Issuu on Google+

KWALITEIT

NUMMER 4

JAARGANG 3 DECember 2011


Waarom lid worden van kader Bodem, Bouwstoffen en/of Afvalstoffen bij Schreurs Uitgeverij?      Inhoudelijke en praktische ondersteuning bij uw werkzaamheden   

U kunt uw specifieke inhoudelijke vragen stellen aan de onafhankelijke  helpdesk! Alle vragen worden in een database geplaatst, u kunt uw vraag met antwoord of die van  anderen dus altijd terugvinden. U krijgt van ons een deskundig en onafhankelijk advies..

U krijgt toets‐software en andere tools tot uw beschikking!  

Voor grond, baggerspecie, bouwstoffen, BRL 9335 

❷ 

Actueel nieuws en naslagwerk! Alle regelgeving, jurisprudentie en aanpassingen kunt u 

downloaden, dit wordt dagelijks aangevuld met het laatste nieuws. Tevens staan op de website de  Leidraden van Rijkswaterstaat, hier vindt u eisen die RWS stelt aan uitvoering. 

Korting op alle cursussen van Schreurs Opleidingen   U krijgt 15% korting op alle reguliere cursussen. 

❹ 

Kijk op www.schreurs‐uitgeverij.nl en ontdekt de voordelen die u het werken eenvoudiger maken.  Kijk op www.schreurs‐uitgeverij.nl of bel met 0495‐452836 en ontdek de voordelen die u het werken eenvoudiger maakt 

SCHREURS AUTOMATISERING KENNISOVERDRACHT OP HET GEBIED VAN (INDUSTRIËLE) AUTOMATISERING      

Nieuw:

automatisering van uw machines en kantoor processen

Kantoor processen Bent u op zoek naar op maat gemaakte software applicaties voor op uw 

computer? Een goed voorbeeld van zulke software is natuurlijk het Toetsprogramma, dat al jaren via  Schreurs Uitgeverij beschikbaar is. Zulke automatisering bespaart u al snel vele uren werk. 

Industriële automatisering Expert op het gebied van industriële automatisering, met name op  het gebied van Siemens. Wij bieden onafhankelijk advies alsmede software ontwikkeling voor  beheren/vernieuwen van oude machines of bij aanschaf van nieuwe machines. 

❷ 

Helpdesk  U heeft een technische dienst of IT afdeling, maar deze heeft niet alle tijd om alsmaar up‐

to‐date te blijven met de laatste kennis op het gebied van automatisering. Zij kunnen dan bij ons terecht  voor al hun vragen en problemen. 

Machinebesturing

Een bekende vorm van industriële automatisering is machinebesturing.  of het  nu gaat om automatisering van uw productiehal of om automatisering van standalone machines: bij ons  kunt u terecht met al uw vragen. 

Kijk op www.schreurs‐automatisering.nl of bel met 0495‐843414 en ontdek de voordelen die u het werken eenvoudiger maakt 

❹ 


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Beste lezer, Met een kleine vertraging is hier dan het decembernummer van het Vakblad Bodemkwaliteit 2011-4. Even een korte kennismaking: mijn naam is Geert Schreurs ("zoon van..." inderdaad). Ik ben sinds kort actief bij Schreurs Uitgeverij en verzorg vanaf dit nummer de vormgeving van het vakblad. Met mijn komst is Schreurs Uitgeverij tevens uitgebreid met een automatiseringstak (zie advertentie hiernaast). Velen van jullie zullen al werk van mij gezien hebben, namelijk de import en export van het toetsprogramma.

UITGEVERIJ SCHREURS UITGEVERIJ BV Postbus 10101 6000 GC Weert T +31 (0)495 452 836 F +31 (0)495 452 825 E info@schreurs-uitgeverij.nl I www.schreurs-uitgeverij.nl

REDACTIE Jan Schreurs

GRAFISCHE VORMGEVING Geert Schreurs

WETTEKSTEN BOEK

In deze editie aandacht voor het Besluit bodemkwaliteit in de praktijk, met name voor rol van de handhaver, de overheid als uitvoerder en de gevolgen van de complexe regels bij de uitvoering. Ter verduidelijking van een aantal problemen zijn aan Bodemplus vragen gesteld en is hun antwoord gegeven. De vele voorbeelden van saneringslocatie, fosfaatnorm, hergebruik oude bagger, asbest in de bodem tot aan bestekken toe, geven aan dat de knelpunten in de praktijk niet in een of andere hoek te situeren zijn maar dat de uitvoerbaarheid van het Bbk bodembreed ‘lastig’ is. Duidelijk mag zijn dat we hier niet even de problemen oplossen maar deze wel signaleren en bespreekbaar maken, u kunt daartoe mee te discussiëren op onze website.

Het besluit en de Regeling bodemkwaliteit alle wijzigingen in één oogopslag inzichtelijk

Te bestellen via info@schreurs-uitgeverij.nl

Ik wens u veel leesplezier. Geert Schreurs

Versie 1 -okt 2011-

Besluit en Regeling bodemkwaliteit

- alle wijzigingen in één oogopslag inzichtelijk -

opslag inzichtelijk -

Regeling bodemkwaliteit worden afzonderlijk in de ngen wordt het al minder makkelijk om de verschillen ldt met name voor de toepasser van het besluit en necure. Om te bepalen op welk tijdstip welke exacte zicht te bieden aan de toepassers en toezichthouders, opgesteld. Een naslagwerk waarin de exacte teksten k zijn gepresenteerd. Zowel de gewijzigde teksten als el weergegeven in dit boek. En zo blijft u op eenvou-

Besluit en Regeling bodemkwaliteit - alle wijzigingen in één oogopslag inzichtelijk -

www.schreurs-uitgeverij.nl

Eerste druk, oktober 2011

Nieuwsbrief en vakbladen. U kunt vanaf 2012 de vakbladen Bodemkwaliteit en Afvalstoffen als flipping boek inzien op www.schreurs-uitgeverij.nl. Daar kunt u zich ook aanmelden voor onze nieuwsbrief.

In dit nummer: Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar

Saneringslocatie, BKK of Bbk?. ................................................................................................................................................................................ 4

gemaakt door middel van druk, fotocopie of welke andere wijze dan

Zuiveringsslib in een nuttige toepassing ............................................................................................................................................................... 6

ook, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

Vragen aan Bodem+ ................................................................................................................................................................................................... 10 Mijn visie......................................................................................................................................................................................................................... 12

Voor informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen aanvaarden redactie en uitgever geen aansprakelijkheid.

All animals are equal, but some are more equal than others ........................................................................................................................... 13 Besluit bodemkwaliteit vertalen in bestekken ......................................................................................................................................................15 Keuring partij grond voorafgaand aan zeving ......................................................................................................................................................16 Asbest onderzoek in puinhoudende bodem ..........................................................................................................................................................18 Fosfaateisen bij het herinrichten van plassen ......................................................................................................................................................20 Nieuwtjes ...................................................................................................................................................................................................................... 22

3


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Auteurs: Mischa Hermelink (HB adviesbureau BV) en Jan Schreurs (Schreurs Milieuconsult)

Saneringslocatie, BKK of Bbk? Problematiek

Bij het toepassen van grond moet het standstill-principe gehanteerd worden. Op een locatie waar een sanering is uitgevoerd is een saneringsput aangevuld. De terugsaneerwaarde was tot onder de interventiewaarde met als kritische stof minerale olie. De putbodem wordt dan geclassificeerd als zijnde klasse Industrie tot niet toepasbaar. Aanvulling heeft plaatsgevonden met klasse Industrie zand (bepalende parameter PCB). Je hebt daarmee dus “schonere” grond aangebracht op een meer verontreinigde ontvangende bodem. Het bevoegd gezag is van mening dat er met PCB verontreinigde grond is aangebracht op een schone(re) ondergrond (ten opzichte van de parameter PCB). Is het niet zo dat onder Bbk regels niet stof specifiek getoetst hoeft te worden? Discussie

Een saneringslocatie valt buiten het Bbk en ook buiten een BKK. De regels van saneringsplan en BKK-bodembeheerplan moet daar gevolgd worden. In dit geval: de afwerking zoals vastgelegd in saneringsplan moet worden gevolgd. Het Stand Still principe is een term binnen een BKK en geeft aan dat de kwaliteit binnen een BKK gebied er niet op achteruit mag gaan. Bij toepassingen op de bodem moet getoetst worden aan de ontvangende bodemkwaliteit én de bodemfunctie. Wat is aldaar de functie? Bij de toepassing binnen generiek kader wordt op klasse niveau getoetst (Wonen op basis van Cu kan dus op Wonen Bodem op basis van PCB, etc.), alleen bij gebied specifiek beleid wordt op stofniveau getoetst. Nu is de functie van de bodem op locatie Industrie. Als de bodemkwaliteit én bodemfunctie klasse Industrie is dan kan daar alleen Klasse Industrie grond of bagger 4

naar toe, hetgeen op klasseniveau en niet op stofniveau moet worden getoetst. Dat zijn de regels in Bbk. Kan zijn dat er nog sprake is van een Bsb BKK, die gaat uit van toets op stofniveau maar bij Bsb regels spreek je niet over klasse Industrie of kan zijn dat saneringsplan eist afdekken met schone grond.Op de locatie spelen twee problemen: 1. saneringsplan ging uit van aanvullen met schone grond. Na telefonisch overleg met vergunningverlening is dit gewijzigd in klasse industrie edoch niet formeel bevestigd via een wijzigingsformulier 2. het toepassen van aanvulgrond is niet gemeld via het landelijk meldpunt Resultaat: de aannemer en opdrachtgever worden aangesproken op: 1. niet saneren conform saneringsplan 2. niet voldoen aan BBK (melding niet gedaan en klasse Industrie niet toegestaan op schone ondergrond) Eis bevoegd gezag: saneringsput weer ontgraven en klasse industrie afvoeren en weer aanvullen met klasse AW tenzij: –– herkeuring aanvulgrond als uitkomst heeft dat alles < AW is –– onderzoek ondergrond aangeeft dat deze klasse industrie is op basis van PCB Aanvullende info: –– bevoegd gezag heeft ingestemd met het evaluatieverslag. Sanering voldoet aan de doelstellingen –– terugsaneerwaarde was I-waarde. De kwaliteit van de ontvangende bodem (=putbodem) varieert dus van schoon tot klasse Niet Toepasbaar Bevoegd gezag is reeds medegedeeld dat het Bbk niet van toepassing is bij saneringslocaties.

Desondanks volhardt bevoegd gezag in de stelling dat klasse industrie (pcb) aanvulling in tegenspraak is met Bbk. Meldingsplicht

Is het niet zo dat als het Bbk niet van toepassing is de meldingsplicht voor het toepassen van de grond ook niet nodig is? Bbk is immers niet van toepassing en de meldingsplicht staat in het Bbk. Wat melden betreft is de problematiek van “dubbel melden” al lange tijd geleden onderkent, zie hieronder de FAQ van B+: Moet het aanvullen van een ontgraVingsput of het aanbrengen van een bodemsanering ook onder het Besluit bodemkwaliteit gemeld worden? In artikel 42 Bbk is bepaald dat voor alle handelingen als bedoeld in artikel 35 (m.u.v. van f) een melding moet worden gedaan bij de Minister. In artikel 35 onder c van het Bbk is bepaald dat grond die wordt toegepast om te saneren conform artikel 39 Wbb een vorm van nuttige toepassing is waarvoor de regels van het Bbk gelden. Hieruit volgt dat een initiatiefnemer bij het toepassen van grond bij een sanering conform artikel 39 Wbb ook een melding moet doen in het kader van het Bbk. Dubbele meldplicht dus! Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen gelet op artikel 36, lid 2 onder c Bbk. Deze dubbele meldplicht bij saneringen strookt niet met de 1-loket gedachte van de overheid, en daarom is dit onderwerp als uitvoeringsvraagstuk nummer 57 genoteerd. Zie hiervoor het overzicht met uitvoeringsvraagstukken. Het vinden van een juridische oplossing ligt momenteel bij de ministeries van VROM en V&W. De bedoeling is dat bij aanpassing van het Bbk in 2012, de dubbele meldingsplicht gaat worden geschrapt. (zie: http://www.agentschapnl.nl/faq/ veelgestelde-vragen-over-het-meldpuntbodemkwaliteit#Moet het aanvullen van een ontgravingsput of het aanbrengen van een bodemsanering ook onder het Besluit bodemkwaliteit gemeld worden? )


BODEMKWALITEIT

Maar hoe kan je op basis van artikel 42 BBK verplicht worden te melden als saneringslocaties zijn uitgesloten van het BBK? Dit komt omdat deze toepassing is vastgelegd in Bbk art. 35c, dat stelt dat het toepassen van grond (zijnde een afvalstof) in een

NUMMER

4•2011

nuttige toepassing valt onder Bbk. Dat lijkt dan weer in tegenspraak te zijn met de regel dat een saneringslocatie buiten het Bbk valt en ook buiten een BKK. De regels van saneringsplan en BKK-bodembeheerplan moet daar toch gevolgd worden? In dit geval: de afwerking zoals vastgelegd in saneringsplan moet worden gevolgd. Los van de hele discussie over deze specifieke locatie: Aanvullen saneringskuip

Hoe moet men dan omgaan met het aanvullen van een saneringskuip: –– is de melding voor toepassing verplicht? Ja voor Bbk en Wbb? –– moet de kwaliteit in overeenstemming met de functie zijn? bepaalt saneringsplan tijdens sanering, Bbk na sanering. Tenzij bij plan Bbk wordt gehanteerd? –– moet de kwaliteit in overeenstemming met de lokale achtergrondwaarden zijn? nee, maar kan plan wel eisen? –– mag in een saneringsplan een afwijkende kwaliteit aanvulgrond opgenomen zijn (in relatie tot functie/achtergrondwaarden) zolang er maar geen risico’s optreden? ja als saneringsplan dat toestaat binnen de risicoafweging? Mischa Hermelink

Discussieert u mee? Reageert u eens op onze website of in de vorm van een artikel in volgende blad?

       

Inhoudelijke cursussen op maat, in company of open inschrijving?    

Asbestherkenning in de bodem Deze cursus is specifiek gericht op het herkennen van asbest in  de bodem. Aan bod komen o.a. het ontstaan en de toepassingen van asbest, het herkennen van asbest  (met veel praktijkvoorbeelden), het wettelijk kader en de veiligheids‐ en gezondheidsrisico´s. 

Besluit bodemkwaliteit 1‐ tot 6‐daagse Een cursus die echt inhoudelijk op alle aspecten van  het besluit en de regeling ingaat. Ook worden onder meer monstername, het toetsen (aan Bbk/Bsb),  IBC‐bouwstoffen, certificering, Bodemkwaliteitskaart en handhaving uitvoerig behandeld.  

❷ 

BRL’en 9335, 7000, 6000, 2000  Alle medewerkers van organisaties in het bezit van deze BRL’en 

dienen op de hoogte te zijn van de ins&outs van de inhoud van deze BRL’en en protocollen om te kunnen  voldoen aan Kwalibo. De praktische uitvoering en knelpunten worden ook behandeld.  

Voor de vakman: Bijscholing in en oefenen met de regels van het Bbk.   Op deze dag wordt u helemaal bijgepraat over de regels van het Bbk en de Rbk.  In de namiddag wordt er geoefend met het toetsen aan deze regels. 

❹ 

Kijk op www.schreurs‐opleidingen.nl of bel met 0495‐452836 en voor nadere info over vorm, inhoud, data  en overige vragen 

5


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Auteur: Ir. H.J.F. Groeneveld, Adviseur, Ingenieursbureau Gemeentewerken Rotterdam

Zuiveringsslib in een nuttige toepassing Het gaat om een toepassing

Probleemstelling

van veraard zuiveringsslib welk al 30 jaar ligt opgeslagen. Eerst zullen de wettelijke kaders geschetst worden (Bron: Koenders en Partners)

Dubbel wettelijk regime

Op het toepassen van afvalstoffen als bouwstof is zowel de afvalstoffenwetgeving als de bouwstoffenwetgeving van toepassing. Met andere woorden: de toepassing moet door beide regimes worden toegestaan, dan is de toepassing wettelijk afgedekt. De inzet van stoffen als bouwstof is overzichtelijk geregeld in het Besluit bodemkwaliteit. Zowel voor bouwstoffen als grond en baggerspecie zijn hierin regels opgenomen waar de stoffen aan moeten voldoen ten einde als zodanig te mogen worden ingezet. Afvalstoffenwetgeving 

  De regels voor het omgaan met afvalstoffen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en vele daaronder hangende besluiten en regelingen. Daarin word een onderscheid gemaakt tussen handelingen met afvalstoffen buiten inrichtingen (bijv. in een werk) en binnen inrichtingen (bijv. stortplaatsen).   Bij het direct toepassen van zuiveringsslib op of in de bodem is er sprake van storten van zuiveringsslib: –– Het Besluit stortverbod afvalstoffen geeft aan dat slib van een biologische zuivering niet mag worden gestort binnen een inrichting (dus niet mag worden gestort op een stortplaats). –– Het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen geeft aan dat stoffen die als bouwstof worden toegepast niet vallen 6

Henri Groeneveld

onder het stortverbod, tenzij het gaat om stoffen die ook binnen een inrichting niet mogen worden gestort (zoals biologisch zuiveringsslib).

  Kortom, het storten van slib van een biologische waterzuivering is niet toegestaan. Het slib moet op een andere wijze worden verwerkt.   Be- en verwerking van afvalstoffen 

  Het bewerken en verwerken van afvalstoffen geschiedt onder een stelsel van vergunningen. Het beleid voor het afgeven van deze vergunningen is vastgelegd in het Landelijk Afvalbeheerplan 2009 - 2021 (LAP 2). Het LAP bevat derhalve geen bindende regels maar is een stelsel van beleidsregels die het bevoegd gezag richting geven bij het verlenen van milieuvergunning voor een inrichting.   De toelichting bij sectorplan 16 (zuiveringsslib) dient in dit licht te worden gezien. In sectorplan 16 wordt aangegeven dat voor biologisch zuiveringsslib verwijdering door verbranding als minimum standaard wordt nagestreefd. Dit betekent dat naast bewerking voor hergebruik, ook verbranding van zuiveringsslib als vergunbare activiteit wordt aangemerkt.

De stelling is duidelijk nu. Vers zuiveringsslib wat niet is bewerkt mag niet ingezet worden als nuttige toepassing. De vraag is nu geldt dat ook voor zuiveringsslib wat een bewerking heeft ondergaan, namelijk het 30 jaar laten liggen en rijpen. Enerzijds gaat het om de vraag of het zuiveringsslib is en anderzijds gaat het om de vraag of het op een geluidswal als bouwstof mag worden toegepast. In onderstaande behandeling komen beide punten naar voren.   De milieubelasting van het vrijkomende veraarde slib is zeker niet hetzelfde als die van vers slib. Daartoe kan worden aangevoerd: –– Het materiaal is ontwaterd en bevat vrijwel geen verontreinigd water meer. –– Het materiaal bevat meer dan 10% Al, Ca en Si –– Het materiaal bevat nog slechts weinig organische stof. Er is een vergaande mineralisatie opgetreden en een groot deel van deze organische stof is, met inbegrip van de organische verontreinigingen en eventueel schadelijk biologisch materiaal in de afgelopen jaren afgebroken.   Er is alle reden om dit materiaal anders te karakteriseren. De belangrijkste is dat het door de ontwatering en mineralisatie een vast product is geworden voornamelijk bestaande uit minerale bestanddelen en daarmee goed inzetbaar als bouwstof.   In de afvalverwerking is het normaal dat een afvalstof als gevolg van een bewerking van karakter veranderd; zelfs als het gaat om zeer extensieve bewerkingen als ontwatering en rijping zoals hier het geval is. Enkele voorbeelden: –– Rijping van baggerspecie (Eural 17 05 06) leidt tot grond (Eural 17 05 04) –– Rijping van riool/kolkenvuil (20 03 06) leidt tot grond (17 05 04)


BODEMKWALITEIT

Het eindproduct na 30 jaar rijping voldoet deels aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. De discussie gaat dan ook over dit deel.   De tekst in de toelichting van het LAP 2 (augustus 2010) luidde: «Hoewel de minimumstandaard voor een deel van het zuiveringsslib verbranden als vorm van verwijderen mogelijk maakt, is het beleid gericht op nuttige toepassing. Naast inzet als brandstof en verwerken in/tot meststof kan het hier ook gaan om inzet in bouwstoffen» Gezien deze tekst werd er contact gezocht met het bevoegd gezag om het veraarde zuiveringsslib te mogen toepassen in een geluidswal. Ook is toen al aangegeven indien dit niet mocht het wel als steunlaag hydrostab mag verwerk worden. Deze reageert na een tijdje als volgt: "Onlangs is aan het bevoegd gezag de vraag voorgelegd of het mogelijk is om veraard zuiveringsslib toe te passen als bouwstof onder het regime van het Bsb c.q. Bbk. Het bevoegd gezag hecht er aan haar standpunt aan u kenbaar te maken. Na raadpleging van: –– Wet- en regelgeving  (o.a. Wm, LAP2 en BSSA); –– Agentschap.nl\bodem+( zowel per e-mail als de FAQ nr. 18); –– Overleg met marktpartijen; stelt het bevoegd gezag zich op het standpunt dat het verwijderen van het veraarde zuiveringsslib op basis van de haar bekende gegevens niet kan worden beschouwd als een bouwstof." Zuiveringsslib is een afvalstof. Artikel 10.2 van de Wet Milieubeheer verbiedt derhalve het op of in de bodem brengen hiervan indien daarvoor geen vrijstelling is verleend op grond van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Artikel 2, eerste lid onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen omvat de algemene vrijstelling voor het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Deze vrijstelling wordt echter beperkt door het vijfde lid. In het vijfde lid is aangegeven dat de vrijstelling niet geldt indien afvalstoffen worden gebruikt welke behoren tot een categorie vermeld in artikel 1 van het Besluit stortverbod afvalstoffen, en waarvoor derhalve een

stortverbod geldt. Bij de categorieën van genoemde afvalstoffen in artikel 1 van het Besluit stortverbod afvalstoffen staat alleen: “slib, afkomstig van inrichtingen van biologische zuivering van afvalwater” (categorie 23) genoemd. Ander soort slib mag dus wel als bouwstof worden toegepast. Er geldt immers geen stortverbod. D.w.z. dat indien het zuiveringsslib voldoet aan het begrip bouwstof (10% Ca, Si en Al) het toch niet als bouwstof mag worden toegepast. Het BSSA gaat voor (derogeert) het Bsb\Bbk.  

De DCMR constateert dat er geen beleid geformuleerd is op basis waarvan hergebruik van bedoeld zuiveringsslib onder de regels van het Bbk/Bsb mogelijk wordt gemaakt.  Ook vraagt het bevoegd gezag aandacht voor de volgende tekst uit Vlaams document: Naast zware metalen kan RWZI-slib ook diverse anorganische en organische micropolluenten (o.a. PAK’s, dioxines) en allerlei pathogene organismen bevatten

NUMMER

4•2011

(bacteriën, virussen, protozoa en andere ziektekiemen). De kans op een verhoogde aanwezigheid van anorganische en organische micropolluenten is het hoogst voor slib van RWZI’s waarop veel industrieel afvalwater wordt geloosd. De behandeling van septisch materiaal in een RWZI resulteert mogelijk in een slechtere microbiologische kwaliteit van het slib. Een specifieke verontreiniging die soms in vrij hoge concentraties (tot > 450 mg/ kg droge stof) in het afgevoerde RWZIslib wordt aangetroffen, is tolueen. Uit onderzoek blijkt dat dit tolueen niet afkomstig is van tolueenverontreinigingen in het behandelde afvalwater, maar tijdens de slibopslag gevormd wordt door anaerobe microbiologische processen (K. Devoldere, 1999).

Blijkbaar is er contact geweest tussen het bevoegd gezag en het ministerie. Op 10 december 2010 wordt namelijk de toelichting bij het LAP 2 aangepast. De vraag aan het bevoegd gezag is eerder gesteld. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het LAP. Bevoegde gezagen zullen zich er echter wel door laten leiden.

De tekst is als volgt gewijzigd (t.o.v. augustus 2010 «Hoewel ....bouwstoffen»):   Hoewel de minimumstandaard voor een deel van het zuiveringsslib verbranden als vorm van verwijderen mogelijk maakt, is het beleid gericht op nuttige toepassing. Het gaat hierbij met name om inzet als brandstof en verwerken in/tot meststof. In beginsel kan ook worden gedacht aan inzet in bouwstoffen. Het is echter van belang dat gebruik van zuiveringsslib in/als bouwstof aan wettelijke beperkingen onderhevig is. Dit volgt uit het volgende: 1. Zuiveringsslib is een afvalstof en artikel 10.2 van de Wet Milieubeheer verbiedt het op of in de bodem brengen van afvalstoffen buiten een inrichting. In beginsel is het op of in de bodem brengen van afvalstoffen buiten inrichtingen dus verboden. 2. Artikel 2 van het Besluit vrijstelling stortverbod buiten inrichtingen bevat in het eerste lid een algemene vrijstelling van dit verbod van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer voor zover het gaat om bouwstoffen als bedoeld in Besluit bodemkwaliteit. Voor zover het gaat om het toepassen als bouwstof conform het Besluit bodemkwaliteit is op de bodem brengen van afvalstoffen buiten inrichtingen dus in beginsel weer wel toegestaan. 3. Het vijfde lid van artikel 2 van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen stelt echter beperkingen aan deze vrijstelling. Zo geldt deze vrijstelling niet indien afvalstoffen worden gebruikt die behoren tot een categorie vermeld in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Relevant is nu dat zuiveringsslib wordt genoemd onder categorie 23 van dat besluit. Het buiten inrichtingen op of in de bodem brengen van zuiveringsslib is hierdoor dus alsnog verboden. De hiervoor beschreven wettelijke beperkingen hebben artikel 10.2 van de wet milieubeheer als basis en gelden dus alleen “buiten inrichtingen”. Het is dus niet toegestaan om zuiveringsslib te verwerken in bouwstoffen en bijvoorbeeld in te zetten in een geluidwal of een ander werk. Voor inzet in de vorm van hydrostab op stortplaatsen - of binnen andere inrichtingen gelden deze wettelijke beperkingen niet.” 7


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

  De tekst is dus in de toelichting uitgebreid gewijzigd. De toepassing als bouwstof lijkt niet haalbaar. De tekst gaat echter niet in op het feit of na een bewerking van 30 jaar er nog over zuiveringsslib gesproken mag worden. Het bevoegd gezag blijft op het standpunt dat het om zuiveringsslib blijft gaan ook na 30 jaar. De discussie spitst zich nu toe om het zuiveringsslib te verwerken in hydrostab wat weer gebruikt wordt als steunlaag van de eindafdichting van de geluidswal. Erbij vermeld moet worden dat het om een IBC werk gaat. Hier is een bovenafdichting verplicht.    Waarom denken we dat dit kan? Dan gaan we eerst weer verder lezen in de toelichting bij het LAP. We vervolgen de toelichting na de zin «......gelden deze wettelijke beperkingen niet»   Wel volgen uit het hoofdstuk mengen van het beleidskader enkele restricties voor het bewerken en verwerken van zuiveringsslib gericht op een dergelijke inzet als bouwstof, namelijk: 1. Handelingen met zuiveringsslib die de in het hoofdstuk ‹Mengen› va het beleidskader bedoelde ‹zeer schadelijke stoffen’ bevatten zijn niet toegestaan wanneer dat kan leiden tot verspreiding van deze stoffen (zie verder onder de kop ‹de minimum standaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen› in dit sectorplan). 2. Mengen van partijen zuiveringsslib onderling, met andere stoffen of met niet-afvalstoffen is niet toegestaan wanneer het zuiveringsslib zonder mengen niet voldoet aan de kwaliteitseisen van Besluit bodemkwaliteit, tenzij toevoegen van het zuiveringsslib civieltechnisch noodzakelijk is voor het produceren van de betreffende bouwstof en het gaat om functionele hoeveelheden zuiveringsslib.   Uit het bovenstaande zou je kunnen concluderen dat hydrostab dus toegepast mag worden als steunlaag voor de eindafdichting in een werk. De conclusie die ligt besloten in de zin «Het is dus niet toegestaan .......... ander werk» uit de toelichting van het LAP volgt echter niet de regelgeving die wordt 8

genoemd. Het ministerie concludeert dat aangezien het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib niet is toegestaan, dit ook geldt voor alle andere bouwstoffen waarin zuiveringsslib wordt verwerkt. Dit kun je echter in twijfel trekken. Artikel 10.2 Wet milieubeheer en het daarop gebaseerde Besluit bevatten een verbod op het op of in de bodem brengen van biologisch zuiveringsslib, niet een verbod om zuiveringsslib te verwerken in bouwstoffen. Ook zou de redenering kunnen gelden dat bij het verwerken van zuiveringsslib als onderdeel van een bouwstof ter vervanging van andere primaire stoffen die anders zouden moeten worden ingezet, is de ontstane bouwstof geen zuiveringsslib meer. Bij het toepassen van de bouwstof moet de stof derhalve opnieuw worden beoordeeld op de vragen of er sprake is van een afvalstof en of die afvalstof al dan niet mag worden toegepast.   Toepassing binnen en buiten inrichtingen

  Het onderscheid dat het ministerie wordt gemaakt bij toepassing binnen en buiten inrichtingen vindt geen wettelijke basis. Zowel binnen als buiten inrichtingen is het op of in de bodem brengen van biologisch zuiveringsslib verboden. De bewoording van de 2 besluiten ontloopt elkaar niet. Het door het ministerie gemaakte onderscheid in de toepassing buiten inrichtingen die is verboden en de toepassing binnen inrichtingen die wel is toegestaan kan niet worden gemaakt. Verwerken tot bouwstof is in beide situaties toegestaan of verboden, er is geen onderscheid. Als de verwerking van afvalstoffen in

hydrostab wordt toegestaan, dan is er geen beletsel om de verwerking in een soortgelijke toepassing in een geluidswal toe te staan. Wel zou je nog kunnen zeggen dat in de toelichting van het LAP 2 staat dat hydrostab alleen binnen inrichtingen toegestaan is. Dit is in december 2010 toegevoegd. Maar dit is geen wettelijke basis. De toelichting maakt immers geen onderdeel uit van het LAP. Op basis van afvalstoffenregelgeving mag biologisch zuiveringsslib niet worden gestort, niet buiten, maar ook niet binnen inrichtingen. Het bewerken en verwerken van biologisch zuiveringsslib valt echter buiten deze kaders. Het inzetten van zuiveringsslib bij de productie van een bouwstof is toegestaan, mits wordt voldaan aan de vereisten: Civieltechnisch noodzakelijk voor de productie en gebruik van functionele hoeveelheden.   Op grond hiervan is een overleg met het bevoegd gezag belegd. Deze gaven achter aan dat ze vasthouden aan het standpunt dat zuiveringsslib niet buiten inrichtingen verwerkt mag worden in hydrostab. Deze volgen dus de toelichting van het LAP 2.    In dit proces is dus te zien dat ondanks dat de wet niet gewijzigd is, maar tijdens de discussie wel de toelichting, dit verstrekkende gevolgen kan hebben voor de toepassing van een materiaal. Vanwege de tijd (het zuiveringsslib moest weg) is er verder geen gerechtelijke procedure opgestart en is het zuiveringsslib elders verwerkt.


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

9


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4â&#x20AC;˘2011

Vragen aan Bodem+ Vragen aan de helpdesk en antwoorden van de helpdesk van B+

VRAAG: Wat is nu de status van standaard pakket in relatie tot vernieuwen bodemkwaliteitskaarten? Overgangsbeleid aangepast?

Antwoord B+: Het overgangsrecht inzake het hanteren van het nieuwe stoffenpakket in bodemkwaliteitskaarten is geregeld in de richtlijn bodemkwaliteitskaarten en is per regelingswijziging van 1 april 2011 gewijzigd (de richtlijn Bkk is nu gedateerd 1 maart 2011) van 3 naar 5 jaar na wijziging van het standaard stoffenpakket (1 juli 2008). Voor nadere informatie verwijs ik u gaarne naar de betreffende regelingswijziging en de richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Het doorvoeren van de wijziging heeft plaatsgevonden middels een wijzigingsblad van de richtlijn op 1 maart 2011, zie: http://www.nen-bodem.nl/dynamics/modules/SFIL0100/view.php?fil_Id=1029 Er was door de commissie ook aanbevolen de verplichte invoer van nieuwe BKK'n uit te stellen tot 2013. Is dat ook doorgevoerd? Antwoord B+: Excuus voor de vertraging in de beantwoording van uw vraag. In uw vraag heeft u het over de commissie, ik ga ervan uit dat u de commissie stoffenpakket bedoeld. Deze commissie heeft geadviseerd het overgangsrecht voor het opnemen van de nieuwe stoffen uit het standaard stoffenpakket in bodemkwaliteitskaarten te verlengen van 3 naar 5 jaar, dus tot uiterlijk 1 juli 2013. Dat is geĂŤffectueerd middels de wijziging van de regeling bodemkwaliteit per 1 april 2011. De commissie heeft op geen enkele wijze aanbevolen de invoer van nieuwe bodemkwaliteitskaarten uit te stellen tot 2013. Hoe moet ik dan de laatste zin lezen samenvatting rapport van de commissie? Antwoord B+: Volgens mij is het gegeven antwoord correct. Verwezen is naar het advies van de commissie stoffenpakket. Kunt u aangeven wat nuttige toepassingen zijn voor bouwstoffen die als afvalstof moeten worden aangemerkt? Waar is dit aangegeven?

Antwoord B+: De Kaderrichtlijn afvalstoffen geeft aan dat algemene voorschriften voor nuttige toepassing mogen worden opgesteld, waarin soort en hoeveelheid afvalstoffen zijn vastgesteld en is aangegeven onder welke voorwaarden de activiteit kan worden vrijgesteld van een vergunning. De voorschriften voor nuttige toepassingen van afvalstoffen als bouwstof zijn (in algemene zin) opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Voor bouwstoffen geldt dat de soort afvalstof helder is gedefinieerd. Het gaat om afvalstoffen die kunnen voldoen aan de definitie van een bouwstof, op grond waarvan in een materiaal meer dan 10% silicium, calcium en/of aluminium aanwezig dient te zijn. De nuttige toepassing is het toepassen en houden van bouwstoffen in een werk. Een werk wordt aangeduid als bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen. Hieraan is een aantal randvoorwaarden verbonden, nl: * Er mag niet een grotere (of kleinere) hoeveelheid bouwstoffen worden toegepast dan voor de functie noodzakelijk is. Anders is sprake van het ontdoen van afvalstoffen. * Bouwstoffen moeten terugneembaar worden toegepast en de bouwstoffen moeten worden verwijderd wanneer een werk zijn functie verliest * De kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen moet voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Voor meer informatie over de kaderrichtlijn afvalstoffen voor bouwstoffen verwijs ik je graag door naar paragraaf 5.4.9 van Nota van Toelichting bij het Besluit bodemkwaliteit. Deze info was mij bekend maar waar staat in het Bbk H3 wat voor bouwstoffen een nuttige toepassing is? Voorts is 10% SiAlCa het criterium voor steenachtig en niet onderscheidend voor bouwstoffen (dat kan ook grond en iets anders zijn). Antwoord B+: Zoals aangegeven zijn nuttige toepassingen van bouwstoffen in algemene zin beschreven en niet nader benoemd in H3 Bbk. Grond valt niet onder definitie van een bouwstof. Grond is expliciet uitgezonderd! 10


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4â&#x20AC;˘2011

Grond is mij bekend, daar zijn nuttige toepassingen voor aangewezen. Als er geen nuttige toepassingen zijn aangewezen voor "bouwstoffen zijnde een afvalstof" dan mag een dergelijke afvalstof dus niet worden toegepast onder Bbk? Antwoord B+ Zoals eerder per mail aangegeven geeft de Kaderrichtlijn afvalstoffen aan dat algemene voorschriften voor nuttige toepassing mogen worden opgesteld, waarin soort en hoeveelheid afvalstoffen zijn vastgesteld en is aangegeven onder welke voorwaarden de activiteit kan worden vrijgesteld van een vergunning. In het Besluit bodemkwaliteit zijn de voorschriften voor nuttige toepassingen van afvalstoffen als bouwstof in algemene zin opgenomen. Voor grond is gekozen voor een andere (meer specifieke) invulling door toepassingen aan te wijzen. Biede invullingen voldoen aan de voorwaarden in artikel 11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen om vrijgesteld te kunnen worden van de vergunningplicht. Mijn vraag gaat specifiek over bouwstoffen en als ik 't nu goed begrijp gaat Bbk er van uit dat elke toepassing (beperkt tot 'n werk) van een bouwstof nuttig? Waar in het Bbk staat dat toepassing/werk van bouwstof nuttig is, dit in termen van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen? Antwoord B+ In paragraaf 5.4.9 van Nota van Toelichting bij het Besluit bodemkwaliteit staat letterlijk "De nuttige toepassing is het toepassen en houden van bouwstoffen in een werk". Belangrijke randvoorwaarde is dat het werk een aanwijsbare functie moet hebben. Hiertoe geeft het eerste lid van artikel 5 Bbk twee criteria voor functionaliteit, waarmee afdoende wordt gewaarborgd dat bouwstoffen alleen worden benut voor maatschappelijk noodzakelijke toepassingen waarbij de toe te passen hoeveelheden begrensd zijn tot hoeveelheden die daadwerkelijk nodig zijn voor deze toepassingen. Graag verneem ik of kunstgrasstrooisel, zoals aangeduid in Rbk Bijlage A Tabel 2 voetnoot 5 een steenachtige bouwstof is, wanneer dit materiaal onder de Bbk regelgeving valt en of in Bbk kader een FEV mag worden afgegeven.

Antwoord B+ Er zijn verschillende typen rubbergranulaat, die gebruikt worden als instrooirubber op kunstgrasvelden, zoals rubbergranulaat van personen- en bedrijfsautobanden (SBR-rubber), rubbergranulaat op basis van thermoplastischelastomeren (TPE) en rubbergranulaat op basis van elastomeren (EPDM). Rubbergranulaat op basis van TPE en EPDM dat speciaal gemaakt is voor deze toepassing, voldoet in de meeste gevallen aan de definitie van een steenachtige bouwstof en valt derhalve onder de werking van het Besluit bodemkwaliteit. Rubbergranulaat van personen- en bedrijfsautobanden valt niet onder het Besluit bodemkwaliteit. Voor rubbergranulaten vallend onder Bbk kan een FEV worden afgegeven. De eisen, het toelatingsonderzoek, bepaling van de k-waarde, interne kwaliteitsbewaking en invulling van de fabrikant-eigenverklaring vind je in paragraaf 3.5 van de Regeling bodemkwaliteit. Helpdeskvraag van de maand B+ Welk bewijsmiddel gaat voor onder het Besluit bodemkwaliteit: partijkeuring, verkennend bodemonderzoek of bodemkwaliteitskaart?

Antwoord B+ Toepassing van een partij Voor een (te) ontgraven partij geldt dat een eventueel beschikbare partijkeuring boven het bewijsmiddel 'bodemkwaliteitkaart' gaat. Dit is omschreven in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (pagina 28): "Indien er sprake is van specifiek locatieonderzoek of partijonderzoek op de locatie van ontgraven en dat onderzoek voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het besluit bodemkwaliteit kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel maar wordt gebruik gemaakt van de resultaten van dat specifieke onderzoek."

Kwaliteitsklasse ontvangende bodem Voor de bepaling van de kwaliteitklasse van de ontvangende bodem geldt dat de bodemkwaliteitskaart bepalend is. Bij de vaststelling van de bodemkwaliteitskaart wordt door het gemeentelijk bestuur de toepassingseis (generieke danwel gebieddspecifiek) vastgelegd. Een bodemonderzoek kan dan niet tot een andere (betere of slechtere) toepassingseis leiden.

Heeft u nog ervaringen over deze of andere onderwerpen? Deel ze dan met uw collega´s, publiceer en discussieer mee op www.schreurs-uitgeverij.nl

11


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Mijn visie Uitvoerder en handhaver volgen (gedwongen) de regelketen en ‘t geloof in het milieurendement. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is te complex en daardoor niet uitvoerbaar en niet handhaafbaar. Dat waren dé onderwerpen van gesprek in overleg tussen overheid en bedrijfsleven anno 2002. Nu 10 jaar later, herhaald de geschiedenis zich met het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), alleen nog een gradatie erger. “Weg met het Bsb” was destijds de kreet en nu zou je kunnen stellen “Weg met het Bbk”. In overleg met de Tweede Kamer (TK) is destijds gekozen voor een sterke vereenvoudiging van het Bsb met o.a. de volgende uitgangspunten: –– milieukwaliteitseisen: heroverweging normenkader –– vereenvoudiging van de bewijslast; minder regels en uitvoerbare regels –– lastenvermindering; terugdringen kosten voor BV Nederland –– de handhaving; handhaafbaarheid verbeteren en ook uitvoeren. Bij het aankomend overleg met de TK kan meteen bezuinigd worden door hergebruik van alle stukken van destijds inzake de vereenvoudiging van Bsb, vervang Bsb in Bbk. Zelfs de TK kan haar overwegingen van destijds 1 op 1 op tafel leggen. Steeds maar weer komen er meer en meer complexere regels, het wordt steeds duurder, elke stap is vastgelegd en mag alleen maar worden uitgevoerd door erkende instellingen/personen. “Als het maar voldoet aan de regels” is het motto. Vakmanschap en eigen verantwoordelijkheid is verdwenen. Knelpunten in de praktijk zijn geen milieuproblemen maar bijna altijd regeltjesproblemen. Zo nu en dan wordt een probleempje opgelost, we kijken dan niet naar het milieueffect maar passen de regeltjes aan: we passen de norm aan (als een materiaal een verontreiniging bevat die de norm overschrijdt krijgt dit gewoon toch vrijstelling om te meten) of als het integraal een probleem is gaan we toch niet meer toetsen, of we passen ‘n rekenregeltje aan, of inter-

12

preteren de definitie anders, …. Dit terwijl we toch een heroverwogen normkader hadden vastgelegd? Voor veel regels ligt het gewicht in ‘n Nota van toelichting, worden ze nader ingevuld door een FAQ van B+ of worden overruled door regels in de BRL’s. Elk jaar wel een aantal wijzigingen op de Rbk, een lijst van bijna 300 knelpunten van een kant opgelost, een ander creërend, etc. Zo zijn er nog tientallen aspecten van het Bbk die niet deugen, je moet er in (waarin?) “geloven” om dit nog te willen volgen. In de huidige uitgave van het Vakblad Bodemkwaliteit komen enkele knelpuntjes aan de orde. Schreurs Uitgeverij heeft een boek uitgebracht om de vele wijzigingen nog inzichtelijk te maken, je zult maar handhaver zijn die moet terugkijken in de tijd, of een uitvoerder die zich afvraagt bij een rechtszaak hoe moest het toen ook weer? Wie volgt (de regels van) het Bbk nog? Het uitstekende werk van de VROM Inspectie, hun vernietigende rapporten, laat zien dat het huidige Bbk niet deugd. En wat is de reactie, we gaan nog meer regels maken.

       

Jan Schreurs

Vele miljoenen zijn te bezuinigen op (de gevolgen van) het bodembeleid en in de uitvoering. Aanbeveling: stop met die regels en zet vakmensen in bij zowel handhaving als uitvoering. Heel vaak door mij gevraagd maar nooit een antwoord op gekregen: wat is nu het integraal milieurendement van het Bbk? Dat is de vraag die de TK zich moet stellen alvorens in te stemmen met voortzetting van het huidige bodembeleid en regelgeving.

Het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.    – alle wijzigingen in één oogopslag inzichtelijk –    Alle wijzigingen in het Besluit bodemkwaliteit en met name in de Regeling  bodemkwaliteit worden afzonderlijk in de Staatscourant gepresenteerd. Door de vele  wijzigingen wordt het al minder makkelijk om de verschillen en juiste teksten te  onthouden. Dit gebrek aan inzichtelijkheid geldt met name voor de toepasser van het  besluit en de regeling. Daarnaast is het voor de toezichthouders ook geen sinecure.  Om te bepalen op welk tijdstip welke exacte tekst geldt, is niet eenvoudig te achterhalen. Om houvast en  overzicht te bieden aan de toepassers en toezichthouders, en alle anderen die er zijn voordeel mee wil  halen, is dit boek opgesteld. Een naslagwerk waarin de exacte teksten van het besluit en de regeling én al  haar wijzigingen overzichtelijk zijn gepresenteerd. Zowel de gewijzigde teksten als de tijdstippen van  geldigheid van deze teksten zijn duidelijk visueel weergegeven in dit boek. En zo blijft u op eenvoudige  wijze inzage houden in de brij van regeltjes en wijzigingen.    U kunt het boek bestellen via info@schreurs‐uitgeverij.nl. Een voorbeeld van het boek staat op onze  website. Voor een abonnement op de gedrukte of digitale uitgave of voor de tarieven bij een grote  afname, raadpleeg onze website www.schreurs‐uitgeverij.nl.  


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

All animals are equal, but some are more equal than others Siger Seinen, Vilanova i la Geltrú

In het noorden van Spanje ligt een oude zoutmijn waar van 1925 tot 1990 kaliumzout werd gewonnen. Nu ligt daar een grote zoutberg, onbeschermd en vlak bij een rivier. Het is tegenwoordig een toeristische attractie met 500 meter gangen in de zoutberg. Nu hoef je geen expert te zijn om te bedenken dat als het regent, het zout direct of indirect in de rivier terecht komt. Een eind stroomafwaarts wordt drinkwater gemaakt van het rivierwater. Een bedrijf zou gedwongen worden om beschermende maatregelen te nemen. De overheid hoeft dat niet, want – zo zegt de autonome overheid – “het zout verontreinigt noch het grondwater, noch het oppervlaktewater”. Vele jaren geleden moest ik op de middelbare school literatuur lezen. Voor het vak Engels werd dat onder andere “Animal Farm” van George

Orwell, want dat was lekker dun. Bleek het een aardig boekwerk te zijn en de bovenstaande zin is me altijd bijgebleven. Voor degenen die het boekje niet lazen een korte samenvatting. Na een revolutie op een boerderij, nemen de dieren de macht over en stellen nieuwe wetten in, onder andere dat alle dieren gelijk zijn én dat er geen wet geschrapt mocht worden. Na enige tijd eigenen de varkens zich privileges toe en om dat te “verantwoorden” voegen ze woorden toe aan de regels, onder andere dat “sommige dieren meer gelijk zijn dan andere”. In Spanje komt het helaas nog vaak voor dat overheden of politici boven de wet verheven zijn en/of de regels naar believen veranderen of interpreteren. Zou dit fenomeen in Nederland al uitgeroeid zijn?

Overdracht &

Bouwvergunning

Postbus 4060 1620 HB Hoorn Tel. 0229 - 246787 Fax 0229 - 243116 E-mail: info@landview.nl www.landview.nl

25 jaar

13


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Vandaag de dag moeten we allemaal verder kijken... Overheid en bedrijfsleven; niemand kan het zich veroorloven om alleen naar het hier en nu te kijken. Inzicht in de gevolgen van onze keuzes voor de generaties na ons is een absolute must. Dit geldt ook voor onze bodem. Grondwaterverontreinigingen, lozingen en ondergronds afvaltransport; het zijn actuele opgaven die vragen om ‘volhoudbare’ oplossingen. Daarnaast wordt het steeds drukker in de diepe ondergrond door geothermie, opslag van CO2, warmte- en koude-opslag. Hoe kunnen we deze intensief gebruikte bodem zo benutten zodat niet alleen wij, maar ook volgende generaties in hun behoeftes kunnen voorzien? Oranjewoud beschikt over middelen en methoden om u te helpen met erfenissen uit het verleden en om u tegelijkertijd klaar te stomen voor een duurzame toekomst. Ons blikveld? Dat is breed. Van bodembeleid tot onderzoek en sanering; met onze kennis van techniek, inhoud en proces vindt u in Oranjewoud een innovatief startpunt om van hoge ambities naar concrete antwoorden te komen.

Meer weten over onze visie? Kijk op www.oranjewoud.nl of neem contact op met: Léon Verhoeven T (06) 20 49 78 69 E leon.verhoeven@oranjewoud.nl

Oranjewoud, een wereld vol mogelijkheden www.oranjewoud.nl

14


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Auteurs: Leo van Ruiten (van Ruiten Adviesbureau BV) en Jan Schreurs (Schreurs Milieuconsult)

Besluit Bodemkwaliteit vertalen in bestekken Personen die dagelijks de aanbestedingskalender doornemen weten niet alleen welke werken er op de Nederlandse markt komen maar zij zien ook de onvolkomenheden in de bestekken. Vooral de vertaling van beleidsveranderingen in bestekken blijkt een moeizame zaak. Er is sprake van na-ijleffect. Nog steeds worden er termen gebruikt uit het oude Bouwstoffenbesluit (Bsb) die in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) zijn vervallen. Ook worden er soms producten voorgeschreven die al jaren niet meer op de markt komen. Een van de oorzaken is het kopiëren van oude bestekken. Hoe komen bestekken tot stand

Bij het opstellen van bestekken kunnen zich volgden situaties voordoen: 1. Beleid overheid en veranderende functionele eisen vertalen naar uitvoerbare “bestektaal” 2. Opstellen landelijke standaardbestekken 3. Opdrachtgevers/ adviesbureaus werken met eigen moederbestekken

Leo van Ruiten

Jan Schreurs

eigen "handschrift " van de opdracht gever/ het advies bureau tot uiting. Daarnaast vallen veel bestekschrijver terug op hun routine en gaan om tijd te sparen snel een gelijksoortig bestek kopiëren van een project "wat toch zo lekker liep". Echter in de praktijk bleken veel van deze bestekken een lappendekken te zijn met historische aanpassingen en toevoegingen.

4. Organisaties werken met voorbeeld bestekken/ oud bestek uit de kast halen

Voorkom problemen bij zowel opdrachtgever als bij de uitvoerder!

Welke problemen doen zich nu in de praktijk voor. Beleidsveranderingen moeten vertaald worden in praktisch uitvoerbare randvoorwaarden, normen en eisen. Vervolgens moeten de beleidsveranderingen en andere functionele eisen vertaald worden in goed werkbare Standaardbestekken. Hierbij kan dus ‘ruis’ optreden.

Het zou goed zijn, nu het Bbk uitgekristalliseerd raakt, op alle niveaus te kijken of het Bbk wel goed is vertaald in zowel de standaardbestekken als de moederbestekken. Ook steekproefsgewijs de lopende projecten een keer te screenen of ze Bbk prove zijn lijkt zinvol. Tenslotte zou een betere afstemming tussen bestekschrijvers en daadwerkelijke uitvoerders ook onvolkomenheden aan het licht kunnen brengen zodat die dan niet meer gekopieerd worden in het volgende nieuwe bestek.

Standaardbestekken blijken niet zo standaard te zijn dat veel organisaties ook nog eigen moeder bestekken maken. Hierin komt het

Vraag aan Bodem+ Graag verneem ik wat de wettige status is (wat kun je er mee bij de rechter en bevoegd gezag) van de antwoorden op helpdeskvragen én van de FAQ. Graag verneem ik hoe de aansprakelijkheid van Agentschap is geregeld in geval van foutieve antwoorden in de FAQ én door de Helpdesk.

Antwoord B+ Wij wijzen u er op dat de helpdesk als functie heeft om antwoorden te geven op technisch inhoudelijke of beleidsmatige vragen. Wij verzoeken u voortaan om dit soort vragen aan het management van Bodem+ te stellen, omdat deze zich niet richten op de scope van de helpdesk. Om via deze weg toch kort in te gaan op uw vraag: Antwoorden hebben geen wettelijke status, maar geven een advies / route aan hoe de wetgever de wetgeving bedoelt heeft als basis voor besluitvorming door bevoegd gezag. FAQ's worden als middel gebruikt om veel aan de helpdesk gestelde vragen op een website te zetten, ondermeer om de helpdesk te ontlasten. Daarnaast maken gremia als het implementatieteam BBk graag gebruik van onze websitefaciliteit om een nadere interpretatie van BBk onder de aandacht te brengen. Daar hun antwoord niet volledig is en gezien ook dit antwoord geen wettelijke status heeft, verzoek ik het management van B+ en I&M z.s.m. het antwoord te geven op mijn vragen in onderstaande mail. Antwoord B+ Je onderstaande vraag beantwoorden wij via een uitleg van de procedure, in aanvulling op het antwoord dat door de helpdesk is gegeven. Het antwoord van de helpdesk geeft het kader waarin Bodem+ haar werk uitvoert in de implementatie van de bodemregelgeving. Antwoorden hebben geen wettelijke status, maar een adviesstatus voor besluitvorming door het bevoegd gezag. De antwoorden kennen een disclaimer (zie ook onderstaand antwoord van de helpdesk) waarin gesteld wordt dat Agenstchap NL geen aansprakelijkheid aanvaardt. Uiteraard bestaat het recht om AGNL aansprakelijk te stellen wegens vermeend feitelijk onrechtmatig handelen. Wij zullen deze dan in behandeling nemen en beantwoorden, waarna de kans zeer groot is dat de civiele rechter er aan te pas zal moeten komen om ingediende vorderingen die worden ingediend af te handelen. 15


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Keuring partij grond voorafgaand aan zeving Stof tot discussie Casus

Grond met meer dan 20% bijmenging wordt voorafgaand aan de aanvoer bij een GBT gezeefd. Deze grond is voorafgaand aan het zeven gekeurd, waarbij de keurder de monsters eerst heeft gezeefd. De bodem waaruit de grond wordt ontgraven is niet sterk verontreinigd (indicatieve kwaliteit is Industrie). Locaal aanwezige spot met sterke bodemverontreiniging wordt separaat gehouden van het voornemen. De voorinformatie is betrokken in keuring. De handhaver keurt werkwijze af en stuurt aan op gehele herkeuring van de partij na zeven, met als onderbouwing een vraag en antwoord van de Helpdesk #1: VRAAG “Ik heb een vraag omtrent het Besluit bodemkwaliteit (Bbk ). Urgentie hoog i.v.m. met melding die is gedaan bij het bevoegd gezag ( BG ). Er is een Bbk-melding gedaan met als bewijsmiddel een partijkeuring waarin vermeld staat dat 22,4 % bijmenging is van slakken en puin. Bij de analyse is het puin- en slakkendeel niet meegenomen. De vraagsteller wil nu eerst gaan zeven en dan toepassen. Het BG vindt dat men eerst zou moeten zeven, en dan pas een partijkeuring uitvoeren. Wat is de juiste interpretatie?” ANTWOORD “Mag een BRL 9335 erkend bedrijf grove bestanddelen afzeven voor verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit? Nee, het afzeven van grove bestanddelen/bodemvreemd materiaal voor verbetering van de kwaliteit van een partij grond is een vorm van bewerking/reiniging van verontreinigde grond en is alleen toegestaan door BRL 7500 erkende bedrijven. In de praktijk blijkt het voor te komen dat BRL 9335 erkende bedrijven (soms ernstig) verontreinigde grond innemen, afzeven en vervolgens de partij met een verbeterde kwaliteit op de markt brengen. Dit is echter alleen toegestaan onder de BRL 7500. Het afzeven van 16

grove bestanddelen bodemvreemd materiaal mag wel onder de BRL 9335 worden uitgevoerd, als de milieukwaliteit van de grond hierbij niet wordt veranderd. Het gaat hier om niet ernstig verontreinigde grond dus is de BRL9335 van toepassing. Bij de eerste partijkeuring zijn echter de grove bestanddelen puin en slakken niet in de partijkeuring, bij de analyses,meegenomen. Dit betekent dat na af of uitzeven niet bekend is wat de kwaliteit van de grond is na bewerken met eventuele resten grove bestanddelen (bodemvreemd materiaal). Een nieuwe partijkeuring na bewerken dient dus in dit geval plaats te vinden inclusief de resterende grove bodemvreemde bestanddelen (cryogeen vermalen).” Reactie uitvoerder

Bevoegd gezag hanteert het antwoord van Helpdesk #1 onterecht om volgende redenen: 1. Onterecht wordt het onderwerp “BRL9335” erbij gehaald. Dit onderwerp is niet aangehaald in de vraagstelling en ook niet relevant: a. er is geen BRL9335-organisatie betrokken bij de casus. b. BRL 9335 erkende bedrijven worden als malafide bedrijven aangemerkt: ‘In de praktijk blijkt het voor te komen dat BRL 9335 erkende bedrijven (soms ernstig) verontreinigde grond innemen, afzeven en vervolgens de partij met een verbeterde kwaliteit op de markt brengen.’ Dit is bij vreemde aantijging aangezien enerzijds deze werkwijze bij wet verboden is en anderzijds uitgegaan moet worden uitgegaan van het vertrouwen van het systeem van kwaliteitsboring, erkenning en overheidscontrole. c. Er wordt gesuggereerd dat enkel BRL9335-erkende organisatie grond mogen zeven. Dit is niet correct. 2. ‘Het gaat hier om niet ernstig verontreinigde grond dus is de BRL9335 van toepassing.’ Dit is niet correct. De BRL9335 is niet

per definitie van toepassing op al het grondverzet. 3. Er worden twijfels geuit over de milieukwaliteit van de grond na zeven. Enkel op basis van het feit dat er voorafgaand bodemvreemde materialen aanwezig zijn in de bodem. Dit is raar. Aanwezig zijn puin, ballastgrond, slakken en ander grind. Cryogeen malen leidt eerder tot betere milieukwaliteit. De milieukwaliteit wordt uitgedrukt in mg per kg droge stof en verontreinigingen kleven aan het oppervlak van de deeltjes. Het cryogeen malen zorgt in dergelijke gevallen voor ‘verdunning’ van de potentieel verontreinigde deeltjes met cryogeen gemalen steenslag. Deze redenatie is niet correct. Dus als de monsters zijn ontdaan van schone grove bestanddelen heeft men bij de keuring een veel slechter resultaat gekregen (en zo wordt de partij ook toegepast) dan met die schone bijmenging. 4. Het afzeven van grove bestanddelen bodemvreemd materiaal mag zonder BRL9335 en BRL7500 bedrijf worden uitgevoerd. Indien gezeefd wordt met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de grond te verbeteren, is sprake van ‘een bewerking conform Bbk’. Pas dan is sprake van verplichtingen zoals het inschakelen van een BRL 7500 certificaathouder. (Definitie bewerken is: veranderen van de aard of hoedanigheid van de afvalstof door het behandelen met fysisch, chemische of biologische methoden voor nuttige toe passing of verwijdering). In onderhavige geval is geen sprake van een doelstelling met kwaliteitsverbetering als oogmerk. 5. BRL1000 P1001 geeft aan dat je grof materiaal uit monsters mag halen (net als bij asbest) en daarmee de partij als ware deze afgezeefd keurt. Omdat onderhave keuring is uitgevoerd conform dit protocol zegt de keuring wel degelijk wat over de kwaliteit van de afgezeefde grond en is de keuring zelfs correct uitgevoerd.


BODEMKWALITEIT

Vervolgens is de volgende vraag aan Helpdesk #2 gesteld: VRAAG Men is voornemens een partij hergebruiksgrond toe te passen in een GBT. Men stelt vast dat er meer dan 20 m/m % aan bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is. Men stelt dat men voorafgaand aan toepassing in de GBT de grond gaat zeven over 20mm-zeef. Voor het zeven keurt met de partij grond. Bij de monstername wordt enkel de fractie kleiner dan 20mm bemonsterd en geanalyseerd. Is de Bbk-keuring een geldig bewijsmiddel als de grond gezeefd over 20mm wordt aangeboden voor verwerking in een GBT? ANTWOORD "Het antwoord op uw vraag is niet te beantwoorden met een eenduidig ja of nee. Het Bbk beschrijft (a) zeven zonder oogmerk tot milieuhygiënische kwaliteitsverbetering in concreto - zie toelichting Bbk (b) maar licht de geldigheid van het bewijsmiddel in dat geval niet concreet toe. Toelichting Bbk

Het zeven: scheiden van puinhoudende grond in een stroom puin en een stroom grond wordt in die zin niet als bewerking gezien. Of een bewijsmiddel nog geldig is, hangt volledig af van de representativiteit van het onderzoek. Of de onderzoeken voor de grond zijn te gebruiken, hangt dus sterk af van de representativiteit hiervan nadat je het puin eruit hebt gezeefd. Wij adviseren altijd om als je in het veld veel puin aantreft, in je labonderzoek te anticiperen op een scheiding, om beter inzicht te krijgen in de kwaliteit van de deelstromen die je na ontgraven en scheiden gaat toepassen. Puin kan namelijk verslechterend werken, maar ook verbeterend op de kwaliteit (afhankelijk van kwaliteit van het puin, het percentage dat uitgezeefd wordt etc). De regeling zegt hier dus niets over, alles draait om de vraag: "hoe representatief vind het bevoegd gezag het onderzoek nog voor de deelstromen?". Het bevoegd gezag Bbk heeft hier uiteindelijk beleidsvrijheid in. 1"

NUMMER

4•2011

Conclusie uitvoerder

Uitvoerder is van mening dat bevoegd gezag in deze casus de zaak niet goed beoordeelt.

1Wat

betekent een melding Bbk nu eigenlijk als het bevoegd gezag aangeeft dat deze niet correct is, of dat zij van mening is dat het bewijsmiddel onvoldoende is? Is men in overtreding... –– bij het toch toepassen? –– bij het toepassen als niet wordt voldaan aan de milieunormen? –– gewoon omdat de melding niet voldoet? Hoe ver mag het bevoegd gezag gaan in het stellen van extra eisen? Gaat de praktijk van de handhaver zich nu ontwikkelen als een instituut waarbij toestemming moet worden gevraagd naar aanleiding van een melding?

In- en verkoop, bewerking en opslag van: • Secundaire bouwstoffen, zoals AEC-granulaat en Tweezand • Ferro- en Non-Ferro metalen • Biomassaproducten waaronder hout • Industrieel afvalwater • Bulkgoederen Faciliteiten: • 45 hectare terrein • 500 meter kade aan het kanaal Gent - Terneuzen • Los- en laadinstallaties • Waterzuivering • Bewerkingsinstallaties • Opslagsilo • Eigen spooraansluiting

WWW.HEROS.NL

Oostkade 5 | 4541 HH Sluiskil | T: 0115 47 12 58 | E: info@heros.nl

17


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4โ€ข2011

Auteur: Giljam van Vliet, KVM Consult

Asbest onderzoek in puinhoudende bodem Probleemstelling

Er moet een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd op een locatie waar gedeeltelijk puin is aangetroffen in de bovengrond. In de 5707 wordt echter niets genoemd over het aantal te analyseren monsters. Hoe bepaal je aantal monsters en welke mengmonsters maak je? Uitwerking

De NEN 5707 (en onderzoek op basis van protocol 2018) is alleen bedoeld (en toegestaan) voor bodems met minder dan 20 vol% puin. Indien meer dan 20 vol.% puin / puingranulaat in de bodem aanwezig is dient het onderzoek plaats te vinden op basis van de NEN 5897. Opmerking: het gaat hier niet om het gemiddelde puingehalte over een gehele locatie. Als op basis van de visuele inspectie duidelijk sterker puinhoudende delen (bijvoorbeeld voormalige wegen of erven) zijn te onderscheiden, dienen deze separaat conform de NEN 5879 te worden onderzocht, en de minder puinhoudende delen (minder dan 20 vol.% puin) onder certificaat BRL SIKB 2000, conform protocol 2018 (dus de NEN 5707). Bij twijfel (puinpercentage rond de 20 vol. %) dient naar de aard en het gebruik van de locatie te worden gekeken om te bepalen welke norm moet worden toegepast. Betreft het een halfverharding dan wordt de NEN5897 gehanteerd. Is echter sprake van een met puin vermengde bodemlaag dan is de NEN5707 van toepassing. NB.: onderzoek van grond met meer dan 20 vol. % puin (en/of halfverhardingen) is uitgesloten in protocol 2018 en kan derhalve niet onder certificaat BRL SIKB 2000 worden uitgevoerd! Onderzoek op basis van de NEN5897 valt niet onder de BRL SIKB 2000. 18

Onderstaand twee uitwerkingen (op hoofdlijnen), afhankelijk van de gestelde hypothese.

Ervan uitgaande dat het grond met een lichte tot matige puinbijmenging betreft (dus minder dan 20 vol.%) is de onderzoekstrategie afhankelijk van de op hypothese die op basis van het vooronderzoek wordt gesteld, alsmede van het doel van het onderzoek. Let er op dat het vooronderzoek conform de NEN5725 met aanvullingen conform NEN5707 wordt uitgevoerd (dus indien de locatie bebouwd is geweest ook bouw, verbouw, sloopactiviteiten / bouwdossiers raadplegen). Puin in de bodem is echter aanleiding om de locatie als verdacht te beschouwen (zie NEN 5707 ยง 3.3.1 en figuur 2 op blz. 28), of er moet een goede argumentatie zijn dat de betreffende puinsoort niet als asbest verdacht hoeft te worden beschouwd (puin is recent onder certificaat aangebracht, of betreft een restant van een onder certificaat geleverde partij

puingranulaat / puin is afkomstig van sloopactiviteiten van ruim voor de oorlog). Zie hiervoor de richtlijn op AgentschapNL (FAQ). Veelal is een dergelijke onderbouwing niet te geven en is dus sprake van een verdachte locatie. Indien de locatie toch (onderbouwd) als onverdacht wordt beschouwd hoeven bij een verkennend onderzoek asbest in principe geen analyses te worden uitgevoerd, echter er kan dan nooit geconcludeerd worden dat de locatie asbestvrij is. Dient toch een uitspraak te worden gedaan over het asbestgehalte van de betreffende bodemlagen dan kan worden aangesloten bij de onderzoeksinspanning van een nader onderzoek (qua gaten en analyses), door analyse van 1 mengmonster per 1000 m2 (zie NEN5707 ยง 7.1). Bij grotere onverdachte locaties (> 3000 m2) kan de onderzoeksinspanning verminderd worden t.o.v. het nader onderzoek. Uitgaande van een asbestverdachte locatie (vanwege het puin) kan met


BODEMKWALITEIT

een geringe onderzoeksinspanning de hypothese asbestverdacht worden bevestigd, wederom zonder grondmonsters te analyseren (door visueel waarnemen van asbestverdacht materiaal, en eventueel materiaalanalyses). In dit geval wordt de hypothese verdacht bevestigd en wordt direct een nader onderzoek asbest uitgevoerd (met 3 tot 5 sleuven per RE van 1000 m2). Indien bij het verkennend onderzoek (verdacht) visueel geen asbest wordt aangetroffen, kan de locatie alleen als asbestonverdacht worden geclassificeerd als middels analyses is aangetoond dat geen asbest in de bodem aanwezig is. Ook indien in de fase van het verkennend onderzoek toch een uitspraak over het asbestgehalte moet worden gedaan, kan worden aangesloten bij de onderzoeksinspanning voor een nader onderzoek (5 gaten per 1000 m2 met analyse van één grondmengmonster per 1000 m2). Let hierbij op verschillen in bodemopbouw en mate van bijmenging etc.

NUMMER

4•2011

grondsoorten verspreid over de deellocatie en verdacht / onverdachte monsters binnen één RE of deelgebied. Let op dat bij een nader onderzoek sleuven dienen te worden gegraven, terwijl bij een verkennend onderzoek putten worden gegraven. (putten bij een NO zijn alleen toegestaan als het graven van sleuven onmogelijk is). Een standaard verkennend onderzoek conform de intensiteit van een NO kan overigens niet als een volwaardig NO worden beschouwd. Giljam van Vliet

Grondmengmonsters voor analyse worden laagsgewijs samengesteld (gelijk aan bij een regulier bodemonderzoek), van gelijksoortig materiaal. Als in de actuele contactzone meerdere lagen zijn te onderscheiden worden deze niet gemengd. Idem voor verschillende

NB.: Let erop dat de berekening van de asbestconcentraties correct wordt uitgevoerd, door sommering van het asbest uit materiaalmonsters (uit de grove fractie), toebedeeld aan het geschouwde volume (put of sleuf) met de asbestconcentratie van de betreffende bodemlaag vanuit de grondmengmonsters (fijne fractie) zoals door het lab gerapporteerd.

19


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Auteurs: Ron Peerdeman en Odile Rutten, Grondbalans

Fosfaateisen bij het herinrichten van plassen Inleiding

In de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen zijn normen opgenomen voor de gehalten aan fosfaat en de verhouding tussen de gehalten fosfaat en ijzer. De fosfaateisen zijn door Alterra afgeleid uit gemiddelde waarden uit de bouwvoor van Nederlandse landbouwgronden waarbij een grote veiligheidsmarge is aangehouden. Er is geen gebruik is gemaakt van ervaringscijfers (monitoringsresultaten van toepassingen met geen of hogere normen). Er bestaat behoefte aan het verder onderbouwen van de norm en de wijze van het bepalen van het te toetsten gehalte aan fosfaat. Alleen het gehalte aan fosfaat en ijzer

Odile Rutten

zegt namelijk onvoldoende over de mogelijke uitspoeling van fosfaat. Zo zijn bijvoorbeeld de gehalten aan aluminium, zwavel en kalk ook van invloed. Helaas is voor voornoemd onderzoek geen budget. De norm voor fosfaat in de voornoemde Handreiking bedraagt 500 mg voor grond. Voorheen werd een norm van 1355 mg gehanteerd voor fosfaat, maar voor vele toepassingen in putten en plassen werden in het verleden echter helemaal geen eisen gesteld. Probleem

Waterschappen hanteren de nieuwe norm uit de handreiking ook als voorwaarde voor grootschalige bodemtoepassingen in oppervlaktewater. Nu blijkt uit de praktijk dat geen van de tot nu toe aangeboden partijen grond voldoen aan deze normwaarde van 500 mg voor fosfaat. De gehalten van deze partijen, die niet verdacht zijn op de aanwezigheid van verhoogde gehalten aan fosfaat, liggen tussen de 600 en 2100 mg. Daardoor ziet het er naar uit dat deze toepassingen niet kunnen plaatsvinden. Opgemerkt wordt dat de partijen voor de ratio (P/Fe) wel voldoen aan de norm.

Ron Peerdeman

Uit een inventarisatie bij een deel van de Nederlandse grondbanken blijkt dat daar momenteel nog nergens de voornoemde norm voor grond wordt toegepast (ook niet voor toepassingen die recent zijn gemeld). Veel toepassingen zijn al eerder gemeld en mogen in sommige gevallen nog jaren met de oude normen (of zelfs helemaal geen norm voor fosfaat) grond accepteren. Ook zijn nieuwe toepassingen bekend waarbij de lage norm niet is toegepast (hier is gebruik gemaakt van de oude norm voor fosfaat in grond van 1355 mg). Deze toepassing valt echter niet onder het bevoegde gezag van een Waterschap. Verder geven diverse grondbanken aan dat de nieuwe norm ook door hen als een probleem wordt ervaren omdat er geen tot zeer weinig grond beschikbaar is met zulke lage gehalten aan fosfaat. Daarom heeft de brancheorganisatie voor grondbanken (BOG) deze problematiek op haar agenda gezet. Voorgaande problematiek leidt maatschappelijk gezien namelijk tot de volgende grote knelpunten: –– Concurrentievervalsing door het langdurig gelijktijdig werken met verschillende normen in gelijkwaardige situaties; –– Concurrentievervalsing door het verschil in toepassing van de normen door verschillende bevoegde gezagen; –– Stagnatie van nieuwe initiatieven in verband met de strenge normen; –– Stagnatie van afzet van hergebruiksgrond.

20


BODEMKWALITEIT

Ter overweging

Uit een publicatie van het Stowa (‘Een heldere kijk op diepe plassen’ uit 2010) blijkt dat het nutriëntengehalte door veel processen beïnvloed wordt. Zo is er een groot verschil tussen het geheel verdiepen (integraal) of het gedeeltelijk verondiepen van plassen. Bij plassen

waarvan een deel op diepte blijft (dieper dan 15 m) is de kans op eutrofiering minder groot omdat het diepe deel als een zogenaamde ‘sink’ fungeert. Het uitgeloogde fosfaat concentreert zich in dit diepe deel en wordt daar gebonden. De norm uit de Handreiking is volgens ingewijden er op gericht om te voorkomen dat plassen

NUMMER

4•2011

integraal worden verondiept met fosfaatverzadigde grond. Daarbij wordt de kans op het aantreffen van volledig verzadigde agrarische grond steeds kleiner vanwege de strengere normen voor bemesting. Conform de Handreiking kan de bepaling van fosfaat en ijzer achterwege kan blijven voor grond die vanwege herkomst niet verdacht is met betrekking tot nutriënten. Maar zelfs deze grond blijkt dus vaak gehalten boven de norm te bevatten. Bij veel toepassingen is monitoring van oppervlaktewater verplicht om eventuele uitspoeling te kunnen bepalen. Er zijn bij ons na inventarisatie bij een aantal grondbanken geen projecten bekend waarbij het toepassen van grond met de hogere norm of zonder norm hebben geleid tot overschrijding van de signaleringswaarden voor fosfaat.

Vakmanschap in de bouwcyclus

Adviesbureau voor duurzame toepassing en hergebruik van bouwstoffen. Gericht om efficiënt en praktijkgericht bouwstoffen toe te passen binnen de kaders van het Besluit Bodemkwaliteit”.

Certificerende instelling op het gebied van asbest, slopen, recycling, milieu, veiligheid, sanering, bodemonderzoek en CE-markering.

Geaccrediteerd laboratorium voor onderzoek naar en controle van zand, grind, puingranulaat, beton en asfalt.

Stationsweg 2 | Postbus 275 | 4190 CG Geldermalsen | tel. +31 (0)345 585000 | fax +31 (0)345 585025 | info@eerlandweb.nl | www.eerlandweb.nl

21


BODEMKWALITEIT

NUMMER

4•2011

Nieuwtjes Nieuwe versie AP04 en AS3000 beschikbaar SIKB

Alle documenten in het Accreditatieprogramma AP04 en het Accreditatieschema AS SIKB 3000 zijn geactualiseerd. De nieuwe documenten zijn beschikbaar en gepubliceerd op deze website. De vorige versie is nog te gebruiken tot uiterlijk 01-01-2013, dus tien maanden langer dan tot nu toe is aangegeven. SIKB heeft haar zaken op orde SIKB

De Raad voor Accreditatie heeft SIKB op 9 december tussentijds beoordeeld op het functioneren als Schemabeheerder. Bij deze relatief beperkte beoordeling heeft de Raad voor Accreditatie geen tekortkomingen geconstateerd. Dat betekent dat SIKB haar zaken goed op orde heeft. Eind 2013 volgt weer een volledige beoordeling. R1-status voor alle AVI´s Lap2

In de Kaderrichtlijn afvalstoffen is opgenomen dat afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) de status ‘installatie voor nuttige toepassing’ kunnen hebben. Hiervoor moet een installatie dan energie-efficient genoeg zijn. Staatssecretaris Atsma heeft op 12 december bekend gemaakt dat alle Nederlandse AVI’s zich 'installatie voor nuttige toepassing’ mogen gaan noemen. Zie hiervoor: het persbericht. Nieuwe certificatieschema´s voor werken met asbest Infomil

Op 1 februari 2012 treden nieuwe certificatieschema's in werking. De bedoeling van de wijziging is om de uitvoering van de werkzaamheden met asbest te verbeteren. Bedrijven die asbest verwijderen of asbest inventariseren en de personen die werkzaamheden uitvoeren met asbest voor deze bedrijven moeten volgens certificatieschema's SC510, 520 en 530 22

en SC540 werken. De verandering moet er toe leiden dat de eisen beter toetsbaar zijn en dat voor afwijkingen duidelijk is welke sanctie daarop volgt. Bij ernstige tekortkomingen moet een certificerende instelling het verleende certificaat direct intrekken. De stelselherziening wordt gefaseerd doorgevoerd en maakt het mogelijk om misstanden strenger aan te pakken.

De fusie komt voort uit de samenvoeging van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) en Verkeer en Waterstaat (VenW) waartoe het kabinet Rutte heeft besloten. Die samenvoeging heeft geleid tot het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is onderdeel van IenM.

De eerste fase van de stelselherziening gaat onder andere over asbest en persoonlijke beschermingsmiddelen. De nieuwe eisen gelden voor de certificerende instellingen, en voor de certificaathouders. Branches zijn primair zelf verantwoordelijk voor de arboregels. De Arbeidsinspectie controleert en neemt zo nodig maatregelen.

Hoe ziet de nieuwe organisatie van de Inspectie Leefomgeving en Transport eruit?

De stelselwijziging is op 13 oktober in de Staatscourant gepubliceerd. Voor asbest gaat het om de gewijzigde schema's SC 510, 520, 530 en SC540. Fusie VROM-Inspectie en IV VI en IVW

De VROM-Inspectie (VI) en de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) fuseren. Vanaf 1 januari 2012 vormen zij samen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hier vindt u veelgestelde vragen en de antwoorden rond de fusie. Waarom fuseren de VROMInspectie en de Inspectie Verkeer en Waterstaat?

De Inspectie Leefomgeving en Transport krijgt zes domeinen en twee directies. Domeinen: –– ILT/Risicovolle Bedrijven –– ILT/Risicovolle Stoffen en Producten –– ILT/Water, Bodem en Bouwen –– ILT/Rail en Wegvervoer –– ILT/Scheepvaart –– ILT/Luchtvaart Directies: –– ILT/Bedrijfsvoering –– ILT/Handhavingsbeleid De Inspectie Leefomgeving en Transport is met ingang van 1 januari 2012 bereikbaar via: Postbus 16191 2500 BD Den Haag 088 – 489 0000 www.ilent.nl Organogram ILT

Schreurs Milieuconsult

Wetten, decreten, besluiten, protocollen, normen, richtlijnen, .... Kennisontwikkeling en overdracht inzake

Kwaliteit en Milieu Onze doelstelling Top advies en pragmatische aanpak in de begeleiding bij de vele aspecten van het Besluit Bodemkwaliteit en het hergebruik van afvalstoffen. www.Schreurs-Milieuconsult.nl


BODEMKWALITEIT

       

Vakblad afvalstoffen   

Drie jaar geleden is Schreurs Uitgeverij BV gestart met het uitgeven van het Vakblad Bodemkwaliteit, dit  om een kennisbron en podium te bieden voor de vakman. Sinds september 2011 wordt naast het  Vakblad Bodemkwaliteit ook het Vakblad Afvalstoffen uitgebracht. Naast de beleidsmatige en  wetgevende belichting van afvalstoffen is er ook de dagelijkse praktijk; analyse en monstername,  bewijslasten, Arbo aspecten, transport, opslag‐ en verwerkingslocaties, teerhoudende of  asbesthoudende materialen, scheidingstechnieken, et cetera. De vakbladen onderscheiden zich door  artikelen waar de inhoud van het vak centraal staat en een kritische blik niet wordt gemeden.    De vakbladen zijn gratis en worden digitaal verspreid in een oplage van ca. 3500 stuks. Ook u kunt  hieraan aan bijdrage leveren (nieuws, opinie, artikel, advertentie, ..).  Vraag naar de mogelijkheden via info@schreurs‐uitgeverij.nl.  

Reactie op uitspraak Rechtbank Maastricht m.b.t. bodemsanering

Reactie van het Ministerie van I&M, SIKB en Bodem+ op de uitspraak van de Rechtbank Maastricht van 22-9-2011 (LJN BT2356): Handelen in strijd met protocol 7001 is niet strafbaar, nu dit protocol niet is genoemd in de Regeling Bodemkwaliteit, bijlage C, categorie 8. De economische politierechter heeft in de uitspraak van 22 september jl. bepaald dat de aannemer die is aangevangen met een bodemsanering, terwijl daar geen milieukundig begeleider bij aanwezig was, niet strafbaar heeft gehandeld omdat de Regeling Bodemkwaliteit niet volledig zou zijn. Na een analyse van de uitspraak, de regelgeving en onderliggende beoordelingsrichtlijnen en protocollen komen wij tot de conclusie dat aanpassing van de Regeling bodemkwaliteit niet nodig is. Hieronder wordt daar nader op ingegaan: 1. Uit de uitspraak valt af te leiden dat het Openbaar Ministerie (OM) de verdachte heeft vervolgd voor schending van artikel 18 van het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 18 houdt in dat bij de uitvoering van een werkzaamheid (in dit geval uitvoering van een bodemsanering) gehandeld moet worden overeenkomstig het daarvoor geldende normdocument (in casu BRL 7000). In BRL 7000 wordt o.a. verwezen naar protocol 7001. Volgens de rechter vloeit uit dit protocol voort dat de sanering alleen had mogen starten bij

aanwezigheid van een milieukundig begeleider (een zogenaamde MKB’er). Dat zou volgen uit de in het protocol beschreven taakomschrijving van de MKB’er. De verdachte is een aannemer die in opdracht van een gemeente een bodemsanering heeft uitgevoerd. Blijkbaar is de aannemer met de sanering begonnen terwijl er geen milieukundig begeleider bij de sanering aanwezig was. Volgens de rechter heeft de aannemer daarmee in strijd gehandeld met protocol 7001. Dit is volgens de rechter echter niet strafbaar, omdat protocol 7001 niet staat vermeld bij categorie 8 van bijlage C van de Regeling bodemkwaliteit. Bij die categorie, die betrekking heeft op milieukundige begeleiding, zijn alleen BRL 7000 en protocol 7002 genoemd. Hierdoor is protocol 7001 voor de aannemer geen normdocument dat hij moet naleven als hij de milieukundige begeleiding, onderdeel processturing, voor zijn rekening neemt. Onduidelijk is waarom de rechter bij de beoordeling van de strafbaarheid van het feit protocol 7001 in verband heeft gebracht met het uitvoeren van milieukundige begeleiding. Uit de casus blijkt namelijk niet dat de aannemer naast de uitvoering van de bodemsanering ook de milieukundige begeleiding voor zijn rekening nam. Waarom heeft de rechter niet gekeken naar de normdocumenten die bij categorie 11 van bijlage C zijn genoemd? Die categorie heeft namelijk betrekking op het

NUMMER

4•2011

uitvoeren van een bodemsanering. En de aannemer is verplicht om bij de uitvoering de daar genoemde normdocumenten, waaronder protocol 7001, na te leven. 2. Je kunt je afvragen of het OM niet beter de gemeente had kunnen vervolgen voor het overtreden van artikel 2.3 van de Regeling uniforme saneringen. Op grond van die bepaling moet de opdrachtgever er immers voor zorgen dat de sanering milieukundig wordt begeleid. Ook het overtreden van die bepaling is via het Besluit uniforme saneringen en de Wet bodembescherming als strafbaar feit benoemd in de Wet op de economische delicten. 3. Er zit geen fout in Bijlage C onderdeel 8 van de Regeling bodemkwaliteit. In deze bijlage wordt in dit onderdeel terecht alleen verwezen naar protocol 7002 en niet ook naar protocol 7001. Het systeem is namelijk als volgt: protocol 7002, dat in essentie over de uitvoering van in-situ-saneringen gaat, biedt de mogelijkheid voor de aannemer om zich ook te laten certificeren voor de milieukundige processturing. Hij doet dat tegen de eisen van protocol 6002, onderdeel van de BRL 6000, maar verkrijgt dan een uitbreiding op zijn certificaat en erkenning voor protocol 7002. Dit omdat het in de praktijk veel voorkomt dat de uitvoering en processturing bij in-situ-saneringen wordt gecombineerd en het voor de branche gewenst was om te volstaan met één certificaat en erkenning in plaats van twee. Voor het gecombineerd uitvoeren van sanering én de milieukundige processturing bij een conventionele landbodemsanering (protocol 7001 en protocol 6001) geldt een soortgelijke mogelijkheid als bij een in-situ-sanering niet. 4. In de meest recente versie van de BRL 7000 (versie 4.2) is nu wel opgenomen dat de aannemer (bij kritische werkzaamheden) uitsluitend mag werken indien de milieukundig begeleider aanwezig is. Een dergelijke passage was in de vorige versie van de BRL 7000 (versie 4.1) nog niet opgenomen. Via een reeds voorziene wijziging van de Regeling bodemkwaliteit wordt per 1 januari 2012 naar de nieuwe versie van het protocol verwezen. 23


BODEMKWALITEIT

24

NUMMER

4•2011


Vakblad Bodemkwaliteit 2011-4