Bart Lodewijks & Jan Kempenaers - Naar Watou toe (Nederlands)

Page 1

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers

Naar Watou toe


Watou maakt zich op voor de zomer. In de eindeloze wintermaanden voor het festival breng ik lineaire krijttekeningen aan op woningen en boerderijen. Ik trek lijnen – kort of lang, dik of dun – die in hun eenvoud niets te verbergen hebben. Jan fotografeert de tijdelijke tekeningen, maar ook de met de seizoenen veranderende omgeving. De krijtlijnen roepen vragen op – en dat leidt tot gesprekken. We luisteren naar herenboeren en dagloners, naar mensen die gekant zijn tegen dichterlijkheid of de poëzie juist omarmen. In het dorp treffen we een mopshond aan die op zoek is naar zijn speelbal. We schrijven allebei over deze ontmoetingen. Jan doet punctueel verslag, ik interpreteer en maak er een verhaal van.

Bart Lodewijks


De jager Januari 2021 Watou ligt in een wolk. Het dorp is verlaten en in nevels gehuld. Buiten de bebouwde kom liggen geploegde velden onder een dunne laag sneeuw. Op het asfalt liggen enkele spruiten. Op een plaquette die tegenover de kerk op een muur is bevestigd, tref ik een gedicht aan van Anna Enquist. Het is een voorjaarsbrief aan Gerrit K., die tachtig wordt – een felicitatie waard. ‘(…) Ik schrijf je. Het laatste adres is bekend, / onze postnummers staan al gekerfd / in de steen. De woorden steeds dunner / de rook op z’n ijlst, op z’n best. / Ik schrijf je. Daar gaan we heen.’ Gerrit K. had een ontbolsterende kop met een walrussnor, de man kon uit woorden zilver spinnen, dat is wat ik me van hem herinner. De velden zijn zeiknat, het is nul graden Celsius en windstil. Een landbouwmachine met monsterlijke ploegscharen staat desolaat langs de weg. Ik denk aan de aardappelsorteermachine, de eenzelvige boerencomputer, verwoord door H.H. ter Balkt, de grommende profeet uit Twente, die net als Gerrit K. al lang en breed onder de graszoden ligt. De gedeukste onder de werktuigen, zo noemde Ter Balkt de aardappelsorteermachine. Een heel rijtje dode dichters zit in mijn hoofd, van sommigen ken ik teksten van buiten. Maar in plaats van te declameren schrijf ik: ‘In Watou is geen gebrek aan wintergroenten. / De spruiten liggen voor het oprapen. / Als er één keer vorst overheen gaat / dan smaken ze beter. / Elke spruit van de aarde / keert weer terug in haar schoot. / Jan en ik gaan niet wachten op het voorjaar, / maar beginnen nu.’ Op het dorpsplein staat een standbeeld van een soldaat en een leeuw, een monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Rond het plein bevinden zich zeven cafés. Er is ook een kerk. Rondom de kerk is een begraafplaats, waar verse bloemen op de graven liggen. Er is een hotel, er zijn een slagerij, een kruidenier en een brouwerij. Meer heeft een mens niet nodig, tenminste onder normale omstandigheden. En de omstandigheden zijn niet normaal vanwege de coronapandemie. Alles ligt op loopafstand, maar zit op slot. In Watou wonen negentienhonderd mensen, maar op straat is niemand te zien. Watou is de wereld in het klein. Ik vouw een stratenplan uit op de motorkap van mijn auto. Een dunne kronkellijn volgt de grens met Frankrijk. Watou is omzoomd met licht glooiend akkerland. Met een beetje fantasie heeft het dorp de vorm van een vogel. De Oude-Poperingestraat en 2-

Bart Lodewijks

Een waterpas is een stuk metaal en kan als wapen gebruikt worden.



4-

Bart Lodewijks

de Douvieweg zijn de vleugels. Ik strijk de naden van de kaart glad. Het plein, de plaats waar de auto geparkeerd staat, is het hart. De Houtkerkestraat, Oude-Provenstraat en de Moenaardestraat zijn de staartveren. Ik wijs Jan erop. Aan de dorpsrand staat een kasteel. Een brug met een gietijzeren hekwerk en een zwaar slot belet ons de toegang tot het kasteeldomein. Het water in de gracht is bedekt met een dunne laag ijs. De gevel van het kasteel is vaalgrijs als een leibord. Er zijn zoveel plekken om met krijt te betekenen dat ik aan één voorjaar niet genoeg heb. Met mijn groene winterjas en stevige veterschoenen lijk ik op de soldaat in het standbeeld op het dorpsplein. Mijn rugzak is gevuld met krijt, drie dozen van ieder één gros, welgeteld 432 hagelwitte krijtjes. Het lijken wel patronen waarmee ik kom huishouden. Ik trek mijn kraag hoger op. Waar komt mijn baldadigheid vandaan? De tekenlat, een aluminium waterpas die ik stevig vasthoud, wijst als een kompasnaald voor mij uit. Jan wandelt naast mij met zijn fotocamera op zijn borst. We lopen nog net niet in gestrekte pas, daarvoor zijn we allebei te pacifistisch. Ik trek ten strijde met een zak vol krijt. Jan baalt, want door de kou is de batterij van zijn camera bijna leeg. Een tractor met opgetrokken ploeg rijdt in razende vaart voorbij. Op een erf zoekt een mopshond naar zijn speelbal. Op de hoekpunt van een muurtje, die tot op kniehoogte het erf omkadert, staat een beeld van een adelaar met gespreide vleugels. Ik stel me voor hoe de vogel hoog in de lucht op het dorp neerkijkt. Het valt me op dat er veel beelden staan. Op de weg hiernaartoe zag ik in een weiland een beeld van een paard met op zijn rug een versteende amazone. Naast het beeld van de adelaar staat een man, gekleed in een camouflagebroek en een legerjas. Hij kijkt argwanend naar ons. De mopshond die zojuist nog op het erf rondstruinde, houdt hij in zijn armen. Ik moet naar het toilet, maar durf dat niet op de man af te vragen. Ik loop naar hem toe en zeg: ‘Goed volk.’ Het hondje heeft donkere, vragende kraalogen. De man kijkt me hard en stoïcijns aan. ‘Wij zijn hier in verband met het poëziefestival’, licht ik onze aanwezigheid toe. ‘Zou je niet een stap naar achteren zetten, weet je dan niets over corona?’ zegt hij vermanend. ‘Dat ze met hun kunst maar ginder blijven’, voegt hij er in één adem aan toe en wijst naar de mist die de velden bedekt. Hij zet de mopshond op de grond. Het beestje snuffelt ontwapenend aan mijn broekspijpen. ‘Wij zijn niets kwaads van zin’, zeg ik. ‘Je zou een grenscrimineel kunnen zijn,’ beweert hij, ‘een waterpas is een stuk metaal en kan als wapen gebruikt worden, net als een weipaal. Je kan er een auto mee optillen en de wielen stelen.’



6-

Bart Lodewijks

We komen te weten dat hij in zijn vrije tijd jager is en dat er te veel vreemdelingen in Brussel en Antwerpen rondlopen. Wie is deze man? Ik kijk over zijn schouder terwijl hij praat. Het mopshondje kuiert zorgeloos rond. Achter het raam staat een reeks dieren op de vensterbank. Ik zie een kudde olifanten, achter elkaar opgesteld van klein naar groot. Ik zie een leeuw, een gazelle, een nijlpaard en een zebra. ‘Alles wat in de huiskamer staat is van mijn vrouw. Mieke, kom er eens bij!’ roept hij. Mieke komt naar buiten en laat de deur wagenwijd achter zich openstaan. Ze is groter dan haar man. ‘Je hebt een mooie collectie beelden op de vensterbank’, complimenteer ik haar. ‘Och ja, er komen elk jaar beestjes bij. Mensen weten mij te vinden. Ik repareer ze, ik schilder de barsten weg en glazuur ze, waardoor ze er weer fonkelnieuw uitzien. Op zolder staan er nog veel meer.’ Achter de open deur, in het schemerdonker, hangt een grote, angstaanjagende kop. Het lijkt op een kop van een monster. Het is waarschijnlijk van een everzwijn, een wildebras die in de omgeving van Watou rondstruinde. Zou de man hem eigenhandig geschoten hebben? Hij knijpt zijn ogen samen zoals een cowboy in een western en kijkt schuin naar mijn waterpas, alsof hij ons nog steeds niet helemaal vertrouwt. Misschien is de zwijnenkop een jachttrofee. In gedachte zie ik hem de trekker overhalen als er op schootsafstand een beest verschijnt. De man ziet eruit als iemand die tradities in ere houdt. Ik stel me voor dat hij in zijn vrije tijd de ruwe vacht van het zwijn borstelt en de bek poetst. Hij zal het ongetwijfeld belangrijk vinden dat de slagtanden hagelwit zijn, de tong zalmroze en het tandvlees zo rood als een kroot. Het zijn vreemde gedachten die niet meer uit mijn hoofd raken. ‘Wij zijn kunstenaars en heten Jan en Bart’, zeg ik in een poging om terug te keren naar de realiteit. ‘Aangenaam, Mieke en Hans’, zegt zij spontaan. Nu we elkaars namen hebben uitgesproken, lijkt het ijs gebroken. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. ‘En kijk wat ik altijd bij me draag…’ Hij toont een klein Opinel-zakmes. ‘Toe Hans, dat is een verboden wapen’, zegt zij afkeurend. ‘Het is alleen verboden als je het opent’, zegt hij schaapachtig. ‘Zou ik de arend van dichtbij mogen fotograferen?’ vraagt Jan plotseling belangstellend. ‘Wel afstand houden hè, in verband met de corona’, zegt hij. We lopen over de oprit richting de adelaar. Uit de garage steekt de open laadbak van een Nissan 4 x 4. ‘Die heb ik al vanaf 1998. Er staat driehonderdduizend kilometer op de teller’, zegt hij gewichtig. Ik tik met mijn waterpas tegen het voorwiel en zeg: ‘Je kan er zo mee op safari.’



8-

Bart Lodewijks

Van dichtbij is de adelaar enorm. ‘Als het regent zouden de vleugels als paraplu kunnen dienen’, grap ik. ‘Vrouwtjesarenden zijn groter dan de mannetjes’, zegt Mieke plompverloren. Ik kan nauwelijks een lach onderdrukken. ‘Echt waar,’ zegt ze, ‘het staat in Het HEEL GROTE vogelboek.’ Haar fysieke overwicht doet Hans klein lijken, maar hij compenseert dit wellicht met zijn Nissan. Als we in de gang staan, zie ik helemaal geen zwijnenkop. Aan de muur hangt een opgepropt net. Daar kan je een zwijn mee vangen, zo ver zat ik er niet naast, maar ik laat mijn gedachten voor wat ze zijn; straks zie ik het porseleinen legioen op de vensterbank nog naar buiten marcheren. ‘Koffie?’ vraagt Mieke. Mijn nieuwsgierigheid naar wat er binnen te zien is, is zo groot dat ik meteen ja knik. Door de coronapandemie is het ruim een jaar geleden dat ik bij wildvreemden aan tafel zat. Het stel kijkt lichtelijk ongemakkelijk naar Jan, die de batterijen van de camera oplaadt in de keuken. Het koffieapparaat pruttelt en ze weten niet meteen wat ze tegen ons moeten zeggen. De enige die helemaal in haar nopjes is met het onverwachte bezoek, is de mopshond, een teefje dat luistert naar de naam Rinus en kwispelt met haar gecoupeerde staart. ‘Wij zouden graag naar Zuid-Afrika verhuizen’, doorbreekt Hans de stilte. ‘Daar is tenminste nog ruimte om te jagen en rond te rijden in een landrover’, zegt hij. ‘Ja, landrovers genoeg daar’, bevestig ik, maar hij pakt de dubbele betekenis van mijn woorden niet op. ‘We hebben Afrika in huis gehaald, althans de leuke dingen van Afrika’, zegt Mieke. ‘Boven staan dozen met wilde dieren, gesorteerd op maat en op kleur. Het is toch erg dat er zoveel soorten met uitsterven bedreigd worden.’ Hans staat met een minzame glimlach op en zegt: ‘Kunnen jullie een geheim bewaren?’ ‘Ah toe Hans, moet dat nou?’ zegt ze, maar hij is de kamer al uit. ‘De jacht is hem met de paplepel ingegoten’, bereidt ze ons voor op zijn terugkomst, ‘Er zit geen kwaad in de man, hij heeft een hartje van peperkoek.’ Op de gang klinkt een klik van staal op staal. Hans betreedt de ruimte met een jachtgeweer dat hij uitstalt op de keukentafel als het kostbaarste bezit op aarde. Bij het afscheid wijst Mieke mij het toilet. ‘Als je hoge nood hebt, weet je vanaf nu de weg te vinden’, zegt ze vriendelijk. Ik sluit de deur van het kleinste kamertje van het huis en ben even helemaal alleen. Op de porseleinen lavabo ligt een stuk zeep in de vorm van een olifant. Ik ga zitten, zucht eens diep en sluit mijn ogen. Als een adelaar cirkel ik boven Watou en zie het standbeeld van de soldaat met de leeuw door het dorp marcheren. Zebra’s peuzelen vreedzaam bladeren van de bomen, een kudde olifanten sjokt achter elkaar aan, nijlpaarden baden in een kreek, gazelles kijken schichtig



om zich heen. Een paard draaft door de velden met op zijn rug een amazone. Ik open mijn ogen en was mijn handen met de olifant van zeep. Het Watou-verhaal is begonnen en alles is mogelijk.

Broer en zus

Februari 2021 De gevel van de boerderij is nog redelijk intact en heeft wel iets weg van een decor uit een film, maar daarachter is het een ravage. Het dak is ingestort, zware houten balken schreien ten hemel alsof ze de wanhoop van de vroegere bewoners uitdrukken. Deuren hangen uit hun sponning en in wat ooit een woonkamer was, ligt een hagelwit tapijt van sneeuw. Een rieten zitting hangt scheef in een houten stoel. Geglazuurde tegels sieren de plek waar ooit het fornuis stond. De haard is zwartgeblakerd, een barst in de schouw verraadt een menselijk drama. Toch is niet al het leven uit de boerderij weggetrokken. De kamers worden bewoond door klein wild en vogels, getuige de sporen op het kleed. De bouwsels op het terrein verkeren in vervallen staat, behalve een grote schuur die aan de boerderij grenst. Er staat een fiets, maar er valt geen teken van menselijk leven te bespeuren. ‘Toch maar even aankloppen voordat ik op de boerderij ga tekenen’, zeg ik tegen Jan en ik geef een luide bons op de deur. ‘Je maakt hooguit een schone slaapster wakker’, zegt hij. In de schuur klinkt gestommel. Ik doe een paar passen achteruit. De deur wordt geopend door een stevig ingepakte oude vrouw, ik schat dat ze in de zeventig is. Ze kijkt ons zachtmoedig aan. Aan haar zijde verschijnt een man van ongeveer dezelfde leeftijd. Het tweetal staat nieuwsgierig in de deuropening zonder iets te zeggen. ‘Ahm’, stamel ik. ‘Zijn jullie van de politie?’ raadt ze voorzichtig. ‘Nee, nee, integendeel,’ zeg ik meteen, ‘wij komen gewoon toevallig aan gewaaid.’ ‘Ik heet Marleen. Wij zijn broer en zus’, zegt ze. Het tweetal overwintert in de ruimte die wij voor de stal aanzagen, een vertrek van zo’n vijf bij vijf meter die vroeger dienstdeed als schaftplek voor een knecht. Een elektrische straalkachel blaast warme lucht de 10-

Bart Lodewijks

De vorst in de grond trekt langzaam omhoog naar mijn voeten, maar het zijn mijn handen die steeds kouder worden. Ik teken op een bakstenen gevel van een tot ruïne verworden boerderij. De aluminium waterpas die ik tegen de gevel aan druk en waar ik krijtlijnen langs trek, voelt aan als bevroren. Om precies te kunnen tekenen draag ik vingerloze handschoenen, maar veel gevoel zit er niet in mijn verkleumde handen.



12-

Bart Lodewijks

ruimte in. Door een klein, vierkant raam valt daglicht naar binnen. Marleen en haar broer vinden het geen enkel probleem als wij op hun terrein foto’s en krijttekeningen gaan maken. Op een betonnen regenton trek ik een horizontale krijtlijn. Jan kamt de omgeving uit met zijn fotocamera. Zo nu en dan wijst hij mij op een locatie die volgens hem geschikt is voor een krijttekening. We spreken nauwelijks met elkaar. Het is zo koud dat we onze krachten sparen. Na een aantal uren breekt de zon door en algauw ontdooit de bovenste laag van de grond, waardoor ik er een beetje in wegzak. Ik doe mijn vingerloze handschoenen uit en rits mijn jas voorzichtig open. Het is alleen de wind die mij nog parten speelt. Een straaljager boort zich door de staalblauwe hemel. Ik denk aan De geverfde vogel, een aangrijpend boek van Jerzy Kosinski dat zich afspeelt op het Poolse platteland ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, ver weg van het kanongebulder. Niemand had zicht op wat zich in de gemeenschappen buiten de steden voltrok. Ik neem plaats op een keukenstoel. Marleen zit tegenover mij en haar broer zit in een fauteuil dicht bij de straalkachel. Jan is buiten in het late licht aan het fotograferen. Op de koelkast staat een vliegenlamp waar een blauwe gloed vanaf komt, en aan het plafond zoemt een tl-buis. ‘Mijn broer en ik zijn hier geboren en getogen’, vertelt Marleen en wijst met een triest gezicht in de richting van de boerderij. ‘Ik dacht dat je mannetjes zou tekenen, maar het zijn allemaal rechte lijnen geworden’, verandert haar broer het onderwerp. Ik grinnik en vraag wat er met de boerderij gebeurd is. ‘We konden er niet blijven wonen’, zegt hij. ‘Het overviel ons,’ valt ze hem bij, ‘het dak viel letterlijk naar beneden, maar gelukkig niet op ons hoofd. Het was met kerst in 2013. Het plafond bleef zitten, daar hebben we geluk mee gehad. Hij’, ze wijst naar haar broer, ‘heeft geen zin om de boerderij weer op te bouwen.’ ‘We kunnen niet terecht bij de bank’, zegt hij, ‘We kunnen er wel naartoe, maar moeten aan de balie betalen om geholpen te worden. Met computers hebben we niets.’ ‘We wachten totdat de koude verdwenen is, pas dan kunnen we daadwerkelijk iets doen’, zegt hij. ‘De boerderij is van ouderdom gestorven’, zegt ze berustend en voegt er in één adem aan toe: ‘We hadden uw komst niet voorzien, er komen hier weinig mensen.’ ‘Er zijn eens meer dan honderd mensen tegelijkertijd naar ons toe gekomen,’ valt hij haar in de rede, ‘al is dat lang geleden. Het was in de Tweede Wereldoorlog, mijn zus en ik waren toen nog kleine kinderen. Een Engels vliegtuig stortte neer op onze akker. De piloot was spoorloos. Het hele dorp liep uit om naar de brokstukken te kijken.’ ‘De Duitsers hebben alles wat bruikbaar was meegenomen. Ons vader was daar



kwaad over, want zijn oogst is toen vertrapt’, zegt Marleen. Uit een oude doos haalt ze een zwart-witfoto waar ze met haar broertje op staat. Ze zegt: ‘De foto dateert van net na de oorlog. Foto’s van het neergestorte vliegtuig of van de vele bezoekers hebben we niet, we hebben eigenlijk niets, alleen een verhaal.’

Mag niet

Maart 2021 Watou maakt zich op voor de zomer. De heggen die de tuinen afscheiden van de straat, zijn gesnoeid in speelse geometrische vormen. De gazons zijn minimalistisch gerold en de ramen van de huizen lijken op spiegels. De auto’s, die voor een groot deel het straatbeeld bepalen, schitteren dusdanig in het zonlicht dat ik mijn ogen samenknijp om niet verblind te raken. Achter de brouwerij staan arbeidershuisjes dicht bij elkaar. Een lage betonnen muur onttrekt een verwilderde lap grond aan het zicht. Ik teken al jaren op dergelijke muurtjes. Het krijt hecht goed op het betonnen oppervlak, het lijkt er wel voor gemaakt. Ze zijn laag genoeg om te overschouwen wat er aan de andere kant van de muur gebeurt. Door erop te tekenen treed ik in contact met bewoners. De muurtjes behoren toe aan iedereen en zijn van niemand, maar ik vind dat ik er langzaamaan een soort zeggenschap over heb gekregen. Op een betonnen muurtje kruipt een vijftal huismussen knus en gezellig tegen elkaar aan. Als ik naderbij kom, vliegen ze onder luidt gesjilp weg. Vlaanderen staat vol met betonnen muurtjes. Ze onttrekken tuinen en hofjes aan het zicht, markeren boomgaarden en parkeergelegenheden. Kinderen scheuren hun broek open aan het ijzeren vlechtwerk dat uit het beton steekt. Geen enkele muur is hetzelfde, de bovenrand varieert: soms is hij afgewerkt met ribbels, dan weer met boogvormen, kleine kantelen of ruitvormige openingen. Het zijn de betonnen meesterwerken van de gewone man. In de naslagwerken vind je de muurtjes nauwelijks terug. Over het algemeen worden ze doodgezwegen, geskipt uit het landschap, alsof ze er niet zijn. Het is een kunst om van ze te houden, het vergt oefening in nederigheid. Alleen bij Roger Raveel duiken ze regelmatig op. Hij zag de muurtjes waarschijnlijk al toen hij voor 14-

Bart Lodewijks

Als ik op de manshoge betonnen muurtjes teken waar Vlaanderen zo vol mee staat, wil ik weten wat erachter ligt. Vaak onthult zich daar een onverbloemd leven: provisorisch in elkaar gezette schuurtjes, duivenhokken en andere koterijen.



16-

Bart Lodewijks

het eerst zijn ogen opende. Hij haalde er zijn broek aan open. Zonder afbreuk te doen aan de ribbels, boogvormen, kantelen en ruitvormige openingen – mooi zijn ze zeker niet – teken ik nu al twintig jaar op deze muurtjes. Met mijn handen omklem ik de bovenrand van de muur, precies daar waar de vogels zaten, ik trek me omhoog en bespied het achterliggende terrein. Ik zie een keurig gemaaid gazon. De mussen hebben zich gehergroepeerd op een tuinstoel die naast een ingeklapte parasol staat. Ik trek een krijtlijn op de muur en heb het gevoel dat ik verder werk aan de tekening die twintig jaar geleden begonnen is. Opeens stopt er een auto. De bestuurder draait het raampje open en zegt: ‘Mag niet.’ ‘Jawel hoor,’ spreek ik hem tegen, ‘het mag wel.’ ‘Mag niet’, zegt hij nog eens. De auto zit tjokvol met bouwmateriaal en de man draagt werkkleding met sporen van cement. Hij zegt nog eens ‘Mag niet’ en onderuitgezakt op de bestuurdersstoel kijkt hij mij met een goeiige blik aan. De expressie op zijn gezicht staat haaks op zijn woorden. Ik heb het recht verworven om op deze muurtjes te tekenen. Ik laat me niet van mijn stuk brengen en mag niet toegeven, anders kom ik nergens, moedig ik mezelf aan. ‘De muur is van iedereen’, probeer ik hem aan mijn kant te krijgen. ‘Mag niet’, zegt hij zonder de minste verandering in zijn stem. ‘Ik ben nog niet klaar met tekenen’, zeg ik. ‘Je begrijpt me niet, HET MAG NIET...’ ‘De muur is van niemand’, probeer ik. Zijn woorden spreken boekdelen, maar zijn vriendelijke blik kan ik ook niet negeren. ‘Mocht je de tekening lelijk vinden, de regen spoelt het krijt er weer vanaf’, zeg ik ten einde raad. Hij schudt zijn hoofd, niet in staat om iets anders dan ‘het mag niet’ te zeggen. Uit het veld geslagen kijk ik hem aan. Tegen zoveel vriendelijke vasthoudendheid ben ik niet opgewassen. ‘Woon jij dan hier?’ vraag ik. Zonder antwoord te geven kijkt hij me aan. Ik neem mij voor dat ik pas met tekenen stop als hij weet dat er achter de muur een ingeklapte parasol staat. Dan is hij het die zeggenschap heeft over de tuin en de muur. ‘Wat is er aan de andere kant van de muur te zien?’ waag ik. ‘Ik heb het gras juist gemaaid. Ik heb de tuinset klaar gezet voor de zomer’, zegt hij. Zijn goeiige blik valt nu wel samen met de betekenis van zijn woorden. ‘Ik hoop dat het een goede zomer wordt’, zeg ik een beetje beschaamd voor mijn voortvarendheid. Hij wacht tot ik mijn tekenspullen ingepakt heb, knikt vriendelijk naar ons en rijdt weg. Ik kijk naar de muur met de onaffe krijttekening. De mussen hebben inmiddels hun post op het muurtje weer ingenomen. Het kan zo een tafereel zijn van Roger Raveel.



Gaston

April 2021 In het weiland staat moederziel alleen een beeld van een paard met op zijn rug een versteende amazone die een deftig hoedje draagt. In januari vielen paard en ruiter mij al op en wilde ik ernaar terugkeren. Het paard heeft een schofthoogte van ongeveer één meter en is naast een ouderwetse tuinlantaarn geplaatst. De lampenkap is een glazen ruit en staat een tikkeltje scheef. Het elektriciteitssnoer is weggewerkt in het gras. Ik stel mij voor hoe het tafereel er ’s nachts uitziet, als ruiter en paard verlicht worden. ‘Ho, ho, laat mijn paard met rust’, zegt de man gespeeld ernstig. ‘Wat een mooi beeld’, zeg ik als hij naast me staat. ‘Ik heb het twintig jaar geleden op de kop getikt voor twaalfduizend Belgische frank’, zegt hij in zwaar dialect. Zijn naam is Gaston. Hij ruikt naar knoflook en er zitten gaten in zijn wollen trui. Hij ziet er kerngezond uit. ‘Doet de lantaarn het nog?’ vraag ik belangstellend. ‘Nee, hij heeft het nog nooit gedaan, er is nog wat werk aan. Ik heb het gras wel lange tijd bijgehouden, maar ja, omdat hoog gras beter is voor de kleine beestjes, laat ik het verwilderen. De wormen, torren, bijen en hommels zien anders te veel af in deze contreien. Snuif de lucht maar eens op… Wat ruikt u? Het is mest en nog eens mest, ammoniak en chemicaliën. De kleine beestjes zijn er niet tegen opgewassen, ze sterven bij de vleet, het zijn allemaal dodenakkers hier. Ik heb gezegd dat ze naar hier kunnen komen, kom maar in mijn tuin wroeten en graven.’ Hij spreekt zo plat dat hij moeilijk te verstaan is. ‘Er zijn ook mollen,’ gaat hij verder, ‘daar willen de boeren vanaf en het lukt ze niet hè. De mol graaft zich in. Het is een wijs dier met een prachtige vacht. De haren van een mol kunnen twee richtingen op strijken, waardoor hij zich in zijn gangenstelsel niet hoeft om te keren. Wist u dat? Mij zie je niet een molshoop plat stampen.’ Hij klopt het stenen paard op de hals. ‘Ik werkte vroeger in De Lovie en daar moest ik weleens mollen vangen’, zegt hij. ‘Ik ving ze wel, maar zette ze weer uit buiten het domein.’ ‘De Lovie, de psychiatrische kliniek, werkte u daar?’ vraag ik. ‘Wat?’ brengt hij zijn hand naar zijn oor. ‘Werkte u in De Lovie?’ vraag ik wat luider. De man lijkt wel doof of in elk geval 18-

Bart Lodewijks

Een stevig gebouwde man van achter in de zestig met grijze lokken en een vriendelijke grijns komt mijn kant uit gesjokt. Hij heft zijn vinger afkeurend omhoog, maar zijn gezichtsuitdrukking verraadt dat het hem niet menens is.



zeer slechthorend. ‘Na 25 jaar hebben ze me buiten gesmeten omdat ik mijn werk in hun ogen niet goed genoeg deed.’ Ik wil hem vertellen dat het poëziefestival grotendeels plaatsvindt in De Lovie, een groot, leegstaand kasteel op tien kilometer afstand van Watou, maar hij blijft praten en ik kom er niet tussen. ‘Misschien willen jullie iets drinken? Ik bied jullie iets te drinken aan’, zegt hij. Als ik het aanbod beleefd afsla, grijpt hij naar zijn borstzak en haalt daar twee blauwe eurobiljetten uit. ‘Hier, voor jullie, ieder twintig euro, daarmee kunnen jullie iets drinken in een café’, zegt hij.

Jan en ik lopen door Watou, ieder twintig euro rijker. De cafés zijn gesloten, de buurtsuper is dicht, alleen de slager is open. We wachten tot we aan de beurt zijn. ‘Ik zag jullie zojuist bij Gaston, ik reed toevallig voorbij’, zegt de slager. ‘Wat we bij jou kopen heb je aan Gaston te danken, het is een traktatie van hem’, zeg ik. De slager knikt instemmend alsof het heel gewoon is. ‘Jij maakt toch al die krijtlijnen in het dorp?’ vraagt hij aan mij. ‘Ja, en Jan fotografeert de tekeningen. Je zal ons wel vaker zien’, zeg ik – alsof wat wij doen de normaalste zaak van de wereld is.

20-

Bart Lodewijks

*






Bart is gevraagd om deel te nemen aan Kunstenfestival Watou, een prettig samenspel van beeldende kunst en poëzie in de openlucht. Bart stelt mij voor om er samen aan te werken. Hij zal de curatoren nog trachten te overtuigen van de meerwaarde van onze samenwerking. Het gaat pas in de zomer van start, maar we willen ‘er vroeg bij zijn’, de aanloop is van belang, de seizoenen ook. Jan Kempenaers


9 januari, voor het eerst naar Watou. Ik vertrek vanuit Antwerpen naar Lemberge, ik ga Bart ophalen, we vervolgen onze weg. Heen en terug 320 kilometer, reken ik. Gelukkig vind ik autorijden fijn, en al zeker nu, nu anderen dat minder doen, ze telewerken. In de auto praten we wat over belangrijke en minder belangrijke aangelegenheden en wisselen enkele bevindingen uit over de kunstacademie waar we beiden werken. We komen toe op het Watouplein, het enige plein van betekenis in het dorp, gelegen naast de kerk en de begraafplaats. Het is er erg mistig en verlaten, vanwege de coronaomstandigheden zijn alle resto’s en cafés verplicht gesloten. Ik parkeer de auto naast een festivalartefact, een in metaal uitgespaarde Hugo Claus, ik herken zijn profiel meteen, zijn signatuur is er ook. Mijn gedachten dwalen even af naar het zonovergoten Isola Comacina, een kunstenaarseiland in het Comomeer waar ik Hugo’s zoon ontmoette, we speelden schaak. We zien een vrouw die met haar hond aan het wandelen is, Bart maakt een praatje met haar, zij is het festival erg toegenegen en ze zijn beiden dierenvrienden. Ik maak ondertussen een paar mistige foto’s van aanpalende bakstenen woningen. We kuieren verder, Bart speurt naar geschikte krijttekenplekken, ik maak nog wat foto’s, een boot in een voortuin, wat bouwsels allerhande, een mistige akker… Ik denk aan de vorige edities van het festival, aan wat en waar, mijn herinneringen zijn vaag, de hoeves waren ruïneus, nu zijn ze opgeknapt. We lopen de Steenvoordestraat in naar de Douviehoeve, een eerdere prominente festivallocatie. Onderweg spreekt Bart vol lof over zijn nieuwste ontdekking, vingerloze handschoenen, hij kan er prima en warm mee krijten. Mij komen ze over als handschoenen voor sportvissers. Aangekomen bij de hoeve merkt Bart meteen een goede plek op om een krijttekening te maken, een zwart geschilderde metalen poort, een kapelletje rechts ervan, ik maak alvast een foto. Bart wil toestemming vragen om een tekening te maken. We zien een paar auto’s op de oprijlaan, geen deurbel, we kloppen aan, geen gehoor en dus geen tekening. We kijken even rond, zien wat opmerkelijk grote kippen, ik denk aan Vlaamse reuzen, maar Bart weet dat dat konijnen zijn, de kippen heten Vlaamse koekoek, een paar prachtige ezels zijn er ook. We nemen de eerste straat rechts, ik fotografeer nog wat allerlei dat mijn aandacht trekt, zo ook een hoopje rommel achter een afspanning. De eigenaar van de rommel schuifelt langzaam mijn 24-

Jan Kempenaers

1 De kop is eraf



26-

Jan Kempenaers

richting uit, ondertussen is Bart er ook. Hij laat de man vriendelijk weten dat we aan het werk zijn voor het Kunstenfestival. ‘Dat ze met hun kunst maar ginder blijven’ repliceert hij, terwijl hij naar de mistige horizon wijst. Hij vervolgt dat het niet veel goeds is dat festival en dat niemand er iets aan heeft. De bewoners van het dorp al helemaal niet, te veel auto’s in hun straten, enzovoort. Voor de horeca is het wel goed. We worden aangemaand om een stap naar achteren te zetten, weten we dan niets over corona? Bart probeert een paar positieve noten te laten weerklinken over het pittoreske dorpje. Daarna verschuift het gesprek naar een ander thema, te weten de grenscriminaliteit. Watou ligt niet zo ver van de Franse grens, een luttele drie kilometer, verstaan we. Een man met een rugzak waaruit een waterpas steekt, Bart in dit geval, kan ondanks zijn Nederlandse accent een grenscrimineel zijn. Wat zit er onder die waterpas? En een waterpas is ook een wapen, het is een stuk metaal, het kan als hefboom worden gebruikt, net zoals een weipaal en een stel houten kepers (die hij ondertussen aanwijst), je kan er een auto mee optillen en de wielen stelen. Verder komen we nog te weten dat er in Brussel en Antwerpen te veel vreemden zijn en dat hij ook jager is. Hopelijk is er geen rechtstreeks verband, denk ik bij mezelf. Vervolgens haalt hij nog een klein Opinel-zakmes tevoorschijn en laat ons weten dat het een verboden wapen is. Bart houdt hem wat aan de praat, ik voel een dwingende vluchtneiging opkomen. Ik weet dat Bart deze ontmoetingen, zo benoemt hij ze, nodig heeft, hij verwerkt de dialogen in zijn schrijven. We wensen hem nog een fijne dag en vervolgen onze zoektocht naar tekenplekken en foto-onderwerpen. We besluiten dat de verbeelding hier aan de macht was en denken aan zijn naasten. Terwijl ik fotografeer wandelen we verder en ontdekken een klein, bakstenen monument, er ontbreken een paar stenen en er groeit wat mos op. We proberen de bijna onzichtbare tekst te ontcijferen: Schutterwijk Watou ingehuldigd op het dorpsfeest 15-8-1978: een steen van drieënveertig lentes. Bart besluit tot een eerste tekening op het gedenkteken. De waterpas en het krijt komen tevoorschijn. Terwijl Bart tekent, stap ik de aanpalende, doodlopende straat in en fotografeer wat me opvalt, veel voortuintjes, een witte engel, een fontein gevuld met planten, ook nog veel kerstversiering. Ik arriveer terug bij het monument, de tekening is klaar, ik fotografeer ze van veraf, van kortbij, van alle hoeken en kanten. Het moet grondig gebeuren, want bij de eerste regen zal ze weer verdwijnen. We kijken samen naar de foto’s, Bart knikt instemmend. We besluiten dat het er allemaal goed uitziet, de tekening en de foto’s. De kop is eraf.



2 De Dodemanstraat, van boer tot bunker Op weg naar Watou een korte tussenstop bij het tankstation, een koffie, een krant, wederom veel coronanieuws: geen gewonden, wel doden, minder/meer besmettingen, minder/ meer ziekenhuisopnamen, minder/meer vaccins, minder/meer… er zijn ook vaccintwijfelaars. Verder nog wat overstromingen in Frankrijk, betogingen in Myanmar en Kalasjnikov lanceert een nieuw geweer voor hipsters, een ‘gadgetwapen’ met de welluidende naam mp-155 Ultima. De makers willen er een publiek mee aantrekken dat opgegroeid is met gadgets en zich geen leven kan voorstellen zonder, generatie Z heten ze. Lemberge, Bart vervoegt me, Watou in zicht. Deze keer rijden we niet naar het befaamde Watouplein, maar naar de Dodemanstraat. Ter voorbereiding van dit blijde bezoek deed ik wat schamele opzoekingen en ontdekte zodoende een 28-

Jan Kempenaers

Het is te koud, we wandelen terug naar de auto, onderweg nog een meeneem-koffie, de bitterste ooit, binnen opwarmen kan niet. Bart bedenkt dat hij tekeningen wil maken op elke eerste zijgevel net na het plaatsnaambord Watou, als een soort ‘Welkom in Watou’, zegt hij. Ik vind het een goed idee, we gaan autogewijs de Watou-borden opzoeken en bekijken de eerste zijgevels, ze lijken geschikt voor een tekening. Ook bij het laatste bord treffen we een prima zijgevel, blind, geen ramen, geen deuren, wel een reclamebord en twee kleine, witte vierkanten. Er stopt een auto voor het huis, dit kan de eigenaar zijn, zegt Bart, en haast zich erheen, op naar een ontmoeting. Ik selecteer ondertussen nog wat onderwerpen, als woorden in een zin, het worden beelden. De man heet Kevin, hij is inderdaad de rechtmatige eigenaar van de gevel en Bart mag erop tekenen. Een lokale garagehouder heeft zonder enig overleg een reclamepaneel op Kevins zijgevel gespijkerd, Renault, Passion for Life. Hij liet die passie-voor-het-leven-mensen vervolgens weten dat ze het bord stante pede dienden te verwijderen. Ten slotte rijden we nog even terug naar het dorpsplein, we zien er een kleurrijk mozaïek, Bart ontwaart er de continenten in, ik een schilderspalet, er ontbreken wat steentjes, het is allicht ook een restant van een eerdere editie. We kopen wat lokaal bier, klaar voor de terugrit. We zien enkele dunne zwarte lijnen verschijnen op het navigatiescherm, Bart is ook benieuwd, we gaan op een laatste verkenning. Kort: mijn auto is niet van het juiste allooi om deze paden te betreden. Dan maar een schemerfoto en vervolgens huiswaarts.



Terwijl we samen een tekening overschouwen verschijnt de vrouw des huizes, een kranige dame, ze heet Marleen. Het festival kent ze wel, maar ze ging er nog nooit heen. Verder verwachtte ze dat Bart mannetjes zou tekenen, rechte lijnen had ze niet in gedachten, een oordeel heeft ze er niet over. Ze vervolgt met een uitvoerig relaas over de geplogenheden van de boerenstiel, het is allemaal niet meer wat het geweest is, presteren is nu aan de orde van de dag en daar hoort schaalvergroting bij. Dit gezegd hebbende wijst ze naar vier grote, identieke bouwsels aan de horizon en laat ons weten dat daar vijftigduizend kippen in gehuisvest zijn en dat de kippen het vorige zomer te warm kregen en alle vijftigduizend van hun spreekwoordelijke stokje vielen, morsdood welteverstaan. Er kwamen meerdere containers aan te pas en ook nogal wat machines om de kadavers op te ruimen, een weerzinwekkende stank ook, waardoor de auto van dochterlief een week na de ruiming nog naar kip-in-ontbinding rook. De geuroverlast blijkt er ook bij nog levende kippen te zijn, maar niet nu, de wind is ons gunstig gezind. De huidige agrogeneratie is zeven op zeven dagen in de weer en gaat dus niet meer naar de zondagsmis en ten gevolge ook niet meer op café om zich gezamenlijk te bezatten. Concurrentie, daar was vroeger geen sprake van, alle boeren trokken aan hetzelfde zeel, samen met de mis en de pinten is ook de solidariteit verdwenen. Ze zegt dat het toch wel barre tijden zijn en dat ze bang is. Ik verwacht een zoveelste coronaverhaal, maar zij heeft het over computers, waar ze geen sikkepit van kent, en ook over bandieten, 30-

Jan Kempenaers

erfgoedobject, een bouwkundig element met name ‘Geallieerde bunker Abeele Aerodrome’. Bart wil er ook graag heen, op beton kan hij wel een krijtlijn kwijt. Hoewel de inventaris van ‘Vlaanderen is erfgoed’ melding maakt van ‘bewaard’ en ‘aanwezig’, kunnen we de bunker helaas niet vinden. In de Dodemanstraat valt ons oog echter op een ruïneuze boerderij met dito erf, enkele stallen, een ingestort huis en nog wat vergane glorie allerhande, er is ook een kleine vijver, omringd met bomen en struiken, dichtgevroren weliswaar, het is vijf graden onder nul. Bart acht het zeer zeker een tekenwaardige plek. Het woord ‘toestemming’ valt. Zogezegd zo gedaan, er staat een fiets, er is een deur, ik klop aan en merk een teken van menselijke aanwezigheid. In een kleine, schemerverlichte ruimte zit een man, hij eet. Kort gesprek, met als resultaat een volmondige krijttekentoestemming. Zodoende tast Bart de omgeving uitvoerig op tekenende wijze af, ik verken ze op fotografische wijze.



Bart tekent naarstig verder en voorziet zowat het hele erf van krijtlijnen. Naar analogie met onze vorige bezoeken fotografeer ik alles wat ik enigszins onderwerpwaardig acht, veel ‘verval’, enige merkwaardige details, waaronder een nog in het ingestorte huis aanwezig telefoontoestel, voorzien van een draaischijf, de stekker is eruit, ‘Brandweer Watou: Tel. 900’ vermeldt een sticker. Verder nog wat idyllische winterlandschappen en Barts vergankelijke tekeningen met meer of minder context. Plots is Marleen terug, behulpzaam, ze heeft rondvraag gedaan naar de bunker, hij bestaat nog. Ze wijst in de verte en zegt: ‘eerste erf links’. Daarna heeft ze het over haar man, hij is in het ziekenhuis, hij loopt met een rekje. Terwijl ze uitbeeldt hoe krom hij loopt, erg krom, zegt ze dat het niet iedereen gegeven is om waardig ouder te worden. Wij verkleumden hebben nog maar weinig in te brengen, we beloven haar om na ons bunkerbezoek nog even langs te komen en rijden vervolgens naar het eerste erf links. We treffen er een goedlachse man, de bunker staat er inderdaad nog, in het aanpalende weiland, grotendeel ondergronds. We worden tot voorzichtigheid gemaand, er kunnen nog een paar oude Duitsers uit springen. Snel nog een tekening, de zon is bijna onder, een paar foto’s, voor en na, niet tijdens. We kloppen nog even aan bij Marleen, we worden vriendelijk verzocht om naar binnen te treden, een kleine ruimte, dito raam en elektrisch verwarmingstoestel, een gigantische wasmachine. Op de terugweg ontdooien we in de auto, Bart vertelt me over de Dutchbatters, Srebrenica, 1995. De militairen-op-rust, die indertijd door Ratko Mladić, de opperbevelhebber van de BosnischServische troepen, om de tuin geleid werden en medeverantwoordelijk geacht werden voor de genocide, krijgen eerherstel. Ze zullen, 26 jaar na de feiten, allicht wat euro’s toegestopt krijgen, belastingvrij, er zijn ook wat terugkeerreizen voorzien teneinde te verhelpen aan nogal wat trauma’s. Beiden hebben we enige affiniteit met 32-

Jan Kempenaers

bij voorkeur bruine. Bart antwoordt dat veel mensen het moeilijk hebben, zij knikt instemmend. Zelf is ze met pensioen, te oud om te werken, te jong om te sterven, verstaan we. We leggen haar uit dat we eigenlijk op zoek zijn naar een bunker. Ze heeft wel weet van die bunker, hij heeft er ooit gestaan, maar ze vermoed dat hij nu toch weg is. Merkwaardig, denk ik bij mezelf. Ze moet ervandoor, haar twee oude kippen hebben dorst, ze moet het ijs gaan breken, eieren leggen ze niet meer, ze had er meer, maar die zijn opgegeten door een vos. Bart zegt dat het mooie beesten zijn, die vossen, maar natuurlijk, ze hebben soms ook honger. Samen met haar kippen bleek ook haar kat verdwenen te zijn.



voormalig Joegoslavië, Bart maakte er een film, ik fotografeerde er monumenten.

3 Waarom?

Gent, Merelbeke, een nagelnieuw seniorencentrum, Bart werkt er aan een kunstintegratieproject, hij maakte er veel tekeningen, binnen en buiten en ook op een grote, aan de muur bevestigde steen. Behalve van een tekening van Bart is de steen ook voorzien van een tekst. Ik lees: ‘De warmte van de vriendschap verbreekt de stilte van je eenzaamheid, het licht van de liefde verdrijft de duisternis van je geest.’ De naam van de auteur ontbreekt. Ik fotografeer de steen in zijn huidige context, weldra verhuist hij, samen met de tekst, de tekening en de senioren, van het oude naar het nieuwe deel van het gebouw. Merelbeke, Poperinge, Bart vergaderde met de organisatoren van het festival en doet onderweg verslag. Ze bezochten met z’n allen een kasteel op de site van De Lovie vzw, een sociale organisatie waar jongeren en volwassenen met een verstandelijke handicap of andere beperkingen terecht kunnen. Hoewel het een slordige tien kilometer van Watou verwijderd is, zou het dienstdoen als uitvalsbasis voor deze editie van het festival. Het Douviehuis, inclusief de muurschildering van Roger Raveel, is niet langer van de partij, andere heren, andere wetten, er wordt uitgeweken. Bijna toegekomen bij het kasteel krijgt Bart een oproep van een medewerker van De Lovie. Kort samengevat, prospecteren en fotograferen kan, aan tekenen dienen nog enkele vergaderingen vooraf te gaan. 34-

Jan Kempenaers

Antwerpen, Gent, ik haal Bart op bij het station, we begeven ons naar Henry Van de Veldes Boekentoren. De hoofdbibliothecaris-op-rust nodigde me uit voor een bezoek en wat foto’s. Ze laat me weten dat de restauratie bijna klaar is en ook onvoorstelbaar mooi, een feestelijke opening is voorzien voor september. ‘De laatste twee weken van februari is er echter een uniek moment: een gerestaureerde, opgekuiste en nog volledig lege bibliotheek. Gebeurt nooit meer’, schrijft ze. Verschillende fotografen worden uitgenodigd, het is geen opdracht, er is geen budget, maar wel een kans, een kans om een uniek moment vast te leggen, het meemaken van iets uitzonderlijks, ook een ‘kick’ komt ter sprake. Misschien ooit een boek, een tentoonstelling, rechten worden dan betaald, enzovoort. Bart houdt ook wel van een ‘kick’, ik verdenk hem van een ‘poging tot krijtlijn’.



Aangekomen op het Watouplein maakt hij meteen enkele welgemikte tekeningen, ik fotografeer om me heen. Aan de voeten van de uitgespaarde Hugo, die bij nader inzicht deel uitmaakt van een 36-

Jan Kempenaers

We besluiten eerst het kasteel te gaan verkennen en aansluitend het domein. Het kasteel, majestueus gebouw, specifieke ambiance, licht vergane glorie, er wordt gewerkt. Gelijkvloers wat stuntelige borden, informatie over het erfgoed, een handvol historische foto’s, onderschriften, een bewogen geschiedenis. Op de eerste verdieping imposante vertrekken, hoge plafonds en geschilderde marmerimitatie. We bespeuren ook enkele bovenmatige, op het historisch behang gekleefde zwart-witfoto’s, ze tonen mensen, zittend in bed, allicht ziek want ze maken deel uit van een opvoedkundige tentoonstelling met als thema tuberculose. Op de tweede verdieping een schrijfsel op de muur, ‘Meubilair De Lovie, geen persoonlijk materiaal’. Een opslagverdieping openbaart zich aan ons, we zijn getuige van een amper te overzien amalgaam aan diversen, bedden, stoelen, tafels, rekken, kasten, gootstenen, enzovoort. We ontmoeten er ook een voetloze Jezus die uitrust op noppenfolie, alsook een Jozef, hij staat geleund tegen een rol van riet. Deur nummer 10 bloklettert: ‘persoonlijk meubilair, geen meubels van De Lovie!!!’ Op dezelfde deur een zevendelige stickerverzameling, ‘Ik ben Vlaming en daar ben ik fier op’ prijkt er naast ‘Altijd welkom’ en ‘Amnesty International’. In het vertrek ontwaren we daadwerkelijk persoonlijke spullen, een bed van Danny, jassen van Martin, een anonieme sterrenkijker op statief, een prachtige episcoop: een onvervalste Neo Solex, voorzien van een 400 mm-objectief. Er bevindt zich ook een platencollectie: klassiek, Deutsche Lieder, accordeon. Ik bekijk een hoes: ‘Silver Star presenteert Frans Bonne en zijn Accordeon’, zes nummers op de a-kant, circusmars, quickstep, tango en slow-rock en een Lippizanerwals. Op de b-kant is er Slow Waltz, wals, disco en ook ‘Eebie Deebie Doebieda’, een chachacha, alles in onvolprezen stereo. Frans poseert fier met zijn instrument, er is ook een telefoonnummer. Ten slotte een aanzienlijke stapel tijdschriften, bovenaan lees ik ‘16 x feest’. Al wandelend verkennen we het veel groter dan verwachte domein, het herbergt gebouwen die ons aan het voormalige Oostblok herinneren, er zijn ook grotten, vijvers, een kunstwerk, misschien, en een met betonnen namaakrotsen omzoomd prieel. Uiteenlopende bedenkingen en twijfels vallen ons te beurt tijdens onze tocht. Bart besluit dat er ondertussen voldoende geprospecteerd is en dat hij wil tekenen.



Bij mijn thuiskomst bekijk ik www-gewijs het Douviehuis, het pand bezit een eigen website, boordevol interessante informatie en voorzien van hedendaagse foto’s. Het is ondertussen naar behoren opgesmukt tot een, inderdaad, vakantiewoning en het kreeg, aldus de website, een moderne uitstraling toegemeten voorzien van hoogwaardige materialen en vernuftige toestellen, waaronder wifi en sauna, gezellig en comfortabel, parkeren kan er ook. Bovendien is er een schier eindeloze waaier aan mogelijkheden en blijkt het ook uitermate geschikt voor aanpasbare ‘break-out sessies’, waarbij rokers en huisdieren niet toegelaten zijn. Er is ook velerlei te ontdekken en te beleven in de omgeving, vooral wat betreft ‘eten en drinken’. Ten slotte valt mijn oog op een citaat van een deelnemer aan de Poëziezomer anno 1993, Hugo Brems: ‘Als kunstwerken en 38-

Jan Kempenaers

ensemble van Roger Raveel, vinden we een paars Atoma-schriftje. We lezen ‘Kandidaatstelling, a4-uploaden, referentieproject, waarom’, vervolgens achttien pagina’s plannen, we vermoeden van een landschapsarchitect, uitermate verbazingwekkend allemaal, graven dienen verplaatst, anders, beter. Op de laatste bladzijde lezen we: ‘Watouplein, volledig nieuw?’ Hopelijk schieten Hugo, Roger en de continenten alias het schilderspalet hier niet bij in. We stappen naar het Douviehuis, de muurschildering van Raveel heeft er gezelschap gekregen van twee reclameborden, het ene aan de muur geschroefd, het andere, voorzien van een houten structuur, staat op de stoep. Terwijl Bart speurt naar een geschikte tekenplek, lees ik: ‘Binnenkort te huur, Douviehuis 2020, polyvalente ruimte, met keuken en bar! Voor workshops, vergaderingen, seminaries, familie-events, expo’s, …’ Het tegen de muur geschroefde bord toont enkele simulaties van hoe het allemaal zou kunnen worden. Beide borden worden vereeuwigd op de lichtgevoelige sensor. Ondertussen is Bart al flink opgeschoten, een lange horizontale lijn op een betonbalk rechts van de muurschildering, ze onderstreept de metalen woorden ‘Douviehuis Vakantiewoning’ en doorsnijdt een klein, geel bordje met een gestileerde Vlaamse leeuw. Vervolgens tekent hij nog een verticale lijn links van de simulatie. ‘Zo zitten ze goed ingeklemd’, zegt hij. We vervolgen naar het einde van de Kerkhofstraat om onze dichters, Anna Enquist en Jotie T’Hooft, nog even een bezoek te brengen. Helaas zijn de plaquettes spoorloos, enkel hun contouren en hun pluggen zijn er nog, Bart herdenkt ze met een korte, horizontale streep. Her en der nog wat foto’s en krijtlijnen, we passeren langs een merkwaardig bakstenen bouwsel waarvan we eerder vermoedden dat het een kunstwerk is. Op kunstwerken weigert Bart te tekenen.



gedichten los mogen rondlopen, buiten de beschuttende en geruststellende grenzen van het museum, de galerie of de dichtbundel, dan beginnen beelden, voorstellingen en betekenissen wild om zich heen te slaan waardoor er nieuwe, onverwachte en impertinente verbindingen ontstaan.’

Bart heeft een welluidende titel bedacht voor onze bijdrage aan het festival, ‘Naar Watou toe’ en dat geschiedt dan ook daadwerkeijk. Onderweg vatten we het plan op om de foto’s te tonen via beeldschermen, een digitale variant van een ouderwetse diaprojectie. Bart wil de schermen ‘omsingelen’ met kleurrijke tekeningen. Midden april ontvingen we een bericht van de curatoren van het festival: ‘Het duurde een tijdje, maar we vonden een heel goede plek voor de presentatie van jullie … in de ruimte in de Brouwerij.’ Ik vermoed dat het om Leroy Breweries gaat, een brouwerij die zich recht tegenover het Douviehuis bevindt. Op hun drietalige website prijkt de slogan ‘Cheers to our Belgian Tradition’. Ik kom te weten dat ze er unieke, wereldwijd gewaardeerde, edele streekproducten maken, met name ambachtelijke bieren op basis van kwaliteitsvolle grondstoffen, vier eeuwen ervaring en een sterk team. Vakmanschap, traditie en passie worden er sinds 1572 gekoesterd. Bij onze aankomst is het curatorenduo Chantal en Benedicte al ter plaatse, bruisend van enthousiasme, we worden warm verwelkomd. Benedicte werkte eerder voor een gerenommeerde Antwerpse kunstgalerie. Momenteel is ze druk in de weer om diverse stichtingen, opgericht door afstammelingen van kunstenaars, te voorzien van langetermijnplannen, de artistieke nalatenschappen dienen doortastend beheerd te worden. Ze geeft ook lezingen, ‘online art talks’ genaamd. Chantal op haar beurt is nethoofd van een radiozender met name Klara, die eigendom is van de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie, afgekort vrt. Klara brengt in hoofdzaak klassieke muziek te berde en in tegenstelling tot de meeste andere radiostations blijft hij gespeend van menige reclameboodschap. De eigenaar-brouwer is helaas niet present, jammer, want ik had hem, alsook zijn bieren, graag ontmoet. Er is wel een sleutel ter beschikking, hij verschaft ons toegang. De brouwerij lijkt niet langer in gebruik, ze valt eerder onder de noemer industrieel erfgoed. Bij de ingang prijkt een in staalbuis gebogen silhouet van een fles, binnenin is een infobord geschroefd. Een geschiedkundig ‘weetje’ springt in het oog: ‘Tijdens de Franse Revolutie ontsnapte 40-

Jan Kempenaers

4 We bedienen ook honden



Aansluitend nemen we de site onder de loep. Ze is bezaaid met een allegaartje aan rommel, een container met bouwafval, gasflessen, een barbecue, lege verfpotten, olievaten, enzovoort. Gele, hoog gestapelde bierkratten trekken mijn aandacht, ze hellen vervaarlijk over. Behalve het hoofdgebouw bezoeken we meerdere bijgebouwen, in een ervan bemerken we, benevens allerhande, een schoolbord met het opschrift ‘onderhoud autovoertuigen’. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen dieselmotoren en benzinemotoren, verder vermeldt het olievernieuwingen en banden, kilometers en data, ‘17-11-82’ is de recentste. Bart toont opvallende interesse in een paar aluminium ladders, ‘die kunnen nog van pas komen’, zegt hij met voorbedachten rade. Het terrein loopt uit op een grasveld dat uitkijkt op een meterslange betonnen schutting, de aanpalende straat wordt hierdoor aan het zicht onttrokken. Bart ziet meteen een opportuniteit, ‘één lijn van rechts naar links’, zegt hij. Ik knik en houd zijn gele waterpas op een naar goeddunken geschikte hoogte. Bart beaamt en gaat meteen aan de slag. Ik breng de locatie op zeer gedetailleerde wijze in beeld, maar houd daarbij een citaat van fotograaf William Eggleston in gedachten: ‘one image from one image’. Als Bart voor drie-vierde klaar is met zijn tekening, verschijnt er plots een hoofd boven de betonnen muur. Het is de buurvrouw en ze vraagt wat we precies aan het doen zijn. Bart vertelt zijn geijkte verhaal: tekenen, met krijt, niet weersbestendig, festival, enzovoort. 42-

Jan Kempenaers

de brouwerij ter nauwer nood aan de verwoestingen van de revolutionairen aangezien het bier hen te dierbaar was. Het kasteel [Kasteel van Watou, gebouwd in 1620, verwoest in 1793] werd geplunderd en met de grond gelijk gemaakt.’ Verder maakt het bord melding van een ‘tournée locale’, een gratis ‘bierfietspocket’ en een routebrochure, inclusief een gedetailleerde kaart. Naast een minuscule Europese vlag lees ik: ‘Dit bord kwam tot stand dankzij Leaderproject “Copyright Westhoek”.’ Chantal en Benedicte tonen ons de tentoonstellingsplek in kwestie, een kleine, vrij donkere doorgang die twee grotere ruimten met elkaar verbindt. Wij zijn er tevreden mee. Er wordt snel beslist dat een muur nog gereinigd dient te worden en stroom zou ook van pas komen. Daarna nemen we afscheid, de curatoren haasten zich naar een volgende locatie. In de ruimte geven Bart en ik, door middel van plakband, de contouren aan van de monitoren en de omringende tekeningen, we spreken het vermoeden uit dat het er goed zal uitzien, te finaliseren tegen 3 juli, de feestelijke opening van het festival.



Wij komen aan de weet dat de muur geen eigendom is van de brouwerij, maar dat zij hem eigenhandig gebouwd heeft. Tekenen blijkt geen probleem, al dienen we meermaals te beloven geen gaten in haar muur te boren. ‘Kabaal maken’ is ook uit den boze, haar twee kleindochters studeren op de bovenverdieping. Gezien de pandemie vertoeven ze liever bij hun grootmoeder dan op hun studentenkamer, een van hen wil in de nabije toekomst zieke dieren genezen. Terwijl ik nog een slordige honderd foto’s maak, finaliseert Bart zijn krijtlijn, nadien tekent hij er nog drie andere. Tot slot gaan we op zoek naar wat eetbaars, we begeven ons naar de lokale slager en bestellen er enkele belegde broodjes, de keuze aan beleg is nagenoeg oneindig. In de koeltoog bemerk ik enkele grote, bruine beenderen en nieuwsgierig vraag ik aan de winkelbediende waar ze precies voor gebruikt kunnen worden. ‘We bedienen ook honden’, zegt ze.

Op het dorpsplein parkeer ik mijn auto naast een opvallende betonnen constructie, ik fotografeer ze meteen. Plots verschijnt er een man-met-hond, hij vraagt of ik in opdracht van een dagblad werk. Ik doe hem het vertrouwde relaas: festival, foto’s, krijtlijnen. Hij blijkt een onvervalste Watounaar te zijn en informeert mij ongevraagd over het bouwsel. Zoals ik al vermoedde is het geen festivalrestant, maar een multifunctionele luifel. De man vindt hem mooi, veelzijdig ook. Inderdaad, je kan er wachten op een bus, je fiets parkeren, rondhangen en een praatje maken, en zelfs op een bank zitten behoort tot de mogelijkheden. Ik toon hem een krijtlijn die Bart er eerder aanbracht. Vervolgens stuurt hij aan op de onvermijdelijke discussie of die krijtlijn nu al dan niet kunst is. Ik knik veelvuldig en denk ondertussen aan een zinsnede uit Braziliaanse brieven van August Willemsen: ‘Dat moet je je nooit afvragen (of iets kunst is), ga er maar van uit dat kunst niet bestaat, dat maakt het zo veel makkelijker.’ We nemen afscheid. Bart kwam op het idee om deze keer te overnachten in Watou. E-mailgewijs vraagt hij de curatoren om een accommodatie. Bliksemsnel komen we te weten dat het goed met hen gaat, dat het met het voorziene budget wat minder goed gaat, dat het begrensd is, dat door corona ook heel wat zaken duurder uitvallen. Ze hebben wel een ‘kampeerformule’ in de aanbieding, een slaapzaal, boven het festivalhuis, verstoken van warm water, een slaapzak en matje 44-

Jan Kempenaers

5 Kunst bestaat niet



Roger, onze Amsterdamse uitgever-vormgever-vriend, zal ons vervoegen, hij is op weg. Hij zal instaan voor het ontwerp van de door ons bedachte meeneemkrant en voorziet ons van allerlei welkom advies. Om wat voeling te krijgen met ons project wil hij graag de typerende Watou-sfeer nog eens aan den lijve ondervinden. Hij was er al eerder, lang geleden, negentien jaar, het festival heette toen ‘Poëziezomer Watou’. Hij stelde er de door hem en Mark Manders uitgegeven publicaties tentoon, er waren ook keelzangers uit Mongolië. We benutten de avond om ons project uitvoerig te bespreken, suggesties, opmerkingen, bedenkingen, beeldenselectie. De volgende morgen bezoeken we samen de tentoonstellingsplek, maken een finaal plan, ronden af met een conclusie. Alvorens afscheid te nemen en weder huiswaarts te keren valt mijn oog op een ingelijst schrijfsel: ‘het aardigste aan plezierige dingen is de herinnering.’

46-

Jan Kempenaers

dienen zelf meegebracht te worden. We bedanken vriendelijk. Schrijven is vakantie, we zullen in het ‘Huis van de dichter’ logeren, het is niet alleen een schrijversresidentie, maar ook een vakantiewoning. Het huis heeft een lijvige gebruiksaanwijzing die we per mail mogen ontvangen. Om te beginnen wenst de auteur ons een inspirerend en productief verblijf. Uit de bijgesloten inventaris blijkt dat er van alles en nog wat aanwezig is, maar er dient ook een en ander zelf meegebracht te worden, waaronder zachte pantoffels. Er is ook een ratjetoe aan specifieke instructies, wij onthouden dat het servies met de gouden randjes niet in de vaatwasmachine mag en ook niet in de microgolfoven. Een ‘afpuntlijst’ en coronaregels zijn ook present. Bij het betreden van het charmante huis frappeert een op de muur gekleefde zwart-witfoto, vier mannen met brillen, gezeten op een bank. De foto is voorzien van een onderschrift: Gwij Mandelinkck, Herman De Coninck, Hugo Claus en Rutger Kopland, Codadag, Watou, 8 september 1991. Al dan niet ingelijste poëzie is er royaal aanwezig. Op de schouw prijkt een veertiendelige wekkercollectie. Alle wijzers staan evenwel stil en geven verschillende uren aan. Mijn gedachten dwalen naar Hiroshima, naar het polshorloge dat ik zag in het Peace Memorial Park, de wijzers kwamen tot stilstand op 6 augustus 1945 om kwart na acht. Zouden ook deze stilstaande wijzers verband houden met een historische gebeurtenis?


Deze gratis publicatie is verschenen in het kader van Kunstenfestival Watou 2021, een organisatie van Stad Poperinge. Tekst en beeld: © Bart Lodewijks & Jan Kempenaers, 2021 Eindredactie: Lucy Klaassen Ontwerp: Roger Willems Druk: Rodi Rotatie, Diemen Mede mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds.

English translation, and other stories by Bart Lodewijks: