5 minute read

Maarten Doorman

Wie is wie als ik (niet) ik ben?

Wie ben ik?

Het lijkt een vraag van alle tijden en vooral jonge mensen worstelen er mee, meer nog dan volwassenen, of ouderen die onderhand wel denken te weten wie ze zijn op grond van het leven dat ze hebben geleefd. Bij jongeren ligt dat anders. Wat wil je worden, wat moet je gaan studeren, hoe zien anderen jou op school, wat is je identiteit en wie of wat ben je in de liefde, maakt de blik van de ander je tot wie je bent? Ben je eigenlijk altijd anders dan je je voordoet? Het is de grote obsessie van onze tijd. En die obsessie heet authenticiteit.

We kunnen ons haast niet voorstellen dat mensen niet per se zichzelf willen zijn, waardoor veel westerse mensen Chinezen (of anderen uit Aziatische culturen) ‘vreemd’ vinden en bovendien weinig snappen van hoe mensen vroeger waren. Onlangs las ik hoe een Britse kunsthistoricus op een pilaar in de beroemde kathedraal van Santiago de Compostela op dertien meter hoogte de afbeelding van een mannenfiguur ontdekte. ‘Vermoedelijk’ ging het om een zelfportret, berichtten de media enthousiast, en een professor uit Warwick had het tegenover The Observer zelfs over middeleeuwse selfies.

Maar ik geloof er niks van. Waarom zou iemand in die jaren zichzelf afbeelden, waarom zou hij in zichzelf geïnteresseerd zijn? Dat verschijnsel begint pas in de achttiende eeuw, met het werk van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Natuurlijk bestonden er eerder zelfportretten, denk maar aan die van Rembrandt, maar vaak was daar een praktische aanleiding voor, bijvoorbeeld dat een spiegel eenvoudiger en goedkoper was dan een model. Maar schreef Augustinus niet reeds in de vierde eeuw zijn Confessiones (Bekentenissen), een persoonlijk relaas over zijn bekering? Zeker, alleen was dat eerder een quasi-persoonlijke biecht om zijn tijdgenoten te bekeren dan een Ik, Jan Cremer (1964) of werk van hedendaagse kunstenaars als Jeff Koons en narcistische popidolen die het eigen leven in hun werk etaleren.

Rousseau begint zich midden achttiende eeuw af te vragen wanneer we echt zijn en met die vraag verandert alles. Hij bewonderde, of liever: idealiseerde natuurvolkeren en de eenvoud van het onschuldige kind of van het boerenleven. Het kwaad school in de maatschappij, de cultuur. Zijn vraag sloeg in als een bom, want zo gauw je je afvraagt in welke mate we authentiek zijn (echt, oorspronkelijk, eerlijk, natuurlijk) is de onechtheid geboren en raken we die nooit meer kwijt.

Neem Rousseau’s Confessions (1782), met een heel ander soort bekentenissen dan die van Augustinus.

Het begint zo:

Ik ga iets ondernemen, dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.

Gaap, denk je nu, maar dit was toen inderdaad nog nooit vertoond. Waarom zou je zo schaamteloos over jezelf schrijven, en dan ook nog pretenderen volkomen eerlijk te zijn, en allerlei persoonlijke bekentenissen opdissen? Gaandeweg ontdekte men echter dat het boek vol leugens stond. Niet omdat Rousseau een hypocriete gek was (dat was hij namelijk wel, al is hij tegelijk een belangrijk filosoof), maar omdat de eerlijkheid van zulke bekentenissen onvermijdelijk op het omgekeerde uitloopt. Wie vol van zichzelf is verliest de werkelijkheid uit het oog.

Dat is de paradox van de authenticiteit. Zo gauw iemand zegt dat hij het echt meent vraag je je af waarom hij dat eigenlijk zegt. Als je jezelf probeert te zijn ben je het al niet meer, want die poging ontstaat doordat je de blik van de ander op je gericht weet. Vooral in de media herken je het. Een politicus kan op tv beter authentiek overkomen dan iets verstandigs zeggen en dus neemt hij of zij een spindoctor in de arm of een mediatrainer om te leren hoe je een eerlijke indruk wekt. In Boer zoekt vrouw is de spontaniteit, de echte liefde en het eerlijke boerenleven op het platteland tot in de puntjes geregisseerd.

In onze cultuur is de paradox zo vanzelfsprekend dat het nauwelijks meer opvalt. Wie lacht nog om het label met ‘eerlijke boter’ of ‘echte groenten’? En een kind weet inmiddels heel goed dat het op snapchat of tiktok een spontane en eerlijke indruk moet maken zonder dat je je echt blootstelt aan de blik van een ander. Je suggereert spontaniteit en openheid maar bent altijd op je hoede.

In de filosofie noemen we het lijden aan verlies van authenticiteit vervreemding. Die begint in de romantiek, als schrijvers en filosofen ontdekken dat we door de modernisering niet meer onszelf kunnen zijn. We raken ontheemd. Karl Marx wees erop hoe we van onszelf vervreemdden door het meedogenloze kapitalisme, en existentialisten

als Heidegger, en in Frankrijk Sartre en Beauvoir hoe wij niet meer samenvielen met het ware zijn of met onszelf. Structuralisten roerden dezelfde trom en riepen daarbij ook nog Freud en de psychoanalyse te hulp om te laten zien dat het eigenlijk onmogelijk was om authentiek te leven, om – in deze maatschappij – werkelijk je zelf te kunnen zijn.

Wie ben ik? Zo gauw je het vraagt ben je het niet meer want je beziet jezelf door andermans ogen en dat zal je, naarmate je meer jezelf probeert te zijn, verder van jezelf doen vervreemden. In de kunst is dat eigenlijk nog erger. Want van kunstenaars wordt sinds de romantiek verwacht dat ze waarachtig zijn, en authentiek. Vandaar dat sommige mensen naïeve schilderkunst bewonderen, of het beeldend werk van kinderen of geesteszieken, werk dat nog niet, zoals Rousseau zou zeggen, bedorven is door een hypocriete, kunstmatige cultuur. Vandaar art brut, woest expressionisme, primitivisme, of arte povera, die echter alleen overtuigen wanneer ze het naïeve en al te spontane achter zich laten.

Het publiek heeft daarom ook graag authentieke kunstenaars die hun moeilijke leven tot uitdrukking brengen en daarover dan kunnen worden geïnterviewd. Maar is het leven van de kunstenaar echt zo interessant en maakt het uit of hij dat zo eerlijk mogelijk in zijn werk tot uitdrukking brengt? Is de artistieke mannetjesaap die zichzelf op zijn borst slaat wel een goede kunstenaar?

Dan sloeg Andy Warhol een betere weg in. ‘If you want to know all about Andy Warhol,’ zei hij, ‘just look at the surface of my paintings and films and me and there I am. There’s nothing behind it.’ Al kon ook hij de verleiding van het zelfportret niet weerstaan en zou je zelfs kunnen zeggen dat uitgerekend het manisch wegcijferen van zijn eigen persoon hem tot het raadselachtige genie maakte waarmee we sinds de romantiek al zitten opgescheept.

Uiteindelijk is het volkomen begrijpelijk dat pubers en andere jongeren zo met hun seksuele, intellectuele en sociale identiteit worstelen. Dat ouderen dat zo weinig doen zou ook een vorm van afstomping kunnen zijn. Ze hebben de ogen leren sluiten voor de vraag wie wij zijn. Met het idee dat er zoiets als het natuurlijke bestaat, met verlangen naar authenticiteit, is de twijfel in de wereld gekomen en die gaat nooit meer weg. Misschien is dat maar goed ook.