Page 1

Wortel-Kolonie en Merksplas-Kolonie: op weg naar UNESCO Werelderfgoed!? KANDIDAATSDOSSIER VAN WORTEL- EN MERKSPLAS-KOLONIE VOOR DE INDIENING NAAR DE VOORLOPIGE LIJST VAN UNESCO WERELDERFGOED

Nog in te vullen - Nog in te vullen

1


2

Nog in te vullen - Nog in te vullen


Het eerste semester van 2012 liet vzw Kempens Landschap een onderzoek uitvoeren om de Rijksweldadigheidskolonies van Wortel en Merksplas op de voorlopige lijst van het UNESCO Werelderfgoed op te nemen. Dit rapport geeft daarvan de bevindingen weer. Het onderzoek past binnen een grotere samenwerking met de Nederlandse Kolonies van de Maatschappij voor Weldadigheid. Het ultieme doel daarvan is om een gemeenschappelijk Nederlands-Belgisch nominatiedossier in te dienen voor alle Kolonies die in het begin van de 19e eeuw door die Maatschappij voor Weldadigheid werden opgericht in het toenmalige Koninkrijk der Nederlanden. Het vertrekpunt in het onderzoek waren het denkkader en de stellingen uit het kandidaatsdossier van de Nederlandse Kolonies voor de voorlopige lijst. Het traject voor de Vlaamse Kolonies moest hier verdere invulling aan geven. Daarnaast was het evenwel ook de expliciete bedoeling om de specificiteit van de Vlaamse Kolonies t.o.v. de Nederlandse te benoemen. De evolutie van de sites loopt na het ontstaan van BelgiĂŤ in 1830 immers niet meer synchroon. Voor de Rijksweldadigheidskolonies is er al heel veel geĂŻnventariseerd, bijvoorbeeld n.a.v. eerdere planningstrajecten. Van die bestaande studies en rapporten is uitgebreid gebruik gemaakt, in functie van de specifieke noden en behoeften van UNESCO.

Leeswijzer versie augustus 2013 Nog in te vullen - Nog in te vullen

3


Leeswijzer

3

1

Situering

7

1.1 Geografisch

8

1.2 Historisch

9

2

Wat is de UNESCO Werelderfgoedlijst?

15

2.1 Beschrijving

16

2.2

De procedure voor opname op de lijst

17

2.3

De categorieĂŤn en criteria

18

2.4

Evoluties binnen UNESCO zelf

19

3

Hoe verliep het onderzoek?

21

3.1 Fasering

22

3.2 Betrokkenen

23

3.2.1 Stuurgroep

23

3.2.2 Bewoners en geĂŻnteresseerden

24

3.2.3 Inhoudelijke experts

25

4

Stakeholdersanalyse

27

5

Erfgoedwaarden

31

5.1 Methodiek

32

5.2 Wortel-Kolonie

34

5.2.1 Ontstaan en evolutie

35

5.2.2 Waardering

39

5.3 Merksplas-Kolonie

40

5.3.1 Ontstaan en evolutie

41

5.3.2 Waardering

44

INHOUD 4

Indoud


6

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed

47

6.1

Voorafgaandelijk aan de oprichting

48

6.2

Oprichting Maatschappij van Weldadigheid

50

6.3

Landbouwkolonies bij de jonge Belgische staat

51

6.4

1866, Wet op beteugeling van de landloperij en de bedelarij,

oprichting Rijksweldadigheidskolonies (doorstart)

52

6.5

Na WOI : evolutie naar zorginstellingen en strafinrichtingen

53

7

Bescherming en beheer

55

7.1 Eigendomsstructuur

56

7.2 Beheersstructuur

57

7.3

Juridisch kader en planningscontext

57

7.4

Krijtlijnen PRUP Merksplas-Kolonie

60

7.5

Bepalingen uit het Ministerieel Besluit ‘Beschermd Landschap’

61

7.6

Afbakeningen in de Landschapsatlas Vlaanderen

63

8

SWOT

65

9

Internationale vergelijking

69

9.1 Doel

70

9.2 Methodiek

70

10 Conclusies voor het kandidaatsdossier

73

10.1 Outstanding Universal Value

74

10.2 Werelderfgoedcriteria waaraan voldaan wordt

74

10.3 Authenticiteit/integriteit in de context van Werelderfgoed

75

10.4 Door UNESCO vereiste managementstructuur

77

10.5 Wat de Kolonies toevoegen aan de Werelderfgoedlijst

77

11 Aanbevelingen voor het nominatietraject

79

11.1 Betrokkenen bij het proces

80

11.2 Communicatie

81

11.3 Verdieping inhoudelijke lijnen

81

Inhoud

5


HOOFDSTUK 1

Situering

1


1.1 Geografisch De Rijksweldadigheidskolonies van Wortel en Merksplas bevinden zich in het noorden van de provincie Antwerpen in BelgiĂŤ, ten oosten van Hoogstraten en Rijkevorsel en ten westen van Merksplas. Aan de noordzijde grenst Wortel-Kolonie aan Nederland.

Nederland Wortel-Kolonie Merksplas-Kolonie Antwerpen

Oost-Vlaanderen

Limburg West-Vlaanderen Brussel D

NEDERLAN BELGIE

Vlaams-Brabant

Duitsland

Waals-Brabant Luik

Wortel-Kolonie Henegouwen Namen Frankrijk Luxemburg

Merksplas-Kolonie

8

Situering

Luxemburg


1.2 Historisch Het verhaal van Wortel- en Merksplas-Kolonie begint in de oostelijke Nederlandse provincie Drenthe, waar in 1818 een proefkolonie voor 52 gezinnen werd gesticht. Het sociaal experiment was opgezet door generaal Johannes Van den Bosch, die met zijn Maatschappij van Weldadigheid de erge armoede in de Nederlandse steden wilde bestrijden. Volgens de militair zouden landarbeid en een goede begeleiding een heilzaam en opvoedend effect op de paupers en landlopers hebben. Door ze arbeid, onderhoud en onderwijs te verschaffen, zouden de landlopers tot “eene hogere beschaving en werkdadigheid” worden opgebeurd. Wie desondanks ontspoorde, werd naar dwangkolonies verbannen. Bovendien werden tot dan toe braak liggende woeste gronden voor de landbouw ontgonnen. In enkele jaren tijd ontstonden vrije Kolonies als Frederiksoord en Wilhelminaoord en strafkolonies als Veenhuizen en Ommerschans en werd meer dan 4000 hectare extra landbouwareaal in gebruik genomen. De Kolonies werden volgens rechtlijnige patronen van wegen, bomenrijen en vaarten ingericht. Op regelmatige afstand werden Koloniehuizen opgetrokken en er verschenen winkels, schoolgebouwen, grote boerderijen, kerken en veldwachterhutten. Vanaf 1819 was in de Kolonies onderwijs en vanaf 1827 ook een vorm van ziektekostenverzekering verplicht. Het sociaal experiment werd bekostigd uit maandelijkse giften van duizenden rijke burgers, staatssteun en de verkoop van ter plaatse gewonnen producten. Toch waren de Nederlandse Kolonies niet zelfbedruipend. In 1859 werden ze door het Rijk overgenomen. In 1822 breidde het experiment zich uit tot de Zuidelijke Nederlanden. In 1822 werd de Maatschappij voor Weldadigheid voor de Zuidelijke Nederlanden gesticht. In datzelfde jaar kocht de Maatschappij ruim 500 ha onontgonnen heidegrond en verplichtte ze de gemeente Wortel 300 hectare heidegrond af te staan. De doelstellingen waren drieledig: ‘behoeftige mensen ondersteunen en van hen respectabele burgers maken’, ‘braakliggende gronden ontginnen en ze een meerwaarde geven’ en ‘besparen op de staatsuitgaven voor weldadigheidsinstellingen’. De Hoofdlaan in Merksplas-Kolonie Al in 1822 werd met de aanleg van dreven in Wortel-Kolonie begonnen. Het gebied werd volgens een dambordstructuur aangelegd. Op het kruispunt van de hoofddreven werden de directeurswoning, een lagere school, een magazijn en een spinnerij opgetrokken. Eind 1822 namen de eerste gezinnen hun intrek in de kleine en lage boerderijen. Dat jaar verbleven er 150 mensen in de Kolonie, in 1829 waren er dat tot 636. In 1825 opende de onvrije Kolonie Merksplas haar deuren – een complex met vier vleugels rond een binnenplaats op een terrein van 480 ha groot.

Situering

9


Het experiment in de Noorderkempen bleek financieel niet levensvatbaar. In 1828 verloren de bewoners hun vrij statuut en kwamen ze in loondienst van de maatschappij. De belangrijkste oorzaak voor die mislukking was dat de in de Kolonie gehuisveste gezinnen uit steden afkomstig waren en dus niks van landbouw afwisten. Net voor de onafhankelijkheid in 1830 koos een deel van de kolonisten de zijde van de Nederlanders, een ander deel die van de opstandelingen. De oogst werd vernield. Na de onafhankelijkheid bleven de Kolonies officieel voortbestaan, zij het sluimerend. Het aantal kolonisten liep jaar na jaar terug, de boerderijen werden ontmanteld en een derde van de voor akkerbouw ontgonnen grond werd met dennen beplant. Wat bewaard bleef, was het fraaie landschap met zijn dreven, vennen en dambordstructuur. In 1866 komt er een nieuwe wet ter bestrijding van de landloperij en bedelarij. De Belgische staat neemt opnieuw haar toevlucht tot landbouwkolonies om die problematiek aan te pakken, gaat op zoek naar een plek om haar wetgevend initiatief in een concreet project om te zetten en komt uit bij de vroegere Kolonies van de Maatschappij van Weldadigheid. Ze ziet de landbouwkolonies als een prestigeproject en belast Victor Besme, stedenbouwkundig ontwerper en trouw adviseur van koning Leopold II, met de taak om de sites opnieuw in te richten. Vanaf 1870 tot 1902 wordt er een omvangrijk en erg monumentaal infrastructuurprogramma uitgevoerd, naar een totaalconcept van Victor Besme. Van 1870 tot aan WO I is een periode van grote bedrijvigheid. Bij het begin van de Groote Oorlog verblijven er in beide sites meer dan 6000 mensen. De wet van 1866 op de landloperij wordt in 1891 verfijnd. Vanaf dan wordt er een onderscheid gemaakt tussen gewone landlopers die bedelden omwille van ouderdom, werkloosheid, gebrek of ziekte. Zij komen terecht in Wortel. De beroepslandlopers die arm waren uit luiheid, losbandigheid of dronkenschap werden opgesloten in Merksplas. Na de Eerste Wereldoorlog daalde het aantal landlopers tot ca. 1200 in 1920, omwille van een wijzigende sociale wetgeving en de krapte op de arbeidsmarkt, bij de heropbouw na de oorlog. De periode tussen de twee wereldoorlogen wordt gekenmerkt door wisselende takenpakketten en functies, naargelang de behoeften die het Ministerie van Justitie detecteert.

Werkplaats voor landlopers

10

Situering


Postkantoor Merksplas-Kolonie

Situering

11


Vanaf 1920 wijzigt ook het beleid t.a.v. de landlopers, ze worden niet meer als groep, maar als individu behandeld. Er komen ook heel specifieke afdelingen – voor epileptici, voor geesteszwakken, voor recidivisten. Tussen 1929 en 1935 is Wortel-Kolonie gesloten, na 1935 is het een instelling voor geesteszieken. Na WOII wordt Merksplas-Kolonie een zuivere strafinrichting, in Wortel zitten enkel landlopers. De verbouwingen die op de beide sites gebeuren vanaf 1900 zijn aanpassingen in functie van de wijzigende wetgeving en de functies die de gebouwen achtereenvolgens hebben. Op 12 januari 1993 wordt de wet op de beteugeling van de landloperij opgeheven. De landlopers die in de beide Kolonies verblijven worden vrijgelaten. De centrale gebouwen van beide sites blijven in handen van justitie, die de penitentiaire activiteiten verder uitbouwt. Het andere patrimonium en het land er rond gaat over in handen van een conglomeraat van overheden, die er de instandhouding van verzekeren. In Merksplas kwam er in november 1993 het gesloten centrum voor illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers. Daarnaast verblijven er in de strafgevangenis ongeveer 700 gevangenen, waarvan ongeveer 400 gedetineerden en 300 geïnterneerden (ontoerekeningsvatbaar verklaard). Ook in Wortel kwam er een nieuwe gevangenis, in beheer van justitie, daar verblijven ongeveer 150 gevangenen.

12

Situering

Boven: Het oefenplein in Merksplas-Kolonie. Rechts in wijzerzin: de school, het Middenkwartier in Merksplas, de Steenbakkerijlaan, de varkensstal, de bewerking van parelmoeren knoppen, de hoofdingang van Merksplas-Kolonie, het schooltje.


Situering

13


HOOFDSTUK 2

Wat is de unesco Werelderfgoedlijst?

2


2.1 Beschrijving UNESCO, de deelorganisatie van de Verenigde Naties die zich bezighoudt met onderwijs, wetenschap en cultuur, heeft al 40 jaar een ‘Werelderfgoedconventie’. In 1972 nam UNESCO de “The Convention concerning the Protection of World Cultural and Natural Heritage” aan. Het is een reeks afspraken om natuurlijk en cultureel erfgoed te behouden en te verzekeren van een toekomst. De Conventie verenigt vandaag 186 staten die deze gemeenschappelijke taak willen opnemen. Voor immaterieel erfgoed werd er in 2003 een aparte Conventie opgesteld. In de marge van de Werelderfgoedconventie ontstond ook de ‘Werelderfgoedlijst’. Op die lijst staan sites met een ‘uitzonderlijke universele waarde’. Het betekent dat ze buitengewoon representatief zijn voor de culturele en natuurlijke rijkdom van onze planeet. Ze zijn een referentie, niet enkel voor het land waar ze zich bevinden, maar voor de hele wereld. De Werelderfgoedlijst is een sterk merk, met een grote positieve uitstraling. De lijst is prestigieus en de werelderfgoederen op de lijst vormen een select gezelschap. De opname op de lijst houdt een erkenning van de erfgoedwaarde van de site in, maar er is geen geld aan verbonden. In juni 2012 stonden er 962 sites op de Werelderfgoedlijst: met name 188 in de categorie ‘natuurlijk erfgoed’, 29 ‘gemengd’ en 745 ‘cultureel erfgoed’. België heeft intussen 11 goederen op de Werelderfgoedlijst (monumenten of grotere gebieden met erfgoedwaarde), zoals bijvoorbeeld de Grote Markt in Brussel, het Plantijn-Moretus huis in Antwerpen, belforten en begijnhoven.

Landloperbegraafplaats Wortel-Kolonie

16

Wat is de UNESCO Werelderfgoedlijst?


2.2 De procedure voor opname op de lijst Het inschrijven van een site op de Werelderfgoedlijst verloopt via een getrapte procedure. Enkel landen die de Werelderfgoedconventie geratificeerd hebben, kunnen sites indienen voor opname op de lijst. Het is niet zo dat inspecteurs van UNESCO de hele wereld afreizen om sites te selecteren. De deelnemende landen bepalen zelf wat ze voordragen als Werelderfgoed. UNESCO heeft daarvoor procedures, gebundeld in ‘Operational Guidelines for the Implementation of the World Heritage Convention’, waarmee nationale overheden en andere betrokkenen aan de slag kunnen. Voor elke stap van de nominatieprocedure zijn er richtlijnen opgenomen. De bewijslast van ‘buitengewone universele waarde’ ligt bij de aanvrager. Hij kan daarvoor kiezen uit een aantal door UNESCO bepaalde categorieën en criteria (zie verder). De eerste stap is de opname op de voorlopige lijst van het eigen land, de zogenaamde ‘tentative list’. Elk land moet een soort van inventaris maken met daarin de sites die het binnen een termijn van 5 à 10 jaar wil voordragen voor een nominatie. In België staan er op dit moment 16 sites op de voorlopige lijst. De deelstaten hebben in België een beurtrol om een site voor te dragen voor de voorlopige lijst. Erfgoed dat niet op een landelijke lijst staat, kan niet worden voorgedragen voor een nominatie. De lijst kan op eender welk moment aangepast worden door het land – er zijn daarvoor geen vaste momenten. Het dossier houdt een analyse in van de erfgoedwaarde van de site –het aantonen van de ‘Outstanding Universal Value’- op basis van een aantal standaardcriteria die UNESCO hanteert. Verder moet de indiener ook een zogenaamde authenticiteits- en integriteitsanalyse maken: hij moet met name aangeven in welke mate de site bewaard bleef en ook in staat is om een correct beeld te schetsen van een historische situatie. Tot slot maken ook een internationale vergelijking en een analyse van de beheersmaatregelen deel uit van het dossier. Net die opname op de voorlopige lijst van België, vormde het doel van het onderzoekstraject in Wortel en Merksplas. In een tweede fase wordt er een nominatiedossier opgemaakt door de administratie van het indienende land, dat dezelfde onderdelen als het kandidaatsdossier verder wetenschappelijk onderbouwt en uitdiept. • UNESCO kent transnationale dossiers: het gaat om nominatiedossiers die zich uitstrekken over meerdere landen, maar waarbij één land als indiener fungeert. • Bovendien zijn er ook seriële nominatiedossiers, waarbij een hele reeks gelijkaardige sites voor nominatie worden ingediend. In het verleden werden bijvoorbeeld de begijnhoven en de belforten in Vlaanderen binnen seriële en/of transnationale nominatiedossiers voorgedragen.

Wat is de UNESCO Werelderfgoedlijst?

17


Het World Heritage Center in Parijs kijkt het dossier na op volledigheid en zendt het daarna naar haar adviesorganen voor beoordeling. Twee onafhankelijke adviesorganen zijn hiervoor bevoegd: “the International Council on Monuments and Sites (ICOMOS)” en “the World Conservation Union (IUCN)”. Ze geven respectievelijk advies over culturele en natuurlijke genomineerde sites. Daarnaast is er een derde adviesorgaan, met name ‘the International Centre for the Study of the Preservation and Restoration of Cultural Property (ICCROM)’, een intergouvernementele organisatie die advies geeft over de conservering van culturele sites en over opleidingsactiviteiten. Na de nominatie en de evaluatie, neemt het Intergouvernementele ‘World Heritage Committee’ het finale besluit tot opname op de lijst. Het comité komt daarvoor éénmaal per jaar samen.

2.3 De categorieën en criteria Een site moet uitzonderlijke universele waarde hebben om in aanmerking te komen voor een plaats op de Werelderfgoedlijst. Concreet houdt dat in dat ze moet voldoen aan één of meerdere van de 10 criteria die UNESCO hiervoor geformuleerd heeft. De eerste 6 criteria hebben betrekking op culturele sites (een monument, een gebouwengroep), de laatste 4 criteria betreffen natuurlijke sites (een formatie, een natuurgebied). Sites die zowel beantwoorden aan culturele als aan natuurlijke criteria zijn ‘gemengd’ Werelderfgoed. Culturele sites moeten beantwoorden aan één of meerdere criteria, zoals: 1. Een meesterwerk zijn van de menselijke, creatieve en scheppende kracht. 2. Getuige zijn van een belangrijke uitwisseling van menselijke waarden, binnen een bepaalde periode of een cultureel wereldgebied, inzake architectuur of technologie, monumentale kunsten, stedenbouw of landschapsdesign. 3. Op unieke of minstens uitzonderlijke wijze getuigen van een een bestaande of verdwenen culturele traditie of beschaving. 4. Een uitzonderlijk voorbeeld zijn van een type gebouw, technologisch ensemble of landschap dat een belangrijke fase in de menselijke geschiedenis representeert. 5. Een uitzonderlijk voorbeeld bieden van een traditionele menselijke nederzetting of van bodemgebruik dat representatief is voor een bepaalde cultuur (of culturen), in het bijzonder wanneer ze kwetsbaar geworden zijn en door onomkeerbare veranderingen worden beïnvloed. 6. Materieel of immaterieel verbonden zijn met gebeurtenissen of levende tradities, met een gedachtegoed en belijdenissen, met artistiek of literair werk van uitzonderlijke, universele betekenis. Natuurlijke goederen komen in aanmerking als 7. Ze bijzonder uitzonderlijke natuurlijke fenomenen herbergen of gebieden van bijzondere natuurlijke schoonheid en esthetisch belang. 8. Ze bijzondere geologische, geomorfologische of fysiografische kwaliteiten vertonen. 9. Ze representatieve voorbeelden zijn van merkwaardige ecologische en biologische processen in de evolutie en de ontwikkeling van de aarde, het water, de kust – en mariene ecosystemen en de dierlijke en plantkundige families. 10. Ze het meest belangrijke en betekenisvolle habitat uitmaken.

18

Wat is de UNESCO Werelderfgoedlijst?


Een aparte categorie van het Werelderfgoed wordt gevormd door de cultuurlandschappen, die het resultaat zijn van de wisselwerking tussen mens en natuur. Ze zijn ofwel - door de mens gemaakt (bijvoorbeeld een volledig aangelegd park), ofwel - associatief (een doorgaans natuurlijk landschap waar een uitzonderlijk menselijk verhaal mee verbonden is, zoals Robbeneiland symbolisch is voor de moderne geschiedenis van Zuid-Afrika met Nelson Mandela), ofwel - organisch ontwikkeld (doorheen de eeuwen geworden wat ze zijn, meestal natuurlijke landschappen met bepaalde fysische eigenschappen waarop en waarmee de lokale mens leefde en die hij daardoor ook beïnvloedde (bijv. de zomerweiden in de Alpen). Dit kunnen relictlandschappen zijn (nu verlaten en vaak bevroren in de tijd) of evolutieve landschappen (nog steeds bewoond en gebruikt, en dus ook landschappelijk deels verder geëvolueerd). Cultuurlandschappen voldoen meestal alleen aan de culturele criteria, maar sommige beantwoorden aan criteria uit de beide categorieën en zijn gemengd Werelderfgoed.

2.4 Evoluties binnen UNESCO zelf Een nominatie is altijd een momentopname. Zowel in de aangesloten landen, als bij UNESCO zelf, is de manier waarop men naar (potentiële) werelderfgoederen kijkt aan verandering onderhevig. Zo is UNESCO gaandeweg meer nadruk gaan leggen op de representativiteit van de Werelderfgoedlijst. Tot op de dag van vandaag is er vooral cultureel erfgoed in Europa genomineerd. UNESCO streeft ernaar om ook meer natuurlijk erfgoed op de lijst op te nemen en beoogt ook een grotere spreiding over de continenten. Voor het dossier van de Kolonies heeft die strategie van UNESCO tot gevolg dat de motivering van de uniciteit van het erfgoed bijzonder goed onderbouwd moet zijn. Daarnaast is er een nadrukkelijke trend om meer gewicht te leggen bij de beheersmaatregelen die beheerders en overheden moeten nemen om de kwaliteiten van het betrokken erfgoed te bewaken en te bewaren voor toekomstige generaties. Zo is door de jaren heen UNESCO steeds meer aandacht gaan besteden aan de wisselwerking tussen het kerngebied (het eigenlijke genomineerde erfgoed) en de bufferzone daarrond. Die zone moet garanderen dat de beleving van het erfgoed in het kerngebied ongeschonden blijft. Ook de monitoring van de beheersmaatregelen kreeg stelselmatig meer aandacht. Een andere evolutie is de grotere aandacht van UNESCO voor de ontsluiting van het betrokken erfgoed, voor de interactie met de lokale bevolking en het creëren van een erfgoedgemeenschap rond de genomineerde site. Dat gegeven staat niet op zichzelf natuurlijk, het is een algemene tendens binnen erfgoedmiddens om daar veel meer aandacht aan te schenken – ook in de Vlaamse regelgeving zit die aandacht voor erfgoedgemeenschappen verankerd en is ontsluiting, ook naar specifieke doelgroepen, een heel actueel onderwerp.

Wat is de UNESCO Werelderfgoedlijst?

19


HOOFDSTUK 3

Hoe verliep het onderzoek?

3


3.1 Fasering De opmaak van het kandidaatsdossier voor de voorlopige lijst is een stap die ervoor moet zorgen dat beide betrokken partijen in het nominatiedossier, met name de Nederlandse en de Vlaamse Kolonies, inhoudelijk en administratief op dezelfde lijn komen te staan. In het traject waren drie grote delen voorzien, waarbij deel 1 en 2 een noodzakelijke basis waren voor de opmaak van het kandidaatsdossier. Deel 3 behelsde een uitdieping die extra aanbevelingen moest opleveren voor de opmaak van het nominatiedossier samen met de Nederlandse partners. Tijdens het gehele traject waren er momenten ingebouwd voor terugkoppeling, interactie en communicatie met besturen, stakeholders en lokale bevolking. De voorstudie moest voornamelijk een overzichtsbeeld geven van de intrinsieke erfgoedwaarde van Wortel- en Merksplas-Kolonie. Ze was er vooral op gericht om de haalbaarheid van het vervolgtraject (voorlopige erkenning- definitieve erkenning) in te schatten en de historische evolutie van de sites in kaart te brengen. In die zin was het niet wenselijk, noch haalbaar qua tijdsinvestering of budget, om al het aanwezige bronnenmateriaal ook al diepgaand te onderzoeken. De focus lag daarom in de eerste plaats op iconografische en cartografische archieven. Daarnaast werd ook ander beschikbaar bronnenmateriaal in kaart gebracht, maar niet exhaustief geanalyseerd of digitaal ontsloten. Per definitie ging de aandacht vooral naar het patrimonium en het landschap, gezien dit de kern vormt van de uiteindelijke erkenning van de Kolonies op de UNESCO-lijst. Er werd achtereenvolgens een stakeholdersmapping gemaakt, een waardering van de erfgoedwaarde uitgevoerd, een analyse van de actuele juridische en planologische situatie en het beheer van de sites en tot slot een omgevingsanalyse waarin gekeken werd naar externe factoren die het UNESCO dossier kunnen be誰nvloeden. Alle bevindingen werden samengevat in een SWOT, die de uitgangspunten aangaf voor de beschrijving van de Outstanding Universal Value, de authenticiteits- en integriteitsanalyse en de internationale vergelijking. Tot slot werden ook enkele aanbevelingen geformuleerd voor het vervolgtraject, de opmaak van het eigenlijke nominatiedossier.

22

Hoe verliep het onderzoek?


3.2 Betrokkenen Het hele proces werd aangestuurd door een stuurgroep, met vertegenwoordigers uit de betrokken gemeenten, de Vlaamse Overheid en beheerders van onderdelen van de sites. Daarnaast waren er overlegmomenten voorzien met experts en ge誰nteresseerde inwoners van Merksplas en Hoogstraten.

3.2.1 Stuurgroep Leden van de stuurgroep: Piet Geleyns Agentschap Onroerend Erfgoed Marc De Borgher Agentschap Onroerend Erfgoed Tinne Rombouts Burgemeester Hoogstraten Frank Wilrycx Burgemeester Merksplas Michel Jansen Schepen Hoogstraten Karel Lenaerts Schepen Merksplas Eduard Palmans Secretaris Hoogstraten Dries Couckhuyt Secretaris Merksplas Dirk Jordaens Agentschap voor Natuur en Bos Patrick Engels Agentschap voor Natuur en Bos Filip Debrabandere Vlaamse Landmaatschappij Marc Van Gorp Regie der Gebouwen Philippe De Backer Kempens Landschap Leen Cannaerts Kempens Landschap Henk Van der Horst Provincie Drenthe De stuurgroep kwam samen op 13 maart 2012 en op 24 april 2012. Op 13 juni 2012 bracht Karvansera ook verslag uit op de technische commissie Wortel- en Merksplas-Kolonie.

Hoe verliep het onderzoek?

23


3.2.2 Bewoners en ge誰nteresseerden Op 20 mei 2012, tijdens de Koloniehappening in Wortel, zorgde Karvansera voor een infostand m.b.t. het UNESCO-traject. Bezoekers aan de happening konden er op grote panelen aangeven wat ze van de plannen vinden. Bovendien werd op 29 mei in het gemeentehuis in Hoogstraten een Kolonie-avond georganiseerd, met een dubbel doel: enerzijds informeren over de plannen en de fasering, anderzijds peilen naar de betekenis van de site voor de omwonenden. Er namen in totaal 20 personen deel aan de avond. Het enthousiasme was groot en er werd een basis gelegd voor verdere betrokkenheid bij het traject.

24

Hoe verliep het onderzoek?


3.2.3 Inhoudelijke experts Dhr. Karel Govaerts en dhr. Frans Horsten werden geïnterviewd omwille van hun uitgebreide kennis over de sites en hun jarenlange betrokkenheid in verenigingen die ijveren voor het behoud van de Kolonies. Daarnaast werd er op regelmatige basis overleg gepleegd met dhr. Piet Geleyns van het Agentschap Onroerend Erfgoed, aanspreekpunt voor UNESCO binnen de Vlaamse Overheid. Er werden drie denkmomenten georganiseerd waarbij de bevindingen van het team getoetst werden aan de mening van inhoudelijke experts: - denkdag 1, op 28 maart 2012, was gewijd aan de SWOT - en de stakeholdersanalyse. - denkdag 2, op 8 mei had de Outstanding Universal Value als onderwerp. - denkdag 3, op 5 juni 2012, was gericht op kennismaking en uitwisseling tussen de vertegenwoordigers van de Vlaamse sites en hun collega’s van de Nederlandse sites.

Landloperbegraafplaats Merksplas-Kolonie

Hoe verliep het onderzoek?

25


HOOFDSTUK 4

Stakeholdersanalyse

4


Stakeholders zijn organisaties of groepen van mensen die invloed hebben op het reilen en zeilen op de Kolonies of die er een belangrijke partners voor zijn. Voor het onderzoek hebben we in kaart gebracht welke organisaties allemaal betrokken zijn bij Wortel- en Merksplas-Kolonie. Dat bleken er heel veel te zijn – zowel federale, Vlaamse, provinciale als gemeentelijke overheidsorganisaties, maar ook allerhande verenigingen en bedrijven dragen hun steentje bij in het beheer van de sites of maken er gebruik van. We hebben eerst de betrokkenen opgelijst, om ze daarna te clusteren op basis van de criteria ‘invloed op’ en ‘belang bij’. We stelden een aantal vragen zoals: “Wie is rechtstreeks betrokken bij de UNESCO erkenning, wie ondervindt gevolgen als de situatie verandert (heeft er baat bij, ondervindt er nadeel van, …)? In totaal hebben we 91 clusters van betrokkenen vastgesteld.

28

Stakeholdersanalyse


Stakeholdersanalyse

29


HOOFDSTUK 5

Erfgoedwaarden

5


De kernkwaliteiten van een site staan natuurlijk centraal in een nominatiedossier. We zijn daarom gestart met de evaluatie van de intrinsieke kwaliteiten van het onroerend erfgoed, het gebouwd patrimonium en het landschap. We werkten daarbij met relevante clusters van gebouwen of landschappelijke elementen.

5.1 Methodiek De beide sites vertonen grote gelijkenissen op vlak van landinrichting (perceelsindeling en dreven) en worden nu ook als één geheel beheerd. Omwille van de initiële opdeling als ‘vrije’ en ‘onvrije’ Kolonie en gedeeltelijk andere functies in de loop van de geschiedenis, werd hun erfgoedwaarde per Kolonie beschreven. Voor de beschrijving gebruikten we bestaande inventarissen (o.m. van het Agentschap Onroerend Erfgoed en van Erfgoed-en-Visie, de Landschapsatlas van Vlaanderen) en plaatsbezoeken. We beschreven het ontstaan van de verschillende onderdelen en de evolutie ervan, en situeerden ze ook telkens in 6 kenmerkende periodes:

1700 »

1800 »

1770 1822

1900 »

1822 1842

1870 1900

Maatschappij van Weldadigheid

2000 »

1918 1945

1947 1993

Interbellum: introductie penitentiaire

De zoektocht naar een

instelling

nieuwe toekomst

Gemeenschappelijke heidegronden

Oprichting Rijksweldadigheidskolonies (Hoogstraten-Merksplas-Wortel)

32

Erfgoedwaarden

1993 NU

De modernisering


Voor de waardering van het onroerend erfgoed hanteerden we criteria gebaseerd op het Burra-charter, een methodiek die ontwikkeld werd door ICOMOS om plaatsen met een cultureel belang te waarderen. Elk beschreven item kreeg een waardering gebaseerd op 6 onderliggende criteria die elk apart geduid en gemotiveerd werden. • • • • • •

de zeldzaamheid van het desbetreffende item de gaafheid ervan de ensemblewaarde de historische waarde de esthetische waarde de beeldbepalende waarde

De gedetaillleerde waardering per cluster is beschikbaar in het wetenschappelijk dossier, hier nemen we de samenvattende omschrijving uit de Landschapsatlas Vlaanderen over. Het geheel werd aangevuld met historisch beeldmateriaal (gravures, foto’s) en kaarten.

Erfgoedwaarden

33


5.2 Wortel-Kolonie Compartimentlandschap van 552 hectare, met een monumentaal drevenpatroon en rechthoekige perceelsindeling met bos, weilanden en akkerlanden. Het landschap van Wortel-Kolonie sluit in het zuiden aan op het landschap van Merksplas-Kolonie. Kenmerkende gebouwen: 1 Hoofdgebouw (voormalig toevluchtshuis) 2 Woningen 3 Casino 4 Hoeve 5 Begraafplaats

4

1 3

5

2

2

N Uittreksel uit de historische kaart P. Vandermaelen (1849-1850). Kaartbladen Bar-Le Duc.

34

Erfgoedwaarden


5.2.1 Ontstaan en evolutie Periode 1: 1770 - 1822: gemeenschappelijke heidegronden Op de kaart van Ferraris (1777) is het gebied – ten noordoosten van Wortel – een uitgestrekt heidegebied met een aantal vennencomplexen: de Goorvennen centraal in het gebied en het Donckven, het Balven en het Lanckven in het noordoostelijk deel. In dit laatste deel ligt ook nog het Mermans Moer, wat op een veenontginning wijst. Vrij centraal komt een vierkant bos voor en enkele zones zijn als moerassig gebied aangeduid.

Periode 2: 1822 - 1842: Maatschappij van Weldadigheid Op 3 januari 1822 werd de ‘Maatschappij van Weldadigheid voor de Zuidelijke Nederlanden’ opgericht. Voor een vrije Kolonie werden er heidegronden aangekocht ten noordoosten van Wortel. De eerste werken begonnen in 1822.

Uittreksel uit de historische kaart van de Ferraris (1777). Carte de cabinet des pays-Bas Autrichiens. Kaartblad Hoogstraten 105

Het heidegebied werd op een rationele en symmetrische manier ingericht. De Kolonie werd ingedeeld in twee delen gescheiden door een weg. Verder werd er een opdeling gemaakt in kwartieren, die op hun beurt bestonden uit twee delen van elk twaalf percelen met een hoeve. Uitgegraven grachten scheidden de terreinen. Het domein werd ingericht voor 125 kleine boerderijen. Centraal werden 4 hoofdgebouwen en 4 bewakerswoningen opgericht.

De Vrije Kolonie in vogelvlucht: Litho van den Eynde ca. 1822.

Erfgoedwaarden

35


Ondanks de veelbelovende beginperiode mislukte de onderneming. Vele van de geplaatste gezinnen waren niet geĂŻnteresseerd in landbouw of waren niet genoeg opgeleid. Een andere oorzaak was de veenachtige grond die door een te beperkte bemesting uitgeput raakte. De maatschappij kwam in financiĂŤle moeilijkheden en in 1828 werd het systeem met vrije kolonisten in Wortel opgedoekt. Resterende families kwamen als landarbeiders in dienst van de Maatschappij. De hoeves werden niet meer onderhouden en met het materiaal van afgebroken hoeves werden de minder bouwvallige hersteld. Vanaf 1833 zette men de landarbeiders in voor bebossingsprojecten. Ongeveer een derde van de totale oppervlakte die oorspronkelijk bedoeld was voor de landbouw werd met dennen beplant. In 1842 ging het project echter failliet. Op de kaart van Vandermaelen (1849-50) is merkbaar dat nagenoeg het volledige gebied is ontgonnen en ingericht. Tussen de blokken landbouwgebied komt nog heide voor, evenals in het noordelijk deel van het gebied. Hier blijven eveneens enkele vennencomplexen bestaan.

Uittreksel uit de historische kaart P. Vandermaelen (1849-1850). Kaartbladen Bar-Le Duc.

36

Erfgoedwaarden


Periode 3: 1870 - 1900: oprichting Rijksweldadigheidskolonies Na de invoering van de wet van 6 maart 1866 op ‘de beteugeling der bedelarij en landloperij’ werd ook Wortel-Kolonie op 28 maart 1870 aangekocht door het Ministerie van Justitie. Een topografische kaart van 1879 (Militair Cartografisch Instituut) toont nog slechts enkele van de 125 boerderijen aan bewerkte blokken landbouwgrond. Het wegenstelsel is sterk gereduceerd. Vanaf 1880 begint Wortel-Kolonie een nieuw leven. In deze periode worden de ‘quatre bâtiments’ afgebroken en verrijzen er nieuwe gebouwen: de kazerne (later casino), centrale gebouwen, een hoeve , personeelswoningen, en nog andere gebouwen die intussen verdwenen zijn. Vanaf de wet Lejeune van 1891 maakt men een onderscheid tussen ‘beroepsbedelaars’ die ten gevolge van luiheid, losbandigheid of dronkenschap landlopers waren en ‘gewone’ bedelaars die bedelden door ouderdom, lichaamsgebrek, werkloosheid of andere ellende. Wortel-Kolonie wordt dan toevluchtshuis voor de ‘gewone’ bedelaars. Pas vanaf 1902 worden er ook beroepsbedelaars ondergebracht. Op de topografische kaart uit 1898 (grondkaart van de geologische kaart) is te zien dat de bebossing met naaldhout sterk uitgebreid is. Op de centrale percelen en een noordelijk braakliggend deel na, is alles bebost. Verder is het rastervormig wegenpatroon hersteld en verschillende delen worden ingericht als dreef. De vroegere akkers worden ondertussen grotendeels gebruikt als weiland.

Uittreksel uit de topografische kaart van het Institut Cartografique Militaire uit 1879. Kaartblad Wortel-Weelde.

Erfgoedwaarden

37


Periode 4: 1918 - 1945: interbellum: Rijksweldadigheidsgesticht Na de eerste wereldoorlog blijven de gebouwen te Wortel gedurende een periode onbezet. In 1935 worden ze opnieuw geopend onder de naam Rijksweldadigheidsgesticht, een toevluchtshuis voor geesteszieke landlopers of patiënten uit andere overbevolkte psychiatrische ziekenhuizen. Op de topografische kaart uit 1923 is het landschap verder geëvolueerd. In de hoofdassen van het wegenpatroon zijn de parallelle wegen herleid tot één weg. De dwarse wegen door de vroegere landbouwblokken zijn aan elkaar geregen en vormen een dicht raster. Het gebied is van noord tot zuid goed te doorkruisen en aan de hoofdwegen en tussen de landbouwblokken zijn dreven en bomenrijen aangeplant. Ze vormen de aanzet tot het huidige imposante drevencomplex in het domein. In het noordwestelijke deel van het gebied wordt een begraafplaats aangelegd. Het meest opvallende verschil in het landschap is de bebossing. Het grootste deel van het domein bestaat uit naaldhoutbos. Het areaal aan landbouwgrond is zeer beperkt en de heide is grotendeels verdwenen.

Periode 5: 1947 - 1993: de modernisering Vanaf 1945 verblijven er opnieuw landlopers uit Merksplas. Wortel blijft tot 1955 een bijhuis van Merksplas, maar wordt nadien een onafhankelijke instelling. Het landschap is nagenoeg niet gewijzigd. Een vrij beperkt gedeelte van het gebouwenbestand is gewijzigd en een klein deel van de beboste ruimte is opnieuw naar landbouwgrond omgezet. De open percelen zijn in gebruik als akkerland en weiland.

38

Erfgoedwaarden


5.2.2 Waardering Historische waarde: Op de Ferrariskaart (1777) nog heidegebied met vennencomplex, maar bij Vandermaelen (1854) reeds aangegeven als Kolonie met een rationele en symmetrische ontginningsstructuur. De huidige structuur en bebossing zijn gaaf en duidelijk herkenbaar zoals aangegeven op de kaarten van het Militair Geografisch Instituut (1909). Hoewel van de originele gebouwen weinig of niets is overgebleven, heeft het huidige gebouwenpatrimonium van de Kolonie toch een belangrijke cultuurhistorische waarde. Hierbij gaat het dan voornamelijk om het hoofdgebouw van de strafinstelling dat dateert uit de eeuwwisseling en waarvan de stijl doet denken aan een begijnhof. Verder zijn er nog 3 ateliers, het casino (de oorspronkelijke kazerne van de Kolonie), een landbouwbedrijf met woning en 21 personeelswoningen met tuin.

Esthetische waarde: Dit mooie en gave compartimentlandschap, doorsneden door indrukwekkende dreven, is sterk opvallend binnen een verder open landschap grenzend aan de Markvallei. De afwisseling van open en gesloten structuren, alsook de lange, oude dreven, doen mooie zichten ontstaan.

Sociaal-culturele waarde: Wortel-Kolonie is een nog intact voorbeeld van de uitvoering van een wetgeving die haar oorsprong vindt in de periode van het Frans RĂŠgime en die stelde dat de Staat de plicht had tot het tussenkomen in de hulpverlening bij armoede en tot het oprichten van weldadigheidskolonies. De uitvoering van deze wetgeving liet echter op zich wachten tot in de periode van de Koninklijke Nederlanden met de oprichting van landbouwkolonies. Dit idee heeft haar gevolgen gehad naar een specifieke landinrichting die aan de grondslag ligt van het landschapsbeeld dat wij nu nog ervaren in Wortel-Kolonie. De instelling van Wortel doet nu dienst als strafinrichting voor gedetineerden en vervult daarmee nog steeds min of meer de functie die zij meer dan 150 jaar geleden kreeg toegewezen.

Beeldbepalende waarde Het landschap van Wortel-Kolonie is door haar typische compartimentstructuur en een netwerk van imposante dreven en bomenrijen zeer herkenbaar en opvallend binnen haar landschappelijk sterk verschillende omgeving.

Wetenschappelijke waarde: De wetenschappelijke waarde van Wortel-Kolonie wordt voornamelijk bepaald door de afwisseling aan biotooptypes, de uitgestrektheid van het gebied, alsook de relatieve rust die er nog heerst. De dreven en bomenrijen vertegenwoordigen een aanzienlijke dendrologische waarde en hebben samen met de bossen een belangrijke functie als broedgebied voor talrijke vogelsoorten. De sporadisch voorkomende restanten van heide, moeras en vennen vormen een geschikt biotoop voor o.a. insecten.

Erfgoedwaarden

39


5.3 Merksplas-Kolonie Merksplas-Kolonie is een compartimentenlandschap van 480 hectare, met een monumentaal dreven足 patroon en een rechthoekige perceelsindeling met weilanden en akkerlanden. De site is bijna volledig begrensd door een ringgracht. De Kolonie werd bedacht als een volledig zelfvoorzienend geheel. Het gebied heeft een omvangrijk gebouwenpatrimonium, quasi volledig ontworpen door architect Victor Besme: 1 Hoofdgebouw (voormalig bedelaarshuis) 2 Hospitaal 3 Slaapzalen 4 Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkapel 5 Woningen 6 Schooltje 7 Grote hoeve 8 Nijverheidsgebouwen 9 Begraafplaats

8

2

1

9

3 5 7

2 6

4

N Uittreksel uit de historische kaart P. Vandermaelen (1849-1850). Kaartbladen Bar-Le Duc.

40

Erfgoedwaarden


5.3.1 Ontstaan en evolutie Periode 1: 1770 - 1822: gemeenschappelijke heidegronden Op de kaart van Ferraris (1777) maakt het gebied deel uit van de Bolksche Heide, gemeenschappelijke heidegronden. Het gebied grenst aan het landbouwgebied ten westen van de dorpskern van Merksplas. In het gebied liggen het Witte Goor en het Kleine Witte Goor, die wijzen op turfontginning.

Periode 2: 1822 - 1842: Maatschappij van Weldadigheid Op 3 januari 1822 wordt de ‘Maatschappij van Weldadigheid voor de zuidelijke provinciën” opgericht. Heidegronden ten westen van Merksplas worden aangekocht op 20 juni 1823 voor de oprichting van een onvrije Kolonie. Het voormalige heidegebied krijgt een rastervormig wegenpatroon, door de heel regelmatige aanleg van een aantal parallelle en dwarsende wegen. Centraal wordt er een bedelaarshuis opgericht. Het complex bestaat uit vier vleugels rondom een binnenkoer. Uittreksel uit de historische kaart van de Ferraris (1777). Carte de cabinet des pays-Bas Autrichiens. Het gebouw wordt geopend op 25 augustus 1825. Kaartbladen Brecht 106 en Turnhout 126. Het zuidelijke deel, ten zuiden van de verbindingsweg tussen Rijkevorsel en Merksplas, wordt nagenoeg niet ingericht. Hier is de heide met een aantal vennen blijven bestaan. Centraal in het gebied ligt ook een begraafplaats. Het ambitieuze project zit al snel in slechte papieren. Vanaf 1830 – het ontstaan van België – nemen de financiële moeilijkheden toe. Op 21 oktober 1842 staan de gebouwen volledig leeg en komt er een definitief einde aan het sociale project van de Maatschappij van Weldadigheid in de Zuidelijke Nederlanden.

Uittreksel uit de historische kaart P. Vandermaelen (1854). Kaartblad Turnhout.

Erfgoedwaarden

41


Periode 3: 1870 - 1900: oprichting Rijksweldadigheidskolonies Bij de Belgische onafhankelijkheid waren er in België zes provinciale bedelaarsinstellingen. Deze waren opgericht in de Franse periode. Aangezien de instellingen op sociaal vlak vele tekortkomingen hebben, begint de staat in 1848 met de eerste hervormingen. De wet van 6 maart 1866 op ‘de beteugeling der bedelarij en landloperij’ creëert de mogelijkheid om de oude provinciale bedelaarshuizen af te breken en nieuwe inrichtingen op te richten. Op 28 maart 1870 worden de voormalige Kolonies van Merksplas en Wortel aangekocht door het Ministerie van Justitie en start men met de eerste aanpassingswerken aan het oude bedelaarshuis. De voormalige Kolonie van Merksplas begint een nieuw leven door de impulsen van de nieuwe wetgeving. In de periode van 1871-1900 verschijnt er een heel dorp op de site, zelfvoorzieUittreksel uit de topografische kaart van het Institut Cartografique Militaire uit 1923. Kaartbladen Wortel 8/3 en Beerse 8/7. nend op alle gebied, gedirigeerd door justitie. Op de topografische kaart van 1895 is merkbaar dat het drevenstelsel is uitgebreid tot een rastervormig geheel. De landbouwgronden werden ingedeeld in kleinere blokken die gescheiden werden door houtkanten en bomenrijen. De site werd ondertussen ook voorzien van een ringgracht. Op de topografische kaart van 1895 staat deze volledig getekend, maar in werkelijkheid werd hij nooit helemaal voltooid. In het gebied komen ook kleinere delen bos voor, zowel naald- als loofhout en boomgaarden. Ten noorden en ten zuiden van de steenbakkerij zijn kleiontginningen merkbaar. Het Biesven (ten zuiden) is ontwaterd door de aanleg van een centrale en omringende gracht en omgezet naar graasland. Enkel in de zuidwestelijke punt van het gebied blijft heidegebied met vennen bewaard.

Het zwemdok in Merksplas-Kolonie

42

Erfgoedwaarden


Periode 4: 1918 - 1945: interbellum: introductie penitentiaire instelling Het landschap en de site wijzigen niet. In deze periode worden voornamelijk de gebouwen aangepast. Het bedelaarshuis wordt omgevormd tot gevangenis.

Periode 5: 1947 - 1993: de modernisering De topografische kaart van 1970 geeft het huidige landschapsbeeld weer. Voornamelijk rondom de steenbakkerij vallen de diepe sporen op van kleiontginning met kleiputten en reliëfwijzigingen. Ten noorden van de centrale gebouwen werd één van de kleiputten als stortplaats gebruikt. De voornaamste aanpassingen van het landschap zijn merkbaar bij de afbakening van de percelen. De houtkanten en bomenrijen tussen de percelen zijn verdwenen en verschillende akkerlanden werden omgezet naar grasland. De drevenstructuur blijft ongewijzigd.

Erfgoedwaarden

43


5.3.2 Waardering Historische waarde: De structuur en de opbouw van de Kolonie zijn nog gaaf in vergelijking met Vandermaelen (1854) en de kaarten van het Militair Geografisch Instituut (1909). Het gaat hierbij om de afwisseling van beboste percelen met stukken open akkerland en een rastervormig drevenpatroon. Ook van het oorspronkelijke gebouwenpatrimonium is heel wat overgebleven. Merksplas-Kolonie is een voor het Vlaams Gewest uniek en intact voorbeeld van de opbouw en inrichting van een gebied als ‘onvrije’ Weldadigheidskolonie.

Esthetische waarde: Het monumentale karakter van het drevenpatroon vormt samen met de afwisseling van gesloten bossen en open cultuurland een visueel zeer aantrekkelijk compartimentlandschap. De uitgestrektheid van het domein, de relatieve rust en het hier en daar nog karakteristieke gebouwenpatrimonium resulteren in een landschappelijk waardevol geheel.

Sociaal-culturele waarde: Merksplas-Kolonie is een nog intact voorbeeld van de uitvoering van een wetgeving die haar oorsprong vindt in de periode van het Frans Régime en die stelde dat de Staat de plicht had tot het tussenkomen in de hulpverlening bij armoede en tot het oprichten van Weldadigheidskolonies. De uitvoering van deze wetgeving liet echter op zich wachten tot in de periode van de Koninklijke Nederlanden, toen men meer heil zag in landbouwkolonies. Dit vanuit de gedachte dat werkverschaffing een goede maatregel was om de bedelarij te beteugelen en om de openbare rust te handhaven. Deze ideeën hebben hun gevolgen gehad naar een specifieke landinrichting die aan de grondslag ligt van het landschapsbeeld dat wij nu nog ervaren in Merksplas-Kolonie. Vandaag worden de gebouwen enerzijds gebruikt als strafinrichting en anderzijds als opvangcentrum voor illegalen.

Beeldbepalende waarde: Het monumentale, rastervormige drevenpatroon vormt samen met de omliggende ringgracht een opvallend ruimtelijk geheel binnen de open ruimte tussen Beerse, Merksplas, Rijkevorsel en Hoog­straten. Zeer typisch en ruimtelijk-structurerend waardevol, zijn de karakteristieke verkavelingen van de personeelswoningen met tuin, gelegen aan de Steenweg op Rijkevorsel.

Wetenschappelijke waarde: Door de uitgestrektheid van het domein en de grote verscheidenheid aan biotopen, heeft het gebied een belangrijke waarde voor fauna. Het immense drevenpatroon van voornamelijk zomereik en beuk, alsook de eikenbossen, dragen bij tot een belangrijke dendrologische waarde.

44

Erfgoedwaarden


Centrum van de illegalen te Merksplas-Kolonie

Erfgoedwaarden

45


HOOFDSTUK 6

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed

6


In het traject voor de opname op de voorlopige lijst, lag het hoofdaccent op het onroerend erfgoed. Maar het achterliggende gedachtegoed dat precies de aanleiding was voor het ontstaan van de ­Kolonies, de typische inrichting en de monumentale schaal, is echt wel heel bijzonder. Omdat we de gebouwen niet los mogen zien van de tijdsgeest en het gedachtegoed, hebben we daarvan een overzicht gemaakt, samen met een uitgebreidere tijdslijn waarin ook mogelijke inspiratie­bronnen van de opdrachtgevers (publicaties, andere sites) werden opgenomen.

6.1 Voorafgaandelijk aan de oprichting 16de eeuw : „Luiheid is het oorkussen van de duivel“ Er ontstaat een mentale shift t.o.v. de middeleeuwen • op vlak van het aanvaarden van het onderscheid tussen rijk-arm: armoede is iets dat bestreden moet worden. • op vlak van arbeidsethos: het is niet meer maatschappelijk aanvaard om enkel te werken in functie van de eigen noden/behoefte.

17de eeuw: Bedelaars en landlopers worden bestreden via een methodiek van ‘verbanning’, wat uiteindelijk enkel zorgt voor een verplaatsing van het probleem. Meerdere gezagsvolle stemmen pleiten voor het afschaffen van wrede lijfstraffen, omdat ze geen misdaden voorkomen. Vrijheidsberoving ziet men als een alternatief. Het idee verspreidt zich dat dwangarbeid geen straf is, maar een manier om armoede te voorkomen. In Engeland en Ierland ontstaan op grote schaal ‘workhouses’, gericht op het tewerkstellen van armen.

18de eeuw Installatie tuchthuizen met verplichte arbeid in onze contreien, met name in Gent (1772) en Vilvoorde (1776). Er komen meer en meer initiatieven van overheidswege om armoedebestrijding te organiseren op een bovenlokaal niveau en buiten kerkelijke organisaties (ipv. lokale initiatieven), onder invloed van de Verlichting, bijv. instructies onder Jozef II en in de Franse tijd (na de Franse revolutie). Het fysiocratisme komt op: reeds in de tweede helft van de 18e eeuw had het fysiocratisme opgang gemaakt. Deze economische theorie ontstond in Frankrijk en werd gedomineerd door François Quesnay (1694-1774) en Anne Robert Jacques Turgot (1727-1781). Ze geloofden dat de rijkdom van een natie haar oorsprong vindt in de waarde van de voor landbouw beschikbare grond. Wilde een natie rijker worden, dan moest ze meer land verwerven of door aan landontwikkeling te doen, de beschikbare landbouwgrond verbeteren. De wetgeving op ontginning van woeste gronden past in dit kader. Verlichte ideeën worden vertaald in architectuur en infrastructuur: Claude Nicolas Ledoux ontwerpt de ‘Salines Royales te Arc-et-Senans’ – zoutwinning en huisvesting voor arbeiders vanaf 1775.

48

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed


Grote Hoeve te Merksplas-Kolonie

19de eeuw Er is een enorme toename van de verpaupering in West-Europa in het begin van de eeuw o.m. door de groei van de bevolking, de industrialisering, de gevolgen van de Napoleontische oorlogen. Werkgelegenheid en landbouwproductie volgen het ritme van de bevolkingsgroei niet. Wettelijke initiatieven die armenzorg verschuiven van privé-initiatief en Kerk naar neutrale overheid zorgen voor een toename van bedelaars en landlopers, omdat de alternatieven niet snel genoeg op gang komen. Onder invloed van de ideeën van de fysiocraten uit de achttiende eeuw, gingen beleidsmakers en filantropen van het begin der negentiende eeuw de oplossing voor de armoede en bedelarij zoeken in het oprichten van landbouwkolonies. Ze gingen van de optimistische gedachte uit dat de mens intrinsiek goed was, en ook heropvoedbaar, mits hij geplaatst werd in een gepaste, natuurlijke ­omgeving. Er ontstaat een verheerlijking van de landbouw, als middel om de armoede of de luiheid van mensen te bestrijden en hen op te voeden tot respectabele burgers. Johannes Van Den Bosch, vertrouweling van Willem I van Oranje, correspondeerde volgens een aantal bronnen met Johann Daniel Lawaets, een succesrijke handelaar en textielindustrieel. Die laatste was ondernemend en erg sociaal bewogen. Uit de vaststelling dat er een samenhang was tussen staats- en economische crisissen en dat die vooral gevolgen hadden voor de armste bevolkingsklassen, leidde Lawaetz af dat de overheid zelf een ‘arbeidspolitiek’ moest voeren. In 1815 verscheen zijn boek met de titel “Über die Sorge des Staats für seine Armen und Hülfsbedürftigen”. De kernidee ervan was dat werkloosheid, armoede en dakloosheid niet met aalmoezen, maar met ‘werkgelegenheid en educatie’ moesten bestreden worden – zodat hulpbehoevenden geholpen werden om zelf een weg te vinden uit hun uitzichtloze bestaan. Werk en opleiding waren daartoe essentieel.

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed

49


6.2 Oprichting Maatschappij van Weldadigheid Noordelijke Nederlanden Johannes van den Bosch werkt het project voor de Maatschappij van Weldadigheid uit voor de Noordelijke Nederlanden, start fondsenwerving bij particulieren, onder bescherming van het Nederlandse koningshuis. Vanaf 1818 worden ook effectief Kolonies opgericht. Er bestond een vrije variant, voor bewoners die vrijwillig toetraden om tot pachtboer te worden opgeleid, en een onvrije variant, voor mensen die in de Kolonies werden ondergebracht om dwangarbeid uit te voeren. De maatschappij van Weldadigheid droeg zorg voor huisvesting, landbouwgrond, werktuigen, voeding, kleding, geneeskundige hulp en onderwijs. Je kan het sociale initiatief zien als een aanzet tot een miniatuur-welvaartstaat – met een weliswaar zeer strakke ordening en regels. De Kolonies moesten zelfbedruipend zijn.

Zuidelijke Nederlanden In 1822 komt er ook een zusterorganisatie voor de Zuidelijke Nederlanden, die vanaf dat jaar ook start met ontginningswerken, eerst in Wortel, voor een vrije Kolonie, nadien in Merksplas voor een onvrije. Van in het begin zijn er problemen – zowel met het profiel van de toegetreden gezinnen, die geen ervaring hadden met landbouw- als financiële. De maatschappij kon enkel overleven door de steun van de koning en de persoonlijke borgstelling van prins Frederik. Het project mislukt en wordt in Wortel al in 1828 stopgezet. De Belgische omwenteling bemoeilijkt de zaken verder, zorgt ook voor enige onrust en vernieling van de oogst. De financiële verplichtingen van de onvrije Kolonie in Merksplas worden door de nieuwe staat overgenomen, maar de financiële problemen hopen zich op. In 1942 geeft de Belgische overheid het bevel tot ontruiming en vanaf 1942 staan alle gebouwen leeg.

50

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed


6.3 Landbouwkolonies bij de jonge Belgische staat Bij de Belgische onafhankelijkheid waren er 6 provinciale bedelaarsinstellingen. Deze hadden het nadeel om tegelijk ouderlingentehuis te zijn, verbeteringsschool voor minderjarigen en strafoord voor gewoontemisdadigers. Lokaal ontstonden er in die tijd in een heleboel gemeenten in West-en Oost-Vlaanderen ook een soort ‘zorgboerderijen’ (fermes hospices)– voor een gemengde bevolking van ouderlingen, personen met een handicap en wezen. De bewoners werkten, in de mate van het mogelijke in de boerderij en konden op die manier voor hun levensonderhoud instaan. Het bleek voor de gemeenten een goedkoper alternatief dan deze personen als kostganger (tegen betaling) bij een landbouwer plaatsen, zoals voordien blijkbaar frequent gebeurde. De jonge staat België krijgt in de beginjaren te maken met een verergering van het probleem van de verpaupering. Opeenvolgende landbouwcrisissen en een groeiende bevolking zorgen voor een toename van het aantal arme mensen. De staat pikt het idee van landbouwkolonies terug op: • • • • •

ze wil het landbouwareaal vergroten. ze wil tewerkstelling en opleiding bieden. ze wil de productietechnieken verbeteren om de productiviteit in de landbouw te verbeteren. ze wil de ontvolking van het platteland (en de trek naar de steden) tegengaan. ze wil de kosten voor de lokale gemeenten verminderen.

In het midden van de 19e Eeuw neemt ze daartoe een hele reeks initiatieven. De wet op de ontginning van woeste gronden uit 1847 herbevestigt een vroegere richtlijn van uit de tijd van de Oostenrijkse Nederlanden en zet gemeentebesturen aan om hun gemeenschappelijke „woeste“ gronden te verkopen voor ontginning. Reeds in 1847 was er een wetsontwerp voor het oprichten van Kolonies voor volwassen bedelaars, dat evenwel door de parlementsleden niet werd goedgekeurd. Het parlement gaf er de voorkeur aan om eerst de kwestie van verbeteringsscholen voor jonge mensen te regelen en nadien, nadat daar ervaring mee was opgedaan, de kwestie van de volwassen bedelaars aan te pakken. Er komt in 1848 dus een wet op de oprichting van „verbeteringsscholen“ – om jonge mensen een opleiding te bieden (voor wezen, vondelingen, jonge bedelaars, ....). Een aantal van die scholen zijn landbouwscholen. Bij het Ministerie van Openbare Werken wordt de ingenieur Kümmer aangeduid als projectleider voor de ontginning van de hele Kempen- om het land- en bosbouwareaal te vergroten. Men wil starten met de aanleg van infrastructuur die een dubbel doel moet dienen: transportweg maar vooral de aanvoer van kalkrijk Maaswater voor de bevloeiing van landbouwgronden. Bovendien wordt vanaf 1847 een proefkolonie opgestart in Lommel (voorbeeldkolonie).

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed

51


Ondertussen wordt Edouard Ducpétiaux – inspecteur-generaal bij de gevangenissen- belast met een dubbele taak: • de oprichting van de verbeteringsscholen begeleiden. • een vergelijkende studie maken van landbouwkolonies en vergelijkbare initiatieven in Europa. Ducpétiaux had eerder al, samen met Dr. Guislain, de zorg voor krankzinnigen doorgelicht én een hervorming van de penitentiaire instellingen aangestuurd. Hij begeleidt de opstart van de landbouwschool in Ruislede (voor jongens) en nadien andere (in Beernem, voor meisjes, en in Wingene) en levert in 1851 een gedetailleerd rapport af, met een uitvoerige analyse van bestaande initiatieven, waaronder ook Wortel en Merksplas-Kolonie. Hij gaat uitgebreid in op het businessmodel van beide Kolonies en besluit dat het project van in het begin moest falen, omwille van zware tekortkomingen in dat businessmodel. Hij geeft ook aan op welke manier het anders aangepakt had kunnen worden. Ducpétiaux belicht ook uitgebreid de „zorgboerderijen“ omdat hij vindt dat het een bruikbaar model is voor heel België, en dat het door de Belgische overheid kan overgenomen worden op grotere schaal. Tot slot formuleert hij een hele reeks adviezen – met betrekking tot verschillende types van landbouwkolonies – met een meer sociaal (educatie, welzijn) of meer penitentiair karakter.

6.4 1866, Wet op beteugeling van de landloperij en de bedelarij, oprichting Rijksweldadigheids- kolonies (doorstart) De wet die in 1847 was voorbereid, komt er uiteindelijk in 1866 en zorgt voor een stroomversnelling. De overheid gaat op zoek naar een plaats om haar wetgevende initiatief ook in de praktijk om te zetten en komt terug uit bij de vroegere Kolonies van de Maatschappij van Weldadigheid en het bedelaarsgesticht van Hoogstraten, dat eigenlijk al een landbouwkolonie was. De keuze voor die plekken sluit natuurlijk ook perfect aan bij de globale plannen voor de ontginning van de Kempen. Justitie neemt de drie instellingen op in een nieuwe eenheid, de Rijksweldadigheidskolonies van Merksplas, Wortel en Hoogstraten en wil de Kolonies uitbouwen als een modelinrichting, die staan voor het moderne beleid dat de jonge Belgische staat voert. We moeten niet vergeten dat ook de Strafwet -uit dezelfde periode - bekend stond als zeer vooruitstrevend voor die tijd. De herinrichting van de sites wordt uitgevoerd onder leiding van Openbare Werken, Bruggen en Wegen, afdeling Publieke gebouwen. De plannen worden opgemaakt te Brussel door architect Victor Besme en worden gecontroleerd door Ir. van Bruggen en Wegen F. Zanen te Turnhout. De Kolonies kennen dan een lange periode van grote bloei en uitbreiding van de bevolking- o.m. door de penibele sociale omstandigheden in dat tijdsvak.

52

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed


6.5 Na WOI : evolutie naar zorginstellingen en strafinrichtingen Na WOI daalt het aantal kolonisten, omdat de oorzaken van de landloperij wegvielen. Enerzijds had de oorlog gezorgd voor veel mannelijke, vooral jonge slachtoffers, terwijl de wederopbouw van het land veel extra werkgelegenheid creëerde. Daarnaast zorgde de stelselmatige invoering van sociale wetgeving voor een verlaagde instroom. De vrijgekomen gebouwen kregen een nieuwe bestemming, die samenhing met gewijzigde opvattingen met betrekking tot het penitentiair regime. Aan de grondslag daarvan lagen nieuwe inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek (psychologie, psychiatrie, criminologie). De opvatting van een eenvormige behandeling verschoof naar een individuele straf, op basis van het persoonlijkheidsprofiel van de delinquent. Zo startte men met de scheiding van geesteszieken en andere zieke delinquenten van de gezonde gestraften. De wet van 1930 op de bescherming van de maatschappij voorzag de internering van abnormalen en gewoontemisdadigers en had tot gevolg dat er in de bestaande Kolonies allerhande aanpassingen werden doorgevoerd om verschillende „types“ van opgeslotenen een aangepaste strafbehandeling te geven. De sites kennen verschillende bestemmingen, naargelang de noden en evoluties binnen justitie en de noden van de staat. Zo staat de site van Wortel een tijdlang leeg, wordt ze dan weer ingezet als instelling voor geesteszieken (zowel landlopers als anderen), wordt Hoogstraten een schoolgevangenis (opleidingscentrum voor gevangenen) en evolueert Merksplas van een gedeeltelijke naar een zuivere strafinrichting voor misdadigers. Tijdelijk worden er ook vluchtelingen opgevangen. Na WOII, wordt Wortel een toevluchtshuis voor bedelaars en landlopers, Merksplas wordt een echte gevangenis. De aanpassingen aan de gebouwen hebben te maken met de gewijzigde functie. De landbouwexploitatie bleef de hele tijd in gebruik, tot in 1993, toen de wet op de landloperij werd afgeschaft.

Situering binnen tijdsgeest en gedachtegoed

53


HOOFDSTUK 7

Bescherming en beheer

7


Voor UNESCO is het essentieel dat de vastgestelde erfgoedwaarde van de potentiële Werelderfgoedsites ook verankerd wordt in een concreet beleid gericht op instandhouding van het erfgoed en de ontwikkeling ervan. De aanvragende overheid moet m.a.w. kunnen garanderen dat zij maximale inspanningen levert om het erfgoed te bewaren en dat zij haar eigen beleidsinstrumentarium positief aanwendt. In Wortel en Merksplas is er een lange traditie van samenspraak en overleg voor het beheer van de sites. De toekomstrichtingen werden ook verankerd in een hele reeks beschermende maatregelen en planningsinstrumenten. We hebben de beleidsinstrumenten die relevant zijn voor UNESCO opgelijst en geanalyseerd.

7.1 Eigendomsstructuur De afschaffing van de wet op de landloperij in 1993, was de aanleiding voor de federale overheid om onderdelen van de sites te verkopen. Overleg in een speciaal daarvoor opgerichte technische commissie heeft ervoor gezorgd dat de verkochte stukken toch in overheidshanden konden blijven. Zowel gemeentelijke, provinciale, Vlaamse als federale overheidsinstellingen zijn nu mede-eigenaar in het geheel. Kempens Landschap coördineert en is eigenaar van de boerderij te Wortel-Kolonie, de gemeente Merksplas is eigenaar van de kapel en de Grote Hoeve in MerksplasKolonie, het Agentschap voor Natuur en Bos bezit en beheert de bossen, dreven en natuurgebieden, de Vlaamse Landmaatschappij staat in voor de landbouwkavels,….

56

Bescherming en beheer


7.2 Beheersstructuur Vzw Kempens Landschap staat in voor de coördinatie van het beheer van de sites zodat er opti­male afstemming gebeurt tussen de acties die de verschillende eigenaars op hun terrein ondernemen. De concrete beheersstructuur die daarvoor in het leven werd geroepen is de technische coördinatiecommissie. De technische coördinatiecommissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende eigenaars en waakt erover dat de beide domeinen als een geheel beheerd worden. De commissie werkt op basis van lange termijnplannen en consensus. Zie 7.1

7.3 Juridisch kader en planningscontext De algemene consensus over de erfgoedwaarde van de beide sites werd vertaald in bescher­­ mingsbesluiten en beleidsplannen voor verschillende beleidsdomeinen. Vanuit het UNESCOperspectief zijn het ruimtelijke bestemmingskader en de sectorale wetgeving voor landschap en erfgoed het meest pertinent. De krachtlijnen daarvan worden hierna geschetst. De kaarten van de inrichtingsvisie (zie illustraties) gelden als consensusplan. Wetgeving Beschermingsbesluiten onroerend erfgoed • Ministerieel Besluit 28/01/1999 Bescherming als monument Merksplas: kerk, grote hoeve, gevangenisgebouwen tussen hoofdgebouw en kerk, gevels en bedaking hoofdgebouw, schoolgebouw. • Ministerieel Besluit 29/06/1999 Bescherming als landschap Rijksweldadigheidskolonies Wortel en Merksplas. • Ministerieel Besluit 16/02/2007 Bescherming als monument Merksplas: quarantainestal, stallingen/werkplaatsen, aardappelkelders, 3 open schuren, magazijngebouwen. Ruimtelijk beleidskader: • Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) 25/06/2009 • Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan in opmaak

Merksplas-Kolonie Wortel-Kolonie

Bescherming en beheer

57


Beleidsplannen en studies 1998 Ontwikkelingsvisie Wortel-Kolonie, VLM 2005 Inrichtings- en drevenbeheersplan (voor beide sites), VLM Het plan functioneert als consensusplan (zie ook illustraties hierna) Ruilverkavelingsplannen Merksplas en Rijkevorsel-Wortel 14/09/2011 Masterplan voor renovatie en herbestemming kapel en grote hoeve, Merksplas 2012 2013

58

Bescherming en beheer

Bosbeheersplan Wortel Mobiliteitsplan Wortel-Kolonie, in opmaak Landschapsbeheersplan Merksplas, in opmaak Landschapsbeheersplan Wortel, voorzien, nog niet gestart


Inrichtingsplan Wortel-Kolonie

Inrichtingsplan Merksplas-Kolonie

Bescherming en beheer

59


7.4 Krijtlijnen PRUP Merksplas-Kolonie De strafinrichting en zijn omgeving te Merksplas is in het Ruimtelijk structuurplan provincie Antwerpen (RSPA) bindend geselecteerd als een gebied van ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang.  De opmaak van een PRUP zorgt voor een betere ordening van het gebied zodat de harmonie en eenheid gevrijwaard blijven. De afbakening van het plangebied is zo gekozen dat het gebied Merksplas-Kolonie als één geheel wordt opgenomen, gebaseerd op het beschermde landschap. Het gebied in dit PRUP is 411 ha groot. Het uitzicht van het plangebied wordt sterk bepaald door de drevenstructuur en de verschillende gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Er zijn verschillende functies aanwezig. Landbouw en natuur zijn de hoofdfuncties in het gebied, maar er is ook een recreatieve functie. Een aantal gebouwen hangt samen met de strafinstelling en het asielcentrum. In het plangebied komen ook nog woningen voor.  Het PRUP vertrekt van de volgende uitgangspunten: • Wortel- en Merksplas-Kolonie hebben een belangrijke landschapsecologische rol als noordzuidverbinding tussen belangrijke natuur- en boscomplexen in de Noorderkermpen. Ze moeten deze rol ook in de toekomst kunnen vervullen. • ondanks de verschillende functies in de Kolonie, vormt de Kolonie door haar dreven, bossen en ringgracht één duidelijk geheel. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied dienen als geheel te worden bewaard. • er is ruimte voor grondgebonden landbouw. • de recreatiemogelijkheden mogen de draagkracht van het gebied niet overstijgen. • gemeenschapsvoorzieningen met een bovenlokale rol blijven mogelijk. In het kader van dit PRUP werden er herbestemmingen doorgevoerd naar: • groengebied: hier is de inrichting gericht op de natuurfunctie met mogelijkheid tot recreatief medegebruik. • dreven: de dreven vormen het geraamte van Merksplas-Kolonie, door ze apart op te nemen worden ze beter beschermd. • kleine landschapselementen: aparte aanduiding van de kleine landschapselementen (vooral vennen) zodat ze behouden en beschermd kunnen worden. • zone voor grondgebonden landbouw: de landbouwpercelen worden beschouwd als veldkavels. Rond de Kleine Boerderij kan er een arboretum worden ingericht. • landbouwbedrijfsgebouw: de Kleine Boerderij kan worden gebruikt als ontvangst- of congresruimte met beperkte verkoop gelinkt aan het arboretum. • zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut: specifiek gaat het hier over een gevangenis en asielcentrum met aanverwante activiteiten. • zone voor bedrijvigheid: in deze zone is bedrijvigheid met een maatschappelijk karakter mogelijk. • zone voor recreatie met openbaar karakter: in deze strook kan recreatie worden ingericht en kunnen er functies gegeven worden aan de beschermde gebouwen om deze te herwaarderen. • zone voor wonen in cultuurhistorisch karakter: de bestaande woningen in het plangebied • zone voor stortplaats met nabestemming groengebied. • zone voor een weg. De provincieraad stelde het PRUP Merksplas-Kolonie definitief vast op 25 juni 2009. De Vlaamse regering keurde het PRUP goed op 16 september 2009.

60

Bescherming en beheer


7.5 Bepalingen uit het Ministerieel Besluit ‘Beschermd Landschap’ De beide Kolonies zijn beschermd landschap (MB 29 juni 1999). De bepalingen uit het besluit zijn: • behoud van het domein als één structureel geheel. • de intrinsieke waarden van het gebeid behouden en verbeteren. Hieronder wordt verstaan: - het karakter van het compartimentenlandschap dient bewaard te blijven. - het drevenpatroon dient behouden te worden en zoveel mogelijk hersteld. - de beboste oppervlakte is minstens te behouden en verder te diversifiëren door een geleidelijke overgang naar loofbos. - de landbouwgronden zijn zoveel mogelijk verder te gebruiken als veldkavels die als structureel geheel passen in het landschap van de Kolonies. - voor de bestaande gebouwen en hun omgeving dienen gepaste bestemmingen gevonden te worden of behouden te blijven, waardoor zij als karakteristiek en structureel geheel blijven passen in het landschap van Wortel-Kolonie. - de deelgebieden met een zeer hoge natuurwaarde dienen zo beheerd te worden dat de waarden die nu in sommige gevallen als relictwaarden kunnen aangeduid worden, verbeteren en zo mogelijk hersteld worden.

• het gebied op een gepaste wijze inrichten voor passieve recreatie. • het geheel kaderen in een educatieve, sociale en/of wetenschappelijke functie.

Bescherming en beheer

61


Cipierswoning te Wortel-Kolonie

62

Bescherming en beheer


7.6 Afbakeningen in de Landschapsatlas Vlaanderen De landschapsatlas geeft een overzicht van de historisch gegroeide landschapskenmerken van bovenlokaal belang en heeft op zich geen juridische waarde. Er worden relicten en ankerplaatsen onderscheiden. Een relict is een overblijfsel uit vroegere tijd dat nog getuigt van de toestand zoals die eertijds was. Sommige relicten van zeer verschillende aard vormen echter complexen die historisch samen horen en dus best in hun samenhang benaderd worden, deze worden ondergebracht onder de categorie ‘ankerplaats’. Ankerplaatsen zijn landschappelijk de meest waardevolle gebieden voor Vlaanderen. Zowel Merksplas-Kolonie (A10012) als Wortel-Kolonie (A10007) zijn een ankerplaats. Volgens het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 2008 geldt er een zorgplicht op alle vastgestelde ankerplaatsen. Relictzones zijn gebieden met een hoge dichtheid aan zowel bouwkundige, landschappelijke als andere types relicten. Wortel-Kolonie is gelegen in de relictzone ‘Wortel-Kolonie en bos- en akkercomplex Heikant’ (R10040) en ‘Bovenloop van de Mark’ (R10033). Merksplas-Kolonie is gelegen in de relictzone ‘Merksplas-Kolonie en bos- en vengebied Bolkse en Blak Heide (R 10051)’. In de onmiddellijke omgeving van de Wortel-Kolonie zijn enkele lijnrelicten aanwezig, nl. Het Marksen (L10026), de Oude weg Hoogstraten-’s Hertogenbosch (L10036) en de Mark (L10025). Daarnaast zijn er ook puntrelicten aanwezig, namelijk de Hoeve Wortel-Kolonie (P10141) en het hoofdgebouw Wortel-Kolonie (P11149), Hoeve Merksplas-Kolonie (P11150), Kerk Kolonie (P10193) en Paviljoen Merksplas-Kolonie (P11151). PM. Het deel dat in Nederland grenst aan Wortel-Kolonie is door de Nederlandse Provincie Noord Brabant op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart aangegeven. Het gaat om het gebied Schootse Hoek dat ligt in het historisch landschappelijk gebied met hoge waarde, de Heideontginning Castel­ reesche Heide.

Bescherming en beheer

63


HOOFDSTUK 8

SWOT

8


Oude schoolgebouw Merksplas-Kolonie

66

SWOT

Gerestaureerd schoolgebouw Merksplas-Kolonie


Alle bevindingen uit de voorstudie werden samengebracht en geclusterd in een sterkte/ zwakte/kansen/bedreigingen schema (SWOT), met betrekking tot de haalbaarheid van een UNESCO-nominatie.

Sterktes • De site an sich: de wisselwerking tussen de landschapstructuur (met het compartimentenlandschap en het drevenpatroon) en het rijke patrimonium, met een opvallend grote schaal, zorgt voor een heel sfeervol geheel. • Het sociale verhaal is nog steeds prominent aanwezig op de site – mensen aan de rand van de maatschappij. • Het gegeven dat de site in gemeenschapshanden bleef na 1993 en de traditie van gemeenschappelijke besluitvorming zijn krachtige hefbomen voor het behoud en de verdere uitbouw. • Het bestuurlijk draagvlak op verschillende niveaus is aanwezig. • De planinstrumenten en recreatieve structuren zijn recent en bieden een goed kader voor de volgende jaren. • De gezamenlijke aanpak voor de beide Kolonies samen (beheerd als één gebied) zorgt voor synergie. • Er is veel en rijk bronnenmateriaal.

Zwakten • De verdwenen onderdelen van de oorspronkelijke site (patrimonium) – toevoegingen die de structuur aangetast hebben. • De sociale geschiedenis is nog niet ruim onderzocht waardoor er nog te weinig interessante verhalen voor een breed publiek zijn ontsloten. • De toekomstplannen van de gevangenis zijn nog niet duidelijk.

Kansen • Er is toenemende aandacht voor erfgoed en landschap in onze maatschappij. • De rol van landbouw in het landschapsbeheer. • Er is een sterke groei van onderzoeksplatformen in relevante domeinen (sociale geschiedenis, geschiedenis van justitie). • De UNESCO-aanvraag creëert een nieuw momentum en bijkomende kansen voor een nog groter draagvlak voor de sites, ook bij een breed publiek.

Bedreigingen • Maatschappelijke weerstand vanuit onbekendheid met UNESCO. • De economische omstandigheden zijn niet gunstig. • Onbekende invloed van UNESCO op toekomstige bedrijfsvoering en economische mogelijkheden.

SWOT

67


HOOFDSTUK 9

Internationale vergelijking

9


9.1 Doel De internationale vergelijking is een vast onderdeel in het nominatieproces. Ze verheldert hoe de opname van de Kolonies op de lijst, de UNESCO-Werelderfgoedlijst zelf representatiever en sterker maakt. Daarnaast geeft zo’n internationale vergelijking ook meteen reliëf aan de voorgestelde ‘uitzonderlijke universele waarde’. De vergelijking met andere sites - al genomineerd als UNESCO Werelderfgoed of op de voorlopige lijst - toont aan waarin de Kolonies effectief uniek zijn en op welke manier ze de geschiedenis van de mens beïnvloed hebben.

9.2 Methodiek De Werelderfgoedlijst bevat in totaal 936 items (1/6/2012). De ‘tentative lists’ bevatten daarnaast nog eens 1563 items. Een comparatieve analyse werd uitgevoerd, op basis van een aantal thematische gelijkenissen. De Werelderfgoedlijst werd volledig gescreend, voor de screening van de tentatieve lijst hanteerden we een landenselectie op basis van historisch bronnenmateriaal. Kenmerkend voor de Kolonies is de koppeling van de ontginnings- en landbouwactiviteit aan een duaal systeem dat zorg en dwangarbeid combineert vanuit een ideaal van armoedebestrijding. Zeer typisch is ook de maatschappelijke inbedding en de rol van de overheid. We hebben daarom gezocht naar sites die ingebed zitten in een vergelijkbare maatschappelijke context & ideeëngoed (vb. utopisch gedachtegoed – vroeg socialisme) én tegelijkertijd een vergelijkbare combinatie van functies vertonen (ontginning & landbouw – dwangarbeid – zorg – zelfvoorzienend systeem).

Steendruk kruispunt van de 4 gebouwen in Wortel-Kolonie

70

Internationale vergelijking


Uit de vergelijking blijkt dat er geen sites opgenomen zijn die beide aspecten combineren. Er zijn wel sites die vergelijkbaar zijn op één van beide aspecten. Zo zijn vele industriesites of mijnsites vergelijkbaar op vlak van achterliggend gedachtegoed, maar niet op het “maatschappelijke totaalapparaat” dat ontwikkeld werd. Voorbeelden daarvan zijn : • • • • • •

New Lanark en Saltaire – UK Crespi d’Adda – Italië Salines royales d’Arc-et-Senans – Frankrijk Le Grand Hornu – België Rjukan/Notoddu & Tyssedal industrial heritage sites – Noorwegen La Constancia Mexicana - Mexico

Sites die in meer of mindere mate vergelijkbaar zijn door de planmatige ontginning van (landbouw) gebied, met bijbehorende infrastructuur, zijn • • • • • •

Coffee cultural landscape - Columbia Colonial city of Santo Domingo -Dominicaanse republiek Jesuit Missions of Chiquitos – Bolivia Historic Quarter of the city of Colonia del Sacramento -Uruguay Cultural landscape of the Stud Farm at Kladruby – Tjechië San Antonio Franciscan Missions - USA

Het strafaspect en de verbanning naar een uithoek, vinden we terug bij • Australian Convict Sites – Australië

Internationale vergelijking

71


HOOFDSTUK 10

10

Conclusies voor het kandidaatsdossier


10.1 Uitzonderlijke Universele Waarde van de serie (Outstanding Universal Value) Eén van de meest bijzondere maatschappelijke experimenten op basis van het 19de-eeuwse Westerse utopische denken over de maatschappelijke orde kan vandaag nog worden vastgesteld in de grootschalige landontginningen voor armoedebestrijding in het noorden van België en het noordoosten van Nederland. Ze waren een publiek-privaat initiatief van een burgerlijke elite die utopische inzichten samenbracht met een nieuwe financieringsvorm gebaseerd op bijdragen van particulieren en gemeenten, en ook zorgde voor de concrete materiële uitwerking. De effecten daarvan zijn nog steeds leesbaar in het landschap. De Kolonies zijn bijzonder door hun schaal en alomvattende karakter, over elk aspect van het dagelijkse leven was nagedacht. Binnen de contouren van de landontginning, tekende zich een project af van verheffing van de onderklassen, gebaseerd op werkverschaffing, onderwijs, zorg en beloning en bestraffing. De uitzonderlijke kwaliteit van de gebouwen en (land-)inrichting bevestigde dat het om een prestigeproject ging, actief gesteund door de rijksoverheid. Precies de combinatie van onderwijs, zorg en (dwang)arbeid binnen een zelfvoorzienend geheel maakt de vernieuwing uit van de Kolonies. Ze hebben raakvlakken met het toenmalige denken over armoede en bedelarij, door het fysiek verwijderen van de betrokken personen uit hun gewone omgeving (verbanning). Door de aandacht voor zorg, opleiding en maatschappelijke disciplinering kunnen ze evenwel ook als een experimentele voorloper van het 20ste-eeuwse concept van de moderne sociale welvaartstaat worden beschouwd.

10.2 Werelderfgoedcriteria waaraan voldaan wordt: (V) EEN UITZONDERLIJK VOORBEELD BIEDEN VAN EEN TRADITIONELE MENSELIJKE NEDERZETTING OF VAN BODEMGEBRUIK DAT REPRESENTATIEF IS VOOR EEN BEPAALDE CULTUUR (OF CULTUREN), OF VAN MENSELIJKE INTERACTIE MET DE OMGEVING, IN HET BIJZONDER WANNEER ZE KWETSBAAR GEWORDEN ZIJN EN DOOR ONOMKEERBARE VERANDERINGEN WORDEN BEDREIGD. De Kolonies van Weldadigheid zijn een goed herkenbaar gebleven voorbeeld van een grootschalige landontginning met een vooruitstrevend, maatschappelijk doel, met name het oplossen van het armoedeprobleem in al zijn vormen. De Kolonies van Weldadigheid weerspiegelen de wisselwerking tussen de Verlichte ideeën en het concrete landschap waarin ze vorm kregen. De ruimtelijke logica van het huidige landschap is rechtstreeks verbonden met het organisatiemodel van de desbetreffende Kolonie (vrije of onvrije Kolonie) en de uitgangsprincipes die de Maatschappij hanteerde (zelfvoorziening, orde en tucht). Om de landbouwproductie op te drijven, werd ingezet op de ideeën van verlichte landbouwkundige theoretici, die tot die tijd in de praktijk weinig of geen weerklank hadden gevonden. In de systematische en innovatieve aanpak van de landbouw zijn de Kolonies van Weldadigheid te zien als een voorloper van de grote initiatieven die de natiestaten zouden nemen op vlak van landbouwbeleid

74

Conclusies voor het kandidaatsdossier


vanaf de tweede helft van de 19e eeuw (met modelboerderijen, landbouwscholen, internationale landbouwtentoonstellingen). De Maatschappij van Weldadigheid was alomtegenwoordig in het publieke en private leven van de kolonisten, met een uitgekiend voorzieningenniveau dat elders, voor gewone burgers, pas vanaf de tweede helft van de 19de eeuw werd gerealiseerd. In de inrichting van de gebieden van de Maatschappij van Weldadigheid komen de utopische, maatschappelijke en politieke ideeën over opvoeding, toezicht en landbouw samen met de toenmalige toepassing van die ideeën in architectuur, stedenbouw en landschapsinrichting. De orthogonale, hiërarchische ordening van de landbouwontginningen met doordachte inplanting van gebouwen, stedenbouwkundige assen (dreven) en landschapsinrichting weerspiegelt de ontwikkeling naar een geheel maakbaar landschap, dat heringericht wordt voor economische en maatschappelijke doelen. (VI) MATERIEEL OF IMMATERIEEL VERBONDEN ZIJN MET GEBEURTENISSEN OF LEVENDE TRADITIES MET EEN GEDACHTEGOED EN BELIJDENISSEN, MET EEN ARTISTIEK OF LITERAIR WERK VAN UITZONDERLIJKE UNIVERSELE BETEKENIS. De Kolonies van Weldadigheid waren een uitzonderlijk maatschappelijk experiment gericht op vernieuwende armenzorg en sociale emancipatie, geïnspireerd door het ideeëngoed van de Verlichting. Ze vormen een aangrijpend en vroeg voorbeeld van het streven naar een maakbare samenleving (‘social engineering’). Ze kunnen doorgaan als proeftuin voor een nieuw staatsmodel (de verzorgingsstaat), zoals dat later in grote delen van de wereld gestalte kreeg. De sites herinneren aan een uniek sociaal initiatief van de maatschappelijke elite dat een enorme impact heeft gehad op onze hedendaagse samenleving. In de Kolonies werd een systeem van sociale voorzieningen geïnstalleerd dat in de decennia na de stichting van de Maatschappij van Weldadigheid ook ruimere verspreiding vond. De sociale voorzieningen gingen hand in hand met maatschappelijke disciplinering. In de afgesloten en zelfvoorzienende leefgemeenschappen van de Maatschappij van Weldadigheid werden kolonisten opgevoed tot ‘betere burgers’. Drie grote pijlers in het beleid van de Maatschappij moesten die opvoeding mogelijk maken: arbeid, onderwijs en godsdienst. De Kolonies van Weldadigheid zijn in die zin ook een gerealiseerd voorbeeld van een panoptische utopie. De grootschalige opbouw van de Kolonies van Weldadigheid kwam door een ingenieuze organisatievorm tot stand, met brede vertakkingen in het Koninkrijk der Nederlanden, zowel geografisch als naar de verschillende sociale klassen. De Maatschappij van Weldadigheid droeg de kiemen in zich van latere middenveldorganisaties (vakbonden, mutualiteiten, socio-culturele verenigingen) maar ook van sociale bijstandsorganisaties. De inzichten en ideeën die de Maatschappij van Weldadigheid samenbracht waren kenmerkend voor internationale denkers en activisten van de hogere burgerlijke elite van het begin van de 19de eeuw, waartoe de stichters ook behoorden. De Maatschappij stond in contact met personen en instellingen wereldwijd en droeg zelf sterk bij aan de ontwikkeling en praktische toepassing van het gedachtegoed.

Conclusies voor het kandidaatsdossier

75


10.3 Authenticiteit/integriteit in de context van Werelderfgoed Integriteit De begrenzing van de Kolonies van Weldadigheid is gebaseerd op het oorspronkelijke bezit van de Maatschappij van Weldadigheid dat daadwerkelijk ontwikkeld werd. De gebieden omvatten m.a.w. de oorspronkelijke landschappelijke aanleg, de structuur van de bebouwing, alsmede exemplarische bebouwing die de geschiedenis en ontwikkeling van de Kolonies illustreert. Tot deze elementen behoren sloten, wegen, beplantingspatronen, bebouwingsstructuren, begraafplaatsen, gebouw­ typologieÍn, functies en archeologische sites.

76

Conclusies voor het kandidaatsdossier


De genomineerde gebieden getuigen in hun onderlinge samenhang en in het geheel van ruimtelijke en associatieve waarden van het uitzonderlijke karakter van de Kolonies van Weldadigheid. De integriteit wordt verzekerd door het huidige gebruik, dat nog grotendeels in de lijn ligt van de doelstellingen van de Maatschappij van Weldadigheid. De attributen van de genomineerde componenten zijn in goede conditie.

Authenticiteit De archeologische vindplaatsen, de landschappelijke structuur en de aanwezige bebouwing vertellen op een geloofwaardige wijze het verhaal van de Kolonies van Weldadigheid, vanaf hun ontstaan tot op de dag van vandaag. De genoemde structuren zijn herkenbaar gebleven en in hun essenties bewaard. Het gebruik van de Kolonies voor de landbouw en de doelstellingen die de Maatschappij van Weldadigheid twee eeuwen geleden formuleerden is in hoofdzaak gecontinueerd en aangevuld met nieuwe functies waarin de tegenwoordige maatschappelijke betekenis van de Kolonies van Weldadigheid wordt uitgedrukt.

10.4 Door UNESCO vereiste managementstructuur De technische coördinatiecommissie die sinds 1997 het beheer van de Kolonies verzekert, komt tegemoet aan de voorwaarde van UNESCO dat de genomineerde site een eigen managementsysteem heeft. Ze overkoepelt de verschillende overheden, eigenaars en beheerders en zorgt voor een vlotte samenwerking. De besluiten uit de technische commissie werden bovendien verankerd in adequate planinstrumenten in de verschillende deelsectoren en beleidsniveau’s.

10.5 Wat de Kolonies toevoegen aan de Werelderfgoedlijst De Kolonies zijn de materiële realisatie van een geloof in de maakbaarheid van grond, mens en samenleving. Ze zijn vooral bijzonder door hun enorme schaal en alomvattende karakter. Niet alleen was over elk aspect van het dagelijkse leven nagedacht, ze zaten ook ingebed in een heel maatschappelijk systeem en rechtsapparaat. Door het invoeren van allerhande regelingen (schoolplicht, ziekenzorg) die later ook hun ingang vonden in de nationale wetgeving, kunnen ze ook gelden als een experimentele voorloper van het 20ste eeuwse concept van de moderne sociale welvaartstaat. Het doorfunctioneren en evolueren van de Kolonies getuigt van de evoluerende inzichten met betrekking tot maatschappelijke orde, armoede en de rol van de staat daarin. De Kolonies kunnen beschouwd worden als een gelaagd cultuurlandschap waarin gedachtegoed een heel determinerende rol heeft gespeeld en nog steeds speelt. Net die koppeling tussen fysieke ­ordening en meer immateriële componenten maakt de Kolonies zo bijzonder voor de lijst.

Conclusies voor het kandidaatsdossier

77


HOOFDSTUK 11

Aanbevelingen voor het nominatietraject

11


In het onderzoek werd op verschillende momenten gepeild naar aanbevelingen voor het nominatietraject. Ze vallen samen in drie grote lijnen, met name de betrokkenen, de communicatie en de inhoudelijke verdieping.

11.1 Betrokkenen bij het proces »

Vergroot het aantal betrokkenen via een breed traject van participatie en sensibilisering

Omwonenden, inwoners van Merksplas en Hoogstraten De Koloniehappening en de Kolonie-avond hebben aangetoond dat er een mooie groep is van mensen die oprecht geïnteresseerd zijn in de Kolonies en die vaak ook een grote achtergrondkennis hebben opgebouwd. Het nominatietraject creëert een nieuw momentum om de band met deze mensen aan te halen en nieuwe stappen te zetten naar een ruimere erfgoedgemeenschap.

Stakeholders De stakeholdersmapping gaf aan dat er een heel netwerk van organisaties met de Kolonies verbonden is. Een aantal van hen zijn erg nauw bij het uitzetten van de toekomstplannen betrokken, andere veel minder. De betrokken organisaties kunnen naar de toekomst nog veel meer een ambassadeursrol spelen, op voorwaarde dat ze betrokken blijven/raken bij de Unescoplannen.

Wetenschappers en onderzoeksinstituten Er is bijzonder veel historisch bronnenmateriaal dat nog niet nader werd onderzocht, het zou interessant zijn mocht dat verder uitgespit worden door thesisstudenten, wetenschappers en verschillende onderzoeksinstituten. Die onderzoeksprojecten leveren niet alleen nieuwe inzichten op, ze creëren ook meer zichtbaarheid voor de Kolonies in een academische omgeving.

»

Zorg voor interactie met internationale UNESCO-experts

In het voortraject was het niet aan de orde, maar voor de nominatieprocedure zal er snel feedback moeten komen van internationale experts. Hun inbreng is erg belangrijk voor de opbouw van het dossier. Inhoudelijke lijnen die ook effectief kansrijk zijn, moeten de hoekstenen zijn voor het nominatiedossier. Om snel en efficiënt tewerk te kunnen gaan, is het cruciaal om verschillende denkpistes (rode draden) meteen af te toetsen bij inhoudelijke deskundigen.

80

Aanbevelingen voor het nominatietraject


11.2 Communicatie »

Zorg voor een permanente, gerichte communicatielijn naar de geïnteresseerden.

Het voortraject heeft een brede groep van geïnteresseerden opgeleverd die uitkijken naar het verdere verloop van het nominatietraject. Om de interesse levend te houden en de groep ook te vergroten, is het aangewezen om op heel regelmatige basis naar deze mensen te communiceren. Ze moeten zich daarbij rechtstreeks, persoonlijk aangesproken voelen en ook gewaardeerd voor hun interesse. Het is een groep die leergierig is en die zeker belangstelling heeft voor nieuwe inzichten rond de sites.

11.3 Verdieping inhoudelijke lijnen Tijdens de derde denkdag werd er gepeild naar de inhoudelijke lijnen die volgens de deelnemers verder uitgediept moeten worden.

»

Breng het historische verhaal en de actualiteit samen.

»

Benadruk de identiteit van elke site, ook al vertel je een globaal verhaal.

»

Leg sterker het verband met de grote Europese geschiedenis.

»

Ga in op de spanningsvelden, benoem ze. Het is een geladen gebied met een geschiedenis die tot in de ziel gaat.

»

Ga in op de persoonlijke verhalen van mensen die een grote stempel op de sites hebben gedrukt. Johannes Van Den Bosch is misschien niet de enige kapstok.

»

Ga in op het verhaal achter het gebruik van de gemeenschappelijke heidegrond en de omslag die nadien werd gemaakt naar de ontginning (de economische achtergrond).

Aanbevelingen voor het nominatietraject

81


Colofon Verantwoordelijke uitgever: Vzw Kempens Landschap, Philippe De Backer Domein Ter Speelbergen Peredreef 5 - 2580 Putte Tel.: 015/22.82.36 Fax: 015/22.82.31 www.kempenslandschap.be Adres zetel: Kon.Elisabethlei 22 2018 Antwerpen Onderzoek: team Karvansera Kurt Loomans, Annemie Rossenbacker, Edith Vermeiren, Wim Viaene, Geertje Bernaerts Alle oude prentkaarten in deze brochure zijn afkomstig uit het archief van vzw Gevangenismuseum. Vormgeving: Salens Communicatie Foto’s: James Van Leuven Luchtfoto’s: Visions Broadcast bvba Druk: Drukkerij De Bie

82


Nog in te vullen - Nog in te vullen

83


Hoogstraten stadsbestuur

Unesco Kempens Landschap  

Wortel-Kolonie en Merksplas-Kolonie: op weg naar UNESCO Werelderfgoed? Kandidaatsdossier

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you