Page 1

Thema 1: Transport 1.1 Transport bij planten Water wordt voornamelijk getransporteerd in een plant Nut van water voor een plant: - Stoffen uit de bodem kunnen, als ze opgelost zijn in water, opgenomen worden - Transport van deze stoffen doorheen de plant is mogelijk via het transport van water - Water is nodig voor de biochemische processen (vb. fotosynthese) - Water zorgt voor celspanning (turgor)  Transport op niveau van de cel  Passief transport - Diffusie

Spontane verplaatsing van de opgeloste stof Van een plaats van hoge concentratie aan opgeloste stof Naar een plaats met lage concentratie aan opgeloste stof Diameter poriën membraan > diameter water en glucosemoleculen DIFFUSIE van glucose doorheen een semipermeabel membraan Geen diffusie van de zetmeelmolecule naar rechtse deel

1 Lena Toubast


Diffusie doorheen een celwand en -membraan bij een plant - Celwand: permeabel (niet selectief) Diffusie van water, CO2, O2, K+ -en Na+-ionen en glucose - Celmembraan: semipermeabel (selectief) Diffusie van water, CO2, O2 door membraan zelf of via kanalen gevormd door transporteiwitten - Osmose

Spontane verplaatsing van het oplosmiddel Doorheen een semipermeabel membraan Van een plaats van lage concentratie aan opgeloste stof Naar een plaats met hoge concentratie aan opgeloste stof - Osmotische druk = de druk die nodig is om de osmotische waterbeweging tegen te houden. = drukverschil dat tussen 2 oplossingen van verschillende concentraties ontstaat ten gevolge van osmose. - Osmotische waarde = osmotische druk ten opzichte van het zuivere oplosmiddel = zuigkracht van een oplossing, als ze via semipermeabel membraan in contact zou zijn met water

2 Lena Toubast


 Osmotische verschijnselen in plantencellen - Proef: 3 even grote frietjes

Plasmolyse: Hypertonisch, verkleinen van de cel Grensplasmolyse: Isotonisch, de cel blijft gelijk (waar plasmolyse begint) Deplasmolyse: Hypotonisch, vergroten van de cel

- Grafische voorstelling osmotische verschijnselen in een cel

Turgordruk: druk van water op de wand Wanddruk: druk van wand op water  zijn gelijk aan elkaar in tegengestelde zin Dalen osmotische waarde  meer oplosmiddel Als osmotische waarde = turgordruk  dan zal de cel geen stoffen meer opnemen = cel is maximaal turgescent

3 Lena Toubast


- Factoren die de hoeveelheid water bepalen die een cel kan opnemen: 1) Osmotische waarde van de cel t.o.v. de osmotische waarde rond de cel Osmotische waarde: zuigkracht van een oplossing, als zevia semipermeabel membraan in contact zou zijn met water 2) Grootte van de wanddruk Wanddruk = turgordruk: druk van de vacuole - Tegen het celsap - Tegen het celmembraan - Tegen de celwand ďƒ Actief transport

Gebruikt ATP vanuit de celademhaling - brengen van protonen naar de andere kant - Dit vergt energie (ATP nodig) - Transport gebeurt via eiwitdrager doorheen membraan (transport van H+ en suiker via het eiwit) ď ś Transport op niveau van het organisme Transport vs. watertransport: 6 CO2 + 12 H2O + energie →

đ?‘?â„Žđ?‘™đ?‘œđ?‘&#x;đ?‘œđ?‘?đ?‘™đ?‘Žđ?‘ đ?‘Ą/đ?‘™đ?‘–đ?‘?â„Žđ?‘Ą

C6H12O6 + 6 H2O + 6 O2

Waterhuishouding van de plant: ďƒ Transpiratie of verdamping - Vaststellen Transpiratie: via huidmondjes

4 Lena Toubast


- Fysiologische factoren: openen/sluiten van de huidmondjes

Sluitcellen worden langer door opname H2O (via osmose) Het huidmondje opent Sluitcellen worden breder door afgifte H2O Het huidmondje sluit

- Fysische factoren (omgevingsfactoren): Er is enkel transpiratie mogelijk als er diffusie is De transpiratiegrootte wordt bepaald door het verschil tussen de concentratie van waterdamp in de lucht en in de intercellulairen Verschil groter => transpiratie groter Luchtvochtigheid ↑  transpiratie ↓ Luchtbeweging ↑  transpiratie ↑ Temperatuur ↑  transpiratie ↑  Opname water & mineralen via wortels

a) Van cel naar cel via osmose b) Via symplast: van cel naar cel via cytoplasmatsche strengen (plasmodesmen) c) Via apoplast: stoffen kruipen door poriën in celwanden Stoffen gaan de cel in en gaan verder via cytoplasma (via celwand)

5 Lena Toubast


 Worteldruk & transpiratiezuiging - Transport naar boven (Xyleem) 1) Worteldruk: hulpmotor Deze druk is niet genoeg om hoge bomen van water te voorzien 2) Transpiratiezuiging: hoofdmotor

Sterke cohesie tussen watermoleculen ↓ Waterdraden in apo-en symplast, xyleem van wortel, stengel en blad vormen één geheel

Water in intercellulairen blad verdampt ↓ Water wordt uit nerven aangevuld ↓ Trekt waterdraden omhoog

- Transport naar beneden (Floeëm) Floeëm of blast zit aan de buitenkant van de stengel

Aantonen van neerwaarts transport: ringwondproef Bast wordt verwijderd  groeien van adventiefwortels door opstapeling voedingsstoffen

 Toepassingsvraag Strooizout is schadelijkvoorde planten in de berm: Strooizout verhoogt zoutgehalte en dus osmotische waarde van het capillair/grondwater  hoe kleiner het verschil met de osmotische waarde van de plant, hoe minder water de plant kan opnemen. Osm. waarde grondwater > Osm. waarde plant  plant sterft aan ‘uitdroging’

6 Lena Toubast


1.2 Transport bij de mens Het transportstelsel vervoert voedingsstoffen en gassen (O2, CO2) Dit is essentieel voor HOMEOSTASE: streven naar het constant houden van een inwendig milieu Samenstelling inwendig milieu: - Lichaamstemperatuur (± 37°C) - pH (± 7,4) - Glucosespiegel in het bloed (± 0,1%)

 Water Functies: - Belangrijk reagens bij chemische reacties in levende systemen

- Oplosmiddel (Vb. suiker in water lost op) - Grote warmtecapaciteit  Warmtebuffer Water kan veel warmte opnemen zonder daarbij te stijgen in temperatuur

7 Lena Toubast


ď ś Het hart Ligging: Mediastinum: Ruimte tussen 2 longholtes Hart, luchtpijp, slokdarm zijn hierin gelegen Pericard = hartzakje Pericardiale ruimte of holte - Bestaat uit binnenste en buitenste blad (Binnenste ligt aan het hart) - Tussen de 2 bladen ligt een holte met vocht: zakje moet wrijving opvangen zodat cellen van het hart niet beschadigd worden - Functie: stabilisatie Bouw: Wit weefsel op het hart: vetweefsel (bindweefsel)

Dikte linker- en rechterharthelft is verschillend: ďƒ Aorta is dikker omdat het bloed naar heel het lichaam wordt gebracht, dus bloed wordt krachtiger afgestoten uit de kamer. Bij de longslagader wordt het bloed enkel naar de longen gebracht.

8 Lena Toubast


Hartslag: - Prikkelgeleidingssysteem

Sinusknoop: Klein netwerk van hartspiercellen die in staat zijn zelf prikkels op te wekken en zo het hartritme bepalen Frequentie van de prikkels: sinusritme Atrioventriculaire knoop: AV-knoop kan zelf geen prikkels opwekken, maar zal door de prikkeling van de sinusknoop de prikkel vertragen en verder geleiden Nieuw ritme: Atrioventriculair ritme Bundel van His + vezels van Purkinje: Prikkels van de AV-knoop worden verder geleid tot de bundel van His. Deze splitst in 2 geleidende bundels waarvan de ene de prikkel over het linker ventrikel leidt en de andere over het rechter ventrikel. De bundel van His loopt verder tot de vezels van Purkinje. Samen leiden ze de prikkel over het hele hartmyocard waardoor ook de ventrikels zullen samentrekken.

9 Lena Toubast


- Hartcyclus

Diastole: wanneer afdeling met bloed vult en voorbereid op volgende hartcyclus (rust) Systole: stuwt bloed in hartafdeling (contractie) Verschijnsel harttonen: 10 Lena Toubast


- Ontstaan van harttonen 2 harttonen worden veroorzaakt door het sluiten van de hartkleppen S1: atrioventriculaire kleppen S2: semilunariskleppen Andere 2 tonen worden veroorzaakt door andere processen: S3: in de vroege diastole - Bij kinderen: snelle vulling van de kamers - Bij volwassenen: te veel volume na systole + volume diastole ďƒ bloed terugstromen naar boezems S4: meestal een pathologische aandoening Als kamers niet veerkrachtig genoeg zijn ďƒ  boezems trekken hard samen - Hartcapaciteit = vermogen van een ventrikel om per tijdseenheid een bepaalde hoeveelheid bloed weg te pompen Eenheid: hartminuutvolume HMV (hoeveel bloed het hart per minuut per ventrikel wegpompt) Afhankelijk van 2 factoren: - Hartfrequentie (aantal ventrikelcontracties per minuut) - Slagvolume per ventrikel (aantal ml per contractie weggepompt wordt) ď ś Bloedvaten en bloedsomloop

11 Lena Toubast


- Doorbloeding Bloedvaten hebben kleppen bij bloed die terugstroomt (tegen zwaartekracht in) Als deze kleppen niet meer functioneren  spataders Goede doorbloeding door de haarvaten in alle weefsels van het lichaam zorgt voor goede uitwisseling stoffen en gassen Factoren die de doorbloeding van het lichaam bepalen: 1. Druk Hoe hoger de druk, hoe groter de doorbloeding Kracht op niet samendrukbare vloeistof  ontstaan van vloeistofdruk Indien drukverschil  vloeistof stroomt van gebied met hogere naar gebied met lagere druk Hoe hoger het drukverschil, hoe groter de stroomsnelheid 2. (Perifere) weerstand Hoe hoger de weerstand, hoe kleiner de doorbloeding Weerstand = kracht die zich tegen de beweging verzet Totale perifere weerstand = weerstand van het gehele transportstelsel Bloed stroomt als drukverschil > perifere weerstand Perifere weerstand veroorzaakt door: - Vaatweerstand (regeling weerstand door wijziging diameter slagaders) Aanpassingen door zenuw-of hormoonstelsel van vaatweerstand van bloedvaten naar specifieke organen - Viscositeit van het bloed - Turbulentie - Bloeddruk

Systolische druk: maximale bloeddruk tijdens kamersystole Diastolische druk: minimale druk aan einde kamerdiastole Bloeddruk: systolische/diastolische druk vb. grafiek: 120/80 Polsdruk = systolische druk diastolische druk bv. grafiek: bijhart: 40, bij einde arteriolen: 0

12 Lena Toubast


- Uitwisseling in capilairen Diffusie (O2, CO2) Osmose (osmotische druk) Filtratie (Door hydrostatische druk worden H2O en opgeloste voedingsstoffen door wanden geperst)

ď ś Bloed - Plasma

13 Lena Toubast


- Vaste bloedbestanddelen 1. Rode bloedcellen of erytrocyten Functie: zuurstofgas binden Erytropoëse = vorming van rode bloedlichaampjes (opgebouwd uit eiwit hemoglobine)

Vorming van hemoglobine in het rode beenmerg Regulatie: Stamcellen worden omgevormd tot erytroblasten (jonge rode bloedcellen)  Reticulocyten  Rode bloedcellen

EPO (doping): Erytropoëtine Versnelling van het aanmaken van rode bloedcellen door bevordering deling van stamcellen

14 Lena Toubast


Bloedgroepen:

Bloedgroep A: Antigeen A en antilichaam B in het lichaam Kan bloed krijgen van A en van O, kan bloed geven aan A en AB Bloedgroep B: Antigeen B en antilichaam A in het lichaam Kan bloed krijgen van B en van O, kan bloed geven aan B en AB Bloedgroep AB: Antigeen A en B met geen antilichamen in het lichaam Kan bloed krijgen van A, B, AB en O (universele acceptor), kan enkel bloed geven aan AB Bloedgroep O: Antilichaam A en B met geen antigenen in het lichaam Kan bloed krijgen van O, kan bloed geven aan A, B, AB en O (universele donor)

15 Lena Toubast


Resussysteem: negatief/positief Bij zwangerschappen: opletten voor Eryhtroblasosis foetalis:

Iemand met het resusantigeen noemen we resuspositief. Iemand zonder het resusantigeen noemen we resusnegatief. Wanneer resuspositief bloed met resuspositieve erytrocyten in contact is gekomen, worden antistoffen aangemaakt. Anti-D-antistoffen kunnen de placenta passeren. Als het eerste kind resuspositief is van een resusnegatieve moeder, zijn er nog geen antistoffen aangemaakt. Bij de geboorte gaan de foetale bloedcellen in de moederlijke circulatie terechtkomen  aanmaak antistoffen  Kan gevaarlijk zijn voor een tweede resuspositief kind  Anti-D-profylaxe wordt toegepast: foetale bloedcellen in moederlijke circulatie vernietigen Als dit niet wordt toegepast: klontering rode bloedcellen van het kind  Zuurstoftekort

16 Lena Toubast


Transport van gassen in ons lichaam: Bloed stroomt door het hele lichaam want alle cellen hebben O2 nodig voor celademhaling ďƒ Gaswisseling nodig

17 Lena Toubast


2. Witte bloedcellen of leukocyten Functie: verdediging van het lichaam aangemaakt in het rode beenmerg en het lymfatische weefsel 3 groepen:  Granulocyten 1 – Neutrofielen: fagocyteren van bacteriën bij geïnfecteerde wonden 2 – Esofielen: vallen een voorwerp met antistoffen aan en geven giftige stoffen af 3 – Basofielen: migreren naar verwondingen (geven granulen af met heparine en histamine), ontstekingsreactie, bloedstolling tegengaan  Monocyten Agressieve fagocyten  Lymfocyten Migreren uit bloedcirculatie naar weefsels en terug 3 typen: T-cellen, B-cellen, NK-cellen Beschermen lichaam en weefsels maar zonder fagocytose: - Vallen lichaamsvreemde en afwijkende lichaamscellen aan - Geven antistoffen aan bloed af

18 Lena Toubast


3. Bloedplaatjes of trombocyten Functie: bloedstolling tegengaan Bevatten tromboplastinogeen: de stof komt vrij bij beschadiging van het celmembraan  Bloedstolling of coagulatie Eerste 3 fases van de bloedstolling worden hemostase of bloedstelping genoemd: 1 – Lokale vasoconstrictie (samentrekking van de spieren) 2 – Propvorming (gevormd door bloedplaatjes o.i.v. een bepaalde stollingsfactor) 3 – Bloedstolling (coagulatiefase) + weefselherstel Coagulatiefase:

19 Lena Toubast


 Lymfestelsel en immuniteit

Transport van poriën tussen endotheelcellen: Bloeddruk ↑ : Bloed wordt uit de wand van het capillair geduwd Bloeddruk ↓ : Bloed wordt in het capillair getrokken

Bloeddruk of Capillaire hydrostatische druk Verplaatsingvloeistof wordt naar het lymfestelsel gebracht Functies lymfestelsel: - Productie, onderhoud en transport van lymfocyten - Terugkeer van vloeistoffen en opgeloste deeltjes van perifere weefsels naar het bloed - Transport van hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen vanuit de plaats van opname in de weefsels naar het bloed. vb. meeste vetten via lymfevaten in bloed Lymfocyten: Komt voor in bloed (25%) en in lymfoïde organen en weefsels Types: - T-cellen (Thymus): Cytotoxische en regulerende T-cellen - B-cellen (Beenmerg) Deze worden omgevormd tot plasmacellen die antistoffen vormen - NK-cellen (Natural Killer) Lymfoïde weefsels: Bindweefsels met lymfocyten maar NIET omgeven door kapsel

20 Lena Toubast


Lymfoïde organen: Ring van Waldeyer-Hartz: Neusamandel, keelamandel, tongamandel en buis van Eustachius (lymfatisch weefsel errond) Thymus (zwezerik): Belangrijke taak bij de afweer tot de puberteit, zelfde bouw en werking als een lymfeknoop, buiten de grote hoeveelheid thymocyten (kunnen zich ontwikkelen tot T-cellen) Milt: Tussenstation in de bloedcirculatie, het is een bloedfilter en bloedreservoir Platen van Peyer: Lymfatisch weefsel verspreid over de dunne darm, ze vallen bacteriënen en lichaamsvreemde stoffen aan Lymfeknopen: Werkt als een filter: bacteriën, dode of geïnfecteerde cellen en andere lichaamsvreemde stoffen blijven in het merg steken en worden door fagocytose onschadelijk gemaakt. - Immuniteit Niet-specifieke immuniteit: Aangeboren, tegen alle mogelijke ziekteverwekkers

Eerste afweerlinie

Tweede afweerlinie

Specifieke immuniteit: Ontwikkelt na contact met specifieke ziekteverwekker Humorale immuniteit:  immunoglobulinen (gevormd door B-cellen) vallen antigenen aan die vrij circuleren in bloed, lymfe, weefselvocht ('humor' = lichaamsvocht). Cellulaire immuniteit: T-cellen vallen abnormale of geïnfecteerde lichaamscellen aan.

21 Lena Toubast


Reactie van cytotoxische T-cellen:

Antigeenpresentatie

T-cel activering

Celgemedieerde of cellulaire immuniteit

T-geheugencellen: Worden meteen omgezet tot cytotoxische T-cel indien antigeen 2de keer verschijnt

22 Lena Toubast


Reactie van B-cellen op blootstelling aan Ag:

23 Lena Toubast


1.3 Transport bij andere gewervelde dieren  Mens

Dubbele Gesloten Volledig gescheiden Bloedsomloop

 Vissen Enkele Gesloten Bloedsomloop Trage bloedsomloop  Wisselende lichaamstemperatuur  Amfibieën (kikker)

Dubbele Gesloten Onvolledig gescheiden Bloedsomloop Gemengde bloedsomloop  Wisselde lichaamstemperatuur  Winterslaap

24 Lena Toubast


 Reptielen

Dubbele Gesloten Onvolledig gescheiden Bloedsomloop Gemengde bloedsomloop  Wisselende lichaamstemperatuur  Inheemse reptielen: winterslaap

 Vogels

Dubbele Gesloten Volledig gescheiden Bloedsomloop

Bloedsomloop vergelijkbaar met zoogdieren, maar de aorta buigt naar de andere kant

25 Lena Toubast


Thema 2: Uitscheiding 2.1 Inleiding  Belang van het uitscheidingsstelsel  Verwijdering van organische afvalstoffen  Regulering bloedvolume en bloeddruk - Aanpassen vochtverlies - Afgeven cardiovasculaire hormonen HOMEOSTASE  Regulering ionenconcentratie in plasma  Stabilisering pH in bloed  Behoud van voedingsstoffen  Recretie Het verwijderen van H2O en zouten die in overmaat waren opgenomen.  Excretie Het verwijderen van N-houdende afvalstoffen (giftig) die in het lichaam zelf gevormd zijn, zoals ammoniak, ureum, urinezuur en creatine. De homeostase wordt voornamelijk geregeld door de nier en via de urineproductie. Andere excretieproducten en organen die voor de excretie zorgen: - CO2: excretie via ademhalingsorganen - H2O: excretie via nier, huid, spijsverteringsorganen en ademhalingsorganen. - Galpigment: excretie via de lever (gal)

2.2 Bouw en werking van het urinewegstelsel  Bouw van de nier Nieren liggen achter de zwevende ribben, niet het enige wat de nieren zal stabiliseren: Nier wordt ook opgehangen door vetweefsel en daardoor ook gestabiliseerd Bijnieren: vormen o.a. adrenaline Nierslagader: taaier, dikker dan de nierader Nierpapil: topje van een nierpiramide, mondt uit in de nierkelk Nierkelk: mondt uit in het nierbekken

26 Lena Toubast


- Nefron

Een nefron is een functionele eenheid: staat in voor de bloedzuivering en urineproductie.

Nierlichaampje of lichaampje van Malpighi: Binnenste blad van het kapsel van Bowman zit geplakt tegen de glomerulus.

Richting gekronkeld nierbuisje van de eerste orde

27 Lena Toubast


 Werking van de nier

- Ultrafiltratie:  = bloed via endotheelwand van capillairen en het doorlaatbare binnenblad van het kapsel van Bowman in kapselholte geperst.  In rust: 1l/min bloed in nefronen  Bloedstroom via slagaders zeer groot: bloeddruk hoger dan normaal  Voorurine heeft hetzelfde kleur als bloedplasma want bloedeiwitten zijn te groot voor endotheel  Voorurine bevat water, glucose, aminozuren, elektrolyten, afvalstoffen …  Filtratiedruk: druk waaronder bloed door het endotheel geperst wordt bestaat uit 3 krachten: - Bloeddruk - Osmostische druk - Kapseldruk  Passief transport: kost geen energie, dus geen O2  Niet selectieve filtratie  Gebeurt door lichaampjes van Malpighi  Gesorteerd op grootte, niet op bruikbaarheid  FILTRATIEDRUK = BLOEDDRUK – OSMOTISCHE DRUK – HYDROSTATISCHE DRUK VLOEISTOF KAPSEL

Colloïd osmotische druk en kapseldruk werkt in de tegengestelde richting als de bloeddruk  P (filtratie) < P (bloed)

Stroomrichting van het bloed is omgekeerd aan de baan van de voorurine naar de lis van Henle

28 Lena Toubast


- Reabsorptie:  Nuttige bestanddelen van het voorurine er terug uithalen  Actief transport: nodige stoffen terug in het bloed  Selectief proces  O2 is nodig (actief transport)  Gebeurt in de procimale tubulus, Lis van Henle, de distale tubulus en de verzamelbuis

29 Lena Toubast


- Excretie  Vanuit 2de capillair netwerk kunnen bepaalde afvalstoffen aan het nierkanaaltje afgegeven worden  Actief transport: selectief proces  Treedt op in de procimale tubulus, Lis van Henle en distale tubulus  Richting getransporteerde deeltjes tegengesteld aan geresorbeerde deeltjes  99% van voorurine terug opgenomen in het bloed  Parathormoon (geproduceerd bij de schildklier) bevordert reabsorptie uit distale tubulus van calcium- en magnesiumionen en de excretie van fosfaationen

30 Lena Toubast


 Regeling van de nierfunctie HOMEOSTASE VERSTOORD BLOEDDRUK DAALT

BLOEDDRUK STIJGT

Filtratie neemt af  Geen voorurine meer

Hart maakt ANP aan (Artriale Natri-uretische peptide)

↓ ↓ Juxtacompex stuurt renine in het bloed ↓ Renine vormt angiotensine I en die vormt angiotensine II ↓ 1. Angiotensine II vernauwt de bloedvaten  Toename bloeddruk 2. Angiotensine II maakt aldosteron aan  Grotere reabsorptie van Na+  Dus osmose  Toename bloeddruk

1. ANP verhoogt Na+-afgifte in urine  Osmose  meer waterverlies (H2O in urine)  Afgenomen dorstgevoel  Afname bloeddruk 2. ANP blokkeert de hormonen die de bloeddruk doet stijgen (ADH, renine, aldosteron)  Afname bloeddruk 3. ANP zet de bloedvaten uit  Afname bloeddruk

3. Angiotensine II zorgt voor neurale reacties: ↓ ↓ Dorstgevoel Toename ADH ↓ ↓ Drinken Doorlaatbaarheid v. 2e kronkelbuisje ↓ ↓ Toename bloeddruk Toename bloeddruk - RAAS-systeem (Renine-angliotensine-aldosteronsysteem): bij BLOEDDRUK DAALT: renine afscheiden in het juxtacomplex. Inactive angiotensinogeen wordt omgezet in angiotensine. - ANF (Atrialee natriumretrische factor): bij BLOEDDRUK STIJGT: geproduceerd in atria, werkt het RAAS-systeem tegen (productie van renine zal verminderen). - ADH (Antidiuretisch hormoon): geeft het dorst- en hongergevoel, zorgt ervoor dat er meer water in het bloed gezogen wordt. Hierdoor verdunt het bloed, verlaagt het zoutgehalte, verhoogt het bloedvolume en de bloeddruk.

31 Lena Toubast


ď ś Urinewegen en urinelozing

Na ultrafiltratie, reabsorptie en excretie is er urinelozing (of diurese), afhankelijk van: - Hoeveelheid opgenomen vocht - Hoeveelheid opgenomen zouten - Hoeveelheid vocht en zouten die je verliest door transpiratie

32 Lena Toubast


ď ś Vocht-, mineralenbalans & zuur-base-evenwicht - Homeostase op vlak van vocht:

- Homeostase op vlak van mineralen: Opname mineralen: voedsel, dranken Afgifte mineralen: urine, zweet, feces - Homeostase op vlak van zuur-base-evenwicht:

33 Lena Toubast


2.3 Uitscheiding bij andere gewervelde dieren  Zoetwatervissen  Water gaat in de vis via osmose (hogere inwendige osmotische waarde)  te veel aan water  veel urineproductie  veel lichaampjes van Malpighi  Zouten gaan buiten door diffusie (passief)  Vis kan bij overvloedige omgeving van water ammoniak uitscheiden zonder eerst ureum te maken  Zoutwatervissen  Hogere uitwendige osmotische waarde  Neiging veel water te verliezen  Veel water inslikken  Zouten gaan buiten door diffusie (passief)  Scheiden zouten uit via kieuwen en urine om niet te veel zouten in hun lichaam te hebben  Geen ammoniak, wel ureum  Minder lichaampjes van Malpighi

34 Lena Toubast


 Amfibieën  Veel lichaampjes van Malpighi, korte Lis van Henle  2 levensfasen: 1. Larvaal stadium: water (ammoniak: geen probleem) 2. Op het land: ureum produceren  Hoe meer water ze kwijt moeten, hoe meer lichaampjes van Malpighi  Kameleon  Weinig lichaampjes van Malpighi  Waterrecuperatie in de cloaca  Urinezuur gevormd uit ammoniak: lost slecht op in water, dus uitscheiden met uitwerpselen  Krokodil  Meer lichaampjes van Malpighi dan een kameleon  Zitten meer in water, dus meer ammoniak en ureum  Geen urinezuur  Vogels  Extra water opnemen in cloaca  Vorming urinezuur (witten delen van de uitwerpselen)  Bouw van de nier: lange Lis van Henle + waterrecuperatie in de cloaca

35 Lena Toubast


Thema 3: Voortplanting 3.1 Basisbegrippen i.v.m. voortplanting

ď ś NucleĂŻnezuren - DNA (Desoxyribose):

Een DNA-molecule bestaat uit 2 nucleotidestrengen: dubbele helix DNA zit in de chromosomen die zich in het kernplasma bevinden. Ze zijn erfelijk materiaal en bevatten codes voor de eiwitsynthese.

36 Lena Toubast


Wanneer er in een organisme een celdeling plaatsvindt, moet het DNA verdubbeld worden. Dit gebeurt a.d.h.v. replicatie:

 Dubbele helix wordt gesplitst door het enzym Helicase

 Nucleotiden worden aan elkaar gekoppeld door het enzym DNA-polymerase  Enzym schuift in 3’  5’ richting  DNA-stukjes worden aan elkaar gekoppeld door het enzym Lygase - RNA (ribose): 3 soorten RNA: rRNA (ribosomaal), tRNA (transfer), mRNA (messenger, boodschapper)

37 Lena Toubast


 Eiwitsynthese Zowel DNA als RNA spelen een grote rol in de eiwitsynthese (zie extra blad):

1. 2. 3. 4. 5. 6.

DNA in de kern dient als matrijs voor de opbouw van mRNA mRNA gaat vanuit de kern naar het cytoplasma Codon mRNA vastgehecht aan een ribosoom tRNA molecuul met een aminozuur Anticodon

7. 8.

tRNA hecht zich op het ribossom even aan mRNA Het ribosoom loopt het mRNA af, waarbij nieuwe aminozuren aan de polypeptideketen worden gehecht 9. tRNA gaat weer terug om een nieuw aminozuur aan zich te hechten 10. Losse aminozuren in het cytoplasma 11. Nieuw gevormd eiwit

Wat gebeurt er met het eiwit na translatie?  Secretie vb. insuline en andere hormonen, eiwitten voor structuur beenderen, transporteiwitten in bloed …  Eiwit wordt gebruikt door de cel vb. bouwsteen, zorgen voor functie cel, enzymen …  Chromatinevezel

Chromatinevezel is opgebouwd uit de dubbele DNA-helix die telken rondom 8 nucleosomen ligt. Tussen de nucleosomen en de DNA-helix liggen eiwitten (histonen) die structuur geven.

38 Lena Toubast


ď ś Chromosoom Na replicatie en voor een cel zich gaat delen zullen de chromatidedraden zich spiraliseren tot een chromosoom. Deze staafvormige lichaampjes bestaan uit 2 identieke chromatiden die ter hoogte van het ccentromeer vastgehecht zijn. 3 verschillende bouwtypes (afhankelijk van de ligging van het centromeer):

Een cel vna het menselijk lichaam zal telkens 23 paren of 45 chromosomen bevatten. Van deze 23 paar chromosomen zijn er 22 paar autosomen en 1 paar geslachtschromosomen. (Geslachtschromosomen: XY bij de man en XX bij de vrouw)

ď&#x192; Karyogram

39 Lena Toubast


Van chromatinevezel naar chromosoom:

ď ś Celcyclus Belang van celdeling: - Ontwikkeling organisme (groei) - In stand houden organisme (cellen sterven af) - Herstellen van beschadigd weefsel - Verhouding van volume en oppervlakte van de cel optimaal houden = Levenscyclus van de gemiddelde cel G1 (groeifase 1): Streven naar een terug normale afmeting: toename cytoplasma, opnemen van water, bijmaken van celmembranen en organellen. S ( Synhtese): DNA verdubbelen door DNA-replicatie. G2 (groeifase 2): Cel bereidt zicht voor op een nieuwe deling: hoeveelheid membranen neemt toe. Mitose (celdifferentiatie): Cel gaat delen en gaat een specifieke functie uitoefenen (voor sommige cellen de eindfase, voor andere nog vermogen om verder te delen).

40 Lena Toubast


ď ś Mitose Bij de mitose of kerndeling zal eerst het kernmateriaal van de moedercel gesplitst worden, zodat de twee dochterkernen identiek DNA bevatten. Dit is de kerndeling of de karyokinese. Daarna splitst de moedercel zich in 2 dochtercellen. Dit is de celdeling of cytokinese. We maken onderscheid tussen centripetale celdeling (cellichaam wordt ingesnoerd, dierlijke cel) en centrifugale celdeling (nieuwe binnenwand en fragmoplast wordt gevormd, plantaardige cel). Mitose is verdeeld in 4 fasen: 1. Profase

Vanaf de chromosomen als afzonderlijke structuren zichtbaar zijn: ď&#x192; DNA-replicatie: 2 zusterchromatiden aan elkaar verbonden op het centromeer Als chromosomen zichtbaar worden: - Verdwijnen kernlichaampjes - 2 paren centriolen verplaatsen naar tegenovergelegen polen van de celkern - Microtubili (spoeldraden) loopt van het ene naar het ander centriolenpaar - Kernmembraan verdwijnt - Chromatiden hechten aan spoeldraden 2. Metafase

- Begin: zusterchromatiden gaan naar equatorvlak (centrale zone) - Einde: als zusterchromatiden in equatorvlak liggen

41 Lena Toubast


3. Anafase

- Begin: centromeer van zusterchromatidenparen splitst en ze scheiden zich van elkaar - Dochterchromosomen worden naar tegenovergelegen uiteinden van de cel getrokken - Einde: dochterchromosomen komen aan bij centriolen 4. Telofase + cytokinese

- Cel bereidt zich voor op terugkeer naar interfase - Kernmembranen vormen opnieuw + kern wordt groter - Chromosomen ontrollen zich - Kernlichaampjes verschijnen weer - Cel net zoals iterfase ď&#x192; Dierlijke cel deelt zich door insnoering ď&#x192;  Plantaardige cel deelt zich door de vorming van een middenlamel Belang van mitose: 1. Ontwikkeling van een organisme uit een bevruchte eicel (groei). 2. In stand houden van het organisme (cellen sterven voortdurend af) 3. Herstellen van beschadigd weefsel 4. Verhouding volume/oppervlakte van de cel optimaal houden. 42 Lena Toubast


3.2 Ontwikkeling en voortplanting bij zaadplanten ď ś Mitose en de primaire groei van zaadplanten Plaats waar de mitose gebeurt bij zaadplanten De celdeling in zaadplanten vindt plaats in het deelweefsel of meristematisch weefsel. Op andere plaatsen zal er celstrekking en celdifferentiatie plaatsvinden. Eigenschappen van deelweefsel: - Isodiametrische cellen met dunnen wand - Geen intercellulaire ruimten - Grote celkern - Geen plastiden en geen kristallen - Kleine vacuoles en veel cytoplasma We kunnen 2 soorten deelweefsels onderscheiden: - Primaire meristemen: ontstaan door ononderbroken delingen uit cellen van embryo, zorgen voor lengtegroei. - Secundaire meristemen: ontstaan uit volgroeide cellen die weer beginnen te delen, zorgen voor decundaire diktegroei. Ontwikkeling topmeristeem in worteltop Het promeristeem ontstaat uit een groepje van initiale cellen. Dit meristeem zal naargelang de plaats een andere functie hebben: - Naar onder: nieuwe cellen voor het wortelmutsje - Naar de rand: nieuwe cellen voor de epidermis - Naar binnen: nieuwe cellen voor de schors - Naar het midden: nieuwe cellen voor transportvaten Ontwikkeling van topmeristeem in stengeltop

43 Lena Toubast


 Mitose en de secundaire groei van tweezaadlobbigen en naaktzadigen Secundaire diktegroei komt niet voor bij éénzaadlobbigen, zij hebben geen cambium. - Secundaire diktegroei van een wortel Tussen het floëem en het xyleem wordt uit het parenchym een bandje secundair meristeem gevormd, het cambium. Het cambium zal naar binnen toe secundair xyleem vormen en naar buiten toe secundair floëem vormen. Gevolg: plaatsgebrek in cambium  mergparenchym verhoudt  druk op schorsparenchym  Schorsparenchym scheurt  Ontstaan van nieuw secundair meristeem: het kurkcambium (periderm) - Secundaire diktegroei van een stengel Het cambium zet het secundair floëem naar buiten en het secundair xyleem naar binnen. Deze vormen groeiringen die overeenkomen met een groeistilstand (winter, droogte …). In de buitenste schorslagen is een kurkcambium ontwikkeld dat meegroeit als de stam dikker wordt. De kurkcellen kunnen deze diktegroei niet volgen en gaan barsten vertonen: de korst.

44 Lena Toubast


 Mitose en de ongeslachtelijke voortplanting - Vegetatieve voortplanting Een nieuw individu ontstaat uit cellen die niet gespecialiseerd zijn in de voortplanting van het organisme. (Bv. cel uit blad, cel uit stengel …) - Ongeslachtelijke voortplanting Een nieuw individu ontstaat uit één gespecialiseerde voortplantingscel of spore. - Uitloper: Na de bloei ontstaan bovengronds, lange zijscheuten (stengels) die gaan wortelen en nieuwe planten vormen. De tussenknoopstukken sterven af. - Broedknop: Op de bladrand ontwikkelen zich knoppen die uitgroeien tot kleine plantjes die spontaan loskomen. - Wortelstok: De ondergrondse stengel bevat reservestoffen. Deze worden gebruikt door de nieuwe plantjes die uit de okselknoppen op de wortelstok ontstaan. Bladeren zijn gereduceerd tot kleine schubben. - Stengelknop: Opgezwollen, ondergrondse stengel met reservevoedsel. Naakte stengelknollen worden beschermd door een kurklaagje. Gerokte stengelknollen worden beschermd door vliezige delen, de oude bladscheden. - Wortelknollen: Opgezwollen bijwortels met reservevoedsel. Wortelknollen staan in verbinding met een knop die dient voor de voortplanting. - Bol: In bollen worden klisters, okselknoppen, gevormd die kunnen uitgroeien tot nieuwe planten. De bladeren (rokken) bevatten reservevoedsel. - Okselknolletjes: Verdikte knoppen in de bladoksels groeien uit tot nieuwe planten. - Ent: Sommige veredelde plantensoorten kunnen niet meer uit zaad gekweekt worden. Op 3 mogelijke manieren wordt aan vegetatieve voortplanting gedaan: oculeren, copuleren en spleetgriffelen. Oculeren: afsnijden van het oog, t-snede maken in de onderstam, dichtbinden van oculatie. Copuleren: ent ongeveer even dik als onderstam. Spleetgriffelen: onderstam is veel dikker dan de ent. - Stek: Het eindstuk van een afgeknipte scheut gaat wortelen. Stekken gebeurt soms ook bij een deel van de wortel of blad. - Aflegger: Takken van heesters worden omgebogen zodat een gedeelte achter de top in de aarde komt. Op de knopen ontstaan bijwortels. De verbindingstak wordt doorgesneden.

45 Lena Toubast


 Bespreking van de meiose In de meiose worden er uit 1 diploïde cel 4 haploïde cellen gevormd. Wanneer dan bij de bevruchting twee dergelijke haploïde cellen met elkaar versmelten, ontstaat er een zygote die opnieuw diploïd is. De verdubbeling van de kernfase bij geslachtelijke voortplanting wordt op die manier voorkomen. Het doel van de meiose is dus om de 23 chromosomenparen in twee te delen, zodanig dat elke nieuwe vel een complete set van 23 chromosomenparen heeft. De meiose omvat 2 kerndelingen. In de meiose 1 vindt de splitsing van het aantal chromosomen plaats en in meiose 2 een mitose. Begin profase 1:

Diploïde cel met DNA onder de vorm van chromatidedraden. DNA gekopieerd (door interfase).

Profase 1: Homologe chromosomen gaan in synaps naast elkaar liggen:

Binnen de recombinatieknoop worden DNA-chromatiden (niet zusterlijk) gecombineerd door ‘crossing-over’. (= menging genetisch materiaal ouders) Metafase 1:

Chromosomen leggen zich per paar. 2 zusterchromatiden die aan spoeldraden worden vastgehecht. (aan centromeer vastgehecht)

46 Lena Toubast


Anafase 1:

Chromosomen worden met zusterchromatiden van elkaar getrokken. Aantal chromosomen wordt gehalveerd.

Telofase 1:

Cel gaat insnoeren: 2 dochtercellen met elk een haploĂŻde hoeveelheid DNA. Cel gaat verder delen Resultaat: 2 haploĂŻde dochtercellen per moedercel

Profase 2:

Zoals de mitose behalve dat er geen paren meer zijn.

Metafase 2:

Chromosomen onder elkaar met centromeer aan spoeldraden bevestigd.

47 Lena Toubast


Anafase 2:

Zusterchromatiden uit elkaar en verplaatsen hun naar hun pool. We krijgen nu afhankelijke dochterchromosomen.

Telofase 2:

Spoelfiguren afgebroken, opnieuw celsnoering. Vormen tussenwanden en kernomhulsel.

1 diploïde  4 haploïde

48 Lena Toubast


 Bestuiving Bestuiving: het terechtkomen van stuifmeel op de stempel van de bloem. Later kan hieruit een bevruchting volgend. - Soorten bestuiving: 1. Buurbestuiving (op eenzelfde bloem) 2. Kruisbestuiving (proberen buur- en zelfbestuiving te vermijden omdat ander de planten lange termijn niet goed aanpassen aan eventuele veranderende omstandigheden 3. Zelfbestuiving (Binnen de bloem zelf, bv. erwt tarwe, vlas) 1

2

Zelfbestuiving Tweehuizig (= op plant enkel mannelijke of vrouwelijke bloemen) Eenhuizig (= op plant zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen

3

Buurbestuiving

Kruisbestuiving

x (bv. wilg)

x

x

- Soorten bestuiving naargelang de factor die zorgt voor bestuiving: 1. Insectenbestuiving  veel bloemen in een bloemgestel zijn aantrekkelijk voor dieren  Hommel, zweefvlieg  Vlinder (bezoeken bloemen waar nectar diep ligt, ze hebben een lange tong)  Aanpassingen aan insectenbestuiving: - Bloeiwijzen met talrijke, gegroepeerde bloemen - Vorm en/of kleurenpatroon en/of geur van de bloem lokt insecten - De bloemen hebben nectarklieren (soms in een spoor) - De positie van de nectarklieren, helmknoppen en stempels bevordert het overdragen van stuifmeel naar de insect en van het insect naar de stempel van de bloem - Stuifmeel blijft gemakkelijk vasthangen aan het insect (door uitsteeksels, kleverigheid) - Stempels van bloemen zijn kleverig of kunnen door uitsteeksels gemakkelijk stuifmeel vasthouden Ook zoogdieren en kolibri’s kunnen bestuiven: Insecten en andere dieren hebben niet de bedoeling om te bestuiven: ze zijn op zoek naar voedsel of een schuilplaats en worden gelokt door geuren, vormen en kleuren. 49 Lena Toubast


2. Windbestuiving  Hazelaar (eenhuizige plant): mannelijke katjes produceren veel droog en licht stuifmeel Bij veel wind: haperen aan elkaar en zo wordt het stuifmeel in wolkjes verspreid Vrouwelijke bloeiwijze: stempels steken ver uit de bloem en zijn kleverig  Maïs: mannelijke bloeiwijzen bovenaan de stengel (in de wind) Vrouwelijke bloeiwijzen lager op plant, hebben lange, ver uit de bloem stekende kleverige stempels  Smalle weegbree: de bloeiwijzen steken hoog uit boven het wortelrozet  Den: produceren zeer veel stuifmeel  Aanpassingen aan windbestuiving: - Bloemen waar de wind veel vat op heeft: bovenaan de plant uitstekend - Bloei vooraleer er bladeren op de plant staan - Vele, grote, beweeglijke mannelijke bloeiwijzen of uitstekende beweeglijke helmknoppen - Lange, uitstekende kleverige stempels, productie van veel, droog en licht stuifmeel 3. Bestuiving door water  Niet gericht, kleine kans op bestuiving  Meeldraadvlotjes bereiken drijvend de stempel van de bloem, die net aan het wateroppervlak bovendrijft  Geslachtelijke voortplanting van naaktzadigen

Aan de top staan vrouwelijke bloemgestellen: KEGELS  Roodgekleurd en vallen weinig op Centrale as waarop spiraalsgewijs de vruchtbladen staan (schubvormig) Vruchtblad of zaadschub draagt aan bovenzijde 2 vrijliggende zaadbeginsels = Naaktzadige plant  Vruchtblad en zaadbeginsels omsluiten niet volledig

50 Lena Toubast


Onderste takken: gele, mannelijke bloemgestellen: KEGELS  Centrale as waarop spiraalsgewijs de stuifmeelbladeren staan ingeplant  Stuifmeelblad draagt aan onderkant van de steel 2 stuifmeelzakjes die stuifmeel via lange spleet vrijlaten

Vroege lente  Meiose stuifmeelkorrel in stuifmeelkorrelmoedercellen  Stuifmeelkorrel deelt (in dochtercellen)  1 van beide dochterkernen vormt afgeplatte eerste prothaniumcel die gaat degenereren  2e prothaniumcel verdwijnt  Ontstaan van antheridiumcel  Door bestuiving deelt zich in generatieve cel en grote buiscel  Bestuiving

Kiemwit wordt gevormd uit kiemwitcellen + pollenbuis herneemt haar groei. 51 Lena Toubast


 Zygote ondergaat verscheidene delingen: 16 embryocellen (4x4) uit iedere cel kan embryo ontstaan  1 embryo: andere degenereren  Voeding boven suspensor

 Embryo = worteltje + stengeltje + krans zaadlobben + pluimpje in het midden Zaadhuid = kiemwit + integument Zaadschubben verhouten  Scheiden vliezige vleugeltjes  Verspreiden zaad

 Geslachtelijk voortplanting van bedektzadigen

52 Lena Toubast


Stuifmeelkorrelcellen ď&#x192; Evenwijdig met de randen en omgeven door steriele cellen (4 groepen)

Ze ondergaan elk een meiose waardoor telken 4 haploĂŻde stuifmeelkorrels ontstaan

Stuifmeelkorrels zijn oorspronkelijk opgeborgen in 4 stuifmeelzakjes, die later 2 aan 2 zullen versmelten en helmhokjes zullen vormen.

Nog voor de bestuiving deelt de kern van de stuifmeelkorrel zich in een kleine spermatogene cel en een grote buiscel. Vrijkomende pollenkorrels bevinden zich bij 2/3 van de bedektzadigen in dit tweecellige stadium. Spermatogene cel zit ingesloten door buiscel. De buiskern groeit ook mee met de buiscel.

53 Lena Toubast


Spermatogene cel wordt door mitose 2 spermakernen. Ondertussen groeit de buiscel verder. De pollenbuis wordt langer en groeit naar de zaadlijst met het vruchtbeginsel. De opening in het zaadbeginsel is het poortje.

Op de zaadlijsten van een zeer jonge stamper, in het ovarium groeien 1 of meer heuveltjes uit, die weldra de nucellus van het zaadbeginsel vormen.

Tegelijkertijd ontwikkelt zich, vanaf de basis die de nucellus, een ring vormige wal die de nucellus gaat omhullen, weldra gevolgd door een 2e gelijkaardige uitgroeiing. Zo worden de 2 zaadbeginselvliezen gevormd, die aan de top een zeer klein poortje openlaten.

54 Lena Toubast


De stand van het zaadbeginsel is meestal omgekeerd, zelden recht. In de nucellus differentieert zich, tijdens de vele celdelingen, 1 grotere embryozakmoedercel. Die cel ondergaat een meiose, maar van de 4 haploĂŻde cellen zal slechts de cel die zich het verst van het poortje (embryozakcel) bevindt, tot embryozak uitgroeien en overige 3 degenereren.

In de embryozakcel deelt de kern 3 opeenvolgende keren zonder dat celvorming plaatsneemt. Meestal groeperen 3 van de 8 kernen, enkel omgeven door cytoplasma, zich aan de kant van het poortje, de middelste is de eicel en wordt geflaneerd door 2 helpstercellen. In het midden van de embryozak liggen 2 poolkernen die later versmelten tot diploĂŻde keimwitkernen. Aan het andere uiteinde van de embryozak (3 kernen + cytoplasma) worden antipoden gevormd. Embryozak is hierna klaar voor bevruchting

Dubbele bevruchting:

55 Lena Toubast


ď ś Studie van vruchten en zaden, de kieming

Hoe is een zaad opgebouwd? 1. Zaadhuid 2. Navel 3. Poortje 4. Knobbeltje 5. Zaadlob 6. Blaadjes 7. Worteltje 8. Stengeltje 6 + 8 = Pluimpje

Kiem

Vergelijking tamme kastanje en paardenkastanje: Kastanje Bolster Leerachtig omhulsel Gepelde kastanje

TAMME KASTANJE Vrucht Napje = uitgegroeide schutblaadjes Vruchtwand 1 zaad (pel= zaadhuid)

PAARDENKASTANJE Zaad Vruchtwand en doosvrucht Zaadhuid Zaadkern

56 Lena Toubast


Verspreiding van vruchten: 1. Verspreiding door plant zelf  Met kracht weggeslingerd (bv. vlijtig vliesje) - Door rijpheid openbarsten - Door aanraking: zaden via opening wegspuiten  Boren vruchten in de grond (bv. dopvrucht van de reigersbek)  delen laten weggroeien van de zon in muren/rotsspleten (bv. muurleeuwenbek) 2. Verspreiding door de wind Vruchten zijn klein en licht of voorzien van oppervlaktevergroting  Pluisjes (vb. dopvrucht van de paardenbloem, klein hoefblad, bevorderen windverspreiding)  Lange haartjes (vb. bosrank)  Vleugeltjes (vb. berk, es, haagbeuk, den, spar, linde)  Wind waait zaden uit de doosvrucht (vb. papaver) 3. Verspreiding door dieren  Verspreiding via uitwerpselen van vogels en zoogdieren Kenmerken: - Kleurrijk en/of blinkend - Smakelijk, voedselrijk - zaden beschermd door stevig laagje of harde zaadhuid Voorbeelden: - Amerikaanse vogelkers (bospest) - Vlier (steenvrucht) - Appel (pitvrucht) - Lijsterbes (pitvrucht) - Bosaardbei, schijnvrucht (dopvruchten op vlezige bloembodem) - Bitterzoet (bes) - Kamperfolie (bes) - Braam (samengestelde steenvrucht) - Framboos (samengestelde steenvrucht)  Uitwendige verspreiding door zoogdieren en vogels Kenmerken: - weinig opvallende kleur - Aangename geur - Vallen bij rijpheid op de grond - Tamelijk groot - Harde cruchtwand of zaadhuid Voorbeelden: - Hazelaar (noot) - Eik (noot) - Beuk (noot) - Paardenkastanje (doosvrucht met kleppen) - Walnoot (steen van steenvrucht) - Tamme kastanje (noot)

57 Lena Toubast


ď&#x192; Verspreiding door vasthechting aan dieren en mens Kenmerken: - Voorzien van stekelige aanhangsels of haakjes - Licht en droog - Kleverig of verslijmen bij rijpheid Voorbeelden: - Dubbele splitvrucht van kleefkruid - Dubbele splitvrucht van peen - Klit (dopvrucht) - Tandzaad (dopvrucht) - Kruipertje (graanvrucht) - Maretak 4. Verspreiding door het water Zaden/vruchten bevatten in hun wanden luchtholtes of zijn beschermd met een waterdichte laag of hebben een slijmachtig oppervlak. Sommige vruchten kunnen zonder speciale aanpassing op het water drijven en erdoor worden meegesleurd en verspreid. Vb. Gele lis

Belang van verspreiding: Door verspreiding van vruchten en/of zaden kan het areaal (leefgebied) uitgebreid worden.

58 Lena Toubast


3.3 Voortplanting en ontwikkeling bij de mens  Geslachtskenmerken - Primaire geslachtskenmerken: Deze kenmerken zijn vanaf de geboorte aanwezig (bv. vagina, penis) - Secundaire geslachtskenmerken: Deze kenmerken zijn aanwezig onder invloed van hormonen tijdens de groei tot ontwikkeling, dit start in de puberteit (vb. borsten, baardgroei)  Voortplantingsstelsel van de man

- Teelballen: produceren van zaadcellen - Bijballen: gekronkelde buis, opslag van zaadcellen - Zaadleider: vanaf wanneer de buis niet meer kronkeld In het bindweefsel tussen de kronkelende zaadbuisjes liggen cellen van Leyding, die zorgen voor de productie van testosteron en worden afgegeven door het bloed (transportweg voor hormonen) - Cowperklier: maken van voorvocht, het slijm samen met de zaadcellen = sperma

De cremasterspier: Als de temperatuur laag is zaal deze spier samentrekken en de teelballen tegen de buik van de man trekken. De teelballen moeten 1,1°C lager zijn van temperatuur dan de lichaamstemperatuur, daarom hangen ze buiten het lichaam.

59 Lena Toubast


 Spermatogonium (stamcellen waaruit sperma gevormd wordt) ondergaat mitose  er ontstaan 2 dochtercellen waarvan 1 spermatogonia blijft en 1 ontwikkelt verder tot primaire spermatocyte en deze ondergaat een meiose  Meiose: ontwikkelingen van 4 spermatiden  Ontwikkelt verder tot 4 spermatozoön + restlichaampje Van spermatogonia tot zaadcel duurt 9 weken. Grijze cellen bij de spermatogonia zijn steuncellen (helpen de c-cellen van sertolli) Differentiatie: vorming van spermatozoön uit spermatide Mitochondriën in het halsgedeelte van spermatozoön: uit golgi-apparaat maakt acrosomaal blaasje  De rest van het golgi-apparaat en het cytoplasma wordt afgestoten = restlichaampje

60 Lena Toubast


Glad spierweefsel en het trilhaarepitheel in de bijval zorgt voor de voortbeweging van de zaadcellen Pas in de eileider worden de zaadcellen functioneel rijp en beweeglijk door vermenging met vocht of door blootstelling aan omstandigheden in vrouwelijke voortplantingsorganen ď&#x192; CAPACITATIE

Ejaculatiekannaal mondt uit in de urineblaas Zaadblaasjes geven een vocht af met fructose (energierijke stof voor beweeglijkheid sperma) Klieren van Cowper: slijmachtig, voorvocht, basisch slijm (gaat resten neutraliseren)

61 Lena Toubast


 Het climacterium bij de man - Begin rond de leeftijd van 50–6 - Hormoonconcentraties veranderen  Concentratie testosteron neemt af en concentraties FSH en LH nemen toe - Kwantiteit en kwaliteit van sperma nemen af, libido ↓  Voorplantingsstelsel van de vrouw Franjes van de eitrechter wiegen: dit zorgt voor een onderdruk die ervoor zorgt dat de eicellen in de eileiders terechtkomen en niet in de onderbuik. Baarmoeder: een wand met veel lengteen kringspieren die veel bloedvaten bevat Baarmoederslijmvlies wordt opgebouwd tijdens de cyclus Vagina: slijmvlies met melkzuurbacteriën (voor andere bacteriën te doden)

62 Lena Toubast


Primaire follikels bij de geboorte Secundaire follikels bij de puberteit Deze secundaire follikels gaan ofwel afsterven (atresie) ofwel gaan ze verder rijpen tot tertiaire follikels. Maar 1 oรถcyt gaat rijpen en ovuleren (in totaal 500 cyclussen per vrouwelijk leven, rijping gebeurt afwisselend in een ovarium)

Als de tertiaire follikel gerijpt is, is de meiose 1 voltooit. Na de ovulatie start meiose 2 Opgelet: een eicel gaat nooit volledig rijpen tenzij er een zaadcel aan te pas komt, enkel dan wordt meiose 2 afgewerkt!

63 Lena Toubast


64 Lena Toubast


FSH: follikel stimulerend hormoon LH: luteïniserend hormoon Functies van oestrogeen: - Invloed op activiteit centraal zenuwstelsel (geslachtsdrift) - Bevorderen bot-en spiergroei - Vormen en handhaven secundaire geslachtskenmerken - Onderhouden functie klieren en organen vrouwelijk voortplantingsstelsel - Herstel en groei baarmoederslijmvlies

 Menopauze bij de vrouw: - Periode wanneer menstruatie en ovulatie stoppen - Gewoonlijk rond het 50elevensjaar - Geen secundaire follikels meer die op FSH reageren  Productie van geslachtshormonen en regulerende hormonen neemt af - Oestrogeen ↓ (borsten en baarmoeder worden kleiner, neurale effecten, osteoporose, …)

65 Lena Toubast


 De bevruchting Meiose 2 van de oögenese wordt afgerond

De eicel is omgeven door een doorzichtige laag (glasvlies) met daarrond een laag follikelcellen. De zaadcellen dringen de follikelcellen door en zullen a.d.h.v. de enzymen in hun acrosoom door het glasvlies proberen dringen. 1 zaadcel dringt door waardoor de eicel aan de meiose 2 begint. De zaadcel verliest zijn staart, middenstuk en hals. Beide kernen versmelten met elkaar waarbij de set vaderlijke chromosomen met de moederlijke verenigd worden. De eicel is bevrucht en is nu een ééncellige embryo, de zygote. Zijkant van de cel: poollichaampjes  Zwangerschap Prenatale ontwikkeling in 3 trimesters: - Trimester 1: embryonale en vroeger foetale ontwikkeling (ontstaan orgaanstelsels) Klievingsdeling en vorming van de blastocyste:

66 Lena Toubast


Na 7 dagen begint de innesteling: trofoblast scheidt enzymen af die innesteling mogelijk maken

Organogenese: Ectoderm:

Zenuwstelsel Opperhuid Zintuigen

Mesoderm:

Transportstelsel Skelet Spierstelsel Lederhuid Excretiestelsel (nieren, urineleiders) Voortplantingsstelsel

Ent(d)oderm:

Spijsverteringsstelsel Ademhalingsstelsel Excretiestelsel (blaas, urinebuis) Lever

67 Lena Toubast


Placentahormonen: Humaan choriongonadotrofine (HCG) < zwangerschapstest Functie: in stand houden geel lichaam (≈ LH) voor 3-4 maanden  Afgifte progesteron (baarmoederslijmvlies wordt in stand gehouden) Na die 3-4 maanden: placenta vormt oestrogeen en progesteron om baarmoederslijmvlies in stand te houden Vanaf week 4: - Embryo krijgt een c-vorm - Hechtsteel ontwikkelt tot navelstreng - Ontwikkeling embryonaal hart - Eivliezen + neurale buis en segmentatie Eivliezen of vruchtvliezen omringen zowel chorion- als amnionholte: vliezen groeien aan elkaar tijdens de 180°-draaiing en zullen vruchtwater produceren Neurale buis: hieruit zal de ruggengraad ontwikkelen Segmentatie van het mesoderm aan beide kanten de neurale buis: daaruit worden segmenten gevormd: huid-, skeletspier- en wervelsegment Vanaf week 5: hoofd, ogen, neus, oren, mond, armen, benen, vingers en tenen verschijnen. - Trimester 2: ontwikkeling organen en orgaanstelsels - Zwelling van de navelstreng (veroorzaakt door uitpuilende darmen - Maand 3: Darmen opgenomen in buikholte + groei donshaar - Maand 4: Geslacht + hoofd- en wenkbrauwbeharing - Maand 5: Opdrinken vruchtwater + uitscheiding urine - Maand 6: Afscheiding vette huidsmeer (tegen wrijving vruchtwater) - Trimester 3: snelle groei; orgaanstelsels worden functioneel Na 32 weken is de foetus zo groot geworden dat de bewegingsruimte behoorlijk afneemt. Toch kan hij tot kort voor de geboorte nog van positie veranderen: - Hoofdligging - Stuitligging - Dwarsligging

68 Lena Toubast


 Bevalling

- Ontsluitingsfase: Dir is het proces dat het baringskanaal geschikt maakt voor de passage van het kind en wordt veroorzaakt door de ontsluitingsweeën. De vruchtzak zal de baarmoederhals, vagina en bekkenbodem openduwen. De vliezen zullen breken waardoor het vruchtwater wegvloeit. Er is volledige ontsluiting vanaf 10cm en de contracties zullen versterken. - Uitdrijvingsfase: Tijdens dit proces wordt het kind via het baringskanaal naar buiten gedreven. Door de sterkere contracties (persweeën) ontstaat er een persdrang. Persen op het ritme van de contracties is bevorderend. Naast de contracties van de uterus zal ook de persdruk van de buikholte op de uterus de uitdrijvingsfase helpen. De navelstreng wordt afgeknipt. Door het afknippen van de navelstreng en de ontplooiing van de longen is er een ingrijpende verandering in de bloedcirculatie van het kind. De bloeddruk in de aorta stijgt en ook het CO2-gehalte zal hoog zijn. Hierdoor zal het ademhalingscentrum geprikkeld worden en worden de longblaasjes en capillairnetwerken ontplooid. - Herstelfase: De placenta en vruchtvliezen worden uitgedreven door een contractie van de placenta. De bloeding van de slijmvlieswand wordt gestopt door een vasoconstrictie en door de uteruscontracties.  Lactatie Melkejectie door melkgangen o.i.v. oxytocine uit hypothalamus via neurohypofyse Melksecretie door kliercellen o.i.v. prolactine uit adenohypofyse

69 Lena Toubast


3.4 Voortplanting en ontwikkeling bij andere gewervelde dieren  Voortplantingsstelsel, bevruchting en embryonale ontwikkeling bij andere gewervelde dieren  Voortplanting in het water - Uitwendige bevruchting: * Zaadcellen bevruchten buiten het lichaam * Zaadcel en eicel in elkaars buurt gedeponeerd * Nadelen: Eitjes worden opgegeten door andere waterdieren Waterstroming verkleint kans op bevruchting Er moeten veel eicellen geproducceerd wordne * Paaien: bevruchten eitjes bij het vrouwtje Kuitschieten: afzetten van eitjes, hom: sperma van een vis - Inwendige bevruchting: * Enkel bij kraakbeenvissen, sommige beenvissen en amfibieën * Zaadcel bevrucht de eicel in het vrouwelijk voortplantingsstelsel * Zaadcellen worden geponeerd in/vlakbij vrouwelijk voortpl. o

o

Vissen - Bevruchting: Paring, uitwendige bevruchting, paaien op een paaiplaats - Copulatieorgaan: Soms aanwezig - Eieren/jongeren: * Polylecite eieren (veel dooier in de eicel) * Extreem telolecite eieren (dooier langs 1 kant van de eicel) * Eieren zonder eischaal, enkel geleiachtig omhulsel (bescherming/voeding) - Uitzonderingen: * Hondshaai: inwendige bevruchting, copulatieorgaan aanwezig, eieren met hoornachtig omhulsel worden gedeponeerd nabij een steun (draden aan omhulsel om zich vast te hechten) * Guppy: inwendige bevruchting, mannetje heeft fonopodium (copulatie), Visjes ontwikkelen in de buik van de moeder. Moeder stoot eitjes uit en met contact met water springen ze open en zwemmen de visjes weg (ovivipaar) * Vieroogvis: inwendige bevruchting, copulatieorgaan aanwezig, ovivipaar * Zeepaardje: inwendige bevruchting, man heeft een broedbuidel en krijgt eitjes van het vrouwtje, bevrucht die en zorgt ervoor (ovivipaar) * Grote zeenaald: inwendige bevruchting, ovivipaar Amfibieën - Bevruchting: Uitwendige embryonale ontwikkeling * Kikkerdril eieren ontwikkelen zicht (hoe warmer, hoe sneller) * Wormpje in het ei * Kikkervisje met kieuwen, eten algen * Ontwikkelen achterpootjes * Voorpootjes + ontstaan longen, vissenstaart wordt kleiner - Eieren/jongeren: * Polylecite eieren * Extreem telolecite eieren * Eieren zonder eischaal, enkel geleiachtig omhulsel * Larve, snelle ontwikkeling tot volwassen organisme - Uitzonderingen: * Alpenwatersalamander: Uitwendige embryonale ontwikkeling, spermafoor: voedselpakket met sperma: mannetje loopt weg en vrouwtje loopt erover zodat sperma in cloaca komt, eitjes worden gelegd op een blad die ze opvouwt * Vuursalamander: ovovivipaar, eieren ontwikkelen in het lichaam (kans dat larven elkaar in het moederlichaam opeten 70

Lena Toubast


 Voortplanting op het land - Inwendige bevruchting:

* Zaadcel bevrucht eicel in het vrouwelijk voortplantingsstelsel * Zaadcellen worden gedeponeerd in/vlakbij vrouwelijk voorpl. - Bevruchtingskans stijgt  minder eicellen - Embryo in: * Reptielen: ei, geen broedzorg * Vogels: ei, broedzorg * Zoogdieren: in baarmoeder (vivipaar), broedzorg o

o

o

Reptielen: - Bevruchting: inwendig - Copulatieorgaan: * Hagedissen, slagen, krokodillen: hemipenis (opgedeeld in 2 delen afhankelijk van de kant waar het dier zich vastgrijpt aan het vrouwtje) * Schildpad: penis - Eieren/jongeren: * Uitwendige ontwikkeling, ovivipaar zonder broedzorg * Eieren lederachtig omhulsel of kalkschaal, extreem telocyt - Uitzonderingen: * Hazelworm: inwendige bevruchting, ovovivipaar * Levendbarende hagedis: inwendige bevruchting, ovovivipaar Vogels: - Bevruchting: Inwendig (cloaca tegen cloaca) - Copulatieorgaan: * Man: 2 teelballen en 2 zaadleiders, cloaca (soms penis) * Vrouw: enkel het linker stelsel: 1 eierstok en 1 eileider, eindigt in cloaca - Eieren/ jongeren: * Eieren met kalkschaal, extreem telocyt, polyleciet * Embryonale ontwikkeling buiten moederlichaam * Broedzorg (vogellichaam T van 41°C) * Nestvlieders: eenden hebben een nest op het water dus het is niet veilig lang op het nest te blijven * Nestblijvers: jong wordt blind en zonder veren geboren, ze zijn volledig afhankelijk van de ouders (nest in bomen, struiken Zoogdieren: - Bevruchting: Inwendige bevruchting en ontwikkeling - Eieren/jongeren: * Vivipaar (embryo in baarmoeder), worden gezoogd (beperkt aantal jongeren per worp) * Oligolecite eieren (zeer weinig dooier in de eicel) * Er is geen nood aan een dooier, want de voeding gaat via de navelstreng - Uitzonderingen: * Vogelbekdier: inwendige bevruchting + uitwendige ontwikkeling, eierleggend (likken de melk van de kliervelden na uitkomen) * Miereneter: inwendige bevruchting + uitwendige ontwikkeling, eierleggend

71 Lena Toubast


 Soorten eieren naar de ligging en het belang van de dooier

Soort ei van de kip: - Polyletaal ei - Extreem telocitaal

Vorming van het ei (4000 onrijpe eicellen klaar in het hen): - Ovulatie  eisprong: eicel komt in eitrechter - Functie vliezen van een ei: bescherming tegen bacteriën - 20 uur voor schaalvorming waarvan 6 uur voor voeden van water & zouten aan de vliezen - Functie schaal: bescherming, uitdroging + ademhaling (in schaal zitten kleine poriën)

72 Lena Toubast

Samenvattig vs2 biologie  
Samenvattig vs2 biologie  
Advertisement