Page 1

Bart Lodewijks Calcutta Drawings 4

Roma

16 oktober 23 oktober 2018

Nederlands



Bart Lodewijks Calcutta Drawings 4 16 oktober - 23 oktober 2018



ONCE MORE

Het wennen gaat steeds minder goed Het idee om een tekening aan te brengen op de gevel van de kruidenierszaak laat me niet los, ook al ging ik wat betreft de naam van de winkel ‒ waar het allemaal om te doen was ‒ uit van een misvatting. ‘Kwality Walls is gewoon een leverancier van ons’, zegt Afsar Khan niet bijster geïnspireerd, ‘en by the way, de mensen noemen de winkel “Once More”.’ Pas nu zie ik dat onder de merknaam Kwality Walls met kleinere letters Once More staat. De subslogan van de grootste ijsproducent van India lijkt me aan te moedigen om een tandje bij te zetten. Maar mijn schroom om aan Afsar Khan te vragen of ik op de gevel mag tekenen, weerhoudt me ervan. Achter zijn breed uitgemeten jovialiteit bespeur ik nog steeds terughoudendheid, alsof hij mijn beweegredenen niet honderd procent vertrouwt. Mijn stoute plannen gaan dus voorlopig de ijskast in, wat misschien maar beter is, want er liggen bergen werk op mij te wachten in de zandstraat, waar de hele bevolking om een tekening vraagt.


De reis naar Uttarakhand dreigt door de toegenomen werkdruk in de verdrukking te raken. Dat is niet erg, want de bron van de Ganges droogt vast niet op en kan altijd nog bezocht worden, desnoods in een volgend leven, terwijl de situatie in de zandstraat aan verandering onderhevig is. Ik heb respect voor de bewoners, die er, ondanks het harde bestaan dat het leven op een zandbodem met zich meebrengt, in slagen om de straat schoon te houden. Ze zijn blij dat ik me onder hen meng en ik hoef geen reisdocumenten te overleggen zoals in de trein en ben gevrijwaard van de gevaren die grote verplaatsingen in dit land met zich meebrengen.’s Nachts droom ik over mijn uitgestelde treinreis, waarin ik plotsklaps vijf armen heb waarmee ik de steden die de trein aandoet wit krijt. Bardhaman, Gaya, Allahabad, Lucknow en Uttarakhand. De droom voelt als een waarschuwing. Het is beter dat ik in de zandstraat blijf, het zal veel werk schelen en het is veiliger. Gisterenavond is er een afschuwelijk treinongeluk gebeurd in Amritsar, niet ver van Uttarakhand. Tayock, een Bengalees op wiens woning in de zandstraat ik aan het tekenen ben, toont me het drama op zijn telefoonscherm. Vijftig mensen werden de dood ingejaagd toen ze op en naast het spoor naar een beeld


van Ravana stonden te kijken, een figuur uit de hindoemythologie. Een siddering gaat door me heen als ik de bewegende beelden zie van een trein die met hoge snelheid dwars door de mensenmassa klieft. Tayock klopt me op mijn rug als hij ziet dat ik wit wegtrek. Ook in Calcutta is het treinspoor nauwelijks afgezet en steken mensen onbevreesd de lijn des doods over. Het spoor doet dienst als stadstoilet, er wordt geplast en gepoept en er vinden wekelijks ongelukken plaats. Het is raar hoe gemakkelijk ik door blijf tekenen bij nare berichten. Maar ook bij indringende ervaringen teken ik door, omdat ik dan met één been in mijn eigen veilige wereld sta. Achter in de zandstraat wacht een schuwe geit op zijn naderende dood. Zolang beesten leven bederft het vlees niet, luidt de wrede maar onweerlegbare filosofie. Het dier staat pal in de zon en is met een touw vastgeknoopt aan een manshoog hekwerk, dat met roestige platen is dichtgetimmerd. De kieren tussen de staalconstructie verlenen zicht op een ander tijdperk, waar het geitje wellicht een beter leven beschoren zou zijn. Wat ik zie spreekt tot de verbeelding. Midden in een veldje staat een deels overwoekerd sprookjespaleis, het onomstotelijke bewijs dat hier ooit een hofleven was. Iets van die allure voel je al in de zandstraat: de


waardigheid die aan de dag wordt gelegd tijdens het bezemen, en de kaarsrechte ruggen tijdens het waterdragen. Het paleis verkeert in vervallen staat, maar is kennelijk nog bewoond, want in een rieten tuinstoel onder een lommerrijke boom luiert een bewaker. Er is zelfs een gazon, het groen dat ik zo mis in Calcutta. Ik wek de aandacht van de luiwammes door zachtjes en gepast op het staal te kloppen. Als ik toegang krijg tot deze sprookjeswereld, slaag ik er misschien in om met een krijtlijn het hart van Calcutta te raken. Ik moet de beleefdheidsvormen in acht nemen, voorzichtigheid is geboden, want het terrein is geconfisqueerd, prent ik me in. De bewaker komt eraan geschuifeld en trekt van een afstand een streep door mijn stoutmoedige plan. Hij schudt met zijn hoofd on-Indisch duidelijk van ‘nee’ en imiteert met zijn hand dat het heen en weer strijken van een krijtje over een muur hier niet is toegestaan. Hij heeft me dus al bezig gezien en weet waarvoor ik kom. Zijn uniform is opgesierd met enkele strepen, hoe meer strepen hoe hoger in rang, grinnik ik in mezelf. Ik doe alsof zijn gebarentaal abracadabra voor me is en zeg nederig: ‘Thank you, thank you’, terwijl de geur van het roestige hekwerk in mijn neus kruipt en het geitje bemoedigend kopstootjes tegen mijn been geeft. Nu wijst de bewaker naar de woning en schudt zo duidelijk


van ‘nee’ en zwiept zo vervaarlijk met zijn wijsvinger dat het lachen mij vergaat en de geit paniekerig wegkruipt, voor zover dat mogelijk is. Zelfs voor de meest hardnekkige idioot is duidelijk dat het terrein achter het hek niet betreden mag worden. Het is de eerste keer sinds ik hier ben dat de toegang tot een locatie mij onthouden wordt. Ik probeer bedaard te reageren, maar ben in paniek, alsof de bewaker aan de noodrem van de trein getrokken heeft en mijn Art Project knarsend tot stilstand komt. Ik ben genoodzaakt uit te stappen op een plek waar ik niets te zoeken heb. Zodra mijn voeten de grond raken kringelen er stofwolkjes omhoog: het stof waarmee ik zo vertrouwd ben, dat in al mijn poriën is gaan zitten en waaruit de wereld grotendeels is opgebouwd. Het huis zweeft als een massieve rechthoek in het zonlicht, in de tuin wiegt het gras, geel loof dwarrelt door de lucht. Het is alsof het gebouw in een luchtkasteel is veranderd en zich weldra bij de wolken zal voegen om vervolgens onbetekend weg te drijven. Ondertussen voltrekt zich het hindoestaanse volksfeest met luid trommelgeroffel, belgeklingel en massa’s mensen die uit alle hoeken en gaten toestromen. Het is een enorme confrontatie met mijn eigen ongelovigheid


en mijn zwak ontwikkelde gevoel voor spiritualiteit. Soms lijkt het offerfeest op het carnaval in Venlo, waarin ik het nota bene ooit tot jeugdprins van een parochie heb geschopt. In mijn jonge jaren stond het triomfantelijke gezwaai met een scepter, in een kostuum met een prinsenmuts met fazantenveer en een prachtige fluwelen cape met pronkkraag, te boek als een onovertrefbaar hoogtepunt. Een grote feestneus ben ik nooit geworden, integendeel, ik maak me uit de voeten zodra zich ergens een deinende mensenmassa vormt. Maar Durga Puja grijpt dieper in het leven in dan een zuipfeest, het is ernstig, ook al wordt het commercieel net zo geëxploiteerd als carnaval. Maar er zijn ook veel mensen die het offerfeest weliswaar fanatiek, maar ingetogen beleven, en dat ligt meer in de lijn van mijn aanhoudende geteken. Als ik een hindoestaan was, zou ik me ook door niets of niemand in de weg laten staan, op trommels roffelen en met bellen klingelen, als daarmee geluk kan worden afgedwongen. De bewoners in de zandstraat zijn overwegend islamitisch en Durga Puja gaat dus aan ze voorbij. Af en toe rijdt er een praalwagen over de geasfalteerde hoofdweg en vang ik een glimp van de vijfarmige godin op, maar spannender vind ik de bewoonster van het


sprookjeshuis, die telkens schuw wegglipt achter een muur. Het plan om het huis te betekenen is dan wel vervlogen, maar de bewaker staat er nog steeds, aan de buitenkant is niets veranderd. Tayock, die het Engels redelijk machtig is en eigenaar schijnt te zijn van de geit, die inmiddels heel wat minder schuw is geworden en blaadjes uit mijn hand eet, nodigt me uit om straks bij hem te komen eten. ‘Do you eat meat?’, vraagt hij. Ik ga naar Afsar Khan om een cadeautje voor hem te kopen, zoutkoekjes en een gesuikerd drankje. De maaltijd smaakt mij zeer. Tayock vertelt al kluivend dat de bewoonster van het sprookjeshuis een alleenstaande moeder is die ondanks haar beperkte armslag een bewaker betaalt. En dat doet ze uit lijfsbehoud en ter bescherming van haar kroost, om niet het slachtoffer te worden van ongure types die, zo vertelt hij met droefenis in zijn ogen, in groten getale de nacht bevolken. Als ik in het donker naar huis wandel, let ik extra goed op. Ik zie tot mijn schrik dat de geit er niet meer is. Ik durf dan wel niet Afsar Khan, maar wel zijn broer William te polsen of er op de winkelgevel getekend mag worden. De broers lijken op elkaar, ze zijn even gezet en goedgeluimd, maar William is een nieuw gezicht voor mij en dat ben ik voor hem


natuurlijk ook. Als hij in de loop van de kennismaking voor de tweede keer amicaal zijn hand uitsteekt om me te complimenteren met mijn tekeningen, waag ik het erop. Tussen neus en lippen zeg ik dat een tekening op hun gevel niet zou misstaan, sterker nog, dat ik daarvoor een idee heb. Ik verontschuldig me onmiddellijk dat ik zijn broer uitsluit, want die heeft toch het laatste woord? Dat schijnt niet waar te zijn, William is de oudste van de twee. ‘Aha, de kleine broer kan nog een hoop van de grote broer leren’, zeg ik grappend. Er volgt een daverende lach en hij verleent, zonder er lang over te hoeven nadenken, toestemming. Uit blijdschap koop ik de halve winkel leeg, althans: mijn tas puilt uit als ik weer buiten sta. De werkzaamheden in de zandstraat leg ik stil en ik spoed me naar de kruidenierszaak. Het plan om vanmiddag naar het sluitstuk van de Durga Puja te gaan schrap ik van mijn programma. Bij de onderdompeling van de heilige beelden in de Ganges zullen ze me toch niet missen, de winkel is nu veel belangrijker. De blauw gelakte poort, die toegang geeft tot het magazijn, is deels beplakt met halfvergane posters, waardoor ik al tekenend door een geschiedenisboek lijk te bladeren. Ik teken als een bezetene, want dit zou weleens het sleutelwerk van het project kunnen worden, zoveel


aanzien geniet de familie Khan. Er komt heel wat volk kijken. Ik ben duidelijk terug in de hoofdstraat, waar het een maand geleden allemaal is begonnen. Ik neem aan dat er in de winkel over me gepraat wordt, niet alleen onder de klanten, maar ook tussen de twee broers. Afsar Khan komt naar me toe op zijn futuristische scooter. Zweetdruppers parelen op zijn voorhoofd en hij ziet er gestrest uit. ‘Zondag gaan we de poort overschilderen’, zegt hij en rijdt weg.


De bewoonster van de kleinste woning in de zandstraat is een bejaarde vrouw met nog heel wat levenslust. Ze pakt mijn arm beet, niet zo gewelddadig als de riksjabestuurder een paar weken geleden deed, die nota bene tegenover haar woont, maar toch… Zonder er woorden aan vuil te maken dwingt ze me om haar woning onderhanden te nemen. Oké, denk ik bij mezelf, je krijgt je zin, uit respect voor je ouderdom. Terwijl ik teken verliest ze me geen moment uit het oog, alsof ik haar privégevangene ben. Volgens mij zou ze me het liefst met een touw aan haar woning vastknopen. De riksjabestuurder bemoeit zich ermee, hij trekt me met


zijn kenmerkende gewelddadigheid naar zijn woning, waar ik stante pede op moet tekenen. ‘You have to be nice’, zeg ik autoritair en kan hem gelukkig aan het verstand brengen dat hij op zijn beurt moet wachten. De woning waarop ik teken is klein en ik ben snel klaar, maar het oude kreng schudt heerszuchtig van nee en sleept wat huisraad weg, spullen die me tijdens het tekenen in de weg stonden. Ik moet kennelijk doorgaan tot ik er dood bij neerval. Ik zal haar krijgen, denk ik, en ik besluit om haar hele huis wit te krijten, in de lijn van de steden Bardhaman, Gaya, Allahabad, Lucknow en Uttarakhand.


Opvallend is dat de vragen die het tekenen oproept, gespeend zijn van spiritualiteit en mystiek, terwijl je dat hier toch wel zou verwachten. Het zijn stuk voor stuk heldere, rationele vragen, die zich in eindeloze sessies herhalen. ‘Waar kom je vandaan, wat is je telefoonnummer, waar logeer je, wat heet je, ben je getrouwd, wat teken je, waarom teken je, wat ga je dadelijk doen, spreek je Hindi, wanneer ga je weg, wat verdien je, wie betaalt je of is het een hobby?’ Als ik vertel over het nutteloze van kunst, het vergankelijke van krijt, en zeg dat de ontmoetingen me dierbaar zijn, nemen de mensen daar geen genoegen mee.


Integendeel, ze herhalen dezelfde vragen desnoods drie keer, of ze nou moslim, hindoe of boeddhist zijn. Het tekenen lijkt alleen maar legitiem te worden gevonden als het in functie staat van ‘iets’ of een hoger doel dient. Dat laatste is bij mij natuurlijk uitgesloten. De cultuur waarin ik nu al een maand lang ondergedompeld ben, verhoudt zich rationeler tot mijn werk dan ik van tevoren had gedacht. En toch is het hier compleet anders dan in de ordentelijke Noord-Europese steden of zelfs vergeleken met het losse Rio de Janeiro. De mensen houden gemiddeld tien tot twintig centimeter tussenruimte als ze tegen me praten,


mogelijk een gevolg van de hoge bevolkingsdichtheid. Het gebrek aan privacy op straat is uitputtend, alsof iedereen zich eindeloos en goedbedoeld opdringt. Ik kan er steeds minder goed aan wennen.



Colofon Bart Lodewijks - Calcutta Drawings Tekeningen, tekst en foto’s: Bart Lodewijks Redactie: Danielle van Zuijlen Eindredactie: Lucy Klaassen Beeldbewerking: Huig Bartels Ontwerp: Roger Willems en Dongyoung Lee Uitgever: Roma Publications, Amsterdam Dit project is mede mogelijk gemaakt met steun van CARF, Calcutta; Mondriaan Fonds, Amsterdam Speciale dank aan Praneet Soi © Bart Lodewijks, 2018




Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.