Page 1

STICHTING IN DEN SCHERMINCKEL

NIEUWSBRIEF Archeologie en Monumenten Bergen op Zoom

De stadswal onder de Lucernaflat Voor Uw agenda De Waag Boekennieuws Lezing majolicapottenbakkers Een bijzondere muntspeld achter het Engelse huis Kijk-in-de-Pot

Jaargang 9 – Nr. 33 september 2006


DE STADSWAL ONDER DE LUCERNAFLAT (Marco Vermunt)

Vorig jaar werd onder grote belangstelling de Lucernaflat gesloopt, ongetwijfeld het lelijkste gebouw in het stadscentrum. De flat was gebouwd in het midden van de jaren ’60 op het terrein van de Sint Josephgezellenvereniging, waarvan het hoofdgebouw aan de tegenwoordige Burgemeester Van Hasseltstraat stond. Aan de kant van het Sint-Josephplein stond sinds 1884 een noodkerk, het “Smitskerkje”. Tussen de kerk en het gezellenhuis bevond zich een kleine tuin die niet via het plein toegankelijk was. De Lucernaflat werd deels in de oude tuin en deels ter plaatse van het gezellenhuis neergezet. De naam was een Latijnse vertaling van “vetpan”, de alom gebruikte bijnaam van de vereniging. Sinds de middeleeuwen lag het terrein in het beloop van de stadsomwalling. In 1997 werd een opgraving uitgevoerd onder de voormalige school bij het Sint Antoniusklooster aan de Kloosterstraat, vlakbij de Lucernaflat. Deze opgraving heeft inzichtelijk gemaakt dat er nog delen van de wal bewaard waren, en dat die wal was aangelegd op het einde van de 13de eeuw. Hij was ouder dan de stenen stadsmuur waarvan de bouw omstreeks 1330 verondersteld wordt. De sloop van de Lucerna en de nieuwbouw van een groot winkelcentrum vormde het sluitstuk van het Paradeproject en ook in archeologische zin was dit het laatste terrein waar opgravingen plaats zouden vinden. Maar wat was er op deze plaats aan archeologische resten te verwachten? De flat was immers onderkelderd geweest en alle archeologische sporen waren uitgewist. De nieuwbouw zou echter ruim 15 meter opschuiven naar het SintJosephplein, op een plaats waar sinds 1869 altijd straat was geweest.

Op 5 en 6 oktober, nadat de flat tegen de vlakte lag en de bestrating was verwijderd, kon proefonderzoek worden uitgevoerd aan de kant van het plein. Al snel werd duidelijk dat de bovenste 1,5 meter van het terrein helemaal vergraven was, vooral door moderne rioleringen en kabels. Dieper bevonden zich ophogingslagen uit de 15de eeuw en ouder. Vlak voor de voormalige gevel van de Lucernaflat werd de aanzet van de 13de eeuwse stadswal gevonden. Besloten werd om op het terrein geen grote opgraving uit te voeren. Het bouwrijp maken voor de nieuwbouw (op schroefpaalfunderingen) zou nauwelijks dieper gaan dan de moderne verstoringen. Bovendien waren er geen duidelijke (bouw)sporen aanwezig. Het onderzoek bleef daarom beperkt tot het aanleggen van twee smalle werkputten om dwarsprofielen op de stadswal te kunnen documenteren.

De ligging van de stadswal (donker) en de gracht (licht) geprojecteerd op de situatie vóór 2005. De nummers 1, 2 en 3 zijn de plaatsen waar een doorsnede op de stadswal werd gemaakt.

2


Het loopvlak lag in de 13de eeuw 2,20 meter De tweede proefopgraving op de hoek van de lager dan nu. Hoe verder van de stad af, hoe Huijbergsestraat – Sint-Josephplein leverde meer het terrein daalde en hoe drassiger het geen nieuwe informatie meer op. De voet van werd. Net als in de Kloosterstraat (opgraving de stadswal was er iets beter bewaard van 1997) werden ook hier resten van oude gebleven. akkers gevonden. Een dun esdekje bevatte scherven van de 12de tot de late 13de eeuw. Er Ondertussen was de sloop van de kelder waren ook ploegvoren zichtbaar. onder de Lucernaflat in volle gang. Daaroverheen was de aarden wal aangelegd, De bouwput voor de nieuwbouw zou breder die vooral uit lemige gele grond bestond. De worden dan de oude kelder. voet van de wal lag precies twee meter voor de oude rooilijn van de Sint-Josephstraat. De wal kon over een lengte van bijna 6 meter gevolgd worden, tot tegen de kelder van de Lucernaflat. Van de oorspronkelijke hoogte (circa 4 meter) was een meter overgebleven. In de 14de eeuw is men begonnen om de grond aan de stadszijde van de wal op te hogen. Waarschijnlijk was dit gedeelte van de stad, van de wal tot aan de Koevoetstraat, in die periode nauwelijks bebouwd. Eerdere opgravingen aan de Het onderzoek in de opgravingsput aan het Sint-Josephplein. Koevoetstraat en De lichte lijn geeft de voet van de stadswal weer Rozemarijnstraat bevestigen dit beeld: een grote open ruimte, deels nog met akkergrond, Aan de kant van de Burgemeester Van waar pas in de loop van de 14de eeuw Hasseltstraat zou er dus een mogelijkheid verstedelijking optrad. De stad werd langzaam ontstaan, om een doorsnede over de uitgebouwd in de richting van de omwalling. In stadswal in beeld te krijgen. Dankzij de 15de eeuw, als er schriftelijke bronnen bereidwillige medewerking van het voorhanden zijn, blijkt de omgeving van het sloopbedrijf Sagro kon dit bodemprofiel op 20 Sint-Josephplein nog steeds onbebouwd te en 21 oktober worden geschaafd en zijn. Hier ligt dan het hof van de gefotografeerd (zie afbeelding op volgende Voetboogschutters (vermelding in 1440). pagina). Aangezien dat gilde al in 1346 werd genoemd, De doorsnede over de stadswal kon over een is het niet ondenkbaar dat het oefenterrein al lengte van 54 meter worden eerder in gebruik was. gedocumenteerd, het langste bodemprofiel in Net zoals in 1997 was het ook nu helaas niet de binnenstad tot nu toe. De stadswal mogelijk om de aanleg van de wal preciezer te tekende zich verrassend goed af. Op de foto dateren dan het laatste kwart van de 13de is met een lichte lijn de oorspronkelijke vorm eeuw. Het wallichaam zelf bevatte te weinig van de wal en gracht aangegeven. De vondsten. hellingen van de gracht waren duidelijk De datering volgt indirect uit de vondsten zichtbaar. Met behulp van een graafmachine onder de wal (de akkergrond) en op de wal (de is nog een stuk in de grachtvulling verdiept, ophogingen aan de stadskant). zonder echter de bodem te kunnen bereiken.

3


Van de wal, die ooit ongeveer 4 meter hoog was, is ondergronds nog 1 meter bewaard. De omwalling was opgebouwd uit diverse lagen. Onderin was veel humeus zand ingesloten, afkomstig van oude akkers op de plaats waar de gracht werd gegraven.

In 1606 is aan de landzijde van de wal een groot ravelijn aangelegd, dat het hele terrein van de Lucernaflat omvatte. Tegelijk werd de buitenkant van de gracht verbeterd en waarschijnlijk is de gracht toen ook verbreed.

Doorsnede door de stadswal en de gracht, in de richting van de Burgemeester Van Hasseltstraat. De lichte lijn geeft het oorspronkelijke profiel weer (Foto: Alexander van der Kallen)

De schuine “banen� in dit zandpakket laten mooi zien hoe men met kruiwagens stukje bij beetje de wal opbouwde. Toen de gracht langzaamaan dieper werd uitgespit, kwam er alleen nog schoon geel zand naar boven. De bovenste lagen van de stadswal bestonden voornamelijk uit dit zand. Het bevatte van nature veel leem, dat extra stabiliteit aan het aardlichaam gaf. De totale breedte van de stadswal bedroeg 20,50 meter; de gracht was 28 meter breed. Toch is dit niet de oorspronkelijke 13de eeuwse grachtbreedte.

Helaas is er geen spoor meer gezien van de stenen stadsmuur. Die stond hoogstwaarschijnlijk op de kruin van de aarden wal en niet aan de voet van de wal, op de rand van de gracht; anders waren daar ongetwijfeld resten van gevonden. Als de positie van de muur volgens de tekening van Jacob van Deventer (ca.1545) ingepast wordt in de positie van de opgegraven wal, dan valt die inderdaad exact in het midden.

De stadswal, op de overgang met de gracht. De donkere lagen rechts zijn de onderste ophogingen van het wallichaam

4


Zo diende de aarden wal tevens als nivellering van de ondergrond. De gracht werd pas na 1700 gedempt, toen Menno van Coehoorn ter plaatse het bastion “Pucelle” liet bouwen. Toen is de wal aan de stadszijde enkele tientallen meters verbreed. Hieraan heeft het de noordwand van het Sint-Josephplein zijn bochtige verloop te danken. Het onderzoek onder de Lucernaflat is trouwens niet het sluitstuk van de opgravingen in het Paradeproject. Binnenkort zal de kiosk teruggeplaatst worden achter de kerk en bij die gelegenheid zal er ook een kleine opgraving plaatsvinden. Literatuur:

detail van de stadsplattegrond van Jacob van Deventer, waarop de stadsmuur en de gracht weergegeven zijn.

Aan de zuidwestzijde van de stad stond de stadsmuur waarschijnlijk wél aan de voet van de wal. De opgraving in de Koepelstraat toont dit aan. De reden hiervoor is ongetwijfeld het natuurlijke hoogteverschil geweest tussen de zuidwestzijde van de stad (ruim 9,50 meter boven NAP) en de zuidoostzijde (6 tot 7 meter boven NAP).

VOOR UW AGENDA Amsterdam – t/m 15 okt 2006

In de plomp verloren De bezoeker van het Amsterdams Historisch Museum vindt in de ‘Actualiteitenhoek’ tussen Zaal 3 en de Museumwinkel enkele van de honderden voorwerpen die zijn gevonden tijdens de eerste fase van het archeologisch onderzoek bij de bouw van de Noord/Zuidlijn in september tot december 2005. De vondsten zijn afkomstig van het Damrak ter hoogte van de Nieuwe Brug en het toekomstige station Rokin. In een korte video-documentaire wordt aandacht besteed aan het onderzoek onder het caisson bij de Nieuwe Brug/Damrak. Daar werd tot 15 meter diepte de bodem van de Amstel weggespoten waardoor de betonnen kolos langzaam naar zijn ligplaats kon zakken.

W.A. van Ham, Historische Stedenatlas van Nederland: Bergen op Zoom (Delft 2003). W.A. van Ham, Merck toch hoe Sterck: bijdragen tot de gescheidenis van de vestingwerken van Bergen op Zoom (Bergen op Zoom 1982). M.Vermunt, ‘De oudste omwalling van Bergen op Zoom’, De Waterschans 27 (1997) 125-128. M.Vermunt, 'Opgravingen in de Koepelstraat. Een blik in de middeleeuwse stadsgracht van Bergen op Zoom', De Waterschans 29 (1999) 3-6.

In 2006 zal het gevaarte nog verder tot 25 meter worden afgezonken. Onder bijzondere omstandigheden werkte daar een team van archeologen om kwetsbare voorwerpen van historisch belang te identificeren en te bergen. Overige voorwerpen werden met de weggespoten grond omhoog getransporteerd en buiten met behulp van een reusachtige zeef van de grond gescheiden. In dit betonnen gevaarte zal de boormachine worden geïnstalleerd voor het boren van de ondergrondse verbinding Centraal StationRokin. Naar verwachting zal de Noord/Zuidlijn in 2012 gereed zijn.

Inlichtingen: Amsterdams Historisch Museum, Nieuwezijds Voorburgwal 357 / Kalverstraat 92, Amsterdam, 020-523 18 22, www.ahm.nl

5


Den Haag – t/m 1 maa maart aart 2007

Assen – t/m 29 okt 2006

Het krijgersgraf

Neanderthalers in Europa

Tentoonstelling rond bijzondere graven uit de omgeving van Solleveld, in het bijzonder een zogenaamd krijgersgraf en een bootvormig graf, die in 2005 door archeologen zijn gevonden in het waterwingebied op de grens van Den Haag en Monster. Bij dit onderzoek werden onder andere de resten van een grafveld uit de Vroege Middeleeuwen, de Merovingische periode (6de-7de eeuw na Chr.) blootgelegd. De krijger van Solleveld was begraven met zijn lans, schild, twee zwaarden, een vuurslag en een klein handmesje. Deze bijgiften en de speciale vorm van het graf geven aan dat het om een belangrijk persoon ging. Scheepvaart was van veel betekenis voor de handel en voor de verbindingen. De vorm van het graf moet tegen deze maritieme achtergrond worden gezien.

Voor wie niet mee is geweest met onze excursie naar Tongeren, krijgt nu nog een keer de kans om deze bijzondere tentoonstelling te bezoeken. Ruim twintig levensechte figuren en meerdere natuurgetrouwe dieren, aangevuld met originele voorwerpen, vertellen het verhaal van het dagelijks leven van de Neanderthalers.

Inlichtingen: Drents Museum, Brink 1, Assen, 0592-37 77 73, www.drentsmuseum.nl Leiden – 19 okt. t/m 4 maart 2007

Schitterend glas

Het is een bijzondere vondst aangezien het bijna honderd jaar geleden is dat er in ZuidHolland voor de laatste keer een krijgersgraf werd opgegraven.

Inlichtingen: Museon, Stadhouderslaan 37, Den Haag , 070-3381338, www.museon.nl

6

Glasmakers uit de oudheid waren uitzonderlijk bedreven in het maken van de fraaiste vormen en kleuren. De tentoonstelling ‘Schitterend glas’ zal u versteld doen staan van hun vakmanschap. De glazen bekers, schalen en kommen zijn gemaakt in het oude Egypte, Griekenland en het Romeinse Rijk. Het museum selecteerde uit zijn collectie ruim 450 voorwerpen die in het oog springen door hun schoonheid in kleur, vorm en detaillering. Een Egyptisch cosmeticaflesje uit 1400 voor Christus is het oudste voorwerp dat te zien is. Het valt op door de verschillende kleuren die zijn gebruikt. ‘Schitterend glas’ laat u meer van dit soort kunstwerkjes zien. Daarom wordt ook uitgelegd welke productietechnieken de glasmakers uit de oudheid gebruikten.


Een aantal daarvan stelt huidige glasmakers nog steeds voor een raadsel! Het grootste deel van het glas op de tentoonstelling is gemaakt in de Romeinse periode (in de eerste eeuwen van onze jaartelling), maar er is ook ouder glaswerk uit Egypte, Syrië, Palestina en Griekenland te zien. Blikvanger is het luxe glaswerk dat de Romeinen als servies gebruikten voor feestelijke banketten. Niet minder fraai is het eenvoudiger glaswerk voor dagelijks gebruik. De flessen, voorraadpotten. parfurmflesjes en dobbelstenen zijn vaak in verschillende kleuren uitgevoerd. Voor de productie ervan gebruikte men gecombineerde technieken.

Nijmegen – 1 dec 2006 t/m 18 mrt 2007

De laatste uren van Herculaneum. Verwoest door de Vesuvius, 24 augustus 79 Zo’n tweeduizend jaar geleden voltrok zich in Italië de grootste natuurramp van de Oudheid. Op 24 augustus 79 werden Pompeii en Herculaneum - Romeinse plaatsen aan de idyllische Golf van Napels - verwoest door een uitbarsting van de vulkaan Vesuvius. Binnen enkele uren hield alle leven op te bestaan. Herculaneum is altijd verborgen en onbekend gebleven naast de toeristentrekker Pompeii. De vondsten die in Herculaneum zijn gedaan, zijn uniek en absoluut opzienbarend.

Ook sieraden en amuletten werden van glas gemaakt, soms voorzien van zeer gedetailleerde versieringen. In de museumwinkel is een full colour naslagwerk over glas en productietechnieken in de oudheid verkrijgbaar. Voor een bezoek aan de tentoonstelling betaalt u een toeslag van 2 euro.

Inlichtingen: Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28, Leiden, tel 0900-6600600 www.rmo.nl

Marmeren sculptuur van een jong hert dat wordt aangevallen door vier jachthonden (collectie Archeologische Nationaal Museum, Napels)

Voor het eerst kan men nu - buiten Italië - de grootste kunstschatten bewonderen uit Herculaneum. Maar ook staat men oog in oog met voorwerpen uit het leven van alledag, en met skeletten van mensen die slachtoffer werden van de ramp. De tentoonstelling vertelt over de ongekende rijkdom van Herculaneum en maakt het menselijk drama van de ramp voelbaar.

Inlichtingen: Museum Het Valkhof, Kelfkensbos 59, Nijmegen, 024-360 88 05, www.museumhetvalkhof.nl

7


DE WAAG ( Tom van Eekelen)

In mijn vorige bijdrage aan de nieuwsbrief is uitvoerig geschreven over het bouwhistorisch onderzoek van het pand Blauwehandstraat 3. In de inleiding werd aangegeven dat dit pand jarenlang was gebruikt als de (boter)Waag van Bergen op Zoom. Maar wat is nu precies een Waag en wat heeft dat betekend voor Bergen op Zoom. Daar wil ik in dit artikel op in gaan waarbij ook het eerste Waaggebouw van Bergen op Zoom, gelegen aan de Zuivelstraat, nader wordt belicht. In het hart van veel van onze historische steden zoals Bergen op Zoom is nog steeds een Waaggebouw gelegen. De Waag lag meestal daar waar in de middeleeuwen en later de goederen de stad binnenkwamen of verlieten (de haven) of daar waar de goederen verhandeld werden (de markt). De Waag betekende voor een stad een belangrijke bron van inkomsten. Een Waag is niets anders dan het wegen (wagen) en meten van goederen (producten). De noodzaak tot het houden van een Waag lag op den duur niet zozeer in een eerlijke behandeling van de kooplieden als wel in de te ontvangen revenuen. Want de Waag betekende voor een stad een belangrijke bron van inkomsten. Het bestuur van de stad was er dan ook alles aan gelegen zoveel mogelijk goederen aan de Waag te laten wegen. Hiertoe werden bevelen (belastingen) uitgevaardigd die het verboden zelf goederen te wegen boven een bepaalde hoeveelheid. De balansen, de gewichten en meestal ook de vaten en verpakkingen van de goederen moesten gecontroleerd (geijkt) zijn. De Waag werd in principe voor alle goederen verplicht gesteld; van zuivelproducten, tabak en rozijnen tot varkens en runderen. Waar handel is, daar wordt gewogen. Dat is nagenoeg een wet van Meden en Perzen. Immers, om de waarde van te koop aangeboden goederen vast te stellen, moeten kopers en verkopers in veel gevallen het gewicht kennen van de producten waarover zij onderhandelen. Zonder die kennis kunnen vraag en aanbod niet optimaal op elkaar worden afgestemd. Zeker in een economie waarin de directe ruil van goederen heeft plaatsgemaakt voor het gebruik van geld als waardebepalende eenheid, is prijsvorming zonder kennis van het precieze gewicht eigenlijk onmogelijk. Gewichten zijn maten, als het ware smeermiddelen die economische transacties versoepelen en vereenvoudigen.

8

Een Marktvaan uit 1819 met een verbod voor opkopers goederen op de markt te kopen. De afgebeelde vaan is afkomstig uit Deventer. Ook Bergen op Zoom kende deze verbodsvanen.

Het ontstaan van de Waag Al voor de elfde eeuw was er sprake van een vorm van handel drijven waarbij hoeveelheden en gewicht een rol speelde. Het was met name op momenten dat er goederen geruild werden. Van echte handel was nog geen sprake. In de elfde eeuw, toen het gezag ging bestaan uit graven en hertogen en deze lieden beschikten over landerijen, ontstond een voorzichtige vorm van handel. Die handel groeide doordat er wegen werden aangelegd en steden werden gesticht die in twaalfhonderd zogenaamde stadsrechten kregen.


Deze stadsrechten waren verbonden aan de ligging van een stad. Bijvoorbeeld een kruispunt van wegen of nabij water. Vaak groeiden deze steden uit tot concentraties van nijverheid, handel en verkeer tot het ontstaan van markten waar grote groepen kooplui elkaar troffen. Daar eiste de prijsvorming al snel de nodige dienstverlening. Faciliteiten voor het betrouwbaar kunnen meten en wegen waren daarbij zeer belangrijk. De Waag beantwoordde aan die behoefte. Vooral de dertiende en veertiende eeuw waren perioden van sterke stedelijke groei. In deze perioden waren het steden als Tiel, Utrecht, Deventer en Bergen op Zoom die landelijk bekend stonden om hun handel. Met name in de veertiende eeuw groeiden Deventer en Bergen op Zoom dankzij hun jaarmarkten uit tot de grootste trekpleisters voor de internationale handel in het Nederland van toen. In de vijftiende eeuw werden zij meer en meer verdrongen door de steden Dordrecht, Amsterdam en Antwerpen. Door de eeuwen heen is bewezen dat er behoorlijk voordelen zaten aan een Waag. Ten eerste werden door de verplichte weging van openbaar verkochte goederen op de publieke Waag knoeierijen met gewichten voorkomen. Door ijking van de gewichten, strenge regels en juridische waarborgen werden allerlei handelsconflicten bezworen. In de tweede plaats bestond de verwachting dat aanwezigheid van een Waag handel zou aantrekken. Gezien het belang van het wegen voor de koopman in het algemeen en de verplichting tot weging in het bijzonder zou de handel zich eerder daar concentreren waar een Waag stond, dan waar dat niet het geval was. Het belangrijkste motief tenslotte om een Waag te exploiteren zal in het algemeen wel in de financiĂŤle sfeer gezocht moeten worden. Voor het wegen moest door de kooplui worden betaald. Uiteraard waren er voor de eigenaar van de Waag kosten. De inrichting, het gebouw en het personeel. De tarieven poogde men zo te stellen dat er het een en ander overschoot. Bij de nodige omzet - de heffing ging per gewicht - kon de Waag aldus een aardige bron van inkomsten vormen. Wagen Welke goederen moesten er nu naar de Waag worden gebracht? In principe kwamen alle goederen in aanmerking waarvan het gewicht van belang was voor de prijsvorming.

Tot de belangrijkste producten die naar de Waag gebracht werden behoorden boter en kaas. Ook tabak, touw, ijzer, lood, koper, honing, huiden, rozijnen, vlas, wol, meekrap (verfstof) en graan. Vee en in het bijzonder varkens kwamen ook naar de Waag om gewogen te worden. In sommigen Wagen werden dezelfde producten gewogen en in andere Wagen gemeten. De gewichten die in een Waag voor de meeste handelsgoederen gebruikt werden waren vrijwel steeds gemaakt van ijzer en voorzien van een stevig handvat. Standaardgewichten waren voorwerpen die voor het ijken van de waaggewichten slechts tweemaal per jaar werden gebruikt. Zij werden elders opgeslagen en met rust gelaten. Vandaar dat ze vaak slapers genoemd werden. De controle van de gewichten werd door een speciale ijkmeester uitgevoerd. Na het ijken kregen de gewichten een stempel ten teken van goedkeuring van het gewicht. De gewichten werden gebruikt als tegenwicht voor het product wat op de balans werd gelegd om het gewicht te bepalen. Balansen zijn er in vele soorten en maten. Soms deel uitmakend van de constructie van het Waaggebouw en soms gewoon op een eigen onderstel rustend.

vrijstaande Balans uit 1853

9


Het meten gebeurde ook met tonnen of manden, die van een bepaalde afmetingen moesten zijn, te vullen met bijvoorbeeld graan. De tonnen werden nauwkeurig gemeten omdat er verschillende vormen in omloop waren. De hoogte van de ton moest gelijk zijn aan de diameter.

In 1514 liet de heer van Bergen een geheel nieuwe Waag bouwen op het perceel wat thans bekend staat als Zuivelstraat 22. Door dat het pand aan de voorzijde en achterzijde al vrij lag, werden ook de belendingen aangekocht en kwam het pand geheel vrij te liggen wat voor een Waaggebouw belangrijk was voor het aan- en afvoeren van de te wegen en te meten producten. In 1747, tijdens de Oostenrijkse successieoorlog, werd Bergen op Zoom, na eerst gebombardeerd te zijn waarbij ook het Waaggebouw verloren ging, door de Fransen ingenomen. In 1750 was het Waaggebouw al weer herbouwd. De toen verkregen vorm is voor een deel nu nog steeds te aanschouwen. Tot 1872 heeft het gebouw gefunctioneerd als de Waag van Bergen op Zoom. Daarna is de Waag verplaatst naar Blauwehandstraat 3 wat speciaal voor de functie van Waaggebouw is verbouwd. Opmerkelijk is nog dat tussen 1752 en 1833 de bovenverdieping van de Waag aan de Zuivelstraat nog gefungeerd heeft als gebedsruimte voor de IsraĂŤlitische gemeente. Het einde van de Waag

Het wegen van goederen met een grote balans bij de ingang van de Waag

De Wagen van Bergen op Zoom Zoals in de aanhef aangegeven lag een Waag centraal in de stad of nabij waterwegen. In Bergen op Zoom was dit ook het geval. De Waag lag centraal in de stad. In 1355 gaf de heer van Bergen op Zoom opdracht een Waag te bouwen. De Waag werd gebouwd aan de westzijde tegenover het gasthuis wat toen op de locatie van het Gouvernementsgebouw met tuin was gelegen. Na een brand in 1444 werd besloten de Waag gelijk te herbouwen. Omdat de handel aan het eind van de veertiende eeuw aantrok, moest er een grotere Waag komen dan het oude gebouw.

10

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werd er steeds minder gebruik gemaakt van de Waag. Door andere organisatie van de handel en de opkomst en het succes van de fabrieksmatige massaproductie hadden koop en verkoop van goederen plaats zonder aan- en afvoer op de markt.

Het huidige Waagbouw wat een reconstructie heeft ondergaan en thans dienst doet als reisbureau


BOEKENNIEUWS

Resultaten van de opgraving van een Romeins tumulusgraf in Bocholtz (gem. Simpelveld). In oktober 2003 treft boer Hupperetz een Romeinse grafkist aan op zijn bietenveld. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig

Bodemonderzoek wordt ingelicht en voert een opgraving uit. In de grafkist worden crematieresten aangetroffen en de grafkist kan hiermee als askist worden bestempeld. Grafen askisten komen in Nederland weinig voor, waardoor de vondst als belangrijk kan worden beschouwd. Het graf wordt gedateerd in het laatste kwart 2e of begin 3e eeuw. Histologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de persoon in het graf is overleden op een leeftijd van tussen de 20 en 34 jaar. De askist heeft in een grafkamer gestaan van 2,3 x 2,4 meter. Zeer waarschijnlijk heeft de grafkamer onder een heuvel (tumulus) gelegen. Groot zal die echter niet geweest zijn; bij een opvallende grafheuvel zou het graf leeg geroofd zijn. gelukkig was dit niet het geval en zijn bij de opgraving in totaal 52 bijgiften aangetroffen. Hieronder waren 28 glazen voorwerpen, 17 bronzen voorwerpen, zes ijzeren en één van zilver. ISBN 9057990725, 171 pag. prijs € 18,--

Vijfduizend jaar overleven Marianne van Albada (kinderboekenschrijfster en psychologe) werd in 1997 gevraagd iets te schrijven over het verleden van het streekje rond het ‘Heijveen’ in Midlaren, waar ze al 30 jaar woont. Tot haar verrassing ontdekte ze dat de eerste huizen hier pas rond 1850 verrezen en dat de ‘echte Drenten’ die er woonden, afkomstig waren uit alle delen van Nederland. Dit maakte haar nieuwsgierig naar wat er voordien in dit streekje was. Zo begon een speurtocht naar de geschiedenis van dit deel van de Hondsrug, die zeven jaar zou duren. Er ontstond een boek van 480 bladzijden, dat een interessant en levendig beeld geeft van de wisselwerking tussen mens en landschap en de wijze waarop de bewoners van de Hondsrug zich onderling organiseerden met regels, wetten en traditionele gebruiken. ISBN 90 5452 140 6, prijs € 45,--

Oostende: Stadsvernieuwing en Archeologie De publicatie geeft een overzicht van het archeologisch onderzoek in Oostende sinds in 1992 op het provinciaal domein Raversijde gestart werd met het onderzoek van de laatmiddeleeuwse site Walraversijde. Er werden vondsten geregistreerd van zowat alle periodes: van Romeins tot de eerste wereldoorlog. De publicatie brengt een samenvatting van deze resultaten. ISBN 9075230176, 136 pag.

11


Razende mannen, onrustige vrouwen

Drijvende Trabanten

Dit is de titel van het boek over de geschiedenis van het St. Elisabethgasthuis in Deventer. Het boekwerk is het resultaat van een uitgebreid archeologisch en historisch onderzoek naar het St. Elisabethgasthuis, dat zo’n vijfhonderd jaar geleden ontstond aan de Smedenstraat. Zo’n twee jaar geleden werden de laatste laat-middeleeuwse gebouwen op deze plek afgebroken om plaats te maken voor een nieuw woon-zorgcomplex: het PW Janssen Verpleeghuis.

Ivar Schute, senior projectleider bij RAAP schreef onlangs het boek 'Drijvende Trabanten': een verzameling verhalen met een autobiografische inslag. Ivar Schute werkte in de jaren 90 voor RAAP in Brandenburg en Rheinland – Westfalen. Op treffende wijze beschrijft hij in het boek de werkplekken van de archeoloog in het voormalige Oost-Duitsland, vlak na de Wende: van het jachtslot van Honecker en Russische kazernes tot spontane bordelen. ISBN 90-75675-68-2, prijs € 8,50

Glass Beads from Early Anglo-Saxon Graves Een schitterend Engels naslagwerk voor wie geinteresseerd is in kralen. Kralen van glas of amber zijn de meest gevonden voorwerpen in vroeg Angelsaksiche graven (5e – 7e eeuw). Birte Brugmann, de schrijfster van dit werk, onderzocht 14.000 kralen en maakte een nieuwe typologie op basis van fabricagetechniek, vorm, kleur en decoratie. O.a. verkrijgbaar bij Halos, prijs € 52,50

De titel van de uitgave is ontleend aan een ontdekte 19e eeuwse plattegrond van het gasthuis, waarin naast 'ouden van dagen', psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten werden opgevangen. Op de plattegrond zijn er ruimten voor 'razende', 'onrustige' en 'rustige' mannen en vrouwen. Het onderzoek heeft bijzondere resultaten opgeleverd. Al vroeg in de Middeleeuwen hebben er boerderijen gestaan in het gebied. Er zijn resten gevonden van de adellijke hofstede de 'Hof Keppel' en vervolgens van het gasthuis. ISBN 908010440x, 268 pag. prijs € 21,50

12


LEZING MAJOLICAPOTTENBAKKERS IN BERGEN OP ZOOM Omstreeks 1517 vestigt zich een ‘nieuwkomer’ in Bergen op Zoom, niet gehinderd door discriminatie of de inburgeringstoets van Rita. Integendeel, hij krijgt van het stadsbestuur alle medewerking om een pottenbakkerij te beginnen. Men trekt zelfs geld uit om de pottenbakkerij voor hem op te bouwen. Het gaat om de ‘geleijbakker’ Lucas Raymondts. Uit de archiefbronnen wordt duidelijk dat niet alleen hij, maar nog twee anderen na hem, hun bedrijf voerden aan de Zuidzijde Haven, in de buurt van de voormalige gasfabriek. Dat was op zekere afstand van hun vakbroeders in en rond de Dubbelstraat, die op dat moment het gewone Bergse rode aardewerk vervaardigden.

Het product van Lucas en zijn collega’s was innovatief: majolica, witbakkend aardewerk met tinglazuur dat in vele kleuren werd beschilderd. De techniek was afkomstig uit het Midden-Oosten en van daaruit naar de Middellandse Zee gekomen. Vooral in Spanje, dat deels Moors was, werd veel majolica geproduceerd en verhandeld. Iets later kwam de majolicaproductie in Italië op gang en die bereikte onder invloed van de Renaissance een heel hoog kunstzinnig niveau. Majolica was duur, omdat het tweemaal werd gebakken en werd beschilderd. Het waren luxeartikelen, bij uitstek bedoeld voor de sier. Op de Bergse jaarmarkten werd majolica uit Spanje en in mindere mate uit Italië al sinds de 15de eeuw verhandeld.

Wie was onze Lucas? Lange tijd is onzekerheid geweest over de plaats van zijn atelier.Totdat in 2005 de sanering van de gasfabriek startte. Een opgraving achter de panden “De Drie Haringen”, “De Zwaan” en “De Arend” legden de resten van drie ovens bloot en een grote hoeveelheid potscherven van mislukte majolica. Een deel hiervan is toe te schrijven aan Lucas Raymondts, een ander deel aan “Peter de Geleijbakker” die na Lucas’ overlijden nog doorging met het bedrijf. De productie was veelzijdig en omvatte siroopkannen, vaasjes, schotels, drinkschalen, kommen, bekers, apothekerspotten en ook vloertegels. Verrassend was de overeenkomst met de Italiaanse majolica van die tijd. Sommige voorwerpen, zoals deksels, kennen we alleen van sirooppotten uit Noord-Italië en werden niet eerder in opgegraven ateliers gevonden. Bijzonder zijn ook de vele ‘kapsels’: kleine rode potten waarin de kleine kommen en vaasjes van majolica werden geplaatst om ze te beschermen tijdens het bakken. Was Lucas een Italiaan? Waarschijnlijk wel. Al in 1508 kwam Guido di Savino, geleijbakker, naar Antwerpen om een bedrijf te beginnen. De economische bloei van de Noordelijke Nederlanden bood gunstige perspectieven. Waarschijnlijk was Luca Raimondo ook zo’n pionier, aangetrokken door de mogelijkheden van de Bergse pottenbakkerstraditie en de nauwe handelscontacten. Hun productie, de eerste in de Nederlanden, zou leiden tot de verspreiding van de techniek naar het noorden en uiteindelijk tot de opkomst van het Noord-Hollandse faience, later beter bekend als het “Delfts Blauw”. De lezing zal gegeven worden door drs M.J.A. Vermunt, gemeentelijk archeoloog Datum: maandag 16 oktober 2006 Tijdstip: 20.00 uur Zaal open: 19.30 uur Locatie: Hofzaal Stadspaleis Het Markiezenhof Entree: € 2,-2,--

13


EEN BIJZONDERE MUNTSPELD ACHTER HET ENGELSE HUIS (Alexander van der Kallen)

In de winter en het voorjaar van 2005 is er archeologisch onderzoek uitgevoerd op het terrein aan de Geweldigerstraat, waar voorheen Schildersbedrijf de Waal gevestigd was. Op het terrein zijn sporen uit allerlei tijden aan het licht gekomen, onder andere de resten van een vroeg 15e eeuwse leerlooierij. Marco Vermunt zal in een van de komende nieuwsbrieven hier nog een artikel aan wijden. Eén vondst wil ik er nu reeds uitlichten. In de tweede werkput kwam uit een 15e eeuwse ophogingslaag een bijzondere vondst, namelijk een broche gemaakt van een koperen munt, een zogenaamde muntspeld. Dit is de eerste keer dat een dergelijk sieraad in Bergen op Zoom werd gevonden. Eerder is er wel een tinnen muntspeld uit de 14e eeuw gevonden op het Gouvernementsplein. Deze was echter niet van een echte munt gemaakt. Een muntspeld of muntfibula is een broche, die puur werd gebruikt als sieraad en dus niet, zoals zijn Romeinse tegenhanger, gebruikt werd om de kleding mee te sluiten. In de Merovingische en Karolingische periode wordt er gesproken over pseudo-muntfibula’s omdat deze (meestal gouden) fibula’s waren vervaardigd naar voorbeeld van bestaande munten. Er zaten dus geen echte munten in verwerkt. In de 8e en 9e eeuw komen er onder andere via de Vikingen vele Arabische zilveren en gouden munten naar onze streken. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de muntschatten die op Wieringen zijn gevonden. Deze hoofdzakelijk zilveren munten zijn de eerste munten die op “grotere schaal” tot muntfibula werden vermaakt. De munten die toen in “Nederland” circuleerden, waren over het algemeen veel te klein om er een muntspeld van te maken. Het zal onder de Romeinen zeker ook gebeurd zijn, maar daar worden veel minder voorbeelden van gevonden. Tot in de12e en 13e eeuw worden Arabische munten tot muntfibula vermaakt. Wanneer in de 14e eeuw de tinnen pelgrimsinsignes in opkomst zijn, verschijnen ook de eerste tinnen pseudo-muntfibula’s. In tegenstelling tot hun vroeg Middeleeuwse broertjes, lijken deze fibula’s veel sterker op de bestaande munten van die tijd. Een mooi voorbeeld is dit grote exemplaar in de vorm van een Engelse rozennobel gevonden te Sluis. Wat de betekenis achter het gebruik van muntspelden is, is niet exact bekend.

In de vroege Middeleeuwen stond op de muntspeld vaak de afbeelding van een sterk gestilleerde kop, mogelijk overgenomen van de toen voorkomende munten met een al even gestilleerde kop van de (lokale) heerser. In de volle en late Middeleeuwen zien we de muntspelden gemaakt van Arabische munten. Vermoedelijk hadden de muntspelden toen een puur decoratieve functie. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat de munten gebruikt werden om wat er op de munten geschreven stond. Maar zeer weinig mensen zullen in deze streken in die tijd de Arabische taal machtig zijn geweest. In de 19e eeuw dacht de Franse grote verzamelaar van tinnen insignes, Arthur Forgeais, dat de drager van de muntspeld op die manier zijn politieke voorkeur en partijschap uitdroeg. Zo zou bijvoorbeeld de afbeelding van een Engelse nobele aangeven dat de drager loyaal was aan de Engelsen. Maar gezien de grote variaties in de voorkomende voorstellingen is dit niet waarschijnlijk. Ook is er wel eens gesuggereerd dat de spelden werden gebruikt om geldzakken met een bepaalde muntsoort te labelen. De meest waarschijnlijke reden is echter dat de spelden puur voor de sier gedragen werden. In tegenstelling tot goud en zilver, was tin enigszins betaalbaar voor de arme Middeleeuwer. Op die manier kon hij zijn waarschijnlijk sobere kleding wat opsieren.

Muntspeld Rozennobel uit Sluis

14


Nu weer even terug naar onze eigen vondst uit de Geweldigerstraat. Na ongeveer een jaar lang in spanning zitten, tot de reiniging en conservering van de muntspeld gereed was, hebben we hem eindelijk kunnen determineren. De hier gevonden muntspeld is gemaakt van een Arabische munt uit de 13e eeuw. Het gaat om een imitatie van een dirhem van de Ayyubiden uit Damascus van Al Salih Ismail (1237-1245) met kalief Al Mustazim.

Ook worden er daar muntfibula’s gevonden van lokaal nageslagen dinars van een zeer laag gehalte goud of messing, vaak met teksten in fantasie-arabisch.In Groningen is tijdens rioleringswerkzaamheden in 2001 een dergelijk exemplaar gevonden.

voor- en achter zijde muntspeld uit Groningen

In het zuiden van Nederland worden ze eigenlijk niet gevonden. Dat maakt onze vondst natuurlijk speciaal.

voorzijde muntspeld

achterzijde muntspeld

Muntfibula’s van Arabische munten worden in het noorden van Nederland en Duitsland wel vaker gevonden. We zien dan vooral de 8e en 9e eeuwse zilveren dirhems en de 12e en 13e eeuwse gouden dinars, waar muntspelden van gemaakt worden.

Er is echter nog iets bijzonders met onze muntspeld aan de hand. Het gaat hier, zoals gezegd, om een imitatie van een dirhem maar niet om een lokaal gemaakt product. Onze imitatie is gemaakt in het nabije oosten door de kruisvaarders en waarschijnlijk door een kruisvaarder gebruikt voor het maken van een muntspeld en mee naar Bergen op Zoom genomen. Het namaken van munten van de Ayyubiden door de kruisvaarders was vooral in de eerste helft van de 13e eeuw populair. In 1250 heeft de paus een verbod uitgevaardigd op de verdere aanmaak van dit soort munten, ze waren immers van de heidenen en stonden vol met Arabische religieuze teksten. Nieuwe munten moesten een kruisje, de christelijke jaartelling en de geloofsbelijdenis (maar dan in het Arabisch) dragen. De dynastie van de Ayyubiden werd gesticht door Al Salhi Al-Din, beter bekend als Saladin, een Koerdische leider uit Tikrit. De Ayyubiden regeerden van 1171 tot 1260 over een groot gebied in het Midden-Oosten. Saladin versloeg verpletterend de kruisvaarders in 1187. Het is voor zover wij weten de eerste keer dat er een dirhem van de kruisvaarders, welke al dan niet tot muntfibula verwerkt is, gevonden is in Nederland.

15


NIEUWE OPGRAVINGEN OP KIJKKIJK-ININ-DEDE-POT (Marco Vermunt) Deze zomer is een nieuw onderzoek gestart op het noordelijke gedeelte van Kijk-in-de-Pot, grenzend aan het Geertruidaplein. Naar verwachting wordt er nog tot begin september gegraven. In 2004 werden resten uit de IJzertijd (8ste eeuw v.Chr. – 0) en de Romeinse tijd (0 – 3de eeuw) gevonden, waarover in een eerdere nieuwsbrief al is bericht. De vervolgopgraving maakt duidelijk dat het ven iets groter was dan eerst werd aangenomen. Bewoningssporen zijn nog niet gevonden, maar moeten er vlakbij wel geweest zijn. Ook werden opnieuw sporen gevonden van het grote hoornwerk, dat kort voor 1600 was opgeworpen ten zuiden van de brandweerkazerne. De grondboringen die vorige maand in het bos achter de meubelboulevard werden gezet, tonen aan dat daar een echte “steilrand” in het landschap is geweest: het hoogteverschil tussen de renbaan en de ondergrond in het bos was ooit meer dan 7 meter! De steilrand is zelfs hoger geweest dan aan de zuidwestelijke flank van Kijk-in-de-Pot, bij het hotel Golden Tulip. Het bos zelf is niet erg oud (pas na 1950). Op oudere foto’s is grasland te zien. Om het hoornwerk aan te leggen, moest enorm veel zand worden aangevoerd. Ook bij de uitbouw van de vesting van Menno van Coehoorn is zand opgebracht om een glacis te maken. De vijand kon zich anders achter de rand verschansen. Op deze kunstmatige ophoging is later het bos gegroeid. Van nature was dit gedeelte van de ‘Kiek’ dus een indrukwekkende hoogte, die ideaal moet zijn geweest voor bewoning.

16

Luchtfoto van een deel van Kijk-in-de-Pot in 1950. De renbaan wordt dan aangelegd. (Foto KLM Aerocarto. )

Colofon Nieuwsbrief Archeologie en Monumenten Bergen op Zoom is een uitgave van de Stichting In den Scherminckel en verschijnt eenmaal per kwartaal. Redactie Ank van der Kallen Nieuwstraat 4 4611 RS Bergen op Zoom 0164 – 26 51 58 vanderkallen@home.nl Bestuur SIDS Jan Hopstaken (voorzitter) Wis van Meurs (secretaris) Ank van der Kallen (penningmeester/ ledenadministr.) Ab Drenth Louis Weijs Website www.scherminckel.nl © Copyright 2006 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de Stichting In den Scherminckel

Nieuwsbrief 33 september 2006  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you