Page 1

tussen openbare en private gronden een publicatie van de bomen en het bos verschijnt op onregelmatige basis www.rooilijn.com maart 2016

2

rurale esthetica

koffie in addis abeba black metal natuur de finse driehoek geografie stemmen uit de friedrichshof-commune 2—maart 2016

pascal gielen & benjamin verdonck het geheugen van een boom palestina internationaal een crisis


Hallo, hier rooilijn. Met bericht en verhaal over de werelden in en rond Het Bos. Al ligt Het Bos doorgaans op dezelfde plaats en ademt het zoals het ademt, het is er niet altijd hetzelfde. De populatie durft wel eens te veranderen, net als het klimaat, de smaak van het bier en de situering van het westen. Er klinken verhalen van goede en slechte, van sociale en asociale kunst. En dat is simpel. De rest is ingewikkeld. Finse zielen verschuilen zich voor het spook van hun vaderland, rondwarend verkleed in cultuur. Folkloristische monsters zijn enkel nog welkom in de Noorse dennenwouden. Een correspondent meldt dat nationaliteiten badjassen zouden moeten zijn, loshangend en toch omvattend. En ergens zwerft de tijdsgeest. 
 Uiteraard. In die geest kraakt de bodem van de Egeïsche zee van meer mens dan vis. Het systeem waggelt. Het Bos ademt door. En ziet meer dan regelmatig zwart. Van de koffie, het volk en de metal.   Welkom Het Bos en De Bomen

Artistiek Huis Ankerrui 5-7 Antwerpen België www.hetbos.be

Rooilijn 2 | 03-2016

01


Inhoud THE ALMOST NOW 5—15 Amerikaans beeldend kunstenaar Colin Matthes bouwde in de herfst van 2015 Het Bos om tot zijn persoonlijk atelier. Gedurende twee maanden paste hij zijn onderzoek naar flyover country, het weidse midden van de VS, toe op een reeks tekeningen en schilderijen. Vanuit de discipline ‘engineering the absurd’ komt hij tot voorlopige oplossingen en vergezichten over de wereld. Rurale esthetica in woord en beeld. (L.B.) OVER DE BERG 16—21 Aan de rand van Het Bos werken onderzoeker Rob Jacobs en cineaste Anne Reijniers aan Mont Ngaliema, een film over representaties van kolonialisme in Kinshasa. In de zomer van 2015 trokken Rob en Anne naar de Congolese hoofdstad met het idee dat het standbeeld van Leopold ii in het nationaal museum van Mont Ngaliema de hoofdrol zou spelen. In Kinshasha kwamen ze andere, meer hedendaagse koloniale representaties op het spoor. Van Mobutu-imitators tot ritualistisch gereinigde riooldeksels met het opschrift ‘Leopoldville’. (R.D.) DE FINSE DRIEHOEK Niet zelden duiken er Finse artiesten op in Antwerpen. En andersom. Een schets van de Fins-Belgische connectie. (L.B.)

22—37

KOEN EN CHARLOTTE IN ETHIOPIË 38—41 Koen Bleuzé koffiebrander, beeldmaker bij De Imagerie en Bosbarman, trok naar Ethiopië. Charlotte Koopman, van de zondagse Otark-breakfastclub, vloog mee. Koen zocht koffie. Charlotte eten. De koffie bleek niet altijd even lekker. Wel traditioneel. (K.B.) SPREKEN VOOR EIGEN PAROCHIE 42—49 In de lente van 2014, tijdens de verhuis en de gedaanteverandering van Scheld’apen in Het Bos, zaten we samen met cultuursocioloog Pascal Gielen en kunstenaar Benjamin Verdonck. Nu, twee Bos-jaren later, zetten we dit gesprek verder. Hoofdonderwerp: ‘het sociale’. (L.B.) INTERVIEW MET OOSTENRIJKS REGISSEUR PAUL POET 50—55 Paul Poet, bijna tien jaar geleden te gast in Scheld’apen met Ausländer Raus (2005), presenteerde in 2015 zijn nieuwe documentaire My Talk with Florence. In twee long takes van telkens een uur vertelt Florence Burnier-Bauer haar levensverhaal. Het begint met een traumatiserende jeugd vol misbruik, een zwervend bestaan als heroïneverslaafde adolescent om uiteindelijk te belanden in de Friedrichshof-commune, geleid door voormalig Wiener Aktionist Otto Mühl. Mühl keerde zich af van het concept van een kerngezin en stelde een extreem gereguleerd regime op het vlak van onderwijs, sex, arbeid en samenwonen in de plaats. Hanin Hannouch stelde vragen aan Paul. (H.H.)

02

Rooilijn 2 | 03-2016


HET BELANG VAN HET GEWONE 56—57 Thomas Verstraete sleutelt in de lente van 2016 in Het Bos aan ‘een parade’. In deze parade lopen ‘verschillende soorten mensen’ mee, ingedeeld in groepen. Het gewone en het alledaagse bezielen zowel Thomas’ beeldend werk als zijn theaterprojecten met F.C. Bergman. In de aanloop naar zijn residentie bezorgde hij ons een tekst. Over het gewone. Van Perec. (G.P.) HET GEZAMENLIJK GEHEUGEN 58—81 Tijdens de herfst van 2015 nodigde Het Bos drie Palestijnse muzikanten-producers uit om samen met Jurgen Desmet (Sickboy) muziek te maken. Drie korte weken lang bouwden ze aan nieuw geluid en aan een liveset. We spraken met hen over muziek, reizen, hun thuisstad Ramallah en muziekscenes in het Midden-Oosten. Onvermijdelijk kwamen we uit op de situatie van hun land dat geen land is. ‘Zelfs als we afstand nemen van Palestina en de maatschappij, zit het er toch altijd in. In ons en in wat we maken. We kunnen ons er niet aan onttrekken.’ (L.B.) BECOMING THE FOREST 82—111 In Het Bos klinken vele soorten gezangen. Meer dan maandelijks worden deze overstemd door metal uit alle windstreken. De Noors-Londense Una Hamilton Helle maakte in 2015 een zine en een expo waarbij ze metal benaderde vanuit landschapsperspectief. Voor rooilijn selecteerde Una bestaand materiaal uit Becoming the Forest en haar nieuwe project, waarin dennenbomen centraal staan. Het door Una samengestelde luik bestaat uit 82 - Introduction 86 - The Forest is my throne (The use of nature in early Norwegian black metal) by Harald Fossberg 90 - Picea abies by Una Hamilton Helle 94 - Inn i de dype skogers favn (Epigenetic memory in the spruce tree) by Una Hamilton Helle in conversation with Carl Gunnar Fossdal 102 - Z4006 Sequencing the Norway spruce’s DNA by Una Hamilton Helle 106 - BM vs. DM by Patrick Moran, Buried zine EEN ANTWOORD OP EEN VRAAG OVER CRISIS 112—121 Een kijk op het vluchtelingengebeuren. Door Victoria Deluxe. Een kunstenplek in Gent waar niet alleen hulp wordt geboden aan vluchtelingen, maar ook artistiek werk wordt verricht met mensen die uit een ander land naar hier kwamen. Dominique Willaert van Victoria Deluxe schreef ons een lange tekst. Over Europa, crisis, een gebrek aan verbeelding, de industrie van het medelijden en ‘de ander’. (D.W.) THE FUTURE OF THE IMAGE 122—127 Theatermaker Michiel Vandevelde werkte vorig jaar in Het Bos aan The Future of the Image en cureerde een reeks avonden onder de noemer Questions Questions Questions. Avonden waar diverse voorstellingen, lezingen en veronderstellingen werden verenigd om een brede bespiegeling over kunst en samenleving teweeg te brengen. Op een van de avonden presenteerde hij zijn eigen voorstelling The Future of the Image. Tijdens die voorstelling rolde een tekst traag over het scherm en werd de toeschouwer bijna gedwongen om te lezen. In rooilijn een fragment daaruit, over het einde van de tekst. (M.V.)

Rooilijn 2 | 03-2016

03


The almost now Lotte Brown

I was invited by Het Bos to propose something for the Brigade Festival last November 2015. This led to The Almost Now, a two-month project where I transformed Het Bos into my personal public workspace. At Het Bos I applied research in flyover country, the vast Middle of the USA, to an evolving series of drawings and paintings. Rural community phenomena, North Dakota’s recent oil boom, consistently burning landscapes, and daily inconsistencies informed the project. Engineering the absurd, I developed provisional solutions and made speculative vistas that reimagine and reshape The Almost Now from a funny, critical, and perversely industrious point of view. My increasingly chaotic workspace was open to the public during festival hours, with special events held each Sunday. These events included: Essential Knowledge: Shared Visualizations, a collaborative drawing project where I work with the public to visually communicate their essential knowledge. The publication of Back in Five Minutes, a risograph book printed by Jan Matthé at Risiko Press and published by ‘De Bomen in Het Bos’. Handwerk, a curated risograph print portfolio of 12 images by Belgian and American artists including Nel Aerts, Sacha Eckes, Ephameron, Kati Heck, Rufus Michielsen, Yasemin Senel, and Vida from Belgium, and Santiago Cucullu, Makeal Flammini, Mike Paré, Maja Ruznic, and Fred Stonehouse from the United States. This was also printed by Jan Matthé at Risiko Press and published by ‘De Bomen in Het Bos’.  Colin Matthes

06

Rooilijn 2 | 03-2016


Het blijkt uit je werk maar ook uit je bio en projectomschrijving dat je omgeving en je geboortestreek een grote rol spelen in je kunst. Ik groeide op in het landelijke Wisconsin. Nu woon ik in Milwaukee, de grootste stad van die staat. De streek wordt ook wel ‘the rust belt’ genoemd. Er zijn veel oude, lege fabrieken. Het is een plek van leegstand en verval. Een arme stad ook. Maar je vindt een speciale soort schoonheid. Verval werkt hier anders dan bijvoorbeeld in Manhattan. Het gaat eerder onopgemerkt en traag. Er schuilt veel geschiedenis in, veel verhalen. De gebouwen zijn niet esthetisch op een klassieke manier, maar er zijn er wel heel veel verschillende, met veel soorten schoonheid. Het is praktisch om kunstenaar te zijn in een stad met veel ruimte, maar ook interessant en fijn. Op een bepaalde manier zijn hier veel mogelijkheden. Er gebeurt heel wat buiten de klassieke witte ruimte. Zo deed ik een interessant project in een oud winkelcentrum met de Antwerpse kunstenares Kati Heck. Mijn jeugd speelde zich af op het platteland, omsingeld door boerderijen en een paar fabrieken. Ons

Rooilijn 2 | 03-2016

huis lag op vijf mijl, ongeveer een uur wandelen, van het dorp waar ik naar school ging. Het was een klein dorp met een postkantoor en twee cafés. Mijn vader is elektricien en dat beïnvloedde sterk mijn blik en de manier waarop ik in de wereld sta. Door dingen uiteen te vijzen en weer in elkaar te steken, te repareren, vogel je uit hoe ze in mekaar zitten. Ik vind het fijn om ‘de mechaniek’ van iets te begrijpen. Hoe evolueerde je vanuit die leefwereld naar waar je nu staat, als kunstenaar? Hoe kwam je tot het soort werk dat je nu maakt? Op een bepaalde manier was dat heel toevallig. Ik kende niemand die kunstenaar was. Wel maakte ik altijd al dingen met mijn handen. In het middelbaar volgde ik heel wat huishoudelijke lessen, zoals home improvement en koken. Ik vond dat plezant. Toen ik me op het laatste nippertje inschreef voor het hoger onderwijs, zaten alle klassen vol, behalve de keramiekklas. Maar keramiek interesseerde me, én de leerkracht bleek heel inspirerend. Ik begon koppen en potten te maken. Naast die keramische

07


gebruiksvoorwerpen maakte ik grafische tekeningen, schetsen en posters voor een punkzine. Eigenlijk heb ik mij altijd aan de periferie van de kunstwereld opgehouden. Op een bepaalde manier kwamen die dingen samen en waren de koppen die ik maakte niet meer alleen gebruiksvoorwerpen. Ik leerde tekenen vanuit het basisgegeven dat het makkelijk te reproduceren moest zijn op een fotokopieermachine. Die stijl, dat zwart-wit, de dikkere lijnen, zit nog steeds in mijn werk. Toen ik letterlijk ziek werd van altijd met klei te werken – ik kreeg astma – nam ik andere lessen en raakte ik geïnspireerd door de docente Carol Jacobson. Deze documentairefilmmaakster werkte aan The Women’s Clemency Project, waarvoor ze op een heel mooie manier interviews deed met vrouwen in de gevangenis. Niet zelden zaten die vrouwen onterecht in de gevangenis, hadden ze geen eerlijk proces gekregen of waren er andere troebele omstandigheden. Kortom, veel onrechtvaardigheid. Haar documentaires werden onder andere gebruikt in rechtszaken. Ik was onder de indruk van haar aanpak en stijl, maar ook van de impact die haar werk had. Al moest ik op een bepaald moment ook inzien dat ik helemaal niets had met het medium film. Die lowtech-productie, het improvisatorische, het zelf maken, het utilitaire ook, dat zit nog steeds in mijn werk. In Het Bos had je bijvoorbeeld de potten cement met stokken erin waarop mijn schilderijen waren bevestigd. Of de zelf in elkaar gestoken tafel, die niet perfect was maar toch sterk genoeg voor waar ze voor moest dienen. Ik vind het altijd leuk dat dingen ook functioneel zijn en dat ze iets doen – maar niet noodzakelijk datgene waarvoor ze bestemd waren. Ik kan het zo samenvatten: ‘Dingen maken is simpel, en wie weet zijn ze ook bruikbaar.’ Op welke concrete manier interfereert die omgeving en achtergrond met je werk? Kun je wat voorbeelden geven? Een goed voorbeeld van de typische esthetiek van mijn thuisstreek is de coney fair, de kermis. Mijn vader is verantwoordelijk voor de elektriciteitsvoorzieningen van de kermis en ik assisteer hem. Het leuke aan het werken aan het stroomnetwerk voor tijdelijke

08

evenementen is dat er veel minder keuringen en regels bij komen kijken. Het moet gewoon snel gaan. Je moet het ook doen met wat je hebt, en er gebeuren altijd dingen die het oorspronkelijke ‘plan’ dwarsbomen. Zoals iemand die zijn trailer voor een cabine zet, of een kapotte of gestolen kabel. Het is altijd een beetje chaos. Er heerst een soort spectaculaire noodzaak en schaarsheid, waardoor je gedwongen wordt om creatief te zijn. Dat soort dingen en toestanden trekken mij aan. Of de junk parade, een ander plaatselijk en zeer improvisatorisch gebeuren. Ik hou van geïmproviseerde dingen in de publieke ruimte. Een zelfgemaakt parkeerbord. Een oud hek gemaakt van blikjes. Iemand die heeft uitgevogeld hoe hij zijn trailer kan uitbalanceren met behulp van wat stenen. Het heeft iets onhandigs, maar tegelijk ook iets ingenieus. Het zijn niet noodzakelijk de meest directe of efficiënte, laat staan perfecte manieren. Je neemt gewoon alles wat in je omgeving ligt en je doet het functioneren. Die zelfgemaakte dingen hebben een zekere elegantie en finesse. Dat is wat ik ‘rurale esthetiek’ noem.

Ik denk dat die rurale esthetiek in veel van mijn werk zit. Neem nu de Green Mini Derby, waarvoor ik vertrok van het idee van een demolition derby. Ik hou van het spektakel daarrond. Maar natuurlijk is zoiets ridicuul, ook op ecologisch vlak: ‘Maak alles kapot, knal het tegen elkaar en dump het in de grond.’ Daarom heb ik een groene demolition derby gemaakt met autootjes op zonne-energie, te besturen met een afstandsbediening. En dat alles in een meer artistieke, sukkelachtige, nerdy, absurde sfeer. Het gegeven zonne-energie kwam van mijn vader en mijn broer, die helemaal into solar power zijn. Zo

Rooilijn 2 | 03-2016


bouwden we samen een golfkarretje op zonne-energie dat we toonden op de lokale kermis. Het was een van de beste karretjes en het werkte supergoed. Er waren mensen op de markt die niet geloofden dat zo’n snel karretje echt aangedreven werd door zonne-energie, en het lokte veel discussie uit. Al die dingen kwamen samen in Green Mini Derby. Ik installeerde het werk zowel in artistieke settings, zoals een galerij, als in totaal andere omgevingen, zoals een kermis of een beurs. Ik had verwacht dat de reacties verschillend zouden zijn, maar eigenlijk reageerden de mensen overal op dezelfde manier. Iedereen ging loos: roepen, wedden en racen met de autootjes. Natuurlijk zag ik alleen dat concrete niveau en is het mogelijk dat er op een reflectief niveau, in het denken en spreken over het gebeuren, wel verschillen waren. Ik vind het belangrijk dat mijn werk ‘bestaat’ in andere werelden dan enkel de kunstwereld. Die interactie buiten de kunstcontext vind ik interessant. Er gelden andere waarden en het is boeiend en betekenisvol om je werk op verschillende zaken af te toetsen. Voor mij is dat een meer menselijke manier van werken. Is het iets dat soms wringt, die verschillende werelden waarin je je beweegt? En ook: het maken van dingen met rechtstreekse toepassingen en het meer abstracte, absurde, minder toegepaste werk? Voor mijn individueel werk stel ik me daar geen vragen bij. Het is gewoon wie ik ben en wat ik doe. Ik werk vanuit wat ik zie in de wereld, wat me sterk raakt en waar ik een grote betrokkenheid bij voel. Dat kan iets maatschappelijks zijn, maar evengoed kan ik geïnspireerd worden wanneer ik met mijn vader en oom ga houthakken en ik in dat bos, tijdens die activiteit, iets ritmisch en iets moois ontwaar. En ja, sommige zaken die ik maak zitten meer in het veld van ‘de kunst’. Ze zijn abstracter en inderdaad niet zelden absurd. Andere zijn meer toegepast, met een functie en vaak een grote en ook noodzakelijke duidelijkheid. Beide hebben elkaar ook nodig, en ik zie het niet als een tegenstelling. Het moeilijkste aan de combinatie vind ik eigenlijk ‘shifting gears’. Naar een andere versnelling schakelen,

Rooilijn 2 | 03-2016

een andere manier van werken aannemen, van instrument wisselen. Het is niet zo evident om na het maken van iets functioneel, zoals een beeld voor een protestactie, weer die kamer in je hoofd op te zoeken waar het abstracte en het imaginaire zich bevindt. Die deur is niet altijd makkelijk weer open te krijgen. Voor mij persoonlijk zit de frictie vooral daar en is het een kwestie van tijd en mindset. Wanneer ik werk vanuit het collectief Justseeds, merk ik soms wel dat er vanuit de hedendaagse kunstwereld een zeker wantrouwen bestaat ten opzichte van politiek getinte kunst. Utilitair en op beweging gebaseerd werk vormt een belangrijk onderdeel van mijn praktijk, zowel binnen Justseeds als voor mij persoonlijk. Zo ontwierp ik bijvoorbeeld het beeld Union Made tijdens de opstand van Wisconsin. Het begon als een gezeefdrukte poster. Overdag protesteerden we in de hoofdstad Madison en ’s nachts gingen we terug naar het atelier om duizenden posters te printen, die vervolgens aan ruiten van huizen, in etalages en tegen protestborden

09


werden geplakt. Het beeld werd onder verschillende vormen verspreid in de stad en gereproduceerd onder de vorm van een boekomslag, een sticker, gezeefdrukte T-shirts… Via het internet ging dat beeld heel de wereld rond, om uiteindelijk zelfs van Facebook verwijderd te worden. En ja, misschien zijn dat soort dingen minder interessant wanneer je ze louter als ‘kunst’ bekijkt. Maar ze zijn noodzakelijk. Affiches en andere materialen die zijn ontworpen in het kader van een actie of betoging zijn meer dan enkel ‘design’. Ik noem ze ‘culturele productie’. Ik vind dat er een waarde schuilt in het onmiddellijk kunnen gebruiken en inzetten van dingen. In het hier en nu. In Essential Knowledge, een project waar ik nu veel mee bezig ben en waar ik ook in Het Bos rond werkte, komen dingen naar mijn gevoel samen: het artistieke, het absurde, het sociale en het utilitaire.

activistische groepering 350.org een eigen kunst- en activisme-afdeling. En ook bij massaprotesten is een artistieke enscenering cruciaal. Voor mij is het een natuurlijk samengaan. Als je gaat beweren dat kunst niet kan bestaan in combinatie met andere dingen in de wereld, krijg je ‘kunst voor de kunst’, en dat interesseert mij niet. Hoe pakte je de residentie in Het Bos, in een nieuwe omgeving, aan? Had je een plan, een doel?

Ik wou vooral veel en goed werk maken tijdens mijn residentie. Ik wou geen tijd verliezen met nadenken over wat ik zou doen of maken, met ‘zoeken naar inspiratie’. Daarom werkte ik een idee en een structuur uit: The Almost Now. Dat concept ontstond eigenlijk vanuit een ander project, Getting By in the Forever Scape. Tijdens dat project, waarin landschappen een belangrijke rol speelOp welke manier denk je dat kunst en activisme den, stuitte ik op een uitspraak van Gyula Kosice, een elkaar vandaag kunnen bevruchten, inspireren, Hongaars-Argentijnse kunstenaar die plannen maakt beïnvloeden? voor een ‘hydrospatiale stad’. Hij stelt: ‘Rather than actually reaching the future, the “almost here” is what interests me.’ Als kunstenaar creëer je nieuwe omgevingen en The Almost Now werd een manier om beelden te masferen. Het is belangrijk om op een creatieve manier ken die een beetje gedateerd zijn, maar tegelijk ook na te denken over andere structuren en mogelijkheiets van de toekomst in zich dragen. Misschien kun je den. Om een andere manier van spreken en kijken ze ook bekijken als documentaire beelden, of ze nu te installeren. Ik denk waarachtig zijn of niet. dat activisme zonder Voor mij is The Almost I work with Justseeds to make prints, group kunst een deel van zijn Now een persoonlijke installations, and projects for and with social kracht verliest. Veel manier van kijken en movements. We are a decentralized network activisme krijgt na een denken over de weof 24 artists committed to making print and tijdje het gevoel van reld, het sociale en het design work that reflects a radical social, een log, saai instituut culturele. environmental, and political stance. We bemet suffe ideeën. In de maanden voor ik lieve in the transformative power of personal Anderzijds denk ik dat mijn intrek nam in Het expression in concert with collective action. heel wat activisme in Bos reisde ik veel rond, To this end, we produce collective portfolios, kunst te academisch is maakte ik veel foto’s contribute graphics to grassroots struggles for om enige echte impact en begon ik ‘beelden justice, work collaboratively both in and outof relevantie te hebben. te bouwen’. Ik reed side the co-op, and wheatpaste on the streets Je ziet ook dat heel naar de Amerikaanse – all while offering each other daily support as wat grote beweginwestkust, ging naar de allies and friends. In many ways it is an experigen en organisaties junk parade, hielp mijn ment in creating a more supportive, democratsamenwerken met vader op de kermis, ic, and collective structure to work within while kunstenaars. Zo heeft kampeerde met de living under capitalism. de klimaatgerichte familie en stond oog in

10

Rooilijn 2 | 03-2016


oog met een beer die aan onze deur aan het krabben was. Ik werd erg geïnspireerd door bepaalde gebieden in het midden van de Verenigde Staten. Plaatsen die enerzijds iets vertrouwds, maar ook iets bevreemdends en nieuws hebben. Voorts werkte ik met ecologische organisaties en dacht ik veel na. Wanneer je veel met iets bezig bent, lijken die dingen ook vanzelf op je weg te komen. Zo botsten wij ‘per ongeluk’ op de oil boom in Noord-Dakota. Tijdens de expo in Het Bos was er een groot documentaire-achtig werk in zwart-wit te zien, waarop onderaan één regel tekst was toegevoegd: ‘Landscape with detail of 787 trailer man camp, Dickinson, North-Dakota’ Ja. Dat is een behoorlijk directe titel, die onmiddellijk een indicatie geeft van waar je naar kijkt: een reusachtig trailerkamp voor arbeidskrachten in het kader van de oil boom. Zoals ik al zei kwamen we daar min of meer per ongeluk op uit. We trokken rond en merkten dat de hotels in die regio opvallend duur waren. Ook zagen we dat er veel nieuwe hotels gebouwd werden.

Rooilijn 2 | 03-2016

Sommige zagen er vanbuiten heel nieuw en modern uit, maar bleken binnen een onafgewerkte, rommelige ramp. Toen begrepen we dat we beland waren in een dorp dat midden in een oil boom zat. Daardoor trok het dorp plots heel veel mensen aan die in de olie-industrie wilden werken. Je kunt daar op relatief korte tijd en met weinig scholing of ervaring behoorlijk wat geld verdienen. Mensen van overal stroomden toe, en zo ontstond dat ongelooflijk grote kamp vol dicht opeengepakte trailers. Je kunt er nauwelijks tussendoor lopen. We besloten nog even in die omgeving te blijven. We zagen de littekens in het landschap, zoals de huizen die als het ware in de grond gezakt waren door de oliewerken en de plotse activiteit. We spraken met mensen in het dorp en ontdekten dat zoiets een enorme impact heeft op een dorp, een gemeenschap en een landschap. En beeld je in wat er gaat achterblijven als de ‘boom’ voorbij is, als de mensen en de bedrijven vertrekken en alleen het getransformeerde, gelittekende landschap achterblijft. Zo’n oil boom duurt niet eeuwig, meestal een vijftal jaar. Iedereen probeert in die tijd zo veel mogelijk geld te verdienen. Als je bijvoorbeeld een doe-het-zelfwinkel hebt, kun je in zo’n periode gouden zaakjes doen.

11


Van de oil boom in North-Dakota is er het ene grote werk dat we zonet bespraken, en ook een kleiner werk dat refereert naar een ingezakt huis in die regio. Als je naar je expo kijkt, zie je onmiddellijk de vele kleine werken, die je presenteerde in een lange rij. Maar er waren ook enkele grotere stukken te zien. Voorts is het overgrote deel van je werk in zwart-wit: slechts enkele creaties bevatten kleur. Kun je wat vertellen over je manier van werken en de relatie tussen groot, klein, zwart-wit en kleur? Ik werk graag zo veel mogelijk. Ik werk ook vaak in reeksen: ik ben zelden maar aan één ding tegelijk bezig. En het liefst ben ik de hele tijd bezig. Ik werk in verschillende formaten en het kleine werk is heel belangrijk. Kleine dingen kun je altijd maken. Als je moe bent, een kater hebt, ’s morgens, in de auto… overal. Je doet het spontaner. Het is gemakkelijk en het is niet zo erg om een slecht idee in een klein werk te steken.

12

Je denkt er minder over na, wat het soms gedurfder en natuurlijker maakt. Voor mij is het een manier om te durven: to take a chance. Bovendien is tekenen een manier van nadenken voor mij. Het is dezelfde soort actie en beweging en het is iets wat ik echt nodig heb. Die kleine werken hebben daardoor een soort frisheid. Ze zijn niet zo zeker van zichzelf, en dat maakt ze op hun eigen manier net sterk. Ze zijn wel vuiler, crappier, minder afgewerkt. De grotere, daarentegen, stralen een zekere autoriteit uit: ‘Dit is het en zo zit het.’ En dat is ook interessant en goed, maar voor mij wel een ander en minder bekend terrein. Het is iets waar ik nog mee aan het experimenteren ben. Ik probeer uit te vissen hoe ik die spontane, frisse en gedurfde manier van werken en denken ook in mijn grote stukken kan krijgen. Hetzelfde, maar dan op een andere manier, geldt ook voor kleur. Zo is er het olieverfschilderij met de twee figuren op een soort bootconstructie tijdens de junk parade. Om eerlijk te zijn: zwart-wit is wat mij het best

Rooilijn 2 | 03-2016


afgaat. Het is natuurlijk. Ik kan het. Ik kan het goed. Dit olieverfschilderij is een manier om mezelf uit te dagen. Ergens vind ik het zelfs niet eens leuk, maar toch wil ik uitzoeken en begrijpen hoe ik, op mijn manier, een goed schilderij met olieverf kan maken. Tijdens het schilderen voel ik me soms stom: ‘Waarom ben ik hier mee bezig?’ Maar toch wil ik het doen. Olieverf lijkt wel de meest gesloten, doodlopende manier van werken – alles is al gedaan. En toch wil ik het leren en kijken wat ik ermee kan. Maar ik begin het leuk te vinden. Ik voel me er nog wat ongemakkelijk bij, maar toch is het goed. Ook het resultaat is best goed. Die raarheid en ongemakkelijkheid die ik er bij voel, is misschien net belangrijk. Als ik er nu op terugkijk: de werken in inkt op papier gaan zoveel sneller dat er ook een zekere slordigheid en nonchalance in sluipt. Alsof ze op hun manier ook weer te zeker zijn van zichzelf. Hoe kijk je terug op de residentie? Wat is blijven hangen, wat houdt je nog bezig, waarmee werk je misschien verder?

die mij vandaag nog steeds bezighoudt. Ik sprak er met Syrische en Iraakse vluchtelingen, waardoor de beelden in de media voor mij plots een menselijke dimensie kregen. Ik besefte hoe waardevol dat is, gewoon met mensen praten. Het klinkt simpel maar ergens is het dat niet. Al is het praten zelf helemaal niet zo moeilijk. De enige rol die het project Essential Knowledge daarbij speelde, was dat het een structuur en een reden gaf om daar te zijn. Om er vanuit een heel open positie, die niet die van een sociaal werker of een journalist is, met de mensen te praten. Gewoon als mens. Eigenlijk was dat de enige betekenis van het artistieke. Het is ook het enige wat overblijft van dat moment, want echte registraties maakte ik niet. En de gesprekken gingen ook helemaal niet over essentiële kennis of over dat project. Ja, daar ben ik nu over aan het nadenken. Over hoe je een structuur kunt creëren om tot een zinvolle, waardevolle ontmoeting te komen met mensen die zich ergens anders in de samenleving bevinden. Beeld: Collin Matthes

Eén ding waar ik onmiddellijk aan denk, is het proces en het experiment dat ik zonet beschreef. Proberen te vertrouwen in het grote werk, en trachten de energie en spontaniteit van het kleine werk in het grote te krijgen. Verder blijft het project Essential Knowledge, een reeks tekeningen ‘voor succes in uitdagende situaties’, me bezighouden. Het is een project rond gedeelde visualisaties die mensen specifieke technieken en vaardigheden aanleren om te gebruiken in moeilijke omstandigheden. In Antwerpen nam dat project twee vormen aan. Enerzijds verzamelde ik essentiële kennis en verhalen bij bezoekers van Het Bos. Zo werkte ik bijvoorbeeld met een kinesist aan een tekening over het behandelen van een verstuikte enkel door middel van reflexpunten. Verder maakte ik ook een tekening over een episode in de geschiedenis van België waarbij a bunch of Belgian folks made a bridge over the river to escape the Germans. Ik noemde de tekening Mass Exodus over a Bridge. Daarnaast trok ik ook naar een asielcentrum (het opvangcentrum Linkeroever van het Rode Kruis) in Antwerpen. Dat was een heftige en diepmenselijke ervaring

Rooilijn 2 | 03-2016

13


In 2011–2012, I lived in the Burren, a barren desolate area of Ireland. I would take an hour-long walk to work and find myself screaming and laughing, freezing and soaked, on these walks across rock in the middle of nowhere. I thought about how people have made do here for generations, with access to almost nothing. This led to thinking about all the things it would be nice to know when stranded out here, so I started a project called Essential Knowledge. It is an ongoing series of instructional drawings teaching basic skills for success in challenging situations. They are as simple as possible. Ink on paper. As I was making these drawings, I started to think about urban situations, and expanded them to include things like how to build a boat from an abandoned gas station and how to hotwire a car. As this project continues, there is no end in sight.Â

14

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

15


Hoe te praten, hoe te schrijven over iets wat nog niet zichtbaar is? Filmmaakster Anne Reijniers en onderzoeker Rob Jacobs werken aan een film over representaties van kolonialisme in Kinshasa: Mont Ngaliema. ‘Zelfs al mocht de film er nooit komen, het is al zo waardevol om nu een reeks problemen en twijfels te kunnen benoemen.’

Over de berg Het proces van een film-in-wording Ruben Demasure

16

Rooilijn 2 | 03-2016


Anne vouwt de krant open op de tafel. ‘Daar is het allemaal begonnen,’ wijst Rob. Het? Hun gezamenlijk filmproject. Daar? Op de opiniepagina’s voor ons prijkt een foto van het ruiterstandbeeld van Leopold II op het Troonplein in Brussel. Honderdvijftig jaar na de troonsbestijging van onze vorst, die eigenaar werd van Kongo Vrijstaat, wilde de Brusselse schepen van Patrimonium en Stedenbouw een herdenking organiseren. Het protest en de opschorting die daarop volgden, toonden vlak voor de jaarwisseling hoe het koloniaal verleden de gemoederen nog kan beroeren. Een jaar eerder observeerde Rob samen met zijn studenten aan de Universiteit Antwerpen zes maanden lang systematisch wat er rond dat monument gebeurde. De vraag rees wat nu een interessante visuele vorm zou zijn om aan de slag te gaan met alle aantekeningen en het verzamelde beeldmateriaal. Dat is het moment waarop Anne in beeld kwam. Terwijl ze bezig waren met dat visuele archief, vatten ze samen het plan op om een film te maken over dit standbeeld in Brussel en de exacte replica ervan in Kinshasa. In de zomer van 2015 trokken ze een maand lang naar de Congolese hoofdstad met het idee dat het monument van onze monarch in het nationaal museum op Mont Ngaliema de hoofdrol zou spelen. Dit is waar het beeld van Leopold II samen met die van zijn gezant Stanley en opvolger Albert belandden nadat Mobutu ze in de jaren 1970 uit het centrum verwijderde. In Kinshasa kwamen Anne en Rob door hun contacten met het Congolese kunstenfestival Kinact al snel meer hedendaagse, levendige vormen van representatie op het spoor. Ze ontmoetten Widjo Wiyombo, een artiest die in een performance riooldeksels met het opschrift van Leopoldville ritualistisch reinigt. Een dansgroep maakte een voorstelling over de Britse ontdekkingsreiziger Stanley. Iemand kende een Lumumba-imator. Plots bleek er zelfs een Mobutu-imitator te zijn. Naargelang het Congolese kapittel rijker werd, groeide het besef dat het Belgische luik moest sneuvelen. Bovendien dreigde het gevaar dat een diptiek zich als een vergelijking zou laten lezen, terwijl dat niet het opzet was. België zit sowieso in de film.

Rooilijn 2 | 03-2016

Een nest om in te werken Brussel leidde naar Kinshasa, maar de plek die in het centrum van de hele onderneming ligt, is Het Bos. Anne leerde Rob kennen als een waardevol klankbord en lezer van haar thesis aan Sint-Lukas in Brussel. De afstudeerfilms van de school werden vervolgens vertoond in Het Bos. Het was eveneens de locatie waar Rob van september tot mei elke week samenkwam met zijn studenten. De plek ook waar ze steevast afspraken om hun filmplannen te smeden. Voor de opnames in Kinshasa konden ze gebruik maken van het cameramateriaal van De Imagerie – de vzw van de Bosbarbeheerders en koffiebranders, die ook films maken en andere initiatieven ondersteunen. Momenteel gebruiken Rob en Anne hun montagefaciliteiten. ‘We zijn dus elk via een ander pad aan Het Bos verbonden geraakt’, vat Rob samen. ‘Ja, Het Bos vormt een soort nest om in te creëren’, vult Anne aan. Artistiek onderzoek De film wordt het resultaat van een ontmoeting tussen de blik van een academisch onderzoeker en die van een filmmaakster. De film maakt niet noodzakelijk deel uit van het eindresultaat van Robs doctoraatsverhandeling over representaties van Belgisch kolonialisme en nieuwe visuele onderzoeksmethodes. Voor Anne, die zich na haar fictie-achtergrond verder verdiept in documentaire aan KASK in Gent, is het geen afstudeerfilm. Het project situeert zich in een tussenruimte, voortgedreven door een gedeelde noodzaak en persoonlijke vragen. Toch is het doctoraatsonderzoek fundamenteel voor de film. Het leverde een theoretische basis, die ze samen verder hebben ontwikkeld, om daar dan gerichte vragen en vormelijke keuzes op te bouwen. Tegelijk vonden Annes persoonlijke filmvragen aansluiting bij het project. Hoe benader ik mensen in film? Neem je iets van hen weg of maak je iets? Hoe kunnen we mensen respectvol in beeld brengen? Hun specifieke vragen dicteerden de vorm, en niet een vooraf gedetermineerd verwachtingspatroon. ‘Ik zou het niet verdragen om te moeten filteren naar een vorm die meer binnen mijn doctoraat past, zoals een academische publicatie. Misschien kan ik de vragen die ik mezelf stel niet op een andere manier onderzoeken,’ zegt Rob.

17


Evenwicht Een van de vragen is onvermijdelijk: hoe ga je als blanke, Belgische filmmakers met een zeker plan in Congo filmen om vervolgens naar hier terug te keren met dat materiaal? ‘Coopération.’ ‘Participation.’ Het zijn woorden die ze daar vaak in de mond namen. Maar wat betekenen die? Als je een aantal gevaren kunt benoemen, stelt dat je dan in staat om die te overstijgen of er niet in verwikkeld te raken? Ze geloven dat ze naar dit doel handelden en het deels bereikten door te vertrekken vanuit een vraaggesprek. De gefilmde performances zijn wat die kunstenaars hen willen geven. Anne zegt dat ze het fijn vindt als er een kracht vanuit de gefilmde komt, die de situatie mee in handen neemt en in vraag stelt. Het thema van het filmmaken op zich zit in de film. De camera was altijd een gespreksonderwerp en hun aanwezigheid moesten ze constant kunnen verantwoorden. ‘We kunnen onszelf en onze positie niet verbergen,’ zegt Anne. Dat hoeft ook niet. Ze zijn helemaal aanwezig in de film, niet als interviewers, wel in alle keuzes. De makers willen met een versie terug naar Kinshasa om hun montage opnieuw te bekijken met de mensen met wie ze gefilmd hebben. Aan de hand van de reacties en input op de screenings willen ze daar verder aan de montage werken. Zo trachten ze ook in deze fase van het onderzoek en het filmmaken

18

samenwerking in te bouwen. Toch blijft het een zoektocht. Wie beslist wat filmwaardig is? Wie selecteert? ‘Zelfs al gaan wij terug en monteren we daar met hen, zelfs al vertonen we de film daar, kan je dan spreken van een evenwichtige relatie?,’ vraagt Rob. Zelfs al zijn ze zich bewust van het feit dat je daar niet fly-onthe-wall kunt gaan documenteren om het resultaat dan hier te projecteren. Zelfs al kunnen ze alles wat daaraan problematisch is benoemen en proberen eromheen te handelen door in gesprek te gaan, performances te filmen, samen te monteren en de film ter plaatse te vertonen: betekent dat dan dat ze die structuur hebben overstegen? ‘We willen wel nadenken over hoe we die structuur tot op zekere hoogte kunnen dekoloniseren,’ zegt Rob. Het lijkt hen noodzakelijk om de dialoog te bewaren doorheen het hele proces, en beslissingen te maken op basis van de gevoelens en inzichten die uit dit lopend gesprek voortkomen. ‘We geloven ook gewoon dat de film beter zal worden als we samen verder werken aan de montage met onze vrienden/personages/ collega-filmmakers uit Kinshasa,’ zegt Anne. Filmen of niet? Grote vraagstukken kunnen zich manifesteren op het basisniveau van een shot. Anne had het in het gesprek over hoe een goede voorbereiding je te midden het

Rooilijn 2 | 03-2016


overweldigende potentieel van de stad toch enigszins in staat stelt op record te drukken. Dat blijkt relatief. Zo heeft ze hoofdbrekens over één shot dat ze maakte van een straatkind op de sokkel waar vroeger het standbeeld van Albert uitkeek over de drukste boulevard van Kinshasa. De plek kreeg een hedendaags hergebruik als slaapplaats omdat je er vanaf de straat niet gezien wordt. Ze wijdt haar KASK-scriptie aan die ene beslissing om op dat moment te filmen. Het is onzeker of het shot ooit een plaats krijgt in de film. Anne laat de opname zien. De jongen staart haar de hele tijd roerloos aan. Wil ik hem filmen? Wil ik erbij gaan zitten? Waarom zou ik hem níét filmen, want hij kijkt me de hele tijd aan? Misschien wil hij wel gefilmd worden? In de gefilmde performances willen de kunstenaars zich tonen en geven ze toestemming. Maar in het filmen van mensen die ze niet kent, is ze nog heel zoekende. Ze heeft voorheen altijd fictie gemaakt met acteurs, waarbij ze vooraf veel communiceerden. Ook de artiesten in Kinshasa kon ze leren kennen. Ze deden dingen samen, waardoor ook op kwetsbare momenten kon worden gefilmd. Met de jongen was er amper verbale communicatie. Hij sprak nauwelijks Frans. Toch maakte hij zelf intens oogcontact met haar. Zonder de aanwezigheid van een camera was dat misschien niet gebeurd. Het kan een middel zijn om contact te leggen en tegelijk een barrière.

Rooilijn 2 | 03-2016

Wanneer ze ’s avonds de beelden bekijkt, valt haar iets op dat ze overdag niet had opgemerkt. Als hij gaat liggen, schuift zijn broek, die is bedrukt met de Congolese vlag, een beetje over zijn billen naar beneden en zie je dat hij er niets onder draagt. Iets heel kleins. Iets stoms. Als ze dat toen had gezien, had ze waarschijnlijk niet gefilmd. Waarom dan niet? Wanneer mag je iemand die minder verzorgd is, bijvoorbeeld geen ouders of geen eten heeft, niet filmen? Dit ene beeld gaat voor haar naar de kern van haar schaamte om te filmen. Rob geeft aan dat, hoewel ze vertrekken vanuit een interesse in de verbeelding van kolonialisme, de sociale realiteit van Congo de hele tijd onvermijdelijk mee in het frame zit. Dat moet ook. De film is juist interessanter omdat de gesprekken steevast leiden naar onderwerpen zoals het repressieve beleid van president Joseph Kabila of de macht van multinationals. Het zou onzinnig zijn om te proberen dat te vermijden. Een manier van werken Anne beseft dat er in die oneindigheid aan vragen geen juist antwoord bestaat. Ze verwijst naar de Nederlandse documentairemaker Johan Van der Keuken, die schreef dat het vooral gaat om hoe je zoiets in je montage inbedt. Ze put inspiratie uit zijn manier van werken. Hoe Van der Keuken een vorm kan maken in

19


het moment van de ontmoetingen met mensen, dat proces intuïtief volgt, maar toch heel duidelijk kaders kiest. Zijn films gaan over contact leggen. Anne zoekt naar hoe een film een soort ode kan zijn aan de mensen die je filmt, of toch aan het stukje van hen dat je op dat moment hebt leren kennen. Bij de ene persoon is dat een heel klein deeltje en bij iemand anders een groter deel. Vraag blijft: welk stukje toon je? Van der Keuken is er volgens haar in geslaagd, net als bijvoorbeeld ook de Franse filmmaker Nicolas Philibert, om dat respect op een of andere manier te vinden, ook al blijft het een zoektocht. Anne klikt het shot van het straatkind weg. Op haar bureaubladachtergrond staat een beeld uit Mouchette (1967), de film over een onbegrepen tienermeisje van de Franse regisseur Robert Bresson. Voor haar werkwijze gaat ze te rade bij andere documentairemakers, maar haar visuele referentiekader wordt meer geïnspireerd door de fictiefilm. Ze bewondert hoe Bresson mensen benadert en tijd geeft, en heel vereenvoudigd werkt. In Kinshasa werkten ze met een kleine camera en een oud Pentax-objectief. Alles is vanaf de schouder gefilmd met die vaste 50mm-lens. Het verplichtte haar om een positie in te nemen. Ze kon niet zoomen. Voor haar werkte het heel goed dat ze fysiek dichterbij of verder weg moest gaan staan om te komen tot het beeld dat ze wilde.

20

En de film? De zoektocht waarin ze momenteel verwikkeld zijn, is om in het verzamelde materiaal een structuur te brengen die visueel, auditief én informatief werkt. Ze kregen het advies om meer te monteren via mensen, blikken, geluiden, ruimtes en sferen om zo een soort van filmische ruimte te creëren, en nog geen informatieve ruimte. Ze dachten nog te veel in een informatieve structuur, terwijl dat iets is wat meer achteraf zou moeten komen. Misschien blijkt het onmogelijk om er een film van te maken? In de loop van het proces stuitten ze op een reeks problemen en twijfels waarvan ze het op zich al waardevol achten om ze alleen nog maar te benoemen of te ervaren: van filmmaken in het algemeen, over inzicht in het onderwerp en thema, tot de fysieke context om als westerse filmmaker daar te gaan opnemen en terug te komen. Het is een leerrijk proces op verschillende niveaus: inhoudelijk-informatief, persoonlijk, en zelfs ontologisch: wat is filmmaken? ‘We hebben al zoveel voor er ook nog maar een eerste versie is.’

Rooilijn 2 | 03-2016


Donderdag 26 november 2015. ‘Finnish Invasion’ in Het Bos van Antwerpen. Op de flyer: vier Finnen op een vliegtuig. Gemaakt door Roope Eronen. Op het programma: vijf Finse acts.

22

Rooilijn 2 | 03-2016


Sinds het begin van deze eeuw verschijnen er niet zelden Finse artiesten in Antwerpen. En niet zelden Antwerpse in Finland. Soms komen de Belgen en de Finnen elkaar tegen in Los Angeles. Of ergens anders. Deze Finnen en Belgen hebben mogelijk meer gemeen met elkaar dan elk met het gros van hun eigen landgenoten. Niet al wie hetzelfde grondwater drinkt, heeft dezelfde lievelingskleur. Al vroegen we ons soms af wat er daar in het water zit. Deze Finnen maken samen met Belgen, maar ook Italianen, Duitsers, Engelsen, Amerikanen enzovoort, deel uit van een muzikaal en artistiek netwerk dat zich in een parallel universum langs, en een zeldzame keer door, het meer zichtbare en gekende muziekgebeuren heen beweegt. In dit universum gebeuren de dingen op een eigen manier. Deze modus van dingen maken, verspreiden, optreden en samenkomen, is gewoon de werkwijze die het best klopt voor hen. Alhier een schets. Geen kroniek. Van het Finse weefsel en de vertakkingen in België. Emails met vraag en soms antwoord, het wonderbaarlijke scheld’apen.be-archief, discogs en persoonlijke geheugens vormen de basis van deze wedersamenstelling. Het originele typwerk werd zo veel mogelijk behouden. Fins is een moeilijke taal. In Finland was Antti Tolvi ‘the middleman’. Op Belgische bodem daalde David Edren af in archief en adresboek.

De Finse driehoek Lotte Brown

Rooilijn 2 | 03-2016

23


1. De verzameling I think most of these people were in this new weird Finland scene from the beginning (of course there are more people involved, and I feel bad I needed to choose a few) and/or are still active in the same field. One common thing that comes to my mind first is that no-one has really studied music. Rather things like visual art, literature and so. Also these people have made music alone and together in almost every possible combination. So these people can speak some kind of ‘deeper’ language together. Antti mind is the universe. Our brains just can’t deal with that. But there are moments when this oneness might shine in your brain. And that is a nice moment in universe. Kindred Finnish artists I feel most connected to my friends. And luckily I have had possibilities to make something together with them. Groups and collectives: Rauhan Orkesteri, Lau Nau, Keijut, Avarus, Kemialliset Ystävät. Lauhkeat Lampaat, Päivänsäde has been really important, + many other one-timer impro things.

Antti Tolvi

Places I’m from a farm in a small village called Panelia on the west coast of Finland. Lots of fields, some forests and a cool river over there. Art Lately (last 10 years) I have been focusing more on minimalistic styles, longer durations, slowly developing, sound installations, tenor saxophone quartet and more ‘like houseplant music styles’. My studies in Zen, Tao and Chinese ‘inner’ martial arts have of course had uncontrollable effect to all my doings. Universe Universe is what it is. Usually we think that the mind is in the body. But it seems that it’s more like the body is somehow in the mind. If it is like that, then your

24

Collaborations I have live projects with Laura Naukkarinen, Roope Eronen, Tero Niskanen, Arttu Partinen, Jaakko Tolvi, Tero Kemppainen, Sami Pekkola, Ville Jolanki, Matti Luokkanen, Sami Sänpäkkilä, Niko Karlsson and Pentti Dassum. + I have had projects with almost all these people who are interviewed in this article. Artistic network I twice organized the Kiila International sound day festival (Kiilan Äänipäivät). Both in summer. Everything happened outdoors. I like performances happening on the beach, the forest, in the garden and so on. Antti Tolvi – Antti Tolvi Label: Sloow Tapes – Novembre Format: cassette, single-sided Country: Belgium Released: 2006 Antti Tolvi, Lieven M. Moana – Tolvi Moana Label: Edições Cn – ECN11 Format: cassette, limited edition Country: Belgium Released: 15 Dec 2015

Rooilijn 2 | 03-2016


common with me in their approach to art: Amanda Vähämäki, Sami Aho, Reijo Pami, Tero Niskanen, Pauliina Haasjoki. (I very propably forget someone important now.) And from the dead ones, two artists that have had a big influence on me: Mirkka Rekola and Tove Jansson.

Roope Eronen / Nuslux

Places Originally Tampere, about 200 km northish from Helsinki, 61°29’53’N, 023°45’39’E. Now I live in Helsinki, the capital city of Finland. Art I make music solo (Nuslux) and with others (Avarus, Keijut, Pylon, Maniacs Dream (done), sometimes Kemialliset Ystävät). When playing live I usually improvise everything, but when recording I might make some kind of compositions and more careful structures. I try to keep my sounds colourful, psychedelic, attractive and often unpredictable. I also make comics and graphic art. Doing that, I also improvise a lot, but of course when working on something for months, I need to plan more. But usually I come up with some idea quite randomly, then start working on the world around it. When the world is coherent it’s easy to create many stories and images there. Universe Funny and sad, confused and open minded, devastated and hopeful.

Collaborations For comics there’s a lot of collaborations. I’m involved with Kutikuti, a big bunch of modern comic artists. We have a lot of collaborative projects. Musically I’ve been collaborating with the same 20–30 people for the last 15 years, maybe 10 of them more than others (mostly in Avarus and Keijut at the moment). All of these in Finland. With artists from abroad I haven’t done many collaborations, except for some jams and special live shows (last year or the year before I played a jam with Ernesto González and a show with Chris Corsano). Artistic network There’s a network but not a very good situation concerning venues for experimental music. Except in Turku there’s a nice theatre space where it seems to be easy to organize shows. In Helsinki and Tampere the good places come and go pretty quickly. There’s some action in the other cities as well, and some good annual festivals. For the network and the organizing: I think it’s always in the hands of few people in a city. Except in Helsinki there’s a few bunches of people organizing shows. For comics there are good festivals in a few cities, and one great organisation (Sarjakuvakeskus) helping comic artists in many ways. It’s always interesting to play music for different audiences than usual. It doesn’t happen too often though. Pylon (5) – Mielimusiikkia Label: Ultra Eczema – Ultra Eczema 14 Format: CDr, Album Country: Belgium Released: 2004

Kindred Finnish artists A few close friends (and my girlfriend) come to my mind when I think of people that share a lot in

Rooilijn 2 | 03-2016

25


Jan Anderzén and Fricara Pacchu. As for abroad, I’ve worked with and will work sometime in the future with Karen Constance and Dylan Nyoukis (Blood Stereo / Chocolate Monk). Playing with Chris Corsano is always fun and he proposed we would do something with Dennis Tyfus, but I figured that would involve me traveling and didn’t proceed yet – someday? Gerard Herman sent me a tape years ago, I find it now and then, I listen to it and I’m intrigued by it, but it’s still hanging in the air. Sigtryggur Berg Sigmarsson was over here and we recorded some grunting on top of some records playing on 16 rpm and a baby vacuuming the house, but it needs to be worked on. At times I’m so slow it’s a bit of a drag.

Reijo Pami

Places Helsinki. Nowadays I live on an island 15 minutes south of the city (one can reach it by a public transport ferry), but I’ve practically always lived close to the seaside. It’s always windy, the sea is too cold for me to swim, it seems I’d much rather live inland, but I hate change and this is where I was born. Art I rub things on contact mic’d surfaces a lot. Sometimes I use small motors (electric toothbrush or whisk…), field recordings and voice. A certain type of poverty might characterize my work. It’s been called minimalist, too. Most recordings I do stem from tryouts for live sets, of which there are at most a handful in a year, mostly in Helsinki. Universe It’s a place where drinking beer and watching Steven Seagal films are the only things that matter. Besides fermentation and eating bird food.

Artistic network I have a pretty limited view with regards to Finland, but Telakka in Tampere is a place that deserves a mention, it ties to Arttu Partinen’s work in organizing gigs (as Mental Alaska, also in Helsinki). Turku has Himera and Pori on the west coast has Validi Sekmentti organizing things on a somewhat regular basis, and all of these collaborate to some extent. In Helsinki some (artist run) galleries host live shows now and then, most notably Sorbus and Sic, which are both usually worth a visit. + Buy the new tape Christmas in Prison, it is out on the wonderful label Lal Lal Lal! Reijo Pami – Dreaming Of Being a Tampon Label: Ultra Eczema – Ultra Eczema 97 Format: vinyl, LP, limited edition Country: Belgium Released: 2011

Kindred Finnish artists Aleksis Kivi and Eeva-Leena Eklund. A dead writer and a living painter. Collaborations Sometimes members of my family help me with practical aspects of recording. Most collaborations seem to be matters of the past these days. Besides having been a live participant in Avarus, I’ve either recorded or played live with Jonna Karanka, Arttu Partinen,

26

Rooilijn 2 | 03-2016


Universe ‘Summer grasses: / all that remains of great soldiers’ / imperial dreams’

Niko-Matti Ahti

Places I was born in Ulvila, a municipality – nowadays a small city – on the Finnish west coast, just besides Pori, a city that had a big influence on me and my musical life as a teenager and beyond. From there I moved to Tampere, where I stayed for three years, and now I have lived in Turku for almost 18 years. We – me and my wife Marja Johansson – live just besides one of the most beautiful archipelagos in the world as well as an old prison that will be turned into oh so gorgeous bourgeois condos right now. Art I love sounds, clusters, jams, improvisations, traditionals, tunes, songs and compositions, all different kinds of stimulus, as well as taking part in any of them, having fun, playing (like children), listening, pondering upon, working with, feeling and living the sound. Also words and texts are very close to my inner treasury. I value working with other people, talking and traveling with them. I’m not so fond of alter egos, solo monikers and brands, modern day trends that are so compelling because of the artist myth and forced upon us by capitalism and its economic conditions. As an option solo is valuable, but as an implicated norm it’s boring and destructive. I highly prefer plurals that include separate people, separate acts, shared interests and one’s own time and space.

Rooilijn 2 | 03-2016

Kindred Finnish artists / collaborations Right now my somewhat active rings of action are the old bastards Kiila and Kemialliset Ystävät; crazy youngsters Pöllötulkki & Hilloampulli, Orange Hora, Bersabea and Nimetön Sormi; and a still unnamed trio with Marja Johansson and Katie Shlon. In addition, I have been part of quite many different groups, Päivänsäde and Avarus for example, and countless one-offs and curiosities. We also have a work group called Himera here in Turku. Himera arranges teaching, workshops, shows and a yearly festival that touch upon different form of marginal music. I’ve lived in Finland for all my life, worked here and met so many different people that I can’t list all of their names here. Some people that live elsewhere and have had a big practical influence on me and my inner ears: Alasdair Roberts, Tara Burke, Nicolas Kauffmann, Sara Czerny, Evan Parker, Spencer Clark, Jorge Boehringer, Birgir Örn Jonsson and Emil Johansson. We all haven’t necessarily made sounds together. Also, there are many other people that have touched my heart soundwise. Artistic network It’s a bunch of different groups of friends, I would say, rather than a network and it’s not organized at all. Many times we do co-operate and work together, though. Avarus – Vaahtera Jäniksen Hännänkieliset Seikkailut Label: Veglia – veglia20, Imvated – Imvated cp 13, Audiobot – BOT 022, Humbug – Humbug038,Gold Soundz – GS#22 Format: Vinyl, 7’, 33 RPM, Limited Edition Country: Belgium Released: 2004

27


inspiration from literature – reading is my way of orientating and rearranging my head. Making music is in a way like pataphysics, creating imaginary solutions.

Marja Johansson / Tsembla

Places I was born in Luleå, a small coastal town way up in the north of Sweden, about two hours from the Finnish border. I have a Swedish dad and a Finnish mum, so we’ve been roaming the borderland armpit back and forth throughout my childhood. In Finland I have a connection to the north coast, where my relatives are from, the region between Kalajoki and Oulu, and nowadays to Turku on the Finnish south-west coast, where I’ve been living for the last eight years with my husband Niko-Matti. We share an apartment at the foot of the old Turku prison hill Kakola, which is a peaceful place in between the city and the harbor. Art I make music and some pictures and words to frame it. It’s something like sewing together pieces of the morphing reality puzzle, watching them change before me and then patching together new possible worlds over and over. I use a lot of sounds that I stumble upon as material for rhythm, melody and textures. Sometimes I look for some kind of built-in magic in a sound, sometimes I strip it of context and pattern and make new patterns out of the ruins. The idea is that music could somehow just arise from the world mess. Universe It’s a universe that also has other people and beasts in it and unexpected things jumping out from around the corner. It has riddles, games and seemingly absurd logics. I think imagination and play are the best tools to shortcut automatic reasoning. I get most of my

28

Collaborations Right now I’m making a record together with my husband, Niko-Matti Ahti, with the working title Pöllötulkki & Hilloampulli. Other frequent playmates are Jonna Karanka / Kuupuu – we’ve been touring together, worked on music for a silent movie screening among other things – and the beasts of Kemialliset Ystävät, Jan Anderzén and friends. I could also mention Antti Tolvi, Laura Naukkarinen, and my brother Emil. Mikko Kuorinki and Tuomo Tuovinen have made great videos for Tsembla tracks. And then of course the Himera collective, which is me, Niko-Matti, Topias Tiheäsalo, Niko Karlsson and Jaakko Tolvi. Apart from organizing festivals and shows we’ve also been playing music and hosting workshops. Artistic network The Turku-Helsinki-Tampere triangle is certainly a kind of network. I’m part of the Turku collective Himera that I mentioned above, organizing shows and a yearly festival. We have close ties to Mental Alaska in Helsinki, as well as loose ties to other organizers in for example Helsinki, Tampere, Pori and Vaasa. There’s a place in Turku called Kutomo, a former knitting factory that has an art space run by two dancers/ choreographers, which has been an important place for us the past years. I’ve had a lot of fun there and seen many great shows. I always like eclectic events that put many genres or art forms alongside each other, so I’m always happy to see more connections between different forms and genres. Various – Bruismelk 2014 Label: Ultra Eczema – ultra eczema 175 Format: cassette, compilation, limited edition Country: Belgium Released: 2014

Rooilijn 2 | 03-2016


Artistic network Places and spaces change, the link is the people who have the passion for setting up shows, events and exhibitions. Kukkiva Poliisi – Ilola Label: Audiobot – BOT 045 Format: CD-R, limited edition Country: Belgium Released: 2005

Jonna Karanka / Kuupuu

Places I’m from Tampere. It’s an industrial town situated in between two lakes. Art I make music and visual art. My solo music as Kuupuu is a composed collage of samples, found sounds and simple melodies. Lately I’ve been recording my new album and I think it’s pure pop. I also play in Olimpia Splendid, which is my psychedelic rock trio with Heta Bilaletdin and Katri Sipiläinen. We are popular in Belgium! I make collages, videos and installations. I’m also part of a collective that runs Sorbus Gallery and works as an artist group. Universe Universe is beautiful. Kindred Finnish artists My contemporaries in the Forest Folk Scene, 2005 – never forget! Collaborations I’m part of Olimpia Splendid, Hockey Night, Hertta Lussu Ässä, Black Bikini and Kukkiva Poliisi. I’ve been jamming in the past with Avarus, The Anaksimandros, Maniacs Dream, Way of the Cross, Lussu&Pami, etc. Now it’s mostly Kuupuu and Olimpia Splendid. More rarely Hockey Night, Kukkiva Poliisi and once in two years Hertta Lussu Ässä. Also I just made a record with Pentti Dassum as Black Bikini, the cd was released by Musik Atlach in Japan.

Rooilijn 2 | 03-2016

J.C.

Jan Anderzén

Places I’m from a city called Tampere. I wasn’t born here but I’ve lived here most of my life. I’m writing this right next to the world’s highest gravel ridge Pyynikinharju. Art For the past few weeks I’ve been on holiday and out of office. I thought I wasn’t working on anything but my wife pointed out that I’ve been spending most of that time recording new music. So what I’m saying is that I can’t seem to stop making stuff or planning making stuff. I record music solo as Tomutonttu and collaborate with other people in a group called Kemialliset Ystävät. I make other art things with various techniques. Most recently it’s been mosaics, quilts and paintings. With my music and art there often seems to be a drive towards a coexistence of a ‘system’ and a ‘mess’. In my practice art is connected to the unexplainable and the wondrous.

29


Universe I suppose that is what I do with my art, describe my universe. Describe and rearrange it. Kindred Finnish artists My friends.

Universe My universe is super realistic, no imagination, everything is what it is.

Collaborations Most of my collaborative work is connected to the music. I’m honored to have met all these great visionary people around the world that keep sharing their talents to help me with Kemialliset Ystävät music. 

 Various – Weemoed Met Verbrand Konijn Label: Imvated – Imvated cp 2 Format: Cassette, Compilation, Limited Edition, Numbered, C60 Country: Belgium Released: 2003

Artistic network in Finland Tampere is where it all started for me. Nowadays, places/spaces do not have so much meaning. Avarus – Toosassa Label:Ultra Eczema – Ultra Eczema 62 Format:Vinyl, LP, Limited Edition Country:Belgium Released: 2008 Various – Popcorn Label:Ultra Eczema – Ultra Eczema 82 Format:2 × Vinyl, LP, Compilation Country:Belgium Released:201

Tomutonttu – Tomutonto Label: Ultra Eczema – Ultra Eczema 28 Format: vinyl, LP, limited edition Country: Belgium Released: 2006

Arttu Partinen / Amon Düde

Art Tape collage & dance slapstick as Arttu Partinen (exAmon Düde) and also as part of Hockey Night. Digital percussion in Avarus.

30

Rooilijn 2 | 03-2016


2. Finland?1 The influence is crucial, the axis shift and the Gulf Stream, whose combined effect has allowed some idiots to inhabit a place which probably should have been left empty.2 The highest point reached by the sun swaying during the course of a year from right above the horizon across the sky way above and back. The overexposure to light in the summer and the darkness in the winter. The cold. The language is quite beautiful and rich. But nothing, really. All places are OK if you get used to them. Reijo Pami For me, now, living in Finland means living in the countryside. Which means that I have pretty much time & space to work. It also means that seasons are pretty different. Firewood business now in winter. Garden and beach life in summer. Really hard to say what’s really Finnish. If I say something, same things are true all over the world. People are nice. Politicians are stupid. Food is good. Traditional architecture is good, some seasons are better than others… Antti Tolvi It used to be easy to be an artist and live on social welfare here but it seems to be changing dramatically next year, so we’ll see if it will be possible to continue as a busy artist in Finland. I think the possibility to make art and still have your living expenses covered has been the most important thing 1 Onder de exotische invloed van ‘the Finnish Invasion’ vroegen wij op welke wijze het Finse land interfereert met de dingen die ze maken en de manier waarop ze dat doen. En: bestaat er eigenlijk zoiets als ‘Fins’? 2 Finland heeft 5.268.799 inwoners (2014) en is met een bevolkingsdichtheid van 15,6/km² (2014), na IJsland, Kazachstan en Noorwegen (indien men Spitsbergen meetelt), het dunstbevolkte land van Europa.

Rooilijn 2 | 03-2016

31


why there are so many interesting artists in Finland. As a place I don’t have so much inspiration out of Finland, except for some banal situations I’ve confessed and used as scenes in my drawings and comics. Of course there are many things I like in the country as well, but I don’t really see a correlation to my work. At the moment Finland is an increasingly racist, stupid and capitalist country (like most of the countries in Europe seem to be). I’ve been looking at the country from this angle for the whole last year, so I can’t see many other things in it at the moment… I hope our awful coalition gets fired and the situation will get better. Roope Eronen Have not ever thought of Finland providing any kind of influence/inspiration for me. Nowadays it is turning into a rather depressing place. Solitude and being quiet. Arttu Partinen Despite that we are getting middle aged and face more and more practical difficulties in getting together, I would say that our community of friends here in Finland is, if not indispensable, at least very very dear to me. Also, all our relations to abroad – for example to Belgium – are a true golden factor in my universe. Most of what inspires or influences me is not defined by nations or nationalities. The borders are not closed – at least not yet. Being on a border between something we call ‘east’ and ‘west’. That also explains why I always feel so happy and comfortable in Istanbul or Portugal. And while talking about this, I will give my highest regards to the memory of a Finnish author: Johannes Salminen. Niko-Matti Ahti One thing I’ve found in Finland that I never had during my years in Sweden is a sense of community. That has been of great importance to me both personally and creatively. Also, in Turku I’ve had a home base for a longer time than in any other place I’ve stayed as an adult. Being rooted, not moving all the time, has been good for my music making. For many years I was just taking in stuff, impressions, gathering and not giving that much back to the world. I have to say I’m not so fond of this sort of nationality making. I don’t really consider myself either Finnish or Swedish. Maybe that’s what you get being a double immigrant. You easily get an overdose of a certain kind of navel-gazing national identity building and branding through the Finnish media. On a general and political level, I think it’s about time Finland grows up and stops clinging to ideas about what it is to be Finnish. The national costume should be something loose and inclusive, like a bathrobe. Marja Johansson I just read this quote today, and I relate to it: ‘Nationalism is the biggest and bloodiest live roleplay that widely spread during the time of the capitalistic modernization on the 19th century. The difference from LARPing is that many of the players don’t know how to go off-game mode but they really do feel they belong in some nation.’ (Historian verisin larppi, Pontus Purokuru, Libero, 7.1.2016) Jonna Karanka In minimal ways. It’s been freezing cold this week (25°C) so I felt it was dangerous to leave the house. So I stayed indoors and got fully immersed in the music I was working on. Every now and then, like right now, I get government supported funding that lets me focus on the things I’m most passionate about. I like the idea that a country evolves to a point where they decide to give out money to some

32

Rooilijn 2 | 03-2016


people to be critical. Sometimes I’m thankful and sometimes I think that the artists actually deserve way more. My guess is that no-one answering questions at this moment in history is very excited about the ideas of borders and nation states. It’s getting really difficult to hold onto any national pride when the concept of ‘Finnish’ is constantly defined in the most disgraceful ways, dragged into mud and peed all over. The racist loudmouth way of thinking always talks about the Finnish way of living, the one and the only Finnish way of living. The leading populist party even calls themselves The Finns Party (exTrue Finns). It has been a constant source of stress and shame for a while now and I can’t wait for the times when it will become easier to chill in Suomi. Jan Anderzén

Rooilijn 2 | 03-2016

33


3. Finland – België Avarus leren kennen in de ‘gouden’ periode van de helaas ter ziele gegane Stereophonic Records platenwinkel via Laurent (Veglia) en Lieven Martens (Dolphins Into The Future). Al snel was de honger naar méér Finse psychedelica een feit en leerde ik bands als Kemialliset Ystävät, Uton, The Polka Dot Sunflower Bed Orchestra en Paavoharju kennen. De Fins -Belgische connectie was onomkeerbaar. Carlo Steegen Here I see a practical connection that for me started a long time ago through Dave Driesmans and Kraak. The connection has had many twists and turns, different forms and figures during the years, and I’ve always been very happy about it all – whether I was part of it or not. Feels good to see all the old and new faces, events and collaborations and their ongoing sagas. I can’t explain it, but at least it has something to do with being a golden ass First World citizen and an active sinner in the world of arts and politics. Niko-Matti Ahti About the Finland-Belgium connection. I notice that I have played many many times in Belgium. And many of my favorite artists come from there. I guess these pretty strong music/comic/visual/whatsoever DIY circles, which feed each other over the borders. And there are so many people doing both visual and musical… One of my first shows (with Lauhkeat Lampaat, 2004?) in Belgium was opening for Alan Silva and Vibracathetral Orchestra in Brussels and Chris Corsano and Paul Flaherty in Antwerp! That was pretty blasting start! Antti Tolvi

34

Rooilijn 2 | 03-2016


We’ve been inviting a lot of Belgian artists to perform in Finland. And it’s always nice to go to play or do whatever in Belgium. The atmosphere is good and it’s difficult to play a bad show there. There’s probably something in the mentality, temperament and the sense of humor of the people that makes it easy for Finnish and Belgian people to hang out together. Roope Eronen It’s real. I was busy starting a family and carrying mail around the time this connection seems to have been established (2006 or so), so I don’t know how it did happen. Right people in right places at the right time? Meeting Dennis Tyfus in Brighton later in 2006 is very important for my personal Belgian connection as he was the one to invite me over, big thanks to him for everything! It seems to me the aspect of combining a sense of humor with being dead serious about one’s work is perhaps well understood in your country. Both countries are relatively small. Finland and Belgium are both matriarchal societies. Reijo Pami Yes, why not? There has been a connection before I started to get involved in music here, so I haven’t watched it develop. I’ve certainly encounter many Belgians on the music trail, we’ve had a lot of Belgian guests playing for Himera and I’ve played at Ultra Eczema’s Bruismelk Festival in New York some years ago, but I’ve actually never played in Belgium, haven’t even been there. Marja Johansson Maybe the secret are the small circles where everyone knows and inspires each other. If I remember correctly my first connection to Belgium was Carlo, who released Kukkiva Poliisi’s 2nd record on his Audiobot label in 2005. I guess we were brought together by beer, good vibes and CD-Rs ! Jonna Karanka In 2001 I co-released an LP, Life Is a Skullbow, by our group The Anaksimandros together with Laurent Cartuyvels’ Veglia label. In the summer of 2004 I went on to my first tour outside Finland with Tomutonttu and Avarus. On that tour we played at Ferme Du Biernaus in Louvain-la-Neuve and a Freaks End Future Festival at Scheld’apen. Met a lot of the heads who are still around taking part in beautiful things. In 2006 Jelle Crama organized a massive underground art and music festival that brought together a lot of people from overseas and around Europe. I must say that was a life changing get-together. When I was touring in Europe more actively I would always stop and play in Belgium and at some point Brussels and Antwerp started to feel like other towns in Finland. Just read about Doel, no-one ever booked me a show there.



Rooilijn 2 | 03-2016

35


I’m looking at a collection of Baudelaire’s writings about Belgium. Let’s pick a random page. He talks about a man who’s earning money by eating living dogs at a market place for an audience of women and children. I don’t remember it being that brutal?! Jan Anderzén For me it has actually always really been just Antwerp. Same kind of attitude maybe, not taking things too seriously. Warm and down-to-earth existence, no posing. A feeling that you are among friends. Also, drinking used to play a huge role in things. I just loved the energy so much that I got pretty badly carried away. Arttu Partinen Een jaar of twaalf geleden stond ik samen met Laurent Cartuyvels (Veglia), Lieven Martens (Imvated) en Carlo Steegen (Audiobot) aan de zeefdruktafels in St-Lucas kleuren te bepalen om op een taaie rol behangpapier een 7’-hoes te drukken voor het Finse folk-improcollectief Avarus. Ik had er op dat moment geen idee van hoe vaak ik nog met deze en andere Finnen in contact zou komen, maar enkele maanden later werd duidelijk hoeveel talent er zich in Finland schuilhield. Avarus en Tomutonttu speelden toen op het Freaks End Future / Kraakfestival in Scheld’apen, en die eerste persoonlijke ontmoeting waarbij een berg tapes en cdr’s geruild werden was de olie op het vuur voor de latere stroom aan uitgaven en concerten, het vuur dat jaren voordien werd aangestoken met de eerste The Anaksimandros-elpee, uitgebracht door de microlabels Veglia en Vauva (Jan Anderzén). De Finnen in deze scene zijn niet vies van hun folkloristische traditie, noch van radicaal experiment in muziek en beeld. Het ego maakt plaats voor het collectieve geluid in formaties als The Anaksimandros, Avarus, Kiila… maar staat sterk in individuele projecten: Nuslux, Antti Tolvi, Tomutonttu, Kuupuu… Hetzelfde gaat op voor hun grafisch werk. Denk maar aan de hoezen van Jan Anderzén voor Tomutonttu en Kemialliset Ystävät, de speelsheid van de covers van het label Lal Lal Lal voor o.a. Pylon, Maniacs Dream… de comics van Roope Eronen, Tommi Musturi… het comics- en illustratiekrantje Kuti Kuti en de comics uitgegeven door Boing Being. In groep speelden ze met hetzelfde egobevrijdende idee in de ‘tekenclub’ Piirustuskerho en het collectief The Doozers. Al deze troeven bij elkaar maakten van hen erg dankbare gasten voor het Dramarama-festival (Hasselt/Antwerpen/Nijmegen, 2006). Eerst werden ze een week opgesloten in het ‘kunstcentration camp’ – naast de gevangenis van Antwerpen – om samen met leden van gelijkgezinde collectieven als Fort Thunder, Bon Goût (Re-Surgo), Seripop, Nazi Knife, Rotkop e.a. een zeefdrukpublicatie te maken. Tijdens die week speelden een selectie van deze collectieven een aantal concerten in de toenmalige platenwinkel Freaks End Future, en in het weekend werd de publicatie voorgesteld op het tweedaagse Dramarama-festival in zaal BELGIË in Hasselt, twee dagen volgepropt met muziek, expo en een boeken- en platenbeurs. Het volledige concept werd de week daarna overgedaan bij Extrapool in Nijmegen, waar een nieuwe gezamenlijke publicatie werd gestencild. Het grappige is dat ik in Nijmegen, toen iedereen alweer huiswaarts was, een ongelabelde tape vond met fantastische, folky outsiderrock. Een jaar later, de tape was ondertussen platgespeeld, kwam ik erachter dat het het Zweedse Ray Pacino Ensemble was, uitgebracht op Lal Lal Lal. Ik contacteerde Roope met al mijn enthousiasme en zo hebben Lal Lal Lal en Zeikzak die tape heruitgebracht, samen met nieuw werk van RPE, als een dubbelalbum. Jelle Crama

36

Rooilijn 2 | 03-2016


IMVATED (Lieven Martens) www.discogs.com/label/22071-Imvated VEGLIA (Laurent Cartuyvels) www.discogs.com/label/22070-Veglia AUDIOBOT (Carlo Steegen) www.discogs.com/label/8715-Audiobot ULTRA ECZEMA (Dennis Tyfus) www.discogs.com/label/44957-Ultra-Eczema PUIK (Jelle Crama) www.discogs.com/label/86631-Puik SLOOW Tapes (Bart De Paepe) www.discogs.com/label/61744-Sloow-Tapes

MIAUX (be, antwerpen) Miaux – Stare Label: Lal Lal Lal – LAL-54 Format: vinyl, 7’, limited edition, single-sided Country: Finland Released: 2013 LIEVEN MOANA / DOLPHINS INTO THE FUTURE (be, antwerpen) Dolphins Into The Future – …On Sea-Faring Isolation Label: Fonal Records – FR-84 Format: CD, album, reissue Country: Finland Released: 2012 DSR LINES (be, antwerpen) DSR Lines – Teller Label: Lal Lal Lal – LAL-68 Format: cassette, album, limited edition, C30 Country: Finland Released: 2015 IGNATZ (be) Ignatz – Can I Go Home Now? Label: Fonal Records – FR-91LP Format: vinyl, LP, album Country: Finland Released: 2013 SPENCER CLARK (vs) Tomutonttu / The Skaters – Live Split Label: Puik – puik 20 Format: 2 × cassette, limited edition Country: Belgium Released: 2006

‘Lauhkeat Lampaat + Flaherty-Corsano Duo: Den Heksenketel, Antwerp, Belgium, April 9, 2004. Two Finnish brothers who do quiet improv while seated close together on the floor, surrounded by small percussion instruments. Antti Tolvi plays soprano sax and Jaakko focuses more on percussion. It was fantastic to see their relationship as brothers work itself into the music, with the two of them so naturally finishing each other’s lines and reaching over to grab a shaker or a bell out of the other’s space or hand, even.’ – Chris Corsano about his favourite live shows1 1 Chris Corsano in interview met Perfect Sound Forever, Stewart Voegtlin

Rooilijn 2 | 03-2016

37


over kwaliteit geen enkele koffie die ik in EthiopiĂŤ heb gedronken vond ik echt lekker de enige uitzondering was de espresso van Tomoca in Addis Abeba superpittig, geweldige textuur en toch lekker kruidig de rest smaakte verbrand de traditie van een ton suiker per koffie op voorhand al door de bediening toegevoegd is begrijpelijk in Harar is er een koffiebranderij die brandt op hetzelfde apparaat als ik een Turkse Toper, wel een veel groter model, onze manier van branden is heel erg verschillend ik vul de brander standaard maar voor 60 procent met ruwe koffie om de volle controle te hebben over het brandproces snel in te kunnen grijpen indien nodig en omdat de extra luchtcirculatie zorgt voor een egale branding via convectie maar ook voor een cleane smaak wat zoveel betekent als alle gassen die vrijkomen tijdens het proces kunnen ontsnappen via de schoorsteen en geven hun onaangename smaak niet af aan de boontjes

38

Rooilijn 2 | 03-2016


de bekende brander in Harar stak de brander zo vol als het maar kon zo vol dat de boontjes amper nog draaien in de drum en dus onmogelijk op dezelfde manier gebrand worden met als resultaat lichtbruine, donkerbruine en zwarte bonen afhankelijk van hun benauwde positie in de koffiebrander

ik zou nooit zeggen tegen een andere brander of iets juist of fout is en dat heb ik ook niet gedaan maar het zet me wel aan het denken over de relatie tussen traditie en kwaliteit traditie en innovatie traditie en kritiek koffie is in EthiopiĂŤ namelijk geboren en grootgebracht ik heb op de markt drie kilo ruwe koffie gekocht typisch geelkleurige boontjes uit Harar ze ruiken al heel kruidig

Rooilijn 2 | 03-2016

39


en ik ben benieuwd hoe ze zullen smaken licht gebrand voor filterkoffie iets wat EthiopiĂŤrs niet drinken en misschien zo vies vinden dat ze het me misschien komen zeggen omdat het bakje filterkoffie hen aan het denken zet over de relatie tussen traditie en kwaliteit traditie en innovatie traditie en kritiek koffie is in EthiopiĂŤ namelijk geboren en grootgebracht

Koen BleuzĂŠ Beeld: Charlotte Koopman

40

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

41


Twee jaar geleden, tijdens de verhuis en de transformatie van Scheld’apen naar Het Bos, zaten we samen met cultuursocioloog Pascal Gielen en kunstenaar Benjamin Verdonck. We spraken over dit overgangsmoment, Scheld’apen als plek, duurzame instituten, dissidentie en autonomie. Nu, twee Bos-jaren later, schoven we, heel kort, weer aan tafel om verder te praten. Vooral over het sociale in de kunst. Alhier een weergave van dat gesprek.

Spreken voor eigen parochie met Pascal Gielen en Benjamin Verdonck Lotte Brown

42

Rooilijn 2 | 03-2016


Cultuursocioloog Pascal Gielen (1970) vivisecteert kunst, kunstenaars en de kunsten vanuit een sociologisch metaperspectief. Mogelijk schrijft en publiceert hij sneller dan de wind. Bij iedere ontmoeting brengt hij minstens drie nieuwe boeken mee. Zijn thema’s zijn de waarde van autonomie, de invloed van het neoliberalisme op de positie van de kunstenaar, en zoveel meer. Hij werd geboren in 1970, het jaar waarin Richard Sennett zijn The Uses of Disorder schreef. Onderweg tussen de Groningse Rijksuniversiteit en het Antwerpse Research Institute for the Arts (ARIA) denkt hij veel na over verschillen en parallellen tussen beide lage landen. Benjamin Verdonck (1972) is acteur, schrijver, beeldend kunstenaar en theatermaker. Benjamin bespeelt zowel de reguliere theaterzaal als de publieke ruimte. Boomhutten en vogelnesten zijn hem niet vreemd. Hij is al sinds de late jaren 1990 betrokken bij Scheld’apen en Het Bos. Zijn projecten hebben titels als Hirondelle/Dooi Vogeltje/The Great Swallow of NOTALLWHOWANDERARELOST of HANDVEST VOOR EEN ACTIEVE MEDEWERKING VAN DE PODIUMKUNSTEN AAN EEN TRANSITIE NAAR RECHTVAARDIGE DUURZAAMHEID of DISISIT. Onder de noemer EVEN I MUST UNDERSTAND IT bundelt Benjamin Verdonck een cluster van nieuwe autonome werken, theaterprojecten en acties in de openbare ruimte, die elk op hun manier verbeeldingsrijke proposities zijn over hoe kunst de werkelijkheid mee kan vormgeven in plaats van er enkel op te reflecteren. Pascal, in een vorig gesprek stelde jij: ‘Neem nu de sociale pijler. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we op dit moment die sociale pijler in dat kunstenverhaal institutionaliseren.’ Pascal: Misschien is het belangrijk om eerst aan te halen hoe het sociale weleens fout wordt geïntegreerd in de kunst. Dat is een belangrijk startpunt alvorens aan de slag te gaan met het sociale. In het boek Community Arts werkte ik rond dat thema. Om het botweg te zeggen: het gaat fout wanneer kunstenaars nogal naïef de wijk intrekken om daar projecten te doen en enkel op microsociaal niveau werken. Zonder kritisch te kijken naar de context waarbinnen gewerkt wordt en in te grijpen op het politieke. Het is belangrijk je bewust te zijn van die context, anders word je misbruikt en stap je misschien mee in een verhaal waar je ideologisch gezien zelf compleet tegen bent. Sociaal zijn om sociaal te zijn is niet altijd zo sociaal. Belangrijk is ook dat het niet altijd draait om harmonie en het bouwen aan harmonieuze gemeenschappen. Het is de bedoeling dat je ‘het gemeen’ gaat uitbouwen. Dat je dissensus creëert en discussie mogelijk maakt. Je kunt stellen dat je werkt naar een soort ‘binding in onenigheid’, al is onenigheid misschien het foute woord. Naar een ‘gemeen’ toewerken dat ook ‘gemeen’ is. Dingen die opduiken en die mensen verrassen of in de war brengen, irriteren zelfs. Zo van: ‘Wat is dat?’ Dat effect is erg belangrijk. Het is belangrijk om te leren leven in onenigheid. Die

Rooilijn 2 | 03-2016

idee zit in The Uses of Disorder van Richard Sennett. Dat oude boek, geschreven in 1970, gaat over stadsproblematiek. Een van de grote problemen die hij aanhaalt, is dat mensen te lang in hun adolescentie blijven hangen en weigeren een stukje van hun identiteit op te geven. Principieel zijn om principieel te zijn, zoals pubers. Er zijn twee oorzaken waardoor mensen daarin opgesloten zitten. Allereerst is er de manier waarop het gezin is georganiseerd. En ten tweede zijn steden opgedeeld in behoorlijk homogene gemeenschappen. Grof gesteld zie je in Antwerpen nog steeds ‘het jodenkwartier’, ‘de islamgemeenschap in Borgerhout’, ‘een Chinese straat’ en het groenkwartier voor de jonge, mooie, blanke gezinnen. Dat soort indelingen werkt ontzettend segregerend. Ik denk dat het de taak is van kunstenaars – ik weet het, het klinkt flauw en paternalistisch – om dat soort schuurgebieden te gaan opzoeken en daar te interveniëren. Om daar te proberen bastions van de ene kant naar de andere te krijgen. Lussen te werpen. Het is noodzakelijk om een publieke ruimte te hebben van de commons. Niet van de community maar van de commons. Ruimtes waar mensen die elkaar niet kennen en misschien zelfs niet kunnen luchten, elkaar toch ontmoeten. Dit gebeuren omschrijft Sennett als ‘anarchie’. Belangrijke anarchie. Indien die er niet is, dan krijg je echt gewelddadige interrupties. Zinloos geweld, puur geweld en rellen. En ergens is dat ook mooi: onze Turnhoutsebaan is een beetje ‘onze relbaan’. Iedere stad heeft zo haar breuklijn.

43


Als ik dus zeg: ‘kunst moet sociaal zijn’, dan bedoel ik dat ze mensen op een kier zet. Andere situaties creëert dan het gewone. En wat betekent dat voor een kunstenhuis? Benjamin: Waar ik nu aan moet denken, en wat ik daar eigenlijk een voorbeeld van vind: vlak na de aanslag in Parijs vond er in Het Bos een kindernamiddag plaats. Kinderen uit verschillende asielcentra uit de regio vierden feest. Hun ouders waren er ook. De moeders bakten wafels. Ook waren er heel wat blanke, Antwerpse kindjes. Dat was een heel gemengde bedoening, op allerlei vlakken. Er werd K3 gezongen, maar er stond ook loeiharde raimuziek en hiphop op. De kinderen gingen totaal uit hun dak. Ondertussen was buiten de hele stad gemilitariseerd, maar de deur vooraan stond gewoon open. En overal liepen kinderen. Dat was echt ontroerend. In Brussel waren de cultuurhuizen gesloten. In Antwerpen waren er verschillende open, maar die stuurden dan vaak wel een bericht over de toestand naar hun publiek. Hier werd dat totaal genegeerd, als een soort stille weigering om mee te draaien in dat hele gebeuren. Pascal: Wat kunstenhuizen betreft: waar ik een beetje moe van word – al geef ik toe dat ik er zelf in meedraai wanneer ik spreek op studiedagen, boekpresentaties en biënnales – is het voortdurend ‘spreken voor eigen parochie’. Op de laatste Biënnale van Venetië werd zowaar elke dag geciteerd uit Karl Marx, maar lagen de jachten van de stinkend rijke producers gewoon in de haven. Dat hele maatschappijkritische discours wordt gecommodificeerd. Los van dit voorbeeld: ik zie iets heel eigenaardigs ontstaan in het klassieke cultuurveld, waar heel veel over politiek en sociaal engagement wordt gesproken, maar niet echt iets gebeurt. Benjamin: Ik denk dat daar vaak een heel grote welgemeendheid in zit, maar de ‘manier van organiseren’ zit in de weg. Ik

44

zie dat heel vaak bij acteurs. Die willen oprecht iets ‘anders’ maken, maar als je dan uiteindelijk ziet hoe die productie wordt gemaakt, verspreid, getoond… dan is dat vaak compleet het tegenovergestelde van de waarden en ideeën van waaruit het startte. De structuur en een bepaald systeem van aanpak zitten in de weg. Er zit een zekere inertie in. Die structuur weegt ontzettend, net als het geloof dat het niet anders kan. Pascal: En ook: je wordt voortdurend geleid naar een publiek van gelijkgezinden. Dat begrijpelijk en logisch, maar ook een grote moeilijkheid. Ik denk dat het erop aankomt om in je huis het publiek te laten botsen. Thomas Hirschhorn vertelde over zijn expo Eternal Flame in het Palais de Tokyo dat er aan het einde zwervers binnen zaten. De zalen waren dan ook de hele tijd gratis toegankelijk. Zoiets is heel confronterend, ook voor de kunstenaar. Maar anderzijds haal je dat net binnen omdat je daarmee bezig bent. Het is misschien niet altijd leuk, maar het is wel de consequentie van wat we zeggen. En ga je dat niet uit de weg en draag je die consequentie. Leuk of niet leuk. Dat zijn vaak ook momenten waarop er iets interessants gebeurt. En ergens heb je als kunstenhuis de sociale plicht om verschillende soorten mensen met elkaar te laten botsen en er ook te zijn voor die categorie mensen waar je zelf misschien minder mee in contact komt, of die je niet zo graag hebt. Dat is wat het betekent om als kunstenhuis een publieke discussieruimte te zijn. Dat gaat veel verder dan de sociale sector van ‘we moeten praten’. Het is soms meer ‘een klap op je smoel’. Het klinkt heel stoer, maar dát is leren omgaan met echt anders-zijn. Je leer het alleen door het conflict aan te gaan en onder ogen te zien, in plaats van het weg te stoppen. Niet dat we voortdurend zuipende of vechtende mensen in huis moeten halen, natuurlijk. Om even terug te komen op de kunstenaar: een kunstenaar kan alleen vanuit een heel sterke autonome positie de confrontatie met een gemeenschap aangaan. Ik denk dat het heel belangrijk is om ‘recalcitrant’ te blijven. Ambetant gedrag is belangrijk. Kunstenaars moeten geen problemen oplossen. Ze moeten problemen genereren of aanwijzen. Ik

Rooilijn 2 | 03-2016


denk dat je vanuit een sterke autonome positie veel meer kunt teweegbrengen in het sociale weefsel dan wanneer je veel toegevingen doet. Het is noodzakelijk dat die spanning behouden blijft. Anders zit er geen meerwaarde meer in die relatie. En dan verval je weer in het klassieke verhaal van de kunstenaar als sociaal werker.

Benjamin: De beste actie tijdens de eerste grote parade was die van Cirq. Zij hadden zichzelf uitgeroepen tot ‘tegenbetoging’ en hadden met een zestal postgevat op de trappen van de beurs.

Er wordt veel politieke kunst gemaakt vandaag omdat het goed verkoopt of omdat je er zelfs subsidies voor krijgt. Ik vind het interessant dat een kunstenfestival sprekers zoals Mark Fisher uitnodigt. Capitalist Realism: die twee elementen zijn vandaag on speaking terms. Maar opnieuw, het mag niet een soort van façade worden, of een attitude die alleen aan de oppervlakte zit. En die niet dieper ingrijpt of probeert in te grijpen op maatschappelijke debatten. Ik heb ooit Antonio Negri geïnterviewd, die vertelde dat hij geld aangeboden kreeg om op een receptie van Tate Modern aanwezig te zijn. Hij heeft het niet gedaan, maar dat is een voorbeeld van een harde activist die ingehuurd wordt omdat het goed staat. Er gebeuren waardevolle dingen. Zo vind ik de projecten van Jonas Staal bijzonder interessant. Als je echt een andere democratie wilt, ga dan radicaal het veld in. Zoek een ambivalente positie op, zoals Renzo Martens, die ook de belachelijke manier waarop de kunstenwereld met dat soort werk omgaat meeneemt in zijn verhaal. Bij wijze van spreken zou het zwarte vierkant van Malevitsj een ongelooflijk politiek statement kunnen zijn, bijvoorbeeld in het kader van een overdadige beeldcultuur. Maar als dat de bedoeling is, dan moet je het ook echt zo brengen. En vastgrijpen. En niet in een neutrale witte ruimte tonen. Als kunstenhuis en als kunstenaar dien je echt op zoek te gaan naar andere kaders. Proberen ook de mainstreammedia over te nemen, bijvoorbeeld, en werkelijk te interveniëren op andere domeinen. Dan word je politiek, zelfs al heb je geen enkele ‘politiek politieke’ boodschap. Zo moet ik denken aan die Arabische teksten die onder andere in de krant Metro verschenen. Dat was een vorm van ruimte opeisen.

Als we het hebben over het inrichten van de maatschappij en het ingrijpen op die maatschappij, kom je snel uit op politieke kunst, activisme…

Benjamin, als het gaat over andere ruimtes opzoeken, hoe kijk jij daar dan naar vanuit jouw traject?

Pascal: Politieke kunst, kunst met een boodschap. Ik heb daar niets op tegen, maar dan moet je het ook echt interessant brengen en adresseren aan het juiste publiek en op de plek waar het thuis hoort. Met andere woorden, dan moet je die politieke kunst ook echt politiek maken.

Benjamin: Ik heb het gevoel dat toen ik vijftien jaar geleden dingen deed in de publieke ruimte, de confrontatie groter was. Het lijkt alsof de mensen door bijvoorbeeld De Zomer van Antwerpen en andere activiteiten in de openbare ruimte, sneller denken: ‘oh, een actie’, of: ‘een zatte student’.

Benjamin: Ja, dat is niet de bedoeling, daar ben ik het honderd procent mee eens. En toch heb ik dat voortdurende, best wel sterke verlangen om zo concreet mogelijk aan het sociale gebeuren en de strijd deel te nemen. Als kunstenaar. Ik ben me de hele tijd bewust van die lijn. Maar neem nu die Hart Boven Hard-parade. Alles wat je daarbinnen doet, is ‘meegaan in de stroom’. Hoe zit het dan met de dissensus? Wat is in zo’n context iets goeds om te doen? Pascal: Ik heb dat gevoel bij Hart Boven Hart niet zo sterk. Omdat het op zich al een hard statement en een keuze is je daaraan te verbinden. En het lijkt een ideologische keuze waar veel kunstenaars nog niet klaar voor zijn. Het interessante aan Hart Boven Hart vind ik dat het gaat over het inrichten van een maatschappij. Het draait om een groter maatschappelijk gevoel.

Rooilijn 2 | 03-2016

45


Ik heb het gevoel dat als je bijvoorbeeld iets doet in de binnenstad, die zeer gecommercialiseerd is, wat je doet dan ook in die zin gecodeerd wordt. Ergens heb ik nu een verlangen naar andere soorten ruimtes. Eric Corijn omschrijft dat als ‘pastorale ruimtes’. Pascal: Interessant. Wij gaan met de onderzoeksgroep ARIA van de Universiteit Antwerpen, waarin ik nu actief ben, een ruimte innemen in dat commerciële hart. We maken een boekenwinkel in de stadsfeestzaal, waar we op zoek willen gaan naar een ander soort contact tussen auteur en lezer. Een andere relatie dan die van consument. Ik denk dat het net interessant is om een plaats in te nemen in een winkelcentrum als de stadsfeestzaal. Die wrijving: proberen om andere mogelijkheden laten zien op een dergelijke plek. Op zich is dat ook politiek. De vraag is natuurlijk of daar ook echt andere mensen gaan binnenkomen dan diegenen die vooraf al geïnteresseerd waren in onze tijdelijke boekenwinkel. Benjamin: Ja, dat is interessant. Maar waar ik naartoe wou, is dat in je dat soort contexten vaak vanuit iets negatiefs werkt. Zoals je zelf zegt: ‘die wrijving’. Dat commerciële en ‘dat andere’. Het ene tegenover het andere. Ik las bijvoorbeeld in Zelf denken. Een leidraad voor verzet van Harald Welzer: ‘Als er al een engagement spreekt uit de kunsten, dan is dat vaak heel apocalyptisch.’ Maar eigenlijk moeten we het nú doen. We moeten nu een andere mogelijkheid tonen. En dat houdt mij vandaag meer bezig. Als je in dat winkelcentrum zit, dan zit je altijd met een soort wrijving die eerder neigt naar verzet tegen ‘het slechte’. Met een soort kritiek. Voor mij persoonlijk denk ik: dat heb ik gehad. Daarom dat ik nu in een school ga werken. Dat is iets helemaal anders. Kinderen brengen een andere vorm van engagement met zich mee. Pascal: Wat ga je doen in die school? Benjamin: Wel, een vriend van me, een echte ecofreak, had een boot die aan het MAS lag: Bar Paniek. Toen hij daar

46

aan het opruimen was, vertelde hij me over een aantal blokken steenkool die er nog lagen. Hij zei: ‘Het beste wat je daarmee kunt doen, is die blokken terug in de grond steken.’ We hebben dat dan ook gedaan. Dat was bijna een sjamanistische of homeopathische daad. Nadien vroegen we ons samen af: ‘Hoe kunnen we dat verhaal verder vertellen?’ Al brainstormend kwamen we erop uit dat je eigenlijk alles zou kunnen terugbrengen naar de oorsprong. Ik keek toen ook naar filmpjes van de econoom Milton Friedman. In die filmpjes toont hij bijvoorbeeld een potlood. En dan zegt hij: ‘Look, isn’t this wonderful?’ Hij begint dan dat potlood te ontleden. Zo van: ‘Het hout komt uit Azië, het gummetje uit de Arabische wereld. En al die mensen, geleid door een onzichtbare hand, werken eigenlijk samen. Het kopen van dit potlood is een bestendiging van wereldvrede.’ Ik wou dat potlood deconstrueren en dan al die elementen terugbrengen naar hun plek van oorsprong. Ze laten ‘rusten’, en zo de weg ruimen voor iets nieuws. Een dergelijk denkproces doorlopen met kinderen op een school is interessant. Het is leuk om samen na te denken. Waar komen die onderdelen vandaan? Vandaag vroeg iemand of het niet beter zou zijn de Eiffeltoren te begraven in plaats van steenkool of een potlood. Want: dat zou toch pas echt opvallen. Doordat ik alles, bijvoorbeeld het begrip ‘vrijheid’, supersimpel moet uitleggen, stelt dit proces mij in staat mijn eigen praktijk beter te doorgronden. Ik bekijk dit project als een kunstwerk en hoop er ook echt een werk uit voort te brengen. Al is het gebeuren eigenlijk zelf al het kunstwerk. Het is niet enkel een interventie. Pascal: Het is de taak van de kunstenaar om bij te dragen aan imaginair denken. Het is noodzakelijk om voortdurend dat soort openheid te genereren. Die openheid dreigt verloren te gaan als je gewoon sociaal werk gaat doen. Het is belangrijk die imaginaire ruimte te bewaken en voelbaar te maken, hoe ‘fout’ of onwerkelijk dat imaginaire denken of kijken ook mag zijn. Het is een imaginaire ruimte die gaat over het sociale, maar die ook de ogen van het sociale opentrekt: ‘Waar zijn we nu eigenlijk mee bezig?’ Neem nu 1984

Rooilijn 2 | 03-2016


van Orwell. Dat is een belangrijke invloed in het denken over privacy, tot de wetgeving toe. Als het over privacy gaat, wordt er altijd wel naar dat boek verwezen. Dat is gewoon omdat Orwell erin geslaagd is een wereld te creëren waarvan iedereen dacht: ‘help’. Het gaat niet alleen om verbeelden, maar tegelijk ook om het bezitten van een gigantisch gevoel voor realiteit. Over 1984, tijdsgeest en andere tijden gesproken. Als je terugkijkt naar een tweetal decennia geleden, wat zie je dan betreffende de positie van de kunstenaar en zijn relatie tot het sociale? Pascal: Twintig, vijfentwintig jaar geleden, dan had je Jan Fabre, Anne Teresa De Keersmaeker… In 1995 begon er een soort overgangsperiode. De periode daarvoor kan ik het best omschrijven met een uitspraak van Thierry De Cordier: ‘The social will be the death of you.’ Er heeft een gigantische evolutie plaatsgevonden. Die getormenteerde kunstenaarsromantiek, met de in het zwart geklede, zwijgende kunstenaar in een hoekje, lijkt min of meer verdwenen. Kunstenaars zijn vandaag open en sociaal, en willen praten over hun werk. Dat was voorheen niet echt de gewoonte. Het is natuurlijk de tijdsgeest, ja. Vroeger had je een soort krampachtigheid ten opzichte van het sociale en de wereld. Bij een jonge generatie kunstenaars merk ik een openheid naar de samenleving en de wil om hun werk uit te leggen. Er lijkt een omgekeerde beweging aan de gang. Terwijl de kunstenaar zich minder afsluit van de wereld, lijkt de overheid zich terug trekken. We zitten met een enorme de-democratisering. Eigenlijk wordt de kunst in het nauw gedreven. Je hebt twee reacties: de valse reactie, waarbij met privébedrijven wordt samengewerkt in de wijk en de kunstenaar zich met gemak ‘cultureel entrepreneur’ noemt. En dan heb je de andere reactie, de meer politieke kunstenaars. Benjamin: Voor mij, vanuit mijn persoonlijk perspectief en mijn traject, is dat anders. Ik zat in die tijd in de periferie, bij Scheld’apen, terwijl ik nu opereer vanuit het Toneelhuis. Ik weet niet eens of dat een invloed heeft gehad op mijn werk.

Rooilijn 2 | 03-2016

Vanaf het begin zat ik midden in dat politieke engagement. Wij hadden – in deze buurt trouwens, waar Het Bos nu is – een kraakpand en een sociale scene. Voor mij persoonlijk was dat altijd aanwezig. Ik zag ook wel andere mensen die bezig waren met het maatschappelijke, zoals STAN. Maar inderdaad, het waren er minder. Ik vind het hoofdzakelijk een kwestie van goede of slechte kunst. En voorts zie ik bij Hart Boven Hard nog altijd niet veel kunstenaars passeren. Helaas. Terwijl het toch geweldig is om je werk in een andere context te plaatsen. Pascal: Ja, het gaat ook over goede en slechte kunst. Twintig jaar geleden bestond er een soort verdediging voor kunst ‘omwille van de kunst’. Nu laat de kunstwereld op zijn minst toe dat er dissensus is. En dat er goede en slechte kunst is. Goede intenties en slechte intenties. En ook dat er duidelijk verschillende politieke stromingen zijn binnen de kunstenwereld. Lang niet iedereen is bijvoorbeeld even sociaal of links. Er zijn echt alle soorten kunstenaars, met allerlei gedachten. Vroeger zeiden kunstenaars veel gemakkelijker: ‘Politiek, daar ben ik niet mee bezig.’ Ín de kringen waar ik twintig, vijfentwintig jaar geleden rondhing, in het Leuvense Stuk, was het not done om het over politiek te hebben. Dat was voor mij ook zo, hé. Wij vochten voor cultuur en de kunst. Benjamin: Ja. Dat apolitieke. Je had van die gebeurtenissen als ‘de eerste zwarte zondag’. Heel ‘de cultuur’ kwam toen op straat. Er was toen een posteractie ‘voor verdraagzaamheid’. Het was alsof we dachten dat het allemaal in orde zou komen als we vriendelijk waren voor de buitenlanders. Er hing een soort simpele retoriek omheen. Maar ergens voelde je toen al dat het een soort schaamlap was. Wat me eigenlijk heel erg verbaasde, was dat het engagement van veel van die mensen die toen in iedere betoging mee stapten, nergens te vinden was in hun artistiek werk. Die tweespalt heb ik nooit begrepen. Natuurlijk snap ik de totale autonomie wel waar de kunstenaar naar streeft. En natuurlijk is het mooi dat iemand prachtige groene strepen kan

47


trekken, en dan moet die dat ook vooral doen. Maar laten we zeggen dat ik mij erover verwonder dat iets je als burger zo hard kan aanspreken, maar geen spoor achterlaat in je kunst. En ook: ‘Zolang dat het jezelf niet raakt, is het niet zo erg.’ Pascal: Vroeger kwamen kunstenaars en de cultuursector uit hun tent als er over subsidies gesproken werd. Dat is geen politiek, dat is beleid. Nu heb ik de indruk dat er veel meer is waarmee kunstenaars zich willen bezighouden en waarover ze bezorgd zijn. Benjamin: Er is nog iets van die tijd waar ik nu aan denk. Toen ik bij Hollandia speelde, was het not done om als acteur reclame te doen. Dat was voor amateurs. Terwijl dat nu normaal is. Laten we zeggen dat het veld veel groter en breder is geworden. Pascal: Je ziet een sterke vermarkting. En inderdaad ook een verbreding. De kunstenaarsgeneratie van vóór 1995 is opgegroeid binnen een welvaartsidee, waardoor ze zich eigenlijk niets van de samenleving moest aantrekken. Vandaag zie je overal dreiging en is de betrokkenheid bij de samenleving veel groter. De afbouw van de welvaartstraat loopt parallel met de maatschappelijke tendens onder kunstenaars. In Nederland zie je bijvoorbeeld de privatisering van de gezondheidszorg, de afschaffing van de studiebeurzen, en zakelijke modellen die overal geïnstalleerd worden. De hervorming in het onderwijs, waar competenties afgevinkt moeten worden. Peter Sloterdijk stelt het zo: ‘De school mag het zich niet meer permitteren om ontoereikend te zijn.’ Er mogen geen mensen meer afgeleverd worden waar geen markt voor is. We leveren al tachtig jaar mensen af die niet klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Die tendens zet zich overal door, onder het excuus van de crisis. We zijn in een hardere samenleving terecht aan het komen. Dat maakt de dingen heel bitter, maar het genereert daarenboven gigantisch veel middelmaat.

48

Benjamin: Ligt het ergens niet voor de hand dat je bijvoorbeeld in Palestina meer geneigd bent om geëngageerd werk te maken? Ik had twintig jaar geleden niet echt een vijandsbeeld, behalve dan extreemrechts. Nu is het dichterbij. Calais is onze achtertuin. En daarnaast gebeuren er ook voelbare dingen in de stad. Misschien voelen we de hete adem meer in onze nek? Misschien dat mensen daardoor meer in beweging komen? Ik weet het niet. Pascal: Zo werkt dat. Maar toch: indien dit alles twintig jaar geleden gebeurd was, weet ik niet of er veel maatschappelijke actie vanuit de kunsten gekomen zou zijn. Bijna tijd. Is er nog iets wat je bezighoudt en je nog wil vertellen? Gedachten, bepaalde dingen die je rond je ziet gebeuren? Benjamin: Ik ben wel bezig met ‘het belang van samen’. Wij hadden dat van het begin al, eigenlijk. Maar je voelt dat meer mensen dat belangrijk gaan vinden, om samen iets te doen. Dat idee van die individuele kunstenaar lijkt toch niet meer zo aantrekkelijk te zijn. Het gevoel van: ‘When the shit hits the fan, zul je het in je eentje niet redden.’ Ik heb het idee dat dat nu meer gebeurt. Uit noodzaak, bijvoorbeeld wanneer je samen een plek moet zoeken, maar ook omdat het iets oplevert. En: dingen doen met anderen is plezant. Pascal: Het beeld van ‘de individuele kunstenaar’ is een gecultiveerd gegeven. Dat kan een ijzeren kooi worden waarin je vast geraakt. Anderzijds: samen is mooi en goed, maar soms heb ik er ook een beetje schrik van, in de zin dat je misschien je eigen identiteit zou kunnen verliezen. Ik gebruik vaak de metafoor van een karavaan, een circusfamilie. Daarin zie ik een waardevolle vorm van ‘samen’. Interessant aan een circusfamilie vind ik dat het familie is, maar ook meer dan dat: vrienden, economie en creativiteit. Gooi er nog het politieke bij en je hebt een zeer goede machinerie om mee aan de slag te gaan.

Rooilijn 2 | 03-2016


Het is de heterogeniteit van die groep die mij interesseert. Het circus verenigt heel verschillende disciplines en soorten mensen: er zitten evengoed mensen bij die niet met kunst bezig zijn. Ze zetten hun tent op en bezetten die ruimte. De verticaliteit van een circustent vind ik ook heel interessant, de grandeur ervan. De netwerken die nu sterk domineren, maken de wereld vlak en plat. Er is nood aan verticaliteit. Maar dan niet in de klassieke zin, zoals bij het museum of het klassieke instituut. Benjamin: Die grandeur zie je als een reactie tegen het vlakke, het matige? Pascal: Grandeur in de mooie zin van het woord. Erkennen dat mensen gewoon goed zijn in iets. Ik ben misschien ook wel getekend door Nederland. Door dat platte, vlakke, dat ook in de kwaliteit van kunst sluipt, het aantal refreintjes op de rockacademie dat op voorhand vast ligt… Kortom: geformatteerde kunst. De dingen worden platgedrukt. Die tent kan dat doorprikken. Zo’n hoge tent is ook politiek, in de stijl van: ‘Hier staan wij. En op onze plek doen we de dingen op een bepaalde manier.’ Echt durven ruimte in te nemen. Boem! Dat was zo met die boot die aan het MAS lag, waar we elkaar de vorige keer ontmoetten. Die plek droeg voor mij dat gevoel in zich. Benjamin: Ja. Die is daar weg nu. Het was de boot van Time Circus, die nog wel volop andere dingen doen op andere plekken. Er ligt nu een andere boot. Een horecaboot.

Rooilijn 2 | 03-2016

49


Oostenrijks regisseur Paul Poet, bijna tien jaar geleden al een keer te gast in Scheld’apen met Ausländer Raus (2005), plande in de herfst van 2015 zijn nieuwe documentaire My Talk with Florence voor te stellen in Brussel en Antwerpen. Door het Brusselse terreur - alarm en de sluiting van cultuurhuizen in de hoofdstad, werd de excursie afgeblazen. De vertoning in Het Bos ging wel gewoon door. Zonder Paul Poet weliswaar. Dus ook zonder gesprek. Paul stelde voor om het interview dat hij deed met ‘Kinofrau’ Hanin Hannouch te herpubliceren. ‘KINOIMAGES’ is a blog dedicated to putting forth images from the world of cinema. Once per day, every day, actors, film-makers, authors and many others participants in the vast realm of film, world famous or not, will have (rare) photos of them shown here. kinoimages.wordpress.com

50

Rooilijn 2 | 03-2016


Interview with Paul Poet, director of the documentary ‘My Talk with Florence’ I had been ‘Facebook friends’ with filmmaker Paul Poet for a while without exchanging much. His page grabbed my attention recently when the name of Otto Mühl popped up on my timeline, Mühl being an artist whose work I really liked and still do. I knew that Mühl created a dubious sect (to say the least) and had died recently, but my interest in his work and in the Viennese Actionists was limited to attending some Hermann Nitsch talks along with exhibitions in Europe, all the more reason to give Paul Poet’s film My Talk with Florence a closer look, and I am glad I did. It is a gut-wrenchingly fluid account of the life of Florence Burnier-Bauer who fled a sexually abusive household, became a vagabond with her kids, and then found herself in Mühl’ sect. Kinofrau: The Viennese actionists were and to an extent still are transgressive artists, between Günter Brus’ Wiener Spaziergang, Hermann Nitsch’s live sexual actions, Rudolf Schwarzkogler’s images and his alleged accident/death/suicide, and Otto Mühl’s sect, there is plenty of material for a documentary. 
So what attracted/ repelled you in Otto Mühl’s work and Florence’ story?  Paul Poet: Coming from an activist punk background in Vienna way back then, the artists of the Viennese actionists were always a prime inspiration from my very youthful creative beginnings onwards. They were the artists who were the no-shitters, they were the ones who rocked, when you grew up here in Vienna. They seemed to me as the most consequent artists by putting themselves by their art into a self-endangering distance to the codes of conduct of the current world order. And you definitely need this distance to criticize this Order and its modes and conventions of human interaction. Achieving this distance with such dirty experiences is quite refreshing, but I wouldn’t do all my work that way. It’s like the essentially needed phase when the baby needs to eat and vomit dirt in order to grow and learn to invent even meaner or more subversive forms of art. So I had to go through that to learn how to provoke even deeper and more lasting. My Talk with Florence is part of that next step. KF: Tell us more about the circumstances of you meeting Florence, was it difficult to get her to tell such a gut-wrenching story?
 PP: I met Florence by chance when preparing this theater piece. She had been part of Otto Mühl’s commune for many years and suffered an especially dark fate in his hands, herself being victim of child abuse in her youth in her bourgeois French home and fleeing

Rooilijn 2 | 03-2016

after years of horror and later surviving on the road. So she fled from the French police into this alternative society with all the promises of counterculture and a self-reliant strong future only to have her own three children taken away, broken and sexually abused. She was an essential part in the court case where Otto Mühl was sentenced to seven years in prison as the Commune Friedrichshof started to be dissolved from its full status. After the sentence where only a small part of what had happened was made public, Florence fought 20 years to make her whole story heard. No one wanted to listen to her: no journalist, no politician, no policeman, not a single citizen. All turned away from her, cause the story seemed too horrific and since the trial of Mühl as Austrian state artist was a big thing here, wanted to have silence and peace snow over it. So through a shared friend we became acquainted and immediately hit a good vibe together. Our first conversation ended in like five hours of pouring out our souls with no holds barred. So her story became part of the theater play and she acted herself on stage, like having reality break into an intentionally disgusting nightmare of a satire. So my film deals on a metaphoric level how these systems of abuse manifest themselves in very similar ways in different forms of society. To me it’s not so much about revealing the ‘true’ evil that happened in the commune of Otto Mühl after it became spoiled by too much money, drugs and success. But that there

51


is also an important symbolism in this life-story on what goes wrong in the world and with people in general. It doesn’t say all ideas in there were shit. The contrary is the case. But all that had been visionary in Friedrichshof got lost in ego, capital, social autism, exploitation and debauchery. By learning the life-story of Florence, you can sensitize yourself to the mechanics of abuse and learn to defend yourself. So this is the important legacy Florence wants to give. Otto Mühl himself is dead by now. She hardly could hurt him. But now she can find some peace with her own traumas and help others. I am helping her on the way. By this movie and otherwise. Gaining the trust was easy. After all, I am a filmmaker who doesn’t lie. That’s rare in itself. KF: I gathered that the photo at the beginning of My Talk With Florence is Otto Mühl with someone whose face is hidden behind a dark stain. Can you tell us more about the image and where you found it? (photo below) PP: The woman is Florence and this picture like a mystery gets revealed more and more in the course of the film. I did a framing animation of the story with text and some old pictures I had received from Florence. It was not easy since she has burnt and thrown away almost everything that reminded her of this past. But this picture she hated especially cause it shows how Otto Mühl forced her to laugh in a group photo at a point where most of the abuse had happened. So her smile is both very scared and scarred, an abuse in itself. The pic tells a lot about keeping up appearances for a society (or in this case counter-society) that has wounded you. For the animation I made a reference to historical propaganda mechanics, which i had studied for some years, Stalin in this case with his famous blacking out of persons from official photographs. Instead of shadows I used the materials common to the Viennese actionists, dirt, goo and shit, to paint over the face of Florence and black her out oft he picture just like the commune previously had tried to annihilate her existence from their annals.

52

KF: In the presentation text you sent me about your film, rethinking Cinéma Vérité is mentioned. What aspects did you want to alter in the Cinéma Vérité approach to filmmaking? 
 PP: I don’t think it is about altering, but expanding and maturing the Vérité approach. Austrian Films are often obsessed with the Real or Direct Cinema approach, Wiseman and the like. Any music would be kitsch. Catatonic framing. And all that dire Blah. The problem is this approach only really works if you film an institution for a longer time, since an institution can’t run away. Also this form of film never is pure, cause the institution will force its own interest in your movie while trying to look neutral on the surface. Vérité Cinema always seemed more truthful to me cause it admits to the filmmaker as interacting force and creative partner, it admits to a filmic truth as an artistic creation. I studied Jean Rouch and especially his film Panther when I did my cinematic magnum opus, a film called Empire Me, that took me eight years to make. There Rouch had accompanied three African adolescents on an essential pathway in their life finding a sense and mission for their future, so doing the movie and having the exchanges with Rouch on eye-level co-formed the journey of this adolescents on an essential level. Vérité is about truthfulness in the way you approach and reproduce your films and the people within. This doesn’t work by fixed rules but by exchange and constant communication and transferring the basic human permeability into the filmic form. So I accompanied Florence for many years and played an essential role in freeing herself from the ghosts of her past by doing this movie with her. There were many many methods that were used on this road, since this was a prepared talk, that used techniques from theater, film, performance, psychotherapy, even ‘Selbstdarstellung’, a form of artistic opening, she learned from Otto Mühl, it also uses personal friendship to help her find a voice for those parts she hadn’t repeated in the 10, 20, even 30 to 50 years during her desperate search to make her story heard. And we thankfully achieved that.

Rooilijn 2 | 03-2016


KF: Tell me more about the Austrian Culture Funds attack on your work. How was it received and what aspects were deemed attack-worthy exactly? PP: Well, it is how censorship works in our modern Western so-called democracies. It is no force from a political above, but it is the ‘Gleichschaltung’ from within. I am quite known in Austria and internationally renowned as a provocative political filmmaker. Still, it seems, the more I am known, the more obstacles are given to me and I get more and more unable to fund my work. I suffered a lot a few years ago by having researched a very complex and big, already funded cinema doc on the possible collapse of Europe and alternative forms of rebellion and counter-communes rising from the streets, which got axed like two weeks before official filming was to commence because the powers to be didn’t want to have any film to deal with that theme in a way dangerous to them. With Florence it was especially evil, because it was by the ‘neutral decision’ juries, composed of so-called colleagues, who completely reviled my movie out of so-called politically correct reasons. It was not posh putting up with the theme of sexual abuse of men and women and children alike from another perspective but the ‘saving’ bourgeois one. I even myself was accused of being a rapist, by ‘forcing’ this woman in front of a camera, completely stomping over the fact this woman was ignored for two entire decades, while I was the first one who dared to really give her a helping hand. It is often said, it is a second rape how institutions deal with victims of abuse. These juries exactly mirrored this second rape in their behavior. It was especially hard for me to be accused as ‘rapist’ by this idiots since I have my own history of sexual abuse as a kid, which is one of the basic reasons why I had done this movie in the first place. Thankfully I could fight the whole issue on a political level up into the Austrian parliament. And I was able to finish the entire film with just 7.500 EURO overall funded budget. The first real audiences now have approved what hairraisingly stupid reasons these juries had given to block and censor my movie.

Rooilijn 2 | 03-2016

KF: You were part of the jury at the Istanbul Film Festival and there were some accounts of censorship. Was your film directly involved or what happened exactly? PP: Istanbul Filmfestival didn’t censor me. To the contrary. They were the first big festival to give me a big international premiere. They are quite courageous in general, especially given the current political climate in Turkey. They embraced my new film very intensely, while the classical generic doc festivals completely ignore My Talk with Florence, which only proves how corporate and cowardly they all have developed. The absurd thing that happened, was, that I was additionally invited to be jury for the national Turkish Doc prize, about to be given for the first time in 2015. Then suddenly the Turkish Culture Ministry and in fact Erdogan had forbidden one film about PKK female freedom fighters, Bakur, to be screened. So the entire prize ceremony and almost all Turkish films withdrew from the festival as a protest to this government censorship. Which is quite absurd, traveling yourself as a filmmaker to this place to premiere your own film that was victim to censorship issues, only to deal with other local censorship issues here. Seems like the worldwide drift towards a new technocratic ultra-nationalism has made these pre-fascist and autistic forms of censoring more and more normal in any place of the world. It is very important to note, it is not just Russia, Turkey or the Arab countries doing this, but also Europe and the US, who still blatantly mask as open democracies. KF: Florence’s account of her experience on the periphery of the hippie and the Situationalist community, and later her involvement with the Friedrichshof sect really left me thinking that there is no real ‘alternative’ to society the way it is organized today. It seemed that every attempt at liberation from our modern fetters ends up in a Foucault-inspired nightmare, on this level, My Talk with Florence somehow burries whatever hope one might have of a better place elsewhere. Did you intend to debunk all these alternative societies?


53


Otto Mühl with Florence, her face hidden behind a shadow.

Otto Mühl and the shadowed image of Florence, hidden behind excrement, dirt, and hair.

PP: That’s a definitive No. I show all the social and human structures of making rape and abuse shockingly normal by telling the life of Florence. Her life is especially relevant because these circles of abuse repeat throughout four different forms of social existence, the ‘safe’ post-war bourgeois home in Paris, the mental institution, the vagabond life on the road and the life in the commune as counter-society. I myself have no problem identifying the great basic ideas of the commune Friedrichshof and the essentially great artist in Otto Mühl, despite him being without doubt a disgusting person, a criminal and a child rapist. Looking at both sides oft he coin close enough, even makes it more easy and obvious, that there was a great and inspired time with the commune, before it became decadent, drugged and hungry for power and money, before it went the same way down as ‘normal society’ does, into the muck of corruption, abuse and autocracy up to the point of proto-fascism. Mühl, being so fascinated by Hitler and Stalin, a tone point even imitated the way how the Nazis used and abused free sexuality as means to catch the German adolescence into their hands. This still definitely doesn’t mean, all of the Commune was evil and bullshit. In my movie Empire Me I portray six such counterworlds, which work well and where a level of social happiness is achieved while living in opposition to the mainstream world. In this movie I portray ZeGG in Germany, the ‘state of free love’, a polyamourous ecovillage commune close to Berlin. They were loosely founded on the same principles as Friedrichshof was, founded by scholars of Mühl with free sexuality, free ownership, public therapy, Selbstdarstellung as essential means of public expression as basic pillars. The

BIG difference here is, they abolished the guru figure, the fuehrer, within their first year. And ZeGG works wonderfully until today as an eye-level horizontal power structure. Our capitalist system has become so viscious and all-excluding, you really need to appreciate these social visions and experiments to learn from them for the bigger structure of the world. Otherwise we will have to face the complete abolishment of the democratic idea and the social pact very soon and we will have to face decades of war. The decision is in fact made by us all in the way we deal with culture, with ideas, with alternatives. Unfortunately currently most of us just follow the blindfold Hershey highway up to global smithereens.

54

KF: We know that Florence got married, and then her husband Otmar Bauer died, can you tell us more about her (with respect to her discretion of course), what became of her? Where are her children today? PP: As said, Florence played an essential part in the courtcase against Mühl. Not as a direct testimony, because she wasn’t allowed to testify in court despite the female judge knowing her entire story. But by accusing and reporting her daughter for false testimony, who was one of the abused kids appearing in court. So with her interference all masks collapsed and the truth was revealed. It was a much needed cruelty and especially hard to do for a mother, but it was essentially the pinnacle moment of the emancipation of Florence after almost 50 years of subordination, abuse and silencing. Before she had been already able to flee from the Commune with Mühls right hand man,

Rooilijn 2 | 03-2016


artist Otmar Bauer, her lover, who later became her official husband. Otmar died years later from drinking too much and Florence now lives from a small widows pension besides doing some art herself. Her three kids all are traumatised themselves, but they all are in contact. What was the sweetest compliment for my film, is that Florence felt so freed by her story now being officially heard through the movie, she found the strength to move from Vienna to Berlin to approach her kids and take care of her grandchildren on a level, that is now freed from all the demons of the past. KF: In your documentary, there is only Florence’s account of her life and details about the Friedrichshof sect in the second part of the film. So we only get her side of the story. Did you not want to film a confronting discourse, say that of Claudia Mühl’s implication in the sect, and why?

PP: Florence is the only person that was completely expelled from Friedrichshof who didn’t receive any payment by the Friedrichshof and the Mühl trust ever due to her involvement in the courtcase happened. All abused children receive regular payments, but not for the crimes but being part of the trust and you may guess, to silence them. I really would wish, now that Mühl is dead, that all persons involved would deal openly with all that had happened in the Commune, to really be able to see and appreciate the good parts beside the many bad ones. I also would wish, that at least part of the money that gets in by selling his art, so many hands have built alongside Mühl under his name, receive real reparation payments and the right to an official truth. I think, that would be more than fair.

PP: My film is like all my films a self-test and a self-exploration for the audience. With Florence I intentionally wanted to show a radically subjective perspective. I don’t present this as journalist perspective and I would have no right to do so, As I do not have any interest in such a ‘neutral’ perspective. What is relevant to me , is not making the film part of a new courtcase, but telling a social and political metaphor about social oppression and individual resistance, that can be understood and used. Despite some people understanding My Talk with Florence as the most feel-bad film of all times, to me the film is a very cathartic and empowering survival guide. Ans a guide how to find your personal expression and to deconstruct conventional narrations of how stories about this issue are commonly told. KF:Florence stated at the end of the documentary that Otto Mühl’s work, which is far from original or exemplary, is worth large sums of money in the art market. Do you see an issue or problem between the value placed on Mühl’s work and the context in which it was generated, that of an abusive, horrifying sect?

Rooilijn 2 | 03-2016

55


Thomas Verstraete

Het belang van

56

Rooilijn 2 | 03-2016


het gewone Inspiraties

Rooilijn 2 | 03-2016

57


Het gezamenlijk geheugen van Julmud, Muqata’a en Al Nather (Juzo’Min) drie muzikanten  uit Palestina even in Antwerpen

58

Rooilijn 2 | 03-2016


Tijdens de herfst van 2015 nodigde Het Bos drie Palestijnse muzikanten-producers uit om samen met Jurgen Desmet (aka Sickboy) muziek te solderen, in het kader van het Brigadefestival. Drie korte weken lang bouwden ze aan nieuw geluid en aan een liveset, die ze voor het eerst toonden op de slotavond van Brigade.Tijdens hun verblijf in Antwerpen vonden wij twee keer een gat in de tijd om te spreken. Over veel. JUZO’MIN bestaat uit MUQATA’A , JULMUD en AL NATHER. MUQATA’A is een muzikant-producer die opereert vanuit zijn Palestijnse thuisstad Ramallah, aan de Westelijke Jordaanoever. Muqata’a maakt muziek met samples, veldopnames en elektronica. Het resultaat daarvan bevindt zich ergens op de grens tussen hiphop, glitch, ambient en experimenteel. Hij werkte onder meer als producer en componist voor artiesten als Kronos Quartet, Bukue One en Tamer Abu Ghazaleh. Op albums van Heliodrome, Slovo en Bonnot duikt hij op als mc. Met de groep Ramallah Underground, die hij zelf uit het droge zand stampte, toerde hij tot aan de split in 2009 intensief door Europa, de Arabische wereld en Australië. Op dit moment is Muqata’a vooral actief met zijn audiovisuele groep Tashweesh en een boel nevenprojecten in film, dans en theater. JULMUD is producer, percussionist, keyboardspeler en vocaal meester. Net als Muqata’a woont hij in Ramallah. Hij combineert geluiden van over heel de wereld om zo tot een ‘niet-generische vorm van muziek’ te komen. Hij werkte samen met verschillende mc’s en is lid van de crew Saleb 1. Samen met Al Nather en Muqata’a vormt Julmud de groep Juzo’Min. Daarnaast doet hij heel wat solowerk. AL NATHER is fluitspeler, percussionist, zanger en producer. Al Nather stuurt zijn geluiden de wereld in vanuit datzelfde Ramallah. Daarnaast verblijft hij veel in Jordanië, waar hij studeert. Net als Julmud maakt hij deel uit van het muzikale collectief Saleb 1. Edd Abbas (Libanon), El Rass (Libanon), Abyusif (Egypte) en Bu Kulthoum (Syrië) mochten allemaal van Al Nathers producerschap genieten. Al Nather wordt beïnvloed en geïnspireerd door zowel klassieke Arabische muziek als extreem experimenteel werk. SICKBOY, het bekendste alter ego van Jurgen Desmet, bekeerde Europa en de rest van de wereld tot de breakcore in het eerste decennium van het nieuwe millennium. Ondertussen bouwde hij een indrukwekkend oeuvre uit onder duizend en één pseudoniemen en als lid van duizend en twee groepen, waaronder onder andere De Duiven. Tijdens het Brigadefestival fungeerde hij als muzikale bloedbroeder en stadsgids van de Palestijnse garde. BELBALEH is een Jordaans agentschap voor kunstenaars uit de regio. Belbaleh focust op onafhankelijke muziek en kunst uit het Midden-Oosten en werkt met kunstenaars uit Egypte, Irak, Libanon, Jordanië en Palestina. Oprichters van Belbaleh zijn Joris De Buyser en Mo Ismail. Joris De Buyser stelde het artistiek werk van Muqata’a voor aan Het Bos. Daaruit groeide het idee tot een groter project. Vervolgens koppelde Het Bos Sickboy aan Muqata’a. Muqata’a nodigde op zijn beurt Julmud en Al Nather uit.

Rooilijn 2 | 03-2016

59


Na het donderdagse avondmaal in de eerste residentieweek installeren we ons in een van de kleine voorkamertjes van Het Bos. Deze ruimtes met zicht op de Ankerrui worden meestal gebruikt voor langdurige muzikale residenties. Na zes maanden een tapijten geluidsuniversum te zijn geweest voor Inne Eysermans, is het kamertje nu de tijdelijke studio en repetitieruimte van Jurgen Desmet/Sickboy en het Palestijnse drietal. Hoe gaat het hier? Muqata’a: Het gaat redelijk goed. We slagen erin te communiceren. We hebben vooral veel gejamd. Geëxperimenteerd. Al Nather: Ja. Voorlopig is het nog een beetje ‘in het wilde weg’. Nog niets echts, maar we hebben veel elementen verzameld, veel geluidsmateriaal dat we erin willen stoppen. Langzaam gaat het goed. We zoeken uit wie wat doet. Wat is jullie werkstructuur binnen het vers gevormde collectief? Wie doet wat en wie brengt wat binnen in het geheel? Muqata’a: We brachten allemaal maar een beetje materiaal mee. Dus we wisselen vaak van machinerie. Het verschil tussen ons vieren zit niet zozeer in het gebruikte materiaal of instrument, maar in onze behoorlijk verschillende stijlen en achtergronden. We hebben allemaal een andere sound. Je weet wel, die dingen die omschreven staan in onze bio (lacht). Natuurlijk kent iedereen zijn machine het best, bijvoorbeeld een bepaalde synthesizer, en is het logisch dat je daar vaak naar teruggrijpt. Maar toch, we switchen veel. Dat is leuk en interessant. Over muziek en machines gesproken, hoe kwamen die in jullie leven? Julmud: Muziek is altijd alles voor me geweest. Al sinds ik klein was: toen speelde ik tabla. Ik was altijd geïnteresseerd in muziek, ook op school. Er kwam wel een moment dat ik, zoals veel kinderen en tieners op een bepaalde leeftijd, niet meer oefende. Maar dan ontdekte ik de elektronische muziek en software, en ging het op die manier weer keihard. Ging je ooit naar de muziekschool? Julmud: Nee.

60

Rooilijn 2 | 03-2016


Al Nather: Ik wel. En Muqata’a ook. Muqata’a: Ja, ik deed behoorlijk veel muziekschool. Mijn moeder speelt accordeon en ze zingt ook. Gewoon, als hobby. Mijn ouders luisterden allebei veel naar muziek en ze leerden mij piano spelen. Mijn broer speelt elektrische gitaar. Ikzelf ging ook op gitaarles. Daarnaast volgde ik lessen op de oed, de klassieke Arabische luit. En ja, net als Julmud ontdekte ik dan op een bepaald moment ook muzieksoftware, en zo kwam het allemaal samen. Al Nather: Ik begon op mijn zesde. Eerst een jaar klarinet en dan tien jaar oriëntaalse percussie. Tijdens die tien jaar deed ik ook zes jaar fluit. Op de muziekschool luisterden en speelden we veel jazz en klassieke muziek. Dat was helemaal anders dan de muziek waar ik zelf naar luisterde en die ik zelf wou maken. Ik wou iets doen wat uniek was in onze contreien. Hoe meer ik met muziek bezig was, hoe slechter mijn schoolresultaten werden. Het is mijn leven. Altijd al geweest. Hoe zijn muziek en muziekcultuur bij jullie georganiseerd? Hoe krijgt het culturele leven in jullie stad Ramallah vorm? Is er bijvoorbeeld iets als een muziekscene? Al Nather: Oho! (Lacht.) We kunnen veel zeggen over Ramallah want het is behoorlijk ingewikkeld. In het algemeen is er niets tastbaars, niets wat je een scene zou kunnen noemen. Er is geen concertzaal, geen muziekclub, geen platenfirma, geen specifieke plek of muziekcafé waar mensen samenkomen. Wij organiseren en doen alles zelf. Er zijn geen bedrijven of sponsors of culturele organisaties. Laat staan een overheid die zich daarmee bezig houdt. Naast de optredens die we zelf organiseren, zijn er vooral buitenlandse shows van heel beroemde artiesten. Mensen die het zich kunnen permitteren om niet hun volledige gage te krijgen, en die meestal ook de Palestijnse zaak steunen. Twee jaar geleden kwam Boney M er optreden. Maar eigenlijk krijgen we maar heel weinig buitenlandse artiesten te zien. Daarom moeten we wel naar het internet trekken om dingen te ontdekken en onszelf kenbaar te maken. Maar dat is oké. Wij hebben ter plaatse eigenlijk niets of niemand om te volgen. Dat geeft ons ruimte om naar verschillende soorten dingen te luisteren en zelf ook gewoon te doen wat we willen. Muqata’a: Het geeft ons meer vrijheid en mogelijkheden. Er is geen echte competitie en niemand om naar te kijken. Het houdt ons onafhankelijk. Working off the grid. Dat is heel belangrijk voor mij. Al Nather: Ramallah is eigenlijk heel klein. De stad zelf, zonder de omgeving, telt ongeveer 40.000 inwoners.

Rooilijn 2 | 03-2016

61


ISRAELISCHE REIZIGER 01:05

00:57

PALESTIJNSE REIZIGER

AANKOMST IN KDUMIN

CHECKPOINT: EINDE REIS

05:20

TAXI NAAR HET NOORDEN

05:30

TE VOET VOORBIJ CONTROLE

04:49

TAXI KOMT AAN IN NABLOES

CHECKPOINT BIJ AANKOMST NABLOES

VAN VERHARDE WEG:

CONTROLE VERMIJDEN

OMLEIDING TAXI

TAXI NAAR NABLOES

03:26

AANKOMST IN QUALANDIA

03:13

TAXI NAAR QUALANDIA

02:46

AANKOMST IN ABOE DIS

02:33

WANDELEN EN NIEUWE TAXI

02:12

CHECKPOINT OMZEILEN

02:03

TAXI IN BEIT SHAUR

01:47

TAXI NAAR ABOE DIS

01:30

WANDELEN NAAR OMGEVING BETHLEHEM

STOP AAN CHECKPOINT

01:06

BUS NAAR DHEISHA

00:46

GEBLOKKEERDE STRAAT: WANDELEN

00:37

TAXI NAAR BETHLEHEM

00:16

START IN CENTRUM VAN HEBRON

00:00

04:18

03:43

CHECKPOINT OMZEILEN

JERUZALEM 00:32 CHECKPOINT OMZEILEN

00:18

00:10

CHECKPOINT OMZEILEN

CHECKPOINT OMZEILEN

00:00 START IN KIRYAT

Voorbeeld van verschil in reistijden Bron: Solid Sea 03 : The Road Map, een project van Multiplicity

62

Rooilijn 2 | 03-2016


Het is een zeer geïsoleerde plek. Zo ligt de stad Bethlehem op slechts 45 minuten van Ramallah, maar omdat de weg is afgesloten, neemt het gemakkelijk tweeëneenhalf uur in beslag om er te geraken. Je moet namelijk helemaal om Jeruzalem heen, want dat is verboden terrein voor ons. It’s such a hazard. Het openbaar vervoer is slecht. Je doet er heel lang over en ’s avonds rijden er geen bussen meer. Maar zelfs met de auto blijft het moeilijk. Je moet niet alleen omrijden, maar ook de checkpoints passeren. En de settlers (kolonisten) met hun geweren. Soms voelt het gevaarlijk. Het is niet iets wat mensen snel geneigd zijn om te doen. Muqata’a: Je doet dat enkel als het moet. Als je niet anders kunt. Het is jammer want Bethlehem heeft wel vruchtbare grond voor, bijvoorbeeld, een muziekscene. Er zijn clubs, meer toeristen… Al Nather: In Ramallah hadden we één echte club, maar die is intussen gesloten. Wij treden op in bars en kleine clubs. Als je bij ons naar een bar gaat, dan kun je daar eender welke muziek spelen. Dat is waarom ik zeg dat er geen scene is. Er zijn niet echt bepaalde plekken voor bepaalde dingen. Het maakt niet uit. Is er dan een publiek? Al Nather: Andere artiesten en creatievelingen komen om te luisteren. Julmud: Je ziet altijd dezelfde mensen. Je kent ze allemaal. Muqata’a: Het publiek bestaat uit mensen die geïnteresseerd zijn in alles wat er gebeurt op alternatief vlak. Dezelfde mensen die naar een jazzshow gaan, gaan ook naar een rockshow, een technoparty. Het draait zeker niet alleen om muziek en muzikanten. Sommigen zijn meer bezig met theater, installaties, performancekunst of film. Iedereen die cultureel actief is, steunt elkaar. Dat is goed, maar ergens ook heel klein allemaal. Al Nather: Die culturele scene is fijn, maar soms wil je ook gewoon mensen die veel weten over iets of zelf heel goed zijn in iets, en die dan ook echt kritisch zijn. Dat hebben we één keer kunnen realiseren toen we een avond voor mc’s organiseerden en daarvoor niet echt reclame maakten, maar bewust op zoek gingen naar wie daarmee bezig was. Die avond hebben we echt interessante mensen ontmoet die iets voor ons konden betekenen. Muqata’a: Het blijft klein. Ooit was Ramallah weinig meer dan een dorpje naast Jerusalem. Toen Jerusalem werd

Rooilijn 2 | 03-2016

63


ingelijfd, werd Ramallah een soort nieuwe hoofdstad, als alternatief voor Jerusalem. Er zijn veel bedrijven. Economisch is het de place to be. Er openden een paar theaters. Het werd een van de leefbare plaatsen in Palestina, zeker voor de middenklasse. Langzaamaan beginnen er nu dingen te leven en krijg je hele kleine sub-sub-sub-minicultuurtjes. Ik heb nu al het gevoel dat ik overdrijf als ik zeg dat er subcultuurtjes zijn. Maar toch. Er gebeurt wel iets, ja. Julmud: Maar altijd dezelfde mensen. Is er ook een museum, bijvoorbeeld van de Palestijnse cultuur? Muqata’a: Ze zijn ermee bezig. Er komt nu een nieuw museum waarvoor ze volop aan het archiveren zijn. Al Nather: Wel is er een soort coöperatieve, een niet-gouvernementele organisatie die werkt rond de emancipatie van weesmeisjes en vrouwen. Zij hebben een soort plek met een verzameling van traditionele Palestijnse kunst en kledij. Ze maken traditionele dingen, van kledij tot eten. Je kunt er ook traditionele technieken leren en workshops volgen. Alle schoolkinderen van Palestina maken een uitstap naar daar. Maar een echt museum is het niet. Wie organiseert en bekostigt dat nieuwe museum? Muqata’a: Dat komt niet van de overheid maar van rijke Palestijnen die zich verenigen om het mogelijk te maken. Zijn er ook buitenlandse initiatieven? Al Nather: Er zijn heel veel ngo’s en buitenlandse initiatieven. Massa’s eigenlijk. Ze komen binnen als een vreemde entiteit om dingen te verbeteren en op hun portfolio te zetten. En dat is het. Muqata’a: En dan, na vijf jaar, zijn ze weg. En ja, in die vijf jaar verbeteren ze meestal wel ‘iets’ of betekenen ze ‘iets’, maar dan is het gedaan. Dat is geen empowerment. Dat is zever. Hoe zouden ze wel iets kunnen betekenen? Al Nather: Ik denk dat het nog lang zal duren voor er een echt goed voorbeeld in beeld komt. Het is behoorlijk ingewikkeld. Je hebt niet enkel het vertrouwen van twintig mensen nodig, je moet er echt véél mensen bij betrekken. Je moet veel mensen meenemen in je verhaal en werkelijk samenwerken.

64

Rooilijn 2 | 03-2016


Muqata’a: Het belangrijkste is om echt samen te werken. En ernaar te streven dat iets lokaal en onafhankelijk kan worden. Echt samenwerken is niet stellen dat jij weet hoe het moet, het dan doen, en vervolgens vertrekken. Dat is zo paternalistisch en koloniaal. Altijd maar preken en het beter weten, terwijl er bij ons ook veel vaardigheden, talent en kennis te vinden zijn. Maar je moet die ook de kans geven om zich te ontwikkelen. Door bijvoorbeeld goed onderwijs en goede universiteiten met een waaier aan kwalitatieve, hedendaagse opleidingen. Al Nather: Het is zot. Je hebt nu mensen uit New York die naar Ramallah komen om een job te vinden. Ze worden tot viermaal meer betaald omdat ze in een ‘danger zone’ werken. Hah. Wat voor jobs? Al Nather: Voornamelijk in ngo’s. Sommige mensen geven Spaans in hun Spaans centrum, andere Frans in hun Frans centrum, anderen Japans in hun Japans centrum. Muqata’a: Als je de verhouding tussen inwoners en buitenlandse inwijkelingen bekijkt, dan zijn het er echt veel. Op zich heb ik daar niets op tegen, maar het veroorzaakt wel een onevenwicht. Hun lonen zijn hoger en de huur gaat omhoog. Dat wordt dan de standaard, en dat is problematisch voor de lokale bevolking. Al Nather: En toch. Ik hou echt van Ramallah. Het is fantastisch. Het is zo klein. Net als hier in Antwerpen kun je alles te voet doen. Je kunt er wel veel verder kijken dan hier omdat er bergen en heuvels zijn. Het is een heel mooie stad. En ook Palestina is ontzettend, ontzettend mooi. Zo mooi dat we, zelfs in deze omstandigheden en met de beperkte toegang die we maar hebben, nog steeds mooie plekjes kunnen ontdekken. Ook worden er nog regelmatig historische vondsten gedaan. Maar ja, die worden dan weer gestolen door Israël. Jullie zijn allemaal afkomstig uit Ramallah maar reizen veel. Zo vloog Muqata’a naar hier vanuit Los Angeles en keert hij nadien terug naar New York. Al Nather studeert nu in Jordanië en ook Julmud bracht al heel wat tijd door in Amerika. Muqata’a: Ik ging naar Amerika om muziek te studeren. Ik vond het er niet leuk en ging terug. Ik wou weer in Palestina zijn. Omdat ik daar meer kon betekenen. Op een gekke manier voelde ik me meer op m’n gemak en vrijer in Palestina. Het klopte niet dat ik niet bij mijn vrienden en familie was. In Amerika voelde ik me verloren.

Rooilijn 2 | 03-2016

65


Maar nu heb ik een tijdje in Los Angeles verbleven, en binnenkort inderdaad in New York. Ik reis graag en vind het interessant om mensen te ontmoeten en aan uitwisseling te doen. Reizen is superbelangrijk voor mij. Reizen, maar ook altijd weer terugkeren. Al Nather: Ik studeer in Jordanië. In Palestina zijn er niet veel goede universitaire opleidingen. Jordanië is voor ons het makkelijkst toegankelijk. Muqata’a: Voor Syriërs is het heel moeilijk om in Jordanië te geraken. Al Nather: Er zijn veel landen in het Midden-Oosten waar wij niet naartoe kunnen omdat ze ons er niet toelaten. En Syriërs al evenmin. De dichtstbijzijnde muzikale en artistieke scene is de Libanese, die sterk ontwikkeld is. En natuurlijk is er de opkomende scene in Egypte, maar dat ligt heel moeilijk voor ons. Jordanië is makkelijker te bereiken dan Egypte. Muqata’a: Reizen in het Midden-Oosten is lastig. Het is ingewikkeld en in praktijk vaak anders dan wat we eigenlijk wettelijk zouden moeten kunnen doen. De Verenigde Arabische Emiraten bekijken je visumaanvraag niet eens als ze zien dat je een Palestijns paspoort hebt. Julmud: Jordanië is onze enige weg uit Palestina. Daar is ook een luchthaven. De grens sluit al om 10 uur ’s avonds, dus moeten we een nacht op voorhand vertrekken. Herinner je je nog wat een gedoe het was om mij naar hier te krijgen vanuit Palestina? Het is altijd zo. Ik was zo zenuwachtig op het einde. Het is moeilijk. Hoe gevaarlijk is dat eigenlijk, van die expedities zoals naar de luchthaven van Jordanië gaan? Julmud: Niet zo gevaarlijk. Al is het soms moeilijk te zeggen. Al Nather: Er zijn plaatsen waar er wrijving is. Frictie. Daar waar ze stenen gooien, is het gevaarlijk. Maar wij hebben ook gewoon winkels, huizen, een dagelijks leven. Natuurlijk gebeuren er dingen. Onverwacht. Iemand die aangevallen wordt. En de checkpoints. De arrestaties. Een raid.

66

Rooilijn 2 | 03-2016


Hoe bewust ben je daarmee bezig? Ben je bang? Al Nather: Je went eraan te horen dat er mensen sterven. Vandaag stierf er iemand in de buurt van Jenin. Je leest het en denkt: ‘oké’. Als je er echt over nadenkt is het niet oké. Het is ook niet oké dat er vandaag een negenjarig kind gearresteerd werd. Op dit moment worden er driehonderd kinderen vastgehouden. Driehonderd! Het is choquerend. Maar ergens is dat nieuwe gearresteerde kind gewoon another kid. Ongelukkig genoeg raken we er aan gewend. En dat is niet omdat we denken dat het ons niet kan overkomen. We weten het heel goed. Dat het ons ook kan overkomen. Dat risico is er altijd. Muqata’a: Mijn ouders hebben altijd geprobeerd mij bewust te maken van de situatie. Me te leren aanvoelen hoe de sfeer is. Soms belden ze me en zeiden ze: ‘Kom nu maar naar huis.’ Of: ‘Doe dit of dat nu niet.’ Ik dacht vroeger dan: ‘Waarom? Het is toch altijd zo. Altijd ergens wel gevaarlijk.’ En toch, de ene dag is anders dan de andere. Wanneer je buitengaat, voel je vrij snel of er veel spanning in de lucht hangt. Julmud: Het is verwarrend en ingewikkeld. Je went er inderdaad aan. En je wilt er ergens ook niet teveel bij stilstaan. Muqata’a: Het is niet omdat je eraan went dat je er geen littekens aan overhoudt. Het heeft ons wel getekend. En het is nog niet voorbij, hé. Het is er ook gewoon nú, op dit moment, ook als wij hier zijn. Wij volgen iedere dag het nieuws en weten wat er gebeurt. Op welke manier zitten deze ervaringen, de verwarring en het gevaar, in jullie muziek? Muqata’a: Het heeft een heel grote invloed. Die spanning en het geweld is iets wat je kunt horen. Bij ons. Je kunt het ook zien, proeven, ruiken. Het is een deel van onze dagelijkse leefwereld. Die geluiden heb je hier niet. Het is dan ook in mijn hoofd en in mijn sound binnengeslopen. Mijn muziek is een antwoord op het geluid van agressie, kolonialisme, repressie. Een antwoord op de onderdrukking. Het is een aanval van geluid. Natuurlijk is het ook meer dan dat, maar het is wel een reactie op die dagelijkse agressiviteit. Op de koloniale bezetting. Mijn muziek is behoorlijk noisy, met veel storing en ruis. Ergens zit er ook iets agressiefs in mijn sound. Al Nather: Voor mij is het heel belangrijk om te laten zien dat Palestijnen heel goede, kwaliteitsvolle muziek kunnen maken. Het is ook een manier van terugvechten: die hoge standaard willen bereiken. Maar mijn muziek staat nooit in het teken van het conflict.

Rooilijn 2 | 03-2016

67


Ik heb iets van: ‘Fuck you, I transcend.’ Ik ga niet in het conflict staan. Ik zweef erboven en wil het overstijgen. I don’t care, you can’t touch me. Terwijl het me natuurlijk wél allemaal raakt. Mijn filosofie is heel transcendentaal. Het is ook een manier om een positie en een antwoord te vinden. De manier waarop hiphop startte, was politiek. En toen dacht ik weer: ‘Fuck you’. Ik wou gewoon een mooi lied maken over mijn lief en de natuur. Of zo. Ik wou geen ‘beweging’ opstarten. Ik was daar niet mee bezig. Julmud: Mensen verwachten altijd dat je zoiets doet. Is het ook niet net een statement? Dat je het níét doet? Al Nather: Ja. Ja, natuurlijk. Helemaal. En net op dat moment dat je het doorbreekt, dat je weg stapt van dat bewust politieke: dán wordt het interessant en betekenisvol. Als je gewoon doet wat je voelt, dan beweegt er iets. Zelfs als we afstand nemen van Palestina en de maatschappij, zit het er toch altijd in. In ons en in wat we maken. We kunnen ons er niet van ontrekken. Het systeem werkt in op onze identiteit en alles rond ons is gebouwd rond die identiteit. We kunnen er niet aan ontsnappen. Julmud: Voor mij is muziek alles. Er zijn niet veel mensen die dit soort muziek maken. Het is een missie. Het is hoe ik me uitdruk. Dus, ja: natuurlijk zit dat gegeven ook in mijn muziek. Al Nather: Als Palestijnen geloven wij dat het onze verantwoordelijk is om ons best te doen. En ook om te getuigen over wat er aan de hand is thuis. En ook om onze cultuur te tonen. Onder welke vorm of verschijning dan ook. Julmud: Ja. Het is belangrijk. Onvermijdelijk ook. Muqata’a: Het is een noodzaak, een urgentie. Het moet gewoon. Onze cultuur wordt volop gestolen. Toegeëigend. Voor ons is het noodzakelijk om die cultuur in leven te houden. Weliswaar op onze manier. Misschien een beetje raar of abstract. Voor mij is het belangrijker dat het werk dat ik maak, mij vertegenwoordigt als deel van een gemeenschap, dan dat het mij als individu naar voren schuift. Op die manier kan ik misschien meer mensen inspireren om aan de slag te gaan met onze cultuur, om die samen levend te houden. Julmud: En dat gebeurt ook. Er zijn nu meer artiesten die naar buiten komen. Jonge mensen die ook dingen doen. Andere dingen.

68

Rooilijn 2 | 03-2016


Muqata’a: Zo zijn er bijvoorbeeld mensen die ons ooit zagen optreden, die nu ook meer experimentele dingen maken. Dat is goed. Al Nather: Ja, dat is geweldig. Het houdt ons gaande. Dat we zien dat ons werk iets is dat zich voortzet. Muqata’a: Het gaat ergens ook over het creëren van een nieuwe taal. Niet alleen voor ons, maar voor veel mensen. Het gaat over het inblazen van nieuw leven in die cultuur die vernietigd wordt. Over het stimuleren van mensen om die vast te pakken en er iets mee te doen. Het op gang brengen van een gezonde competitie. Ik weet dat de bezetting begon lang voor jullie geboren werden. Maar toch: heb je een herinnering, een gevoel, een idee van toen er meer plaats of vrijheid was? Al Nather: Ik wil iets vertellen. Wij zijn niet vrij en zijn dat nooit geweest. Maar onze ouders hebben ons iets uniek gegeven: de ruimte om met muziek bezig te zijn in tijden van oorlog. Muziek is bij een conflict meestal niet bepaald een prioriteit, en er wordt zelfs op neergekeken. Maar dat is de vrijheid die ieder van ons drieën gekregen heeft. Dat is waar wij ruimte en plaats hebben gekregen om te spelen, te denken en te creëren. En zo kunnen wij nu ook plaats innemen. Al de rest is zo homogeen. Heel de tijd. Alles is vlak. Dat is het verschil tussen ons en andere mensen. Ook vandaag nog steunen onze ouders ons erg. Ze zijn een inspiratiebron. Muqata’a: Het collectieve geheugen is heel belangrijk. Ik groeide op met verhalen van mijn grootouders over Safad, waar mijn vaders familie vandaan komt. Die verhalen zijn niet mijn eigen herinneringen, maar toch voelt het alsof ze van mij persoonlijk zijn. Ik ben ermee opgegroeid en ze zijn een deel van mijn onderbewuste geworden. Zo’n herinnering die niet de jouwe is, is soms verwarrend. Het is een plaats die ik voel en zó goed ken, maar die tegelijkertijd ontoegankelijk is. Het is een deel van mijn erfgoed. Het is mooi en ik ben er heel blij om, maar ook: it messes with your head. Al Nather: Het zit je zo dicht op de huid. Muqata’a: Het wordt een doel, al is het dan zo goed als onmogelijk om het te bereiken. In de verhalen van mijn grootouders leefden mensen van allerlei religies samen. Samen waren ze ‘the natives’. Palestijnen, christenen, moslims, joden. Alles veranderde toen de bezetting begon. Voor mij is dat een utopie geworden. Ik zou die plaats graag betreden, maar ze bestaat niet meer. Het is iets in mijn hoofd. Het is heel gefragmenteerd.

Rooilijn 2 | 03-2016

69


70

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

71


Al Nather: Ik wil nog iets zeggen. Die extreme gehechtheid aan religie zoals die nu bestaat, was er vroeger niet. Het is iets wat gecreëerd werd, als een direct gevolg van het kolonialisme. Het is geen natuurlijk fenomeen. Als je doelbewust leraren viseert, kunstenaars, intellectuelen… Iedereen die goed werk levert, die iets betekent, iedereen die het verschil zou kunnen maken… Als je een cartoonist (Naji Salim al-Ali) en een schrijver laat vermoorden en bommen laat ontploffen op een kunstschool, dan vermoord je een hele bevolking. Het is gewoon strategische verachterlijking. Pure, doordachte verachterlijking. Je haalt alles uit de samenleving dat in staat zou zijn mensen andere ideeën aan te reiken. Al het imaginaire wordt geëlimineerd. Als je een extreem seculiere samenleving creëert, dan krijg je ook extremisme. Op welke manier zijn jullie persoonlijk, als muzikant en artiest, hiermee bezig? Al Nather: Als we op een dag veel invloed hebben, sterven we. Daar is geen twijfel over. Als ik mijn invloed gebruik voor een sociale beweging, dan willen ze mijn kop. Stuwt dat je verder of maakt het soms dat je je inhoudt? Denk je daarover na? Al Nather: Het stimuleert me. Het brengt me vooruit. Het is op dit moment niet gevaarlijk, hé. Ik zeg gewoon: zodra wij genoeg kracht en invloed zouden hebben, zou het gevaarlijk worden. Ik kan er niet over nadenken. Ik wil er niet over nadenken. I blank out. Muqata’a: Ik denk er wel aan. Ik ben mij altijd bewust van de risico’s. Het zit altijd in mijn achterhoofd. Altijd. Mijn werk is redelijk anoniem. Ik geloof in de kracht van dat soort werk. Dat het vooral gemaakt moest worden en dat het niet draait om credits of status die iemand eruit haalt. Julmud: Hiphop wordt nu wel gezien als een soort bedreiging. Muqata’a: Ja. Hiphop is niet reusachtig in Ramallah, maar het is wel iets dat je een scene kunt noemen. Het leeft. Zeker onder jongeren. En ja, het wordt als bedreigend ervaren. Julmud: Als je naar een bar gaat, naar een optreden of zo, dan is er altijd een man. Iemand die de dingen in de gaten houdt.

72

Rooilijn 2 | 03-2016


Al Nather: Als je een bar binnenwandelt, weet je altijd wie het is. Je herkent ze zo. Julmud: Je haalt ze er echt gewoon zo uit. Ze hebben geen uniform aan, maar they just look a certain way. Al Nather: Iedere seconde, in iedere bar. Muqata’a: Je gaat binnen en je denkt: ‘Ah, there’s the guy.’ Julmud: Wij kunnen ons meer permitteren dan een mc. Wat wij doen is minder expliciet aan de oppervlakte. Muqata’a: Maar wat wij maken komt ook vanuit een bepaald gevoel. Dus mensen voelen en horen dat ook. Al werkt dat natuurlijk op een ander niveau en is het moeilijker grijpbaar… Julmud: …voor de man in de bar. Muqata’a: Die man in de bar is iemand van de Palestinian Intelligence. Van de Palestijnse overheid dus. Niet de Israëlische, zoals jullie misschien zouden denken. Al Nather: Het is allemaal heel moeilijk te volgen. Het is ingewikkeld. Je weet nooit wat te geloven of wie te vertrouwen. Je wordt erg wantrouwig. Ik geloof eigenlijk dat mensen van nature eerder vertrouwen hebben. Maar dat wordt helemaal onderuitgehaald. Het wantrouwen is overal. Propaganda en hekken. Dat is wat de verschillen creëert. Alles wordt propaganda. Muqata’a: Wij weten dat het soms heel moeilijk is voor jullie om goed te begrijpen wat er gaande is bij ons thuis. Het is ook al zo lang bezig. Maar ook voor ons, ter plekke, is het zot. Wij weten het soms ook niet meer, wat waar is en wat niet. Ik heb dingen gezien vanuit mijn raam, en daarna op Al Jazeera een heel ander verhaal. Er is zoveel propaganda in de media. Ik kan dus me voorstellen dat er hier, aan de andere kant van de wereld, nog veel meer filters bij komen. Het is geen gebrekkige communicatie. Het is allemaal georkestreerd. Het is strategisch. Ze willen niet dat wij elkaar ontmoeten en zo elkaar en de situatie beter begrijpen.

Rooilijn 2 | 03-2016

73


Al Nather: We hebben allemaal veel meer gemeen dan het lijkt. Het is zo gemakkelijk om te communiceren en ideeën uit te wisselen. Maar we worden gewoon afgesloten. En afgeschilderd op een bepaalde manier waardoor zij kunnen blijven doen wat ze al zoveel jaren doen. Tot ze klaar zijn. Muqata’a: Ik heb zoveel gereisd. Ik ontmoet zoveel mensen van overal. Als ik dan ergens anders ben, dan denk ik: ‘Ah, die persoon is echt zoals mijn vriend in Ramallah.’ Overal in de wereld kun je met mensen rondhangen, praten en plezier hebben. Elkaar verstaan, zelfs al spreek je een andere taal. Ik voel me geprivilegieerd omdat ik kan reizen. Veel van mijn vrienden kunnen dat niet. Zijn jullie eigenlijk religieus opgevoed? Julmud: Niet echt. Gewoon een beetje. Zoals veel mensen bij ons. Religie werkt anders bij ons. Het zit overal in de samenleving. Zelfs als je niet heel religieus bent opgevoed, weet je veel over religieuze dingen, maar dat is gewoon omdat het een deel van de cultuur is. Palestina is eigenlijk helemaal niet zo ‘conservatief-religieus’. Al verandert dat de laatste tijd wel. Iedere dag wordt het meer en meer, en ook extremer. Net zoals op veel plekken in de wereld. Maar dat heeft meer te maken met gebrek aan leiderschap en de vernietiging waar Al Nather zonet over sprak. Er is niets meer. Ook geen hoop. En dan is er alleen nog ‘God’. Over hoop gesproken… Muqata’a: Ik heb hoop, ja. Maar ik weet niet hoe realistisch die is. Ik denk dat dekolonisering een eerste stap zou zijn. Hah! Al Nather: Ja. Julmud: De toekomst van Palestina is natuurlijk iets wat ons erg bezighoudt. Muziek geeft indirect hoop. Ik denk dat wij via onze muziek mensen kunnen bereiken. Het is communicatie. Maar het is niet genoeg. Ik denk niet dat alleen muziek maken genoeg is. Leven is niet alleen jezelf uitdrukken. Het gaat ook om wat je doet, als persoon. Ik denk dat veel mensen de hoop verliezen. De hoop wordt steeds kleiner. Muqata’a: Het gaat voor mij ook niet om Palestina als natiestaat. Het gaat om dekolonisering en het beëindigen van de koloniale militaire staat. Het stoppen van de vernietiging van een cultuur, een volledige regio

74

Rooilijn 2 | 03-2016


en het leven van mensen. En dat is niet alleen een Palestijns verhaal. Het gebeurt nu, op grote schaal op verschillende plaatsen in de wereld. Al Nather: De meeste mensen geloven er niet in, die zogenaamde Palestijnse staat die momenteel naar voren geschoven wordt. Wij zijn ook niet echt vertegenwoordigd in de grote wereldpolitiek. Muqata’a: Mensen willen gewoon een goed en veilig leven. En dat op het meeste eenvoudige, basale niveau. Mensen willen gewone dingen.

Tweeënhalve week later, een paar dagen nadat Juzo’Min samen met Sickboy een liveset speelde op de slotavond van het Brigadefestival, eten we spaghetti en spreken we over het gebeurde. En het toekomstige. Het drietal staat op dat moment bijna op vertrekken en is samen met Jurgen/Sickboy volop bezig met het opnemen van het gerealiseerde materiaal. Hun plan is om verder samen te werken en de wereld in te trekken met hun creatie en performance. En, hoe was het? Het maken van nieuwe muziek met Jurgen, het optreden, de residentie? Muqata’a: Het ging echt goed. Het was anders dan alles wat wij normaal doen. Maar het was echt, echt goed. Al Nather: Het was geweldig. Echt. Wat we brachten op ons eerste optreden, is eigenlijk niemands stijl. En toch is het een stijl. Het is niet wat zou er gebeuren als Muqata’a en Julmud en ik samen iets zouden doen, of elk van ons solo. Of als Sickboy iets alleen zou doen. Er kwam echt heel veel nieuws uit. Het is raar. Het was een soort positief compromis. Het was geen middelmatige brij waar we ons allemaal in konden vinden, of zo. Nee, het zat er echt óp. Julmud: Het klonk echt als ‘iets’. Het was een stijl. Muqata’a: Het publiek was helemaal mee. Dat was fijn. Mensen riepen, dansten, applaudisseerden. Ik ben er nog van onder de indruk. Al Nather: Het is echt wel moeilijk te omschrijven wat het nu eigenlijk is, die stijl. We zijn nog steeds ons materiaal en de nummers aan het bestuderen. We weten niet exact hoe ieder nummer eigenlijk geconstrueerd is. Het is volledig gebouwd op onze energie en hoe we het toen aanvoelden.

Rooilijn 2 | 03-2016

75


Het resultaat was een volwaardige set. Geen jam. Julmud: We concentreerden ons echt op het maken van nummers. Al Nather: We organiseerden een begin, een climax en een einde. Daartussen zat veel improvisatie. Julmud: De nummers waren nog niet volledig gearrangeerd. Enkel ritme en structuur lagen vast. Al Nather: Het was voor ons een volledig nieuwe manier van muziek maken. Wij zitten meestal vastgekluisterd aan onze laptop: heen en weer met de mousepad. Dit is eigenlijk mijn eerste echte ‘bandervaring’ met elektronische muziek. Het is fundamenteel anders. Je kunt niet gewoon de partituur volgen. Je moet voortdurend creatief zijn en ook je synthesizer helemaal controleren. Het is geen viool, waarvan je onmiddellijk weet hoe het geluid gaat zijn. Er zijn zoveel knopjes aan een synthesizer. Julmud: Aan de ene kant hadden we al van in het begin vertrouwen dat het goed zou komen. Maar toch was het spannend en een beetje eng. We hadden het gevoel dat we nog niet klaar waren. Maar na de laatste repetitie in de concertzaal voelde het goed. De tijdsdruk was enorm. We hebben dit echt op hele korte tijd in elkaar moeten steken. Was dat ook niet ergens een voordeel? Julmud: Ja. Inderdaad. Er was weinig tijd, beperkte middelen en werkmaterialen, een andere omgeving, een vreemd land en een nieuw publiek, samenwerken met nieuwe mensen… Maar de druk die dat op ons zette, perste alles uit ons. Alle goeds (lacht). Het was best indrukwekkend en intens. Dat is het nog steeds. Want we willen natuurlijk zo ver mogelijk staan tegen dat we weer vertrekken. Hadden jullie op voorhand bepaalde verwachtingen of doelen? Al Nather: Ik wou vooral dingen bijleren. En België en Antwerpen zien. Nieuwe mensen leren kennen. Uitvogelen hoe Sickboy zijn drums maakt. Wat ik trouwens ontdekt heb (lacht). Ja, ik heb veel geleerd. Ik denk dat het, nu al, een enorme impact heeft op hoe ik muziek maak. En dat geldt niet alleen voor mij.

76

Rooilijn 2 | 03-2016


Julmud: Ja, we hebben veel geleerd. En niet alleen praktische of technische kennis, maar ook echt een nieuwe manier van nadenken over muziek. Al Nather: Ik weet hoe deze twee hun muziek maken. Maar het is goed om te weten hoe Sickboy het doet. Het is goed om weken lang ondergedompeld te worden in een totaal vreemde, andere manier van werken. Hoe zouden jullie zijn aanpak, die jullie als zo anders lijken te ervaren, omschrijven? Al Nather: Eigenlijk, en het klinkt misschien raar, heeft hij een heel klassieke benadering van structuur in muziek. Wij hebben een meer vrije, vloeiende, mellow aanpak. En dat terwijl ik eigenlijk nog het meest gestructureerd werk van ons drieën, ook door mijn klassieke achtergrond. Je merkt het ook in Sickboys klassiekere gitaarspel. Wat denk jij, Muqata’a? Ik zag je een paar keer fronsen. Muqata’a: Inderdaad. Wat hij net zei heeft mij van gedachte doen veranderen. Ik ging eigenlijk net het omgekeerde zeggen. Maar ik was fout. Ik wou zeggen: ‘Totally chaotic.’ Ik ging zeggen dat zijn werk zoveel bits, sounds en lagen bevat dat het immens vol en hectisch aanvoelt. Maar dat is het niet. Het is inderdaad een klassieke manier van werken, maar wel met heel veel textuur en lagen. Het is ontzettend dynamisch, maar wel gecreëerd en samengesteld op een klassieke manier. Julmud: Ja. Het is net die combinatie die ik fascinerend en leerrijk vond. Muqata’a: Het was interessant om buiten je comfortzone te werken. Wij drieën doen wel allemaal iets anders, en hebben elk een eigen sound en werkwijze. Maar toch, we zijn beïnvloed door gelijkaardige muziek en hebben een vergelijkbare manier van werken en samenwerken. Na een minuut jammen met elkaar weten we meestal al een beetje waar het naartoe zal gaan. Werken met Jurgen is echt helemaal anders. We probeerden totaal nieuwe dingen. Dat was vreselijk interessant. Zo van: ‘laten we dit doen’, ‘nee dát’, en dan ‘oh shit help’, of ‘stop, terug’ (lacht). Al Nather: Het kostte tijd om elkaar te begrijpen – wel vier dagen. Als je maar tien dagen hebt om echt tot iets te komen voor een liveset (Julmud kwam onverwacht later toe dan de anderen en de laatste residentieweek vond plaats na de liveset), dan is dat veel.

Rooilijn 2 | 03-2016

77


Muqata’a: Er waren momenten dat we het niet met elkaar eens waren. Wij en Jurgen. Maar ook wij onder elkaar. Het was niet wij én hem. Het was iets van vier individuen die een interessante weg en taal zochten. Al Nather: Een belangrijk doel voor mij was ook dat Het Bos en het publiek tevreden zouden zijn. Julmud: We zijn erg geïnspireerd door Het Bos. De sfeer, de faciliteiten, maar ook de ethiek. Het is alsof er bepaalde principes zijn die jullie ook verder willen verspreiden in de wereld. Alsof jullie aan de wereld willen laten zien hoe jullie vinden dat het overal geregeld zou moeten zijn. Maar dan in het klein. Over welke dingen heb je het precies? Julmud: Bijvoorbeeld ‘geen vlees in Het Bos’. Of hoe er soms een hond rondloopt en iedereen dat normaal vindt. Iedereen die afwast. Dat er ontbijt is tot drie uur in de namiddag. Het voelt meer als een plek in de stad die jullie willen bouwen dan als een centrum voor cultuur. Al Nather: Iedereen waarmee ik in contact ben gekomen, leek wel een bepaald artistiek en humaan aanvoelen te delen. Mensen waren ook gewoon ‘hun hoogsteigen persoon’. Ik kan het niet uitleggen. Het is gewoon iets wat ik voel. Voor mij is het iets heel ‘punks’. Muqata’a: Ja, het had een echt ‘doe-het-zelf’-gevoel. Al weten we dat Het Bos ondersteund wordt door de overheid. Maar de balans zit juist. Het heeft iets heel persoonlijks ook. De persoon die achter de bar staat, komt bijvoorbeeld ook naar onze show kijken. Er is geen klassieke hiërarchie en iedereen opereert vanuit zijn eigen karakter, persoonlijkheid en ideeën. De residentie voelde als een proces waarbij we allemaal moesten aftasten en zoeken. Het is een kunstenhuis, maar het is ook een huis dat bezig is met mensen en met de wereld. Al Nather: Ik denk dat dat goed is voor kunst. Een sociale dimensie maakt kunst beter. Muqata’a: Alle kunst zou vanuit een noodzaak moeten ontstaan. Als een reactie op iets. Kunst die enkel esthetisch is, interesseert mij niet zo.

78

Rooilijn 2 | 03-2016


En buiten de kunst en de muziek: hoe hebben jullie Antwerpen, België, Europa en de gebeurtenissen deze herfst ervaren? Muqata’a: Antwerpen was rustig, op de studenten na. De mensen zijn er kalm. Iedereen wandelt ergens naartoe en houdt zich met zijn eigen zaken bezig. Over het algemeen was het ‘chill’. Julmud: Ik had verwacht dat het chaotischer zou zijn. Het was mijn eerste keer in Antwerpen, en zelfs in Europa. Ik dacht dat het drukker en groter was. Al Nather: Goede cafés ook. Muqata’a: En veel soorten bier. Altijd fijn. Het is ook goed dat je heel de stad te voet kunt doorkruisen. Al Nather: We zijn nooit verloren gelopen. Al Nather: Muqata’a en ik zijn al vaak in Europa geweest en ik moet wel echt zeggen dat ik me nog nooit tevoren zo bewust ben geweest van waar ik vandaan kom. Het voelde een beetje paranoïde bij momenten. Na de aanslagen in Parijs dacht ik voor het eerst in mijn leven: ‘Ik ben een Arabier en ik heb een snor en ik moet voorzichtig zijn.’ In het begin drong het niet zo tot me door, maar Muqata’a herinnerde me er voortdurend aan. Hij was een beetje zoals onze moeders. Muqata’a: Wel. Ja. Er was dat oranje alarm, de terreurdreiging die alles wel beladen maakte. En dan hoorden we ook verhalen over extremistische Belgische groeperingen. Als je een andere taal spreekt en de codes niet kent, dan is zo’n situatie wel intens en moeilijk in te schatten. (Al Nather laat een warme bivakmuts/sjaal in fleece zien.) Al Nather: Ik werd bang om dit te dragen. Het bedekt mijn gezicht. En dan hadden we ook allemaal nog allemaal een hoodie aan. Muqata’a: Ik bleef hem maar zeggen dat hij het moest uitdoen.

Rooilijn 2 | 03-2016

79


Julmud: Maar hij had het koud. Al Nather: Ik weet zeker dat mensen naar mij keken vanwege mijn uiterlijk en snor. Ik weet het gewoon. Misschien vonden ze die snor mooi. Maar ze keken zeker. Muqata’a: We spraken ook Arabisch. Mensen gaven ons dan ‘die blik’. Vanuit hun ooghoek. Je kent het wel. Al Nather: En toch. Het is niets in vergelijking met thuis. Julmud: Het is bullshit in vergelijking met thuis. Kinderspel. Daar moet je je paspoort tonen als je naar school gaat en kan er altijd van alles gebeuren. Muqata’a: Ook die controle zoals toen we naar de nationale radio (Studio Brussel) gingen, is ergens kinderspel. Naar aanleiding van de gebeurtenissen in de Bataclan in Parijs moesten we allemaal, ook de Belgische inzittenden, onze handen op het dashboard leggen en militairen controleerden de koffer van de auto. De aanslagen zoals in Parijs komen van dezelfde extremistische mensen en bewegingen die zo bloedig te werk gaan in onze regio. Het Midden-Oosten: Libanon, Egypte, Syrië. En wij, in Palestina, worden ook op die manier aangevallen. Op dezelfde extreme, walgelijke manier. Beide partijen vermoorden de oorspronkelijke bevolking, vernietigen de geschiedenis van een regio, gooien bommen op musea, cultureel erfgoed en standbeelden, elimineren intellectuelen en zaaien angst. Voor mij zijn IS en Israël uit dezelfde klei gebakken. Al Nather: Natuurlijk staan ze op religieus vlak lijnrecht tegenover elkaar. Maar het systeem en de strategie zijn dezelfde. Alles draait om macht, en beide doen ze aan een etnische zuivering. Hoe voelt het om nu terug naar Palestina te gaan? Julmud: Ik kijk ernaar uit om daar weer te zijn.

Foto: Wannes Cré Postkaarten: The New York Public Library

80

Rooilijn 2 | 03-2016


Una Hamilton Helle

82

Rooilijn 2 | 03-2016


As someone who has always lived in a city I have mixed feelings towards nature. Most of the time I treat it as something ‘over there’ – an entity beyond the city borders, something other. At the same time, it feels like a part of me, somehow – it is something I don’t quite know, or understand, but still yearn towards. I’m from Norway – a country with way more trees than human inhabitants – but I have lived in London for a decade. Surrounded by the noise and clutter that make up a capital, I find myself habitually longing for home, for a landscape that feels at once both familiar and alienating. There is something about the Norwegian landscape – especially in winter – with its long periods of darkness, snow-covered forests and eerie quiet, often the only sound being your own feet treading on snow. Occasionally, mist will roll up the hills and make its way through the trees, covering the world in a hazy grey. When the snow clears, the forest is no less evocative, filled with tentacle branches, huge, moss-covered stones and twisted, ancient-looking root structures. My time spent walking in Norwegian forests is often filled with a slight sense of unease. I can never completely rid myself of the feeling of being observed, and I find myself constantly looking over my shoulder to catch any lurking shadows unaware. I’ve stopped wondering when this superstition will die off and put it down as a result of city life and being used to having people around constantly – all those strangers who act as unknowing bi-characters in the narrative of our lives. It makes sense that when alone, our minds fill that blank space with something else – no wonder Norwegian folk tales abound with supernatural characters linked to specific topographical features. There is Nøkken, who lives in the lakes, waiting to catch and drown those that follow his enticing call. Fossegrimen appears in waterfalls as a young and benign fiddle player. The sounds of forest, wind and water are said to play over his fiddle strings, and he will happily teach you how to play – for payment of course. Many large rocks are said to have once been trolls, unexpectedly caught in the sun and turned to stone, and sometimes the beautiful Huldra may appear out of the mist and deceptively offers to guide lost souls ‘home’. It is the Jungian spirit of these mythological beings that many Norwegian black metal bands channelled in the early 1990s, and it also what black metal’s favourite cover artist, National Romantic painter Theodor Kittelsen, became known for depicting in the late 1800s. However unnerving I find being alone and surrounded by inanimate growths on all sides, it also triggers a state of alert in me, making me acutely aware of my position in relation to the surrounding landscape. I become highly susceptive to the texture of the ground I am walking on, the smells surrounding me and the proximity of any noises and moving shapes. It is one of the few times I feel truly present in the now. The background noise and business of the city has a tendency to block out these heightened senses and emotions. Instead, I find a similar sense of outlet in a lot of music that I listen to. I find that music, too, can trigger this curious sense of unease, a similarly intense energy. It therefore seems completely natural to me that these two factors, nature and sound, are so intrinsically linked in black metal. To me, black metal’s whole reason for being is to express an intensity of feeling that we normally don’t give ourselves access to. Behind all of the spectacle and at times bombastic absolutisms, its driving force seems to be a quest for something forcefully primal, something authentic and genuine. I do wonder if one of the reasons for why it is so easy to take an ironic distance from the genre is a refusal on the part of the audience to look beyond the tropes and explore those issues fully. If we pierce through the theatrical surface of the genre, it gives way to a macabre spirituality – a vision

Rooilijn 2 | 03-2016

83


that shows a disdain for the materialistic outlook of the West and tries to unearth an alternative sense of belonging and being in the soil of long-neglected history and culture. Becoming the Forest takes inspiration from black metal’s relationship to the darker aspects of nature and its attempts at tuning into these folkloric and mythological elements. Many music genres are closely linked to the geographical spaces they came from, whether the music itself mimics those landscapes or the genres use of that imagery later gave the music that association. Desert Rock makes total sense as the soundtrack to the Californian desert, whereas 1960s psychedelic folk, more often than not, conjures up images of the pastoral English countryside. Hip hop is unthinkable as having originated in a rural environment. Although black metal is decidedly inorganic and its reliance on electrical instruments seems to defy any direct link to nature, there is definitely something in the high-pitched guitars, inaudible vocal screeches and muddy recordings of early black metal that resonates with the barren plains, sharp mountain peaks, harsh blizzards and pointed, dark tree lines of the Norwegian landscape. Although the network and influences that spawned black metal were always international, the early Norwegian scene was crucial in cementing it into a genre – from its sensational origin myths to its sound and aesthetics. The use of landscape as a visual and metaphysical signpost has also translated further ashore. Black metal bands from the US, Tasmania and Russia have all used similarly ominous-looking landscapes on their album covers and promo shots, as well as drawing inspiration from their local myths and history. The ability to mimic so closely the original Norwegian aesthetic, or maybe even the reason for why it has had such a wide appeal is the biological proliferation of the spruce tree, spread as it is across the Northern hemisphere. Album covers with dark tree lines set against the sky, or images of figures traversing a spruce forest, have become synonymous with the genre. It is a semiotic sign that instantly tells listeners what type of music they can expect to hear. Given its power as a symbol, I see the spruce tree’s function in black metal like some sort of topographical totem pole. It acts as an emblematic connector between the modern world and that of those that traversed the same landscapes before us, and, if you were to judge from its portrayal in black metal, the receiver of intense worship. This forms the backdrop for the Becoming the Forest project, parts of which are featured on the next pages. Also included are contributions that speak about nature, belonging and black metal from different angles: Harald Fossberg has written an introduction to Norwegian black metal’s use of nature in cover art and lyrics, I have spoken to the team that sequenced the Norway spruce DNA – the largest genome sequencing project to date – and Patrick Moran of Buried Zine has offered up his thoughts on black metal versus slam death metal. Included is also an interview I did with molecular biologist Carl Gunnar Fossdal, whose research concentrates on epigenetic ‘memory’ in the Norway spruce. Of all the fascinating things he had to say about spruce trees, I was especially interested in hearing that even from a scientific perspective, an animistic view of nature as a conscious entity might not be so farfetched after all. Or at least, in scientific terms, cannot be ruled out completely… Grim reading! \m/ Una \m/

84

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

85


The use of nature in early Norwegian black metal

The forest is my throne by Harald Fossberg

86

Rooilijn 2 | 03-2016


An artist is usually inspired by what’s in front of them. Therefore it should be no surprise that many Norwegian black metal and extreme metal bands use images taken from nature. Many of the band members in seminal bands come from small, remote places – Norwegian black metal was never a city phenomenon, most lived near the fjords on the west coast, the outskirts of the larger cities or in remote valleys. A fascination for folklore, Norse mythology and Viking ancestry is also a common trait among extreme metal musicians and text writers, but there are also a few Norwegian artists that have made an impression on the artists as young men. This is a drawing made by Fenriz of Darkthrone in 1986, for an early demo by the band when they called themselves Black Death. The figure in the middle is a copy of ‘Pesta’, the character in Theodor Kittelsen’s series of drawings of when the black death came to Norway in 1349. Kittelsen (1857–1914) was a Norwegian artist famous for his paintings and illustrations of folktales and legends.

All images by Theodor Kittelsen, unless stated: ‘Pesta’, 1900 Kittelsen’s illustrations for Norske Folkeeventyr (Norwegian Folktales) have inspired generations of Norwegians, and has been a staple in Norwegian schools. As the illustrations here show, he had an uncanny ability to personify mythological creatures, such as the water spirit Nøkken or ‘The Neck’ in English.

Nøkken, 1887–92 ‘The Water Spirit’

Rooilijn 2 | 03-2016

87


Especially Burzum uses Kittelsen as cover art, in Filosofem (1993) and Hvis Lyset Tar Oss (1992) It is also worth noting that Burzum, Darkthrone and Enslaved were the first bands/artists to use Norwegian lyrics, the song Inn I de dype skogers favn (Into the Deep Forests Embrace) is the first song to emerge on the Darkthrone album Under a funeral Moon in 1993, while the Burzum album Det som engang var (That which once was) from the same year, contains only two lyrics in English, and six in Norwegian. Enslaved, on the other hand, turned to Old Norse and Icelandic when writing their lyrics, which are centered around their Viking heritage. Hailing from Hordaland, this is understandable, considering the rich Norse history of that particular part of Norway.

‘The forest troll’, 1906

What these albums have in common thematically, is a nostalgic yearning and also romanticizing of nature and the past. This can be seen as a reaction to Christianity and modern society.

‘The Sea Troll’, 1887 The first wave of black metal, with bands like Bathory, Mayhem, Hellhammer/Celtic Frost and Mercyful Fate drew their inspiration from more occult and morbid sources – it is only within the second wave with bands like Burzum, Darkthrone, Emperor and Enslaved that the fascination with Nature becomes apparent.

88

Enslaved, Frost (1994) and Darkthrone, Panzerfaust (1995) Another band that uses National Romantic imagery, is the band Windir, who described their sound as Sognametal, named so after their home on the west coast of Norway. For the cover of their album Likferd (2003) they ‘borrowed’ a famous painting by the Norwegian

Rooilijn 2 | 03-2016


romanticist painter Hans F. Gude (1825-1903), ‘Likferd på Sognefjorden’.

Kris Rygg has made these comments about this period in Ulver’s career, before they switched to other themes, such as the texts of the poet William Blake: ‘The first lyrics were more Odin and Valhalla, but eventually I realized that I was more interested in folktales and mythology, the bewitching. Therefore I started to look for the Norwegian alternatives to evil forces.’ To this day there is a strong undercurrent in Norwegian extreme metal that explores themes of nature and mythology in it’s various forms, such as Enslaved and Wardruna: both bands are delving into the Runes, the traits of the Norse deities. Wardruna also build their own instruments with material from nature, such as trees and rocks. Harald Fossberg has been a vocalist in several Norwegian bands since the 70’s, including Hærverk and Turbonegro. He is a journalist at Norway’s biggest daily newspaper, Aftenposten, as well as a radio DJ. He recently published Nyanser av svart, a book about the roots of Norwegian black metal.

Later, the band Ulver did their own take on romanticizing Nature in what has been called their black metal trilogy, from the years 1995–97 with albums Bergtatt (1995), Kveldssanger (1996) and Nattens Madrigal (1997).

Rooilijn 2 | 03-2016

89


Picea abies A foretelling Una Hamilton Helle

90

Rooilijn 2 | 03-2016


There are numerous accounts in legends around the world of people who were part of nature. Not only living in close proximity to the natural forces, but taking on those elements’ characteristics and embodying them. Although we tend to read these transformational tales as allegories, there was a recent movement in the Nordic countries that discovered in their local myths remnants of an ancient knowledge. This movement originated in a musical subculture that felt contempt for modern values and had been creating tonal dissonance on a scale that was forcefully out of tune with the rest of society. They found their music sounded more like the sharp edges of the surrounding peaks than the softer curves of the architecture they hid within; they found their compositions sounded better when played in natural solitude with only the howling wind as accompaniment. Most importantly, they found their hunger for demise and destruction was mirrored by the ruthlessness of nature. Their minds were glass-stained reflections of barren hinterlands and their vision shrouded by the cold ice that lay like a death-cloak over the land. They admired the superiority of the towering peaks that surrounded them and watched them from a safe distance down below. They saw these mighty shapes as direct connections to the past, portals to more just and honest times. Purity of thought, made possible by an elevated perspective, was mentioned as the highest ideal in a potential new manifesto. These mountains had seen history play out before them and so these new idealists cupped their ears to the rocks and listened closely for traces of wisdom. They took to the backwoods, searching for a connection to the natural world and a greater understanding. As time passed they developed a close kinship to their surroundings and spent great lengths of time traversing the dense forests. This formed within them an agoraphobic uncertainty when in flatter topographies. So much so that they started avoiding tundras and marshes on their walking routes, as this would only fill their field of vision with endless, empty skies – and more questions. They kept to the cover of green to seek out their answers. They found in the trees an undeniable kinship. Admiringly they looked up at how the spruces stood jagged, dark and slender – seemingly immortal. They began to view trees as distant relatives and longed to match their physique and proud appearance. At concerts their heads bowed up and down, swirling wispy hair in unison. Slowly it dawned on the more philosophically-inclined brethren: the likeness of their movements to swaying branches. It was as if their feet, planted firmly on the ground, were roots protruding beneath them. This opened their minds to a possibility that before had felt only like a distant dream. One by one the ramblers decided not to return from their midnight walks. Instead they lost themselves in remotest parts of the forest. They shed their leather and walked determined into the most tangled of growths, feeling the caress of leaves on their skin, the prickle of pine needles on their faces.

Becoming the Forest: Mask, Una Hamilton Helle

Rooilijn 2 | 03-2016

91


But it soon became apparent that this was not enough. They needed to embody the undergrowth and feel the green moss grow inside of them. Bark, sap and earth were packed into muddy balls and consumed on a daily basis. Some wrapped themselves in twigs; green long stalks tied around their extremities. Their passion was blind, their need all-consuming. They dreamed of stretching proud green fingertips towards the sky, spreading their roots and taking hold of the earthly ground below. And so they started the lengthy process of becoming the forest. Some took to the transformation easily. After a few months spent on the forest floor, sharing their food with worms and mice, they started sprouting. They persevered through endless, meditative periods of standing still, and eventually their legs released their mobility and their feet took root in the soil underneath. They rose to new heights – towards a Northern sky that suddenly seemed obtainable to touch. Here they looked upon the world with a deepened sense of understanding and finally they felt whole. It was however, a lengthy and toilsome process - a process that required a huge amount of belief and conviction. Come winter, some black-clad soldiers had still failed to transform, however strong their desire. They despaired. Some turned to higher powers and walked into white blizzards shouting incantations to the wind. Others went even madder in their desperation. As a final sacrifice to the snow gods, they lay down on the frozen ground, silently waiting to be covered and for their atoms to disintegrate into the geometrical shapes falling from the sky. Still, some silently slipped away, slowly returning to the society they had originally shunned. Their bodies all stooped contours and crooked, curling bones. Embarrassed and defeated, they never spoke of their experiences again. They lived out their days in muted obscurity, safely confined within the town boundaries. Gazes sternly fixed on the concrete beneath their feet. Carefully they abided to these self-imposed rules, for they feared nothing more greatly than that they one day might catch a glance of the ever-present treeline just beyond the city’s edge. They knew deep down that even a small slip of judgement, a slight flicker of acknowledgement bore with it a grave danger. The danger of again stirring within them that roaring response to their evergreen comrades whispered call to arms.

Becoming the Forest: Arisen, Una Hamilton Helle

92

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

93


Epigenetic memory in the Spruce Tree

Inn i de dype skogers favn

Forest covers 37% of Norway’s combined area, almost half of which is made up by the tree species called Norway spruce. The rest consists of mostly pine and birch. It is therefore only natural that the spruce forest should feature so heavily in black metal album covers and songs. Photographs of ominous black tree lines and lyrics about disappearing into the depths of the forest abound – it is almost as if the spruce tree has become its own character in the mythology that black metal has become. Una Hamilton Helle in conversation with Carl Gunnar Fossdal

94

Rooilijn 2 | 03-2016


Carl Gunnar Fossdal is a Research Professor in Molecular Biology at the Norwegian Institute of Bioeconomy Research (NIBIO), whose research looks at epigenetic memory in Norway spruce. I spoke to him about his findings in the seeds and growths of Norway’s most common tree species, and wondered whether these findings could be read as scientific allegories of age-old ideas about trees as holders of wisdom, permanence and memory, or vice versa. Una: I became interested in your work as a molecular biologist when I read an article where you spoke about spruce tree seeds as having ‘memory’. It was explained that the seeds, although moved to a different climate than where they originated, would ‘remember’ the climate from which they came. Could you expand a bit more upon this project and what your research in the area is? And for somebody unfamiliar with the study of epigenetics and molecular biology, could you give an overview of what these sciences are in layman’s terms? Carl Gunnar: Epigenetics represent aspects of an organism’s behavior (phenotype) that can’t be explained by genes alone (genotype) – the classical basis of evolution. Flexibility in the genes is caused by epigenetic mechanisms. Epigenetics is the reason why having a gene for a certain disease doesn’t necessarily mean you’ll get the disease, as how that gene is actually being expressed and its impact on health is dependent on small reversible chemical or structural modifications to the chromosomes. DNA can be methylated, and the histones proteins that scaffold the DNA into chromosomes slightly modified. These modifications impact on whether a gene is expressed, or how strongly it is expressed, thus changing the phenotype (i.e. the behavior of the organism). Such epigenetic modifications give the organism greater flexibility to respond to (and sense) changes in the environment and is a type of (molecular) memory. The way you describe epigenetic memory is almost right, Una. Spruce trees do not remember the place they originated from, but rather the environmental conditions under which they were formed. The conditions in a given place change from year to year and so does the (epigenetic) impact on the developing embryo. Epigenetic memory in Norway spruce is caused by the surrounding environment when the embryo in the seed develops. For instance, temperature increase

Rooilijn 2 | 03-2016

may cause permanent change to the tree’s growth cycle and this change will be remembered as long as the tree lives. Epigenetic memory in Norway spruce affects its bud phenology, which is how fast it breaks bud in the spring and forms new buds in the autumn. Spruce trees do not tolerate frost during new growth periods, so the correct timing of bud burst can be a question of life or death if there are late spring frost incidents. We don’t yet know if some of this epigenetic memory is passed on to subsequent generations of trees. I also study another phenomenon coined ‘acquired resistance’ in spruce. When a tree survives a pathogen infection, or severe stress, a defense memory called ‘acquired resistance’ can be induced. Acquired resistance (also called priming) is the ability to react more strongly and effectively to a challenge the second time around – weakly analogous to when a person is vaccinated (although plants do not have circulating blood with B-cells that produce antibodies like we do!). Acquired resistance also requires an epigenetic mechanism but these ‘memories’ are more short-lived and last only 1–3 years in trees, rather than a lifetime. Epigenetic memory most likely makes these trees able to adapt more rapidly to changes in their environment, which can be critical for survival if there are rapid changes such as those associated with global warming and ice ages. Una: On a slight side note, epigenetics is also used as a term in psychology theory, of how external influences shape you in a series of predetermined stages throughout your life. Does this have any relationship to your field, i.e. is there a correlation to how the term is used in both fields? From a very crude reading, it sounds like a nature versus nurture argument – can this be translated in scientific terms?

95


96

Rooilijn 2 | 03-2016


Carl Gunnar: The nature/nurture argument holds true in both cases (but if and only if the ‘theory in psychology’ is true) and there may well be some subtle connections between these fields. For instance, epigenetic changes (in the biological sense) have recently been linked to sexual orientations in human males. Obviously epigenetic modifications in neurons have the potential to alter the behavior of people (and other animals), much like epigenetic effects alter the seasonal behavior in spruce. Una: My work looks to Norwegian folklore for inspiration, where romantic and animistic interpretations of Nordic nature play an important part. In our folk tales, it is said that large stones may once have been trolls caught unaware by the sun, and folkloric characters such as Nøkken and Fossegrimen represent personifications of lakes and waterfalls (or perhaps the personification of the danger those places can represent). I am interested in the spruce tree because it seems to have taken on this symbolic quality within black metal. Tree lines (and they are always spruce tree lines) are depicted heavily on album covers, the forest is often portrayed as the main protagonist in song lyrics, and forest spirits are conjured through sounds and liner notes. I believe this came from a subculture that was trying to unearth something that was quintessentially Norwegian. Whereas many musical subcultures are about rejecting society, black metal became very much about searching out, or ‘rediscovering’, elements of a culture that one could feel a sense of belonging to. Naturally, as there is so much of it in Norway, and as it is so embedded in our cultural traditions already, nature became one answer. At the same time, it is almost like the landscapes depicted in black metal are visual representation of the music: jagged mountain peaks, pointed tree tops, always black and white, hostile and dark… Do you recognize this reading of the forest and the spruce tree? Carl Gunnar: Yes! Spruce trees are very tough and resilient, particularly in the deep, cold and dark winter. The spruce forest dominates the landscape, growing dense, acidifying the soil beneath it, and it largely dictates what other plants may grow alongside it, displacing other life forms. However, in late spring and

Rooilijn 2 | 03-2016

close to summer it is transiently light green, soft and welcoming in the long bright days with new growth, far from that darkness. Migrating birds find shelter, build nests and raise their young in the tree crowns. The character of Norway spruce changes dramatically with the seasons, from my perspective. To me the tree is a reflection of how its inherited genes and its environment interact with (and impact) each other. My focus also tends to be on an individual tree, and on how trees differ from each other, rather than on the forest as a whole or as one (connected) thing. I also want to know how genes are regulated inside the various cell types in a tree. Reproducibility is important, so we use clones to see if the same changes happen in all members of a clone (i.e. individuals with the same genes but existing as separate individuals, like rooted cuttings or shoots originating from the same cell culture). I view members of a clone as genetically identical, but when epigenetic changes occur (as in the case of epigenetic memory) even members of the same clone show differences and emerge as something separate and unique – the obvious human analogy is when identical twins show significantly different behavior or a different fate due to epigenetic changes in their DNA. Norway spruce is a tough species to work on from both a scientific and laboratory point of view, as it is recalcitrant to extract DNA and other molecules from. It has seven times more DNA in its chromosomes than a human, long generational times, and delayed flowering (it can start producing seeds only after fifteen years, although usually this happens much later), and it reaches massive sizes. This makes it very challenging to do genetic research on trees compared to herbs and plants smaller in size and with less time between generations. The animistic aspects in my work are not apparent as no spirits are considered to inhabit our trees (as in folklore or folk religion). If trees or rocks have a spiritual essence, it is in the realm of art and beyond the scope of my work, and is likely defined by the ‘eyes’ or ‘wish’ of a conscious beholder. There is no separable soul/spirit that may impact the body in my view, but indeed during epigenetic memory the environment impacts on and modulates how the genes

97


are expressed, and imprints a lasting impression, so there is a (far-fetched) analogy. However, as scientists we are not yet able to completely rule out that some plants may have some level of consciousness, although this is probably a consciousness very different from that in humans and other animals. People have had very different ideas about consciousness in animals through the ages. For example, some vegetarians won’t eat animals because they feel pain or because they have a higher level of consciousness (like dolphins and other whales). There is no indication people will ever feel the same way about plants as about animals, even if the felling of majestic trees and clear-cuttings in forests can get people’s emotions going at times. Una: I enjoy the idea of the Norway spruce as a dominant (over-powering and acidifying) life form and a recalcitrant tree. The definition of recalcitrant is ‘having an obstinately uncooperative attitude towards authority or discipline’. This chimes well with black metal’s attitude, if you ask me… The spruce seems to be very much aligned with giving two fingers to authority, but then it also has this menacing and overpowering vibe, a bit like a mean older sibling. I was also interested in the idea of priming or acquired resistance, as an extra defensive ‘back-up plan’. I guess as a tree you have no choice but to stay put so you are going to fire all your defense mechanisms towards any threats. Am I right in thinking that the Norway spruce is one of the trees with the most developed form of resistance? You describe the process it uses to survive and also ‘take over’ the topography – is this because other trees just aren’t as dominant? With its resilience in mind, what are the current thoughts on how the Norway spruce will survive in the future, with possible climate change-induced temperature rises? Are we looking at a future world filled with spruces as a dominant force? Carl Gunnar: Norway spruce has both constitutive (continuous) and induced defenses. The constitutive defenses include the dead outer bark, specialized cells and channels of resin. The inducible defenses are turned on when these constitutive defenses are breached by a pathogen. The inducible defenses can

activate genes and the production of enzymes (proteins) that can then directly attack the pathogen or defend the tree by producing protective chemicals and increased fortifications of the plant cell walls. Its defense system has been compared to a medieval castle with a watery moat and rings of solid walls, with armed sentinels on the lookout for enemies. Priming is a temporal (memory) layer that adds to this defense, as previous exposure will set the defense system at a higher state of alert and the tree will be more equipped to withhold an attack. Although we are studying priming/acquired resistance in spruce, we do not yet know enough to say if they have the best defense mechanisms in the plant world. We do know that their primed defenses are more long-lasting than in any other plant studied so far – after all, these defenses can keep a tree alive for up to and beyond 5000 year life spans – but we are also some of the few who are looking seriously into this in long-lived plants. Most scientists tend to study more short-lived and non-woody plants, as results are quicker to obtain when studying shorter life spans. Una: Norway is full of trees and obsessed with wood. On the one hand it seems to me that the relationship to the forest is one of dark mystery, almost spiritual. Black metal relates to it this way – as a place where you can fully be yourself – both a place of subversion and one where romantic notions of what it means to be Norwegian are explored. On the other hand, there is this very pragmatic and practical relationship to trees as a resource and a tool. We use them to build with, to make paper out of, to burn… The fact that a book about how to chop and stack wood was a bestseller in Norway says it all, really. I’d be interested to hear your views about this idea of trees and nature as a symbol of ‘Norwegianness’. I would assume that through your research you relate to it in a very different way? Carl Gunnar: The fact that Picea Abies is synonymous to ‘Norway spruce’ says it all, doesn’t it? My fellow scientists from other countries (Russia, Sweden, Finland etc.) are envious that the common name used is Norway spruce, named so by the British due to exports to the UK in the old days. This is for good

98

Rooilijn 2 | 03-2016


reasons, as this tree species is in most parts of Norway quite a recent immigrant (<2000 years). So even as a scientist I also feel connected to this tree species and its ‘Norwegianness’. Having worked with Norway spruce since 1995 and seeing its inner complexity and beautiful ability to respond and adapt, I am getting pretty obsessed with it myself. It is our preferred forest species to study and our most important tree species economically and ecologically. I have a lot of respect for this tree, as it is surprisingly well adapted and able to thrive in most parts of the country, despite being such a recent evolutionary settler. In the winter, when it is at its most resilient, it can even survive immersion in liquid nitrogen (196°C) so it is extremely cold tolerant. In the late spring however, the new buds may not even tolerate -1°C, which can result in new growth wilting and dying. Norway spruce is both extremely tough and subtly vulnerable, depending on what part of the yearly (growth) cycle it is in. It also has both male and female characteristics. The individual tree has both male and female ‘flowers’ (reproductive organs), so any given tree can be both a father and a mother to a new seed, although even if it has both reproductive organs ‘selfing’ is not common. Una: Many black metallers have spoken about how the surrounding landscape feels like a direct connection to, and the only stable element of, a distant past, characterized by Norse mythology and Scandinavian folkloric tradition. From a biological perspective, I am sure you would disagree with the use of ‘stable’ in that description! In black metal, however, it is almost as if the spruce tree has become this topographical monument; a symbol of a longed-for past that people are trying to connect to – maybe you could say it was almost functioning like a topographic totem pole. The idea, therefore, that trees and their seeds have a type of memory is therefore a very nice allegory to me. Could you outline how this ‘memory’ works in practical terms – how far back does it reach and what do we know about the spruce tree’s resilience? I read that the spruce tree has been around for 300 million years, whereas modern man has been around for 200.000. Is there something we could ‘learn’ from the spruce and its adaptability?

Rooilijn 2 | 03-2016

Carl Gunnar: I agree with the notion that spruce and the landscape connect us to the past, but not in a romantic, uninterrupted or unaltered sense. Spruce was probably here in large numbers before the ice ages and is now reconquering the country.1 The landscape, though altered, is probably much like it was a million years back, partly covered by the beloved snow and ice. Being this far north also allows for great day length variations, which give rise to the particular light qualities we have throughout the seasons. I view man as part of nature and believe that no forests are truly artificial – nature will find its way. The fact that man and other animals (and plants) shape the landscape and the number and types of trees in it, is only natural to me. To give an example: elephants remove trees, leaving open grassland landscapes suitable for its major feedstock, much like humans burn the forest and farm special grass varieties like wheat and other grains. Man has shaped most of the forests in Norway trough massive plantings of spruce in almost ominous proportions. My predecessors approached the task of planting and spreading the forest with an almost religious zeal, and our institution’s previous motto was ‘to clothe the land in forest’. This came from an almost social collectivist idea that the forest would create jobs and wealth for foresters, and was a major force in how we viewed the country’s relationship to productivity and natural resources. Thus Norwegian forests truly reflect the activity of man, past and present. Epigenetic memory works as a way to adapt rapidly, without needing to select specific genes. It gives extra flexibility to cope with sudden changes in the environment. It gives the trees the time to survive to maturity and beyond, thus allowing also for natural selection to occur. We do not know how long epigenetic memory may last in spruce but it is certainly theoretically possible that it lasts many generations. In humans there are reports that it is seen in grandchildren, although in principle, all such epigenetic marks can be erased at any time. 1 There is also some serious controversy regarding how long Norway spruce has been in Norway and Sweden. Some scientists claim Norway spruce survived the ice age in Norway, and one Swedish scientist even claims that some of the same trees are still alive to this day. However, this is not an established fact, even if it may seem so from reading Wikipedia.

99


Una: It is interesting to hear how much spruce is formed by, and adapts to, external forces like the environment. I am interested in how much of a role landscape, surroundings and weather have in influencing the human mind, and hence the creation of artistic expressions (such as Norwegian black metal or, say, the emotionally embedded nature depictions by Romantic artists such as Theodor Kittelsen). A strictly causal relationship is easy to dismiss, as in its extreme version it is the basis for pseudosciences such as the National Socialist concept of ‘blood and soil’. On the other hand, there is definitely something in the pop theory that people’s moods are affected by the amount of light they are exposed to. I view artistic expressions as ways of making sense of the world, but also embedding the world with meaning. Subcultures often attempt to rewrite existing societal rules, or replace them altogether, in order to give significance to our lives and substantiate our position in the world. Black metal was (and is) hostile towards the dogmas of religion, and espoused a decidedly individualistic attitude. As seems to be the fate of almost all subcultures, however, it eventually developed into a code of symbols and opinions that almost equal the rigid rules and measures of any religions it supposedly opposes… How does the world of science compare? In my mind, science represents the antidote to irrational behavior, but then it also has to be as open as possible in order to accept any unexpected proof that arises from experiments. True or false? How open to interpretation is your line of work? Carl Gunnar: Science is mainly based on experimentation, and reproducibility (the ability of an entire experiment or study to be duplicated, either by the same researcher or by someone else working independently) is considered the best way to verify a hypothesis. Science is in principle rational, but a given scientist (or group of scientists) is not necessarily always rational. Science has branched out into many disciplines and tends to become more and more specialized. The language, culture and traditions within each branch differ to smaller and greater degrees, so what you call subcultures, with very different, and even opposite perspectives, may well arise in science as well. Established ‘truths’ can make it difficult to find new

100

or alternative answers. Sometimes established paradigms are so dominant that they inhibit scientists from seeing better answers, and can even greatly delay radical new insights. Paradigm changes are sometimes needed for science to advance further and there can often be a strong reluctance to such paradigm changes by the establishment (i.e. leading scientists that hold the old view) and who, due to hard-headedness, do not allow themselves to see things in a new light. For example, epigenetics is an emerging field in biology but its advent was delayed due to faulty interpretations by scientists like Lamarck, overstating the extent of inheritance of acquired characteristics. A much more serious setback was caused by Lysenko, who pushed the concept of environmentally acquired inheritance to the extreme. To Lysenko, environmentally acquired inheritance was the rule rather than the exception. In his increasingly deluded mind, the principles of Marxism also held true in nature. Lysenko rejected classical genetics in favor of pseudoscientific ideas that stated that if a crop was subjected to the right environmental conditions, he could make it adapt no matter what genes it inhabited. He even believed he could turn one type of crop into another. Many scientists who opposed his ideas were killed because they did not conform to his and Stalin’s ideas. With time the impact of these abysmal failures has waned and we are again able to see that there are indeed some important examples of acquired characteristics that may be inherited. We have even untangled some of the underlying molecular mechanisms that make epigenetic changes (and for these to be inherited) possible, and they are of importance in biology. Nowadays epigenetics is one of the hottest topics in biology.

Becoming the Forest: Treeline, Una Hamilton Helle

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

101


As tree-clad nations, Norway and Sweden’s forests are a major resource in their economies. Wood is used as building material, firewood, ethanol, vanillin production and to produce paper and fuel - as well contributing to a large part of the Northern Hemisphere’s biomass and photosynthesis. It’s therefore natural to think that funding was made available to a team of scientists at the University of Umeå in Sweden to sequence the Norway spruce genome in 2010.

Z4006, sequencing the Norway spruce’s DNA 102

Rooilijn 2 | 03-2016


The Norway spruce DNA sequencing project is the largest such project attempted to date, as its genome contains a whopping 7x more information than the human genome. The project would require a huge amount of data power, and was even at the current technological development rate limited by what equipment was available. As DNA sequencing has become more manageable, different specimens of the plant kingdom have been mapped out, including rice, red alga and the balsam poplar tree. The human genome was the first of all vertebrates to be fully sequenced in 2000. The Norway spruce project, however, produced the same amount of data in a week as the human genome project produced in ten years! The data build up during the project would end up becoming so large that it couldnâ&#x20AC;&#x2122;t be backed up during the decoding process. It could not be handled by the Swedish National data storage system. Luckily, the end product is not as large and is easily stored as a huge but manageable computer file. This file maps out the spruce trees internal make up can be decoded and filtered according to the computer programme used to read it. The tree used for the experiment stands on the grounds of the University of UmeĂĽ. It was root-grafted from a tree in Jämtland (Central Sweden) in 1959 and bears the name Z4006. To start the sequencing process needles were taken from Z4006 and the DNA extracted in the laboratory. Liquid nitrogen was used to keep the sample intact and to freeze in time any processes that might occur post-picking the sample. The DNA was then fed into something that looks a bit like a washing machine (personal genome machine?) that churned the data around for a week. The resulting files were processed by computers, which deduced from it a string of letter combinations of the letters A, G, T & C; the building blocks of all DNA structures. All DNA is structured around complementary base pairs, represented by the two twirling coils in the

Rooilijn 2 | 03-2016

well-known graphic, and also by the aforementioned sequence of letters. Base pairs are of varying length and number, and once they were printed out the job started with matching them up in the right sequence. As no one knows what this sequence looks like at the start of a project, this can be quite a challenge. The process could be compared to scrambling up all the sentences of a book and then having to assemble the story together piece by piece, having never read the book. This is in addition to eliminating any alien DNA present in the mix, such as fungi that might have been attached to the original tree sample. Many speculations were made before the sequencing project took place as to why the genome was so large - were there secrets in the spruce that we did not know, for example? In the end, the team found that despite the genomes large size, the tree has a similar amount of genes to humans. Rather than inhabiting any hitherto unknown properties, the Norway spruce genome consists of many repetitive DNA sequences. The tree lacks the filtering process humans and

103


animals inhabit, and cannot rid itself of any excess genetic information. This could be a product of having existed as a species for 300 million years, each tree having such a long lifespan (spanning from decades to centuries) and inbreeding. Sweden and Norway have mass planted and re-planted trees for forestry since the early 1910s, but trees are, for obvious reasons, a slow-moving investment. The sequencing of the Norway spruce genome has opened up for future endeavours to genetically modify the spruce tree, in order to make it more durable and economically viable. As technology develops in the next 10-20 years, we will be able to map out more and more of the natural world around us. We will be able to predict how trees will react to their environment, as well tailor their genetic make up for particular climates. The secrets of the forest will be opened up to us on a scale previously unimaginable - who knows what we might find? Thanks to Stefan Jansson, Professor in the Department of Plant Physiology at Ume책 University who spoke to me about how the Norway spruce DNA was sequenced and Hugh Cross, Research Scientist at the Norwegian Institute of Bioeconomy Research, who provided context for the mechanics of DNA sequencing.

104

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

105


BM vs. DM by Patrick Moran, Buried zine

106

Rooilijn 2 | 03-2016


For almost 5 years now I have been producing Buried Zine, a metal fanzine dedicated to interviewing underground bands, focusing on those who don’t get covered in the metal press and who I think deserve more consideration. Buried aims to talk to them in the terms and values with which they define their music. The zine does not adhere to normal Xerox zine aesthetics, each page is laid out in a manner akin to a medieval illuminated text with specially commissioned illustrations and works from artists and writers that are not directly metal related but pertain to morbid themes. The bands featured in each issue are selected around particular themes that I see as currents in the global scene. The first issue featured one-man (and only men) black metal bands, the second covered avant-garde black metal and issues three to five have looked at death metal from different regions of the world. Bands from those first two issues would have certainly associated with the ideas of landscape and place explored in Una’s work. Dis Pater of Midnight Odyssey said that although a resident of tropical Brisbane, he found inspiration for his cold, epic black metal in the most apocalyptic of the city’s summer rainstorms. A sound from a time ‘when humans had little to no influence on the world.’ Old Forest, also interviewed in issue 2, have released a trilogy of albums dedicated to the landscape and myth of the English county of Sussex. Both bands expose a sentimentality common in black metal, concocting a romantic historical ideal that is then entwined with or stems from fascism, nationalism, paganism or nihilism. The mythologies the bands create extend beyond a framework for the music and become a prism for the band to be seen through them selves. The mythologies of the music become totalising edifices encompassing art and artist. This is a trait you can see emergent in Venom, which reaches it’s horrific conclusion in the actions of Faust and Varg. Now, 20 years later, many bands are very much of the same tendency. Hunter Hunt Hendrix (also interviewed in issue 2) audaciously proclaims his band Liturgy to have distilled a new sort of metal that overcomes the nihilism of our age. No less then a total transformation of our contemporary condition.

Rooilijn 2 | 03-2016

The enduring appeal of black metal is this deeply romantic sensibility about its power as a creator of meaning and some herald of truth, be that of the true or the good nature of things. The best black metal exposes the fallacy of this project and is tinged with a sense of tragic loss. It shows an understanding of their status as works of passive nihilism in the classic Nietzschian sense. A longing for lost meaning. This is why Liturgy’s second and third albums fail to be anything like as interesting as the first; they do not understand they could never be an overcoming of nihilism. They are just another expression of passive nihilism. Black metal and its philosophy is now a heavily explored subject, even over explored, and the mythologies described earlier often compromise the art and writing around it. Black metal is in the main a creative subject for people who love the music first and find ways to channel its aesthetics on its own terms. This means the mythologies it creates are entrenched further. The most obvious evidence of this is the complete lack of interest in death metal, a genre so close to black metal musically and thematically that bands switch between the styles all the time and unless you are very well versed in extreme metal the genres are sonically homogenous. Why has death metal not inspired writing or art in the same manner as black metal? I believe the reason for the critical division stems from the totalising ideologies of black metal, it is more than music to listeners and it is generally thought of on its own ideological terms. Death metal is in contrast disinterested in an overt, encompassing, world defining ideology, it has not captured its audience in the same manner. Buried underwent a turn a few years ago where what was happening in death metal was more interesting than black metal. This is to do with the nihilism present in the two genres. The passive nihilism found in the doomed romanticism of black metal had run its course and started to have less appeal. The active nihilism in contemporary death metal, most

107


specifically the slam subgenre, seemed to be offering much more creative potential. Whereas passive nihilism reflects on what has been lost with the end of meaning, active nihilism proactively destroys the remnants of those values in the belief that only with the destruction of all our post, modern, and pre-modern values will we be able to create new meaning again. Slam does this through revelling in being as unsophisticated as possible. It uses repetitive simplistic structures and rhythms in a self-consciously crude way, eliciting the most visceral response it can. The vocals are stripped of all intelligibility, more so than in black metal, where the howls and screams are still heavily laden with emotion. It is of course still music and generates an internal musical logic, but this logic is constructed deliberately in opposition to any higher value or expressive sensibility. Keith Khan-Harris in his book Extreme Metal suggests the concept of reflexive anti reflexivity to describe extreme metal’s appeal and more specifically how it deals with its offensive subject matter. He defines this term as how metal finds freedom in offending and destroying the values of liberal societies. I propose slam death metal is the embodiment of this concept. Khan-Harris’s idea of reflexive anti reflexivity can be seen as an actively nihilistic strategy too. Slam is not a manifestation of a frustrated desire to commit depraved acts or a lack of understanding of the acts morality but an attack on the values of a liberal society itself, an act of active nihilism. Perhaps death metal’s caustic relationship to liberal values is the reason for the lack of engagement by artists and writers. It can’t be cited comfortably in a grander cultural tradition, whereas black metal can. This suggestion does however posit death metal as a particularly unique form of cultural production, above or unique in metal, the very thing that I have been critical of in the a broad swathe of the treatment of black metal.

with them. It has also been less than rigorous in justifying the arguments made. The intention is to promote an appreciation of slam and to dissuade people from holding black metal in such high regard. To see it in its proper context rather than as a unique form of expression. Below is a list of slam death metal albums you should start listening to!

Abominable Putridity - The Anomalies Of Artificial Origin Turbidity - Suffering of Human Decapitated Gutteral Engorgment - Slow Decay of Infected Flesh 7. H Target – 0.00 Apocalypse Traumatomy - Transcendental Evisceration of Necrogenetic Beasts Vomit Remnants - Supreme Entity Vulvectomy - Post-Abortion Slut Fuck Guttural Slug - Megalodon Wormed - Planisphaerium Human Mastication – Driven to Kill Devourment - Unleash The Carnivore Soils of Fate – Thin the Heard Ingested - Surpassing the Boundaries of Human Suffering Kranium - Post Mortal Coital Fixation Rotted Rebirth - The Depth Of Cessation Gorevent – Worship Paganism Vomitous - Empires Of Great Enslavement Patrick Moran is editor of Buried zine. More information can be found out about Buried at these addresses: buriedzine@gmail.com buriedzine.bigcartel.com - buriedzine.tumblr.com Beeld: Patrick Moran

This short essay does not try to draw any hard conclusions on the relationship between these two genres of metal or the broader creative and critical engagement

108

Rooilijn 2 | 03-2016


Becoming the Forest: Sletto, Una Hamilton Helle


Victoria Deluxe over vluchtelingen, Europa en ‘de ander’

Antwoord op een vraag over crisis

112

Rooilijn 2 | 03-2016


‘De sociaal-artistieke praktijk is een bouwwerf.’ Het is een zin van Dominique Willaert van Victoria Deluxe die hij ons stuurde naar aanleiding van een vraag. We vroegen hun hoe zij vanuit hun plek, waar ze én maatschappelijke gebeurtenissen artistiek vertalen, én werken met mensen met een migratie-achtergrond, én hulpverlening organiseren voor gestrande vluchtelingen in kampen als Calais en Duinkerke, kijken naar ‘de vluchtelingenstroom’. Deze drievuldigheid deed ons vermoeden dat zij wel iets te vertellen hadden over de toestand waar wij sinds een aantal maanden op staan te kijken. En af en toe iets doen. Maar wat? De toestand van de vele mensen die van de andere kant van de wereld toestromen op Europees grondgebied.  Op de vlucht.  We vroegen hun niet hoe dat nu werkelijk allemaal verder moet georganiseerd worden.  En wat het zou kosten.  En of we dat wel aankunnen.  We vroegen hun wel om vanuit hun activiteit, waarbij het artistieke en het menselijke centraal staan, terug te blikken op de gebeurtenissen.  En vooruit, want niet zelden komen mensen met een migratie-achtergrond bij hen terecht. ‘De mensen die bij ons aan de slag gaan, worden door nogal wat maatschappelijke instituties als onbevoegd of onbekwaam beschouwd.’ Dit stuk is het resultaat van een kort gesprek, een emailcommunicatie en acht bladzijden tekst, bestaande uit een stroom korte fragmenten geschreven door Dominique Willaert van Victoria Deluxe. Je zou het een papieren gesprek kunnen noemen, al was het dan niet met vraag en antwoord. De cursieve passages en foto’s zijn van Dominique Willaert/Victoria Deluxe.   L.B.

Rooilijn 2 | 03-2016

113


In de sociaal-artistieke praxis van Victoria Deluxe proberen we maatschappelijke gebeurtenissen en evoluties artistiek te vertalen. Burgers en kunstenaars onderzoeken bij ons hoe de realiteit verbeeld kan worden. De sociaal-artistieke praxis is een bouwwerf. De mensen die bij ons aan de slag gaan, worden door nogal wat maatschappelijke instituties als onbevoegd of onbekwaam beschouwd. We proberen deze framing teniet te doen door mensen steeds als burgers te beschouwen die over heel diverse vaardigheden beschikken. We kiezen steeds vaker om het niet te hebben over het tekort, het probleem, het deficit, maar over het potentieel: het vaak onaangesproken reservoir aan talenten, capaciteiten. Gedaan met de begrippen ‘deelnemers’ of ‘participanten’: ook in die termen klinkt nog een paternalistische benadering door. We leren van elkaar, we wisselen uit, we stemmen op elkaar af. Tot er zich plotseling een vluchtelingenstroom op gang trekt… *** We worden overspoeld door aangrijpende beelden van mensen in nood. In de eerste zes maanden van 2015 worden we onafgebroken geconfronteerd met beelden van aangespoelde vluchtelingen uit het Midden-Oosten, dood of levend, en van de chaos en de mensonterende behandeling van mensen die op zoek zijn naar opvang en een beter bestaan. In deze kadrering zien we diegenen die al dan niet noodgedwongen migreren als ‘slachtoffers’ en de falende Europese natiestaten als ‘daders’. Duizenden Europese burgers – uit de diverse lidstaten – willen niet langer lijdzaam toekijken en komen in actie. De onophoudelijke stroom aan beelden via de reguliere en sociale media mobiliseert heel wat Europese burgers. *** Mensen willen helpen. In Calais en later Duinkerke ontstaan twee kampen waar vele duizenden migranten trachten te overleven in afwachting van een oversteek naar het Verenigd Koninkrijk. De oproep ‘Wij gaan naar Calais en nemen mee…’ wordt volop gedeeld via sociale media en veroorzaakt een uitdijend effect. Overal om me heen zag ik mensen verworden tot ‘helpmachines’. Eén ding leek daarbij weleens vergeten te worden: de vraag of die vluchtelingen iets nodig hebben, en zo ja: wat. We denken in hun plaats. In diverse Vlaamse steden en regio’s wordt materiaal ingezameld. Bij Victoria Deluxe worden we in de laatste twee weken van augustus overspoeld door goederen. Victoria Deluxe mobiliseert een ploeg van tien mensen om bijna twee weken lang onafgebroken het binnengebrachte materiaal te sorteren: van grote rommel tot nieuw aangekochte spullen. Alles overkomt ons. Er zit weinig lijn in, het is pompen of verzuipen. Het lijken twee communicerende vaten. Hoe meer de Europese lidstaten falen in het onthaal en de opvang van migranten, hoe sterker het mobiliserend effect bij burgers. ‘Als zij het niet doen, dann sollen wir das schaffen’. In september 2015 trekt er zich een stoet volgeladen auto’s en andere voertuigen op gang. Het doel is om ze te gaan ‘lossen’ in Calais. Eenmaal aangekomen ontstaat er in en rond ‘the jungle’ een immense chaos. Zou het kunnen dat we te veel ‘redder’ willen spelen? ***

114

Rooilijn 2 | 03-2016


Hoe kijken die nieuwe mensen naar ons? In 2004 realiseert cineaste Christina Vandekerckhove de documentaire Soap & Dishes. Met tien nieuwkomers – recent in ons land aangekomen migranten – maakt ze een documentaire die niet vanuit het perspectief van ‘wij’ – de ontvangende gemeenschap – wordt gemaakt, maar vanuit dat van de nieuw aangekomenen. De rode draad door de documentaire is de vraag hoe migranten naar onze samenleving kijken. Wat valt hun op? Shabini – een kunstenaar uit Soedan - vertelt hoe vreemd hij het vindt dat z’n buurvrouw wel tegen haar hond praat maar niet tegen hem. Gabriel – politiek activist uit Congo – vertelt hoe het woord ‘eenzaamheid’ voor hem totaal nieuw is. Het is een begrip dat hem tot voor kort heel erg vreemd was. Thankam – afkomstig uit India en meegereisd met haar man, die economisch werd ingehuurd – verbaast zich over de rekken vol honden- en katteneten in onze warenhuizen. *** Hulpacties worden gefotografeerd. Veel helpers nemen ‘selfies’ met voor, naast, boven en onder hen ‘vluchtelingen’. Steeds vaker stellen de bewoners van ‘the jungle’ de vraag om niet langer gefotografeerd te worden. Enerzijds vanwege de gezichtsherkenningstechnieken die de Britse overheid hanteert, anderzijds vanwege de overkill. Andere bewoners vragen laconiek ‘one euro’ wanneer de zoveelste fotograaf hen op de gevoelige plaat wil vastleggen. In ‘the jungle’ heerst het recht van de sterkste: het zijn dikwijls de sterksten die de meeste goederen van de ‘helpers’ aannemen. Vaak leggen ze een voorraad aan en starten een handeltje. Sommige vrouwen uit ‘the jungle’ moeten hun toevlucht nemen tot prostitutie. Elke ‘beurt’ levert hun een warm deken of twee houten paletten op. Dit soort werkelijkheid wordt niet tussen de selfies gepost. Uit de stroom beelden ontwikkelt zich opnieuw het dominante narratief van havelozen, hulpelozen en slachtoffers. *** Beelden van mensen in nood brengen geld op. En compassie. Even tussendoor. Mensen in beeld brengen als slachtoffer levert vaak heel wat compassie en centen op. Music for Life, inleefweken, benefieten en projectsubsidies zijn dikwijls geënt op dit soort framing. De collateral damage van dergelijke acties is o.a. dat veel Europeanen zich het Afrikaanse continent enkel kunnen voorstellen als hulpeloos. Bewust en onbewust wordt het Europese continent keer op keer als superieur verbeeld. Het Afrikaanse continent wordt nochtans onafgebroken – tot op vandaag – leeggeroofd. ***

Rooilijn 2 | 03-2016

115


Met compassie en medelijden zijn we niets. Compassie en medelijden hebben is een gemakkelijke en luie positie. Wie compassie en medelijden hanteert, is op zoek naar vlugge en goedkope ‘winst’. Structureel helpt het de geholpene nauwelijks tot niet. Meer nog: er ontstaat een soort industrie van medelijden. Om de zoveel tijd laten we ons medelijden werken. De ondankbare ander krijgt er niet zelden flink van langs. Maar we hebben geen nood aan medelijden, noch aan dankbaarheid. We hebben een soort universalisme nodig dat mogelijk maakt dat ‘de ander’ zo snel mogelijk een gelijke wordt. *** Europa worstelt met migratiestromen en het onthaal van mensen. Mensen die migreren – al of niet gedwongen, op de vlucht voor ontbering, oorlog en geweld – framen we misschien beter niet langer als ‘vluchtelingen’. De taal die we gebruiken, weerspiegelt bijna altijd de beeldvorming die zich binnen onze hoofden ontwikkelt. ‘Vluchteling’ wordt dan al snel ‘vluchtelingencrisis’. Nee: er is vooral een crisis in de stuntelige, krampachtige, gênante manier waarop Europa worstelt met migratiestromen. Er is een onthaal- en opvangcrisis. Er is een bijzonder groot gebrek aan verbeeldingskracht wanneer we zoeken naar een waardige en serene manier om mensen die al dan niet gedwongen migreren te ontvangen. *** Ook in Brussel wordt er geholpen. Na Calais en Duinkerke ontstaat er ook in Brussel een opvangcrisis. Honderden mensen staan in lange wachtrijen aan de deuren van de Dienst Vreemdelingenzaken. In het Maximiliaanpark ontstaat er een geïmproviseerd kamp. Ook hier zien we tientallen helpers uit alle hoeken van het land toestromen. De chaos maakt langzaam plaats voor een meer gestructureerde aanpak. De mensen op de vlucht worden steeds meer zelf betrokken bij ‘de hulp’. Helpers ontwikkelen de reflex om eerst in gesprek te gaan en de vraag te stellen: ‘Heb je iets nodig?’ of ‘Wat heb je nodig?’ *** De vindingrijkheid bij de bewoners van de zelfgebouwde kampen is groot. Gezinnen runnen op inventieve wijze hele huishoudens in een zelfgebouwd kamp. Het zelforganisatorisch vermogen, de zelfredzaamheid, de creativiteit en de oplossingsgerichte houding van bewoners in de kampen van Calais, Duinkerke en het Maximiliaanpark is indrukwekkend. Welke journalisten en opiniemakers zetten dit vermogen in the picture? Kamagurka doet het. Met de VRT in z’n kielzog ontdekt hij ‘Alpha, een ondanks de omstandigheden vrolijke kunstenaar uit Mauretanië’ (dixit De Afspraak – VRT). Na de ontdekking van Alpha ontstaat er een stroom aan beelden over de twee moskeeën, de orthodoxe en de protestantse kerk die in ‘the jungle’ werden gebouwd. ***

116

Rooilijn 2 | 03-2016


In hun thuisland hadden mensen meestal een heel ander leven. Victoria Deluxe produceert in 2008 de multimediale theaterproductie Back & Forth. Met een groep van een twaalftal mannen en vrouwen die de voorbije jaren migreerden naar Europa werkt cineaste Ellen Vermeulen rond de vraag wat de impact van migratie op hun identiteit is. Zowat iedereen die meewerkt reist terug naar het land van herkomst, het moeder- of vaderland. We ontdekken op basis van de beeldopnames en gesprekken heel wat: de grote heimwee en de ‘switch’ of kentering bij veel mensen. De positie die deze mensen innamen in hun land van herkomst, wijzigt in ons land soms fenomenaal: een docente fysica uit Bosnië wordt plots iemand die afhankelijk wordt van een leefloon en geen waardige job meer vindt. Zerin is afkomstig uit een geseculariseerde familie uit Turkije maar wordt in ons land geframed als moslima. Mensen met een sterke identiteit op heel veel vlakken zien die identiteit in ons land vaak aan diggelen geslagen worden. Of liever: hun identiteit wordt langzaam – in stappen – gesloopt. *** Mensen zonder papieren blijven vaak onzichtbaar en zijn een soort halve burgers. In 2004 en 2007 zetten graficus Mario Debaene en beeldend kunstenaar Ann Langelet de affichecampagne STEM 72 op, eerst in Gent en later ook in andere Belgische steden. Ze geven ‘mensen zonder papieren’ – die ze bewust niet ‘illegalen’ noemen – letterlijk een gezicht in een goed uitgekiende ‘verkiezingscampagne’. Een honderdtal vrijwilligers trekken een hele zaterdag lang door Gent; op één dag worden ongeveer 4.000 affiches opgehangen met de gezichten van een tiental mensen die op dat moment in Gent leven en wonen, maar niet over officiële verblijfsdocumenten beschikken. Daardoor blijven ze verstoken van de meest fundamentele grondrechten. De affichecampagne wordt opgepikt door de media en zorgt bij de lokale politici voor nervositeit. Er lopen namelijk mails en telefoontjes binnen van mensen die willen stemmen op die nieuwe partij, STEM 72, maar niet weten wie de politieke leiders ervan zijn. *** De leden van Victoria Deluxe merken dat ook zij soms blijven steken in de migratiegeschiedenis van mensen. We stellen vast dat we zelf ‘de ander’ meestal plaatsen in en rond het thema ‘migratie’. Wanneer we artistiek aan de slag gaan met mensen van een andere origine, benaderen we hen vaak als iemand met een migratieachtergrond. ‘Migratie’ is dan ook meestal het thema waarmee artistiek aan de slag wordt gegaan. De impact van de migratie, het tussen twee gemeenschappen vallen, het zich ontheemd voelen, de gevolgen van racisme… Vanuit een vorm van sociale wenselijkheid laten heel wat nieuwe inwoners van ons land zich ook zo framen. Een jongeman – opgegroeid in Dendermonde en grootgebracht door twee Marokkaanse ouders – wordt telkens gecast als Marokkaanse boef, gangster, hangjongere. Aziz is z’n naam. Hij wordt opgevist door een ander gezelschap, dat samenwerkt met de VRT. Jongvolwassenen met een migratieachtergrond zullen er opgeleid worden om de nieuwe ‘Adils’ in Thuis te worden. Aziz wordt steeds bozer. Hij verlangt naar een rol en plek als acteur op onze Vlaamse podia. Aziz: ‘Ik wil niet langer geassocieerd worden met m’n afkomst. Ik wil Hamlet of De meeuw van Tsjechov spelen’. ***

Rooilijn 2 | 03-2016

117


Aan de andere kant van de wereld is er andere kunst dan bij ons. Pedagoog en theatermaker Ivan Nogales komt in 2007 met een groep jonge Bolivianen samenwerken met Gentse jongeren. Hij vertelt uitgebreid over het belang van het lichaam, over de taal die ons lichaam spreekt. De Gentse jongeren zijn gewend geraakt aan onze ‘abstracte’ kunstvormen en schrikken zich een bult van het uitbeeldende mimetheater van de Boliviaanse jongeren. Wie van elders naar hier komt, moet zich schikken naar onze codes, want anders is het geen kunst. *** Er zal veel kunst gemaakt worden over de vluchtelingenstroom. De vluchtelingenstroom zal ongetwijfeld tientallen Europese kunstenaars inspireren en aanzetten tot het creëren van belangwekkende theater- of operavoorstellingen. Cultuurhuizen organiseren benefieten ten voordele van de vluchtelingen maar slagen er na de vele decennia van migratie niet in om ‘de ander’ zelf een plek te geven in de organisatie, op het podium of in de raden van bestuur. Die ‘ander’ blijft een soort exotisch wezen, een onderwerp van creatie, gesprek en ‘interculturele dialoog’. De kunstenaars op de vlucht zullen hoogstwaarschijnlijk enkel een plek krijgen tijdens de benefietavonden. De kans dat een theatermaker uit Nigeria, Irak, Iran een gelijke en dus volwaardige plek krijgt in het culturele werkveld, is bijzonder klein. Europese makers die nieuw werk creëren over ‘Fort Europa’, over de schande van Lampedusa, maken daarentegen veel kans om bejubeld te worden en voor uitverkochte zalen te spelen. *** Een beeldend kunstenaar uit Soedan vindt geen tentoonstellingsruimte. Een beeldend kunstenaar die afkomstig is uit Soedan maar hier (onbezoldigd) werkt, zoekt in Vlaanderen naar een tentoonstellingsruimte voor zijn beeldend en grafisch werk. ‘Sorry, maar wij plannen onze tentoonstellingen zo ver vooruit dat we nu echt geen plaats voor jou hebben.’ De ‘nu’ zal ‘nooit’ worden. Ondertussen cureert een Belgische museumdirecteur in Venetië het Iraakse paviljoen. Je kunt er genieten van Invisible Beauties: beeldend werk van vijf Iraakse kunstenaars. *** Hoelang blijft iemand vluchteling? En hoelang nieuwkomer en gast? ‘Refugees Welcome’, wordt er vaak gepost. Hoelang blijft iemand ‘refugee’? In Duitsland loopt er iets grondig fout en worden de ‘refugees’ in één nacht tijd ‘rapefugees’. De nieuwkomer, de migrant krijgt een inburgerings- en integratietraject voorgeschoteld. Deze trajecten zijn vooral gericht op het aanleren en aannemen van onze Europese waarden en normen. Op vlak van arbeid en tewerkstelling van mensen met een migratieachtergrond scoort ons land bijzonder slecht. De stroom vluchtelingen die door Europa trekken, confronteert ons met onze eigen crisis. We slagen er onvoldoende in om vluchtelingen en migranten als burgers met rechten en vaardigheden te benaderen.

118

Rooilijn 2 | 03-2016


Liberté, égalité en fraternité. Op de sociale media worden er tonnen braaksel uitgespuwd, in woord en beeld. In Leipzig, Keulen en andere Duitse steden worden mensen met een migratieachtergrond ondertussen aangevallen en geslagen door neonazi’s. Het laagje vernis over de Europese beschaving is bijzonder dun. Ondanks de verlichtingswaarden (liberté, égalité en fraternité) slagen we er niet in om deze begrippen een 21e-eeuwse invulling te geven. *** In de film Somer komen mensen voor die grappig én gelovig zijn. In april of mei 2016 komt de film Somer van Victoria Deluxe uit. De film is niet de vrucht van één scenarist of regisseur, maar van een collectief. De cast van 27 spelers beeldt zich in op vakantie te zijn op een Belgische camping. Negen gezinnen houden elk op een klein lapje grond vakantie. Ze worstelen tussen het verdedigen van de eigen gewoontes en tradities en de nieuwsgierigheid en goesting naar de gewoontes en tradities van hun buren. Een groepje jongeren bouwt op de camping een pop-upmoskee. Hun gelovig-zijn wordt niet als een probleem verbeeld, maar als een onderdeel van hun dagelijks leven. Het zal niet gemakkelijk worden, een langspeelfilm lanceren als collectief. Binnen Victoria Deluxe ervaart men wel vaker dat er in confrontatie met ‘de ander’ heel wat geleerd wordt. Zowel in het sociaal-artistieke als in het bredere culturele veld hebben we te lang ‘de ander’ als ‘kansarm, precair, hulpvragend, psychisch kwetsbaar’ gekaderd. Omdat dit middelen én een bepaalde vorm van erkenning heeft opgeleverd. De ander, de vluchteling bijvoorbeeld, leert ons veel over hoe we zelf handelen en wie we zijn. We vluchten te vaak voor dit soort confrontatie. Een laatste mail, waarin helpers een metafoor voor hoop genoemd worden. Terwijl de Europese leiders verzinken in inertie en immobilisme en kiezen voor het optrekken van muren en hekkens, nemen meer en meer burgers op een steeds meer gestructureerde wijze het heft in handen. Ze doen wat Hannah Arendt in haar werk omschreef: ze handelen, ze worden geappelleerd door het gelaat van ‘de ander’. In Duinkerke en Calais slaan Belgische, Franse, Britse en Nederlandse vrijwilligers de handen in elkaar. Juist ja, in het begin verwees ik wat ironisch naar de ‘helpmachines’. Na de eerste impuls en de emotie ontwikkelt er zich bij veel helpende mensen een groter bewustzijn. Vele duizenden Europese burgers kiezen niet voor een cynische en afwachtende houding. Ook dat is politiek.

Dominique Willaert/Victoria Deluxe januari 2016

Rooilijn 2 | 03-2016

119


Antithesis, the future of the image Michiel Vandevelde Beeld: Ward Heirwegh

122

Rooilijn 2 | 03-2016


In 2011 Levi’s – the clothing company that provides us with our denim jeans – released a video clip that lead to public indignation. The video clip shows images of people in love, people enjoying themselves, making music, playing in the forest. Next to that, there are images of protest: protest marches, images which depict the tension between the police representing the state and the protesters. These are images belonging to both the intimate, private sphere (love) and to the public sphere (protest) which were used in order to achieve a goal entirely separate from what the images represented: financial profit. We know this story all too well. In response to this teaser of Levi’s, another video clip was released on YouTube with the title: A message from the poor and embittered. The makers of this video clip claimed the following: Capitalists have stolen the whole world from us: poetry and protest, even riots can become advertisement for products. Our bodies, our moments of joy are flattened into images that impoverish our lives. Now their system is collapsing. Let’s tear it down. Go forth and destroy capitalism. The contrast between these two video clips, with their implicit and explicit goals and messages, was the starting point for what you will read, hear and see tonight. When I started rehearsing for this performance I started by asking myself simple questions: What is an image? What are ‘technical images’? What is the future of the (technical) image? And in relation to this, what is the future of text? Can images speak? Could we consider them as language? During the process however I increasingly started to focus on two notions: ideology and technology, and this in relation with the image. And what I am interested in is the interplay between the image, technology and ideology. How do these three notions go together? How do they construct the fabric of our society today? And more importantly maybe: were are we, ‘the people’, citizens, situated within this interplay between the image, technology and ideology? Who is in power? Can we have a say in it? And if not, what other kinds of alternatives are there? In 1835 Samuel Finley Breese Morse found a way to put electricity in service of communication. His invention of the telegraph erased state lines, made regions collapse, and, by wrapping the continent in an information grid, created the possibility of a unified American discourse. However the telegraph caused disruptions that Samuel Morse did not foresee when he prophesied that telegraphy would make ‘one neighborhood of the whole country’. It destroyed the prevailing definition of information and in doing so gave new meaning to public discourse. Among the few who understood this consequence was Henry David Thoreau, who remarked in his book Walden that: We are in great haste to construct a magnetic telegraph from Maine to Texas, but Maine and Texas, it may be, have nothing important to communicate… We are eager to tunnel under the Atlantic and bring the old world some weeks nearer to the new; but perchance the first news that will leak through into the broad flapping American ear will be that Princess Adelaide has the whooping cough. However, the telegraph is still text-based. How does it relate to the (technical) image? The answer is simple. It was the precursor of another invention that would radically change our way of communicating and our public discourse: television. Indeed, this is a medium that entirely depends on technically produced images.

Rooilijn 2 | 03-2016

123


From the 1950’s onwards, with the rise of television, computers, internet and digital photography, the image slowly conquered and shaped public speech and discourses. Beforehand our thoughts and ideas were formed in linear text. Now we are increasingly living in hypertext. This means that we live in an age where information is scattered into pieces, recollected through machines and offered to the public in a fragmented way. In 1985 Vilém Flusser, a philosopher, writer and journalist, published a book entitled: In the Universe of Technical Images. He describes how the history of text and image can be roughly divided in five stages. First there were only animals and hominoids, living in a four dimensional time-space. This is the stage of concrete experience. In a second period, between 2 000 000 and 40 000 years ago, the humanlike species that lived before the Homo Sapiens existed as subjects in an objective environment. This is the phase of objects (knives in stone, carved figures, etc.). Later came the Homo Sapiens who inserted a two-dimensional mediation space and interacted with his environment through this mediation. This is the stage of traditional images (cave paintings for example); a phase of imagination and perspectives. The fourth stage, starting 4000 years ago, adds an extra layer to this ‘mediation zone’: written texts. This is the phase of understanding and storytelling. Finally, the fifth layer involves the use of technical images. Text is no longer the primary tool to capture reality. Through the introduction of digital machinery, images fall apart in fragments, particles and points. Here we are now. After 4000 years text is losing its short hegemony in history and making way for technical images in its place. In the same year, 1985, another remarkable book was written by Neil Postman, with the title: Amusing Ourselves to Death. It is a thorough analysis of television’s impact on public discourse. The author describes how new machines and new technologies started to change the way we speak and, more specifically, the coherence of how we speak and think. The primary aim of most new media (television, internet) is to entertain. However, it is not entertainment in itself that is a problem, but rather that all subject matter has become entertainment. Nowadays, it seems that all our experiences have to be presented in the form of entertainment, as if it was the natural form of all communication. This tendency seems to be irreversible and is still more devastating today. With internet being accessible in all places, for the first time we can claim that we ‘share’ something universally. But this ‘something’ is not values and norms but consists of fragmented, irrelevant and incoherent information – short articles, twitter phrases and popular video clips. Information we can’t otherwise handle, we accept by using it to amuse ourselves. The images produced by technical apparatuses do not merely function as a supplement to language, but bid to replace it as our dominant means for construing, understanding and testing reality. The new focus on the image has undermined traditional definitions of news, and even of reality itself.

124

Rooilijn 2 | 03-2016


There is no more disturbing consequence of the electronic and graphic revolution than this: the world offered to us on our screens seems natural instead of being perceived as bizarre. It has been the custom to speak of photography as a ‘language’. This is a misleading metaphor. Unlike words and sentences, a photograph does not present an idea or concept about the world, except if we use language itself in order to convert the image into an idea. According to Gavriel Salomon pictures need to be recognized, words need to be understood. A photograph presents the world as an object, language the world as an idea. Images do not speak. What we lack are adequate public discourses. Images are only transmitted through and by language. In themselves they do not say anything. We increasingly live in the ‘cloud’ of fragmented information where, on average people are looking at a webpage for a mere 3.5 seconds. Considering this we can predict the future of text. The future of news media is enclosed in the image. After all, watching short clips on our tablets and smart phones is more effortless than reading. Yet we cannot capture images of everything. We would therefore have to animate and draw our news. Moreover animated news is predicted to move beyond its own boundary. This boundary being that you can see clearly that the news material is animated and hence, that it is fake imagery. Kith Ng, head of a Taiwanese enterprise Next Media Animation, specializing in animated news, predicts that, within two years’ time, his company will be able to make animated videos where the images look unmistakably real. Will we know about this if and when it happens? Probably, a major creation of the technological and graphic revolution is the ‘pseudo-event’: an event specifically staged to be reported. Press conferences are good examples. What I want to say is that a more significant legacy of telegraphy and photography may be the pseudo-context. The pseudo-context is a structure invented to give fragmented and irrelevant information a seeming usefulness. However, pseudo-context does not provide action, nor problem-solving, nor change. Thinking does not play well in an image-based culture. There is not much to see in it. It is not a performing art. The only use left for information without any genuine connection to our lives is amusement. The pseudo-context is the last refuge, so to say, of a culture overwhelmed by irrelevance, incoherence and impotence. But what if there are no cries of anguish to be heard? Who is prepared to take up arms against the rising tide of amusement? To whom do we complain, and when and in what tone, when serious discourse dissolves into giggles? What is the antidote for a culture being drained by laughter? I fear that our philosophers have offered us little guidance in this matter. Their warnings have customarily been directed against those consciously formulated ideologies that appeal to the worst tendencies in human nature. But what is happening in western countries is not the design of an articulated ideology. No Mein Kampf or Communist Manifesto has announced its dawning. It comes as the unintended consequence of a dramatic change in our mode of public conversation. But it is an ideology nonetheless, for it imposes a way of life, a set of relations among people and ideas, about which there has been no consensus, no discussion, and no opposition. Only compliance. Still today

Rooilijn 2 | 03-2016

125


public consciousness has only superficially assimilated the point that technology is ideology. We are amusing ourselves to death, unaware of the fact that technology has become a tool for surveillance and the image a mere tool for seduction. We are ignorant about the apparatuses that increasingly take over control, for we do not teach ourselves the tools to deal with them. Are we able to hack the software and hardware governing our lives? Do we have the practical knowledge of how to code and decode our lives? Do we possess the knowledge we need to protect ourselves from increased private and governmental (digital) control? When will it be noticed that the massive collection and speed-of-light retrieval of data have been of great value to large-scale organizations but have solved very little of importance to most people and have created at least many problems for them as they may have solved? Only through a demystification of media and through a deep, unfailing awareness of the structures and effects of information, is there any hope of gaining some control over television, computer networks and other media. The writer Aldous Huxley tries to tell us in his book Brave New World that his characters are grieving not because they are laughing instead of thinking, but because they donâ&#x20AC;&#x2122;t know what they are laughing about and why they stopped thinking. FLUSSER, V. (1985). In the Universe of Technical Images. Utrecht: Uitgeverij Ijzer. HUXLEY, A. (1932). Brave New World. New York: Harpers Collins Publishers. POSTMAN, N. (1995). Amusing Ourselves to Death. London: Penguin Books.

126

Rooilijn 2 | 03-2016


Rooilijn 2 | 03-2016

127


Rooilijn is een publicatie van Het Bos en vzw De Bomen. Met steun van de stad Antwerpen en de Vlaamse Overheid. Rooilijn 1 en 2 zijn gratis. Hoofdredactie: Lotte Brown Eindredactie: Robrecht Vandemeulebroecke Redactie: Tile Vos, Wannes Cré, Lotte Brown Vormgeving: Afreux Werkten mee aan dit nummer: Ruben Demasure, Una Hamilton Helle, Harald Fossberg, Carl Gunnar Fossdal, Dominique Willaert, Antti Tolvi, David Edren, Thomas Verstraete, Michiel Vandevelde, Sigrid Vantomme, Koen Bleuzé, Dimitri Zwalm, Charlotte Koopman, O. Kempenhof, Xavier Gustaf, Hanin Hannouch, Patrick Moran, Gerard Leysen, Wannes Cré Foto’s omslag: Una Hamilton Helle Druk binnenwerk: Flitsgrafiek Papier binnenwerk: Krantendruk 52g Druk omslag: De Wrikker Papier omslag: Sirio Color Caffè 210g www.hetbos.be www.rooilijn.com Contact: rooilijn@hetbos.be

128

Rooilijn 2 | 03-2016


tussen openbare en private gronden een publicatie van de bomen en het bos verschijnt op onregelmatige basis www.rooilijn.com maart 2016

2

rurale esthetica

koffie in addis abeba black metal natuur de finse driehoek geografie stemmen uit de friedrichshof-commune 2â&#x20AC;&#x201D;maart 2016

pascal gielen & benjamin verdonck het geheugen van een boom palestina internationaal een crisis

Rooilijn 2 2016  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you