Page 1

ladies and gentlemen, we are floating in space ‘be

met de g hit ’: st-sellin

De Absurde Mens

Samuel Vanderveken


Online gepubliceerd, Leipzig 2012 Alle afbeeldingen in deze publicatie komen uit de privÊ-collectie van de auteur. Š Samuel Vanderveken


Ladies and gentlemen, we are floating in space Samuel Vanderveken


Voorwoord De titel van deze publicatie, “Ladies and gentlemen, we are floating in space.”, is een citaat uit het boek ‘De wereld van Sofie’ van Jostein Gaarder. In dit boek wordt de zin als algemene uitroep gebruikt door filosofen die de mens, die zich geen vragen meer stelt over zijn aanwezigheid in het universum, weer wakker wilt schudden. “Alleen filosofen begeven zich op de gevaarvolle reis naar de uiterste grens van de taal en van het bestaan. Sommigen van hen vallen weer naar beneden, maar anderen klampen zich aan het haar van de konijnevacht vast en roepen naar alle mensen die diep in het zachte konijnevel zitten en zich met lekker eten en drinken volproppen. ‘Geachte dames en heren,’ zeggen ze. ‘We zweven in de lege ruimte!’ Maar niemand van de mensen in de vacht maakt zich druk over wat de filosofen roepen.” 1

Het ontdekken van deze zin deed me de nietigheid beseffen van de mens in het universum. Verder onderzoek bracht me bij het boek ‘De mythe van Sisyphus’ van Albert Camus2. In dit non-fictie boek schrijft hij over zijn eigen filosofie: Het absurdisme. Dit boek resoneerde in zo’n sterke mate met mijn eigen gedachten en gevoelens dat ik de nood voelde om hiervan een samenvatting te maken. Met deze publicatie wil ik deze samenvatting met u delen gezien ik sterk geloof in de relevantie van deze tekst vandaag. Mijn hoop is dat u zich net zoveel bevrijd zal voelen als ik was toen dit boek voor de eerste keer las. Samuel Vanderveken, 2012 1 Zie bijlage voor de volledige context van deze zin. 2 Editions Gallimard, Paris, 1942, Tweede editie 1985


Het absurdisme als filosofische stroming Volgens absurdisten proberen mensen sinds mensenheugenis de betekenis van het heelal te ontrafelen en logica in haar bestaan te ontdekken, maar is ieder onderzoek ernaar tevergeefs. De wereld is immers irrationeel en niet vatbaar voor menselijke logica. Onderzoek naar de essentiële existentiële - vragen van het bestaan leidt traditioneel tot twee mogelijke uitkomsten: de conclusie is hetzij dat het leven geen betekenis heeft, hetzij men probeert op een kunstmatige manier (zoals via godsdienst) dit vacuüm op te vullen. Mensen die tot dit besef komen staan voor een zware filosofische vraag: „Moeten we het leven serieus nemen, of zouden we net zo goed zelfmoord kunnen plegen?“ Omdat mensen het instinct hebben geen gewelddadige dood te willen, kiest men meestal voor de eerste optie, waaruit volgens absurdisten de drang naar een religieuze levensinvulling is te verklaren. Camus stelt een andere keuzemogelijkheid voor: vrede hebben met de idee dat het leven geen werkelijke betekenis heeft en toch gewoon doorleven. Mensen die deze derde optie kiezen zijn volgens Camus absurde helden. In zijn boek “De Mythe van Sisyphus” beschrijft hij drie voorbeelden van mensen met deze levens-instelling: de Rebel, de Kunstenaar en Don Juan. 3 Ik zal verder in deze tekst de kunstenaar als absurde held, zoals beschreven door Camus, verder uitlichten. Maar eerst beperk ik me tot wie de absurde mens, algemeen bekeken, is. 4 3 Bron: Wikipedia 4 De hierop volgende tekst is samengesteld uit citaten uit het boek van A. Camus.


De absurde mens


De absurde mens erkent dat de wereld vooralsnog geen zin heeft. Hij weet niet of deze wereld een zin heeft die haar te boven gaat. Maar hij weet dat hij deze zin niet kent en vooralsnog onmogelijk kan kennen. Wat betekent voor hem de zin van de wereld, als die buiten zijn bestaan is gelegen? Wat niet in menselijke termen is gesteld kan hij niet begrijpen. Tastbare, stoffelijke dingen, die begrijpt hij. En hij weet ook dat hij deze twee zekerheden, zijn honger naar het absolute en naar eenheid en de onmogelijkheid de wereld tot een rationeel en redelijk principe te herleiden, niet met elkaar in overeenstemming kan brengen. Juist de ondoorzichtigheid en vreemdheid van de wereld, dat is het absurde.


De absurde mens staat in deze wereld als een opstandeling. Het absurde is voornamelijk een tegenstrijdigheid. Het is niet in de mens en ook niet in de wereld, maar komt voort uit hun gezamenlijke aanwezigheid. Het ontstaat uit de confrontatie tussen wat de mens verlangt en het redeloze zwijgen van de wereld. Dit conflict, deze breuk tussen de wereld en zijn geest, wordt in wezen bepaald door het feit dat hij er zich van bewust is. Als hij boom was temidden van de bomen, kat onder de dieren, dan zou zijn leven een zin hebben of beter gezegd, dan zou zijn probleem geen enkele zin hebben omdat het deel zou uitmaken van de wereld. Dan was hij de wereld waartegen hij zich nu verzet met zijn hele bewustzijn en alles in hem wat naar iets vertrouwds verlangt. Zijn belachelijke rede is er de oorzaak van dat hij tegen de hele schepping in opstand komt. Als hij dit conflict wilt laten voortbestaan moet hij het zich voortdurend voor ogen houden en steeds opnieuw zijn bewustzijn scherpen zonder zijn aandacht te laten verslappen. D贸贸r zijn revolte krijgt het leven zijn waarde. Wanneer een mens zijn leven lang opstandig blijft, krijgt het bestaan hierdoor zijn verhevenheid terug. Voor iemand zonder oogkleppen bestaat er geen schoner schouwspel dan de geest die worstelt met een realiteit die hem te boven gaat. Door zijn bewustzijn en opstandigheid, weigert de mens te berusten. Het gaat erom te sterven zonder zich met zijn lot verzoend te hebben en niet omdat men het zo graag wil. Het enige wat de absurde mens kan doen is de mogelijkheden van het bestaan 茅n zichzelf volledig uitputten. Het absurde is een toestand van uiterste gespannenheid, een toestand die de mens voortdurend als eenling tracht te handhaven, want hij weet dat zijn bewustzijn en zijn dagelijks volgehouden revolte zijn enige waarheid bewijst: het absurde is voor hem een uitdaging.


De absurde mens houdt zich niet vast aan zekerheden. De absurde mens wordt gevraagd te springen. Het enige antwoord dat hij kan geven is dat hij niet begrijpt waarom dat moet, dat er geen duidelijke reden voor is. De absurde mens wil nu juist alleen doen wat hij volkomen begrijpt. Men verzekert hem dat hij zich aan hoogmoed bezondigt, maar hij begrijpt niet wat zonde betekent; men beweert dat hem wellicht de hel wacht maar zijn verbeelding schiet tekort om zich die vreemde toekomst voor te stellen. Hij zou het eeuwige leven verliezen, maar dat zegt hem niets. Men verlangt dat hij schuld bekent, maar hij voelt zich onschuldig. Al zijn daden worden door zijn onschuld gerechtvaardigd. Zo eist hij van zichzelf uitsluitend te leven met de dingen die hij weet, zich te behelpen met de realiteit en zich in zijn denken op niets te beroepen dat niet zeker is. Dan krijgt hij te horen dat niets zeker is. Met diĂŠ zekerheid heeft hij te maken: hij wil weten of het mogelijk is te leven zonder zich ergens op te beroepen.


De absurde mens is op een weergaloze wijze vrij te doen en te laten wat hij wil. Eigenlijk interesseert het hem niet te weten of de mens vrij is. Hij kan alleen zijn eigen vrijheid voelen. Als men wil weten of de mens vrij is moet men weten of hij een meester kan verdragen. Hij kan niet begrijpen wat vrijheid, die hem door een ‘hoger wezen’ wordt geschonken, inhoudt. Hij heeft zijn gevoel voor hiërarchie verloren. Hij kan dan van vrijheid slechts dezelfde opvatting hebben als een gevangene of als een individu uit deze tijd die burger is van een of andere staat. De enige vrijheid die hij kent, is de vrijheid van denken en handelen. Welnu, door het absurde besef van het eindige leven, worden al zijn kansen op de eeuwige vrijheid vernietigd, maar in plaats daarvan is hij op een weergaloze wijze vrij te doen en te laten wat hij wil. Van zijn hoop en zijn toekomst beroofd, is de mens in staat te doen wat hij maar wil. Wanneer de mens het bestaan weer bewust beleeft en ontwaakt uit de slaap waarin hij alle dagen verzonken was, zijn dat de eerste stappen op weg naar de absurde vrijheid. Zich in deze onpeilbare zekerheid storten, zich als een vreemde tegenover zijn eigen leven voelen staan om het te verrijken en in zijn geheel te beschouwen, is het beginsel van zijn bevrijding. De toekomst laat de absurde mens onverschillig, hij wil ieder moment van zijn bestaan hartstochtelijk beleven. Het absurde verschaft hem op dit punt duidelijkheid: er is geen morgen. Voortaan is dit de reden waarom hij werkelijk vrij is.


De absurde mens weigert te berusten in het absurde. Wanneer hij de absurde logica tot het uiterste doorvoert, moet hij erkennen dat deze strijd veronderstelt dat hij geen enkele hoop koestert (wat niets met wanhoop te maken heeft), voortdurend weigert het absurde te aanvaarden (wat men niet moet verwarren met loochenen) en bewust ontevreden is (wat men niet als jeugdige rusteloosheid moet beschouwen). Alles wat deze noodzakelijke voorwaarden vernietigt, verdoezelt of op subtiele wijze verandert (en in de eerste plaats de instemming waardoor de tegenstrijdigheid vernietigd wordt), ru誰neert het absurde en doet afbreuk aan de houding die men kan aannemen. Het absurde heeft alleen zin voor zover men er niet in berust. Wanneer het absurde wordt erkend en aanvaard, wanneer de mens erin berust, is het niet langer het absurde.


De absurde mens kan het absurde niet verklaren, enkel beschrijven. De mens heeft een honger om te begrijpen en te verklaren. Als hij daar niet toe in staat is, en bij zo een gelegenheid het absurde wordt geboren, dan gebeurt dat nu juist op het punt waar onze doeltreffende maar beperkte rede en het steeds opnieuw opduikende irrationele elkaar ontmoeten. Wanneer de mens op zo een moment van het absurde bewust wordt, houdt dat niet in dat hij het ook kan begrijpen. Het besef van het absurde legt de basis voor dit begrip, meer niet. Het wordt niet in dit begrip samengevat, behalve het korte ogenblik waarop een oordeel over de wereld wordt uitgesproken. Het kan daarna niet blijven stil staan. Het leeft, dat wil zeggen dat het moet sterven of verder weerklinken. De absurde mens erkent dat hij moet strijden, heeft geen absolute afkeer van de rede en ruimt een plaats in voor het absurde. Zijn blik overziet zo alle gegevens uit de menselijke ervaring. Voor de absurde mens gaat het er niet langer om een verklaring en een oplossing te geven, maar om een ervaring op te doen en die te beschrijven.


De absurde mens wil zoveel mogelijk leven. Het geloof in het absurde betekent niet dat de kwaliteit van zijn ervaring telt, maar de kwantiteit. Als hij zichzelf ervan weet te overtuigen dat het leven volkomen absurd is, als hij voelt dat er een evenwicht ontstaat door de voortdurende tegenstellingen tussen zijn bewuste revolte en de duisternis waarin die zich afspeelt, als hij inziet dat zijn vrijheid alleen zin heeft in het licht van zijn beperkte toekomst, dan moet hij stellen dat het er niet om gaat zo goed mogelijk te leven, maar zoveel mogelijk. Iemands moraal, zijn waardeschaal, krijgen slechts betekenis door de hoeveelheid en verscheidenheid van ervaringen die hij heeft kunnen opdoen. Het betekent in de eerste plaats en uitsluitend de wereld zo vaak mogelijk onder ogen zien. De wereld biedt twee mensen, die even lang leven, bekeken vanuit een objectief standpunt, altijd evenveel kansen op ervaringen. De hoeveelheid ervaringen die we effectief opdoen, is niet afhankelijk van de omstandigheden in ons leven, maar alleen van onszĂŠlf. Mijn leven, mijn opstandigheid, mijn vrijheid, zoveel mogelijk bewustzijn, betekent leven, zoveel mogelijk leven. Zich onophoudelijk bewust te zijn dat hij leeft in een heden dat zich voortdurend voortzet, dat is het ideaal van de absurde mens.


De absurde schepping


De absurde kunstenaar is iemand die weet te leven. Hij begint met te weten en daarna is zijn hele bestaan erop gericht het eiland, waar hij voet aan wal heeft gezet, en waar geen enkele toekomst wacht, te doorkruisen, te vergroten en te verrijken. Maar eerst moet hij weten. Want de ontdekking van het absurde valt samen met een periode van rust waarin de toekomstige hartstochten ontwikkeld en gerechtvaardigd worden. In dit klimaat is een groot kunstenaar is iemand die weet te leven, want leven betekent hier evenzeer ervaringen opdoen als erover nadenken. In zijn werk kan de kunstenaar zijn bewustzijn handhaven en er alle avonturen in vastleggen. Scheppen betekent twee keer leven. Er bestaat een zeker verband tussen de ervaringen die een kunstenaar in zijn leven opdoet en zijn werk waarin die worden weerspiegeld. Het is goed als zijn werk ons slechts een fragment van een ervaring laat zien; ĂŠĂŠn die onuitgesproken blijft maar waarvan men de rijkdom kan raden.


De absurde kunstenaar geeft de leegte kleur. “Voor niets� werken en scheppen, weten dat zijn werk geen toekomst heeft, realiseren dat het in een enkele dag wordt vernietigd in het bewustzijn, dat dat in diepste wezen niet meer betekent dan bouwen voor eeuwen, dat is de smartelijke wijsheid die door het absurde denken wordt gerechtvaardigd. Deze beide taken gelijktijdig vervullen, ontkennen en tegelijk verheerlijken, dat is de weg die de absurde kunstenaar moet gaan. Hij moet de leegte haar kleuren geven.


Het absurde kunstwerk is zinloos. Een kunstwerk ontstaat als de geest ervan afziet het concrete te beredeneren. De geest biedt weerstand aan de verleiding het beschrevene een diepere zin te geven die, zoals hij weet, niet gewettigd is. Het kunstwerk geeft gestalte aan een drama van het verstand, maar levert daar slechts indirect een bewijs van. Om een absurd kunstwerk te kunnen scheppen moet een kunstenaar zich van deze beperkingen bewust zijn. In de absurde kunst moet het concrete geen enkele verdere betekenis hebben. Een leven kan er geen doel en betekenis door krijgen en het kunstwerk kan geen troost bieden. Als voor het kunstwerk de geboden van het absurde niet in acht worden genomen, als het de scheiding en de revolte niet zichtbaar maakt, als het zich aan illusies overgeeft en hoop oproept, is het niet langer nutteloos. De toeschouwer kan er zich dan niet meer van losmaken. Hij kan er iets in vinden dat zijn leven zin geeft. Scheppen of niet scheppen, is om het even. De absurde kunstenaar hecht niet aan zijn werk. Hij zou er afstand van kunnen doen – soms doet hij dat ook.


Het werk van de absurde kunstenaar is voortdurend in wording. Een diepe gedachte is voortdurend in wording, verenigt zich met de ervaring van een leven en vormt zich daarnaar. Wanneer men in de veronderstelling is tot een bepaalde waarheid gekomen te zijn en deze aantoont, verkondigt men ideeën en ideeën zijn het tegendeel van denken. Zo wordt ook het unieke waaruit de schepping van een mens bestaat hoe langer hoe meer versterkt in de veelvuldige aspecten die het achtereenvolgens aanneemt. Het ene werk vult het andere aan, verbetert het of achterhaalt het, is er ook mee in tegenspraak. Zijn schepping eindigt niet met de triomfantelijke en bedrieglijke kreet van de verblinde kunstenaar die uitroept: “Ik heb alles gezegd”, maar met de dood van de scheppende mens waardoor zijn ervaring en het boek van zijn talent worden afgesloten.


Het absurde kunstwerk geeft gestalte aan de verscheidenheid. Het hart leert dat de ontroering waardoor wij worden bevangen bij het zien van de verschillende gedaanten die de wereld kan aannemen, niet wordt veroorzaakt door de diepe betekenis van die wereld, maar door de verscheidenheid van die gedaanten. Het is nutteloos daar een verklaring aan te geven, maar de indruk blijft bestaan en, tegelijk met die indruk, de onuitputtelijke aantrekkingskracht van een wereld die er telkens anders uitziet. Hier wordt duidelijk welke plaats het kunstwerk inneemt. Het absurd kunstwerk balanceert tussen het natuurlijke en het buitengewone, tussen het individu en het universele, tussen tragiek en alledaagsheid, tussen absurditeit en logica. Deze paradoxen moeten worden opgenoemd, deze tegenstrijdigheden moeten worden versterkt, wil men het absurde werk kunnen begrijpen. In elk denken waarin afstand wordt gedaan van de eenheid, wordt de verscheidenheid verheerlijkt. En de verscheidenheid is het domein van de kunst.


Het absurde kunstwerk ontstaat daar waar het denken ophoudt. Het absurde kunstwerk laat zien dat de geest afstand doet van zijn gezag en erin berust niet meer te zijn dan het verstand dat de verschijningen vastlegt en met beelden bedekt wat niet redelijk is. De schepping van een kunstwerk en de expressie geven het punt aan waar de absurde hartstochten bovenkomen en het redelijk denken ophoudt.


Het absurde kunstwerk ontleent zijn voornaamste betekenis aan het leven van zijn/haar maker. Er zijn kunstenaars die in hun werk dingen naast elkaar plaatsen. Het lijkt in dat geval alsof er geen verband tussen bestaat. In zekere zin zijn hun werken met elkaar in tegenspraak. Maar wanneer men ze alle tezamen bekijkt, blijkt duidelijk dat er een zekere ordening is. Door de dood krijgen ze hun definitieve betekenis. Hun voornaamste betekenis ontlenen ze aan het leven van hun maker. Zo bekeken is zijn hele werk slechts een verzameling mislukkingen. Maar als die mislukkingen allen dezelfde weerklank behouden, is de schepper erin geslaagd het beeld van zijn eigen situatie te herhalen, is het hem gelukt het onvruchtbare geheim dat hij in zijn hart bewaart, tot uiting te brengen.


De waarde van een absurd kunstwerk ligt in de inspanning die het van de kunstenaar eist. Er is geen doeltreffender leerschool in geduld en scherpzinnigheid dan het scheppen. Het is ook een aangrijpende getuigenis van de enige waardigheid van de mens: zijn hardnekkige opstand tegen de omstandigheden waarin hij leeft, de volharding waarmee hij zich inspant, terwijl die inspanning als vruchteloos wordt beschouwd. Voor het scheppen is een inspanning nodig die dagelijks wordt herhaald. Scheppen vraagt zelfbeheersing, vereist een inzicht naar de grenzen van het ware, en veronderstelt matiging en kracht. Scheppen is een vorm van ascese. En dat alles ‘voor niets’, alleen maar om dingen te herhalen en geen enkele vooruitgang te boeken. Maar misschien ligt de waarde van een groot kunstwerk minder in dat kunstwerk zelf, dan in de inspanning die het van de scheppende mens eist en in de gelegenheid die het hem biedt zijn schimmen te overwinnen en de naakte werkelijkheid iets dichter te benaderen.


De schepping onthult de diepgaande nutteloosheid van het leven van ieder mens. We verlangen van het absurde kunstwerk wat we van de absurde mens eisen, namelijk opstandigheid, vrijheid en verscheidenheid. Dan zal blijken hoe volslagen nutteloos dit werk is. In deze dagelijkse inspanning, waarbij verstand en hartstocht zich vermengen en elkaar opjagen, ontdekt de absurde mens een discipline waaruit zijn werkelijke kracht voortkomt. De toewijding die daarvoor nodig is, de koppigheid en het helder inzicht, sluiten aan bij de houding van de veroveraar. Scheppen betekent dus vorm geven aan het lot. Voor al deze personages geldt, dat zij minstens zozeer door hun werk worden bepaald als het werk door hen wordt bepaald. Als laatste inspanning moeten deze verwante geesten zich ook los weten te maken van wat zij ondernemen: zij moeten kunnen toegeven dat hun werk onbestaanbaar is; zo moeten zij de diepgaande nutteloosheid van het leven van ieder mens onthullen. Juist dat maakt het voor hen gemakkelijk hun werk te verwezenlijken, zoals de ontdekking dat het leven absurd is hun het recht gaf zich er zonder enige terughoudendheid in te storten. Wat overblijft, is een lot waarvan alleen de afloop fataal is. Afgezien van de dood, het enige noodlottige gebeuren, bestaat alles uit vrijheid.


“Today when death and old age are increasingly concealed behind euphemisms and comforting baby talk and life is threatened with being smothered in the mass consumption of hypnotic mechanized vulgarity, the need to confront man with the reality of his situation is greater than ever. For the dignity of man lies in his ability to face reality in all its senselessness: to accept it freely, without fear, without illusions- and to laugh at it.� 1 - Martin Esslin

1 Theatre of the absurd, Pelican Books, London, 1968, blz. 419


Bijlage - Fragment uit ‘De wereld van Sofie’ van Jostein Gaarder

Doe net alsof je op een dag een wandeling in het bos maakt. Plotseling zie je een klein ruimteschip voor je op het pad. Uit het ruimteschip klautert een marsmannetje dat jou nieuwsgierig aanstaart… Wat zou je dan denken? Nou ja, dat maakt ook niets uit. Maar heb je er wel eens bij stilgestaan dat je zélf zo’n marsmannetje bent? Nu is het niet erg waarschijnlijk dat je ooit een schepsel van een andere planeet zult tegenkomen. We weten niet eens of er op andere planeten leven is. Maar het is wel heel goed mogelijk dat je jezelf tegenkomt. Het is heel goed mogelijk dat je op een dag plotseling op een heel andere manier tegen jezelf aankijkt. Misschien dat dat juist tijdens een boswandeling gebeurt. Ik ben een wonderlijk wezen, denk je. Een geheimzinnig dier… Het is alsof je net als Doornroosje wakker wordt uit een jarenlange slaap. Wie ben ik? vraag je. Je weet dat je op een aardbol in het universum rondkruipt. Maar wat is het universum? Als je jezelf op die manier ontdekt, heb je iets ontdekt wat net zo geheimzinnig is als het marsmannetje, waar we het net over hadden. Je hebt niet alleen een wezen uit het heelal gezien, je voelt diep in je hart dat je zelf ook zo’n wonderlijk wezen bent. Kun je het nog volgen, Sofie? We gaan nog een gedachtenexperiment doen. Op een ochtend zitten mama en papa en kleine Thomas van een jaar of twee in de keuken te ontbijten. Even later staat mama op en loopt naar het aanrecht en dan, ja dan


gaat papa opeens zweven, vlak onder het plafond, terwijl Thomas naar hem zit te kijken. Wat denk je dat Thomas zal zeggen? Misschien wijst hij wel naar zijn vader en zegt hij: ‘Papa vliegt!’ Natuurlijk zou Thomas zich verwonderen, maar dat doet hij wel vaker. Papa doet altijd zulke vreemde dingen dat een vliegtochtje boven de ontbijttafel in de ogen van Thomas niet zoveel bijzonders is. Elke dag scheert papa zich met een grappig apparaat, soms klimt hij het dak op en draait aan de televisieantenne, of steekt hij zijn hoofd in de motor van een auto en komt zwart als een neger weer te voorschijn. Dan is de beurt aan mama. Ze heeft gehoord wat Thomas zei en draait zich resoluut om. Hoe denk je dat zij zou reageren als ze ziet dat papa in vrije vlucht boven de keukentafel hangt? Ze laat onmiddellijk de jampot op de vloer vallen en gilt van schrik. Misschien moet de dokter zelfs wel komen nadat papa even later weer op zijn stoel is geland. (Hij had al lang moeten leren netjes aan tafel te blijven zitten!) Hoe zou het komen, denk je, dat Thomas en mama zo verschillend reageren? Dat heeft met gewoonte te maken. (Prent dat goed in je hoofd!) Mama heeft geleerd dat mensen niet kunnen vliegen. Thomas niet. Hij weet nog niet wat in deze wereld wel en wat niet mogelijk is. Maar hoe zit het dan met de wereld zelf, Sofie? Vind je dat die mogelijk is? Die zweeft ook vrij in het rond! Het trieste is dat wanneer we opgroeien, we niet alleen gewend raken aan de wet van de zwaartekracht. In een moeite door wennen we aan de hele wereld zoals die is. Het lijkt alsof we tijdens onze jeugd het vermogen kwijtraken om ons over de wereld te verwonderen. Maar daarmee verliezen we iets wezenlijks, iets wat de filosofen weer tot leven proberen te wekken. Want ergens binnenin


ons zegt iets ons dat het leven een groot raadsel is. Het is iets wat we al hebben meegemaakt, lang voordat we die gedachte leren formuleren. Samengevat: hoewel de filosofische vragen voor alle mensen van belang zijn, wordt niet iedereen filosoof. Om verschillende redenen zijn de meesten zo druk met het leven van alledag bezig dat de verwondering over het leven volledig naar de achtergrond wordt geschoven. (Ze kruipen diep weg in de konijnevacht, gaan er lekker bij liggen en blijven daar hun hele leven lang.) Voor kinderen is de wereld, en alles wat er bestaat, iets nieuws, iets wat verbazing oproept. Voor volwassenen is dat niet het geval. De meeste volwassenen vinden de wereld iets heel gewoons. Op dat punt vormen de filosofen een eenzame uitzondering. Een filosoof heeft nooit echt aan de wereld kunnen wennen. Voor hem of haar heeft de wereld nog steeds iets ongerijmds, iets raadselachtigs en geheimzinnigs. Filosofen en kleine kinderen hebben dus een belangrijke eigenschap gemeen. Je zou kunnen zeggen dat een filosoof zijn leven lang net zo alert blijft als een klein kind. Nu mag je kiezen, lieve Sofie. Ben je een kind dat nog niet aan de wereld gewend is? Of ben je een filosoof die zweert dat je dat nooit zult doen? Als je alleen maar je hoofd schudt en je jezelf niet herkent, niet als kind en niet als filosoof, komt dat omdat je zo met de wereld vertrouwd bent geraakt dat die je niet meer verbaast. In dat geval dreigt er gevaar. En daarom krijg je deze filosofiecursus aangeboden, voor alle zekerheid dus. Ik wil niet dat jij een van die afgestompte en onverschillige mensen zult worden. Ik wil dat je bewust leeft. Je krijgt de cursus helemaal gratis. En je krijgt dus ook geen geld terug als je de cursus niet afmaakt. Als je met de cursus wilt stoppen, dan kan dat natuurlijk. Leg dan maar


een berichtje voor mij in de brievenbus. Een levende kikker lijkt me daar wel geschikt voor. In ieder geval iets groens, anders jagen we de postbode nog de stuipen op het lijf. Korte samenvatting: een wit konijn wordt uit een lege hoge hoed getoverd. Omdat het een erg groot konijn is, duurt de truc miljarden jaren lang. Helemaal aan het uiteinde van de dunne haartjes worden de mensenkinderen geboren. Zo zijn ze in staat om zich te verwonderen over de onmogelijke goocheltruc. Maar naarmate ze ouder worden, kruipen ze steeds dieper weg in de konijnevacht. En daar blijven ze zitten. Daar voelen ze zich zo lekker dat ze nooit meer in de dunne haartjes van de vacht durven klimmen. Alleen filosofen begeven zich op de gevaarvolle reis naar de uiterste grens van de taal en van het bestaan. Sommigen van hen vallen weer naar beneden, maar anderen klampen zich aan het haar van de konijnevacht vast en roepen naar alle mensen die diep in het zachte konijnevel zitten en zich met lekker eten en drinken volproppen. ‘Geachte dames en heren,’ zeggen ze. ‘We zweven in de lege ruimte!’ Maar niemand van de mensen in de vacht maakt zich druk over wat de filosofen roepen. ‘Bah, wat een herrieschoppers,’ zeggen ze. Dan praten ze gewoon weer verder: ‘Wil je me de boter even aangeven? Hoe hoog staan de aandelen vandaag? Wat kosten de tomaten? Heb je gehoord dat Lady Di weer in verwachting is?


Ladies and Gentlemen, we are floating in space  

Samenvatting van het boek 'De mythe van Sisyphus' van Albert Camus - over het absurdisme.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you