Page 1

AFVAL

STOFFEN

NUMMER 1

JAARGANG 1 SEPTEMBER 2011


χ


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Beste lezer, De roep om duurzaam te ondernemen klinkt overal om ons heen, ook Schreurs Uitgeverij BV wil daar gehoor aan geven. Om in te spelen op de behoeften van de lezers van deze tijd zal met ingang van deze editie het Vakblad Bodemkwaliteit en ook het nieuwe Vakblad Afvalstoffen als digitale uitgave worden verspreid.

UITGEVERIJ SCHREURS UITGEVERIJ BV Postbus 10101 6000 GC Weert T +31 (0)495 452 836 F +31 (0)495 452 825 E info@schreurs-uitgeverij.nl I www.schreurs-uitgeverij.nl

REDACTIE Jan Schreurs Wendy Dudink

GRAFISCHE VORMGEVING Cross Internet Marketing

Het voordeel van een digitale uitgave, naast het duurzame aspect, is dat urgente vraagstukken sneller onder de aandacht gebracht kunnen worden en u eenvoudig het vakblad of een interessant artikel daaruit kunt doorsturen naar collega’s, klanten, opdrachtgevers, et cetera. In dit eerste nummer van het Vakblad Afvalstoffen onder andere een casus uit de praktijk van Ron Laan, waarin het toepassen van natuursteen als fundering (bouwstof) door de milieupolitie gezien werd als het storten van afvalstoffen. Verder een visie van Leo van Ruiten op de thermische verwerking en export van Nederlands TAG (teerhoudend asfaltgranulaat). Ook kaart hij aan dat De Tweede Kamer voornemens is om de afvalstoffenbelasting af te schaffen, in zijn optiek een effectieve milieumaatregel die onderuit gehaald wordt. Ook in dit nummer een tweetal artikelen van onze zuiderburen naar aanleiding van Europese wetgeving. Elmar Willems heeft een artikel over het ambitieuze materialenbeleid in Vlaanderen geschreven, waarbij de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen ter inspiratie diende om voor een duurzaam beheer van materialen. Christine van Hoof beschrijft in haar artikel over een eenvoudige screeningmethode om afvalstoffen te karakteriseren welk bestemd zijn voor stortplaatsen, om aan de Europese Stortplaatsenrichtlijn te kunnen voldoen. Ik wens u veel leesplezier. Jan Schreurs NB: Indien u een of meerdere vakbladen wilt (blijven) ontvangen dan kan dat alleen door aan te melden (en ook weer afmelden) via de website www.schreurs-uitgeverij.nl of door het sturen van een e-mail naar info@schreurs-uitgeverij.nl. U krijgt dan elke uitgave automatisch toegestuurd.

In dit nummer: Natuursteen als bouwstof omzeilt afvalregels ...................................................................................................................................................................................... 4 Export teerhoudend asfalt – verleden of toekomst?............................................................................................................................................................................ 6 Afvalstoffen in de bodem . ........................................................................................................................................................................................................................... 8 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie of welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

Kaderrichtlijn afvalstoffen . .........................................................................................................................................................................................................................10

Voor informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen aanvaarden redactie en uitgever geen aansprakelijkheid.

Naar een ambitieus materialenbeleid in Vlaanderen . ......................................................................................................................................................................14

Plannen afschaffen afvalstoffenbelasting! ............................................................................................................................................................................................13

WETGEVING Wijziging Wm (Staatscourant 103, 2011) .....................................................................................................................................................................17 Hoe moet een mengsel van groene lijst afvalstoffen worden ingedeeld? ...............................................................................................................................17 Afval screenen op stortplaatsen................................................................................................................................................................................................................18 Voortschrijdende mogelijkheden van nascheiding ..........................................................................................................................................................................20 De Europese Landfill Directive: Weet wat u stort !..............................................................................................................................................................................23 Nieuwtjes ..........................................................................................................................................................................................................................................................25

3


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: mr. Ron Laan, advocaat, Van Diepen Van der Kroef Advocaten

Natuursteen als bouwstof omzeilt afvalregels De zelfverzekerde ondernemer in natuursteenproducten kon het niet verkroppen. Hij had ten behoeve van de fundering van een nieuw op te richten bedrijfspand en de oprit daarvan een verhardingslaag aangebracht van restanten natuursteen. In de ogen van de ondernemer is natuursteen letterlijk een natuurproduct en moet het gebruik als verhardingsmateriaal worden opgevat als een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde werkwijze. De milieupolitie dacht hier echter heel anders over. De verbouwereerde ondernemer werd aangeklaagd voor het storten van afvalstoffen. Vol goede moed ging de zakenman naar de zitting bij de economische politierechter. Hij legde uit dat het natuursteenmateriaal vanuit milieuhygiënisch oogpunt geheel schoon is en dat de natuursteenbrokken een ideaal funderingsmateriaal vormen. De economische politierechter zag het echter anders. De rechter overwoog dat sprake was van het “zich ontdoen” van natuursteenbrokken als afval en hij veroordeelde de verdachte ondernemer wegens het storten van afvalstoffen op de bodem zonder daartoe door bevoegde autoriteiten vergund te zijn met een vergunning of vrijstelling. In de ogen van de rechter

4

Natuursteen

had de ondernemer door dit handelen een mogelijke vervuiling van de bodem niet controleerbaar gemaakt en dat werd beschouwd als een strafbaar feit. Teleurgesteld droop de ondernemer af. De ondernemer liet het er echter niet bij zitten en ging in hoger beroep. In het hoger beroep kwam hij juridisch beter beslagen ten ijs. Hij had zich met juridische bijstand verdiept in de totstandkoming van de wetgeving over “afvalstoffen” en “bouwstoffen”. Daaruit kwam volgens hem naar voren dat het gebruik van natuursteenbrokken als verhardingsmateriaal wel degelijk toelaatbaar was. Weliswaar is in artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer een stortverbod voor afvalstoffen buiten een inrichting

neergelegd, maar in artikel 2, eerste lid onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is onder omstandigheden van rechtswege een vrijstelling van dit verbod van toepassing. Het moet dan gaan om het toepassen van bouwstoffen. Als afvalstoffen als bouwstof in een functioneel werk worden toegepast geldt een uitzondering op de afvalstoffenregelgeving. In de toelichting op het Besluit bodemkwaliteit, de wettelijke regeling in aansluiting op het Bouwstoffenbesluit, wordt hierop uitdrukkelijk ingegaan. Hierbij wordt uitleg gegeven over de overlapping van de begrippen “afvalstof” en


AFVALSTOFFEN

“bouwstof” en hoe dit voor artikel 10.2 Wet milieubeheer uitgelegd dient te worden: “Naast de bescherming van het milieu geven de regels in het onderhavige besluit ook duidelijkheid over de mogelijkheden voor het hergebruik van afvalstoffen als bouwstof. In het verleden is gebleken dat zonder een duidelijk kader veel materialen die als afvalstof vrijkomen en die op milieuhygiënische gronden toelaatbaar zijn, toch niet als bouwstof worden toegepast. Het hergebruik van dit soort materialen is echter gewenst, omdat hiermee het storten van materiaal wordt verminderd en de inzet van eindige primair gewonnen materialen wordt teruggedrongen. Ten tweede zou de toepassing van bouwstoffen die tevens afvalstoffen zijn op gespannen voet kunnen staan met het verbod om afvalstoffen buiten inrichtingen anderszins op of in de bodem te brengen (artikel 10.2 Wet

milieubeheer). Omdat werken als bedoeld in dit besluit vaak juist wel buiten inrichtingen zullen worden aangelegd en tegen de toepassing van bouwstoffen in deze werken – mits aan de eisen van dit besluit wordt voldaan – geen bezwaar bestaat, is dit besluit uitgezonderd van de werkingssfeer van bedoeld verbod. Dit was ook in het Bouwstoffenbesluit geregeld.” In de beoordeling van het hoger beroep steunde het Gerechtshof wel de opvatting van de ondernemer in natuursteen. Het Gerechtshof is in zijn uitspraak van oordeel dat het natuursteenbedrijf het natuursteen als bouwstof heeft toegepast in een werk met een functioneel karakter. Het bedrijf was dus vrijgesteld van de verbodsbepaling van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Weliswaar was in deze zaak bewezen verklaard dat het bedrijf de natuursteenproducten had gebruikt als funderingslaag, maar bij juiste lezing van de wetgeving leverde dit helemaal

NUMMER

1•2011

geen strafbaar feit op. De verdachte ondernemer werd dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging. Deze zaak is illustratief voor de complicaties die zich kunnen voordoen bij de beoordeling van “afvalstoffen” die tevens een “bouwstof” (kunnen) zijn. Voor “afvalstoffen” en “bouwstoffen” geldt op zichzelf een verschillend juridisch regime, maar in dit specifieke geval geldt dat door de kwalificatie “bouwstof” de werking van de afvalstoffenwetgeving wegvalt. Door de vasthoudendheid van de ondernemer in deze kwestie, kon het Gerechtshof uiteindelijk deze verhelderende uitspraak doen. Opmerkelijk is natuurlijk dat de economische politierechter in eerste aanleg de ondernemer veroordeelde. Dit kennelijk in strijd met de bedoelingen van de wetgever, die net als de ondernemer overtuigd was van de duurzame kwaliteit van natuursteen als “bouwstof”.

Natuursteen

5


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: L. van Ruiten, Van Ruiten Adviesbureau

Export teerhoudend asfalt – verleden of toekomst? Tot 1990 is op grote schaal teer in de wegenbouw toegepast. Werkgevers en werknemers organisaties hebben geconstateerd dat het verwerken en warm herverwerken van teerhoudend materiaal onwenselijk is wegens het carcinogene karakter van teer. Teer zou namelijk een hoge concentratie aan kankerverwekkende PAK (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) bevatten. Inademing van teerdampen zou kunnen leiden tot long- en blaaskanker.

Het ARBO- en milieubeleid in Nederland was er eind vorige eeuw actief op gericht de risico's van PAK te elimineren. Alle partijen asfaltproducenten, aannemers, wegbeheerders, alle overheden, hebben toen besloten dat "teer uit de keten" moet. Naast het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en het verminderen van milieurisico's had deze aanpak het voordeel dat het probleemloos hergebruik van wegfunderingen en asfaltlagen werd bevorderd. Bij wegreconstructie is in de toekomst alles eenvoudig en risicoloos her te gebruiken. Uit onderzoek (van VROM in 1999) bleek dat eind vorige eeuw in Nederland circa 50 mln ton teerhoudend materiaal aanwezig is in wegen in Nederland. Jaarlijks zou een kleine 1 mln ton Teerhoudend Asfalt Granulaat (TAG) vrijkomen. Het Bouwstoffenbesluit en later het Besluit Bodemkwaliteit werden opgelijnd en maakten de toepassing van TAG in Nederland onmogelijk. Export was verboden. Nederlandse bedrijven investeerden in een grootschalige en betaalbare verwerkingscapaciteit. De afzet van thermisch gereinigd en volstrekt ongevaarlijk TAG verliep ook voorspoedig. Mede doordat het jaarlijks aanbod van TAG iets hoger was dan verwacht en vergunningverlening voor de bouw van TAG-verwerkingsinstallaties veel tijd kostte, werd er in Nederland een voorraad te reinigen TAG opgebouwd van meer dan 3 mln ton.

6

Asfalt

De verplichting om het te reinigen TAG niet langer dan drie jaar op te mogen slaan (anders werd het beschouwd als storten) en de financiële zekerheid die sommige overheden vroegen, gaven een bedrijfseconomisch risico bij het vormen van voorraden. Behalve dit probleem en een kleinschalige export in grensprovincies, was thermische verwerking voor alle partijen een economisch en milieuhygiënisch verantwoorde en geaccepteerde oplossing. So far, so good en Nederlandse TAG-verwerkers ontwikkelden plannen om de verwerkingscapaciteit uit te breiden. EVOA – De rust verstoord Een belangrijke PAK-verbinding is Benzo (a)pyreen (BaP). In de nieuwe EVOA-regeling wordt BaP als referentie gebruikt voor het formuleren van maximaal aanvaardbare concentraties

voor alle PAK’s. Dit in tegenstelling tot de in Nederland gangbare methode om naar de som van een aantal PAK's te kijken. Deze EVOA-bepaling maakt het mogelijk om een groot deel van de volgens Nederlandse normen niet toepasbare TAG, toch te exporteren. Van deze mogelijkheid is met name gebruik gemaakt om in 2008 en 2009 de oude voorraden TAG weg te werken. De centrale vraag is of grootschalige export zal blijven bestaan? Er zijn twee argumenten die pleiten voor grootschalige export. Afhankelijk van transportkosten en de vergoeding die buitenlandse afnemers bedingen, kunnen ontdoeners enkele euro's per ton besparen op korte termijn. Op lange termijn bestaat echter het risico dat de Nederlandse thermische verwerkingscapaciteit afgebouwd wordt en Nederland afhankelijk wordt van buitenlandse (Oost- en Zuid-)


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Europese projecten. Het toepassen van TAG in Nederland is en blijft volgens het Besluit Bodemkwaliteit niet mogelijk. De afhankelijkheid zal voorraadvorming en prijsverhogingen kunnen betekenen. Het tweede argument is dat de overheid zich niet in staat acht om de ontstane exportmogelijkheid te beperken of het gat te dichten. Wel kijkt de overheid toe of aan alle andere (milieu)eisen wordt voldaan. Er zijn echter ook enkele argumenten die nadelig zijn voor grootschalige export. - Transportkosten zijn hoog en afzetprojecten moeten in de buurt van diep vaarwater liggen. De grootschalige export heeft plaatsgevonden in de periode van zeer lage scheepstarieven. Voor een bulkschip van 50.000 ton waren de gemiddelde vrachttarieven per dag in 2005/2006 $ 50.000 en in oktober 2008 tot april 2009 $ 7.000 om weer op te lopen tot $ 30.000 in 2010. - In ontvangende landen moeten er voldoende ophoog- en funderingsprojecten zijn. - Ontvangende landen stellen eisen aan de wijze waarop TAG wordt toegepast. In Duitsland moet cement toegevoegd worden, overdekte opslag en speciale vrachtwagens met aparte vergunning. - Het risico bestaat dat als een deel van het geëxporteerde TAG niet aan de daar geldende (milieu)eisen voldoet, dat leveranciers verplicht worden het terug te nemen. - De belangrijkste Nederlandse aanbieders van TAG, namelijk de overheden, bijvoorbeeld Rijkswaterstaat en provincies, zijn veelal zelf geen voorstander van Teerhoudend asfalt

Asfalt

export. In toenemende mate wordt in bestekken expliciet vermeld dat TAG thermisch gereinigd dient te worden. - De huidige drie Nederlandse thermische reinigers hebben verklaard dat zij voor nieuw aangeboden TAG besloten hebben voor thermisch reinigen en niet voor export. Hiervoor hebben ze een verklaring ondertekend. Overheden moeten wel TAG aanbieden voor thermische reiniging en niet grootschalig laten exporteren. - In het buitenland met name enkele deelstaten in Duitsland, wordt gedacht aan een verbod op storten en gebruik TAG. Er is in diverse landen belangstelling voor de Nederlandse milieutechnologie om TAG te verwerken. - Als overheden duurzaam willen inkopen zullen ze moeten toezien dat TAG thermisch wordt gereinigd. Ook in het Landelijk Afvalstoffen Plan (LAP2) wordt thermisch reinigen genoemd als minimum standaard. - Een deel van de overheden heeft de code Milieuverantwoord Wegbeheer (MVW) ondertekend. Ook hierin staat

thermisch reinigen genoemd als enige optie. Conclusie De verwachting is dat grootschalige export van TAG zal afnemen met name als het ministerie actief haar beleid uitdraagt. Grote ontdoeners kiezen voor een duurzame oplossing en schrijven dit voor in bestekken. De huidige Nederlandse thermische verwerkers van TAG hebben een verklaring ondertekend om nieuw aangeboden TAG niet te exporteren. Bij stijgende zeetransportprijzen en aanvullende eisen van de ontvangende landen neemt de economische prikkel om te exporteren af. Voor specifieke projecten in de buurt van diep vaarwater en voor projecten in de grensstreken zal er "gerekend" blijven worden. Thermische verwerkers, grote ontdoeners en overheden zullen zelf richting geven aan wat er gebeurt met de export van Nederlands TAG.

7


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: L. Krook, Krook VG Services

Afvalstoffen in de bodem Afvalstoffen werden in het verleden vaak gestort of geloosd op of in de bodem. Het saneren van met afvalstoffen verontreinigde grond is een complex gebeuren met risico’s voor uitvoerenden en omwonenden. In dit artikel wordt een korte impressie gegeven van sanering door afgraven. Inleiding Bodemsanering is het proces om een stuk grond vrij van bodemverontreiniging te maken. Hiervoor bestaan diverse methoden en technieken. De keuze en uitvoering hangt onder andere af van de plaats, de aard en de ernst van de vervuiling en van de functie van de bodem (wonen, industrie, landbouw...). Ook de prijs speelt een niet onbelangrijke rol bij de keuze van een saneringstechniek. De verschillende technieken kunnen in drie groepen ondergebracht worden: 1. In-situ - sanering zonder grondverzet, de verontreiniging wordt ter plaatse verwijderd 2. On-site - verontreinigde grond wordt afgegraven en ter plaatse gereinigd en teruggestort 3. Ex-situ - verontreinigde grond wordt afgegraven en afgevoerd voor behandeling en/of verwerking elders In dit artikel gaat het over ex-situ sanering. Ontstaan van bodemverontreiniging Verontreinigingen zijn vooral veroorzaakt door de onzorgvuldige omgang met stoffen en het - legaal of illegaal - storten van afval. Voorbeelden zijn er te over en van (bijna) alle tijden. Zo staan huizen in oude steden niet zelden op een laag die gevormd is door het eeuwenlang storten van stadsafval. In die laag liggen huisvuil en bouwresten van huizen, maar ook afval van kleine vervuilende industrieën als leerlooierijen en verffabriekjes. De grond rond voormalige gasfabrieken is vaak ernstig vervuild. In de jaren ‘70 zijn soms hele woonwijken bouwrijp gemaakt met verontreinigd baggerslib. Er zijn vuilnisbelten waar tot de jaren ‘80 op grote schaal giftige en soms zelfs

8

radioactieve stoffen illegaal zijn gestort, o.a. Coupépolder en Lekkerkerk. Ook rond benzinestations en ondergrondse olietanks uit die periode komt vaak bodemverontreiniging voor. Wandelpaden in bepaalde delen van het land zijn aangelegd met materiaal dat verontreinigd is met asbest. Ook in het landelijk gebied komen veel situaties voor waar de bodem bewust of onbewust vervuild is: een pomphouder die per ongeluk olie morst, illegale stortingen van giftige stoffen, illegaal lozen of morsen bij chemisch reinigen en fotolaboratoria of een fabrikant die verontreinigd water of slib in een rivier loost. Wetgeving. De wetgever verplicht opdrachtgevers en diverse andere partijen maatregelen te nemen om de veiligheid en gezondheid van de mensen die de sanering uitvoeren te beschermen en ongewenste milieu-effecten te beheersen.

Diverse wetten komen hierbij in beeld: • De Arbowet; • De Wet milieubeheer; • De Wet verontreiniging oppervlaktewateren; • De Wet bodembescherming; Voorbereiding. Voorafgaand aan de sanering moeten er verschillende onderzoeken worden uitgevoerd: • Een historisch onderzoek om te bepalen of er sprake kan zijn van bodemverontreiniging; • Een verkennend onderzoek voor het verzamelen van informatie die van belang kan zijn voor de arbeidsomstandigheden; • Een aanvullend onderzoek in geval het verkennend onderzoek daar aanleiding toe geeft. Het afgraven van verontreinigde grond moet dus gebeuren op een milieuverantwoorde, veilige en hygiënische manier. Saneringen worden onderverdeeld in verschillende categorieën, afhankelijk


AFVALSTOFFEN

van de eigenschappen en concentraties van de verontreinigende stoffen. Er worden 6 veiligheidsklassen onderscheiden, nl.: • Basisklasse • Drie T-klassen (geven het risico voor blootstelling aan toxische stoffen aan) • Twee F-klassen (een indicatie voor brandbaarheid en explosiegevaar) Op basis van deze klassen zijn er voorschriften voor de manier waarop de sanering moet plaatsvinden. Het bepalen van de juiste saneringsklasse gebeurt op basis van analyses van de grondmonsters. Hier doet zich een probleem voor. De verontreinigingen zijn niet altijd homogeen verspreid in de bodem. Daarom zal tijdens de sanering voortdurend gecontroleerd moeten worden of de situatie nog wel zo is als door de analyses is aangegeven. Soms doet zich plotseling een onverwachte stank voor. Mogelijk een vluchtige stof die lokaal in een hogere concentratie aanwezig is dan uit de analyseresultaten bleek. Regelmatig wordt asbest aangetroffen terwijl dit niet in de monsters in aangetroffen. Op zo’n moment moet het saneringsplan aangepast worden.

Maatregelen in het V&G-plan betreffen o.a.: • Deskundigheid van uitvoerenden, zoals b.v.: • Deskundig Leidinggevende Projecten (de DLP); • Milieukundig begeleider; • Veiligheidskundige (voor 3T en 2F saneringen moet dit een Hoger Veiligheidskundige zijn); • Voorlichting en instructie; • Periodieke metingen van gevaarlijke en/of brandgevaarlijke stoffen; • Voorzieningen op machines zoals kraan en vrachtauto: • Vrachtauto’s met afsluitbare laadbak; • Overdruksysteem op de cabine met filterinstallatie en systeembeveiliging; • Communicatiemiddelen; • Persoonlijke beschermingsmiddelen; • Medische keuring van uitvoerenden; • Arbeidshygiënische gedragsregels met de noodzakelijke voorzieningen om uitvoering van die regels mogelijk te maken; • Afzetting van het terrein en waarschuwingsborden;

NUMMER

1•2011

Soms zijn er complicerende factoren bij een sanering die het werken bemoeilijken of voor extra risico’s zorgen, b.v.: • Voorwerpen in de bodem • Kabels en leidingen • Puin • Onverwachte verontreinigingen • Extreme weersomstandigheden (hitte, koude, droogte waardoor verstuiving kan optreden) • Onrust bij omwonenden • Verkeer Het verwijderen van afvalstoffen uit de bodem is een lastige klus met veel haken en ogen en meestal ook een kostbare klus. Beter is het dus om afvalstoffen niet in de bodem te laten komen. Voorlopig liggen er nog vele terreinen te wachten op sanering. De auteur: De auteur is zelfstandig adviseur. Hij is hoger veiligheidskundige met een chemische achtergrond. Reeds jaren begeleidt hij saneringen en adviseert hij bedrijven in diverse industriesectoren op het gebied van explosieveiligheid.

Belangrijke groepen van verontreinigingen zijn: • (Zware) metalen; • PAK’s (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen); • PCB’s (Poly Chloor Bifenylen); • Aromatische verbindingen zoals benzenen, xylenen etc.; • Gechloreerde koolwaterstoffen (zoals tri en per); • Anorganische verbindingen zoals cyanide; • Bestrijdingsmiddelen zoals DDT; • Minerale olie • Asbest Ter voorbereiding van de sanering moeten o.a. een bestek en een V&G-plan opgesteld worden. In het V&G-plan moet beschreven worden welke maatregelen genomen moeten worden om de sanering veilig en milieubewust uit te voeren. De basis hiervoor is dan natuurlijk de vastgestelde veiligheidsklasse en de aard van de verontreiniging.

9


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: Erwin van de Ven, Oosterom Opleidingen

Kaderrichtlijn afvalstoffen De Kaderrichtlijn afvalstoffen is een nieuwe Europese richtlijn die op 12 december 2008 in werking is getreden. Alle Europese lidstaten moesten deze richtlijn binnen 2 jaar, dus uiterlijk op 12 december 2010, ingevoerd hebben in hun nationale wet- en regelgeving. Is deze Kaderrichtlijn nu echt nieuw? Nee, reeds in 1975 is de eerste versie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen vastgesteld. Dit was een eerste stap naar Europees beleid op het gebied van afvalstoffen. Doel van deze Kaderrichtlijn was de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid. Inmiddels is deze Kaderrichtlijn afvalstoffen zes keer herzien, de laatste keer in december 2008 (2008/98/EG). Bij elke herziening wordt geprobeerd de Kaderrichtlijn verder te structuren en te harmoniseren in Europees verband met als uiteindelijk doel één Europese afvalwet. Inmiddels is zo’n 60% van alle Nederlandse afvalwet- en regelgeving gebaseerd op Europese verordeningen en richtlijnen. Hoe werkt deze Kaderrichtlijn nu precies? De Kaderrichtlijn afvalstoffen is een zogenaamde raamwet. Dit is een wet waarin alleen de hoofdzaken worden geregeld waarna de details worden ingevuld middels ander wetten, bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. Bij elke wijziging wordt er een nadere invulling gegeven aan de raamwet. Bij de laatste wijziging van 2008 zijn twee bestaande richtlijnen over gevaarlijk afval en afvalolie vervallen en opgenomen in de herziene Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit is vergelijkbaar met onze Wet milieubeheer die op 1 maart 1993 in

10

werking trad. Gedurende de jaren daarna zijn er steeds meer wetten toegevoegd met als doel één centrale milieuwet te realiseren. Overigens vallen niet alle afvalstoffen onder de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Zo zijn radioactief afval, afval van delfstoffen, kadavers, landbouwafval en afvalwater nog steeds uitgezonderd. Deze worden in aparte richtlijnen geregeld. De verandering aangebracht in de herziene Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen moeten worden omgezet door alle lidstaten in eigen nationale wetgeving. Dit betreft voor Nederland de Wet milieubeheer (Wm) en dan met name hoofdstuk 10 ‘afvalstoffen’. Veel onderwerpen worden weer niet in de Wm zelf geregeld, maar in algemene maatregelen van bestuur (AMvB's), provinciale milieuverordeningen of gemeentelijke afvalstoffenverordeningen en het LAP2 (Landelijk Afval Beheersplan). Deze complexiteit aan verschillende op elkaar af te stemmen wet- en regelgevingen heeft ertoe geleid dat Nederland de vernieuwde Kaderrichtlijn afvalstoffen nog niet volledig had ingevoerd op 12 december 2010. Overigens is Nederland niet het enige land dat dit niet op orde had. De Europese Commissie laat dit doorgaans niet onbestraft. Zo kan het de overtredende lidstaten publiekelijk in gebreke stellen en ze voor het Europese Hof dagen. Daarnaast kan de Europese Commissie handhaven door het opleggen van boetes. De laatste jaren heeft dit wel vruchten afgeworpen en wordt er steeds beter gehoor gegeven aan gemaakte afspraken. Wat zijn de belangrijkste veranderingen in de Kaderrichtlijn afvalstoffen? De nieuwe richtlijn betreft hoofdzakelijk een verduidelijking van de oude kaderrichtlijn uit 1975 en een verdere invulling van de raamwet. De

belangrijke wijzingen zullen hier kort worden toegelicht: Afvalhiërarchie: In de Kaderrichtlijn is voor het eerst de volgende afvalhiërarchie opgenomen; preventie, hergebruik, recycling, nuttige toepassing en verwijdering. Alle lidstaten moeten invulling geven aan de hiërarchie. In Nederland is een vergelijkbare afvalhiërarchie al sinds 1979 bekend onder de naam ‘de ladder van Lansink’. Met name de Zuidelijke en de Oost-Europese lidstaten hebben hieromtrent nog een lange weg te gaan. Bijproducten : Nieuw in de Kaderrichtlijn is de term bijproducten. Een stof of voorwerp dat onbedoeld tijdens de productie ontstaat kan als en bijproduct worden gezien als het aan vier criteria voldoet. In de eerste plaats moet een stof/voorwerp opnieuw gebruikt worden, ten tweede kan de stof /voorwerp direct weer worden gebruikt zonder een speciale behandeling, ten derde wordt de stof/ voorwerp geproduceerd als onderdeel van een productieproces en als laatste mag het gebruik van de stof/voorwerp geen ongunstige effecten voor het milieu of de gezondheid hebben. Voordeel voor productiebedrijven is dat nevenstromen nu dus geld kunnen opleveren en niet per definitie als afvalstof afgevoerd hoeven te worden. Einde- afvalfase: Tot op heden gold vrijwel altijd dat stoffen/voorwerpen die tijdens de productie ontstonden in principe een afvalstof zijn en pas na het voltooien van een specifieke bewerking als product konden worden ingezet. Met andere woorden wanneer is een afvalstof voldoende behandeld om weer als grondstof te kunnen dienen. Dit heeft de laatste jaren de nodige discussies en rechtszaken opgeleverd. In de Kaderrichtlijn zijn aantal criteria opgesteld waarin wordt omschreven wanneer een stof het einde van zijn


AFVALSTOFFEN

afvalfase heeft bereikt. Deze criteria zijn dat stoffen specifiek voor een doel gebruikt moeten worden, dat er een reguliere markt voor is of vraag naar is. Daarnaast moet de stof/voorwerp voldoen aan normen voor toepassingen die geen ongunstige effecten voor het milieu of de gezondheid tot gevolg hebben. Toch heeft de Kaderrichtlijn zich niet gewaagd aan al te stellige

opsommingen. Er moet vooral gedacht worden aan stoffen/voorwerpen zoals granulaten, papier, glas, metaal, banden en textiel. Zijn er geen Europese richtlijnen dan moeten de lidstaten zelfstandig beslissen over het einde-afvalfase, rekening houdend met jurisprudentie. Of dit nu de gewenste duidelijkheid schept in de reeds bestaande verwarring is de vraag? Daarnaast moet ook nog rekening

NUMMER

1•2011

gehouden worden met het feit dat afvalstoffen naar hun bewerking mogelijk onder Reach zullen gaan vallen met alle bijkomende administratieve handelingen en kosten. Zelfvoorziening en nabijheid: De Europese lidstaten worden geacht samen te werken om een dekkend netwerk van verwijderings- en

11


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

recyclinginstallaties op te zetten en daarbij rekening te houden met de best beschikbare technieken (de BBT’s). Ook de kosten voor het oprichten van gespecialiseerde installaties en geografische omstandigheden dienen hierbij goed bekeken te worden. Doel is om op Europees niveau zelfvoorzienend te zijn voor het verwijderen en nuttig toepassen van afvalstoffen. Daarnaast mogen de lidstaten onderling ook naar zelfvoorziening streven. In tegenstelling tot wat in de EVOA is geregeld kunnen lidstaten de import van afval bestemd voor nuttige toepassing in afvalverbrandingsinstallaties beperken. Dit beschermen van de eigen markt is alleen toegestaan als het eigen afval door krapte in de afvalverbrandingsinstallaties gestort zou moeten worden. Zo beschikt Nederland sinds 2005 niet meer over een draaitrommeloven voor het verbranden van gevaarlijk afval door een landelijk sterk dalend aanbod. Dit gevaarlijke afval wordt naar de ons omringende landen gebracht om daar te worden verwerkt. Nuttige toepassing en verwijdering: Afvalverbranding met energie terugwinning had de status van verwijdering (D10), maar kan nu de status van nuttige toepassing (R1) verkrijgen mits aan bepaalde eisen voldaan wordt. Hiervoor moet de berekende energie-efficiëntie van de AVI (Afvalverbrandingsinstallatie) aan bepaalde minimale eisen voldoen wat een zogenaamde R1 status oplevert. In 2009 heeft de toenmalige minister Cramer van Milieu met de Nederlandse AVI’s een convenant ondertekend waarin geen verder uitbreiding van de AVI’s meer zou plaatsvinden tot 2020 in verband met de overcapaciteit die er op de Nederlandse markt is. In ruil daarvoor mochten de AVI’s met een R1 status ook buitenlands brandbaar huishoudelijk afval importeren om hun ovens voller te krijgen. Met name uit Engeland wordt het nodige geïmporteerd. Hergebruik en recycling: De Europese Commissie heeft de R1 status van verbrandingsovens met enige tegenzin toegestaan. Men is namelijk bang dat dit ten kosten zal gaan van de recycling

12

van bruikbare stoffen. Daarom heeft men besloten recyclingdoelstellingen vast te leggen die met name voor Zuid- en Oost-Europese lidstaten voor een uitdaging zullen zorgen. In 2015 moet de gescheiden inzameling in elke lidstaat zijn opgezet voor minimaal papier, metaal, kunststof en glas. Hier voldoet Nederland al lang aan. Daarnaast moet rond 2020 minimaal 50% van het papier, metaal, kunststof en glas uit huishoudelijk en vergelijkbaar afval worden gerecycled. Daarnaast moet er in 2020 ook 70% van het bouw- en sloopafval gerecycled worden. Eind 2014 bekijkt de Europese Commissie of de voorgestelde recyclingspercentages aangescherpt en uitgebreid moeten worden of niet. Gevaarlijk afval: Door de integratie van de richtlijn gevaarlijk afval in de Kaderrichtlijn afvalstoffen heeft men ter bescherming van het milieu en ter bevordering van het hergebruik extra bepalingen opgenomen. Zo mag gevaarlijk afval in principe niet worden gemengd of verdund tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden dienen te zijn vastgelegd in een vergunning en mogen geen nadelige gevolgen voor de mens of het milieu hebben. Daarnaast moet de bewerking voldoen aan de BBT (Best Beschikbare Technieken). Afgewerkte olie: De richtlijn die tot doel had inzameling van afgewerkte olie te bevorderen met het oog op onschadelijke verwerking is i ngetrokken. Deze is geïntegreerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen waardoor afgewerkte olie gescheiden moet worden ingezameld en de verwerking op basis van de afvalhiërarchie dient plaats te vinden. De lidstaten mogen regeneratie verplicht stellen indien dit technisch haalbaar is. Of je nu wel of niet voor één Europa bent, feit is dat de wetgeving steeds meer geüniformeerd wordt zoals de herziene Kaderrichtlijn afvalstoffen. Veel Nederlanders, zeker uit het bedrijfsleven, vragen zich af “Waarom Nederland toch steeds voorop moet lopen binnen Europa met dit soort wetgevingen “ . Dit is een

begrijpelijke vraag, maar in dit geval heeft het ons geen windeieren gelegd. Nederland voldoet vrijwel op alle fronten aan deze Kaderrichtlijn. Nu is alleen de vraag hoe het Nederlandse bedrijfsleven dit binnen Europa aan de man gaat brengen en van ons voordeel ook geld weten te maken. Welke daadkracht we vanuit Brussel mogen verwachten om de Zuid- en Oost-Europese lidstaten te houden aan de gemaakte afspraken zal nog moeten blijken. Persoonlijk verwacht ik daar weinig van. Zeker gezien het feit dat landen als Portugal en Griekenland momenteel wel andere zorgen aan hun hoofd hebben. Maar ook Italië waar de maffia schijnbaar ook in de afvalhandel zit beloofd ons niet veel goeds. Eén positief punt hiervan is wel, dat als de maffia brood in afval ziet dan valt er dus (veel) geld te verdienen. De vraag die Nederland de laatste tijd bezig houdt over ‘wel of geen statiegeldsysteem houden’ of zelfs uitbreiding zoals in Duitsland, geeft aan dat er nog het nodige geregeld moet en kan worden ook in ons land. Zelf zie ik veel kansen en uitdagingen liggen in het produceren van herbruikbare afvalstromen. We zitten nog in de naweeën van de financiële crisis en die moeten we benutten om ons voordeel voor de toekomst veilig te stellen. Als de wereld economie straks weer op stoom is zal de grondstoffen schaarste naar alle waarschijnlijkheid de kop weer opsteken. De nieuwe economieën China en India maar ook de daar omheen liggende landen krijgen steeds meer behoefte aan schaarse grondstoffen. Of dat tot een nieuwe economische crisis zal leiden of niet, moeten we niet willen afwachten. Als we uit het beter scheiden van ons afval genoeg (duurzame) grondstoffen kunnen produceren voor Europa, hoeven we minder last te hebben van deze grondstoffencrisis en kan dat Europa voordeel opleveren. Zowel financieel als milieutechnisch maar zeker onze concurrentiepositie op de wereldmarkt.


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: Leo van Ruiten, Van Ruiten Adviesbureau

Plannen afschaffen afvalstoffenbelasting! Winnen accountants het van de milieudeskundigen?

Op 14 april 2011 heeft staatssecretaris F. Weekers van Financiën de Tweede Kamer het plan voorgelegd om de afvalstoffenbelasting af te schaffen. Dit als onderdeel om een eenvoudiger maar solide en fraudebestendiger belastingstelsel te krijgen. Het boekhoudkundige argument is dat de belastingopbrengst door daling van de gestorte hoeveelheid teruggelopen is van € 177 mln in 2007 naar € 57 mln in 2010. De vergelijking dringt zich op dat de Minister van Verkeer zegt bekeuringen voor snelheidsovertredingen maar af te schaffen als blijkt dat door hoge boetes het rijgedrag van mensen zo is verbeterd dat er minder bekeuringen voor hard rijden worden gegeven en deze inkomstenbron te klein is geworden. Vergeten wordt dat de meest effectieve milieumaatregel van de afgelopen drie decennia met verkeerde argumenten onderuitgehaald wordt. Het argument dat er meer stortverboden komen, snijdt alleen

hout als er een grote uitbreiding komt van het handhavingsapparaat. Via ontheffingen zoals bijvoorbeeld voor teerhoudend dakafval gaat naar verwachting de deur op een kier om goedkoop te storten. Er zal bovendien niet alleen toegezien moeten worden op alle stortplaatsen dat het stortverbod wordt nageleefd voor specifieke afvalstromen, maar er zal ook gekeken moeten worden naar gemengde afvalstromen. Wegmengen wordt opeens heel lucratief. Over tien jaar zal vermoedelijk blijken dat 14 april 2011 een belangrijke datum is geweest voor de Nederlandse afvalwereld. het waterschap kan voldoende grond en baggerspecie vanuit het bodembeheergebied worden verwerkt in de zandwinplassen. Zij hebben zich daarvoor gebaseerd op gegevens van verkennend waterbodemonderzoek uit de periode 1999-2008. De ABRS vond dit terecht. Appellanten betogen ook nog dat ten onrechte en in strijd met artikel 52 Bbk geen grond en bagger van buiten het bodembeheergebied mag worden aangevoerd. Echter volgens het algemeen bestuur van het waterschap

bepaalt dit artikel nu juist dat grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale waarden uitsluitend binnen het eigen bodembeheergebied mag worden toegepast, dit teneinde uitvoering te kunnen geven aan het stand-still principe op gebiedsniveau. De ABRS geeft het waterschap ook hierin gelijk. Naschrift: Artikel 52 Lid 2 bepaalt dat grond die voldoet aan lokale waarden in het bodembeheergebied waar het vandaan komt moet worden toegepast, dit om het stand-still beginsel inhoud te geven. Lid 3 is algemener.

Leo van Ruiten

13


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: Elmar Willems, OVAM, België

Naar een ambitieus materialenbeleid in Vlaanderen De Europese kaderrichtlijn (EG) 2008/98 voor het beheer van afvalstoffen, heeft Vlaanderen geïnspireerd om resoluut de kaart te trekken van het duurzaam beheer van materialen. Een consequente en fundamentele herziening van het Afvalstoffendecreet uit 1981 drong zich op. Het nieuwe decreet, dat in 2011 in werking moet treden, veronderstelt dat een integrale kijk op de materiaalketen onontbeerlijk is om een blijvende oplossing te vinden voor het afvalvraagstuk. We schetsen de achtergrond van het beleid in Vlaanderen, de belangrijkste begrippen in het nieuwe beleid, de toepassing van de prioriteitsvolgorde voor materialen en het einde van de afvalfase. Blik op de materiaalketen Het Vlaamse afvalstoffenbeleid evolueerde de voorbije 30 jaar sterk: van het opruimen van de vele illegale stortplaatsen in de jaren '80 en het verminderen van (lokale) hinder door storten en verbranden, naar de succesvolle opgang van de selectieve inzameling en recyclage van afvalstoffen in de jaren '90, preventief optreden en de introductie van de aanvaardings- of terugnameplicht voor verschillende afvalstromen. Vanaf 2000 zijn de klemtonen van het afvalbeleid en in het milieubeleid in het algemeen, verschoven en zijn er drie nieuwe thema’s op de voorgrond getreden. Ten eerste is er consensus ontstaan over het feit dat de klimaatverandering in gang is gezet door een te hoge uitstoot van broeikasgassen. Ten tweede is er meer aandacht voor de sterke achteruitgang van de biodiversiteit, niet enkel ten gevolge van klimaatverandering maar ook

14

door een te intensief landgebruik, o.m. voor de winning van zowel biotische als abiotische grondstoffen. Tenslotte steekt door de sterk groeiende economieën van de BRIC-landen een probleem van grondstoffenschaarste de kop op. Afvalstoffenbeheer staat daardoor in een ander perspectief. De centrale beleidsvraag binnen het afvalstoffenbeleid is niet langer hoe afvalstoffen kunnen worden beheerd met zo weinig mogelijk schade voor mens en milieu. De vraag is nu hoe afvalstoffen, en in uitbreiding alle grondstoffen en daarvan afgeleide producten, zo efficiënt mogelijk kunnen worden geproduceerd, gebruikt of verbruikt om de milieueffecten van materiaalgebruik en -verbruik zo laag mogelijk te houden. Deze vraag overstijgt het klassieke afvalbeleid en wordt benoemd met de term “materialenbeleid”. Hiermee wordt een beleid bedoeld dat is gericht op het verlagen van de milieu-effecten zoals die optreden over de hele levenscyclus die start bij de ontginning of winning van een grondstof en eindigt bij de definitieve teruggave van de afvalstof aan de natuur onder de vorm van storten of omzetting naar gasvormige emissies

(zoals bij verbranding). Een holistisch materialenbeleid is te verkiezen boven een gecompartimenteerd beleid gericht op de effecten tijdens één bepaalde levensfase van een materiaal. Bovendien houdt het nieuwe mogelijkheden in voor de totstandkoming van een groene kringloopeconomie, waarin innovatie en duurzaamheid de boventoon voeren. Vlaanderen staat hierin niet alleen, getuige de vele Europese en internationale initiatieven, onder de vlag van de thematische EU-strategieën 'duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen' en 'afvalpreventie en recycling', of via concepten als het 'geïntegreerd productbeleid', Sustainable Materials Management (OESO), het 3R-concept (Reduce, Reuse, Recycle) of de 'circular economy' (China). De kringloop definiëren Het ontwerpdecreet richt zich op het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. In vergelijking met de kaderrichtlijn, zijn er enkele termen die de verbreding die het Vlaamse beleid voorstaat, markeren. Zo is er een definitie voor


AFVALSTOFFEN

“materiaal”. Een materiaal slaat op elke stof die wordt of is “ontgonnen, gewonnen, geteeld, verwerkt, geproduceerd, verdeeld, in gebruik genomen, afgedankt of opnieuw verwerkt”, evenals op alle voorwerpen die uit die stoffen zijn vervaardigd. Alle afvalstoffen zijn materialen, maar niet alle materialen zijn afvalstoffen. Materialen kunnen primaire grondstoffen zijn, half afgewerkte of afgewerkte producten of producten die al geruime tijd in gebruik zijn. Ze kunnen zowel hernieuwbaar als niethernieuwbaar zijn. Materialen zijn in essentie alle stoffen en voorwerpen of hun componenten die doorheen onze economie vloeien. De achterliggende idee is dat zodra er een handeling gebeurt op een stof of voorwerp, deze handeling kan leiden tot een direct milieu-effect dat optreedt tijdens de handeling zelf of een indirect milieu-effect dat optreedt in een latere fase van de levenscyclus. Ook “materiaalkringloop” is een sleutelbegrip en essentieel voor een goede afbakening van het materialenbeleid. Het slaat op het geheel van opeenvolgende handelingen zoals die optreden doorheen de hele levenscyclus van een stof of voorwerp, vanaf het moment dat ze aan de natuur worden onttrokken tot en met het moment dat ze terugkeren naar de natuur in de vorm van afvalstoffen die geen enkele toepassing meer hebben. In sommige gevallen doorlopen materialen twee of meer keren dezelfde kringloop, of twee of meer verschillende kringlopen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien afvalstoffen worden gerecycleerd tot grondstoffen die voor andere toepassingen worden gebruikt dan het oorspronkelijke doel. Sommige materialen doorlopen slechts éénmaal een kringloop. Dit is bijvoorbeeld het geval indien materialen slechts eenmaal de cyclus ontginningproductie-consumptie doorlopen en in hun afvalfase niet meer worden gerecycleerd, maar worden verbrand of gestort. Ondanks wat de term suggereert, is een “kringloop” niet altijd gesloten. Integendeel, het is in veel gevallen juist de betrachting van een duurzaam materialenbeleid om kringlopen te gaan sluiten Een andere definitie is die van “levenscyclusdenken”. Dit begrip wordt gehanteerd in de kaderrichtlijn, maar is daar niet nader omschreven.

Het gaat om een benadering of een manier van denken die rekening houdt met de effecten die optreden tijdens de volledige levenscyclus van een materiaal. Deze effecten kunnen slaan op ecologische, sociale en economische aspecten. Deze term mag niet worden verward met meer specifieke wetenschappelijke methodieken, zoals l evenscyclusanalyses. Deze laatste kunnen wel, naast andere methodieken, worden gebruikt om het levenscyclusdenken te ondersteunen. Deze terminologie maakt het mogelijk dat specifieke beleidsmaatregelen een coherente verwijzing kennen, voor de domeinen die het decreet vastlegt en die in een later stadium worden uitgewerkt. Denk bijvoorbeeld aan preventie- en uitvoeringsplannen, de invulling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, de mogelijke tracering van materiaalstromen, het stellen van eisen aan het gebruik van materialen uit hoofde van milieu en gezondheid, of de beoordeling van een milieuvergunning op basis van materiaalgebruik en -efficiëntie. Een universele prioriteitsvolgorde uit Vlaanderen Eén van de basisprincipes in het ontwerpdecreet is een duidelijke prioriteitsvolgorde voor de omgang met materialen (en niet enkel afvalstoffen). De Vlaamse overheid zal maatregelen moeten nemen in functie deze hiërarchie. Merk op dat deze hiërarchie geen rechtstreekse verplichting is voor bedrijven of burgers. Zij moeten via maatregelen van de Vlaamse overheid worden gestuurd of gestimuleerd in de richting van deze hiërarchie. In de eerste plaats moet de preventie van afvalstoffen worden bevorderd. Hier is aan toegevoegd dat een efficiënter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen dient te worden bevorderd. Maatregelen die leiden tot de preventie van afvalstoffen en maatregelen die leiden tot milieuvriendelijker productie- en consumptiepatronen zijn immers vaak complementair en moeilijk van elkaar te onderscheiden. In de tweede plaats moet de voorbereiding voor hergebruik worden bevorderd. Deze tweede trede leunt zeer sterk aan bij de eerste trede.

NUMMER

1•2011

Hergebruik staat op de eerste plaats als het gaat om voorwerpen of componenten daarvan die (nog) geen afval zijn. Eens voorwerpen of componenten daarvan een afvalstatuut hebben gekregen, kunnen ze worden voorbereid om te worden hergebruikt. In de derde plaats moet de recyclage van afvalstoffen worden bevorderd. Aangezien een duurzaam beheer van materiaalkringlopen in het algemeen het streefdoel is, is toegevoegd dat het inzetten van materialen in gesloten kringlopen moet worden bevorderd. Onder het sluiten van kringlopen wordt verstaan dat materialen worden ingezet als grondstoffen voor productieprocessen. In de vierde plaats worden andere vormen van nuttige toepassing van afvalstoffen aangemoedigd. In de praktijk komt dit vaak neer op energietoepassingen. Omwille van dezelfde reden dat de derde trede van de hiërarchie niet beperkt blijft tot de recyclage van afvalstoffen, blijft de vierde trede niet beperkt tot de inzet van afvalstoffen als energiebron, maar wordt ze uitgebreid met de inzet van materialen als energiebron in het algemeen. Op de vijfde plaats komt de verwijdering van afvalstoffen. Hier is toegevoegd dat storten de laatste optie is. Verbranding met lage energierecuperatie kan in vele gevallen immers beter zijn dan storten, maar toch nog ingedeeld worden als een verwijderingshandeling. Bij het implementeren van deze hiërarchie moet steeds worden gestreefd naar het beste resultaat voor milieu en gezondheid, rekening houdend met de effecten die optreden tijdens de hele levenscyclus. Bijvoorbeeld, bij het beoordelen of verbranding met hoge energieefficiëntie beter is dan recyclage, moet niet alleen rekening worden gehouden met de milieueffecten die optreden tijdens de recyclage of verbranding zelf. Ook moet worden gekeken naar bijvoorbeeld de vermeden milieueffecten ten gevolge van de besparing op primaire grondstoffen of naar de energie-input die nodig is om de afvalstoffen geschikt te maken voor recyclage of verbranding met hoge energie-efficiëntie. In een apart artikel in het materialendecreet wordt nader bepaald hoe kan worden afgeweken van de hiërarchie indien uit een levenscyclusbenadering blijkt dat dit vanuit milieu-oogpunt de beste optie is, rekening houdend met

15


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

economische haalbaarheid en sociale aspecten. Einde afval, einde verhaal? De kaderrichtlijn en het ontwerp van decreet hebben specifieke aandacht voor het einde van de afvalfase. De afvalfase begint van zodra aan de afvalstoffendefinitie is voldaan. De vraag is wanneer een afvalstof ophoudt afval te zijn na één of meer bewerkingen die uiteindelijk leiden tot een nieuwe grondstof of nieuw product waarvan men zich niet meer ontdoet, wenst te ontdoen of moet ontdoen. De afspraken hierover verschillen van land tot land of zelfs van regio tot regio doorheen Europa. Het materialendecreet neemt de voorwaarden voor einde-afval en bijproducten uit de kaderrichtlijn over. Het maakt bovendien mogelijk dat de Vlaamse Regering voor bepaalde materiaalstromen specifieke criteria kan opstellen om aan te geven of het materiaal kan worden beschouwd als een bijproduct of een materiaal dat de einde-afvalfase heeft bereikt. Dit stelt Vlaanderen in staat de bestaande regeling rond secundaire grondstoffen in het Vlaamse Reglement inzake afvalvoorkoming en –beheer (VLAREA), voort te zetten, geheel in lijn met de kaderrichtlijn. Het huidige stelsel van secundaire grondstoffen kan echter niet zonder meer worden behouden in het materialendecreet, met name omdat het in de huidige afvalstoffenwetgeving onduidelijk is vanaf wanneer een afvalstof mag worden beschouwd als een secundaire grondstof en niet langer als een afvalstof. Mogen we spreken van een secundaire grondstof van zodra aan bepaalde criteria is voldaan op vlak van herkomst en samenstelling? Of mogen we pas spreken van een secundaire grondstof vanaf het moment dat ze is ontvangen door de eindgebruiker? Het bestaande Afvalstoffendecreet en VLAREA spreken elkaar op dit punt tegen. De methodiek die is vastgelegd in de kaderrichtlijn gaat ervan uit dat het omslagpunt ligt bij de producent van het materiaal dat het einde van de afvalfase heeft bereikt. Dit zal ook worden toegepast in de Vlaamse materialenwetgeving. Op die manier is ook meteen duidelijk dat materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt moeten voldoen aan de productwetgeving, zoals de verplichtingen die gelden onder REACH. De term ‘gebruikscertificaat’ in het materialendecreet worden vervangen

16

door de term ‘grondstofverklaring’. De term ‘gebruikscertificaat’ geeft aan dat het materiaal in kwestie mag worden gebruikt onder bepaalde voorwaarden, maar is onvoldoende duidelijk over de vraag of dit materiaal gebruikt wordt als een afvalstof dan wel als een nietafvalstof. Daarom kiezen we voortaan voor de term ‘grondstofverklaring’ om aan te geven dat een bepaald materiaal vanaf het moment dat een grondstofverklaring is uitgereikt, moet worden beschouwd als een grondstof die onder de productwetgeving valt. Net zoals nu ook al het geval is met de gebruikscertificaten, zal een grondstofverklaring niet altijd nodig zijn om aan te geven dat een afvalstof het einde van de afvalfase heeft bereikt. Een grondstofverklaring zal enkel nodig zijn voor die afvalstoffen waarbij de Vlaamse Regering de aftoetsing of wel of niet aan de eindeafvalcriteria is voldaan, door de overheid wenst te laten gebeuren. De OVAM zal een aanvraag tot grondstofverklaring in principe behandelen.De specifieke eindeafvalcriteria kunnen betrekking hebben op de herkomst van het materiaal, de manier waarop het is ingezameld, geproduceerd of verwerkt, de aard en samenstelling van het materiaal, het toegelaten gebruiksgebied en de toegelaten wijze van aanwending. Met gebruiksgebied wordt geen territoriale afbakening bedoeld, maar wel het toepassingsdomein van het betreffende materiaal. Er zijn Vlaamse criteria voorhanden of in voorbereiding voor de toepassingsgebieden als bouwstof, als meststof of bodemverbeteraar, als

bodem, voor grondstoffen in kunstmatige afdichtingslagen van stortplaatsen, en voor materialen afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen in de non-ferro en ferro-industrie. Verder dan een decreet... Parallel aan het decreet, zal een omvattend uitvoeringsbesluit het VLAREA volledig vervangen. Dit besluit – in voorbereiding – legt bijvoorbeeld de specifieke einde-afvalcriteria en procedures vast. Ze heeft ook een verbeterde efficiëntie en een continuering van het afvalstoffen beleid voor ogen. Op termijn moet het uitvoeringsbesluit de meer ambitieuze doelstellingen van het duurzaam materialenbeleid concretiseren. Maar een vernieuwend materialenbeleid komt zeker niet alleen tot uiting in een wettelijk kader. Transitienetwerken en projectmatige initiatieven met de participatie van bedrijven, middenveldorganisaties, kennisinstellingen en sectororganisaties, zijn essentieel. Met de OVAM als centrale partner, kende Vlaanderen daarom de oprichting van Plan C, transitiearena Duurzaam Bouwen en Wonen, een actief Cradle-to-Cradle netwerk en het Materialenpact binnen het sociaal-economisch project Vlaanderen in Actie. Deze fora brengen inzet, interesse en middelen samen om werk te maken van duurzame materiaalkringlopen.


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

WETGEVING Wijziging Wm (Staatscourant 103, 2011) Artikel 1.1, Het zesde lid komt te luiden: 6. Indien afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, worden zij niet langer als afvalstoffen aangemerkt. Onze Minister kan inzake een afvalstof die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, besluiten

dat deze niet langer als afvalstof wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook overigens wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet,

voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt stoffen, preparaten of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat artikel vastgestelde uitvoeringsmaatregel daartoe aangegeven criteria.

Hoe moet een mengsel van groene lijst afvalstoffen worden ingedeeld? AgentschapNL Sinds Verordening (EEG) 259/93 (EVOA) in mei 1994 van kracht werd, zijn er diverse standpunten over het indelen van mengsels van afvalstoffen van bijlage III bij de verordening (de groene-lijst-afvalstoffen) en over het indelen van afvalstoffen die waren samengesteld uit stoffen van de groene-lijst-afvalstoffen. In het Omni Metal arrest van 21 juni 2007 (zaak C-259/05) van het Europese hof is het standpunt verwoord dat samengestelde afvalstoffen of afvalstoffen die bestaan uit mengsels van groene-lijst- afvalstoffen als niet-ingedeelde afvalstoffen dienen te worden beschouwd, indien het mengsel of de samengestelde afvalstof niet als zodanig zijn genoemd op de groene-lijst-afvalstoffen van de EVOA.

Met deze uitspraak zijn alle uitspraken vervallen die van de zijde van het Ministerie, de uitvoeringsorganisatie EVOA en de VROM-Inspectie voordien zijn gedaan en die afwijken van dit arrest. De Verordening (EG)1013/2006 (EVOA), die in werking is sinds juli 2007, heeft eveneens duidelijk gemaakt dat afvalstoffen alleen als groene-lijstafvalstof zijn aan te merken indien ze expliciet in de bijlagen van de EVOA als “groen” zijn ingedeeld. Omdat bijlage III van de EVOA (groene-lijst-afvalstoffen) weinig afvalstoffen bevat die bestaan uit mengsels van stoffen of uit samengestelde stoffen, is er ook een bijlage IIIA in de EVOA opgenomen. Bijlage IIIA is vastgesteld en in werking getreden met Verordening (EG) 308/2009 en met

Verordening (EG) 664/2011. In deze bijlage wordt aangeven welke afvalstofcodes van de groene-lijstafvalstoffen in een mengsel of in een samengestelde afvalstof mogen voorkomen om het mengsel of de samengestelde afvalstof toch als groene-lijst-afvalstof in te delen. Conclusie: Mengsels van afvalstoffen van de groene-lijst-afvalstoffen en afvalstoffen van samengestelde stoffen van de groene-lijst-afvalstoffen worden aangemerkt als niet-ingedeelde afvalstoffen indien zij noch op bijlage III noch op bijlage IIIA van de EVOA expliciet zijn vermeld.

17


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: C. van Hoof, Vlaamse instelling voor Technologisch Onderzoek, Unit Milieuanalyse en techniek, Mol, België

Afval screenen op stortplaatsen Vooraleer een partij afval op een stortplaats aanvaard wordt, dient deze te worden gekarakteriseerd. Draagbare XRF-toestellen lijken een veelbelovende methode om afval ter plaatse snel, goedkoop en handig te screenen. Een positieve evaluatie van pré-normatief onderzoek aangaande de inzetbaarheid van deze techniek heeft geleid tot het uitschrijven van een Europese normmethode.

Spectro

Stortplaatsrichtlijn In uitvoering van de Stortplaatsrichtlijn (EU Directive 1999/31/EC) dienen alle Europese lidstaten afval te karakteriseren en te testen vooraleer deze te deponeren op de stortplaats en dit op 3 niveaus. Niveau 1 omvat de basiskarakterisering van de afvalstof en onderzoekt het uitlooggedrag

18

van de afvalstof gebruikmakend van Europese normmethoden, ontwikkeld binnen CEN/TC 292 Characterization of waste. Niveau 2 houdt een controletest van het afval in waarbij met behulp van eenvoudige standaardmethoden een aantal belangrijke parameters getoetst worden om te controleren of de afvalstof voldoet aan specifieke referentie criteria. Tenslotte op niveau 3 wordt een verificatie ter plaatse uitgevoerd van de afvalstof om na te gaan of deze identiek is aan de afvalstof van de controletest en zoals beschreven op de begeleidende documenten. Deze verificatie kan beperkt blijven tot een visuele inspectie van de lading afval bij aankomst of na deponeren op de stortplaats ofwel kunnen snelle screeningsmethoden hiervoor ingezet worden. Verificatie ter plaatse In uitvoering van de Stortplaatsrichtlijn zijn binnen de technische werkgroep CEN/TC292 testprocedures uitgewerkt voor de on-site karakterisering van afvalstoffen. In het technisch rapport Fpr CEN/TR 16130 Characterization of Waste – On-site verification worden richtlijnen gegeven over de toe te passen strategie voor deze on-site verificatie. Procedures voor de visuele inspectie, voor de controle van de begeleidende documenten en voor het periodiek analyseren van de lading afval met screeningsmethoden worden hierin toegelicht. Aansluitend werd in de normmethode prEN 16123 Characterization of waste – Guidance on selection and application of screening methods het selectieproces voor de keuze van een screeningsmethode gedefinieerd, waarbij aandacht wordt besteed aan de toepasbaarheid ervan (fit-for-purpose) en de vereiste kwaliteitsdoelstellingen. Als

Nitron

screeningsmethode voor element analysen zijn draagbare XRF-toestellen veelbelovend om afval ter plaatse snel, goedkoop en handig te screenen. XRF als screeningsmethode XRF (X-stralenfluorescentie) is één van de meest eenvoudige en gebruiksvriendelijke technieken voor de analyse van verschillende soorten materialen. De techniek is nietdestructief, betrouwbaar, vraagt weinig of geen monstervoorbehandeling en kan gebruikt worden voor het meten van zowel vaste stoffen als vloeistoffen. XRF laat bovendien toe een heel spectrum aan elementen te meten, van natrium tot uranium, in concentraties gaande van de detectielimiet tot 100 %, en dat in diverse matrices. De recente ontwikkelingen in de XRF technologie, namelijk de miniaturisatie van de XRF-stralenbuis, de optimalisatie van de kalibratieprogramma's en de verbetering van de detectoren, bieden een beduidende meerwaarde aan


AFVALSTOFFEN

de inzetbaarheid van de draagbare XRF systemen voor on-site verificatie. Een state-of-the-art document over de voortuitgang van de huidige XRF technologie en de beschikbare instrumenten, inclusief de samenvattende resultaten van prénormatief onderzoek, zijn beschreven in het technische rapport FprCEN/ TR 16176 Characterization of Waste — Screening methods for elemental composition by X-ray fluorescence spectrometry for on-site verificationLuisteren. Draagbare XRF gewikt en gewogen Over de inzetbaarheid van draagbare XRF toestellen voor het meten van complexe afvalmatrices als ingangscontrole op stortplaatsen was nog weinig geweten. Afval is zo’n moeilijk te meten matrix: niet alleen kan één partij afval erg heterogeen zijn van samenstelling, afval bestaat ook in

Bruker

alle maten en materialen (hout, metaal, bodem …). In dit kader werd pré-normatief onderzoek verricht om de inzetbaarheid van de XRF techniek voor het screenen van afval te beoordelen aan de hand van praktijkmetingen. VITO heeft in samenwerking met Aurinko (Duitsland) onderzocht hoe draagbare XRF-toestellen hiertoe kunnen bijdragen.

Oxford

In het eerste deel van dit onderzoek werd een Europese marktstudie van draagbare XRF-toestellen uitgevoerd. Het tweede deel omvatte een veldtest om de bruikbaarheid ervan voor afvalkarakterisering aan te tonen. Zes verschillende afvalstromen werden onder de loep genomen: bouw- en sloopafval, shredderafval, verontreinigde bodem, afvalhout, loodgranulaat en as van de verbranding van huishoudelijk afval. Telkens werd een breed gamma van elementen gemeten. Vijf leveranciers van draagbare XRF-toestellen namen deel aan een tweedaagse workshop, waarbij ze hun toestellen uittestten op de verschillende afvalmonsters. De homogeniteit / heterogeniteit van de afvalstof kan onmiddellijk worden afgeleid uit de resultaten van herhaalde XRF metingen op diverse spots van het afvalmonster. Indicatief kan meegegeven worden dat meetspreidingen lager dan 30% nodig zijn om een positief en negatief resultaat te onderscheiden. Hoge meetspreidingen zijn een goede indicator om de nood aan bijkomende monstervoorbehandeling af te leiden zoals homogeniseren, drogen, mortier malen. Bij voorkeur wordt echter bij een screening de monstervoorbehandeling zo beperkt mogelijk houden. Om de nauwkeurigheid van het resultaat te

NUMMER

1•2011

bepalen werden acceptatiecriteria rond de referentiewaarde gedefinieerd om alzo de gewenste concentratieranges te kunnen definiëren. Globaal gezien lagen 80% van de gemeten waarden voor alle meetsytemen binnen de vooropgestelde aanvaardbare concentratieranges. De belangrijkste invloed op de analyseresultaten werd bepaald door de juiste keuze en instellingen van de verschillende beschikbare kalibraties van het XRF meettoestel. De conclusie van het onderzoek luidt dat draagbare XRF-toestellen toelaten om afval kwalitatief te screenen. Ze leveren betrouwbare informatie op over het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde elementen, en geven een inschatting van het concentratieniveau. Kalibratie en de juiste monstervoorbehandeling zijn evenwel bepalend voor het meetresultaat. Voor de definitieve afvalanalyse zijn aanvullende, kwantitatieve meettechnieken nodig. De positieve evaluatie van het pré-normatief onderzoek heeft geleid tot het uitschrijven van een Europese normmethode WI 292-077 Characterization of Waste — Screening method for the elemental composition by portable X-ray fluorescence instruments. Deze methode zal in de loop van 2011 worden gefinaliseerd.

Innov-x

19


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: Robert Corijn, Manager Sales, Attero

Voortschrijdende mogelijkheden van nascheiding “Willen wij als Nederland economische dynamiek bereiken en een voortrekkersrol innemen, ook in milieubeleid, dan moeten wij innovatieve uitdagingen aangaan. Nascheiding van verpakkingen is zo’n innovatie”, stelde voorzitter Alexander Rinnooy Kan van de Sociaal-Economische Raad al in 2006. Sinds die tijd hebben innovaties op het gebied van nascheiding niet stil gestaan. In januari van dit jaar is de derde nascheidingsinstallatie in Nederland in bedrijf gegaan. In deze installatie van Attero op de locatie Wijster wordt jaarlijks 750.000 ton afval verwerkt door drie afvalscheidingslijnen. Alle lijnen zijn uitgerust met windzifters en foliescheiders die kunststof folies uit het afval terugwinnen. Eén van de lijnen is bovendien uitgerust met infraroodscanners die vormvaste kunststof verpakkingen op de lopende band herkennen en deze er met een korte krachtige luchtstoot uitschieten. Op deze manier kan Attero in Wijster jaarlijks 25.000 ton kunststof verpakkingen achteraf uit huishoudelijk afval scheiden. Dit is een aanzienlijke aanvulling op de circa 85.000 ton die in 2010 gezamenlijk in Nederland door alle huishoudens is ingezameld. En hiermee komt het halen van de doelstelling voor 2012 van 125.000 ton kunststof verpakkingen een flinke stap dichterbij. Resultaten onafhankelijk van gedrag van de burger Veel burgers zijn enthousiast over het gescheiden aanbieden van hun afval, het zogeheten scheiden aan de bron. Ze zien het als hun bijdrage aan een beter milieu. Dat is echter niet bij alle burgers zo. Zo werd in de elf grootste steden in 2010 gemiddeld nog geen 2 kilo kunststof per huishouden ingezameld. Vooral huishoudens met beperkte ruimte vinden het lastig om naast glas, oud papier en gft ook nog kunststof verpakkingen apart van het restafval te houden. Dit signaal is ook in de landelijke politiek opgepikt: “Wij verwachten ook dat het optimum van

20

Opvoerband naar foliescheider Wijster

huishoudens op een gegeven moment bereikt is, terwijl de technische mogelijkheden van nascheiding steeds verder verfijnd kunnen worden”, stelt CDA Tweede Kamerlid Marieke van der Werf. Ze ziet haar mening bevestigd in een recent onderzoek van Wageningen-UR en de Duitse universiteit RWTH Aken. Voor dit onderzoek werd 300 ton Rotterdams huishoudelijk restafval verwerkt in de nascheidingsinstallatie van Attero op de locatie Wijster. Per huishouden is 38,9 kilo kunststof per Rotterdams huishouden door nascheiding teruggewonnen. Wethouder Alexandra van Huffelen van Rotterdam is overtuigd: “De uitkomsten van het onderzoek ondersteunen de afweging die we eerder als stad gemaakt hebben om het kunststof afval achteraf te scheiden in plaats van het in te zamelen bij de bron“. Keuzevrijheid voor gemeenten Gemeenten zijn echter niet vrij in de keuze om kunststof verpakkingen door een nascheidingsinstallatie te laten terugwinnen. Ook de gemeente Rotterdam niet. Momenteel ontvangen slechts 55 gemeenten een vergoeding

uit het Afvalfonds voor nascheiding. Bovendien is die vergoeding lager dan die voor bronscheiding. Alle andere gemeenten zijn tot nu toe verplicht met bronscheiding te beginnen om in aanmerking te komen voor een vergoeding. Er bestonden namelijk twijfels over de mogelijkheden om met nascheiding voldoende bij te dragen aan de doelstelling van kunststofhergebruik. Toenmalig minister Cramer initieerde in april 2009 daarom een onderzoek dat moest uitwijzen of nascheiding wat opbrengsten en kosten betreft minimaal vergelijkbaar zou zijn met bronscheiding. In februari 2011 presenteerde onderzoeksbureau KplusV de resultaten van deze evaluatie. Gemiddeld werd er over 2010 met bronscheiding 12,7 kilo kunststof per huishouden ingezameld. Na sortering bleef hiervan 9,7 kilo over voor hergebruik door kunststofproducenten. Bij nascheiding werd gemiddeld 15,7 kilo teruggewonnen, waarvan 10,4 kilo overbleef na sortering. De gemiddelde kosten van de keten lagen bij bronscheiding op € 720 per ton en bij nascheiding op € 684 per ton


AFVALSTOFFEN

uitgesorteerde kunststoffen. Er was onvoldoende tijd om de opbrengsten en kosten van de nieuwe grootschalige installatie van Attero Wijster mee te nemen in de evaluatie. De woordvoerders van de regerings partijen vinden het nu mooi geweest: “Ik vraag de staatssecretaris om een concrete toezegging te doen wanneer hij dat onderscheid tussen bron- en nascheiding opheft, er keuzevrijheid komt voor gemeenten en beide systemen aanspraak kunnen maken op een gelijke vergoeding”, stelt VVD Tweede Kamerlid René Leegte. Gemeente Rotterdam en andere gemeenten wachten nog in spanning - maar in goed vertrouwen - het antwoord van de staatssecretaris af. Nascheiding als aanvulling op bronscheiding De verwachting is niet dat gemeenten bij keuzevrijheid massaal van bronscheiding over zullen stappen op nascheiding. Veel gemeenten zitten wel met het vraagstuk hoe ze de inzameling van kunststof verpakkingen verder kunnen optimaliseren. Om de opbrengst van bronscheiding verder te verhogen kan

Infraroodscheiders, nascheiding Attero

in aanvulling op een brengsysteem, een haalsysteem worden geïntroduceerd. Ook kan de inzamelfrequentie verhoogd worden. Of het aantal plastic containers uitbreiden of omzetten in ondergrondse bunkers. Tegenover de verwachte hogere opbrengsten staan

NUMMER

1•2011

Titech Wijster

echter investeringen, extra transportbewegingen en het beslag dat gedaan moet worden op de kwaliteit van de openbare ruimte. En dat in een tijd waarin gemeenten de buikriem aan moeten halen. Voor deze gemeenten kan nascheiding een welkome aanvulling zijn op bronscheiding. Zo behouden gemeenten hun huidige werkwijze, hoeven ze geen additionele investeringen te doen en wordt door aanvullend na te scheiden het maximale rendement behaald. De verwachting is dan ook dat de keuzevrijheid voor gemeenten wordt uitgewerkt in een keuze tussen bronscheiding of nascheiding of voor nascheiding in aanvulling op bronscheiding. De volgende technologische innovatie En zijn we nu uitgeïnnoveerd? Neen. Een groot deel van het in Nederland ingezamelde kunststof wordt momenteel in Duitsland verder uitgesorteerd en verwerkt tot nieuwe kunststof producten. De sorteercapaciteit in Nederland is namelijk beperkt. Attero heeft al de ambitie uitgesproken om ook hier stappen te maken. Momenteel wordt de financiële haalbaarheid onderzocht van een sorteerinstallatie aansluitend op de nascheidingsinstallatie in Wijster. Hiermee wordt transport naar Duitsland voorkomen en worden deze waardevolle grondstoffen voor de Nederlandse industrie behouden. Ook biedt het Attero de mogelijkheid het sorteerproces af te stemmen op de nagescheiden kunststoffen om zodoende het hergebruikpercentage verder te verhogen. Onderzoek door

Ulphard Thoden van Velzen van Wageningen-UR heeft uitgewezen dat op die manier kunststofartikelen uit nascheiding met hoge terugwinningspercentages kunnen worden uitgesorteerd tot producten met een hoge artikelzuiverheid. Nascheiding als onderdeel van de grondstoffenrotonde Met al deze innovaties verwerft Nederland steeds nadrukkelijker een koploperspositie binnen Europa als het om hergebruik van afval gaat. D66 Tweede Kamerlid Stientje van Veldhoven heeft daarop het idee gelanceerd om Nederland binnen Europa te positioneren als grondstoffenrotonde. Met onze sterke logistieke structuur en ontwikkelde recyclingkennis kan deze propositie tot verdere economische ontwikkeling leiden. Nascheiding lijkt goed te passen in deze zienswijze. VVD Tweede Kamerlid René Leegte: “In de visie van de VVD is nascheiding effectiever dan bronscheiding. Dat heeft te maken met het logistieke principe: je moet in de logistieke keten stromen zo lang mogelijk bij elkaar houden. Dus je moet op het allerlaatste moment dat het noodzakelijk is, iets uit een logistieke stroom halen”. En ook daarna wordt de stroom in de toekomst wellicht centraal verwerkt door het materiaal direct uit te sorteren. En om de rotonde dan helemaal sluitend te krijgen, biedt Attero kunststofverwerkende bedrijven ideale vestigingsmogelijkheden aan op het Energie Transitie Park Midden-Drenthe, pal naast de nascheidingsinstallatie op de locatie Wijster.

21


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Auteur: Mevr. Ir. M.A.E. van den Berg, Alcontrol

De Europese Landfill Directive: Weet wat u stort ! Er is iets veranderd voor het storten van afvalstoffen op stortplaatsen. De Europese Landfill Directive verplicht tot het analyseren van afval om vast te stellen of en op welke stortplaats het mag worden gestort. In een aantal EU-lidstaten is de Directive inmiddels ingeburgerd. Hoe werkt dat met de analyses en waaraan moeten de resultaten worden getoetst? In 1999 is door de Europese Commissie (EC) de Landfill Directive vastgesteld. Deze Directive geeft richtlijnen met betrekking tot het storten van afvalstoffen op stortplaatsen (landfills). Met deze Directive worden drie hoofddoelen beoogd: • Minimalisering van negatieve effecten van landfills op het omringende milieu (grond, water en lucht). • Promotie van de recycling van afval en het voorkomen van het storten van bepaalde typen afval. • Reductie van de hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval tot 35 % van het niveau van 1995, te realiseren in 2016 (met een uitloop tot 2020 voor landen die afhankelijk zijn van het storten van afval). De Directive heeft naast afvalstoffen ook betrekking op uitgegraven grond, afkomstig van bijv. verontreinigde locaties en ook bouwprojecten. Uitgegraven grond mag niet zomaar als grond worden hergebruikt, in ieder geval niet als die grond volgens normen in nationale regelgeving is verontreinigd. Door de Landfill Directive moest in de lidstaten nationale regelgeving worden aangepast. De Directive geeft

22

Afb 1. Uitloogproef bij L/S = 10. Voorgeschreven is de over-de-kop-schudmethode, tenzij is aangetoond dat andere schudwijzen gelijkwaardige resultaten geven.

limietwaarden voor granulaire afvalstoffen en stelt dat de lidstaten zelf eisen voor monolithisch afval moeten invullen. Voor deze laatste categorie verandert er in Nederland voorlopig nog niets. Monolithische afvalstoffen zijn gevaarlijke afvalstoffen die door menging met toeslagstoffen of door andere bewerkingen zijn omgevormd tot afvalstoffen met een beperkte uitloging en een duurzame vaste vorm. Alle afvalstoffen die hier niet aan voldoen, zijn per definitie granulaire afvalstoffen. Voor granulair afval zijn in Nederland de Besluiten Stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa) en Melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (Bma), het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (IVB) en het Stortbesluit bodembescherming (Stbo) geconformeerd aan de Directive (Staatscourant nr. 600, Nov. 2008). De Landfill Directive voorziet in een indeling van stortplaatsen in vijf categorieën. Deze hebben betrekking op de klasse van afvalstoffen:

A. Inerte afvalstoffen, bijvoorbeeld glas, keramiek/ cement/beton (mits laag gehalte aan andere materialen zoals metaal, plasic, rubber, hout, e.d.), grond/stenen (mits geen veengrond en niet afkomstig uit toplagen). B. Niet gevaarlijke afvalstoffen, bijvoorbeeld huishoudelijk afval, gipsmaterialen. C. Niet gevaarlijke afvalstoffen, die vallen onder artikel 6, lid c, item iii, van de Directive (zie kader). D. Gevaarlijke afvalstoffen E. Afvalstoffen voor ondergrondse opslag Artikel 6, lid c van de Landfill Directive geeft aan dat stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen mogen worden gebruikt voor (item iii): Afvalstoffen voor stabiele, niet reactieve gevaarlijke afvalstoffen waarvan het uitlooggedrag overeenkomt met dat van niet gevaarlijke afvalstoffen en voldoet aan de grenswaarden. Voorbeelden zijn gestolde of verglaasde afvalstoffen. Ook asbesthoudende materialen kunnen in deze categorie vallen, mits maatregelen zijn genomen om het vrijkomen en verspreiden van vezels te voorkomen. De vijf categorieën komen niet in alle lidstaten voor. Zo kent Nederland geen


AFVALSTOFFEN

NUMMER

1•2011

Tabel 1. Grenswaarden voor korrelvormige afvalstoffen. De waarden voor uitloging ('LS=10') gelden voor de uitloogproef NEN-EN 12457 -4 en derhalve in Nederland (behoudens de waarden voor Klasse A). *): Klassen afvalstoffen. A: inert, B: niet gevaarlijk, C: niet gevaarlijk (art. 6,c(iii)), D: gevaarlijk afval. Nederland kent geen klasse A. **): PAK: de toetswaarde verschilt over de lidstaten, in Nederland: 40 mg/kgds (PAK-VROM). ***): Zuurbindend vermogen: dit moet wel worden bepaald, maar er is geen toetswaarde. Het ZBV is overigens niet genoemd in Nederlandse regelgeving. #): Gloeiverlies (LOI) en TOC: als een criterium voor elk gegeven is, moet van beide worden getoetst. &): Total Dissolved Solids (TDS): kan worden toegepast als alternatief voor Cl en S.

stortplaatsen specifiek voor inerte stoffen, zodat klasse B de minst verontreinigde klasse is. In aanvulling op de Landfill Directive zijn begin 2003 in de Annex II analysemethoden en toetswaarden gepubliceerd voor de acceptatie van afvalstoffen. In overeenstemming met het eerste doel van de Landfill Directive heeft het merendeel van de Artikel 6, lid c van de Landfill Directive geeft aan dat stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen mogen worden gebruikt voor (item iii): Afvalstoffen voor stabiele, niet reactieve gevaarlijke afvalstoffen waarvan het uitlooggedrag overeenkomt met dat van niet

gevaarlijke afvalstoffen en voldoet aan de grenswaarden. Voorbeelden zijn gestolde of verglaasde afvalstoffen. Ook asbesthoudende materialen kunnen in deze categorie vallen, mits maatregelen zijn genomen om het vrijkomen en verspreiden van vezels te voorkomen. Monolithische afvalstoffen zijn gevaarlijke afvalstoffen die door menging met toeslagstoffen of door andere bewerkingen zijn omgevormd tot afvalstoffen met een beperkte uitloging en een duurzame vaste vorm. Alle afvalstoffen die hier niet aan voldoen, zijn per definitie granulaire afvalstoffen. toetswaarden betrekking

op het uitlooggedrag; deze betreffen het gemeten gehalte in het uitloogwater (eluaat) dat is teruggerekend naar de uitgeloogde concentratie in het monster. Voor de uitvoeringswijze van de uitloging zijn in de Annex II enkele referentiemethoden gegeven, waarbinnen voor de lidstaten keuzevrijheid bestaat. De toetswaarden waaraan uitgeloogde concentraties worden getoetst, zijn afhankelijk van de keuze van de uitlogingsmethode, met name van de L/S-verhouding bij de uitloging. In Nederland is gekozen voor de schudproef conform NEN-EN 12457-4 met L/S 10, zie afb. 1.

23


AFVALSTOFFEN

Parameter

NUMMER

Analyseresultaat eluaat (L/S = 10)

As Ba Cd Cr Cu Hg Mo Ni Pb Sb Se Zn Cl F SO4 DOC TDS

30 µg/l 600 µg/l 12 µg/l 140 µg/l 170 µg/l 0,8 µg/l 8,0 µg/l 80 µg/l 190 µg/l <5 µg/l <5 µg/l 740 µg/l 820 mg/l 3,9 mg/l 1300 mg/l 9,8 mg/l *)

1•2011

Omgerekende uitgeloogde concentratie in mg/kgds 0,3 6 0,12 1,4 1,7 0,008 0,08 0,8 1,9 <0,05 <0,05 7,4 8200 39 13000 98

Toetswaarde klasse B in mg/kgds 2 100 1 10 50 0,2 10 10 10 0,7 0,5 50 15000 150 20000 800 60000

Tabel 2. Voorbeeld van een toetsing voor een afvalstof. De afvalstof betreft een niet gevaarlijke gipshoudende afvalstof, die wordt aangeboden aan een stortplaats voor niet gevaarlijk afval (klasse B). De afvalstof is onderzocht op die parameters waarvoor klasse B-afvalstoffen een toetswaarde hebben. *): Geen toetsing omdat Cl en SO4 zijn geanalyseerd. N.B.: 1 μg is 0,001 mg. Resultaat: afvalstof voldoet aan criteria voor klasse B.

Voor deze uitloogproef wordt het monstermateriaal verkleind tot een korrelgrootte van maximaal 10 mm, waarna 90 g monstermateriaal wordt uitgeschud met 900 ml water. Dientengevolge wordt in Nederland getoetst aan de toetsingswaarden die gelden voor L/S 10. Deze toetsingswaarden zijn weergegeven in tabel 1. De uitgeloogde concentraties worden getoetst aan de toetswaarden voor uitloging, de kolommen 'LS=10'. De toetswaarden voor resultaten van samenstellingsanalyses worden getoetst aan de toetswaarden in de kolommen 'Content'. De L/S-verhouding is de verhouding in ml/g tussen uitloogvloeistof en monstermateriaal. Zo heeft de uitloging van 100 g droog monstermateriaal met 1 liter (=1000 ml) water een L/S-verhouding 10. Als bij analyse van het eluaat een concentratie van X mg/l van een verbinding resulteert, dan komt dat overeen met een te toetsen uitgeloogde concentratie van 10X mg/kgds in het oorspronkelijke monster. Algemeen geldt: [concentratie uitgeloogd uit monstermateriaal in mg/kgds] = L/S x [concentratie eluaat in mg/l].

24

In tabel 2 is een voorbeeld gegeven van een toetsing van analyseresultaten voor een aanbieding van niet gevaarlijke afvalstof aan een stortplaats voor niet gevaarlijk afval. In Nederland mogen analyses van granulaire afvalstoffen alleen plaatsvinden door voor AP04 erkende laboratoria. De erkenning vindt plaats per individuele analyse, op basis van ISO/IEC 17025 aangevuld met extra eisen zoals vastgelegd in de AP04-documenten: V (Monstervoorbehandeling), SB (Samenstelling Bouwstoffen en Afvalstoffen), U (Uitloogonderzoek) en E (Analyse eluaten). In deze documenten zijn de te volgen voorbehandelings- en analysemethoden beschreven en worden aanvullende kwaliteitseisen gegeven. De bemonstering van granulaire afvalstoffen is beschreven in SIKB VKB-protocol 1004. Vanaf 16-7-2009 mag de bemonstering van granulaire afvalstoffen voor stortplaatsen alleen plaatsvinden door daarvoor erkende bedrijven. Deze bedrijven zijn te vinden op de website van Senternovem. Niet alle afvalstoffen moeten worden onderzocht. Voor welke afvalstoffen is

onderzoek niet noodzakelijk? • Monolithische afvalstoffen. • Niet gevaarlijk afval mits gestort op een stortplaats voor niet gevaarlijk afval (maar pas op, er zijn uitzonderingen). • Inerte afvalstoffen. • Asbestafval, mits het asbest hechtgebonden is en het afval geen andere gevaarlijke stoffen bevat. • Afval dat alleen bestaat uit delen groter dan 40 mm. • Afval waarvan de uitlogings eigenschappen en samenstelling bekend zijn (bijvoorbeeld door eerder onderzoek). • Afvalstoffen waarvoor het technisch niet mogelijk is om onderzoek te doen. Hiernaast wordt nog onderscheid gemaakt tussen regelmatige en niet regelmatige afvalstoffen. Regelmatige afvalstoffen zijn afvalstoffen die regelmatig tijdens hetzelfde proces vrijkomen en daardoor een constante samenstelling hebben. Voor niet regelmatige afvalstoffen is in de regel per partij onderzoek nodig, voor regelmatige afvalstoffen kan het zijn dat na verloop van tijd onderzoek niet meer nodig is en dat de afvalstof wordt meegenomen in het controleregime van de stortplaats. De samenstelling wordt met regelmaat op kritische en typerende parameters gecontroleerd. De aanbieder blijft echter verantwoordelijk voor de (constante) samenstelling van het afval. De implementatie van de Directive in de regelgeving van lidstaten kwam aanvankelijk maar moeizaam op gang, maar vlot nu meer dankzij een waarschuwingsbrief die begin 2007 door de EC aan diverse lidstaten, waaronder Nederland, is rondgestuurd. Toch blijken de verschillen groot: in sommige Noord- en West-Europese landen is het storten beperkt tot enkele procenten van het afval terwijl in Zuid- en Oost-Europese landen nog vrijwel alle afval wordt gestort. Een van de oorzaken hiervoor is verschil in interpretatie van de Landfill Directive. In die zin behoeft de Landfill Directive aanscherping. Het uiteindelijke doel is om afvalstoffen niet te storten, maar te recyclen of op een andere nuttige manier te verwerken.


B O D E M K WA L I T E I T

NUMMER

2•2011

Nieuwtjes Vertraging van invoering VIHB-regeling De Nota voor de criteria op de lijst voor alle Vervoerders, Inzamelaars, Handelaren en Bemiddelaars, de VIHB-lijst, zou aangepast worden, met als voornaamste doel het verminderen van de administratieve lasten (zoals afschaffen kredietwaardigheid en vakbekwaamheidseis niet meer voor vervoerders).. Staatssecretaris Atsma van het ministerie Infrastructuur & Milieu (I&M), heeft nu besloten de drie criteria te versoepelen voor het bedrijfsleven. Omdat de wijzigingen van deze VIHB-regeling nog niet gepubliceerd zijn in de Staatscourant, is de aangepaste regeling, met daarin verlichting van de administratieve lasten voor vervoer van afval, nog niet van kracht. Voorgenomen verlenging vrijstelling BTEX voor polymeerbeton in Regeling bodemkwaliteit Op advies van het implementatieteam Besluit bodemkwaliteit is het ministerie van I&M voornemens om de vrijstelling voor BTEX normen voor polymeerbeton te verlengen tot en met 2015. De Regeling bodemkwaliteit kent een tijdelijke vrijstelling voor BTEX normen voor polymeerbeton tot 1 juli 2011. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten tot nu toe, heeft het implementatieteam geadviseerd de onderzoekstermijn en vrijstelling te verlengen tot de evaluatie van het normenbouwhuis in 2015. Naar verwachting zal de gewijzigde regeling op 1 januari 2012 in werking treden. Binnen de kaders van de regelgeving kan het bevoegd gezag op een pragmatische wijze omgaan met de situatie tot de wijziging van de regelgeving op dit punt van kracht is. Het is een afweging van betreffende bevoegde overheden of de noodzaak bestaat daarvan gebruik te maken. Circulaire bodemsanering wijzigt per 1 januari 2012 De gewijzigde circulaire bodemsanering treedt naar verwachting per 1 januari 2012 in werking. De planning is erop gericht om de gewijzigde circulaire op 15 oktober in de Staatscourant te publiceren. Op dit moment worden nog inhoudelijke discussies gevoerd over: • Het advies van de TCB over ecologische risico-onderbouwing; Aanpassing van

bijlage 3 over asbest; Luchtmetingen bij o.a. textielreinigingsbedrijven; De systematiek diffuse verontreinigingen; De kritische blootstelling voor lood.

Besluit uniforme saneringen (BUS) te laten vallen, het aantal meldingen te verminderen en een aantal onduidelijkheden weg te nemen.

Vliegas: afval of niet? De raad van State heeft de voorschriften in de milieuvergunning van Mebin BV, opgelegd door de provincie Gelderland waaruit voortvloeit dat Mebin voor vliegas over een acceptatie- en verwerkingsbeleid (AV-beleid) en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) moet beschikken geschorst. Mogelijk is het vliegas in dit geval geen afval, maar dat moet in de bodemprocedure nader worden uitgezocht.

Stortverbod op bodem-as en alle grond Staatssecretaris Atsma van I&M wil het storten van bodem-as uit afvalverbranders en alle grond verbieden. Atsma stuurde op 25 augustus 2011 zijn ambitieuze beleidsbrief 'Meer waarde uit afval' naar de Tweede Kamer. In 2011 wordt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa) gewijzigd. Met deze wijziging wordt de lijst van afvalstoffen waarvoor een stortverbod geldt, uitgebreid met ongeveer 14 afvalstoffen, waaronder omvangrijke stromen als grond (met uitzondering van grond met een niet-reinigbaarheidsverklaring) en bodemassen van afvalverbrandings installaties (AVI-bodemas). Ook voor andere minerale afvalstoffen, zoals veegvuil en slib van riolen, kolken en gemalen komt een stortverbod. Hiermee wordt voorkomen dat deze stromen, bij het wegvallen van de afvalstoffenbelasting, worden gestort. Storten kan bovendien worden tegen gegaan door verscherpte handhaving.

Wijziging Regeling acceptatie van afvalstoffen op stortplaatsen m.b.t. geconditioneerde afvalstoffen In de Staatscourant van 18 juli 2011 staat een wijziging van de Regeling acceptatie van afvalstoffen op stortplaatsen m.b.t. geconditioneerde afvalstoffen, die per 19 juli 2011 in werking treedt Vanaf het moment dat de implementatieregelgeving in werking is getreden, is het niet meer mogelijk bepaalde afvalstoffen onbehandeld op stortplaatsen te storten. Dit komt doordat deze afvalstoffen niet aan de grenswaarden voor gevaarlijke afvalstoffen voldoen. Het gaat dan in het bijzonder om de parameters Cl, SO4 en Br. Het storten van deze afvalstoffen in big bags, zoals dat tot voor kort werd gedaan, is na de inwerkingtreding van de implementatie-regelgeving van die beschikking niet meer mogelijk. Andere mogelijkheden van verwerking zijn in Nederland niet beschikbaar. Daarom is gezocht naar een wijze om deze afvalstoffen zodanig te behandelen dat de behandelde afvalstof wel kan worden gestort. Een van de mogelijkheden is het conditioneren. Wijziging Regeling uniforme saneringen Op 25 augustus 2011 is een wijziging van de Regeling uniforme saneringen (RUS) in de Staatscourant gepubliceerd. De wijziging is met terugwerkende kracht vanaf 15 juli 2011 in werking getreden. De wijzigingen hebben tot doel om meer saneringen onder het

TAG in het nieuws In de Cobouw zijn diverse berichten geplaatst over teerhoudend asfaltgranulaat export en reiniging. Artikel ‘TAG blijft naar buitenland gaan’ geplaatst op 30-8-2011: ‘Ook dit jaar verdwijnen er tonnen kankerverwekkend teerhoudendasfaltgranuIaat (TAG) naar de Baltische Staten. Dat zegt Evert de Jong namens de vereniging van wegenbouwers, VBW-Asfalt. (…)’ Artikel ‘Gemeenten moeten TAG thermisch laten reinigen’ geplaatst op 01-09-2011: ‘Teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) moet verwerkt worden in Nederlandse thermische verwerkingsinstallaties. Dat laat staatssecretaris Atsma weten in reactie op de discussie die deze week ontstond over het feit dat er nog altijd tonnen TAG de grens overgaan. (…)’ Artikel ‘Atsma: TAG moet hier gereinigd worden’ geplaatst op 2-9-2011: ‘Lokale overheden moeten teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) laten verwerken in Nederlandse thermische verwerkingsinstallaties.’

25


Vakblad Afvalstoffen nummer 1 2011  

Vakblad Afvalstoffen nummer 1 2011

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you