Page 1


Bronnen gebruikte foto’ s cover • • • • •

Balen: Malou (Collectie Erfgoed Balen) Dessel: Brug I (Collectie Gemeente Dessel) Meerhout: Watermolen (Collectie Gemeente Meerhout) Mol: Zandwinning (Collectie Alex Lefevere) Retie: Kapel Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw Werbeek (Erfgoedbank Noorderkempen) 2


Voorwoord Geachte lezer, In dit beleidsplan leest u de ambities en plannen die de gemeentes Balen, Dessel, Meerhout, Mol en Retie delen om het bouwkundig, archeologisch en landschappelijk erfgoed in onze streek goed te beheren en het bewustzijn voor ons onroerend erfgoed bij inwoners, bezoekers en beleidsmakers te vergroten. We zijn ervan overtuigd dat we de zorg voor dit erfgoed best samen aanpakken, over de gemeentegrenzen heen. We doen dit ook samen met organisaties en vrijwilligers die zich inzetten voor het erfgoed in onze regio, mensen die het landschap en patrimonium door en door kennen. Daartoe willen de vijf gemeentebesturen van Balen, Dessel, Meerhout, Mol en Retie de krachten bundelen in een intergemeentelijke onroerend erfgoeddienst (IOED). We zijn dan ook trots om u onze IOED ‘k.ERF’ voor te stellen. k.ERF is kort voor Kempisch erfgoed. De naam k.ERF is niet nieuw. Het is ook de naam van de intergemeentelijke samenwerking rond cultureel erfgoed, opgericht in 2008, met een actieve erfgoedcel sinds 2011. Met de IOED krijgt de projectvereniging “Cultuurnetwerk Kempen” waarbinnen erfgoedcel k.ERF valt, naast de culturele erfgoedwerking nu ook een onroerende erfgoedwerking. Beide k.ERF-werkingen hebben een eigen opdracht, maar het spreekt voor zich dat waar mogelijk en opportuun de erfgoedkrachten worden gebundeld, expertise wordt uitgewisseld en projecten door kruisbestuiving tot sterkere resultaten zullen leiden. Een andere belangrijke partner voor onze IOED k.ERF is het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. Zij stonden mee aan de wieg van de IOED en zij zullen door gezamenlijke projecten en regelmatig overleg de IOED k.ERF blijven voeden en doen groeien, met name door hun grote expertise met betrekking tot het landschappelijk erfgoed in de streek. Om dit beleidsplan op te maken, werden de afgelopen maanden veel bijeenkomsten en vergaderingen met gemeentepersoneel, erfgoed- en landschapsprofessionals en vrijwilligers georganiseerd. In deze bijeenkomsten gingen we op zoek naar gemeenschappelijke noden, maar ook onroerend erfgoedverhalen die ons binden. Veel mensen denken bij ‘Kempen’ spontaan aan droge zandgronden en grote heidevlakten. Ons werkingsgebied wordt inderdaad gekenmerkt door zand maar vooral ook door water, veel water. De Nete met zijn watermolens, de kanalen met daarlangs zowel natuurgebieden als industrie, de wateringen die nog steeds gebruikt worden om gronden te bevloeien, de vele ontginningsputten, relicten van oude spriet- en zandgroeves,… water is hét kenmerk van onze streek. Daarnaast vind je in onze landelijke regio nog veel agrarisch erfgoed en sporen van (volks)devotie zoals de talrijke kapellen, monumentale kerken en begraafplaatsen. Deze rijkdom aan watererfgoed, ontginningserfgoed, agrarisch erfgoed, religieus en funerair erfgoed willen we met de IOED k.ERF verder in kaart brengen, beheren en bewaren voor toekomstige generaties. De oprichting van IOED k.ERF en dit beleidsplan zijn alvast stappen in de goede richting.

3


Namens de Raad van Bestuur wil ik iedereen bedanken die meewerkte aan de opmaak van dit plan en aan iedereen die samen met onze IOED zorg zal dragen voor het onroerend erfgoed van ons “Land van water en zand�. Voorzitter projectvereniging Cultuurnetwerk Kempen, Richard Vermeulen

4


Inhoudsopgave Deel 1 - Omgevingsanalyse 1

Geologische en geomorfologische context ..................................................................................... 9 1.1

Geologie................................................................................................................................... 9

1.2

Geomorfologie....................................................................................................................... 10

1.3

Geologie, geomorfologie, hydrologie en bodem van IOED k.ERF ......................................... 10

1.4

Conclusies geologische en geomorfologische context .......................................................... 13

2

Historische context ........................................................................................................................ 14

3

Maatschappelijke context ............................................................................................................. 17

4

3.1

Bevolking ............................................................................................................................... 17

3.2

Bewoning en ruimtegebruik .................................................................................................. 17

3.3

Economie ............................................................................................................................... 23

3.4

Ontsluiting ............................................................................................................................. 24

Beleidscontext ............................................................................................................................... 28 4.1

Lokaal niveau ......................................................................................................................... 28

4.2

Regionaal niveau ................................................................................................................... 30

4.2.1

Provincie Antwerpen ..................................................................................................... 30

4.2.2

Beleidskaders voor Europese subsidies......................................................................... 31

4.3 5

Het gemeenschappelijk erfgoedpakket......................................................................................... 33 5.1

Integratie van erfgoed ........................................................................................................... 33

5.1.1

Bouwkundig erfgoed ..................................................................................................... 33

5.1.2

Archeologisch erfgoed................................................................................................... 34

5.1.3

Landschappelijk erfgoed................................................................................................ 36

5.2

6

Vlaams, federaal en internationaal niveau ........................................................................... 32

Thematische aanpak.............................................................................................................. 45

5.2.1

Ontginningslandschap ................................................................................................... 45

5.2.2

Het waterlandschap ...................................................................................................... 50

5.2.3

Religieus en funerair landschap .................................................................................... 57

5.2.4

Het agrarisch landschap ................................................................................................ 67

5.2.5

Technisch thema: een methodiek voor advies en beleid vanuit de IOED ..................... 71

Betrokken onroerend erfgoedactoren actief in de regio en proces ............................................. 72 6.1

Betrokken onroerend erfgoedactoren - consultatienetwerk................................................ 73

6.1.1

Overheden en betrokken administraties of diensten ................................................... 73

6.1.2

Bovenlokale organisaties ............................................................................................... 73 5


6.1.3

Lokale erfgoedverenigingen en -actoren ...................................................................... 76

6.1.4

Private actoren .............................................................................................................. 78

6.2

7

Het proces ............................................................................................................................. 79

6.2.1

Gemeentebesturen en ambtenaren cultuur / erfgoed en patrimonium ...................... 79

6.2.2

Stakeholderoverleg met onroerend erfgoed actoren ................................................... 79

6.2.3

Ambtenaren ruimtelijke ordening gemeenten ............................................................. 81

Een krachtenanalyse...................................................................................................................... 81

Tussenin - Een vliegende start Deel 2 - Beleidsplan 1

Inleiding ......................................................................................................................................... 88

2

Een missie voor IOED k.ERF ........................................................................................................... 88

3

Een visie voor IOED k.ERF .............................................................................................................. 89

4

Strategische en operationele doelstellingen................................................................................. 90

5

4.1

Strategische doelstelling 1..................................................................................................... 90

4.2

Strategische doelstelling 2..................................................................................................... 91

4.3

Strategische doelstelling 3..................................................................................................... 92

4.4

Strategische doelstelling 4..................................................................................................... 93

4.5

Strategische doelstelling 5..................................................................................................... 94

4.6

Strategische doelstelling 6..................................................................................................... 94

Een organisatiestructuur: gericht op integratie ............................................................................ 96 5.1

Inleiding ................................................................................................................................. 96

5.2

De organisatiestructuur samengevat .................................................................................... 96

5.3

De bestuurlijke samenwerking: het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband ............... 97

5.4

De beleidsmatige samenwerking: het voorbereidend comité .............................................. 97

5.5

De beleidsmatige samenwerking: de stedenbouwkundige ambtenaren ............................. 98

5.6

Het onroerend erfgoedweefsel: een vanzelfsprekende integratie ....................................... 98

5.7

Personeelsbeleid: integreer expertise en creëer eigen expertise......................................... 99

5.8

Een niet toevallig gekozen naam ......................................................................................... 100

Bijlagen Bijlage 1

Bebouwing dorpskernen op Ferrariskaart (1771 – 1778) ............................................... 102

Bijlage 2

Traditionele landschappen .............................................................................................. 109

Bijlage 3

Ankerplaatsen.................................................................................................................. 111

Bijlage 4

Lijst van agrarische gebouwen en complexen (uit inventaris onroerend erfgoed)...... 118

Bijlage 5

Ondersteuning vrijwilligerswerking en lokaal draagvlak IOED k.ERF .............................. 120 6


Bijlage 6

Overzicht van personeelsleden die werken voor het onroerend erfgoed van het intergemeentelijk samenwerkingsverband en hun deskundigheid in het onroerend erfgoedveld...................................................................................................................... 122

Bijlage 7

Beslissingen van Colleges van Burgemeester en Schepenen .......................................... 123

Bijlage 8

Aanwezigheidslijst stakeholderoverleg 30 november 2016............................................ 169

7


Deel 1 - Omgevingsanalyse 8


1

Geologische en geomorfologische context

We starten de omgevingsanalyse met het schetsen van de geologische en geomorfologische geschiedenis van Noord-België, en meer bepaald de provincie Antwerpen. Verder in de tekst wordt ingezoomd op het werkingsgebied van IOED k.ERF. 1.1

Geologie

De oude harde gesteenten waaruit de ondergrond van Zuid-België bestaat zijn in Noord-België bedekt met jongere losse sedimenten van mariene oorsprong. In het Tertiair (vanaf 65 miljoen jaar geleden), reikte de Noordzee immers tot aan Midden-België. Midden-België bestond uit het Massief van Brabant, dat met de Ardennen en het Eifelmassief boven de zee uitstak. Sinds die tijd voerden de Rijn, de Maas en ook de Schelde enorme hoeveelheden zand en klei naar de Noordzee. Dit sedimentmateriaal vulde de bodem van de Tertiaire Noordzee laag per laag op. Door het gewicht van de hoeveelheid sedimenten verzakte het onderliggende gesteente nog dieper, terwijl Zuid-België, door het materiaalverlies, traag oprees. Het zuiden en het noorden van België zijn dus geleidelijk gekanteld. De provincie Antwerpen ligt op de as van de kantelende helling. In deze periode werd o.a. de Formatie van Boom, later de Formatie van Berchem, en daarboven weer de Formatie van Diest afgezet. Soms ontstonden die lagen in een zee met krachtige golfbeweging, zodat alleen grof zand werd afgezet en het fijnere materiaal wegspoelde (bv. de Zanden van Diest, Formatie van Berchem). In andere periodes met bijvoorbeeld een rustige, iets diepere zee, werd zeer fijne klei afgezet (bv. de Boomse klei). De Diestiaan-transgressie is de laatste grote zeetransgressie over België. Het Diestiaan ligt discordant op de onderliggende formaties en bedekt naar het zuiden toe steeds oudere lagen. De Zanden van Diest bestaan uit groene glauconietrijke grove zanden, homogeen, weinig kleihoudend. Naar het einde van het Tertiair, zo’n 1,8 miljoen jaar geleden, raakte in de provincie Antwerpen de Tertiaire zee opgevuld. Het einde van het Tertiair is dan ook het einde van mariene afzettingen. De afzettingswijzen worden steeds meer continentaal. Deze zijn minder uniform en beperkter in omvang dan mariene formaties. Op sommige plaatsen ontbreken bepaalde afzettingen, en ze wisselen ook sneller van lithologische samenstelling zodat er plaatselijk grote verschillen zijn. Hierdoor heeft elk deelgebiedje in de provincie Antwerpen zijn bijzondere fysisch-geografische opbouw en landschappelijk voorkomen. Het Kwartair omvat 2 grote opeenvolgende periodes: het Pleistoceen en het Holoceen. Het MiddenPleistoceen is eerder een periode van erosie. Zo schuurde het beginnend Netestelsel uitgestrekte rivierdalen uit in het Tertiair substraat. Door de erosie zijn er weinig afzettingen daterend van het Midden-Pleistoceen in de provincie Antwerpen. Het Jong-Pleistoceen is vooral van belang voor de vorming van de Vlaamse Vallei. De oostelijke uitloper hiervan strekt zich uit langs de zuidelijke grens van de provincie Antwerpen (regio Mechelen). De Holocene periode begon na de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden. Na de laatste ijstijd werden erosie door de werking van water, nl. door rivieren, landafspoeling en bronwerking en windwerking, ditmaal vanuit het zuidwesten, de belangrijkste landschapsvormende processen.

9


1.2

Geomorfologie

Door de geleidelijke opstuwing van het Massief van Brabant in de loop van het Tertiair kwam de kustlijn in onze streken geleidelijk meer noordelijk te liggen. Op het hellend landoppervlak ontwikkelden zich, evenwijdig aan elkaar en noordwaarts stromend, de rivieren Gete, Dijle, Zenne, Dender, Schelde, Leie en IJzer. De rivieren erodeerden stelselmatig de afgezette lagen. Het geologisch substraatmateriaal (mariene afzettingen uit het Tertiair) in Laag-België bestaat uit losse sedimenten van zand en klei. De Boomse en de Kempense Klei bieden meer weerstand tegen erosie dan de Tertiaire zanden. Differentiële erosie zorgde ervoor dat de zachte zandlagen afgevoerd werden, terwijl de harde kleilagen als een heuvel in het landschap overbleven, waardoor het typische cuestareliëf ontstond. In de provincie Antwerpen ontwikkelden zich twee cuesta’s, de cuesta van de Klei van Boom en een kleinere cuesta van de Kleien van de Kempen. De cuestaruggen vormen twee oostwest verlopende heuvelruggen, nagenoeg recht en onderling min of meer evenwijdig. Tussen beide cuesta’s komt een zogenaamde subsequente depressie voor. Deze depressie is zeer uitgestrekt; ze omvat het gehele middelste deel van de provincie Antwerpen. Het gebied is opgebouwd uit erodeerbare zandige formaties afgezet tijdens de Tertiaire periode. Een aantal rivieren werden door de cuesta’s gehinderd in hun oorspronkelijke noordelijke stroomrichting en kwamen in de oostwest verlopende subsequente depressie tussen de twee cuesta’s terecht. Zo heeft de Nete een stroombekken uitgegraven in het oostelijk deel van de depressie en Het Schijn in het westelijk deel. De waterscheidingslijn tussen beide stroombekkens ligt beneden in de depressie, ter hoogte van Ranst. Hierdoor heeft het reliëfoppervlak in de provincie de vorm van een zadel. Het ‘zadelvormig dal’ (R. Maréchal) is een term die veel gebruikt wordt in de literatuur om het algemeen beeld van het reliëf in de provincie te omschrijven. Naarmate de cuesta’s vorm kregen is het hydrografisch net in de provincie grondig en herhaaldelijk gewijzigd. De zuidelijk gelegen cuesta van de Klei van Boom vormt de waterscheidingskam tussen het ten zuiden gelegen Demer-Dijle-Rupelbekken en de ten noorden gelegen stroombekkens van de Nete en Het Schijn. De hoogte van de cuestarug wisselt tussen 25 en 50 m. Tussen de cuesta van Boom in het zuiden en de cuesta van de Kempen in het noorden ligt het cuestadal van Boom, een depressie waarin o.a. de vallei van de Kleine Nete een weg gevonden heeft. 1.3

Geologie, geomorfologie, hydrologie en bodem van IOED k.ERF

Onderstaande figuur toont de tertiaire geologische kaart van het werkingsgebied van de IOED k.ERF. In tabel 1 worden dit geologisch substraatmateriaal kort beschreven. In nagenoeg al deze lagen (formatie / lid) is er wel sprake van zand, gaande van groen / bruin tot wit kwartszand. In het ‘Lid van de Maat’ en ‘Lid van Russendorp’ is er geen sprake van zand, maar zwart veen.

10


Figuur 1 Tertiaire geologische kaart werkingsgebied IOED k.ERF

Naam Tertiair geologische laag

Formatie van Diest Formatie van Kasterlee Formatie van Mol Lid van de Maat Lid van Donk Lid van Maatheide Lid van Russendorp

Beschrijving Groen tot bruin zand, heterogeen, meerdere grindlagen, (ijzer)zandsteenbanken, kleirijke horizonten, schuine gelaagdheid, glauconietrijk, micarijke horizonten Bleekgroen tot bruin fijn zand, paarse klei-horizonten, licht glauconiethoudend, micahoudend, onderaan kleine zwarte silexkeitjes Wit grof kwartszand, lignietlagen Zwart veen (spriet) op dunne kleihoudende horizont Wit grof kwartszand, zeer goed gesorteerd, aan de basis kwartsgrindlaagje met kiezelรถolieten Wit grof kwartszand, zeer goed gesorteerd, dikwijls door humusinfiltratie zwartbruin verkleurd Zwart veen

Opp. dagzoom in IOED k.ERF (ha)

6516,41

9169,75 8577,88 528,00 2969,83 1043,44 16,49 11


Lid van Schorvoort

Witgrijs fijn zand, kwartsrijk, weinig glauconiethoudend, weinig glimmerhoudend

1190,05

Tabel 1 Dagzomende Tertiaire geologische lagen in werkingsgebied IOED k.ERF

De ecodistricten en ecoregio’s in Vlaanderen (Sevenant et al. 2002)1 zijn afgebakend op basis van de abiotische kenmerken klimaat, geologie, geomorfologie, hydrologie, hydrografie en bodem. Zij geven dan ook een geïntegreerd beeld van de landschappelijke eenheid van een streek en het geografisch onderscheid met andere regio’s. Het werkingsgebied van de IOED behoort volledig tot de Ecoregio van de Kempen en voor het overgrote deel tot het ecodistrict ‘het Centraal-Kempisch rivier- en duinendistrict’. Slechts een klein deel van het werkingsgebied van de IOED valt onder ‘het Zuid-Kempisch heuveldistrict’.

Figuur 2 Ecoregio van de Kempen, met de verschillende districten

Typisch voor de Ecoregio van de Kempen is de zandige bodemtextuur van de Quartaire dekzanden die op het einde van de laatste ijstijd vanuit het noorden aangewaaid zijn. De zandige textuur brengt een specifiek microklimaat met zich mee (hogere dag- en lagere nachttemperaturen ten gevolge van een snelle warmteopname en -afgiftecapaciteit). De ontwatering in de zandige lagen is goed. Het reliëf in de ecoregio is overwegend vlak, maar kent ook duidelijke reliëfverschillen. Het ‘Centraal-Kempisch rivier- en duinendistrict’ wordt getypeerd door een dicht net van waterlopen die het ecodistrict doorsnijden en het talrijk voorkomen van landduinen. Het ecodistrict 1 Sevenant M., Menschaert J., Couvreur M., Ronse A., Heyn M., Janssen J., Antrop, M., Geypens M., Hermy M. & De Blust G. 2002. Ecodistricten: Ruimtelijke eenheden voor gebiedsgericht milieubeleid in Vlaanderen. Studieopdracht in het kader van actie 134 van het Vlaams Milieubeleidsplan 1997-2001. In opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,Administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer.

12


behoort tot het geologische Bekken van de Kempen, het subsidentiegebied ten noorden van het Brabants Massief. De geologische ondergrond bestaat uit verschillende mariene sedimentenpakketten, die tijdens het Tertiair (en het Vroeg-Pleistoceen) werden afgezet. Het betreft een dik pak zandige, glauconiethoudende en soms kleihoudende formaties met een lichte helling naar het noordoosten. Tijdens de laatste ijstijd (Laat-Pleistoceen) zorgde het permanente hogedrukgebied boven de Scandinavische ijskap voor krachtige noorderwinden, die grote hoeveelheden zanddeeltjes aanvoerden die het landschap onder een dekmantel bedekten. Deze niveo-eolische dekzanden zijn op de interfluvia slechts enkele meter dik en in de riviervalleien tot meer dan tien meter, zodat het reliëf grotendeels genivelleerd werd. Naast het eolisch transport van bodemdeeltjes over grote afstand traden er ook plaatselijke migraties en verstuivingen op. Na de laatste ijstijd veranderde de dominante windrichting van noordoost naar zuidwest, zodat de aanvoer van vers dekzand stopte. Vooral op plaatsen waar de dekmantel een tamelijke dikte had, bliezen de zuidwestenwinden het dekzand bijeen tot landduinen en oost-west gerichte dekzandruggen. Door uitwaaiing tot op de watertafel ontstonden plaatselijk depressies waar regen- en oppervlaktewater stagneerde en vennen gevormd werden. Het reliëf in het Centraal-Kempisch rivier- en duinendistrict is vlak tot zwak golvend. De ondergrond in het ecodistrict bestaat grotendeels uit zandige, goed doorlatende lagen. De hoogteligging is bepalend voor de waterhuishouding. Het sterk ontwikkeld waterlopenstelsel vormt een net van kwelrijke zones, de hoger gelegen interfluvia fungeren als infiltratiegebieden en de overgangen tussen rug en dal als doorstroomgebieden. De belangrijkste rivieren van het ecodistrict zijn de Grote en de Kleine Nete, die ter hoogte van Lier samenvloeien. In de riviervalleien komt frequent een veensubstraat voor. Het ‘Zuid-Kempisch heuveldistrict’ wordt getypeerd door het voorkomen van Diestiaanheuvels. De ontstaansgeschiedenis van het gebied situeert zich in het Diestiaan (einde Mioceen; Tertiair), toen in een erosiegeul van de toenmalige zee grofkorrelige, glauconiethoudende zanden als zandbanken werden afgezet. Tijdens de laatste ijstijd voerden krachtige winden grote hoeveelheden fijne bodemdeeltjes aan vanuit de droog liggende Noordzee en de noordelijke gletsjerpuinhopen. Als gevolg hiervan werd het erosielandschap door een dekzandlaag lichtjes genivelleerd. Het huidige landschap van het ecodistrict wordt dan ook gekenmerkt door een aantal overwegend westzuidwestoostnoordoost verlopende heuvels, met daartussen brede moerassige depressies en beekvalleien. 1.4

Conclusies geologische en geomorfologische context

De studie van de geologie en de geomorfologie toont vooral een zeer homogene regio, die gekenmerkt wordt door zand (zowat alle geologische lagen bevatten zand, zelfs zeer kwaliteitsvol zand wat de ontginningen van Sibelco aantonen), waarin de bovenlopen van de Kleine (inclusief bronnengebied) en Grote (bronnengebied net over de provinciegrens) Nete van oost naar west lopen (fig. 3).

13


Figuur 3 Enkele geomorfologische structuren in het werkingsgebied van de IOED k.ERF

Deze kenmerken (water en zand) zijn zeer bepalend geweest voor de nederzettingenstructuur, voor de ontwikkeling van de landbouw en voor de loop van de wegen. De impact op het onroerend erfgoed mag dan ook als groot, zelfs substantieel groter dan in andere regio’ s, benoemd worden.

2

Historische context

De historische context van streken wordt steeds voor een belangrijk deel bepaald door de abiotische omstandigheden waarin mensen leven. Of eenvoudiger gezegd: de grond bepaalt de geschiedenis van mensen. Wellicht nog meer dan elders geldt dit voor onze regio. Zand en water blijken dan de bepalende factoren. De geschiedenis van de Kempen begint echter met mensen die niet aan landbouw deden. Zand speelt een ondergeschikte rol, maar water is wel een bepalende factor. Laat - Paleolitische en Mesolitische jager - verzamelaars zwerven in warmere periodes tussen ijstijden of na de laatste ijstijd

14


doorheen de Kempen. Hun kampementen situeren zich op hogere en drogere plekken vlakbij valleien, waar hun jachtwild en water zich bevindt (Van Gils & De Bie, 2002). Dat blijkt ook het geval in het hele werkingsgebied met niet minder dan 83 vindplaatsen van lithisch materiaal met het zwaartepunt in Meerhout en Mol. (bv. CAI 101965 als Jong Paleolithicum in Postel / CAI 101663 als Neolitische geheel van lithisch materiaal in Meerhout). Vanaf de Bronstijd begint de landbouw in de Kempen. De oudste zichtbare sporen ervan vinden we in de zogenaamde Celtic Fields en ook deze vinden we op diverse plaatsen in het werkingsgebied (Vandekerckhove V., 1987). Bewoningskernen en grafheuvels horen daar uiteraard bij, zij het vooral in Postel (bv. CAI 101976 met diverse grafheuvels uit Bronstijd). Sommige van de plaatsen worden verbonden met het toponiem Alvinnenberg of Asberg (bv. CAI 112079 in Retie). Elders, onder meer voor Kasterlee, is aangetoond dat die activiteit tot de eerste heide ontwikkeling leidt (Bastiaens & Deforce, 2005). Dan lijkt, en dit geldt voor de hele Kempen, de geschiedenis te verdwijnen: de streek lijkt te ontvolken. Pas in de Frankische tijd is er weer sprake van gestructureerde bewoning. Diverse toponiemen wijzen op vestigingen uit deze tijd (Brasel in Retie, Millegem in Mol, Hulsel in Meerhout). Het gaat steevast om zeer kleine landbouwgemeenschappen, die hun boerderijen bouwen rond een plein (pleinnederzettingen) voor de heerdgang van de kuddes op de heide en over een akkerareaal (vaak op leemhoudende zandgronden) en een hooilandareaal (in de beekvalleien) beschikken. De driehoekige pleinen zijn soms tot vandaag bewaard gebleven. Voorbeelden vindt men onder meer in Schoonbroek en Werbeek (Retie) en in Mol ter hoogte van de Sint Pieterskerk. De uitzonderlijke veelheid van dorpen en gehuchten wijst op het veelvuldig voorkomen van geschikte omstandigheden (door de vele beken), maar ook op de relatieve isolatie ervan. Wegen lopen van oost naar west, evenwijdig met de beken, en veel minder haaks op die beken. Verbindingen van noord naar zuid zijn van veel latere datum. Gezien de perifere ligging van de regio ten opzichte van de grote marktplaatsen is de landbouweconomie vooral gericht op zelfvoorziening en minder op handel. Nochtans heeft Mol wel een handelsfunctie. De streek zet in op schapenteelt en groeit met het Molse laken uit tot een regionaal belangrijk textielcentrum. Mol krijgt in 1365 van de Brabantse hertogen Johanna en Wenceslas het privilegie om elke dinsdag een markt te organiseren en om twee keer per jaar een jaarmarkt te organiseren. In Meerhout is ook een markt, in de andere drie gemeenten niet. De aardbrieven van begin van de 14e eeuw door de hertog van Brabant, en de relatieve impact van de adel (Berhout in Retie, Nassau in Meerhout) en abdijen (Corbie, Tongerlo, Postel) op de eigendomsstructuren in de Kempen, zorgen voor een systeem van gemene gronden. Dat en de grote hoeveelheid natte hooilanden in de talrijke beekvalleien (veel hooi = veel dieren die kunnen overwinteren) maken dit systeem mogelijk. Het houdt grotendeels stand tot het einde van de 18e en zelfs tot een eind in de 19e eeuw. In de landschapskunst van de Molse School met Jakob Smits als boegbeeld wordt vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw het landschap met zijn uitgestrekte heidevlakten, vennen, moerassen, dennenbossen en duinen weergegeven. Het landschap was toen echter al in volle transitie. De Kempen ondergaan in de 19e eeuw grondige veranderingen. Diverse processen liggen aan de basis, maar ĂŠĂŠn element staat centraal: de regio wordt als achtergesteld beschouwd en daar moet 15


iets aan gebeuren. Vooral in het midden van de 19e eeuw spelen veel dingen tegelijk: de Wet op de Ontginning van de Woeste Gronden (1847), de aanleg van het kanalennetwerk (1843 – 1858) en de bijhorende effecten op de landbouw en de industrialisatie van de Kempen. De regio verandert grondig. De heidelandbouw en dus de heide verdwijnen en maken plaats voor boscomplexen en er ontwikkelt zich een intensief industrieel weefsel. Voorbeelden hiervan zijn: • • • •

Sablières et Carrières Reunies in Mol (vandaag Sibelco) vanaf 1872 Poudrerie Reunies de Belgique (vandaag verdwenen) in Balen vanaf 1881 Vieille Montagne (vandaag Nyrstar) in Balen vanaf 1889 Verlipac in Mol vanaf 1922

Figuur 4 Vieille Montagne en zinkfabriek (Collectie Alex Lefevere)

Het gaat veelal om industrie met een behoorlijk sterke impact op de omgeving. Sommige auteurs spreken over de regio (en bij uitbreiding de Kempen) als een dump – regio, waar een reeks zware en vervuilende industrieën bij elkaar gebracht zijn. Overigens werden er rond deze bedrijven helemaal nieuwe wijken gebouwd. Mol – Wezel is daar een uitstekend voorbeeld van. De kanalen hebben echter initieel een totaal ander doel. Ze moeten bijdragen tot het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid: via een systeem van wateringen kunnen de kanalen kalkrijk kanaalwater aanbrengen en via de kanalen kunnen schepen mest uit de steden Antwerpen en Luik aanvoeren. Ze vormen dan ook de basis van een sterke toename van landbouwontginningen, soms individueel, soms gestructureerd (bv. de Watering van De Maat in Mol). Door de uitvinding van kunstmest op het einde van de 19e eeuw is dit systeem echter al snel overbodig en achterhaald. In de 20e eeuw wordt de traditie van overheidsgestuurde industrialisatie verder gezet, dit keer met de ontwikkeling van de nucleaire industrie in Dessel en Mol. Vanaf 1952 ontwikkelt er zich een cluster van bedrijven met bijhorende onderzoekcentra, woonwijken, enz.

16


3

Maatschappelijke context2

3.1

Bevolking

De vijf gemeenten van het werkingsgebied van IOED k.ERF tellen op 1 januari 2016 samen 88.880 inwoners, met een ongeveer gelijke geslachtsverhouding. Mol heeft met 36.034 inwoners duidelijk het hoogste bevolkingsaantal van IOED k.ERF, en Dessel is met 9.420 inwoners een van de kleinere gemeenten van Vlaanderen. De gemiddelde bevolkingsdichtheid in IOED k.ERF bedraagt 297 inwoners per km², wat veel lager is dan het Vlaamse gemiddelde (477, 1 januari 2015). De gemiddelde bevolkingsdichtheid per km² verschilt aanzienlijk tussen de verschillende gemeenten waarbij Dessel de hoogste (349 inwoners per km²) en Retie de laagste (229 inwoners per km²) waarde heeft.

Gemeente Balen Dessel Meerhout Mol Retie Totaal

Mannen 11 027 4 725 5 130 17 936 5 584 44 402

Vrouwen 11 141 4 695 5 032 18 098 5 512 44 478

Gemiddelde Totaal bevolkingsdichtheid / km² 22 168 304 9 420 349 10 162 280 36 034 315 11 096 229 88 880 297

Tabel 2 Cijfers bevolking gemeenten werkingsgebied IOED k.ERF

3.2

Bewoning en ruimtegebruik

Op de Ferrariskaart (1771 – 1778) zijn de meeste van de huidige nederzettingstructeren reeds te zien. Onderstaand voorbeeld uit Dessel illustreert dit goed (fig. 5 en 6). Sommige huidige gehuchten (woonkernen) bestonden nog niet, zoals Mol-Rauw. Andere, bijvoorbeeld Mol-Gompel, waren nog niet ontwikkeld in de periode van de opmaak van de Ferrariskaart. Mol-Gompel bestond toen enkel uit één pachthoeve. Bijlage 1 toont de Ferrariskaarten van alle woonkernen van de gemeenten Balen, Dessel, Meerhout, Mol en Retie en hun huidige situatie.

2

De cijfers die gebruikt werden om dit hoofdstuk te onderbouwen komen van http://statbel.fgov.be/. 17


Figuur 5 Ferrariskaart Dessel

Figuur 6 Kaart Dessel, heden

Het valt ook op dat heel wat verbindingswegen tussen de woonkernen uit het werkingsgebied van de IOED ook al op de Ferrariskaart te zien zijn. Reeds in de 18e eeuw, maar zeker in de huidige situatie, wordt dit gebied gekenmerkt door lintbebouwing langs de grote wegen tussen de woonkernen. Tussen de woonkernen (in het buitengebied) is de bebouwing schaarser. In 2015 bedraagt het percentage onbebouwde ruimte in Vlaanderen 73,8 % (Milieurapport 2016). In het werkingsgebied van IOED k.ERF (onderstaande tabel en figuur) zitten alle gemeenten boven dat gemiddelde, variĂŤrend tussen 79% (Balen) en 87% (Retie) (Statbel, 2015).

18


Retie Mol % onbebouwd

Meerhout

% bebouwd

Dessel Balen 0

50

100

Figuur 7 Weergave bebouwde / onbebouwde ruimte

De onbebouwde ruimte kan worden onderverdeeld in akkerland, grasland, woeste gronden (o.a. heide), bossen en overige gebieden. Het grootste deel van de onbebouwde ruimte wordt ingenomen door akkerland en grasland, samen nagenoeg 60% van de onbebouwde ruimte. Ook bos vormt een aanzienlijk deel van de onbebouwde ruimte in het werkingsgebied van de IOED k.ERF, namelijk 22%. De andere types onbebouwde ruimte bestaan uit een kleiner percentage. Onbebouwde percelen naar kadaster Oppervlakte (ha) Akkerland, niet elders genoemd 6504 Grasland 7145 Tuinen en parken 174 Boomgaarden 25 Bos 5128 Woeste gronden 2001 Recreatie, sport 112 Gekadastreerde waters 764 Gekadastreerde wegen 375 Andere 691

% 28,38 31,18 0,76 0,11 22,37 8,73 0,49 3,33 1,64 3,01

Tabel 3 Onderverdeling onbebouwde ruimte werkingsgebied IOED k.ERF

Wanneer we naar de gemeenten apart kijken, zien we dat in Balen en Meerhout grasland een groot deel van de onbebouwde ruimte inneemt, respectievelijk 46 en 45%. Ook in Retie is het aandeel grasland hoog, namelijk 39%. Wat opvalt is dat in Dessel en Mol het aandeel grasland heel wat lager is (22 en 16%). In deze gemeenten is het aandeel bos dan weer wat hoger. 24% in Dessel, en in Mol maar liefst 35%. In de gemeenten Balen, Meerhout en Retie ligt het percentage bos tussen 11 en 14%. Het percentage akkerland schommelt tussen 21 en 39%, waarbij Mol het laagste percentage akkerland heeft, namelijk 21% en Retie het hoogste, 39%. Gemeente Type onbebouwd Balen Akkerland Grasland Bos Dessel Akkerland Grasland

% 27 46 14 33 22 19


Meerhout

Mol

Retie

Bos Akkerland Grasland Bos Akkerland Grasland Bos Akkerland Grasland Bos

24 36 45 11 21 16 35 39 39 13

Tabel 4 Percentage akkerland, grasland en bos per gemeente

De bebouwde ruimte bestaat uit 5086 ha bebouwde percelen of 18% van de gekadastreerde oppervlakte. Het percentage bebouwde ruimte is tussen de gemeenten van de IOED k.ERF vergelijkbaar (18 – 21%). Enkel Retie springt er een beetje uit met een percentage van bebouwde percelen van 13% (zie tabel 5). De bebouwde ruimte in het werkingsgebied van IOED k.ERF bestaat volgens het kadaster voor 65% uit huizen en hoeves (tabel 6). De tweede grootste ruimtegebruiker (bebouwde percelen) is recreatie/sport, namelijk 8,76%, gevolgd door ambacht- en industriegebouwen met 8,10%.

Balen Dessel Meerhout Mol Retie

% onbebouwd 79 80 82 82 87

% bebouwd 21 20 18 18 13

Tabel 5 Percentages bebouwde / onbebouwde ruimte

Bebouwd percelen naar kadaster Appartementen Building Huis, hoeve Bijgebouwen met inbegrip van serres Ambacht - en industriegebouwen Opslagruimte Banken, kantoren Gebouwen met handelsbestemming Openbare gebouwen Nutsvoorzieningen Sociale en ziekenzorg Onderwijs, onderzoek en cultuur Eredienst Recreatie, sport Andere

Oppervlakte (ha) 80 29 3 296 262 412 133 18 137 19 29 28 181 10 446 7

% 1,58 0,57 64,80 5,14 8,10 2,62 0,35 2,69 0,37 0,57 0,56 3,55 0,20 8,76 0,13

Tabel 6 Verdeling bebouwde ruimte in werkingsgebied IOED k.ERF 20


Het gebouwenpark in de gemeenten weerspiegelt in zekere zin de ontwikkelingen van de voorbije decennia. Onderstaande grafiek toont per gemeente het percentage gebouwen dat in een bepaalde periode gebouwd is. In de meeste gemeenten zijn de verhoudingen tussen de ouderdom van de gebouwen redelijk gelijklopend. Enkel in Retie merken we op dat er ten opzichte van de andere gemeenten minder gebouwen dateren uit de periode 1919-1945 en 1946-1961. In Retie zijn er dan wel procentueel meer gebouwen opgericht na 1981, namelijk 42% ten opzichte van de andere gemeenten (tussen 34% en 36%). 100,00 90,00 80,00 70,00 60,00 50,00 40,00 30,00 20,00 10,00 0,00

Aantal gebouwen opgericht na 1981 Aantal gebouwen opgericht van 1971 tot 1981 Aantal gebouwen opgericht van 1962 tot 1970 Aantal gebouwen opgericht van 1946 tot 1961 Aantal gebouwen opgericht van 1919 tot 1945 Aantal gebouwen opgericht van 1900 tot 1918 Aantal gebouwen opgericht voor 1900

Figuur 8 Ouderdom gebouwenpark

De open ruimte kent gebieden met belangrijke natuurwaarden. Zo zijn de natura 2000-gebieden die de toekomst van de meest kwetsbare dier- en plantensoorten en hun leefgebieden moet verzekeren, afgebakend. De Europese Unie stelde twee juridische richtlijnen op om deze soorten en gebieden te beschermen, namelijk de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Vlaanderen werden speciale beschermingszones afgebakend: de vogelrichtlijngebieden en de habitatrichtlijngebieden. Onderstaande figuur en tabel geven de vogel- en habitatrichtlijngebieden weer, alsook het Vlaams Ecologisch Netwerk. In het werkingsgebied van IOED k.ERF liggen twee habitatrichtlijngebieden, namelijk ‘Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden’ en ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’. Daarnaast is er ook 1 groot vogelrichtlijngebied gelegen in het werkingsgebied van IOED k.ERF (‘De Ronde Put’), en tal van zones die afgebakend zijn in het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN).

21


Figuur 9 Links: habitat- en vogelrichtlijngebieden / Rechts: VEN gebieden

Naam Habitatrichtlijngebied Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor Vogelrichtlijngebied De Ronde Put Vlaams Ecologisch Netwerk De Maat - Den Diel - Buitengoor De Gebroekten Grote Nete De Vallei van de Grote Nete bovenstrooms De Vallei van de Rode loop en Wamp De Ronde Put - Goorken De Maat - Den Diel - Buitengoor De Gebroekten Grote Nete De Molse Nete De Vallei van de Grote Nete bovenstrooms De Vallei van de Kleine Nete benedenstrooms

Oppervlakte (ha)

21022,93 2310,73 5334,68 39,74 162,76 224,13 0,01 869,22 586,08 136,54 257,97 233,92 130,63

Tabel 7 Habitat- en vogelrichtlijngebieden en VEN gebieden

l

22


3.3

Economie

Het economisch profiel van de regio wordt gekenmerkt door de termen ‘agrarisch’, ‘doorvoer’ en ‘industrieel verleden’. Tot de jaren 1960 is landbouw dé toonaangevende economische activiteit. Door de ontsluiting van de Antwerpse Kempen door het Albertkanaal, de E313 en het kanaal DesselSchoten zijn er enkele economische zwaartepunten ontstaan. Zowat alle industriegebieden die de regio rijk is, liggen aan deze verkeersaders. De regio vormt dan ook een belangrijk knooppunt tussen de haven van Antwerpen en het Duitse Ruhrgebied. Het bruto binnenlands product (d.i. de totale waarde die gecreëerd wordt door de vervaardiging van goederen en diensten) van het arrondissement Turnhout, waartoe de regio IOED k.ERF volledig behoord, bedroeg in 2011 14,75 miljard euro. Dit cijfer komt ongeveer overeen met 21% van de economie van de provincie Antwerpen en 7% van de Vlaamse economie. Per inwoner is het BBP in 2011 €33456, waarmee de regio schommelt rond het Vlaamse gemiddelde. De cijfers van 2011 tonen ook dat de secundaire sector (incl. delfstoffenwinningen) 37% van de economische activiteit vertegenwoordigt, tegenover 26% in heel Vlaanderen. Ook de landbouw is sterker vertegenwoordigd in de Kempen (1,4%) dan in Vlaanderen (0,8%). Onderstaande tabel en grafieken geven enkele cijfers weer inzake de (BTW plichtige) bedrijven in de gemeenten van het werkingsgebied van de IOED k.ERF. Uit deze cijfers blijkt dat in de gemeente Mol de meeste bedrijven gevestigd zijn. Dit is ook logisch, aangezien Mol de grootste gemeente is en volgens het gewestplan 173 hectare industriegebied heeft.

Balen Dessel Meerhout Mol Retie Totaal

Bestaande bedrijven 2015 Opgerichte bedrijven 2015 1604 138 726 63 756 76 2403 207 982 91 6471 575

Stopzettingen 2015 94 45 51 169 64 423

Tabel 8 Enkele economische cijfers van de gemeenten uit het werkingsgebied van IOED k.ERF

23


Figuur 10 Economische cijfers, grafisch voorgesteld

Naast deze economische activiteiten is ook het toerisme in deze regio met zijn groene karakter een belangrijke economische factor. De aanwezigheid van diverse natuurgebieden, kilometers wandelen fietspaden en provinciale (groene) recreatiedomeinen zoals het Zilvermeer in Mol en het Prinsenpark op de grens tussen Retie en Geel vormen een paradijs voor de wandel- en fietstoerist die op zoek is naar rust en stilte. 3.4

Ontsluiting

Helemaal ten noorden en ten zuiden van het werkingsgebied liggen twee autosnelwegen, namelijk de E34 (A21) (Antwerpen – Eindhoven) in het noorden en de E313 (Antwerpen – Luik) in het zuiden. Centraal in het werkingsgebied ligt de gewestweg N18. Deze verbindt de dorpskernen van Retie, Dessel, Mol en Balen. Meerhout wordt onder andere ontsloten door de gewestweg N10 die aansluit op de Zuiderring en gewestweg N103. Doorheen het werkingsgebied van IOED k.ERF lopen ook twee spoorlijnen (fig. 11), namelijk spoorlijn 15 (Antwerpen-Berchem – Mol – Hasselt) en spoorlijn 19 (Mol – Neerpelt). Doorheen de gemeenten Retie, Dessel en Meerhout lopen geen spoorlijnen.

24


Figuur 11 Ontsluiting werkingsgebied IOED k.ERF

Kenmerkend voor het werkingsgebied van IOED k.ERF zijn de verschillende kanalen. In het werkingsgebied komt zelfs een kruising voor van drie kanalen, een unicum in Europa.

Figuur 12 Kruising van de kanalen (Collectie Gemeente Mol)

Het kanaal Dessel-Schoten maakt deel uit van het Kempische kanalennet, dat onder meer tot doel had om de Maas te verbinden met de Schelde. Deze verbinding was al eeuwen een droom van verschillende bewindvoerders. Zo ondernamen Karel V, Napoleon en Willem I pogingen om de 25


verbinding te realiseren. Het was pas na de onafhankelijkheid van België dat die eeuwenoude droom eindelijk werkelijkheid werd, op basis van plannen van ingenieur Ulrich Kümmer. Buiten het Albertkanaal, werden alle kanalen in het werkingsgebied van de IOED k.ERF aangelegd tussen 1843 en 1860. Het Albertkanaal is veel jonger. De eerste spadesteek van dit kanaal vond plaats in 1930. Het Albertkanaal is één van de belangrijkste kanalen van het land. Over de volledige lengte van het kanaal worden jaarlijks meer dan 40 miljoen ton goederen vervoerd. Het kanaal vormt de verbinding tussen de haven van Antwerpen en het industriebekken van Luik. Op de oevers van het kanaal zijn belangrijke industriezones uitgebouwd waar zich de voorbije decennia een bedrijvigheid heeft ontwikkeld. Dit geheel wordt het ENA of Economisch Netwerk Albertkanaal genoemd.

Figuur 13 Kanalen in het werkingsgebied van IOED k.ERF

De kanalen ‘Dessel – Schoten’, ‘Bocholt – Herentals’ en het kanaal van Beverlo kunnen schepen ontvangen van klasse II (tot 600 ton). De twee andere kanalen, het Albertkanaal en het kanaal ‘Dessel – Kwaadmechelen’ kunnen grotere schepen vervoeren, namelijk tot 2000 ton.

26


Ook naar recreatie toe is het werkingsgebied van de IOED k.ERF goed ontsloten. Het wandelnetwerk ‘Kempense landduinen’ bevat 340 kilometer wandelpaden in de gemeenten Meerhout, Balen, Geel (Bel en Winkelomhei) en Mol (Heidehuizen). Het wandelnetwerk ‘Kempense meren’ serveert 270 kilometer wandelplezier in de gemeenten Dessel, Mol en Retie. Naast een uitgebreid wandelnetwerk, is er ook een uitvoerig fietsknooppuntennetwerk ‘Kempen’. Dit netwerk bevat 2000 kilometer aan fietspaden, en het werkingsgebied van IOED k.ERF maakt er integraal deel van uit (fig. 14). Tot slot hebben we nog het ruiter- en mennetwerk ‘Campina’, met 340 kilometer trajecten in Arendonk, Balen, Dessel, Geel, Meerhout en Mol.

Figuur 14 Fietsknooppunten werkingsgebied IOED k.ERF

Naast vaste knooppunten en routes zijn er ook thematische routes, zoals de ‘Vaartketsersroute’ (route langs de kanalen) (fig. 15) en ‘Sporen in het zand – fietsen door de geschiedenis van de Kempense Landduinen’. Een ander voorbeeld is de ‘Monumentenroute’ in Meerhout, een bewegwijzerde lus van 33 kilometer langs de geklasseerde monumenten en niet geklasseerde waardevolle kunstwerken.

27


Figuur 15 Afbeelding brochure 'Vaartketsersroute'

4

Beleidscontext

4.1

Lokaal niveau

Elke gemeente bewaakt voor zich de afstemming op de lokale beleidsplanning. Onroerend erfgoed wordt niet in elke gemeente opgenomen op het strategische niveau. Zo worden in verschillende gemeenten de doelstellingen bewust sectoroverschrijdend opgesteld om de schotten tussen de verschillende administratieve diensten zoveel mogelijk te doorbreken en de leefwereld van de burger zoveel mogelijk te benaderen. Dat neemt niet weg dat in alle gemeentelijke beleidsplannen en meerjarenplannen regelmatig erfgoedaspecten aangehaald worden. Vaak gaat het over het gemeentelijke patrimonium, maar ook over het groene, landelijke karakter van de gemeenten. Hieronder worden de belangrijkste erfgoedaspecten uit deze plannen aangehaald. Meerhout • Strategische doelstelling: Samen leven in Meerhout - Beleidsdoelstelling: Meerhout blijft groen, en zet in op een verdere uitbouw en betere beleving van dit groen en haar landschap door onze inwoners, maar ook door recreanten. Versterken van de biodiversiteit en verdere uitbouw van groenzones (de gemeente zal een visie uitwerken voor het omvormen van de oude begraafplaats in het centrum tot een openbaar park). - Beleidsdoelstelling: We streven naar een efficiÍnte en effectieve werking van de gemeentediensten gericht op een optimale dienstverlening aan onze burgers Omgaan met kunsten en beschermd patrimonium (restauratie klein cultureel erfgoed, behoud van kapelletjes, behoud van het molenpatrimonium, overname Haavense molen).

•

Strategische doelstelling: Meerhout verbindt haar bewoners 28


-

Beleidsdoelstelling: De gemeente ondersteunt haar verenigingsleven op het vlak van infrastructuur door de infrastructuur laagdrempelig aan te bieden, optimaal te bezetten, het goed te beheren en te behouden. Zorg en onderhoud kapel ’t Graf, renovatie pastorij Pastoor van Haechtplein. Strategische doelstelling: We streven naar een efficiënte en effectieve werking van de gemeentediensten gericht op een optimale dienstverlening naar onze burgers - Beleidsdoelstelling: Cultuuraanbod Project rond WO I, investering en restauratie vuurkruisersgraven.

Dessel • Beleidsdoelstelling: We zorgen dat het patrimonium voldoet aan de wensen en eisen van onze belanghebbenden. - Vernieuwen en uitbreiden van verhardingen. - Vernieuwen en uitbreiden van gebouwen. - Vernieuwen en uitbreiden overig patrimonium. Retie •

Retie is een ondernemende en bereikbare woongemeente - ‘Groot groen’ is geïntegreerd in het centrum’ (“Als Lindedorp besteden we extra aandacht aan de toestand van de Lindeboom en proberen we nakomelingen te kweken van dit Retiese symbool. De jonge Lindes kunnen op hun beurt uitgroeien tot beeldbepalende bomen in het vernieuwde centrum”). Retie is een groene en landelijke gemeente waar we duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit als leidraad nemen. - Inwoners en bezoekers genieten van een nette gemeente. De begraafplaatsen zijn goed onderhouden en klaar voor de toekomst (“Daarnaast zullen we de graven op beide begraafplaatsen inventariseren zodat later onderhoud gemakkelijker wordt. Speciale aandacht gaat daarbij naar de grafmonumenten. Een onderhoudsplan voor deze graven maakt een efficiënt beheer mogelijk. De calvarieberg wordt volledig gerestaureerd waarbij gedeeltelijk beroep gedaan wordt op middelen uit het LEADER-project”). Retie is een plezante thuis waar bezoekers hartelijk ontvangen worden. - Historische locaties worden onderhouden en toegankelijk gemaakt. De oude pastorie vormt een vrijetijdsknooppunt voor Retienaren en bezoekers. Het historisch patrimonium is onderhouden en gerenoveerd. - We bewaren en tonen ons erfgoed. Het lokale erfgoedveld wordt ondersteund in haar werking. Onze inwoners zijn ambassadeurs van ons erfgoed.

Balen

Beleidsdoelstelling: De gemeente Balen investeert in cultuur, sport en vrije tijd voor haar burgers.

29


-

Mol •

Actieplan: De gemeente Balen biedt een toeristisch en recreatief aanbod om actief genieten en rust als kernelementen te promoten. De gemeente Balen stemt het toeristisch aanbod af op wat een toerist verwacht en focust op productontwikkeling.

Beleidsdoelstelling: De gemeente Balen spant zich in om haar dienstverlening naar de burgers toe te optimaliseren. - Actieplan: De gemeente Balen onderhoudt en vernieuwt haar gebouwen met het oog op een kwalitatieve dienstverlening en een comfortabele werkplek.

Beleidsdoelstelling: we zetten in op een proper en net Mol waar het goed is om te wonen. - Actieplan: We onderhouden en vernieuwen ons patrimonium en openbaar domein: Een proper en net Mol begint bij goed onderhouden en moderne voorzieningen. Bovendien zetten we in op een optimaal energieverbruik en hebben we voldoende aandacht voor een doordachte mobiliteit. Actie: We onderhouden de gebouwen. Actie: We vernieuwen de gebouwen. Actie: We optimaliseren het energieverbruik van ons patrimonium. Actie: We zetten in op duurzaamheid. Actie: We maken beheersplannen op. - Actieplan: We bewaren, beheren en ontsluiten ons cultureel erfgoed: We beschikken over zeer waardevol cultureel erfgoed dat we op zo kwalitatief mogelijk manier willen bewaren, beheren en voor het brede publiek op een cultuureducatieve manier willen ontsluiten. We dragen dus zorg voor de diverse uitingen van cultureel erfgoed, over het historisch archief tot de kunstcollectie van het Jakob Smitsmuseum. Actie: We bewaren ons cultureel erfgoed. Actie: We ontsluiten ons cultureel erfgoed.

4.2

Regionaal niveau

4.2.1

Provincie Antwerpen

Binnen de provincie Antwerpen is erfgoed aanwezig binnen verschillende provinciale bevoegdheden, zoals ruimtelijke ordening, landschapszorg of gebiedsgericht beleid. De dienst erfgoed van de provincie Antwerpen ondersteunt gebiedsgerichte projecten, impulsprojecten of projecten voor bijzondere doelgroepen om regionaal erfgoed duurzaam te beheren en toegankelijk te maken. Enkele belangrijke initiatieven: • Architectuurarchief: het Architectuurarchief Provincie Antwerpen (APA) is een provinciale archief- en bewaarinstelling. Het APA is specialist in verzamelen, bewaren, ontsluiten en bestuderen van zeer divers materiaal over de Antwerpse bouwgeschiedenis van 1800 tot nu. • Donnet: Donnet is een handig beheersysteem voor erfgoed in de provincie Antwerpen, waarin alle erfgoedhouders de mogelijkheid krijgen om hun collectie te registeren en gedetailleerd te beschrijven.

30


4.2.2

Archeologisch depot: het Archeologisch depot van de provincie Antwerpen is in 2015 door de Vlaamse overheid erkend als ‘onroerenderfgoeddepot’. Dit bovenlokaal depot is één van de pijlers van de bredere behoud- en beheerstrategie voor archeologisch en onroerend erfgoed in de provincie. De website DEPOTWIJZER.be is een ‘digitale depotconsulent’, die met zijn databank honderden tips geeft aan erfgoedmedewerkers om hun erfgoed duurzaam te bewaren. Sinds november 2013 operationeel, is dit een resultaat van de samenwerking met de vier andere Vlaamse provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Erfgoedpublicaties: doorheen verschillende publicaties belicht de provincie Antwerpen het rijke erfgoedpatrimonium en de geschiedenis van de provincie op een aangename en toegankelijke manier. Monumentenwacht: monumentenwacht wil het onderhoud van historisch waardevol erfgoed stimuleren. Door regelmatige inspectie van de bewaringstoestand van het erfgoed en het stimuleren van tijdige ingrepen worden grote herstellingen of restauraties uitgesteld of zelfs overbodig. Beleidskaders voor Europese subsidies

De gemeenten Balen, Dessel, Mol en Retie behoren tot het leader gebied Kempen-Oost. Meerhout is deel van het leader gebied Kempen-Zuid.3 Leader staat voor ‘Liaison entre actions de développement de l'économie rurale’ en betekent dat lokaal en gebiedsgericht een publiek-private samenwerking tot stand komt, die hun eigen lokale ontwikkelingsstrategie (LOS) schrijft. Een Leadergebied krijgt op basis van een goedgekeurde LOS een beperkt budget, om projecten te subsidiëren die mee uitvoering geven aan hun LOS. Elk Leadergebied zet in op drie thema’s, vanuit een agrarische invalshoek. Elk thema werd verder vertaald in een aantal concrete subdoelstellingen. Onderstaande tabel geeft deze thema’s van beide Leadergebieden weer. Leader gebied Kempen Oost

Kempen Zuid

• • • • • •

Thema’s Landbouw- en natuureducatie Streekidentiteit Plattelandsarmoede Agrobiodiversiteit Streekidentiteit Plattelandsarmoede

Tabel 9 Thema's van Leader gebieden waartoe het werkingsgebied van IOED k.ERF behoort

Een gezamenlijk thema binnen deze twee Leader gebieden is ‘streekidentiteit’. Binnen het Leader gebied Kempen Oost, krijgt het erfgoed een belangrijke rol binnen het thema streekidentiteit. Binnen de ontwikkelingsstrategie van Kempen Oost wordt o.a. het volgende over erfgoed verteld: ‘De Antwerpse Kempen kent heel wat cultuurhistorisch (onroerend) erfgoed: kastelen, abdijen, begijnhoven, kapelletjes, kolonies, steenbakkerijen, molens… . Kleine stadjes en dorpen bewaren vaak heel wat historische elementen. We zoeken naar de beste manier van toegankelijkheid. 3

http://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dwep/dlp/plattelandsbeleid/leader.html 31


Bovendien zoeken we naar een manier om het Unesco-label van erfgoedsites toeristisch te valideren’.4 Binnen het thema ‘streekidentiteit’ van het Leader gebied Kempen Zuid komt erfgoed niet expliciet naar boven. Het derde Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO III), goedgekeurd op 13 februari 2016 door de Europese Commissie, zet in op vier strategische thema’s: • Jonge landbouwers en de toekomst van de Vlaamse landbouwsector. • Innovatie en opleiding • Het verhogen van de weerbaarheid en verduurzaming van de landbouwsector, zowel economisch als ecologisch. • Het versterken van de vitaliteit van het platteland door een kwalitatieve inbedding van de sterk evoluerende Vlaamse landbouwsector. De provincie Antwerpen heeft in het kader van PDPO III het Provinciaal PlattelandsOntwikkelingsPlan (PPOP) opgesteld. Dit plan schetst het inhoudelijke en administratieve kader voor de uitvoering van PDPO III in de provincie Antwerpen. Binnen dit plan komt het thema erfgoed meermaals aan bod. 4.3

Vlaams, federaal en internationaal niveau

Hieronder volgt een kort overzicht van de relevante (Vlaamse) regelgeving. •

Vlaams Onroerend Erfgoeddecreet: wordt bepaald door Europese, federale en Vlaamse regelgeving, en incorporeert onder andere de bepalingen uit de Conventies van Granada, Valetta en Firenze. Op 1 januari 2015 trad het nieuwe Onroerend Erfgoeddecreet in werking. Vlaams Natuurdecreet: sinds de wijziging in 2014 wordt de wetgeving rond natuur- en bosgebieden gecombineerd, alsook het beleid rond Europees beschermde doelsoorten en habitats in uitvoering gebracht. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: bepaalt dat het ruimtelijk beleid relatief autonoom op zowel gewestelijk, provinciaal als gemeentelijk niveau uitgevoerd kan worden; wordt ondersteund door een groot aantal verordeningen, richtlijnen en decreetsverfijningen. Belangrijkste documenten en instrumenten zijn: Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, beleidsplan Ruimte Vlaanderen 2014 – 2019, en de Vlaamse Gewestelijke Ruimtelijke Uitvoeringsplannen. Richtlijnen van de Vlaamse bisschoppen voor het gebruik van de parochiekerken, 8 november 2012.

4

http://www.leaderprovincieantwerpen.be/sites/default/files/Lokale%20ontwikkelingsstrategie%20Leader_Ke mpen_Oost.pdf 32


5

Het gemeenschappelijk erfgoedpakket

5.1

Integratie van erfgoed

Erfgoed kan niet strikt onderverdeeld worden in het bouwkundig, archeologisch en landschappelijk erfgoed. Er bestaat telkens een grote verwevenheid tussen deze verschillende takken onroerend erfgoed. Bij het uitwerken van projecten en acties rond onroerend erfgoed is het belangrijk om rekening te houden met al deze aspecten. Het werkingsgebied is bijzonder rijk aan erfgoedelementen. Deze erfgoedelementen worden opgelijst in de Inventaris Onroerend Erfgoed en de Centraal Archeologische Inventaris. Hierbij moet gezegd worden dat er buiten deze lijst ook nog onroerend erfgoedelementen aanwezig zijn in de gemeente die niet geïnventariseerd zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld in Retie 37 kapelletjes aanwezig (“Kapelletjesroute”, VVV Retie), terwijl de inventaris onroerend erfgoed spreekt over maar 14 kapellen. In een eerste deel van dit hoofdstuk wordt er een overzicht gegeven van het aantal erfgoedelementen binnen het bouwkundig, archeologisch en landschappelijk erfgoed (cijfers, tabellen en figuren). Hieruit worden verder in de tekst thema’s gedistilleerd en uitgewerkt (5.2). 5.1.1

Bouwkundig erfgoed

Onderstaande tabel geeft het aantal bouwkundige erfgoedelementen weer in de verschillende gemeenten van het werkingsgebied.5 Er wordt een onderscheid gemaakt tussen beschermd, vastgesteld en niet beschermd, noch vastgesteld. In totaal gaat het om 594 vastgestelde items, waarvan 82 effectief beschermd zijn. Daarnaast zijn er over de gemeenten heen ook nog 272 niet beschermde, noch vastgestelde items uit de inventaris onroerend erfgoed. Gemeente Balen Dessel Meerhout Mol Retie Totaal

Beschermd 15 6 17 36 8 82

Vastgesteld 110 53 78 234 119 594

Niet beschermd, niet vastgesteld 49 42 40 78 63 272

Tabel 10 Bouwkundig erfgoed uit inventaris onroerend erfgoed (05/12/2016)

Gemiddeld 13,8 % van de vastgestelde objecten zijn ook beschermd (tabel 11).

5

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ 33


Gemeente Balen Dessel Meerhout Mol Retie Totaal

Beschermd 15 6 17 36 8 82

Vastgesteld 110 53 78 234 119 594

% Beschermd 13,64 11,32 21,79 15,38 6,72 13,80

Tabel 11 Beschermd en vastgesteld bouwkundig erfgoed uit inventaris onroerend erfgoed

5.1.2

Archeologisch erfgoed

In totaal zijn er in het werkingsgebied 355 archeologische ‘vondsten’ beschreven, verspreid over de verschillende gemeenten.6 Onderstaande tabel toont per gemeente, periode en categorie het aantal archeologische vondsten. In deze tabel valt op dat er in vier van de vijf gemeenten ‘Celtic fields’ worden teruggevonden 34 in totaal. Een Celtic field is een kleine, min of meer vierkante of rechthoekige aaneensluitende akker zoals die vanaf de late Bronstijd tot in de Romeinse tijd als landbouwsysteem werd gebruikt voor de verbouw van primitieve graansoorten als emmertarwe en spelt.7 Enkel in Meerhout zijn er geen ‘Celtic fields’. Daarnaast zijn schansen ook een constante in de vondsten uit de ‘Nieuwe tijd’ (zowel 16e, 17e als 18e eeuw). Uit de Romeinse tijd zijn maar weinig archeologische vondsten bewaard, behalve grafheuvels. Verder in de tekst (5.2 Thematische aanpak), worden deze archeologische elementen verder in detail besproken.

Steentijd

Bronstijd

Ijzertijd

Metaaltijden onbepaald

6 7

Lithisch materiaal Onbepaald Grafheuvel Aardewerk Bewoning, nederzetting Celtic fields Grafheuvel Vlakgraf Metaal Bewoning Aardewerk Bewoning, nederzetting Bewoning, spieker Glas Metaal Structuur onbepaald Gebouw plattegrond Onbepaald Aardewerk Vlakgraf Grafheuvel

Balen 14

Dessel 3

Meerhout 36 1

Mol 18

Retie 12

1 1

1 1 14

8

5 2 2 1

2 2

7

1 1 2 1 1 1

2 2

4

1

1 1

1 1 2 1 1

2

https://cai.onroerenderfgoed.be/ (02/12/2016) https://nl.wikipedia.org/wiki/Raatakker 34


Romeinse tijd

Middeleeuwen

Nieuwe tijd 16e, 17e, 18e, 19e eeuw

Onbepaald

Structuur onbepaald Grafheuvel Munten Villa Vlakgraf Waterput Bouwmateriaal Bewoning onbepaald Aardewerk Metaal Afvalput/beerput Aardewerk Bewoning onbepaald Bewoning - nederzetting Kapel Kerk, kapel Kerk Molen Onbepaald Openbare gebouwen Pastorij Metaal Huis Klooster Hoeve Waterput Bewoning onbepaald Bouwmateriaal Brouwerij Aardewerk Huis Hoeve Kapel

2 1

1

1 4

3

Molen Muntschat Pastorij Schans Openbare gebouwen Versterkt kasteel Kerk Klooster Metaal Voertuigen (20e eeuw, WO) Site met walgracht Gebouw plattegrond

2

2

1 1 1

1 1

1 1

3 1

1

1

1

1 2

2 1 1

1

1 4 2 2 1 2 1 5

1 1

1 4 1 1 2 2 1

1

1 1

1 1 1 1 1

1 1 1 2

2 16

5

3 4 1 1

7

3 3 9 3 1 12 2

3 1 4 1 1 6 1 1 1

1 1 2 1 1

2

35


Brouwerij Losse vondst, materiaal Onbepaald Vlakgraf Organisch materiaal Schans Metaal Brug TOTAAL

1 1 1 1

4

3

1 1 2 1 86

27

93

97

52

Tabel 12 Cijfers uit CAI (Centraal Archologische Inventaris), 02/12/2016

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de tot nu toe geïnventariseerde archeologische elementen/vondsten/zones. Niet alle archeologisch interessante zones zijn reeds (ten volle) onderzocht. Een voorbeeld van een archeologisch interessante site is het ‘Laathof van Scheps uit de 8e eeuw’. In 1971 is hier een magnetische prospectie geweest onder leiding van Professor Hus. 5.1.3

Landschappelijk erfgoed

Een landschap is een complex geheel dat bestaat uit zowel cultuur- als natuurelementen. Het werkingsgebied van IOED k.ERF strekt zicht uit over zes traditionele landschappen (fig. 16). De opdeling van de traditionele landschappen in Vlaanderen probeert de regionale verscheidenheid van de historisch gegroeide cultuurlandschappen op kaart voor te stellen in hun situatie van voor de grote veranderingen. De eerste indeling, opgemaakt in 1985, werd verder verfijnd in 1989 en 1993. De referentiedatum tussen traditioneel en modern lag bij de eerste indeling op het einde van de 18e eeuw (zoals weergegeven door Ferraris in ca. 1775), maar werd voor de latere indelingen verschoven naar het Interbellum.8 De indeling steunt zowel op fysisch-geografische kenmerken (reliëf, bodemgesteldheid), als op de verspreiding van de bossen, op cultuur-landschappelijke componenten (bewoningsvorm, -patroon en -dichtheid, percelering, landgebruik) en esthetische kenmerken (openheid, afwisseling,...). De stedelijke woongebieden worden in een afzonderlijke 'maskerende' laag op de kaart aangeduid. Ze vormen vaak nieuwe landschappen die er de oorzaak van zijn dat de traditionele landschappen verkleinen of verdwijnen. Meer informatie over de traditionele landschappen die deel uitmaken van het werkingsgebied van de IOED k.ERF is als bijlage 2 bij dit dossier opgenomen.

8

Antrop M. & Van Damme S. 1995. Landschapszorg in Vlaanderen: onderzoek naar criteria en wenselijkheiden voor een ruimtelijk beleid met betrekking tot cultuurhistorische en esthetische waarden van de landschappen in Vlaanderen. Universiteit Gent, Vakgroep Geografie. 116 pp. 36


Figuur 16 Traditionele landschappen in het werkingsgebied van IOED k.ERF

Naast de traditionele landschappen geeft ook de landschapsatlas veel informatie over het Vlaamse landschap vanuit cultuurhistorisch onderzoek. Uitgangspunt is dat niet alleen de landschapselementen het landschap bepalen, maar ook hun onderlinge historische en ruimtelijke relaties. De landschapsatlas is een inventaris van de vlakvormige, lijnvormige en puntvormige relicten van de traditionele landschappen aan het begin van de 21ste eeuw. De nadruk ligt op de landschapskenmerken van bovenlokaal belang met erfgoedwaarde. Waarden als samenhang, gaafheid en herkenbaarheid werden in rekening gebracht. Bij de vlakvormige relicten werden relictzones en ankerplaatsen afgebakend. Relictzones werden afgebakend waar waardevolle landschapselementen voorkomen in relatief gave, herkenbare onderlinge samenhang. Het zijn gebieden met een grote dichtheid aan punt- en lijnrelicten, zichten en ankerplaatsen en zones waarin de samenhang tussen de waardevolle landschapselementen belangrijk is voor de gehele landschappelijke waardering. Ankerplaatsen zijn de meest landschappelijk waardevolle gebieden in Vlaanderen. Ze zijn binnen de relictzones uitzonderlijk inzake gaafheid of representativiteit, nemen ruimtelijk een plaats in die belangrijk is voor de zorg of het herstel van de landschappelijke omgeving of zijn uniek.

37


Onderstaande kaart toont de ankerplaatsen in het werkingsgebied van IOED k.ERF. Er zijn acht ankerplaatsen gelegen in het werkingsgebied, waarvan de ankerplaats ‘Priorij van Corsendonk en de Tikkebroeken’ helemaal op de grens ligt van Retie en Oud-Turnhout. In bijlage 3 worden deze ankerplaatsen beschreven.

Figuur 17 Ankerplaatsen in IOED k.ERF

Onderstaande figuur en tabel toont de relictzones in het werkingsgebied van de IOED k.ERF. In totaal tellen we zeventien relictzones in het werkingsgebied. Zes van deze relictzones liggen voor meer dan 90% van hun oppervlakte in het werkingsgebied van IOED k.ERF. Twee van deze relictzones, namelijk Kamp van Berverlo en Kattenbos grenzen slechts aan het werkingsgebied van IOED k.ERF.

38


Figuur 18 Relictzones in het werkingsgebied van IOED k.ERF

Totale opp. van de relictzone (ha)

Oppervlakte Binnen IOED k.ERF Opp. in % van IOED totale k.ERF opp. relictzone

ArbeiderscitĂŠ Wezel Bos- en akkercomplex Bel, Hulsen en Heidehuizen Bos- en akkercomplex Meerhout - Olmen en rug Eindhout - Zittaart

195,27 1785,06

195,24 1163,45

99,98 65,18

% van totale opp. relictzones in k.ERF 1,07 6,38

1350,47

1037,21

76,80

5,69

4

Bos- en akkercomplex Postel, Ronde Put, Zeven Heerlijkheden

5948,66

5689,83

95,65

31,19

5

Bos- en duingebied Millegem, Ginderbuiten, Gompel, Wezel en Gerheide

948,02

945,22

99,70

5,18

6

Interfluviaal bosgebied Looieindse Bergen, Beverdonkheide en Hoeven-Straaleind

115,82

182,62

157,68

1,00

7 8

Kamp van Beverlo Kattenbos

4452,9 464,74

0,07 0,11

0,00 0,02

0,00 0,00

Nr

1 2 3

Naam relictzone

39


9

10 11 12 13 14 15 16 17

Ontginningsblok Kievitheide, Hooibeekheide, Steenheide en Stoktse Heide Schoorheide Vallei van de Grote Nete Vallei van de Kleine en Grote Laak Vallei van de Kleine Nete Vallei van de Molse en Scheppeleikse Nete Vallei van de Wamp Vallei van de Zwart, Witte en Desselse Nete Zandwinningsgebied Miramar - De Maat en akkergebied Stokt, Achterbos en Sluis

Totaal

1922,72

1308,80

68,07

7,18

576,04 5423,28 2992,23 2999,97 1263,18 459,12 1062,23

571,76 1983,90 405,93 127,93 937,81 135,56 1006,18

99,26 36,58 13,57 4,26 74,24 29,53 94,72

3,13 10,88 2,23 0,70 5,14 0,74 5,52

2561,27

2548,77

99,51

13,97

34520,98

18240,39

1114,77

100

Tabel 13 Cijfers inzake de relictzones in het werkingsgebied van IOED k.ERF

Het werkingsgebied van IOED telt achttien lijnrelicten (tabel 14, figuur 19). Vijftien van deze achttien lijnrelicten hebben te maken met water (kanalen en de verschillende Netes in het gebied). Nr Naam 1 Afwateringskanaal van Arendonk 2 Albertkanaal Bunkerlinie Noord-Kempische Kanalen (Kanaal Bocholt 3 Herentals) 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

Bunkerlinie Noord-Kempische Kanalen (Kanaal DesselSchoten) Desselse Nete Grote Nete Kanaal Beverlo Kanaal Bocholt - Herentals Kanaal Dessel - Kwaadmechelen Kanaal Zeven Heerlijkheden Kleine Nete Molse Nete Oude landweg Oude landweg Balen-Schom - Hechtel Scheppeleikse Nete Staatplein Rosselaar Witte Nete Zwarte Nete

Lengte in IOED k.ERF (m) 9718 5178 3222 7439 6366 17027 13958 12752 21667 3192 3892 9604 11 4904 4301 477 7264 5506

Tabel 14 Lijnrelicten in het werkingsgebied van IOED k.ERF

40


Figuur 19 Lijnrelicten in het werkingsgebied van IOED k.ERF

In het werkingsgebied van de IOED k.ERF tellen we 74 puntrelicten. Onderstaande kaart toont deze puntrelicten. In tabel 15 worden deze puntrelicten opgelijst.

Figuur 20 Puntrelicten IOED k.ERF

41


Nr 1 2 3 4 5 6 7 8

Puntrelict St.-Niklaaskapel Oversteense Hoeve O.L.V. kerk Gestel St.-Bavokerk en molen Zittaart Liefkenshoeve Kapel van de Engstraat Prinsenhoeve Pannenhoeve

Gemeente Meerhout Meerhout Meerhout Meerhout Meerhout Meerhout Meerhout Balen

Nr 38 39 40 41 42 43 44 45

Puntrelict

10 Kasteel De Roye 11 Kapel O.L.V. Onbevlekt Dorpskern Meerhout met kerk, 12 Drossaerthuis e.a.

Meerhout Balen

Schans St.-Janskerk St.-Jan-de-Doperkapel Kerkhof uit Franse tijd Voormalige pastorie Oude watermolen Huis het Rond St.-Odradakerk Hoeve Boerenbril en kasteel Van 46 der Gracht de Rommerswael 47 Kerk van O.L.V. Onbevlekt 48 Calvarieberg

Meerhout

49 St.-Jozefskerk

13 Boskapel St.-Willibrordus

Balen

14 Watermolen

Meerhout

15 Grote Hoeve

Meerhout

16 St.-Elisabethkapel

Balen

9 Prinskensmolen

17 18 19 20 21

Poortersgebouw en brug van pastorie St.-Willibrorduskerk op enkelvoudig dorpsplein Olmen Straalmolen Veldkruis De Hutten St.-Hubertuskerk

Meerhout

Driehoekig plein Ginderbuiten en kerk St.-Jozef Ambachtsman Lindeboom Achterbos en St.51 Apolloniakerk Schildersatelier Jacob Smits en 52 Malvinahof Dorpskern Sluis met dubbelplein, 53 kerk en museum 50

Gemeente Mol Balen Balen Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol

Balen

54 Middeleeuwse witte kei op sokkel

Balen

Balen

55 Witte Kei of Bankei

Mol

Balen Meerhout Balen

Mol Mol Dessel

Mol

22 Kerk O.L.V. van Lourdes

Balen

23 Hoolstmolen 24 Kapel St.-Odrada 25 Topmolen Kapel van de Heilige Thomas van 26 Kantelberg

Balen Balen Balen

56 St.-Antoniuskerk 57 St.-Carolus-Borromeuskerk 58 Hoeve De Boeretang Dorpskern Dessel met pastorie, 59 pomp, kerk, gemeentehuis e.a. 60 Kerk van de Heilige Familie 61 Watermolen 62 Kei der zeven heerlijkheden

Balen

63 Kei der Zeven Heerlijkheden

27 Pannenhuis

Balen

28 St.-Luciakapel 29 O.L.V. van Bijstandkerk 30 Kasteel De Most Oud gemeentehuis, Vaartstraat 31 Balen St.-Andreaskerk op markplein 32 Balen 33 Grenspaal

Dessel Dessel Retie Mol

Balen Balen Balen

Heidekapel of kapel van het Heilig Kruis 65 Kapel O.L.V. ter Sneeuw 66 Twee gietijzeren grenspalen 67 St.-Pieterskapel

Retie Mol Retie

Balen

68 Kasteel Dufour of Levenslust

Retie

Balen Mol

64

Dorpskern Retie met pastorie, kerk, gemeentehuis en herberg 70 Kleine Bremdhoeve 69

Dessel

Retie Retie 42


Stenen windmolen en hoeve Ezaart 35 Hoeve Peeters (Rosselaar)* 36 St.-Willibrorduskerk Kapel van de H.H. Willibrordus en 37 Marculphus

34

Mol

71 Heerser molen

Retie

Balen Mol

72 Kasteel van Postel 73 St.-Jobskerk Schoonbroek

Mol Retie

Mol

74 Abdij van Postel

Mol

Tabel 15 Puntrelicten werkingsgebied IOED k.ERF * Deze hoeve is grotendeels verdwenen. Er staat nog enkel 1 klein stukje muur (het gebied is nog steeds beschermd)

Ook op onderstaande figuur worden puntrelicten weergegeven, maar enkel die opgenomen zijn in de provinciale landschapskaart. De provinciale landschapskaart is een digitale kaart die toont welke elementen het landschap van de provincie Antwerpen vorm geven. Dit zijn niet alle 74 puntrelicten, uit bovenstaande tabel, maar ze worden wel per categorie weergegeven.

Figuur 21 Puntrelicten op de provinciale landschapskaart

Naast traditionele landschappen, ankerplaatsen en relictzones (punten en lijnen) telt het werkingsgebied van de IOED k.ERF ook nog zeventien beschermde landschappen. Voor de beschermde landschappen in Vlaanderen gelden algemene beschermingsvoorschriften, voornamelijk betreffende het onderhoud en de instandhouding. De totale oppervlakte van deze zeventien beschermde landschappen bedraagt 965 ha.

43


Figuur 22 Beschermde landschappen in het werkingsgebied van IOED k.ERF

Nr 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Naam Bossen en plassen van Den Diel met sluis 3 Buitengoor - Meergoor De Ronde Put en omgeving Etagelinde op dorpsplein Retie Grote Hoeve en omgeving Het Goor Hoeve De Boeretang met omwalling en omgeving Kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw met omgeving Laagveengebied Landschap van Bel Malesbroek - Scherpenbergen Parochiekerk Sint-Trudo: kerkhof Pastorie Sint-Willibrordusparochie met poortgebouw en omgeving Sint-Luciakapel met omgeving Sint-Pieterskapel met omgeving Watermolen met omgeving Windmolen De Heerser: omgeving Totaal

Gemeente Mol Mol Mol, Retie Retie Meerhout Dessel Dessel Retie Mol Meerhout Meerhout Meerhout Balen Balen Retie Retie Retie

Oppervlakte (ha) 141,16 73,46 208,39 0,02 10,36 84,18 1,07 0,17 74,28 0,40 360,90 0,70 0,59 0,22 4,39 4,24 964,54

Tabel 16 Beschermde landschappen van het werkingsgebied IOED k.ERF 44


5.2

Thematische aanpak

De analyse van bovenstaande cijfers, tabellen en figuren (en het participatieproces in het kader van de opmaak van dit aanvraagdossiers, zie verder 6.2) heeft geleid tot de keuze van enkele thema’s waarrond binnen de IOED gewerkt zal worden. Deze thema’s zijn: • • • •

Het ontginningslandschap – ‘Van de Abdij over Kümmer tot Sibelco’ Het waterlandschap – ‘Over beken, kanalen, wateringen en molens’ Het religieus en funerair landschap – ‘Van veldkapel tot herbestemming’ Het agrarisch landschap – ‘Van Celtic fields tot de langgevelhoeve’

Naast bovenstaande inhoudelijke thema’s zal er ook een technisch thema uitgewerkt worden. Dit technisch thema zal gaan over hoe de IOED zijn advisering naar gemeenten en private eigenaars over het patrimonium zal opbouwen en uitwerken en welke rol een IOED kan spelen bij de opmaak van gemeentelijke plannen. 5.2.1

Ontginningslandschap

Uiteraard zijn ontginningen niet uniek voor deze regio. Maar de hoeveelheid ontginningen en de diepgaande impact op het landschap zorgen voor een veelheid aan erfgoed, die wel uniek is. Eigenlijk begint het al bij iets wat zeker niet bedoeld was als doordachte ontginning: de Celtic Fields. Van deze akkersystemen uit de bronstijd zijn er niet minder dan 34 vindplaatsen in de regio. Dat wijst zonder meer op een belangrijke bewoningsgeschiedenis bij het begin van de landbouw. Maar de eerste grote ontginningsbeweging vinden we uiteraard met de komst van de abdij van Postel. De abdijen van Averbode en Tongerlo waren eveneens actief in deze regio. Ze bezaten op diverse plaatsen gronden met een boerderij (en/of molen). De komst van de Postelse abdij had echter een grotere impact op het landschap in deze regio.

Figuur 23 Kabinetskaart van Graaf de Ferraris, het bezit van de abdij van Postel ligt binnen de bruinen lijnen 45


Rond 1138 worden gronden op een verkeersknooppunt beschikbaar gesteld aan de abdij van Floreffe met als doel een hoeveklooster op te richten. In 1140 is dat een feit. De focus blijft eeuwenlang dezelfde: een zelfbedruipende en gesloten religieuze gemeenschap, die leeft van wat zij zelf produceert. Voor de eerste helft van de 16e eeuw is er een nauwkeurige beschrijving van wat en hoe. Er leven 160 mensen in en met de abdij9, al worden de inkomsten behoorlijk aangevuld met de opbrengsten van vele andere bezittingen en tiendenbelastingen, onder meer in Hulsel.10 De Franse Revolutie en de daarop volgende bezetting van de regio door de Fransen zorgt voor de sluiting en onteigening van de abdij en haar bezittingen. De verkoop van 1797 geeft een goed beeld van de omvang (behalve de bezittingen verder weg) van de abdij. Het geheel is 4.445 hectare groot, waarbij de heide goed is voor 3.275 hectare11. Daartegenover staan 272 hectare akker (een klassieke verhouding), maar ook een grote hoeveelheid turfwinningen.12

Figuur 24 Turfstekers te Postel (collectie gemeentearchief Mol)

Die verkoop heeft belangrijke gevolgen voor het gebied met een ander soort grootschalige ontginning. De eigendom van Postel komt in handen van een zekere P. de Meulenaer. In 1834 stelt hij de volledige eigendom terug te koop. De Norbertijnen konden het niet terug kopen wegens te weinig kapitaal. Na een paar mislukte pogingen tot verkoop kwam de eigendom uiteindelijk in handen van een maatschappij waarin mevrouw le Candèle de Ghyseghem een grote aandeelhoudster was. In 1847 schenkt de maatschappij 110 ha, inclusief de abdijgebouwen terug aan de Norbertijnen. De Maatschappij deelde het meer dan 4.000 ha groot domein op in drie delen. Twee delen bleven in handen van de Maatschappij waarin le Candèle heel wat belangen had, en een derde deel werd terug eigendom van de Meulenaer. Hij verkocht dit stuk door aan de graaf van Vlaanderen in 1857. Dit stuk is beter gekend als de Koninklijke Schenking, dat nu in handen is van het

9

Luyckx B. 1947. Postel Welvaarts T.I. 1878, Geschiedenis van de Abdij van Postel naar hare eigene archieven 11 Cijfers uit “Statuts de la societé de défrichement de la Campine – constater la valeur de domain de Postel, 1847” 12 Lefevere A. 2016. Postel, Rauw, Stevensvennen: het verhaal van een landschap. Molse tijdingen 2016.24, pag. 100 – 117 10

46


Agentschap voor Natuur en Bos. De delen van le Candèle de Ghysegem komen door huwelijk in handen van de Broqueville. Antoon van Eetvelde wordt als regisseur aangesteld voor de ontginning van de gronden van de Maatschappij. Deze ontginning betreft: bosbouw, turfontginning, jacht en landbouw door o.a. de aanleg van wateringen. De hierboven beschreven consolidatie van grote oppervlaktes grond bij een beperkt aantal eigenaars en hun systematisch gebruik (let op de bosindeling op onderstaande kaart) van de gronden heeft gezorgd voor het actuele landschap: een dominantie van bossen, aangevuld met heide en landbouwgrond.

Figuur 25 Kaart ICM 1897, toestand terrein 1887

Maar ook een deel van het bouwkundig erfgoed gaat terug op deze periode. Zo is er het jachthuis van de Graaf van Vlaanderen, de Postelse Hofstede uit 1858 (CAI 52885), maar ook het kasteel van de familie de Broqueville uit 1861 (CAI 52883). In 1847 vaardigt België de Wet betreffende de Ontginning van de Woeste gronden uit en één jaar later is er de Wet betreffende de Irrigatie. Die vormen samen de basis voor het kanalennetwerk in de regio. Daarbij wordt bij toeval in Lommel, Mol en Dessel zeer zuiver, wit zand gevonden. De basis voor wat vandaag Sibelco is, wordt gelegd (1870 – 1872). Het is Antoon van Eetvelde die in 1872 de maatschappij SCR (Sablières et carrières Reunnies, het latere Sibelco) opricht. De maatschappij SCR is voor 3/8 in handen van Antoon van Eetvelde en voor 5/8 in handen van de bank Crédit Général Liégois. De zoon van Antoon van Eetvelde, Edmond van Eetvelde, komt door middel van huwelijk, in bezit van de eigendom van Stevensvennen. In 1892 verkoopt hij deze eigendom aan Stanislas Emsens, die de ontginning verder zet, maar eveneens een industrieel complex opstart bestaande uit zandontginning13, houtzagerij, steenbakkerij, landbouwstokerij en een glasfabriek.

13

Sibelco. 2014. Bouwen op zand. Geschiedenis van Sibelco en haar mineralen 47


Figuur 26 De Zandwinningsplassen van Sibelco in Dessel, Mol en Lommel

Deze ontginningen en zijn investeerders hebben ook voor heel wat bouwkundig erfgoed gezorgd. Een voorbeeld hiervan is het ‘Landhuis de Schans’ in Dessel, tot ca. 1908 het zomerverblijf van baron E. Van Eetvelde (fig. 27).

Figuur 27 Landhuis De Schans, Dessel (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/75560)

De kanalen brengen echter nog meer ontginningen. Ze waren immers in de eerste plaats bedoeld voor de verbetering van de landbouw via de aanvoer van kalkrijk water van de Maas en transport van mest uit de steden. Op de Maat, Rauw en Stevensvennen wordt onder impuls van Ir. Kümmer werk gemaakt van de aanleg van wateringen op de gronden van de gemeente. Deze gronden (klaargemaakt voor bevloeiing) worden verkocht aan diverse investeerders. Het beheer van de wateringen wordt ook grotendeels in handen gegeven van Antoon van Eetvelde. Voorbeelden van deze wateringen zijn ‘Den Diel’ met de bijhorende taploop ‘Postelkanaaltje’ (IOE 300113) en de grote watering op de Maat (IOE 52892).

48


Figuur 28 Uitsnede topografische kaart 1934 (gele cirkel: watering De Maat)

Een andere ontginning uit dezelfde tijd en eveneens het gevolg van toevalsvondsten door de aanleg van de kanalen is het winnen van spriet (een lokale naam voor bruinkool). Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het belang van spriet ingezien, als goedkope brandstof. In het begin gebeurde de ontginning ervan vooral door de lokale bewoners. Nadat de gemeente Mol eigenaar was geworden van de Maat, waar de sprietvelden zich bevinden, heeft de gemeente Mol deze sprietvelden in concessies gegoten en verpacht. De sprietontginning is stilgelegd kort na de Tweede Wereldoorlog. Een duidelijk spoor van deze sprietvelden is te vinden in Den Diel (IOE 300113).

Figuur 29 Links: Rauwse sprietstekers (Collectie Alex Lefevere) / Rechts: IndustriĂŤle sprietwinning (Collectie Alex Lefevere)

De ontginningsijver gaat door in de 20e eeuw, ook in de landbouw. Een goed voorbeeld is de Malou in Balen, waar tussen 1933 en 1953 een stuk heide ontgonnen werd en waar op een systematische wijze gewerkt werd aan zeventien modelboerderijen en opnieuw opgebouwd op een systeem van taplopen.

49


En nog stopt het niet: rond 1950 wordt in Mol en Dessel gewerkt aan de ontwikkeling van de nucleaire industrie met een heel complex van bedrijven, maar ook bewoningskernen en bijhorende infrastructuur. Momenteel zijn noch de Malou, noch de nucleaire site beschermd om hun erfgoedwaarden. Er kan gerust geconcludeerd worden dat de ontginningsgeschiedenis van de regio zonder meer indrukwekkend geweest is. Daarbij zijn er twee centrale elementen: de abdij van Postel en de gevolgen van de Franse bezetting van het einde van de 18e eeuw enerzijds en anderzijds de zeer sterke invloed van de kanalen in de 19e eeuw. Overal in het werkingsgebied zijn de gevolgen ervan te zien. Enkel Meerhout valt wat uit de boot. 5.2.2

Het waterlandschap

Onderstaand beeld zegt genoeg: wellicht hĂŠt kernkenmerk van het werkingsgebied is water. Wie beter toekijkt, ziet water van twee types en twee tijdslagen.

Figuur 30 Het waterlandschap van IOED k.ERF

Een eerste opvallend gegeven is de grote dichtheid aan beken. In het noorden (Mol Postel, Retie en Dessel) vindt men de bovenlopen van de Kleine Nete (Retie wordt het dorp van de zeven Neten genoemd) waarvan alle bronnen in het werkingsgebied liggen. In het zuiden vinden we de bovenlopen van de Grote Nete (met extra vermeld de Molse Nete) waarvan de bronnen meestal net ten oosten in Limburg liggen. 50


Figuur 31 Grote Nete, Meerhout (Collectie erfgoedcel k.ERF)

Dat dichte netwerk aan beken heeft een zeer belangrijke impact gehad op de ontwikkeling van de streek. Water en de alluviale bodems daarbij waren immers cruciaal voor de hooiproductie in de heide – landbouweconomie. De omvang van die hooiproductie bepaalde de omvang van de kuddes, die in de winter gevoed konden worden. Langs diverse beken zijn sporen van vroegere bevloeiingsystemen te vinden, die voor een hogere grasproductie moesten zorgen. Daarnaast bood dat water ook ruimte aan molens. Deze eerste ‘laag’ water heeft heel wat landschappelijk en bouwkundig erfgoed. Het werkingsgebied van de IOED k.ERF bevat heel wat ankerplaatsen waarin vroegere bevloeiingssystemen aanwezig zijn. Een voorbeeld hiervan is de ankerplaats ‘De Grote Nete en het paraboolduincomplex tussen Meerhout en Geel’. In de bespreking van deze ankerplaats wordt onder andere het volgende beschreven.14 ‘De strook alluviale gronden langs de beken werd gebruikt als hooi- en grasland. Zo liggen langs de Grote en Molse Nete uitgestrekte broeken, onder andere Malesbroek en Belsbroek. Ter ontwatering van deze grond werden waterlopen aangelegd zoals de Scherpenbergenloop (fig. 32). Deze waterloop kon overtollig water afvoeren, maar werd ook gebruik voor de afvoer van het hooi. De waterlopen overstroomden in de winterperiode. Op de Ferrariskaart zijn de broekpercelen veelal blokvormig en omhaagd, maar er zijn ook nog verschillende aaneengesloten stukken zonder afsluitingen. In het gebied, ten westen van het gehucht Gebergte (Meerhout), zijn ook graslanden gelegen die niet gelinkt zijn aan een waterloop, waarschijnlijk gaat het om een reeds ontgonnen nat heidegebied. De belangrijkste functie van de broeken was de hooiproductie. Indien de gronden droog genoeg waren, werden ze na het maaien begraasd. Hooi- en graslanden waren soms ook in beheer als gemene grond.’

14

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300181 51


Figuur 32 Scherpenbergenloop, Meerhout (De Haan, Aukje, https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300181/beelden)

01-06-2012,

©Vlaamse

Gemeenschap,

Figuur 33 Ferrariskaart Scherpenbergenloop, Meerhout

Andere voorbeelden waar nog sporen zijn van wateringen, of waar deze wateringen nog duidelijk zichtbaar zijn, zijn onder andere ‘Den Diel’ (Mol), De Maat (Mol), De Bleke (Mol), Buitengoor – Sluisgoor (Mol, Dessel), De ronde put en omgeving (Mol, Retie), De Rammelaars (Balen, Meerhout), en De Most (Balen). Kenmerkend voor het gebied zijn ook de watermolens, een logisch gevolg van het ‘rijke’ waterlandschap. De inventaris onroerend erfgoed spreekt over zes watermolens, waarvan drie in Balen en telkens één in Meerhout, Mol en Retie. Op de provinciale landschapskaart (provincie Antwerpen) staan maar liefst negen watermolens (fig. 34). Hieronder worden de zes watermolens uit de inventaris onroerend erfgoed kort besproken. 52


Gemeente Balen

Molen Hoolstmolen

Balen

Straalmolen

Balen

Topmolen en molenaarswoning

Meerhout

Watermolen op de Grote Nete

Mol

Watermolen, Mol

Korte beschrijving Zogenaamde "Hoolstmolen", watermolen van het onderslagtype gelegen op de Grote Nete, nabij de grens met Olmen. De oudste officiële vermelding dateert van ca. 1289. Mogelijk bestond de molen reeds in 1223. Hoewel de geschiedenis vanaf de middeleeuwen tot ca. 1780 vrij duister is, blijkt uit diverse documenten dat het de banmolen van Balen was. Doorheen de geschiedenis meerdere malen hersteld of verbouwd, zo werd de molen onder meer in ca. 1565 door brand vernield, doch heropgebouwd vóór 1573; ook in 1848 zou de molen verbouwd zijn doch welke herstellingswerken toen werden uitgevoerd kon nog niet duidelijk achterhaald worden. De zogenaamde "Straalmolen" is een watermolen gelegen op de Grote Nete, nabij de samenvloeiing met de Heiloop en de grens met Balen; vermelding opklimmend tot 1374 als eigendom van de Heren van Olmen. Tijdens de middeleeuwen en het ancien regime was het de banmolen van Olmen. Meermaals door brand vernield, onder meer in 1613, doch steeds heropgebouwd. In 1651 uitgebreid met een smout- en schorsmolen voor het pletten van oliehoudende zaden en het malen van eikenschors; eind 17e eeuw behoorde de Straalmolen tot de meest renderende molens van de huidige provincie Antwerpen. Topmolen, kleine watermolen van 1850, gelegen op de Zweilingsloop, een kunstmatig aangelegde zijarm (900 m, verval van 3 m) van de Grote Nete. Enige molen van het bovenslagtype in de provincie, bestaande uit een metalen rad met houten velgen en ijzeren schoepen. De oprichting van deze molen moest kaderen in de grootscheepse ontginning van de Schoorheide, waardoor het belang van akkerbouw en graanteelt zou toenemen. Onderslagmolen op de Grote Nete. Reeds van in de middeleeuwen is er sprake van een watermolen, de eerste molen bevond zich echter wat verder op de Oude Nete en de Creyndertloop. Naar verluidt in 1324 naar hier overgebracht en vermeld als "ter Nuwermolen", later in steen herbouwd in 1678 (zie jaarankers). In 1797 als nationaal goed verkocht. Op de Vandermaelenkaart vermeld als "Moulin à Grain et à Huile", maar eertijds ook eikeschorsmolen voor leerlooierijen en na de Eerste Wereldoorlog productieplaats van elektriciteit. Voormalige watermolen, met vermelding mogelijk opklimmend tot de vroege middeleeuwen (8ste eeuw - 9de eeuw). Oorspronkelijk eigendom van de abdij van Corbie, naderhand in handen van de Molse Voogd, de hertog van Brabant en de volgende vorsten. Door verkoop in 1786 particulier bezit. De initialen A.S., aan weerszijden van een molenijzer, en het jaartal 1758 op een arduinen hoeksteen links onderaan verwijzen naar toenmalige herstellingswerken aan sluishout en -muren, uitgevoerd door molenpachter Adriaan Smolders.

53


Retie

Watermolen, Retie

Graanwatermolen, type onderslagmolen, gelegen op een drie kilometer ten zuidwesten van de dorpskom, op de zuidelijke arm van de Witte Nete die op deze plaats over een beperkte afstand in twee rivierarmen is vertakt.De oudst gekende vermeldingen gaan terug op een akte van 1633 in verband met de verpachting van " 's heerenwindmolen" en een meetboek van 1653 met een beschrijving van de eigendommen van de heer van Retie.

Tabel 17 Beschrijving 6 watermolens uit inventaris onroerend erfgoed

Hieronder worden enkele foto’s weergegeven van bovenstaand beschreven watermolens in het werkingsgebied van IOED k.ERF.

Watermolen, Retie

Mol_ Molenhoekstraat_z.nr._ID52735_02 (Van Acker, Pascal)

Hoolstmolen, Balen

Straalmolen balen

54


Watermolen, Balen

Meerhout_Watermolen_9 (Kennes, Hilde, 07-022011, ŠVlaamse

Tabel 18 Foto's watermolens (bron: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/)

Figuur 34 Watermolens op de provinciale landschapskaart provincie Antwerpen

55


In de 19e eeuw ontstaat er een tweede ‘laag’ water. De Belgische staat ziet de Kempen als een achtergesteld gebied dat dringend ontgonnen moet worden en dat dus grote investeringen vereist (zie ook thema Het Ontginningslandschap). De uitbouw van een kanalennetwerk is daarbij cruciaal. Niet minder dan vier kanalen, het Kempens kanaal, het Kanaal Dessel – Turnhout – Schoten, het Kanaal Dessel – Kwaadmechelen, het Kanaal naar Beverlo werden aangelegd. Allen worden ze gegraven tussen 1843 en 1858. Voor de volledigheid moet ook het jongere Albertkanaal nog vermeld worden, want ook dat ligt in het werkingsgebied. Al die kanalen hebben uiteraard een belangrijke rol gespeeld in de industrialisatie van de Kempen, maar in eerste instantie hadden ze ook een landbouwtechnisch doel: het aanbrengen van kalkrijk en voedselrijker water voor de omzetting van heidegronden naar landbouwgronden. Daaruit volgt een uitgebreid netwerk van wateringsystemen, dat nog op diverse plaatsen in Retie, Mol en Dessel te vinden is. De Colateur (fig. 35), een afwateringsgracht van de wateringen in Arendonk, gelegen ten westen van het beschermde landschap ‘Het Goor’ (Dessel, Retie) is hier een mooi voorbeeld van.

Figuur 35 Kanalen IOED met aanduiding 'De Colateur'

Naast het landschappelijke erfgoed vinden we ook heel wat bouwkundig erfgoed terug langs de kanalen. Hieronder worden hiervan enkele mooie voorbeelden gegeven. •

Aan Sas V gelegen arbeiderswoning met winkel-café:

Aan Sas V gelegen arbeiderswoning met winkel-café, voorafgegaan door drie linden. Halfvrijstaand dubbelhuisje van vier traveeën en één bouwlaag met souterrain onder zadeldak (nok parallel met straat, kunstleien) met recente dakkapel; gebouwd ca. 1906.

56


Figuur 36 Aan Sas V gelegen arbeidswoning met winkel-café (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/75573)

Brugwachterswoning

Brugwachtershuis 2, gelegen aan brug 2, aan het kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, waarvan het eerste gedeelte gegraven werd in 1844-46.

Figuur 37 Brugwachterswoning (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/75851)

5.2.3

Religieus en funerair landschap

Kenmerkend voor het werkingsgebied van de IOED k.ERF is ook het aantal religieuze onroerend erfgoedelementen. De inventaris onroerend erfgoed bevat 101 objecten die vallen onder ‘religieuze gebouwen en complexen’ en ‘klein erfgoed (kapellen en kruisen)’ in het werkingsgebied. Het grootste deel hiervan zijn kerken en kapellen. Over de gemeenten van deze IOED heen zijn er 23 parochiekerken en 52 kapellen.15 15

Inventaris onroerend erfgoed (23/11/2016) 57


Kerken Balen Dessel Meerhout Mol Retie Totaal

5 2 4 10 2

Kapellen 19 1 8 10 14

23

Abdij

1 52

1

Klooster (school) 1 2 2 7 2

Andere 1

9 2 14

12

Tabel 19 Resultaten religieus erfgoed uit inventaris onroerend erfgoed

De perioden waaruit de kerken binnen het werkingsgebied van de IOED dateren is zeer verschillend. Elf van deze kerken zijn ‘vrij recent’, en gebouwd tijdens het interbellum of na de Tweede Wereldoorlog. Daarentegen is er, volgens literatuurbronnen, van de toren van de parochiekerk SintTrudo in Meerhout reeds sprake rond ca. 1100. Het gaat hier enkel om de romaanse onderbouw van de toren. De dorpsbrand van 1679 vernielde de rest van de kerk. In onderstaande tabel worden deze kerken op een rijtje gezet, en worden ook de belangrijkste bijzonderheden van deze kerken meegegeven. Gemeente

Kerk

Balen

Parochiekerk Sint-Andries

Balen

Parochiekerk Sint-Jan Parochiekerk Sint-Hubertus Parochiekerk SintWillibrordus

Balen Balen

Balen

Dessel

Dessel

Meerhout

Statuut Datering bescherming Kerk en 15e eeuw, eerste toren kwart 16e eeuw, vóór WO I / na WO II / Toren en oude gedeelten

Parochiekerk Onze-LieveVrouw van Bijstand Parochiekerk Sint-Niklaas

/

Parochiekerk Heilige Familie Parochiekerk Sint-Trudo (met kerkhof)

Orgel

/

Kerk met kerkhof

Bijzonderheden Rijke kunst- en devotiecollectie, Schrijn Odrada Modernistische kerk

vierde kwart 19e eeuw vierde kwart 19e eeuw, vierde kwart 15e eeuw, eerste kwart 16e eeuw na WO II

Collectie laatgotische sculpturen Kunstcollectie en neogotisch meubilair

eerste helft 20e eeuw, na WO II, tweede helft 19e eeuw, vierde kwart 15e eeuw interbellum, na WO II

Kleine kunstcollectie, Karel Ooms en neogotische sculpturen/meubels

vierde kwart 19e eeuw, tweede helft 11e eeuw, vierde kwart 17e eeuw, eerste helft 12e

Vroeg voorbeeld van modernistische religieuze architectuur Barokke kruiskerk met kunsten devotiecollectie, interieur door C. Colruyt

58


eeuw, na WO II Meerhout Meerhout

Meerhout Mol

Mol Mol Mol

Mol

Mol

Mol Mol

Mol

Mol

Parochiekerk Sint-Jozef Parochiekerk Onze-LieveVrouw Parochiekerk Sint-Bavo Parochiekerk Sint-Pieter en Pauwel Parochiekerk Sint-Apollonia Parochiekerk Sint-Antonius Parochiekerk SintWillibrordus Parochiekerk Sint-Jozef Ambachtsman Parochiekerk Onze-LieveVrouwOnbevlektOntvangen Parochiekerk Sint-Odrada Parochiekerk Sint-Carolus Borromeus Parochiekerk SintBernardus Parochiekerk Sint-Jozef

Retie

Parochiekerk Sint-Martinus

Retie

Parochiekerk Sint-Job

/

na WO II

Modernistische wijkkerk

Kerk, kerkhof en pastorie met omgeving /

derde kwart 19e eeuw

Neogotische plattelandskerk met kunstcollectie (gotisch en neogotisch)

na WO II

Toren en monument boerenkrijg /

eerste kwart 14e eeuw, eerste kwart 16e eeuw, derde kwart 19e eeuw interbellum

/

na WO II

/

interbellum

Neogotische kerk, heropgebouwd na WO II Neogotische kerk met toren in Kempische baksteengotiek. Uitgebreide kunst- en devotiecollectie Neoromaanse kruisbasiliek van 1939 Basiliek met neoromaanse reminiscenties Kerk met neogotische reminiscenties van 1935

/

na WO II

Moderne zaalkerk van 1967

/

interbellum

Kruisbasiliek met neoromaanse reminiscenties

/

na WO II

/

vierde kwart 19e eeuw, na WO II

Kruiskerk met neogotische reminiscenties Neogotische kruisbasiliek

/

derde kwart 19e eeuw, interbellum

Kruiskerk in neogotische stijl van 1863

vóór WO I

Neogotische kruisbasiliek met opmerkelijke omgeving (Lourdesgrot, bidtuin en SintJozefhofke)

vierde kwart 19e eeuw, 15e eeuw, 19e eeuw

Neogotische kerk met gotische (zwaar gerestaureerde) toren. Kunsten devotiecollectie Neogotische kerk met erkend topstuk (Retabel Sint-Job)

Kerk met pastorie, Lourdesgrot en bidtuin het SintJozefshofke /

Retabel

derde kwart 19e eeuw, derde kwart 16e eeuw

Tabel 20 Oplijsting en beschrijving parochiekerken in werkingsgebied van IOED k.ERF

59


Het is algemeen geweten dat de kerkgang sterk achteruitgaat. In Mol, bijvoorbeeld, ging in 1976 nog 33 % van de bevolking naar de mis, in 2015 was dit nog maar 5 %. De functie als gebeds- en geloofshuis dreigt dus achteruit te gaan. Er wordt door alle gemeenten actief gewerkt aan een herbestemming, nevenbestemming en medegebruik van deze kerken. Zo zal bijvoorbeeld de parochiekerk Sint-Jan (Balen), die reeds gesloten is, herbestemd worden als sociale woningen. Nog meer dan kerken is het werkingsgebied van IOED k.ERF rijk aan kapellen, in de inventaris onroerend erfgoed is er sprake van 52 kappellen. Daarnaast zijn er nog kapellen die (nog) niet geïnventariseerd zijn. Zo weten we dat er bijvoorbeeld in Retie alleen al sprake is van 37 kapellen (“Kapelletjesroute” van VVV Retie), terwijl er in de inventaris onroerend erfgoed ‘slechts’ 14 kapellen zijn opgenomen. De thesis ‘Een spirituele topografie van de gemeente Mol’, door Janna Lefevere (2006), geeft een volledig overzicht van alle kapelletjes in de gemeente Mol. In deze thesis wordt gesproken over 104 kapelletjes, gaande van grote kapellen tot zuilkapellen, grotten, gevelkapellen, kruisen, niskapellen, boomkapellen, beelden en staakkapellen. We geven hieronder bij wijze van voorbeeld voor de grote verscheidenheid aan kapellen in de regio een beschrijving van één kapel voor elke gemeente. Gemeente Kapel Balen Heilige Odradakapel

Dessel

Kapel van het Heilige Kruis

Meerhout

Kapel van pestheilige SintNiklaas van Tolentino

Beschrijving De Heilige Odradakapel dateert volgens de literatuur van 1896 en werd opgericht in de omgeving van het zogenaamde Hof van Scheps waar de Heilige eertijds resideerde. Volgens de overlevering werd Sint-Odrada immers in de achtste eeuw geboren in het Hof van Scheps, een Frankisch hof gelegen nabij de samenvloeiing van de Hoofdgracht en de Grote Nete. Zij werd in deze bedevaartskapel aanroepen tegen oog- en veeziekten; haar relieken werden in 1654 ingehaald in Balen. Odrada is patroonheilige van paarden. Ieder jaar vindt aan deze kapel een paardenwijding plaats. Frontaal tegenover de kapel licht een Lourdesgrot van imitatierotsstenen, achter de kapel de Odradaput met heilzaam water tegen oogkwalen en dierenziekten. Vroegere gehuchtskapel, gelegen op een kunstmatige verhevenheid en omgeven door eiken en linden. De 'berg' werd in 1704 aangelegd als calvarieberg met een beeld van de gekruisigde Christus. Begin 19e eeuw stelde onderpastoor J.B. Baeten (1790-1804) geld ter beschikking tot de opbouw van de huidige kapel. In 2016 werd deze kapel gerestaureerd door de leerlingen van het zevende jaar Renovatie-Bouw van het SintJozefsinstituut in Geel op initiatief van RLKGN en de gemeente Dessel. Vroegere bedevaartskapel van pestheilige St.-Niklaas van Tolentino, hier ook aangeroepen tegen kinkhoest; opgericht in 1643-1646. Vermoedelijk werd de kapel opgericht ter vervanging van een oudere kapel, dit zou blijken uit een akte van 1643 waarin drie inwoners van de Veedijk beloven "een capelleken op te richten als eertijds op de Veedijk heeft gestaan, mits sy mogen gebruiken de eiken staande ter plaatse...". Tot aan de Tweede Wereldoorlog was de kapel een bedevaartsoord 60


Mol

Kapel Onze Lieve Vrouw in Nood

Retie

Kapel van Onze Lieve Vrouw Ter Sneeuw

tegen de kinkhoest en de pest. Na het opzeggen van een gepast versje dronken de kinderen gewijd water uit een kinkhoorn, een grote zeeschelp. Dit gebruik verhuisde naar de St.-Bavokerk waar het nog stand hield tot 1960. Deze kapel is beschermd als monument in 1936. Het was het eerste gebouw in Meerhout dat werd beschermd. Veldkapel met oudste vermelding opklimmend tot 1511. Typische inplanting op de kruising van twee wegen. De oorspronkelijke, eikenhouten piĂŤta met jaartal 1511 op de achterzijde werd overgebracht naar het torenmuseum; in de kapel bevindt zich thans een kopie. Hier wordt nog jaarlijks een meiboom geplaats. Willem Verreyt, een marskramer uit Baarle, vond in 1645 op de besneeuwde heide van het Nederlandse Ulicoten een Mariabeeldje op een sneeuwvrije plek en bevestigde het in Werbeek aan een boom. Het beeld had miraculeuze krachten aangezien het aanroepen ervan tot genezingen leidde. De opkomende verering leidde tot de bouw van een eerste houten kapel in 1646 op initiatief van de hulpprelaat van Tongerlo, Augustinus Wichmans met toestemming van de vicaris-generaal van 's Hertogenbosch. In 1665 bouw van de huidige stenen kapel in een classicerende barokstijl. Tot op heden worden er jaarlijkse bedevaarten georganiseerd naar de kapel vanuit Eersel en Veldhoven (Nederland). In 1952 werd de kapel en haar onmiddellijke omgeving beschermd als landschap; in 1974 het bedehuis zelf als monument.

Tabel 21 Beschrijving enkele kapelletjes uit het werkingsgebied van IOED k.ERF (bron: inventaris onroerend erfgoed, website gemeente Meerhout en website gemeente Retie)

Hieronder worden de hierboven beschreven kapellen afgebeeld.

Heilige Odradakapel, Balen

Kapel van Onze Lieve Vrouw Ter Sneeuw

Kapel Onze Lieve Vrouw in Nood

61


Kapel van het heilige kruis, Kapel van pestheilige Sint-Niklaas van Dessel Tolentino Figuur 38 Afbeeldingen besproken kapellen

Wanneer we spreken over het religieuze landschap, is de Abdij van Postel een cruciaal element in dit landschap. Gezien de gunstige ligging van Postel op het knooppunt van belangrijke reisroutes, bracht de abdij van Floreffe hier (vermoedelijk tussen 1128 en 1138) een nieuwe stichting tot stand in de vorm van een polyvalente landbouwkolonie (hoeveklooster)16.

Figuur 39 Luchtfoto Abdij van Postel (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ )

Fastradus Van Utwich (Uytwijk), een edelman uit het land van Altena, nabij 's Hertogenbosch bezat in de 12e eeuw uitgestrekte goederen in de Kempen, waaronder Postel; ca. 1130 schonk hij ongeveer "een derde van Postel" aan de abdij van Floreffe; enkele religieuzen werden vanuit de moederabdij naar Postel gestuurd om er een godshuis te bouwen; dit vermoedelijk houten gebouw deed ook dienst als gasthuis en schuilplaats voor reizigers, pelgrims en behoeftigen. Postel dat toen behoorde tot het kerkdorp Reusel (Nederland) en reeds gedeeltelijk bewoond en ontgonnen was, werd door het nieuwe kloosterdomein opgeslorpt en de aanwezige ontginners werden verdreven. De eerste houten kapel werd ingewijd op 1/8/1140; dit oratorium werd korte tijd nadien reeds vervangen door een stenen gebouw in Romaanse stijl dat werd ingewijd in 1190 en tot op heden voor een groot deel bewaard bleef.

16

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52858 62


Tussen 1150 en 1174 was er te Postel ook een zustergemeenschap, voorbehouden aan de dochters van de stichters en weldoeners. Postel groeide geleidelijk door schenkingen en het verwerven van nieuwe goederen: zo was ook de "Wezelse hoeve" in de 13de eeuw in het bezit van de abdij de landbouwuitbatingen werden tot in de 17e eeuw beheerd door een meester, prior of provisor. In 1613 kwam het tot een akkoord met de abt van Floreffe om een onafhankelijke proostdij onder leiding van Rombout (Rumoldus) Colibrant op te richten; overeenkomst geratificeerd in 1615. Het akkoord inzake een volledig zelfstandige abdij werd bereikt in 1618. In 1621 werd Rombout Colibrant gewijd als eerste abt (+ 1626) van de zelfstandige abdij Postel. Tijdens zijn bestuur werden onder meer de beiaardtoren (1610), de brouwerij (1611) en de 1200 meter lange ringmuur, waarvan de bouw reeds in de 16e eeuw was aangevat, voltooid; de kerk onderging een aantal gotische aanpassingen, waaronder het aanbrengen van een gotisch gewelf en de vergroting van de vensters voor een betere lichtinval (1626). Het kloosterpand werd opgetrokken ca. 1630. Het einde van de Tachtigjarige Oorlog, ingeluid door het Verdrag van Munster (1648) had verstrekkende gevolgen voor Postel: het Staatse Noorden werd onafhankelijk terwijl het Zuiden aan Spanje onderhorig bleef: Postel, gelegen op de grens tussen beide bleef echter betwist gebied en de Staatsen legden beslag op alle goederen van Postel in de meierij van 's Hertogenbosch; hierdoor verloor de abdij 48 hoeven, 12 molens en meerdere dorpstienden. De voorheen welvarende abdij behield slechts haar historisch kerngebied van 4.445 hectare met zeven hoeven, de tienden van Arendonk en Olmen, die van Poppel met één hoeve en tenslotte Wezel met twee hoeven. Ondanks de sombere tijden werden in de abdij materiële vernieuwingen uitgevoerd: begin 18e eeuw werd de ringmuur hersteld, in 1713 gevolgd door de bouw van een nieuw gastenkwartier en prelatuur (abtenverblijf); in 1743 werd de refter met erboven de bibliotheekzaal opgetrokken en enkele jaren later werd de abdijrefter versierd met rococostucwerk; in 1769 tot slot kreeg de kerk een houten westtoren met bakstenen buitenwand. In 1787 kwam Postel definitief aan de Zuidelijke Nederlanden, maar na de Franse Revolutie werd het bij Mol ingelijfd. De kloostergemeenschap werd ontbonden in 1797; de gebouwen werden verbeurd verklaard en verkocht; in 1847 werd de abdij-activiteit hernomen; in een eerste fase werd het sterk vervallen klooster opnieuw bewoonbaar gemaakt en bevolkt. De westtoren van 1769 werd na blikseminslag in 1883 herbouwd en in 1937 verstevigd. In de periode 1890-1926 werden de oudste gebouwen stelselmatig gerestaureerd onder leiding van de Gentse architect J. Geerts; na de Tweede Wereldoorlog werd het gebouwenbestand gevoelig uitgebreid en aangepast om naast het apostolaatswerk ook tegemoet te komen aan de nieuwe doelstellingen als onder meer toeristisch onthaal, natuurzorg, wetenschappelijk werk, armenzorg,... Zo werd vanaf 1944 de boerderij uitgebouwd tot een modern bedrijf. In 1956-1960 werd een nieuwe bibliotheekvleugel gebouwd en in het kader van het toerisme werd Gasthof De Beiaard ingericht (1960). Het abdijhuis (Contactcentrum) met pastorie dateert van 1968. De door brand vernielde hoeve met kaasmakerij werd heropgebouwd in 1969. Het poortgebouw werd gerestaureerd en twee pandvleugels, de noord- en westvleugel, werden herbouwd in 1979-1981. In dezelfde periode werd ook de reftergevel gerestaureerd. In de periode 1981-1982 werden diverse krotwoningen omgebouwd tot een zaal voor culturele activiteiten (1982-1983), de zogenaamde "Rafaëlzaal", haaks op het gasthof. Het interieur van de kloosterrefter werd hersteld (eind jaren 1980), evenals het houten gedeelte van de beiaardtoren; de beiaard van 1947 werd uitgebreid en in een nieuwe klokkenstoel opgehangen (1988). In 1992 werd bovendien aandacht besteed aan het voorplein van de abdij waar nieuwe 63


aanplantingen werden gerealiseerd met duidelijke aandacht voor het vrije zicht op de Romaanse kerk. Daarnaast is er nog ander religieus onroerend erfgoed, in de vorm van kloosters, veldkruisen, een openlucht kruisweg (fig. 40) en ‘grotten’ (fig. 41).

Figuur 40 '15 Kapellekes' Mol, Achterbos (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52787/beelden)

Figuur 41 Mariapark met rozenkranskapellen en Lourdesgrot (Balen) ( https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52215)

Funerair landschap De zoekterm ‘funeraire gebouwen en structuren’ in de inventaris onroerend erfgoed geeft 10 resultaten voor de gemeenten uit IOED k.ERF. Het gaat hier allemaal over begraafplaatsen, of parochiekerken met begraafplaatsen aan, met eventueel daarbij horende grafmonumenten. Zo staat er bijvoorbeeld op de begraafplaats bij de parochiekerk Sint-Trudo in Meerhout een monument als herinnering aan de Boerenkrijg. Vermeldenswaardig is ook de Calvarieberg (1923) op de gemeentelijke begraafplaats in Retie. Gemeente Dessel Meerhout Mol Retie

Resultaten uit inventaris onroerend erfgoed 1 3 4 2

Tabel 22 Resultaten zoekterm 'funeraire gebouwen en structuren' in inventaris onroerend erfgoed 64


Figuur 42 Afbeelding Calvarieberg, Retie (Vlaamse https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/75807)

Gemeenschap,

17-07-2001,

©Vlaamse,

Naast begraafplaatsen maken grafheuvels ook deel van het funeraire landschap. In 5.1.2 (archeologisch erfgoed) werd dit reeds aangehaald. Uit de CAI (Centraal Archeologische Inventaris) blijkt dat er in vier van de vijf gemeenten (restanten van) een grafheuvel uit de Romeinse tijd geïnventariseerd zijn. Wat opvalt is dat de CAI voor geen van deze grafheuvels een exacte locatie geeft, en dat de interpretatie bij drie van de vier grafheuvels ook twijfelachtig is. Enkel de grafheuvel in Retie wordt in de CAI niet in twijfel getrokken. Onderstaande tabel geeft deze opmerkingen/interpretatie uit de CAI weer. Gemeente Balen

Nr. CAI 152450

Dessel

151265

Mol

151707

Retie

101849

Datering Romeinse tijd (verfijning: onbepaald) Romeinse tijd (verfijning: onbepaald) Romeinse tijd (verfijning: onbepaald) Romeinse tijd (verfijning: onbepaald)

Beschrijving / interpretatie Twijfelachtig, zowel qua interpretatie als datering Onzekere interpretatie en datering Wordt als tumulus geïnterpreteerd, maar deze interpretatie is betwijfelbaar. Opmerking: mogelijk meerdere grafheuvels

Tabel 23 Details grafheuvels (Romeinse tijd) uit CAI

Naast deze grafheuvels uit de Romeinse tijd zijn er nog oudere (complexen van) grafheuvels (uit de Metaaltijden) opgenomen in de CAI (nr. 101976, 101974 in CAI). Het gaat om grafheuvels gelegen te Mol Postel. Tabel 24 geeft een korte beschrijving van deze grafheuvels uit de CAI. De inventaris onroerend erfgoed geeft weinig resultaten bij de zoekterm ‘grafheuvel’. Enkel bij de bespreking van Mol, komt de term grafheuvel voor in de tekst: ‘Tot op heden kon niet met zekerheid achterhaald worden wanneer Mol voor het eerst werd bewoond. Een aantal toevalsvondsten, onder meer prehistorische werktuigen in Wezel en grafheuvels in Postel, wijzen in de richting van vroege menselijke aanwezigheid; het staat zelfs vast dat er prehistorische nomaden verbleven op de hoogst gelegen delen, zowel in het centrum als in de gehuchten’.17 17

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/121749 65


Nr. CAI 101974

101976

Locatie Mol, Postel (naam: ‘Berg in ’t park’)

Beschrijving / interpretatie De heuvel van ‘Berg in ‘t Perk’ is gelegen in het domein van de Koninklijke Schenking, langsheen de oude weg van Arendonk naar Bergeijk, op ca. 160 meter ten westen van het kruispunt van hiervoor vermelde weg met de weg van Postel naar Bladel. Hier gaat het om een belangrijk grafveld bestaande uit ongeveer een twintigtal heuveltjes. Mol, Postel (naam: Zeven grafheuvels en drie mogelijke grafheuvels Bladelse heide) Opmerking: ten noorden van de grafheuvels bevindt zich nog een walstructuur.

Tabel 24 Details grafheuvels (Metaaltijden) in Mol, Postel uit CAI

Ook in Meerhout zijn voorhistorische begraafplaatsen teruggevonden. Uit de brochure ‘Meerhout wandeldorp in de Kempen’ (opgemaakt door Jos Sterckx i.s.m. heemkundige kring Meerhouts patrimonium) blijkt dat er sprake is van twee tegenover elkaar liggende voorhistorische begraafplaatsen: de Alvinnenberg en Heiblokken. Deze laatste wordt gesitueerd op het einde van het Bronstijdperk (in onze streken van 1500 tot 800 voor Christus). Deze grafheuvels zijn evenwel niet opgenomen in de Centraal Archeologische Inventaris (CAI). Een onderdeel dat misschien wel thuishoort in het funeraire landschap zijn de verschillende oorlogsmonumenten en andere gedenktekens of herinneringsmonumenten, die aanwezig zijn in het werkingsgebied van IOED k.ERF. De inventaris onroerend erfgoed geeft op dit vlak voor Dessel en Retie geen resultaten. Voor de andere gemeenten zijn dit de resultaten uit de inventaris. Gemeente Balen

Monument Oorlogsmonument

Meerhout

Heilig hartbeeld

Heilig hartbeeld Gestel Oorlogsmonument De Vleugel

Mol

Boerenkrijgmonument

Gedenkteken ter ere van Carlo Berghmans Herinneringsmonument

Monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog

Korte beschrijving Een monument voor de gesneuvelden van beide wereldoorlogen. Heilig Hartbeeld ten noorden van de kerk, ter herdenking van de Eerste Wereldoorlog, opgericht in 1922. Heilig Hartbeeld, als eerbetoon aan de oorlogsslachtoffers van beide wereldoorlogen. Te midden van de weiden gelegen oorlogsherinnering, in de volksmond zogenaamd "De Vleugel". Staartstuk van het Britse Wellingtonvliegtuig dat hier op 14 februari 1943 neerstortte. Boerenkrijgmonument, van de hand van de Gentse beeldhouwer Aloïs De Beule, opgericht in 1898 naar aanleiding van 100 jaar Boerenkrijg. Een gedenkteken ter ere van Carlo Berghmans, auteur van het boek "Fier is Ginderbuiten". Herinneringsmonument voor Vincentius Belmans en Jozef Fonteyn die hier (Zevenheerlijkheden, Mol) op 31 maart 1930 vermoord werden. In 1919 werd in Mol beslist een gedenkteken voor de gesneuvelden van de oorlog op te richten.

66


Tabel 25 Overzicht oorlogsmonumenten en andere gedenktekens en herinneringsmonumenten

Figuur 43 Afbeeldingen oorlogsmonumenten en andere gedenktekens en herinneringsmonumenten Links: Oorlogsmonument Balen (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/51927) Midden: Heilig hartbeeld Meerhout (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/216153 (Meerhout Markt oorlogsmonument (Van den Borne, Steven, 20-01-2014)) Rechts: Boerenkrijgmonument Mol (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52688 (ID 52688 Mol Boerenkrijgmonument (Hooyberghs))

5.2.4

Het agrarisch landschap

Uiteraard is het agrarische karakter van een landschap niet bijzonder: dat is nergens in de West Europese laagvlakte zo. En uiteraard past de regio in de bredere context van landbouw op zandgronden, de zogenaamde heidelandbouw, zowel bovenregionaal als regionaal. Toch blijft die landbouw bijzonder en heeft deze grote impact op de erfgoedwaarden van de regio. De oudste en meteen zeer bijzondere sporen van landbouw in de regio zijn de Celtic Fields. Op niet minder dan 34 plaatsen (alle gemeenten, behalve Meerhout) zijn er systematische landbouwontginningen in de Bronstijd geweest. Deze ontginningen zijn ontwikkeld uit het Atlantische bos en dus op niet uitgeloogde bodems.

Figuur 44 Afbeelding Celtic fields (www.paliokas.blogspot.be)

Zand loogt echter snel uit (podzol – bodems), wat tot heide – ontwikkeling leidt en goede opbrengsten uitsluit. In de Romeinse tijd is de bewoning dan ook grotendeels verdwenen. 67


Precies uit die vaststelling heeft de heide – landbouw zich ontwikkeld: landbouwproductie moet gebouwd worden op een landschappelijke drie – eenheid: •

De woeste gronden, bestaande uit heide en deels bos, worden gebruikt voor het genereren van nutriënten (maaien, plaggen, begrazen, …), die er weggehaald worden en verplaatst naar de boerderij. In de literatuur wordt dit gebied ook het outfield genoemd. De akkers worden bemest met de op de boerderij bewerkte nutriënten (bv. potstal). Voor 1 hectare akker is er tussen 10 en 20 hectare heide nodig. Dat blijkt ook zo bij de verkoop van de abdij van Postel, waar de verhouding 1/13 is. De vochtige graslanden in de beekvalleien, vaak met middeleeuwse wateringsystemen, moeten zorgen voor het hooi, wat bepalend is voor de hoeveelheid vee dat de winter kan overleven, wat dan weer de hoeveelheid mest bepaalt.

Het bijzondere aan deze regio is net de grote hoeveelheid beekvalleien en dus de grote hoeveelheid beschikbaar hooi.

Figuur 45 Ferraris-kaart omgeving Mol / Balen met akkercomplexen (wit), de smal geperceleerde valleien (grachtestructuren) in de valleien en de grote heidecomplexen (in het oosten).

Dit alles maakt dat de landschappelijke kwaliteit van de streek met de restanten van de heidegebieden, de beekvalleien en zelfs de akkercomplexen met een plaggenbodem een grote erfgoedwaarde heeft. Het is deze samenhang, die de meest zichtbare vorm is van het agrarische landschap dat de regio was. Een zeer mooi voorbeeld daarvan is de Ankerplaats De Grote Nete en het paraboolduincomplex tussen Meerhout en Geel (IOE 300181). Uiteraard horen er boerderijen in dit systeem, maar voorbeelden van voor de 19e eeuw zijn beperkt en vaak ook atypisch (vaak grotere complexen van bv. abdijen of wereldlijke heersers). Toch zijn er een aantal interessante voorbeelden: • Hoeve De Heybloem in Mol (vierde kwart 16e eeuw) • Hoeve Ezaart in Mol (17e eeuw) • Hoeve De Boeretang in Dessel (ontwikkeld vanaf de 16e eeuw) • Hoeve Peeters in Balen ( 17e eeuw) • Hoeve met Kempische schuur in de Brigandstraat te Meerhout (18e eeuw) 68


Veel meer agrarisch bouwkundig erfgoed dateert uit de 19e en begin 20e eeuw, wanneer de langgevelhoeve (ook langgestrekte hoeve genoemd) zijn hoogtepunt bereikt. In totaal zijn er 49 beschreven voorbeelden: Gemeente Balen Dessel Meerhout Mol Retie

Aantal langgevelhoeves 14 5 6 20 4

Tabel 26 Aantal langgevelhoeves per gemeente

Een volledig overzicht van de lijst agrarische gebouwen en structuren wordt als bijlage 4 bij dit rapport opgenomen. Een ander aspect van het agrarisch landschap zijn de windmolens. Binnen het werkingsgebied van IOED k.ERF zijn er vier windmolens, verspreid over de gemeenten Meerhout, Mol en Retie (fig. 46).

Figuur 46 Windmolens in het werkingsgebied van IOED k.ERF

Deze windmolens worden in onderstaande tabel kort beschreven. Een afbeelding van deze windmolens wordt onder deze tabel getoond.

69


Gemeente Meerhout

Molen Haavense windmolen

Windmolen Prinskensmolen

Mol

Windmolen Ezaartmolen

Retie

Windmolen De Heerser

Korte beschrijving Op de site (Lindestraat Meerhout), een begraasd en omhaagd erf, bevinden zich een molenhuis, de windmolen, een maquette van de vorige windmolen en een molensteen (als tuintafel). De windmolen, een houten standaardmolen op open voet, wordt de Haanvense molen genoemd naar het gehucht Haanven (Veerle) waar de molen in 1723 werd opgericht als abdijmolen van Averbode.18 Reeds in de 13e eeuw werd een windmolen vermeld op de Weversberg. Hij werd opgericht door de heren van Diest aan wie de heerlijkheid Meerhout reeds in 1200 toebehoorde. Als eigendom van de heren van Diest kwam de molen vanaf 1500 tot 1820 in het bezit van de prinsen van Oranje (zie naamgeving). De molen werd grondig hersteld of heropgebouwd in 1728. Door openbare verkoop in 1820 kwam een eind aan het eigendomsrecht van de prinsen van Oranje. De molen werd buiten werking gesteld in 1969, hersteld en gerestaureerd in de jaren 1980 en midden de jaren 1990.19 Opgetrokken in 1856 door Karel Heylen uit Geel; de molen is gelegen op een natuurlijke landduin en werd een eerste maal gecementeerd en gekalkt in 1913; tijdens een onweer in 1957 zwaar beschadigd, nadien voorlopig hersteld. Later werd de molen eigendom van de gemeente; grondig gerestaureerd en maalvaardig gemaakt in 1985 door molenmaker Adriaens.20 Windmolen zogenaamd "De Heerser", modo "De nieuwe molen". In zijn strijd tegen het alleenmolenrecht van de abdij van Postel bouwde Godfried Claessen met eigen middelen deze molen in 1794 te Arendonk op de Middelvelden, nabij de Hovestraat, naar de naam van de eigenaar beter bekend als "FrieĂŤs molen". In 1934 verhuisde de molen naar Retie. Ondanks enkele nabijgelegen woningen, gelegen in een open landelijke omgeving, bestaande uit akkers en graslanden. Gerestaureerd in 1957. Vanaf 1962 werking stopgezet.21

Tabel 27 Beschrijving windmolens

18

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52660 https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52585 20 https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/52811 21 https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/75820 19

70


Haavense windmolen

Windmolen Prinskensmolen

Meerhout Lindestraat 55 (Van Acker, Pascal, 05-08-2013, ŠPascal Van Acker)

Meerhout_Prinskensmolenweg_znr (Vlaamse Gemeenschap, 01-06-2001)

Windmolen Ezaartmolen

Windmolen De Heerser

Mol_Ezaart_Keikenstr_znr (Vlaamse Gemeenschap, 12-082011)

Kronkelstraat_znr_windmolen (Vandevorst, Kris, 01-012005)

Figuur 47 Afbeeldingen windmolens

5.2.5

Technisch thema: een methodiek voor advies en beleid vanuit de IOED

De sterkte van de streek moet de basis van de werking van de IOED zijn. Die sterkte zit onder meer in de gekozen thema’s. Maar er is ook de feitelijkheid van het werk. Gemeenten zijn op zoek naar hulp 71


en expertise voor de talrijke dossiers waarbij onroerend erfgoed een rol speelt, een rol die vaak als technisch of beleidsmatig moeilijk wordt ervaren. Uit de gesprekken met de gemeenten blijkt die bezorgdheid sterk te leven: hoe kan de IOED ons helpen om op een positieve en moderne manier beschermend om te gaan met het onroerend erfgoed? Die vraag is van belang op drie niveau’ s: • De individuele dossiers rond patrimonium van lokale besturen • De individuele dossiers rond patrimonium met erfgoedwaarde in privaat bezit • De strategische projecten / masterplannen / beleidsplannen van gemeenten rond een totaal landschap of een dorpskern, waarbij erfgoed een rol speelt. Er is niet enkel het wat, maar vooral het hoe: wat kan de mandataris of ambtenaar verwachten van de IOED? Daarbij spelen uiteraard werkdruk (hoe verhoudt dit deel van het werk zich ten opzichte van ondersteuning van het vrijwilligersnetwerk en de publiekswerking), maar ook een hele reeks technische aspecten. Het uitwerken van een methodiek rond advisering voor ambtenaren wordt door de gemeenten heel belangrijk geacht en is dan ook als een apart uit te werken werkingsveld gedefinieerd. Uiteraard doen we daar hier nog geen uitspraak over, maar er is door de stuurgroep bepaald dat de benadering ervan technisch moet zijn: wat heeft een ambtenaar nodig aan concrete hulp en expertise vanuit de IOED om de gemeente in haar beslissingen te kunnen ondersteunen.

6

Betrokken onroerend erfgoedactoren actief in de regio en proces

Draagvlak is wellicht de belangrijkste sleutel tot een succesvolle IOED. Dat wil zeggen dat bij voorkeur alle verschillende types van actoren (bovenlokaal, lokaal, binnen overheden en privaat) dit verhaal ondersteunen en erin geloven. Al deze onroerend erfgoedactoren worden hieronder opgelijst (6.1). De betrokken gemeenten, de erfgoedcel k.ERF en het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete hebben reeds goede contacten met de meesten van hen. Een belangrijke taak van de IOED zal zijn dit (consultatie)netwerk te behouden, uit te breiden en te versterken. In bijlage 5 wordt specifiek ingezoomd op de ondersteuning van de vrijwilligerswerking binnen IOED k.ERF. Het proces voor de opmaak van het aanvraagdossier is eerder kort geweest, maar heeft wel de verschillende actoren bereikt en hun verwachtingen gecapteerd. Hieronder (6.2) volgt een kort verslag van de stappen en de conclusies ervan.

72


6.1

Betrokken onroerend erfgoedactoren - consultatienetwerk

6.1.1

Overheden en betrokken administraties of diensten

• • • • • • • • • •

Vlaamse overheid: agentschap Onroerend Erfgoed (Brussel) Vlaamse overheid: Vlaamse Landmaatschappij Provincie Antwerpen: dienst Erfgoed Provincie Antwerpen: Monumentenwacht Provincie Antwerpen: Onroerend erfgoeddepot Gemeente Balen (aanvrager IOED) Gemeente Dessel (aanvrager IOED) Gemeente Meerhout (aanvrager IOED) Gemeente Mol (aanvrager IOED) Gemeente Retie (aanvrager IOED)

In bijlage 6 wordt een overzicht gegeven van de professionele medewerkers, die met onroerend erfgoed bezig zijn binnen het werkingsgebied van de IOED k.ERF. Daarbij worden niet enkel de ambtenaren van lokale overheden weergegeven, maar ook de relevante betrokkenen van de bovenlokale organisaties (zie onder). 6.1.2 •

Bovenlokale organisaties Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete Het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete behoudt en versterkt natuur, landschap, erfgoed/identiteit en recreatie. De organisatie brengt inwoners en partners samen rond een wervend verhaal over natuur en landschap dat inspireert en voor verbondenheid zorgt. Voorbeelden zijn volgende projecten: ‘Landbouwlandschap Malou’, ‘Erfgoedbomen’ en ‘Paard en landschap’.

Erfgoedcel k.ERF Erfgoedcel k.ERF is één van de Vlaamse erfgoedcellen en werkt intergemeentelijk rond roerend en immaterieel erfoed. Het werkingsgebied van deze erfgoedcel omvat alle gemeenten van de IOED k.ERF en daarnaast ook de gemeenten Geel en Laakdal.

Toerisme Provincie Antwerpen vzw Toerisme Provincie Antwerpen heeft volgend takenpakket: - Kempen en Scheldeland promoten als aantrekkelijke streken om een korte vakantie dicht bij huis door te brengen, te vergaderen of een daguitstap te maken - Samen met alle vakantiemakers - o.a. gemeenten, ondernemers, verenigingen en vrijwilligers uit allerhande sectoren - Kempen en Scheldeland verder uitbouwen tot toeristische streken die de moeite lonen om naartoe te trekken

73


-

De rendabiliteit van de toeristische ondernemers in de provincie Antwerpen helpen verhogen - Toerisme Vlaanderen ondersteunen bij haar promotie van Antwerpen, Mechelen, Kempen en Scheldeland en de Vlaamse productlijnen ‘fietsen’ en ‘bier’ bij een internationaal publiek. Om dat te realiseren zet Toerisme Provincie Antwerpen diverse samenwerkingsverbanden op. Dit gebeurt zowel binnen de eigen provincie, op Vlaams niveau als in Europa. •

ANKONA (Antwerpse Koepel voor Natuurstudie) De Antwerpse Koepel voor Natuurstudie (of kortweg ANKONA) verenigt iedereen die interesse heeft voor en zich bezighoudt met natuurstudie in de provincie Antwerpen. Zowel vrijwilligers, verenigingen als wetenschappers zijn welkom. De koepel wordt door de provincie Antwerpen ondersteund. ANKONA biedt aan al deze vrijwilligers en natuurvorsers een forum om hun geleverde werk en activiteiten breder bekend te maken.

Natuurpunt Natuurpunt is een onafhankelijke organisatie die zich inzet voor natuurbehoud in Vlaanderen. Gesteund door bijna 100.000 leden en meer dan 6.000 vrijwilligers zetten ze zich dagelijks in om bedreigde planten, dieren, biotopen en landschappen te beschermen. Daartoe kopen en beheren ze natuurgebieden, doen ze aan onderzoek en treden ze in dialoog met beleidsmakers. Ze zorgen voor publieksontsluiting via vorming en publiekacties. Binnen het werkingsgebied van de IOED k.ERF zijn er vier lokale afdelingen actief: Natuurpunt Balen – Nete (Balen), Natuurpunt Netebronnen (Dessel, Mol), Natuurpunt Geel – Meerhout, Natuurpunt Wamp en Neten (Retie, Arendonk).

Kempens Landschap Kempens Landschap werkt op vier vlakken: landschap verwerven, landschap opwaarderen, landschap openstellen en tenslotte gemeenten adviseren. Binnen het werkingsgebied van IOED k.ERF heeft het Kempens Landschap (stukken van) volgende gebieden in eigendom, beheer: - Goriënberg, Retie - Buitengoor – Meergoren, Mol - Glaverbel, Mol - Heidehuizen, Mol - De Most – Keiheuvel, Balen

Boerenbond Boerenbond is een ledenorganisatie voor land- en tuinbouwers in Vlaanderen en de Oostkantons. De activiteiten situeren zich op vijf domeinen: belangenbehartiging, vorming en voorlichting, dienstverlening, vertegenwoordiging en samenwerking inzake productie, toelevering en afzet. Daarnaast is het een koepelvereniging voor 3 beroepsbewegingen en 4 74


socio-culturele bewegingen. De voor de IOED belangrijkste sub verenigingen zijn ‘Landelijke Gilden’ en ‘Agrobeheercentrum Ecokwadraat (Eco²)’ (1 groep in Balen). •

Landelijk Vlaanderen Landelijk Vlaanderen is een belangenorganisatie die ijvert voor de bevordering van het ondernemerschap van de land-, bos- en natuureigenaar en –beheerder op het Vlaamse platteland. Ze ondersteunen de privé-landbeheerder, die een belangrijke sleutel vormt in het dynamisch en aantrekkelijke platteland in het sterk verstedelijkt Vlaanderen.

Centrum voor Agrarische Geschiedenis (CAG) Het CAG werkt samen met andere geïnteresseerden rond het verleden van landbouw, platteland en voeding van 1750. Het cultureel en immaterieel aspect van deze thema’s wordt bestudeerd, bewaard en toegankelijk gemaakt voor een groot publiek via publicaties, evenementen, lezingen en een digitale databank.

Herita Herita is een netwerkvereniging en ledenorganisatie, en fungeert daarbij als steunpunt en spreekbuis voor onroerend erfgoedzorgers. De vereniging heeft een aantal erfgoedsites in beheer, en maakt ze toegankelijk voor publiek op een hedendaagse manier. Tenslotte organiseert Herita publieksactiviteiten, waarvan de jaarlijks terugkerende Open Monumentendag de bekendste is.

Aangrenzende IOED’s - IOED Noorderkempen - Projectenvereniging De Merode

Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon De KVNS is een platformorganisatie van actieve leden en verenigingen, die werkt rond het thema landschap, met nadruk op duurzaamheid, participatie en context. Vanuit de eigen proeftuin rond de Steenovens en in samenwerking met deskundigen en partnerorganisaties verzamelt en verspreidt de KVNS kennis over het landschap en ontwikkelt methodieken om gebruikers van het landschap bewust en duurzaam ermee om te laten gaan22.

VMPA vzw VMPA - Natuurwandelingen brengen het publiek, begeleid door een natuurgids, in nauw contact met de natuur en het milieu in eigen omgeving.

• 22

VALK vzw

http://www.kvns.be/missie-en-doelstellingen/ 75


VALK vzw is een milieuactiegroep met als werkingsgebied volgende gemeenten: Turnhout, Balen, Dessel, Arendonk, Mol, Kasterlee, Geel, Westerlo en Laakdal. 6.1.3

Lokale erfgoedverenigingen en -actoren

Binnen het werkingsgebied van IOED k.ERF zijn heel wat lokale erfgoedverenigingen en –actoren actief. Binnen deze lokale erfgoedverenigingen- en actoren wordt er over het algemeen geen sterk onderscheid gemaakt tussen onroerend en cultureel/immaterieel erfgoed. Onroerend erfgoed maakt, door hun type activiteit, werking en/of huisvesting, deel uit van deze verenigingen. Hieronder wordt getracht een volledig overzicht te geven van de erfgoedverenigingen en -actoren actief in de regio. •

Geschied- en heemkundige kringen

Binnen het werkingsgebied van de IOED k.ERF zijn er 8 geschied- en heemkundige kringen actief (tabel 28). Deze kringen bestaan uit vrijwilligers die doorheen de jaren een brede kennis en vaak ook collectie opgebouwd hebben. Deze vrijwilligers doen onderzoek, schrijven publicaties, maar zorgen ook voor digitalisering en organiseren (mede) publieksactiviteiten. Gemeente Balen

Dessel Meerhout Mol Retie

Heemkundige kring Erfgoed Balen Olmense Vereniging voor Heemkunde en Geschiedenis Studium Generale Heemkundige kring De Griffioen Dessel Heemkundige kring Meerhouts patrimonium Molse kamer voor Heemkunde Werkgroep Heemkunde Rauw Heemkundige Kring 7 Neten Retie

Tabel 28 Geschied- en heemkundige kringen in het werkingsgebied van IOED k.ERF

Kerkfabrieken

De kerkfabriek is belast met de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken. De taak omvat het onderhoud en de bewaring van de kerk of kerken van de parochie en het beheer van goederen en de gelden die eigendom zijn van de kerkfabriek of die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst in de parochie. Binnen het werkingsgebied van de IOED k.ERF zijn er 31 kerkfabrieken, waarvan 14 in de gemeente Mol. Gemeente Balen Balen

Vereniging De kerkfabriek van O.-L.-Vrouw van Altijddurende Bijstand - Rosselaar De kerkfabriek van Sint-Andries - Balen 76


Balen Balen Balen Balen (Olmen) Dessel Dessel Dessel Meerhout Meerhout Meerhout Meerhout Meerhout Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Mol Retie Retie

De kerkfabriek van Sint-Hubertus - Hulsen De Protestantse kerkgemeente Pniël - Balen Het centraal kerkbestuur - Balen De kerkfabriek van Sint-Willibrordus - Olmen De kerkfabriek van de Heilige Familie - Witgoor De kerkfabriek van het Onbevlekt Hart van Maria - Station De kerkfabriek van Sint-Niklaas - Dessel De kerkfabriek van O.-L.-Vrouw - Gestel De kerkfabriek van Sint-Bavo - Zittaart De kerkfabriek van Sint-Jozef - Berg De kerkfabriek van Sint-Trudo - Meerhout Het centraal kerkbestuur - Meerhout De islamitische geloofsgemeenschap "Ensar" - Mol De kerkfabriek van O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen - Gompel De kerkfabriek van Sint-Antonius Abt - Donk De kerkfabriek van Sint-Apollonia - Achterbos De kerkfabriek van Sint-Bernardus - Sluis De kerkfabriek van Sint-Carolus Borromeus - Rauw De kerkfabriek van Sint-Job - Schoonbroek De kerkfabriek van Sint-Jozef - Wezel De kerkfabriek van Sint-Jozef Ambachtsman - Ginderbuiten De kerkfabriek van Sint-Niklaas - Postel De kerkfabriek van Sint-Odrada - Millegem De kerkfabriek van Sint-Pieter & Sint-Pauwel - Mol De kerkfabriek van Sint-Willibrordus - Ezaart Het centraal kerkbestuur - Mol De kerkfabriek van Sint-Martinus - Retie Kerkfabriek Sint Job

Tabel 29 Kerkfabrieken in het werkingsgebied van IOED k.ERF

De geschied- en heemkundige kringen en de kerkfabrieken zijn twee grote groepen van erfgoedverenigingen binnen het werkingsgebied. Daarnaast zijn er nog veel andere (kleinere) verenigingen en actoren. Deze worden hieronder opgeslijst. •

Werkgroep Kempense Klaprozen: onderzoeksproject dat vertrekt vanuit de namenlijsten op de oorlogsmonumenten om alle gesneuvelde militairen die omkwamen tijdens de Eerste Wereldoorlog een gezicht te geven en hun verhaal te reconstrueren.

Molenverenigingen - Straalmolen, Balen - Vzw Vrienden van de Haenvense molen, Meerhout - Vrienden van de molen van Ezaart, Mol - Levende molens vzw, Retie

Gidsenvereniging - Molse gidsenvereniging 77


Militair erfgoed - Vaderlands Vredelievend Meerhout - Verbroedering Vaderlandslievende Vereniging Mol - Balen bevrijd - K. Verbond veteranen Albert I, Retie - Oud-strijders en krijgsgevangenen, Retie - Werkgroep Bunkers (Battle for the locks), Mol

Musea -

Kruiermuseum, Balen Torenmuseum, Mol Jakob Smitsmuseum, Mol Beiaard Mol Postel Beiaard Mol Centrum Quartz experience center, Mol Sas 4 toren, Mol

Onroerend erfgoed - Prinsenhoeve, Meerhout - Vrienden van de Sint Willibrorduskapel

Landschap - Kemp vzw, Mol - Landschapszorg vzw, Balen - Den Bunt vzw - Rurant - Bosgroep Zuiderkempen - Bosgroep Noorderkempen - Kempense meren vzw - Wildbeheereenheden regio Dessel, Postel-Noord, Het Netebroek (Balen)

Zandontginning - Sibelco, Mol

Abdij Postel, Mol

6.1.4

Private actoren

Onder private actoren bedoelen we in de eerste plaats de particuliere eigenaars van onroerend erfgoed. Het contact met deze eigenaars is eerder sporadisch via de betrokken gemeenten, de erfgoedcel k.ERF en/of het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. Het zal een taak worden van de IOED k.ERF om de gegevens rond deze particuliere eigenaars te verzamelen en aan te vullen, en voor hen als informatie- en kenniscentrum te kunnen optreden.

78


In Vlaanderen bestaat eveneens een relevante markt van commerciële onroerend erfgoedondernemers. Het gaat om archeologen, bouwhistorici, restaurateurs en boomverzorgers. Zij zijn van belang voor de gespecialiseerde “terrein”werkzaamheden rond onroerend erfgoed. Ook in en rond het werkingsgebied van de IOED zijn enkelen van hen gevestigd en dus gemakkelijk in te schakelen waar nodig. 6.2

Het proces

Gedurende het proces voor de opmaak van dit aanvraagdossier werden zo veel mogelijk actoren bevraagd over hun verwachtingen, noden, zorgen, … . In dit hoofdstuk wordt kort weergegeven hoe dit proces is verlopen, en wat de conclusies hieruit zijn geworden. 6.2.1

Gemeentebesturen en ambtenaren cultuur / erfgoed en patrimonium

Uiteraard hebben de gemeentebesturen hun akkoord verleend tot de aanvraag tot oprichting van een IOED (zie ook de collegebeslissingen in bijlage 7). Hun engagement gaat echter verder dan dat. Op het specifiek op hun gerichte overleg van 14 november 2016 werd door betrokkenen expliciet aangegeven dat de werking van k.ERF (erfgoedcel) en Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete als zeer ondersteunend voor erfgoed- en landschapsbeleid ervaren wordt en dat een IOED op dezelfde wijze een meerwaarde kan bieden. Daarbij wordt zowel de inhoudelijke expertise als de werking met het lokaal netwerk van vrijwilligers naar voor geschoven. De belangrijkste conclusies voor deze groep zijn: • Een IOED moet expertise beschikbaar stellen van de gemeenten. • Een IOED moet een intermediaire positie innemen tegenover ‘Brussel’. • Een IOED moet onroerend erfgoed benaderen vanuit een stimulerende en positieve houding en moet vanuit die houding werken aan een gemeenschappelijke visie op onroerend erfgoed voor alle betrokken gemeenten. • Een IOED moet geïntegreerd en integraal werken, waarbij beeldkwaliteit een belangrijk criterium is. • Een IOED moet primair werken aan het technisch uitwerken van een duidelijke adviseringsmethodiek, zodat overheden en private betrokkenen weten wat en hoe. 6.2.2

Stakeholderoverleg met onroerend erfgoed actoren

Op het stakeholderoverleg van 30 november met de erfgoedactoren waren 25 mensen aanwezig (aanwezigheidslijst als bijlage 8), waarbij alle gemeenten vertegenwoordigd waren en waarbij ook de variatie aan types van organisaties (heemkundige kringen, technische restauratie – specialisten, natuurverenigingen, …) groot was.

79


Figuur 48 Foto stakeholderoverleg 30 november 2016

Er werd een goed debat gevoerd over de verwachtingen vanuit het weefsel van de vrijwilligers. Daaruit zijn volgende elementen als belangrijk naar voor gekomen: • Een IOED moet een loketfunctie hebben waar hulp geboden wordt rond onroerend erfgoed (vergunningen, subsidies, beheerplan, dossierondersteuning, …). • Een IOED moet een ruim aanspreekpunt zijn voor iedere burger met een vraag of bezorgdheid rond onroerend erfgoed. • Een IOED moet een intermediair uitwisselpunt zijn dat binnen het werkingsgebied contacten, samenwerking, uitwisseling, enz. stimuleert en organiseert. Daarbij kan specifieke aandacht gaan naar thematische werking (bv. alle betrokkenen die werken rond de verschillende molens in het werkingsgebied, idem dito met restauratie van veldkapellen). • Een IOED moet werken aan verdere ontwikkeling en het stimuleren van kennis, inventarisatie, onderzoek vanuit het vrijwilligersnetwerk. Daarbij is het zinvol om in te zetten op lerende netwerken, op het tonen van best practices. • Een IOED moet werken aan een IOED – informatiebank, waarin de noodzakelijke info voor het werkingsgebied bij elkaar gebracht wordt. • Een IOED moet werken aan een expertenbank, waarin informatie over lokale deskundigheid (ook technisch – ambachtelijk) bij elkaar gebracht wordt. • Een IOED moet een sterke en nauwe relatie hebben met de actoren die actief zijn rond roerend erfgoed, ook al omdat dit ook in het werkveld zo is. • Een IOED moet een intermediaire functie spelen tussen overheid en het erfgoedweefsel en bezorgdheden van beide actoren aan elkaar overmaken. • Een IOED moet in haar publiekswerking vooral de bestaande initiatieven (bv. Open Monumentendag) op een hoger niveau brengen, eerder dan in te zetten op nieuwe initiatieven. • Een IOED moet inzetten op hun organisatorisch en administratief ondersteunen van grote events (meerdere partners samen) rond onroerend erfgoed.

80


6.2.3

Ambtenaren ruimtelijke ordening gemeenten

Op het overleg van 5 december zijn de ambtenaren ruimtelijke ordening specifiek bij elkaar geroepen. Uit eerder overleg en uit mondelinge informatie bleek immers dat onroerend erfgoed zeer specifiek met hun werking interfereert en dat ze dus specifieke verwachtingen hebben richting een IOED. Daarbij zijn volgende elementen als belangrijk naar voor gekomen: • De positie van een IOED in het herziene landschap waarin de rol van Brussel duidelijk veel kleiner geworden is, moet goed bekeken worden. • Onroerend erfgoed kan een belangrijke rol spelen in allerhande masterplannen, strategische projecten, … Precies daar kan een IOED een ondersteunende rol spelen. Het zou goed zijn om daar ook een technisch thema van te maken. Het beleidsplan (deel 2 van dit dossier) wordt ontwikkeld vanuit deze stellingen.

7

Een krachtenanalyse

Op deze plaats in een dossier past gewoonlijk een SWOT of een knelpuntenanalyse. We willen het liever een krachtenanalyse noemen. Het heeft weinig met overschatting, een overroepen zelfbeeld te maken. Maar de omgevingsanalyse toont een bijzonder coherent beeld. In dat geval mag er sprake zijn van uitgaan van de eigen kracht: een krachtenanalyse. In de historische wetenschappen speelt de relatie tussen mens en zijn (natuurlijke) omgeving een steeds grotere rol.23 Het onderzoek richt zich op de vraag hoe de omgeving de nederzettingsgeschiedenis van mensen mee bepaald heeft en hoe dat gevolgen heeft doorheen die hele geschiedenis. Zelden kom je een regio tegen waar die relatie zo duidelijk is: het is het Land van water en zand. De brongebieden / bovenlopen van de Kleine en Grote Nete gecombineerd met zand (lokaal uitzonderlijk waardevol zand) hebben vanaf de vroegste tijden de landbouw (celtic fields tot heidelandbouw) en veel later de industrie (zandwinning, zware chemische industrie) voor een zeer groot deel bepaald. Die vaststelling maakt het verhaal van de IOED k.ERF zeer vertelbaar. Het verhaal is niet enkel homogeen, het is ook integraal en integreerbaar. De landschappelijke kwaliteit van de regio is zeer hoog, wat uiteraard leidt tot een groot aandeel van beschermde landschappen (in alle mogelijke statuten). Maar die landschappen zijn ook drager van heel wat archeologie en bouwkundig erfgoed, waarbij net de relatie met het landschap overduidelijk is. Talloos zijn de voorbeelden en opnieuw variëren ze van heel oud tot jong. Het is voorspelbaar dat projecten benoemen, die conform de vereisten van het Agentschap Onroerend Erfgoed integraal en geïntegreerd moeten zijn, een gemakkelijke vanzelfsprekendheid in zich hebben.

23

Hidding, M., Kolen, J. & Spek.T. 2001. De biografie van het landschap. Ontwerp voor een inter- en multidisciplinaire benadering van de landschapsgeschiedenis en het cultuurhistorisch erfgoed. Alterra 81


Uiteraard blijft dit alles dode letter als er geen lokaal verankerd onroerend erfgoedweefsel is. Maar dat is er wel en het werkt. Uit het proces dat geleid heeft tot dit aanvraagdossier blijkt een zeer grote waardering van lokale overheid en van het onroerend erfgoedweefsel voor de erfgoedcel k.ERF en voor het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. Opvallend daarbij is dat er voortdurend (al is het formeel zelden hun taak) linken gelegd worden tussen landschap, onroerend erfgoed en roerend en immaterieel erfgoed. Dat volgt uiteraard uit het bovenstaande. Ook hier is integratie eigenlijk een permanent aanwezig begrip. Uiteraard is niet alles peis en vree. De echt bekende en grote erfgoedwaarden ontbreken enigszins in onze regio. Dat zorgt ervoor dat veel van ons onroerend erfgoed vooral bekend is bij en gewaardeerd wordt door het betrokken middenveld. Dat zorgt er ook voor dat onroerend erfgoed niet bij elk lokaal bestuur even sterk weegt in de beleidsplannen. Maar laat daar de kracht van de IOED liggen: lokale overheden en het onroerend erfgoedweefsel begeleiden om die unieke geschiedenis van het Land van water en zand beter in de focus te zetten en in te zetten op een adequate bescherming van het onroerend erfgoed.

82


Tussenin: Een vliegende start 83


Dit aanvraagdossier tot erkenning van de IOED k.ERF komt niet uit het niets. De verschillende gemeenten in dit werkingsgebied zijn al jaren actief op het vlak van onroerend erfgoed. Uit de omgevingsanalyse blijkt bovendien dat er binnen het werkingsgebied een groot gemeenschappelijk erfgoedpakket aanwezig is. Uit het beleidsplan (volgende deel van dit dossier) zal blijken dat er een sterke gezamenlijke missie en visie is. Het indienen van deze aanvraag tot erkenning kan dus alleen maar beschouwd worden als een logisch gevolg. Een erkenning als IOED zal ervoor zorgen dat projecten rond onroerend erfgoed meer integraal en gecoördineerd uitgevoerd kunnen worden. Hieronder worden uit de verschillende gemeenten een aantal voorbeelden aangehaald van nu reeds lopend projecten / initiatieven rond onroerend erfgoed. Balen • •

• • • •

Het Oud gemeentehuis (geklasseerd monument) wordt gerenoveerd. De renovatie is afgerond in november 2016. Het Pastorij Olmen poortgebouw (beschermd monument) wordt momenteel gerenoveerd. De Pastorij (Norbertijnstijl, niet beschermd als monument) is met eigen middelen gerenoveerd. Project Maloudomein: de historische landschapsstructuur van de landbouwontginning (1933 – 1935) wordt hersteld. Er worden erfgoedwandelingen met betrekking tot onroerend erfgoed (langsheen beschermde dorpsgezichten) georganiseerd. Er is ook 1 wandelapp beschikbaar. Een project rond kapellenreglement en renovaties is in uitvoering. Een project rond de magnetische prospectie (archeologie) te Scheps (vroegere Laathof) zit in de pijplijn. Hieromtrent is reed een studie van 1971 aanwezig.

Dessel • • •

Opmaak kapelletjes. De Kapel op de Kleine Heide is gerestaureerd in 2016. Momenteel (december 2016) loopt de restauratie van de Kapel op de Heide. Pomp op de Markt. Momenteel wordt het beheersplan voor de pomp op de markt opgesteld. Bedoeling is om daarna een restauratiedossier op te stellen en uit te voeren. Grensstraat. Een geklasseerde weg op de grens tussen Dessel en Retie. De restauratie is voorzien in de meerjarenplannen. Momenteel lopen er gesprekken tussen het gemeentebestuur van Retie en Dessel i.v.m. de financiering. Bedoeling is om volgende jaar (2017) te starten met de opmaak van een beheersplan. Daarna zal gestart worden met het restauratiedossier.

Meerhout • •

De Oude pastorie (Pastoor van Haechtplein) en bijhorende tuin werd geklasseerd als monument. Offertes voor een herbestemmingsonderzoek zijn niet weerhouden. De toren van de Sint-Trudokerk wordt gerestaureerd. Hiervoor krijgt de gemeente Meerhout subsidies van het Agentschap Onroerend Erfgoed. De niet gesubsidieerde kosten worden gedragen door de gemeente.

84


• •

In de nabije toekomst wordt een beheersplan opgesteld voor de Prinskensmolen. Daarna zal een restauratiedossier opgemaakt worden. De wieken werden ondertussen van de molen afgenomen en geconserveerd in afwachting van restauratie. In 2011 werd de kerkhofmuur aan de Sint-Trudokerk gerestaureerd. De site aan de historische watermolen, met het natuurgebied van de Vloei, wordt samen met Natuurpunt, ANB en VMM ontwikkeld. Alle partners investeerden in het gebied. VMM restaureerde samen met het gemeentebestuur de oude wasserij. De restauratie werd voltooid in 2013. In 2016 werd alle eigendom op de site die in private handen was gekocht: de gemeente kocht de woonhuizen, Agentschap Natuur en Bos de vijver en Natuurpunt de watermolen met subsidies van het gemeentebestuur. De watermolen is geklasseerd. De bedoeling is om de Grote Netevallei, het Grote Netewoud, de landduinenregio en de watermolen verder toeristisch te ontsluiten voor zachte recreatie. In 2014 overleed de molenaar en eigenaar van de Haenvense molen. Ondertussen lopen er onderhandelingen met Kempens Landschap om de molen te kopen en het gebied verder te ontwikkelen met accenten op duurzaamheid en ecologie. In het kader van de herdenking van 100 jaar WOI organiseerde het gemeentebestuur het vierjarig project 'Meerhoutse Klaprozen'. De opwaardering en restauratie van twee vuurkruisersgraven vormen onderdeel van het project. De werken worden in 2017 voltooid. Van 2015 tot 2017 loopt over gans Meerhout het Strategisch Project Landschap in Actie! Samen investeren in de ecosysteemdiensten van de landduinenregio (Geel, Meerhout, Balen, Mol), loont!

Mol • • •

• • • • •

Gemeente Mol restaureert de Sint-Pieter en Pauwelkerk. De vrienden van de 15 kapelletjes onderhouden de 15 kapelletjes en zorgen regelmatig voor het openstellen ervan. De molenaar van de molen van Ezaart (gemeentelijk personeel) en de vrienden van de molen van Ezaart zorgen voor rondleidingen in de molen van Ezaart. De molen van Ezaart is open voor publiek elke laatste zondag van de maand vanaf april tot en met september. Deelname aan open kerkendag. Gegidste wandelingen door Kamer voor Heemkunde over privé domein (bv. wandeling over kasteeldomein Wezel, ...). Rondvaarten op de Molse meren vanuit de haven portaventura. De gemeente Mol maakt beheersplannen voor zijn monumenten. …

Retie •

Als (mede)eigenaar neemt de gemeente de nodige initiatieven rond het behoud en de restauratie van haar (beschermde) onroerend erfgoed (Windmolen de Heerser, Lindeboom, kerken, Kapel Werbeek,…). Aan de monumenten zijn samen met de VVV infoborden gezet die de geschiedenis duiden van deze monumenten. Deze zijn intussen ook ontsloten via de IZI.travel-app. 85


• •

• • • •

Sinds 2009 beschikt de gemeente Retie over een reglement dat buurtcomités ondersteunt in onderhoud en restauraties van kapellen. In 2010 besliste de gemeente om bij de renovatie van de begraafplaats in het centrum in samenspraak met Onroerend Erfgoed en de heemkundige kring, enkele graven te selecteren die ook voor de toekomst behouden blijven. Bij het masterplan (2011) werd er ook een bomenplan voorzien dat ook aandacht geeft aan de beeldbepalende bomen in het centrum. Op het terrein, samen met Regionaal Landschap en LEADER-middelen werden de leuningen van de Schansdijkbrug in 2014 gerestaureerd. Op de begraafplaats werd de Calvarieberg met inbreng van LEADER-middelen in 2015 gerenoveerd. De Lindeboom (beschermd monument) onderging in 2016 nog een deskundige snoeibeurt en de bodem werd geploft. Er werden stekken genomen van de boom om de gemeente ook (genetische) nakomelingen te geven. Bij het ontwerp van de heraanleg van de Markt is Onroerend Erfgoed tijdig betrokken en krijgt het belang van de monumenten, de zichten en de betekenis van het onroerend erfgoed een prominente plaats. Retie zit hier op dit moment in de overgang van conceptfase naar ontwerpfase.

86


Deel 2 - Beleidsplan 87


1

Inleiding

Hoewel het proces kort geweest is (ongeveer twee maanden), heeft het veel informatie opgeleverd. Politieke mandatarissen, ambtenaren met heel verschillende expertise en een breed werkingsveld hebben niet alleen aangegeven dat ze een IOED een noodzakelijke meerwaarde vinden voor het erfgoedbeleid in de regio, ze hebben ook nauwkeurig weergegeven wat ze precies van een IOED verwachten. Ook de keuze voor een thematische benadering en de gekozen thema’s zijn omstandig besproken en weerhouden door alle stakeholders. De verwachtingen zijn hoog gespannen en het potentiële takenpakket is omvangrijk. Invulling geven aan dat takenpakket is dan ook zeer gemakkelijk. De realiteit van de uitvoering zal echter priotering vereisen. De operationele doelen worden telkens begeleid van ‘mogelijke acties’. Deze lijst is nog dwingend, noch limitatief. In het jaarprogramma zal telkens wel teruggegrepen worden naar deze lijst als basis voor de keuze van jaarlijkse acties. Maar draagvlak is er zeker. Dit beleidsplan is klassiek opgevat en vertrekt vanuit missie / visie om via strategische doelen bij operationele doelen terecht te komen, die ook omgezet worden in een prioriteitenplan voor het personeel.

2

Een missie voor IOED k.ERF

IOED k.ERF creëert maatschappelijk draagvlak bij inwoners en bezoekers voor het lokaal onroerend erfgoed. De gemeenten Retie, Dessel, Mol, Balen en Meerhout slaan de handen in elkaar om het aanwezige onroerend erfgoed en haar actoren op de kaart te zetten. Een gezamenlijk positief en stimulerend kader voor gemeentelijk onroerend erfgoedbeleid en alle betrokken actoren is daarbij het uitgangspunt. Op die manier wordt een bijdrage geleverd aan de Kempische streekidentiteit en de kennis over en beleving ervan. De IOED speelt daarbij een vanuit expertise opgebouwde dienstbare rol, die lokale overheden, het onroerend erfgoedweefsel en bewoners met een relatie tot onroerend erfgoed helpt de juiste beslissingen te nemen in het belang van de rijke bouwkundige, archeologische en landschappelijke kwaliteit van het gebied en de bijhorende beeldkwaliteit. De IOED k.ERF wil daarbij tevens de rol van bruggenbouwer tussen verschillende actoren, beleidsdomeinen en beleidsniveaus opnemen. De IOED breekt een lans voor haar onroerend erfgoed en doet dat vanuit vier gemeenschappelijke erfgoedthema’s, die de eigenheid, de uniciteit van de regio uitmaken: • • • •

het ontginningslandschap het waterlandschap het religieus en funeraire landschap het agrarische landschap

88


IOED k.ERF wil in haar benadering rond restauratie en ontsluiting tegelijk conserverend en vooruitkijkend zijn, gericht op verleden, heden en toekomst. Verbeelding, beeldkwaliteit en gebruikbaarheid zijn daarbij kernwoorden. Om dat mogelijk te maken wordt er maximaal gewerkt aan integratie en samenwerking met aanverwante organisaties en vakgebieden. IOED k.ERF wenst zich met dit alles te conformeren met de beleidslijnen zoals bedoeld onder het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 (hoofdstuk 3).

3

Een visie voor IOED k.ERF

Waardering voor en werking rond onroerend erfgoed heeft vooral te lijden – zo blijkt uit de door alle partners gedragen analyses – onder een gebrek aan beschikbare en bereikbare expertise. Dit bepaalt de werking van de IOED k.ERF: vanuit expertise dienstbaar werken aan de noden van het betrokken netwerk (overheden, burgers en het onroerend erfgoedweefsel) om te komen tot een kwaliteitsvolle omgang met ons erfgoed – patrimonium en de ontsluiting ervan. Daarbij worden drie grondelementen naar voor geschoven: • ondersteuning rond omgang met patrimonium en landschap • ondersteuning rond verenigingswerking • ondersteuning rond publiekswerking De concrete vertaling daarvan kan als volgt samengevat worden: •

• •

• •

De IOED k.ERF wil concreet werken aan het opbouwen van een gemeenschappelijk kader waarin alle aspecten rond expertise, advisering, loket en brugfunctie uitgewerkt worden zodat overheden, het onroerend erfgoedweefsel en burgers heel goed weten wat ze mogen verwachten en binnen welke randvoorwaarden. De IOED k.ERF wil de spin in het web zijn, een intermediair uitwisselpunt dat binnen het werkingsgebied contacten, samenwerking, uitwisseling, enz. stimuleert en organiseert. Uiteraard ligt de focus daarbij op de thematische werking (bv. alle betrokkenen die werken rond de verschillende watermolens langs de Neten). De IOED k.ERF wil inzetten op de verdere ontwikkeling van kennis en de uitwisseling daarvan (databanken, expertise – banken, lerende netwerken, best practices). De IOED k.ERF wil voor haar publiekswerking inzetten op een substantiële kwaliteitsverhoging van bestaande events (bv. Open Monumentendag) door samenwerking te stimuleren en door organisatorische en administratieve ondersteuning te geven. Ook het toeristisch potentieel van het onroerend erfgoed wordt in overleg met de bevoegde diensten ten volle ingezet voor inwoners en bezoekers. De IOED k.ERF wil in haar ondersteuning en advisering rond restauratie en ontsluiting tegelijk conserverend en vooruitkijkend werken met focus op (mede)gebruik en beeldkwaliteit. De IOED k.ERF wil vanuit haar visie bijdragen tot meer begrip voor erfgoed, een nauwere betrokkenheid bij de eigen leefomgeving en de Kempische streekidentiteit.

89


Binnen en geïntegreerd in het bovenstaande wordt de werking opgehangen aan vier thema’. De werking rond die thema’s zal maximaal op een integrale en geïntegreerde wijze benaderd worden, waarbij gekeken wordt hoe landschap, archeologie en bouwkundig erfgoed in een geheel kunnen aangepakt worden. De thema’s worden uitgebreider toegelicht in de Omgevingsanalyse op pagina 42, maar hier nog kort samengevat. •

Het waterlandschap: wellicht meer dan welke andere regio in Vlaanderen wordt IOED k.ERF bepaald door water en het bijhorende erfgoed, waarbij zowel natuurlijk water (de talrijke bovenlopen van Grote en Kleine Nete) als antropogeen water (kanalen, groeve – putten van turf, zand, spriet, ijzeroer) de streek sterk bepalen. Het ontginningslandschap: de regio is sterk bepaald door grootschalige ontginningen en dit met een breed tijdsperspectief, van de abdij van Postel tot de nucleaire ontwikkelingen van de jaren 1950 van de vorige eeuw. Het agrarische landschap: de regio behoort tot de grotere Europese traditie van heidelandbouw op zandgronden en situeert zich tussen de archeologie van de Celtic Fields en de omgang met het bouwkundig erfgoed van de Kempische langgevelhoeve van de 19e en begin 20e eeuw. Het religieus en funerair landschap: beginnend bij voor – christelijke grafheuvels komen we uiteraard bij het zeer rijke patrimonium aan kerkelijke gebouwen en hoe daar vandaag mee om te gaan.

4

Strategische en operationele doelstellingen

4.1

Strategische doelstelling 1

IOED k.ERF vestigt zich als professionele organisatie in een geïntegreerd samenwerkingsverband. •

Operationele doelstelling 1.1: Er wordt voldoende financiering gezocht om een goede werking te garanderen. Mogelijke acties: - De IOED vraagt de nodige subsidies aan bij Onroerend Erfgoed. - De aangesloten gemeenten leveren een cofinanciering van 20 tot 25 % voor de uitvoering van het actieplan. - De IOED volgt de actualiteit rond financieringskanalen en premiestelsels op om deze ook door te geven aan relevante lokale actoren. - De IOED zal, wanneer zich inhoudelijk relevante opportuniteiten voordoen ook inzetten op het verwerven van projectsubsidies. …

Operationele doelstelling 1.2: Er wordt maximale synergie gezocht met aanverwante organisaties teneinde erfgoed als geheel te kunnen aanbieden en organisatorische efficiëntie te kunnen realiseren.

90


Mogelijke acties: - De IOED zal maximaal samenwerken met de erfgoedcel k.ERF en het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. - De IOED zal zich samen met de erfgoedcel k.ERF huisvesten. - De IOED zal proberen om in haar personeelsbeleid samen te werken met naburige IOED’s. De IOED zal daarbij maximaal beroep doen op de daar aanwezig expertise om ontbrekende expertise te kunnen invullen (bv. IOED Noorderkempen beschikt over goede archeologen), dit uiteraard binnen de wettelijke bepalingen. - De IOED wil op regelmatige basis overleg hebben met de aangrenzende IOED’s. •

Operationele doelstelling 1.3: Er zal beroep gedaan worden op professionele experten en het vrijwilligersnetwerk voor de uitvoering van het onroerend erfgoedbeleidsplan van de IOED k.ERF. Mogelijke acties: - De IOED zal investeren in gespecialiseerd personeel in uitvoering van het onroerend erfgoedbeleidsplan met specifieke kennis rond bouwkundige casussen. - De IOED kan via de erfgoedcel k.ERF en RLKGN vzw altijd beroep doen op expertise rond het erfgoednetwerk, cultuurhistorische landschappen en klein bouwkundig erfgoed, en dat zonder zware procedures. - De IOED zal samenwerking zoeken met omliggende IOED’s om expertise te kunnen bekomen rond archeologie of deze in te kopen bij commerciële bureaus. - De IOED zal samenwerken met de betrokken gemeentelijke ambtenaren en gebruik maken van hun specifieke expertise. - De IOED heeft al een dicht netwerk van betrokken onroerend erfgoedactoren, die zelf aangeven betrokken te willen worden in een kennisnetwerk. …

4.2

Strategische doelstelling 2

IOED k.ERF bouwt aan een gemeenschappelijke methodiek rond expertise, advisering, beleidsondersteuning, loket en brugfunctie en implementeert deze in haar werking. •

Operationele doelstelling 2.1: Er wordt een participatief proces opgezet waarin de noden van lokale mandatarissen, ambtenaren (lokaal en bovenlokaal), erfgoedverenigingen en eigenaars van sites met erfgoed beschreven en met elkaar afgewogen worden. Mogelijke acties: - Informatievergaderingen. - Participatievergaderingen met ambtenaren erfgoed, landschap en natuur, ruimtelijke ordening. - Participatievergaderingen met erfgoedverenigingen. - Participatievergaderingen met eigenaars. - Terugkoppeling met de gemeente en de Raad van Bestuur IOED k.ERF.

91


Operationele doelstelling 2.2: Na ontwikkeling van het bovenstaande treedt een door de Raad van Bestuur en door de respectievelijke Colleges van burgemeester en schepenen goedgekeurd plan rond advisering, loket en brugfunctie in werking. Mogelijke acties: - Uitschrijven aanbod met volgende mogelijke elementen: voorbereiding preadvies voor het verlenen van een bouwvergunning, ondersteuning bij de opmaak van een landschaps- of erfgoedbeheerplan, opmaak archeologienota waar de gemeente bouwheer is, betrokkenheid bij strategische projecten, masterplannen, … ; dit alles vanuit een oplossingsgerichte houding en in overleg met de relevante betrokkenen. - Terugkoppeling met ambtenaren, erfgoedweefsel en eigenaars. - Goedkeuring door gemeente en Raad van Bestuur IOED k.ERF. - Breed bekendmaken van actieplan bij de bevolking. - Oprichting van een fysiek waarneembaar loket.

4.3

Strategische doelstelling 3

De IOED k.ERF organiseert zijn rol als spin in het web, als intermediair uitwisselpunt dat contacten, samenwerking, expertise, uitwisseling stimuleert en organiseert. •

Operationele doelstelling 3.1: De IOED k.ERF organiseert het opzetten van een feitelijk en digitaal netwerk aan onroerend erfgoedverenigingen. Mogelijke acties: - Interviewen van de individuele organisaties om zicht te krijgen op hun noden. - Het verwerken van die noden in een omvattend rapport. - Organiseren van netwerkvergaderingen om elkaar beter te leren kennen. - Opzetten van een digitaal platform waarop de erfgoedverenigingen zichzelf en hun specialismen kunnen voorstellen.

Operationele doelstelling 3.2: De IOED k.ERF organiseert het opzetten van specifieke thematische netwerken in functie van de thematische werking van de IOED of van specifieke projecten. Mogelijke acties: - Voorbeeld: het bij elkaar brengen van alle betrokkenen rond de erfgoedelementen rond de Grote Nete met mensen rond landschapszorg (valleigronden, laatmiddeleeuwse wateringen), bouwkundig erfgoed (watermolens, …) en archeologen (mottes op drogere plaatsen) om tot een gezamenlijk project te komen.

Operationele doelstelling 3.3: De IOED k.ERF organiseert overleg met middenveldorganisaties die in aanraking komen met onroerend erfgoed en analyseert hun noden.

92


Mogelijke acties: - Overlegvergaderingen. - Mogelijk individuele interviews. - Opmaak rapport voor Raad van Bestuur. 4.4

Strategische doelstelling 4

IOED k.ERF stimuleert en ondersteunt de opbouw van kennis en onderzoek. •

Operationele doelstelling 4.1: De IOED k.ERF verzamelt de bestaande kennis, actualiseert deze en zorgt voor de openstelling ervan. Mogelijke acties: - De IOED k.ERF verzamelt de beschikbare inventarissen van beschermd en waardevol onroerend erfgoed (deels in bijlage) verder. - De IOED k.ERF actualiseert en vult deze inventarissen aan waar mogelijk. - De IOED k.ERF onderzoekt relevante bronnen en literatuur. - De IOED k.ERF volgt actuele bouwkundige, archeologische en landschappelijke onderzoeksresultaten op. - De IOED k.ERF houdt een register en GIS – datalaag bij van alle uitgebrachte adviezen en van alle verrichte terreinwerkzaamheden. - De IOED k.ERF stelt dat register en de GIS – datalaag beschikbaar.

Operationele doelstelling 4.2: De IOED k.ERF stimuleert verder onderzoek en kennisopbouw. Mogelijke acties: - De IOED k.ERF maakt een overzicht van de beschikbare tijdschriften, naslagwerken en vakliteratuur in de regio. - De IOED k.ERF organiseert studiedagen, lezingen, … - De IOED k.ERF neemt deel aan relevante studiedagen en workshops over beleid, behoud, beheer en ontsluiting en koppelt opgedane kennis en expertise terug naar het onroerend erfgoedweefsel, … - De IOED k.ERF omschrijft met het onroerend erfgoedweefsel thesisonderwerpen voor hogescholen en universiteiten. - De IOED k.ERF organiseert terreinbezoeken bij belangrijke opgravingen. - De IOED k.ERF schrijft een tweejaarlijkse prijs uit voor het beste onderzoeksproject van vrijwillige onderzoekers in het werkingsgebied.

Operationele doelstelling 4.3: De IOED k.ERF organiseert het opzetten en onderhouden van een technisch netwerk van expertise rond ambachten en technieken en maakt deze bekend bij de erfgoedverenigingen en inwoners van het werkingsgebied. Mogelijke acties: - Regelmatig bij elkaar brengen van de lokale experten rond ambachten en technieken 93


-

4.5

Opzetten van vormingen om het aantal experten te laten toenemen en te voorkomen dat een bepaalde expertise wegvalt. Opzetten van een digitaal platform waarin de bekende expertise bekend gemaakt wordt, ook voor een breed publiek.

Strategische doelstelling 5

IOED k.ERF organiseert binnen de beleidsperiode één groter project voor elk van de vier gebiedsthema’ s, waarbij over gemeentegrenzen en over beleidsdomeinen (landschap, archeologie, bouwkundig erfgoed) heen gewerkt wordt. De looptijd van elk project is één tot anderhalf jaar. •

Operationele doelstelling 5.1: Jaarlijks wordt een overleg georganiseerd met de gemeenten en met het onroerend erfgoedweefsel, waarin bepaald wordt welke jaarproject uitgewerkt zal worden. Mogelijke acties: - Voorbereiden door te bekijken of er internationale / nationale projecten zijn waarop kan aangehaakt worden. - Onderzoeken in hoeverre mogelijke projecten mogelijk zijn over de gemeentegrenzen en de beleidsdomeinen heen. - Meewerken aan de organisatiestructuur van het project (ambtenaren, vrijwilligers, financiële noden, …) - Bekendmaken aan het brede publiek.

Operationele doelstelling 5.2: De jaarprojecten worden ondersteund en de resultaten worden publiek bekendgemaakt. Mogelijke acties: - Ondersteunend overleg. - Gebruiken communicatiekanalen IOED k.ERF. - Medeorganisatie van de publiekswerking. - …

4.6

Strategische doelstelling 6

IOED k.ERF verhoogt het lokale draagvlak voor onroerend erfgoed. •

Operationele doelstelling 6.1: Er wordt ingezet op integrale projecten om zo ook partners te sensibiliseren en enthousiasmeren die van nature minder verbonden zijn met erfgoed. Mogelijke acties: - De IOED k.ERF bekijkt in overleg met andere lokale organisaties (bv. VVV’s, Natuurpuntafdelingen, Landelijke Gilden) of een aansluiting bij relevante acties mogelijk is. 94


Operationele doelstelling 6.2: Er wordt breed en laagdrempelig gecommuniceerd over de IOED k.ERF, haar werking en onroerend erfgoed en dit maximaal in samenwerking met de partners. Mogelijke acties: - Er wordt een folder gemaakt over de IOED k.ERF, haar werking en onroerend erfgoed: deze wordt ruim verspreid en in o.a. openbare gebouwen bedeeld binnen de betrokken gemeenten. - In de zesmaandelijkse Landschapskrant van RLKGN vzw wordt een vaste rubriek voorzien rond onroerend erfgoed. - Er wordt, in samenwerking met de erfgoedcel, een geheel van digitale platformen over de IOED k.ERF ontwikkeld. - De IOED k.ERF levert aan de betrokken gemeentelijke communicatiediensten input aan voor de gemeentelijke communicatiekanalen.

Operationele doelstelling 6.3: Er worden evenementen georganiseerd waarbij het lokale onroerend erfgoed in de kijker komt te staan, zodat het publiek er op een leuke manier meer te weten over komt. Daarbij wordt in eerste instantie ingezet op het bestaande instrumentarium, waarbij gestreefd wordt naar een kwaliteitsverhoging door samenwerking. Mogelijke acties: - De IOED k.ERF spoort onroerend erfgoedactoren aan om samen evenementen te organiseren en deel te nemen aan grote evenementen of acties zoals Open Monumentendag en de Onroerend Erfgoedprijs. - De IOED k.ERF zet zelf intergemeentelijke onroerend erfgoedevenementen op poten - De IOED k.ERF zorgt voor logistieke of administratieve ondersteuning bij het opzetten van evenementen. - De IOED k.ERF maakt eventuele subsidies bekend aan organisaties uit het netwerk, die werken aan een evenement.

Operationele doelstelling 6.4: Kinderen worden gesensibiliseerd over onroerend erfgoedwaarden om hen heen. Mogelijke acties: - Er wordt afgetoetst bij scholen of er samen een educatief pakket rond (een aspect van) onroerend erfgoed ontwikkeld kan worden (passend in de eindtermen). - Er wordt een gidsennetwerk van vrijwilligers opgebouwd rond onroerend erfgoed. - Op evenementen wordt er ook rekening gehouden met een aanbod voor de jeugd.24

24

We wensen ons beleid rond publiekswerking rond jeugd te laten inspireren door Handleiding Dieper dan Shakespeare, hoger dan de kathedraal. Erfgoededucatie in de schoolbuurt. Agentschap Onroerend Erfgoed. 95


5

Een organisatiestructuur: gericht op integratie

5.1

Inleiding

Bij de voorbereiding van dit dossier is er binnen de stuurgroep grondig doorgepraat over de wenselijkheid van integratie. Of concreter: hoe positioneren we de IOED tegenover verwante werkingsvelden en organisaties? In de documenten van het Agentschap Onroerend Erfgoed wordt gesteld dat een IOED geĂŻntegreerd en integraal moet werken. Uiteraard gaat het om de interne werking, maar de stuurgroep wenst die houding in haar consequenties door te trekken. Dit onderdeel van het dossier gaat over de organisatiestructuur, maar vertelt ook over hoe die integratie uitgewerkt wordt. 5.2

De organisatiestructuur samengevat

Hieronder vindt men een samenvattende figuur, die het onderstaande wat duidelijker maakt.

Figuur 49 Samenvattende figuur organisatiestructuur 96


5.3

De bestuurlijke samenwerking: het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband

IOED k.ERF is zoals dat statutair vereist is een Intergemeentelijk Samenwerkingsverband. Er is bewust voor gekozen om de IOED onder te brengen bij de reeds bestaande IGS “Projectvereniging Cultuurnetwerk Kempen”. Binnen die Projectvereniging25 zitten naast de IOED ook de Erfgoedcel k.ERF, de Cel Bibliotheekbeleid en de Cel Cultuurbeleid vervat. Daarmee wordt een eerste duidelijke link gelegd tussen roerend, immaterieel en onroerend erfgoed. Het bestuur zal uitgemaakt worden door dezelfde bestuurders, wat moet bijdragen tot die integratie. De actuele bestuurders van Projectvereniging Cultuurnetwerk Kempen zijn de volgende: • • • • • • •

Voor de gemeente Retie: Koen Claessens Voor de gemeente Dessel: Viviane Willems Voor de gemeente Mol: Paul Vanhoof Voor de gemeente Balen: Richard Vermeulen Voor de gemeente Meerhout: Jan Melis Voor de gemeente Geel26: Marleen Verboven Voor de gemeente Laakdal27: Gerda Broeckx

Daarmee is de bestuurlijke link naar het Regionaal Landschap nog niet gelegd. Momenteel loopt er binnen alle regionale landschappen in Vlaanderen een oefening rond de verbreding van de bestuurlijke organen. Dat is mede het gevolg van het feit dat vele regionale landschappen betrokken zijn bij of rechtstreeks initiatiefhouder zijn van IOED’s. En uiteraard is het dan ook voor IOED k.ERF de bedoeling om een bestuurlijke afvaardiging te sturen naar het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. 5.4

De beleidsmatige samenwerking: het voorbereidend comité

De Raad van Bestuur wordt binnen de projectvereniging Cultuurnetwerk Kempen voorbereid in het zogenaamde Voorbereidend Comité (kortweg Voorcom genoemd). Daarin zetelen de professionele medewerkers van de Erfgoedcel k.ERF en de betrokken ambtenaren van de verschillende gemeenten. In de toekomst zal dat Voorcom een nog meer centrale rol spelen in het integreren van de werking. Daartoe zal het Voorcom uitgebreid worden met de personeelsleden van de IOED k.ERF en het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete. Dit maakt het mogelijk om bij de keuzes van thema’s en projecten maximaal in te zetten op die geïntegreerde en integrale aanpak. In het optimale geval wordt patrimonium dan onderdeel van een landschap en de roerende en immateriële inhoud ervan dragen het verhaal van het geheel.

25 Het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Cultuurnetwerk Kempen omvat nog twee extra gemeenten: Geel en Laakdal. Deze participeren niet aan de IOED k.ERF omdat zij al lid van de IOED de Merode zijn. 26 Ibidem 27 Ibidem

97


Een goede agendaplanning zal voorkomen dat mensen aanwezig moeten zijn voor elementen die hen niet aanbelangen. 5.5

De beleidsmatige samenwerking: de stedenbouwkundige ambtenaren

Stedenbouwkundig ambtenaren benaderen onroerend erfgoed in eerste instantie technisch en als onderdeel van een breder patrimonium – geheel. Die benadering is zeer belangrijk voor de werking van de IOED en onderwerp van een apart technisch thema (zie 5.2.5). Hun verwachtingen van de IOED liggen (met enige waarschijnlijkheid) echter anders dan die van het klassieke werkveld rond erfgoed. De stedenbouwkundig ambtenaren worden daarom in principe niet opgenomen in het Voorcom. Ze krijgen wel de verslagen. En uiteraard kunnen ze in functie van specifieke projecten of vragen van hun kant steeds deelnemen aan het Voorcom. Om de bovenlokale werking rond onroerend erfgoed bij stedenbouwkundige ambtenaren te versterken wordt voorzien om twee keer per jaar een overlegvergadering vanuit de IOED te organiseren. Doel is onder meer om kennis uit te wisselen en de wensen van de ambtenaren beter te leren kennen. 5.6

Het onroerend erfgoedweefsel: een vanzelfsprekende integratie

Erfgoedcel k.ERF heeft een lange traditie van overleg met het weefsel van verenigingen en actieve geïnteresseerden: het erfgoedoverleg k.ERF. De deelnemers komen uit heemkundige en historische kringen. Het overleg vindt vier keer per jaar plaats.

Het doel van de vergaderingen is vastgelegd: • uitwisselen van ideeën en expertise • elkaar op de hoogte brengen van projecten en noden • vorming • thematische uitwisseling • doorstroming van bovenlokale initiatieven De waardering voor dit overleg is zeer hoog, zowel bij de professionelen van de erfgoedcel als bij het weefsel zelf. Het is dan ook vanzelfsprekend om dit overleg gewoon verder te zetten. Het gaat immers voor het overgrote deel over dezelfde mensen: velen in heemkundige kringen die met roerend erfgoed bezig zijn, zijn ook bezig met onroerend erfgoed. Waar nodig, zullen specifieke organisaties die met onroerend erfgoed bezig zijn en nog niet betrokken zijn bij het erfgoedoverleg k.ERF aangezocht worden om deel uit maken van het genoemde overleg. In dit overleg zijn de betrokkenen rond landschap niet betrokken. Deze organisaties worden traditioneel bediend via het Regionaal Landschap. Dat blijft ook zo, maar er wordt ingezet op 98


geïntegreerde projecten. In functie van die projecten zullen dan overlegfora opgezet worden, die ervoor zorgen dat ook de betrokkenen elkaar beter leren kennen. Op termijn kan er dan naar een verder integratie gekeken worden. 5.7

Personeelsbeleid: integreer expertise en creëer eigen expertise

Uiteraard moet er rekening gehouden worden met de specifieke decretale of andersoortige beperkingen rond subsidiëring en tijdsgebruik of de regelgeving rond overheidsopdrachten, maar het is de intentie om de inhoudelijke integratie zoals hogerop beschreven ook op het niveau van het personeelsbeleid door te voeren. Daarbij worden volgende expertise – noden voor IOED k.ERF onderscheiden: •

• • •

Inhoudelijk zijn er drie thema’ s: - Archeologisch erfgoed - Bouwkundig erfgoed - Landschappelijke erfgoed Bewegingswerk: de samenwerking met het onroerend netwerkweefsel en andere stakeholders Publiekswerking: communicatie en evenementen Administratie

Volgens de huidige prognoses zullen er middelen zijn voor 1,5 VTE. Witte raven zijn zeer zeldzaam. Het is dan ook beter om de inzet op eigen expertise – ontwikkeling te beperken tot één thema en verder samenwerking te zoeken met de bestaande expertise. Momenteel zijn er nog geen beslissingen, maar er lijkt consensus te zijn rond het opbouwen van expertise rond bouwkundig erfgoed en daarop te focussen bij de aanwerving van personeel. De andere nodige expertise wordt, waar dat kan en waar dat wettelijk mogelijk is, maximaal uit de samenwerking gehaald: • • • •

Er is uiteraard de samenwerking met het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete, die zorgen voor het de werking rond landschappelijk erfgoed. Er is het bewegingsnetwerk van de Erfgoedcel k.ERF en de ervaring van hen om daarmee te werken, alsook hun ervaring rond publiekswerking. Voor het archeologische luik zal er beroep gedaan worden op de expertise van IOED Noorderkempen of zal er indien nodig met een gespecialiseerd bureau gewerkt worden. Er wordt tevens bekeken of en hoe administratieve ondersteuning ook kan gebundeld worden.

En uiteraard is er de keuze voor de huisvesting. De IOED en de erfgoedcel zullen opereren vanuit hetzelfde gebouw. Ook dat zal de integratie sterk vergemakkelijken.

99


5.8

Een niet toevallig gekozen naam

De IOED zal k.ERF genoemd worden. Dat is precies dezelfde naam als de erfgoedcel. Die keuze is ingegeven door een combinatie van fundamentele en praktische ingevingen. De fundamentele keuze ligt uiteraard in de wil tot integratie van het werkingsveld van erfgoed. Onroerend (archeologie, bouwkunde en landschap), roerend en immaterieel erfgoed hebben erfgoed als gemeenschappelijke drager. Met die keuze voor k.ERF voor de erfgoedcel en de IOED benadrukken we dat. Het verhoogt ook de herkenbaarheid voor mensen. De leek maakt het onderscheid tussen onroerend en roerend erfgoed niet. Een naam, een plek zorgt voor duidelijkheid. Daarnaast zijn er ook nog een reeks voordelen van praktische aard: gemeenschappelijkheid rond communicatie en de dragers (van enveloppe tot Facebook) daarvan, logo’ s, ‌ We willen dit dossier eindigen met de toelichting van de baseline, die hoort bij de naam IOED k.ERF: Land van water en zand. We hopen dat het hele dossier dat uitademt: het hele onroerend erfgoed van de regio vindt zijn eigenheid, zijn bijzonderheid in de combinatie van water en zand.

100


Bijlagen 101


Bijlage 1

Bebouwing dorpskernen op Ferrariskaart (1771 – 1778)

(http://www.geopunt.be/) Dessel

102


Retie

103


Mol

104


Mol Postel

105


Balen

106


Meerhout

107


108


Bijlage 2

Traditionele landschappen

Het Land van Geel-Mol De belangrijkste landschapsecologische waarden zijn gebonden aan typische Kempische biotopen als heiden, vennen, moerassen en soortenrijke hooilanden. Ze kennen hun grootste concentraties in de valleien van de Grote en de Molse Nete die binnen hun waterlichaam eveneens grote natuurwaarden herbergen. Door de complexe geomorfologie van deze streek (interfluvia, valleien, duinen, tertiaire heuvelruggen) ontstaan zeer gevarieerde milieugradiĂŤnten die aanleiding (kunnen) geven tot een grote variatie aan biotopen. Daar waar de relatie tussen vallei en interfluvium nagenoeg intact is, bevinden zich zeer belangrijke zones voor het natuurbehoud. In deze landschapseenheid komen relatief grote oppervlakten, kleinschalige landschappen voor die, naast een landschapshistorische waarde, een belangrijke faunistische waarde hebben en grote potenties bieden voor natuurverbindingsdoeleinden. Belangrijke potenties voor natuurontwikkeling zijn aanwezig in de talrijke monotone bestanden van naaldhout en populier. Het nieuwe landschap van de zandwinningsputten biedt, enkele uitzonderingen niet te na gelaten, vooralsnog meer potenties dan actuele waarde. Haar enorme oppervlakte en strategische ligging naast enkele van de meest waardevolle natuurkernen in de provincie maakt hen van groot belang voor het toekomstige natuurbehoud in deze streek. Natuurwaarden van uitzonderlijk belang worden gerealiseerd wanneer het Kempische voedselarme milieu in onrechtstreeks contact komt met mineraalrijk kanaalwater. In het Buitengoor-Meergoor-Sluismeer bevinden zich belangrijke oppervlakken van deze biotopen.

De vallei van de Grote Nete Wanneer de Grote Nete de provincie binnenkomt zit ze in haar middenloop en kent een uitgesproken meanderend karakter. Ten gevolge van de samenvloeiing met en de nabijheid van diverse kleinere beken (Asbeek, Hanske Selsloop, Kleine en Grote Hoofdgracht) ontstaat op het grondgebied van Balen een breed valleigebied met een zeer lage urbanisatiegraad. Deze verbrede alluviale strook wordt algemeen gekenmerkt door dagzomend veen en uittredende kwel. Deze abiotische omstandigheden vertalen zich op het terrein in relatief grote oppervlakten waardevolle tot zeer waardevolle biotopen. Op de venige gronden vindt men afwisselend vochtige tot natte hooilanden (omgeven door een dicht netwerk aan kleine landschapselementen), rietveldjes en ruigten, diverse elzenbroeken, in mindere mate berkenbroekbossen en een beperkt aantal populierenaanplanten. De structuurrijke Grote Nete en haar zijlopen, waarvan de waterkwaliteit goed tot zuiver is, vormt een belangrijk biotoop voor heel wat vissoorten. Naast (half)natuurlijke biotopen komen er langsheen de Grote Nete ook relatief veel vijvers voor. Hun aantal neemt sterk toe in westelijke richting (Meerhout, Geel). Ten westen van het kanaal is er een toename van populierenbestanden en visvijvers. Het landschap blijft gesloten door het dichte netwerk aan KLE . In westelijke richting wordt het landbouwgebruik intensiever. Daar waar de meeste bossen ten oosten van het kanaal Dessel-Kwaadmechelen relatief klein zijn, komen hier meer uitgestrekte bestanden voor. Plaatselijk zijn er heiderelicten. De overwegend monotone bosbestanden bieden grote mogelijkheden voor natuurontwikkeling. Het landschapspatroon, gevormd door de paraboolduinen, planmatige ontginningen, bossen en

109


heiderestanten en kleine landschapselementen, is bijzonder kenmerkend en illustratief voor de landschapsontwikkeling van de regio en heeft dan ook een grote behoudswaarde. Het Land van Herentals-Kasterlee De landschapseenheid wordt gestructureerd door de opeenvolging van veelal parallelle beekdalen en duinenruggen. Beide kennen nog grote, aaneengesloten, typisch Kempische, natuurwaarden als heide, moerassen, vennen, nat en droog loofbos en soortenrijke hooilanden, mede aanwezig ten gevolge van de talrijke overgangssituatie tussen beide landschapscomponenten. Het meest dominante landschapsecologische geheel wordt gevormd door de beekvalleien van Aa en Kleine Nete met de tussenliggende Kempische Heuvelrug. De beekdalen zijn op diverse plaatsen venig. Waar dit veen niet werd ontwaterd of de vegetatie tot intensief productiegrasland werd omgezet, vindt men concentraties van zeer waardevolle heterogene, kleinschalige landschappen. De omgeving van de Kindernouwbeek en de Aa ten zuiden van Turnhout zijn hier goede voorbeelden van. Een groot deel van de waterlopen valt op door haar behoorlijke natuurlijke structuur en analoge waterkwaliteit wat resulteert in goed ontwikkelde waterplantenvegetaties en vispopulaties. De bovenlopen van de Kleine Nete zijn hierbij van Vlaams belang. Er is een zekere gradiĂŤnt van loofbos naar naaldhout van west naar oost. De westelijke bossen zijn oud en met name de typische beekbegeleidende bostypen hier aanwezig herbergen unieke floristische natuurwaarden. In de oostelijke zone komen naast het naaldhout een aantal belangrijke broekbosgebieden voor (Tikkebroeken, Winkelsbroek, Zevendonk, Visbeekvallei). De Zegge is een voor het natuurbehoud zeer belangrijk relict van het unieke uitgestrekte laagveencomplex dat zich tot het midden de 20ste eeuw centraal in de vallei van de Kleine Nete uitstrekte. De voormalige zandwinnings- en turfputten die in het oostelijke deel voorkomen, maken deel uit van de waterrijke matrix in deze regio met kernpunt rond de kanaalzone te Mol-Dessel. Dat belangrijke landschapsecologische waarden grote delen van deze landschapseenheid innemen, blijkt nog het best uit een overzicht van de Habitatrichtlijngebieden (zie verder). De landschapseenheid is als het ware een hot-spot voor dergelijke gebieden, wat meteen aanduidt dat een bovenlokale inrichtings- en beheersdynamiek hier zeker wenselijk is.

110


Bijlage 3

Ankerplaatsen

Abdij van Postel en de Ronde Put Wetenschappelijke waarde De Ronde Put en omgeving betreft op natuurwetenschappelijk gebied één van de interessantste gebieden van de Kempen. Gelegen in het brongebied van de Kleine Nete en rijk aan open water en moerassen, vinden we hier overgangssituaties van drogere naar natte vegetatie, alsook verschillende verlandingsstadia. De afwisselende vegetatietypes van droge heide, grove dennen, elzenbroek struweel en oude bossen resulteren in een belangrijke botanische waarde. De combinatie van open water met natte vegetaties, oud bos en weilanden biedt ideale mogelijkheden voor water- en prooivogels, waarvan enkele zeldzame exemplaren in het gebied broeden. Maar ook insecten, vlinders, reptielen en amfibieën gedijen hier goed. Historische waarde Deze ankerplaats is een getuige van het vroegere grootgrondbezit met landbouw, bosbouw en later ook jacht. Men vindt hier de verschillende stadia in de evolutie van het landschap terug: loofbosontginningen en vorming van heide en akkers, droogleggen van moerassen en het herbebossen van heide, de uitbating van veenmoeras. Het abdijgebouw met omwalling, aan aantal dreven in oost-westelijke richting, en de structuur van de Ronde Put zijn reeds op de historische kaart van Ferraris (1777) herkenbaar. De structuur van de onmiddellijke omgeving van de abdij, en meer bepaald de ontginningsstructuur, de bospercelen en het drevenpatroon, zijn sinds het begin van deze eeuw relatief gaaf gebleven (cf. MGI, 1909). Met de abdij -waarvan de kerk minstens teruggaat tot de 13de eeuw en andere delen tot de 16de eeuw-, het kasteel uit het midden van de 19de eeuw en enkele oudere hoeven en woningen, herbergt deze ankerplaats eveneens heel wat bouwkundig erfgoed. Esthetische waarde De combinatie van een ongerept natuurgebied (de Ronde Put) temidden van een oud cultuurlandschap met bossen en kleinschalige landbouwpercelen en het in het gebied aanwezige bouwkundig erfgoed, geeft deze ankerplaats een zeer hoge esthetische waarde. De ongereptheid, de uitgestrektheid en het afwezig zijn van 'horizontvervuiling' dragen positief bij tot de belevingswaarde. Sociaal-culturele waarde De abdij van Postel heeft doorheen haar eeuwenlange geschiedenis een belangrijke stempel gedrukt op de evolutie van het gehucht Postel en omgeving. Vanaf de late middeleeuwen tot in de helft van de 19de eeuw werden sommige veenmoerassen uitgebaat ten behoeve van brandstofvoorziening. Ruimtelijk-structurerende waarde Gelegen in de centrale Kempen, heeft dit landschap de typische compartimentenstructuur van eenheden bos, afgewisseld met eenheden weiland. De Ronde Put en het gehucht Postel, met de abdij en het kasteel, vormen twee zwaartepunten in het landschappelijk geheel. Een indrukwekkend drevenpatroon geeft het geheel de typische blokvormige structuur. Deze ankerplaats vertoont nog een belangrijke samenhang met haar omgeving. 111


A10075 : Buitengoor en Sluismeer Wetenschappelijke waarde Buitengoor-Sluismeer betreft een gebied met een complexe structuur. De vegetatie is typisch voor een gradiëntmilieu, ontstaan door een contact van voedselarm en voedselrijk water. Deze specifieke situatie heeft aanleiding gegeven tot een zeer gedifferentieerd milieu waarin verschillende zeldzame ecotopen een hoge ontwikkelingsgraad hebben bereikt. Als gevolg hiervan groeien op een eerder beperkte oppervlakte zeer zeldzame plantensoorten. Het slenken-bultenmoeras in het Buitengoor herbergt een voor Vlaanderen unieke abiotische situatie door de kleine reliëfverschillen en de dynamische rol van regen- en kwelwater die ontstaan geven aan een pH- en vochtigheidsgradiënt. De rijke vegetatie en flora biedt goede mogelijkheden voor verschillende diersoorten. Zo zijn o.a. de vogels, dagvlinders en libellen hier sterk vertegenwoordigd. Historische waarde Het landschap Buitengoor-Sluismeer dankt zijn ontstaan aan de invloed van de mens in het gebied en de omgeving. De landbouwgemeenschap die zich, na de afdamming van de Vlemincksloop, in het gebied vestigde, paste het potstalsysteem toe. De heiderelicten die we in het gebied aantreffen, zijn daar tot op vandaag een bewijs van. De natte weilanden in het beekdal ontstonden door het vervangen van het elzenbos door met houtwallen omgeven beemden die strooisel moesten opleveren. Het wegenpatroon, alsook de perceelsstructuur van het beemdengebied zijn zo goed als stabiel gebleven sinds het begin van de 20ste eeuw (cfr. MGI 1909). Door de zandwinningen, die na het aanleggen van de kanalen in de 19de eeuw, op gang kwamen, is het voormalige Kempens landbouwlandschap dat in deze omgeving voorkwam ingrijpend veranderd; de ankerplaats Buitengoor-Sluismeer bleef echter voor het grootste deel van deze ingrepen bespaard. Esthetische waarde Ter hoogte van het Buitengoor en Meergoor biedt het deels beboste, deels open landschap met geleidelijke overgang van heide naar gagelstruweel, van drogere bulten naar vochtiger slenken en van broekbos naar beemden een hoge belevingswaarde. Daarnaast is ook het kleinschalige bocagelandschap van de Broekbeemden met talrijke houtkanten esthetisch zeer aantrekkelijk. Sociaal-culturele waarde Geen Ruimtelijk-structurerende waarde Ten zuiden van het gehucht Sluis hebben we te maken met een afwisseling van open en gesloten structuren, wat resulteert in een compartimentenlandschap. Het beemdengebied ten noorden van Sluis betreft eerder een bocagelandschap: weilanden omgeven door houtkanten of hier en daar door bomenrijen.

A17001 : Grote Netevallei te Balen met De Most Wetenschappelijke waarde De wetenschappelijke waarde van deze ankerplaats wordt in de eerste plaats bepaald door haar 112


ligging in een uitgestrekte alluviale vlakte van de Grote Nete en een aantal van haar zijlopen. Dit maakt dat vooral de vochtminnende planten zeer rijk aanwezig zijn. De talrijke kleine landschapselementen, in afwisseling met weinig verstoorde en vaak voedselarme graslanden, dragen eveneens bij tot een gevarieerde flora. Dit kleinschalig landbouwlandschap is tevens een waardevol broedgebied voor heel wat algemene en minder algemene vogelsoorten en ook libellen, dagvlinders, insecten en amfibieĂŤn vinden hier geschikt habitat. De structuurrijke Grote Nete en haar zijlopen, waarvan de waterkwaliteit goed tot zuiver is, vormt een belangrijk biotoop voor heel wat vissoorten. Verder herbergt het gebied ook een aanzienlijke reeĂŤnpopulatie. Historische waarde Meer dan twee eeuwen lang heeft de mens dit kleinschalige landbouwgebied gevormd en onderhouden. Dit uit zich tot op vandaag onder vorm van de smalle percelering, de houtkanten, grachten en greppels, alsook het wegenpatroon. In het oostelijke gedeelte ligt het gebied ongeveer 1 tot 1,5 meter lager dan de bedding van de Grote Nete als gevolg van turfwinningen vanaf de 16de eeuw. De historische waarde van deze ankerplaats wordt tevens bepaald door het aanwezige bouwkundige erfgoed. De St.-Odrada kapel werd opgericht in 1896. Tevens komen er in het gebied twee waardevolle molens voor: de oorsprong van de Hoolstmolen gaat terug tot de 13de eeuw en de Topmolen heeft nog een molensteen die dateert uit 1850. Esthetische waarde Dit uitgestrekte landschap betreft een mooi restant van een kleinschalig landbouwgebied in het alluvium van de Grote Nete. De smalle perceelstructuur, de talrijke kleine landschapselementen en de waterlopen, die met het gebied verweven zijn, vormen een esthetisch zeer waardevol en voor de streek zeer typisch landschap. Sociaal-culturele waarde Volgens de overlevering zou tijdens de vroege middeleeuwen in het nu verdwenen Frankische 'Hof van Scheps' de heilige Odrada geboren zijn. Op enkele honderden meters van dit hof bevindt zich het Odradaputteke, een bron waaraan een heilzame werking wordt toegeschreven. Hier werd in 1896 een bedevaartskapel ter ere van de Heilige Odrada opgericht. Ruimtelijk-structurerende waarde Deze ankerplaats betreft een gesloten valleigebied met centraal de opvallend meanderende loop van Grote Nete en van daaruit vertrekkend talrijke zijlopen. De langgerekte perceelsstructuur met perceelsrandbegroeiing en talrijke kleine waterplasjes resulteren in een zeer typische en herkenbare structuur, die vooral in het gedeelte ten zuiden en zuidwesten van kasteel De Most ontstaan geeft aan een coulisselandschap.

A10022 : Priorij van Corsendonk en de Tikkebroeken Wetenschappelijke waarde De natuurwetenschappelijke waarde van deze ankerplaats wordt in de eerste plaats bepaald door het valleigebied van de Rodeloop, waar men een typische beekdalvegetatie terugvindt. Een complex van natte hooilanden, vochtige heide en struweel, naast drogere plaatsen met naald- of loofhout zijn 113


het resultaat van een variatie aan abiotische condities. De structuurdiversiteit van het gebied maakt het ook voor de fauna geschikt: de vogelrijkdom is zeer waardevol, maar ook zoogdieren, amfibieĂŤn, reptielen, en talrijke vlinders en libellen vinden hier geschikt habitat. De boscomplexen ten noordoosten van de priorij en deze langsheen de Wamp dragen eveneens bij tot de natuurwetenschappelijke waarde van de ankerplaats en hebben vooral voor de avifauna een belangrijke waarde. Historische waarde Archeologische sporen verwijzen naar een eerste, vermoedelijke nederzetting rond 1398. De tot vandaag 'bewaarde' , deels gerestoreerde of gereconstrueerde gebouwen van de voormalige priorij Corsendonk gaan echter terug tot de 16de - 17de eeuw. De priorijgebouwen met tuin, de Oude Corsendonkvijver (huidige eendenkom) en een deel van het drevenpatroon zijn reeds goed herkenbaar op de historische kaarten van Ferraris (1777). Ten noorden van de priorij ligt het molenhuis van de eertijds nabijgelegen molen, dat teruggaat tot het einde van de 18de eeuw. Het omliggende landschap, en met name de valleien van de Rodeloop en de Wamp, werd gevormd door de landbouwactiviteiten in de 19de eeuw. De opstrekkende perceelsstructuur langsheen de Rodeloop komt redelijk goed overeen met wat we vinden op de kaarten van het MGI uit het begin van de 20ste eeuw. Esthetische waarde De openheid van het centrale gedeelte, gedomineerd door de voormalige priorij, en de gesloten omgeving met de valleien van de Wamp en de Rodeloop doen een contrastrijk compartimentenlandschap ontstaan. Vanaf de priorij vetrekken een aantal indrukwekkende dreven die het zicht op de omgeving 'filteren'. Sociaal-culturele waarde De voormalige priorij Corsendonk heeft doorheen de geschiedenis een belangrijke rol gespeeld in de religieuze geschiedenis van de streek. Ruimtelijk-structurerende waarde Twee belangrijke structurerende elementen in dit landschap zijn de Rodeloop met vallei in het westen en de Wamp met vallei in het oosten. Gelegen langs de begrenzing, 'omhelzen' zij als het ware het landschap. Daarnaast is er het drevenpatroon, dat vertrekkend vanaf de priorij naar de vier windrichtingen uitstraalt en zo de centrale ligging van de priorij benadrukt.

A17002: Rammelaars Wetenschappelijke waarde Grote delen van het gebied zijn bedekt met een dikke veenlaag van gemiddeld 1m dikte. Het continue beheer van het gebied resulteerde tevens in een grote diversiteit.

114


Historische waarde Het bekenpatroon, het grachtensysteem en het perceleringspatroon van begin 19de eeuw, bleef tot op heden min of meer ongewijzigd. Het gebied De Rammelaars is een getuige van een 19de eeuwse waterbeheersing. In het gebied werd tot in de 20ste eeuw turf gestoken en ijzererts ontgonnen. Esthetische waarde Vooral het zuidelijk gelegen deel is een levende getuige van een voormalig kleinschalig Kempens beekdallandschap. Dit cultuurlandschap is in het noordelijk gelegen deel niet meer herkenbaar, de verschillende successiestadia van de verlaten percelen vormen hier stilaan een ander landschap. Dit maakt echter dat het geheel een gebied is met een zeer gevarieerd landschap. Sociaal-culturele waarde Het gebied is vrij toegankelijk op de paden. In het gebied ligt een bezoekerscentrum van waaruit regelmatig geleide wandelingen worden georganiseerd. Ruimtelijk-structurerende waarde Het is een uitgebreid gebied met een typische structuur namelijk het z.g. coulissenlandschap.

A10056 : Selguis / Kievermontbroek Wetenschappelijke waarde Gelegen in de vallei van de nog sterk meanderende Molse Nete, wordt dit landschap gekenmerkt door talrijke overgangssituaties van nat naar droog. Daarnaast is er een grote dichtheid aan -vooral lijnvormige- kleine landschapselementen. Deze afwisseling in vegetatiestructuur resulteert in een rijke flora en de talrijke open waters maken het gebied ook interessant voor aan water gebonden fauna. Als geheel vormt Selguis / Kievermontbroek een natuurlijke stapsteen langsheen de Molse Nete tussen de bewoningskernen van Geel in het westen en Mol in het oosten. Historische waarde Deze ankerplaats betreft een goed voorbeeld van een oud beemdenlandschap met duidelijke sporen van 19de eeuwse turfwinning (cf. Ferraris, 1777 en MGI, 1909). Het grondgebruik in dit valleigebied komt nog in belangrijke mate overeen met datgene in de 18de eeuw, met natte gras- en hooilanden langs de rivier en in de noordwestelijke en noordoostelijke hoek akkers en weiland. Het wegenpatroon en de perceelsstructuur is relatief gaaf bewaard gebleven in vergelijking tot de toestand in het begin van de 20ste eeuw. De Molse Nete heeft doorheen de geschiedenis in dit gebied steeds haar sterk meanderende loop behouden. Esthetische waarde Deze ankerplaats betreft een mooi bewaard, kleinschalig valleigebied met centraal de sterk meanderende Molse Nete. De langwerpige percelering, de restanten van de turfwinputten en talrijke opgaande lineaire landschapselementen dragen bij tot de esthetische waarde van dit typisch Kempisch landschap. Sociaal-culturele waarde In de tweede helft van de 19de eeuw werd in het Kievermontbroek turf gewonnen.

115


Ruimtelijk-structurerende waarde Dit landschap vertegenwoordigt een zeer goed herkenbaar valleigebied met een relatief gave, langwerpige perceelsstructuur en talrijke restanten van opgaande begroeiing, die het geheel een eerder gesloten karakter geven. Opvallend en dominerend structurerend element is de nog sterk kronkelende Molse Nete. In de noordwestelijk hoek, die iets hoger is gelegen dan het eigenlijke valleigebied, is er een duidelijke overgang naar grootschaliger landbouwgebied.

A10057 : Stuifduincomplex bij de Molse en de Grote Nete Wetenschappelijke waarde Dit landschap omvat vele verschillende biotopen, gepaard gaande met evenzoveel verschillende overgangszones. Deze diversiteit uit zich in een belangrijke floristische waarde met pioniers- en heidevegetaties op de duinen, relicten van vochtige heide in o.a. de Belsehei en verlandingsvegetaties en zure laagveenmoerassen in het Belsbroek en rond het Malesbroek. Daarnaast biedt de diversiteit in opbouw en structuur van de vegetatie goede mogelijkheden voor allerlei diersoorten en dan vooral voor de avifauna die hier nog behoorlijk is vertegenwoordigd. De waterlopen zijn nog relatief zuiver en met name de Zeeploop bevat een nog waardevolle visfauna. De paraboolduinen, die het gebied karakteriseren, zijn een uiterst zeldzaam geomorfologisch verschijnsel voor de Antwerpse Kempen. Deze ankerplaats heeft dan ook een belangrijke geomorfologische waarde. Historische waarde Het betreft enerzijds een nog duidelijk herkenbare topo- en chorosequentie van de overgang tussen een dorpskom, m.n. het straatdorp Bel een valleigebied, de vallei van de Grote Nete, en anderzijds een mooi gesloten en gevarieerd valleilandschap rond het Malesbroek en de Hutten. De chorosequentie bestaat uit achtereenvolgens open akker-weilandareaal, een beboste zone op de paraboolduinen en nog zuidelijker de dambordvormige ontgonnen Belsehei, aansluitend op het Bels Broek en de valleigronden. Omwille van de gaafheid van deze historische landschapsopbouw kan men terecht spreken van een uniek en daarmee waardevol verschijnsel. Het groot, open en gemeenschappelijk akkercomplex ten zuiden van Bel kan men herkennen op de kaart van Ferraris (1777) en gaat terug tot de middeleeuwen. Bij Vandermaelen zien we het tot op vandaag bewaarde dambordvormige wegenpatroon van de Belse Heide. De heideontginning vond pas plaats op het einde van de 19de eeuw; de hieruit resulterende dambordvormige perceelsstructuur is duidelijk te onderscheiden op de kaart van het MGI uit 1922. De Belseheideloop die nu door de weilanden loopt, is waarschijnlijk tijdens de ontginning gegraven om voor de afwatering te zorgen. Bouwkundig zijn de Kretkenshoeve en Monnikenhoeve of Grote Hoeve vermeldenswaardig. Deze laatste werd reeds in de 13de eeuw vermeld, maar de huidige gebouwen dateren grotendeels uit de 18de eeuw. Mogelijk is de paardenstal ouder. Esthetische waarde De esthetische waarde van dit gesloten valleilandschap met hoger gelegen cultuurland en bosgebied wordt bepaald door de variatie in landschapstypes met elkaar afwisselende plassen en moerassen, landduinen, heide, broekbossen, naald- en loofbossen, struwelen en kleinschalige landbouwpercelen met houtkanten- en wallen. Het macroreliĂŤf van de landduinen laat mooie zichten toe op het open 116


akker- en weilandcomplex, dat nog rijk is aan kleine landschapselementen. Sociaal-culturele waarde De Belseheide was rond de eeuwwisseling 19de - 20ste eeuw een belangrijk ontginningsgebied voor de inwoners van Bel en Meerhout. Ruimtelijk-structurerende waarde De nog duidelijk herkenbare topo- en chorosequentie van achtereenvolgens het straatdorp Bel, het akker- en weilandcomplex, de beboste paraboolduinen, de voormalige heideontginning en tot slot het broekgebied en de valleigronden vormt een ruimtelijk-structurerend uniek geheel.

A10078: Verloren schaap Wetenschappelijke waarde De wetenschappelijke waarde van dit landschap wordt bepaald door de afwisseling in bodemgebruik, de kleinschaligheid en de talrijke kleine landschapselementen, die samen resulteren in een rijkdom aan biotooptypen voor plant- en dier. In het zuiden aansluitend op de vallei van de Grote Nete en in het noorden en oosten respectievelijk op de landschappen van Bel en Balen, vormt het ‘Verloren Schaap’ deel van een cluster van groene entiteiten en zo ook een belangrijke stapsteen in de migratieroute van fauna en flora. Historische waarde Vandaag betref het ‘Verloren Schaap’ een relatief gaaf bewaard relict van een eertijds veel uitgestrekter kleinschalig landschap.Talrijke structuren, patronen en elementen in het landschap verwijzen naar het historische bodemgebruik. We vernoemen de plaggenbodems, houtkanten, oude bosjes, heiderelicten en waterplassen. Esthetische waarde Een evenwichtig samengaan van verschillende vegetatietypes en -structuren resulteren in een esthetisch aantrekkelijk geheel. Lintvormige kleine landschapselementen, waterplassen en onregelmatige perceelstructuren dragen bij tot het typische karakter en de hoge belevingswaarde van dit landschap. Ruimtelijk-structurerende waarde Binnen de grenzen van de ankerplaats bleef het typische karakter van een eertijds veel uitgestrekter Kempisch landschap bewaard. De onregelmatige perceelsstructuren, de talrijke lijnvormige landschapselementen en de afwisseling in grondgebruik en vegetatietypes benadrukken de kleinschaligheid van dit gebied.

117


Bijlage 4

Lijst van agrarische gebouwen en complexen (uit inventaris onroerend erfgoed)

Gemeente Agrarische gebouwen en structuren Balen Hoeve met Kempische schuur Hoeve Peeters Langgestrekte hoeve Lindehoeve Pannenhuis Dessel Hoeve Hoeve De Boertang Hoeven Reinaerthof en Heilicht Langgestrekte hoeve Vrijstaand hoevetje Woonstalhuis Meerhout Boerenburgerhuis Kasteeltje van pachter Schaeken De Grote Nete en het paraboolduincomplex tussen Meerhout en Geel Grote hoeve Hoeve Luihoeve Hoeve met Kempische dwarsschuur Hoeve met Kempische schuur Kannunikhoeve Langgestrekte hoeve Liefkenshoeve Prinsenhoeve Woonstalhuis Mol Abdij van Postel De Grote Nete en het paraboonduincomplex tussen Meerhout en Geel Hoeve Hoeve Boerenbril Hoeve De Hey Bloem Hoeve Ezaart Langgestrekte hoeve Mariahoeve Nieuwe Wezelse hoeve Polderhoeve - Venakker Twee boerenwoningen Twee langgestrekten hoeven Woonstalhuizen Zonnehoeve Retie Braselhoeve Hoeve Hoeve Bosendhoeve Hoeve Elzenhof Hoeve met losse bestanddelen

Aantal 1 1 14 1 1 5 1 1 5 1 1 1 1 1 1 1 2 1 6 1 1 2 1 1 1 1 1 1 16 1 1 1 1 1 1 1 1 5 1 1 2 118


Hoeve met losse bestanddelen Heiblokhoeve Hoeve met woonstalhuis Hoeves Hoeve slagmolenheide Kasteel van Rethy Kleine Bremelshoeve Langgestrekte hoeve Parkhoeve Riethoeve Stoeterij Haras de Rethy Woonstalhuizen den langen hof en d'oude hoeve Totaal

1 1 1 1 1 1 4 1 1 1 1 103

119


Bijlage 5

Ondersteuning vrijwilligerswerking en lokaal draagvlak IOED k.ERF

Draagvlak is wellicht de belangrijkste sleutel tot een succesvolle IOED. Dat wil zeggen dat bij voorkeur alle verschillende types van actoren (bovenlokaal, lokaal, binnen overheden en privaat) dit verhaal ondersteunen en erin geloven. Al deze onroerend erfgoedactoren worden opgelijst in onderdeel 6.1 Betrokken onroerend erfgoedactoren van de Omgevingsanalyse. De betrokken gemeenten, de erfgoedcel k.ERF en het Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete hebben reeds goede contacten met de meesten van hen. Een belangrijke taak van de IOED zal zijn dit netwerk te behouden, uit te breiden en te versterken. We zoomen hier nog even specifiek in op de ondersteuning van de vrijwilligerswerking binnen IOED k.ERF. Binnen de lokale vrijwilligersverenigingen wordt er over het algemeen geen sterk onderscheid gemaakt tussen onroerend en cultureel/immaterieel erfgoed. Onroerend erfgoed maakt, door hun type activiteit, werking en/of huisvesting deel uit van deze verenigingen. In elke gemeente is er minimum 1 heemkundige kring actief, telkens gevestigd in waardevol gemeentelijk patrimonium, in een gebouw dat geschiedenis ademt. De lijst van geschied- en heemkundige kringen is terug te vinden in tabel 28 op pagina 75. De vrijwilligers die actief zijn in deze verenigingen doen onderzoek, schrijven publicaties, maar zorgen ook voor digitalisering en organiseren (mede) publieksactiviteiten en dit zowel met betrekking tot het roerende en immateriële erfgoed als tot het onroerende erfgoed van de (deel)gemeente. Deze geschied- en heemkundige kringen worden momenteel al ondersteund, zowel door de gemeenten (huisvesting) als door de erfgoedcel k.ERF (voor hun werking rond roerend en immaterieel erfgoed). Bovendien functioneren ze onder initiatief van de erfgoedcel als kennisnetwerk en uitwisselingspool van diverse tentoonstellingsmaterialen en digitaliseringsapparatuur. De ondersteuning vanuit de IOED k.ERF kan de werking en uitwisseling van informatie rond onroerend erfgoed op een hoger niveau tillen en op die manier een extra versterking bieden voor de huidige werking. Hetzelfde geldt voor de kerkfabrieken binnen het werkingsgebied van de IOED. Ook daar zijn roerend, immaterieel en onroerend erfgoed met elkaar verweven en kan de ondersteuning vanuit de IOED een bijkomende troef betekenen voor de zorg voor het kerkelijke erfgoed en patrimonium, aanvullend op de bestaande ondersteuning vanuit de erfgoedcel, de gemeente en de provincie Antwerpen (die bijvoorbeeld het collectiebeheersysteem Donnet gratis ter beschikking stelt van de kerkfabrieken). Uit de lijst van bijkomende, vaak kleine vrijwilligersorganisaties die opgenomen is in de Omgevingsanalyse onder 6.1.3 (pagina 74) blijkt dat er momenteel reeds goed zicht is op de grote diversiteit aan vrijwilligerswerkingen met een hart voor onroerend erfgoed. Een vertegenwoordiging van deze diverse vrijwilligersorganisaties is ook uitvoerig gehoord bij de voorbereiding van het beleidsplan van IOED k.ERF, met name tijdens het stakeholderoverleg van 30 november 2016 (zie 6.2.2 Stakeholderoverleg met onroerend erfgoedactoren, pagina 78). De verzuchtingen die daar werden geformuleerd kregen stuk voor stuk een plaats in de operationele doelstellingen van het beleidsplan. Ook tijdens de verdere werking van de IOED worden vrijwilligersorganisaties gezien als structurele partner in het uitvoeren van het beleidsplan. Dit wordt bijvoorbeeld letterlijk vermeld in operationele doelstelling 1.3: “Er zal beroep gedaan worden op professionele experten en het vrijwilligersnetwerk voor de uitvoering van het onroerend erfgoedbeleidsplan van de IOED k.ERF”. Het netwerk van onroerend erfgoedactoren dat actief is in de regio geeft immers zelf aan betrokken te willen worden in een kennisnetwerk. De diverse erfgoedorganisaties en vrijwilligers worden bovendien blijvend gehoord via de diverse adviesorganen die voorzien zijn in de organisatiestructuur van de IOED en de projectvereniging (zie figuur, pagina 94). 120


De omgevingsanalyse en het proces om tot een beleidsplan te komen tonen ruimschoots aan dat er een groot lokaal draagvlak bestaat voor de oprichting en werking van een intergemeentelijke onroerend erfgoeddienst. Uit de beschrijving van het vrijwilligerswerk hierboven en – breder – het overzicht van de betrokken onroerend erfgoed actoren in 6.2 van de Omgevingsanalyse blijkt dat de IOED meteen kan terugvallen op een bestaand netwerk van erfgoedhouders en erfgoedzorgers met een vertegenwoordiging in alle deelnemende gemeenten. De IOED wil zich positioneren als spin in het web, als intermediair uitwisselpunt dat contacten, samenwerking, expertise, uitwisseling stimuleert en organiseert (zie strategische doelstelling 3, pagina 90). De aanpak en mogelijke acties rond het opbouwen van het lokaal draagvlak zijn opgenomen in het beleidsplan. Strategische doelstelling 6 betreft specifiek het verhogen van het lokale draagvlak voor onroerend erfgoed. Hier gaat het dus niet enkel om het ondersteunen van erfgoedzorgers en het creëren van een grotere visibiliteit, maar ook over publieksacties en het sensibiliseren van kinderen over het lokale onroerend erfgoed (zie strategische doelstelling 6, pagina 92).

121


Bijlage 6

Overzicht van personeelsleden die werken voor het onroerend erfgoed van het intergemeentelijk samenwerkingsverband en hun deskundigheid in het onroerend erfgoedveld

Gemeentelijke expertise onroerend erfgoed en patrimonium • • • • • • • • • • • • • •

Nathalie Ceunen, bestuurssecretaris erfgoed, gemeente Mol Machteld Bollen, departementshoofd ruimte, gemeente Mol Miriam Pauwels, bestuurssecretaris patrimonium en gebouwen, gemeente Mol Ive Schildermans, deskundige technieken gebouwen, gemeente Mol Hanne Engelen, deskundige coördinator/planner gemeentelijke werkplaatsen, gemeente Mol Ivo Hooyberghs, molenaar molen van Ezaart, Mol Bart Van Grieken, deskundige patrimoniumbeheer, gemeente Balen Igor Geubbelmans, Afdeling cultuur en vrije tijd, Balen Ann Lodewijckx, Cultuurbeleidscoördinator, Meerhout Jan melis, molenaar Prinskensmolen, Meerhout Luc Vanherck, afdelingshoofd grondgebiedszaken, gemeente Dessel Lies Mermans, afdelingshoofd info en vrije tijd, Dessel Johan Weyts, diensthoofd grondgebiedszaken, Gemeente Retie Koen Claessens, schepen voor erfgoed, gemeente Retie

Andere organisaties • • • • • •

Jolien Schroyen, Erfgoedcel k.ERF (zakelijk coördinator en digitalisering) Janna Lefevere, Erfgoedcel k.ERF (inhoudelijk coördinator en vrijwilligersbeleid) Bas Van der Veken, Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete Els Oostvogels, Regionaal Landschap Kleine en Grote Nete Wim Pauwels, Natuurpunt, Bezoekerscentrum Grote Netewoud Joke Bungeneers, diensthoofd erfgoed Provincie Antwerpen

122


Bijlage 7 - A Ondertekende Statuten Intergemeentelijke projectvereniging Cultuurnetwerk Kempen Deze statuten werden recent gewijzigd, waarbij de projectvereniging van naam veranderde: projectvereniging k.ERF werd projectvereniging Cultuurnetwerk Kempen.

123


124


125


126


127


128


129


130


131


132


133


134


135


136


137


138


139


140


141


142


143


144


Bijlage 7 - B

Gemeenteraadsbeslissingen toetreding IOED en Goedkeuring erkenningsaanvraag door Colleges van Burgemeester en Schepenen

145


146


147


148


149


150


151


152


153


154


155


156


157


158


159


160


161


162


163


164


165


166


167


168


Bijlage 8

Aanwezigheidslijst stakeholderoverleg 30 november 2016

169


170

Aanvraagdossier IOED - Balen, Mol, Dessel, Meerhout en Retie  

Groeten uit het land van water en zand

Aanvraagdossier IOED - Balen, Mol, Dessel, Meerhout en Retie  

Groeten uit het land van water en zand

Advertisement