Page 1

www.scooptrainingen.nl

ZEG EENS IETS ZINVOLS - eerste hulp bij dialogen over zingeving, ethiek, levensvragen en geloof -

door Marcel Hoek 2005

auteur Marcel Hoek werkt als trainer & coach voor Scoop trainingen (Zwolle). Hij is opgeleid tot socratisch gespreksleider en verzorgt jaarlijks voor een twintigtal teams intervisiebegeleiding en teamontwikkeling. Daarnaast is hij staffunctionaris zingeving en ethiek binnen de jeugdzorg in Overijssel.

Onderstaand werkboekje mag vrij gebruikt worden. Het is echter niet de bedoeling dat iets van deze uitgave wordt toegepast voor commercieel gebruik. Alle informatie in deze uitgave wordt beschouwd als ‘free content’ en mag derhalve niet voor eigen gewin verspreid en verkocht worden.

1


Ten geleide

Enige jaren geleden ben ik begonnen met het verzorgen van gesprekken over zingeving, ethiek, levensvragen en geloof binnen verschillende teams die in de jeugdzorg werkzaam zijn. Veel beslissingen die de deelnemers aan de gesprekken dagelijks nemen, hebben immers te maken met normen, waarden, levensvisies, zingevingstrategieën en geloofsovertuigingen. Ik bedoel hier de dieptestructuur, de diepere gronden en drijfveren van een groep mensen die samen een belangrijke verantwoordelijkheid hebben voor het welzijn en welbevinden anderen. Opvallend is steeds weer dat die dieptestructuur niet vanzelfsprekend onderwerp van gesprek is. Menigmaal blijft een team hangen in de conventie, het beleefd en vriendelijk converseren zoals het hoort. Men is aardig en beleefd voor elkaar. Daarnaast kiest men in overlegsituaties juist voor de retoriek; de discussie en het debat, het overtuigen en overtuigd worden op basis van de beste argumenten. Niet zelden komen irritaties en frustraties om de hoek kijken tijdens een discussie. Iedereen heeft immers goede argumenten. Maar waar komen die argumenten eigenlijk vandaan? Zelden wordt er tijd vrij gemaakt voor echte dialectiek; de dialoog, waarin samen luisterend wordt gereflecteerd over de eigen en andermans bronnen en motieven van leven en werken. Wanneer dat wel gebeurt, komen mensen vaak dichterbij de werkelijke richting van waar men met elkaar naar toe wil. Levenservaring kan in een dialoog worden geïntegreerd tot een kracht waar een team uitvoerig uit kan putten. Maar dat gaat niet vanzelf.

Wanneer je in de Google-zoekmachine het woord ‘burnout’ intikt krijg je in eerste instantie ongeveer 1,6 miljoen hits. Dat is geen onbetekenend cijfer. Een significant deel van de mensen die in de zorg werkzaam zijn, branden op. Wanneer men namelijk verantwoordelijk is voor het welzijn van anderen binnen het kader van een organisatiestructuur, een taakfunctieomschrijving en een groep collega’s, bestaat het risico dat men aan de eigen bronnen van een zinvol bestaan voorbij gaat. Men begint en eindigt bij de ander en verliest zichzelf uit het oog, met alle gevolgen van dien op de langere termijn. Ergens bestaat er namelijk een onzichtbaar lijntje tussen overleven en zingeven. Werk kan zeker heel veel toevoegen aan de zin voor het bestaan, maar indien verkeerd ingezet, het leven juist zeer effectief ondermijnen.

2


Overleven versus Zingeven

Onder zingeving versta ik het menselijke streven naar welzijn en welbevinden. Overleven is juist het negatief tegenovergestelde van zingeven. Overleven impliceert het je handhaven, je hoofd boven water houden. Zoals er overlevingsstrategieën zijn (denk aan vluchten, vechten, verdringen, vermijden), bestaan er ook zingevingstrategieën (meditatie, humor, sport, reflectie, ontspanningsoefeningen, enzovoort). Mensen willen wel dat het goed met hen gaat (welzijn) en ze willen zich ook graag goed voelen (welbevinden), maar toch lukt dat lang niet altijd. Geluk is geen automatisch gegeven, niet thuis en niet op het werk. In de huidige tijdsgeest ligt de nadruk vaak op ‘doen’ en veel minder op ‘zijn’. Presteren, verwerven en functioneren zijn menigmaal belangrijker dan bezinnen, reflecteren, of mediteren over de eigen ‘state of being’. Niet zelden wordt deze vorm van reflectie afgedaan als navelstaren. Die visie heeft een duidelijke weerslag op de arbeidsethos. Het zijn kwaliteiten, vaardigheden en deskundigheid die worden geëist in de taakfunctieomschrijving. Daar worden mensen voornamelijk op beoordeeld in hun werk. Wanneer de norm voor het functioneren echter steeds verder van de persoon af komt te liggen, wordt de noodzaak om het hoofd boven water te houden groter. Het fenomeen burnout is geen ongrijpbaar, rondwarend, spook dat hier en daar volkomen willekeurig toeslaat. Een burnout is veel meer een wetmatigheid. Degene die de eigen bronnen en motieven van zinvol leven en werken veronachtzaamt, krijgt er vroeger of later mee van doen. Maar wat is dat, zinvol? Voor de een betekent dat iets heel anders dan voor de ander. Dat is nu precies de bedoeling van het dialectische gesprek, ofwel de dialoog. Samen met een groep collega’s afstand nemen van de dagelijkse hectiek van het werk om bewust te worden van de eigen en elkanders normen, waarden, overtuigingen, visies, idealen, tradities, gewoonten, nukken, kwaliteiten, motieven en zingevingstrategieën. Deze dialoog kan enerzijds een psychohygiënisch en stressreducerend effect hebben op de afzonderlijke deelnemers, anderzijds de groep als zodanig integreren en verdiepen tot een grotere samenhang. Tevens neemt de deskundigheid ten aanzien van existentiële onderwerpen toe en wordt de levensbeschouwelijke overdracht naar cliënten toe geoptimaliseerd.

3


Werkvormen

Voor u ligt een werkboekje waarin 12 werkvormen opgenomen zijn die bruikbaar zijn in een groepsdialoog. De werkvormen kunnen gebruikt worden ten behoeve van teamontwikkeling, stressreductie, deskundigheidbevordering en het verbeteren van de levensbeschouwelijke overdracht aan anderen.

Overleven kan met de nodige zorg en aandacht omslaan in zingeven!

Sommige werkvormen zijn bekend vanuit de therapie en de teamontwikkeling, anderen zijn nieuw en zelf ontwikkeld.

1. Inleidend integratief gesprek over zingeving, ethiek, levensvragen en geloof 2. Levenslijn 3. Cognitieve schema’s 4. Praktisch ethische benadering 5. Fascinaties, levensmotto’s en geloofscredo’s 6. Identiteit 7. Levensvragen 8. Rouwverwerking 9. Kwaliteitskwadrant 10. Symbolen en rituelen 11. Humor 12. Stress versus welzijn en welbevinden

Elke werkvorm bevat een inleiding waarin basale informatie over het thema wordt gegeven. Daarnaast zijn er de nodige opdrachten en vragen verwerkt. Elke werkvorm bevat tevens een instructie (I) voor de dialoog. Om te beginnen zijn er een aantal spelregels uitgewerkt om de dialoog in goede banen te leiden. Daarnaast is er nog een kapstokje met existentiële vragen bijgevoegd om de dialoog zo nodig te verdiepen.

4


Spelregels dialoog

1. Er wordt een gesprekleider aangewezen. Deze onthoudt zich van inhoudelijk reageren, maar bewaakt het integratief proces. Hij, of zij, zorgt dat iedereen voldoende aan bod komt, respect betoond voor de opvattingen van anderen en de persoonlijke inbreng weer vertaald in nieuwe vragen.

2. Er moet een bepaald existentieel gehalte in het gesprek gebracht worden. Iedereen interpreteert namelijk naar eigen maatstaven en gedachten. Zo kan de waarde ‘vertrouwen’ bijvoorbeeld door verschillende deelnemers heel anders uitgelegd worden. Belangrijk is om eerst duidelijk te krijgen wat iedereen onder ‘vertrouwen’ verstaat om vervolgens samen te filosoferen over het wezenlijke, het eigene, in het fenomeen ‘vertrouwen’.

3. Iedereen bepaald en bewaakt zelf de grenzen aan wat hij, of zij, wil delen en wat niet. Toch kunnen emoties soms die grenzen overstijgen. Wanneer iemand emotioneel wordt, is het de taak van de gespreksleider om in overleg met de betreffende persoon en het team desgewenst een pauze in te lassen, de beurt door te geven, of al naar gewenst ruimte te scheppen voor een toelichting.

4. Er moet ten aller tijden respect voor de opvattingen van de anderen betoond worden. Tevens moet er sprake zijn van een zekere emotionele veiligheid binnen een groep die aan een existentiële dialoog begint.

5. De werkvormen werken als een kapstokje voor het gesprek, ze zijn slechts middel tot het inleiden van een dialoog. De dialoog moet gevolgd worden, de werkvorm is van ondergeschikt belang.

6. Luisteren, overdenken, bevragen, reflecteren en filosoferen zijn de basisingrediënten voor een dialoog. Argumenteren, discussiëren, overtuigen en debatteren moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden.

7. Er moet goed afgesloten worden. Een laatste rondje met een korte samenvatting van het gesprek is wenselijk. Tevens moet gevraagd worden of mensen nog de laatste losse eindjes aan elkaar willen knopen.

5


8. Het is wenselijk om een existentiĂŤle dialoog te voeren met minimaal vier en maximaal acht personen. Minder dan vier personen levert te weinig input op, terwijl meer dan acht deelnemers het gevoel van veiligheid binnen de kleine groep kan ondermijnen. Mensen kunnen zich dan verstoppen.

9. Het eigen oordeel mag in het gesprek zo veel mogelijk opgeschort worden (Uitgesteld, niet uitgesloten). Het direct ventileren van het eigen oordeel leidt tot retoriek en discussie. Door ruimte en tijd in te bouwen bij het oordelen, kunnen nieuw begrippen en ideeĂŤn ontstaan.

10. Eigen denkbeelden mogen tegen het licht gehouden worden en zonodig bijgesteld.

11. Probeer te denken in vragen, niet in antwoorden.

Trias principias (drie leidende principes)

Een principe kan beschouwd worden als uitgangspunt en kader in termen van waarden. De volgende drie principes moeten steeds herkenbaar zijn binnen alle gesprekken die in het kader van teamontwikkeling gevoerd worden. 1. Het communicatieprincipe; Wordt er gekozen voor conventie (beleefd converseren), retoriek (discussie en debat), of dialectiek (dialoog)? Er wordt gestreefd naar de dialoog, maar conventie en debat kunnen ook ingezet worden ten behoeve van de goede sfeer en de helderheid in standpunten. Men moet zich wel ten alle tijden bewust zijn van het spoor dat men volgt. 2. Het zingevingprincipe; Men streeft gezamenlijk naar meer welzijn en welbevinden in het werk. Men probeert het goede voor zichzelf en elkaar te zoeken en te versterken. Er is zorg voor elkaar. 3. Het rechtvaardigheidsprincipe; Rechtvaardigheid is het cement van elke vorm van samenleven, samenwerken en samenspreken. Zonder rechtvaardigheid valt elk gesprek uit elkaar!

6


Existentieel bevragen

De volgende vragen kunnen behulpzaam zijn bij het voeren van een dialoog.

Beschrijvende vragen; - Wat is X volgens jou? (kenmerken) - Hoe zou je X omschrijven? (definitie) - Heb je te maken gehad met X (voorbeeld, ervaring) - Wat is het wezen van X? (existentie)

Verdiepende vragen; - Is X een soort Y? (overeenkomsten, synoniemen) - Zijn er verschillende soorten X? (contrast) - Is Y een woord dat je zou gebruiken in verband met X? (relatie) - Zijn X en Y dezelfde dingen? (verwantschap)

Controle vragen; - Wat is het verschil tussen X en Y? (verschillen in kenmerken) - X is dus iets heel anders dan Y? (uitsluiting)

7


Werkvorm 1; inleidend integratief gesprek over zingeving, ethiek, levensvragen en geloof

Een integratief gesprek is een dialoog waarin levenservaring, know-how, persoonlijke moraal en gevoelens worden uitgewisseld op een manier dat er een gezamenlijke verdieping van de begrippen (fenomenen) ontstaat. Dit in tegenstelling tot een additief gesprek waarin enkel vastomlijnde informatie wordt overgebracht zonder dat er een reflectieve wisselwerking mogelijk is. Van een integratief gesprek is vooraf niet te zeggen welke wending het gespreksonderwerp zal nemen, terwijl dit in een additief gesprek wel duidelijk vastligt. In een integratief gesprek kan er iets komen ‘bovendrijven’ uit de dieptestructuur van het team. Een onderwerp dat sluimert, maar wel significant is voor de deelnemers. Juist die sluimerende onderwerpen worden aangegrepen om elkaar existentieel op te bevragen. Een additief gesprek gaat meer in de trend van; “dit is de boodschap, heeft iemand nog opmerkingen?” Zo ja, dan worden deze vakkundig weerlegd. Een integratief gesprek zal leiden tot begrip en verdieping, een additief gesprek tot niet meer dan kennisoverdracht.

I.

Onderstaande vragen worden gebruikt om de dialoog in te leiden. Het is de bedoeling dat elke deelnemer een thema (zingeving, ethiek, levensvragen, of geloof) voor zijn, of haar, rekening neemt en inbrengt in het gesprek. Na een korte tijd van bezinning op de definities en vragen, leest iemand de betreffende definitie en vragen voor. Hij, of zij, gaat de vragen vanuit eigen perspectief toelichten. De deelnemers luisteren goed naar die inbreng om vervolgens eigen vragen en inzichten naar voren te brengen. Uiteindelijk filosofeert men over de existentie van de termen die ter tafel gekomen zijn. Wanneer men een thema afdoende heeft besproken, kan een nieuw thema worden aangesneden. Thema’s worden door de gespreksleider bijvoorbeeld met de klok mee rond de tafel toegekend. Wanneer er meer dan vier deelnemers participeren, begint het toekennen weer van vooraf aan. Zodoende zijn er een aantal die hetzelfde thema inbrengen, terwijl anderen een volgend thema ter tafel brengen. De ervaring leert dat het gesprek zal gaan integreren. Zingeving, ethiek, levensvragen en geloof zijn wel te onderscheiden, maar niet scheiden.

8


Zingeving

Het universele streven van de mens naar welzijn en welbevinden (geluk).

Het streven naar geluk is een universeel menselijk gegeven. De wijze waarop men dat doet is echter persoonlijk (zingevingstrategie). ZingevingstrategieĂŤn zijn zeer uiteenlopend. Zingeving kan een geloof, of levensfilosofie behelzen, maar ook tot uiting komen in een gewoonte, fascinatie, of ritueel. Het zoeken naar troost is een menselijke behoefte die welzijn en welbevinden moet herstellen bij een verstoring van persoonlijk geluk.

-

Heb je een gewoonte, of (dagelijks) ritueel dat de zin van je leven versterkt?

-

Welke wetenschap troost jou in dit leven?

Ethiek

Bezinning, reflectie op heersende normen en waarden.

Een waarde is een kostbaar persoonlijk, of maatschappelijk belang. Een heersende opvatting aangaande de (on)wenselijkheid van bepaald gedrag (goed en kwaad). Een norm is een kader, de bescherming van de waarde (gedragsregels, wetten).

-

Welke waarde vind je heel belangrijk?

-

Welke norm zou men in de samenleving beter moeten handhaven?

(Waardenset) Vertrouwen, Respect, Betrokkenheid, Veiligheid, Verantwoordelijkheid, Autonomie, Kwetsbaarheid, Empathie, Privacy, Zelfstandigheid, Eerlijkheid, Openheid, Inventiviteit, Creativiteit, Flexibiliteit, Doorzettingsvermogen, Redelijkheid, Enthousiasme, Assertiviteit, Effectiviteit, Verdraagzaamheid, Solidariteit, Integriteit, Authenticiteit, Dienstbaarheid, Doordachtheid, Fijngevoeligheid, Geduldigheid, Gemoedelijkheid, Vrijgevigheid, Hulpvaardigheid, Loyaliteit, Ontspannenheid, Openhartigheid, Vredelievend, Spontaniteit, Oprechtheid, Nauwgezetheid, Standvastigheid, Vastberadenheid

9


Levensvragen

ExistentiĂŤle vragen, zijns- en wezensvragen aangaande verschillende aspecten van het (eigen) leven.

Vragen naar dood, ziekte, oorsprong, bestemming, de zin van het lijden, loopbaan, relationele verbanden. Deze vragen kunnen bestaan op het niveau van het eigen leven, of op het niveau van het leven in de algemene zin (mensheid).

-

Welke levensvraag heeft jouw aandacht (gehad)?

-

Houd je levensvragen dichtbij (eigen leven), of juist meer op afstand (de hele mensheid)?

Geloof

Het geheel van iemands visies en overtuigingen dat het leven probeert te duiden en te verklaren vanuit een al dan niet metafysisch (bovennatuurlijk) perspectief.

Geloof kan; ~ persoonlijk, of sociaal bepaald zijn (eigen zoektocht, traditie, beide). ~ relationeel van aard zijn, of niet (God, of visie). ~ overdrachtelijk zijn naar persoonlijke ethiek, of niet (christelijke normen en waarden).

-

Heeft geloven wat jou betreft zin?

-

Is jouw geloof, of levensfilosofie sociaal bepaald, relationeel van aard en overdrachtelijk naar je normen en waarden?

10


Werkvorm 2; levenslijn

Gebeurtenissen hebben een enorme invloed op het menselijke geluk. Soms kun je gebeurtenissen naar je hand zetten, maar meestal niet. Dit maakt de mens kwetsbaar en klein. Je kunt je leven wel in sterke mate beïnvloeden, maar uiteindelijk nooit controleren. We hebben wel mechanismen ontwikkeld om zoveel mogelijk controle te behouden, om de balans niet in negatieve zin te laten doorslaan. Denk aan het geloof in God, of juist in het ‘lot’. De beheersing van angsten. Het creëren van emotionele en fysieke veiligheid. Het organiseren van sociale steun. Voorbereiding, training, opleiding….Etc. Toch kan het welzijn en welbevinden in het leven van het ene op andere moment ondermijnd worden door een onverwachte gebeurtenis.

Ik was een lachend, dansend en gillend meisje. Mijn ouders hebben mij behandeld alsof ik de laatste druppel water in hun handen was. Ik hoefde de ster maar aan te wijzen die ik wilde, en dan kreeg ik die. Maar opeens kwam de oorlog op de Balkan en die beroofde ons van ieder besef van een normaal leven. In die tijd studeerde ik in Sarajevo Servo-Kroatische taal en literatuur. Bij de lokale televisie haalde ik de taalfouten uit het nieuws, daarna werd ik presentatrice. Toen de oorlog in Sarajevo uitbrak, werden mijn collega’s en ik door een groep gewapende mannen gevangengenomen. Een andere groep heeft ons na 24 uur bevrijd. We hebben aan geen van beide partijen gevraagd wie ze waren. Het waren mensen met sokken op hun hoofd en grote wapens in hun handen. Lidija Zelovic (1970)

Het tegenovergestelde is natuurlijk ook waar. De zon kan gevoelsmatig doorbreken wanneer je bijvoorbeeld slaagt voor een begeert diploma, een levenspartner vindt, je pasgeboren baby in je armen houdt, ….. Dit zijn vaak natuurlijke momenten waarop we reageren met rituelen en feesten. We vieren het leven met hen die ons dierbaar zijn.

11


Positieve gebeurtenissen +

G

levenslijn

> _

Negatieve gebeurtenissen

Opdracht; Noteer twee gebeurtenissen (met datum, of leeftijd) boven de levenslijn die je leven positief hebben beïnvloed. Noteer tevens twee gebeurtenissen die welzijn en welbevinden in je leven hebben ondermijnd. Hebben deze gebeurtenissen een plaats gekregen in je leven (heb je ze verwerkt?).

Kanttekeningen; -

G = geboorte,

-

> een lang en gelukkig leven,

-

+ positieve gebeurtenissen,

-

- negatieve gebeurtenissen.

-

Op de lange termijn kan de lading van een gebeurtenis veranderen.

-

Bezinning op de impact van gebeurtenissen op welzijn en welbevinden kan een psychohygiënische uitwerking hebben!

I.

Iedereen brengt na enige tijd van reflectie twee gebeurtenissen ter tafel die zijn, of haar, leven positief, of negatief hebben beïnvloed. Men luistert naar elkaar en bevraagt elkaar op de impact die de gebeurtenissen hebben gehad. De gespreksleider vraagt wie er wil beginnen en wie er vervolgens door wil gaan. Uiteindelijk zouden de volgende existentiële vragen besproken kunnen worden. Wat is verwerken eigenlijk? Bestaat het fenomeen ‘verwerken’ eigenlijk wel?

12


Werkvorm 3; cognitieve schema’s

Cognitieve schema’s zijn zeven menselijke psychische behoeften die veel invloed hebben op de wijze waarop men streeft naar welzijn en welbevinden (geluk). Cognitieve schema’s beïnvloeden de wijze waarop we omgaan met zingevingstrategieën. Uiteindelijk wordt de teamhouding gekleurd door de som van accenten die een ieder legt.

Cognitieve schema’s Vertrouwen

Invloed

Zelfstandigheid Intimiteit

Veiligheid

Waardering Samenhang

Kanttekeningen;

-

Alle schema’s spelen voor iedereen een rol. Ze zijn voor een ieder herkenbaar.

-

Iedereen legt echter eigen accenten.

-

Iedereen beschermt eigen accenten.

-

Verschillende combinaties van accenten zijn mogelijk.

-

In conflicten vinden gelijkgestemden elkaar snel.

-

Met tegenpolen ontstaan eerder spanningen/conflicten juist omdat er andere accenten worden gelegd.

-

Een groep gelijkgestemden is snel harmonisch.

-

Een groep gelijkgestemden loopt wel het risico symbiotisch te worden (naar binnen gekeerd).

-

Een groep tegengestelden kan vaak goed zelfstandig functioneren.

-

Een groep met tegenstellingen is sneller gefragmenteerd (spanningen).

Positief

negatief

Harmonisch team

Symbiotisch team

Gelijkgestemden

Niet gelijkgestemden Zelfstandig team

Gefragmenteerd team

13


Cognitief

Metafoor

Profiel

Voorbeeld

steunt op eigen inbreng,

Johan Cruijf

schema Zelfstandigheid Vrijbuiter

zoekt eigen weg Vertrouwen

Herder

steunt op inbreng/kwaliteit van

Wim Kok

anderen Invloed

Beheerder

stuurt anderen aan

Jan Timmer

Familyman

zoekt sociale kaders op

Wim van

(macht) Intimiteit

Hanegem Veiligheid

Opzichter

beschermt sociale kaders

Waardering

schoolmeest zoekt/geeft respect

Dick Advocaat JP Balkenende

er Samenhang

Netwerker

zoekt sociale

Jan Pronk

verbanden/structuren

I.

Alle deelnemers aan het gesprek hebben zeven kaartjes voor zich waar de verschillende cognitieve schema’s op geschreven staan. Ieder legt de kaartjes in een eigen compositie voor zich op tafel. Uit de compositie blijkt welke schema’s voor iemand meer, of minder, gewicht hebben en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Iedereen licht zijn, of haar, compositie in de groep toe. De anderen geven feedback op de toelichting. Is deze consistent, herkenbaar, of juist niet. Nadat iedereen aan bod gekomen is, wordt er gereflecteerd over de teamcompositie. Ligt het accent van een team uiteindelijk op zelfstandigheid, harmonie, fragmentatie, of symbiose. Welke trekken zijn het meeste terug te vinden binnen het team?

14


Werkvorm 4; praktisch ethische benadering (PEB)

Binnen het intermenselijke contact is er constant sprake van overdracht. Overdracht van informatie, normen, waarden, gedragscodes, overtuigingen, visies, opinies, gevoelens, denkbeelden, tradities, ervaringen, enzovoort.

De overdracht is wederzijds en twee, of meer partijen beĂŻnvloeden elkaar voortdurend. Wanneer binnen dat overdrachtskader boodschappen gaan botsen en frustreren, dan spreken we van confrontaties.

Confrontaties in de overdracht kunnen opbouwend, verdiepend, maar ook afbrekend zijn. Een confrontatie kan verschillende niveaus hebben;

Niveau;

Confrontatie;

Spanning

is goed oplosbaar

Conflict

is met veel moeite en inzet oplosbaar

Dilemma

is nauwelijks of niet oplosbaar

Wanneer in de overdracht bijvoorbeeld verschillende waarden met elkaar in confrontatie komen dan kan er een ethische kwestie (vraagstuk) ontstaan. Wanneer een ethische kwestie in de hulpverlening speelt kunnen meerdere partijen betrokken zijn;

-

CliĂŤnt

: het kind, de jongere

-

Context

: de ouders, de familie

-

Werker

: de individuele groepsleider

-

Team

: de groepsleiding van een unit gezamenlijk

-

Staf

: verantwoordelijk voor de behandeling van de cliĂŤnten

-

Organisatie

: het management

-

Samenleving : de buurt, het dorp/de stad

Elk niveau heeft zijn eigen belangen!

15


In het geval van een (dreigende) ethische kwestie is het raadzaam om de situatie tijdig en goed te analyseren om polarisatie en escalatie (dilemma bevorderende mechanismen) te voorkomen.

De praktisch ethische benadering kan de verschillende betrokkenen helpen bij het maken van een, voor het eigen geweten, ethisch zo verantwoord mogelijke beslissing. De PEB is niet meer en minder dan een ethisch stappenplan. Het is een hulpmiddel, het eigenlijke ethische gesprek kan afwijken van de benadering. Het gaat immers om de bewustwording.

Praktisch ethische benadering PEB;

- feitelijke weergave van de situatie; (objectief, niet subjectief)

- inventarisatie van de waarden die in het spel zijn; (bijvoorbeeld respect, eerlijkheid, vertrouwen, etc…….)

- taxatie van het niveau van de confrontatie; (spanning, conflict, dilemma)

- betrokken partijen; (cliënt, context, werker, team, staf, organisatie, samenleving)

- belangen van de verschillende partijen; (beweegredenen)

- tegengestelde belangen; (lijnen tekenen)

- formuleren van de ethische kwestie; (de gewetensvraag; mag/moet ik…..?)

- inventarisatie van de opties; (ja/nee, ik mag/moet … altijd/nooit… tenzij/als)

16


- verantwoording van de ethische keuze; (welk normenkader ligt ten grondslag aan de keuze)

- eventuele gevolgen van de ethische keuze;

- actie; (wat te doen, door wie en wanneer)

- resultaat; (evaluatie van de ethische kwestie; is er sprake van ontspanning en deëscalatie, of juist van verdere polarisatie en escalatie)

- nieuwe analyse nodig?

I.

Iedereen brengt een casus naar voren. Samen kiest het team vervolgens een casus uit die gezamenlijk besproken wordt volgens de PEB. Deze vorm voor het bespreken van ethische kwesties kan beschouwd worden als ‘ethisch beraad’. Wanneer ethische kwesties spelen in het werk, of in de organisatie, is het raadzaam om een ethisch beraad te beleggen met de verantwoordelijke personen.

17


PEB

Feitelijke weergave situatie casus;

Inventarisatie waarden;

Taxatie niveau van confrontatie; (spanning/ conflict/ dilemma)

Betrokken partijen

Belangen

Tegenstellingen (lijnen tekenen)

CliĂŤnt

Context

Werker

Team

Staf

Organisatie

18


Samenleving

Formuleren gewetensvraag; (Mag/moet ik……?)

Beantwoorden gewetensvraag; (Ja/Nee, ik mag/moet, ...altijd/nooit, …tenzij/als)

Verantwoording; (wie/wat beweegt mij naar die keuze)

Gevolgen?

Actie?

Resultaat? (escalatie/deëscalatie, polarisatie/verbroedering)

Nieuwe analyse nodig?

19


Werkvorm 5; fascinaties, levensmotto’s en credo’s

Beelden

Beelden en indrukken zijn wezenlijk in ons bestaan. De hele dag door hebben we er mee van doen. Beeldvorming noemen we het onder andere. Veel beelden laten we aan ons gebeuren, maar soms grijpt een beeld aan, of fascineert het ons.

Beelden doen dan een appèl op het gevoel van welzijn en welbevinden. Zo kun je ‘kapot’, of ‘verrukt’ zijn van bepaalde beelden.

De media leveren ons giga-veel beelden. Via TV, internet, kranten en tijdschriften komt de hele wereld tot ons. Beelden worden sterker naarmate ze worden vergezeld door geuren en geluiden (ook muziek). Ze werken zo van buiten naar binnen. Zo kan de geboorte van een kind altijd op ‘iemands netvlies’ gebrand staan. Maar eveneens een vliegtuig dat zich in een wolkenkrabber boort. Sommige beelden negeren we om ons zelf te beschermen, andere worden achteloos weggeschreven en vergeten. Soms gebeurt het ook dat een beeld een eigen leven gaat leiden in onze verbeelding, zonder dat we het met eigen ogen gezien hebben. Wanneer mensen ouder worden, kunnen bepaalde beelden uit hun leven gaan opspelen, terugkeren. Herbeleving noemen we dat ook wel. Het is zinvol om indringende beelden te ordenen, een plaats te geven, of te verwerken. Onder verwerken kan in dit verband verstaan worden het geconfronteerd worden met beelden zodanig dat ze geen belemmerende invloed (meer) uitoefenen op het functioneren. Persoonlijke fascinaties kunnen een psychohygiënisch effect hebben op dit proces.

Fascinaties

Fascinaties duiden vaak op een persoonlijke onderstroom aan interesse. Zo kan een fascinatie voor auto’s te maken hebben met een werkelijke fascinatie voor snelheid, of juist voor esthetiek, techniek, of nostalgie.

Fascinaties werken in tegenstelling tot beelden juist van binnen naar buiten toe. Iemand met de fascinatie voor de natuur kan ontdekken dat zijn persoonlijke fascinatie in die natuur eigenlijk te maken heeft met het fenomeen ‘stilte’. Door geregeld de stilte op te zoeken kan hij beelden sneller en beter verwerken.

20


Voor iemand anders kan er juist een hele ander fascinatie behulpzaam zijn om psychisch gezond te blijven.

Wanneer we gezond eten en regelmatig bewegen hebben we immers de meeste kans op een gezond lichaam. Voor de psyche is dit niet anders. Wanneer men zich bewust is van wat iemand raakt, of fascineert en waarom, kunnen gevoelens van welbevinden beschermd, of juist versterkt worden. Het persoonlijk welzijn kan zodoende toenemen.

Fascinaties zijn doorgaans zingevend, maar kunnen ook ongezond en afbrekend zijn. Voor iemand zelf, of diens omgeving. De ethiek (norm/wet) reguleert altijd de beleving van de fascinatie.

Waarnemen

We nemen beelden waar. Maar zie je altijd wat er werkelijk (gaande) is? Soms zie je wat denkt, soms zie je wat je voelt, soms zie je wat je hoopt te zien.

Het Griekse woord voor beeld is eikon.

Waarnemen van beelden kan op een iconografische en iconologische wijze geschieden. De eerste vorm van waarnemen beperkt zich tot het weergeven van wat er feitelijk zichtbaar is. De tweede vorm van waarnemen interpreteert het beeld.

Vaak wordt het waarnemen beperkt tot iconologisch waarnemen. Men ziet wat men denkt, voelt, of hoopt te zien. Wanneer echter iconografisch waarnemen aan de interpretatie vooraf gaat, wordt de betekenis van het beeld zuiverder waargenomen.

Op die manier leer je meer over de waargenomen realiteit, maar ook over de eigen beleving van die zelfde werkelijkheid. Waarnemen wordt observeren.

Het gevoel van welbevinden neemt doorgaans toe wanneer men de werkelijkheid zuiverder kan duiden en men tegelijk verstaat wat die werkelijkheid met ons doet! Waarnemen vraagt training! Interpretatie vraagt om zelfkennis!

21


Levensmotto’s

Levensmotto’s zijn vaak wijsheden die tijdens het leven opgedaan zijn. Niet zelden in iemands jeugd. Ze drukken vaak een gevoel, of een richting uit van waar het leven over moet gaan. Wat belangrijk is in het leven en wat belangrijke thema’s zijn om mee te rekenen.

Levensmotto’s drukken dus op een creatieve manier uit wat belangrijke waarden voor iemands leven zijn! Soms is een motto de expressie van een bepaalde waarde. Soms een draagt het motto juist een waarde over.

Levensmotto’s kunnen ontleend worden aan; spreuken, gezegden, tegeltjeswijsheden, bijbelteksten, spreekwoorden, liederen, literatuur, gedichten……….Enzovoort.

Voorbeeld:

Tevreden zijn is een geluk, tevreden blijven is een meesterstuk!

Ouder : spreuk drukt de waarde van ‘tevredenheid’ uit. Kind

: leert dat tevreden zijn belangrijk is.

Als een levensmotto een gebod/verbod wordt, dan is het motto zelfs verheven tot norm.

Opdracht;

- Kun je een beeld bedenken dat je altijd zal bijblijven? (Dat kan uit de media zijn, maar ook uit het eigen werk, of leven).

- Kun je een fascinatie van jezelf beschrijven? Doe je wat met deze fascinatie? Hoe versterkt de fascinatie je welzijn en welbevinden?

- Probeer onderstaande foto iconografisch en iconologisch te beschrijven. (Wat zie je werkelijk en wat betekend het feitelijk)

- Heb je een levensmotto? Stamt die uit je opvoeding, of heb je die zelf gelanceerd?

22


Credo betekent in het Latijn; ik geloof

Een geloofscredo is niet per definitie een levensmotto. Een motto drukt een waarde en/of norm uit. Een credo is een expressie van een geloofsinhoud. Geloof impliceert een duiding van de werkelijkheid d.m.v. metafysische vooronderstellingen.

Een credo kan wel een motto zijn. (Wanneer het geloof namelijk normatief wordt).

Aan het geloof ligt vaak een traditie ten grondslag. De traditie beroept zich op een openbaring (manifestatie van de waarheid door God). - jodendom;

(thora, profeten en de geschriften)

- christendom;

(manifestatie van Christus, de Heilige Geest en het nieuwe testament)

- islam;

(dictaat van de koran aan Mohammed)

(In het Boedisme en Hindoeïsme is er meer sprake van een manifestatie van het goddelijke, dan van de manifestatie van God.)

Geloven zoekt naar een balans tussen begrijpen en voelen. De waarheidsvraag speelt daarbij een belangrijke rol.

Wat is waarheid? (cognitief ‘geopenbaard’ geloofskader) Wat is waarheid? (persoonlijke beleving)

Geloof impliceert een; -

Godsbeeld

-

Wereldbeeld

-

Mensbeeld

En hiervan afgeleid; een moraal (totaal aan iemands normen en waarden)

Het zijn vaak deze beelden die botsen en geloofsconflicten veroorzaken! Deze beelden worden vaak ‘verpakt’ in geloofsuitingen; hetzij collectief, hetzij persoonlijk.

23


Opdracht;

- Schrijf je eigen credo!

- Zijn er bepaalde (mens, god, wereld) beelden waarmee je in je werk soms in conflict bent gekomen?

I.

Bespreek na enige tijd van reflectie gezamenlijk de verschillende vragen die gesteld zijn. Probeer helder te krijgen in hoeverre fascinaties, beelden, waarnemingen, levensmotto’s en credo’s in de dieptestructuur van het team van belang zijn.

24


Werkvorm 6 teamidentiteit;

Identiteit wordt vaak gebruikt als term voor iemands persoonsgegevens, of levensbeschouwing.

In feite drukt ‘identiteit’ veel meer uit dan dat. Identiteit is veel meer de expressie van iemands persoonlijke existentie. De totale uitdrukking van iemands zijn, of wezen.

Pas in de romantiek (eigenlijk na Freud) is de mens zich van zijn eigen meervoudigheid bewust geworden. Zo kan iemand bijvoorbeeld tegelijkertijd kind, vader, werknemer, echtgenoot, broer, student, enzovoort zijn. In elke hoedanigheid manifesteert hij zich echter anders. Verschillende kenmerken komen in verschillende situaties naar voren.

Identiteit is zo een dynamisch gebeuren en niet een statisch gegeven! Identiteit is constant in beweging en kan dus veranderen.

Iemands identiteit kan opgebouwd worden uit identiteitscomponenten; -

uiterlijk

-

karaktertrekken

-

overtuigingen/visies

-

idealen

-

hobby’s/liefhebberijen

-

eigenaardigheden, nukken

-

leeftijd

-

man/vrouw

-

achtergrond/traditie

-

moraal (normen/waarden)

-

cultuur (lokaal/nationaal)

-

taal/dialect

-

gewoonten

-

ervaringen

-

kwaliteiten

-

rituelen/symbolen

Al deze identiteitscomponenten hebben vervolgens ook nog afgeleide waarden. Dat zijn als het ware de ver(diepe)nde gronden onder het component.

25


Voorbeelden;

Een jazzliefhebber (hobby) kan vooral de afgeleide waarden creativiteit en improvisatie in de jazz waarderen. Tevens vindt hij het cool dat jazz exclusief is.

Een christen (overtuiging) kan vooral aangesproken worden door het fenomeen naastenliefde in de godsdienst.

Een Limburger (taal/dialect) waardeert juist de afgeleide waarde gemoedelijkheid in zijn zachte spraak.

De compositie van iemands afgeleide waarden zegt veel over iemands wezen/existentie!

Identiteitsbewustzijn versterkt iemands zelfbewustzijn en daarmee diens welzijn en welbevinden! Wanneer iemand veel positieve identiteitscomponenten in beeld kan brengen, kan dat een positief effect hebben op de beleving van negatieve componenten. Negatieve componenten hebben namelijk nogal eens de neiging om de boventoon te voeren. Wanneer ze niet aangevuld, of geneutraliseerd worden, kunnen ze exclusief de beleving van iemands identiteit gaan kleuren. Identiteitbewustzijn is dus bij uitstek een oefening in zingeving.

Wanneer iemand een laag niveau van welzijn en welbevinden ervaart, gaat die persoon vaak (on)bewust werken aan identiteitsfactoren om de balans ten goede te keren. (Denk bijvoorbeeld aan programma’s als ‘make me beautifull’)

Het risico daarbij is dat er gekozen wordt voor een geconstrueerde identiteit, gevormd door de media en de tijdsgeest zonder verbinding te maken met de eigen ziel (dieptestructuur, spiritualiteit, wezen, essentie, existentie). Een geconstrueerde identiteit kan leiden tot depersonalisatie, persoonlijkheidsstoornissen, depressie, overspanning en burnout.

Een (gezonde) eigenlijke identiteit wordt gevormd door een geloofwaardige expressie van de eigen existentie!

Een teamidentiteit kan ook geconstrueerd zijn. Meer of minder ontsproten uit de wensen/eisen van de organisatie en/of samenleving. Een eigenlijke teamidentiteit blijft echter dicht bij de teamleden. Iemand die zichzelf kent is veel beter in staat om met veranderingen in een situatie om te gaan! Dat geldt in principe ook voor een team.

26


~ Ipsa scientia potestas est ~ (kennis zelf is macht) – Francis Bacon

~ onderzoekt alles en behoudt het goede ~ (Paulus)

Model van Dilts en Bateson (6 niveau’s van zingeving) 1. Zingeving

Wat wil ik, waar ben ik op uit? (motivatie)

2. Identiteit

Wie, of wat ben ik? Wat hoort bij mij? (existentie)

3. Waarden, overtuigingen en normen

Waar geloof ik in, wat vind ik? (moraal)

4. Capaciteiten

Wat kan ik (kwaliteiten)

5. Gedrag

Wat doe ik (houding, attitude)

6. Omgeving

Waar ben ik? (werk, leefomgeving)

Zingeving is het proces van zoeken naar datgene wat goed voor iemand is en naar datgene wat goed voelt. Dus het streven naar welzijn en welbevinden. Een verandering in een laag, kan veranderingen in andere lagen veroorzaken en de zingevingbalans verstoren. Des te hoger in het model wordt aangesloten tijdens een veranderingsproces, des te fundamenteler (succesvoller) de verandering zal plaatsvinden. Wanneer er verandering plaatsvindt op het niveau van de omgeving, dan zal dat consequenties hebben ten aanzien van gedrag, capaciteiten, normen, waarden …. Interventie zal nodig zijn op het moment dat de eigen interpretaties en die van anderen gaan verschillen.

Inductieve aanpak in de constructie van de teamidentiteit.

Een teamidentiteit kan op een deductieve en een inductieve manier onderzocht worden. De deductieve wijze start met de analyse bij het team als geheel. “Ik vind ons team heel….” De deductieve wijze leidt vaak tot discussie en debat, niet tot een dialoog. “Oh ja? Daar ben ik het helemaal niet me eens!”. De inductieve manier begint bij de verschillende teamleden zelf. Men reflecteert eerst over de eigen overdracht aan het team en gaat daar vervolgens met elkaar over in gesprek. Deze aanpak leidt vaak wel tot een dialoog.

27


Opdracht;

Breng je eigen identiteit naar aanleiding van de genoemde componenten schematisch in beeld. Denk daarbij ook aan de afgeleide (onderliggende) waarden. (Wat hoort bij mij en waarom?)

Denk specifiek na over de componenten die jij overdraagt, of overgedragen hebt aan het team.

Zou je een metafoor voor jezelf kunnen bedenken?

Reflecteer over componenten die volgens jou anderen aan het team hebben overgedragen.

Je kunt onderstaand schema gebruiken, maar ook een schema voor jezelf ontwerpen.

Kun je een metafoor voor het team bedenken?

I. Voor deze werkvorm is het van belang dat de deelnemers onderstaand formulier eerst thuis verwerken. In het dialectisch gesprek bepalen de deelnemers in overleg met de gespreksleider eerst welke componenten voor het team het belangrijkste zijn en dus het eerste besproken worden. Waarom zijn andere componenten minder belangrijk? Van belang is dat iedereen goed aangeeft wat hij, of zij, overdraagt aan het team. De deelnemers bevragen elkaar op hun inbreng. Hieronder volgt er een voorbeeldschema met daaronder een blanco schema waarin de eigen overdracht kan worden weergegeven.

Voorbeelden: (De voorbeelden zijn enkel ter illustratie, ze zijn gefingeerd en vanuit het oogpunt van meerdere personen (identiteiten) weergegeven.)

28


Identiteitscomponent

Afgeleide waarde

Overdacht naar team?

(uiterlijk)

Eigenheid en diversiteit

Artistieke kleding

Respect voor eigenheid wordt aan het team overgedragen. Ook wanneer een zwaar christelijke school het dragen van een ‘rok’ als voorwaarde voor een vrouwelijk representatief uiterlijk stelt.

(karaktertrekken)

Optimisme, positieve

Opbeurende,

Humoristisch

levenshouding, relativisme

inspirerende uitstraling op het team.

(overtuigingen – visies)

Oog voor het kostbare en

Bepaald de collega’s

Het leven is kort. Carpe Diem.

kwetsbare van het leven

regelmatig bij de

tegelijkertijd.

kwaliteit van het leven in het heden en nu.

(idealen)

Relativeren van de ‘ratrace’

De boodschap “er is

Stoppen met werken op je 40ste.

(carrièreplanning)

meer dan werk alleen” heeft een psychohygiënische uitwerking op de beleving van de werkdruk.

(hobby)

Teamplay

Voetbal (nukken)

Aanmoedigen van de teamgeest.

Mondigheid

Altijd een weerwoord

Team wordt gedwongen scherp te blijven.

(leeftijd)

Levenswijsheid, know-how

50+er (moraal – normen/waarden)

worden overgedragen. Integriteit

Vertrouwen (man/vrouw)

Rust en evenwicht

Roddel is geen optie in het team.

Zorgzaamheid, empathie

Moederfiguur in het

29


Vrouwelijkheid

team geeft anderen zelfvertrouwen.

(achtergrond/ traditie)

Medemenselijkheid

Humanist

Legt grote nadruk ten aanzien van onderlinge solidariteit in het team.

((sub)cultuur)

Vrijmoedigheid in het

Enige mate van

Westerling

spreken.

bravoure maakt het team ‘losser’.

(taal/ dialect)

Pluriformiteit

Marokkaans accent

Constant bewustzijn en waarde van de multiculturele samenleving wordt overgedragen.

(gewoonten)

Gezondheid

Dieet en gezond eten

De eetgewoonten in een team worden positief beïnvloed.

(ervaringen)

Doorleving van

Tact, fijngevoeligheid

Persoonlijk verlies

verliesverwerking

en inzicht in geval van persoonlijk verlies binnen het team/groep.

(kwaliteiten)

Initiatief, visie

Leiderschap

Geeft (mede) richting aan een team.

(rituelen/symbolen)

Optimisme,

Uitdrukking van

V-teken (Victorie)

doorzettingsvermogen

vertrouwen dat moeilijkheden overwonnen zullen worden.

30


De eigen identiteitscomponenten kunnen altijd in beeld gebracht worden. De afgeleide waarden zijn met enige moeite meestal wel te benoemen, overdracht aan het team is er soms.

Identiteitscomponent

Afgeleide waarde

Overdacht naar team?

(uiterlijk)

(karaktertrekken)

(overtuigingen – visies)

(idealen)

(hobby)

(nukken)

(leeftijd)

(moraal – normen/waarden)

(man/vrouw)

(achtergrond/ traditie)

(cultuur)

31


(taal/ dialect)

(gewoonten)

(ervaringen)

(kwaliteiten)

(rituelen/symbolen)

32


Werkvorm 7; levensvragen

Levensvragen zijn existentiĂŤle vragen , zijns-, of wezensvragen, aangaande verschillende aspecten van het leven. Ze kunnen overstijgend zijn (mensheid), maar ook gericht op het eigen leven (mens).

Een mogelijke ordening van levensvragen: -

oorsprong

(waar komen we vandaan)

-

bedoeling

(wat is de zin van het leven)

-

lijden

(wat is de zin van het lijden)

-

ziekte

(wat is de essentie van ziekte)

-

dood

(wat is de essentie van de dood)

-

bestemming

(waar gaan we naar toe?)

stellingen;

Oorsprong: -

De mens stamt in feite van de aap af.

-

God heeft de mens geschapen.

-

God stuurt de evolutie van de mens.

-

We hebben altijd bestaan, ook voor de geboorte.

-

Het leven begint pas bij de bevruchting.

-

Het leven is puur toevallig ontstaan.

-

God heeft als een klokkenmaker het leven in gang gezet. Hij kijkt van een afstand toe.

-

God zit in alle dingen en mensen. Alles is goddelijk in zichzelf.

Bedoeling: -

Het leven heeft een doel. Dat doel ligt in jezelf (zelfverwezenlijking)

-

Je bent mens, maar moet het ook nog worden.

-

Het leven is zinloos zolang de mens geen zelf geen doelen stelt. Alle doelen zijn goed.

-

Het leven is zinloos.

-

Het doel van het leven is om te beantwoorden aan Gods plan met je leven.

-

God heeft alles voorbestemd.

-

Alles is door het lot van te voren beschikt.

-

Alles wat gebeurt, berust op toeval.

33


Lijden: -

Het lijden vindt zijn oorsprong in de zonde van de mens (erfzonde).

-

Het leven is een zieke grap.

-

Lijden is zinloos.

-

Het buitensluiten van God leidt tot onmenselijk lijden.

-

God brengt lijden op ons pad.

-

Lijden is het gevolg van het menselijke vermogen om zich bewust te zijn van zijn situatie.

-

Lijden is inherent aan leven.

-

Lijden ontstaat door de toevalsfactor.

Ziekte: -

Ziekte is een eigen keuze (mind-sience).

-

Ziekte heeft een psychische oorzaak.

-

Ziekte is het gevolg van de zondeval.

-

Ziekte is bedoeld om ons te louteren.

-

God laat ziekte toe om ons te vervolmaken.

-

Ziekte is puur een biologisch verschijnsel en is inherent aan onze sterfelijkheid.

-

Ziekte is zinloos.

Dood: -

De dood is enkel het loslaten van het materiele, het geestelijke in ons blijft.

-

De dood maakt het leven kostbaarder.

-

De menselijke ziel zou onsterfelijkheid niet aankunnen.

-

De dood is enkel een biologisch gegeven.

-

De dood is een bevrijding/verlossing van een beperkt lichaam en een aards onvolmaakte situatie.

-

De dood maakt geen eind aan onze persoonlijkheid. Na de dood leven we door en zullen elkaar weer ‘zien’.

-

De angst voor de dood heeft te maken dat niemand weet waar we zullen blijven.

-

De tijd van ieders dood is van te voren vastgelegd (beschikt).

Bestemming: -

De hemel is onze bestemming.

-

De hel is onze bestemming.

-

De geestenwereld is onze bestemming.

-

Er is geen bestemming, met de dood houdt het leven definitief op.

-

Na de dood worden we weer opnieuw ergens geboren.

34


-

We leven door tot in eeuwigheid.

-

Ooit zullen we een nieuw lichaam krijgen van God en terugkeren op aarde.

I.

De groep met deelnemers wordt gesplitst in tweetallen. Elk tweetal krijgt een onderdeel met stellingen toegewezen. Samen gaan ze de stellingen bespreken en hun visies aan elkaar toelichten. Hierna presenteren de verschillende tweetallen hun onderdeel in de groep. De anderen mogen het tweetal bevragen op hun posities. Vervolgens komt en een volgend onderdeel aan de orde.

35


Werkvorm 8; rouwverwerking

Rouw zou je kunnen omschrijven als het doorleven van, en het heroriënteren op, een emotioneel verlies.

The price we pay for loving! (Flemming, 1991)

Verlies en rouw zijn ‘normale’ aspecten van het leven. Iedereen krijgt er vroeg of laat mee te maken.

Mogelijke metaforen voor verlies en rouw; -

amputatie

-

zonsverduistering (kleuren en licht vallen weg)

-

zwarte bril, blind worden (alles lijkt zwart om je heen)

-

computercrash (het systeem functioneert niet meer)

Verlies van een dierbare persoon, of iets dierbaars (werk, gezondheid) leidt per definitie tot rouw.

Rouw wordt beïnvloed door; -

al dan niet plotseling verlies

-

al dan niet verwacht verlies (bij ziekte)

-

mogelijkheid tot afscheid

-

levensfase en leeftijd verlies (ontwikkelingscrisis)

-

wijze van verlies (catastrofe, ramp, krenking?)

-

verwantschap, intimiteit

-

persoonlijkheid

-

eerdere ervaringen (+/-)

Rouwfasen: a. shock (ongeloof, verlies wordt ‘buiten’ gehouden) b. protest (dood (objectief) en dood dierbare (subjectief) worden aanvaard) c. wanhoop (doorleven emoties; verdriet, schuld, angst, boosheid, jaloezie, depressie) d. reïntegratie (overledene krijgt nieuwe hanteerbare, plaats in het leven, zin in leven keert terug)

36


In de ‘gezonde’ rouwverwerking gaan de fasen als een jojo heen en weer. Verwerken is geen lineair proces.

De term ‘verwerken’ is bedrieglijk. Het impliceert een proces dat je afsluit, maar dat wordt vaak niet zo ervaren. ‘Doorleven’ is misschien een betere term. D.m.v. doorleving ontstaat er weer een hanteerbare en zinvolle situatie. Maar het verlies, het gemis en ook verdriet blijven. Incidenteel, hanteerbaar, maar permanent.

Niet iedereen is te allen tijde in staat om aan een rouwproces te beginnen. Vooral de wanhoopsfase is een hel. Om die pijn te ontlopen gaan er soms onbewust overlevingsstrategieën in werking uit zelfbescherming.

Overlevingsstrategieën: 1. vluchten (werk, hobby, …) 2. verdringen (drank, drugs,…) 3. vechten (confrontaties, conflicten opzoeken en therapeutisch ‘gebruiken’) 4. ontkennen (relativeren, bagatelliseren, …) 5. vermijden (ontlopen triggers, confrontatie met ‘reminders’ uit de weg gaan) 6. onderdrukken (wegstoppen, opkroppen, …)

Coping speelt een rol bij rouwverwerking.

Coping is de wijze waarop men strategieën hanteert. Iedereen vlucht op een eigen manier. Dat geldt ook voor de andere strategieën. Voor de een is het drank, voor de ander het werk.

Iedereen beschermt zich! In een rouwproces kan niet constant de boog gespannen staan. Constante wanhoop is niet te verdragen.

Blijft men echter in een bepaalde emotie (fase) hangen, dan spreekt men van blokkerende rouw.

Wordt de rouw (wanhoopsfase met name) constant vermeden, dan spreekt men van uitgestelde rouw.

Wordt uitgestelde rouw structureel (ingekapseld), dan kan men van een trauma spreken.

37


Uitgestelde rouw en trauma kunnen leiden tot; -

emotionele uitbarstingen/ prikkelbaarheid

-

herbeleving in dromen en flashbacks

-

somatisering

De differentiaaldiagnose rouw, uitgestelde rouw, trauma, of depressie is niet altijd eenvoudig te stellen.

Bij kinderen is het extra lastig. -

Ze hebben veel energie nodig voor hun ontwikkeling.

-

Ze beschikken over een beperktere bagage dan volwassenen (cognitief en emotioneel)

-

Ze moeten niet zelden ook de rol van ‘trooster’ op zich nemen in het gezinssysteem.

-

In de verschillende leeftijdsfasen bestaat er een andere perceptie van het gegeven ‘dood’.

Voor alles en iedereen geldt;

Verdriet met alle bijbehorende emoties moeten tot in zekere mate doorleefd worden!

Door confrontatie met het verlies en verdriet ontstaat; -

uitdoving van de heel heftige beleving

-

gewenning aan de nieuwe situatie

Wat kan helpen? -

praten

-

schrijven

-

rituelen

-

symbolen

-

vrije expressie (dans, drama, kunst)

-

muziek

-

natuur & cultuur

-

etc

Een accepterende en meelevende houding van de omgeving is wezenlijk voor een goed rouwproces!

38


Alleen, mensen die niet zelf met de dood zijn geconfronteerd, kunnen zich vanuit hun angst en zelfbescherming, (on)bewust afstand tot de rouwende (overlevingsstrategie) veroorloven. Iedereen wil immers lang en gelukkig leven en niemand wil/kan veelvuldig geconfronteerd worden met de wanhoop van een rouwende. Daarom is lotgenotencontact, of steun bij verliesverwerking vaak een uitkomst. problematiek de emotionele werkbelasting hoog geworden is. Teamleden reageren verschillend en de onderlinge irritaties groeien.

Een praktische benadering in de rouwverwerking: -

Analyseer de casus. Geef de gegevens helder weer (schema?).

-

Stel beschrijvende vragen om ook de blinde vlekken in kaart te krijgen.

-

Toets de terminologie (bijvoorbeeld rouwfasen, overlevingsstrategieën, externe invloeden, verwerking, coping, trauma, uitdoving, werkstress, burnout, enzovoort.

-

Definieer een ‘state of being’ van de situatie (rouwindicatie?).

-

Formuleer een benadering die de betrokkenen kan helpen bij het herscheppen van welzijn en welbevinden.

-

Formuleer de verwachtingen en het tijdspad waar de gekozen benadering tegen afgezet wordt.

-

Formuleer een aantal zaken die ‘not done’ (fout) zijn in de benadering.

I.

Verdeel de groep deelnemers in tweetallen. Elk tweetal gaat in gesprek over een eigen rouwervaring. Kijk of de Praktische Benadering Rouwverwerking behulpzaam kan zijn in het in kaart brengen van de rouwervaring. In de groep kunnen later ervaringen en inzichten ingebracht worden. Degene die wil, kan zijn casus inbrengen.

39


Praktische Benadering Rouwverwerking (PBR)

Beschrijving casus; (feitelijk, geen interpretaties opnemen)

Wie, (of wat) is het object van verlies? (de/het verlorene)

Wie is het subject van verlies? (de verliezende)

Hoe was de band tussen beiden in kwalitatief opzicht? (Onderlinge verhouding)

Wat waren de omstandigheden?; (plotseling, verwacht, afscheid, levensfase, wijze van verlies, verwantschap, persoonlijkheid, eerdere ervaringen)

Welke gevoelens overheersen?; (schuld, verdriet, boosheid, angst, machteloosheid, apathie, weerzin, wanhoop, ongeloof,‌‌..)

40


Welke rouwfase is het meeste openbaar?; (shock, protest, wanhoop, reïntegratie)

Zijn er overlevingsstrategieën manifest? (vluchten, verdringen, vechten, vermijden, ontkennen, onderdrukken)

Is er ‘coping’ in kaart te brengen? (Op welke wijze wordt de overlevingstrategie zichtbaar?)

Is er sprake van blokkerende rouw?

Is er sprake van uitgestelde rouw?

Is er sprake van?; - emotionele uitbarstingen/prikkelbaarheid - slecht slapen (herbeleven in dromen) - flash backs (herbeleving) - somatisering

Zou er sprake kunnen zijn van een trauma?

41


Is er sprake van uitdoving en gewenning van het verdriet?

Wat zou de verliezende kunnen helpen? - praten - schrijven (brief, dagboek) - rituelen - foto’s, video’s - rituelen - symbolen - vrije expressie (dans, drama, kunst) - sport - muziek - natuur en cultuur - hobby - dieren - bezoek sociale kaart - bezoek kerk graf, speciale locaties

Kun je zelf als hulpverlener het verdriet hanteren, of komt het te dichtbij?

Is het raadzaam om door te verwijzen?

Wat is not done in deze casus? valkuil

42


Werkvorm 9: kwaliteitenkwadrant

Het streven naar welzijn en welbevinden, naar zingeving, wordt in grote mate beïnvloed door de persoonlijke kwaliteiten die mensen bezitten. Het zijn iemands kwaliteiten die hem, of haar, al dan niet in staat stellen om het eigen welzijn te bewerken. Anderzijds kleuren iemands kwaliteiten de persoonlijke zingeving sterk.

Iemand met als kwaliteit “loyaliteit” zal in een loyale setting veel welzijn en welbevinden ervaren!

Kwaliteiten zijn niet zelden ´geïncarneerde´ waarden. De waarde ´eerlijkheid´ verhoudt zich direct tot de kwaliteit ´eerlijkheid´.

Het is de kunst om dicht bij de eigen kwaliteiten te leven en te werken. Vaak wordt er echter aan de andere kant begonnen, bij een relatie, of een taakfunctieomschrijving. De functie, of de relatie vraagt…… en wij draaien.

Met de klok mee……. Een uitgesproken kwaliteit van iemand wordt ook wel kernkwaliteit genoemd. Te veel van de kernkwaliteit leidt tot een valkuil. Een loyale persoon kan bijvoorbeeld slaafs, onderdanig worden. Het positief tegenovergestelde van de valkuil is juist de uitdaging. Iemand met de kernkwaliteit loyaliteit zou als uitdaging wat meer eigengereidheid kunnen gebruiken. Te veel van de uitdaging leidt tot de allergie. Iemand met de kernkwaliteit loyaliteit kan absoluut niets met egotripperij.

In een team kan het zinvol zijn om het inzicht in de eigen en elkanders kwaliteiten te verdiepen. Het kwaliteitenkwadrant kan daarbij als een goede kapstok fungeren.

43


Kwaliteitenkwadrant

Wat anderen in mij

Wat ik in anderen

Wat ik in anderen

Wat anderen mij

waarderen

aanmoedig/eis

bereid ben om door

verwijten

de vingers te zien

Wat ik van mezelf

Wat ik in mezelf

gewoon vind

Kernkwaliteit

Valkuil

geneigd ben te

+

-

rechtvaardigen

-

+

Wat ik in mezelf mis

Allergie

Uitdaging

Wat ik in mezelf zou verafschuwen

Wat anderen mij

Wat ik in anderen

Wat ik in anderen

Wat anderen mij

aanraden te

minacht

bewonder

toewensen

relativeren

-

te veel kernkwaliteit

= valkuil

-

positief tegenovergestelde van de valkuil = uitdaging

-

te veel uitdaging

= allergie

-

positief tegenovergestelde van allergie

= kernkwaliteit

Opdracht:

Kies een kernkwaliteit van jezelf. Iets dat je gewoon vind van jezelf.

-

Hoe komt deze kwaliteit tot uiting?

-

Wat zou dan de valkuil van die kwaliteit zijn?

-

Is dat ook werkelijk zo in jouw geval?

-

Wat zou de allergie zijn die bij deze kwaliteit hoort?

-

Ervaar jij die als reĂŤel in je werk/leven?

-

Wat is de uitdaging?

-

Herken je die als zodanig?

44


Evaluatie; Komt je kwaliteit uit de verf? In je werk, in je leven? Leidt deze kwaliteit tot meer welzijn en welbevinden, of is het de aanleiding voor confrontatie, stress en frustratie?

Schrijf nu voor elke collega een kwaliteit op een kaartje. Wissel de kaartjes uit. Kies uit de kaartjes van je collega’s een kwaliteit die jij niet direct herkent ten aanzien van jezelf, of een kwaliteit die je nieuwsgierigheid wekt. -

Kan dit een verborgen kwaliteit van je zijn?

-

Zo ja, is deze kwaliteit te benutten? Hoe?

-

Zou dat tot meer welzijn en welbevinden kunnen leiden?

Is er in jullie geval sprake van een teamkwaliteit?

I.

Reflecteer individueel over de gestelde vragen. Maak vervolgens eerst een rondje over de eigen kernkwaliteit. Bepreek deze in de groep. Is die herkenbaar voor de anderen? Laat iedereen ten minste een verborgen kwaliteit benoemen. De deelnemers mogen die dan toelichten. Bespreek nu vervolgens de teamkwaliteit. De onderstaande schema’s kunnen gebruikt worden.

45


Wat anderen in mij waarderen

Wat ik in anderen aanmoedig/eis

Wat ik in anderen bereid ben om door de vingers te zien

Wat anderen mij verwijten

Wat ik van mezelf gewoon vind

Kernkwaliteit

valkuil

Wat ik in mezelf geneigd ben te rechtvaardigen

Wat ik in mezelf zou verafschuwen

Allergie

uitdaging

Wat ik in mezelf mis

Wat anderen mij aanraden te relativeren

Wat ik in anderen minacht

Wat ik in anderen bewonder

Wat anderen mij toewensen

Wat anderen in mij waarderen

Wat ik in anderen aanmoedig/eis

Wat ik in anderen bereid ben om door de vingers te zien

Wat anderen mij verwijten

Wat ik van mezelf gewoon vind

Kernkwaliteit

valkuil

Wat ik in mezelf geneigd ben te rechtvaardigen

Wat ik in mezelf zou verafschuwen

Allergie

uitdaging

Wat ik in mezelf mis

Wat anderen mij aanraden te relativeren

Wat ik in anderen minacht

Wat ik in anderen bewonder

Wat anderen mij toewensen

Wat anderen in mij waarderen

Wat ik in anderen aanmoedig/eis

Wat ik in anderen bereid ben om door de vingers te zien

Wat anderen mij verwijten

Wat ik van mezelf gewoon vind

Kernkwaliteit

valkuil

Wat ik in mezelf geneigd ben te rechtvaardigen

Wat ik in mezelf zou verafschuwen

Allergie

uitdaging

Wat ik in mezelf mis

Wat anderen mij aanraden te relativeren

Wat ik in anderen minacht

Wat ik in anderen bewonder

Wat anderen mij toewensen

46


Werkvorm 10; Symbolen en rituelen

Symbool; Een teken dat verwijst naar een achterliggende werkelijkheid. De functie van een symbool zou omschreven kunnen worden als; “een voertuig naar de diepere gronden van het bestaan”. Wanneer woorden niet meer afdoende zijn, verbeelden symbolen de diepere betekenis. Symbolen kunnen ook een logo- functie hebben. (Zo is het kruis een symbool voor het christendom en de halve maan het symbool voor de Islam.)

Ritueel; Reeks van symbolische handelingen (bijvoorbeeld een viering, of ceremonie).

Metafoor; Uitdrukking waarbij een begrip wordt vervangen door een beeld. Zo wordt bijvoorbeeld getracht het abstracte begrip “God” te verduidelijken door de metafoor “Vader”. Attributies (toeschrijvingen/kenmerken) van een vader worden zo geprojecteerd op God.

Symbolen en rituelen kunnen een belangrijke rol spelen binnen de thematiek van zingeving en geloof.

In het geloof zijn symbolen en rituelen onmisbaar. Ze verbeelden een totaal onzichtbare wereld. Een religieuze viering is daarom vrijwel altijd een aaneenschakeling van rituelen, afzonderlijke symbolen en metaforen.

In persoonlijke zingeving spelen symbolen, rituelen en metaforen vaak onbewust ook een belangrijke rol. Iedereen heeft wel een bepaald teken waar hij, of zij, zich ‘wel’ bij voelt. Een persoonlijk teken als een soort uitdrukking van een stukje identiteit. (Een… kruisje, hoofddoekje, ring, keppeltje, amulet, Ying Yang beeltenis, vlag, foto van Che Guevara, pacifisme -kruis, Victorieteken, ….)

Rituelen kunnen in het dagelijkse leven veel ‘rust’ geven, bijdragen aan persoonlijk welzijn en het gevoel van welbevinden. Zo kan voor kinderen een bedritueel, met alles wat daarbij hoort, veel vertrouwdheid en een vredige, veilige slaap betekenen.

Maar… iedereen heeft zijn eigen rituelen. Vaak worden ze niet zo bewust beleefd, maar het is juist wel aardig om ze te benoemen. Je kunt ze dan bewuster gebruiken en inzetten wanneer de situatie daar om vraagt.

47


Een interessante vraag in deze is ook de houding van de mens ten opzichte van bijgeloof. Basale menselijke angsten worden daarbij ‘bezworen’ door rituelen (bijvoorbeeld loop niet onder een ladder door).

Symbolen en rituelen kunnen zeer bruikbaar zijn in de hulpverlening. De onderstaande casus is daar een voorbeeld van.

Casus: Een jongen van 16 jaar oud woont sinds korte tijd weer in de crisisopvang. Het gaat niet goed met hem. Hij drinkt en is zo nu en dan onhandelbaar. Als kind heeft hij al enige jaren in een leefgroep gewoond. Vader en moeder zijn in die tijd gescheiden. Vader was alcoholist en moeder kon de zorg voor de kinderen niet aan. Vader werd door de familie altijd afgeschilderd als ‘loser’ en het toonbeeld van alles wat slecht was. De jongen ervoer echter een sterke band met zijn vader. Hij mocht hem nauwelijks ontmoeten van de familie. Zijn vader vertelde hem wel dat hij zijn zoon erg miste en daar heel veel verdriet van had. Wanneer de jongen 15 jaar is sterft de vader aan een overdosis alcohol. Zijn lever begeeft het. De jongen, die weer bij zijn moeder woont, begint na de dood van vader te ontsporen in zijn gedrag. In de crisisopvang vraagt hij of hij met iemand het graf van vader mag bezoeken omdat die dan een jaar dood is. Iemand die een vertrouwensband heeft opgebouwd met de jongen begeleid hem naar het graf van vader. Onderweg naar de begraafplaats is de jongen zeer druk en praat uitgelaten, maar de begeleider heeft het gevoel dat de jongen iets wil vertellen, maar niet weet hoe hij dat moet verwoorden. Net voor aankomst komt het hoge woord eruit. De jongen geeft aan dat hij zich zeer schaamt. Niet voor zijn vader, maar voor het feit dat de familie geen geld wil uitgeven voor een fatsoenlijk graf en grafsteen. In hun ogen is vader immers totaal mislukt. De jongen is boos op zijn familie en gaat zich vooraf verontschuldigen voor het ‘sobere’ graf van vader. Hij heeft gelijk. Op een achteraf gelegen veldje ligt vader begraven in een modderig stuk grond. Op zijn graf staat een gele marktprikker waar met stift zijn naam op staat geschreven. Het is het soort prikkers dat je ook wel in een emmer met bossen bloemen aantreft. De jongen is in tranen en schaamt zich zichtbaar. De begeleider laat de jongen enige tijd alleen bij het graf en zoekt hem daarna op. Hij geeft aan dat het in de Joodse traditie de gewoonte is om een steen te zoeken en die persoonlijk op het graf van de overledene te leggen, als teken van verbondenheid. De begeleider stelt voor om een mooie steen voor de vader te gaan zoeken. De jongen leeft op.

48


Helaas vinden ze in het keurige wijkje waar ze lopen geen enkele ‘mooie’ zwerfsteen. Zelfs geen kiezel. Totdat ze voor een heuse rotstuin staan. Beiden beginnen te lachen. Even later zijn ze met een prachtige kei terug bij het graf van vader. De jongen kust de steen en zegt; “Ik houd wel van je pap en deze steen betekent dat ik altijd bij je ben”. Even later zitten beiden weer in de auto. De jongen is opgelucht en in een euforische stemming. Hij heeft zijn vader zelf een grafsteen gegeven.

Opdracht: - Wat zou jij gedaan hebben in dit geval? - Heb je zelf een symbool dat een uitdrukking is voor je identiteit? - Is er (on)bewust een ritueel dat je gebruikt? - Heb je in je werk wel eens een ritueel gebruikt? - Is er een pupil die gebaat zou zijn met een ritueel?

I.

Reflecteer enige tijd individueel over de gestelde vragen. Bespreek de vragen in de groep.

49


Werkvorm 11; zingeving en humor

Humor = situatie of uitspraak die vrolijke verbazing en gelach opwekt.

Een goede wetenschappelijke definitie van humor bestaat eigenlijk niet!

Functie van humor; 1. Identificatie

(Ik ben niet de enige.)

2. Ontlading

(Emotionele opluchting.)

3. Ontwapenend

(We kunnen elkaar in de ogen kijken)

4. Relativering

(Het valt allemaal wel mee. Het komt wel goed met ons.)

5. Verbinden

(We begrijpen elkaar)

Gebruik van humor; - Situatie

|

- Taal

|

- Expressie/houding

|

cabaret zoekt al deze mogelijkheden van humor op!

Humor kan welzijn en welbevinden (zingeving) enorm versterken en opbouwen; Bron van; -

troost

|

-

kracht

|

-

hoop

|

therapeutische werking

Donkere kanten van humor; -

spot

(doelgericht kwetsen)

-

leedvermaak

(genieten van iemands kwetsbaarheid)

-

sarcasme

(zwarte, destructieve grappen)

-

cynisme

(onderliggende boodschap in grappen)

-

klieren

(flauwekulleen)

Humor kan ook negatieve factor zijn; -

coping (vermijding)

-

masker (verstoppen)

Humor is; -

Aangeboren? (De lach aan je kont hebben.)

-

Aangeleerd? (Lachende jeugd gehad.)

50


Humor is specifiek qua; -

persoonlijkheid

-

familie

-

cultuur

Stellingen; -

Humor is een voertuig waarmee je op een positieve wijze kunt communiceren!

-

Met humor meer macht!

-

Timing is wezenlijk wanneer je humor gebruikt.

-

Misplaatste humor is ongelofelijk kwetsend.

-

Humor is tijdbepaald/tijdgebonden.

Vragen; -

Is humor belangrijk in het team?

-

Heeft humor een plaats in de groep?

-

Sluit het gevoel voor humor van de jongeren aan bij het gevoel voor humor van het team?

-

Draagt humor in de groep bij aan het versterken van welzijn en welbevinden van de jongeren?

-

Kun je een situatie (casus) beschrijven waarbij humor in het spel was? Was de gebruikte humor functioneel (opbouwend), of juist niet?

Opdracht (persoonlijk gebruik van humor). Probeer onderstaande vragen voor jezelf te beantwoorden en met voorbeelden te illustreren.

- (functioneel) Heeft humor een functie voor je (identificatie, ontlading, ontwapening, relativering, verbinding)?

- (therapeutisch) Is het een bron van troost, kracht, hoop?

- (gerichtheid) Gebruik je humor ook wel negatief? (spot, leedvermaak, sarcasme, cynisme, geklier, coping, masker?)

- Definieer je gevoel voor humor. Is dat gevoel aangeboren, aangeleerd, cultuurbepaald?

51


I.

In de voorbereiding van deze werkvorm is het belangrijk dat enige deelnemers verschillende cabaretmomenten verzamelen en laten zien, of horen. 15 minuten zijn genoeg. Bespreek de aard van deze fragmenten in de groep. Is er sprake van cynisme, sarcasme, leedvermaak, of spot in de fragmenten? Reflecteer vervolgens individueel enige tijd over de gestelde vragen, stellingen en persoonlijk gebruik van humor. Bespreek de vragen in de groep. Toets elkanders inbreng.

52


Werkvorm 12; Stress versus welzijn en welbevinden

Z i n g e v i n g = het streven naar welzijn en welbevinden.

S t r e s s = de spanning die in wisselwerking van persoon en omgeving ontstaat.

Stress wordt gezien als de ‘ziekte van de eeuw’ en leidt steeds vaker tot uitval op het werk en thuis. Er zijn verschillende stressvormen aan te merken.

In de zorg is er geregeld sprake van emotionerende werkstress. Door de emotionele betrokkenheid bij cliënten kan de spanning op de hulpverlener terugslaan. (“Ik zou ze wel mee naar huis willen nemen!”)

Van gezagsondermijnende werkstress is sprake wanneer de cliënt tegenstand gaat bieden zodanig dat de onderlinge verstandhouding zeer onder druk komt te liggen. Incidenten, escalaties, ruzies, agressie leiden tot gezagsondermijnende werkstress.

Overdrachtelijke werkstress (secundaire traumatisatie) ontstaat wanneer het verhaal van de cliënt een dermate impact heeft op de hulpverlener zodanig dat deze er zelf onder gaat lijden. (Verhalen over misbruik en mishandeling kunnen hartverscheurend zijn en een eigen leven gaan leiden.)

Organisatie gerelateerde werkstress ontstaat wanneer het organisatiebeleid zich vertaald in onwerkbare regels en protocollen, of productiecijfers. (“Zijn ze nu helemaal daarboven! Dan kan ik mijn werk toch niet meer doen.”)

Teamstress duidt op fragmentatie in de samenwerking. Het onderlinge vertrouwen van de medewerkers in elkaar kan ondermijnd zijn. (Erfenis teamcultuur)

Te veel (werk)stress ondermijnt het persoonlijke welzijn en het gevoel van welbevinden zeer effectief.

Op een gegeven moment kan er zelf sprake zijn van uitputtende werkstress, ook wel burnout-syndroom genoemd. Alle zingevingstrategieën die een mens tot zijn beschikking heeft, zijn niet meer afdoende om een bepaald niveau van menselijk geluk te ervaren.

53


gestrest > overspannen > burnout Van overspannenheid is sprake als de overbelasting enkele maanden heeft geduurd. Herstel duurt meestal weken. Bij een burnout duurt de overbelasting langer. Het herstel duurt doorgaans maanden.

Burnout zou je kunnen omschrijven als een dusdanige verstoring van het evenwicht tussen psychische belasting en psychische belastbaarheid als gevolg van veranderingen in individuele belastbaarheid en/of psychische belasting, dat bij het getroffen individu een proces ontstaat van verminderd vermogen tot sociaal functioneren, gepaard gaande met lichamelijke klachten, stemming- en/of gedragproblemen (Schroer, 1991)

Belastbaarheid

>

balans:

<

Belasting

- privé-situatie - werkdruk - persoonlijkheid - achtergrond - levenservaring - opleiding

Signalen: - verlies aan betrokkenheid bij werk, cliënten en collega’s - moeheid - prikkelbaarheid - hoofdpijn - slapeloosheid - gebrek aan concentratievermogen - angst - duizeligheid - gevoel van onwelbevinden (ongelukkig voelen)

In de zorg; cliënten behandelen op een niet-geëngageerde, mechanische, cynische, rigide wijze. Door psychische inkapseling wordt de druk van het werk geblokt (zelfbescherming). Schuldgevoel voor verlies van idealisme en betrokkenheid worden op de omgeving afgereageerd. De hulpverlening kan gekenmerkt worden door tegenoverdracht;

54


Onder “tegenoverdracht” in de ruimste zin van het woord, worden al die emotionele reacties (gevoelens, handelingen, gedachten) verstaan, die in een hulpverlenersituatie optreden bij de behandelaar. Die reacties kunnen onder invloed staan van de eigen onverwerkte problematiek van de hulpverlener (tegenoverdracht in de oorspronkelijke, beperkte zin van het woord), maar ook veroorzaakt worden door de situatie waarin de hulpverlener op dat ogenblik verkeert, thuis en in het werk, en door zijn karakter (Hellinga).

Dus; Wanneer de hulpverlener reageert op de cliënt op een dusdanige wijze dat de cliënt belemmerd wordt in zijn ontwikkeling, is er sprake van tegenoverdracht.

Worden tegenoverdrachtsreacties structureel, dan kan er sprake zijn van een tegenoverdrachtpositie (I & II). (overlevingsstrategie) I.

Men verwijt falen aan omgeving.

II

Men verwijt falen voornamelijk aan zichzelf.

Een tegenoverdrachtpositie kan een voorportaal zijn van een burnout.

Risicofactoren: 1. Onderwaardering 2. Hoge werkdruk (werkbelasting) 3. Externe signaalongevoeligheid (geen goede intervisie/supervisie) 4. Spanningverwekkende rolstructuur (dubbele agenda’s) 5. Gebrek aan autonomie (kunnen meebeslissen) 6. Slechte werksfeer (onderlinge verhoudingen) 7. Onvoldoende groeikansen (sleur) 8. Mislukkingen (gevoel van persoonlijk falen) 9. Signaalongevoeligheid (opofferingsgezindheid) 10. Onrealistische verwachtingen 11. Fase in loopbaan en levensloop (thirties) 12. Gebrek aan kennis en vaardigheden

Stressreductie: 1. fysieke ontlading; sport, ontspanningsoefeningen 2. emotionele ontlading; huilen, schreeuwen, trillen, geeuwen, lachen,…. 3. realistisch denken; de situatie juist inschatten, niet erger, of minder erg maken dan die is. [RET; rationeel emotieve therapie]

55


Zingevingstrategieën; - gebruik van humor - tijd voor reflectie/meditatie/overdenking - identiteitsontwikkeling - rouwverwerking - tijd voor fascinaties, hobby’s en levensmotto’s - tijd voor cultuurdragers; muziek, theater, kunst, literatuur, sport,… - ethische reflectie aangaande normen en waarden - geloof/filosofie - gebruik symbolen/rituelen - formuleren van hoop, verwachtingen, dromen en illusies - reflectie op kwaliteiten - persoonlijke sociale kaart inzetten - expressie gevoelens (op wat voor manier dan ook)

Het thuisfront is van onschatbare waarde. Het kan de psychische belastbaarheid enorm versterken, maar eveneens ondermijnen (problemen in de privé-sfeer kunnen ook emotionerende werkstress bevorderen.)

Vragen:

~ Hoe betrokken voel je je bij het werk? (jongeren, collega’s)

~ Herken je het fenomeen ‘tegenoverdracht’ in het werk?

~ Komen sommige risicofactoren je bekend voor?

~ Maak je gebruik van zingevingstrategieën om de balans te herstellen?

~ Is het fenomeen ‘persoonlijkheid’ volgens jou een doorslaggevend gegeven in het al dan niet oplopen van een burnout?

~ Wat zijn volgens jou de grootste risico’s op een burnout wanneer je in een leefgroep werkt?

56


Casus: Een gemengd team (10 personen) werkt in de jeugdhulpverlening en is verantwoordelijk voor de begeleiding van ongeveer 40 jongeren in de leeftijd van 15 tot 18 jaar. De jongeren leven in zelfstandige woonunits en worden begeleid naar zelfstandigheid. De werkers zijn hoog opgeleid (HBO) en komen uit verschillende disciplines (SPH, maatschappelijk werk, onderwijs, welzijnswerk). De onderlinge werksfeer is goed. De collega’s zijn betrokken bij elkaar en kunnen hun verhaal in het team kwijt. Er is een kantoortje waar men elkaar geregeld treft en waar werkoverleg plaatsheeft. Ondanks de verschillende persoonlijkheden heeft iedereen een eigen plaats en inbreng in het team. Er is een teamleider die de belangen van het team bij de directie in het hoofdkantoor moet behartigen. De teamleider echter heeft moeite met die functie. Ze voelt zich vaak tussen de partijen instaan. Een relevant aantal jongeren is in het verleden getraumatiseerd geraakt en vraagt veel aandacht en zorg. Sommigen zijn bij het RIAGG in behandeling. De directie van de organisatie heeft een autoritaire stijl van leidinggeven. Zij vinden dat de werkers zich teveel in het kantoortje bevinden en te weinig op locatie zijn. Als argumentatie wordt door hen aangegeven dat wanneer zij op een willekeurig tijdstip naar het kantoortje bellen, er altijd mensen aanwezig zijn. De directie beslist dat het kantoortje opgeheven wordt en dat er op het hoofdkantoor op afspraak vergaderd gaat worden. Er komt tevens een nieuwe taakfunctieomschrijving voor de medewerkers. Die wordt qua verantwoordelijkheden naar beneden bijgesteld. De medewerkers mogen zich enkel nog op begeleidingstaken toeleggen (dat is goedkoper voor de organisatie). De doelgroep doet echter een voortdurend beroep op hen als hulpverleners. Wanneer er vragen over de begeleiding van sommige jongeren zijn, mogen ze contact opnemen met de orthopedagoog. Die is echter voor een gering aantal uren in dienst en kan relatief weinig ondersteuning bieden. Het team besluit een protestbrief aan de directie te schrijven waarin ze onderbouwen waarom ze hun kantoortje willen behouden. De directie reageert niet op de brief omdat er geen namen onder de brief staan, maar ondertekend is met alleen de naam van het bewuste team. De medewerkers voelen zich niet serieus genomen en vragen de teamleider in actie te komen. Die kiest gezien de druk echter de zijde van de directie en verhuist naar het hoofdkantoor. Ondertussen voelen mensen zich steeds minder betrokken bij het werk. Jongeren doen een sterk beroep op hen, maar de medewerkers zijn steeds minder bereid en in staat om op hun hulpvragen in te gaan. Dat leidt tot veel spanning op de werklocaties. Wanneer een aantal werksituaties escaleren, is het hek van de dam. De organisatie vindt dat ‘sommige’ medewerkers slecht functioneren en proberen hen zonder overleg over te plaatsen naar andere delen van de organisatie. Het team heeft echter het gevoel dat de directie een hecht team wil doorbreken, om op die manier controle te krijgen. Dan melden in korte tijd drie mensen zich ziek voor langere tijd. Ze zijn overspannen geraakt door de situatie en de term burnout steekt zo nu en dan de kop op. De mensen worden vervangen door medewerkers met tijdelijke contracten. De teamgeest is daarmee gebroken. De overgebleven medewerkers trekken zich terug op locatie en mijden contact met elkaar en het hoofdgebouw. Ze zitten des gevraagd vaak hun tijd uit op het werk.

~ Wat gebeurt hier? (Denk aan werkstress, werkbelasting, draagkracht, schuldgevoel, tegenoverdracht, risicofactoren en zingevingstrategieën) ~ Heeft het team juist gehandeld? ~ Wat hadden jullie gedaan om de zaak te redden?

57


I.

Het is de bedoeling dat de deelnemers deze werkvorm vooraf voorbereiden. De vragen moeten overdacht zijn voordat men aan het dialectisch gesprek begint. Bespreek de vragen vervolgens met elkaar in de groep. Bespreek de casus als laatste.

58

Zeg eens iets zinvols - Zingeving binnen teams  

Diverse zingevende werkvormen ten behoeve van teamontwikkeling.

Zeg eens iets zinvols - Zingeving binnen teams  

Diverse zingevende werkvormen ten behoeve van teamontwikkeling.

Advertisement