__MAIN_TEXT__

Page 1

Maart 2017

praktijkgericht sportonderzoek

Technologie in de gymles Goede motorische basis moet voor 9e jaar worden gelegd Succesvol combineren van topsport en studie


Colofon ​​Dit magazine is een uitgave van Kenniscentrum Sport en het lectorenplatform​Sport en Bewegen​. Het lectoren­ platform ​wil het programme­ ren van (praktijkgericht) sporten beweegonderzoek versterken, door lectoren onderling, met andere domeinen en met het werk­ veld te verbinden. Het platform wordt mede mogelijk gemaakt door Regieorgaan SIA.

3 Lectorenplatform brengt praktijkgericht sportonderzoek bij elkaar Matty van Est, Remco Boer en Richard Slotman 6 Duurzaam en verantwoord hardlopen met intelligente apps Steven Vos Lector Move to Be, Fontys Sporthogeschool

8 Beweegparcours meet motorische vaardigheid binnen minuut Sanne de Vries Lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving, Haagse Hogeschool

10 Zelfstandig sporten op het vmbo Remo Mombarg Lector Bewegingsonderwijs en Jeugdsport, Hanzehogeschool

In dit magazine worden een aantal voorbeelden van praktijkgericht sportonderzoek uitgelicht. maart 2017​

12 Succesvol combineren van topsport en studie Cees Vervoorn Lector Topsport en Onderwijs, Hogeschool van Amsterdam

14 Tablets, camera’s en video’s in de gymles Ivo van Hilvoorde Lector Bewegen, School en Sport, Hogeschool Windesheim

Tekst Mariska van Sprundel Redactie Kenniscentrum Sport​: Jacqueline Kronenburg Eindredactie Kenniscentrum Sport​: Juul van Rijn Robert Gelinck ​Fotografie Maurits van Hout Vormgeving Yolanda Exoo Exoo grafisch buro​ Drukwerk Jilster

16 Gelijke sportmogelijkheden voor kinderen met een beperking Marije Baart de la Faille-Deutekom Lector Kracht van Sport aan de Hogeschool Inholland en Hogeschool van Amsterdam

18 Grensoverschrijdend gedrag: het andere gezicht van sport Nicolette Schipper-van Veldhoven Lector Sportpedagogiek, Hogeschool Windesheim

20 Sportadvies op maat voor kinderen Johan Pion Lector Herkennen en Ontwikkelen van Sporttalent, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

22 Een beweegprogramma voor meer vitaliteit Olaf Timmermans Lector Healthy Region, HZ university of applied science

Met dank aan alle lectoren die hebben meegewerkt aan dit magazine www.kenniscentrumsport.nl


Lectorenplatform brengt praktijkgericht sportonderzoek bij elkaar Met de oprichting van het Lectorenplatform Sport & Bewegen, kreeg het Nederlandse praktijkgericht sportonderzoek afgelopen zomer een boost. Met een gezamenlijke kennisagenda kunnen lectoren meer onderzoek doen naar maatschappelijke problemen, zeggen initiatiefnemers Kenniscentrum Sport, Hogescholen Sport Overleg en Regieorgaan SIA. Nadat een delegatie wetenschappers en deskundigen uit de praktijk in 2015 een bezoek bracht aan Tokio, ontstonden er ideeën om de handen steviger ineen te slaan op het gebied van sportonderzoek. En daar is een ambitie uit voortgekomen: werken aan een gezamen­ lijke kennisagenda. “Toen is ook het idee ontstaan voor het creëren van een lectorenplatform”, zegt Matty van Est, voorzitter van het Hogescholen Sport Overleg (HSO). “Een platform zorgt voor meer binding in de onderzoeksprogrammering en meer massa op het gebied van sportonderzoek.” Iets wat sportlectoren onderling verbindt, is geen over­ bodige luxe. “Het sportonderzoek in Nederland, zowel het door hoogleraren gestuurde als het praktijkgericht

onderzoek, is erg gefragmenteerd”, zegt directeur van Kenniscentrum Sport Remco Boer. “Er zijn verspreid door het land veel goede initiatieven, maar die blijven kleinschalig. Als er uit regionale studies bijvoorbeeld mooie resultaten komen, weten we niet goed hoe we die kennis kunnen verspreiden naar het onderwijs en de praktijk.”

Samenwerking en afstemming Lectoren hadden zelf behoefte aan samenwerking en afstemming, volgens Richard Slotman, directeur van Regieorgaan SIA, dat het lectorenplatform financiert. Een verkenning wees uit dat Nederland meer dan honderd lectoren telt die zich direct of indirect met

3


sport en bewegen verbonden voelen. De een werkt op het gebied van sociale vraagstukken in de wijk, de ander zit in de life sciences of e-health. Altijd staat hun onderzoek dicht bij de praktijk, maar soms zit het ook dicht tegen het fundamentele aan. Denk hierbij aan genomics of voeding en gezondheid. En dan is er ook nog de duidelijke koppeling met het onderwijs. “Al met al is er een brede scope aan praktijkgericht sportonder­ zoek, die tegelijkertijd gefragmenteerd is. Dat vraagt om een agenda-setting”, zegt Slotman. “HSO en de lectoren willen een gezamenlijke agenda, gebaseerd op de maatschappelijke problemen en uitdagingen, zodat lectoren hun onderzoek daarop kunnen focus­ sen”, vult Van Est aan. “Het platform is een organisatie­ middel om dat doel te bereiken.” Sport is vrij in zichzelf gekeerd, volgens Boer. Het is van oudsher een sector van overlevering. In de topsport is het wel degelijk traditie om data-analyse te gebruiken, maar met name het domein van de sociale waarde van sport is minder onderbouwd. Boer: “Daar kunnen we inhaalslagen maken. Sport kan veel leren van andere sectoren. Het is al gebruikelijk om gegevens te ver­ zamelen over jezelf en wedstrijden, maar het sport­ onderzoek kan zich meer openstellen voor data science en andere gebieden.”

‘ ...Het is al gebruikelijk om gegevens te verzamelen over jezelf en wedstrijden, maar het sportonderzoek kan zich meer openstellen voor data science en andere gebieden. ’ Remco Boer

Matty van Est

Extra dimensie Het is de intentie van het platform om de fragmentatie te stoppen. Hoe? Het initiatief moet zich vertalen in een nog betere samenwerking van het hbo met het werk­ veld en het wo. Negen lectoren van in totaal acht hoge­ scholen - die in dit magazine onderzoek van hun lecto­ raat uitlichten - vormen de basis van het platform. Deze negen hebben contacten met lectoren uit andere sectoren. Ook het bedrijfsleven en de publieke sector kunnen aanhaken. “Het belangrijkste signaal van dit platform is dat samenwerken en afstemmen echt moet om het sportonderzoek en daarmee de sport verder te brengen”, aldus Slotman. Lectoren werken vaak parttime onder een tijdelijke aanstelling, wat het lastig kan maken om tot afstem­ ming te komen. Het platform geeft hen nu de mogelijk­ heid om vragen uit het werkveld te delen met collega’s en om zich beter te positioneren richting nationale programma’s. Slotman: “Ieder heeft zijn eigen kwalitei­ ten en specialisatie. Wat is er nou mooier dan een netwerk waar alle kennis bij elkaar komt?” Van Est is het daarmee eens. “Het lectorenplatform geeft een extra dimensie. Lectoren kunnen meer notie nemen van elkaars onderzoeksagenda's. Als je gaat delen met elkaar, kun je uiteindelijk ook vermenigvuldigen.”

Juiste moment voor onderzoeksagenda Het hbo heeft even moeten wennen aan onderzoek doen. Bij sportopleidingen was onderzoek geen vanzelfspre­ kend onderdeel van het curriculum. Maar de afgelopen jaren is er moeite gedaan om het praktijk­gericht onder­ zoek te positioneren naast het wetenschappelijk onder­ zoek. Van Est: “De laatste vijf jaar is er meer aandacht voor

4


‘ Een platform zorgt voor meer binding in de onderzoeksprogrammering en meer massa op het gebied van sportonderzoek. ’

maatschappelijke behoefte een stapje vooruit willen. Preventie is nu een grote focus in het sportonderzoek, evenals data science. Slotman: “Die combinatie past bij de beweging van het ministerie van VWS, die de focus verlegt van ‘genezen’ naar zelfregie van je eigen gezond­ heid. Sport is daar een markeerpunt in; zowel de top- als breedtesport draagt bij aan de aandacht voor zelfregie. Het lectorenplatform is een eenmalige stimulans van SIA, dat ergens moet gaan beklijven. De lectorenkamer van het HSO is dan de meest logische ontwikkeling,

sportonderzoek waarin je samen met het werkveld tot vragen komt. En als je meer onderzoeksmiddelen hebt, kan je meer met het werkveld doen. Voor het vaststellen van de agenda komt het platform dus op het juiste moment.” Qua financiering moet het hbo bovendien uit andere bronnen putten; de budgetten voor praktijk­ gericht onderzoek zijn nog relatief beperkt. “Juist door massa te maken, liggen er kansen om meer praktijk­ gericht onderzoek op te pakken”, aldus Van Est. Lectoren hebben een gunstige ontwikkeling doorge­ maakt, vindt ook Boer. “Voorheen was het net alsof ze universiteit in het klein aan het spelen waren; een lec­ tor kwam van de universiteit en probeerde zijn onder­ zoek in een hogeschoolsetting voort te zetten.” Nu gebeurt het ook steeds vaker dat mensen vanuit de praktijksituatie lector worden.

Samen optrekken naar het buitenland Het platform heeft naast landelijke verbinding nog een belangrijk aandachtspunt: internationalisering. Met een lectorenplatform kan Nederland nog beter aan­ sluiten bij de internationale samenwerking met onder andere Brazilië. Regieorgaan SIA honoreerde onlangs, in het kader van een call samen met NWO Exacte Wetenschappen, drie Braziliaans-Nederlandse onder­ zoeksvoorstellen op het gebied van sportonderzoek. De onderwerpen passen binnen de Nationale Kennis­ agenda Sport & Bewegen. En bij elk consortium is een lector van een hogeschool betrokken. Slotman: “De universiteiten zorgen binnen de projecten voor de invulling van big data, de hogescholen brengen de praktijkgerichte kant in.”

Richard Slotman

‘H  et belangrijkste signaal van dit platform is dat samenwerken en afstemmen echt moet om het sportonderzoek en daarmee de sport verder te brengen ’

Het mooie van het platform, vinden de drie, is dat het past bij de toenemende aandacht vanuit beleid en wetenschap om de praktijk verder te helpen. Acade­ misch onderzoek loopt risico op versplintering, doordat het niet in contact staat met de praktijk. Dat verschillen­ de geledingen zich nu verbinden, is daarom ook belang­ rijk voor de ambities van de Nationale Wetenschaps­ agenda omtrent thema’s als vitaliteit en preventie. Wat dat betreft past Nederland in het rijtje sport minded landen, zoals Engeland, Australië en Japan, die vanuit

denken de initiatiefnemers. Ze maken zich in ieder geval geen zorgen over de toekomst. Van Est: “De negen mooie voorbeelden van sportonderzoek in dit magazine tonen al aan dat er veel potentie is. Met het lectorenplatform brengen we het regionale sportonderzoek naar een nationaal niveau.”

5


Steven Vos, lector Move to Be, Fontys Sporthogeschool

Hoe voorkom je dat beginnende hardlopers het bijltje erbij neergooien? Gepersonaliseerde technologie kan eraan bijdragen. Steven Vos, lector Move to Be aan Fontys Sporthogeschool onderzoekt de rol van mobiele technologie om hardlopers gepersonaliseerd trainingsadvies te geven.

Duurzaam en verantwoord Stel je eens voor. Je hebt een drukke baan, kinderen en een rijk sociaal leven. Desondanks heb je besloten tussen de bedrijven door meer te gaan bewegen. De eerste stap is gezet: je hebt hardloopschoenen aan­ geschaft en gebruikt ze ook. Nu is het een kwestie van volhouden. Maar dat is voor veel beginnende hard­lopers een moeilijke opgave. De twee belangrijkste redenen om ermee te stoppen zijn blessures en gebrek aan motivatie, wijst onderzoek uit van lector Move to Be Steven Vos. In technologie ziet hij mogelijkheden om ongebonden recreatieve lopers te ondersteunen en gemotiveerd te houden.

Mobiele apps voor recreatieve hardlopers Binnen het Fontys-lectoraat komen ontwerpers, gedrags- en bewegingswetenschappers samen om slimme oplossingen te ontwikkelen die duurzaam en verantwoord sporten bevorderen. De Inspirun, een gepersonaliseerde hardloopapp voor smartphones, is daar een mooi voorbeeld van. Het programma geeft feedback op maat en maakt persoonlijke trainings­ schema’s afgestemd op het doel en de fysieke mogelijk­heden van de gebruiker. De doelgroep weet er wel raad mee; apps zijn razend populair bij beginnende hardlopers. Meer dan de helft van de Nederlandse deelnemers aan recreatieve loop­

6


Hogescholen Sport Overleg

Andere onderzoeksprojecten

evenementen gebruikt mobiele applicaties om snel­ heid en afstand bij te houden, blijkt uit diverse studies. “Mensen monitoren snelheid en afstand, maar verge­ ten de hartslag”, zegt Vos. “Om verantwoord te sporten is het belangrijk de hartslag mee te nemen.” De Inspirun gebruikt gps-informatie verbonden aan een hartslagmeter en koppelt op basis van die gege­ vens terug of iemand zachter of juist harder moet gaan lopen. Het concept van de Insprirun wijkt daarin funda­ menteel af van apps als Runkeeper en Strava die slechts gegevens registreren. Vos: “Het gaat hier om een digi­ tale coach die leert van de gebruiker door het trainings­ schema na elke trainingssessie aan te passen.”

binnen het lectoraat Move to Be H ET SAMENWERKINGSPROJECT ‘KEIGAAF’ richt

zich op beweging bij kinderen uit kansarme gezinnen. Door de interactie tussen de fysieke en de sociale leefwereld van kinderen te versterken, zullen kinderen naar verwachting actiever worden en wordt de (kansarme) buurt meer leefbaar, wat bijdraagt aan het verkleinen van leefstijl gerelateerde gezondheidsverschillen. I N ‘LESSON STUDY: SAMEN KOM JE VERDER’

Gepersonaliseerde coaching

wordt de effectiviteit van Lesson Study als een methodiek voor docentprofessionalisering van docenten Lichamelijke Opvoeding (LO) onderzocht.

Voor je begint vraagt de app eerst naar persoons- en belevingskenmerken en loopgedrag om een snelle profielschets van de gebruiker te maken. Het is mogelijk sporters op basis van leefstijl en motieven

hardlopen met intelligente apps ‘ In technologie ziet hij mogelijkheden om ongebonden recreatieve lopers te ondersteunen en gemotiveerd te houden. ’

in te delen in verschillende types, die elk hun eigen behoeften en opvattingen over sport hebben. “We onderscheiden de sociaal competitieve loper, de indivi­ duele competitieve loper, de gezelschapsloper en de individuele fitnessloper”, legt Vos uit. “Vooral de laatste twee typen zijn vatbaar voor het wegvallen van moti­ vatie. Zij scoren in tegenstelling tot de competitieve types minder hoog op de schaal hardlopersidentiteit.”

af­wegen wat het best bij hen past. Voor de gezelschaps­loper is een app gericht op het monitoren van presta­ ties minder geschikt. Zij hebben meer aan iets dat community building stimuleert.

De competitieve loper krijgt andere feedback dan de gezelschapsloper. Maar de app dient voor iedereen hetzelfde doel: motiveren. Of Inspirun daadwerkelijk vermarkt gaat worden, weet Vos niet. “We hebben nu een systeem dat werkt, maar er is een langere periode van validatie nodig voor we de volgende stap kunnen zetten.”

Beide app-projecten zijn erop gericht mensen in bewe­ ging te houden. Vos: “Na het nemen van die eerste stap om te gaan sporten, willen we hen daar houden. Met gepersonaliseerde en/of passende apps kunnen we mensen op maat bedienen in hun eigen omgeving op het moment dat het best voor hen past.”

Voor iedereen een app Parallel aan de Inspirun ontwikkelt Vos in samenwer­ king met een multidisciplinair consortium van kennis­ instellingen en werkveldpartners ook een online ‘beslistool’ die minder ervaren sporters helpt kiezen uit de honderden bestaande sportapps. De tool - waarvan de verschijningsvorm nog onbekend is - moet hard­ lopers, maar ook andere ongebonden sporters als wandelaars en fietsers, matchen aan een specifieke app. Vos betwijfelt of (potentiële) sporters zelf kunnen

LECTORAAT MOVE TO BE Fontys Sporthogeschool

7

steven.vos@fontys.nl

www.lectoraatmovetobe.nl

Kenniscentrum Sport


‘ Het is belangrijk om voor je negende een goede motorische basis te ontwikkelen, zodat je op latere leeftijd meer mogelijkheden hebt...’

Beweegparcours meet motorisc Sanne de Vries, lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving, Haagse Hogeschool

In de gymles pikken leraren de beste en slechtste bewegers er zo uit. Maar hoe presteert de middenmoot? Sanne de Vries, lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving aan de Haagse Hogeschool, ontwikkelde samen met docenten LO en andere experts een beweegparcours om objectief en periodiek het motorisch niveau van kinderen te meten.

Er zijn steeds meer kinderen met een motorische achterstand. Althans, dat denken gymleraren met het blote oog te zien. Harde cijfers zijn er nauwelijks, maar ze maken zich er zorgen om. “Vanuit het bewegings­onderwijs was er vraag naar een nieuwe test om inzicht te krijgen in het motorisch niveau van leerlingen”, zegt Sanne de Vries. Uit onderzoek blijkt dat ‘het oog van de meester’ niet genoeg is om de vijf categorieën van motorische vaardigheden in te schatten; alleen de beste en slechtste bewegers worden eruit gehaald. “Wij willen dat leraren LO álle kinderen op maat kunnen helpen bewegen. Binnen het lectoraat is promovendus Joris Hoeboer gestart met onderzoek naar het ontwikkelen van een motoriektest.”

Een goede motorische basis ontwikkelen De literatuur beschrijft een aantal motoriektests, maar die zijn volgens De Vries niet haalbaar in de gymles. “Er zitten tests bij die een half uur per kind kosten.

8


Hogescholen Sport Overleg

Andere onderzoeksprojecten

Andere sluiten niet aan bij ons gedachtegoed over hoe motorische ontwikkeling plaats moet vinden.” Hoog tijd dus voor een alternatief. Samen met docen­ ten LO, de Vrije Universiteit en ASM BV ontwikkelde het lectoraat een beweegparcours gebaseerd op het Athletic Skills Model, een concept dat ervan uitgaat dat kinderen op basisschoolleeftijd fundamentele motorische vaardigheden opdoen en tegelijkertijd een gevarieerd aanbod krijgen, met als basis de ‘coor­ dinative abilities’ zoals oriëntatie, balans en koppe­ lingsvermogen. “Het is belangrijk om voor je negende een goede motorische basis te ontwikkelen, zodat je op latere leeftijd meer mogelijkheden hebt bij het kiezen van een sport en het behouden van een actieve leefstijl.”

binnen het lectoraat Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving H EALTHY BY DESIGN Met subsidie van ZonMw

wordt binnen het project ‘Healthy by Design’ door en voor mbo-studenten een omgeving ontwikkeld gericht op het stimuleren van gezonde voeding en een actieve levensstijl. BalanSAR Met subsidie van de Sport­innovator

wordt binnen de Gymzaal van de Toekomst de ‘BalanSAR’ ontwikkeld, een prototype van een nieuwe balanceeropstelling waarbij video­projectie wordt ingezet om kinderen beter en met meer plezier te leren balanceren.

Het beweegparcours is een soort hindernisbaan van materialen en toestellen die in elk gymlokaal in Nederland aanwezig zijn. Kinderen doen verschil­ lende bewegingen achter elkaar, zoals balanceren, hinkelen en rollen. Op basis van de tijd die nodig is

he vaardigheid binnen minuut om het parcours af te leggen, wordt een leerling ingedeeld in één van de vijf niveaus van motorische vaardigheid. Afgelopen schooljaar is het beweeg­ parcours onder 10.000 kinderen in de regio Den Haag afgenomen. Meer dan honderd studenten van vijf verschillende opleidingen werkten mee aan het onderzoek. En de docenten LO? Die zijn tevreden. Met de test krijgen zij binnen één minuut inzicht in de motorische vaardigheid van leerlingen tussen de vier en twaalf jaar.

passen aan de verschillende motorische niveaus. “We zijn momenteel in gesprek met vakleerkrachten en sportverenigingen hoe ze kinderen beter op maat kunnen leren bewegen.” De aandacht ligt vooral op het helpen van de op één na onderste groep, die lastig met het blote oog te identificeren is. En waarvan de de kinderen vaak uitvallen bij sportverenigingen. De Vries: “We willen alle kinderen aan het bewegen krijgen en houden.”

Gymlessen aanpassen aan niveaus Gymleraren wisten al dat leerlingen op verschillende niveaus bewegen. Met het beweegparcours hebben ze nu een objectief meetinstrument in handen om de kinderen in te delen, hun vorderingen bij te houden en groepen of scholen te vergelijken. Het instrument is zo goed als klaar. Een applicatie om tijden in te voeren in een leerlingvolgsysteem, is nog in de maak. “We staan op het punt om het beweegparcours in de regio Den Haag verder uit te rollen”, aldus De Vries. Uiteindelijk is het de bedoeling dat docenten de test­resultaten gebruiken om gymlessen beter aan te

LECTORAAT GEZONDE LEEFSTIJL IN EEN STIMULERENDE OMGEVING De Haagse Hogeschool

9

s.i.devries@hhs.nl

www.dehaagsehogeschool.nl/onderzoek/ lectoraten/gezonde-leefstijl-in-een-stimu lerende-omgeving

Kenniscentrum Sport


Zelfstandig sporten op het vmbo Remo Mombarg, lector Bewegingsonderwijs en Jeugdsport, Hanzehogeschool

Zelfregulatie kan jongeren helpen om meer te gaan bewegen en er een gezondere leefstijl op na te houden. Lector Bewegingsonderwijs en Jeugdsport aan de Hanzehogeschool Remo Mombarg onderzoekt het aanleren van zelfregulatie in het bewegingsonderwijs.

De vmbo-leerlingen die meedoen aan het onderzoeks­ project van de Hanzeschool mogen als ze het gym­ lokaal binnenkomen zelf een sport kiezen. Wordt het longboarden of basketballen? Ze kijken instructie­ filmpjes op de iPad en kunnen met behulp van een app vervolgens zelf aangeven welke vaardigheden ze in hun gekozen sport willen leren. En op welk niveau. Het is een ongebruikelijke vorm van lesgeven in het bewegingsonderwijs. Maar de gangbare, op competitie gerichte gymlessen vinden kinderen niks, vertelt Remo Mombarg. “Dat blijkt uit gesprekken die we hadden met leerlingen op het vmbo. Vooral de meiden hebben er niet veel mee op.” Wat ze wel willen? Een les waarin het niet gaat om wedstrijdjes, maar om hoe goed je zelf kan trickbiken of frisbeeën en waar je eigen voor­ uitgang centraal staat.

10


Hogescholen Sport Overleg

Zelf doelen stellen

Leerlingen vinden het zelf mogen kiezen tot nu toe aantrekkelijk. LO-leraren zijn volgens de eerste resulta­ ten ook enthousiast, al kost het loslaten van de oude lessen wat moeite. De interventie vereist een andere didactiek. In plaats van instructie geven, ligt de nadruk op het werken met digitale hulpmiddelen . “De rol van docenten ligt hier meer in procesbegeleiding dan in het voorschrijven van activiteiten. Het is even omscha­ kelen, maar leraren lijken er goed mee om gaan.” Na afronding van het onderzoeksproject wordt de interventie nog wat bijgeschaafd tot het lespakket klaar is voor verspreiding onder vmbo-scholen. “Het imple­ menteren van zelfregulatie is de juiste koers binnen het bewegingsonderwijs”, zegt Mombarg. “Daar ben ik van overtuigd.”

Mombarg onderzoekt de effecten van zelfstandig sporten op het vmbo, een project gefinancierd door ZonMw. De aanleiding voor het project is tweeledig. Vanuit het bewegingsonderwijs is er onvrede over het aanbod van de gymlessen, dat volgens docenten niet meer aansluit bij de behoeften van de leerlingen van nu. Daarnaast is geconstateerd dat het met de gezond­ heid van leerlingen op het vmbo in vergelijking met andere kinderen niet goed gesteld is. Ze bewegen het

‘ Zelfregulatie gaat om een combinatie van plannen, monitoren, uitvoeren en evalueren van je eigen gedrag dat overeenkomt met de gewenste doelen ’

Andere onderzoeksprojecten binnen het lectoraat Praktijk­ gerichte Sportwetenschap

minst en vertonen meer risicovol gedrag met betrek­ king tot roken, alcohol, en soa’s in vergelijking met andere kinderen. Mombarg denkt dat het aanleren van zelfregulatie jongeren stimuleert meer te bewegen. “Uit de topsport weten we dat het toepassen van zelfregulatie leidt tot betere prestaties.”

richten zich op bewegingsonderwijs, jeugdsport, actieve en gezonde leefstijl, presteren en belastbaar­ heid en organisatie van evenementen: I EDER KIND HEEFT GYMTALENT Onderzoek

naar welke inhoud en begeleiding ervoor zorgt dat kinderen voldoende sportvaardigheden, beleving en zelfregulatie ontwikkelen om zich te kunnen redden in de huidige en toekomstige bewegingscultuur.

Het nieuwe lespakket is erop gericht leerlingen zelf doelen te laten stellen, wat een beroep doet op hun zelfregulatievaardigheden. “Zelfregulatie gaat om een combinatie van plannen, monitoren, uitvoeren en evalueren van je eigen gedrag dat overeenkomt met de gewenste doelen”, legt Mombarg uit. “De gymles is geschikt voor het ontwikkelen van die vaardigheden, omdat de resultaten en activiteiten heel zichtbaar zijn. Als de leerling als doel stelt meer te scoren uit de lay-up in basketbal, kan hij eenvoudig bijhouden of dat ook echt lukt.”

PRESTEREN EN BELASTBAARHEID Onderzoek met de Zephyr (monitoringssysteem) naar hoe fysieke belasting op een betrouwbare, valide en uitvoerbare wijze objectief gemeten en teruggekoppeld kan worden naar voetballers, brandweermannen en anderen met een zwaar beroep.

Zelfregulatie de juiste koers De onderzoekers hopen dat het aanleren van zelfregu­ latie in een sportcontext zijn vruchten afwerpt in het aannemen van een gezondere leefstijl in het algemeen. “We passen hetzelfde kunstje toe in mentorlessen, waar leerlingen een keuze mogen maken uit verschil­ lende thema’s.” Ze kunnen bijvoorbeeld doelen stellen in thema’s als ‘meer water drinken’. Of ‘minder suiker­ houdende dranken drinken’. “Vmbo-kinderen weten goed dat ze niet te veel cola moeten drinken en niet op de scooter moeten stappen. Ze hebben alleen geen idee hoe eraan te beginnen. Groepsdruk vormt bijvoorbeeld een probleem.”

LECTORAAT PRAKTIJKGERICHTE SPORTWETENSCHAP Hanzehogeschool Groningen

11

r.mombarg@pl.hanze.nl

www.hanze.nl/nld/onderwijs/gezondheid/ instituut-voor-sportstudies/lectoraten/ lectoraten/lectoraat

Kenniscentrum Sport


Succesvol combineren van top Cees Vervoorn, lector Topsport en Onderwijs, Hogeschool van Amsterdam

Jonge mensen moeten de kans krijgen om zowel in sport als onderwijs het maximale uit hun talent te halen, vindt Lector Topsport en Onderwijs Cees Vervoorn. Aan de Hogeschool van Amsterdam leidt hij verschillende onderzoeksprojecten naar duale carrières.

Stel je een sporter voor die op 24-jarige leeftijd zijn diploma tot basisarts heeft behaald en daarna nog acht jaar door wil hockeyen. Na het beëindigen van zijn sportcarrière maakt hij op de arbeidsmarkt geen schijn van kans. Hij is al over de dertig, terwijl er een nieuwe lichting artsen van begin twintig met parate kennis en geoefende medische vaardigheden klaar­ staat. Hoe begeleid je deze groep sporters naar de arbeidsmarkt? Het is één van de onderzoeksvragen waar lector en tevens ex-topsporter Cees Vervoorn zich over buigt. De carrièreperspectieven van kampioenen zijn nog enigszins geregeld, blijkt uit een vergelijkende studie naar de duale carrièremogelijkheden in Europa, dat

12


Hogescholen Sport Overleg

zijn lectoraat in samenwerking met internationale partners uitvoerde. Het winnen van een medaille op de Olympische Spelen staat vaak garant voor een levenslang salaris. Bijvoorbeeld via een aanstelling bij het leger of de politie. “Maar het gaat om banen die alleen financiële zekerheid bieden en geen appèl doen op de talenten van sporters”, zegt Vervoorn. Voor de mensen met dezelfde talenten en ambities die géén kampioen worden is helemaal geen vangnet. Per olympische cyclus gaat het in Europa om zo’n

verwijderen. Ons advies? Een mogelijkheid is om coaches een aanstelling in sport én onderwijs te geven, naar Amerikaans voorbeeld. Daarmee maak je hen verantwoordelijk voor beide trajecten.” Het rapport, begin 2016 gepubliceerd, geeft EU-lid­ staten de minimale criteria waaraan faciliteiten en diensten moeten voldoen om topsport en onderwijs succesvol te combineren. Om te beginnen moet de basis omtrent veiligheid en begeleiding van vooral jonge sporters in elk land in orde zijn. Een ander speerpunt waar Europa rekening mee moet houden is de mobiliteit van topsporters die op zoek gaan naar de beste plek om zich voor te bereiden. Zeilers uit Luxemburg willen naar een land met open zee. En wat doen we in de Lage Landen met skiërs? “Als je een duale carrière start in Amsterdam als wielrenner en je gaat acht maanden op hoogtetraining in de Pyreneeën, dan moet je door kunnen gaan met je opleiding in Nederland”, zegt Vervoorn. “Het is de uitdaging voor Europa om te zorgen dat dat kan, zodat jonge mensen op twee fronten hun talent kunnen benutten.”

‘ Een mogelijkheid is om coaches een aanstelling in sport én onderwijs te geven, naar Amerikaans voorbeeld. Daarmee maak je hen verantwoordelijk voor beide trajecten.’

120.000 sporters die onvoorbereid de maatschappij betreden. “Zij offeren twaalf jaar van hun leven op voor de sport en daarna laten we ze vallen. Daarom is het zo belangrijk dat we sporters helpen een oplei­ ding te volgen.” Het gros van de Europese sporters wil sportieve ambities graag combineren met een studie.

Andere onderzoeksprojecten binnen het lectoraat Topsport en Onderwijs

sport en studie

ICDC (innovative concepts for dual careers)

Bij grote roeiverenigingen in Europa wordt gekeken hoe sport te combineren valt met onderwijs binnen de club.

Het leven van een topsporter leent zich ervoor, denkt Vervoorn. Aan discipline geen gebrek. Nederland is redelijk goed ingericht om sporters tegelij­ kertijd te laten studeren. Op Europees niveau is dat een ander verhaal. Hoe meer naar het zuiden en oosten, hoe minder er geregeld is. Professionals die kunnen helpen met de zoektocht naar een goede combinatie tussen onderwijs en sport zijn er niet. Het komt nu neer op de bereidheid van een coach of docent om mee te denken met de sporter. “We zien door heel Europa dat de onderwijsinstellingen voorop lopen om het onderwijs passend te maken in landen die duale carrières omarmen, terwijl de sporttak achter­ over leunt. Tot op het niveau dat trainers de sporters die tijd investeren in hun opleiding, uit de selectie

H4DC (handball for dual careers) Onderzoek

naar hoe de begeleiding van topsporters in een verenigingsomgeving naar de arbeidsmarkt het beste geregeld kan worden.

LECTORAAT TOPSPORT EN ONDERWIJS Hogeschool van Amsterdam

13

c.vervoorn@hva.nl

www.hva.nl/lectoraattopsportenonderwijs

Kenniscentrum Sport


Ivo van Hilvoorde, lector Bewegen, School en Sport, hogeschool Windesheim

Kunnen beweeggames, video­ registratie en andere digitale middelen de gymles kwalitatief verbeteren? Ivo van Hilvoorde, Lector Bewegen, School en Sport aan Windesheim, onderzocht hoe LO-docenten digitale toepassingen succesvol in hun lessen kunnen implementeren.

Tablets, camera Veel gymleraren zien het wel zitten, nieuwe technologie­ ën in de gymles. Sommige scholen experimenteren al met digitalisering, maar spelen met vragen rond wat wel en niet werkt. Ivo van Hilvoorde en zijn collega’s onder­ zochten de effecten van digitale toepassingen binnen het project ‘Digitalisering in de gymles’. “Mensen waren sceptisch in het begin. De gymzaal is de enige plek waar nog geen technologie is door­gedrongen”, zegt Van Hilvoorde. “Daar hebben de sceptici een punt, maar aan de andere kant zijn kinderen bekend met tablets. In de handen van docenten die er verstand van hebben, bieden digitale middelen mogelijkheden om het bewegings­onderwijs leuker en rijker te maken.”

Game leert motorische vaardigheden aan Eén van de deelonderzoeken testte een beweeggame waarin golfvaardigheden in een virtuele omgeving ge­ stimuleerd worden. Er zijn niet veel bewegingsgames die qua motorische vaardigheden zo dicht de echte sport benaderen als dit golfspel, volgens Van Hilvoorde. Het onderzoek vergeleek prestaties van brugklassers op een echte golfbaan met die van leerlingen oefenend met een beweeggame. “De leerlingen die golf speelden met de game presteerden na acht weken even goed op motorische vaardigheden als de kinderen op de

14


Hogescholen Sport Overleg

Andere onderzoeksprojecten

golfbaan.” Moet je de kinderen dan maar binnen onder­ wijzen? Nee, vindt Van Hilvoorde. Al is het maar omdat het praktisch niet haalbaar is alle leerlingen tegelijkertijd een beweeggame te laten spelen tijdens de les. “Boven­ dien is de sociale omgeving ook belangrijk bij gym. De doelstelling is ook om kinderen spelregels te leren en om rekening te houden met elkaar.”

binnen het lectoraat Bewegen, School en Sport SPORTIEF VERMOGEN Doel van dit project is

een gemeenschappelijke basis te formuleren van waaruit verschillende sport- en beweegprofessionals op school en in de wijk samenwerken aan de totale ontwikkeling van kinderen.

Videoregistratie is daarentegen wel praktisch inzetbaar. Bijvoorbeeld om het tactisch inzicht te verbeteren. De gymleraar kan een spel als basketbal opnemen en de

SMART MOVES - (JONG)LEREN Doel van dit project

is om te onderzoeken of rekenvaardigheden beter geautomatiseerd en gememoriseerd worden bij kinderen uit groep 7, wanneer de rekenvaardigheden worden geoefend in combinatie met een (nieuwe) motorische vaardigheid. In dit geval jongleren.

‘ Technologieën in de gymles moeten aansluiten bij de pedagogische visie dat je niet te snel een ideaalbeeld wil schetsen. Dat kan demotiverend werken.’

’s en video’s in de gymles nu veel meer zijn, gezien de duizenden bezoekers die afkwamen op onze symposia over ICT-ontwikkelingen en het bewegingsonderwijs.” Een monitor van het Mulier Instituut wijst eveneens uit dat scholen digitali­ sering een belangrijk thema vinden.

beelden samen met de kinderen terugkijken en de beslissingen die zij maakten - zoals het overspelen naar een vrijstaande teamgenoot - bespreken.

Pedagogisch verantwoorde digitalisering Er zijn legio digitale toepassingen te bedenken. Maar een technologie mag geen extra tijd kosten die ten koste gaat van het bewegen, vindt Van Hilvoorde. “Je kan een camera ophangen in het lokaal die niet opvalt. Als leer­ lingen bijvoorbeeld klaar zijn met een sprong, kunnen ze langs een scherm lopen om hun prestatie terug te kijken. Ze mogen er ook voor kiezen dat niet te doen.” Het wel of niet aanbieden van beelden laat geen spectaculaire verschillen zien in de uitvoer van bewegingen. Video­ registratie leidt onder bepaalde voorwaarden tot even goede of zelfs iets betere resultaten. En ook belangrijk: de camera’s en beelden verstoren de motivatie van leer­ lingen niet. “Technologieën in de gymles moeten aan­ sluiten bij de pedagogische visie dat je niet te snel een ideaalbeeld wil schetsen. Dat kan demotiverend werken. Het geloof in eigen kunnen moet in stand blijven.”

Uit het project, dat in 2013 werd afgerond, zijn nog een aantal vervolgonderzoeken voortgekomen. Zo worden de effecten van het terugkijken van prestaties met een tablet verder uitgediept. Van Hilvoorde: “Uiteindelijk is gym er om kinderen beter te leren bewegen en motiveren om levenslang te blijven bewegen. Vooral het plezier in het bewegen is cruciaal. En technologie kan daarbij helpen.”

LECTORAAT BEWEGEN, SCHOOL EN SPORT Windesheim

Voor aanvang van het project waren er een aantal pioniersscholen die tablets en camera’s gebruikten in de les. Van Hilvoorde: “We hebben het idee dat het er

15

im.van.hilvoorde@windesheim.nl

www.windesheim.nl/onderzoek/onderzoeks themas/bewegen-en-sport/bewegen-school -en-sport/

Kenniscentrum Sport


Marije Baart de la Faille-Deutekom, lector Kracht van Sport aan de Hogeschool Inholland en Hogeschool van Amsterdam

Gelijke sportmogelijkheden voo Hoe kunnen we sportparticipatie onder kinderen met een beperking verhogen? Lector Kracht van Sport aan de Hogeschool Inholland en de Hogeschool van Amsterdam Marije Baart de la Faille-Deutekom onder­ zoekt hoe vraag en aanbod van sport­ activiteiten voor deze groep beter op elkaar afgestemd kan worden. Naar schatting zijn er in Nederland ruim 110.000 kinderen met een beperking, variërend van intellec­ tuele en motorische aandoeningen tot doof- en blindheid. Dat is ongeveer 3,5 procent van alle minder­jarigen. Voor hen is de waarde van sport extra belangrijk, denkt Marije Baart de la Faille-Deutekom. Zij komen over het algemeen minder goed mee in de samenleving. Sporten zorgt voor sociale integratie en geeft zelfvertrouwen. Daarnaast kan sportpartici­ patie leiden tot meedoen in andere takken van de samenleving. Ondanks inspanningen ingegeven door o.a. het ministerie van VWS, is het niet gelukt om de sportparticipatie van mensen met een handi­ cap op hetzelfde niveau te krijgen als van mensen zonder handicap. Die eerste groep sport gemiddeld vier uur per week. Bijna een uur korter dan de mensen zonder beperking. Dat probleem speelt ook elders in Europa, blijkt uit een inventarisatie van zeven Europese landen die hun krachten bundelen in het project Sport Empowers Disabled Youth (SEDY), waarvan het lecto­ raat Kracht van Sport de leiding heeft. In Nederland, Engeland en Finland zijn relatief veel initiatieven voor

16


Hogescholen Sport Overleg

sportparticipatie. In eigen land is er bijvoorbeeld het sportstimuleringsprogramma Special Heroes voor leerlingen in het speciaal onderwijs en in de revalida­ tie is er het Sportloket. “Vooral voor kinderen met een verstandelijke beperking is hier relatief veel aanbod”,

brengen, volgens Baart de la Faille-Deutekom. Voor landen als Litouwen en Portugal zal dat de eerste stap zijn. Maar belemmeringen omtrent het brengen en ophalen van kinderen bij een sportclub zijn er bijvoorbeeld niet mee op­gelost. “Mijn streven is dat

r kinderen met een beperking zegt Baart de la Faille-Deutekom. “Deze groep krijgt vaak specifiek onderwijs waardoor het makkelijker is interventies toe te passen. Kinderen met lichamelijke beperkingen of gedragsproblemen zitten meer ver­ spreid over onderwijsinstellingen.”

we de boel in Nederland goed georganiseerd gaan krijgen en dat nieuw aanbod gekoppeld wordt aan bestaande initiatieven als de website en app Uniek Sporten. Wat ik voor me zie is dat zo’n website een tabblad heeft waarop kinderen met een beperking aan kunnen geven dat ze een sportmaatje zoeken, waarna ze worden doorgelinkt naar studenten van de hogescholen. Zo maken we met dit project ook een vertaalslag naar het onderwijs.”

‘ Ondanks inspanningen is het niet gelukt om de sportparticipatie van mensen met een handicap op hetzelfde niveau te krijgen als van mensen zonder handicap ’

Andere onderzoeksprojecten binnen het lectoraat Kracht van Sport

De minder goed georganiseerde landen zijn Litouwen, Italië, Portugal en Frankrijk. “Daar zien we een interessante discrepantie. Sportverenigingen geven aan dat ze geen initiatieven ontwikkelen omdat er geen vraag is. En ouders zeggen ‘we gaan er niet om vragen, want het is er toch niet.’”

WHEELS De ‘Wheelchair exercisE and lifestyle

study’ heeft tot doel een online leefstijlprogramma en begeleidingstraject te ontwikkelen voor rolstoelgebruikers. J EUGDSPORTFONDS Dit onderzoek is erop gericht

Nu de inventarisatiefase erop zit ligt de focus op het ontwikkelen en uitvoeren van een aantal pilots. In Finland loopt momenteel een pilot waar studenten optreden als persoonlijke coach van kinderen met een beperking. In Engeland gaan onderzoekers na hoe je het beste focusgroepen kan houden waar ook kinderen met beperkingen aan deelnemen. “Het gaat vaak over wat onderzoekers, docenten en ouders denken wat qua sporten belangrijk is voor kinderen. Maar wat willen ze zelf? We hebben hun stem nodig om het aanbod en daarmee de partici­ patie te verbeteren.”

meer inzicht te krijgen in de effectiviteit van de activiteiten van het jeugdsportfonds in Amsterdam, bedoeld om kinderen uit financieel achtergestelde gezinnen te laten sporten.

LECTORAAT KRACHT VAN SPORT Hogeschool Inholland Marije.baartdelafailledeutekom@inholland.nl www.inholland.nl/lectoraatkrachtvansport

Na afronding van de pilots hoopt het onderzoeks­ team een aantal aanbevelingen te kunnen doen over wat er anders moet. Een overzichtelijke website waar sportmogelijkheden netjes zijn gerangschikt is de basisvoorwaarde om vraag en aanbod bij elkaar te

Hogeschool van Amsterdam m.baart.de.la.faille@hva.nl www.hva.nl/lectoraatkrachtvansport

17

Kenniscentrum Sport


Grensoverschrijdend gedrag: Nicolette Schipper-van Veldhoven, lector Sportpedagogiek, hogeschool Windesheim

Fysiek, psychologisch en seksueel grensoverschrijdend gedrag komt in de georganiseerde sport veel meer voor dan gedacht, blijkt uit een studie van Nicolette Schipper-van Veldhoven. Als lector Sportpedagogiek verbonden aan Windesheim onderzoekt zij de rol van trainers, ouders, docenten, sportverenigingen en beleidsmakers in het creëren van een pedagogisch en veilig sportklimaat.

Dat er weleens dingen misgaan binnen de georgani­ seerde sport weten we door de gevallen die in de media verschijnen. Hoe vaak er grenzen overschreden worden was tot voor kort gissen. Internationale onder­ zoeken zijn er wel, maar door verschillende methodolo­ gieën laten die enorme variatie zien in de prevalentie van grensoverschrijdend gedrag in de jeugdsport.

Hoog percentage ongewenst gedrag Nicolette Schipper-van Veldhoven en collega’s zochten het uit voor Nederland en België. In een retro­spectieve zelfrapportage vulden 4.000 Vlaamse en Nederlanders volwassenen vragenlijsten in over hun ervaringen met emotioneel, fysiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens hun kindertijd in de ge­­organiseerde sport. De cijfers liegen er niet om: 38 procent rappor­ teerde ervaringen met psychologisch ongewenst gedrag. Elf procent kreeg te maken met fysiek geweld en veertien procent met seksuele intimidatie. “Die cijfers zijn hoger dan gedacht en komen overeen met percentages van interpersoonlijk geweld buiten de sport”, zegt Schipper-van Veldhoven.

18


Hogescholen Sport Overleg

Gevolgen op latere leeftijd

richten ons nu op de implementatiestap naar de verenigingen, trainers, docenten en ouders en naar beleidsmakers (Europees, Internationaal Olympisch Comité).” Volgens Schipper-van Veldhoven is er ook bij docenten lichamelijke opvoeding meer bewust­ wording nodig over seksuele integriteit. Leerlingen kunnen een noodzakelijke aanraking opvatten als een verkeerde intentie. Bij een daadwerkelijk verkeer­ de intentie is het weer belangrijk dat kinderen open­ lijk durven te praten over hun ervaringen. En voor coaches moet er goede pedagogische training ont­ wikkeld worden, dat mist nu in de praktijk. Hoe je pedagogisch verantwoord omgaat met kinderen is niet alleen van belang voor de veiligheid, maar ook voor persoonlijke ontwikkeling en langdurige sportparticipatie van de jeugd. Schipper-van Veldhoven: “De sport­omgeving is niet vanzelf op­ voedkundig, dus niet vanzelf het derde opvoedings­ milieu. Daar is begeleiding van competente mensen voor nodig.”

De deelnemers werd ook gevraagd naar de gevolgen van hun negatieve ervaringen voor welzijn en levenskwaliteit. Er blijkt een duidelijk verband tussen sportbeleving en de gevolgen op latere leeftijd: mensen die ernstig grensover­ schrijdend gedrag in sport meemaakten, geven duidelijk een slechtere kwaliteit van leven aan. “In plaats van met anekdotisch bewijs kunnen we het probleem, en de grootte ervan, nu cijfermatig aantonen.” Sporten in club­ verband kan de jeugd vooral positieve maatschap­pelijke vaardigheden meegeven, benadrukt Schipper-van Veld­ hoven, zoals zelfvertrouwen, fair play en teamgeest. “Dat moeten we ook specifiek bevorderen, maar tegelijkertijd is het essentieel om maatregelen in te voeren die negatie­ ve gevolgen van de georganiseerde sport beperken.”

Sportverenigingen vaak nog onwetend Het lectoraat zet expliciet in op het creëren van bewustwording van het andere gezicht van sport. Ouders staan er niet bij stil dat hun kind met grens­

het andere gezicht van sport ‘ De sportomgeving is niet vanzelf opvoedkundig, daar is begeleiding van competente mensen voor nodig. ’

Andere onderzoeksprojecten binnen het lectoraat Sportpedagogiek I COACHKIDS EU-project naar hoe mogelijk­heden

voor jeugdcoaches op het gebied van pedagogische opleidingen en de erkenning daarvan binnen Europa verbeterd kunnen worden.

overschrijdend gedrag te maken kan krijgen binnen een voetbalclub of gymles. “Maar denk eens aan de kleedkamergluurder op de hockeyclub in Wassenaar, waar ook prinses Amalia traint. Dat geeft aan: het kan overal gebeuren.” Beleid op het terrein van grensover­ schrijdend gedrag in Nederland, mede ontwikkeld door NOC*NSF en sportbonden, dringt nog te weinig door op het niveau van sportverenigingen. “Ze denken dat het bij hen niet gebeurt en geven aan dat de priori­ teit ligt bij het organiseren van wedstrijden.”

PBS IN SPORTVERENIGINGEN Onderzoek naar de implementatiemogelijkheden van Positive Behavior Support (een voor het onderwijs ontwikkelde methode) in sportverenigingen.

LECTORAAT SPORTPEDAGOGIEK Windesheim

Sportomgeving heeft begeleiding nodig Het onderzoek naar een verantwoord sportklimaat loopt van EU-beleid tot aan gedrag van ouders langs de zijlijn. “Beleid omtrent seksuele intimidatie, grens­ overschrijdend gedrag, veilig sportklimaat is er, we

19

n.schippervanveldhoven@windesheim.nl

www.windesheim.nl/onderzoek/onderzoeks themas/bewegen-en-sport/sportpedagogiek

Kenniscentrum Sport


Johan Pion, lector Herkennen en Ontwikkelen van Sporttalent, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Laat kinderen een sport kiezen die past bij hun kwaliteiten, dan haken er op latere leeftijd minder af, volgens Johan Pion. Als lector Herkennen en Ontwikkelen van Sporttalent aan de HAN ontwikkelde hij een testbatterij om kinderen te koppelen aan een sport die hen op het lijf geschreven is.

Sportadvies op m Van de honderden meisjes die op zevenjarige leeftijd aan gymnastiek beginnen is na vijf jaar nog maar vijf­ tien procent over. De rest is ermee opgehouden, laat onderzoek van Johan Pion zien. “Waarschijnlijk zijn de meesten gestopt omdat ze geen plezier meer beleef­ den aan gymnastiek”, zegt de HAN-lector. “Het is niet alleen jammer dat kinderen hun sport na een tijdje niet meer leuk vinden, we missen hierdoor ook mensen met competenties voor de topsport.” Om kinderen zo lang mogelijk in de sport actief te hou­ den, is het belangrijk om op basisschoolleeftijd een slimme sportkeuze te maken. ‘Slim’ houdt in: een sport kiezen die past bij zowel de kwaliteiten van het kind als wat hij of zij leuk vindt. Als je doet wat je goed kan, heb je meer succeservaringen en dus meer plezier in het sporten is het achterliggende idee. De slimme sport­ keuze is bedoeld voor elk kind, de topsport en de medailles zijn een aangenaam bijverschijnsel.

Testbatterij In samenwerking met de universiteiten van Gent ont­ wikkelt Pion een instrument om Nederlandse kinderen passend sportadvies te geven. De methode is gebaseerd op het Vlaams Sportkompas, een reeks van zestien

20


Hogescholen Sport Overleg

willen we realiseren door sporten te clusteren en aan te bieden via combi-sportverenigingen. Als je bijvoorbeeld handbal speelt, kan je ook veel leren in basketbal, volley­ bal en voetbal. Door balsporten te clusteren kunnen we kinderen een breder aanbod geven en raken ze hopelijk minder snel uitgekeken op enkel handbal.” Pas vanaf veertien jaar is het volgens Pion tijd om door te speciali­ seren in een specifieke sport.

testjes gericht op het detecteren van de betere bewegers en de verbinding aan sportclubs. In 2017 wordt het Sportkompas geïmplementeerd in het basisonderwijs in Vlaanderen.

Zet kinderen van hetzelfde niveau bij elkaar Het Raak-publiek project ‘Oog voor excellentie’ gaat nog een stap verder dan het Vlaams Sportkompas. “In het kader van talentontwikkeling gaan we de betere bewe­ gers hier ook andere programma’s aanbieden, zodat zij niet mee hoeven te gaan met het gemiddelde van de groep”, legt Pion uit. “We zien dat, als je kinderen van hetzelfde niveau bij elkaar zet, zowel de goede als de minder goede bewegers meer vooruitgang boeken.”

Detectie van talent via het onderwijs “We kunnen niet voorspellen welk kind later een medail­ le zal winnen, maar we kunnen wel zien wie begaafd zijn. Als je de pech hebt in de verkeerde straat geboren te zijn, en je niet in aanraking komt met sport, blijft je potentie onbekend. Dat is zonde. De detectie van talent moeten we echt implementeren via het onderwijs.”

In Nederland gaat het programma er als volgt uitzien. In groep 4 t/m 6 van de basisschool doen kinderen de test, waarbij de kinderen ingedeeld worden in drie groepen, gebaseerd op hun motorisch potentieel.

Andere onderzoeksprojecten binnen het lectoraat Herkennen en Ontwikkelen van Sporttalent

aat voor kinderen

PROMOTIEONDERZOEK NAAR HET HERKENNEN VAN SPORTIEF TALENT IN HET PRIMAIR ONDERWIJS Daarvoor wordt nauw samengewerkt met het UMCG.

‘ We zien dat, als je kinderen van hetzelfde niveau bij elkaar zet, zowel de goede als de minder goede bewegers meer vooruitgang boeken.’

T WEE ONDERZOEKSPROJECTEN OM TALENT­ IDENTIFICATIE TE VERBETEREN. Eén binnen tennis, samen met de KNLTB en het UMCG en één binnen het volleybal waarbij al enkele jaren speelsters van diverse RTC’s en jong-oranje teams worden getest en gevolgd in hun ontwikkeling. Het lectoraat werkt met diverse BVO’s (o.a. PSV,

Iedereen krijgt een aangepast programma op zijn of haar niveau, met de bedoeling meer en beter te diffe­ rentiëren in de gymles. Er komt geen apart programma in de zin van extra lessen. Wel meer uitdaging in de lessen voor de betere bewegers. Idealiter maken de kinderen dan op hun tiende een keuze, op basis van een vragenlijst naar de sporten die ze graag doen. Die sporten worden gematcht aan hun motorische kwali­ teiten. Het advies dat eruit rolt is geen verplichting, benadrukt Pion. Alleen een hulpmiddel om de keuze te maken voor een sport die hen op het lijf geschreven is.

Vitesse, FC Twente, De Graafschap) samen om met name de instroom van jeugdig talent te verbeteren.

LECTORAAT HERKENNEN EN ONTWIKKELEN VAN SPORTTALENT Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Is de keuze gemaakt, dan is het nog zaak om te voor­ komen dat kinderen zich te eenzijdig ontwikkelen. Want kinderen tussen de tien en veertien jaar kan je motorisch nog veel bijbrengen. “Die brede motorische opvoeding

21

Johan.Pion@han.nl

www.han.nl/onderzoek/kennismaken/ revalidatie-arbeid-sport/lectoraat/herken nen-en-ontwikkelen-sporttalent/

Kenniscentrum Sport


Een beweegprogramma voor Olaf Timmermans, lector Healthy Region, HZ university of applied science

In een gezonde regio worden mensen ouder in goede gezondheid. Lector Healthy Region aan de Hogeschool Zeeland Olaf Timmermans onderzoekt hoe Zeeland zo ingericht kan worden dat haar inwoners en toeristen auto­matisch gezondere keuzes maken. Door het aanbieden van een beweegprogramma voor ouderen bijvoorbeeld.

Zeeland is met haar eilandenstructuur en massa’s toe­ risten een bijzondere regio, waar het in stand houden van welzijn en gezondheid net een tikje uitdagender is dan in de rest van Nederland. De Zeeuwse bevolking wordt ouder, evenals de toeristen, maar die extra jaren leven mensen niet in goede gezondheid. “In vergelij­ king met andere provincies zie je dat ouderen minder vrij zijn van zorgen en chronische ziektes”, zegt Olaf Timmermans. Onlangs rondde hij met collega’s een studie af naar de effecten van een beweegprogramma om met name ouderen fit te houden. De vraag kwam onder meer van fysiotherapeuten en fitnesscentra. Zij vroegen zich af of een korte beweeginterventie doeltreffend is om fitheid en vitaliteit te verbeteren. “Dit project is een goed voorbeeld van hoe we participeren in interdisciplinaire onderzoeken op het vlak van sport en beweging”, aldus Timmermans.

22


Hogescholen Sport Overleg

Effecten van een korte leefstijlinterventie

Gezondheidspromotie in de regio

Een samenwerking tussen ouderen, huisartsen, fysio­therapeuten en een fitnesscentrum leidde tot het opzetten van het beweegprogramma gebaseerd op de theorie van Short Intensive Training (SIT). In deze trainingsvorm voeren mensen spierversterkende oefe­ningen uit met kort herstel tussendoor. Alles bij elkaar duurt dat niet meer dan een half uur. Meerdere onder­ zoeken hebben het effect van SIT aangetoond op mentale en fysieke conditie.

Om de resultaten te valideren is een groter aantal deel­ nemers en een controlegroep nodig. Maar financiering voor dergelijk onderzoek komt vaak pas los als er iets mis is, volgens Timmermans. “Voor gebroken heupen is tonnen beschikbaar, voor het preventief fit houden van mensen is dat een ander verhaal.” Om een actieve leefstijl verder te stimuleren, voor bewoners én toeristen, doet het lectoraat een beroep op het onderscheidend vermogen van de regio: het toerisme en de kenmerkende omgeving van de Zeeuw­ se eilanden. Denk aan initiatieven als de kustmarathon en het ludieke kampioenschap ‘tegenwind fietsen’. Karakteristieke evenementen die drommen mensen in beweging brengen. Timmermans: “Door de samenvlech­ ting van zorg en toerisme hopen we de vitaliteit en het welzijn van de mensen in de regio te verbeteren. Zodat de Zeeuwen straks ook gezond ouder worden.”

‘ Voor gebroken heupen is tonnen beschikbaar, voor het preventief fit houden van mensen is dat een ander verhaal.’

Aan de studie deden voornamelijk mensen van mid­del­ bare leeftijd en ouderen mee. In een fitnesscentrum bewogen zij drie maanden lang twee keer per week met behulp van een standaard beweeg­programma. “De 12-weekse training was specifiek gericht op het

Andere onderzoeksprojecten binnen het lectoraat Healthy Region  H  ET VERBINDEN VAN TOERISME EN ZORG Via participatie in een Europees project wordt gekeken hoe voorzieningen vanuit toeristische sector gebruikt kunnen worden om gezond leven voor inwoners te optimaliseren. Onderzoekers gaan na hoe bijvoorbeeld een zwembad bij een hotel gebruikt kan worden voor beweegonderwijs en zwemles van kinderen in het dorp. Of hoe een restaurant dat alleen in vakantieperiode open is, gebruikt kan worden voor koken met eenzame ouderen.

meer vitaliteit verbeteren van lichamelijke functies en conditie”, legt Timmermans uit. “Maar we hebben ook gekeken hoe parameters als vitaliteit, motivatie en energieniveau veranderden.” Om dat te meten vulden de deelnemers voor en na het programma vragenlijsten in, waarvan de scores na afloop werden vergeleken.

 GEZONDE REGIO ALS NIEUWE VORM VOOR HET METEN VAN KWALITEIT IN DE OUDERENZORG Vanuit een

project binnen Horizon 2020 worden de basis­aspecten van de gezonde regio (zoals voldoende bewegen, gezond eten, de balans tussen inspanning en rust en zingeving) gebruikt om een nieuw kwaliteitskader voor ouderenzorg op te stellen.

Na drie maanden trainen voelden deelnemers zich over het algemeen fitter. Ze rapporteerden meer energie te hebben. Ook hun BMI nam gemiddeld af, eveneens als het vetpercentage en de buikomtrek. Vreemd genoeg was de motivatie om te bewegen na de interventie wel wat gezakt. Timmermans: “Dat heeft onder andere te maken met het feit dat er direct na de interventie geen vervolgactiviteit om door te gaan met bewegen was opgezet. Al met al wijzen de resultaten erop dat dit soort korte leef­ stijlinterventies een impact kunnen hebben op het welzijn van mensen.”

LECTORAAT HEALTHY REGION HZ university of applied science

23

olaf.timmermans@hz.nl

https://hz.nl/lectoraten/healthy-region

Kenniscentrum Sport


Uitgave van Kenniscentrum Sport en het Lectorenplatform​ Sport en Bewegen​.

Profile for Robert Gelinck

Uitgelicht  

Dit magazine is een uitgave van Kenniscentrum Sport en het lectorenplatform Sport en Bewegen. Het lectorenplatform wil het programmeren van...

Uitgelicht  

Dit magazine is een uitgave van Kenniscentrum Sport en het lectorenplatform Sport en Bewegen. Het lectorenplatform wil het programmeren van...

Advertisement