Bart Lodewijks - Merelbeke-tekeningen. Een kleine geschiedenis in grote letters (Nederlands)

Page 1

Bart Lodewijks

Merelbeketekeningen Een kleine geschiedenis in grote letters

1





Merelbeke-tekeningen



Bart Lodewijks

Merelbeke-tekeningen Een kleine geschiedenis in grote letters

Roma Publications, Amsterdam



Voorwoord Bij de graafwerkzaamheden voor de nieuwe huisvesting van het woonzorgcentrum in Merelbeke stuitten de bouwlieden op een smalle schacht met sporen van vermolmd hout. Nader onderzoek wijst uit dat het een restant is van een holle eik, een in de vergetelheid geraakte waterput uit de vijfde of zesde eeuw. Ik zie meteen dat de put droog staat, maar dat er nog wel verhalen uit opgediept kunnen worden. In de maanden voor de verhuizing teken ik met krijt op de muren van het oude woonzorgcentrum. Ik teken op de gevel, in de gangen en op de kamers van de bewoners en ik luister naar hun verhalen. Een maand lang krijt ik op de muren van de afdeling voor mensen met dementie en ondervind hoe bros herinneringen kunnen zijn. Dan breekt de pandemie uit en wordt het woonzorgcentrum volledig van de buitenwereld afgesloten. Ik vervolg mijn tekeningen op de plekken waar de verhalen van de bewoners vandaan komen: op de huizen waar ze vroeger woonden en zo graag naar terug willen keren. In de wijken tref ik buurtbewoners

5


aan die het verleden weer tot leven brengen, alsof de tand des tijds er geen grip op heeft gehad. Wanneer de coronamaatregelen een aantal maanden later versoepeld worden, keer ik terug naar het woonzorgcentrum. Het oude gebouw is ondertussen bijna helemaal met de grond gelijk gemaakt, alsof het nooit heeft bestaan. De bewoners hebben hun intrek genomen in een spiksplinternieuw gebouw. Moedig bieden ze alle veranderingen het hoofd, makkelijk is het niet. Ze worden op de been gehouden met boeken. Wekelijks worden er groteletterboeken gebracht door twee vrijwilligers van de bibliotheek. Aan Maurice, een sympathieke heer op leeftijd die graag leest en veel moppert over de kleine lettertjes, beloof ik dat mijn verhaal in grote letters gaat verschijnen. De manshoge waterput heeft een prominente plek in de foyer van het nieuwe gebouw gekregen. Er zit geen bodem onder. Het reservoir aan verhalen is onpeilbaar geworden.

6


Hoofdstuk 1 Alleen oude mensen spreken de waarheid Over enkele maanden nemen de bewoners hun intrek in het nieuwe gebouw aan de overkant, een verhuizing van luttele meters. Op de betonnen gevel van het lokale dienstencentrum, een apart gebouw dat onder meer dienstdoet als cafetaria, het enige deel van de nieuwbouw dat al in gebruik is, breng ik een krijttekening aan die op een vlag lijkt. De hele ochtend ben ik ermee in de weer en zie mensen komen en gaan. Vijftig meter verderop, waar de auto’s geparkeerd staan, is de gesloten afdeling voor mensen met dementie. ‘Daar ligt de tijdloze hel’, zegt Maurice, een levenslustige oude man die ’s middags de cafetaria bezoekt. Later op de dag ontmoet ik hem opnieuw. Hij wil weten wat ik aan het doen ben op de gevel van de ‘tijdloze hel’. ‘Ik lever krijttekeningen’, grap ik, verwijzend naar het woord ‘Leveranciers’ op een rechthoekig signaleringsbord. Meewarig schudt hij zijn hoofd en schuifelt verder. Ik ben weer alleen en teken verder totdat achter een raam van de afdeling

7


Krijttekening op de gevel van de pas opgeleverde cafetaria in het lokale dienstencentrum.

8


voor mensen met dementie een oude vrouw in een witte wollen trui mij wenkt. Ik besluit dat dit het teken is om naar binnen te gaan. Maar om de deur van de afdeling te openen heb je een code nodig en die heb ik niet. Dus neem ik de hoofdingang van het woonzorgcentrum en beland tussen bewoners die enige zorg vereisen, maar verder prima bij de pinken zijn. ‘Je mag gerust op de muren tekenen...’, zegt verpleegster Susanne aanmoedigend. Ze heeft zich van het begin af aan betrokken opgesteld. Toen ik enkele weken geleden ter verkenning over het terrein struinde, hield ze me staande en informeerde of ik misschien ‘de kunstenaar’ was. ‘Alleen als je op een kamer wilt tekenen, moet je dat vragen aan de desbetreffende bewoner’, zegt ze. Ik knik instemmend en dwaal doelloos door het grote gebouw. Het loopt hier duidelijk op z’n eind, denk ik bij mezelf. Het is er weliswaar schoon en netjes, maar niet meer van deze tijd. In een klein, gezellig vertrek staat een gedekte tafel voor zes personen. Ik trek de stoute schoenen aan en begin te tekenen op de muur, zomaar, pontificaal naast een groot televisiescherm, in afwachting van wat komen gaat. Eén voor één druppelen de bewoners binnen, maar niemand zegt iets tegen mij. Achter mijn rug lepelen ze hun soep uit plastic koppen.

9


Krijttekening op de muur van de afdeling voor mensen met dementie, De Zilverberk.

10


Al tekenend luister ik naar de tafelgeluiden, het geslurp en het geroezemoes. Volgens mij beschouwen ze mij als een klusjesman, die je maar beter niet kan storen. Convectoren blazen warme lucht het vertrek in. Het televisiescherm zendt nieuwsitems uit voor doven en slechthorenden. Het plafond is gedrapeerd met slingers van een feest dat voorbij is. De geur van bouillon kruipt in mijn neus. Op de eettafel staat ook voor mij een kop soep te dampen, naarstig neergezet door verpleegster Susanne toen ze doorhad in welke ruimte ik neergestreken was. Een raam verleent uitzicht op de werf. Stevige kerels met witte helmen op hun hoofd leggen de laatste hand aan de bestrating. Een van hen klieft een klinker doormidden met een soort guillotine. Een luide stem eist plots mijn aandacht op: ‘Je weet toch wel dat we binnenkort verhuizen naar de nieuwbouw aan de overkant?’ De woorden komen van Maurice, die leunend op een stok de eetzaal binnenwandelt, net zo waardig en elegant als bij onze eerste ontmoeting in de cafetaria. Hij heft zijn stok joviaal omhoog. ‘Alle moeite die je in de krijtlijnen stopt, het zal voor niks zijn want dit gebouw gaat platgesmeten worden.’ ‘Dat is niet erg, ik ben wel wat gewend. Ik heb een akkoord met de vergankelijk-

11


heid gesloten’, antwoord ik en klop het krijt van mijn handen. Het lijkt alsof hij me niet verstaat. ‘Ik zag u door het raam naar buiten kijken, over anderhalve maand staat daar een nieuw gebouw’, zegt hij niet onaangedaan. Hij excuseert zich bij zijn disgenoten dat hij zo laat is voor het middagmaal. ‘We zien op tegen de verhuizing’, spreekt hij voor hen en strijkt een katoenen servet uit op zijn schoot. Een zorgelijke frons verschijnt op zijn voorhoofd. ‘Ze gaan ons daar opsluiten, je zal het wel zien.’ Verpleegster Susanne buigt zich troostrijk over hem heen. Ze zegt luid en duidelijk: ‘Kan het tafelbier al geserveerd worden, meneer?’ Zijn frons verandert in een glimlach. Buiten verplaatsen twee hijskranen geprefabriceerde betonblokken alsof het veertjes zijn. Achter mij klinkt het getik van het bestek in de soepkoppen. ‘Schiet op, anders wordt uw soep nog koud’, hoor ik Maurice tegen mij zeggen. Ik neem plaats aan de tafel. Tegenover mij knikkebolt een mevrouw met opgespeld grijs krulhaar. Haar mond staat halfopen. Een kalende man met een slabbetje om zijn hals kijkt vorsend voor zich uit, een voetbad gemorste soep ligt op zijn bord. Naast hem zitten twee vrouwen naar mij te koekeloeren. ‘Deze dames heten Mia en Olga’, introduceert

12


13


Maurice het stel. ‘Mia heeft een spraakgebrek en is hier nog maar pas. Ze was vroeger heel muzikaal.’ Een glimlach glijdt over het gezicht van Mia. Ze buigt voorover alsof ze iets wil zeggen, maar zinkt terug in haar stoel. ‘Ze deelt een kamer met Olga, de dame met de witte wollen trui’, vervolgt hij. Pas nu zie ik dat zij de dame is die mij wenkte vanachter het raam van de afdeling voor mensen met dementie. Ik verontschuldig me dat ik haar niet meteen herkend had. Ze maakt er niet zo’n punt van, ze weet kennelijk ook niet meer wie ik ben. ‘Ze is erg vergeetachtig en maakt zo nu en dan een uitje naar de afdeling voor mensen met dementie’, verklaart Maurice. Ik zou haar graag eens vergezellen tijdens zo’n uitje, denk ik bij mezelf. Een kleine, levendige vrouw met een scherpe stem introduceert zichzelf. ‘Ik ben Maria, ze noemen mij voor de fun Maria Teresa, maar ik zit hier niet voor de fun.’ Met enige terughoudendheid neemt ze mij in zich op. Ze is weliswaar op leeftijd, maar ziet eruit als de jongste van de groep. ‘U heeft een roemruchte bijnaam’, spreek ik vrijuit en vraag me ondertussen af wat haar eigenlijk mankeert. Pit heeft ze genoeg, zo te zien. Waarom zou ze hier verblijven? Waarom ‘woont’ Maurice hier? En Mia en Olga? Zo op het eerste gezicht zit er geen sleet op.

14


Zou Maurice de vrouw met het opgespelde krulhaar en de kalende man met de morsdoek om zijn nek ook meenemen in zijn voorstelronde? Dat is niet het geval. Een beetje angstig kijk ik de tafel rond, niet iedereen maakt contact, waardoor ik de situatie moeilijk kan inschatten. Het is mijn eerste dag in het woonzorgcentrum. Alle ogen zijn op mij gericht. Wat doet deze jongemanspersoon in ons midden?, lijken de bewoners zich af te vragen. Ik neem een slok van de afgekoelde soep. ‘Ik heet Bart en ik ben op zoek naar geschikte plekken om krijttekeningen op te maken’, steek ik van wal. Ik zeg het nogal abrupt en het wijkt misschien af van hun realiteit, maar eerlijker en essentiëler kan ik de reden van mijn aanwezigheid niet samenvatten. ‘Profiteer d’r maar van’, zegt Maurice uit het niets. Ik realiseer me dat er hier veel gezegd mag worden en dat niets echt gek klinkt. P r o f i t e r e n, hoe komt hij daar nou bij? Waar zou ik op dit moment van kunnen profiteren? Met half toegeknepen ogen kijkt hij mij aan. Alleen kinderen en oude mensen spreken de waarheid, denk ik bij mezelf… en dronkaards natuurlijk, maar tot die laatste categorie behoort hij duidelijk niet, ook al staat er inmiddels een glas Piedbœuf voor zijn neus. Hij drinkt het schuimbier met langzame teugen, op

15


zijn gezicht staat een afwachtende uitdrukking, boven zijn mond heeft zich een wit snorretje gevormd. Hij is oud van lijf en leden, maar ergens schuilt er een kind in hem. De gedachte dat er een bejaarde kwajongen met een schuimsnor tegenover mij zit, stemt me vrolijk. Is dit een geschikt moment om te vragen of ik op de muur van zijn kamer mag tekenen? In plaats daarvan flap ik eruit: ‘Ik zal d’r van p r o f i t e r e n.’ ‘Het leven is een zucht’, reageert hij prompt en kijkt mij veelbetekenend aan. ‘Je moet het leven in de vlucht wegvangen’, zegt hij. Het klinkt als oude mannen onder elkaar. Zijn woorden wekken Olga uit haar sluimerstand. Met een slaperig stemmetje wendt ze zich tot mij en vraagt poeslief: ‘Wie bent u eigenlijk als ik vragen mag?’

16


Dames van elastiek Van Maurice mag ik op de muur van zijn kamer tekenen, hij stelt mijn gezelschap op prijs. ‘De boel gaat toch platgesmeten worden’, bromt hij voor de zoveelste keer. Zijn kamer is een pijpenla van drie bij zeven meter. Hoewel ik er mijn kont amper kan keren, begin ik aan een wandvullende tekening. Ik ben blij dat ik aan de slag kan in een woonruimte, wat toch veruit de interessanste plek is voor iemand die dicht bij de mensen wil tekenen. Maurice praat honderduit over zijn vrouw Marieleintje, die sinds een jaar in De Zilverberk woont, de afdeling voor mensen met dementie. De tijdloze hel, zo blijft hij de gesloten afdeling noemen. ‘Het is spottend bedoeld, om de last te verlichten, een beetje zoals oorlogshumor,’ zegt hij, ‘ze maken er het beste van daar… En dat is niet gemakkelijk.’ ‘Drieënzestig jaar geleden heb ik Marieleintje ontvoerd op de fiets’, vertrouwt hij me met een ondeugende glimlach toe. ‘Ik was als radiotelegrafist gelegerd in Munte, een dorp vier kilometer hiervandaan. Kort daarna zijn we getrouwd.’ Op de ladekast staan lijstjes met zwart-witfoto’s van het pasgetrouwde stel. Marieleintje poseert vrijpostig in de armen van

17


haar soldaat. Het stel lacht het leven tegemoet. Op de voorgrond ligt de naarstig neergegooide herenfiets uit het ontvoeringsverhaal, op de achtergrond staat een bunker met een knoestige betonnen buitenkant. ‘Marieleintje heeft haar leven lang geturnd bij Olympia’, vervolgt Maurice. ‘Vroeger was dat de enige sport voor meisjes in Merelbeke. Ze zwiert haar benen met gemak op tafel. Ondanks haar leeftijd is ze een turnmeisje gebleven. Dat geldt trouwens voor de hele garde hier, het waren allemaal Olympiagangers. Stuk voor stuk zijn het dames van elastiek.’ Een trotse glimlach strijkt over zijn gezicht. Profiteer d’r van, wil ik zeggen, maar ik weet niet waar het op slaat en slik mijn woorden in. Elastiek, ik lach in mezelf, want ik ben helemaal stram geworden door de bewegingen die ik moet maken om de fotolijstjes niet om te stoten. Maurice neemt een vergrootglas en gaat kruiswoordraadsels oplossen. ‘Woordspellen zijn goed om de bovenkamer op te schudden, maar de letters worden met de jaren kleiner’, moppert hij. Twee vrijwilligers voorzien hem wekelijks van boeken. Ze duwen een metalen karretje voor zich uit, een soort mobiele mini-bibliotheek. Er is voor ieder wat wils, maar de groteletterboeken vinden de meeste aftrek.

18


Maurice slaat geen ronde over, hij is een veellezer. Maurice verlaat zijn kamer voor een ommetje. In de deuropening kijkt hij aandachtig naar de krijtlijnen op de muur. ‘Ik begrijp niet wat u precies aan het doen bent, maar misschien moet ik dat ook niet willen. Hoe bent u ertoe gekomen om een dergelijk beroep te kiezen? Ik bedoel: hoe wist u dat een beroep als dit bestond? Zat het in de familie?’ ‘Ik stam uit een geslacht van verhalenmakers,’ zeg ik, ‘maar om te kunnen vertellen moet je eerst luisteren. Omdat ik zo lang aan een tekening werk, is er veel tijd om te luisteren. Het zou een beetje raar zijn als ik hier werkeloos met mijn armen over elkaar de omgeving in me op sta te nemen. Ik teken graag op muren en krijt heeft iets zachtaardigs. Het heeft ook met vergankelijkheid te maken. Ik teken vaak buiten, die tekeningen verdwijnen weer. En het roept herinneringen op aan de kindertijd. Zullen we samen je vrouw eens opzoeken?’, stel ik luchtig voor. Misschien mag ik verder tekenen op de afdeling voor mensen met dementie, hoop ik stiekem.

19


Krijttekening in de kamer van Maurice in het oude woonzorgcentrum.

20


21


22


We zijn allemaal loten van dezelfde stam Mia en Olga delen een kamer, schuin tegenover Maurice. De afgelopen dagen nuttigden we samen de lunch in de gemeenschappelijke ruimte, waardoor we enigszins vertrouwd zijn geraakt met elkaar. Olga is een sjaal aan het breien en schrikt als ik de deur open. ‘Kijk maar uit dat je geen steken laat vallen’, plaag ik haar. Mia ligt op bed en ik ga naast haar zitten. ‘Ik zou zo graag willen zingen, maar dat lukt niet meer’, zegt ze zachtjes. Ze heeft de tekening bij Maurice in ogenschouw genomen en merkt op dat het kunst is met een grote K. Gisteren was haar dochter Sabina op bezoek en die vertelde dat haar moeder vroeger naar musea ging en zelfs een cursus kunstgeschiedenis gevolgd heeft. ‘Papa was glazenier en mama zong veel. Ze was het vogeltje in huis’, zei ze. Het kost niet veel moeite om toestemming van Mia te krijgen voor een muurtekening op haar kamer. Ik plaats mijn ladder tegen de muur en teken een zestal centimeters onder de plafondrand de eerste horizontale lijnen. De nauw tegen elkaar geplaatste lijnen lopen van links naar rechts en van boven naar beneden, alsof ik een verhaal schrijf. Er vormt zich een krijtvlak dat de hele lengte van de muur bestrijkt, net als bij Maurice.

23


Krijttekening in de kamer van Mia en Olga in het oude woonzorgcentrum.

24


Om te voorkomen dat de neerdwarrelende krijtdeeltjes overal tussen gaan zitten drapeer ik een laken over de bezittingen van Mia. Mijn heen en weer lopen en het geschuif met de ladder bevallen Olga niet. Het breiwerk ligt op haar schoot. Ze kijkt mij vragend aan. ‘Het is toch vreemd dat u mijn naam weet terwijl ik u niet ken’, vraagt Olga zich luidop af. Ze spreekt zacht en voorzichtig. ‘Bart is mijn naam’, zeg ik en om haar een beetje te helpen spel ik ‘B-A-R-T’. ‘Bent u misschien familie van mij?’ vraagt ze verwachtingsvol. Ik schud mijn hoofd en het spijt me dat ik haar teleur moet stellen. ‘Van heel ver zijn we familie’, stel ik haar gerust, ‘we zijn allemaal loten van dezelfde stam.’ ‘Olga,’ vraag ik, ‘vind je het goed als de tekening die ik bij Mia maakte, doorloopt in jouw kamerdeel?’ Met mijn handen geef ik aan welk stuk van de muur ik voor ogen heb. ‘Dan teken ik van het gordijn tot de lijstjes.’ ‘Maar is dat zo wel goed?’ onderbreekt ze me kritisch, ‘de onderste krijtlijnen zijn er te veel aan.’ Ze wijst naar Mia’s kamerdeel. ‘Die onderste lijnen zijn er te veel aan,’ herhaalt ze, helemaal bij de les en een beetje pinnig, ‘die zou ik eerst maar eens weghalen voordat je verder gaat.’ Het krijtvlak op Mia’s kamerdeel is dusdanig groot dat het klem lijkt te zitten tussen de

25


muur en de gordijnrails die de twee kamers van elkaar scheidt. Ik heb te lang doorgewerkt en te weinig naar de tekening gekeken; ze is te ‘dik’ geworden. Als ik op Olga’s muur verder teken, wordt het krijtvlak uitgerekt, langer gemaakt, waardoor de proporties weer kloppen. ‘Als hij lijnen gaat weghalen, is dat zonde van al het werk dat hij erin heeft gestoken’, merkt Mia scherp op. Er gaat een weekend overheen voordat ik me realiseer dat ik een fout heb gemaakt. Misschien was het niet goed van mij om geen gehoor te geven aan Olga’s kritische blik: ‘de onderste krijtlijnen zijn er te veel aan…’ Ik keer terug naar de kamer van de twee dames om het goed te maken. Met gevoelens van spijt klop ik op de deur. Er klinkt geen gehoor en als ik alsnog naar binnen stap, schrik ik me wezenloos. Mia ligt doodstil in haar bed. Ik haal opgelucht adem als ik de deken rond haar borststreek langzaam op en neer zie gaan. Maar Olga is in geen velden of wegen te bekennen en de lijstjes zijn van de muur gehaald. Haar bed is gedekt, de lakens liggen gestoomd en gesteven bij het voeteneind. Het onaffe breiwerk ligt ontzield op het nachtkastje, alsof het in allerijl is achtergelaten. Ik durf Mia niet te wekken om te vragen wat er

26


27


met Olga is gebeurd. Daarom spoed ik mij naar het secetariaat. Daar is het een komen en gaan van verplegend personeel, bewoners en bezoekers. In de gang staan verhuisdozen. Ik kom er nauwelijks tussen met mijn vraag waar Olga gebleven is. Er worden te veel vragen gesteld aan telefoniste Jacqueline. Olga blijkt gelukkig nog in leven, maar waar ze uithangt is onbekend, deelt ze mede met de telefoon tegen haar oor. Als ze heeft opgehangen, vertelt ze dat bewoners gemiddeld anderhalf tot twee jaar in het woonzorgcentrum blijven, dat dit hun eindhalte is. Een beetje paniekerig kijk ik om me heen en probeer me voor te stellen dat iedereen binnen twee jaar dood is. Het lukt niet, bij mij gaat het er niet in. We hebben een gesprek over de onrust die onder de bewoners leeft over de verhuizing die eraan komt. ‘Samenwonende koppels krijgen in de nieuwbouw ieder een aparte kamer,’ zegt ze tussen neus en lippen door. Op de gang loop ik Maria Teresa tegen het lijf. Ze heeft gehoord dat ik op Maurice zijn kamer getekend heb en ze ziet zo’n ingreep bij haar ook wel zitten. Ik ga meteen met haar mee. De muur van haar kamer is nagenoeg wit, waardoor witte krijtlijnen nauwelijks zichtbaar zullen zijn. Toch begin ik eraan. Op het einde

28


van de dag strijkt het lage zonlicht over de tekening. ‘Kijk,’ wijs ik haar op het natuurverschijnsel, ‘de zon maakt de tekening zichtbaar, alsof het licht haar wekt’, zeg ik verrukt. Ze staart me aan alsof er bij mij een steekje los zit. Tot overmaat van ramp stoot ik een lamp met een aardewerken voetstuk van het nachtkastje. Onbeholpen toon ik haar de drie scherven, waarvan er één nog aan het elektriciteitssnoer bengelt. De lamp blijkt een erfstuk te zijn, een van de weinige overblijfsels uit het ouderlijk huis. Ik beloof haar plechtig dat ik de scherven zal lijmen. ‘Wat mij betreft mag je, zodra je de lamp gerepareerd hebt, hem ook meteen neerzetten in de reminiscentieruimte. Daar komt ie uiteindelijk toch terecht’, zegt ze cynisch vlak voordat ik de deur achter me sluit. Ik doe navraag bij Jacqueline waar de reminiscentieruimte ligt. Dat blijkt op de afdeling voor mensen met dementie te zijn, waar ik zo graag naartoe wil. ‘Toen je in het secretariaat tekende was ik erg gehaast, nu heb ik meer tijd’, zegt ze en gaat zitten. ‘Reminiscentie is een gedachte aan een verschijnsel uit het verleden dat overeenkomst vertoont met een huidige waarneming. Het is een aspect van het menselijk geheugen en herinnering’, legt ze uit.

29


Kamer van Maria in het oude woonzorgcentrum.

30


31


Secretariaat in het oude woonzorgcentrum.

32


33



Hoofdstuk 2 De gesloten afdeling Op een sticker die naast het cijferslot bij de ingang van de gesloten afdeling gekleefd is, staat ‘9 8 2 0 omgekeerd’. 9820 is de postcode van Merelbeke. In de omkering zit ’m de kneep. Maurice verklapte al hoe de code gekraakt kan worden. Ik leg de aardewerken scherven voorzichtig op de vensterbank, zodat ik één hand vrij heb om de code in te toetsen en met de andere de deur kan openen. 0 2 8 9. Zelfs voor een niet-dement persoon vergt het andersom intoetsen van een cijferreeks alertheid. Hoewel ik met de juiste intoetsing bewezen heb tot welke categorie ik behoor, betreed ik aarzelend de afdeling. Als een van de cliënten het hier op zijn heupen krijgt, kan de boel aardig ontploffen, waarschuwde Maurice. De deur is net terug in het slot gevallen als een tanige oude man mij de doorgang verspert. Zijn broek hangt op half zeven en rond zijn kruin steken enkele grijze haren overeind,

35


waardoor hij iets wegheeft van de professor uit de jarentachtigfilm Back to the Future. Hij wil naar buiten, maar ik sta hem in de weg. Hij zegt peinzend: ‘Ze hebben mij hier binnen gestoken.’ ‘Marcelleke, laat meneer er eens langs’, spreekt een barse mannenstem achter hem. Gehoorzaam verleent de oude man mij doorgang en sloft in gepeins weg. ‘Die moeten we in de gaten houden, hij is er eens tussenuit gepiept... By the way, ik ben Donald, niet de Donald die aan de knoppen zit in het Witte Huis, maar Donald van de technische dienst.’ Krachtig schudt hij mij de hand. Als ik kenbaar maak wat ik hier doe, noemt hij me, overdreven articulerend, m e n e e r d e k u n s t e n a a r. ‘Was hij er tussenuit gepiept?’ herhaal ik Donalds woorden. ‘Hoe Marcelleke hier buiten is geraakt weten we niet… maar hij is naar Merelbeke, naar zijn vroegere woning gewandeld, het is te zeggen, gesloft. Er kwam nogal wat mankracht aan te pas om hem uit de woning te halen. In de tuin liep een hond.’ Hij grinnikt bij de gedachte wat voor moeite Marcellekke zich moest getroosten om zonder kleerscheuren langs de hond te komen. In de ontvangsthal van de afdeling voor mensen met dementie hangt een zwarte, granieten

36


gedenksteen aan de muur. De spreuk die in het graniet gefreesd is, geeft aan dat het hier geen lichtzinnige plek is. Er staat: DE WA R MT E VA N DE V R I EN DSCH A P V ER BR EEKT DE S T ILT E VA N J E EENZ A A M H EI D H ET L ICH T VA N DE L I EF DE V ER DR I J F T DE DU IS T ER N IS VA N J E GEE S T ‘Iedereen heeft de spreuk weleens gelezen, maar niemand kent hem uit zijn hoofd’, zegt een verpleegster als ze mij voor de plaquette ziet staan. Ze heet Ingrid en als ik vraag of ik iets op de steen mag tekenen, zegt ze: ‘Er is niemand die u tegenhoudt.’ Over de hele lengte van de spreuk trek ik verticale krijtlijnen. Het krijt hecht slecht op het glad gepolijste oppervlak, waardoor de lijnen er diffuus uitzien. Na uren tekenen neem ik enkele meters afstand. Het voelt alsof ik me losruk uit een duistere macht. Een dunne, diffuus aangebrachte krijtlaag bedekt de letters, de spreuk is nog leesbaar. Het rechterdeel van de steen, daar waar geen letters staan, laat ik onbetekend om de ‘duisternis’ niet te ontkennen.

37


38


Als aan de grond genageld blijf ik staan. Herken ik daar aan het einde van de gang Olga, de door mij dood gewaande kamergenote van Mia? Ik zie haar op de rug, ze draagt dezelfde witte wollen trui. Niet wetend of ik nu blij moet zijn of verdrietig roep ik ‘OLGA!’ Mijn stem schalt door de gang. En, ja, zij is het! Ze reageert op haar naam en keert zich om. Ik begin spontaan te zwaaien. Oh, Olga, ik ben blij je te zien, alsof je uit de dood herrezen bent, wil ik uitroepen. Met een vragende blik schuifelt ze mijn kant op. Herenigd staan we voor de zwarte steen. ‘Wie bent u eigenlijk?’ vraagt ze even verwachtingsvol als een paar weken geleden. Ze kijkt naar de scherven in mijn hand. ‘Zijn wij misschien familie?’ ‘Ja, van verre zijn we familie, loten van dezelfde stam’, wil ik zeggen, maar ik schud mijn hoofd. Een paar dagen geleden, op de kamer met Mia, kon ik nog lachen om haar ‘tasten in het duister’. Nu voel ik de leegte en de daarmee gepaard gaande eenzaamheid. Ik denk aan de fout die ik maakte door in haar kamerdeel verder te gaan met tekenen. Ze kan zich er waarschijnlijk niets meer van herinneren. Als een teer poppetje staat Olga naast me. Een diep, fundamenteel gevoel van medemenselijkheid overvalt me. Wat staat haar allemaal

39


Krijttekening op de granieten plaquette in de entreehal van het voormalige gebouw voor mensen met dementie.

40


te wachten in de ‘tijdloze hel’? Als het mogelijk was zou ik haar willen behoeden voor het onomkeerbare proces van eenzaamheid en duisternis. De geheime code, de omkering van de postcode van Merelbeke, de grap van de eeuw zoals Maurice de cijfercombinatie weleens noemde, komt opeens heel donker en sinister op mij over. Ik denk aan de rafelige randjes van Olga’s breiwerk, zoals ik het een paar dagen geleden op haar nachtkastje aantrof. Het hele zorgcentrum lijkt wel bezaaid met gevallen steken, met geschiedenissen die geen begin en geen einde meer hebben en oplossen in het niets, maar wel degelijk bestaan. Het loopt tegen het einde van de dag als de tekening op de plaquette klaar is. Verpleegster Ingrid houdt Olga’s arm vast en begeleidt haar naar haar kamer. ‘Bij het zwart is het nog niet gedaan’, neemt Olga tijdens het voorbijgaan het resultaat in ogenschouw. ‘Ik wil de steen niet dicht tekenen’, zeg ik. ‘Het is een gordijntje dat bijna dichtgeschoven is’, zegt ze assertief. ‘Het krijt blijft niet goed zitten op de steen,’ leg ik uit, ‘het oppervlak is te glad. Als ik de tekening te zwaar aanzet, schraap ik het krijt juist weg en is er nauwelijks iets te zien.’ Ingrid lacht erom en zegt: ‘De kunstenaar heeft de steen gewichtloos gemaakt.’ Vol bewondering kijkt Olga

41


mij aan en daarna vervolgt het tweetal hun weg. Schuin tegenover de plaquette ligt de reminiscentieruimte. Het is een kleine kamer die ingericht is met huisraad dat het verleden in herinnering brengt. Ik druk de scherven van de lamp tegen elkaar en verbazingwekkend genoeg vallen ze niet uiteen, alsof het aardewerk vanzelf aan elkaar kleeft. Behoedzaam plaats ik de ogenschijnlijk complete lamp op een houten tafel. Vanuit een fauteuil die in de hoek van de kamer staat, kijk ik naar het stilleven op de tafel en kom tot rust, alsof alles mooi op zijn plaats valt. Een paar keer haal ik diep adem. ‘Gij zijt ’ne schone vent.’ Een vrouwenstem met een sterk Merelbeeks accent laat mij schrikken. In de deuropening staat een kleine, gedrongen dame, ze draagt een spijkerbroek en een grijze wollen trui. Ik schat haar niet ouder dan zeventig jaar. ‘Het is toch goe zo’n schone vent’, gaat ze onverstoorbaar verder en kijkt naar mij alsof ik uit het rijk der goden op aarde ben neergedaald. Haar woorden komen niet geveinsd over, maar recht uit haar hart. Guitig staart ze mij aan. Ik gniffel en ben op een of andere manier gevleid; ik mag haar meteen. Op het moment dat ze mijn lach ontwaart, verschijnt er echter een grimmige trek op haar gezicht. ‘Gij zijt een groot kalf, onnozelaar… Weet je wat ze met jou

42


moesten doen? Ze moesten jou in het cachot smijten’, voegt ze er gemeen aan toe. Resoluut draait ze zich om en sjokt verder alsof mijn lot haar niet deert. ‘Hier zit je dus’, roep ik uit als ik Maurice aantref in de gezamenlijke woonruimte van de gesloten afdeling. ‘Marieleintje heeft haar dag niet’, mompelt hij en trommelt met zijn rechterhand op tafel. Zijn vrouw zit naast hem en staart als een ijzige vorstin voor zich uit, alsof de wereld haar niet meer toebehoort. Teder houdt hij haar hand vast en kijkt zichtbaar ongemakkelijk naar mij. Naast hem liggen een half ingevuld kruiswoordraadsel en een balpen. Het gekras in de kantlijn verraadt dat hij niet in zijn beste doen is. Ik neem plaats naast het stel. Aan de overzijde van de tafel veegt verpleegster Ingrid de mondhoeken schoon van een man van achter in de vijftig, die stoïcijns voor zich uitkijkt. Hij heeft kortgeknipt haar en een verzorgd en intelligent voorkomen. Je zou hem aanzien voor een bezoeker als hij niet was vastgegespt in een rolstoel en geen onsamenhangende klanken zou uitstoten. Ingrid draagt, als enige van de verpleegsters, een mondkapje. ‘Ik geloof dat het dragen van een kapje binnenkort verplicht gaat worden’, beweert ze. Ze is een innemende persoonlijkheid en staat erg op hygiëne.

43


‘Hij was docent aan de universiteit, een knappe man, zonde hè’, zegt ze en mikt het morsdoekje in de prullenbak. Drie stoelen verderop kijkt een vrouw met een poppengezicht gebiologeerd naar mij. ‘My name is Anna’, zegt ze met een krakende stem in perfect Engels, terwijl ze een pluchen kat streelt. ‘We noemen haar miss Amerika, want ze heeft lang in Californië gewoond’, legt Ingrid uit. ‘Ze is in Merelbeke geboren, in de Heidestraat, hè Anna?’ ‘Ik was een prinses’, zegt Anna giechelend. ‘Als jonge vrouw is ze haar tante achterna gereisd naar Amerika en heeft daar een man aan de haak geslagen, hè Anna?’, vervolgt Ingrid. ‘Ik heb een heel mooi leven gehad in Amerika’, zegt het oude besje instemmend. Ingrid vertelt: ‘Ze werkte in een weeshuis en omdat het koppel kinderloos bleef, heeft ze een meisje geadopteerd.’ Anna oogt uiterst vitaal en belangstellend. ‘Is het een lieve kat?’ informeer ik. ‘I adopted her, ze is een deugniet’, zegt ze met pretoogjes. De man in de rolstoel stoot intussen klanken uit, een geheime code die allicht door geen sterveling kan worden ontcijferd. ‘Je moet omkeren wat hij zegt’, grap ik tegen Maurice. Verbaasd kijkt hij me aan en trekt het kruiswoordraadsel naar zich toe.

44


Als ik vertel dat ik eigenlijk in het ‘cachot’ hoor te zitten, lachen Maurice en Ingrid me uit. ‘Typisch Josefa. Ze deelt net zo gemakkelijk liefkozingen uit als strenge straffen, ze is onze donderwolk en onze engelbewaarder. Of ben jij onze engelbewaarder?’ richt Ingrid zich tot Anna, die ondertussen volledig in beslag genomen wordt door de zorg voor haar geadopteerde knuffel. ‘Ik was een prinses’, herhaalt Anna. Ingrid geeft Anna een aai over haal bol. ‘Engelbewaarders zullen we nodig hebben’, stelt ze. Tijdens het tekenen kijk ik zo nu en dan achterom de eetzaal in en zie dat een van de vrouwen geroutineerd op de man in de rolstoel afloopt en zijn hand onder haar trui laat verdwijnen. Gepassioneerd beweegt ze zijn hand heen en weer over haar borsten. De man blijft onaangedaan zitten, alsof het niets met hem te maken heeft. Niemand kijkt van het gedrag op, Ingrid ook niet, maar alleen zij handelt en leidt de vrouw behoedzaam weg. Dit tafereel herhaalt zich de hele dag door. ‘Het is een lastige kwestie’, vertrouwt Ingrid mij toe als ik aan het einde van de dag het voorval met haar bespreek. ‘Hij krijgt er waarschijnlijk niets van mee, maar voor zijn vrouw is het niet prettig. In het verleden ontstond er zo wel eens een koppeltje, die twee zaten de godganse

45


dag aan elkaar. Het probleem was dat de beide families tegen het amoureuze gepluk waren, maar wij konden toch niet de hele dag voor politieagent spelen? We hebben er dan maar een psycholoog bijgehaald en uiteindelijk heeft de familie zich erbij neergelegd. Het is iets anders dan vreemdgaan… allez… liefde is van alle leeftijden hè, en van alle tijden, daar doen ouderdom en dementie niets aan af. Maar ik ben er voorstander van dat koppels in de nieuwbouw ’s nachts gescheiden worden. Behalve lief kunnen ze ook knap lelijk zijn tegen elkaar, neem dat maar van mij aan.’

46


Een doos verdriet en een moppentrommel Josefa, de vrouw bij wie liefde en kwaadheid in elkaar verstrengeld zijn, verschijnt weer ten tonele. Ik ben benieuwd wat ze deze keer voor me in petto heeft. Haar ogen tot boosaardige spleetjes getrokken slentert ze ogenschijnlijk nochalant mijn richting uit. Ik stop met tekenen en wacht af. ‘Weet je wat jij bent?’, houdt ze intimiderend halt voor mijn neus. In haar ogen verschijnt dezelfde flonkering als tijdens ons eerste treffen in de reminiscentieruimte. Ik houd mijn hart vast… Ze zegt: ‘Jij bent de aller-, allerliefste mens op de hele wereld.’ ‘Dus ik hoef niet meer naar de gevangenis?’ zeg ik gespeeld opgelucht. Het antwoord laat ze wijselijk in het midden. Goedgemutst deelt ze knipogen uit aan Maurice en de andere toehoorders. Maurice steekt zijn duim omhoog. Josefa maakt een buiging, alsof ze bijzondere populariteit geniet. Maurice proest het uit. Zelfs op het gezicht van de man in de rolstoel ontwaar ik een lach, of verbeeld ik me dat maar? De manier waarop we hier met z’n allen zitten, heeft iets clownesks. Het stemt me droevig en vrolijk tegelijkertijd. De gesloten afdeling is een moppentrommel en een doos verdriet.

47


Het blijft onbenoembaar wat mij zo naar de afdeling voor mensen met dementie trekt. Het heeft te maken met stilstand, een terugtrekken van de wereld die doordraait. Hoewel, in de buitenwereld grijpt Covid om zich heen… Aanvankelijk sijpelt het nieuws over een op handen zijnde pandemie naar binnen alsof het ons niet zal raken. Het bericht dat de afdeling afgesloten gaat worden van de buitenwereld, komt als een donderslag bij heldere hemel. Alle bewoners verkeren plots in levensgevaar, het verplegend personeel is in rep en roer. De bewoners snappen er helemaal niets van. Anna zit verschrikt in haar stoel. Marcelleke gaat ijsberen en loopt iedereen in de weg. Op de televisie kondigt de kersvers benoemde premier van België een algehele lockdown af, met ingang van morgen. Op de laatste dag dat ik in het woonzorgcentrum mag werken, teken ik alsof de duivel me op de hielen zit.

48


49


De reminiscentieruimte op de afdeling voor mensen met dementie in het voormalige woonzorgcentrum De Zilverberk.

50


51


52


Krijttekening in de dagbestedingsruimte op de afdeling voor mensen met dementie in het voormalige woonzorgcentrum De Zilverberk.

53


De dagbestedingsruimte op de afdeling voor mensen met dementie in het voormalige woonzorgcentrum.

54


55


Krijttekeningen op de betonnen wand bij de expeditie-ingang.

56


Hoofdstuk 3 Plekken uit het verleden De volledige zorginstelling is op slot vanwege corona, je kan alleen nog maar om het gebouw heen lopen. Met mijn ziel onder de arm slenter ik over het terrein. Soms verschijnt er een gezicht van een bewoner achter een gesloten raam. Er is niemand meer om een praatje mee te maken. Ik kom op het idee om buiten, in een vergeten uithoek, verder te tekenen. Op een betonnen muur maak ik een tekening die eigenlijk bedoeld was voor de gang van de gesloten afdeling. Het terrein is uitgestorven, niemand komt kijken, er heerst een oorverdovende stilte. De verlatenheid, het vergankelijke van krijt en de onzekerheid over hoe lang de lockdown gaat duren overlappen elkaar. Het dun getekende krijtvlak dat ik op het betonnen oppervlak aanbreng, lijkt een diffuse wereld, terwijl het zwaar aangezette vlak erg aanwezig is. Ik trek me op aan de bemoedigende woorden van Josefa dat ik de liefste mens ter wereld ben. De bewoners hebben allemaal een Merelbeeks ver-

57


leden, peins ik. Ik denk aan Mia, die vroeger zong en nu haar stem kwijt is. Toen ik op haar kamermuur tekende, kwam haar dochter Sabina op bezoek. Sabina woont met haar gezin in het ouderlijk huis, dat aan de rand van Merelbeke staat, vlak bij de zorginstelling. Ik denk aan Maurice, die radiotelegrafist was op de legerplaats in Munte, een plaats hier vier kilometer vandaan. Ik denk aan Marcelleke, die ondanks zijn dementie wist uit te breken en op onverklaarbare wijze de weg naar zijn vroegere woning terugvond. ‘Weet jij misschien waar Marcelleke vroeger woonde?’ vraag ik aan Donald als hij komt polsen hoe ik het stel in deze uithoek van het terrein. Met krijt en tekenlat trek ik Merelbeke in op zoek naar de plekken waar de bewoners het de hele tijd over hadden en waar ze zo graag naar terug wilden keren. Enkele locaties herken ik van de foto’s die op hun kamers in lijstjes aan de muur hangen of op een nachtkastje naast hun bed staan. Het vroegere huis van Marcelleke, dat hij in de jaren negentig zelf gebouwd heeft, staat in een typisch Vlaamse verkavelingswijk, een autoluwe buurt met een oppervlakte van enkele vierkante kilometers. Er staan uitsluitend vrijstaande huizen met brede opritten, strakke ga-

58


zons sieren de voortuinen en de riante achtertuinen zijn aan het zicht onttrokken door een schutting, hekwerk of een dichtgegroeide haag van coniferen. De nieuwe bewoner, Karel, is een spontane jonge kerel die het trappenhuis aan het verbouwen is. ‘Een marcelleke is eigenlijk een mouwloos onderhemd. In de zomerdagen dragen veel oudere mannen het zonder bovenkleding. Marcelleke heb ik nooit in levenden lijve ontmoet. Ik leer hem kennen door hoe hij zijn huis in elkaar gezet heeft’, vertelt hij. Janine, die schuin tegenover Karel woont, had vroeger een confectiewinkel aan huis. Ze steekt de loftrompet af over Marcelleke: ‘Hij hield altijd een oogje in het zeil en maakte grapjes. Onder de toonbank van de winkel zat een alarmbel die verbonden was met zijn huis. Ik herinner me nog dat het alarm eens afging en dat hij onmiddellijk kwam aanstormen. Het dochtertje van een klant had de knop spelenderwijs ingedrukt, ik heb er naderhand nog vaak met hem om gelachen. Hij was een cafémens en is nog even biljartkampioen van Merelbeke geweest. Zijn tuin was een tapijtje. Hij stond altijd voor ons klaar, maar het leek wel alsof hij zich te min voelde voor de buurt. Hij was een graag geziene gast, maar heeft veel miserie gehad. Op

59


een dag waren alle vogels in zijn volière de nek omgedraaid.’ Janine weet zich de dag dat Marcelleke uit het zorghuis brak, nog goed te herinneren. ‘Opeens was hij er weer, alsof de tijd had stilgestaan. Het deed pijn om te zien hoe ze hem weghaalden. Hij verweerde zich heftig. Als je het mij vraagt was zijn dementie te zwaar gediagnostiseerd. Anders was hij nooit zonder hulp van buiten bij zijn vroegere woning beland.’ Ik wandel naar de militaire basis in Munte waar Maurice in de jaren vijftig gelegerd was, en tref er een zevental bunkers aan uit de Tweede Wereldoorlog. Op een van de kazematten maak ik dezelfde tekening als op de muur van het kamertje van Maurice. Het knoestige betonnen reliëf laat zich niet zo gemakkelijk betekenen, elke centimeter moet bevochten worden. Plotseling komt er een gepensioneerde boer op een glimmende racefiets aangereden. Hij vraagt: ‘Ben je er een veld aan het bijtekenen?’ Ik kom te weten dat de legertelegrafie hier actief was vanaf 1957, maar de naam Maurice doet geen belletje bij hem rinkelen. De fiets stamt uit de jaren waarin hij als professioneel wielrenner de wegen onveilig maakte. Begin jaren zestig schopte hij het tot nationaal kampioen veldrijden.

60


De vroegere woning van Marcelleke, op een steenworp afstand van het woonzorgcentrum.

61


Krijttekening op de vroegere woning van Marcelleke.

62


63


Oude bunker op de millitaire basis in Munte waar Maurice vroeger als radiotelegrafist werkzaam was.

64


Krijttekening op de bunker in Munte.

65


Ik bezoek Sabina, die in de bungalow van haar moeder Mia woont. ‘De tekening die je op mama’s kamermuur gemaakt hebt, weet ze wel te waarderen’, zegt ze. Bij binnenkomst valt mijn oog op de vele glas-in-loodramen in de woonkamer en het negentiende-eeuwse beeld dat op een plank voor de zwart geschilderde schouw staat. Zwarte bakstenen zijn de gedroomde ondergrond voor wit krijt. Ik ga meteen aan de slag. In de tekening spaar ik een vlek uit, bedoeld als ‘nabeeld’, een knipoog naar het beeld, het verleden, naar Mia’s stem in huis. Omdat ik als ik teken met mijn neus bijna tegen de muur sta en weinig afstand kan nemen, beleef ik de tekening vooral in detail. Sabina haalt herinneringen op: ‘Mijn moeder is altijd blijven zingen, ze plukte het geluk uit de lucht. Spijtig dat we haar niet mogen bezoeken vanwege corona.’ Ik teken terwijl zij praat. Buiten schijnt de zon en kwetteren de vogels. ‘Wat jij doet is eigenlijk een omgekeerde verhuizing’, concludeert ze plots. ‘Mama verhuist binnenkort naar het nieuwe gebouw en jij verhuist een tekening naar haar verleden. Mama wilde het beeld dat in de tuin staat, meenemen naar het zorgcentrum, maar dat is echt onmogelijk.’ In de voortuin staat een vruchtbaarheidsbeeld op

66


een zware bakstenen sokkel, een brokstuk uit het verleden van Mia. ‘Als kinderen gingen we er wel eens achter staan en staken ons hoofd erbovenuit, waardoor je versteend en hoogzwanger leek’, lacht Sabina. ‘Ik zou het beeld wel willen betekenen’, zeg ik. ‘Het zou mooi zijn om mama daarmee te verrassen’, zegt Sabina. Nog dezelfde middag wijd ik me aan de immense klus. Ik breng een draperie van blauwe krijtlijnen aan op het beeld. ‘Waarom blauw?’, vraagt ze. Ik wijs naar boven, naar de staalblauwe hemel waar Mia haar geluk vandaan plukte. ‘We krijgen onweer vanavond, de tekening zal spoedig van het beeld wegspoelen’, voorspelt Sabina. ‘Tenzij we het beeld inpakken’, zeg ik. ‘Volledig afgeschermd zijn van de buitenwereld is de enige manier om de coronatijd te overleven, eigenlijk precies wat mama nu overkomt’, zegt ze.

67


Woonkamer in het huis waar Mia vroeger woonde, met glas-in-loodraam van haar man, die glazenier was.

68


69


Het beeld in de tuin van de vroegere woning van Mia.

70


71


72


73


Ingepakt beeld met krijttekening in de tuin van Mia.

74


De kat van Anna Van de omgeving waar Anna opgroeide, is weinig over. In de Heidestraat, op de plek waar ooit een kasteel stond, staat nu een dependance van de faculteit diergeneeskunde, een grijs, mistroostig universiteitsgebouw, ingeklemd tussen een oprit naar de E40 en de ringvaart van Merelbeke. Het domein is omzoomd met oude loofbomen die ritselen in de wind. Ik heb me laten vertellen dat Anna opgroeide in de Heidestraat 19, maar het kasteel had nummer 21. Het werd in het najaar van 2017 onverwacht afgebroken. De faculteit is gevestigd op huisnummer 17. Anna’s woonverleden is gewist. Waarschijnlijk woonde ze niet in het kasteel, maar ernaast, waar nu struiken groeien. Ze keek als buurmeisje uit over het landgoed en speelde in de schaduw van het kasteel en de wuivende bomen. Daarom wordt ze ‘prinses’ genoemd. In het faculteitsgebouw staat achter een glazen kastdeur een opgezette kat. ‘Dat is haar lievelingsdier’, zeg ik tegen Francis, een jonge onderzoeker in een laboratoriumjas. Hij vertelt dat de Mongoolse steppen de habitat van het opgezette beest waren, en niet Merelbeke. Die kat is gewoon een simpele huiskat, denk ik bij mezelf. Die sloop op vilten voeten rond het kas-

75


teel… Als het deze kat niet was, dan was het misschien een andere kat, een voorvader of een nazaat, we zijn allemaal loten van dezelfde stam. Krampachtig probeer ik er een verhaal van te maken, maar slaag er niet in. Misschien staat de kat hier juist op zijn plaats, als stille getuige van Anna’s vermeende adellijke komaf, bedenk ik als ik huiswaarts keer.

76


Hoofdstuk 4 Het nieuwe woonzorgcentrum Als ik na maanden afwezigheid naar het woonzorgcentrum terugkeer, is de oudbouw vrijwel helemaal verdwenen. Het is een eigenaardig idee dat mijn krijttekeningen ergens in het puin liggen. Achter stapels verwrongen staal en betonresten is de nieuwbouw zichtbaar. De hoofdingang is veranderd in een glazen pui die automatisch opent en sluit. Op de grond ligt zand, het knarst onder mijn schoenzolen alsof ik door een strandtent loop. Het verplegend personeel is onherkenbaar vanwege hun mondmaskers. De grote granieten gedenksteen is nergens te bespeuren. Is het zwaargewicht niet mee verhuisd? vraag ik me af. ‘Ingrid?’, zeg ik verwachtingsvol tegen een verpleegster die voor mij uit loopt. ‘Ik ben Ingrid niet, ik ben Jan’, antwoordt een zware stem. ‘Moet je geen mondmasker opzetten?’, vraagt hij. ‘Weet jij misschien in welke kamer Anna zich bevindt?’ vraag ik, terwijl ik een sjaal uit mijn tas vis en deze voor mijn mond knoop.

77


Vermomd als een inbreker volg ik hem, we nemen een lift naar de derde verdieping. ‘Zijn er nog mensen gestorven?’ vraag ik langs mijn neus weg. ‘Geen doden, wel zieken. We houden ons hart vast’, zegt hij. De nieuwe liftdeur flitst open. Het gaat allemaal zo snel. De eerste die ik herken, is de universiteitsdocent, die als vanouds, vastgeriemd in zijn rolstoel, met een stoïcijnse blik voor zich uit staart. Vervolgens zie ik Olga, ze loopt verdwaasd rond, nog steeds met een onvoltooid breiwerk in haar hand; ze lijkt mijn aanwezigheid niet op te merken. Marcelleke staat gedesoriënteerd midden in de gemeenschappelijke ruimte. Zodra hij mij gewaarwordt, sloft hij peinzend weg. Het is alsof de tijd heeft stilgestaan. In de kast staat het kruiswoordraadselboek van Maurice. ‘Woordspellen zijn goed om de bovenkamer op te schudden, maar de letters worden met de jaren kleiner’, herinner ik me zijn gemopper. Hoe zou zijn verhuizing verlopen zijn? In een hoek van de kamer staart Anna in het grote niets. Ze lijkt brozer en kleiner geworden. Ik loop op haar af en zeg: ‘Dag kleine prinses’. Met waterige ogen kijkt ze me aan, ogen waarin geen herinneringen te bespeuren vallen, maar wel goedheid. In plaats van te vertellen dat ik het kasteel en de tuin in de Heidestraat bezocht

78


heb, vraag ik: ‘Waar is je kat?’ Ze murmelt iets onverstaanbaars. ‘Wacht even’, zeg ik en neem een van de pluchen katten van de vensterbank en leg hem op haar schoot. Haar hele wezen komt tot leven, hartstochtelijk streelt ze het dier en prevelt koosnamen. ‘Zal je goed voor haar zorgen?’ vraag ik. Driftig knikt ze en drukt de kat tegen zich aan. Plots kijkt ze me recht in de ogen en zegt kraakhelder, alsof ze geteleporteerd wordt naar een ver verleden, naar Amerika waar ze trouwde en een meisje adopteerde: ‘I will adopt her.’ Een paar dagen later ontvang ik het trieste bericht dat ze is overleden. ‘Niet per se door corona,’ zegt verpleegster Ingrid alsof dat wat uitmaakt, ‘maar de schrik zit er wel in.’ ‘Ze zal gemist worden’, zeg ik. ‘Ze was onze oogappel, onze mascotte’, zegt ze en laat een traan. Nog dezelfde week gaat de tweede lockdown in. Zorginstellingen in het hele land worden zwaar getroffen door ziekte en dood. Ondanks de strenge regels krijg ik toestemming om te tekenen op plekken in het gebouw waar de bewoners nog niet mogen komen. De lichtvoetigheid waarmee ik maanden geleden van start ging, heeft plaatsgemaakt voor een onwezenlijke stemming.

79


Kleurkrijt In de nieuwbouw hangt de geur van desinfectiemiddelen. Er heerst een onheilspellende stilte. De bewoners moeten op hun kamers blijven en mogen onder geen beding bezoek ontvangen. Het verplegend personeel wekt een gejaagde indruk en is minder spraakzaam dan toen de afdelingen nog open waren. Enigszins ontredderd begin ik te tekenen op de pas gewitte muren. Ik put inspiratie uit de tekeningen die ik tijdens de lockdown in de omgeving buiten het woonzorgcentrum gemaakt heb. Ik leg mijn werkwijze uit aan Ingrid: ‘De tekening die ik in het vroegere huis van Mia aanbracht, op de zwart geschilderde schouw, heb ik opnieuw getekend, maar dan op de muur boven jullie balie. Details uit de tekening die ik op de woning van Marcelleke aanbracht, keren terug in alle tekeningen die ik in het nieuwe zorgcentrum maak. De tekeningen reminisceren.’ R e m i n i s c e r e n. Ik laat de betekenis van het woord nog eens goed tot me doordringen. Een gedachte aan een verschijnsel uit het verleden dat overeenkomsten vertoont met een huidige waarneming. Dat is wat mijn tekeningen doen. Omdat er door het voortduren van de epidemie

80


veel verdriet is, gebruik ik vooral vrolijke kleuren. De muren kleuren blauw, groen, geel, rood, paars, oranje en bruin. De laatste kleur komt me op een reprimande van bewoners en personeel te staan. De algemene opinie luidt dat het bruin te donker, te dof is, te oubollig ook. ‘Er zijn al genoeg donkerte, ouderdom en sterfte om ons heen’, klaagt Ingrid. ‘De bewoners zijn oud en de meesten sterven hier’, zeg ik, ‘maar dat ze kleurloze levens geleid hebben, hoor je mij niet zeggen.’ Integendeel, of het nou grote of kleine geschiedenissen zijn, ik denk aan de dames van elastiek, het zijn allemaal Olympiagangers. Ouderdom zit boordevol leven. Maar ik heb gemakkelijk praten, realiseer ik mij met mijn 48 jaren. In de ogen van veel bewoners ben ik een jonkie, ook al heb ik grijze haren. Terwijl de dagen lengen, komen mij steeds meer nare berichten ter ore. Het verplegend personeel vertelt dat Josefa is overleden aan de gevolgen van corona. Haar dood is bij het personeel als een mokerslag aangekomen. Als er iemand was die zorgde voor reuring in de brouwerij, dan was zij het wel. Ook Mia leeft niet meer, haar heengaan heeft niets met de epidemie te maken. Ik condoleer haar dochter Sabina en we pinken een traantje weg. Marieleintje, de vrouw van Maurice, is in alle stilte en sereniteit heengegaan.

81


Hij is er kapot van en ziek geworden. Momenteel ligt hij op de intensive care, maar is gelukkig aan de betere hand, vertelt Ingrid tegen mij. ‘Marcelleke houdt fier stand, op hem heeft de tijd weinig grip’, zegt ze troostend. In de avonduren haal ik me de bewoners voor de geest en wek de doden tot leven. Ik schrijf over Anna, die haar pluchen kat verzorgde en mijmerde over Californië waar ze twintig jaar gewoond heeft. Ik schrijf over Marcelleke, die op wonderbaarlijke wijze de weg terug naar zijn vroegere huis wist te vinden. Ik laat de mensen aan het woord die ik tegenkwam tijdens mijn omzwervingen door Merelbeke. Ik put moed uit de liefkozende woorden die Josefa mij tijdens het tekenen toewierp, en schiet in de lach als ik me de daar haaks op staande verwensingen voor de geest haal.

82


83


Krijttekeningen in de foyer van het nieuwe lokale dienstencentrum.

84


85


Krijttekening in de ontvangsthal met zicht op de cafetaria van het nieuwe lokale dienstencentrum.

86


87


88


Krijttekeningen in de cafetaria van het nieuwe lokale dienstencentrum.

89


Krijttekening in het trappenhuis van het nieuwe lokale dienstencentrum.

90


91


Krijttekening bij de ingang van het nieuwe dagverzorgingscentrum.

92


93


Krijttekeningen in de cafetaria van het nieuwe woonzorgcentrum.

94


95



Epiloog Troost De bibliotheek van Merelbeke voorziet de bewoners tijdens de lockdowns – en de periode daarna – meerdere keren per week van boeken. Detective-, avonturen-, liefdes- en streekromans worden in een metalen karretje door twee vrijwilligers het gebouw binnengereden. Het lijkt wel alsof Maurice door de toevloed van leesvoer zijn rug nog rechter houdt. De grootletterboeken vinden gretig aftrek bij hem. De boeken met de kleine letters laat hij uiteraard op het karretje liggen. Maurice verkeert in rouw door het verlies van zijn vrouw, maar hij veert op als ik vertel dat ik op een van de bunkers in Munte getekend heb, de plek waar hij zijn werkzame leven als radiotelegrafist doorbracht en in het huwelijk trad met Marieleintje. ‘Had daar nou op onze trouwdag getekend, je bent 63 jaar te laat’, zegt hij met gevoel voor understatement. Daarna verzinkt hij weer in zijn verdriet.

97


Om hem te troosten zeg ik: ‘Alle krijttekeningen komen samen in een boek. Ik heb een verhaal geschreven, onder andere over de tekening die ik op jouw oude kamer en in Munte maakte.’ ‘Ik kan nauwelijks nog lezen’, zucht hij. ‘Ik ga een groteletterboek voor je maken,’ beloof ik hem, ‘zodat je niet meer boos hoeft te worden op de kleine letters.’ ‘Ik heb het er heel moeilijk mee dat Marieleintje overleden is,’ zegt hij, ‘op het einde wist ze niet meer waar ze was.’ Ik denk aan de grote plaquette die is achtergelaten in de ontvangsthal voor mensen met dementie, de afdeling waar Marieleintje haar laatste jaren doorbracht. ‘Weet je nog wat Ingrid zei toen ik de steen betekend had met krijt?’ rakel ik het verleden op. ‘Ja, dat weet ik nog, je had hem gewichtloos getekend of zoiets...’ Maurice heeft een plek nodig om zijn vrouw te gedenken en zo’n plek ontbreekt in het nieuwe gebouw. De tekeningen die ik op de muren achtergelaten heb, voorzien het nieuwe gebouw van kleur, maar dat is niet voldoende. Er moet nog iets gebeuren. Mensen hebben een eigen verhaal nodig, een goed geconstrueerde geschiedenis, desnoods verzonnen, om ‘heel’ te blijven en desintegratie te voorkomen. Om vast te houden wat in werkelijkheid vervliegt.

98


Ik vraag aan Donald, de man van de technische dienst die over een loper beschikt, of hij met mij naar de vroegere afdeling voor mensen met dementie wil gaan, het enige deel van de oudbouw dat niet is afgebroken. We wandelen door de lege gangen en langs de verlaten kamertjes. ‘Hier is geleefd, geleden, gelachen en gestorven’, zegt hij. Er loopt een rilling over mijn rug. Alle spullen zijn overgebracht naar het nieuwe gebouw aan de overkant, maar het is alsof de geesten van de bewoners nog op de gangen rondwaren. Alleen de loodzware granieten plaquette is niet mee verhuisd, en precies daar is het mij om te doen. Vegen van handen en vingertoppen lopen over de krijttekening. ‘Het is alsof de bewoners een poging hebben ondernomen om de plaquette mee te nemen’, zeg ik. ‘Ik schat dat het geval duizend kilo weegt en chemisch verankerd zit aan de muur. Ik breek nog liever mijn rug dan dat ik me aan de verhuizing van de steen waag’, zegt hij. Omdat niemand wil helpen verhuis ik enkele dagen later in mijn eentje de onverplaatsbaar geachte steen naar de centrale hal van het nieuwe gebouw. Ik weet hoe dat moet, want ik ben degene die hem gewichtloos heeft gemaakt.

99


De achtergelaten plaquette in de voormalige afdeling voor mensen voor dementie in het oude woonzorgcentrum De Zilverberk.

100


De plaquette in de foyer van het nieuwe woonzorgcentrum, direct na de verhuizing.

101


102



Colofon Tekeningen en tekst: Bart Lodewijks Fotografie: Bart Lodewijks, Jan Kempenaers Redactie: Danielle van Zuijlen Eindredactie: Lucy Klaassen Ontwerp: Roger Willems Uitgever: Roma Publications, Amsterdam Dit project werd mogelijk gemaakt door: Lokaal bestuur Merelbeke, Welzijnsvereniging Zorgband Leie & Schelde, De Vlaamse Gemeenschapscommissie, Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden Met dank aan: Veerle De Smaele, Lenie van Heesvelde, Baro Architectuur, Heyse Natuursteen (voor het verplaatsen van de plaquette) Met bijzondere dank aan: Maurice en Marieleintje, Mia, Olga, Maria, Marcelleke, Josefa, Anna, Ingrid, Donald, Sabina en Benny ISBN 978 94 92811 95 0 Roma Publication 404 © Bart Lodewijks & Jan Kempenaers (foto’s)

104





Mensen hebben een eigen verhaal nodig, een goed geconstrueerde geschiedenis, desnoods verzonnen, om ‘heel’ te blijven en desintegratie te voorkomen. Om vast te houden wat in werkelijkheid vervliegt. Beeldend kunstenaar Bart Lodewijks brengt krijttekeningen aan in de gangen en in de kamers van het oude woonzorgcentrum in Merelbeke. Begin maart 2020 breekt de pandemie uit en wordt het centrum afgesloten van de buitenwereld. Lodewijks tekent verder in die buitenwereld, op plekken waar de bewoners vroeger gewoond en gewerkt hebben. De bewoners verhuizen in deze periode naar een splinternieuw gebouw. Zodra het nieuwe centrum toegankelijk is voor mensen van buiten, begint Lodewijks daar aan het vervolg van zijn tekeningen. Hij treft een wereld aan waarin niets hetzelfde is gebleven. De tekeningen voorzien het nieuwe gebouw van kleur, maar dat is niet voldoende, besluit hij – er moet nog iets gebeuren...

108