Page 1

Bart Lodewijks Calcutta Drawings 2

Roma

1 oktober 9 oktober 2018

Nederlands



Bart Lodewijks Calcutta Drawings 2 1 oktober tot 9 oktober 2018



Op de harde korst van de stad Het is niet mijn stijl om vanaf dag één de deur plat te lopen bij kunstinstellingen of me in een gearticuleerd netwerk te begeven. Uit het verre Amsterdam komt een reprimande dat ik te hard van stapel loop. Praneet wijst mij erop dat de modus operandi van de organisatie is dat er eerst kennis wordt gemaakt met de mensen die op de interactive list staan. Dat is een lijst met namen van personen en kunstinstellingen en allerlei handige weetjes. De eigenaar van de kruidenierswinkel om de hoek, die ik dagelijks spreek, staat er ook op. De gesprekjes met Afsar Khan, een even joviale als kolossale kerel, hebben mij behoorlijk wat opgeleverd, want hij kent de buurt goed. Hij vertelt dat zijn broers, zussen en neef bij hem in de straat wonen en hoe nauw zijn familie hem aan het hart ligt. In Australië is het anders, zegt hij, daar ontkwam hij ternauwernood aan een aanval van een drietal racisten. Als ik over mijn tekenproject vertel,


steekt hij zijn duim omhoog. Elke ochtend koop ik een fles water bij hem en laat het wisselgeld op de toonbank liggen. Mensen beginnen mij te herkennen op straat, ze trekken denkbeeldige strepen in de lucht als ze me zien. Een magere jongeman die een geïmproviseerd elektriciteitswinkeltje runt dat schuin tegenover de kruidenierszaak ligt, vraagt of ik bij hem kom tekenen. Praneet schrijft dat ik CARF in de problemen kan brengen als ik doorga met tekenen. Mensen die niet van mijn tekenactiviteit gediend zijn, kunnen zomaar de politie erbij halen. De autoriteit is hier niet mals, of ik daar rekening mee wil houden. Natuurlijk schrik ik van zijn bericht, maar ik voel ook rook uit mijn oren komen. Ik teken al negentien jaar in steden over de hele wereld, in allerlei buurten. Op elke plek waar ik teken vragen mensen wat ik aan het doen ben, uit nieuwsgierigheid en soms omdat ze het maar niks vinden. Zonder weerstand zou mijn werk minder puntig zijn en niet zoveel vertellen over een buurt. Het is niet mijn stijl om vanaf dag één de deur plat te lopen bij kunstinstellingen of me in een gearticuleerd netwerk te begeven. De eerste verschuivingen moeten plaatsvinden op de harde korst van de stad en dat is precies wat er momenteel gebeurt. De uitnodiging van de jongen van het elektriciteitswinkeltje en de opgestoken duim van Afsar Khan


komen niet als je op afstand blijft. Ondanks de enorme dichtheid aan mensen, gebouwen en verkeer wordt er plaats vrijgemaakt voor mijn krijttekeningen. Het is eerder een gebrek aan weerstand waardoor ik het nog moeilijk kan krijgen. Omdat ik geschrokken ben van het bericht uit Amsterdam, neem ik contact op met het Nederlandse consulaat. Als er onverhoopt iets misloopt, dan zijn zij misschien bij machte CARF uit de wind te houden. De executive secretary van het Koninkrijk der Nederlanden antwoordt dat de consul ‘currently overseas’ is en pas begin november naar India terugkeert, over vier weken dus. Zo anders dan Afsar Khan, die zeven dagen per week op zijn post staat. Mocht het ervan komen, dan zie ik ernaar uit om de bijzonder bereisde consul te ontmoeten. Ik stel mij voor dat we op een zwoele novemberavond in alle rust op de veranda van het consulaat uitkijken over de lichtjes van de stad, terwijl een bries ons koelte toewuift en hij uitwijdt over zijn bezoek aan gebieden ‘overseas’. Misschien steken we een Indian Punch op, een sjiek Indiaas sigarenmerk, en doet hij mij een tip aan de hand over hoe het diplomatieke verkeer en de instituties in India werken, en licht ik hem bij wijze van wederkerigheid in over de werking van krijt. Dit contact


moet ik niet vergeten toe te voegen aan de interactive list. Nou zal je het hebben, op het moment dat ik mijn draai in het tekenen terug heb gevonden, komt er een man aanlopen met een geborduurd insigne op zijn kaki blouse. Ik ben aan het tekenen op een hoge muur die een kapitale villa aan het zicht van de straat onttrekt. De krijtlijnen komen prachtig uit op de kostbare, van terracotta afgeleide steensoort. De jongen van het elektriciteitswinkeltje wees mij deze muur toe. Zijn winkeltje is ertegenaan gebouwd. Hij repareert voornamelijk draadverlichting en verricht kleine elektronische onderhoudswerkzaamheden. Hij zei dat de bewoners ‘nice people’ zijn, dus zag ik geen problemen. De bewoners heb ik de hele dag niet gezien. Ik teken in het gezichtsveld van de draadverlichtingsjongen, die af en toe naar mij zwaait. Ik vind het nogal wiedes dat hij zeggenschap over de muur heeft. Het heerschap met insigne stopt pal voor mijn neus, kijkt me gewichtig aan en maakt aanstalten om een nummer op zijn telefoon in te toetsen. ‘It is an art project’, probeer ik het vege lijf te redden, maar het klinkt niet overtuigend. Door de veelvuldige uitleg aan de buurtkinderen heb ik hun jongensstemmetjes overgenomen. Het heerschap kijkt mij aan alsof ik van


een andere planeet kom. Stuntelig komt de draadverlichtingsjongen eraan gesjokt en zegt bedeesd tegen mij: ‘He is the security guard.’ Voetgangers houden hun pas in, een taxichauffeur stopt en hangt verheugd uit zijn portiersraam om niets van het schouwspel te missen. Het zweet breekt mij uit, want als dit misloopt breng ik CARF in direct gevaar. ‘It is chalk from school’, probeer ik iets onschuldigs over me af te roepen, al weet ik niet precies wat daarmee te winnen valt. Zonder op te kijken van zijn telefoonscherm vraagt de security guard of ik een autorisatie kan overleggen. De draadverlichtingsjongen kijkt schichtig om zich heen, niet bij machte mij te helpen. Zodra je je op het terrein van de welgestelden begeeft, ben je nergens zonder een netwerk. De consul, waar is hij? Het geluk wil dat er een vlot geklede vrouw uit de inmiddels geparkeerde taxi stapt. De security guard is afgeleid door haar verschijning en bergt zijn telefoon op. ‘Do you like art?’ vraag ik in het wilde weg aan haar. Een vraag die ik stel in penibele situaties. De security guard wijst afkeurend naar de krijtstrepen. Verschrikt doet ze een stap achteruit, maar vertrekt verder geen spier. Ze denkt diep na of ze van kunst houdt, terwijl ik mijn hersens afpeinig of dit het moment is om Afsar Khan erbij te halen. Maar de winkel ligt zeventig meter


verderop, hoe kom ik daar? Ik vind geen andere uitweg dan zo sympathiek mogelijk naar de in gepeins verzonken dame en de security guard te kijken. Letterlijk en figuurlijk sta ik met mijn rug tegen de muur. De security guard wiebelt vertwijfeld op zijn benen, alsof hij ook nadenkt over kunst. ‘Yes, I love art’, besluit de dame en schudt van nee. Het plaatst me terug in mijn eigen cultuur, waar duidelijkheid zo op prijs gesteld wordt. ‘This is my parents’ home’, schudt ze nog steeds ontkennend. Er volgt een onbegrijpelijk gesprek tussen haar en de security guard, die opeens ook nederig kan zijn. De dame wuift naar de taxichauffeur dat hij door moet rijden. Kan ik ook doorgaan met tekenen? Dat lijkt me logisch als ze van kunst houdt. ‘Yes, you can continue’, raadt ze mijn gedachten. De security guard wandelt loom terug naar zijn post, alsof het hem allemaal een rotzorg zal zijn, en opent de toegangspoort voor mijn kunstminnende redster. De draadverlichtingsjongen zit alweer in zijn winkel te prutsen en het verkeer komt hortend en stotend, maar vooral driftig toeterend op gang. Gedesoriënteerd blijf ik achter en herpak het tekenen met de gedachte dat alles er nog hetzelfde uitziet als daarstraks, terwijl er veel veranderd is.




Ik ben aan het tekenen op een hoge muur die een kapitale villa aan het zicht van de straat onttrekt. De krijtlijnen komen prachtig uit op de kostbare, van terracotta afgeleide steensoort. De jongen van het elektriciteitswinkeltje wees mij deze muur toe. Zijn winkeltje is ertegenaan gebouwd. Ik vind het nogal wiedes dat hij zeggenschap over de muur heeft.


Het lukt niet om de tekening te voltooien omdat er dagen aan een stuk een auto voor staat. Uiteindelijk besluit ik dat de tekening onaf blijft.



Twee medewerkers van een carrosseriebedrijfje leiden me naar hun werkplaats, waar ik geacht word op de muur te tekenen. Vragend kijken ze me aan, maar gunnen me weinig tijd om na te denken. Er hangt een kalender met een foto van een zebra. Als ik vertel dat de zebra mijn favoriete dier is vanwege zijn strepen, vinden ze dat er krijtlijnen naast het strependier moeten komen. Twee dagen later vertelt Farhad, een levenslustig jongetje uit de buurt die mij geen moment uit het oog lijkt te verliezen, dat de zebra toevallig ook zíjn lievelingsdier is.


De bewoners verrichten alledaagse handelingen, net als ik. Ik vermoed dat de arbeid die ik verricht hun meer zegt dan mijn tekening.



Het huisje wordt bewoond door een gezin en de jonge moeder voorziet mij van gemberthee. De vrede wordt wreed verstoord door een buurtbewoner, een pezige en angstaanjagend uit zijn ogen kijkende riksjabestuurder van in de dertig, die geld van mij wil. Eerder op straat pakte hij mijn arm vast en probeerde me te beroven. Gelukkig kon ik hem afweren en doorlopen. Kort na het incident zocht ik hem op in zijn woning in de nauwe zandstraat waar ik teken. ‘Je moet vriendelijk zijn, je gedraagt je onvriendelijk’, zei ik. Tot mijn verbazing maakte hij toen een onderdanige buiging.


Maar de buiging heeft geen waarde, opnieuw staan we oog in oog en wil hij geld. ‘Geef hem iets’, zegt een bewoner bijna smekend. ‘Hij moet vriendelijk zijn, hij is niet vriendelijk’, zeg ik. Ik knijp hem behoorlijk, want het kan nu alle kanten op. Opeens maakt hij een buiging en vouwt zijn handen samen. Drijft hij de spot met mij? ‘Je moet op mijn huis tekenen’, zegt hij. ‘Je moet vriendelijk zijn’, zeg ik. Hij lacht neerbuigend naar de bewoners die zwijgend toekijken en loopt in zichzelf pratend weg. Sindsdien vouwt hij zijn handen samen als we elkaar tegenkomen, wat nou ook weer niet hoeft. Om zijn nederigheid te ontkrachten vouw ik ook maar mijn handen samen, in de hoop dat hij niet nogmaals zijn brute kant toont.



Wanneer ik aan een tekening begin, maak ik hem in één beweging af om te voorkomen dat mensen de krijtlijnen beschadigen. Het zijn sessies die een hele dag kunnen duren. Ondertussen wordt er onafgebroken tegen me aan gepraat, rijden er voertuigen rakelings langs me heen, krijg ik thee en vinden er balspelen plaats, waaronder straatcricket. Ik pas er maar net bij.



Ik heb het gevoel te dicht bij het privéleven van de bewoners te tekenen, maar zij zeggen daar geen last van te hebben. De hele dag is de familie in de weer om een bed in elkaar te zetten met bijeengescharrelde planken, schrootjes en wat er nog meer voorhanden is. Twee jongedames vragen of ik getrouwd ben uit liefde of dat mijn vrouw aan mij werd uitgehuwelijkt. Op hun scherm tonen ze foto’s van hun vriendjes en zweren dat ze uit liefde zullen trouwen. Het bed is overigens voor hun tante bedoeld, die getrouwd is uit liefde; maar vannacht zakte ze met haar man door de lattenbodem.



Colofon Bart Lodewijks - Calcutta Drawings Tekeningen, tekst en foto’s: Bart Lodewijks Redactie: Danielle van Zuijlen Eindredactie: Lucy Klaassen Beeldbewerking: Huig Bartels Ontwerp: Roger Willems en Dongyoung Lee Uitgever: Roma Publications, Amsterdam Dit project is mede mogelijk gemaakt met steun van CARF, Calcutta; Mondriaan Fonds, Amsterdam Speciale dank aan Praneet Soi © Bart Lodewijks, 2018




Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.