Issuu on Google+

Klankbordgroep Emancipatie Rotterdam

“De delphi-methode�

Auteur: Teana Boston-Mammah Onder begeleiding van dr. Joke van der Zwaard Scala expertisecentrum voor emancipatie en participatie Rotterdam Rotterdam, december 2010


Inhoudsopgave

Samenvatting

Hoofdstuk 1: 1.1 Aanleiding .................................................................................................. 1 1.2 Doel Klankbordgroep Emancipatie............................................................. 1 1.3 Methodiek ................................................................................................. 2 1.4 De thema’s en de opzet van dit rapport ..................................................... 3

Hoofdstuk 2: Vragen & antwoorden 2.1 Arbeidsparticipatie van vrouwen ................................................................ 4 2.2 Gezinnen.................................................................................................. 11 2.3 Jongeren .................................................................................................. 18 2.4 Veiligheid ................................................................................................. 25

Hoofdstuk 3: Conclusies & discussiepunten 3.1 Kansen op betaald werk vergroten .......................................................... 32 3.2 Naar een emanciperend gezinsbeleid..................................................... 33 3.3 Emancipatiewerk met jongeren................................................................ 34 3.4 Meer veiligheid achter ĂŠn voor de voordeur ............................................. 36 3.5 Verder met de klankbordgroep emancipatie ............................................ 37

Gebruikte literatuur

Bijlagen Bijlage I: Aanpak e

Bijlage II: Samenvattingen 3 consultronde Bijlage III: Samenstelling panel


Samenvatting In opdracht van de gemeente Rotterdam (Uitvoeringsprogramma Emancipatie en Sociale Mobiliteit) heeft Scala (expertisecentrum voor emancipatie en participatie in Rotterdam) een raadpleging gehouden onder Rotterdamse professionals over vier (beleids)terreinen die van belang zijn voor de emancipatie van vrouwen en mannen. Te weten: arbeidsparticipatie van vrouwen, gezinnen, jongeren en veiligheid.

Doel van deze raadpleging was om de visie van Rotterdamse professionals op urgente en actuele emancipatiekwesties in beeld te krijgen, daarmee adviezen te formuleren voor het gemeentelijk emancipatiebeleid en al doende een klankbordgroep van beroepskrachten te formeren met een signaal- en adviesfunctie richting gemeente. Daarmee werd tevens uitvoering gegeven aan de motie Klankbordgroep emancipatie die op 29 november 2007 door de gemeenteraad is aangenomen.

Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Delphimethode: vier ter zake deskundige panels met 10 tot 15 leden beantwoordden individueel per mail in twee rondes vragen die door een expertgroep waren geformuleerd. In de tweede ronde was dat een terugrapportage plus verdiepings- en concretiseringsvragen. Als derde ronde werd een aantal conceptconclusies voorgelegd in face-to-face-discussiegroepen.

In dit rapport worden de vragen en antwoorden van de digitale raadpleging beschreven (hoofdstuk 2) en daaruit conclusies getrokken over actuele emancipatiekwesties en adviezen geformuleerd voor het gemeentelijk beleid (hoofdstuk 3). Deze kennis en inzichten zijn bedoeld als aanvulling op de onderzoeksgegevens die het COS (Centrum voor Onderzoek en Statistiek) verzamelt over de Rotterdamse ontwikkelingen op emancipatiegebied, zoals weergegeven in de feitenkaart Participatie en Burgerschap 2009.

Arbeidsparticipatie van vrouwen Het panel onderschrijft het belang van arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid voor de emancipatie van vrouwen, maar stelt tevens vast dat dit voor tal van vrouwen een lange weg is. Het advies aan de gemeente is om enerzijds meer werk te maken van het toegankelijk maken van de arbeidsmarkt door maatregelen te nemen tegen discriminatie, verbetering van kwaliteit en betaalbaarheid van kinderopvang en het creëren van begeleide proefperiodes.

Anderzijds zouden programma’s voor vrouwen ‘met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’ niet alleen gericht moeten zijn op ‘participatie’ of mantelzorg, maar ook op versterking en realisering van de ambities van deze vrouw op het gebied van opleiding, werk en meer economische zelfstandigheid.


Aan vrijwilligerswerk moeten individuele ontwikkelplannen gekoppeld worden. In de inburgering zou het onderscheid tussen opvoedingstrajecten, waaraan bijna uitsluitend vrouwen deelnemen, en opleiding- en werktrajecten moeten worden opgeheven. Mannen zouden ook iets over opvoeden in Nederland moeten weten en vrouwen moeten ook ondersteund worden om zich verder te ontwikkelen en een positie op de arbeidsmarkt te veroveren.

De gemeente kan als subsidiegever, aanbesteder en inkoper op al deze terreinen invloed uitoefenen. Om op dit terrein resultaten te boeken zijn daarnaast veranderingen nodig in de heersende moederschaps- en (met name) vaderschapsbeelden. De gemeente kan daarover de discussie entameren, ook in het licht van veranderende economische omstandigheden.

Gezinsbeleid Er is brede steun voor het meenemen van emancipatiedoelstellingen in het gezinsbeleid, maar veel panelleden hechten aan het idee van ‘vrije keuze’ en onderhandelen over een evenwichtigere taakverdeling tussen man en vrouw aan de keukentafel. Tegelijkertijd is het panel van mening dat de gemeente vrouwen actief moet ondersteunen die door hun partner tegengehouden worden in hun ontwikkeling. De gemeente kan dat doen door waar mogelijk opleiding en werk verplicht te stellen en door mannen emancipatievoorlichting te geven. Het panel ziet voor het laatste een rol weggelegd voor diverse professionals in de hulpverlening, educatie en recreatie. Over geschikte methodieken is weinig kennis aanwezig. Het panel verschilt van mening over de vraag of dit emanciperende gezinsbeleid zich op specifieke (allochtone) gezinnen zou moeten richten. Het panel was wel unaniem van mening dat aandacht voor genderbewust opvoeden in het onderwijs nodig blijft.

Emancipatiewerk met jongeren Ook aandacht voor het seksueel en relationeel weerbaar maken van meiden en gevoeliger maken van jongens blijft nodig, maar het panel betwijfelt of het aanbod alle meiden en jongens bereikt. Als oplossing wordt gedacht aan het creëren van veilige plekken voor meiden waar ook groepsgerichte voorlichting (meiden en jongens apart en samen) kan plaatsvinden; en het trainen van (semi)professionals die met deze jongeren (en met name jongens) werken in gespreksvoering over deze onderwerpen. Deze professionals zouden ook in staat moeten zijn, of worden gesteld, om met de ouders te spreken over de effecten van hun beschermingsgedrag op de weerbaarheid en zelfstandigheid van hun dochters; en de functie die ontmoetingsplekken buitenshuis kunnen hebben voor hun sociale en persoonlijkheidsontwikkeling.

De seksespecifieke opleidings- en beroepskeuzes van jongens en meiden vindt niet iedereen een probleem. De gemeente doet er goed aan binnen het educatieve werkveld discussies te organiseren over de effecten van deze ‘glazen muur’ voor het realiseren van emancipatiedoelstellingen op het gebied van economische zelfstandigheid.


De groeiende onderwijsachterstand van jongens ten opzichte van meisjes is een kwestie die nog nauwelijks leeft onder professionals. Gewaarschuwd wordt voor versterking van de al bestaande negatieve beeldvorming van jongens, met name rondom seksualiteit en overlast.

Veiligheid achter en voor de voordeur De panelleden zijn van mening dat veiligheid achter de voordeur nog steeds een urgente en actuele kwestie is. Over de vraag of dat een breed maatschappelijk probleem is of een probleem dat vooral bij ‘allochtonen’ en lage inkomensgroepen voorkomt, verschilt men van mening. Er wordt aandacht gevraagd voor huiselijk geweld onder ouderen, al blijft vooralsnog onduidelijk of hier sprake is van een (vrouwen)emancipatiekwestie.

Het panel bevestigt het genderspecifieke karakter van de (ervaren) onveiligheid voor de voordeur. Oplossingen zoekt men vooral in mensen naar buiten ‘lokken’ en met elkaar in contact brengen. De gemeente heeft vooral de taak om angstwekkende situaties tegen te gaan door verloedering, vervuiling en verwaarlozing aan te pakken. Daarnaast kan de gemeente door aanpassing van de inrichting van de buitenruimte en de fysieke infrastructuur gunstige voorwaarden creëren voor het ontstaan van vanzelfsprekende ontmoetingsplekken.

Naar een Klankbordgroep Emancipatie in Rotterdam De circa zestig Rotterdamse professionals die bij deze panelraadpleging betrokken waren, zijn een uitstekende basis voor het vormen van een Klankbordgroep Emancipatie die eens in het kwartaal bij elkaar komt om actuele emancipatiekwesties en het beleid te bespreken. Nodig is een degelijke praktische en deskundige inhoudelijke organisatie. Daarin kan deze panelraadpleging als voorbeeld dienen.


Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Elke twee jaar wordt door het SCP en het CBS aan de hand van diverse ijkpunten in kaart 1

gebracht hoe de vrouwenemancipatie zich in Nederland ontwikkelt. Om inzicht te krijgen in het emancipatieproces in Rotterdam heeft Scala, expertisecentrum voor emancipatie en 2

participatie in Rotterdam, in 2004 in samenwerking met het COS de Emancipatiemonitor Rotterdam gemaakt.

Na vijf jaar wilde Scala opnieuw de emancipatiestand opnemen. In overleg met de gemeente is dat niet opnieuw gedaan door analyse van kwantitatieve bevolkings- en onderzoeksgegevens, maar door ondervraging van Rotterdamse beroepskrachten/ deskundigen op diverse aan emancipatie gerelateerde terreinen. Door voor deze professionele informatiebron te kiezen, is dit onderzoek een nuttige aanvulling op de emancipatiegegevens die door het COS verzameld worden en in de Feitenkaart Participatie en Burgerschap 2009 gepresenteerd worden.

De gekozen onderzoeksmethode hangt ook samen met de Motie klankbordgroep emancipatie die op 29 november 2007 door de gemeenteraad werd aangenomen. In die motie wordt voorgesteld om een ‘Klankbordgroep Emancipatie’ in te stellen met vertegenwoordigers van diverse diensten en organisaties op het gebied van emancipatie en diversiteit teneinde een betere onderlinge samenwerking, verstandhouding en kennisuitwisseling te bewerkstelligen en te komen tot een aanscherping van het emancipatiebeleid. Met dit project Klankbordgroep Emancipatie geeft Scala, in opdracht van het uitvoeringsprogramma Emancipatie en Sociale Mobiliteit van de gemeente Rotterdam, uitvoering aan de organisatorische en inhoudelijke intentie van deze motie.

1.2 Het doel van het project Klankbordgroep Emancipatie Het bij elkaar brengen van de ervaringen, kennis en opvattingen van praktische en beleidsmatige deskundigen op emancipatiegebied teneinde vast te stellen wat de ontwikkelingskansen en emancipatiebehoeften van meiden en jongens, vrouwen en mannen in Rotterdam zijn, wat hun emancipatie in de weg staat en wat dus urgente en actuele emancipatiekwesties zijn.

1 2

Sociaal Cultureel Planbureau en Centraal Bureau voor de Statistiek Centrum voor Onderzoek en Statistiek in Rotterdam

1


Het geven van een actueel, gedegen beleidsadvies aan de gemeente Rotterdam voor hun emancipatiebeleid 2010-2015 als onderdeel van het sociaal beleid. Raakvlakken met andere onderdelen van het gemeentelijk sociaal beleid zijn dus bewust niet vermeden. Het versterken van het emancipatienetwerk in Rotterdam en het formeren van een klankbordgroep van beroepskrachten met een signaal- en adviesfunctie richting gemeente.

1.3 Methodiek Om de deskundigheid van diverse professionals en beroepsniveaus te betrekken bij dit project is de Delphi-methode ingezet. De Delphimethode is een sociaalwetenschappelijke onderzoeksmethode die ontwikkeld werd voor toekomstonderzoek. De methode is geschikt om vraagstukken met een beperkt aantal deelnemers diepgaand te bespreken, omdat de discussie in twee of meer rondes schriftelijk verloopt en een expertgroep zorgt voor de exacte formulering van de vragen, de analyse van de antwoorden, de terugrapportage en de nieuwe vragenrondes. Omdat de deelnemers niet rechtstreeks op elkaar reageren, kunnen zij bovendien ervaringen, opvattingen en kennis naar voren te brengen zonder gehinderd te worden door zorgen over hun positie, de subsidie-afhankelijkheid en statusverschillen. De Delphimethode is kwalitatief onderzoek, het gaat niet om representativiteit van de deelnemers in kwantitatieve zin. De extra waarde van deze methode zit in diversiteit en diepgang. De resultaten moeten ook niet gelezen worden als de gemiddelde mening van Rotterdamse professionals, maar als de uitkomst van strak gestructureerde en inhoudelijk intensief begeleide expertmeetings zonder statusballast.

Voor het project Klankbordgroep Emancipatie is een expertgroep van vijf deskundigen geformeerd en zijn voor vier thema’s, te weten economische zelfstandigheid, veiligheid, gezinnen en jongeren, panels van deskundigen gevormd. De expertgroep is drie keer bij elkaar geweest om de vragen en antwoorden te bespreken en heeft per mail gereageerd op de formulering van vragen en analyses door Scala. Daarnaast is in de expertgroep de gewenste en gerealiseerde samenstelling van de panels besproken. De panels met tien tot vijftien deelnemers hebben twee vragenrondes doorlopen. Na de eerste vragenronde kregen zij een overzicht van de antwoorden, zijn verdiepings- en concretiseringsvragen gesteld en werd hen gevraagd te reageren op geconstateerde verschillen van mening. Op basis van de twee series antwoorden is een conceptrapport met analyses en aanbevelingen opgesteld en zijn daaruit een aantal urgente kwesties gelicht die zijn ingebracht in face-to-face discussies van Rotterdamse professionals. Die discussies, over jongeren en over gezin en arbeid, hebben plaatsgevonden op het jubileumcongres van Scala. Het inhoudelijke doel van de overstap van het Delphi-onderzoek naar deze face-to-face-discussie was om onderdelen van het conceptadvies te checken en nog verder aan te scherpen. Het organisatorische doel was om de rechtstreekse onderlinge uitwisseling tot stand te brengen en de digitale klankbordgroep om te vormen tot een real-life klankbordgroep.

2


1.4 De thema’s en de opzet van dit rapport In het eerste expertteamoverleg zijn de volgende thema’s en subthema’s gekozen: Arbeidsparticipatie van vrouwen: economische zelfstandigheid, inburgering als opstap naar economische zelfstandigheid en het hardnekkige probleem van arbeid en zorg. Gezinnen: emancipatie achter de voordeur, rol van de overheid als bevestiger of doorbreker van rollenpatronen, feminisering van het onderwijs, generatieverschillen: het nut en effectiviteit van roldoorbrekend opvoeden. Machtskwesties. Jongeren. Wat betreft meiden: bereik weerbaarheidstraining, seksestereotype beroepskeuzes en bewegingsvrijheid. Wat betreft jongens; effect van de negatieve beeldvorming, jongens als achterblijvers en als overlastgevende factor in de buitenruimte. Veiligheid: (on)veiligheid in huis, (on)veiligheid op straat, veiliger door contact, ontmoetingsplekken.

In hoofdstuk 2 presenteren wij per thema de beleidsmatige achtergrond van de vragen en de antwoorden van de deskundigen op de eerste en tweede vragenlijst. De vier eerste vragenlijsten zijn als bijlage toegevoegd. In hoofdstuk 3 geven we de belangrijkste discussiepunten en meningsverschillen weer en trekken we conclusies voor de professionele praktijk en het gemeentelijk beleid. Daarin zijn de resultaten verwerkt van de discussies over onze voorlopige conclusies tijdens de jubileumconferentie. Een korte samenvatting van deze consultronde is als bijlage toegevoegd. Tenslotte doen we suggesties voor de voortzetting van de Klankbordgroep Emancipatie in Rotterdam

3


Hoofdstuk 2 Vragen & antwoorden 2.1 Arbeidsparticipatie van vrouwen In de laatste landelijke beleidsnota Meer kansen voor vrouwen. Emancipatiebeleid 20083

2011, is economische zelfstandigheid een van de vier kerndoelen . Het streven is dat 60% van de vrouwen in 2010 economisch zelfstandig is; en om dat te bereiken moet de netto arbeidsdeelname van vrouwen 65% zijn. Economische zelfstandigheid zal leiden tot meer keuzevrijheid voor vrouwen en resulteert in een betere balans in de thuissituatie. De combinatie van betaald werk en de zorg voor kinderen wordt als belemmering gezien voor vrouwen om meer uren te werken. Schooltijd- en vakantiebeleid zijn onhandig te combineren 4

en er is nog steeds een gebrek aan goede en betaalbare kinderopvang. Over de taakverdeling thuis en de mogelijke rol van mannen in de oplossing van het arbeid-zorg-probleem wordt niet gerept. Een eerdere gekwantificeerde doelstelling van het emancipatiebeleid om mannen 40% van de zorgtaken op zich te laten nemen, komt in deze nota niet meer voor. Er wordt alleen een opmerking gemaakt over de noodzaak van emancipatie van ‘jongens en mannen uit etnische minderheden’.

Het Rotterdamse emancipatiebeleid heeft een bredere insteek: ‘Emancipatie is meer dan alleen een activerend arbeidsmarktbeleid. Het doel is empowerment en het bevorderen van 5

sociale mobiliteit’ Er wordt gesproken over maatschappelijke en economische participatie en het emancipatiebeleid wordt geplaatst binnen het gemeentelijke sociale programma ‘waarin taal, opleiding, werk en armoedebestrijding een onlosmakelijk geheel vormen.’

Bij onze raadpleging van professionals over de arbeidsparticipatie van vrouwen zijn de volgende subthema’s aan de orde gesteld: Economische zelfstandigheid Inburgering als opstap naar economische zelfstandigheid Het hardnekkige probleem van de combinatie van arbeid en zorg

2.1.1. Economische zelfstandigheid Ondanks de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland is het percentage economisch zelfstandige vrouwen in de leeftijdscategorie van 15-64 jaar nog steeds laag. Landelijk: 45%, in Rotterdam 41% (mannen 58%). Uit bezorgdheid dat Nederland het streefcijfer (60%) niet gaat halen, is door het Ministerie van OCW de Taskforce DeeltijdPlus in het leven geroepen. 3

De andere drie zijn: talentontwikkeling van vrouwen en meisjes uit etnische minderheidsgroepen, veiligheid en

internationaal emancipatiebeleid. 4

In Jettinghoff, van Sloten & van de Ven, (2005).

5

‘V/m vooruit!’ Uitvoeringsprogramma Emancipatie en Sociale Mobiliteit. Gemeente Rotterdam, JOS 2008.

4


Voor het expertteam van dit onderzoek was deze trage ontwikkeling reden om de Rotterdamse professionals allereerst te vragen naar hun opvattingen over de wenselijkheid en haalbaarheid van economische zelfstandigheid als emancipatiedoel voor alle vrouwen.

Hoe belangrijk vindt u economische zelfstandigheid voor de emancipatie van vrouwen? En waarom is dat volgens u zo? De panelleden bevestigen het belang van economische zelfstandigheid voor vrouwen en geven daarvoor vier typen argumenten: individuele voordelen: financiële onafhankelijkheid van echtgenoot, zelfvertrouwen, mentale weerbaarheid en economische competenties, mogelijkheden voor talentontwikkeling en eigen levenskeuzes (waaronder scheiding); voordelen voor het gezin: bijdrage aan gezinsinkomen, voorbeeld voor kinderen, bewuster opvoeden; het bevorderen van gelijkheid tussen vrouwen en mannen; maatschappelijk effect: minder armoede, een positieve impuls voor de economie en als rolmodel fungeren voor andere vrouwen.

Als u denkt aan de vrouwen waarmee u werkt, denkt u dan dat economische zelfstandigheid een haalbaar doel is? Veel pannelleden twijfelen over de haalbaarheid van de doelstelling economische onafhankelijkheid voor alle vrouwen; vanwege kenmerken van de vrouwen (en hun gezin) en de arbeidsmarkt. Het panel is verdeeld over de zwaarte van deze twee factoren. Sommigen leggen de nadruk op belemmeringen bij de vrouwen: gebrek aan zelfvertrouwen, de gedachte dat zorgtaken niet met anderen te delen zijn, mannen die niet willen meewerken, traditionele kostwinnersideeën, een te laag opleidingsniveau en gebrek aan ambities. Daarnaast zijn gezondheidsproblemen veel genoemd als reden waarom vrouwen niet aan de arbeidsmarkt deel kunnen nemen. Reden om in de tweede ronde te vragen: Moeten wij deze vrouwen met rust laten of moeten wij er iets aan doen en wat dan? In het algemeen is men van mening dat deze laatste groep vrouwen ook kan participeren en niet met rust gelaten dient te worden. Voorkomen moet worden dat zij in een isolement terecht komen en hun zelfvertrouwen en opgebouwde vaardigheden verliezen. Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen vrouwen met gezondheidsproblemen niet participeren.

Anderen vinden dat deze nadruk van professionals op beperkingen van/bij vrouwen de emancipatie in de weg staat. Ze pleiten voor een attitudeverandering bij de educatieve en bemiddelende instellingen, en zoeken de oorzaak meer aan de werkgeverskant. ‘Ook al zeggen veel dienstverleners “de talenten” als leidraad te nemen, al te vaak zijn het de beperkingen (of vermeende beperkingen) op het gebied van taal, vaardigheden, beroepskwalificatie en de lange weg naar economische zelfstandigheid, die er voornamelijk voor zorgen dat vrouwen in hun streven naar economische zelfstandigheid worden geremd. We pamperen en nemen de ambities van deze vrouwen onvoldoende serieus.’

5


In de tweede ronde vroegen we: Welke interventies zijn er denkbaar om de blik richting beperkingen om te buigen naar een blik richting mogelijkheden? En hoe kan de gemeente deze blikwisseling ondersteunen? Suggesties zijn dat werkgevers, dienstverleners en instellingen hun deuren 'op een kier' houden voor vrouwen door middel van begeleide proefperioden. Vrouwen krijgen daardoor de kans om hun talenten te laten zien, ze doen ervaring op en hun zelfvertrouwen kan groeien. Aan de gemeente wordt gevraagd om kritischer te kijken naar aanpak en resultaat van de ingehuurde integratiebureaus. Zijn ze wel voldoende gericht op de wensen en mogelijkheden van deze vrouwen? Daarnaast wordt van de gemeente gevraagd om zelf het goede voorbeeld te geven door open te staan voor proefperioden en het werken met mentoren, rolmodellen en ambassadeurs. Tenslotte kan de gemeente dit emancipatiewerk ondersteunen door het toepassen van regelgeving die de combinatie van arbeid en zorgtaken beter mogelijk maken.

Hoe zit het met discriminatie op de arbeidsmarkt? De vier meest genoemde vormen van discriminatie zijn: discriminatie gekoppeld aan leeftijd, economische status, nationaliteit en de hoofddoek. Interessant hier is dat panelleden seksediscriminatie niet hebben genoemd.

Omdat in de eerste ronde panelleden telkens weer aangaven dat ‘niet alle vrouwen kansen hebben op de arbeidsmarkt’, vroegen wij in de tweede ronde: Wat kunnen wij doen voor vrouwen voor wie economische onafhankelijkheid een ‘lange weg’ is? Wat is een zinvolle oplossing en/of een zinvolle lange weg? Het antwoord daarop is dat de weg op zichzelf zinvol moet zijn. Het moet dus een weg zijn die behalve op maatschappelijk nuttig bezig zijn ook gericht is op persoonlijke ontwikkeling en perspectief op een beter bestaan. Dat betekent volgens de panelleden: ondersteuning bij het maken van keuzes, bewustwording van wat je in en uitsluit en waar je nu staat en later wilt komen te staan; continuïteit: voorkomen moet worden dat vrouwen steeds opnieuw moeten beginnen of hetzelfde cursusaanbod krijgen; aanbieden van trainingen gericht op empowerment.

Mensen voor wie economische zelfstandigheid moeilijk haalbaar is, worden verwezen naar vrijwilligerswerk en maatschappelijke participatie. Wat is er mogelijk op het gebied van maatschappelijke participatie of vrijwilligerswerk? Om welk soort vrijwilligerswerk gaat het dan? De reacties wijzen in de richting van een verdere professionalisering van het vrijwilligerswerk door vrijwilligerswerk tegen het licht van betaald werk te houden. Zijn er heldere afspraken gemaakt, met een uitgesproken wens voor een te ontwikkelen professionele houding? Is de visie/missie van de organisatie helder gecommuniceerd en de rol die eventueel de desbetreffende vrouw hierin kan spelen?

6


Samenvatting Terwijl panelleden het belang van arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid onderschrijven, stellen zij ook vast dat dit voor veel van de vrouwen waarmee zij in hun werk te maken hebben een lange weg is. De gemeente Rotterdam kiest in dit verband voor een tweesporenbeleid: toegankelijk maken van instellingen en vergroten van de competenties van deze vrouwen. In de professionele praktijk ligt de nadruk op het laatste. Dat blijkt ook uit de antwoorden op onze vragen. Het risico daarvan is, zo merken de critici op, dat ondanks de retoriek van ‘talentontwikkeling’ de nadruk te veel ligt op de beperkingen van deze vrouwen en te weinig op hun ambities en behoeften aan ‘economische zelfstandigheid’. Met andere woorden: het onderscheid tussen de beleidscategorieën ‘vrouwen die willen en kunnen werken’ en ‘vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’ belemmert de ontwikkelingskansen en -tempo van de laatste groep vrouwen. Daar komt bij dat er voor deze vrouwen nog veel deuren gesloten zijn op de arbeidsmarkt.

Het panel is unaniem van mening dat de gemeente het goede voorbeeld zou moeten geven door (meer) mogelijkheden voor begeleide proefperioden en leerwerkstages te creëren. De deur moet op een kier. Daarnaast blijven goede regelingen en voorzieningen voor de combinatie van arbeid en zorg een aandachtspunt. Een ingewikkeld punt is hoe de inrichting van maatschappelijke participatie en vrijwilligerswerk vorm moet krijgen om een zinvolle niet economische weg in te slaan. Men ziet wel hoe dat zou moeten, maar vreest dat ook op dit vlak de praktijk weerbarstig is.

2.1.2. Inburgering als opstap naar economische zelfstandigheid Er is de laatste jaren veel geïnvesteerd in inburgering en taalonderwijs volgens de afspraken die het rijk met de gemeente Rotterdam heeft gemaakt. Met een inkoopbedrag van € 33 miljoen wilde men in de periode 2007-2009 7.300 deelnemers in educatietrajecten laten 6

7

starten . Bovendien wordt in het Rotterdamse Emancipatiebeleid een extra inzet geleverd door jaarlijks 500 moeilijk bereikbare vrouwen toe te leiden naar taal- en participatietrajecten en 100 laaggeletterde vrouwen naar taaltrajecten te leiden. Biedt het inburgeringsaanbod vrouwen voldoende ontplooiingskansen? Zo nee, wat mist u in dit aanbod? De panelleden waren opvallend negatief over zowel de inhoud als het systeem van de inburgering. De belangrijkste kritiekpunten zijn: onvoldoende taallessen om de taal te leren; het ontbreken van lesstof die de praktische en institutionele zelfredzaamheid vergroten; matige kwaliteit, het ontbreekt aan structuur en sturing en is ook te vrijblijvend; te weinig maatwerk en aandacht voor eerder verworven competenties (EVC’s). het imago is te negatief;

6

Brief aan de commissie MVP Gemeente Rotterdam d.d. 11 februari 2008

7

‘V/M Vooruit’: Uitvoeringsprogramma Emancipatie en Sociale Mobiliteit 2006-2010 p. 15-19

7


het inburgeringsaanbod is te bureaucratisch, onoverzichtelijk en er zijn geen mogelijkheden om deelname eraan tijdelijk stop te zetten; de focus ligt op het inburgeringsexamen, daarna valt het voor de laagopgeleide vrouwen veelal stil; te veel drempels, te weinig gericht op het werkelijk ontwikkelen van perspectief, resultaat en doorstroming. Veel panelleden pleiten voor het op veel grotere schaal opzetten van leerwerkstages en duale trajecten: combinatie van taalcursussen met opleidingen en/of met werk.

Welke extra schakels zijn er nodig tussen inburgering, het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt? In het algemeen wordt aanbevolen om het binnen de huidige keten goed te organiseren en dus geen extra schakels te creëren. Gepleit wordt voor extra mogelijkheden voor vrouwen die sneller kunnen: door hen meer sturing te bieden, leerafspraken te implementeren, begeleiding bij de toeleiding naar de arbeidsmarkt, afspraken te verzilveren, vanaf de eerste dag stages of werkplekken realiseren, en de beschikbaarheid van coaching en goede docenten enz. Daarnaast ligt de voorkeur voor het aanvullen van de keten met leerwerkstages en duale trajecten. Enkelen pleiten voor schakelcursussen op een hoger taalniveau, om na het halen van het inburgeringsexamen de overstap naar (hoger) beroepsonderwijs mogelijk te maken.

Na de forse kritiek op de organisatie en inhoud van het inburgeringsbeleid, spitsten wij in de tweede ronde de vraag toe op de rol van de gemeente: Wat moet de gemeente doen om aan de roep om leerwerkstages en duale trajecten gericht op opleiding en werk op grote schaal te voldoen? Hoe moet dat gerealiseerd worden? Er wordt aan de gemeente gevraagd zelf het goede voorbeeld te geven. Dus om zelf op grote schaal stageplaatsen aan inburgeraars aan te bieden. Daarnaast zou de gemeente op basis van een grondige evaluatie van inhoud, aanpak en resultaten van bestaande duale trajecten meer inzicht moeten krijgen in effectieve methodieken. Die inzichten zouden vertaald moeten worden naar een programma van eisen bij een volgende aanbestedingsronde. Verder adviseren panelleden: ‘Zorg dat mensen een vak echt beheersen door vaardigheden aan taal te koppelen’.

Vanuit het ideaal van de combinatie van arbeid en zorg vroegen wij: Komen vrouwen niet te snel terecht in een traject gericht op opvoeding, terwijl zij misschien ook richting werk of vervolgopleiding geleid zouden kunnen worden? Het advies is om het onderscheid tussen deze twee trajecten op te heffen en zowel het onderwerp ‘opvoeden in Nederland’ als ‘toeleiding tot opleiding en arbeid’ standaardonderwerp voor alle inburgeraars, vrouwen en 8

mannen, te maken.

8

Een vergelijkbaar advies werd onlangs aan de landelijke overheid gedaan door E-quality, het landelijke

expertisecentrum voor gender en etniciteit, naar aanleiding van de landelijke evaluatie van het inburgeringsbeleid.

8


Samenvatting Volgens de panelleden is de bijdrage van het inburgeringsaanbod aan emancipatie in de zin van economische zelfstandigheid in de praktijk kleiner dan mogelijk is (en dan in het gemeentelijk emancipatie- en inburgeringsbeleid beoogd wordt). Oorzaak is een algehele matige kwaliteit van het cursusaanbod, het ontbreken van voldoende aanbod aan (effectieve) duale trajecten gericht op opleiding en werk en het ontbreken van vervolgaanbod na het halen van het inburgeringsdiploma.

Geadviseerd wordt om het onderscheid tussen het opvoedingstraject en het arbeidsintegratietraject op te heffen en alle inburgeraars op beide terreinen te informeren en te coachen. Om de arbeidstoeleiding te versterken kan de gemeente zelf het goede voorbeeld geven door op grote schaal stageplaatsen te creëren en dat van gesubsidieerde instellingen te eisen. Daarnaast zou de gemeente onder andere vanuit emancipatieoogpunt kritisch naar inhoud en organisatie van het bestaande inburgeringsaanbod moeten kijken; ook om te weten welke extra kwaliteitseisen in een volgende aanbestedingsronde moeten worden gesteld.

2.1.3. Het hardnekkige probleem van de combinatie van arbeid en zorg In eerdere landelijke en plaatselijke emancipatienota’s was altijd veel aandacht voor de taakverdeling thuis en voor voorzieningen en maatregelen die de combinatie van arbeid en zorg beter mogelijk maken, zoals betaalbare, beschikbare en kwalitatief goede kinderopvang, 9

uitbreiding van het ouderschapsverlof en de wet aanpassing arbeidsduur. Het expertteam was benieuwd naar de waargenomen effecten: Hebben de genomen maatregelen alle belemmeringen voor de combinatie arbeid en zorg weggenomen? In het algemeen is de ervaring dat de belemmeringen om arbeid en zorg te combineren via de maatregelen onvoldoende weggewerkt zijn. Dat wordt geweten aan de kosten van professionele kinderopvang voor laag betaalde en alleenstaande vrouwen, niet meewerkende werkgevers, het niet aansluiten van schooltijden/vakanties met werkuren en gebrek aan opvang van zieke kinderen.

Geconstateerd wordt dat ‘vooral vrouwen met een goede positie gebruik maken van de kinderopvang’. De vraag is of dat selectieve gebruik van de kinderopvang en de ongelijke arbeidsparticipatie van vrouwen alleen een aanbodprobleem is. Daarom vroegen we: Zit het combinatie-probleem alleen in het aanbod of ook in de vraag: zit het moederschapsideaal de arbeidsparticipatie van vrouwen in de weg? De reacties op deze vraag lopen uiteen. Sommigen zeggen: niet het ouderwetse moederschapsideaal zit in de weg, wel ideeën over een goede zorg voor de kinderen. Het is echt een kwaliteitskwestie: als er goede en prettige kinderopvang is, hoeven vrouwen zich niet schuldig te voelen. Verder ligt het aan de kosten van de kinderopvang, niet meewerkende werkgevers en werkgevers die de 9

Zie Werkt Verlof ?(2004) SCP voor een goed overzicht van allerlei regelingen en het gebruik ervan.

9


meerwaarde van vrouwen niet inzien. Daarnaast kan het moderne moederschapsideaal wel voor extra stress zorgen. Opgemerkt wordt dat moeders steeds meer verantwoordelijkheden krijgen en de maatschappij veel van vrouwen vraagt. Zou een soortgelijk beroep op mannen niet op zijn plaats zijn? Andere professionals vinden dat de lage arbeidsparticipatie en kleine baantjes van vrouwen in Nederland ook een mentaliteitskwestie van vrouwen is, omdat in Nederland de arbeidsparticipatie ook laag is onder vrouwen zonder kinderen of met volwassen kinderen: ‘Vrouwen gaan ervan uit dat er iemand is die voor hen zorgt, een man of de staat’. Vrouwen gaan bijna automatisch minder uren werken na de komst van kinderen. Het wordt vreemd gevonden dat alleenstaande moeders fulltime werken. ‘Onderschat de druk vanuit de omgeving niet.’

In de tweede ronde hebben wij vaderschap en het vergroten van hun zorgtaken onder de aandacht gebracht: Uit allerlei onderzoek blijkt dat mannen het moeilijk vinden om gebruik te maken van verlofregelingen of het recht op deeltijdwerk. Zou het vaderschapsideaal ook in de weg kunnen zitten? Hoe kan een nieuw vaderschapsideaal gestimuleerd worden dat niet alleen gaat over kostwinnen, economische zorg, maar ook over praktische zorg? Panelleden vinden dat het vaderschapsideaal aan uitbreiding toe is. Mannen moeten zich ervan bewust worden dat er andere manieren zijn om een man/echtgenoot/vader te zijn; dit kan via rolmodellen die andere invullingen laten zien. Dat gaat volgens de panelleden verder dan een paar uurtjes per week meer zorgen. Mannen (en vrouwen) moeten zich ook bevrijden van het harnas van de consumptiemaatschappij waarin mannen het financiële vermogen van de familie elke keer behoren te verruimen. Mannen kunnen er ook voor kiezen minder te gaan werken en de last voor het financieel onderhoud van hun gezin met hun partner te delen; en het gezin kan de financiële last verkleinen door consuminderen.

Samenvatting Wat de panelleden over de ingewikkelde combinatie van arbeid en zorg te melden hebben, is niet nieuw. Het is ook niet zo dat de voorgestelde maatregelen ontbreken in de landelijke en plaatselijke emancipatienota’s. Integendeel. Daarom kan de conclusie alleen maar zijn dat het beleid moet doorzetten zowel op de materiële randvoorwaarden als op het doorbreken van belemmerende moeder- en vaderschapsidealen. Zaak is wel uit te vinden hoe dat laatste te bereiken is. Er wordt in Rotterdam al gewerkt met mannelijke rolmodellen, maar blijkbaar hebben die te weinig bereik.

10


2.2 Gezinnen Het gezin bestaat niet meer. Gezinnen verschillen in samenstelling, culturele-etnische achtergrond en interne taakverdeling; en die diversiteit zal alleen maar toenemen. De koppeling van gezin en emancipatie is in Nederland niet vanzelfsprekend. In Nederland heeft het traditionele rolpatroon, waarbij de vrouw voor de kinderen en de man voor het inkomen zorgt, heel lang bestaan. En nog steeds vinden veel mensen dat een vrouw het beste voor de kinderen kan zorgen en dat een voltijdbaan van vrouwen nadelig voor het gezin is. Daarnaast maakten fiscale maatregelen het lang mogelijk dat gezinnen rond konden komen van één inkomen.

Vanuit het perspectief van het combineren van arbeid en zorg is de rol die gezinnen in het emancipatieproces (kunnen) spelen groot. Vandaar dat wij professionals op het gebied van opvoedingsondersteuning, welzijnsorganisaties, geestelijke gezondheid en vrouwenorganisaties hebben gevraagd om hun opvattingen en ervaringen op het gebied van gezinnen door de bril van emancipatievraagstukken te bekijken. De vragen die we stelden, bevinden zich op het raakvlak van emancipatie en gezinnen, en op het grensvlak van waar een overheid zich mee bezig moet, kan of wil houden.

Aan de orde komen de volgende subthema’s; Emancipatie achter de voordeur. De overheid als bevestiger of doorbreker van rollenpatronen. Generatieverschillen: het nut en effectiviteit van roldoorbrekend opvoeden. Een kwestie van macht. Feminisering als probleem.

2.2.1. Emancipatie achter de voordeur Het emancipatiebeleid heeft jarenlang ingezet op een evenredige taakverdeling thuis: de man zou meer zorg en huishoudelijke taken moeten gaan verrichten, zodat vrouwen meer kunnen participeren op de arbeidsmarkt. Het publieke debat ging de laatste jaren echter steeds meer in de richting van prioriteit aan onderhandelen aan de keukentafel. De taakverdeling thuis is iets dat thuis/privé bepaald wordt, want het is grotendeels een eigen keuze en moet dat ook zijn. Om diezelfde reden zijn wellicht de streefpercentages op het terrein van de taakverdeling thuis uit de emancipatienota’s verdwenen zijn. ‘Eigen keuze’ lijkt het post-millennium emancipatiemotto te zijn geworden. Vandaar deze eerste vraag in de eerste ronde:

De seksestereotype taakverdeling thuis: is het allemaal eigen keuze, zit het in de genen of moet de overheid zich hiermee bemoeien? Op een uitzondering na is iedereen van mening dat de overheid zich nog steeds moet bemoeien met de taak/rolverdeling thuis, omdat die nog altijd niet evenwichtig is en te ‘vanzelfsprekend’ tot stand komt. Er is wel een aantal mitsen genoemd:

11


mits het geen dogmatische en/of dwingende aanpak is; mits de overheid in de voorwaardenscheppende sfeer blijft; mits het emancipatiebeleid gericht is op bewustwording (er zijn andere keuzes mogelijk); het een automatisme doorbreekt of vrouwen uit hun keurslijf haalt en sterker maakt om, als zij dat willen, de thuissituatie te veranderen.

In de reacties van de professionals zit een tegenstrijdigheid: aan de ene kant wil men een beleidskader, aan de andere kant is er angst voor overheidsbemoeienis. Onduidelijk is hoe sturend de overheid mag zijn. Reden om in de tweede ronde door te vragen over de noodzaak van een visie op emancipatie en de taakverdeling thuis. Kan een emancipatiebeleid zonder visie over de richting waarin de taak/rolverdeling zou moeten veranderen? Beleid zonder visie kan niet is de algemene reactie. Een respondent merkt op, ‘Vaak zie ik veel te weinig visie, te weinig hart voor de zaak’. Met welke kwesties binnenshuis en met welke specifieke groepen zou het emancipatiebeleid zich volgens u moeten bemoeien en hoe? Volgens de respondenten zou de overheid zich met name moeten gaan richten op de ongelijke taakverdeling en de rol van mannen en/of vaders. In het verlengde daarvan zou de overheid de ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid en de ongelijkwaardigheid van mannelijke en vrouwelijke taken ter discussie moeten stellen.

De professionals hebben dus wel opvattingen over de richting waarin de taak/status/machtsverdeling binnen gezinnen zouden moeten veranderen. Tegelijkertijd hebben velen er moeite mee om dat te vertalen naar beleidsmatige bemoeienissen met het gezin.

In de eerste ronde is door een aantal respondenten gesuggereerd dat emanciperend gezinsbeleid zich vooral op ‘allochtone gezinnen’ zou moeten richten, omdat de sekseverhouding in die gezinnen traditioneler zouden zijn. In de tweede ronde bleek dat de meningen hierover zeer verschillen. Volgens de minderheid van tegenstanders van een dergelijk doelgroepenbeleid gaat zo’n beleid er ten onrechte van uit dat in autochtone gezinnen de emancipatie wel geregeld is en de ongelijke taak- en machtsverdeling tussen de seksen alleen nog een allochtone kwestie is.

Hoe kunnen wij vrouwen uit hun keurslijf halen? (Wie moet dat doen en in welke setting?). Gezien de schroom om zich met de taakverdeling thuis te bemoeien, is het niet verwonderlijk dat de antwoorden op de hoe-vragen bij de meeste panelleden vrij algemeen bleven. Zoals: voorbeelden laten zien van hoe het anders kan; sluit aan bij de behoeften van vrouwen; neem een jaar of twee de tijd om een zorgvuldig proces op gang te zetten. Op de vraag wie en waar kwamen weinig reacties. Een paar respondenten noemden concrete voorzieningen zoals vrouwenstudio’s en vrouwenhuizen.

12


Hetzelfde geldt voor de hoe-vraag met betrekking tot mannen. Hoe en waar kan de gemeente zich op mannen/vaders richten? Er werd één concrete suggestie aangedragen: “Spreek mannen aan op de gelijke taakverdeling en hoe je dat beter kunt regelen als man.” Wel werden een aantal ‘vindplaatsen’ van mannen genoemd: werkplekken; in de buurt door middel van vader-kind activiteiten; in moskeeën en theehuizen.

Het expertteam vroeg zich af of de huidige nadruk op het belang van de vaderrol gevolgen heeft voor de reputatie van alleenstaande moeders, maar geen van de respondenten zag daar een probleem in. Ook alleenstaande moeders kunnen er volgens hen van profiteren als mannen op hun vaderrol worden aangesproken.

Samenvatting: Terwijl er in Nederland landelijk en lokaal niet voor gekozen is emancipatiebeleid en gezinsbeleid samen te voegen, staat onder deze Rotterdamse professionals de combinatie van emancipatie en gezin niet ter discussie. De panelleden ondersteunen het meenemen van emancipatiedoelen in het gezinsbeleid en zijn voorstanders van een beleid met een expliciete visie op de gewenste verdeling van arbeid en zorg. Dus een beleid dat staat voor vergroting van de rol van mannen in het gezinsleven. Tegelijkertijd bestaat er schroom om deze opvatting aan gezinnen ‘op te dringen’. Over de vraag op wie het beleid zich zou moeten richten, zijn de meningen verdeeld. De meerderheid gaat ervan uit dat een ongelijke taak- en machtsverdeling in het gezin vooral een ‘allochtone’ kwestie is. In autochtone gezinnen zou de taakverdeling het resultaat van onderhandelingen en vrije keuze zijn. Een minderheid is het daar pertinent mee oneens. Het blijft vooralsnog onduidelijk hoe het emanciperende gezinsbeleid het beste vorm kan krijgen.

2.2.2. De overheid als: bevestiger of doorbreker van rollenpatronen Al een paar eeuwen lang bemoeien tal van professionals zich gevraagd en ongevraagd met het gezinsleven. Momenteel wordt veel gesproken over actieve bemoeizorg met wat zich ‘achter de voordeur’ afspeelt. Vanuit het emancipatiebeleid is altijd ingezet op de ongelijke taakverdeling en zeggenschap thuis: mannen zouden meer zorgtaken op zich moeten nemen en vrouwen zouden meer zeggenschap over de grote financiële beslissingen moeten krijgen. De vraag is of dat emancipatiebeleid ondersteund wordt door ander gemeentelijk beleid waar vrouwen veel mee te maken hebben. Volgens het expertteam zijn er twee basisvoorzieningen die een belangrijke rol kunnen spelen in de totstandkoming van emancipatie achter de voordeur: de inburgering en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). In beide voorzieningen kan de gemeente de inhoud sterk beïnvloeden.

a. Inburgering: bevestiging of doorbreking van traditionele rollenpatronen? Het expertteam heeft Inburgering ook aan de orde gesteld vanwege de seksespecifieke effecten van de koppeling tussen inburgering en opvoedingsvoorlichting dan wel

13


arbeidstoeleiding. De meeste professionals van dit panel zijn niet tegen opvoedingsvoorlichting als onderdeel van inburgeringcursussen voor vrouwen (‘het is altijd nuttig mits kwaliteit verzekerd is.’), maar wel tegen het feit dat opvoedingsvoorlichting niet in het arbeidstoeleidingstraject zit en daardoor in de praktijk wel aan vrouwen en niet aan mannen gegeven wordt. Daarvoor werden drie argumenten aangedragen: mannen zijn ook opvoeders of zouden dat als vader zijnde moeten zijn; er is onder mannen behoefte aan opvoedingsvoorlichting, want zij voelen zich vaak machteloos ten aanzien van opvoeding; ook inburgerende mannen zouden de Nederlandse opvoedingscodes moeten weten.

Volgens de panelleden zou het in de inburgering bij mannen meer over opvoeding moeten gaan en bij vrouwen meer over werk. Dat komt dicht bij de suggestie van het arbeidsparticipatiepanel om de gescheiden inburgeringstrajecten op te heffen.

Omdat een aantal respondenten aangaven dat de aanpak van opvoedingsvoorlichting met mannen anders moet worden aangepakt dan bij vrouwen, stelden we in de tweede ronde de vraag: Geef suggesties voor een ‘mannelijke’ aanpak? Aanbevelingen zijn: video’s en films laten zien waarin een man de opvoedings- en zorgtaken doet en daarover diverse meningen laten horen. Laat mannen zelf aan voorlichting doen: interview bijvoorbeeld interessante mannen van niet-Nederlandse komaf die andere, niet traditionele keuzes hebben gemaakt en gebruik de interviews voor inburgeraars. Besteed aandacht aan de man-rol in de opvoeding.

b. De emancipatierol van het Centrum voor Jeugd en Gezin. De Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) in Rotterdam zijn een uitvloeisel van het landelijke gezinsbeleid van minister Rouvoet in het kabinet Balkenende IV.

10

De regie voor de CJG’s ligt

bij de lokale gemeenten, want zij worden geacht de behoeften van ouders en jeugdigen in hun gebied het beste te overzien en meer samenhang te kunnen brengen tussen organisaties en instellingen. Het CJG moet het centrale punt worden voor alle opvoedingsvragen voor ouders/verzorgers, voor jongeren en voor professionals in Rotterdam. De CJG's hebben geen officiële taakstelling gekregen op emancipatiegebied. Het expertteam vroeg zich af of professionals in Rotterdam zo’n aanvulling wenselijk achten. Zou het Centrum voor Jeugd en Gezin aandacht moeten besteden aan emancipatie? (bij mannen en vrouwen, jongens en meisjes) De panelleden hebben hierover geen mening, omdat ze nauwelijks een beeld hebben van (de taken van) deze nieuwe voorziening. Opmerkingen variëren van: ‘Het is bij mij niet bekend; als het maar kwaliteit heeft’; ‘Oppervlakkige aandacht is wel goed, misschien taak voor pedagoog’, tot ‘Het CJG kan laten zien dat ze dit onderwerp serieus neemt door ’s avonds spreekuur te houden.’ 10

Tweede Kamer (2006) brief van de Staatssecretaris van VWS over de Centra voor Jeugd en Gezin vergaderjaar

2006-2007, 29815 nr.91.

14


Om te vernemen welke pedagogische instelling volgens de panelleden dan wel een emancipatierol zou kunnen spelen, vroegen wij: Welke andere instanties zouden de aandacht voor emancipatie binnen het gezin als taak op zich kunnen nemen? (om bijvoorbeeld het onderwerp seksestereotype opvoeding te bespreken). Genoemd werden: huisarts, scholen/leerkrachten, politie, buurtwerker, kinderopvanginstellingen en sportleraren.

2.2.3. Generatieverschillen: nut en effectiviteit van roldoorbrekend opvoeden Opvattingen over emancipatie worden steeds moderner en vaak wordt gedacht dat de jonge generaties er steeds geëmancipeerdere meningen en praktijken op na (zullen) houden. Klopt dat? En zo ja/nee, wat betekent dat voor het te voeren beleid? We vroegen eerst: Veranderen sekserollen vanzelf? De meningen van de panelleden zijn daarover verdeeld. Sommigen denken dat sekserollen vanzelf veranderen, maar vinden desondanks beleid op dit gebied nodig. Anderen schrijven dat ‘de nieuwe generatie niet per definitie moderner qua opvattingen is geworden.’ De overheid hoeft niet alles te doen, vindt het panel, ‘en paternalisme is zelden goed’, maar het kan geen kwaad, en het is in sommige gevallen heel erg nuttig, als de overheid (bv via het onderwijs) prikkelt, stimuleert, andere voorbeelden laat zien, zodat de volgende generatie op andere ideeën komt. Dat kan opgevat worden als steun voor het bestaande beleid en de vele (plaatselijk en landelijk geproduceerde) onderwijsprojecten die voor scholen beschikbaar zijn.

2.2.4. Een kwestie van macht Wie heeft de macht achter de voordeur en doet macht er nog steeds toe? Hoe verhoudt ‘keuzevrijheid’ als gedachtegoed zich tot de traditionele feministische focus op macht? Wat zijn de meningen van Rotterdamse gezinsprofessionals hierover? Beginnend met: Wie is de baas in huis? En waarover? Het echte probleem is dat vrouwen hun macht thuis niet willen delen. Het panel is hierover verdeeld. De helft vindt dat vrouwen de baas in huis zijn. Dat vloeit volgens hen voort uit het feit dat vrouwen in de praktijk hoofdverantwoordelijk zijn voor opvoeding en huishouden. Afstaan van deze macht achter de voordeur kan moeilijk zijn. ‘De macht/zorg/opvoedingsband binnen het gezin afstaan betekent ook: toelaten dat het op een ander manier gaat…en dat is heel moeilijk.’ Professionals noemen ook de voordelen van het afstaan van een stukje van hun macht: meer rust en ontspanning en toenemende ontwikkelingskansen voor de vrouw/moeder, en een extra opvoeder, een vader voor de kinderen.

De andere helft van het panel wil graag buiten machtskaders denken, ze vinden dat vrouwen en mannen zaken samen moeten bespreken. Ze willen niet in termen van macht spreken, maar het over ontwikkelingen hebben. De meeste panelleden hebben moeite om machtsongelijkheid in huis als algemeen verschijnsel of probleem te benoemen, omdat elk gezin anders is. Ook over de vraag of machtsongelijkheid in het gezin een probleem is, bestaan verschillende meningen.

15


De een vindt: ieder beslist op het terrein waar hij/zij het meest van weet en interesse voor heeft. De ander: het voordeel van een evenwichtigere machtsverdeling is dat beslissingen dan beter passen bij iedereen.

Het expertteam liet het daar niet bij en vroeg: mannen kunnen vrouwen tegenhouden in hun ontwikkeling. Kent u dat probleem? De panelleden denken daarbij aan vrouwen die van hun man niet buitenshuis mogen werken of een opleiding volgen. In meerderheid wordt dit probleem aan ‘cultuur’ en daarmee aan ‘allochtone’ gezinnen gekoppeld. De oplossing wordt vooral gezien in het mondiger en assertiever maken van vrouwen. Een aantal merkt op dat de professionals ook paraat moeten zijn als dat vervolgens problemen geeft thuis. Om zowel de vrouwen te ondersteunen als mannen, bijvoorbeeld door hun te laten zien wat de winst voor henzelf is. In de tweede ronde vroegen we naar een mogelijke rol voor de gemeente: Hoe kan de gemeente vrouwen ondersteunen als zij tegen hun man in gaan door het volgen van een opleiding? Het panel ziet voor de gemeente twee rollen. De gemeente kan druk uitoefenen door vrouwen te verplichten om een opleiding te volgen of werk te vinden. Opgemerkt wordt dat veel vrouwen het prettig vinden dat ze verplicht zijn om een inburgeringscursus te volgen, onder andere omdat dat hen helpt in de discussie thuis. De gemeente kan deze vrouwen ook helpen door mannen voorlichtingen aan te bieden, waarin gewezen wordt op de voordelen van een buitenshuis actieve vrouwe, zoals meer inkomen en meer ontplooiingsmogelijkheden voor beide partners.

Samenvatting Professionals zien een concrete rol voor emancipatiebeleid in de inburgering en in het werkterrein van diverse professionals in zorg en welzijn. Kritisch geformuleerd:op dat terrein zijn zaken voor verbetering vatbaar, zoals de gescheiden opvoedings- en arbeidstoeleidingstrajecten in de inburgering. Ook het onderwijs moet haar rol in het doorbreken van traditionele sekserolopvattingen houden, want niet alle respondenten vinden dat jongeren er moderne opvattingen op na houden. Macht in het gezin is een issue waar men het in dit postfeministische tijdperk liever niet over heeft. Men denkt meer in keuzes en keuzevrijheid, tenzij het over ‘allochtone’ vrouwen gaat, die wel onder de plak van hun man zouden zitten. Opmerkelijk is dat de verantwoordelijkheid voor het veranderen van de machtsongelijkheid grotendeels bij vrouwen wordt gelegd. Als vrouwen de macht thuis hebben, is het zaak om hen te leren hun macht thuis af te staan. Als de man de baas is, is het de verantwoordelijkheid van vrouwen om meer onderhandelingsvaardigheden te leren, om mondiger en assertiever te worden.

16


2.2.5. Feminisering van kinderopvang en (basis)onderwijs als probleem. In de kinderopvang bestaat het personeel voor 99 procent uit vrouwen. In de Buitenschoolse Opvang (BSO, voor 4-12 jarigen) is ruim 90 procent vrouw en in het basisonderwijs schommelt het aandeel vrouwelijke leerkrachten de laatste jaren rond 85 procent. Leerkracht basisonderwijs is in Nederland op één na het meest voorkomende beroep onder vrouwen. Op nummer 1 staat ‘winkelbediende’, nummer 3 is ‘huishoudelijk medewerker’.

11

De laatste jaren groeit steun voor de opvatting dat het niet goed is voor de ontwikkeling van jongens dat er uitsluitend/voornamelijk vrouwelijk personeel in de kinderopvang en het basisonderwijs werkzaam is. Jongens missen hierdoor mannelijke rolmodellen en een ‘mannelijke’ aanpak en dat heeft negatieve gevolgen voor hun leerprestaties, houding en gedrag. Het expertteam twijfelde of feminisering van het onderwijs en kinderopvang een probleem is voor jongens. Harde gegevens, bijvoorbeeld over de schoolprestaties, zijn er niet.

We legden de vraag aan de gezinsprofessionals voor. Is de feminisering van kinderopvang en onderwijs schadelijk voor de ontwikkeling van jongens? Een kleine meerderheid is gevoelig voor ‘het probleem van de feminisering’ in de werksectoren die met kinderen te maken hebben. Of dat nou echt ‘wetenschappelijk’ bewezen is, wordt betwijfeld, maar men wil niet bij voorbaat uitsluiten dat jongens iets te kort komen in een opvoedingsomgeving met alleen vrouwen. Want ‘jongens zijn nu eenmaal geen meisjes.’ Bovendien zijn er nog andere argumenten om te streven naar meer mannen in die beroepen. Zoals: het is goed dat kinderen (jongens én meisjes) meer voorbeelden hebben; interesse van mannen voor dit werk gaan vergroot de status van deze beroepen meer mannen die met jonge kinderen werken doorbreekt het standaard rollenpatroon.

Hoe zou het emancipatiebeleid zich hiermee bezig moeten houden? Los van het standpunt over de effecten op de ontwikkeling van de kinderen is iedereen van mening dat pogingen ondernomen moeten worden om mannen te interesseren voor een loopbaan in de kinderopvang en het basisonderwijs. Goede beroepsvoorlichting en een stimuleringsbeleid worden aanbevolen. In de tweede ronde wilde het expertteam meer ideeën opdoen over: Hoe kan de lokale overheid mannen/jongens stimuleren om in de zorg of in het onderwijs te gaan werken? Daarop kwamen suggesties voor het geven van voorlichting op een manier die mannen aanspreekt, zoals de sterreclame van de landmacht. Andere suggesties zijn: het geven van voorlichting door onderwijzers en mannelijk kinderopvangpersoneel en jongens door middel van stages met deze sectoren kennis laten maken. Daarnaast stelde iemand voor om jongens een extra fiscale stimulans te geven om voor deze werksector te kiezen.

11

CBS Webmagazine 24-11-’10. Top 3 van mannenberoepen: 1. vrachtwagenchauffer, 2. IT-er, 3. lader/losser.

17


2.3. Jongeren De aandacht in het lokale emancipatiebeleid voor jongeren heeft diverse doelen. Ten eerste wil men iets doen aan de traditionele opvattingen onder jongeren over de verdeling van arbeid en zorg.

12

Daarmee wil men gelijk een slag slaan met mannenemancipatie; dat is punt

twee. Ten derde wil men genderbewust opvoeden stimuleren. In het landelijk beleid staat seksuele en relationele vorming van jongens en meisjes voorop, onder andere als gevolg van de discussie over de toenemende seksualisering van de maatschappij. Nieuw is het extra achterliggende doel van het vergroten van veiligheid. Seksuele en relationele vorming wordt ook gezien als instrument om jongeren weerbaarder te maken tegen seksueel geweld. Uit de Rotterdamse Jeugdmonitor blijkt dat jongeren niet altijd over de juiste vaardigheden beschikken om op een verantwoorde manier met seksualiteit en relaties om te gaan. In Wensen en Grenzen: Rotterdams actieprogramma Seksuele en relationele opvoeding jeugdigen 4-19 jaar

13

wordt ervan uitgegaan dat hoe beter jongeren ge誰nformeerd zijn, hoe

minder vaak ze dader of slachtoffer worden van grensoverschrijdend gedrag. Uit de Rotterdamse Jeugdmonitor blijkt verder dat meiden meer problemen internaliseren en jongens meer overlast veroorzaken. Jongens krijgen hierdoor meer aandacht. Omdat de problematiek bij meiden net iets anders ligt dan bij jongens is ervoor gekozen om ze bij de ondervraging van het panel inhoudelijk apart te behandelen. De volgende onderwerpen komen aan de orde: Bij meiden:

Bij jongens:

- bereik weerbaarheidstraining

- effect negatieve beeldvorming

- seksestereotype beroepskeuze

- jongens als achterblijvers

- beperkte bewegingsvrijheid

- jongens als overlastfactor

Meiden Met meiden gaat het op het gebied van onderwijs steeds beter: ze krijgen vaker een hoger schooltype-advies, ze vallen minder uit en ze blijven minder vaak zitten dan jongens. Meisjes maken momenteel 51% van het totaal aantal studenten in het hoger onderwijs uit en maken ook daar gemiddeld genomen hun opleiding vaker en sneller af. Ook het opleidingsniveau van allochtone meiden neemt toe. In het Hoger Onderwijs is het studierendement van allochtone meiden gelijk aan dat van autochtone jongens. Bovenaan staan de autochtone meiden, onderaan de allochtone jongens.

Op een aantal gebieden ondervinden meiden echter nog steeds belemmeringen: door seksesegregatie in beroepskeuzes, seksuele kwetsbaarheid, de druk van schoonheidsidealen en een gebrek aan veilige en aantrekkelijke buitenplekken voor meiden. 12 13

Zoals vastgesteld in de landelijke Emancipatiemonitor van 2006 GGD, JOS, Programmabureau Veilig, (2007)

18


2.3.1. Bereik weerbaarheidstrainingen Het belang om meiden te informeren, om ze te leren om ‘nee’ te durven zeggen en om ze te beschermen tegen seksueel misbruik is evident. Er zijn veel cursussen die meiden weerbaarder moeten maken tegen loverboys, de media, seksuele intimidatie en dwang, SOA en zwangerschap. Worden alle meiden door het huidige aanbod bereikt? Zo nee, waar ligt dit aan en hoe zou dit kunnen worden opgelost? Veel panelleden betwijfelen of de trainingen iedereen bereiken; mede doordat meiden blijven denken dat de informatie niet op hen van toepassing is. De aangedragen aanbevelingen om het bereik te vergroten zijn: zich meer gaan richten op volwassenen die met de meiden te maken hebben. Daarmee krijgt het aanbod meer continuïteit. Vooral toespitsen op bepaalde (moeilijk bereikbare maar wel extra kwetsbare) meiden. Methodische adviezen zijn: denk na over de impliciete aannames, normen en waarden in programma’s. Zorg dat ze aansluiten bij de verschillende groepen meiden. Professionals moeten ook over hun eigen vooronderstellingen en vooroordelen met meiden willen/kunnen praten. Aangezien omgang met seksualiteit erg beïnvloed wordt door de vriendengroep/peergroep zou de voorlichting/training op die groepen gericht moeten zijn.

In de tweede ronde vroegen wij meer informatie over een groepsaanpak: Wat zijn uw ideeën hierover, wie zou dit kunnen doen en welke rol speelt de gemeente hierin? Er zijn een aantal voorstellen gedaan. Vanuit de voorzieningenkant moeten er meer toegankelijke leuke en veilige plekken gecreëerd worden waar meiden en jongens – al of niet (soms) apart kunnen ’hangen’. Daar zijn ook begeleiders bij aanwezig die de sfeer bewaken en grensoverschrijdend gedrag ontmoedigen. Daarnaast zijn de ouders van de jongeren op de hoogte van de plek en hoe daar gewerkt wordt. Daarnaast biedt mentoring uitkomst voor meiden die niet met de groepsaanpak bereikt kunnen worden. Beroepskrachten die zich hiermee bezig kunnen houden, zijn leerkrachten, jongerenwerkers, maatschappelijke organisaties en goed getrainde vrijwilligers. Van de gemeente wordt gevraagd om zijn werkwijze aan te passen door eerst in te spelen op preventie en dan de projecttermijnen te verlengen van een naar minstens twee jaar. Door samenwerking kunnen de gemeente en het jongerenwerk, opbouwwerk en vrijwilligersorganisaties van elkaar leren. De gemeente zou meer tijd en geld in het jongerenwerk moeten steken, scholen moeten stimuleren om aan projecten met professionals mee te werken en trainingen aan moeten bieden aan professionals en vrijwilligers.

Samenvatting De noodzaak van het seksueel en relationeel weerbaar(der) maken van meiden in Rotterdam staat niet ter discussie. Wel wordt door het panel getwijfeld aan het bereik van het bestaande projectenaanbod. Als oplossing wordt aan de ene kant gedacht aan het creëren van veilige ‘eigen’ plekken waar ook groepsgerichte voorlichting kan plaatsvinden; en aan de andere kant aan het benaderen en verantwoordelijk maken van de volwassenen die regulier met jongeren

19


werken (waaronder leerkrachten) voor de uitvoering van de programma’s. In die voorlichting zouden volwassenen niet een zogenaamd neutrale doorgeefluik moeten zijn, maar ook de eigen waarden en normen en eventuele vooroordelen aan de orde moeten stellen. Die volwassenen hebben op dit terrein dus ook trainingen nodig. De gemeente moet faciliteren en zorgen voor kwaliteit: door ruimtes en geld beschikbaar te stellen en door trainingen aan te bieden aan professionals en vrijwilligers.

2.3.2. Seksestereotype beroepskeuzes Meiden hebben de laatste decennia een enorme onderwijsinhaalslag gemaakt. Volgens de landelijke cijfers is de achterstand met jongens ingelopen. Sterker nog: ze zijn hen voorbij gestreefd. Maar de beloningsachterstand op de arbeidsmarkt is er nog steeds. Een van de oorzaken is de opleidingsrichting van meiden. Ze kiezen grotendeels voor onderwijs, zorg en welzijn en niet de techniek. Dit wordt ook wel de glazen muur genoemd omdat het leidt tot seksesegregatie op de arbeidsmarkt. Hoe erg is zo’n glazen muur? Is het feit dat meiden grotendeels kiezen om in welzijn en zorg werkzaam te zijn in plaats van in de bouw of techniek een probleem? Er wordt wisselend gedacht over de ernst, de grootte en de oplosbaarheid van het probleem. Sommige panelleden zijn van mening dat ‘het nou eenmaal zo gaat of in elkaar zit’. Anderen zien het wel als een probleem ‘want meiden moeten de mogelijkheid hebben om evenveel te gaan verdienen…ik denk dat de mogelijkheden daartoe in de sector zorg en welzijn minder goed zijn’.

Een aantal voorstellen voor hoe de overheid hierin kan interveniëren: schuif voorbeeldfiguren naar voren en beïnvloed beeldvorming via mediacampagnes. Neem de huidige aanpak in het onderwijs onder de loep: welke rol speelt de vakdocent bij de keuzebegeleiding en beroepsvoorlichting? Bekijk de leerstijlen van meiden en jongens, want misschien liggen daar kansen om meiden met mannenberoepen in aanraking te laten komen. Tenslotte: spreek werkgevers hierop aan en maak ze alert op deze kwestie.

Samenvatting In het panel wordt verschillend gedacht over (het probleem van) seksespecifieke beroepskeuzes. De een vindt het een probleem, met name vanwege de ongelijke beloning van de zogenoemde vrouwen- en mannenberoepen. De ander ziet het als onvermijdelijk gevolg van 'natuurlijke verschillen'. Ideeën over interventiemogelijkheden van de gemeente gaan voornamelijk in de richting van beïnvloeding van de beroepskeuzes van meisjes.

2.3.3. Beperkte bewegingsvrijheid In vergelijking met jongens speelt het sociale leven van meiden zich in meerdere mate thuis af. Ze worden door hun ouders om veiligheidsredenen meer binnengehouden, en velen vinden zelf de buitenruimte ook niet zo geschikt en aantrekkelijk. Moet daar beleid op

20


gemaakt worden? Zo ja, hoe? Op één persoon na vindt het panel dat meiden meer naar buiten zouden moeten. Meiden moeten niet kort gehouden worden, maar juist weerbaar gemaakt worden. Het zou meiden helpen als aan ouders wordt uitgelegd dat een te beschermende opvoeding meiden juist kwetsbaar maakt in relatie tot mannen, en ze onnodig angst inboezemt voor de buitenwereld. Volgens enkelen moeten moeders erop worden aangesproken geen macho’s van hun zoons te maken.

De beleidsvoorstellen van het panel gaan deels over het ‘meidenvriendelijker’ inrichten van binnen- en buitenruimtes. ‘Meiden willen een veilige haven, op een plek die schattig en romantisch is’, ‘meer speeltoestellen’ en ‘meer beschutte plekken op een speeltuin’. Bovenstaande wensen vergen aanpassing van beleid, want het jongerenbeleid richt zich vooral op jongens. De gemeente wordt geadviseerd om meer dan tot nu toe de wensen van meiden ten aanzien van vrijetijdsruimtes en –voorzieningen te inventariseren.

In de tweede ronde vroegen wij om meer voorbeelden en ideeën over het concept meidenvriendelijkheid: Heeft u alternatieven of aanvullingen? Houdt meidenvriendelijk vooral zonder jongens in? Hoe zou de gemeente de inrichting van meidenvriendelijke plekken kunnen stimuleren? Meidenvriendelijk is ook genoeg licht en beveiliging om hulp te vinden, indien nodig in de buitenruimte. De een noemt de meidenvilla 'the Butterflyhouse' in Pendrecht een goed voorbeeld, maar een ander waarschuwt dat dit type initiatieven het probleem verplaatst. Aan de ene kant is men wel geneigd om aparte, beschutte plekken voor meiden te creëren, bijvoorbeeld een meidenhoek of meidenmiddagen in een jongerencentrum. Aan de andere kant zijn de meesten beducht voor een al te ver doorgevoerde seksescheiding. ‘Het moet niet zo zijn dat jongens en meisjes gescheiden van elkaar in de maatschappij opgroeien”. Wat men vooral wil is attitudeverandering, ofwel stimulering van een meidenvriendelijke werkwijze door professionals als jongerenwerkers en vrijwilligers die met jongeren werken. Die (semi-)professionals moeten niet alleen naar meiden kunnen luisteren, maar ook de dialoog tussen jongens en meiden kunnen begeleiden, zodat ze uiteindelijk allebei van de buitenruimte kunnen genieten.

De rol van de gemeente hierin is zowel het faciliteren van publieke voorzieningen als het opstellen van beleidsplannen en programma’s voor de specifieke positie en problematiek van meiden. Daarna vroeg wij naar de rol van de ouders hierin: Wat kan er richting de ouders gedaan worden om meiden meer ruimte te geven? Advies is om de ouders erbij te betrekken, ‘laat zien welke voorzieningen er zijn en welke maatregelen er voor hun dochters veiligheid zijn getroffen’, want panelleden denken dat ‘veel ouders een meidenplek het liefst zonder jongens zien’. Daarom moet er gewerkt worden aan bewustwording onder ouders over de leefwereld van jonge mensen en het belang van gelijke man-vrouwverhoudingen.

21


Samenvatting Het panel onderkent het probleem van de beperkte bewegingsvrijheid van meiden en de rol die de ouders daarin spelen. Ouders zouden zich meer bewust moeten zijn van de effecten van hun seksespecifieke beschermingsgedrag op de weerbaarheid en zelfstandigheid van hun dochters. Daarnaast kan de bewegingsvrijheid van meiden vergroot worden door hen buitenshuis veilige binnen- en buitenruimte te bieden. Over aparte voorzieningen voor meisjes en jongens wordt verschillend gedacht. Iedereen vindt het belangrijk dat (semi-) professionals die met jongeren werken in staat zijn om de dialoog over het gebruik van de ruimte tussen jongens en meiden te begeleiden. Daarnaast zal met ouders gesproken moeten worden over voorzieningen die voor, en liefst ook door meiden gecreĂŤerd worden.

Jongens Seksuele en relationele vorming als landelijk emancipatiespeerpunt is zowel gericht op meisjes als op jongens. De problematiek van jongens is dat ze vaak alleen maar onder de aandacht komen in het kader van een negatieve gebeurtenis. Positieve beelden van jongens komen zelden aan bod. In het Rotterdamse emancipatiebeleid 2006-2010 gaat de aandacht naar het doorbreken van traditionele rolverdelingen en genderbewuste opvoeding. Er wordt op dit gebied samengewerkt met het Rotterdams onderwijs.

2.3.4. Effect negatieve beeldvorming Hoe leuk is het tegenwoordig om een jongen te zijn? Jongens worden geassocieerd met overlast, geweld en onveiligheid. In het onderwijs streven de meisjes hen voorbij. Daarnaast heerst er een beeld dat mannelijke seksualiteit dominant aanwezig is: jongens vinden het moeilijk hun eigen seksuele verlangens te controleren. Daardoor vormen zij soms een bedreiging voor meiden, waardoor meiden dus voor jongens moeten oppassen. Wat betekenen deze negatieve beelden voor opgroeiende jongens? Het probleem wordt door alle panelleden erkend. Veel panelleden zijn van mening dat jongens zich naar dat beeld zijn gaan gedragen. Opgemerkt wordt dat sommige jongens altijd negatief benaderd worden en dat zij soms verbaasd zijn als je hen zomaar wat vraagt.

Het advies aan instanties die veel met jongens te maken hebben, is om ruimte te creĂŤren voor een andere beeldvorming van henzelf. Bijvoorbeeld als gevoelig en emotioneel ook in het bijzijn van anderen. Verder wordt erop gewezen dat jongens door het huidige imago van mannelijke seksualiteit zich heel onzeker kunnen voelen. Wordt de kennis van jongens over seksualiteit en veilig vrijen slechter? Zo ja, wat moet er gebeuren om de kennis van jongens over seksualiteit te vergroten?

22


Professionals denken dat de kennis aanwezig is, maar dat het in de praktijk niet wordt toegepast, omdat jongens vaak denken: ‘het overkomt mij toch niet’. Het advies is om in de voorlichting vooral relationele kwesties te bespreken in plaats van technische onderwerpen. In de tweede ronde stelden wij de vraag: Wat zijn goede en voor jongens overtuigende manieren om over de relationele kanten van seksualiteit te praten? Aanbevolen wordt om dit vraagstuk via mannen/vaders op scholen (‘mannen praten met jongens’) aan te pakken. Maak gebruik van rolmodellen en wees praktisch. Over de gespreksleider wordt gezegd dat die zich ook kwetsbaar moet opstellen en meepraten, anders werken de jongens niet mee. Dat betekent dat zij zich bewust moeten zijn van hun eigen opvattingen op het gebied van seksualiteit en de positie van jongens en meiden hierin. Professionals moeten hierin getraind worden, ook in begeleidingsmanieren van verschillende typen groepen, want een voorwaarde is dat het klikt tussen de begeleider en de groep.

Het panel is niet eenduidig over de vraag of en wanneer deze gesprekken in aparte jongens /meisjesgroepen moeten plaatsvinden: ‘Apart om in veiligheid te kunnen praten’, vindt de een. ‘Soms apart en soms samen’ vindt de ander. Omdat sommige jongens en meiden niet openlijk kunnen en willen spreken over seksualiteit is het daarnaast belangrijk dat jongeren via het anonieme karakter van internetsites en telefoonlijnen aan advies kunnen komen. En start een anti-pornocampagne: ‘Van porno leer je niks over echte seks!’

Samenvatting Het panel bevestigt dat het effect van de negatieve beeldvorming op jongens ongunstig is voor hun zelfontwikkeling. Daarom moet er meer aandacht besteed worden aan positieve beeldvorming. Bij het geven van seksuele voorlichting aan jongens moeten relationele aspecten in plaats van technische onderwerpen de nadruk krijgen. We kunnen er niet van uitgaan dat mannelijke (semi-)professionals (leerkrachten, vrijwilligers, jongerenwerkers) dat vanzelf kunnen. Er moeten dus trainingen aangeboden worden.

2.3.5. Jongens als achterblijvers Gemiddeld genomen doen jongens het in het onderwijs (iets) minder goed dan meisjes. Zij belanden vaker in het VMBO, doen in het hoger onderwijs langer over hun studie en vallen vaker uit.

14

Ook jongens maken nog altijd traditionele beroepskeuzes: techniek, informatica

en economie. Is dit een belemmering voor jongens? Zou het emancipatiebeleid zich met deze nieuwe onderwijsongelijkheid bezig moeten houden? Uit de antwoorden blijkt dat het onderwijsachterstandsprobleem van jongens nog niet erg op het netvlies van jongerenprofessionals staat. Bijna de helft van het panel reageert er niet op.

14

Zie Driessen & Van Langen 2010.

23


De andere helft vindt dat deze kwestie verder onderzocht moet worden, omdat ‘ook zij worden beperkt in hun mogelijkheden’ en omdat ‘onderwijs blijkbaar discriminerend is ten aanzien van jongens’. Ook op de kwestie van de seksespecifieke beroepskeuze van jongens wordt maar door enkelen gereageerd, onder andere met het pleidooi om niet te tornen aan de vrije beroepskeuze van jongens en meisjes. Hoe zouden jongens gestimuleerd kunnen worden om andere beroepskeuzes te maken? De volgende suggesties zijn gedaan: andere aanpak onderwijs; meer ondersteuning; huiswerkbegeleiding; met jongeren praten over het maken van beroepskeuzes. Twee panelleden voelen wel voor enige dwang en drang in de stagekeuzes van jongens.

2.3.6. Jongens als overlastgevende factor in de buitenruimte Jongens komen vaak negatief in beeld vanwege agressief gedrag op straat en omdat zij de buitenruimte onveilig maken, vooral voor meiden. Welke interventies zijn volgens u nodig om het problematische gedrag van (bepaalde) jongens in te dammen? Het panel kwam met de volgende adviezen: ga in gesprek en communiceer met jongeren, confronteer jongeren met de klagende volwassenen; aanleren van assertiviteit en sociale vaardigheden; leuke activiteiten aan jongens aanbieden en als laatste repressieve maatregelen bedenken.

In de tweede ronde vroegen we: Hoe kan die communicatie worden aangepakt? Het advies is om beroepskrachten in te zetten die goed kunnen bemiddelen tussen jongens en buurtbewoners. Ook het opzetten van gezamenlijke projecten kan de onderlinge communicatie tussen ouderen en jongens bevorderen, waarbij gebruik gemaakt wordt van rolmodellen en bestaande groepen in de wijk. Aanbevolen invalshoeken zijn het heldendom en geluksbeleving als positieve strategieën in het werken met jongens.

Samenvatting Het groter wordende onderwijsachterstandsprobleem van jongens leeft nog niet erg bij Rotterdamse professionals die zich met jongens bezighouden. Er is vooral behoefte aan meer kennis en inzicht in aard en oorzaken van dit probleem. De professionals hebben wel veel voorstellen om overlastproblemen in de buitenruimte, waar jongens – al of niet bewust – bij betrokken zijn, anders op te lossen dan door middel van repressieve maatregelen. De essentie van deze voorstellen is meer aandacht geven en luisteren naar jongens; en het in contact brengen van jongens met de ‘klagers’.

24


2.4 Veiligheid Zowel in het landelijke als in het Rotterdamse emancipatiebeleid is veiligheid, met name de bestrijding van huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes, een belangrijk speerpunt. Binnen 15

het Rotterdamse algemene gemeentelijke veiligheidsbeleid , dat zich richt op vergroten van de veiligheid in buurten, het openbaar vervoer, en op wijk- en deelgemeentelijk niveau, wordt daarom extra ingezet vanuit emancipatiemiddelen. Jaarlijks probeert men duizend Rotterdammers te bereiken om taboes rondom huiselijk geweld en eergerelateerd geweld te doorbreken. Ook bestaat het plan om dertig discussietafels in wijken in Rotterdam te organiseren over geweld in de relationele, huiselijke of wijksfeer. In het algemene veiligheidsbeleid wordt onveiligheid buitenshuis dus als een algemene of sekseneutrale kwestie behandeld, terwijl onveiligheid binnenshuis gekoppeld wordt aan man-vrouwverhoudingen.

Kijk je naar de feitelijke slachtoffers van geweld op straat, voornamelijk jonge mannen, dan lijkt dat terecht. Kijk je naar de veiligheidsbeleving en betrek je er de voorzorgsmaatregelen van (oudere) vrouwen bij, zoals ’s avonds niet meer de deur uitgaan, dan ligt het anders. Uit de Emancipatiemonitor Rotterdam blijkt dat iets meer dan de helft van de vrouwen zich wel eens onveilig voelt tegen twee op de vijf mannen. In de recente landelijke emancipatiemonitor staat: ‘Het is en blijft een probleem om een eenduidig beeld te schetsen van de mate waarin verschillende vormen van geweld tegen meisjes en vrouwen voorkomen’ (2009:220). Daarom hebben we in deze panelraadpleging zowel onveiligheid binnenshuis als onveiligheid buitenshuis als vrouwen(emancipatie)kwestie aan de orde gesteld. Binnen het thema veiligheid onderscheiden we de volgende subthema’s:

(On)veiligheid in huis (On)veiligheid op straat Veiliger door contact Ontmoetingsplekken

2.4.1. (On)veiligheid in huis Begin 2000 is in Rotterdam gestart met de aanpak van geweld achter de voordeur, gericht op zowel daders als slachtoffers. Hoewel mannen ook slachtoffer kunnen zijn, tonen onderzoeken tot nu toe aan dat vrouwen het voornaamste slachtoffer zijn van huiselijk geweld. De vraag vanuit het expertteam aan professionals was: Er zijn veel voorzieningen in het leven geroepen om slachtoffers van huiselijk geweld te beschermen. Is dit dweilen met de kraan open? De reacties op deze vraag zijn overwegend ontkennend. Huiselijk geweld blijft een groot probleem dat aandacht behoeft. Het hulpverleningsaanbod zorgt voor slachtofferhulp, maar ook voor bewustwording van het probleem.

15

Hoofddoelstelling is een veiliger Rotterdam zowel objectief als subjectief, dit wordt door de Veiligheidsindex

gemeten.

25


Voorwaarde voor een succesvolle aanpak is volgens professionals continue aandacht voor preventie en nazorg. Sommige respondenten merken op dat het probleem van huiselijk geweld vooral in andere ‘culturen’ en bij lage inkomensgroepen speelt. Tweede rondvraag: Wat vindt u daarvan? Waarom zou dat wel of juist niet zo zijn? De reacties hierop liepen uiteen van ‘Het klopt niet want het gaat om een veel complexere problematiek’ en ‘de uiting van het geweld kan binnen verschillende culturen en inkomensgroepen anders zijn, maar het is overal’, tot ‘Het zou wel kunnen’ maar dan ook gekoppeld aan machteloosheid, kwetsbaarheid en beperkte mogelijkheden.

Slachtofferhulp is één ding, maar: Wat te doen om geweld te stoppen? Volgens de panelleden is essentieel om in te zetten op preventief signaleren en het huiselijk geweld uit de taboesfeer te halen. Hoe? Door middel van bewustwording via mediacampagnes en billboards, geven van voorlichting (ook aan jongeren), waarin mensen naar de hulpverlening worden doorverwezen. Gewezen wordt op de rol van Vraagwijzer. Verder wordt er aanbevolen in gesprek te gaan met de ‘dader’.

In de Tweede ronde vroegen wij over dat laatste door: Welke interventies zijn voor daders van huiselijk geweld beschikbaar? Geadviseerd wordt om als hulpverlening een ‘sluitend aanbod’ te bieden. Verder vindt men het belangrijk dat de dader getraind wordt in het leren van bepaalde communicatietechnieken & angermanagementmethodes. Ook ontzegging van toegang tot de woning wordt als reële optie genoemd.

Een paar panelleden wezen in de eerste ronde op een probleem dat volgens hen nog te weinig aandacht heeft, namelijk geweld tegen ouderen. Door het taboe dat hierover bestaat, is er weinig zicht op het aantal slachtoffers en wie vooral daders zijn: mannen, vrouwen, kinderen. Gepleit wordt voor meer aandacht en onderzoek. In de tweede ronde hebben we daarom aan het hele panel voorgelegd: Is er voldoende bekend over huiselijk geweld ten aanzien van ouderen? En is de hulpverlening hierop voldoende gefocust? Het merendeel vindt dat er onvoldoende bekend is over dit fenomeen. Weliswaar bestaat er een pilot over ouderenmishandeling binnen een aantal deelgemeenten, maar de hulpverlening 'doet er niets mee'.

Samenvatting Over het belang van aandacht en aanpak van huiselijk geweld bestaat eensgezindheid onder de panelleden. Preventie en nazorg zijn volgens hen essentiële voorwaarden voor een succesvolle bestrijding van deze problematiek. Over de vraag of het beleid zich (extra) op specifieke bevolkingsgroepen zou moeten richten, omdat daar naar verhouding meer huiselijk geweld voorkomt, bestaat verschil van mening. Sommigen denken dat geweld voornamelijk bij allochtonen en lage inkomensgroepen voorkomt; anderen zijn het daar pertinent mee oneens. Tenslotte is gewezen op ouderen als nieuwe kwetsbare doelgroep. Onderzoek moet

26


duidelijk maken op welke schaal en tussen wie dit vooral speelt (ouders-kinderen, partners) en of dit een kwestie is die bij het emancipatiebeleid thuis hoort.

2.4.2. (On)veiligheid op straat Rotterdam houdt de ontwikkeling van de wijkveiligheid bij door middel van de Veiligheidsindex. De score op de Veiligheidsindex wordt mede bepaald door officiële (politie) registratie van geweld e.d. en de (on)veiligheidsgevoelens van de bewoners. Die gevoelens zijn niet alleen gebaseerd op geregistreerde feiten en persoonlijke ervaringen, maar ook op beelden: over de (‘gevaarlijke’) stad, de (‘onveilige’) wijk en bepaalde (‘overlastgevende’) groepen. Een als onveilig ervaren omgeving heeft voor (bepaalde) vrouwen grotere consequenties dan voor mannen. Moeders zitten meer met hun kinderen opgesloten in huis, omdat ze hen niet zelfstandig buiten durven laten spelen. Oudere vrouwen gaan ’s avonds niet meer de straat op.

De vraag aan professionals is: Welke mogelijkheden ziet u om via verandering van de beeldvorming over de wijk, stad en bepaalde groepen onveiligheidsgevoelens weg te nemen? De strekking van deze vraag wordt door velen onderschreven. Tegelijkertijd wordt gewaarschuwd voor de suggesties dat veiligheid enkel een kwestie van beeldvorming is. ‘Erken ook dat het soms echt onveilig is’; ‘maak onderscheid tussen veilige en onveilige plekken’. De voorgestelde strategieën om de onveiligheidsgevoelens weg te nemen, zijn ‘mensen naar buiten lokken’ door het organiseren van activiteiten en ontmoetingen, mensen met elkaar in contact brengen en veel aandacht geven aan goede voorbeelden van onderlinge ondersteuning. Daarin is weinig aandacht voor de totstandkoming en de inhoud van de beeldvorming. Voor sommigen is ‘jongerenoverlast’ onveiligheidsfactor nummer één, anderen vinden dat het op straat hangen bij jongeren hoort en dat daar in principe niets mis mee is. Het expertteam vroeg zich af of mensen door goed contact met buren of buurtgenoten automatisch positief over de hele wijk(bevolking) gaan denken.

16

Zulke groepjes

kunnen elkaar zelfs bevestigen in hun negatieve beoordeling ten opzichte van de rest van de wijk.

Daarom vroeg het expertteam in de tweede ronde: Wat is er nog meer nodig dan mensen met elkaar in contact brengen om het imago van een wijk te verbeteren en daarmee de onveiligheidsgevoelens te verminderen? De antwoorden gingen twee kanten op. Aan de ene kant: zorg als gemeente voor het tegengaan van angstwekkende situaties door verloedering, vervuiling en verwaarlozing aan te pakken. Aan de andere kant: neem de angsten serieus, maar geef bewoners daar ook verantwoordelijkheid in. Laat buurtbewoners met elkaar praten (elkaar interviewen) over hun angsten. En bevorder onderling contact door het instellen van welkomsteams.

16

Vgl de resultaten van de onderzoeken van Blokland (2008) en Linders (2010)

27


Rotterdam staat al een aantal decennia bekend als een stad waar op sociaal gebied innovatief beleid wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Door promotie en financiering van programma’s zoals Mensen maken de Stad, Opzoomer mee of Dag van de Dialoog tracht de gemeente de sociale cohesie in de wijk/stad te verbeteren. De verwachting is dat het onderlinge contact tussen mensen het gevoel van veiligheid vergroot. Het expertteam vroeg aan de professionals: Bereiken deze interventies hun veiligheidsdoel? Ziet u hierbij verschil tussen vrouwen en mannen? Ook hierover denken de panelleden verschillend. Sommige panelleden vinden de programma’s te incidenteel met deelnemers die al actief zijn. Andere panelleden zijn gematigd positief. Meedoen levert in hun ogen wel een paar nieuwe contacten op en dat maakt de wijk vertrouwder en veiliger. Het verschil tussen mannen en vrouwen wordt unaniem bevestigd: vrouwen zijn in dit soort programma’s veel actiever dan mannen. De verklaring daarvoor is dat ‘door traditionele man-vrouwverhoudingen de buurt belangrijker voor vrouwen is.’

In het expertteam werd aangekaart dat kleine actieve groepen elkaar ook kunnen bevestigen in hun negatieve kijk op de wijk en de andere buurtbewoners. Dat kan dus ook het effect zijn van Opzoomeren en Mensen Maken De Stad. In de tweede ronde vroegen we: Met welke (aanvullende) methodieken zou dit probleem kunnen worden opgelost? Aangedragen aanvullende methodieken om nieuwe doelgroepen te bereiken, zijn: huis aan huis kennismakingsenquêtes (inventarisaties) om te achterhalen hoe mensen de woonomgeving ervaren en wensen, woningbouwverenigingen en Vereniging van Eigenaren (VVE) met elkaar in contact brengen, trainingen aan (semi)professionals over het aantrekken van nieuwe doelgroepen, een workshopcyclus 'met andere ogen' om beeldvorming en stereotypen aan de kaak te stellen.

Wat helpt? Meer blauw en minder (groepen) jongeren op straat of meer kleuren en meer mensen op straat? Alleen repressieve aanpakken of ook verleidingstactieken? Een lege straat is enger dan een drukke straat. Hoe lok je mensen, en met name vrouwen, naar buiten? Hoe maak je de buitenruimte aantrekkelijker voor vrouwen en meisjes? Veel suggesties zijn gedaan: veel groen (niet te hoog of te dicht), goed verlichte straten en pleinen, speelruimte voor kinderen met bankjes eromheen voor ouders en ouderen, het plaatsen van terrasjes midden op het plein of de straat. Plekken waar jonge en oude vrouwen apart kunnen samenkomen, zoals meidenvilla’s en activiteiten voor oudere vrouwen. ‘Zorg voor goede fietspaden en stimuleer vrouwen te fietsen want op de fiets ben je als vrouw minder kwetsbaar.’ Zorg voor een levendige wijk door menging van wonen, winkels, andere publieke voorzieningen. Er wordt in het panel wisselend gedacht over het nut van repressie, politieoptredens tegen bedreigende en/of overlastgevende groepen. In sommige situaties is het effectiever als meer buurtbewoners op straat zijn die een oogje in het zeil kunnen houden.

28


Hier kwam de vraag over de rol van mannen in de buurt aan te pas: Hoe kunnen we zorgen dat ook mannen meer betrokken raken bij de buurt? Betrek de mannen bij zelforganisaties, zorg voor activiteitenaanbod voor mannen zoals bijvoorbeeld sport, geef voorlichting in moskeeën en koffiehuizen en spreek mannen op hun rol als opvoeder aan. En probeer mannen via hun vrouw te bereiken. De gesprekken met mannen zouden volgens de panelleden gericht moeten zijn op het onder ogen zien van de eigen onmacht om buitenshuis in te grijpen en op gezamenlijk onderzoek van mogelijke veranderingen.

Doordat er wisselend over de rol van jongeren gedacht wordt, maar niet genoeg over hen als onderdeel van de oplossing, vond het expertteam het relevant om vervolgens te vragen: Welke manieren ziet u om jongeren bij de oplossing van het veiligheidsprobleem te betrekken? Alle respondenten zien een duidelijke rol voor jongeren weggelegd door hen zelf buurtcontacten te laten leggen en buurtactiviteiten te laten organiseren. Panelleden zien een rol voor de samenleving weggelegd in het aanbieden van goede opleidingen. ‘Je kunt jongeren ook serieus nemen door hen een spiegel voor te houden,’ merkt een panellid op. En soms is bemoeizorg de beste strategie.

De rol van gender kwam ook in de tweede ronde aan bod: Zijn vrouwen voor andere dingen bang op straat dan mannen, en is het inderdaad voor vrouwen onveiliger of zijn zij vooral banger? Vrouwen voelen zich vaak 's avonds onveilig en ze zijn met name bang voor seksueel geweld. Sommige panelleden koppelen dit aan de gewaarwording dat vrouwen zich fysiek zwakker voelen. Leeftijd speelt hierbij mogelijk ook een rol van betekenis. Zijn mensen vooral bang voor mannen/jongens op straat, en zou het dan helpen als er meer vrouwen/meisjes op straat aanwezig waren? Vrouwen zijn bang voor groepen jongeren, het gaat om de groepen die niemand plezierig vindt, waardoor mensen in de stad bang worden (onvoorspelbaarheid van gedrag). De panelleden twijfelen over de impact van meer vrouwen/meisjes op straat.

Samenvatting Op de vraag over de rol van beeldvorming in de onveiligheidsgevoelens reageren de panelleden indirect en praktisch. Ze geven vooral aan dat onveiligheidsgevoelens serieus genomen moeten worden en stellen tal van fysieke en sociale maatregelen voor die het onderlinge contact in het publieke domein kunnen bevorderen. De professionals zijn ervan overtuigd dat contact de sleutel tot succes is, mits de randvoorwaarden (schoon en heel) aanwezig zijn. Daarnaast wordt bevestigd dat vooral vrouwen, en te weinig mannen, zich via deelname aan allerlei sociale programma’s voor het sociale klimaat van de wijk inzetten. Jongens en mannen zouden meer aangesproken moeten worden op hun kennis, ideeën en verantwoordelijkheid voor hun woon- en leefomgeving.

29


2.4.3. Ontmoetingsplekken De diversiteit van de stadsbevolking maakt de publieke ruimte in de stad een ‘wereld van vreemden’.

17

Voor het ontstaan van onderlinge vertrouwdheid tussen mensen met verschil-

lende achtergronden en posities zijn plekken nodig waar mensen elkaar geregeld vanzelfsprekend tegenkomen en (vluchtige) uitwisselingen kunnen plaatsvinden.

18

Kent u in uw

woon- en/of werkomgeving plekken (binnen en/of buiten) waar verschillende groepen mensen graag komen en daardoor vertrouwder en voorspelbaarder voor elkaar worden? Welke kenmerken maken deze plekken tot zo’n prettige en vanzelfsprekende ontmoetingsplek? Voor wie is het een leuke plek? Er zijn vier concrete plekken genoemd: drie pleinen (in het Oude Noorden, Hillesluis en Stadsdriehoek) en een wijkpastoraat in Bloemhof. Verder waren er wat algemene aanduidingen, zoals de ouderkamers, kerken en moskeeën.

In de tweede ronde vroegen wij: Wat maakt deze plek aantrekkelijk? De antwoorden gingen over toegankelijkheid en uitstraling, en de mogelijkheden om de plek zelf in te vullen. Dat laatste ziet men vooral in parken: in het Varkenoordsepark zijn veel mensen, vooral vrouwen en kinderen, in de zomer aan het barbecuen; het Nassaupark in Feijenoord is geschikt voor kinderen om te spelen; zowel in het Euromast Park als in het Kralingsebos heerst een gemoedelijke atmosfeer. Als gebouwen werden genoemd: het Stadhuis en andere markante gebouwen zijn voor iedereen toegankelijk; de centrale bibliotheek heeft een vriendelijke en open uitstraling.

17 18

O.a. Lofland (1975) Van der Zwaard (2010)

30


Hoofdstuk 3 Conclusies en discussiepunten In het vorige hoofdstuk zijn de vragen en antwoorden van de schriftelijke panelraadpleging weergegeven. In dit hoofdstuk vatten we de gemeenschappelijke standpunten en de discussiepunten samen en trekken we zo mogelijk conclusies voor het gemeentelijk emancipatiebeleid. Daarin zijn ook de resultaten verwerkt van de derde face-to-face consultronde op de jubileumconferentie van Scala in september 2010.

Voor een goed begrip van dit hoofdstuk is het belangrijk om twee zaken in het oog te houden:

1. Onderstaande conclusies en discussiepunten zijn gebaseerd op (bereflecteerde) ervaringen en opvattingen van professionals die direct of indirect betrokken zijn bij de uitvoering van het emancipatiebeleid of aanpalende beleidsterreinen. Hun expertise is (voornamelijk) gebaseerd op hun beroepspraktijk en dat is voor het trekken van beleidsconclusies zowel een beperking als een extra kwaliteit. Aan de ene kant is het een beperking omdat professionele verantwoordelijkheid altijd een specifiek perspectief op de aangekaarte kwesties met zich meebrengt. Dat is gedeeltelijk ondervangen door voor ieder thema verschillende soorten professionals voor het panel uit te nodigen. Aan de andere kant is het voor de aanscherping van het emancipatiebeleid nodig en nuttig om zicht te hebben op de aanwezige kennis, ervaringen en opvattingen van de beroepskrachten die dit beleid moeten helpen realiseren. Ook antwoorden die niet lijken te stroken met het huidige beleid zijn in dat licht gezien interessant. Blijkbaar dringt iets niet door in het beroepsveld of werkt het in de praktijk anders dan door het beleid beoogd werd; of zijn er acties nodig om de benodigde professionele kennis en competenties voor de uitvoering van het beleid op peil te brengen.

2. Bij de bepaling en invulling van de vier thema’s voor de panelraadpleging heeft het expertteam zich bewust niet laten beperken tot wat binnen de gemeente Rotterdam in strikte zin tot het terrein van het emancipatiebeleid wordt gerekend. Een aantal besproken emancipatiekwesties zijn bijvoorbeeld ook onderwijskwesties of veiligheidskwesties en vallen dus (ook) onder dat beleid. Omgekeerd is het voor de aanscherping van het onderwijs- en veiligheidsbeleid van belang om vast te stellen dat bepaalde kwesties ook gendergekleurd en daarom emancipatiekwesties zijn. Een aantal conclusies biedt concrete aanknopingspunten om van emancipatiebeleid een integraal onderdeel van sociaal beleid te maken.

31


3.1. Kansen op betaald werk vergroten De geraadpleegde professionals onderschrijven het belang van arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid voor de emancipatie van vrouwen, maar stellen ook vast dat dit voor tal van vrouwen (zoals nieuwkoomsters, laagopgeleide vrouwen, vrouwen die de Nederlandse taal niet beheersen, vrouwen met gezins- en/of gezondheidsproblemen) een lange weg is. De gemeente Rotterdam kiest in dit verband voor een tweesporenbeleid: toegankelijk maken van instellingen en vergroten van de competenties van deze vrouwen. In de professionele praktijk ligt de nadruk op het laatste; en daarmee mogelijk te veel op de beperkingen van deze vrouwen en te weinig op hun ambities en behoeften aan ‘economische zelfstandigheid’. Het advies aan de gemeente is om enerzijds meer werk te maken van het toegankelijk maken de arbeidsmarkt en anderzijds oplossingen te vinden voor de ongewenste neveneffecten van het beleidsmatige onderscheid tussen ‘vrouwen die willen en kunnen werken’ en ‘vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’.

Het eerste betekent: maatregelen nemen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt, verbetering van de kwaliteit en betaalbaarheid van de kinderopvang, de deur van de arbeidsmarkt op een kier zetten door een breed scala van begeleide proefperiodes te creëren (binnen het eigen gemeentelijke apparaat), te eisen (bij gesubsidieerde instellingen en bedrijven waarmee de gemeente een inkooprelatie heeft) en te entameren (bij overige instellingen en bedrijven).

Het tweede betekent dat ook in programma’s voor ‘vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’ het persoonlijke ontwikkelingsperspectief, de ambities en de behoefte aan economische zelfstandigheid leidraad blijft. Voorkomen moet worden dat de doelstellingen van de WMO gerealiseerd worden door het vastpinnen van (deze) vrouwen op hun traditionele rol van mantelzorger. Vrijwilligerswerk is voor veel vrouwen niet alleen zinvolle vrijetijdsbesteding en een tegenprestatie voor een uitkering, maar ook een gehoopte opstap naar betaald werk.

De gemeente zou erop moeten toezien dat inhoud en organisatie van het vrijwilligerswerk daarop toegesneden zijn binnen de instellingen waarmee zij een subsidierelatie onderhouden. Daarnaast kan de gemeente van deze instellingen eisen om in de werving en selectie voor vacatures ook het vrijwilligersbestand te betrekken. Misschien is er wel een extra functionaris nodig die op al deze zaken toeziet. Een dergelijke functionaris zou er óók op kunnen toezien dat vrouwen niet als vanzelfsprekend blijven ‘vastzitten’ in de sector waarin ze vrijwilligerswerk doen, want dat zijn vooral de typische vrouwensectoren: onderwijs, zorg en welzijnswerk.

Ook het cursusaanbod voor vrijwilligers behoeft aanvulling. Tegenover een overaanbod van basale sollicitatiecursussen en cursussen sociale vaardigheden e.d. staat een groot gebrek aan aansluitende vakopleidingen op bijvoorbeeld MBO niveau; met name opleidingen die zich

32


richten op 35+ vrouwen. Nodig is een voorziening vergelijkbaar met de oude vrouwenvakscholen. Om daar inhoudelijk richting aan te geven zou het emancipatiebeleid meer gevoed moeten worden met kennis over de toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, onder andere als gevolg van de vergrijzing van het huidige personeelsbestand.

De bijdrage van het inburgeringsaanbod aan emancipatie in de zin van economische zelfstandigheid is in de praktijk kleiner dan mogelijk is; en dan in het gemeentelijk emancipatie- en inburgeringsbeleid beoogd wordt. Belangrijke oorzaken zijn het lage niveau van het standaard-inburgeringsexamen, onvoldoende aandacht voor elders verworven competenties, het ontbreken van voldoende aanbod aan (effectieve) duale trajecten gericht op opleiding en werk en het ontbreken van vervolgaanbod na het halen van het inburgeringsdiploma. Papieren intenties en de praktijk liggen in dit werkveld vaak ver uit elkaar.

De gemeente zou onder andere vanuit emancipatieoogpunt kritisch naar inhoud en organisatie van het bestaande inburgeringsaanbod moeten kijken; ook om te weten welke extra kwaliteitseisen in een volgende aanbestedingsronde moeten worden gesteld. Geadviseerd wordt om het onderscheid tussen het opvoedingstraject en het arbeidsintegratietraject op te heffen en alle inburgeraars op beide terreinen te informeren en te coachen. Om de arbeidstoeleiding te versterken kan de gemeente zelf het goede voorbeeld geven door op grote schaal stageplaatsen te creëren en dat van gesubsidieerde instellingen te eisen.

De arbeidsparticipatie van vrouwen is de laatste jaren gegroeid, maar veel vrouwen zijn door (kleine) parttimebanen nog steeds niet economisch zelfstandig. Het hardnekkige probleem van de combinatie van arbeid en zorg hangt behalve met voorzieningen ook samen met traditionele moederschaps- en vaderschapsbeelden. Wat betreft die beelden zou de gemeente zich vooral op de vaders moeten richten en de bestaande rolmodellenstrategie op grotere schaal moeten toepassen. Daarbij zou het niet alleen moeten gaan over herverdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar ook over een andere visie op vooruitkomen. Een interessant nieuw uit te denken item in deze economische crisistijd is de rol van consuminderen als emancipatiestrategie om mannen te ondersteunen een nieuwe rol thuis op zich te kunnen nemen.

3.2. Naar een emanciperend gezinsbeleid Er is brede steun voor het meenemen van emancipatiedoelen in het gezinsbeleid en voor een emancipatie- en gezinsbeleid dat staat voor vergroting van de rol van mannen in het gezinsleven. Tegelijkertijd bestaat er een zekere weerzin tegen een al te dwingende aanpak vanuit het beleid. Veel panelleden hechten aan het idee van ‘vrije keuze’ en wil niet in termen van ‘macht’ over de man-vrouwverhoudingen in het gezin denken; althans voor zover het over ‘autochtone’ gezinnen gaat.

33


De meerderheid gaat ervan uit dat een ongelijke taak- en machtsverdeling in het gezin vooral een ‘allochtone’ kwestie is. Een minderheid is het daar pertinent mee oneens. Of emanciperend gezinsbeleid zich vooral op bepaalde doelgroepen zou moeten richten, is onder professionals dus een discussiepunt.

Uit de antwoorden op de vraag of het Centrum voor Jeugd en Gezin een emancipatierol zou kunnen spelen, werd vooral duidelijk hoe onbekend deze instelling nog onder opvoedingsprofessionals is. Men ziet wel een duidelijke rol voor huisartsen, scholen, politie, buurtwerkers, kinderopvanginstellingen en sportleraren op dit terrein. Met betrekking tot het inburgeringsprogramma heeft dit panel hetzelfde standpunt als het arbeidsparticipatiepanel: biedt (alle) mannen en vrouwen zowel opvoedingsvoorlichting als arbeidstoeleiding aan.

Vrouwen die door hun echtgenoot of familie tegengehouden worden om zich via opleiding en werk verder te ontwikkelen, kan de gemeente op twee manieren ondersteunen. Aan de ene kant kan ze druk uitoefenen door vrouwen te verplichten een opleiding te volgen of werk te vinden. Aan de andere kant kan ze via voorlichting mannen wijzen op de voordelen van een buitenshuis actieve vrouw. De panelraadpleging leverde weinig nieuwe informatie op over manieren om mannen/vaders te bereiken en specifiek emancipatieaanbod voor mannen. De gemeente zou meer duidelijkheid moeten hebben over de concrete invulling en methodiekontwikkeling van mannenemancipatiebeleid, alvorens te beginnen met mannencentra, waar de landelijke overheid momenteel toe oproept.

Omdat genderrollen in volgende generaties niet vanzelf in emanciperende zin blijken te veranderen, blijft aandacht voor genderbewust opvoeden nodig. Het panel ziet daarin een belangrijke rol voor het onderwijs weggelegd en ondersteunt daarmee impliciet bestaand beleid. Vanwege dit emancipatiedoel zou de gemeente zich ook moeten inspannen voor meer mannelijk personeel in de kinderopvang en het basisonderwijs. Of dat ook de onderwijsprestaties van jongens ten goede zou komen, is een discussiepunt.

3.3.Emancipatiewerk met jongeren Aandacht voor het seksueel en relationeel weerbaar maken van meiden heeft brede steun van het panel. Er is wel twijfel of het aanbod alle meiden bereikt. Als oplossing wordt aan de ene kant gedacht aan het creëren van veilige ‘eigen’ plekken waar ook groepsgerichte voorlichting kan plaatsvinden; en aan de andere kant aan het benaderen en verantwoordelijk maken van de volwassenen die regulier met jongeren werken (waaronder leerkrachten) voor de uitvoering van de programma’s. In die voorlichting zouden volwassenen niet een zogenaamd neutrale doorgeefluik moeten zijn, maar ook de eigen waarden en normen en eventuele vooroordelen aan de orde moeten stellen. Die volwassenen hebben op dit terrein dus ook trainingen nodig.

34


De gemeente moet faciliteren en zorgen voor kwaliteit: door ruimtes en geld beschikbaar te stellen en door op dit onderwerp gerichte gesprekstrainingen aan te bieden aan leerkrachten, jongerenwerkers en vrijwilligers van sportverenigingen en andere vrijetijdsactiviteiten van jongeren.

Over seksespecifieke beroepskeuzes van jongens en meiden, ofwel het bestaan van een ‘glazen muur’, wordt wisselend gedacht. De een vindt het een probleem, met name vanwege de ongelijke beloning van de zogenoemde vrouwen- en mannenberoepen. De ander ziet het als onvermijdelijk gevolg van 'natuurlijke verschillen'. Gezien de veranderende opvattingen over (de oorsprong van) mannelijkheid en vrouwelijkheid lijkt het ons verstandig dat de gemeente een discussie laat organiseren over oorzaken en gevolgen van de glazen muur, en de consequenties die deze hardnekkige seksesegregatie heeft voor het bereiken van emancipatiebeleidsdoelstellingen op het terrein van economische zelfstandigheid.

Het panel bevestigt het probleem van de beperkte bewegingsvrijheid van meiden en de rol die de ouders daarin spelen. Er zou met ouders gesproken moeten worden over de negatieve effecten van hun seksespecifieke beschermingsgedrag op de weerbaarheid en zelfstandigheid van hun dochters. Daarnaast kan de bewegingsvrijheid van meiden vergroot worden door hen buitenshuis veilige binnen- en buitenruimte te bieden. Geconstateerd wordt dat in jongerenvoorzieningen jongens veelal domineren. Er zal dus bewust ruimte gemaakt moeten worden voor meiden. Over aparte voorzieningen voor meisjes en jongens wordt verschillend gedacht. Iedereen vindt het belangrijk dat (semi-)professionals die met jongeren werken in staat zijn om de dialoog over het gebruik van de ruimte tussen jongens en meiden te begeleiden. Daarnaast zal met ouders gesproken moeten worden over voorzieningen die voor, en liefst ook door meiden gecreĂŤerd worden.

Ook jongens hebben niet op alle punten een benijdenswaardige positie. Ze staan vaak in negatief daglicht, als seksueel onbeheerst en als overlastgever, en in het onderwijs worden ze voorbijgestreefd door de meisjes. De negatieve beeldvorming is ongunstig voor hun persoonlijkheidsontwikkeling. Jongens kunnen zich daardoor moeilijker een positief beeld vormen van mannelijke seksualiteit en sommige jongens gaan zich naar zulke beelden gedragen. Om dat tegen te gaan, wordt geadviseerd te werken met mannelijke rolmodellen die op een positieve manier in het nieuws komen; en om in de seksuele voorlichting veel aandacht te geven aan relationele en emotionele aspecten. Over de vraag of die voorlichting (geheel of gedeeltelijk) in aparte jongensgroepen moet plaatsvinden, wordt verschillend gedacht.

Het vraagstuk van jongens als onderwijsachterstandsgroep lijkt nog nauwelijks te leven onder Rotterdamse professionals die zich met jongeren bezig houden. De gemeente zou het voortouw kunnen nemen in de kennisverspreiding en het organiseren van discussies over

35


oorzaken en remedies; ook om te voorkomen dat leerkrachten hun verwachtingen van de onderwijsprestaties van jongens terugschroeven.

Jongens als overlastgroep zijn juist weer overbekend bij professionals. Volgens het panel is de beste strategie om met deze jongens te blijven communiceren. Daarnaast wordt aangeraden jongens sociale vaardigheden aan te leren en zelf verantwoordelijkheid te geven in het oplossen van problemen in de buurt.

3.4. Veiligheid achter en voor de voordeur Ons uitgangspunt dat niet alleen veiligheid achter de voordeur, maar ook veiligheid voor de voordeur gendergekleurd is, wordt door het panel onderschreven. De panelleden zijn van mening dat geweld achter de voordeur nog steeds een actuele en urgente kwestie is. Men is grotendeels tevreden over de aanpak, mits desbetreffende instanties aandacht voor preventie en nazorg blijven handhaven.

Over de vraag of het beleid zich (extra) op specifieke bevolkingsgroepen zou moeten richten, omdat daar naar verhouding meer huiselijk geweld voorkomt, bestaat verschil van mening. Sommigen denken dat geweld voornamelijk bij allochtonen en lage inkomensgroepen voorkomt; anderen zijn het daar pertinent mee oneens. Standpunten hierover hebben consequenties voor hulpverlening en beleid. Daarom zou de gemeente hierover kennisvermeerdering en discussie moeten entameren. Een extra aandachtspunt is ouderen als slachtoffer van huiselijk geweld. Alvorens dat op te nemen in het emancipatiebeleid zal er eerst inzicht moeten zijn in de karakter van dat geweld: wie zijn (voornamelijk) dader c.q. slachtoffer?

Het panel beschouwt de Veiligheidsindex als een goede indicatie van de onveiligheidsgevoelens van mensen voor de voordeur, en wijst op de gevolgen hiervan voor de bewegingsvrijheid van vrouwen. Sommigen wijzen op het probleem van rondhangende jongeren, anderen zien in de problematisering van het rondhangen ook een oorzaak van onveiligheidsgevoelens. Oplossingen zoeken zij vooral in ‘mensen naar buiten lokken’ en het bevorderen van onderling contact.

Een belangrijke taak van de gemeente is om angstwekkende situaties tegen te gaan door verloedering, vervuiling en verwaarlozing aan te pakken. Daarnaast kan de gemeente door aanpassing van de inrichting en de fysieke infrastructuur, en met name meer verblijfsgroen, voorwaarden creëren voor het ontstaan van vanzelfsprekende ontmoetingsplekken. Tenslotte is geconstateerd dat in Rotterdam vooral vrouwen, en weinig mannen, zich inzetten voor de verbetering van het sociale klimaat in de wijken. Daar zou in sociale programma’s als Opzoomeren e.d. meer aandacht aan moeten worden besteed.

36


3.5 Verder met de klankbordgroep Emancipatie Met deze panelraadpleging is ook een eerste stap gezet richting het derde doel van dit project Klankbordgroep Emancipatie: het versterken van het emancipatienetwerk in Rotterdam en het formeren van een klankbordgroep van beroepskrachten met een signaal- en adviesfunctie richting gemeente.

De tijd en energie die gestoken is in het formeren van en werken met vier panels van deskundige beroepskrachten op centrale terreinen van het emancipatiebeleid is een belangrijke investering geweest in de door de gemeenteraadsmotie beoogde krachten- en ideeĂŤnbundeling in Rotterdam. Een noodzakelijke volgende stap is het bij elkaar halen van de panelleden en het opstellen van een inhoudelijk discussieprogramma voor de eerstkomende tijd. Een geschikte aanleiding en kapstok daarvoor is dit onderzoeksrapport waaraan alle panelleden hun steentje hebben bijgedragen. Scala kan organisator blijven en mogelijk kan het expertteam een functie blijven spelen in het richting geven en inhoudelijk voeden van deze klankbordgroep.

Rest ons nog om alle panelleden en het expertteam zeer te bedanken voor het delen van hun kennis en ervaringen en het meedenken over het Rotterdamse emancipatiebeleid.

37


Gebruikte literatuur Blokland, T. Oog voor elkaar. Veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam, Amsterdan University Press 2008.

Emancipatieweb (2006), Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, http://www.emancipatieweb.nl/home,verkregen op 24 oktober

Distelbrink, M, Hooghiemstra, E (2005) Allochtone gezinnen: Feiten en cijfers, Signalement 3/A, Den Haag: Nederlandse Gezinsraad

Geerdink, G. ‘Studierendement en sekseverschillen.’ In: Congresbundel HANovatie themadag 2010. Arnhem, HAN 2010.

Jansen, B. ‘Vrouwen vaak verkoopster, mannen vaak vrachtwagenchauffeur.’ Webmagazine Centraal Bureau voor de Statistiek 24-11-2010.

Keuzenkamp, S., van Luijn, H (2004) Werkt Verlof, Den Haag Sociaal Cultureel Planbureau

Keuzenkamp, S., Merens, A. (2006), Sociale Atlas van vrouwen uit etnische minderheden, Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau.

Linders, L. De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt. Den Haag, SDU 2010.

Lofland, L.H. A world of strangers: order and action in urban public space. New York, Basic Books 1973.

Merens, A, Hermans, B (2009) Emancipatiemonitor 2008, Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau & Centraal Bureau voor de Statistiek

Rode, A, Reijnen, A (2004) Emancipatiemonitor Rotterdam 2004, Rotterdam: Centrum voor Onderzoek en Statistiek

Zwaard, J. van der, Scènes in de Copy Corner. Van vluchtige ontmoetingen tot publieke vertrouwdheid. Amsterdam, SUN/Trancity 2010.

38


Bijlage I: Aanpak

Om te beginnen is een expertteam van deskundigen gevormd, afkomstig uit de wetenschap en de beleidswereld. De leden van het expertteam die als de inhoudelijke springplank van het project gefungeerd hebben, zijn: drs. Sabine Krauss van E-quality, drs. Nilufer Gursus van de Rutgers Nisso Groep, kenniscentrum seksualiteit, politicoloog en Rotterdamse bestuurder drs. Machteld Cairo en zelfstandig onderzoeker dr. Joke van der Zwaard. Deze deskundigen zijn gekozen vanwege hun lange staat van dienst in zowel emancipatie als beleid als de politiek.

Het expertteam heeft de thema’s geformuleerd (economische zelfstandigheid, veiligheid, gezinnen,en jongeren) en daarbinnen de subthema’s en vragen, binnen het kader van landelijke en lokale emancipatievraagstukken.

Om diverse sectoren en niveaus te betrekken bij dit onderzoek is per onderwerp een panel van circa twintig leden gevormd. Daarin waren zowel denkers als doeners vertegenwoordigd, zodat een breed scala van ervaringen, kennis en opvattingen van professionals van verschillende achtergronden gerepresenteerd zijn. Daarnaast is er voor deze methode gekozen om professionals los van het eigen organisatiestandpunt om hun ervaringen en meningen te vragen. Om vanuit een bredere positie als professionals die werkzaam zijn in Rotterdam een respons te kunnen geven. Deze methode is ook ingezet om de machtsverschillen tussen diverse respondenten waarbij de een makkelijker het woord neemt en de ander niet, te verminderen.

De kenmerken van een Delphi-onderzoek zijn: anonimiteit, elke deelnemer kan zijn/haar bijdrage onafhankelijk van anderen leveren; gecontroleerde feedback en herhaling, de resultaten van een ronde worden samengevat en gerapporteerd aan de panelleden, die dan gevraagd worden de antwoorden opnieuw te overwegen in het licht van de feedback.

Het expertteam heeft in twee rondes de geĂŻnventariseerde antwoorden besproken en commentaar geleverd op het conceptrapport. De rol van Scala was projectleider en procesbewaker gedurende het hele traject. Scala heeft met begeleiding van dr Joke van der Zwaard de vragenlijsten opgesteld, antwoorden geordend en geanalyseerd, de face-to-facediscussie georganiseerd en het rapport opgesteld.

39


Bijlage II: verslagen van de consultbesprekingen op de jubileumconferentie van Scala 3e Consultronde over arbeid en gezin

Vrijwilligerswerk en talentontwikkeling Vraagstelling Vrijwilligerswerk wordt vaak gezien als een goede opstap voor vrouwen naar betaalde arbeid. Zowel door de vrouwen zelf als door het beleid. Eenmaal vrijwilligster wordt er nog maar weinig geïnvesteerd in de verdere ontwikkeling en het welbevinden van deze vrouwen en wordt hun perspectief op betaald werk nauwelijks groter. Wordt dit beeld gedeeld? Op welke manier kan deze lange weg naar betaald werk zinvoller en effectiever worden gemaakt? Hoe kan binnen de bestaande wet- en regelgeving deze ‘padstelling’ doorbroken worden?

Discussie De discussiegroep is van mening dat voor sommige vrouwen, zoals vrouwen met een parttime baan, gepensioneerde vrouwen of vrouwen met lichte gezondheidsproblemen, vrijwilligerswerk een doel op zich is. Vrijwilligerswerk is voor deze vrouwen een manier om hun vrije tijd zinvol te besteden. Echter voor veel vrouwen is deze manier van zingeving geen primair doel, maar een middel. Zij doen het vrijwilligerswerk vooral als een opstap naar werk en/of als een vorm van tegenprestatie tegenover een uitkering.

De gemeente vindt vrijwilligerswerk en mantelzorg momenteel heel belangrijk vanwege de bijdrage die dat levert aan de sociale cohesie. Dat is een belangrijk thema binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Binnen de discussiegroep is men echter van mening dat mantelzorg en vrijwilligerswerk in dit kader niet ondersteunend is aan de vrouwenemancipatie, omdat vrouwen altijd al dit soort werk vrijwillig doen. Dat is een maatschappelijke norm. Het wordt binnen de discussiegroep zelfs als risico genoemd dat vrijwilligerswerk en mantelzorg voor vrouwen met verdere ambities als een fuik werkt. Door deze maatschappelijke verwachtingen komen vrouwen niet gemakkelijk verder. Het appèl op vrijwilligerswerk of mantelzorg gaat ten koste van ontwikkelingen op gebied van een betaalde loopbaan.

Als vrouwen vrijwilligerswerk doen als opstap naar betaald werk, dan zouden de organisaties waar het vrijwilligerswerk wordt uitgevoerd en de re-integratiebedrijven of de sociale dienst, deze vrouwen gerichter moeten begeleiden in hun ‘opmaat’ naar betaald werk.

40


Organisaties die gebruik maken van vrijwilligers zouden bij aanvang van het werk bijvoorbeeld moeten vaststellen wat de vrijwilliger met het vrijwilligerswerk beoogt en waar persoonlijke ontwikkelbehoeften liggen. Volgens de discussiegroep is dat momenteel vaak niet het geval.

Probleem daarbij is dat het vaak niet in het belang is van de organisaties die vrijwilligersbanen aanbieden is, als hun vrijwilligers zich verder ontwikkelen. Voor deze organisaties is het immers niet prettig hun vrijwilligers kwijt te raken en weer anderen zoeken en inwerken om de noodzakelijke klussen uit te voeren.

De discussiegroep is van mening dat je als gemeente eisen zou moeten stellen aan gesubsidieerde instellingen die van vrijwilligers gebruik maken, voor wat betreft de begeleiding van vrijwilligers en het cursusaanbod. Ook kan met diezelfde organisaties afgesproken worden, dat bij vacatures voor betaalde banen ook het vrijwilligersbestand betrokken wordt in de werving en selectie. Misschien is er wel een extra functionaris nodig die daar op toeziet. Een dergelijke functionaris zou er óók op kunnen toezien dat vrouwen niet als vanzelfsprekend blijven ‘vastzitten’ in de sector waarin ze vrijwilligerswerk doen. Dat zijn vooral de typische vrouwensectoren: zorg en sociaal cultureel werk. Een goed voorbeeld van een functionaris die momenteel een dergelijke signalerende rol vervult is de secretaresse van de bewonersorganisatie in Pendrecht.

Een ander punt dat in de discussiegroep werd besproken is het volgende. Er zijn veel basale cursussen voor vrijwilligers die zich geschikt willen maken voor de arbeidsmarkt, zoals sollicitatiecursussen, cursussen sociale vaardigheden e.d. Er is echter een groot gebrek aan aansluitende vakopleidingen op bijvoorbeeld MBO niveau. Met name opleidingen die zich richten op 35+ vrouwen. Er wordt vastgesteld dat eigenlijk de vrouwenvakscholen weer nodig zijn c.q. een leerlijn om vrouwen een beter aanbod naar de arbeidsmarkt te doen.

Inburgering Vraagstelling Het inburgeringsdiploma is een proeve van basale zelfredzaamheid in Nederland, maar is geen opstap naar opleiding en werk. De taal wordt langzaam geleerd en het vervolgaanbod ontbreekt vaak. Dat werkt niet motiverend en stimulerend voor de doelgroep. Wordt dit beeld gedeeld? Zo ja, hoe kan er meer tempo, dynamiek en energie gebracht worden in de trajecten en tegemoet gekomen aan de behoefte van deze vrouwen om zich in Nederland verder te ontwikkelen en/of een bijdrage te leveren in het gezinsinkomen.

41


Discussie De mening binnen de discussiegroep is dat er wel een centrale intake voor inburgeraars is waarin het niveau en de leerbehoeften worden vastgesteld, maar dat inderdaad in de praktijk de behoefte en het aanbod niet goed op elkaar aansluiten. Daarvoor worden de volgende mogelijke oorzaken genoemd: Het inburgeringsdiploma is van zo’n laag niveau dat er geen doorstroming mogelijk is naar opleiding en werk. Een (deel)oplossing daarvoor kan zijn: duale trajecten, bijvoorbeeld het doen van leerwerkstages naast taallessen. Er is ook geen vervolgaanbod na het inburgeringsdiploma. Op papier is het er misschien allemaal wel, maar het hiaat tussen inburgeringsdiploma en het opleidingenaanbod is voor veel vrouwen te groot. In het verleden waren er diverse pilots op gebied van een passend of aangepast vervolgaanbod, zoals bijvoorbeeld de inburgeringscoaches. De gemeente zou na moeten gaan waarom de papieren plannen in de praktijk nauwelijks werken en welke pilots het verdienen om breed geïmplementeerd te worden en tot structurele werkwijze gemaakt kunnen worden. Op dit moment ondervindt de gemeente Rotterdam hinder van de vergaande bureaucratie en de kwaliteit van de centrale inburgeringscursus-leverancier (Ooverbruggen). Binnen de discussiegroep wordt geconstateerd dat er sprake is van administratieve chaos en lange wachtlijsten. Aangezien de aanbesteding slechts eens per twee jaar plaatsvindt, kunnen de moeilijkheden –zonder ingrijpen vanuit de gemeente- lang gaan duren.

Sleutelen aan instituties Vraagstelling Het wordt tijd dat er minder aan vrouwen en meer aan instituties gesleuteld wordt. Is dit beeld herkenbaar? Op welke manier kunnen bijvoorbeeld werkgevers de deur wat verder open zetten voor vrouwen en met name voor allochtone vrouwen Discussie De discussie concentreert zich op de rol van de werkgevers. De discussiegroep vindt dat de gemeente beter zicht zou moeten hebben op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, met name inzicht in welke sectoren en bedrijven personeelstekorten dreigen te ontstaan door de vergrijzing en wat die sectoren en bedrijven doen om het personeel adequaat aan te vullen. Er worden enkele voorbeelden genoemd van bedrijven waar het grootste deel van het personeel bestaat uit 55+ mannen. Naar de mening van de discussiegroep zou op grond van die inzichten gestuurd kunnen worden door de gemeente op de invulling van deze vacatures door vrouwen.

Daarnaast zou de gemeentelijke organisatie bij inkopen van diensten en producten, eisen moeten stellen aan het personeelsbeleid van de leveranciers. Wat doen deze bedrijven om

42


meer vrouwen (en jongeren en bepaalde groepen allochtonen) aan te nemen? Of gaan ze straks hun tekort aan arbeidskrachten oplossen door nieuwe gastarbeiders aan te trekken? De vervolgvraag is hoe het aanbod van ROC’s en HBO’s binnen Rotterdam op deze lokale ontwikkelingen aansluiten? Daarvoor is ook een coördinerende rol voor de gemeente weggelegd, vindt de discussiegroep.

Voorts wordt in de discussiegroep voorgesteld dat de gemeente de mogelijkheden vergroot voor vrouwelijke ondernemers. Naar analogie van de aanpak in ontwikkelingslanden zou met micro-credieten gewerkt kunnen worden.

e

3 Consultronde over jongeren

Over jongerenvoorzieningen Vraagstelling Aansturen op steeds meer aparte voorzieningen voor meisjes en jongens of juist aansturen op gezamenlijke voorzieningen en de meisjes meer weerbaar maken? Dat is de vraag! Welke visies zitten achter deze alternatieven? Vanuit welke visie zou Rotterdam haar jongerenbeleid moeten formuleren?

Discussie De discussiegroep vindt het kenmerkend voor het huidige tijdsgewricht dat de meeste aandacht en maatregelen gericht zijn op het doel ‘overlast verminderen’. Daardoor zijn de maatregelen vooral gericht op probleemjongens. Daarentegen is de aandacht bij meisjes vaak sterk gericht op beschermding. Vanuit moslimcultuur is dit vaak nog sterker: meisjes komen niet buiten en jongens leren al vroeg zich te profileren in de buitenwereld en de positie van de man is leidend. Daarom vindt de discussiegroep het van groot belang dat kinderen al jong genoeg leren om samen te spelen: meisjes en jongens.

De discussiegroep vindt dat de voorzieningen voor jongeren deels apart en deels gezamenlijk moeten zijn. Er zijn goede ervaringen in Rotterdam met aparte plekken voor meisjes, waar ze ‘onder elkaar’ zijn. Deze aparte benadering komt niet zo zeer voort uit overwegingen van bescherming, maar omdat het gelegenheid biedt voor het uitwisselen van meidendingen. Deze aparte voorzieningen zijn ideale plekken van waaruit gewerkt kan worden aan empowerment van meiden. Een goed voorbeeld is Het Klooster.

De discussiegroep heeft de ervaring dat de huidige gezamenlijke plekken voor jongens en meisjes, vaak gedomineerd worden door jongens. Het is belangrijk naar het idee van de discussiegroep dat bij gezamenlijk gebruik van voorzieningen er een intermediair is om te bemiddelen, zodanig dat zowel jongens als meisjes tot hun recht kunnen komen.

43


Ten slotte wordt opgemerkt dat het van belang is om jongeren te betrekken en inspraak te geven bij inrichting van de ontmoetingsplekken en hen zelf een rol te laten spelen in het organiseren van activiteiten. De volgende aandachtspunten voor beleid zijn genoemd: goed in beeld brengen wat er op welke plek aan voorzieningen is aandacht besteden aan de opvoeder anticiperen op problemen en een continue aanbod voor jongens en meisjes bieden; niet pas met een aanbod komen als er problemen zijn. Anticiperen kan bijvoorbeeld door middel van trainingen gericht op empowerment, op assertiviteit of op (onderling) debat.

Seksuele voorlichting Vraagstelling Op de diverse plekken waar jongeren komen zou door volwassenen met hen over (de relationele kanten van) van sexualiteit gesproken moeten worden! Wordt die opvatting gedeeld? Hoe kan dit vanuit de gemeente bevorderd worden? Geef suggesties voor praktijk en beleid.

Discussie De discussiegroep vindt dat er op school over seksuele voorlichting gepraat moeten worden. In hoeverre dat op dit moment gebeurt, lopen de meningen uiteen. Er wordt geconstateerd dat seksuele voorlichting een gevoelig onderwerp voor ouders is, omdat ouders er allemaal een uitgesproken mening over hebben. De discussiegroep vraagt zich af of seksuele voorlichting niet gekoppeld kan worden aan een aanbod op gebied van empowerment en assertiviteit en dit in te bedden in het lesprogramma op de scholen. Zo krijgt seksuele voorlichting een positieve uitstraling en wordt de relatie gelegd met rollen en posities binnen relaties. Men vindt het van belang dat de ‘harde’ werkelijkheid niet uit de weg gegaan wordt. Het is ook belangrijk aan te sluiten bij de invloed vanuit de media en excessen om van daaruit de gevolgen te bespreken. Dat geeft een goed handvat om de norm te bespreken hoe als jongens en meisjes met elkaar om te gaan.

Onderwijsachterstand jongens Vraagstelling Jongens raken steeds vaker achterop in het onderwijs, dat zijn de feiten. Maar de vraag is, wat zijn zinvolle oplossingsstrategieĂŤn zijn. Wat moet je met deze constatering doen als gemeente of als onderwijsinstelling?

44


Discussie Bij dit onderwerp bestaan binnen de discussiegroep verschillende meningen. Enerzijds wordt gezegd dat het grote onzin is dat achterstand van jongens komt door ‘verjuffing’ in het onderwijs, zoals tegenwoordig vaak gesteld wordt. Anderzijds wordt gezegd dat dit enigszins meespeelt. Of heeft het te maken met een verandering van de leeraanpak op scholen -van gedisciplineerd en gestructureerd onderwijs naar meer zelfstandig samenwerken- wat voor jongens moeilijker is?

Verder wordt nog aangevuld dat met name allochtone jongens na schooltijd veel vrijheid hebben en daardoor geen aandacht hebben voor schoolwerk. De discussiegroep stelt daarom voor om opvoeders –via scholen- bij dit vraagstuk te betrekken; zowel moeders als vaders. Tot slot wordt nog opgemerkt dat het van belang is niet te blijven benadrukken dat jongens onderwijsachterstand hebben. Dit versterkt de situatie alleen maar en draagt nergens aan bij. De discussiegroep vindt bovenal dat de verwachtingen met betrekking tot schoolprestaties van jongens hoog gehouden moeten worden, vooral ook bij leerkrachten die in hoge mate de norm stellen.

45


Bijlage III samenstelling panels

1 2 3 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

THEMAGROEP ARBEIDSPARTICIPATIE ORGANISATIE Arbeidsmarktmeester Deelgemeente Feijenoord OBS de Catamaran Ondernemer Dona Daria Ocean Finance CWI Vrouwencentrum OK bank Ooverbruggen Ouder Network VOSAW Vliegwiel

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

THEMAGROEP GEZIN & OPVOEDING ORGANISATIE GGD Riagg Rijnmond St. de Meeuw Twinkeltje Context St. Thermiek Arosa Delphi Opbouwwerk BOA Arosa CDA Wenk opv.onderst.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

THEMAGROEP JONGEREN ORGANISATIE R’dams milieucentrum GGD/Jeugd Cascade RKC/redacteur Radar JP Partners i2rotterdam RJR De Mol B2YF Groen Links de Heuvel

PLAATS Rotterdam Feijenoord IJsselmonde Centrum Noord Lloydkwartier Delfshaven Delfshaven Overschie Feijenoord Centrum Delfshaven Feijenoord

PLAATS Rotterdam Vlaardingen Centrum Kralingen Rotterdam Rotterdam Centrum Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam

PLAATS Centrum Centrum Kraling/C Centrum Centrum Provinciaal Centrum Centrum Zuidplein Centrum Centrum Centrum

46


1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

THEMAGROEP VEILIGHEID ORGANISATIE Hillesluis Radar Uit de Kunst St. Moedt WADS Sonor Opzomer Mee Stadsmarinier SMDC Leefbaar Rotterdam

PLAATS Sonor zuid Rotterdam Centrum Rotterdam Zuid Centrum Rotterdam Noord/Delfshaven Rotterdam Rotterdam

47


Rapport_klankbordgroep_emancipatie_2010