaar op de kazerne om na te praten. Dat is als zeer prettig ervaren. Wienen: ‘We zijn allemaal vrijwilligers. Na een incident keer je terug naar je werk en iedereen wil weten wat er is gebeurd. Je kunt en mag er met niemand over praten, ook in het kader van het onderzoek. Hoewel we een debriefing hebben gehad op de camping en daar met elkaar hebben gesproken, was het fijn om ’s avonds nog even terug te blikken op alle hectiek van die ochtend en om het plaatje compleet te krijgen. Het heeft even kunnen bezinken.’ Ook al heb je veel incidenten en ongevallen meegemaakt, dan nog is en blijft het volgens Postma van belang dat je voldoende aandacht aan nazorg besteedt. ‘Iedereen was onder de indruk van wat er die dag is gebeurd.’ Hoe het ongeluk heeft kunnen gebeuren, wordt op dit moment nog onderzocht. ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

19


congres

Incidentonderzoeksdag: een vol en gevarieerd programma De interesse voor de incidentonderzoeksdag was groot. Hoewel de zaal ‘s ochtends nog niet helemaal vol zit, is de dag volgens dagvoorzitter Olav Strotmann uitverkocht. ‘De ambities van de brandweer zijn torenhoog. Hoe meer we onderzoeken en weten, des te meer we ons ook realiseren wat we niets weten. Daar gaan we verschillende voorbeelden van zien’, zo opent hij de dag. Op het programma staan onder andere ondergeventileerde branden, de première van de Mythburners en commandovoering.

Hoewel er ‘s ochtends nog enkele lege plekken zijn, is de incidentonderzoeksdag uitverkocht.

Het vaste team van de Mythburners is klaar voor de première.

Door JILDOU VISSER

De tweede casus die wordt behandeld is de brand in Hotel Hof van Wageningen in mei vorig jaar. Bevelvoerder Rudie Antonise vertelt hoe kortsluiting in de bekabeling zorgt voor rook op verschillende verdiepingen in het hotel. ‘De schacht was van de onderste tot de bovenste verdieping één open verbinding. Hierdoor kon de rook zich makkelijk en snel verspreiden. Je krijgt een schoorsteeneffect. Op meerdere verdiepingen gingen rookmelders af, zowel in kamers als op de gangen. Uit onderzoek bleek dat de rook via de spouwmuren door kieren de kamers in is geperst. Zo waren bijvoorbeeld de doorvoer van de verwarming en de gaten van de stopcontacten niet goed afgedicht.’

Fotografie IFV

D

e dag begint met een presentatie van lector Brandpreventie René Hagen over het repressief optreden in gebouwen in relatie tot rookverspreiding. ‘Het gaat met name om branden in gebouwen met beschermde subbrandcompartimenten, zoals cellen in een gevangenis of kamers in een ziekenhuis. Het Bouwbesluiten stelt dat als brand in een subbrandcompartiment ontstaat, deze zich niet snel verspreidt en er tijd is om iedereen veilig het gebouw uit te helpen’, zo vertelt Hagen. ‘Maar de praktijk leert ons iets anders.’ Dat dit uitgangspunt niet functioneert als de brand ergens anders in het gebouw ontstaat, laat OvD Edwin van Deelen van Veiligheidsregio Gelderland-Zuid zien aan de hand van het incident bij De Notenhout in Nijmegen. ‘De brand ontstond niet in het complex, maar in de cafetaria eronder. De brand is overgeslagen naar de schacht die door alle verdiepingen van flatgebouw naar het dak ging’, vertelt Van Deelen. ‘In korte tijd stonden alle vijf verdiepingen vol rook. Met ventilatoren hebben we geprobeerd de gangen rookvrij te maken, dat lukte. Maar we zagen al snel dat de rook die naar buiten werd geblazen via de ventilatie in de appartementen kwam. Subbrandcompartimenten functioneren dan niet.’ 20

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Na de twee casussen ontstaat een korte discussie. In het Bouwbesluit van 2012 wordt gesteld dat wanneer mensen wonen met zorg op afstand of afroep, men zelfredzaam is. ‘Maar kan iemand die zijn eigen sokken niet aan kan trekken wel zelf vluchten bij brand?’, vraagt Hagen zich af. ‘De terugtredende overheid stelt het repressieve brandweerpersoneel voor dilemma’s. Je kunt voor onmogelijke klussen komen te staan.’ In de zaal wordt genoemd dat er ook een taak is weggelegd voor de woningbouwverenigingen. ‘Ik mis de gemeente in dit verhaal’, reageert Hester Veltman van Brandweer Nederland. De gemeente is verantwoordelijk voor de zorg voor ouderen en zieken. Als het gaat om brand is het een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin ook de gemeente een rol

Brand&Brandweer


congres

heeft. Dit is een punt van zorg. Onlangs is dit ook aan bod geweest in het rondetafelgesprek met de Tweede Kamer.’ Ondergeventileerde branden Na de korte discussie neemt Ricardo Weewer, lector Brandweerkunde, de aanwezigen mee in het fenomeen van ondergeventileerde branden. ‘Na de experimenten in Zutphen hebben we een oproep gedaan om casussen van ondergeventileerde branden in te sturen, zowel in woningen als bij bedrijfspanden. We willen dit fenomeen onderzoeken en ervan leren’, zo begint Weewer. Maar wat zijn ondergeventileerde branden? ‘Als we kijken naar de theorie zijn er verschillende definities. In ons onderzoek gebruiken we de branden die voordat ze tot een flashover komen, ventilatiegecontroleerd zijn. Die zijn gevaarlijk.’ De Brandweeracademie heeft in totaal 21 casussen binnengekregen, waarvan zes in gestapelde woningen, tien in grondgebonden woningen en vijf bij bedrijfspanden. Bij de meeste branden wordt een inzet gedaan met hoge druk. ‘Bij de bedrijfsbranden zien we dat we geneigd zijn om te ventileren. Vaak lopen deze branden uit de hand. In grote hallen is al meer zuurstof aanwezig en in veel gevallen zijn ze tot flashover gekomen voordat wij ter plaatse zijn’, aldus Weewer. ‘Woningbranden worden vaak geblust. Wat we zien is dat we in portiekwoningen na het openen van de deur snel water op het vuur kunnen gooien, waardoor de brand niet tot flashover komt. In rijtjeshuizen is dit lastiger, omdat de brand vaak boven is en het langer duurt voordat je daar bent. In veel gevallen is de hoge drukstraal niet voldoende. Met 125 liter water per minuut kun je een bank blussen, maar niet veel meer. Voor een brandende woonkamer heb je al snel twee lage drukstralen nodig. Inzet van hoge druk is dan tijdsverspilling.’ Mythburners Na de ondergeventileerde branden is het tijd voor de première van de Mythburners. Geheel in stijl komen Rijk van den Dikkenberg, Karin Groenewegen, Folkert van der Ploeg en John Jones in galakleding over de rode loper de zaal in. Waarom de Mythburners, vraagt dagvoorzitter Olav Strotmann. ‘Wij doen veel incidentonderzoek en dan interviewen we brandweermensen. Vaak horen we: “We hebben maar een straaltje ingezet, volkomen kansloos, maar het publiek verwacht dat we wat doen.” Maar is dat niet een mythe? En zijn er niet veel meer mythes bij de brandweer? Zo zijn we op het idee gekomen’, vertelt Van den Dikkenberg. ‘Het is wetenschappelijk verantwoord onderzoek, maar laagdrempelig gepresenteerd in een video. Dit onderzoek is echt voor de mensen die met hun laarzen in het bluswater staan.’ ‘Het is wetenschap in de praktijk met een vleugje humor’, vult Groenewegen aan. Alle brandweerlieden kunnen een mythe aandragen. De mythes kunnen vervolgens door een regio worden geadopteerd. Die regio helpt ook mee met het onderzoek. Voorwaarde is wel dat de mythe onderzocht kan worden. ‘Je kunt een schoorsteenbrand blussen met zout, is één van de mythes die tot nu toe is aangedragen. Studenten van de Saxion Hogeschool zijn bezig om te onderzoeken hoe ze schoorsteenbranden kunnen maken, maar dat lukt nog niet. Zo lang we dat niet kunnen, kunnen we deze mythe niet onderzoeken’, vertelt Van der Ploeg. ‘Daarnaast moet de mythe van toegevoegde waarde zijn voor het brandweervak. We hebben budget voor twee tot drie mythes per jaar, maar kunnen ook in opdracht van een regio iets uitzoeken’, aldus Groenewegen. De eerste mythe die de groep heeft onderzocht is: met een bluspak aan zink je als een baksteen. Deze vraag is geadopteerd door

Brand&Brandweer

Veiligheidsregio Utrecht. Samen met de Mythburners onderzoeken zij in hoeverre de mythe waarheid is. In het zwembad springt de eerste brandweerman met een bluspak en helm het water in. De tweede draagt een bluspak, helm en redvest. Nummer drie draagt een bluspak en ademlucht. En nummer vier draagt bluspak, helm, ademlucht en redvest. ‘In iedere aflevering van Mythburners wordt de theorie achter de mythe toegelicht’, vertelt Van den Dikkenberg. ‘Bij deze mythe leg ik de natuurkundige principes uit die bepalen of iemand blijft drijven of zal zinken. Tijdens de zwembadtest blijkt de mythe niet te kloppen. Wat de volgende mythe wordt die de Mythburners onderzoeken, weten ze nog niet. Mythes kunnen worden ingestuurd via info@mythburners.nl. De video van de eerste mythe is te bekijken via www.mythburners.nl. Branden in parkeergarages Na een korte koffiepauze is het tijd voor de deelsessie Branden in parkeergarages. Deze sessie wordt gegeven door Jan de Werd, brandonderzoeker in Veiligheids- en Gezondheidsregio

Aan het gebruik van getallen zitten valkuilen, zo vertelt Karin Groenewegen in de deelsessie Leren van aantallen: van database naar bruikbaar advies.

Gelderland-Midden en Johan van Zuijlen, coördinator brandonderzoek en kennisregisseur in Veiligheidsregio Midden- en WestBrabant. ‘Er zijn duizenden varianten parkeergarages, iedere garage is anders’, zo begint De Werd. ‘Globaal kunnen we enkele typen onderscheiden; parkeergarages buiten op een dak waarbij de bereikbaarheid lastig is, bovengrondse ‘open’ parkeergarages, half open parkeergarages en ondergrondse parkeergarages. In de loop der jaren zijn de auto’s veranderd, er zit meer brandstof in en meer kunststoffen. Daarnaast zijn er auto’s op alternatieve brandstoffen. De risico’s zijn dus veranderd, maar de gebouwen niet.’ In groepjes worden vervolgens aan de hand van een casus de dilemma’s in kaart gebracht waar brandweerlieden voor kunnen komen te staan bij brand in een parkeergarage. De grootste aandachtspunten zijn volgens de aanwezigen het paraat hebben van de kennis van de aanwezige preventieve voorzieningen en de ontruiming. De ingang moet worden gecontroleerd, want mensen zijn geneigd hun auto op te halen. Nadat de casus is besproken, deelt bevelvoerder Ramon Thijs uit Bergen op Zoom zijn ervaring bij de brand in parkeergarage De Goudbaard. ‘De garage zit onder een appartementencomplex. Het is een lang gebouw, ongeveer honderd meter diep. Het is een half open parkeergarage, waarbij de buitenkant is dichtgebouwd met stroken gaas vol stenen’, beschrijft Thijs de situatie. ‘Binnen was

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

21


congres

het stikdonker. We blusten vrij snel één auto, maar toch bleef de rook zich opbouwen. Met de warmtebeeldcamera zagen we achterin meerdere brandende voertuigen. Mij werd verteld dat de constructie het bij brand twee uren kon houden. We waren een half uur bezig, dus hadden nog wel even, dacht ik. In de garage ontploften inmiddels meerdere airbags door de hitte. Het leek wel een kleine oorlog, ook op plaatsen waar geen brand was. Uiteindelijk hebben we de brand onder controle gekregen, maar we zijn ook goed weggekomen. Achteraf hoorde ik dat de constructie niet twee uur, maar een uur bestand was bij normaal brandverloop. Je verzamelt informatie en gaat ervan uit dat deze klopt, maar hier zijn we goed weggekomen. De constructie is dusdanig verzwakt dat een deel wordt gesloopt. In totaal hebben negen auto’s, een motor, scooters en de plafondisolatie gebrand. De brand loopt dus ook over je heen, maar door alle rook zie je dat niet. Al met al een spannende inzet, die gelukkig goed is afgelopen.’

aanwezigen mee in de theorie van statistiek. ‘Getallen kunnen je helpen om op basis van feiten te discussiëren, maar daar zitten ook valkuilen aan. Het CBS heeft bijvoorbeeld de beperking dat niet alle regio’s de lijsten goed invullen, waardoor gecorrigeerd wordt aan de hand van vergelijkbaarheid. In de databases van brandonderzoek loop je de kans dat alleen bijzondere branden zijn onderzocht. Ook dat is niet representatief. Als je op basis van cijfers conclusies trekt, kijk dan goed of is gemeten wat je wilt weten, of de steekproef representatief is en of de steekproef betrouwbaar is. Getallen zijn makkelijk anders weer te geven, zodat ze beter uitkomen, maar dat kan een vertekend beeld geven.’

‘Getallen zijn makkelijk anders weer te geven, zodat ze beter uitkomen’ Rijk van den Dikkenberg licht vervolgens een klein tipje van de sluier op over zijn onderzoek naar fatale woningbranden. ‘Sinds 2008 doen we daar onderzoek naar. Vanaf 2014 is ook het aantal reddingen door de brandweer meegenomen. Het rapport komt in april uit, maar ik kan al verklappen dat brand discrimineert. We zien vaker fatale branden in de sociale onderklasse.’ Tot slot vertelt Vincent Oskam van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond over de meerwaarde van het Incident Registratie Systeem dat ze in de regio gebruiken. Gegevens over de inzet worden in dit systeem bijgehouden, zodat ze kunnen worden gebruikt voor bijvoorbeeld preventie en de analyse van het Snelle Interventie Voertuig (SIV).

Tijdens de deelsessie Branden in parkeergarages worden de dilemma’s besproken waar brandweerlieden voor kunnen komen te staan.

Rol van IV&J bij leren van incidenten Met de opmaak van zijn presentatie benadrukt Henny Foederer van de Inspectie Veiligheid & Justitie (IV&J) direct dat de inspectie onafhankelijk is. ‘Dat zijn we ook in de onderzoeken die we doen. We onderzoeken vooral branden met slachtoffers of bijzondere kenmerken om er vervolgens van te leren. Dat begint al bij de brand in Hotel Polen in 1977 in Amsterdam. Dat was de grootste hotelbrand ooit en het was een geluk dat er geen slachtoffers onder het brandweerpersoneel zijn gevallen. Of we van die brand geleerd hebben? Nog steeds zien we veel dezelfde brandoorzaken en in hotels blijven vluchtwegen en brandwerende scheidingen belangrijke aandachtspunten’, aldus Foederer. ‘In onze rapporten proberen we opbouwend kritisch te zijn, zodat iedereen zich erin kan herkennen en de leerpunten kan erkennen. Als je met ons samenwerkt kun je er vaak veel aan hebben, maar we zullen regio’s wel aanspreken wanneer zij niets met de aanbevelingen doen.’ Leren van aantallen In de tweede deelsessie van de dag schuiven we aan bij Leren van aantallen; van database naar een bruikbaar advies, van Karin Groenewegen en Rijk van den Dikkenberg van de Brandweeracademie en Vincent Oskam van Veiligheidsregio RotterdamRijnmond. In het begin van de deelsessie neemt Groenewegen de 22

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Commandovoering Hans Hazebroek is de laatste spreker van de dag. In een half uur neemt hij de zaal mee in de bevindingen die zijn gedaan in het onderzoek naar commandovoering. De belangrijkste conclusies zijn dat human factors een enorm beperkende factor kunnen zijn voor efficiënte en effectieve commandovoering. Daarnaast is niet ieder groot incident hetzelfde. ‘Maar we gebruiken wel altijd dezelfde wijze van commandovoering. Het is efficiënter wanneer bij ieder type incident een eigen aanpak wordt gebruikt. Zo is het bij complexe incidenten met veel oorzaken en een hoge dynamiek lastig om direct een totaalbeeld te vormen. Het is dan beter om de eenheden zelfsturend te laten zijn, de zogenaamde swarming techniek. Bij ingewikkelde incidenten is specialistische kennis nodig, zoals die van USAR.nl bij het brugincident in Alphen aan den Rijn. Bij simpele incidenten kan de hiërarchische manier van commandovoering worden gebruikt’, legt Hazebroek uit. ‘Maar wat moeten we met deze kennis? Voor verschillende functies hebben we dat uitgewerkt. Zo kan de centralist direct na de eerste melding een inschatting van het type incident maken en meedenken in de manier van commandovoering. Bij ingewikkelde incidenten kan de centralist voorstellen om specialisten in te schakelen. Een oefenleider kan de oefeningen inrichten naar het type incidenten. Belangrijk is wel dat tijdens de oefening alleen gewerkt wordt met een realistisch incidentverloop en er tegenspel is in de zin van druk, tijd, geluid en de hoeveelheid beschikbare informatie. Dat kan bijvoorbeeld goed door virtueel te oefenen.’ ■

Brand&Brandweer


BRANDWEER NEDERLAND Brandweer Nederland is het samenwerkingsverband van alle brandweerkorpsen. Wij staan voor 30.000 brandweermensen die zich met hart en ziel inzetten voor hun medemens. Die 24 uur per dag en 7 dagen per week werken aan een brandveilige samenleving. Wij treden eensgezind en slagvaardig op, met als doel: minder branden, minder slachtoffers, minder schade.

Jouw vak – Jouw toekomst

Het Brandweerevent Praat op vrijdag 3 juni mee over de brandweerzorg van de toekomst! De brandweerzorg is volop in ontwikkeling. Dat is en blijft zo. Maar wat betekenen die ontwikkelingen voor ons werk? Wat heb jij nodig om jouw werk met passie en veilig te kunnen doen? Daarover willen wij graag met jou in gesprek.

Pak deze kans en deel jouw visie en ideeĂŤn over ons brandweervak. Tijdens het tweede brandweerevent gaan wij (FNV, CNV, VBV, CMHF, LOOV, BVB en Brandweer Nederland) samen met brandweermensen op zoek naar hoe de toekomst zich vertaalt naar de praktijk. Jij kunt met jouw ervaring en kennis hier een belangrijke bijdrage aan leveren!

ok? o h c o t t m o k Jij ! Meld je nu aan

www.brandweernederland.nl/brandweerevent

Brandweer Nederland: samen sterk, samen veilig

Winnaars selfie-actie Vorige keer riepen we jullie op om te laten zien dat je trots bent op ons brandweervak. We konden moeilijk kiezen dus hebben we vier winnaars in plaats van drie. De vier leukste selfies zijn gemaakt door:

Sonia van der Eijk

Sdu uitgevers - nummer 4 - april 2016

Anouk Giovannie Rosanna

Henk van der Laan

Peter van der Louw

Dit katern is tot stand gekomen onder redactie van Brandweer Nederland


Herdenken omgekomen bra Op 18 juni 2016 herdenken we onze omgekomen brandweercollega’s. Het overlijden van collega’s maakt steeds weer pijnlijk duidelijk dat het beroep van brandweerman en brandweervrouw niet zonder risico’s is. Iedere derde zaterdag in juni staan we stil bij de moed en daadkracht van onze brandweercollega’s die omkwamen tijdens de uitoefening van ons vak.

Nationaal Brandweermonument Het nationale brandweermonument in Arnhem is er voor alle brandweermensen van Nederland. Het is een aanvulling op de herdenkingsplaatsen die in de eigen gemeente of kazerne zijn ingericht. Met het monument herdenken we de collega’s die sinds 5 mei 1945 zijn omgekomen tijdens de uitoefening van het vak. Daarnaast is het een plek waar we stil staan bij de gevaren die we lopen tijdens de uitoefening van ons vak. Jaarlijks vindt op de derde zaterdag in juni een nationale herdenking voor genodigden plaats bij het nationaal brandweermonument. Het biedt nabestaanden en directe collega’s de gelegenheid om samen de pijn rond het verlies te delen en te verwerken.

Eerbetoon via social media Ook via social media staan we stil bij onze omgekomen collega’s. Vervang op 18 juni je profielfoto op social media (Facebook/Twitter/Instagram/etc.) door het zwarte brandweerlogo.

Dit katern is tot stand gekomen onder redactie van Brandweer Nederland


andweercollega’s Het Water Ereteken

Naast het monument heeft de kunstenaar ook een Water Ereteken ontwikkeld. Het ereteken wordt gevormd door twee brandweerspuiten die in een bepaalde opstelling een ereboog van water maken. Aan alle brandweerkorpsen in Nederland het verzoek om op zoveel mogelijk posten en kazernes, gelijktijdig aan het herdenkingsmoment in Arnhem om 14.00 uur, het ereteken te maken. Doen jullie ook mee? Hier vind je een instructiefilmpje:

www.brandweermonument.nl/herdenking/ereteken

Sdu uitgevers - Brand & Brandweer - nummer 4 - april 2016


BRANDWEERHART 24 uur per dag, 7 dagen in de week zetten 30.000 brandweermensen zich in voor een brandveilige samenleving. Dat doen zij met hart en ziel. Voor velen is de brandweer meer dan ‘werk’. Voor hen is het een roeping. Zij hebben een waar brandweerhart. In de rubriek ‘het brandweerhart van…’ vertellen we het verhaal van de brandweermensen. Ken jij iemand met een brandweerhart? Geef hem of haar op via delen@brandweernederland.nl

Een uit de hand gelopen hobby of een verslaving? Dat je ook een brandweerhart kunt hebben zonder dat je bij de brandweer werkt, dat bewijst Kees Verwijs. Toen hij 11 jaar oud was hield de brandweer een oefening op zijn school, onaangekondigd. Daar schrok hij zo van dat hij een angst voor brand en de brandweer ontwikkelde. Om hem over zijn angst te helpen kocht zijn opa een brandweerjas voor Kees. Daarmee ontstond een vuurtje dat alleen nog maar harder is gaan branden.

De jongste brandweerman ooit? Voor velen is de brandweer een jongensdroom. Ook voor Jeroen Bestebreur. Hij kwam voor het eerst in contact met de brandweer toen hij elf jaar was. Nog dezelfde week meldde Jeroen zich bij de Jeugdbrandweer aan en sindsdien is de brandweer niet meer uit zijn leven weg te denken. Toen hij 18 jaar en zeven maanden oud was behaalde hij zijn papieren voor de brandweer. Dat maakt hem misschien wel de jongste brandweerman of -vrouw ooit ...

Wil je 24/7 op de hoogte blijven? facebook.com/NLBrandweer

linkedin.com/groups?gid=3225709

twitter.com/Brandweer_NL

instagram.com/BrandweerNL

pinterest.com/BrandweerNL

brandweernederland.nl

Sdu uitgevers - nummer 4 - april 2016

Lees de complete verhalen op www.brandweernederland.nl/brandweerhart

Vakmanschap voorop! Ferry Hastman ‘rolde’ in het brandweer vak en volgt inmiddels dagelijks alle ontwikkelingen van het vak. Hij praat met zo veel energie en enthousiasme over het werk van de brandweer dat hij zelf vast veel meer mensen warm gaat maken voor ons beroep!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief van Brandweer Nederland op www.brandweernederland.nl/nieuwsbrief Dit katern is tot stand gekomen onder redactie van Brandweer Nederland


Bran dvei lig Leven

België: veel branddoden, weinig rookmelders Door te weinig of geen rookmelders in Belgische woningen vallen er relatief veel doden bij woningbranden. Alleen al dit jaar kwamen 23 mensen om. Waarom zo veel slachtoffers vallen is echter lastig te zeggen. Sinds twee jaar worden fatale woningbranden in kaart gebracht, maar een trend is nog niet te ontdekken. ‘De cijfers over 2014 en 2015 verschillen nogal en het is niet altijd duidelijk wat de brandoorzaak is’, aldus brandpreventieadviseur Tim Renders uit België. ‘Zelf brandonderzoek doen staat hoog op onze wensenlijst.’

Door Jolanda Haven

B

elgië is sinds zes jaar actief bezig met wat wij in Nederland Brandveilig Leven noemen. Er zijn zowel landelijk als regionaal diverse campagnes om het belang van rookmelders onder aandacht te brengen. Ook is er een website: www.speelnietmetvuur.be. Brandveilig gedrag en veiligheidsbewustzijn vergroten, staat echter nog in de kinderschoenen. ‘Sinds twee jaar ben ik vanuit de brandweer voor twee dagen gedetacheerd bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken om bij de brandweerzones meer draagvlak voor brandveiligheid te creëren. Daarnaast probeer ik gegevens van fatale woningbranden te verzamelen’, aldus Renders. ‘Zonder gegevens geen preventie.’ De andere drie dagen is hij operationeel brandweerman op de post Leuven, zone Vlaams-Brabant Oost. België telt 34 zones verdeeld over de gewesten Wallonië en Vlaanderen. Dit is te vergelijken met de veiligheidsregio’s in Nederland. Brussel is een zone en gewest tegelijk, dus 35 zones in totaal.

‘in belgie komen in 2014 en 2015 evenveel ouderen als jongeren om het leven door brand’ Gegevens verzamelen ‘Ik ben niet zo goed in mijn vak’, zegt Renders met een knipoog. Er vallen jaarlijks relatief veel slachtoffers door geen of te weinig rookmelders. ‘Ik heb mij verdiept in de materie, branden in kaart gebracht en contact gezocht met betreffende korpsen om gegevens te verifiëren en voor informatie over bijvoorbeeld rookmelders, een vluchtplan, de oorzaak en zelfredzaamheid. Renders: ‘Mijn gegevens zijn minder uitgebreid dan in Nederland. Wij doen in België vanuit de brandweer nog geen brandonderzoek. Maar we hebben wel een aantal oorzaken weten te achterhalen.’ Ook geslacht, leeftijd, tijdstip van de brand en het type woning heeft

Brand&Brandweer

Brandpreventieadviseur Tim Renders geeft voorlichting over onder andere rookmelders aan andere brandpreventieadviseurs.

hij in kaart gebracht. Maar een trend is nog niet te ontdekken. Daarvoor is de onderzoeksperiode te kort. Er zijn wel opvallende feiten te noemen. In 2014 vielen ten minste 69 dodelijke slachtoffers bij woningbranden. Vorig jaar waren dat er 57. Kijkend naar het aantal slachtoffers in de eerste drie maanden van dit jaar, lijkt de daling zich niet voort te zetten. Van de 23 mensen kwamen 17 om in Vlaanderen. Vorig jaar vielen de meeste slachtoffers in Wallonië. Van de 57 slachtoffers kwamen daar 33 mensen om het leven. Slechts twee mensen stierven in Brussel door brand. Veertig procent van de branden brak ’s nachts uit en maar liefst elf slachtoffers waren jonger dan twaalf jaar. ‘Dat is opvallend als je het vergelijkt met Nederland. Daar waren vorig jaar geen slachtoffers onder de achttien jaar’, aldus Renders. ‘En in 2014 waren er onder de zestien jaar geen slachtoffers in Nederland. Het aantal jongeren dat omkwam, was dus een verdubbeling ten opzichte van 2014. We zoeken uit waarom zoveel jongeren zijn omgekomen. We bekijken ook hoe we dit in de toekomst beter kunnen

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

27


Bran dvei lig Leven

De brandweer gaat langs diverse evenementen om het belang van brandveiligheid en het hebben van een rookmelders onder de aandacht te brengen.

aanpakken.’ Hoewel in Nederland ouderen vaker slachtoffer zijn, gaat die constatering in België niet op. Daar kwamen gemiddeld evenveel ouderen als jongeren om. In 2015 was de vakantieperiode het dodelijkst. Het jaar daarvoor vielen in januari veel doden. Een belangrijk punt is het ontbreken van rookmelders. Uit onderzoek blijkt dat in Vlaanderen 43% van de woningen zijn voorzien van een rookmelder. 84% in Wallonië, 74% in Brussel. Geen eenduidige regelgeving De regelgeving maakt het er niet makkelijker op. In alle drie gewesten gelden andere regels. In Wallonië bijvoorbeeld moet in woningen elke verdieping voorzien zijn van één rookmelder per 80m2, in Vlaanderen stelt men rookmelders in nieuwbouwhuizen, renovaties en huurwoningen verplicht. Renders pleit voor meer harmonisering van de drie regelgevingen of voor één landelijk geldende wetgeving omtrent rookmelders. Dat maakt het een stuk duidelijker voor iedereen. Brussel scoort goed. Dit jaar zijn daar nog geen mensen om het leven gekomen. Wat een verklaring zou kunnen zijn, is dat mensen daar veelal huren. In de Brusselse regelgeving staat dat alle vluchtwegen in huurwoningen vanuit de slaapkamer moeten zijn voorzien van een rookmelder. In eigen woningen is dat geen verplichting. In verhouding telt een woning daar meerdere rookmelders. Brandpreventieadviseurs Hoewel België sinds twee jaar actief campagne voert voor voldoende rookmelders en een afgesproken vluchtplan, is zij al sinds 2010 bezig om het veiligheidsbewustzijn bij burgers te vergroten. Sindsdien heeft België Brandpreventieadviseurs (BPA). België 28

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

telt 550 BPA’s verdeeld over de 35 zones. Iedere zone heeft één coördinator. ‘De invulling van de functie was vrijblijvend’, vervolgt Renders. ‘Vorig jaar zijn 250 BPA’s opgeleid. Het is een opleiding van twee dagen waarbij veel tijd wordt gestoken in communicatie. Naast feiten over rookmelders leren de BPA’s hoe je een goed verhaal vertelt.’ Ofwel storytelling. Zowel medewerkers met een warme als koude functie moeten het verhaal kunnen uitdragen naar hun familie, vrienden en kennissen. ‘Ons doel is dat alle brandweermannen en -vrouwen deze opleiding volgen, dat zijn er 17.800’, aldus Renders. ‘Ze hoeven niet allemaal voorlichting te geven aan burgers. Belangrijker is dat ze het verhaal erachter weten en het kunnen vertellen waneer er naar wordt gevraagd. Ons netwerk is veel groter dan we denken, dat moeten we benutten door onze boodschap op informele manier te verspreiden.’ Stuurgroep Renders vindt de structuur van de Nederlandse brandweerorganisatie bijzonder. ‘Wij hebben geen Brandweer België. Ieder gewest heeft zijn eigen brandweerfederatie. Toch is er sinds 2014 vanuit de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken een stuurgroep ingericht waar één vertegenwoordiger van iedere zone in zit. Zo zitten we met heel België om tafel.’ De stuurgroep kijkt naar landelijk issues. Ze wil kennis en ervaringen bundelen en die uitdragen naar het veld. Het aantal doden bij woningbranden is één van de onderwerpen waar in maart een bijeenkomst over is geweest. Sinds vorig jaar is er beleid vastgesteld en moeten zones een actieplan maken hoe zij brandveiligheid bij burgers willen vergroten. Iedere regio mag daar op zijn eigen manier invulling aan geven. Renders: ‘Naast de landelijke rookmeldercampagnes die regionaal

Brand&Brandweer


Bran dvei lig Leven

worden uitgerold, zie je ook veel doelgroepgerichte voorlichting en nazorgmomenten wanneer ergens brand is geweest. In Brussel rijden brandweervoertuigen rond met foto’s van bekende Belgische acteurs en zangers. Serieuze maar ook ludieke acties worden bedacht om burgers bewust te maken.’ Om het aantal slachtoffers terug te dringen moet je meer doen dan alleen een rookmeldercampagne. ‘Aangezien we net zijn gestart ligt er nog een grote uitdaging op dat gebied, maar het komt langzaam van de grond’, aldus Renders. ‘Vorig jaar heeft brandonderzoeker en risicobeheerser Joost Ebus van Veiligheidsen Gezondheidsregio Gelderland-Midden op de Dag van de Veiligheid het belang van brandonderzoek bij ons onder de aandacht gebracht. Een absolute trigger en de brandweer staat er open voor, maar het vraagt tijd, kennis, geld en middelen. Daar is het nu nog te vroeg voor.’ Drie fatale woningbranden in vier weken Bruno Denys is brandweerofficier in Ieper, zone Westhoek. In vier weken tijd kregen posten in zijn zone te maken met drie fatale woningbranden. Hoewel het drie compleet verschillende omstandigheden waren waarin de brand uitbrak, waren in alle drie de gevallen geen rookmelders aanwezig die mogelijk persoonlijk leed hadden kunnen voorkomen. ‘Dat is extreem veel’, aldus Denys. Westhoek is een landelijk uitgestrekt gebied. ‘Onze uitruktijd is gemiddeld tien à vijftien minuten. Bij een woningbrand rukken we altijd met twee autopompen (vergelijkbaar met een Nederlandse TS, red.) een tankwagen (drie man) en ladderwagen (drie Brandweervoertuigen in België zijn voorzien van posters met bekende Belgen. Zij prijzen rookmelders aan.

Maar ook vanuit de verzekeringsmaatschappijen wordt onderzoek gedaan. Na een brand met fatale afloop neem ik altijd contact op met de bevelvoerder om feiten over de brand te verzamelen. Deze feiten geef ik door aan Renders.’

De brandpreventieadviseurs in actie. Burgers komen steeds vaker uit zichzelf naar de stand met vragen over brandveiligheid.

man) uit. Daarmee kunnen we helaas niet altijd voorkomen dat er slachtoffers vallen. Daarom is het belang van eigen veiligheid ook zo groot’, vertelt Denys. Alle drie de branden zijn ’s avonds of ’s nachts ontstaan terwijl de bewoner sliep. Een minderzelfredzame vrouw kwam om het leven toen een handdoek te dicht tegen een gaskachel vlam vatte. Een andere vrouw kwam om doordat ze in een stoel zat te roken en in slaap viel. Het derde slachtoffer, eveneens een vrouw, kon na een felle uitslaande brand haar appartement op de bovenste verdieping niet tijdig verlaten. ‘Wij doen zelf geen onderzoek naar de branden’, vervolgt Denys. ‘Toch kan de oorzaak soms worden achterhaald. Een gerechtsdeskundige komt namelijk ter plaatse en kijkt of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Net als in Nederland wanneer de technische recherche onderzoek doet. Die kan ons meer vertellen.

Brand&Brandweer

Aandacht van burgers, media en politiek Denys is sinds drie jaar ook coördinator BPA in de zone Westhoek, die in totaal 22 posten telt en vijftien BPA’s. Binnen de zone draait het project Brandveilig Wonen. ‘Wij richten ons, evenals vele andere zones, voornamelijk op het belang van rookmelders en het hebben van een vluchtplan’, aldus Denys. ‘Wij hebben een informatiestand waarmee we langs markten, evenementen en kermissen gaan. Drie jaar geleden moesten we echt moeite doen om de aandacht van burgers te trekken. Nu zie je langzaam dat mensen naar ons toe komen en uit zichzelf vragen stellen. Maar de aandacht en focus kan altijd beter.’ Ook probeert de brandweer via de politiek en de media het belang van rookmelders onder de aandacht te brengen, maar dat is volgens Denys ontzettend lastig. ‘De politiek denkt en kijkt veel meer vanuit en naar regelgeving. Ook zijn rookmelders geen interessant onderwerp voor de media. Onlangs stond er nog een artikel in de krant over een hond die zijn baasjes waarschuwde nadat brand was uitgebroken. Geweldig natuurlijk dat dit is gebeurd, maar ik lees nergens in de krant wanneer een rookmelder mensen attendeert op brand. Wat wij willen communiceren wordt denk ik gezien als reclame, erg jammer. Wij wachten in ieder geval niet op de politiek, maar hopen door onze campagnes burgers wakker te schudden. Het hebben van rookmelders is van levensbelang.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

29


Voor iedereen die betrokken is bij het vervoer van gevaarlijke stoffen

NIEUWE EDITIE 2015 ADN – Vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren ADR – Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Met ADN en ADR heeft u de meest actuele versie in handen van de internationale wetgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. ADN en ADR zijn apart te bestellen.

Ga naar sdu.nl en zoek op ADN of ADR


bran dweer bu iten lan d

Zuid-Holland Zuid helpt Europese landen met risicobeoordeling Na eerdere projecten in Europees verband, werkt Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid mee aan het Europese project CRISMAS. Doel van dit project is om vier regio’s en steden te ondersteunen bij het maken van een all hazard risicobeoordeling en het formuleren van risicobeheersingsstrategieën. Zuid-Holland Zuid begeleidt en ondersteunt de vier gebieden. Daarnaast wordt een platform ontwikkeld waarmee alle Europese professionals uit dit vakgebied informatie kunnen uitwisselen.

Door JILDOU VISSER

I

n het project CRISMAS gaan steden en regio’s uit Noorwegen, Bosnië en Herzegovina, Italië en Moldavië een risicoinventarisatie en een disaster risk reduction strategie ontwikkelen. Zuid-Holland Zuid ondersteunt hierbij, samen met Itineris Health & Safety. Het project is in januari gestart met een bijeenkomst, gevolgd door een eerste ronde van werkbezoeken. ‘De Europese Unie heeft er bewust voor gekozen om in dit project ook twee landen mee te laten doen die geen lidstaat zijn, maar waarmee wel een associatieverdrag is. In Bosnië en Moldavie valt op het gebied van risicobeheersing nog veel winst te behalen’, vertelt Ruud Houdijk van Itineris Health en Safety. Samen met Nico van Os van Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid is hij nauw bij dit project betrokken. ‘Het is ontzettend leuk om de verschillen tussen de landen te zien. Hoewel we dit project begeleiden, kunnen ook wij in Nederland van de aanpak van andere landen leren. In Moldavië hebben ze bijvoorbeeld een hele andere risicoperceptie. Tijdens de startbijeenkomst en ons werkbezoek aan de stad Ungheni ontdekten we dat zij uitgaan van een kwetsbaarheidsanalyse. Zij reduceren risico’s door hun kwetsbaarheid te verlagen en er als gemeenschap beter op voorbereid te zijn. Op het gebied van zelfredzaamheid zijn ze daar misschien wel verder dan wij in Nederland’, aldus Houdijk. ‘Daarnaast zijn ze in Bosnië en Moldavië nadrukkelijk bezig om risicobeheersing te koppelen aan de ruimtelijke en economische ontwikkeling. In plannen voor sustainable development neemt de overheid daar in een vroeg stadium risico’s mee. De overheid gaat echt in gesprek over de mogelijkheden. Ze denken in kansen. Bij ons komt de brandweer vaak pas in een later stadium om te zeggen dat dingen niet mogen zoals ze bedacht zijn en een en ander niet veilig is.’ Italië is sterk ontwikkeld op het gebied van risicobeheersing. Houdijk: ‘Ze hebben er veel te maken met natuurrisico’s, zoals aardbevingen en landverschuivingen. Je ziet daar dat ze de risico’s per sector bekijken. Het zijn daardoor allerlei losse analyses, waardoor het totaalplaatje ontbreekt. Met hen gaan we met name kijken hoe ze de verschillende risico’s en verschillende gebieden kunnen koppelen, zodat één totaaloverzicht ontstaat. Door kaartlagen over elkaar te leggen kunnen ze ook veel duidelijker de hotspots met grote risico’s in kaart brengen.’

Brand&Brandweer

De startbijeenkomst in Ungheni in Moldavië lijkt bijna op een mini-conferentie. Veel burgemeesters en andere betrokkenen zijn aanwezig.

VN Houdijk verbaast zich erover dat andere landen veel meer hun focus op de Verenigde Naties hebben dan in Nederland het geval is. ‘In Nederland kijken we vooral naar onze eigen regelgeving. Ik denk dat een willekeurige medewerker risicobeheersing van een veiligheidsregio nog nooit van het Sendai akkoord van de VN heeft gehoord. We hebben het gevoel dat we er toch wel aan voldoen, maar ook voor ons staan er nuttige dingen in, bijvoorbeeld over de dataregistratie van de verliezen als gevolg van rampen. De schaderegistratie in Nederland is ontzettend versnipperd, niemand heeft een totaalbeeld dat als basis kan dienen voor slimme keuzes in risicobeheersing.’ De betrokken regio’s en steden moeten dit jaar ieder hun eigen risicoinventarisatie maken. In 2017 gaan ze aan de slag om een risicobeheersingsstrategie te ontwikkelen. Houdijk: ‘Het is ontzettend leuk om te zien hoe enthousiast de collega’s uit andere landen zijn. Ze grijpen de kans aan om te leren en zichzelf op de kaart te zetten. Daar kunnen we in Nederland een voorbeeld aan nemen.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

31


zo vader zo zoons

De brandweer is de gedeelde passie in huize Mulder Als vier van de zeven gezinsleden bij hetzelfde brandweerkorps zitten, kun je je voorstellen dat het altijd brandweer is wat de klok slaat. ‘Nu mijn drie zoons ook bij de brandweer zitten, is het inderdaad vaak onderwerp van gesprek’, vertelt vader Gert Mulder. ‘Tenzij mijn vrouw of dochters het over iets anders wil hebben. We hebben de afspraak dat als zij de woorden brand en brandweer even niet meer kan horen, we het er niet over hebben. Daar houden we ons keurig aan.’ Door JILDOU VISSER fotografie andré Joosse

Gert Mulder (41), Officier van Dienst, bevelvoerder en manschap bij de vrijwillige brandweer in Goes: Hoe bent u bij de brandweer terecht gekomen? ‘Vijftien jaar geleden werkte ik in Veere bij de gemeentelijke onderhoudsdienst. De brandweer kampte in de dagsituatie met een tekort aan vrijwilligers. Ik werd gevraagd, ben bij een oefenavond gaan kijken en sindsdien was ik verkocht. Het gevoel dat je met het hele team ervoor gaat, dat is fantastisch.’ Hoe vindt u het dat al uw zoons ook bij de brandweer zitten? ‘Ik ben ongelooflijk trots. De middelste zoon is net geslaagd voor de praktijk brand van de manschap A opleiding. Hoewel ik het fantastisch vind dat ze in mijn voetsporen treden, is het soms ook lastig. Zeker in het begin betrapte ik mezelf er wel eens op dat ik andere afwegingen maakte. Als ik inschatte dat er risico’s waren, was ik geneigd om een ander naar binnen te sturen. Ik probeerde m’n eigen kinderen daar toch voor te beschermen. Dat zou niet zo moeten zijn. We hebben daarover gesproken en ik heb geleerd dat los te laten. De jongens zijn volwassen en kunnen ook lastige en minder leuke klussen klaren.’ In hoeverre geeft u uw zoons tips? ‘Ik probeer afstand te houden van hun opleiding en alles wat ze bij de brandweer leren. Collega’s geven ze misschien andere tips dan dat ik doe, dat is goed. Natuurlijk spreken we thuis vaak over de brandweer. Mijn zoons zijn enorm gedreven en willen alles weten. Wat ze nog van me zouden kunnen leren is de rust houden om een goede risico-inschatting te maken. In hun enthousiasme hebben ze weleens een tunnelvisie. Daar probeer ik ze dan mee te confronteren. Ze geven vaak toe dat ik gelijk heb, maar niet altijd. Ik zit ook weleens verkeerd.’ In hoeverre lijken uw zoons op u? ‘Ze zijn alle drie verschillend. De oudste is bedachtzamer dan ik 32

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

ben. De middelste is een kopie van mij. Hij is ontzettend gedreven en wil er vol voor gaan. De jongste is de meest slimme van het stel. Hij stelt soms vragen waar ik het antwoord ook eigenlijk niet op weet.’

Hans Mulder (22), manschap A bij de vrijwillige brandweer in Goes: Vanaf welk moment wist je dat je net als je vader ook bij de brandweer wilde? ‘Ik volgde het vroeger als kleine jongen niet zo dat mijn vader bij de brandweer zit. Toen ik een jaar of tien was, was verderop in de straat een woningbrand. De straat stond vol met brandweerwagens met loeiende sirenes. Ik ben gaan kijken en vond dat reuze interessant. Vanaf dat moment was mijn interesse gewekt. Zodra het kon, ben ik bij de jeugdbrandweer gegaan. Op mijn achttiende heb ik eerst een jaar niks gedaan. Twee vrienden van me zaten ook bij de jeugdbrandweer en waren een jaar jonger. We wisten dat we alle drie door wilden stromen, maar wel tegelijk zodat we samen de opleiding konden volgen. Het brandweerloze jaar was in het begin even wennen, maar na verloop van tijd went alles.’ In hoeverre ruk je wel eens samen met je vader of je broertje uit? ‘Mijn vader en ik rukken geregeld samen uit. We zitten in dezelfde blusgroep. Af en toe komt het voor dat we een koppel zijn, maar meestal is hij bevelvoerder. Hij is tijdens een uitruk gewoon één van mijn collega’s. Mijn broertje ging tot nu toe altijd mee als zevende man, omdat hij zijn opleiding nog moest afronden. Nu dat klaar is, kunnen we echt samen uitrukken.’ Wat kun je van je vader leren? ‘Ik denk vooral de kennis die hij heeft van technische hulpverlening. Daarnaast heeft hij natuurlijk meer ervaring en ziet hij andere dingen dan ik. Onder het eten komt bijna altijd de brandweer ter sprake. Vaak gaat het dan niet over hele specifieke inzetpunten, maar meer over algemene dingen.’

Brand&Brandweer


zo vader zo zoons

Van links naar rechts: Gert, Pieter, Marijn en Hans Mulder.

Pieter Mulder (20), aspirant manschap bij de vrijwillige brandweer in Goes: Heb je van jongs af aan altijd brandweerman willen worden? ‘Ja. Ik heb het altijd mooi gevonden dat mijn vader bij de brandweer zit. In het weekend of ’s avonds ging ik wel eens met hem mee naar de kazerne om de ademlucht te vullen. Ik wist zeker dat ik later als ik groot zou zijn, ook bij de brandweer wilde. Toen ik twaalf werd kon ik eindelijk bij de jeugdbrandweer en op mijn achttiende ben ik direct doorgestroomd. Als kleine jongen wist ik al dat de brandweer iets voor mij zou zijn, zo zie ik dat nog steeds.’ Wat trekt je het meest aan in het brandweerwerk? ‘Als brandweerman beteken je echt iets voor de maatschappij. Je kunt iets voor mensen in nood doen. De dankbaarheid die je ervoor terugkrijgt, doet iets met je. Dat geeft een voldaan gevoel. Natuurlijk maak je ook minder leuke dingen mee, maar daar kunnen we thuis goed over praten. Het is fijn dat mijn vader en broer goed begrijpen waar je het over hebt.’ Wat kun je leren van je vader en je broer? ‘Veel. Zij hebben meer ervaring en weten daardoor op alle fronten meer, maar dat geldt ook voor de rest van de collega’s. Soms is het alleen wel makkelijker te accepteren als mijn vader of broer me ergens op wijzen dan wanneer een collega iets zegt. Van je familie neem je dingen toch sneller aan.’ Wie is ’s nachts het eerst beneden als de pieper gaat? ‘Mijn vader. Hij staat bijna altijd als eerste beneden. De oudste is de snelste bij ons thuis.’

Brand&Brandweer

Marijn Mulder (17), jeugdbrandweer Goes: Wat is je vroegste jeugdherinnering aan de brandweer? ‘Dat moet ongetwijfeld zijn dat mijn vader ’s nachts de trap afstormde als de pieper ging. Daar werd ik wakker van. Ik heb het altijd stoer gevonden dat hij brandweerman is, al besefte ik toen misschien nog niet goed wat het precies inhield. Er werd bij ons thuis nog niet zoveel over gesproken als nu. Toen ik doorkreeg wat de brandweer deed, begon mijn interesse te groeien. Op mijn twaalfde ben ik bij de jeugdbrandweer gegaan, maar nooit met het idee dat ik later brandweerman wil worden. Het is meer een hobby.’ Wat vind je het leukst aan de jeugdbrandweer? ‘Ik denk het in teamverband oefenen. Samen de brand blussen is mooi, maar ik weet nog niet of ik wil doorstromen. Ik wil volgend jaar studeren en heb dan geen tijd om de manschap opleiding te volgen. Misschien dat ik bij de brandweer terugkeer als ik mijn studie heb afgerond. Als het zover is, zie ik dan wel of ik daar zin in heb.’ In hoeverre lijk jij op je broers? ‘Eigenlijk zijn we totaal verschillend. We hebben alle drie onze eigen interesses. Mijn oudste broer wil accountant worden, de middelste elektriciën en ik weet het nog niet. Het enige dat ik weet is dat ik geen van beide beroepen wil doen. De brandweer is onze gemeenschappelijke passie en daar gaat het thuis vaak over. Mijn moeder praat vaak gewoon mee. In de loop der jaren heeft ze veel geleerd. Ze doet ook de administratie bij wedstrijden, dus ze hoort er wel wat bij. Bij wedstrijden is mijn vader wedstrijdleider en mijn broers doen mee. Als het even kan, moedig ik ze aan.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

33


99205_Hytrans.indd 1

3/14/2016 1:26:58 PM

f n e a t e i s v s d a h w h n d d d c e w o i a n c n r l d n a a r a u r e e r u e l B m AAgUitg Bde ieantd&ctue c N a A r a B V Speciaal voor abonnees: · Nieuws en achtergronden · Brand&Brandweer-online (24/7 te raadplegen op iPad en tablet) · Brand&Brandweer-archief (2008 – heden) · Agenda en alertering

www.brandenbrandweer.nl


Risicobeh eersi ng

Methodiek Regionaal Risicoprofiel volop in ontwikkeling Na de brand in de Geinsche Hof concludeerde de inspectie dat Veiligheidsregio Utrecht goed op de hoogte was van de risico’s van het gebouw. Dit komt onder meer door de afwijkende aanpak van het regionaal risicoprofiel. (Fotografie: Peter Hofman)

‘Als je kijkt naar andere branches lopen we achter op het gebied van risicoanalyses. Het is een ondergeschoven kindje. Dat willen we nu een boost geven’, zo begint Bruno Goddijn, voorzitter van het Netwerk Regionaal Risicoprofiel. Als het aan hem ligt blijven de regionaal risicoprofielen niet statisch, maar zijn ze continu in ontwikkeling, sluiten ze beter aan bij de visie op risicogerichtheid en moet meer vanuit een netwerkgedachte met partners worden opgetrokken.

Door JILDOU VISSER

S

inds de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in 2010 zijn alle regio’s verplicht om een regionaal risicoprofiel op te stellen. Een dan nog volledig nieuwe planfiguur. Het Netwerk Regionaal Risicoprofiel is in 2008 opgericht en aan de slag gegaan met het ontwikkelen van een handreiking om de veiligheidsregio’s bij dit nieuwe vraagstuk te ondersteunen. ‘De handreiking is opgesteld aan de hand van methodiek van de Nationale Risicobeoordeling. Die was landelijk al aanwezig. Het was een unieke prestatie dat alle veiligheidsregio’s aan de hand van de handreiking in zo’n korte tijd het risicoprofiel hadden opgesteld’, blikt Goddijn terug. Hoewel sindsdien veel kennis is opgedaan en de ontwikkelingen binnen en buiten de veiligheidsregio’s elkaar snel opvolgen, werken alle regio’s voor het tweede regionaal risicoprofiel nog met dezelfde handreiking. ‘We zijn binnen het netwerk al twee jaar bezig om het document geactualiseerd te krijgen. De handreiking is geen doel, het is meer een hulpmiddel om de noodzakelijke veranderingen te faciliteren. Het is een mooie kans voor het IFV, als bronhouder van het document, om dit gezamenlijk met de veiligheidsregio’s te realiseren.’

Brand&Brandweer

Risicogerichtheid Eén van de aspecten die Goddijn graag wil doorontwikkelen is dat beter wordt gekeken naar de wijze waarop, met betrokken partners, het risicothema kan worden beïnvloed. ‘De tijd van alleen toetsen volgens de regels is grotendeels verleden tijd. Het verschuift naar gezamenlijk beschouwen van wat de risico’s zijn en hoe we, samen met partners, daarmee om willen gaan. De nieuwe Omgevingswet, de inhoudelijke projecten van de Strategische Agenda en ook (brand)risicovolle inrichtingen zijn voorbeelden waarbij deze aanpak vereist is. Vroeger keken we vooral intern. Als uit een risicoprofiel bijvoorbeeld bleek dat natuurbranden een groot risico waren, gebruikten we dat als input voor het beleidsplan en werd gekeken naar wat nodig was om de brand te bestrijden. Nu is dit verschoven naar samen met partners kijken naar het brandrisico en hoe dit beïnvloed kan worden, veiligheidsketenbreed. Het risicoprofiel is dus meer dan enkel input voor het beleidsplan dat maar eens in de vier jaar hoeft te worden gemaakt. Het risicoprofiel moet een instrument zijn waarbinnen continu wordt gewerkt aan het beïnvloeden van de geïnventariseerde risico’s.’ Om de beïnvloeding van risico’s door regio’s makkelijker te maken heeft Goddijn met enkele collega’s

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

35


Risicobeh eersi ng

Met het schema voor de beïnvloedingsanalyse kunnen regio’s met concrete stappen komen tot maatregelen om de risico’s te beïnvloeden.

een tool ontwikkeld. ‘Dit is een eerste pragmatisch stappenplan. Je kunt er stapsgewijs mee in kaart brengen wat onder andere het onderwerp is, wie de betrokkenen zijn, wat de betrokkenen doen en wat meer, minder of anders kan om het risico te beïnvloeden. Het belangrijkste is het gesprek voeren met betrokken partners en vanuit eigen verantwoordelijkheid het risico beïnvloeden.’ Afstemming nationale risico’s Daarnaast is het van belang dat wordt gewerkt aan een betere afstemming van de nationale met de regionale risico’s. De minister stuurde daar in november een brief over naar de Tweede Kamer. ‘We moeten nationale risico’s in de regio’s beter borgen, want hoewel het een nationaal risico is, gebeurt een incident vaak in een regio. Een voorwaarde voor betere afstemming is een grote overlap in de gebruikte methodieken. Door de methodiekontwikkelingen en de vorming van het nationale veiligheidsprofiel (NVP) dreigt er een verschil te ontstaan met de huidige gebruikte regionale methodiek’, aldus Goddijn. ‘De veiligheidsregio’s zijn vrij in de keuzes die in het beleidsplan worden gemaakt. Maar vaak zijn risico’s regio overstijgend of zijn de betrokken partners bovenregionaal georganiseerd en moet daarom naar een slimme werkbare samenwerkingsconstructie worden gezocht.’ Verdere ontwikkeling Hoewel het opstellen van de regionaal risicoprofielen binnen de veiligheidsregio’s nog een relatief nieuw en complex vakgebied is, ziet Goddijn dat een goede ontwikkeling wordt doorgemaakt. ‘Zaak is nu de geleerde punten te borgen, te delen en de benodigde competenties verder te ontwikkelen. Hiermee kan een boost worden gegeven aan het vervolg op de inhoudelijke projecten uit de strategische agenda. Dit vergemakkelijkt de afstemming met het nationale veiligheidsprofiel en borgt de overlap met de visie op risicogerichtheid beter. De rode draad is voor de benadering van al deze (risico)thema’s hetzelfde.’ Veiligheids- en Gezondheidsregio GelderlandMidden: het doel bepaalt de uitkomst Wat zijn de verschillen tussen het eerste regionaal risicoprofiel van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden in 2011 en het tweede in 2016? ‘De eerste was een dik boekwerk waarin we alles uitvoerig hadden omschreven en het tweede is meer to the point. Alle uitwerkingen zitten in de bijlagen. Dat maakt het een stuk leesbaarder’, zo begint Astrid van Schaijk van de afdeling risicobeheersing. ‘Daarnaast verschilt de aanpak. In 2009 zijn we 36

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

samen met een adviesbureau aan de slag gegaan om het regionaal risicoprofiel op te stellen. Wij liepen voorop en hadden toen nog geen handreiking waar we ons aan vast konden houden. We zijn toen erg uitgegaan van de Strategie Nationale Veiligheid. Voor het nieuwe regionaal risicoprofiel hebben we meer gekeken naar de echte regionale risico’s.’

‘Het regionaal risicoprofiel is meer dan enkel input voor het beleidsplan’ Tijdens het opstellen van het tweede risicoprofiel heeft Van Schaijk geleerd dat het goed is om het profiel continu bij te houden. ‘We moesten nu echt aan de bak om alles te actualiseren. Dat moeten we structureler oppakken. Dit jaar maken we een plan van aanpak hoe we dit precies gaan doen. We willen in ieder geval ieder jaar in kaart brengen of het profiel op onderdelen is gewijzigd, zodat we daar tijdig op in kunnen spelen.’ Van Schaijk constateert grote verschillen tussen de regionaal risicoprofielen van de verschillende regio’s. ‘Landelijk moeten we daarover nadenken’, zegt ze. ‘Dat begint al bij de scenariokeuze. Wij gebruiken het regionaal risicoprofiel om inzichtelijk te maken wat je wel en wat je niet kunt, zodat je daar in je beleid op bij kunt

Van Schaijk: ‘ De analyse van reële risico’s laat niet zien waarin je tekort schiet.’

Brand&Brandweer


Risicobeh eersi ng

Goddijn: ‘We moeten beter kijken naar de wijze waarop we, met betrokken partners, het risicothema kunnen beïnvloeden.’

René Roke: ‘De aanname dat de hulpverlening altijd optimaal is en er na een half uur geen slachtoffers meer vallen, vind ik gevaarlijk.’

sturen. De analyse van reële risico’s laat niet zien waarin je tekort schiet. In het risicoprofiel gaan we daarom uit van worst case scenario’s. Juist die brengen aan het licht waar de aandachtspunten voor zowel risicobeheersing als repressie liggen.’ Als regio’s de regionaal risicoprofielen gebruiken voor wisselende doelen en dus kiezen voor verschillende scenario’s, kan dat volgens Van Schaijk een vertekend beeld geven. ‘Als je bijvoorbeeld uitgaat van de worst case scenario’s, geeft dat een hoog risicobeeld. Onze regio kan dan meer risicovol lijken als je dat legt naast het risicoprofiel van een regio die uitgaat van reële scenario’s. De landelijke handreiking die in 2010 is opgesteld, voorziet alleen in de systematiek, niet in de scenariokeuze. Iedere regio kan dit voor zich beslissen. Misschien moeten we dat landelijk meer standaardiseren.’

scenario’s scoren in onze methodiek vaak het hoogst, vanwege de enorme dynamiek van een brand. Na de brand in zorgcentrum de Geinsche Hof in 2011 heeft de inspectie Veiligheid & Justitie onderzoek gedaan. Eén van de punten die zij onderzochten was of de risico’s van dit gebouw waren meegenomen in het regionaal risicoprofiel. Dat was het geval. De inspectie concludeerde dat we goed op de hoogte waren van de risico’s in onze regio. Alle kennis die we van de objecten hebben, is bovendien beschikbaar in de webapplicatie, zodat we er ook bij andere zaken ons voordeel mee doen, zoals voor repressie in het ROT en het COPI en voor opleiden en oefenen.’

Veiligheidsregio Utrecht: afwijkende interpretatie van de wet Ruim voor de in werking treding van de wet Veiligheidsregio’s in 2010 is de voorloper van Veiligheidsregio Utrecht gestart met risico-inventarisaties voor risicovolle en kwetsbare objecten. ‘Toen de wet kwam was onze interpretatie dat risicovolle situaties altijd ergens zijn en dus objectgebonden. Wij gaan dus niet alleen uit van soorten risico’s, maar met name van kwetsbare en risicovolle objecten’, legt René Roke, specialist risico en veiligheid, uit. In de loop der jaren heeft de regio een eigen database opgezet, met daarin gegevens van meer dan drieduizend geanalyseerde objecten. ‘Het beheren en actualiseren ervan is een enorme klus. Voor een groot deel werd dat gedaan door stagiaires integrale veiligheidskunde (IVK) van de Hogeschool Utrecht. Om een oordeel te kunnen geven over de risico’s van een object, hebben we een scoremethodiek ontwikkeld. Deze bestaat uit 25 indicatoren die worden becijferd, waaronder de kwetsbaarheid van de gebruiker, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de aanrijtijd, de kans op branduitbreiding en de aanwezigheid van bluswater. Al die scores bij elkaar zorgen voor een risicobeeld. Doordat alles in de database is opgenomen, kunnen we per gemeente of per regio simpel een top 25 van de meest risicovolle objecten uitdraaien. Die nemen we mee in het regionaal risicoprofiel.’ Een groot voordeel van deze methodiek is volgens Roke dat niet standaard wordt uitgegaan van optimale hulpverlening. ‘De aanname die in de reguliere kwantitatieve risicoanlyse (QRA) wordt gemaakt is dat de hulpverlening altijd optimaal is en er na een half uur geen slachtoffers meer zijn. Die aanname vind ik gevaarlijk. Brandgerelateerde

Brand&Brandweer

‘Risicovolle situaties zijn altijd ergens en dus objectgebonden’ Naast de kwetsbare objecten heeft Veiligheidsregio Utrecht ook de soorten risico’s in kaart gebracht die zich in de regio voor kunnen doen. Eén van de grootste risico’s is een dijkdoorbraak bij de Lek. ‘Als je kijkt naar de risicomatrix uit de handreiking en de parameters die daarin gesteld zijn, wordt het risico onderschat. De maatschappelijke en economische schade van een overstroming in een gebied met 800.000 inwoners in het midden van Nederland is enorm, maar de (volledige) materiele schade telt minder zwaar in de huidige methodiek. Daardoor valt het totale risico lager uit dan het werkelijk is. We stappen vanaf dit jaar wel af van de arbeidsintensieve methodiek voor objecten die we hebben ontwikkeld. In de toekomst moet dit meer geautomatiseerd verlopen.’ Een ander groot punt van kritiek van Roke op de huidige handreiking is dat de methodiek mede gestoeld is op de methodiek voor het nationaal risicoprofiel. ‘Volgens mij gaat de nationale overheid over andere risico’s dan wij. Door dezelfde all hazard benadering te gebruiken, moeten we ook rekening houden met risico’s waar we zelf geen invloed op hebben en die niet tot ons taakveld behoren, zoals een pandemie. Doordat die nationale risico’s worden meegenomen in het regionaal risicoprofiel, heeft het ook invloed op het regionale beleid. In tijden van schaarste, waarin je keuzes moet maken over wat je nog wel doet en wat niet, vind ik het raar dat je toch prioriteit zou moeten geven aan risico’s die wettelijk gezien niet je taak zijn.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

37


Weet u hoe u een binnenbrand effectief en veilig kunt bestrijden?

Brandbestrijding: → Wanneer kies je voor HD, en wanneer vooral niet? → Ventilatie: wanneer is het zinvol, wanneer gevaarlijk? → Waarom is verkennen zo belangrijk? → Wat is nog veilig en gezond, waar liggen grenzen, hoe verloopt herstel?

Bestel direct op sdu.nl/brandbestrijding


Person eel & Organ isati e

Ouder personeelsbestand zorgt voor meer vacatures

Tijdens het outdoorkamp worden de kandidaten 24 uur lang uitgebreid getest.

Steeds meer veiligheidsregio’s krijgen te maken met een personeelsbestand met een steeds hogere gemiddelde leeftijd. Als gevolg daarvan ontstaat nu al meer uitstroom en wordt verwacht dat dit de komende jaren verder oploopt. Veel nieuwe beroeps brandweerlieden moeten worden geworven. Maar wat voor mensen worden gezocht? Hoe wordt omgegaan met diversiteit? En moeten nieuwe beroeps brandweerlieden voldoen aan andere competenties? Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, Haaglanden, Kennemerland en Zeeland vertellen hoe zij hiermee omgaan. Door JILDOU VISSER Fotografie Brandweer Amsterdam-Amstelland

Amsterdam-Amstelland: selectie aan de hand van uitgebreide testen e laatste grote wervingsactie voor nieuwe brandwachten in Amsterdam-Amstelland stamde van 2009. Tot vorig jaar. Toen zocht de regio 24 nieuwe repressieve medewerkers. Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft in totaal ongeveer achthonderd repressieve medewerkers

D

Brand&Brandweer

in dienst, waarvan vijfhonderd beroeps. Het merendeel van deze groep is tussen de 35 en 58 jaar. ‘Het is lastig om te voorspellen wanneer deze medewerkers met pensioen gaan. Als ze 55 jaar zijn mogen ze, indien ze nog fit genoeg zijn, telkens een jaar bijtekenen. Om goed voorbereid te zijn op de eerste uitstroom, hebben we 24 nieuwe collega’s geworven. Daarmee zitten we aan de ruime kant’, vertelt Rita Grewal van de afdeling personeel en organisatie. Voor de vacature is zowel intern als extern geworven. Er hebben

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

39


Person eel & Org an isati e

ongeveer zeshonderd kandidaten gereageerd. De eerste selectie is vooral gedaan op basis van leeftijd en opleidingsniveau. ‘Kandidaten moesten ouder zijn dan achttien jaar en beschikken over minimaal een vmbo-k of -t diploma. Met de 450 sollicitanten die na die selectie overbleven, hebben we een duiktest gedaan. We werven nu in eerste instantie brandwachten, maar we hebben ook duikers nodig. Om daarop te anticiperen hebben we de vaardigheden voor dit specialisme in de procedure meegenomen. Uit ervaring weten we dat tijdens de duiktest meer mensen afvallen dan tijdens de sporttest’, aldus Grewal. Na de duiktest en de sporttest zijn nog ruim negentig kandidaten over. Enkele hebben zich tijdens de procedure afgemeld, omdat de 24-uurs dienst toch niet met het thuisfront te combineren was. De rest is een sollicitatiegespreksronde ingegaan, waarbij ook een assessment en engtetest worden gedaan. Daaruit zijn 54 potentiële repressieve medewerkers overgebleven. ‘Deze kandidaten zijn vervolgens naar een outdoorkamp gegaan. In verschillende groepjes en met individuele opdrachten hebben we hen 24 uur lang getest. Met name het mentale aspect speelde een belangrijke rol. Als kandidaten kribbig worden als ze bijvoorbeeld voor de derde keer ‘s nachts wakker worden gemaakt of de spanning niet aankunnen, zie je dat snel. Dit kamp was een goed verlengstuk van de selectiegesprekken. Je ziet hoe iemand echt is en of dat wat hij of zij vertelde, klopt’, vertelt Grewal. ‘Uiteindelijk hebben we na alle testen 24 nieuwe collega’s geselecteerd.’ Ze legt uit dat tijdens het hele proces ook goed is gekeken naar communicatieve vaardigheden en de openheid van de kandidaten. ‘Brandweerlieden moeten tegenwoordig voor een deel aan andere competenties voldoen dan voorheen. In Amsterdam geven repressieve brandweerlieden ook voorlichting in het kader van Brandveilig Leven. Dat vraagt specifieke kwaliteiten. Daarnaast vinden we een open houding belangrijk. Tijdens het brandweerwerk maak je ook minder leuke dingen mee. Praten na een heftige inzet is belangrijk, net als dat je je collega’s moet kunnen en durven aanspreken op elkaars gedrag. Dat vraagt een bepaald type mens.’

Veiligheidsregio Haaglanden: extra inzet op werving van vrouwen en andere culturen Ook in Veiligheidsregio Haaglanden is na een jarenlange vacaturestop een grootschalige werving en selectie van nieuwe beroeps brandweerlieden op gang gekomen. ‘De eerste wervingscampagne zijn we aan het afronden en de tweede is gestart. Misschien komt er zelfs nog een derde voor volgend jaar. In totaal gaat het eerst om 24 tot dertig nieuwe medewerkers op een totaal van 480’, vertelt Jan Bron, directeur brandweerzorg. ‘We hadden verwacht dat de uitstroom pas volgend jaar op gang zou komen, maar dit jaar stroomt al een flinke groep uit. Zij willen nog gebruik maken van de huidige FLO-regeling en wachten een nieuwe niet af.’ Bron legt uit dat de leeftijdsopbouw in de regio Haaglanden onevenredig is. ‘In de tachtiger jaren zijn veel mensen aangenomen. Zij stromen de komende jaren uit. Daarnaast zijn in de jaren 2000 tot 2006 veel mensen aangenomen door de omzetting van de 54-uursdienst naar de 48-uursdienst. In de tussenliggende periode zijn weinig mensen aangenomen en de laatste jaren hadden we zelfs een vacaturestop. We zien dus behoorlijke groepen van bepaalde leeftijden. Ook de gemiddelde leeftijd van de duikers ligt hoog. In deze selectie houden we er dus al rekening mee dat een deel van deze manschappen een uitgebreide zwemtest haalt en de medische keuring doorstaat, maar dat hoeven ze niet allemaal.’

‘We zien behoorlijke groepen van bepaalde leeftijden’ Een ander punt waar in Haaglanden nadrukkelijk rekening mee wordt gehouden is de diversiteit in de organisatie. ‘We willen een goede afspiegeling van jonge onervaren mensen en mensen die ergens anders al werkervaring hebben opgedaan. Daarnaast zetten we extra in op de werving van vrouwen en mensen uit andere culturen’, aldus Bron. ‘In de eerste wervingsgroep is momenteel een kwart vrouw. Het is nog niet de helft, maar het is meer dan we

Met name het mentale aspect speelt tijdens het outdoorkamp in de werving en selectie van Amsterdam-Amstelland een grote rol.

40

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Brand&Brandweer


Person eel & Organ isati e

ronde is meegenomen, is diversiteit. ‘In onze veiligheidsregio is de verhouding man/vrouw ongeveer gelijk, maar dat komt met name doordat bij de GGD veel vrouwen werken. De brandweer is vooral nog een mannenwereld. Bovendien is het grootste deel autochtoon’, aldus Van der Meij. ‘Diversiteit heeft een meerwaarde, ook in de uitruk. Vrouwen of mensen met een andere culturele achtergrond kijken misschien anders naar bepaalde situaties en maken andere afwegingen. Het gekke is dat van onze vijf clustercommandanten twee vrouw zijn, bijna de helft. Dat willen we nu ook meer naar de lagere lagen in de organisatie trekken. We willen een goede afspiegeling van onze regio in de organisatie hebben.’

‘Diversiteit heeft een meerwaarde, ook in de uitruk’ Veiligheidsregio Zeeland: weinig beroeps, toename vacatures valt mee In Zeeland zijn van oudsher weinig beroeps brandweerlieden. Veruit het grootste deel van alle brandweerlieden is vrijwilliger. ‘Dat brengt andere uitdagingen met zich mee, want het is niet altijd even makkelijk nieuwe vrijwilligers te vinden. Dat heeft voor een groot deel te maken met de beschikbaarheid voor de brandweer tijdens kantoortijden’, vertelt Maarten van de Weerd van de afdeling HRM in de regio.

‘officieren werven we onder ooit hebben gehad. Onder andere culturen verloopt de werving stroever. Dat komt wellicht doordat de groep allochtonen zeer divers is. Het is bovendien niet eenvoudig ze te bereiken. We zetten ambassadeurs in, proberen ze via social media te bereiken en via artikelen en advertenties in specifieke bladen. Of deze inzet voldoende is, gaat blijken.’ Veiligheidsregio Kennemerland: veel vrijwilligers stromen door naar de beroeps Tien nieuwe beroeps brandweerlieden worden in Veiligheidsregio Kennemerland geworven op een totaal van 175 repressie brandweerlieden. ‘We houden alvast rekening met de toekomstige uitstroom. We weten niet precies wanneer mensen uitstromen, maar met deze tien kunnen we naar verwachting even vooruit. We zitten dan boven sterkte’, zo begint Bas van der Meij van de afdeling personeel en organisatie. ‘Vrijwillige brandweerlieden krijgen in deze selectie voorrang op externe mensen. We merken dat er redelijk wat jonge vrijwilligers zijn die door willen groeien. Daarin speelt ongetwijfeld de huidige economische situatie een rol. De banen liggen niet voor het oprapen. Ze moeten wel voldoen aan de extra competenties die we van beroeps vragen. Zo is er de mogelijkheid dat op termijn de beroepsbrandweermensen worden ingezet voor licht preventieve taken en voorlichting. Daarnaast moet je goed kunnen samenwerken, niet alleen binnen je eigen team maar ook met andere afdelingen. Die competenties wegen zwaarder dan bij vrijwillige brandweerlieden.’ Een ander belangrijk punt dat in de laatste wervings en selectie-

Brand&Brandweer

het kantoorpersoneel’ ‘We hebben vier plaatsen waar het kantoorpersoneel tijdens kantoortijden uitrukt, een soort beroeps brandweerlieden dus. Op andere locaties en tijdens avonden en weekenden wordt gewerkt met brandweervrijwilligers. Het werken voor de brandweer moet te combineren zijn met de hoofdwerkzaamheden en dat is niet makkelijk. De werving en selectie voor de repressieve officierstaken, doen we onder het kantoorpersoneel. Medewerkers kunnen solliciteren op operationele nevenfuncties. Vinden we daaronder geen geschikte kandidaten, dan zoeken we extern vrijwilligers.’ Het werven van vrijwilligers wordt volgens Van de Weerd met name gedaan via het netwerk van bedrijven dat de veiligheidsregio heeft en via het netwerk van de medewerkers. ‘Het vinden van vrijwilligers voor officierstaken is vaak een stuk lastiger, want de leergang voor Officier van Dienst (OvD) bijvoorbeeld duurt tien maanden. Je wordt geacht één dag in de week naar Arnhem te gaan en één dag te leren op de werkplek, bij een regio dus. Voor vrijwilligers is dat lastig. Dat betekent dat de werkgever je tien maanden lang twee dagen in de week vrij moet geven. En als de vrijwilliger is opgeleid, is hij of zij ongeveer twintig dagen per jaar kwijt aan activiteiten om vakbekwaam te blijven. Lang niet iedere werkgever kan of wil daaraan meewerken.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

41


i ngezon den

Reddingswerkers van USAR.nl zijn na de aardbeving in Nepal op zoek naar overlevenden.

Kees van den Berg instrueert USAR-leden bij de inzet in Nepal.

USAR.nl wil toegevoegde waarde vergroten Het wordt een druk jaar voor USAR.nl, want de ambities zijn hoog. Zo wil de leiding de toegevoegde waarde van het team vergroten door internationaal de inzetbaarheid te verbreden via afzonderlijke modules en nationaal het specialisme voor binnenlandse bijstand beter op de kaart te zetten. Bovendien is Nederland dit jaar voorzitter van de regio Afrika-Europa-MiddenOosten van INSARAG (onderdeel van de VN-organisatie), voor humanitaire hulpverlening die wereldwijd de internationale rampenhulpverlening coördineert. Door Rob Jastrzebski / Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Fotografie Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

H

et voorzitterschap levert nogal wat internationaal overleg op en in november organiseert Nederland als gastland de regionale INSARAG-vergadering. Arjen Littooij, directeur van Veiligheidsregio RotterdamRijnmond is sinds 1 januari landelijk commandant van het Urban Search And Rescue-team, USAR.nl. Een belangrijk verschil met zijn voorganger Peter Bos is de scheiding van nationale en internationale taken in de commandofunctie. Carlo Post, directeur van Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid, heeft de portefeuille internationale betrekkingen en beleid in beheer gekregen. Een voorwaarde om zowel de nationale als de internationale taken de aandacht te geven die ze verdienen. ‘Leiding en sturing geven aan USAR.nl in de koude fase en het behartigen van alle internationale contacten is een erg forse workload op het bordje van de landelijk commandant’, stelt Littooij vast. ‘Daarom hebben we besloten die taakgebieden te splitsen. Anders bestaat het risico dat het internationale beleidsaspect erbij inschiet. Een praktische oplossing, in het belang van zowel de nationale als de internationale focus van USAR.nl.’ 42

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Internationale verbreding Waarin een klein land groot kan zijn: wereldwijd opereren 39 USAR-teams die door de VN zijn geclassificeerd. Dertig daarvan mogen zich ‘heavy’ noemen, wat betekent dat zij de zwaarst denkbare operaties in rampgebieden aankunnen. Het Nederlandse team is een van die dertig en dat legt de lat hoog. Periodiek moeten de teams via herclassificatie aantonen dat ze qua kennis, kunde en organisatie nog steeds aan de zware VNeisen voldoen. In 2017 wordt ook USAR.nl weer aan de toets der kritiek onderworpen. ‘Bij de vorige herclassificatie hebben we een rapport meegekregen, waaruit blijkt wat we goed deden en wat de aandachtspunten zijn. Dat zijn onder andere het borgen van administratieve zaken, basiskennis op het gebied van Safety & Security en goede decontaminatievoorzieningen’, vertelt group leader Kees van den Berg van USAR.nl. ‘Daarnaast zijn enkele internationale afspraken, de INSARAG guidelines, veranderd. Dan gaat het bijvoorbeeld om de methode waarmee je nog niet of deels verkende gebieden in kaart brengt en de internationale merktekens waarmee je aangeeft dat een pand is verkend en wat er is aangetroffen in het betreffende pand. Die zaken moeten we dit jaar goed borgen. In het najaar gaan we ze tijdens een grote oefening extra beoefenen.’

Brand&Brandweer


i ngezon den

Arjen Littooij (links) is landelijk commandant van USAR.nl. Carlo Post (rechts) is verantwoordelijk voor de internationale betrekkingen.

Tegelijk is het streven van het Nederlandse specialistenteam om de inzetbaarheid voor humanitaire hulpacties te verbreden. Carlo Post legt uit: ‘Nederland telt als klein land echt mee. Ons team opereert op het hoogste level en krijgt internationaal veel waardering. Vooral in commandovoering, coördinatie en logistiek zijn we sterk. Daadwerkelijke grote reddingsmissies bij rampen als aardbevingen zijn niet aan de orde van de dag. Om de toegevoegde waarde van USAR.nl te vergroten, willen we onderzoeken hoe we via het modulair inzetten van onze capaciteit, bij andere typen humanitaire rampen en crises onze kennis en kunde maximaal kunnen benutten. Modulaire inzet, bijvoorbeeld in de vorm van coördinatiecapaciteit, logistieke capaciteit of een reddingshondenteam, vergroot onze flexibiliteit. Het is een van de speerpunten waarop we ons de komende jaren nadrukkelijker gaan richten.’ Van den Berg legt uit dat een normale USAR.nl groep bestaat uit zestig leden, waaronder reddingswerkers, stafleden en ondersteunende eenheden. ‘Er zit veel kracht in ons team. Die kun je ook op een andere manier inzetten. Ons coördinatieteam kan bijvoorbeeld worden ingezet bij rampen die niets te maken hebben met instortingen. In feite maakt het niet uit of je de inzet bij instortingen coördineert of de inzet bij een andere operatie. In Nepal hebben we laten zien dat we dat kunnen. Onze coördinatie van de inzet is daar goed gewaardeerd. Maar we moeten nog wel precies op een rij zetten wat de consequenties van modulair inzetten zijn en of dat wellicht ook betekent dat we moeten bijscholen of er extra op moeten oefenen.’ Als regiovoorzitter van INSARAG wil Post daarnaast invulling geven aan een VN-verzoek om te onderzoeken hoe de internationale hulpcapaciteiten beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Onder andere door meer samen te werken met cross-border teams, teams die geen officiële VN-classificatie hebben, maar die in een getroffen naburig land belangrijke lokale ondersteuning kunnen leveren bij het ontsluiten van rampgebieden, het leggen van contacten en hand- en spandiensten. Nederlandse rampentaak Ook nationaal zijn er ambities voor verdere profilering. Bij het kraanincident in Alphen aan den Rijn in augustus vorig jaar is USAR.nl met twee van de vier reddingsgroepen ingezet. Littooij: ‘Gelukkig hoefden geen slachtoffers uit het puin van de ingestorte

Brand&Brandweer

woningen en winkelpanden te worden gegraven. Instortingen op kleinere schaal, onder andere als gevolg van gasexplosies, extreem weer of falende constructies zijn minder zeldzaam en ook daar kunnen de reddingsspecialisten toegevoegde waarde hebben.’ Eind februari zijn in Den Bosch de honden van USAR.nl ingezet bij het zoeken naar mogelijke slachtoffers in een ingestort pand. ‘Een van de vier operationele USAR-groepen is bij toerbeurt paraat voor inzet binnen Nederland. Het is logisch dat we zo’n goed getraind team met specialistische kennis en kunde niet alleen internationaal inzetten, maar dat die capaciteit ook binnen Nederland wordt benut’, aldus Littooij. ‘Nu de specialistische brandweertaken binnen Nederland via Specialistisch Optreden op Maat worden herschikt, is het goed om in de opschalingslijn de rol van USAR.nl te benadrukken. Dit jaar worden de vijf bovenregionale teams Specialistische Technische Hulpverlening geïmplementeerd, ter ondersteuning van de basisbrandweerzorg bij grote en complexe incidenten zoals instortingen en treinongevallen. USAR.nl is geen concurrent voor de STH-teams, maar levert toegevoegde waarde in kennis en specialistische uitrusting. Als de USAR-specialisten binnen Nederland frequenter en laagdrempeliger worden ingezet als specialistische ondersteuning, is dat niet alleen goed voor de opbouw van hun praktijkervaring maar zeker ook voor het redden van slachtoffers.’ Toekomst Flexibeler inzet via modulaire teams en een meer structurele rol bij complexe reddingsoperaties in Nederland zijn de sporen waarop USAR.nl zich de komende jaren focust. Arjen Littooij verwacht ook een verdere verbreding in specialisatie. Onder de coördinatie- en commandostructuur van USAR.nl kunnen ook andere reddingsspecialisaties worden opgetuigd. Littooij noemt waterredding bij grote overstromingen als voorbeeld. ‘Dat betekent dat we voor die taak moeten samenwerken met reddingsspecialisten van diensten als de KNRM en de reddingsbrigades. Dat is in lijn met het karakter van USAR.nl dat bij uitstek een multidisciplinair team is. Onze kracht is de combinatie van specialismen; brandweerlieden, artsen en verpleegkundigen, reddingshondenteams, bouwspecialisten en logistieke medewerkers. Op dit model kunnen we verder bouwen met aanvullende specialisaties. Die weg gaan we de komende jaren verder verkennen.’ ■

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

43


Veilig werken ligt in uw handen

Bestel nu de 31ste editie Chemiekaarten® Werken met chemische stoffen brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. De veiligheid van u en uw collega’s ligt letterlijk in uw handen. Met de nieuwste versie van Chemiekaarten® beschikt u over de meest complete en actuele informatie om veilig te kunnen werken met chemische stoffen en heeft u geactualiseerde kaarten met de meest recente etiketteringsgegevens bij de hand. Ook zijn de voor Reach noodzakelijke veilige grenzen (DNELs en PNECs) toegevoegd aan de nieuwste editie.

Meer informatie of bestellen? www.sdu.nl/chemiekaarten


B&B REGISTER

B&B Brand&Brandweer

vakblad voor brandweer, hulpverlening en rampenbestrijding

Vaste adverteerders (contract­ houders) worden gratis in één rubriek opgenomen voor een heel jaar. Heeft u ook interesse, stuur dan uw gegevens naar het aangegeven adres, zie bon.

Waar kunt u terecht voor producten en diensten? Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Advertentieverkoop: I.S.-acquisitie, tel. 06-23700323, www.is-acquisitie.com

Adviesbureau

Brandveiligheid

Geboorde brandputten

Stickers

Nieman Raadgevende Ingenieurs Postbus 40217 3504 AA Utrecht Tel. 030 2413427 Postbus 40147 8004 DC Zwolle Tel. 038 4670030 info@nieman.nl www.nieman.nl

P&G Safety     Burgerstraat 26 5311 CX Gameren Tel. 0418 561761 info@pengsafety.nl   www.PenGsafety.nl

Raaijmakers Bronbemaling Erfstraat 8 5408 SJ Volkel-Uden Tel. 0413 273065 Fax 0413 274190 info@raaijmakersbronbemaling.nl www.raaijmakersbronbemaling.nl

Letas Stickerservice Postbus 32016 6370 JA Landgraaf Tel. 045 5312580 Fax 045 5691700

Hulpverlenings­gereedschappen

Nooduitgang.nl     Doezastraat 37 2311 HA Leiden Tel. 071 3611628   Fax 071 3611869 info@nooduitgang.nl www.nooduitgang.nl

Adviesbureau brandpreventie Floriaan B.V. Postbus 220 5300 AE Zaltbommel Tel. 0418 573800 Fax 0418 573801 info@floriaan.nl www.floriaan.nl

Droogkasten & reinigingsmachines Laundry b.v. Industrieweg 10 Postbus 7015 3286 ZG Klaaswaal  Tel. 0186 572900 Fax 0186 573210 laundry@laundry.nl www.laundry.nl

Holmatro Rescue Equipment Postbus 33 4940 AA Raamsdonkveer Tel. 0162 589200 Fax 0162 522482 www.holmatro.com

Vluchtdeurbeveiliging

Ook wij willen opgenomen worden als bedrijf! Stuurt u mij vrijblijvend informatie over hoe mijn product of dienstverlening vermeld kan worden in deze rubriek. Bedrijf/organisatie Postadres Postcode/woonplaats Telefoonnummer Faxnummer Gewenste rubrieken

o per rubriek, per uitgave € 45,o per rubriek heel jaar (10 uitgaven) € 355,Prijzen exclusief BTW Datum

Handtekening

B&B Brand&Brandweer

U kunt deze bon inscannen en mailen naar: info@is-acquisistie.com. Voor deze en andere advertentiemogelijkheden in B&B, Ambulancezorg, Brandweer-, GHOR- en Veiligheidsregio-almanak e.a.: I.S.-Acquisitie, tel. 06-23700323, www.is-acquisitie.com

Brand&Brandweer

Sdu Uitgevers - nummer 4 april 2016

45


Brandweer rukt uit naar eigen kazerne De brandweer in Zaandam was begin maart wel erg dichtbij het vuur. Ze werden gealarmeerd voor brand in de eigen brandweerkazerne.

BRAND&BRANDWEER Brand&Brandweer is het vakblad voor brandweer, hulpverlening en rampenbestrijding, en het communicatiemagazine van Brandweer Nederland. April 2016 - nummer 4 jaargang 40 REDACTIE-ADRES

De technische dienst ontdekte de brand na het afgaan van het inbraakalarm. Terwijl de vrijwillige brandweerlieden werden gealarmeerd, zette de technische dienst de TS alvast klaar. Zo’n vijftien brandweerlieden kwamen er aan te pas om de brand te blussen. Bij een eerste onderzoek bleek de brand gestart te zijn bij een printer in het kantoor. Bron: noordhollandsdagblad.nl

Verbrande hond krijgt bijbaan bij brandweer Nog maar negen maanden was hond Jake toen hij in een brandend huis gevangen zat. De brandweer uit het Amerikaanse Hanahan redde hem niet alleen, maar zorgde ook dat hij een nieuwe bijbaan kreeg. Jake had brandwonden over zijn hele lichaam en zijn baasje wilde niets meer met hem te maken hebben. Een van de brandweerlieden besloot daarop de hond te adopteren en nu hij groter is, is Jake een ware brandweerhond. Regelmatig gaat hij op pad met de brandweerlieden of slaapt hij tijdens de nachtdiensten bij zijn baasje op de kazerne. Bron: metronieuws.nl

Brand&Brandweer t.a.v. redactiesecretariaat Brand&Brandweer, Postbus 20025, 2500 EA Den Haag, tel. (058) 2160862, e-mail: brand&brandweer@sdu.nl REDACTIE

Ing. Stephan J.M. Wevers, commandant brandweer Twente (voorzitter redactie) Drs. Albert-Jan van Maren, brandweer Gelderland-Midden Frans van der Veen, brandweer Gooi en Vechtstreek Marcel van Galen, hoofd risicobeheersing Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland Frank Huizinga, woordvoerder Brandweer Nederland Lucas de Lange, Vernieuwde repressie Veiligheidsregio Haaglanden Gerard Bouwmeester, vrijwilliger Veiligheidsregio Utrecht EINDREDACTIE

Wij van PS: Ingrid Spijkers, Jildou Visser e-mail: info@wijvanps.nl AAN DIT NUMMER WERKTEN MEE

Marcel van Galen, 112twente, PVS Fotografie, Jeugdbrandweer Assen, IFV, Meldkamer Noord-Nederland, Casper Ferwerda, Ginopress, Koen Laureij, Jolanda Haven, Marcel van Saltbommel, Ruud Houdijk, André Joosse, Peter Hofman, Brandweer Amsterdam-Amstelland, Brandweer Haaglanden, Rob Jastrzebski, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en USAR.nl. ONTWERP EN OPMAAK

SD Communicatie, Rotterdam DRUK

Wilco BV - Amersfoort UITGEVER

Sdu Uitgevers: Roel W. Roos Postbus 20025, 2500 EA Den Haag, e-mail: r.roos@sdu.nl BLADMANAGEMENT

Lijst van adverteerders

drs. Karel Frijters Postbus 20025, 2500 EA Den Haag, e-mail: k.frijters@sdu.nl ADVERTENTIE-ACQUISITIE

AEP International C4 Hytrans Systems BV 34 Laundry BV 4 OGZ C2 P&G Safety 4 Raaijmakers en Zn 4 SDU 4, 30, 34, 38, 44, C3 Smits BV 4

Tarieven, reserverings- en sluitingsdata voor (combinatie)advertenties in B&B, Ambulancezorg, Brandweer-, GHOR- en Veiligheidsregio-almanak e.a. op aanvraag beschikbaar bij: I.S.-Acquisitie, tel. 06-23700323, e-mail: info@is-acquisistie.com www. is-acquisistie.com Aanlevering van advertentiemateriaal bij loap@sdu.nl SLUITINGSDATA ADVERTENTIES EN BIJSLUITERS 2016

nummer Nr. 5 Nr. 6 Nr. 7/8 nr. 9

verschijning sluiting 07-05 12-04 04-06 10-05 02-07 07-06 03-09 09-08

Termijn van inzending:

3 weken voor verschijningsdatum ABONNEMENTEN

Opgave van abonnementen en adres-wijzigingen: Sdu Klantenservice, Postbus 20014, 2500 EA Den Haag, tel. (070) 378 98 80, fax (070) 378 97 83, e-mail: sdu@sdu.nl, www.sdu.nl/brandweer Vanwege de aard van de uitgave, gaat Sdu uit van een zakelijke overeenkomst; deze overeenkomst valt onder het algemene verbintenissenrecht. Het abonnement op Brand&Brandweer (10 nummers) kost 89 euro excl. BTW (94,34 euro incl. BTW). Deze prijs is inclusief verzendkosten. Prijs los nummer: 10 euro (incl. BTW). Een abonnement op B&B geeft tevens toegang tot B&B-digitaal, nieuwsdossiers, forum en het archief van B&B via www. brandenbrandweer.nl. Inlogcodes worden schriftelijk aan abonnees verstrekt. Prijs online-abonnement los: 74 euro excl. BTW (89,54 euro incl. BTW). Een abonnement geldt voor een jaar en wordt automatisch met een jaar verlengd, tenzij uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het abonnementsjaar schriftelijk wordt opgezegd bij Sdu Klantenservice (zie adres hierboven). Wilt u reageren op een artikel, of een onderwerp/artikel aandragen voor publicatie in B&B, neem dan contact op met de redactie via brand&brandweer@sdu.nl. De redactie houdt zich het recht voor artikelen in te korten dan wel journalistiek aan te passen. © Sdu Uitgevers 2016 Alle rechten voorbehouden. Alle auteurs­ rechten en databankrechten ten aanzien van deze uitgave worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers bv. Behoudens de in of krachtens de Auteurswet gestelde uitzonderingen, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Op al onze producten zijn onze leveringsvoorwaarden van toepassing. Zie hiervoor onze website www.sdu.nl Persoonsgegevens worden bewerkt voor de uitvoering van de (abonnements)overeenkomst en om u van informatie te voorzien over Sdu Uitgevers bv en andere zorgvuldig geselecteerde bedrijven. Indien u geen prijs stelt op deze informatie, kunt u dit schriftelijk melden bij Sdu Klantenservice. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden auteurs, redac­teuren en uitgever geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten of onvol­komenheden. ISSN 01656-4675

TERMIJN VAN ANNULERING:

6 weken voor verschijningsdatum

46

nummer 4 april 2016 - Sdu Uitgevers

Brand&Brandweer


Aan de slag met veiligheidseisen en -cultuur

11, 26 mei en 14 juni 2016

Driedaags seminar Health, Safety & Environment Bent u op de hoogte van alle actuele wet- en regelgeving rondom veiligheid en arbo? Sdu heeft een serie verdiepingscursussen ontwikkeld rond deze thema’s: → Veiligheidscultuur (11 mei 2016) → Risicobeheersing en certificering (26 mei 2016) → Aansprakelijkheid en implementatie verbetering na ongevallen (14 juni 2016)

Meer informatie via sdu.nl/hse-seminar


ZIE HET VERSCHIL

DE NIEUWE MI-TIC S VAN ARGUS – DE BESTE TECHNOLOGIE EENVOUDIG INZETBAAR Extreem lichtgewicht

NFPA 1801-2013 certificering

Ongeëvenaarde beeldkwaliteit met Dynamic Scene Enhancement™ (DSE)

AEP International B.V. Van Hennaertweg 9, 2952 CA ALBLASSERDAM t: +31(0)78 692 2100

e: sales@aepint.nl www.aepint.nl

argus thermal imaging t: +44 (0) 01225 896 708 www.argusdirect.com

Profile for Sdu Brand & Brandweer

Bb201604  

Bb201604