Page 1

tussen openbare en private gronden een publicatie van het bos en vzw de bomen verschijnt tweejaarlijks op onregelmatige basis www.rooilijn.com mei 2015

1

het basisinkomen

wim distelmans, euthanasie the gories ondernemen derwisjen gerard herman triadische balletten jozef wouters inne eysermans kosmos planten


dood

10-25

muziek 28-53

systeem 54-69

groen

72-73

film

74-89

eten

90-96

Rooilijn 1 | 05-2015

3


Dit is Rooilijn 1, een publicatie van artistiek huis Het Bos.

Welkom in Het Bos

04

Rooilijn 1 | 05-2015


Niemand weet precies waar en wanneer Het Bos begint en eindigt. Soms is het duidelijk. Theatervoorstellingen vangen doorgaans aan op het aangekondigde uur – een beetje later als er veel file is, helemaal niet als er iemand doodging. Voedsel is op een welbepaald tijdstip bereid; komt u later, is het op. Het Bos heeft een adres. Een fysieke plek waar het toeft, zo ergens tussen de Antwerpse konijnenpijp en het stromen van de Schelde. Een breed, solide gebouw met een witte luifel1 waar je niet naast kan kijken. Het Bos heeft een programma en overtuigingen. Aanschouwd in het juiste licht kan het de schijn opwekken van een kunstencentrum. Vanuit een ander oogpunt ontvouwt het zich als een polyvalente bunker voor wie zelf geen kelder heeft. De aders van Het Bos kruipen door polder en kreupelhout. Ze voeren zuurstof naar halfverwante scheppende zielen in het schemerduister. Om dan via een ingewikkeld ogend maar intuïtief web essentiële bouwstenen weer terug te slepen en ze ter hoogte van hogergenoemde tunnel als een molshoop naar de oppervlakte te stuwen.

Wat vaak verborgen blijft, zijn achterliggende verhalen. Hoe dingen ontstonden en de wereld rondom. De kleine en grote processen die onderhuids mee het geraamte vormen van wat u te zien, te horen, te lezen en te bikken krijgt. Het zijn deze dingen die zich enigszins zullen openbaren in Rooilijn. Op regelmatige basis richt Het Bos brieven aan een deel van deze maatschappij dat onafgebroken baadt in schel tl-licht. Het moet wel. In dit soort schrijfsels staat soms: ‘Kunst lijkt de enige plek te zijn waar je over alles kan nadenken, wars van jargon, specialisatie en maatschappelijke sectoren.’ Daarom zullen we met Rooilijn net daar trachten te wandelen, op het pad in de schaduw, scherven en kuilen vermijdend op overwoekerde olifantenweggetjes tussen het openbare en het private.3 Op de rooilijn zal u misschien merken dat de geluidskunstenaar die u de oren van het hoofd jengelt gedachten koestert die uw hart week maken. Of andersom: wat u hoogachtte blijkt een leeg omhulsel. Met Rooilijn spreiden we het vege lijf van Het Bos voor u tentoon.

Het Bos is een groot, uitgestrekt, zwaarlijvig, maar lenig lichaam 2 met een onregelmatig kloppend hart. In Het Bos kiemt een veelheid aan scheuten, gist een verscheidenheid aan schimmels. Sommige daarvan zien uiteindelijk het daglicht en eindigen in een programmabrochure, getooid met datum, uur en prijs. En als het even meezit een korte duiding. In de vorm van experiment of ineens bloedend voor echt. 1 Zaken die de rooilijn overschrijden, zoals luifels, stoepen of bordessen kunnen verboden zijn of onder de precariobelasting vallen. 2 Wie in Het Bos waart, kan iemand tegen het lijf lopen waarvan gezegd wordt dat die het geweten van Het Bos is. Dat kan, helemaal zeker is men nooit.

Rooilijn 1 | 05-2015

3 Ooit zagen wij in een veld een bord met het opschrift ‘Toegang verboden aan Leon Bogaerts.’ Dat vat het nogal goed samen.

05


06

Rooilijn 1 | 05-2015

Uit Harry Mulisch’ Voer voor psychologen, 1974, De Bezige Bij, Amsterdam


Rooilijn 1 | 05-2015

07


Gerard Herman

Soap met Gerard Herman: 2, 7, 14, 16, 23, 28 & 30 mei in Het Bos

08

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

09


Theaterzussen Barbara en Stefanie Claes werken aan een voorstelling over euthanasie. Tijdens de onderzoeksfase van dit project ontmoetten ze Osman Çatik, derwisjdanser volgens de soefitraditie, politie-inspecteur en veiligheidsadviseur. Zijn verhaal over de zwarte hoed bleef bij. Net zoals zijn draaien. Osman werd deel van het project. Het Bos sprak met Osman. Over derwisjen en draaien en waar dat vandaan komt, over de dood die nooit veraf is, al lijkt dat anders.

Spirituele procedures & rechtstreekse lijnen Gesprek met derwisjdanser Oswman Catik | Lotte De Bruyne

10

Rooilijn 1 | 05-2015


DE GESCHIEDENIS VAN DE DERWISJEN

DERWISJKLEDIJ EN RITUEEL

Derwisjen gaan, vanuit islamitisch perspectief, terug tot het begin van de tijd van de profeet Mohammed. De 6e eeuw na Christus. In die tijd waren er metgezellen van de profeet die hun leven volledig wilden wijden aan één doel: een goed mens worden. Dat wil zeggen dat je je niet te veel met anderen moet bemoeien, maar vooral proberen zelf een goed mens te zijn. Als je je wilt ontwikkelen moet je de spiegel op jezelf richten.

De derwisjkledij zit vol symboliek. De hoed staat voor een grafsteen. De cape verbeeldt de wereld. De witte jurk symboliseert het hemelse, het goddelijke. Wanneer je je mantel aflegt, geef je aan dat je klaar bent om de wereld achter je te laten. Dat is eigenlijk het proces van het doodgaan. Je draagt enkel je witte gewaad. Net zoals je begraven wordt in het wit. Doodgaan is het proces om het aardse leven te verlaten. Je mag uit je lichaam treden. Als ik die zwarte cape losgooi, ben ik niet meer bezig met het aardse. Ik ben dan helemaal geconcentreerd om die spirituele reis te maken. Je lichaam vergaat en alleen het spirituele blijft over. Het hoofddeksel is een grafsteen. Dat klinkt misschien luguber voor mensen die niet bezig zijn met het leven, maar dit gaat eigenlijk over het voortdurende bewustzijn dat je op elk moment het leven kan verlaten. Het moment ligt niet vast. We gaan allemaal dood en niemand weet wanneer. De hoed herinnert je eraan dat je op een dag sterft, en dus maar beter bewust kunt leven.

Na het heengaan van de profeet zijn er verschillende spirituele lijnen ontstaan. Om exact te zijn: 41. Daarvan zijn er 40 terug te voeren naar Ali, de kleinzoon van de profeet. Maar een ervan, de 41e, is te herleiden naar een van de trouwste metgezellen van de profeet: zijn vriend Abu Bakr. Dit is een heel bijzondere lijn. De profeet heeft eigenlijk alles wat we weten gekopieerd en geplakt in het hart van Abu Bakr. Op dezelfde manier wordt al die informatie tot op vandaag overgedragen, van de profeet Mohammed via Abu Bakr tot nu. Van hart naar hart, rechtstreeks verbonden met het hoge spirituele station. De naam Abu Bakr zegt je misschien wel iets. De terreurgroep IS gebruikt die naam immers ook. Een van hun grote leiders noemt zichzelf Abu Bakr. IS gaat daarmee erg ver. Ze keren helemaal terug in het verleden om zelfs de spirituele tak van de islam te bevuilen. Ze beweren dat wat zij doen ingegeven wordt door de oude grootmeesters. En zo misbruiken ze de mystieke kant van de islam om mensen te misleiden. In die spirituele lijn zijn er tot op de dag van vandaag soefimeesters. Ze volgen mekaar op; de huidige is de 40e in de rij. Mijn grootmeester, Sheich Nazim Al Haqqani Ar-Rabbani, is een soefiheilige in de bloedlijn van Mevlana Celaleddin Rumi. Rumi schreef prachtige gedichten die ook vandaag nog zeer populair zijn. In contact staan met de spirituele lijn is vergelijkbaar met verliefd worden. Je voelt het gewoon. En je herkent het, maar je kan het niet vastgrijpen. Deze manier van wijsheid ontvangen is een heel andere vorm van leren dan bijvoorbeeld naar de theaterschool of de universiteit gaan.

Rooilijn 1 | 05-2015

Door het draaien word je één met de micro- en macrokosmos, met alles wat leeft. Je gaat op in de spirituele kosmos. Wanneer je de draai maakt, zal je ervaren dat je hemelse energie opvangt en ook doorgeeft. Je stelt het hemelse en het aardse in verbinding met elkaar. De derwisjdans kan je op verschillende manieren en om verschillende redenen doen. Het kan gewoon dans zijn, entertainment. Als dat de bedoeling is, dan creëer je de energie voor vermaak. Is de intentie meditatie, een spirituele beleving, dan is de energie die loskomt ook meditatief. Dat is ook wat je zelf voelt en wat de andere mensen op dat moment kunnen ervaren. Voordat je begint met de meditatieve derwisjdans, vraag je via hartconnectie toestemming aan de grootmeester. Deze spirituele procedure is noodzakelijk om de meditatie veilig te laten verlopen. Ik neem deze voorbereiding altijd ernstig. Naast het ritueel van het aantrekken van mijn kledij maak ik ook steeds spiritueel contact en vraag ik toestemming en ondersteuning. Het is een beetje zoals surfen op het net. Ik maak verbinding, maar dan via het hart. Ik ga zitten, ik doe mijn laptop open, connecteer en heb een veilige internetverbinding via een zuivere lijn. Als je een goede firewall hebt om te surfen, word je daarin begeleid zonder dat je rotzooi binnenhaalt.

11


GELOOF EN MYSTIEK Iedereen is op zoek naar iets of is geïnteresseerd in iets. Ik heb lange tijd in een heavymetalband gespeeld als bassist. Ik heb ondervonden dat ik niet goed kan zingen maar wel bas kan spelen. Er zijn dus dingen waar je goed in bent en andere dingen waar je minder goed in bent. De wijsheid die ik krijg vanuit de soefileer is: zoek naar jezelf en doe waar je goed in bent, en zet dat in voor jezelf en je medemensen. De spiegel op jezelf richten wil ook zeggen dat je voortdurend bezig bent met het onderdrukken en verkleinen van je ego. Je moet je ego kunnen weghalen of in ieder geval reduceren voor je het kan vullen met iets anders. Het is net als met een glas water. Als het vol is kan je er niets meer bijdoen. Een halfvol glas dat je bijvult, resulteert in een mengeling. Vul je een leeg glas, dan is de inhoud zuiver. Een ontvankelijk recipiënt voorzien is een dagelijkse taak in de soefilevenswijze. Goed leven is belangrijk. Je zal je uiteindelijk moeten verantwoorden. En het is handiger dat te doen tijdens je leven op aarde, naar aardse maatstaven. Je dient dus voortdurend na te denken over wat goed en kwaad is. Als je op die manier in het leven kan staan en bewust leeft vanuit het goede, dan vind je het ook niet erg te moeten doodgaan op het moment dat voor jou gekozen is. Ik vind het helemaal oké als iemand in Christus of in iets anders gelooft. Wel zeg ik: spreek of preek er niet alleen over, maar handel ernaar. Dat geldt ook voor de mensen die zich bijvoorbeeld moslim of soefi noemen Ik zie geen verschil tussen het originele Oude Testament en de Koran, bijvoorbeeld. Ik ken mensen die intellectueel zijn en stukken Koran uit hun hoofd kunnen leren. Het is super als je dat kan. Maar de theorie is toch nog iets heel anders dan het toepassen van wat erin staat. Soefisme is de mystieke en spirituele tak van de islam, het hart van de islam. Zonder spiritualiteit is er geen geloof en heeft religie geen betekenis. Wanneer je de islam ontdoet van zijn spiritualiteit, dan blijven alleen dogma’s over: regeltjes zonder verdere diepgang. Die diepgang is het mystieke. En die zit, ook letterlijk, in het hart van de mens geplakt. Als je naar het mystieke kijkt, dan zou je kunnen vaststellen dat het niet draait om wel of niet geloven. Je kan

12

ongelovig zijn, maar toch bewust en vanuit een grote openheid leven. Dat is het mooie. Er kan geen discussie ontstaan over geloof en ongeloof. Als ongelovige kan je evenveel goede daden verrichten als een gelovige. Als mens ben je gelijkwaardig. Waar het geloof het verschil in maakt, is de toewijding aan je schepper. Dat is iets wat niet-gelovigen niet delen. Net zo min als het beeld van het hiernamaals. Op dat vlak is de dood wel mooi. We gaan allemaal dood, gelovigen en ongelovigen. Je komt op aarde, je leeft – wat alle kanten kan opgaan – en vervolgens komt alles en iedereen toch weer samen in de dood.

DOOD EN EUTHANASIE Euthanasie is volgens mij iets typisch westers. Mensen die euthanasie willen plegen staan op een bepaalde manier in het leven, met een specifieke levensvisie. Ik geloof dat die visie er eerder een atheïstische is, net zoals die van degenen die de euthanasiewetten maken. Wie bepaalt dat jij mag beslissen over andermans leven? Vanuit humanistisch standpunt is zoiets aanvaardbaar, maar het is altijd belangrijk te kijken wie de ‘auteur’ is van bepaalde wetten en ideeën. Het is gemakkelijk wetten en regels te maken, maar iemand ombrengen is iets anders. Kunnen zij iemand anders laten sterven? Hier botsen we weer op het verschil tussen theorie en praktijk. De meesten onder ons eten vlees, maar wie is in staat om zelf te slachten? Vanuit de soefiwijsheid is het niet de bedoeling dat wij als mensen bepaalde processen gaan verstoren. Je moet de dingen laten gaan zoals ze gaan. Het verstoren van een proces betekent automatisch het verstoren van het vervolg daarop. Mijn eerste gevoel, zonder het over politiek te hebben, is dat je niet moet ingrijpen in natuurlijke processen. Waar komen die afwijkende normen vandaan? Doden is slecht, ook als iemand daarom vraagt. Ik vind het verwerpelijk als iemand daarvoor kiest, die persoon heeft mijns inziens vooral psychische hulp nodig. Het betekent voor mij een soort zwakte. Wanneer mensen echt dood willen, dan moeten ze anderen daar niet mee belasten. Dat kruis moet je zelf tillen en dragen. En het kan inderdaad erg hard en zwaar worden op het einde. Maar het moet. Dat is hoe ik, vanuit mijn normen en waarden, het beschouw.

Rooilijn 1 | 05-2015


Tot slot: als ik zeg dat wijsheid en mystiek in het hart zitten, dan is dat ook letterlijk te nemen. Eeuwenoude wijsheden zitten rechtstreeks in het hart gebakken. Op het moment dat je bijvoorbeeld begint te dementeren en alles wat in je hoofd zit wordt gewist door die ziekte, heb je niets meer. Maar wanneer je alles ook hebt opgeslagen op hartniveau, dan blijft dat. Mensen die in contact staan met het mystieke worden op een andere manier dement. Al de wijsheden zitten bij hen ook in hun hart. Zij zullen geen dingen doen die hun volledig vreemd zijn. Als je dement wordt, vergeet je alles. Je hebt een USBstick op hersenniveau en een op hartniveau. Als die eerste gewist wordt, dan heb je nog je hart. De informatie op je telefoon, staat die enkel in het lokale geheugen of is die ook gedeeld via cloud of mail? Verbind hem op meerdere wijzen, zet hem op hartniveau en je bent altijd bereikbaar. Zolang iemands hart klopt, wil dat zeggen dat die persoon nog leeft. Echt leeft. Euthanasie met Barbara en Stefanie. Met Osman Çatik. Voorstelling op 30 mei in Het Bos

Osman Çatik bij het graf van Sheich Nazim Al Haqqani Ar-Rabbani Osman Çatik in actie Soefigrootmeester Sheich Nazim Al Haqqani Ar-Rabbani

Rooilijn 1 | 05-2015

13


14

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

15

Uit Delphine Lecomptes De baldadige walvis


Met een negatieve wilsverklaring kan je vastleggen welke onderzoeken of behandelingen je niet meer wenst te ondergaan wanneer je dat zelf niet meer kan vragen. Dit formulier wordt ‘negatieve’ wilsverklaring genoemd omdat het gaat om het afwijzen van behandelingen en onderzoeken. Artsen zijn wettelijk verplicht om je wensen hieromtrent te respecteren.

De negatieve wilsverklaring Lotte De Bruyne

16

Rooilijn 1 | 05-2015


JACINTA DE ROECK (VOORZITTER LEIF ANTWERPEN EN ADVISEUR ETHISCHE THEMA’S BIJ OPEN VLD): Het is belangrijk dat mensen nadenken over hoe ze hun levenseinde zien. Zo’n wilsverklaring kan wel degelijk een invloed hebben. Euthanasie is niet toegestaan als je dement bent. Een behandeling met antibiotica weigeren of niet kunstmatig gevoed worden kan er echter wel voor zorgen dat je langzaam doodgaat. Je ‘versterft’ dan, en daarmee wordt de wens ingewilligd die je in je wilsverklaring hebt opgetekend. Mensen weten vaak niet welke rechten ze als patiënt hebben. Deze rechten zijn vastgelegd in de patiëntenwet. In België hebben patiënten behoorlijk veel rechten én ook verschillende keuzemogelijkheden bij het levenseinde. De negatieve wilsverklaring lijkt sommige mensen nog steeds af te schrikken. Ze zijn dan bijvoorbeeld bang dat ze geen goede zorgen zullen krijgen wanneer ze zwaargewond raken bij een ongeval. Ze vrezen dat de dokters hen zullen laten doodgaan op basis van die wilsverklaring. Dat klopt niet. De negatieve wilsverklaring gaat pas in werking als er geen hoop meer is op genezing. Bovendien dienen dokters altijd, in iedere situatie, de pijn te verzachten. Je krijgt dus nog wel goede zorgen, maar die zijn meer gericht op ‘care’ (comfort, pijnverlichting) dan op ‘cure’. Een negatieve wilsverklaring is afdwingbaar. Het patientenrecht is een juridisch gegeven. Als je in je negatieve wilsverklaring aangeeft dat je bij zware dementie wanneer je niet meer in staat bent om zelf een beslissing kenbaar te maken, niet kunstmatig gevoed wilt worden, dan dient dit gerespecteerd te worden. Wanneer bijvoorbeeld je vertegenwoordiger bij een bezoek in het rusthuis vaststelt dat je onder dwang toch eten krijgt, kan die dat aanklagen. Door deze wet is de therapeutische hardnekkigheid behoorlijk afgenomen en wordt er meer gekeken naar de levenskwaliteit.

Rooilijn 1 | 05-2015

PRAKTISCH Dit formulier vul je zelf in. Wanneer je daar zelf niet meer toe in staat bent, doe je het samen met iemand anders. Een notaris is niet nodig. Je houdt het formulier zelf bij en geeft het af aan je huisdokter, en eventueel ook aan je behandelende arts. Daarnaast kies je een vertegenwoordiger, die ook een exemplaar krijgt. De vertegenwoordiger is iemand die je vertrouwt. Die persoon hoeft geen familie te zijn. Het formulier is juridisch bindend. Je kan het altijd verscheuren als je van mening verandert. Je kan het formulier downloaden via de website van LEIF, het informatiepunt voor het levenseinde. Jacinta De Roeck is op 23 mei samen met Wim Distelmans te gast in Het Bos tijdens ‘Euthanasie met informatie’ van Barbara en Stefanie.

17


18

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

19


Gesprek met Wim Distelmans

Euthanasie, een marginaal verschijnsel Lotte De Bruyne

20

Rooilijn 1 | 05-2015


Euthanasie is een marginaal verschijnsel dat tot de verbeelding spreekt. Volgens Wim Distelmans. Professor Wim Distelmans is een kankerspecialist die al vroeg in zijn carrière geraakt werd door de gebrekkige zorg voor ongeneeslijk zieken. Hij maakte van ‘het waardige levenseinde’ zijn levenswerk. Met de euthanasiewet van 2002 als grote mijlpaal. Euthanasie is: het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een arts, op uitdrukkelijk verzoek van een patiënt. Er zijn een aantal wettelijke voorwaarden aan verbonden. Zo moet de patiënt zich in een medisch uitzichtloze situatie bevinden en moet het lijden aanhoudend en ondraaglijk zijn. De toestand moet te wijten zijn aan een ernstige en ongeneeslijke aandoening. Er zijn er nog wel een aantal andere voorwaarden, zoals ‘wilsbekwaam zijn’, maar dat staat allemaal in de wet. Er zijn maar drie landen die zo’n wet hebben: de Benelux. Wim Distelmans heeft de dingen graag helder. En geregeld. Niet onder het donkere deken of stiekem op de koer. En liefst voor iedereen gelijk, maar wel à la tête du client. Theatermaaksters Barbara en Stefanie waren zo slim om zich tot Distelmans te wenden in het kader van hun langdurige euthanasietraject in Het Bos. En zo hoort het. Want het is niet de arts die beslist over euthanasie. De arts moet de patiënt vooral goed informeren over de verschillende opties, zodat de patiënt alle informatie heeft om de juiste keuze te maken. Al is euthanasie nooit de beste keuze. Het is eerder de minst slechte. Volgens Wim. Wij gingen hem opzoeken in zijn LEIFcentrum te Wemmel. Trein, metro, door de Amandelbomenstraat, de berg op aan de Gallische oprit, de berm in door het hoge gras én over de snelwegbrug. Gevonden. Hoe komt het dat ‘het levenseinde’ jouw verhaal is geworden, je levenswerk zelfs? Je had ook een gespecialiseerd oncoloog kunnen zijn. Als jonge knaap was ik redelijk idealistisch. Ik wou wereldverbeteraar worden. Een van mijn idolen was Albert Schweitzer, een arts die naar Afrika trok en de Nobelprijs won. Daarnaast droomde ik ervan regisseur te worden. Ik maakte zelfs een film: Kalverliefde.1 1 Kalverliefde werd uitgezonden op de VRT. ‘De film observeert de eerste stappen in de liefde van 17/18-jarigen. Stijl Jacques Tati. Humoristisch observerend. Verliefd zijn kan je beschouwen als een acute psychose. Dan ben je compleet van de wereld. Het is gewoonweg irrationeel.’ Duur: 40 minuten.

Rooilijn 1 | 05-2015

Toen ik dat plan voorlegde aan mijn vader zei die: ‘Ge zoudt beter eerst een goede job doen in plaats van uw heel leven achter subsidies te moeten zoeken.’ Het grappige is dat ik nu voortdurend naar subsidies zoek om onze projecten en onze werking gefinancierd te krijgen. Vervolgens ging ik geneeskunde studeren. Nog later werd dat tropische geneeskunde en trok ik op mijn beurt naar Afrika. Toen dat ten einde liep, besloot ik me te wijden aan een ander groot wereldprobleem: kanker. Ik heb eerst onderzoek gedaan, in labo’s gewerkt en een doctoraat geschreven. Op een bepaald moment was ik uitgekeken op ratten en muizen en ben ik met kankerpatiënten beginnen werken. Op de werkvloer in het ziekenhuis ontdekte ik dat de helft van de mensen waar ik mee te maken kreeg ongeneeslijk ziek was. Wanneer de dokters de ronde deden in het ziekenhuis en ze voorbij een kamer kwamen van een ongeneeslijk zieke, dan gingen ze niet eens naar binnen. ‘Die is toch aan het doodgaan.’ Dat letterlijk voorbij die kamer lopen is mij bijgebleven. Dat klopte niet. Het kon toch niet dat wij als dokters niets meer voor die mensen konden betekenen? Ik ontdekte dat er in Engeland palliatieve programma’s bestonden. Ik organiseerde studiereizen naar Engeland en wisselde informatie uit. Langzaamaan is er in België een palliatieve beweging op gang gekomen. Met succes, want wij staan nu op Europees niveau aan de top. Op een bepaald moment constateerde ik dat er een groep mensen bestond die ondanks het palliatieve systeem toch ondraaglijk leden. Mensen in uitzichtloze situaties. Mensen die aangeven: ‘ik wil niet dood, maar ik wil ook niet zo verder leven’. Mensen die noodgedwongen opteren voor een zelfgekozen levenseinde. Door daarover na te denken kwam ik uit bij euthanasie. Voor buitenstaanders lijkt mijn traject misschien vreemd. Maar voor mij is hiermee bezig zijn een logisch gevolg van het werken en denken binnen mijn vakgebied. Uit dit alles is LEIF2 ontstaan, het LevensEinde InformatieForum, dat wij als privéinitiatief hebben opgericht. Wanneer kwam u voor het eerst met euthanasie in aanraking? De eerste keer dat ik euthanasie uitvoerde was natuurlijk lang voor de wet bestond. 2 LEIF is een open initiatief van mensen en verenigingen die streven naar een waardig levenseinde voor iedereen, waarbij respect voor de wil van de patiënt vooropstaat.

21


Omdat we consequent zagen dat een aantal mensen niet te helpen waren. Wij deden toen een beroep op een rechtsfiguur genaamd ‘de noodsituatie’. Een noodsituatie is een conflict tussen twee morele waarden. In dit geval: het leven van iemand beschermen én aandacht hebben voor het lijden van een persoon. Je wilt iemands leven beschermen maar je wilt ook het lijden opheffen. Je kan alleen iemands leven beschermen door geen aandacht te hebben voor diens lijden. Wil je het lijden opheffen, dan moet je misschien het leven van die persoon opofferen. Als arts kan je je beroepen op de noodsituatie en de beslissing nemen die jij het best acht. Dat gebeurt steeds in overleg met de betrokkene. Alleen: wanneer er een klacht komt, ben je afhankelijk van het morele oordeel van een rechter. Als die dan een groter moreel belang hecht aan ‘het leven’, kan je als arts beschuldigd worden van moord. Dat is de reden waarom artsen die noodsituatie maar een dubieus verhaal vinden en er niet snel een beroep op zullen doen. Ikzelf vond dat ook, en daarom heb ik gepleit voor een wettelijke regeling. Maar ja, ik heb dus ook vóór de euthanasiewet diverse keren euthanasie toegepast wanneer iemand ondraaglijk leed én daar zelf om vroeg. Ondertussen is er een wet, maar er zijn nog steeds rusthuizen, ziekenhuizen en dokters die het niet graag doen of er weigerachtig tegenover staan. Waarin zit volgens u die weerstand? In de wet staat duidelijk dat niemand verplicht kan worden om een euthanasie uit te voeren. Ik vind wel dat weigeraars mensen moeten voorthelpen. Bijvoorbeeld door hen zinvol door te verwijzen en goed te informeren. Er zijn heel wat redenen waarom artsen terugdeinzen. Onzekerheid, ideologie en het feit dat ze vinden dat er nog medische mogelijkheden zijn. Ze hebben ook schrik, én er is een zekere onhandigheid omdat ze ‘zoiets nog nooit gedaan hebben’. Naast deze niet te onderschatten onzekerheid is een van de grootste redenen van hun weigerachtigheid het feit ‘dat de patiënt aan zet is’. Alleen de patiënt kan dit vragen en beslissen – uiteraard enkel wanneer hij voldoet aan de voorwaarden die de wet omschrijft. Dat zijn dokters niet gewend, en ze voelen zich er allesbehalve op hun gemak bij. Wij zijn niet opgeleid om te doen wat patiënten zeggen. Integendeel, we houden

22

niet van mondige patiënten. We zijn opgeleid om autonoom zelf te beslissen, zelfs dikwijls boven het hoofd van de patiënten. Heel veel dokters deinzen terug bij de mogelijkheid dat de patiënt zoveel inspraak krijgt. En dan kiezen ze liever voor palliatieve sedatie. Is de grens tussen palliatieve sedatie en euthanasie niet heel erg dun? Palliatieve sedatie is iemand in slaap houden door middel van verdoving tot die spontaan doodgaat. Theoretisch gezien is palliatieve sedatie een attractief verhaal. In de praktijk is het eigenlijk meer een ‘trage euthanasie’. Veel artsen zijn namelijk bang om niet genoeg verdoving toe te dienen, waardoor de kans zou bestaan dat de patiënt nog wakker wordt. En dat wil je vermijden, natuurlijk. Maar wanneer je te veel spuit, versnel je het levenseinde. Dat is uiteraard wat het vaakst gebeurt. Palliatieve sedatie kan ook zonder toestemming van de patiënt. In sommige gevallen is het goed dat een arts autonoom kan beslissen en zijn medische verantwoordelijkheid neemt, en iemand die niet meer bij zinnen is niet laat ‘creperen’. Maar zolang de patiënt wel aanspreekbaar is, lijkt het me logisch dat je dit in overleg doet. Dat gebeurt vaak niet. De communicatie tussen artsen en patiënten is vaak niet optimaal. Kan je wat meer vertellen over die communicatie? Is er zoiets als een artsencultuur? De meeste artsen zijn goede techneuten. Zo zijn ze ook opgeleid. Tijdens hun opleiding wordt er amper tijd genomen om aan te leren wat draagkracht is en hoe je slecht nieuws meedeelt. Er is immers zoveel techniek te leren. En zo komen we uit op de grote verdienste van de palliatieve sector, waar er wel aandacht is voor communicatie. Een goede evolutie is de vervrouwelijking van het artsenberoep, dat voorheen bijna louter een mannenaangelegenheid was. De helft is vrouwelijk nu. De Orde van Geneesheren zal de Orde van Artsen worden. Het is misschien seksistisch om bepaalde karaktertrekken specifiek aan de vrouw toe te schrijven. Toch lijken er fundamentele eigenschappen te zijn die de man ontbeert. Ik heb het gevoel dat er elementen zijn waar vrouwen vaak sterker in zijn. Empathie bijvoorbeeld. Of geduld. Ik leer veel van mijn vrouwelijke collega’s. Ik vind het verrijkend en gezond dat je met de twee seksen samen hetzelfde beroep uitoefent.

Rooilijn 1 | 05-2015


Euthanasie krijgt altijd veel aandacht, maar het is eigenlijk maar een klein stukje van het verhaal rond het levenseinde. Kan u dat wat meer toelichten? Klopt. Wanneer mensen denken aan een waardig levenseinde, denken ze alleen maar aan euthanasie. Terwijl euthanasie eigenlijk een marginaal verschijnsel is. Het vertegenwoordigt per jaar maar twee procent van alle mensen die sterven in België. Toch heeft iedereen er de mond van vol. Euthanasie spreekt tot de verbeelding omdat het duidelijk iets is waar mensen zelf aan zet zijn. Euthanasie komt uit het Grieks en betekent letterlijk ‘de goede dood’. Dat is ook hoe wij het in België zien. Maar het woord wordt ontzettend vaak verkeerd gebruikt. Zo lees je in de krant dat een giraf werd ‘geëuthanaseerd’. Die giraf heeft daar niet om gevraagd, hoor. Dat is geen euthanasie maar fout taalgebruik. In het verleden werd het woord erg gevaarlijk gehanteerd. Zo hadden de nazi’s een heus euthanasieprogramma, dat stond voor het systematisch uitroeien van – in hun ogen – minderwaardige mensen. Je merkt dat tegenstanders van euthanasie dan plots daarnaar verwijzen. Maar dat zijn foute definities. En dat terwijl wij, in België, een unieke definitie hebben! Euthanasie is gedefinieerd door de wet. Dat is zeldzaam. Daarom ook dat de buitenlandse pers vaak zo emotioneel doet over onze euthanasiegevallen. Zij hebben daar geen wettelijk kader of definitie voor. Wat ook vaak niet goed beseft wordt, is dat van de 100 000 sterfgevallen per jaar in België de helft plaatsvindt na een of andere medische beslissing. Eén Belg op twee overlijdt met voorafgaande medische beslissing! En dit al dan niet op vraag van de patiënt. Die twee procent euthanasie maakt dus deel uit van die helft, van die 50 procent van alle sterfgevallen. Dat is niets. En bij die twee procent was het dan wel degelijk op vraag van de patiënt. Medische beslissingen voorafgaand aan het overlijden kunnen van alles inhouden: sedatie, het stoppen van een behandeling, een overdosis pijnstilling, of levensbeeindiging zonder verzoek. Dat gebeurt wel eens bij een ten dode opgeschreven pasgeborene met zware afwijkingen. Ook daar is geen duidelijk wettelijk kader voor. Dus ja, er zijn veel meer andere beslissingen die het levenseinde tot gevolg hebben dan euthanasie. Vaak in het schemerduister. Daar piepen de christendemocraten die tegen euthanasie zijn niet over. Zij hebben met

Rooilijn 1 | 05-2015

de rest van die 50 procent geen probleem. Ze hebben ook geen probleem met sedatie. Wij pleiten er al jaren voor dat ook bij palliatieve sedatie een registratiedocument opgestuurd wordt naar een commissie. Aangezien er zoveel beslissingen gebeuren boven het hoofd van een patiënt is het belangrijk om bijvoorbeeld een negatieve wilsverklaring op te stellen. Daarin staat alles wat je niet meer wilt. Daarom heet die ook ‘negatief’: je weigert iets. Alles wat je hebt opgeschreven in een negatieve wilsverklaring is afdwingbaar. Dit in tegenstelling tot de positieve wilsverklaring met betrekking tot euthanasie, waarbij artsen nog altijd kunnen weigeren. Positieve wilsverklaringen zijn niet afdwingbaar. Hoe is het voor u om die daad van euthanasie te stellen? Ik heb met de technische daad op zich nooit veel problemen gehad. Uiteraard is het altijd een bijzonder moment wanneer iemand het leven verlaat. De grote arbeid schuilt in de ongelooflijke weg die je samen met de patiënt aflegt. Dat is heel intensief en emotioneel. Vooral voor de patiënt. De fout die veel artsen maken is dat ze het gevoel hebben dat zij een beslissing moeten nemen. En daarom doen ze daar zo emotioneel over en noemen ze dat ‘een zware beslissing’. Maar het is de patiënt die de beslissing neemt. Dat is wat veel van mijn collega’s nog niet begrijpen. De arts moet er enkel voor zorgen dat hij de patiënt goed geïnformeerd heeft over de mogelijke opties, zodat de patiënt de juiste beslissing kan maken. Op het moment dat je samen tot het logische sluitstuk komt is dat eigenlijk bijna een technische uitvoering. Ik heb van geen enkele euthanasie die ik deed spijt. Er zijn er wel waarvan ik vind dat ik te lang heb gewacht. Er zijn uiteraard ook gevallen die ik afwees omdat ik vond dat er nog andere mogelijkheden waren. Heeft u een persoonlijk kader waaraan u uw eigen beslissingen aftoetst? Ik hou me natuurlijk aan wat wettelijk is. Maar dat is maar een richtlijn. Je kan altijd terugvallen op die ‘noodsituatie’. Voor mijzelf zijn er drie fundamentele dingen: 1. Medische uitzichtloosheid, we kunnen niets meer doen. 2. De persoon zit in een ernstig ondraaglijke situatie waardoor hij vreselijk lijdt. Dat afzien kan van alles

23


zijn. Van existentiële angst tot extreme afhankelijkheid ten gevolge van die aandoening. 3. Voldoende met de patiënt overleggen. Dat betekent ook ‘advocaat van de duivel spelen’. Je overlegt tot je beiden tot de slotsom komt dat er geen redelijk alternatief voor euthanasie is. Wanneer je zelf ook maar de minste twijfel hebt, mag je het niet doen, zelfs als er door de patiënt (morele) druk wordt uitgeoefend. Welk effect heeft de euthanasiewet en de daaruit voortkomende praktijk gehad op de patiënt en het zorgtraject van de patiënt? Dat effect is ongelooflijk! Het heeft een immens emancipatorisch effect gehad. En niet enkel op het vlak van euthanasie. Door die wet is men op vele fronten – academisch, cultureel, politiek, maatschappelijk – heel hard gaan nadenken en spreken over lijden, levensbeeindiging, dood, palliatieve zorg, gezondheidszorg en zoveel meer. Door die wet hebben mensen beseft dat ze het recht hebben om te vragen om aan de noodrem te trekken. Door die wet hebben mensen beseft dat ze mee mogen en kunnen beslissen over hun eigen levenseinde. Mensen willen nu daarenboven het beslissingsrecht dat ze hebben op het einde van de rit, ook toepassen tijdens het traject van hun ziekte. Vanaf het moment van de diagnose. Ze tolereren niet meer dat dokters zomaar over hun hoofd heen beslissen. Ze willen inspraak en informatie, en dat is hun recht. Het is bijna een mirakel geweest dat die wet gestemd werd. Eigenlijk was het gewoon omdat de christendemocraten eventjes uit de regering lagen door de dioxinecrisis van 1999. Dat betekende voor de overige partijen het ultieme moment om over de ethische dossiers te stemmen. We wisten vanaf het begin dat het geen perfecte wet zou zijn. Maar ze is goed. We hadden liever een goede, weliswaar onvolmaakte wet dan geen wet. We wisten dat er een discriminatie was voor minderjarigen. We wisten dat de wilsverklaring inzake euthanasie eigenlijk een lege doos was en te beperkt. Dat was te wijten aan een laatste maneuver van de toenmalige CVP. Leg maar eens aan de mensen uit dat die wilsverklaring enkel geldt wanneer ze in een onomkeerbare coma liggen. Wie denkt er nu aan een onomkeerbare coma? Mensen krijgen eerder een hersentumor of een hersenbloeding, kunnen niet meer communiceren, belanden

24

vervolgens in een karretje en vinden dat geen leven meer. Of ze worden simpelweg dement. En dan mag euthanasie ook niet meer. Totaal kafkaësk. Want net voor je dement bent, bijvoorbeeld als je de diagnose dementie al hebt gekregen maar je bent nog helder, dan mag euthanasie wel. Neem nu Hugo Claus. Die had eigenlijk gerust een paar maanden langer redelijk kwaliteitsvol kunnen leven. Helaas zat de kans erin dat euthanasie later niet meer mogelijk zou zijn. Hij zou dan immers misschien niet meer wilsbekwaam zijn, en dan kan euthanasie niet meer toegepast worden. Dat moet veranderen. Ik had gisteren daarover nog een gesprek in de senaat. We zullen zien. Maar dit kan zo niet blijven. Het is absurd. U sprak even over de christendemocraten. Hun weerstand is verbonden met religie. Wat zijn uw ervaringen met geloof en euthanasie in de praktijk? Eerlijk gezegd, ik zie weinig of geen verschil tussen christenen en andere mensen – de zogenaamd ongelovigen. En wat houdt gelovig zijn vandaag nog in? Er zijn christenen van de oudere generatie die zeggen dat ze het er wat moeilijk mee hebben. Maar dat ebt meestal weg naar het einde toe. Soms organiseren we dan een gesprek met een geestelijke die een open kijk heeft op de dingen. Daarna lijkt de twijfel helemaal verdwenen. Bij moslims ligt dat nog anders. Daar is men veel stelliger. Je moet helder voor Allah verschijnen. Euthanasie is er behoorlijk onbespreekbaar. Zelfs palliatieve zorg ligt moeilijk. Maar het gaat nog verder: Allah beslist alles. Ook wanneer je ziek wordt: ‘insjallah.’ We merken wel dat deze mensen soms om pijnstillers vragen en tegelijkertijd verzoeken om dat niet aan hun familie mee te delen. Ik denk dat dit over één generatie weer heel anders zal liggen. Over het gebod ‘gij zult niet doden’ uit de tien geboden, waar wel eens een beroep op wordt gedaan als het gaat om de veroordeling van euthanasie, bestaat een misverstand. Dat leerde ik van Etienne Vermeersch. ‘Gij zult niet doden’ is een gebrekkige vertaling van het Hebreeuwse ‘lo tirtsah’. De juiste vertaling is: ‘gij zult niet vermoorden’. Daarmee werd bedoeld dat je niet het leven mag afnemen van iemand die daar niet zelf om gevraagd heeft. Dat is een heel andere zaak.

Rooilijn 1 | 05-2015


Hoe staat u zelf in het leven? Ik beschouw mezelf als een zoekend mens. Ik weet ook niet hoe het hier allemaal in mekaar zit. Ik respecteer Darwin en de evolutieleer. Daar kan je niet omheen. Je kan erover discussiëren of ik een agnost of een atheïst ben. Ik weet het niet. Ik respecteer anderen die ervoor kiezen om wel te geloven in een hogere god, maar verwacht wel dat zij het andere ook respecteren. Wat gebeurt er met een mens wanneer die sterft? Niets, denk ik. Ik denk dat je tot stof vergaat. Tenzij iemand me ervan kan overtuigen dat het niet zo is. Niemand weet het hé. Ik vind kunst en cultuur fundamenteel belangrijk. De identiteit van mensen is cultureel bepaald. De zingeving van mensen wordt uitgedrukt in kunst. We moedigen het in ons centrum aan om in dialoog te treden met kunstenaars. Er lopen hier vele projecten, zoals de film Before We Go van Jorge Léon. Kunstenaars hebben altijd aandacht gehad voor de belangrijke elementen van ons bestaan. Een van die elementen is doodgaan. Wim Distelmans is op 23 mei samen met Jacinta De Roeck te gast in Het Bos tijdens ‘Euthanasie met informatie’ van Barbara en Stefanie.

Albert Schweitzer, jeugdheld van Wim Distelmans

Rooilijn 1 | 05-2015

25


26

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

27


Inne Eysermans is muzikante, geluidsmaker, wereldschepper en frontvrouw van de band Amatorski. In 2015 was ze daarenboven huisartiest van Het Bos. Wij schoven met Inne aan tafel en plakten inspiraties, werkwijzen, inzichten, intuïties, fascinaties, schoonheid en helden aan elkaar. Bedoeling: inkijk krijgen in de microkosmos en Innes denken werkpatroon.

Imaginaire inspiraties – Inne Eysermans

Grafische partituren uit doctoraat Ann Eysermans

Inne Eysermans en Lotte De Bruyne

28

Rooilijn 1 | 05-2015


Inne Eysermans vindt microkosmossen van levensbelang. Zelf schept ze die vooral met geluid, al leest ze ook heel graag. Microwerelden zijn net iets anders dan de gewone wereld en kunnen daardoor ‘een mensenhoofd nog eens open krijgen’. Inne stelt zich vragen als ‘wat is de relatie tussen de mens en het geluid van zijn omgeving, en wat als dat verandert?’ Inne: Als je werelden en ficties maakt, moet je die ergens afbakenen. Een wereld heeft zijn eigen regels. Daarbinnen kan je dan gaan bewegen en dingen isoleren en uitvergroten. Met fictie, film en verhalen kom je soms net dichter bij de realiteit dan de zogenaamde realiteit zelf. Dit stukje van David Lynch over het maken van werelden sluit voor mij heel erg aan bij wat bijvoorbeeld Patricia De Martelaere en Connie Palmen doen, en hoe ze kijken naar wat zogenaamd fictie is.

DAVID LYNCH – ‘EXPLORING THE ART OF SOUND WITH THE MOVING IMAGE’, IN SOUNDSCAPE – THE SCHOOL OF SOUND. LECTURES 1998–2001, P. 50 (…) You see, once you start down a road to make a film you enter a certain world. And certain things can happen in that world, and certain things can’t. Depending on the world, many, many things can happen but still certain things can’t. So you begin to know these rules for your world, and you’ve got to be true to those rules. And you feel your original idea that inspired you so much, and you have to go back and be true to that, too. And then you look down into the details; every little space has a possible sound that will work there, and others that won’t. It’s just this process of action and reaction as you go along; but it’s amazing how the wrong sound will just pop up – and you’ve got to get rid of it. And the right sound is sometimes really hard to nail down. Sometimes just silence is a beautiful thing. Contrast, too, is so powerful. Everything can’t be loud, and it can’t all be quiet. The way it’s orchestrated is dictated by the story, the characters, the way it’s paced. And so it turns into a kind of symphony, and like a symphony it’s got to move a certain way. (…)

Rooilijn 1 | 05-2015

Inne: ‘Wat is de relatie tussen de mens en het geluid van zijn omgeving, en wat als dat geluid verandert?’ Dit is een vraag van R. Murray Schafer die ik ook graag stel (zij het dan niet zozeer vanuit ‘acoustic ecology’, maar eerder met betrekking tot tijd en maatschappij en geïsoleerde cellen in een fictieve/ imaginaire wereld).

R. MURRAY SCHAFER What is the relationship between man and the sounds of his environment and what happens when these sounds change? Is the soundscape of the world an indeterminate composition over which we have no control or are we its composers and performers, responsible for giving it form and beauty? Inne: Elke stad heeft een eigen klank en taal. Gebouwen, tunnels, rivieren, de mensen, de taal die gesproken wordt, beweging, klimaat, weersomstandigheden… elke plek klinkt anders. Elke opname daarvan biedt een originele weergave van die plek op dat moment. Ik vind het interessant daarmee te spelen en die dynamiek weer te geven en te vertalen: akoestische fenomenen en patronen tegenover een gesynthetiseerd geluid. Yannis Kyriakides, bijvoorbeeld, die gebruikt geluiden van werelden van mensen en maakt daar een heel eigen wereld van. Als je daarnaar luistert heb je het gevoel dat je in een hele intieme andere wereld binnendringt.

SOUND URBANISM Every major city or town features signature ‘soundmarks’, that, when sounded, place one, virtually, in that city or town. The ‘placeness’ of soundmarks speaks to how memory operates. The placeness of soundmarks is a Proustian idea about connections to place through the action of, what Proust identifies as, ‘involuntary memory’. Sound Urbanism, the study of cities and urban places through their relationship to sound, relates to the study of ‘soundmarks’ (a word relating sound to landmark), and to contemporary ideas about samples and sampling. Samples and sampling speak to the operation of piecing together bits and pieces of sounds to generate a new place, created out of the sound-pieces of various originary soundmarks.

29


Inne: Dit is een prachtig voorbeeld van het spel met omgevingsgeluid door Brian Eno. In zijn Music for Airports, bijvoorbeeld, voegt hij fijne gesynthetiseerde en verzachtende schakeringen toe aan de klank van een luchthaven, met als doel elke reiziger tot rust te brengen.

BRIAN ENO – ‘AMBIENT MUSIC’, IN AUDIO CULTURE: READINGS IN MODERN MUSIC (…) This became clear to me when I was confined to bed, immobilized by an accident in early 1975. My friend Judy Nylon had visited, and brought with her a record of 17th-century harp music. I asked her to put it on as she left, which she did, but it wasn’t until she’d gone that I realized that the hi-fi was much too quiet and one of the speakers had given up anyway. It was raining hard outside, and I could hardly hear the music above the rain – just the loudest notes, like little crystals, sonic icebergs rising out of the storm. I couldn’t get up and change it, so I just lay there waiting for my next visitor to come and sort it out, and gradually I was seduced by this listening experience. I realized that this was what I wanted music to be – a place, a feeling, an all-around tint to my sonic environment. Inne: Ik werk graag met cassettes. Zeker niet alleen vanuit een nostalgisch perspectief: voor mij zijn dat stukken erfgoed, belangrijk materiaal dat een wezenlijk deel kan uitmaken van bijvoorbeeld sociologisch onderzoek. Er wordt op veel manieren onderzoek gevoerd en materiaal verzameld. Geluid dient ook gedocumenteerd en geanalyseerd te worden. In betrekking tot zowel het heden als het verleden. In en rond dictafoontjes en taperecorders valt enorm veel informatie en schoonheid te vinden.

30

RECORDING CULTURE (…) However, what is less known is how different individuals were also experimenting with different ways of recording cultural life in a manner that falls outside the practices of conventional academic research. Along with the formalized ethnographic writing of anthropologists and sociologists, nonacademics responded to the same impulses for recording cultural life by using new sound recording technologies. Some of these people had academic interests, some were supported by educational institutions, and some were amateurs whose interest in technology was paralleled by an interest in capturing the sounds of cultural life. (…) Fewkes had great faith in the accuracy of the phonographs to preserve something that phonetic and written methods could not provide. The sounds of a disappearing culture and recordings of language and stories also allowed members of the tribe to recognize their own voices. Fewkes believed his Passamaquoddy recordings were the first of their kind. This was an experimental use of new recording technology, and during the summer of that same year, Fewkes hauled his phonograph to New Mexico to record the sounds of Zuni culture on wax cylinders. (…) listening and recording (and we use recording in the broadest sense of documenting and interpreting and making available) as a path toward making sense of the complexity of culture and allowing for an emergence of multiple meanings. These issues and distinctions (writing and recording; salvaging and preserving; transcribing, documenting, inscribing, and interpreting) are part of a larger series of debates about the representations of cultural experience and Geertz is clearly one who anticipated and fostered this dialogue about culture and representations of cultural life.

Rooilijn 1 | 05-2015


(…) Tony Schwartz uses a tape recorder to study the migration of a population of people to New York City. He is interested in understanding how this latest group of migrants occupies the city, how they move through the same spaces and places where others from elsewhere have come before. He records the voices of immigrants speaking about their feelings of rejection and how it feels to physically move through the city. He listens to them and records their comments about housing conditions and food, and he records them singing traditional songs. He talks with people who already live and work in the places where the migrants have come to live, and he records their comments about what it is like to have strangers move into their space. He also listens to people who run businesses in these neighborhoods. Schwartz records them talking about how new magazines are appearing on the shelves, how there are different kinds of movies playing in the theaters. Here are some teenage boys playing drums and singing on the street, so he records them. Here are some children playing in the street, so he records them and has one of them describe how the game works. Schwartz goes to the airport to record the voice of the announcements of flight arrivals over the public address system. He makes recordings of the sounds of these immigrants learning to speak English. All of these voices come together to provide a composite portrait of Puerto Ricans immigrating to New York City. Schwartz begins making these recordings for Nueva York in 1948 and continues for 8 years, creating a documentary that captures something unable to be conveyed in print. Inne: Dit zijn twee verschillende benaderingen of soorten processen die worden toegepast op materiaal. Bij Basinski is de tijd de manipulator van zijn tapes, terwijl Hecker eigenhandig een aanslag pleegt op het materiaal.

WILLIAM BASINSKI – DISINTEGRATION LOOPS It’s not the kind of thing you can say often, but I think William Basinski’s Disintegration Loops are a step toward that understanding – the music itself is not so much composed as it

Rooilijn 1 | 05-2015

is this force of nature, this inevitable decay of all things, from memory to physical matter, made manifest in music. During the summer of 2001, Basinski set about transferring a series of 20-year-old tape loops he’d had in storage to a digital file format, and was startled when this act of preservation began to devour the tapes he was saving. As they played, flakes of magnetic material were scraped away by the reader head, wiping out portions of the music and changing the character and sound of the loops as they progressed, the recording process playing an inadvertent witness to the destruction of Basinski’s old music.

TIM HECKER – RAVEDEATH, 1972 There are plenty of synth and drone artists that make epic, transportive music, but one of the unique things about Tim Hecker is his conceptual ability. Each of his records, from the cinematic rush of Harmony in Ultraviolet to the dreamed-up cartography of An Imaginary Country, explores a specific theme, often in great detail. When he talked to us last month about the artwork for his latest LP, Ravedeath, 1972, Hecker mentioned that he’d been consumed with the idea of sonic decay. ‘I became obsessed with digital garbage,’ he said. ‘Like when the Kazakstan government cracks down on piracy and there’s pictures of 10 million DVDs and CDRs being pushed by bulldozers.’ That idea, the notion of music as a cheapened, battered object, touches nearly every aspect of Ravedeath, 1972, a dark and often claustrophobic record that is arguably Hecker’s finest work to date. The album is based on a single day’s worth of recordings in a church in Reykjavik, Iceland, where Hecker used a groaning pipe organ to lay down the foundation for its tracks. (Throughout, you can hear the vastness of this place, as sounds ricochet around, bounce off the rafters.) With help from Iceland-based producer Ben Frost – whose ominous By the Throat is a touchstone here – Hecker then finished the record in studio, digitally adding synth wash and wailing shoegaze crunch to his live recordings.

31


The result is a strange hybrid that lives somewhere between the digital and material realms, and it’s remarkable how seamlessly the two are combined. For example, in a track like ‘In the Fog II’, it’s difficult to distinguish between the organic church sounds and the processed ones that came after. But while there is harmony between the source material, Ravedeath, 1972 is by no means about prettiness or tranquility. Hecker pits noises against one another in such a way that creates a constant push and pull between discord and beauty. It’s a bit like William Basinski’s Disintegration Loops, but instead of music aging over time, this is far more combative – like these songs are being attacked from the inside out.

The slow march play’d at the head of the association marching two and two, (They go to guard some corpse, the flag-tops are draped with black muslin.) I hear the violoncello, (’tis the young man’s heart’s complaint,) I hear the key’d cornet, it glides quickly in through my ears, It shakes mad-sweet pangs through my belly and breast. I hear the chorus, it is a grand opera, Ah this indeed is music – this suits me. A tenor large and fresh as the creation fills me, The orbic flex of his mouth is pouring and filling me full.

Inne: Een geluidengedachtenstroom van Walt Whitman

I hear the train’d soprano (what work with hers is this?) The orchestra whirls me wider than Uranus flies, It wrenches such ardors from me I did not know I possess’d them, It sails me, I dab with bare feet, they are lick’d by the indolent waves, I am cut by bitter and angry hail, I lose my breath, Steep’d amid honey’d morphine, my windpipe throttled in fakes of death,

WALT WHITMAN ‘SONG OF MYSELF’ (1892) (…) (vers) 26 Now I will do nothing but listen, To accrue what I hear into this song, to let sounds contribute toward it. I hear bravuras of birds, bustle of growing wheat, gossip of flames, clack of sticks cooking my meals, I hear the sound I love, the sound of the human voice, I hear all sounds running together, combined, fused or following, Sounds of the city and sounds out of the city, sounds of the day and night, Talkative young ones to those that like them, the loud laugh of work-people at their meals, The angry base of disjointed friendship, the faint tones of the sick, The judge with hands tight to the desk, his pallid lips pronouncing a death-sentence, The heave’e’yo of stevedores unlading ships by the wharves, the refrain of the anchor-lifters, The ring of alarm-bells, the cry of fire, the whirr of swift-streaking engines and hose-carts with premonitory tinkles and color’d lights, The steam whistle, the solid roll of the train of approaching cars,

32

At length let up again to feel the puzzle of puzzles, And that we call Being.

Rooilijn 1 | 05-2015


WIE WAS WALT WHITMAN? Wikipedia

Walter ‘Walt’ Whitman (1819–1892) was een Amerikaans dichter, journalist en essayist wiens dichtbundel Leaves of Grass een mijlpaal betekende in de geschiedenis van de Amerikaanse literatuur. Hij is wat de Amerikanen een ‘self-made’ man noemen: hij begon als loopjongen in een advocatenkantoor, werkte dan in een drukkerij, werd vervolgens dorpsonderwijzer, richtte verschillende tijdschriften op, bouwde huizen en plande en schreef onderwijl verder aan zijn magnum opus, Leaves of Grass. Whitman trouwde nooit, verliet nooit Amerika, streefde nooit bezit en rijkdom na, behoorde tot geen enkele vereniging en ging liever om met gewone mensen dan met rijken, en hij was altijd optimistisch en vrolijk. Hij was een aparte, imposante verschijning, groot van gestalte, traag bewegend, tolerant, democratisch, ontvankelijk, en tegenover iedereen vrijgevig en van goede wil. Inne: In repetitieve muziek kun je de dingen vergeten. Embodiment is een fysieke ervaring van repetitieve muziek. Ik dans niet. De ervaring kan zich ook afspelen in je hoofd. Je herinnering wordt aangesproken door wat je net hebt gehoord. En dan verdwijnt het weer. Je bent een stuk kwijt, een tussenstuk. Het voert je mee. Die overgang van het ene naar het ander verlies je soms omdat je zodanig mee in de trip zit. En daarom hier dus Wim over repetitieve muziek.

WIM MERTENS – ‘BASIC CONCEPTS OF MINIMAL MUSIC’, IN AUDIO CULTURE: READINGS IN MODERN MUSIC over repetitieve muziek: physical event VS embodiment in Audio Culture: Readings in modern music (…) In repetitive music perception is an integral and creative part of the musical process since the listener no longer perceives

Rooilijn 1 | 05-2015

a finished work but actively participates in its construction. Since there is no absolute point of reference a host of interpretative perspectives are possible. So that goal-directed listening, based as it is on recollection and anticipation, is no longer suitable and must be in favour of a random, aimless listening, traditional recollection of the past being replaced by something akin to a ‘recollection into the future,’ actualisation rather than reconstruction. This ‘forward recollection’ removes memory from its privileged position. Stoianova called this a game of ‘iretative monadism’: what matters is not what the sound may stand for but its physiological intensity, or, as Young puts it: ‘One must get inside the sound.’ American repetitive music is an objective music in that, since no physiological tension is created, there is an ambiguous relationship with the listener. The music exists for itself and has nothing to do with the subjectivity of the listener. The latter’s position has become an ambiguous one: on the one hand he is reduced to a passive role, merely submitting to the process. Reich had this in mind when he remarked that, one can control everything only as long as one is prepared to accept everything. What is more important: freedom or manipulation? Liberating the listener does not seem to be a major concern of repetitive composers. Since each moment may be the beginning or the end, the listener can choose how long he wants to listen for, but he will never miss anything by not listening. Some people have commented on the bulldozer effect of repetitive music, but this effect is erroneous since repetitive music has brought about a reversal of the traditional position; the subject no longer determines the music, as it did in the past, but the music now determines the subject. This reversal results in a shift towards extra-musical elements. For unlike traditional dialectical music, repetitive music does not represent a physical event but is the actual embodiment of this event. Inne: Deze twee: Connie Palmen en Patricia De Maertelaere. Allebei op de grens van filosofie en literatuur, allebei fictie. Als medium gebruiken ze literatuur. Daarmee scheppen ze een eigen wereld met eigen regels. Ze hebben het

33


over tijd, over wat een moment is, verleden, toekomst… Over wat literatuur kan betekenen in een soort van zogenaamde realiteit. Realiteit en ficties staan los van elkaar, en ergens ook weer helemaal niet. Je kan ze ook samen nemen. We maken allemaal onze eigen verhalen. Verleden zijn herinneringen in het nu. 

CONNIE PALMEN IN FILOSOFIE MAGAZINE OVER FICTIONALISME ‘Er is een belangrijke overeenkomst tussen het werk van de schrijver en het werk dat iedereen in zijn leven verricht: we maken van onszelf een karakter, we leven als personages in een verhaal.’ ‘Ik probeer het begrip “fictie” weg te rukken uit die aloude tegenstelling waarin het tegenover “waarheid” staat’, licht Connie Palmen toe aan haar keukentafel, die altijd vol boeken ligt. ‘Fictie werd altijd gezien als verzinsel, als schijn, onecht. Maar ik doel ermee op de verhalen die betekenis kunnen geven, op metaforen, slogans, reputaties, clichés, ideeën en meningen. In mijn opvatting is fictie niet meer de vijand van de waarheid, maar er zeer aan verwant. Ze is onlosmakelijk deel van de werkelijkheid. Je krijgt die werkelijkheid niet onversneden. Die komt altijd naar je toe in het voertuig van de fictie. Je hebt verbeelding nodig om een wereld te kunnen ontwerpen, om zin te geven aan een betekenisloos universum, om een onvoorspelbaar leven van toeval, chaos en willekeur te ordenen, losstaande feiten met elkaar te verbinden en onder te brengen in vorm en structuur.’ Er is een belangrijke overeenkomst tussen het werk van de schrijver en het werk dat iedereen in zijn leven verricht: we maken van onszelf een karakter, we leven als personages in een verhaal. Natuurlijk, er zijn gebeurtenissen, maar een ervaring krijgt pas echt betekenis op het moment waarop je die gebeurtenis interpreteert. Je vergeet gebeurtenissen die je niet onderbrengt in een verhaal dat jij al van jezelf hebt gemaakt. Dat blijkt ook uit recente geheugenonderzoeken, zoals de Groningse psycholoog Douwe Draaisma

34

heeft laten zien. Je onthoudt het best de ervaringen die passen bij het personage dat jij van jezelf al hebt gemaakt, het verhaal dat jij over jezelf vertelt. We zijn allemaal auteurs.’ ‘Iedereen creëert zijn eigen autobiografie; die heeft de structuur van een verhaal. Je begint met waar je geboren bent. Je maakt het plastisch. Stel dat je altijd van je moeder te horen hebt gekregen – zoals ik – dat het een ijskoude dag was, de koudste dag van november 1955, en dat ze onmiddellijk een longontsteking opliep… Je kunt beslissen of je (wat er over jou verteld wordt, ervaringen, feiten…) deel laat uitmaken van je verhaal. En waarom neem je die beslissing? Als je betekenis toekent aan het puur toevallige feit dat je geboren bent op een heel koude dag, is het geen toeval meer. Dan wordt het onderdeel van een verhaal.’ ‘De schrijver heeft daar zijn werk van gemaakt – zijn levenswerk, zou ik zelfs met enige overdrijving willen zeggen. Hij doet dat dagelijks, en dan op papier: het toeval onttrekken aan zijn betekenisloosheid en een wereld scheppen waarin ten minste een schijn van betekenis gecreëerd wordt. “Poëzie” komt van het prachtige Griekse woord poiesis, wat “maken” betekent. Dat maken is wat elk mens voortdurend doet.’

PATRICIA DE MARTELAERE – WAT BLIJFT (…) Zoals György Konrad het verwoordt: ‘Dat is belangrijk: we verlangen naar eeuwigheid. Daarom scheppen we voor onszelf de hemel en allerlei utopieën, allerlei verlossingen en hoop in het universum. Omdat we ons niet kunnen verzoenen met het idee dat we in de aarde zullen eindigen voor een rendez-vous met de wormen. Het biologische proces biedt geen troost aan de waardigheid van ons ego. (…) Onmogelijkheid van ‘worden’: Parmenides zelf aan het woord: ‘hoe zou nu wat is, ook in de toekomst kunnen zijn; of hoe zou het tot stand kunnen komen? Wanneer het nog moet ontstaan, is het niet; evenmin, als het in de toekomst nog tot zijn moet komen. Dus is het worden uitgeschakeld, en het vergaan iets ongehoords.’ Op deze manier

Rooilijn 1 | 05-2015


kunnen het hele verleden en de toekomst, het bestaan van tijd, beweging en verandering in één klap worden weggeredeneerd. Het verleden is namelijk niet meer, en wat niet meer is, is zonder meer niet, net zoals de toekomst die er nog niet is, om diezelfde reden zonder meer niet is. Wat ons op ieder moment ‘gegeven’ is, is immers inderdaad niets anders dan wat tot dat moment zelf behoort. Ons denken is per definitie slechts gevuld met de inhouden die het actualiseert. Ook herinneringen of voornemens zijn aan het bewustzijn slechts gegeven voor zover ze nu aanwezig kunnen zijn, en van een eventueel écht verleden of een échte toekomst weten we niets méér dan de ideeën die wij daar in ons huidige denken van hebben. ‘Het is hetzelfde, wat gedacht wordt en wat werkelijk is’, meent Parmenides. Uit de onmogelijkheid om het verleden als verleden te denken moet dus vanzelf de onwerkelijkheid van het verleden volgen. Van Zeno, de bekende leerling van Parmenides, stamt de uitwerking van deze paradoxale gedachten in de vorm van zogenaamde aporieën, waaronder die van Achilles en de schildpad en die van de bewegende pijl in rusttoestand. Achilles kan de schildpad, die met een lichte voorsprong is vertrokken, nooit inhalen, want op het moment dat hij aankomt waar de schildpad was, is de schildpad zelf natuurlijk weer net ietsje verder, en zo tot in het oneindige. En de afgeschoten pijl is op ieder ondeelbaar ogenblik van zijn traject op één plaats en in perfecte rust. (…) Aan Herakleitos, de populaire tegenstander van Parmenides, wordt doorgaans de radicaal tegengestelde opvatting toegeschreven: er is geen zijn, alles is in permanente wording. ‘Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen, want het is steeds weer vers water, dat ons tegemoet stroomt.’ Of zelfs nog erger: ‘Wij stappen in dezelfde rivier, en wij doen het niet: wij zijn, en wij zijn niet.’ Meer dan aan het absolute Zijn denkt Herakleitos aan het eeuwige worden als de grondwaarheid van het universum: ‘Deze wereld was altijd, is nu, en zal altijd zijn een eeuwig levend vuur, dat nu eens opflakkert en dan weer uitdooft.’ (…) Wij zijn en wij zijn niet, en hetzelfde geldt voor alle ‘dingen’ rondom ons: we zijn opgenomen in een onophoudelijke stroom, waarin alles vervloeit en onmerkbaar iets anders wordt dan het was. (…) De diepe onenigheid tussen beiden komt niet voort uit een verschillende ervaring, maar uit een verschillende evaluatie van de bestanddelen van deze ervaring. Voor beiden zijn de pijl en de rivier zowel gegeven als momentopname alsook sequentie, alleen is voor Parmenides de momentopname doorslaggevend, en voor

Rooilijn 1 | 05-2015

Herakleitos de sequentie. Beiden zijn dus van mening dat een flink deel van onze ervaring, ofschoon als ervaring ontegensprekelijk gegeven, berust op een soort gezichtsbedrog. (…) De conclusie van Oostenrijkse filosoof Alexius Meinong (1853–1920): dat aan alles waarover door de mens zinvol gepraat kan worden een vorm van bestaan moet worden toegekend. Odysseus, Klein Duimpje en Pinocchio, ze bestaan dus allemaal, samen met centauren, eenhoorns, draken en feeën (en misschien zelfs met ronde vierkanten). Terecht merkt de logicus en empirist Bertrand Russell op dat deze zienswijze alleen maar leidt tot een nodeloze en verwarrende toename van entiteiten, zo al dan niet tot een overbevolkt universum: alsof we nog niet genoeg problemen hadden met het benoemen en beschrijven van de waarneembare verschijnselen, zouden daar zomaar eventjes ook nog de ficties van onze eigen geest als ‘bestaand’ aan toegevoegd worden. (…) De Schotse scepticus David Hume hield in zijn zoektocht naar wat écht en onbetwijfelbaar ‘gegeven’ is uiteindelijk niets anders over dan ‘beelden’ als zodanig. Beelden van pijlen en rivieren, vuur en hitte, pijn en verlangen, dromen en waanideeën – niets dan een bonte opeenvolging van de meest diverse beelden, waarvan wij aan sommige een ‘realiteit’ toeschrijven en aan andere niet. Hume stelt zich de vraag op grond waarvan wij eigenlijk zo zeker kunnen weten dat onze waarnemingen in waaktoestand overeenstemmen met een werkelijk bestaande buitenwereld en onze nachtelijke droombeelden niet. Hij komt tot het besluit dat wij daartoe geen enkele strikt rationele reden hebben. Wij nemen als vanzelfsprekend aan dat het wel zo zal zijn op de grond van bepaalde vormen van coherentie tussen onze waarnemingen of tussen onze eigen waarnemingen en die van anderen. Maar ook de waarnemingen van anderen kennen we natuurlijk alleen maar door onze waarnemingen daarvan, en we vergeten dat we nooit over iets anders beschikken dan wat ons gegeven is als een waarneming. De tafel zoals ze werkelijk bestaat is ons slechts bekend in de vorm van onze waarneming van een tafel, en hetzelfde geldt voor de zevenkoppige draak zoals die ons verschijnt in een nachtmerrie, en waarvan we naderhand, maar niet tijdens de nachtmerrie zelf, concluderen dat hij niet bestaat (en ook niet bestond toen we hem meenden te zien). Alleen in de orde van het ‘verschijnen’ zelf heersen absolute zekerheid en obetwijfelbaarheid, meent Hume – en zekerheid is wat hij wel. Alles verschijnt ons, op het moment waarop het ons verschijnt, zoals het ons verschijnt, en niet anders. Het loopt pas mis zodra we proberen iets toe te schrijven, zelfs nog

35


maar zo algemeen als ‘bestaan’ of ‘niet bestaan’, aan bepaalde verschijningsvormen. ‘Bestaan’ is ons niet gegeven. Als beelden bestaan onze waarnemingen allemaal, maar geen van alle kunnen ze iets bieden wat échter zou zijn dan een beeld. Het spreekt dan ook vanzelf dat een zogenaamde ‘identiteit’ van dingen, levenloos of levend, ons al helemaal niet gegeven kan zijn: ieder beeld van de tafel of de draak is een ander beeld, en we hebben niet daarbuiten ook nog een extra beeld van datgene wat onder alle beelden onveranderd zou moeten blijven. Maar strikt genomen is ons om dezelfde reden ook niet de ‘wording’ van dingen gegeven. Ieder nieuw beeld van de tafel zou gewoon een nieuwe tafel kunnen zijn: alleen de opeenvolging is gegeven, zonder een ervaring van ‘iets’ wat wordt. Beelden bestaan voor ons zolang ze waargenomen worden; als ze verdwijnen zijn ze equivalent met onbestaand, en als ze ‘opnieuw’ verschijnen zijn het letterlijk genomen andere en nieuwe beelden. We kunnen ‘eenzelfde’ beeld nooit tweemaal hebben, om de eenvoudige reden dat we de tijdsequentie in onze hoofden niet kunnen stilzetten, laat staan terugspoelen. We kijken om ons heen en zien onze kamer met alle vertrouwde voorwerpen die er altijd al waren. We sluiten de ogen en heel deze wereld wordt onmiddellijk vernietigd. We kijken opnieuw en wat we zien zijn volkomen nieuwe beelden, die slechts vertrouwd aandoen omdat onze hersenen bij normaal gebruik het vermogen hebben om te ‘onthouden’, dat wil zeggen kopieën te bewaren van vroegere beelden waarmee de nieuwe beelden bliksemsnel worden vergeleken. (…) Het betreft hier ‘ficties’ die rationeel ongegrond zijn maar die de natuur stevig bij ons heeft ingeplant. Net zoals de dieren zijn ook wij onderhevig aan instincten, en zelfs daar waar wij dat het minst zouden verwachten: in ons denken. Wij worden gedreven door instinctieve overtuigingen en denkpatronen die wij niet kunnen doorbreken, zelfs wanneer we inzien dat ze rationeel niet gerechtvaardigd kunnen worden. De natuur doet ons dus dingen geloven die niet redelijk (dat wil zeggen niet echt gegeven) zijn. Dat is jammer voor onze rede, maar het is goed voor ons. Tot deze instinctieve denkpatronen behoort naast het geloof in

36

identiteit en het bestaan van dingen ook het geloof in causale verbanden tussen de dingen. Hume is beroemd, om niet te zeggen berucht, geworden om zijn analyse van de causale relatie, die volgens hem geheel verstoken is van iedere noodzakelijkheid en geheel berust op de dwingende macht der gewoonte. (…) Het enige wat ons, dat wil zeggen zowel de hond als onszelf, gegeven is, is de opeenvolging van dingen die in het verleden constant met elkaar verbonden waren. De ervaring van dit regelmatige samengaan produceert in onze geest een hechte associatie, die maakt dat wij bij het optreden van het ene spontaan en automatisch het andere gaan verwachten. Dit mechanisme staat in de psychologie bekend als dat van de conditionering of de geconditioneerde reflex, en het voorbeeld van de hond van Pavlov toont aan hoe weinig ‘redelijkheid’ hieraan te pas komt. (…) Tot het beeldmateriaal waarover onze geest beschikt behoort nu eenmaal niets, aldus Hume, wat niet is samengesteld uit onderdelen van zintuigelijke beelden, en daar horen de Platoonse Ideeën, laat staan de idee van God als opperwezen, nu eenmaal niet bij. Wel is het zo dat we een heleboel namen hebben voor dingen waarvan we niet alleen nooit een ervaring hadden maar waarbij we ons zelfs niets kunnen voorstellen. De onsterfelijke ziel, het hiernamaals en God zijn precies zulke namen, die inhoudelijk leeg zijn maar die door herhaald gebruik, zoals met name in de traditionele metafysica, de illusie wekken dat ze wél betekenis hebben. Ook bij Hume speelt het thema van de taalmisleiding, zoals dat al aanwezig was bij de Grieken en centraal zou komen te staan bij Nietzsche en Wittgenstein, dus een belangrijke rol. (…) David Hume aan het woord: ‘De geest is een soort theater, waar verschillende percepties achtereenvolgens tevoorschijn treden, opkomen, opnieuw opkomen, wegglijden en zich vermengen in oneindig variërende composities en situaties. Er is in werkelijkheid geen enkele enkelvoudigheid in de geest op een gegeven tijdstip, noch een identiteit door de tijd heen; hoe groot ook onze natuurlijke neiging moge zijn om ons in te beelden dat dit wel het geval is.’ (…) De belangrijkste en voor de hedendaagse filosofie meest

Rooilijn 1 | 05-2015


relevante conclusie waar Hume wél toe komt is van louter negatieve aard: er blijkt geen waarneming te zijn van de ‘waarnemer’ zelf. Zodra we op zoek gaan in ‘onszelf’ naar diegene die of datgene wat waarneemt stuiten we alleen maar telkens opnieuw op iets wat een waarneming is, en nooit op de waarnemer zelf. Beelden van voorwerpen rondom ons, herinneringen en verlangens wisselen elkaar af met lichaamservaringen, pijnen en ongemakken of met hevige passies en emoties, maar ‘onszelf’ krijgen we niet te pakken. Hoe vreemd het ook mag lijken: ons ‘ik’ zelf blijkt niet tot onze ervaringswereld te behoren. Men zou dan ook net zo goed kunnen concluderen dat het ‘ik’ niet bestaat, ware het niet dat dit dan weer tot onoverkomelijke paradoxen leidt, waaronder op de eerste plaats de vraag wat het dan wel is waaraan wij ons leven lang zo gehecht zijn en dat wij tegen iedere aanval willen beschermen. als het niet het ego is, dan moet het in ieder geval een zeer sterke illusie van een ego zijn, maar wat is het dan dat deze illusie heeft? Want iets wat niet bestaat kan toch niet vatbaar zijn voor illusies, of wel? Nietzsche probeert deze paradox enigszins op te lossen door het ‘ik’, zoals overigens de hele werkelijkheid, toe te rusten met een ‘wil tot macht’, waardoor Humes passieve bundeling van beelden verandert in een dynamisch strijdtoneel van krachten. Het ‘ik’ heeft dus wel degelijk een zekere realiteit, zij het niet de realiteit die het denkt te hebben. Het beeldt zich in een vanzelfsprekende en onproblematische eenheid te zijn, terwijl het zijn eenheid in feite voortdurend moet construeren. Het ‘ik’ is een illusie, maar de wil tot macht, of in psychoanalytische termen: de veelheid van onbewuste motieven die ons drijven, is dat niet. In de hedendaagse filosofie, die niet voor niets een differentie- en deconstructiedenken wordt genoemd, wordt dit thema in diverse variaties voortdurend heropgenomen: het ‘ik’ is geen identiteit maar een onontwarbaar kluwen van interne verschillen (differentie). We kunnen onszelf niet kennen, om de eenvoudige reden dat we onszelf niet eens zijn. Wat we onze ‘persoonlijkheid’ of ons ‘karakter’ noemen is niets anders dan een artificiële afbakening, zowel binnen onszelf als tegenover de ‘buitenwereld’, een constructie

Rooilijn 1 | 05-2015

die ons toelaat als een schijnbare eenheid te opereren maar waarvan wij binnen de kortste keren zelf het slachtoffer dreigen te worden. De psychoanalyse toont inderdaad overtuigend aan hoe een bepaalde vorm van psychotisch leed een rechtstreeks gevolg is van een al te krampachtig gefixeerd zijn op een specifieke constructie omtrent onszelf. De therapie zou dan begrepen kunnen worden als een poging tot deconstructie met de bedoeling de patiënt te bevrijden uit zijn zelfgecreëerde gevangenis en in hem de oorspronkelijke mobiliteit te herstellen van een ik dat niet identiek is met zichzelf. Maar wat de therapie keer op keer bemoeilijkt is de grote angst van de patiënt om juist dit feit onder ogen te zien. Want wat praktisch gezien een bevrijding zou kunnen zijn is natuurlijk net zo goed een ontzagelijke bedreiging: iets moet worden losgelaten zonder dat er meteen iets anders voor in de plaats lijkt te komen. (…) We hebben duidelijk nood aan iets wat blijft, zij het in de vorm van iets wat drijft, een soort van reddingsboei in de onophoudelijke stroom van tegenstellingen en veranderingen. (…) De allesbepalende vraag is hier uiteraard of datgene wat wij ons ‘psychologisch’ ik noemen (de permanent veranderde stroom van indrukken, herinneringen, verlangens en gevoelens) de enige zelfervaring is waarover wij beschikken. Het overheersende antwoord in de westerse wijsbegeerte, op de idealistische stromingen na, is dat dit inderdaad het geval is. Voor Hume geldt iedere idee van een ik dat meer zou zijn zonder meer als een fictie. Kant maakt er, meer eerbiedwaardig, een ‘noumenale idee’ van, naast de ideeën van de Wereld en die van God, en bedoelt hiermee een idee die gevormd wordt door de structuren van het kennende verstand maar verstoken is van iedere ervaringsinhoud. Husserl spreekt van het transcendentale ego, Derrida noemt het een constructie. De oplossing van Wittgenstein is enerzijds de meest elegante, maar anderzijds ook de meest schizofrene. In de empiristische voetsporen van Hume is Wittgenstein namelijk van mening dat we noch van het ‘ik’, noch van de buitenwereld en a fortiori niet van God een zintuigelijke waarneming of een duidelijke voorstelling bezitten. Spreken over deze dingen is dus inhoudsloos

37


en bijgevolg betekenisloos. De menselijke taal kan alleen zinvol functioneren wanneer ze verwijst naar dingen en eigenschappen die tot de menselijke leefwereld behoren en kan onmogelijk worden gebruikt om weer te geven hoe de ‘werkelijkheid’, los van alle categoriseringen, zou kunnen zijn. De taal gaat over de (door de mens geordende) wereld, en per definitie niet over de werkelijkheid. Maar in tegenstelling tot Hume is Wittgenstein ervan overtuigd dat het ‘onuitsprekelijke’ wel degelijk bestaat, en dat het zelfs voor ons diepste mens-zijn veel belangrijker is dan de dingen die wij wel kunnen zeggen. Merkwaardig is echter dat Wittgenstein zowel van God als van het ik zelf zegt dat ze niet tot de ‘wereld’ behoren – hetgeen een soort van drie-eenheid zou kunnen suggereren van God, de Werkelijkheid en het Ik. Helaas houdt Wittgenstein het bij een negatieve theologie en een mystiek van het onuitsprekelijke, wat het bij voorbaat onmogelijk maakt om zelfs nog maar te proberen ietwat explicieter te zijn over de onderlinge verhouding van dit ongrijpbare drietal. Wat blijft bestaat zeker, aldus Wittgenstein, maar we kunnen niet zeggen wat het is.

38

Inne: Auteur Philip K. Dick (van onder andere Blade Runner) had visionaire dromen. Kunnen wij in de toekomst kijken? Media als film, literatuur en muziek geven de ruimte om een benadering, een kijk te hebben op dingen als toekomst, heden, verleden, nu. Over tijdsindeling dus.

Rooilijn 1 | 05-2015


Inne Eysermans: 7 & 21 mei in Het Bos

Rooilijn 1 | 05-2015

39


40

Rooilijn 1 | 05-2015


‘The best garage band in America since the 60s. Very primitive. They made people with Les Pauls and Marshall amps look like idiots’. Het zijn niet onze gevleugelde woorden maar die van een zekere Jack White.

Sometimes you’re so far behind you come out ahead The Gories beantwoorden vragen van Philippe Cortens – Cortizone

Rooilijn 1 | 05-2015

41


Amper een instrument kunnen bespelen en toch met z’n drieën terloops de garagerock eigenhandig heruitvinden én, zonder bassist nog wel, met een mokerslag Motor City opnieuw muzikaal op de kaart zetten: The Gories hebben het in 1986 gewoon gedaan met hun instant-classic House Rockin’. Na drie indrukwekkende platen en enkele korte maar krachtige tours gooide het trio zes jaar later onverwacht de handdoek in de ring. Genoeg redenen dus om eens bij gitarist en zanger Dan Kroha te polsen waarom hij in 2009 plots wel zin had om samen met Mick Collins en Peggy O’Neill opnieuw concertzalen onveilig te maken. Dan Kroha: Daar heeft de orkaanstorm Katrina voor een groot deel onrechtstreeks mee te maken. Door die storm in 2005 moest Peggy haar toenmalige huis in New Orleans halsoverkop verlaten en verhuisde ze opnieuw naar Detroit, een paar straten van waar ik woon. Op een of andere manier zag ik dat als een teken om onze ruzie bij te leggen. Er waren op dat moment ook behoorlijk wat mensen die ons vroegen of we van plan waren om ooit nog eens op te treden, en fans die kwamen klagen dat ze nooit de kans hebben gehad om ons live aan het werk te zien. En The Oblivians vroegen ons ook of we niet met hen op tournee wilden. Dat hielp ook wel. Mogen we ook nieuw materiaal verwachten? Dan Kroha: We hebben één nieuw nummer, ‘On the run’, opgenomen voor Garage Swim, een gratis online Adult Swim-compilatie. Het is niet de bedoeling om een nieuw plaat op te nemen. Het zou ook allemaal net iets te krampachtig overkomen. Bovendien is samen met ons drieën de studio induiken ook niet zo vanzelfsprekend meer omdat we niet meer in elkaars buurt wonen. Tegenwoordig worden jullie nogal eens genoemd als inspiratiebron door andere bands. Knaagt het niet een beetje dat die erkenning pas kwam na jullie split in 1992? Dan Kroha: Ik ben nu tevreden dat het allemaal zo gelopen is. Andere groepen die je de hemel in prijzen omdat je tijdloos klinkt en die de invloed van The Gories niet onder stoelen of banken steken, dat vind ik eigenlijk best een waardevol compliment.

42

Wat vond je van het plotse succes van The White Stripes? Het lijkt me wel heftig om een groep zo onverwacht en snel beroemd zien te worden met de sound die ze voor een groot deel aan The Gories te danken hebben. Dan Kroha: Dat was wel behoorlijk frustrerend, vooral in het begin, rond 2001. Het heeft eerlijk gezegd wel een paar jaar geduurd voor ik me er volledig heb kunnen overzetten. Maar ik ben wel nooit ziekelijk jaloers geweest op Jack White of The White Stripes. Heb je hem ooit ontmoet? Dan Kroha: Verschillende keren. Onze eerste ontmoeting moet ergens in 1998 geweest zijn, in de Gold Dollar: the place to be als het op rock-’n-roll aankwam in Detroit in die periode. Hij kwam op me afgestapt en vroeg of ik Dan van The Gories was. Hij vertelde me dat hij een fan was. Ik heb me bewust op de achtergrond gehouden op het moment dat The White Stripes echt bekend werden. Er zwermden toen net iets te veel mensen uit Detroit in zijn buurt rond die met hem bevriend wilden worden en met hem op stap wilden gaan. Ik ben blij dat Third Man Records The Shaw Tapes van ons heeft uitgebracht. They are doing a good job. Jullie songs hebben een dwingend, urgent gevoel. Is het na 20 jaar nog steeds even gemakkelijk omdat gevoel op het podium op te roepen? Dan Kroha: We zijn door ouder te worden ook wel wat rustiger geworden tijdens concerten. De urgentie is zeker nog aanwezig maar klinkt momenteel eerder dieper, volwassener en intenser dan vroeger! Veel nummers van The Gories gaan ook over jullie thuishaven Detroit en over het verlangen om er weg te geraken en te vluchten uit de stad. Jij bent de enige van de drie groepsleden die altijd in Detroit is blijven hangen. Hoe groot is je liefde voor de stad? Dan Kroha: Ik ben altijd heel loyaal geweest tegenover Detroit, vooral omdat het al zo lang de underdog van Amerika is. Het is ook de enige thuis die ik ooit gehad heb. Bovendien hielden mijn ouders niet van verhuizen. Ik heb mijn hele jeugd en tienertijd in hetzelfde huis gewoond. Ik ben dus nogal honkvast opgevoed, vandaar. Hoe zou je de sfeer er anno 2015 omschrijven? Dan Kroha: Het is tegenwoordig een beetje te vergelij-

Rooilijn 1 | 05-2015


ken met een oorlogsgebied. Je moet altijd uitkijken of er nergens gevaar sluipt. Maar je probeert ook altijd te focussen op iets goeds en hoopvols. Je voelt meer dat je leeft in Detroit. Wat moet er volgens jou veranderen daar? Dan Kroha: Er zouden nu meer oude gebouwen moeten bewaard blijven. Ik word echt triest als ik zie hoeveel er de laatste 20 jaar in Detroit gesloopt is. Het is bijzonder jammer om vast te stellen dat alle arbeiders die de stad hebben gebouwd er vertrokken zijn. De industrie die ooit zoveel mensen werk gaf is bijna volledig verdwenen. Al de fantastische muziek uit Detroit is er gekomen dankzij de working class die destijds vanuit het zuiden hier kwam om te werken in de fabrieken. Daar is vandaag nog bijzonder weinig van terug te vinden. Er mag ook meer waardering voor handarbeiders en leraars komen. En het is tijd om meer aandacht aan kunst en opvoeding te besteden in Detroit. Heeft de stad als omgeving invloed op muziek, denk je? Zouden The Gories anders klinken als jullie in New York opgegroeid waren? Of is dat een te romantisch gedachte? Dan Kroha: Nee, dat is zeker geen romantische gedachte: de omgeving heeft een effect op alles wat we doen. Detroit is niet zo hip als New York, en daar hou ik net van. Je wordt hier meer met rust gelaten en je moet je plan trekken in Detroit. Sometimes you’re so far behind you come out ahead. En het leven is hier heel goedkoop. Ook een voordeel. Heb jij enig idee waarom er zoveel waanzinnig goeie muziek – van Motown-soul en garagepunk tot techno en hiphop – uit Detroit komt? Dan Kroha: Dat heeft volgens mij te maken met de smeltkroes aan cultuur die er aanwezig is door de arbeiders die vanuit andere steden naar hier verhuisd zijn om in de autofabrieken aan de slag te gaan. Alle muzikanten hier zijn trots op de rijke Detroitse muziekgeschiedenis, die op zich ook een onuitputtelijke inspiratiebron blijft.

Welke groep zou je zelf graag opnieuw bij elkaar zien komen? Dan Kroha: Ik vind het nog altijd jammer dat The Velvet Underground geen Amerikaanse reünieshows heeft gespeeld in de jaren 1990. The New York Dolls met Johnny Thunders zien zou ook echt een droom zijn die uitkomt. Verder heb ik er spijt van dat ik geen enkel Sex Pistols-reünieconcert heb meegemaakt en de shows van Roxy Music gemist heb. Wat is het best bewaarde geheim van The Gories? Dan Kroha: Dat Mick Collins de grootste muziekfreak met de waanzinnigste, breedste muzieksmaak ter wereld is. Zou je sommige zaken nu anders aanpakken mocht je de tijd kunnen terugdraaien? Dan Kroha: Meer ambitie hebben en minder lui zijn, dat is het enige wat ik echt anders zou doen! The Gories zouden nu bekender geweest zijn als we er in het begin wat meer moeite in hadden gestoken en vaker hadden getourd toen. De vijf beste bands uit Detroit (volgens The Gories) The Stooges MC5 Parliament/Funkadelic The Funk Brothers (Motown studio band) The Hysteric Narcotics De vijf beste artiesten uit België (volgens The Gories) Adriaen Brouwer Django Reinhardt The Kids Plastic Bertrand Jacques Brel The Gories: 18 mei in Het Bos

Zijn er nieuwe bands uit Detroit die we in het oog moeten houden? Dan Kroha: Er zijn hier altijd goeie groepen! Momenteel zou ik The Pretty Ghouls, Moonwalks en mijn andere band Danny and The Darleans aanraden om te checken.

Rooilijn 1 | 05-2015

43


44

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

45


Met welke Voyager Alex Mayhem, Michael Shredlove, Club Cannibal, Joey Crystal, Kid Supreme, Robert Magnet, Ricky Sunset en Max Hijacks tot hier geraakt zijn weet niemand echt, maar in het parallelle universum van Chrome Brulée kleurt alles technicolor, is plutonium legaal te koop en knallen deze vijf platen in endless repeat uit hun quadrafonische speakers. Kiss the eighties hiss!

Chrome Brulée 30 mei in Het Bos

46

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

47


Op 23 mei wordt The Wonderful World of Well Sounding Voltages and Projected Light van Floris Vanhoof voorgesteld. Op die DVD vind je zowel het verzamelde filmwerk van Vanhoof als liveregistraties van zijn performances. De DVD komt uit op het label Taping Policies van Jef Mertens, waarop eerder al schoon volk als Ignatz, Tony Conrad & Charlemagne Palestine, Flower-Corsano Duo (live at Scheld’apen) en Lightning Bolt passeerden.

Floris Vanhoofs hoofd Vincent Stroep

48

Rooilijn 1 | 05-2015


Vanhoof wandelt mijn woonkamer binnen op een zaterdagochtend. Ik bied hem een stuk Tsoureki aan, een Grieks gevlochten paasbrood, dat hij met plezier in ontvangst neemt. Hoe verhoudt je werk zich tot brood? Ik wil eigenlijk een film maken met brood. Wanneer een brood door een automaat wordt gesneden, ontstaat er een onderverdeling die vergelijkbaar is met de frames van een film. Ik wil de individuele sneden op een stuk pellicule leggen en die belichten met een zaklamp. Brood heeft een bijzondere structuur dankzij de bellen koolzuurgas die ontstaan tijdens het bakken. Die bellen zullen cellen achterlaten op de belichte pellicule, een fijnmazige structuur van ovalen en cirkels. Zuurdesembroden zijn wat te compact, maar van wit brood verwacht ik mooie resultaten. Kan je die techniek iets meer toelichten? Zoals bij een groot deel van mijn films werk ik in de donkere kamer, bijvoorbeeld die van de Filmwerkplaats in Rotterdam. Ik verzamel er alle lange tafels die ik in het gebouw kan vinden en rol dan onbelichte film uit over het tafelblad. Daarop leg ik de meest uiteenlopende objecten. Brood zou dus bijvoorbeeld kunnen. Maar in het verleden gebruikte ik onder andere zand uit de Kempense zandputten – het witste zand ter wereld – of viewmasterplaatjes, of printplaten van een synthesizer. Zo krijg je fotogrammen, zoals Man Ray er maakte, een type beelden dat zo goed als onmogelijk te maken valt met een camera. Het resultaat geeft mij zeer veel voldoening. Door het medium op deze onconventionele manier te gebruiken, krijg je ongewone ritmes in beeld. Ik ben zeer geïnteresseerd in het transformatieproces dat plaatsvindt wanneer beelden of geluiden van het ene medium naar het andere worden overgezet. Een ander belangrijk aspect van deze werkmethode is de uitvergroting. Een zandkorrel kan, eens hij is vastgelegd op film, door een filmprojector welke schaal dan ook aannemen. Het ritme van een filmprojector, 24 beelden per seconde, sluit zeer dicht aan bij hoe ik me voel. Ik kan mijn interne klok goed synchroniseren op die flikkering, de film loopt parallel met mijn gedachten en ideeën.

Rooilijn 1 | 05-2015

Wat zal je precies doen tijdens Boskamp? Ik ga een hoop dia’s projecteren. Op 10 minuten ongeveer 160. Dit beeldensalvo wordt verdeeld over vier projectoren. Er ontstaan heel korte animaties van vier beelden. Ik bespeel de projectoren als een piano. Zo ontstaat er een bijzonder fascinerend fenomeen waarbij de ritmes van het beeld en het geluid afwisselend covergeren en divergeren. Een soortgelijke methode paste ik toe tijdens mijn performance in 2013 in De Nachtwinkel. Deze keer werk ik weliswaar met een vooraf opgenomen klankband, waardoor ik meer vrijheid krijg om te spelen met de beeldritmiek. Het stuk is gebaseerd op een aantal plastic speelgoedfiguren die al jaren voor inspiratie zorgen in mijn atelier. Omdat ze er al zo lang staan, ben ik me gaandeweg beginnen afvragen wat er precies in hun hoofd omgaat. Met een microscoop heb ik op hun hoofden ingezoomd, zo ver als ik kon, met extreme close-ups en zelfs abstracte beelden als resultaat. Die beelden zelf zal ik steeds opnieuw fotograferen, tot er uiteindelijk alleen een korrel overblijft. Hopelijk kom ik daarmee te weten wat er in hun hoofd gaande is. Van het tweede stuk dat ik zal uitvoeren bracht ik al eens een versie in De Stadslimiet. Er hangt een lamp boven mij die flikkert op dezelfde patronen als de geluiden die ik maak. Vorig jaar componeerde ik complexe structuren met vele variaties, maar door hun complexiteit boette ik in aan spelplezier. De stukken vergden zoveel concentratie dat er geen ruimte meer was voor spel. Daarom heb ik me nu gebaseerd op een eenvoudigere structuur, waar ik dan meer met timbre – de kleur van de klank – speel. Door middel van biofeedback kan ik mezelf ‘in’ de muziek verplaatsen: mijn hersengolven worden live afgetapt. De kleine elektronische spanningen uit m’n hersens worden versterkt en besturen delen van mijn analoge elektronische muziekinstrumenten. Hierdoor worden de klank en de flikkering van de lamp beïnvloed. Mijn hersenen reageren op deze flikkeringen en de feedbackcirkel begint opnieuw en opnieuw. Floris Vanhoof: 23 mei in Het Bos

49


50

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

51


Beeld: STROOM.TV

STROOM.TV: 23 mei in Het Bos

52

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

53


Wat wij plaatsen of plekken noemen zijn stabiele locaties waar onstabiele krachten convergeren. (D. Peleman)

Een nieuwe blik op het verleden in de publieke ruimte Rob Jacobs

54

Rooilijn 1 | 05-2015


Ook al vierde Congo in 2010 vijftig jaar onafhankelijkheid, de ruiterstandbeelden en bustes uit de koloniale periode zijn nog steeds in de Belgische publieke ruimte aanwezig. De herinneringen aan die tijd zijn echter niet onverdeeld zoals deze monumenten laten uitschijnen. Het optimistische verhaal van vooruitgang maakt sinds de jaren 1960 plaats voor een negatieve lezing, waarin het lijden van de Congolezen centraal staat. Het standbeeld is, in tegenstelling tot de herinnering, niet flexibel. De stenen versie van het verleden op pleinen en vluchtheuvels is nog steeds een verhaal van militaire heldenmoed, culturele evolutie en dankbaarheid jegens de kolonisator. Sommige van deze standbeelden zijn plaatsen van gecontesteerde herinnering geworden die een decor vormen voor protestacties. Door het standbeeld te transformeren wordt het beladen met een nieuwe (tijdelijke) betekenis. In 2004 kapte iemand de hand van een bronzen Congolees af in Oostende. In 2008 overgoot iemand Leopold II met rode verf in Brussel. Wij stellen ons de vraag welke rol het monument in het bijzonder, en de publieke ruimte in het algemeen, vandaag hebben in de discussie over het Belgische koloniale verleden. Is het koloniale monument een fysieke plek waar verschillende discours met elkaar botsen, of een obstakel waar mensen zonder opkijken voorbijwandelen? Hoe worden publieke plaatsen vandaag gebruikt om betekenis toe te schrijven aan het verleden? We observeren en maken foto’s. Een keer per week komen we samen in een lokaal in Het Bos. We bespreken er onze aantekeningen, we hangen er onze foto’s aan de muur. Ons onderzoek bestaat uit twee luiken: 1. We verzamelen afbeeldingen van verwijzingen naar het kolonialisme die we in Belgische steden aantreffen. Zo stellen we een gegevensbestand samen van gebouwen en standbeelden, kunstwerken en politieke acties. We vragen ons af wat een monument is. We vragen ons af of in onze verzameling kandidaat-monumenten een verandering in interpretatie te bespeuren valt. Omdat we deze complexe vragen niet eenduidig kunnen beantwoorden, verleggen we onze ambitie naar het zoeken van een geschikte manier om onze twijfels te communiceren. We werken daarom aan een website waarop we alle foto’s tonen, alle codes duiden, alle verwijzingen in hun historische context plaatsen. Bezoekers kunnen

Rooilijn 1 | 05-2015

aan de hand van een aantal hashtags de gegevens filteren op vormtaal, thema, periode en historiciteitsregime. De website is geen eindproduct waarin we onze resultaten uiteenzetten, maar een poging om op een overzichtelijke manier onze voorlopige inzichten kenbaar te maken en nieuwe vragen op te roepen.

MOGELIJKE CRITERIA VOOR WAT EEN MONUMENT IS: # # # # # # #

publiek commemoratief duurzaam object spoor medium beeld

THEMA’S: # # # # # # # # # # # #

Congolese volk Belgische volk slavernij heroïsme Leopold II Lumumba voorspoed Congo vooruitgang Congolees individu Belgisch individu religieuze verlichting rubberregime

PERIODES: # # # # #

voor 1885 1985–1908 1909–1960 1961–1995 na 1995

HISTORICITEITSREGIMES: # modern # postmodern

2. ‘Troonplein, oktober–april’ is een visueel essay. Gedurende een half jaar bestuderen we het gebruik van het Leopold II-standbeeld aan de Brusselse Place du Trône. Om de drie dagen gaat een van ons naar het plein. We fotograferen wat ons opvalt, we maken aantekeningen. We vragen ons af wat de hedendaagse functie is van het koloniale monument, of het koloniale monument nog een functie heeft. We willen weten welke groepen het plein gebruiken en welke betekenissen ze aan het beeld van Leopold II toeschrijven. We zijn benieuwd of de controverse rond de Belgische koloniale herinnering en het debat omtrent het koloniale erfgoed hier zichtbaar worden, maar gaan daar niet van uit. We zijn even geïnteresseerd in betogingen als in mensen die hun hond uitlaten.

55


GEBRUIKERS:

- ongeïnteresseerde voorbijgangers - rondhangende jongeren - pauzerende werknemers - afvalstorters - sporters - verdwaalden - groendienst Brussel - geïnteresseerde bezoekers (rondleiding of eigen initiatief; toeristen of buurtbewoners) - stadsgidsen - daklozen - spelende kinderen - vandalen/activisten - kunstenaars/activisten - onderzoekers (andere) - softdruggebruikers - oud-kolonialen/militairen/royalisten - drugdealers

OBSERVEERBARE ACTIES: -

voorbijwandelen opkijken samenkomen rusten afval storten fotograferen werken poseren sporten zich oriënteren spelen zich artistiek uiten slapen zich politiek uiten kopen onderzoeken verkopen

FUNCTIES STANDBEELD:

- beschutting tegen wind en blikken - opdeling ruimte - zitbank - podium - obstakel - werkgelegenheid - werkruimte - onderwerp van onderzoek - voetbalgoal - beeld van Leopold II als Belgische koning / als kolonisator van Congo / als uiting van gevestigde orde - kunstwerk/bezienswaardigheid - bewijs van bezoek

56

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

57


58

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

59


60

Rooilijn 1 | 05-2015


Rob Jacobs werkt aan een doctoraat in de filmstudies en visuele cultuur. Hij begeleidt een groep studenten van de 3e bachelor communicatiewetenschappen aan de Universiteit Antwerpen bij het onderzoeksproject voor hun gezamenlijke bachelorproef. Webdeveloper Romeo Van Snick heeft hen geholpen bij het ontwerpen van de website, waarvan een voorlopige versie te zien is op http://rob.deimagerie.be. Filmmaker Anne Reyniers heeft intensief meegewerkt aan het visuele essay. De studenten zijn Michelle Maes, Evelyn Tiebos, Joppe Hellemans, Isabelle Lenaerts, Laura Van Roy, Steffi Nagels, Eline Dams, Mathilde Demey, Elisa Dom, Sarah Goris en Bernadette de Vos.

Rooilijn 1 | 05-2015

61


Iedereen een basisinkomen? Of toch liever loon naar werken? Het idee om iedere burger een onvoorwaardelijk inkomen te geven wint de laatste maanden enorm aan populariteit. De groeiende sociale ongelijkheid zorgt ervoor dat mensen meer aandacht krijgen voor socio-economische alternatieven. Het verzekeren van een basisinkomen is een schijnbaar eenvoudige ingreep die tot de verbeelding spreekt in een tijd waarin heel Europa gebukt gaat onder een streng besparingsbeleid.

Gratis geld

62

Rooilijn 1 | 05-2015


Wat houdt zo’n basisinkomen nu precies in? Iedereen krijgt een vast inkomen dat onafhankelijk is van individuele posities of andere inkomens. Tot zover zijn we mee. Maar wat wordt er afgeschaft om ruimte te maken voor dit basisinkomen? De sociale zekerheid zoals we ze nu kennen zal baan ruimen, zoveel lijkt zeker. Weg met uitkeringen, bijstand en toeslagen. In plaats daarvan krijgt iedereen een onvoorwaardelijk inkomen boven op het loon. Maar welke sociale voorzieningen worden hiermee nog op de helling gezet? Iedereen wil armoede de wereld uithelpen; de vraag is of het basisinkomen daarvoor het juiste instrument is. Wat is het effect ervan op de arbeidsmarkt en de lonen, wat met de stabiliteit van de economie en de positie van de werknemer? Hoeveel moet een basisinkomen bedragen? Wat met de arbeidsbereidheid? Een omschakeling naar een systeem waarbij iedereen meer aandacht kan besteden aan zelfontplooiing, zonder zich zorgen te moeten maken over geld, daar kan niemand tegen zijn. Een samenleving waarin iedereen meer tijd heeft om voor elkaar te zorgen en positiever in het leven staat: laat maar komen. De groeiende ongelijkheid en de hoge werkdruk zijn maar twee van de vele problemen die onze maatschappij teisteren. We moeten op zoek naar antwoorden die ons huidige sociale beleid niet kan bieden. Hoog tijd om uit te pluizen of het basisinkomen het juiste antwoord is op de uitdagingen van deze tijd. Op 9 mei gaan we tijdens Boskamp op zoek naar antwoorden in een grondige discussie over het basisinkomen. Die vindt plaats in het kader van de Tegenlicht Meetups, een debattenreeks die wordt georganiseerd door Het Bos, Theater Zuidpool en boekhandel De Groene Waterman, geïnspireerd op de Tegenlicht-reportages van de Nederlandse omroep VPRO. Aan het woord komen Walter Van Trier, Nele Van Parys, Francine Mestrum en Sarah Van Liefferinge.

Rooilijn 1 | 05-2015

WALTER VAN TRIER is doctor in de economie en onderzoeker bij de vakgroep Sociale Economie van de Universiteit Gent. NELE VAN PARYS is studentenvertegenwoordiger aan de Universiteit Gent en actief bij Studenten Troef, COMAC en PVDA.

FRANCINE MESTRUM is doctor in de sociale wetenschappen.

SARAH VAN LIEFFERINGE is filologe en partijwoordvoerster van De Piratenpartij. In deze publicatie laten we de twee laatstgenoemde panelleden op u los. Francine Mestrum en Sarah Van Liefferinge brengen een pleidooi voor of tegen het basisinkomen. Tegenlicht-documentaire Gratis geld en debat: 9 mei in Het Bos

63


WAAROM EEN BASISINKOMEN GEEN GOEDE OPLOSSING KAN ZIJN Francine Mestrum

Een beetje gek is het wel, de manier waarop het debat over een ‘onvoorwaardelijk basisinkomen’ plots weer de kop opsteekt, als een monster van Loch Ness dat maar eens om de zoveel jaar is te zien. Ik hoop van harte dat het ook weer verdwijnt, want het is mijns inziens géén goede oplossing en brengt belangrijke principes voor onze samenleving in gevaar. Ik wil hier zeer kort vier principiële en één heel pragmatisch argument aanhalen. Eén: ‘onvoorwaardelijkheid’ bestaat niet, nooit en nergens. Elke samenleving berust op wederkerigheid en het burgerschap zelf is een relatie tussen individu en overheid, waarbij de een bescherming biedt en de ander loyauteit. Twee: de mens kan zich niet totaal bevrijden van arbeid, hoeveel robots er ook komen. Er blijft altijd een deel maatschappelijk noodzakelijke arbeid over die logischerwijs door de hele samenleving moet worden verricht. Waarom zou iemand moeten worden vrijgesteld van zijn/haar deel van de verantwoordelijkheid? Drie: een basisinkomen berust op een verticale relatie tussen overheid en individu, terwijl onze sociale bescherming berust op een collectieve horizontale solidariteit tussen burgers. Dit is een erg belangrijk beginsel dat al lang onder vuur wordt genomen door de neoliberalen. Voor hen bestaat er geen samenleving, en de voorstanders van het basisinkomen lijken hun gelijk te geven. Vier: progressieven streven naar vrijheid én gelijkheid. Maar gelijkheid bereik je niet door verschillende mensen gelijk te behandelen, integendeel. Wie een gelijk resultaat wil bereiken zal er rekening mee moeten houden dat sommigen (zieken, gehandicapten…) meer nodig hebben dan anderen. Een gelijk basisinkomen voor iedereen zal daarom de ongelijkheid bestendigen of zelfs versterken. Vijf, een zuiver pragmatisch financieel argument: de armoede in België kan volledig worden uitgeroeid met vijf tot zes miljard euro. Waarom dan streven naar een maatregel die meer dan honderd miljard euro kost en bovendien de collectieve solidariteit en de samenleving zelf in gevaar brengt? Het zijn slechts vijf argumenten die nog heel wat uitleg verdienen. Het spreekt voor zich dat ons huidig systeem van sociale bescherming grondig moet worden

64

hervormd, dat de schotten tussen de verschillende systemen moeten verdwijnen, dat we naar een drastische arbeidstijdvermindering moeten en dat alle mensen voldoende middelen moeten hebben om waardig en decent te leven. Dat kan, zonder toe te geven aan de neoliberale dagdromen. De toekomst ligt bij een hervormde sociale bescherming, met de beste ideeën van het bestaande systeem en de beste en meest vernieuwende ideeën van het basisinkomen.

Rooilijn 1 | 05-2015


WAAROM HET BASISINKOMEN DE WEG VAN DE TOEKOMST IS. Sarah Van Liefferinge

Nieuwe tijden vragen om nieuwe antwoorden. Door globalisering, digitalisering en automatisering verandert de wereld steeds sneller. We zien hoe ook ongelijkheid, polarisering en radicalisering toenemen. Als we krampachtig vasthouden aan oude instellingen, denkbeelden en gewoontes, dan zullen deze onvermijdelijk botsen met de nieuwe mogelijkheden die de digitale omwenteling biedt. Het basisinkomen is geen wondermiddel. Maar het concept biedt, indien het juist wordt ingevuld (1200 à 1500 euro in België), wel antwoorden op een aantal uitdagingen waar we momenteel mee geconfronteerd worden. Zo levert het basisinkomen een alternatief voor de falende arbeidsmarkt en de stijgende werkloosheid. Door robotisering en outsourcing naar lageloonlanden is er onvoldoende betaald werk. Deze trend valt niet te stoppen. We moeten het vinden van een betaalde job dan ook loskoppelen van het recht op een inkomen en een waardig leven. De onzekerheid en de stress die de huidige stand van zaken genereert, is ongezond voor mens en maatschappij. Het gebrek aan betaald werk hoeft geen ramp te zijn, als we onze visie op arbeid en zinvol leven maar bijstellen. We kunnen profiteren van het feit dat robots en andere technologieën onze jobs overnemen. We kunnen de arbeid die er is beter verdelen en kortere werkweken invoeren. We kunnen tijd en ruimte nemen voor vrijwilligerswerk, voor ondernemerschap, voor de zorg voor kinderen en ouderen, voor opleidingen en zelfontplooiing, of simpelweg om even stil te staan en na te denken. Experimenten met het basisinkomen tonen aan dat deze inkomenszekerheid het aantal dokters- en ziekenhuisbezoeken beduidend doet dalen: mensen hebben minder psychische klachten en fysieke ongevallen. Onthaasten doet ons deugd, zo blijkt. Het valt moeilijk te ontkennen dat onze hedendaagse samenleving kreunt onder het toenemende aantal depressies, burnouts en andere welvaartsziektes. De ratrace en de groeidwang eisen hun tol. Dit systeem van welvaart boven welzijn is onhoudbaar. Er is genoeg welvaart gecreëerd om armoede en dakloosheid uit te roeien. Maar de huidige verdeelmechanismes, met name de markt waar iedereen krijgt wat hij verdient, en de sociale zekerheid die corrigeert en herverdeelt, werken niet naar behoren, zo toont de realiteit

Rooilijn 1 | 05-2015

ons. De ongelijkheid blijft toenemen. We hebben nood aan een nieuwe verdeelsleutel. Bovendien is onze welvaartsstaat gestoeld op de betuttelende principes van controle, bestraffing en activering. Dit paternalistische systeem werkt niet emanciperend en is nodeloos complex, ontransparant en bureaucratisch. De sociale zekerheid heeft haar diensten bewezen, maar is niet meer van deze tijd. Het basisinkomen daarentegen is gebaseerd op de principes van gelijkwaardigheid en empowerment. Elke burger ontvangt hetzelfde bedrag, onafhankelijk van burgerlijke status, levensstandaard of positie op de arbeidsmarkt. Zo ontmijnt het basisinkomen de huidige polarisering tussen zij die werken (en de sociale zekerheid overeind houden) en zij die een uitkering ontvangen (en gestigmatiseerd worden als ‘profiteurs’), tussen de verschillende generaties en tussen ambtenaren en zelfstandigen. ‘Maar hoe gaan we dat in godsnaam betalen?’ Ook de financiering van het basisinkomen biedt interessante en toekomstgerichte antwoorden. Er moet een tax shift komen van lasten op arbeid naar taksen op (luxe) consumptie, milieuvervuiling, grondstoffengebruik, robotisering, kapitaal en financiële transacties. Het is hoog tijd om de reële kosten van onze massaproductie-, consumptie- en wegwerpcultuur in rekening te brengen, en de transitie te maken naar een duurzame en rechtvaardige economie. Daarnaast biedt de afslanking van de bureaucratie een bron van inkomsten en een welkome shift van uitgaven. Is het basisinkomen een utopisch idee? Ja, natuurlijk, net zoals de invoering van de achturige werkdag (die we vieren op 1 mei) en de afschaffing van de slavernij en de kinderarbeid dat ooit waren. Toen werden dezelfde tegenargumenten als nu bovengehaald: ‘Dat is onbetaalbaar! Onze economie gaat instorten!’ Zou het geen doodzonde geweest zijn als men toen economische dogma’s had laten primeren boven fundamentele mensenrechten?

65


Over geld, werk, tijd en artistieke activiteit met Koen BleuzĂŠ (voorheen Cordon Coffee, nu vzw De Imagerie )

Fabels Lotte De Bruyne

66

Rooilijn 1 | 05-2015


Een jaar geleden opende Koen Bleuzé van Cordon Coffee de Bosbar in Het Bos. Die bar beschouwde hij als een logische volgende stap in zijn zoektocht om koffie en dingen die hem bezig houden met elkaar te verbinden. Bij de opening van de bar vertelde hij ons onder andere dat koffie is niet oneindig interessant is. Wat het voor hem boeiend maakt, is wat erbij komt kijken, de mensen die het samenbrengt. Een jaar later bestaat zijn zaak Cordon Coffee niet meer. Koen wou nog wel ondernemer zijn, maar niet noodzakelijk met winst als doel. De zaak is opgegaan in de vzw De Imagerie, die gedragen wordt door drie mensen: Arno Kempynck, Thijs Paijmans en Koen Bleuzé. Koen vertelt waarom hij werkt zoals hij nu doet. Hoe het komt dat hij officieel geen ondernemer meer is, en waarom hij werkt met een systeem van vrije bijdragen in plaats van vaste prijzen.

HET ZELFSTANDIGENSTATUUT ALS VORM VAN VRIJHEID Koen Bleuzé: Zelfstandig werken, en dus een onderneming leiden, was voor mij gewoon een vorm om te kunnen doen wat ik wilde. Ik werd zelfstandige om wettelijk in orde te zijn met mijn activiteit, zodat ik die op een eerlijke en reguliere manier kon uitoefenen in België. Het was helemaal niet raar of moeilijk om over te schakelen op een andere bedrijfsvorm – een vzw – toen dat beter leek te passen. Wat ik deed met Cordon Coffee is eigenlijk samen te vatten als ‘dingen rond koffie’. Het begon met zelf koffie branden, maar werd al gauw meer. Tegelijkertijd was ook Cordon Coffee een zoektocht naar manieren om dingen geregeld te krijgen. Ruilen bijvoorbeeld: koffie kan iets worden waar je koekjes voor krijgt. Er kan een boeiend netwerk ontstaan als je niet enkel op economische wijze (wat is het waard in geld, wat staat daar tegenover in valuta) naar de dingen kijkt. Het Bos heeft veel ruimte. Daardoor kon ik eindelijk de grotere brander zetten waar ik al lang van droomde. Deze nieuwe machine was een belangrijke stap in de overgang naar De Imagerie. Ze stelt ons in staat om sneller en efficiënter te branden, waardoor er geld en tijd vrijkwam voor andere dingen dan koffie.

Rooilijn 1 | 05-2015

Arno was bezig met Hart boven Hart en allerlei sociale dingen, Thijs kan filmen en zou graag meer documentaires maken, ik had Cordon Coffee en een plek in Het Bos. Zo is De Imagerie langzaam beginnen groeien. Cordon Coffee bestaat niet meer. Ik ben dus ook geen zaakvoerder meer. Wij vormen samen De Imagerie, maken samen beslissingen en sluiten samen contracten af. Ik vind het belangrijk dat in de structuur van de vzw iedereen nu gelijkwaardig is. Er is geen hiërarchie meer. Ik ben niet de baas. Ergens voel ik mij nu zelfs nog meer ondernemer dan vroeger, gewoon omdat ik veel breder werk en op meer vlakken actief ben. De Bar en de brander geven ons de mogelijkheid om dingen te maken en te doen. En tegelijkertijd maken die bar, die plek en de koffie ook echt deel uit van het project. De bar bevindt zich ook niet zomaar op een lukrake plaats in de stad. Ze staat in Het Bos, een plek met een filosofie en een geschiedenis. Een plek waar veel mensen komen en waar het sociale en dat artistieke aspect ook daadwerkelijk aan bod komt. In die geest klopt het dus helemaal.

GELD, TIJD EN IDEEËN DIE ER NOOIT VAN KOMEN De Imagerie creëert een kader om dingen te realiseren die anders dromen zouden blijven. Dingen die geen werkelijkheid worden omdat iedereen eerst geld moet verdienen. Dingen die een stille dood sterven omdat ze niet haalbaar zijn, meestal om stomme, praktische redenen. Als je steeds maar plannen maakt, en er geen uitvoert, dan besef je dat er iets in je leven moet veranderen. Binnen vzw De Imagerie kan er heel veel. Ik kan vrienden die kunst maken of sociaal actief zijn nu de nodige financiële middelen geven om hun projecten uit te voeren. De Imagerie is een onderneming die zowel maatschappelijk als artistiek, en dan vooral op audiovisueel vlak, actief is. Ik vind het heel fijn om dit samen te doen. In je eentje iets opzetten en creëren heeft toch echt wel zijn beperkingen. De meeste interessante dingen schuilen in groepsdynamiek. Al is dat soms moeilijk. Ik besef dat je mensen nodig hebt die ruimte scheppen voor andere mensen. In Het Bos zie ik dat ook. Niet iedereen hoeft op de scène te staan.

67


We kennen onszelf een loon toe. En we zijn alle drie actief binnen de vzw. Achter de bar staan, dingen regelen en administratie doen, de bar kuisen, koffie branden, documentaires maken, maatschappelijke acties ondersteunen, debatten organiseren… Sommige van die activiteiten brengen rechtstreeks geld op, andere niet. Sommige brengen meer geld op dan andere. En dan stoot je meteen op vragen. Voor mij is het maken van een documentaire die misschien geen geld oplevert, evenwaardig aan een shift achter de bar. Maar werkt dat zo? Mensen voelen zich daar al gauw ongemakkelijk bij. Ik heb beseft dat er een aantal fabeltjes bestaan over artistieke activiteit, werk, geld en tijd. De romantische gedachte ‘als je iets echt graag wilt, dan doe je dat’ is daar een van. Het is niet zo eenvoudig. Er kan veel in de weg staan. Probeer maar eens iets zinvols te doen als het gros van je tijd naar je economisch relevante dagwerk gaat. Je kan niet alles tegelijk. De vragen die ik daarover heb, tracht ik binnen De Imagerie bijna empirisch te beantwoorden. Is het mogelijk om economische activiteit af te wegen tegenover artistieke activiteit? Moet er voor een kunstenaar altijd een financiële verantwoording mee gemoeid zijn? Kan je dat ook los van elkaar zien? Of kan je daar op een andere manier mee omgaan zodat beide niet zo’n contrast vormen? En als je dan ruimte en tijd schept zodat de economische realiteit minder zwaar doorweegt en je kunstenaars gewoon hun zin laat doen, rijst meteen de volgende vraag: wat gebeurt er als je mensen volledig loslaat? Is het wel opportuun om zo’n onafhankelijkheid te scheppen? Wat doe je met vrije tijd, als alles eigenlijk vrije tijd is? Wat als je voldoende tijd en geld hebt? Wat als iemand gewoon alle tijd krijgt en zich niet moet verantwoorden? Bouw je dan niet eigenhandig een soort ivoren toren? Stel je voor dat Thijs en Arno niet meer in de bar moeten werken en we hun een loon kunnen garanderen zodat ze echt tijd krijgen. Aangezien we het geld gewoon zelf verdienen, moeten we ons aan niemand verantwoorden. Is zoiets dan productief? Heb je niet altijd een soort kader nodig?

68

Dit zijn gelijkaardige vragen als gesteld worden in het debat over het basisinkomen dat we organiseren.

ECONOMISCH ACTIEF ZIJN ZONDER KLASSIEK ONDERNEMERSCHAP Ik vind het interessant dat we het economische aspect net niet volledig uitsluiten. Ook dat is een realiteit. Het economische is gewoon één van de factoren van De Imagerie. We zijn zelfbedruipend, maar voor mij is het een enorme vrijheid om niet meer ‘de ondernemer’ te zijn. Het woog soms een beetje op me als ik merkte dat mensen mijn activiteit niet als oprecht zagen. Wanneer ik destijds over Cordon Coffee zei dat ik het niet voor het geld deed, werd dat niet geloofd. Als ik op straat iets deed rond koffie, of koffie ruilde, dan werd dat een promostunt genoemd, terwijl het voor mij een soort van experiment was. Niet dat de mening van anderen me zoveel kon schelen, maar ik besef nu dat het een bevrijding is om niet meer dergelijke reacties te krijgen. Neem nu het systeem van vrije bijdrage dat ik toepas op bepaalde producten. Dat is geen gimmick, geen promo om aandacht te krijgen of klanten te winnen. Dat is gewoon hoe we de dingen willen doen.

VRIJE BIJDRAGE De eerste maand na de opening, de festivalmaand van 2014, was erg druk. Ik heb toen ook alles alleen gedaan. Zo kon ik de zaken goed uittesten. Na die maand besloot ik de vrije bijdrage in te voeren; ik wou zien of dat werkte. Het bleek een invloed te hebben op de sfeer. Ik kan niet precies zeggen wat, maar er veranderden dingen. Zo stonden de mensen plots in rijen. Of begonnen ze zelf af te ruimen. Er ontstond een soort ‘per ongeluk opgewekte betrokkenheid’. Het is gewoon wel veel fijner dat de eerste interactie die je hebt met mensen geen financiële transactie is: ik geef drankjes en jij geld. Nu geef ik iets en leg daarna die vrije bijdrage uit. Dat is een heel andere vorm van sociaal contact. Sinds een jaar verkoop ik soep, koffie en gebak met vrije bijdrage. Dat levert soms gekke of onhandige momenten op, maar ik ben tevreden zo. Ik kijk ook nooit naar wat de mensen geven. Ik doe dat heel bewust niet. Als je dat wel doet, is het geven van een vrije bijdrage nog ongemakkelijker dan het betalen van een vast bedrag. Wat je geeft is gekoppeld aan de waarde van de aankoop, maar ook aan je eigenwaarde. Ik maak

Rooilijn 1 | 05-2015


geen gemiddelden van wat mensen geven voor een kop koffie. Daar draait het niet om. Ik heb ook wel beseft dat het niet haalbaar is om dat systeem voor alles in te voeren. Voor alcoholische dranken is het niet zo’n goed idee, zeker niet bij late feesten en concerten. Ik heb uitgezocht wat de producten zijn waarmee het wél kan. Waar doe ik mezelf niet te veel pijn mee? Het blijft natuurlijk een zaak – vzw of niet – waarbij die bar toch een belangrijke economische poot is. Ik heb leveranciers die ik moet betalen. Als mijn toegevoegde waarde echt alleen het uitschenken is, dan wordt vrije bijdrage een beetje moeilijk. Bij dingen als de koffie, die ik zelf brand, de zelfgemaakte soep en de broodpudding kan ik de kosten meer laten variëren. Die lenen zich dus beter voor vrije bijdrage. Soep, koffie en gebak beantwoorden bovendien ook aan basisbehoeften.

misch zou je kunnen stellen dat we vanwege onze locatie – met veel bedrijven in de buurt – in Het Bos broodjes moeten verkopen. Maar dat doen we niet graag. Dus kiezen we voor dingen waarvan we het gevoel hebben dat ze op deze plek passen, en proberen daar een publiek voor te vinden. Eenvoudige dingen.

DROOM Er zijn wel eens mensen die zeggen: ‘wat jij nu doet is mijn droom’. Dan besef je dat dat heel relatief is. Het ís niet altijd een droom. Aan de andere kant: met vrienden een eigen plek hebben en de mogelijkheid hebben om projecten uit te voeren, het kan slechter. We zijn niet bepaald Rockefellers geworden, dat zal ook niet gebeuren. Ook voor mij persoonlijk: delen door drie betekent gewoon een lager loon. Maar het is oké. Het is goed. Het is wat ik wil doen. Ik zie dit niet als iets dat kan mislukken of falen. We gaan dingen ontdekken en ervaren terwijl we het doen.

Ik weet dat dit systeem voor sommige mensen wel het verschil maakt. Dat ze daarom vaak hier zitten. Op die manier kan iedereen een sociaal leven hebben, ook zonder of met weinig geld. Ik zie zulke dingen niet als een experiment. Ik hou zelfs niet zo van dat woord: het is zo vrijblijvend. Wat ik doe is echt. Dit is een permanente eindfase. Dit is hoe ik denk dat dingen zouden moeten zijn.

De Bosbar is open op dinsdag, woensdag, vrijdag en zaterdag van 12 tot 18 uur. Op donderdag van 12 uur tot middernacht. Tijdens Boskamp is de bar ook op vrijdag en zaterdag tot middernacht open.

GEEN BROODJES OF BARISTA’S Ik wil niet noodzakelijk een bepaalde soort plek zijn. Ik weet dat veel mensen hier binnenkomen en even moeten nadenken over wat ze ervan vinden. Dat begrijp ik. Dat ligt ook aan het gebouw. Ik vind het helemaal niet erg als mensen zeggen dat ze iets niet goed vinden. Ik zal luisteren en daar eens over nadenken. Niets wat ik doe is goed. En niets wat ik doe is slecht. Het is hier gewoon hoe ik denk dat het zou moeten zijn. Ik kan behoorlijk goed tegen kritiek, merk ik. Omdat ik het niet als kritiek zie. Soms moet je leren loslaten. Ik hou niet zo van dat doelgroep- en marktgerichte ondernemen dat ook op scholen gestimuleerd wordt. Ik kan daar niet in geloven. Het is artificieel. Ik vraag me af hoe oprecht iets is dat steeds vertrekt vanuit een theoretisch, afgebakend publiek. Sterke dingen komen vooral vanuit jezelf, uit een noodzaak, iets wat je voelt of bedenkt. Het gaat vooral om hoe je redeneert. Louter econo-

Rooilijn 1 | 05-2015

69


70

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

71


Ongeveer een jaar geleden, bij de opening van Het Bos in mei 2014, presenteerde EARTH.ROPE.POT.PLANT A Garden without Green that No One can enter. Naar aanleiding van festival Boskamp werd deze tuininstallatie volledig vernieuwd. Ze is dagelijks te bewonderen vanuit de Bosbar. Het festival maakt ook tijd voor de presentatie van het eerste boek van EARTH.ROPE.POT.PLANT. Omdat wij ons graag laten inspireren door de dames van ERPP nemen we een aantal fragmenten van hun boek op in deze publicatie.

EARTH. ROPE. POT. PLANT.

Foto: Piëtro Celestina

Liene Aerts, uit het boek Earth.Rope.Pot.Plant, mei 2015

72

Rooilijn 1 | 05-2015


EARTH.ROPE.POT.PLANT is de verzamelnaam waaronder sinds april 2013, vanuit het partnerschap tussen Narelle Dore en Sigrid Volders, een reeks initiatieven opgestart zijn. Materialen als aarde, koorden, potten en planten vormden twee jaar lang de grondstoffen voor samenwerkingsprojecten en creaties zoals plantenhangers, installaties, een besloten tuin voor Het Bos, fotoreeksen, botanische ontbijtochtenden, filmavonden, recepten, een boek… EARTH.ROPE.POT.PLANT zou synoniem kunnen staan voor craftwork, collaboration, natural processes, association. Vier kernwoorden die het beeld oproepen van een rizoom, een begrip uit de biologie dat staat voor een wortelstokkenstructuur: ‘Rizomen groeien ondergronds, horizontaal, voortwoekerend langs ongebaande paden; ze groeien ongebreideld, kennen geen overzichtelijke structuur en ontwikkelen zich langs alle kanten. De rizomen grijpen in elkaar en gaan verbindingen aan waardoor een sterk, nagenoeg onuitroeibaar netwerk ontstaat.’ Rizoomgewijs verwortelde EARTH.ROPE.POT.PLANT met het artistieke werk en de leefruimtes van bevriende kunstenaars of collectieven. Ze delen eenzelfde liefde voor natuur en handwerk, alsook een manier van werken die aansluit bij de filosofie achter de ‘arte povera’ of ‘wabi-sabi’, zijnde intuïtief aan de slag gaan met natuurlijke materialen of eenvoudige onderwerpen. Dit vertrekt vanuit een grote gevoeligheid voor compositie of een drang naar waarachtigheid die steeds ruimte zal laten voor imperfectie. Ideeën als asymmetrie, ruwheid, onregelmatigheid, soberheid en intimiteit maken deel uit van de naïeve integriteit van natuurlijke objecten en processen, en kenmerken als dusdanig EARTH.ROPE.POT.PLANT. EARTH.ROPE.POT.PLANT zet een minimum aan elementair, natuurlijk materiaal in om een zo direct, tastbaar mogelijk beeld te bereiken. Zoals bij de arte povera wordt een zuivere, zintuiglijke creatie nagestreefd. Het materiaal wordt geselecteerd op basis van zijn symbolisch karakter, primaire energie of andere specifieke kwaliteiten en wordt vervolgens gepersonaliseerd tot een doorwerkte, unieke vorm. De nadruk ligt hierbij op de omgeving en de vaak arbeidsintensieve of ambachtelijke maakprocessen. Ze delen eveneens een gelijkaardig kritisch bewustzijn over onze gestandaardiseerde maakindustrie en het proces van dematerialisatie. We worden omringd door een door digitale technologie aangestuurde kenniseconomie. Het fysieke maakproces wordt steeds meer aan ons blikveld onttrokken en verplaatst zich naar industriegebieden buiten woonkernen of naar verre lageloonlanden. Dit heeft onweerlegbare gevolgen voor onze band met materie: we vervreemden van wat we eten, dragen of bewonen, van het besef of iets echt of gemanipuleerd, reëel of virtueel is. De EARTH.ROPE.POT. PLANT-evenementen hebben precies deze band langs alle mogelijke kanten en via trage, handmatige (om)wegen willen prikkelen en betasten, strevend naar een ‘totaalervaring’. Het fluïde, synergetische denken en de schoonheid van de imperfectie maakt hier onlosmakelijk deel van uit, zoals de eeuwenoude Japanse leer wabi-sabi deze vooropstelt: ‘Wabi-sabi is a beauty of things imperfect, impermanent, and incomplete. It is a beauty of things modest and humble. It is a beauty of things unconventional.’

Boekvoorstelling ERPP 17 mei in Het Bos

Rooilijn 1 | 05-2015

73


BOSKAMP vertoont elke donderdagavond van mei een film die speelt met de grenzen van ‘het documentaire’. Wat geldt in één film uit de reeks, The Second Game, blijkt een rode draad te zijn door het hele programma: de regels van het spel liggen niet vast. Wie speelt voor scheidsrechter?

Het beeld achter het beeld Ruben Demasure

74

Rooilijn 1 | 05-2015


The Second Game (2014) bewijst dat de simpelste ideeën de beste films opleveren. De documentaire is een integrale vertoning van een derby tussen aartsrivalen Dinamo en Steaua Boekarest, zoals uitgezonden op 3 december 1988. Uit de originele video-opname is alle klank verwijderd. Regisseur Corneliu Porumboiu becommentarieert de match samen met zijn vader Adrian, die destijds als scheidsrechter de partij ‘regisseerde’. Zo is de film ook een documentair portret van de vader, een kwarteeuw later, op het moment dat zijn zoon exact even oud is als hij toen. Tijdens de ononderbroken geluidsopname beantwoorden ze geregeld hun gsm, die interfereert met de microfoon. Documentaire registratie in de meest pure vorm? Al snel daagt de twijfel over de echtheid van het schouwspel dat de kijker te zien krijgt. De hele match vindt plaats onder hevige sneeuwval. Op de ondergesneeuwde akker zijn de markeringen nog nauwelijks zichtbaar. Ook de krijtlijnen tussen het speelveld van het documentaire en wat zich hors-champ afspeelde, vervagen. De twee topclubs vertegenwoordigen de twee machtscentra van het toenmalige Roemeense regime. In een nationale competitie vol satellietteams was Dinamo het team van de geheime politie en Steaua de ploeg van het leger, samengesteld door de zoon van dictator Ceausescu. Eén jaar na deze voorts onbelangrijke match ging met de Roemeense revolutie de bal aan het rollen en zou de leider genadeloos worden getackeld. Televisie speelde een grote rol tijdens de revolutie. ‘Beschouwde je het als echte wedstrijden?’, vraagt Porumboiu aan zijn vader, die beweert nooit te hebben toegegeven aan omkoping en corruptie. De sneeuw blijft vallen, tot zelfs de gele bal nauwelijks nog te onderscheiden is. Dit doet denken aan het tennisspel met de onzichtbare bal aan het einde van Antonioni’s Blow Up. ‘De flow in het spel houden’, zo omschrijft de ex-ref zijn rol. Zowel in het voetbalspel als in dat van het regime. Maar net als de spelers glijdt de documentaire geregeld uit en loopt ze zich hier en daar vast. Duits experimenteel filmmaker Hellmuth Costard richtte in Football as never before (1971) acht 16mm-camera’s op George Best. Douglas Gordon en Philippe Parreno gebruikten in hun portret van Zidane uit 2006 een combinatie van HD-zoomcamera’s van het Amerikaanse leger, 35mm-opnames en een wazige tv-monitor, allemaal om die ene superster in beeld te brengen. Maar de drie camera’s waarmee Porumboiu’s beelden werden geregistreerd hebben enkel oog voor het collectief. De derde camera, gericht op de tribunes, censureert blessures of discussies op het veld. De kijker wordt gemanipuleerd en krijgt niet te zien welke speler precies wat deed. Onsportief gedrag was uit den boze in het regime van die tijd.

Rooilijn 1 | 05-2015

75


‘Zou je hier een film uit kunnen maken?’, vraagt de regisseur zich af tijdens het bekijken van de beelden. Voetballiefhebbers ontwaren in het geploeter alvast een gouden generatie spelers, met onder meer de Maradonna van de Karpaten, Gheorghe Hagi. Ook puur picturaal biedt de materialiteit van video veel kijkplezier. De ‘sneeuw’ die het beeld verstoort versmelt met de echte vlokken boven het veld. De krijtstrepen op het gras verdwijnen; VHS-lijnen boven- en onderaan vallen in. ‘De beeldkwaliteit is van het stenen tijdperk. Je ziet enkel schaduwen’, bemerkt de vader. The Second Game is een abstract, minimalistisch werk op de grens tussen documentaire, experimentele, structuralistische en conceptuele film of video-installatie. Is de draw tussen deze formats het tweede spel waarop de titel alludeert? Of is het het herbekijken en hergebruiken van het oorspronkelijke spel als cinema, of de communistische komedie die parallel te zien is? Ook de muzikale score die aftrapt na het laatste, onhoorbare fluitsignaal is een herwerking, een tweede versie: het winterluik van Max Richters deconstructie van Vivaldi’s De vier jaargetijden, uit 2012. Zowel Richter als de film maken, via wat we te horen krijgen, iets dat als vertrouwd in het geheugen ligt opnieuw vreemd. Porumboiu provoceert zijn vader en probeert hem zo te krijgen waar hij hem hebben wil. Dat doet Ulrich Seidl in de overtreffende trap met de mensen die zijn onderwerp vormen. Maar net als Porumboiu kijkt de Oostenrijkse regisseur in zijn nieuwste documentaire voorbij het spektakel dat zich afspeelt in de woonkamer. Im Keller (Engelse titel: In the Basement) verkent wat Oostenrijkers zoal uitrichten in hun kelders. Waar de huiskamer enkel een soort uiterlijke ‘representatie’ is, worden in de compleet ingerichte kelderruimtes vaak de diepste verlangens vervuld en dubbellevens geleid. Vaak gaat het om mancaves voor ritualistisch of primitiever gedrag. Ondergronds is de ruimte voor het onderbewuste. De onvervalste onderbouw van een geconstrueerde bovenbouw als het ware; maar net zo goed het rijk waar de verbeelding de vrije loop kan gaan, afgesloten van het daglicht, zoals de filmzaal het donker nodig heeft. Een schuilplaats of een kerker. De documentaire daalt af in de menselijke ziel. Im Keller betekent voor Seidl een terugkeer naar de documentaire na zijn Paradies-trilogie (2012–2013). Door zijn hele oeuvre, dat teruggaat tot begin jaren 1990, brengt Seidl fictionele en documentaire strategieën samen in een extreem gestileerde aanpak. Hij ensceneert statische en frontale tableaus. Hij creëert strak afgemeten, geometrische, vaak symmetrische composities.

76

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

77


De documentaire Ulrich Seidl – A Director at Work (2014) toont de regisseur op de ‘sets’ van Im Keller. Hij verplaatst objecten in functie van het kader. In hemd of maatpak zegt hij wat de mensen wel of niet moeten zeggen en hoe ze dat dienen te doen. Hij legt de mensen bepaalde acties op, positioneert hen, regisseert hun houding en kijkrichting. Hij bepaalt welke kledij ze moeten dragen. Ook al riposteren twee bejaarde vrouwen dat hij iemand jonger zal moeten zoeken om in bikini aan de kickertafel te spelen, in het volgende shot ziet de kijker dat hij hen zover heeft gekregen. Het geheim van hoe hij dat allemaal voor elkaar krijgt, geeft hij niet prijs. In een interview bekent Seidl dat het verhaal van de vrouw die elke dag in haar kelder tegen levensechte poppen praat, verzonnen is. De dame had die baby’s weliswaar in haar woning, maar niet in haar kelder. Toch gaat alles terug op een vijf jaar durend, bijna antropologisch onderzoek van Oostenrijkse kelders, dat vervolgens door Seidls cinematografische blik werd gehaald. Documentaire die als fictie poseert en omgekeerd? Zonder te oordelen of moraliseren toont Seidl mensen in intieme en confronterende handelingen. Hij krijgt vaak het verwijt dat hij kwetsbare mensen, die nog nooit een camera van dichtbij hebben gezien, misbruikt voor zijn ‘freakshows’, en dat hij de kijker opzettelijk manipuleert en misleidt omdat niet duidelijk is was echt is en wat niet. Zijn vrouw en medewerkster, Veronika Franz, countert in de docu over Seidl die kritiek. Het burgerlijke verwijt dat de mensen in zijn films beschermd moeten worden in plaats van te kijk gezet, maakt zich door die paternalistische houding volgens haar net schuldig aan wat het bekritiseert. Franz noemt de films van haar man ‘volksfilms’, die dichter bij de gewone mensen staan dan andere auteursfilms omdat ze gebaseerd zijn op een meer open, directe en eerlijke verhouding.

78

Rooilijn 1 | 05-2015


Vertrekkend van een heel andere woonvorm opent ook Kosmos een wereld. Niet via de kelderdeur, maar via de poort van het gekraakte Gesùklooster in hartje Brussel. De stijl staat haaks op de statische tableaus van Seidl. Met een handcamera – maar met evenveel gevoel voor kleur en vorm – voert Kosmos de kijker binnen in de wereld van het gezin van de jonge Kevin Mroc, een Romafamilie uit Slowakije die al drie jaar in Gesù woonde, en de nieuwkomers Mižu Balász en Rastjo Vano. Waar Seidl het verwijt krijgt van exploitatie, was voor filmmaker Ruben Desiere de camera een instrument en mediator in de samenwerking die hij met die mensen aanging. Ze werkten samen aan een verfilming van de roman Kosmos van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. De spelers vertaalden zelf de scènes naar het Romanes. Dit project staat niet los van hun eigen ervaringen. In het openingsshot begint een van hen op een lege blocnote: ‘Teneinde jullie opnieuw te vertellen wat is gebeurd’. Dit lijkt zowel naar het begin van een script te verwijzen, als naar de eerste zin van het boek – ‘Ik zal u een ander, wonderlijker avontuur vertellen…’ – en naar het gebaar van achteromkijken in het eindshot van de film. Tijdens de opnameperiode kwam er echter een uitzettingsbevel en drie dagen later werd het pand ontruimd. Zowel scènes geïnspireerd op de roman als de dagelijkse realiteit van de uitzetting maken deel uit van de uiteindelijke film. In die zin is het een meer expliciete erkenning van het ensceneren dan wat Seidl doet. In vorm en uitwerking is Desiere minder expliciet. Fictieve elementen kraken Desieres documentaire raamwerk en de realiteit beukt aan de poort van het fictieproject. In het boek betrekken twee jonge mannen, elk op de vlucht voor een nooit helemaal duidelijke situatie, een kamer bij een gastfamilie. De ontdekking van een opgeknoopte mus ontketent een vergeefse zoektocht naar zingeving waarin ze een reeks ongerelateerde elementen en toevalligheden samenbrengen en combineren (de misvormde lip van de dienstmeid, een barst in de vorm van een pijl, een stokje…). ‘Een dergelijk voortdurend… zich opeenhopen en uiteenvallen… van elementen’ is een deel van de tagline die Desiere uit het boek haalde. Het samenvoegen van elementen uit zowel fictie als documentaire is wat de film zelf doet. Desiere filterde vooral de detectivescènes uit het boek. Speuren naar wat nu precies binnen of buiten het scenario valt, is niet de hoofdzaak voor de kijker. Het verloop van de ontruiming is een even onlogisch element als het aantreffen van een opgehangen duif of kip. In een wonderlijke scène halfweg de film lijkt alles samen te komen. Een nachtelijk gesprek rond de tafel schippert tussen de verhaalelementen over de opgehangen dieren en het vooruitzicht van een reëel vertrek. Op de radio in de achtergrond speelt doorlopend Rihanna’s I found love in a hopeless place.

Rooilijn 1 | 05-2015

79


Wanneer een van hen vraagt: ‘Wat kan ik doen? Waar moet ik heen?’, valt de elektriciteit uit. Toeval? Of een bewerking van de scène in het boek waarin op een zogezegd magische plek het uitzicht op een prachtige horizon verhinderd wordt door complete duisternis? De camera blijft lopen in het donker. Ze zetten het op een zingen en proosten met denkbeeldige drank. De kijker tast in het duister. Feit en fictie verdwijnen in een zwart gat. Zoals bij het steeds witter wordende vlak in The Second Game. Gombrowicz zei over Kosmos: ‘Deze roman heeft tot thema de vorming zelf van een werkelijkheid.’ Dit scheppingsmotief vindt aansluiting bij de jonge filmmaker, die op zoek is naar een filmische vorm, een manier om verbinding te maken met andere individuen en een positie om in de wereld te staan. Tegelijk is het de zoektocht naar betekenis in een onzekere wereld die de reële situatie van de mensen in het Gesùklooster met Gombrowicz verbindt. Een motief in de roman is dat de mens zelf de waargenomen werkelijkheid vormgeeft. Dit blijkt nooit volledig mogelijk. Perspectief en perceptie zijn bepalend. ‘Alles hangt af van je gezichtspunt’, klinkt het in het boek. Kosmos biedt iets anders dan de beelden van sans-papiers die journalistieke media, politici of activisten gebruiken. Vier bewakingsmonitors laten zien hoe politie en verzamelde pers het gebouw naderen. Deze automatische exterieurbeelden zijn documentaire registraties in een relatief pure, neutrale vorm. Twee niet aangesloten beeldschermen blijven zwart, met enkel de tekst: ‘Pas d’entrée attribuée’. Dat Desiere een andere ingang heeft gekozen om zijn onderwerp te benaderen en een tegenbeeld biedt, blijkt uit de shots die op de bewakingsbeelden volgen. Een point-of-view van binnen in het klooster, aan de andere kant van de poort die wordt ingebeukt door een politiek gerecupereerd politiespektakel met fotoflitsen in het zog. Aan het einde van Kosmos ontbinden de samengekomen elementen zich opnieuw in chaos. De twee nieuwkomers duiken weer het Brusselse verkeer in. Samen op een bromfiets. Ze waren tegelijk zichzelf en een personage. De eindscène van de documentaire Close-Up van Abbas Kiarostami vat ook die dualiteit. Samengedrukt op een motorfiets rijdt de hoofdpersoon, samen met de man die hij de hele film lang beweerde te zijn, de chaotische wereld in. Het trio documentaires brengt performatieve elementen in het spel: het ensceneren van tableaux vivants, het uitspelen van een romanbewerking of de auditieve interventie van de regisseur in het schouwspel. Alle drie lijken ze te zoeken naar het beeld achter het beeld: naar een zelfbeeld achter opgetrokken façades, of voorbij de regimepropaganda die de woonkamer binnenkomt. Het documentaire huis heeft vele kamers en kieren.

80

Rooilijn 1 | 05-2015


Kontra cinema in Het Bos op 7, 14, 21 en 28 mei

Rooilijn 1 | 05-2015

81


82

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

83

Uit Alexander Baervoets artikel in Etcetera 21-22/88


84

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

85


De Triadische Balletten met Tip Toe Topic en Joris Caluwaerts: 10 mei in Het Bos

86

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

87


Dag Vincent en Maxim, Na ons gesprek van vorige week ben ik aan een maquette begonnen die het een en ander aanschouwelijk zou moet maken. Het is geen afgewerkt ontwerp, maar een neerslag van enkele oude gedachten en een voorstel voor nieuwe. Het beste zou zijn dat jullie nogmaals naar het atelier komen om het erover te hebben, maar in afwachting daarvan stuur ik alvast enkele foto’s en doe ik een poging om mijn keuzes dan wel verlangens te schetsen met dit schrijven. Ik denk dat mijn voorstel voor de cinema bijna volledig voortkomt uit onze discussie over wat ik nu ‘de paradox van de filmzaal’ zou willen noemen. Die laat zich het eenvoudigst samenvatten in de vraag: waarom wil ik collectief een film bekijken maar wil ik niet dat de ander mijn concentratie verstoort? Hoe meer ik erover nadenk, hoe mooier ik de paradox vind. Ik vond jullie verhaal schitterend over die gast die nooit alleen naar films kijkt maar wel woedend wordt wanneer iemand naast hem te luid ademt (‘Stiller, Darth Vader’). De ander in onze filmbeleving: tegelijk voorwaarde en obstakel. Zalen als Kinepolis hebben die paradox naar mijn gevoel nooit leren omarmen. Daarom: kunnen we een filmzaal bekijken zoals een bibliotheek, die haar bestaansrecht toch niet enkel haalt uit het feit dat we niet allemaal zoveel boeken kunnen bezitten? Naar een bibliotheek ga je niet om alleen te zijn. Of zoals Maxim zei: een filmzaal is een collectieve droom. Dat deed me denken aan de slaapzalen vroeger op scoutskamp. Het ontwerp in bijlage steunt op een aantal principes. Er is eerst en vooral een duidelijke keuze voor collectiviteit, waardoor ik een halve cirkel voorstel. De consequenties zijn enorm: de beste plaatsen zijn in het midden en hoe meer je naar links of rechts gaat, hoe minder perfect je naar het scherm kan kijken. Dit zou ervoor moeten zorgen dat het publiek altijd minder of meer samen zal zitten, ook wanneer de zaal niet uitverkocht is, en zich niet zoals in de Kinepolis verspreidt over de zaal. Daarnaast heb ik jullie vraag naar comfort heel serieus genomen. Ik zie een schoonheid in de noodzaak van zachtheid. Matrassen en kussens als apparatuur die ons in staat stelt ons lichaam te vergeten. Ik heb 300 meter zachtheid voorzien, hetgeen drie meter per toeschouwer betekent, wat vrij riant is. Op de foto’s zijn deze kussens trouwens niet te zien. Dat komt omdat ik geen zin had om 300 minikussentjes te maken en in de maquette te kleven. Het derde belangrijke vormgevende principe is het verschil tussen binnen en buiten. Ik wil de ruimte in het Bos niet volledig tot cinema ombouwen omdat het dan enkel interieur zou worden. Een cinema is voor mij net de spanning tussen binnen en buiten. Daarom dat ik voorstel de ruimte te doorklieven met een ronde façade die het membraan wordt tussen binnen en buiten, licht en donker, koud en warm, hoekig en rond. Het doek dat ik als façade wil gebruiken kocht ik ooit van het decoratelier van de VTM. Zij hadden het in 1990 laten maken als achterdoek voor de televisieshow die hun eenjarig bestaan moest vieren. Ik vind het veelzeggend dat televisie, een medium dat de afgelopen 25 jaar steeds meer mensen binnen deed blijven, net een wolkenhemel, het summum van uitzicht, kiest als achterdoek. Voor mij bevat dat doek een tweede paradox van de filmzaal en het kijken in het algemeen. De façade van onze filmzaal moet een wolkenhemel zijn, een muur die geen muur wil zijn. Over de plaatsing van de projector, het scherm en de geluidsinstallatie, zaken die toch ook niet onbelangrijk zijn, wil ik graag jullie mening. Er zijn volgens mij heel veel ophangpunten in deze constructie en ik ben zeker dat we de juiste plaats zullen vinden. Sowieso is elk van de door mij voorgestelde ingrediënten bespreekbaar. Niet alleen nu, in de maquette, maar ook tijdens het festival kunnen we letterlijk nog alle kanten uit. Ik dank jullie voor jullie tijd en toewijding en wens jullie succes met de samenstelling van het programma. Beste groet, Jozef

88

Rooilijn 1 | 05-2015


Foto: Wannes CrĂŠ

Tijdens Boskamp in mei: 4 maal Kontracinema van Vincent Stroep op donderdag en 3 maal middernachtfilm van Maxim Hectors op zaterdag.

Rooilijn 1 | 05-2015

89


Otark is een voedselcollectief met wortels kruipend tot in Israël en Utrecht. Otark serveert al jaren wonderbaarlijk voedsel aan de mensen in en rond Het Bos. Volgens de vzw-statuten is Otark ‘een collectief dat kookt. Koken is de taal die door de vereniging wordt gebruikt als expressie- en communicatiemiddel. De vereniging wil kennis verzamelen, zowel in het hoofd als in de vingers. Otark wil cultuur en cultuurgeschiedenis verkennen en onderzoeken. Bij dit onderzoek ligt (hand)vaardigheid, die dreigt te verdwijnen in de moderne samenleving, vaak centraal. Daarbij horen toon- en proefmomenten die al dan niet in samenwerking met partners worden georganiseerd.’ Het Otark-menu wordt aan de vooravond van het gebeuren bekend gemaakt aan de hand van zelfontworpen flyers.

Otark

90

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

91


92

Rooilijn 1 | 05-2015


Otark Breakfast club: iedere zondag van de maand mei Op donderdagavond kookt Otark warm en koud. Uitgezonderd de derde donderdag van de maand, want die is steevast voorbehouden voor de wereldkeuken.

Rooilijn 1 | 05-2015

93


94

Rooilijn 1 | 05-2015


Wereldkeuken

Iedere derde donderdag van de maand nemen mensen van het Opvangcentrum Linkeroever de keuken van Het Bos over. De samenstelling van de bewonersgroep in het centrum verandert met de politieke, ecologische en economische ontwikkelingen in de wereld. Wat u te eten krijgt wordt bijgevolg ook mee bepaald door conflicten in de wereld. Het voorbije jaar aten we Afghaans, Libanees, Burundees, Congolees, Guinees, Bengalees, Sri Lankaans, Palestijns en Nepalees. Een begeleider van het opvangcentrum vertelt: ‘Iedere maand trekken we met een groep koks van dezelfde nationaliteit met het openbaar vervoer naar Het Bos. Koken en eten is iets dat mensen samenbrengt. Iedereen eet en bijna iedereen kan koken. Veel van onze bewoners zijn verlekkerd op de keuken van hun eigen land. Ze houden van hun eigen kost en zijn er enorm trots op. Daarom werkt het wereldkeukenproject zo goed. Wij spreken mensen van een bepaald land aan om te koken, Het Bos nodigt publiek uit om te komen eten, om kennis te maken met de keuken van dat land. Zowel de koks als het publiek zijn altijd enorm enthousiast. Het is een spontane activiteit waar de mensen die hier verblijven veel appreciatie voor krijgen. Zowel hun werk als hun eetcultuur wordt erkend en dat is iets dat mensen deugd doet. Daarenboven brengen deze avonden onze mensen in contact met mensen van buiten het centrum en zijn het momenten waarop ze even aan de strenge reglementering en structuur van het centrum kunnen ontsnappen. De strikte regelgeving hier in huis is vaak nefast voor de sociale verbondenheid. Zo kookten de bewoners voorheen regelmatig voor elkaar, maar heeft een aanpassing van het reglement aan die activiteit een einde gemaakt.’ Het leek Rode Kruis-Opvangcentrum Linkeroever een goed idee om de recepten van de geserveerde avondmalen te delen. Sinds 2015 worden deze verzameld en meegegeven aan de tafelgasten van de wereldkeukens in Het Bos.

Rooilijn 1 | 05-2015

95


Agatoki

BEREIDING Snij de ui in fijne stukjes. Bak het komijnzaad tot het begint te knetteren. Voeg vervolgens de ui toe. Pers de look, rasp de gember en vermeng dit met de ui. Snij de aubergines in stukjes en voeg ze toe. Kruid met korianderpoeder en paprikapoeder. Voeg de passata toe aan het gerecht. Laat even koken en doe de kikkererwten erbij, alsook de garam masala. Laat het even sudderen totdat het klaar is.

BURUNDEES GERECHT INGREDIËNTEN (4 PERSONEN) 2 wortelen 1 courgette 6 bakbananen 3 tomaten 2 x 70 g tomatenpuree 4 teentjes look 1 chilipeper

De auberginecurry wordt geserveerd met dhal, witte basmatirijst en kokos-chutney.

BEREIDING Haal de bakbananen uit hun schil, snij ze in stukken en gooi ze in een grote pot. Schil de wortelen en de courgette. Pel en plet de look. Snij de peper, wortelen, courgette en tomaten in stukken en gooi die boven op de banaan. Bedek met 70 g tomatenpuree en overgiet het geheel met 2 lepels olie. Voeg water toe totdat alles onder staat. Breng het geheel aan de kook en laat 20 min. doorkoken tot het water grotendeels is verdampt. Kruid af met een snuifje zout en roer alles goed onder elkaar.

Baingan bharta

Batat bil khodar PALESTIJNS GERECHT INGREDIËNTEN (4 PERSONEN) 4 grote aardappelen 2 tomaten 100 g champignons 1 paprika 1 grote ui tahini 1 rode peper ½ limoen gember

BEREIDING

SRI LANKAANS GERECHT INGREDIËNTEN (4 PERSONEN)

Snij de aardappelen, tomaten, paprika, ui en champignons in reepjes. Rangschik ze in een schaal in laagjes boven op elkaar. Plet de knoflook samen met de peper en strooi het erbovenop. Meng de tahini in een kom samen met water, zout en gember totdat het water net niet boven het mengsel uitkomt. Giet de saus over het geheel en besprenkel met citroen. Zet de schaal op een hoog vuur totdat alles kookt. Laat het geheel 30–45 min. op een laag vuur verderpruttelen.

5 aubergines 2 kopjes kikkererwten 1 ui 2 tenen look 1 stuk gember 2 kopjes passata 1 theelepel komijnzaad 2 theelepels garam masala 1 theelepel korianderpoeder 1 theelepel paprikapoeder 3 eetlepels gedroogd fenegriekblad

De Linkeroevers koken op 28 mei in Het Bos.

96

Rooilijn 1 | 05-2015


Rooilijn 1 | 05-2015

97


Rooilijn is een publicatie van Het Bos en vzw De Bomen. Met steun van de stad Antwerpen en de Vlaamse Overheid. Rooilijn 1 is gratis. www.rooilijn.com www.hetbos.be Werkten mee aan dit nummer: Gerard Herman, Philippe Cortens, Ruben Demasure, Inne Eysermans, Arno Kempynck, Vincent Stroep, Jozef Wouters, Lotte De Bruyne, Alexander Baervoets, Jacinta De Roeck, Sarah Van Liefferinge, Francine Mestrum, Stroom.tv, olympia157, Otark, Floris Vanhoof, Sigrid Volders, Wereldkeuken Coördinatie: Lotte De Bruyne Redactie: Lotte De Bruyne Wannes Cré Gerard Leysen Eindredactie: Robrecht Vandemeulebroecke Vormgeving & foto’s omslag: Afreux Druk binnenwerk: Flitsgrafiek Papier binnenwerk: Krantendruk 52g Druk omslag: De Wrikker Papier omslag: Sirio Color Blu 210g

98

Rooilijn 1 | 05-2015


Profile for rooilijn

Rooilijn 1  

magazine - reader

Rooilijn 1  

magazine - reader

Profile for rooilijn
Advertisement