Issuu on Google+

04 08 26 32 38

| | | | |

Hoog College van Staat vergroeid met Den Haag Architecten streefden naar ‘modern chic’ De Raad van State eindelijk als een geheel Hoe logischer de tuin, hoe beter het ontwerp Kosuth printte Spinoza op de gevel blad voor de rijkshuisvesting | oktober 2011 | jaargang 11 | special raad van state

raad van state


hoofdredacteur Jaap Huisman medewerkers aan dit nummer Xandra de Jongh, Barbara van Male, Carien Overdijk, Frank van de Poll, Marianne Schijf, Floor Tinga, Michiel Zonneveld. fotografie Roger Dohmen, Cary Markerink, Michiel van Nieuwkerk, Roelof Pot en Janine Schrijver. vormgeving Barlock.be druk DeltaHage, Den Haag verspreiding Pondres, Tilburg

Om deze operatie soepel te laten verlopen werd het verbouwings- en nieuwbouwproces opgeknipt in twee fasen, de eerste waarin een rij woonhuizen werd aangepakt en aangevuld met lobben aan de achterzijde, de tweede met de metamorfose van het gebouw dat de architect C. Wegener Sleeswijk tussen 1978 en 1983 had neergezet. Dat was weliswaar niet zo oud en ook niet zo sleets, maar onhandig in het gebruik. En het was, zoals dat zo mooi heet, niet meer van deze tijd. Dit vulde bijna tien jaar bijna volledig de agenda van architectenbureau Merkx + Girod.

Dwalend door het gebouw raak je meegesleept door de afwisseling van licht en donker, de besloten en stemmige vertrekken die weer uitkomen op gangen en zalen. Perspectieven te over. Je kunt je terugtrekken voor contemplatie en concentratie, maar je kunt ook hangen in de lobby bij de zeven zittingszalen. Je stapt moeiteloos over van de 21e eeuw in het empiretijdperk, en als je de bibliotheek binnengaat, waan je je weer in de 17e-eeuw. Monumenten zijn niet bedoeld om onder een glazen stolp gezet te worden, ze zijn er om voort te leven, levende organismes in een dynamische stad. Het complex van de Raad van State is er het bewijs van – en hoe dat heeft vorm gekregen wordt in deze

architectuurbeleid architectuur

Waarschijnlijk het meest frappant aan de verbouwing is de manier waarop het gebouw binnenstebuiten is gekeerd. Nu laat een 17e-eeuws monument niet zo gemakkelijk bij zich naar binnenkijken – dat euvel wordt opgelost met de foto’s in deze speciale editie van SMAAK – maar de binnenkant van de 20e en 21e-eeuwse architectuur ligt bij wijze van spreken op straat. Toch was dit niet zo. De vleugel van Wegener Sleeswijk was zo gesloten dat het wel een langwerpig transformatorhuis leek. Nu is het opengegooid en heeft Den Haag er een ‘achterkamer’ bij maar dan een met etalages. Achterkamers, en het bedissel daarin, zo wordt de residentie wel verguisd. Een instituut als de Raad van State mag en kan daar niet aan voldoen. Transparantie, ook zo’n modewoord, is omgezet in architectuur. En terecht. ‘Het recht laat bij zich naar binnenkijken’, zegt Patrice Girod in deze SMAAK. De Raad van State staat nu met het gezicht naar de stad en de samenleving waar het vroeger wellicht te veel van was afgekeerd.

monumenten

08 | Een gang van 180 meter als ruggengraat 18 | Hoe voegt de kunst zich in het gebouw? 20 | Herman Tjeenk Willink zeer betrokken bij bouwproces 26 | De medewerkers van Raad van State kunnen elkaar nu ontmoeten 32 | Michael van Gessel over zijn tuinen 35 | Het laatste traditionele bouwproject voor de Rijksgebouwendienst 38 | Spinoza inspiratiebron voor Joseph Kosuth 40 | Subtiel draaiende ramen van Job Koelewijn 43 | Monumentenzorg was kritisch maar is nu overtuigd 47 | Nasmaak: Peter Meijer, bouwcoö derdinator

Abonneren op smaak kan via info.infofoon@rgd.minbzk.nl, via smaak@pondres.nl, via nummer 0800-899 11 03 of via www.rgd.nl Prijs voor een jaargang is 25 euro, losse nummers 5 euro. smaak is te koop bij Selexyz (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam), Atheneum Nieuws­ centrum (Amsterdam) en de NAi Bookshop (Rotterdam).

Dat is een hele prestatie want er zijn weinig gebouwen in Nederland die zijn opgebouwd uit zo’n allegaartje als de gebouwen van de Raad van State. Noblesse oblige. Als je als gemeentelijke en rijksoverheid wil dat het instituut in het centrum van Den Haag blijft, waar het al eeuwen is gehuisvest, moet er moeite voor worden gedaan. Die moeite was de combinatie van jong oud met modern, en van heel oud met eigentijds, van oorspronkelijke woonhuizen met kantoren, en dat alles gerangschikt rondom nieuwe en bestaande tuinen.

Merkx + Girod werd door de toenmalige Rijksbouwmeester Wytze Patijn uit een competitie gekozen omdat ze ervaring hadden getoond met het smaakvol restaureren en bijsturen van monumentale interieurs. Het Concertgebouw, de Trêveszaal waren onder hun hoede subtiel van schets veranderd in driedimensionale wondertjes met aandacht voor licht en detaillering. Het lag in de lijn der verwachting dat dit ook ten goede zou keren bij de Raad van State waarin immers drie monumenten zijn verborgen, het Witte Paleisje, het Huis van Van der Mijle en het Huis van Van Oldenbarnevelt.

stedenbouw

smaak, blad voor de rijkshuisvesting, is een uitgave van de Rijksgebouwendienst. smaak verschijnt vijf maal per jaar. Het aanvragen van nummers kan schriftelijk via de Rgd-Infofoon (IPC 465), Postbus 20952, 2500 EZ Den Haag of per email info.infofoon@rgd.minbzk.nl Via deze adressen zijn ook vorige nummers van smaak te bestellen. Meer info bij de Rgd-Infofoon 0800-899 11 03 of op www.rijksgebouwendienst.nl.

In de reeks grote projecten die de Rijksgebouwendienst op zijn agenda heeft en heeft gehad, neemt de restauratie en uitbreiding van de Raad van State in Den Haag een bijzondere plaats in. Ten eerste duurde het meer dan tien jaar voordat de ‘Knoop’ kon worden ‘ontknoopt’ – de knoop is in dit geval de symbolische sleutel waarmee het complex werd geopend. Het was de ontbrekende schakel tussen de twee gebouwdelen. Ten tweede heeft de grootscheepse verbouwing zich grotendeels onttrokken aan het zicht van de passerende Hagenaars. Ogenschijnlijk geruisloos heeft er een knappe metamorfose plaats gevonden. Ten derde: dit was voor zover we kunnen overzien, de laatste van de traditionele projecten, dat wil zeggen: geen pps, een traditionele aanbesteding en uitgevoerd met een bepaalde allure die hoort bij het Hoge College van Staat. Intussen hebben staatsraden en medewerkers in de zomer van 2011 een gebouw betrokken dat eruit ziet alsof het altijd zo is geweest. Logisch, overzichtelijk, ruimtelijk, intiem en ja, in een stijl die je modern chic zou kunnen noemen.

3

Tekst: jaap huisman

kunst

Noblesse oblige


raad van state de historie

Tekst: carien overdijk Foto: Archief Raad van State en Cary Markerink

Satelliet van de macht Centrum van bestuursrechtspraak en advisering

De behuizing van de Raad van State cirkelde altijd rond de macht. Eerst in Brussel, maar al snel ook in en rond het Binnenhof. Eeuwenlang kon het ‘Hoge College van Staat’ toe met een vergaderzaal en enkele werkruimtes. Er was niet of nauwelijks een personele staf. Pas veertig jaar geleden beleefde de organisatie een explosieve groei, culminerend in de jaren tachtig en negentig.

personeelsleden, maar ook op de dagelijkse instroom van bezoekers die als partij of toehoorder een rechtszitting bijwonen. Een van de ruim 3500 zittingen per jaar.

Weinig buitenstaanders hebben een beeld van de omvang van de huidige Raad van State en zijn behuizing. De een vergaapt zich misschien eens aan de imposante gevels langs de Kneuterdijk, een ander neust eens rond in de paleistuin aan de achterzijde, vlakbij het monument voor koningin Wilhelmina. Maar de ware schaal van de organisatie is niet afleesbaar aan het samenstel van historische panden en moderne elementen dat nu zo fraai is ingepast in de Haagse binnenstad.

Een van de zittingszalen.

De talrijke zalen, werkkamers en inpandige ‘snelwegen’ zijn uiteraard niet alleen bemeten op de huisvesting van de ruim zeshonderd

De leden van de Afdeling bestuursrechtspraak en de 225 juristen die – samen met 60 administratieve krachten – de directie Bestuursrechtspraak bemannen, zijn verdeeld over drie zogeheten Kamers. Er is een Kamer voor Ruimtelijke Ordening, een Kamer voor zaken die onder de Vreemdelingenwet vallen, en een Algemene Kamer die uitspraken doet in bestuursrechtelijke geschillen die eerst bij de rechtbank zijn geweest. Deze Afdeling bestuursrechtspraak is eigenlijk een piepjong onderdeel van de Raad. Een van de voorlopers van de Afdeling bestuursrechtspraak, de ‘Afdeling voor geschillen van bestuur’ had uitsluitend een adviserende rol aan de Kroon bij de oplossing van bestuursgeschillen. Pas in 1976 werd de Wet Arob (Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen) van kracht, waardoor de andere

voorloper, de Afdeling rechtspraak, de rechtsprekende instantie werd in bestuursrechtelijke geschillen tussen burgers en overheid.

het jaar 2000 zijn de achterstanden zo goed als weggewerkt en lukt het de Raad om bijna alle zaken af te doen binnen de wettelijke termijn.

Lawine aan werk

Vorig jaar is deze rechtspraakmachine organisatorisch op één lijn gezet met de veel oudere, maar beduidend minder arbeidsintensieve adviesrol van de Raad van State door het vormen van twee gelijkwaardige ‘Afdelingen’. De Afdeling advisering, voortgekomen dus uit de eerbiedwaardige adviesrol van eeuwen her, is tegenwoordig helemaal toegespitst op de beoordeling van nieuwe wet- en regelgeving en geeft op verzoek van zowel het kabinet als de Eerste en

De Wet Arob genereerde al gauw een lawine aan werk voor de Raad van State, met forse achterstanden in de rechtspraak tot gevolg. Had de Raad in 1971 nog slechts 113 medewerkers in dienst voor al zijn taken, in 1979 stond de personeelsomvang al op 442 arbeidskrachten, om in 1985 te pieken naar 672. Het was ook in de jaren tachtig dat de Raad uitwaaierde naar steeds meer locaties in de Haagse binnenstad (zie kadertekst ‘Van Brussel naar Binnenhof’). Vanaf

5

Aan zijn mega-productie van rechterlijke uitspraken (13.000 per jaar) ontleent de huidige Raad van State zijn volume én primaire bekendheid. Omstreden bouw- en milieuvergunningen voor wegen of bedrijven halen de meeste publiciteit, maar dat is slechts het topje van de ijsberg.


De huidige Afdeling advisering van de Raad rust op het oorspronkelijke fundament van de Raad van State. In 1531 stelde keizer Karel V, die half Europa onder zijn hoede had, de Raad in voor de Nederlanden. Daarmee kreeg de toenmalige landvoogdes Maria van Hongarije (een zus van de keizer) een adviesraad die in veel buurlanden al gangbaar was.

De eerste decennia van zijn bestaan, van 1531 tot 1584, zetelde de Raad van State in Brussel. Van daaruit immers werden de toenmalige Nederlanden meestentijds geregeerd. In 1584 richten de Noordelijke Nederlanden – na het overlijden van Willem van Oranje – een eigen Raad van State op. Die nam zijn intrek op het Binnenhof, waar nu het Ministerie van Algemene Zaken is gehuisvest.

De aanvankelijke – Franstalige taakomschrijving van het adviescollege was vaag. De allereerste Raad van State moest de landvoogdes terzijde staan in ‘de belangrijkste zaken en alles wat betrekking had op de actualiteit, de regering, de veiligheid en de verdediging van de lage landen.’

Dit onregelmatige optreden had verschillende oorzaken. Menig landvoogd(es) dacht het wel zonder de Raad te kunnen stellen, en in 1567 namen de staatsraden zelf – bij gebrek aan erkenning - collectief ontslag. In 1795 werd de Raad simpelweg afgeschaft. Deze knipperlichtrelatie met het staatshoofd herhaalde zich in 1805 (weer opgericht), en in 1810 (weer afgeschaft, bij de inlijving van Nederland door Frankrijk). Pas onder koning Willem I, met de komst van de Nederlandse Grondwet (1814), kreeg de Raad van State een stabieler bestaan.

6

De huidige taakomschrijving voor de wetgevingsadviezen van de Raad van State is beduidend specifieker. De Afdeling advisering adviseert over alle wetsvoorstellen, alle internationale verdragen die de regering wil tekenen, alle zogeheten ‘algemene maatregelen van bestuur,’ en over elke andere juridische kwestie die de regering haar voorlegt. Ook moet de Raad advies geven over initiatiefwetsvoorstellen van de Tweede Kamer.

Tweede Kamer voorlichting in zaken van wetgeving en bestuur. De leden van de Afdeling advisering (staatsraden) bepalen deze zwaarwegende adviezen. Zij laten zich in de voorbereidingsfase ondersteunen door de veertigkoppige directie Advisering, bemand door onder meer 25 wetgevingsjuristen.

Staatshoofd

Elke woensdagmiddag stelt de Afdeling advisering haar adviezen plenair vast. Deze woensdagvergaderingen spelen zich traditiegetrouw af in een vleugel van het Binnenhof. Daar, in de fraai gemoderniseerde Volle Raadzaal, hamert de vicepresident (van 1997 tot februari 2012

Herman Tjeenk Willink), na het bereiken van consensus van de leden, per jaar zo’n zeshonderd adviezen af. De formele voorzitter van de Raad van State is het staatshoofd, maar in de praktijk vervult koningin Beatrix deze rol alleen ceremonieel. In haar hele ambtstijd is ze pas zesmaal aanwezig geweest bij vergaderingen

Van Brussel naar Binnenhof en daaromheen



k De bibliotheek g Een van de zuilen in de hal bij de zittingszalen waarin teksten uit de Grondwet en andere belangrijke wetten zijn ‘gebeeldhouwd’,een grafisch ontwerp van René Knip.

Het adviescollege bestond destijds, behalve uit juristen en geestelijken, ook uit leden van de hoogste adel. Laatstgenoemden werden slechts ‘op afroep’ geconsulteerd, maar ook de eerstgenoemden kwamen soms jarenlang niet aan bod.

Van 1815 tot 1830, het jaar van de Belgische opstand, hield de Raad om het jaar zitting in Brussel en Den Haag. De Raad heeft sindsdien altijd een onderkomen op het Binnenhof behouden, al bleef dat soms jarenlang onbenut. Momenteel behoort de vleugel van het Binnenhof tussen de Eerste en Tweede Kamer aan de Raad van State. De meeste ruimtes daarvan zijn uitgeleend aan andere gebruikers. De zwerftocht van de Raad door het Binnenhof waaierde zo’n veertig jaar geleden uit naar omliggende historische panden in de Haagse binnenstad. De drie monumenten aan de Kneuterdijk kwamen in 1975 voor de Raad beschikbaar, na het vertrek van het daar gevestigde Ministerie van Financiën. In de jaren tachtig betrok de Raad een reeks 19e-eeuwse panden aan de Parkstraat en een gebouw aan de Oranjestraat. Deze panden waren toen al binnendoor met elkaar verbonden, via een inefficiënte wirwar van trappen en gangetjes. Ook elders, maar steeds op comfortabele loopafstand, vond de uitdijende Raad onderdak: aan de Mauritskade 29 en 37, het Noordeinde 43, Plein 2, Paleisstraat 9 en Prinsessegracht 28. Het grootste deel van deze panden werd ruim voor de eeuwwisseling alweer afgestoten. In 2001 kwam het statige pand Lange Vijverberg 3 voor de Raad beschikbaar. In juni 2008, de start van bouwfase 2, betrok de Raad ook Lange Voorhout 3, het pand schuin tegenover de Kneuterdijk. Hier werden van juni 2008 tot juni 2011 de zittingen van de Afdeling bestuursrechtspraak gehouden. Ook Lange Vijverberg 3 en Paleisstraat 9 waren tot voor kort nog bij de Raad in gebruik. Vanaf juni zijn vrijwel alle functies van de Raad ondergebracht in het geheel vernieuwde Kneuterdijkcomplex. Het gedeelte aan het Binnenhof blijft echter een essentieel onderdeel van de behuizing.

7

van de Raad van State, bijvoorbeeld in 1985, toen kroonprins WillemAlexander officieel zitting kreeg in de Raad (overigens zonder stemrecht), en in 2004 toen prinses Máxima dezelfde positie kreeg. De kroonprins woont wel regelmatig de vergaderingen bij, ter voorbereiding op het koningschap.


8

‘Het moest optimistisch en transparant worden’ h E velyne Merkx, Herman Tjeenk Willink en Patrice Girod in de Balzaal. Gang met pantry’s en kamers in het k kantoorgedeelte.

raad van state de architecten

Tekst: Jaap Huisman Foto: roger dohmen (portret p.8) Michiel van Nieuwkerk (portret p.10 ) en cary markerink

In twee fasen werd de uitbreiding en vernieuwing van de Raad van State aangepakt. Lag in de eerste fase de nadruk op de panden aan de Parkstraat en Oranjestraat, in fase 2 kwamen de zittingszalen en de monumenten aan de Kneuterdijk aan bod. Voor beide fasen was het bureau Merkx + Girod verantwoordelijk. Die maakte er een stemmig complex van dat opvalt door zijn heldere indeling. Over de inwijding van de gang van de Raad van State aan de zijde van de Parkstraat zijn al grappen gemaakt. Laat Usain Bolt, de onverslaanbare honderdmetersprinter het traject afleggen. Maar Bolt zal dan wat extra meters moeten maken, want de gang meet maar liefst 180 meter. Het is een afstand die je zeldzaam tegenkomt in kantoorge-

bouwen. Ooit was dit, zeggen de architecten Evelyne Merkx en Patrice Girod, een aaneenschakeling van dertien woonhuizen met verschillende verdiepingsniveaus. De Rijksgebouwendienst kocht de huizen eind jaren negentig op, bedoeld voor de uitbreiding van de Raad van State. Maar de hoogteverschillen tussen de panden onderling zijn niet bepaald

handig om de karren met dossiers te vervoeren. Vandaar dat de architecten die hebben weggewerkt in een geëgaliseerde gang van waaruit de kantoren van de staatsraden en medewerkers bereikbaar zijn. Dat gebeurt overigens per unit met een bordes of trap. Tussen de gang en het kantoor is een lichtstraat aangebracht die op een subtiele

manier licht werpt tot onder in het souterrain. Evelyne Merkx noemt het een snelweg, zowel de gang als de lichtstraat, een snelweg met een paar afslagen naar kantoorlobben van 10 bij 10 meter aan de tuinkant. Zo is er een kamgebouw geschapen, dat in ieder geval aan een voorname behoefte heeft voldaan: meer ruimte scheppen voor het apparaat van de Raad van State. Een ingewikkeld complex is het. Een lappendeken van panden. De dertien woonhuizen (met voor- en achterhuis in het verleden) gaan over in een vleugel van de architect Wegener Sleeswijk, die op zijn beurt begin jaren tachtig weer een

9

Merkx en Girod verbeterden ruimte en verkeerscirculatie in een lappendeken van een gebouw:


fEvelyne Merkx en Patrice Girod De pantry’s in het gebouw zijn fel rood m

van lobben aan de achterkant, en in de tweede fase werd de vleugel van Wegener Sleeswijk onder handen genomen en de monumentale delen gerenoveerd. Het opmerkelijke is dat de werkzaamheden zich grotendeels aan het zicht van buitenstaanders heeft onttrokken. Betrekkelijk geruisloos zijn medewerkers verplaatst en teruggeplaatst in hun kantoren, is in de tussentijd het perceel bebouwd en het interieur aangepast aan de nieuwe eisen van techniek, beveiliging en organisatie. Zonsopgang

Een complicerende factor van het Raad van State-complex is de overgang van de Kneuterdijk – een heuse dijk – en de lager gelegen Parkstraat: maar liefst 2,5 meter. Wegener Sleeswijk loste dat begin jaren tachtig op met een vrijwel gesloten gevel en een colonnade die de stoep inpikte. Omdat de hoogte over de hele lengte een verdieping verschilt, spreekt men niet van eerste, tweede of derde etage, maar van laag A tot en met E. Hield Wegener Sleeswijk nog vast aan niveauverschillen in het gebouw zelf, Merkx en Girod effenden laag B met die 180 meter lange gang en lieten het niveauverschil intact in de plint. Dat herbergt de technische ruimte (met een belangrijke kopieerafdeling) en de ingang tot de parkeergarage.

verbinding maakte met drie oude monumenten aan de Kneuterdijk. Wegener Sleeswijk bouwde dat gedeelte rondom een binnenplaats. Dit was de erfenis waarmee Merkx en Girod aan de slag gingen. De opdracht luidde: maak er een geheel van dat aansluit bij de stedenbouwkundige context. Dat mag er van buitenaf strak uitzien, aan de

achterzijde was het, zoals Patrice Girod het treffend formuleert, verkruimeld. Een andere complexiteit is de status van de Raad van State. Toen Merkx en Girod op 9 januari 2000 de opdracht kregen voor de eerste fase, was een van de grootste zorgen dat de Raad zelf niet verwikkeld zou

raken in procedures. Te denken valt aan de aantasting van het beschermd stadsgezicht, monumentale onderdelen of een inbreuk op het bestemmingsplan. Om de voortgang van de organisatie zo min mogelijk te schaden, werd besloten de verbouwing in twee fasen te verdelen. In de eerste fase werden de dertien woonhuizen aan elkaar geschakeld en voorzien

Om de doodse pui aan de Parkstraat tot leven te wekken moest het metselwerk in de woorden van Girod ‘de kleur van een zonsopgang’ krijgen. ‘Ik wilde het aan die kant optimistisch maken. Het was te somber.’ Verder braken ze de gevel open met grote ramen. Merkx: ‘Je kon je niet oriënteren.’ Girod: ‘Het was zo’n zwaar, gesloten gebouw. Het moest transparanter en vrolijker.

Om die transparantie te bereiken was het enige dat we konden doen, de structuur open te zagen. De betonnen wanden van Wegener Sleeswijk zijn gebleven, daartussen hebben we kastenwanden geplaatst. Nieuw zijn de lobben aan de tuinkant.’ Merkx: ‘Wij dachten aan vleugels als open velden die flexibel

te gebruiken zijn. Maar de Raad van State heeft gekozen om er kamers van te maken. Men werkt hier nu eenmaal autonoom op een kamer.’ Overigens beschikt men, dankzij de oorspronkelijke layout van Wegener Sleeswijk, in bovengemiddelde riante kamers en aan ruime gangen.

Ze liggen qua maatvoering boven de norm die tegenwoordig per ambtenaar wordt aangehouden. En de kasten tussen de kantoren zijn meanderend, dat wil zeggen voor de helft ter beschikking van de ene, voor andere helft voor de andere medewerker. Ze staan bovendien haaks op de gevel om zoveel

mogelijk licht in de kantoren te brengen. In de voormalige dertien woonhuizen zijn in enkele gevallen stijlkamers gespaard gebleven als herinnering aan de vroegere vooren achterhuizen, die mooi contrasteren met de eigentijdse toevoegingen eromheen.

11

10

 Getekend zijaanzicht van de gevels aan de Parkstraat-kant h i De interne gangenstructuur


f De lobby van de zittingszalen-vleugel. Zicht op de St. Jacobus-kerk g vanuit de ‘Knoop”

Kleur

Omdat de zittingszalen in de oude opzet verspreid lagen door het gebouw, kregen de architecten de opdracht ze te concentreren rondom een centrale hal. Daarvoor werden zware tussenwanden van de architectuur van Wegener Sleeswijk weggezaagd of ingekort. De ‘wachtruimte’ voor de zeven zittingszalen heeft het karakter van een hotellobby met een koffiecorner waar het publiek snacks en drankjes kan kopen. Een lobby is een associatie waar Merkx mee kan leven. ‘Een hotellobby is de nieuwe mooie ontmoetingsplaats, waar mensen op een laptop werken of met elkaar afspreken. Daarom wilden we asymmetrisch geplaatste banken met hoge rugleuningen, zodat ook de privacy gewaarborgd. Door die banken ten opzichte van elkaar te laten verspringen, overbrug je een afstand van 65 meter. Deze hal is echt wat anders dan die in een rechtbank.’ Er is daarnaast een

subtiel detail dat bezoekers afleidt. Op vier zuilen in de publieksruimte zijn in haut-relief belangrijke wetsteksten gestanst, uit de Grondwet, het Koninkrijksstatuut, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: een ontwerp van grafisch ontwerper René Knip. Dat de Raad van State een ander soort rechtscollege is, blijkt uit het gedempte overleg van advocaten met hun cliënten, vertegenwoordigers van gemeenten die hier een bestuurlijk geschil voorleggen – over het milieu, over een bestemmingsplan. Het interieur moest daar op aansluiten. De vice-president van

de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, die nauw betrokken was bij de bouw, had de architecten meegegeven dat hij ‘geen Haagse deftigheid’ wenste. Merkx: ‘Maar ook geen hip gedoe. Het gebouw moest openheid en onafhankelijkheid uitstralen.’ Vandaar het rigoureuze zagen, breken en slopen in de schepping van Wegener Sleeswijk. ‘Waar ik me zorgen over maakte, was of de hal met de zittingszalen niet te laag zou uitvallen’, bekent Merkx tijdens een rondwandeling. Het is haar en haar partner meegevallen, maar dat komt door een belangrijke ingreep, een vide aan het eind van de 65 meter lange lobby die

uitzicht biedt op drie bomen. Ze wijst vervolgens op een architectonische oplossing die Girod bedacht om bepaalde zalen en kantoren een ruimtelijk effect te geven. Girod verdubbelde de gevel rondom de binnentuin. Voor het skelet van het oorspronkelijke gebouw liet hij op 30 centimeter afstand een nieuwe buitengevel plaatsen, de uitsparing werd met een glazen vloer afgedekt. Deze verdubbelde pui ligt aan een binnentuin, onherkenbaar veranderd. Het was een betonnen plaats. Knoop

De verbouwing en uitbreiding van de Raad van State gebeurde in twee fasen om de medewerkers de gele-

13

12

Het bureau Merkx + Girod heeft naam gemaakt met zeer uiteenlopende interieurs, voor zowel retail, cultuur- als kantoorgebouwen. De inrichting van Hema hoort daarbij maar ook de Trêveszaal op het Binnenhof en het Concertgebouw, de Philipsvleugel van het Rijksmuseum en de Hermitage in Amsterdam. Als we het expressieve kleurgebruik van Evelyne Merkx ter sprake brengen, veert ze op. ‘Ik sta kennelijk altijd bekend als de vrouw met de kleurdoos, terwijl ik veel meer terughoudende interieurs heb gemaakt. Bij presentaties laat ik die verschillen zien. Hema is het tegenovergestelde van de Raad van State.’ Het interieur, zegt ze, moest cachet krijgen, met ingetogen materialen en kleuren waarbij sommige accenten eruit springen.


14

genheid te geven zolang mogelijk in het eigen gebouw te blijven. De knoop laste de twee fasen aan elkaar, de dertien woonhuizen en het jaren tachtig-gedeelte. De ontknoping was de finale. Merkx had er rekening meegehouden dat materialen, dessins, kleurgebruik en belijning precies op elkaar zouden afstemmen, zodat het complex een eenheid zou gaan vertonen. Nauwgezet stuurde ze de leveranciers en aannemers aan. ‘En toen kwam de ontknoping. Die knoop was nodig om het bouwstof tussen de verschillende bouwfasen te weren. Heel spannend toen ze met elkaar werden verbonden, maar het bleek tot in detail te kloppen.’ De vleugel aan de Parkstraat is grondig binnenstebuiten gekeerd, van donker naar licht, van introvert naar extravert. Parallel daaraan ligt een binnentuin met verhoogde perken die aan de zuidkant wordt omsloten door het compartiment met zittingszalen. Het bedrijfsrestaurant kijkt zowel uit op de Parkstraat als op de binnentuin, wat voor voor-

bijgangers en medewerkers een grote verbetering betekent. Merkx en Girod hebben zoveel mogelijk natureltinten gebruikt. Om de geringe hoogte op sommige plaatsen te compenseren zijn er niet alleen vides, maar ook lichtschalen in het plafond verwerkt. Aan de kant van de Kneuterdijk zijn de ingrepen in de drie monumentale panden beperkt tot abstracte patronen van een gebloemd behang of een streep op de wanden, een extra trap voor de verkeerscirculatie, het openen van weggetimmerde trappen en doorgangen, en het toevoegen van pantry’s. Een andere, onlogisch geplaatste, trap verdween en maakte plaats voor een vertrek. Het gebouw is nu, tot genoegen van Monumentenzorg, veel overzichtelijker dan het in het verleden was. De overgangen tussen de monumenten en de nieuwe vleugels springen nu duidelijk in het oog. De Raad van State mag dan nog steeds labyrintisch zijn, Hans en Grietje kunnen er nu hun weg in vinden. Merkx: ‘Hoe

langer je hier aan werkt, hoe beter je de plattegrond in je vingers krijgt.’

nog nooit gehad’, lacht de architect.

Brons

Ze ging zelf op onderzoek in het pand van Van Oldebarnevelt omdat ze het allegaartje van kamertjes en lage kantoortjes in de nok niet begreep. ‘Toen ik het dak ben opgegaan, zag ik achter de deuren een geweldige spanten-constructie. Vervolgens heb ik de Raad van State gevraagd of ik de vloeren eruit mocht halen, zodat die constructie werd blootgelegd. In al mijn enthousiasme en voortvarendheid had ik dat natuurlijk eerst aan de Rijksgebouwendienst moeten vragen. Maar beide partijen voelden er gelukkig voor. Toen ik er een kleine maquette van had gemaakt, ging iedereen overstag. Zo is er voor de bibliotheek een prachtige ruimte ontstaan met twee haarden aan twee kanten.’

Girod legt uit hoe ze de prioriteiten in het ontwerp hebben behandeld. ‘Het Witte Paleisje was door Wegener Sleeswijk al grondig gerestaureerd, waardoor we daar minder hoefden te doen.’ Merkx: ‘Ja, maar hij had de deuren wel geschilderd in oudroze en blauw. Voor die tijd kan het, nu paste dat niet meer in het geheel.’ Er is in het paleis en de twee huizen, van Van der Mijle en Van Oldebarnevelt, gekozen voor een terughoudend palet, roomwitte of juist grijsbruine muren, en accenten van bladgoud in het paleisje. Met Monumentenzorg Den Haag werd korte tijd gebakkeleid over de kleur van de lambrisering en de voet van de zuilen. Merkx wilde ze donker, bronskleurig, en stuitte daarbij op een aarzeling bij de verantwoordelijke ambtenaar. Totdat die overstag ging en in een brief bekende dat hij het resultaat ‘verschrikkelijk mooi’ vond. ‘Zo’n brief heb ik van Monumentenzorg

Dat de schitterend gerestaureerde Balzaal, Eetzaal en andere vertrekken niet gebruikt worden voor zittingen, heeft een technische reden. Ze voldoen niet aan de strenge eisen

gebruiken. Verder ben je gehouden aan de eis van de Rijksgebouwendienst over het lichtniveau. Er zijn al snel stroken langs de wanden waar te weinig licht valt. Voor mijn gevoel zijn sommige armaturen aan de dikke kant, maar er moest een downlight en een uplight in, en dan heb je niet zoveel keus.’ Dit zijn de moderne dilemma’s voor een interieurarchitect, schipperen met ruimte voor trafo’s, gestuukte plafonds, de minimale hoeveelheid lux en uiteraard de energiebesparing. Ruim tien jaar duurde de ‘make-over’ van de Raad van State. Kregen de architecten gaandeweg andere inzichten en zouden ze nu bepaalde

ingrepen uit de eerste fase anders hebben gedaan? Merkx + Girod zijn hierover heel beslist. ‘Nee, alles lag meteen vast, in de plattegrond, in de manier waarop de verschillende onderdelen op elkaar aansluiten, en in de detaillering. Ook de Rijksgebouwendienst en Raad van State veranderden in de tussentijd niet van mening.’ Dat het ontwerp vrijwel onaangetast is gebleven, is te danken aan de verkeerscirculatie. Medewerkers kunnen nu rondlopen, gangen komen logisch uit op trappen of liften en vrijwel overal heeft men uitzicht op de straat of de tuin – dit was in het verleden niet het geval. Nu kunnen ze dwalen, terwijl het vroeger verdwalen was. Dat de

efficiency is vergroot is vooral voor de leden van de Raad van State een belangrijke winst, voor Den Haag telt dat 180 meter gevel aan de Parkstraat zijn doodsheid heeft verloren. Bolt kan rennen – desnoods aan de buitenkant.

f Nieuwe kroonluchters en wanddecoraties in de Eetzaal van het Witte Paleisje. i Beelden van de ‘snelweg’ in de  kantoorvleugel.

15

van beveiliging en moderne eisen van dataverkeer. De bekabeling en de camera’s hadden het monumentale karakter beslist aangetast. Ze krijgen nu een functie als vergaderzaal, auditorium of ruimte voor recepties en culturele evenementen. Voor de facilitering van die activiteiten is er een speciaal tapijt in Duitsland gemaakt, met een patroon van pauwen dat terugkeert in de gordijnen. Het is een eigentijdse interpretatie van empire, de stijl waarin het paleis is opgetrokken. Daarnaast beschermt het ook nog eens het parket. Het moeilijkste was om een luchter voor deze zalen te ontwerpen, vertelt Merkx. ‘Er is maar één elektrisch punt in het plafond, dat je kunt


VOOR

De nieuwe binnentuin g De kantoorlobben m

NA

17

16

f Het complex voor de ingreep. De rommelige achterzijde die uitkijkt op het gebouw van de Staatsloterij.


beweging: niet zo lang geleden werd dat helemaal niet zo geapprecieerd. Deze visie is in de loop der jaren gekanteld, getuige het feit dat ze bij het Walterbos Complex een tegeltableau van Karel Appel uit de jaren ’60 hebben gerestaureerd en herplaatst in de nieuwe architectuur. Een proces dat zeer kostbaar en moeizaam was, maar wel tot een waardevol resultaat heeft geleid. Te snel overgaan op het verwijderen van kunstwerken wanneer het ons even niet meer aanspreekt kan dus heel gevaarlijk zijn. Het auteursrecht zie ik dan ook als een ingebouwde veiligheidszone om kunstwerken door dit soort tumultueuze periodes heen te loodsen.’

De kunst van de rijksdienst beschouwd

Tekst: floor tinga Foto: cary markerink

Verbouwing noopte ook tot heroverweging collectie raad van state

18

de kunst

Bewegend raam van Job Koelewijn bij de kantoren.

Het is bepaald geen geheim dat de gemiddelde kunstcollectie waar een rijksdienst over beschikt prima zou passen in het museale circuit. Ook de Raad van State heeft in de afgelopen decennia een indrukwekkende verzameling kunstschatten verworven die ze deels zelf bezit, maar voor een groot deel in bruikleen beheert. Bij

de renovatie en nieuwbouw van het instituut is de bestaande collectie opnieuw geïnventariseerd en een tweetal nieuwe kunstopdrachten uitgeschreven voor de eerste en tweede fase van de verbouwing. Nieuwe situatie

variërend van schilderijen en abstracte sculpturen tot klassieke borstbeelden. Door de grote hoeveelheid en diversiteit aan stijlen, werd mij al snel duidelijk dat niet alle kunst aansluiting zou kunnen vinden bij de herinrichting van Merkx + Girod,’ vertelt Van den Ban. ‘Nu het architectenbureau de gebouwen van een geheel nieuw gezicht ging voorzien, was het dus een uitgelezen kans om de collectie eens grondig onder de loep te nemen. Niet zozeer om alles terug te brengen tot een homogene stijl, maar juist om een evenwichtig en kwalitatief overzicht te brengen van de verschillende tijdsperiodes die deze verzameling juist zo kenmerken.’

Om zorgvuldig te kunnen afwegen welke kunst in de nieuwe situatie het beste tot zijn recht zou komen, werd een speciale kunstcommissie samengesteld. Naast leden van de rijksdienst zelf, zoals vice-president Herman Tjeenk Willink en enkele staatsraden, hadden de architect Evelyne Merkx, een projectmanager van de Rijksgebouwendienst en een adviseur van Atelier Rijksbouwmeester zitting in deze commissie.

Maatwerk

Hans van den Ban, coördinerend kunstadviseur bij Atelier Rijksbouwmeester, legt uit welke criteria gehanteerd zijn bij het herijken van de kunstcollectie. ‘Toen ik voor het eerst een rondgang maakte door het gebouw viel mij op over hoeveel kunstwerken de Raad beschikte,

Een criterium dat werd gehanteerd was in welke mate de kunstwerken een relatie hebben met het Koningshuis en de vroegere bewoners van de monumentale gebouwen. Daarnaast werd ook de nieuwe architectonische situatie richtinggevend voor de definitieve selectie van de kunst. Dit laatste criterium had bijvoorbeeld

Duurzaamheid

Franse tuin achter het Witte Paleisje.

tot gevolg dat een enkel werk zelfs vernietigd moest worden. ‘De plafondschildering van Peter John Voormeij van het voormalige Sleeswijk-complex kon bijvoorbeeld niet achterblijven. De open structuur die het complex na de ingreep van Merkx + Girod zou krijgen, maakte het onmogelijk om de schildering op die plek te behouden. Het meterslange werk integreren in een nieuwe situatie was ook niet logisch omdat het werk specifiek voor die locatie bestemd was. Bij de plafondschildering zijn we in overleg met de kunstenaar tot de conclusie gekomen dat de beste optie was om het werk te laten vernietigen,’ aldus Van den Ban. Voor andere werken die door de verbouwing hun plek kwijtraakten, kon gelukkig een nieuw thuis gevonden worden. De abstracte sculptuur De boom der Wijzen van Jan de Baat is bijvoorbeeld aan een tweede leven begonnen in de beeldentuin van het Walterbos Complex (Belastingdienst in Apeldoorn). Voor kunstwerken die wel bij de Raad konden blijven geldt in

sommige gevallen dat ze een interne verhuizing hebben doorlopen, zoals het abstracte ruiterstandbeeld De Zon van Wessel Couzijn dat nu een ander plekje in de tuin heeft bemachtigd. Toegankelijke collectie

Hoewel de Raad van State in uiterlijk getransformeerd is van een gesloten verzameling gebouwen tot een transparant en uitnodigend complex, is lang niet alle kunst even fysiek toegankelijk voor bezoekers. Zo zijn de draaiende ramen die Job Koelewijn tijdens de eerste fase van de verbouwing realiseerde slechts zichtbaar voor medewerkers. Ook zijn er in het gebouw van het Paleis Kneuterdijk kunstschatten aanwezig die doorgaans alleen door hoogwaardigheidsbekleders en leden van het Koningshuis kunnen worden bekeken. Het schilderij Ruiterstandbeeld Willem van Oranje van Felix Cottreau uit 1847 bijvoorbeeld, of de serie Russisch-Orthodoxe schilderijen uit het nalatenschap van Anna Paulowna die samen

met haar man koning Willem II in het paleis woonde. Om deze bijzondere kunstwerken meer publiek toegankelijk te maken zal de communicatieafdeling van de Raad van State op gezette tijden rondleidingen verzorgen in deze besloten delen van het gebouw. Liefde en afkeer

De kritische reflectie op de kunstcollectie bij de Raad van State speelt volgens Hans van den Ban een rol voor de gehele collectievorming van de Rijksgebouwendienst. De vraag welke kunst de tand des tijds kan doorstaan is vooraf niet zomaar te voorspellen. ‘Je moet je als adviseur altijd bedenken dat liefde en afkeer elkaar door de jaren heen afwisselen. Waar we de ene keer verlaagde plafonds willen, zijn we er tien jaar later van overtuigd dat ze weer weggehaald moeten worden. Zo gaat dat ook met kunstwerken. Een bepaald beeld kan soms ook tijdenlang verguisd worden, maar decennia later weer enorm geliefd zijn. Neem het werk van de Cobra-

Een duurzame collectie beheren is het streven van adviseurs zoals Van den Ban. De nieuwe kunstwerken die worden opgeleverd dienen dan ook meerdere betekenislagen in zich te dragen die verstaanbaar zijn voor zowel medewerkers als bezoekers. Dit zegt overigens niet dat het kunstwerk alle betekenislagen direct hoeft prijs te geven. De meerwaarde van kunst bij rijksgebouwen gaat echter wel verder dan een esthetische beleving alleen. Via de kunst wordt vaak een groter verhaal verteld over de achtergronden van de organisatie of de locatie waar het werk is gesitueerd. ‘Of het nu de verbeelding is van een verbindende factor, een reflectie op wat er inhoudelijk op die plek gebeurt of een beeldende ingreep die bijdraagt aan de bijzondere uitstraling van het gebouw, kunst geeft op allerlei manieren de droge abstractie die we overheid noemen een concrete gestalte, een gevoel en een diepere betekenis,” aldus Van den Ban. Hoe de collectie van de Raad van State over een aantal decennia wordt gewaardeerd, is aan de volgende generatie om te beoordelen. Duidelijk is dat de kunstwerken voorlopig nog stevig op hun plek staan.

19

Met de renovatie en nieuwbouw van de Raad van State is ook de bestaande kunstcollectie grondig onder de loep genomen. Het resultaat is een evenwichtige verzameling die een relatie aangaat met de vernieuwde locatie.


Vice-president Tjeenk Willink wilde per se bouwproces begeleiden:

‘Dit gebouw moest uitstralen wat de Raad van State is’

raad van state

Vlak voor zijn vertrek als vice-president van de Raad van State maakt Herman Tjeenk Willink nog mee dat ‘zijn’ gebouw na een verbouwing van ruim tien jaar is voltooid. Hij heeft er al die tijd met zijn neus op gezeten, geïnteresseerd als hij is in architectuur. Tegelijk waakte hij over de relatie tussen het gebouw en de status van de Raad van State. Met voldoening stelt hij vast dat het een geheel is geworden en dat de staatsraden bij wijze van spreken niet meer in een bezemkast hoeven te werken. h Zitje in het Huis Van der Mijle. k Rij banken in de gang op de Parkstraat  tussen de lobben in, met uitzicht op één van de daktuinen. f De vice-president in zijn werkkamer.

interview

De officiële opening van het geheel vernieuwde onderkomen van de Raad van State zal niet lang na dit interview plaatsvinden. Maar in de kamer van de vice-president Herman Tjeenk Willink lijkt de laatste eeuwen weinig veranderd. ‘Een van de factoren die de hele verbouwing tot zo’n complexe zaak maakte,’ legt Tjeenk Willink uit, ‘is dat er een evenwicht gevonden moest worden tussen de noodzaak fors te vernieuwen en het behoud van delen van het complex die tot ons erfgoed behoren.’ Tot dat laatste behoort zeker de oude stijlkamer van Tjeenk Willink. Hoge plafonds en klassieke schilderijen domineren hierbinnen het beeld. De kamer is zelf weer onderdeel van Het Witte Paleisje, het

oude woonhuis van de latere koning Willem II, dat onderdeel is van het nationale erfgoed. Dit zijn uw laatste maanden als vicepresident. Maakt het u niet een beetje weemoedig dat u afscheid moet nemen van dit gebouw? ‘Als ik door het gebouw van de Raad van State loop, voel ik toch in de eerste plaats voldoening omdat het zo’n mooi geheel is geworden, hoewel het complex uit verschillende panden bestaat. Verder is het heel bijzonder om, na alle discussies over de nieuwbouw, te zien hoe alles er in de praktijk uitziet.’ Maar het is dan toch spijtig dat u na zo’n lange verbouwing plaats maakt voor een opvolger? ‘Toch voel ik geen weemoed. Waarom zou ik dat voelen? Mijn afscheid komt niet als een verrassing. Ik word zeventig in januari. Ik kan niet anders dan tevreden zijn dat, in de veertien jaar dat ik vice-president mocht zijn, dit deel van mijn werk echt af is.’

Was het eigenlijk vanzelfsprekend dat u persoonlijk leiding gaf aan de stuurgroep die de verbouwing begeleidde? ‘(lachend:) Ik geloof dat ik uit uw vraag moet afleiden dat dit blijkbaar niet zo is? Nou, laat ik om te beginnen bekennen dat dit iets was waarbij ik vanaf het begin dacht: hier laat ik me de kaas niet van het brood eten. Ik ben mijn hele leven zeer geïnteresseerd geweest in architectuur. De mogelijkheid om als voorzitter van de stuurgroep bij de hele verbouwing betrokken te zijn, beschouwde ik daarom als één van de zeer aantrekkelijke aspecten van mijn functie. Ik heb het al die tijd ook echt met heel veel plezier gedaan. Maar belangrijker was de inhoudelijke reden om me persoonlijk met het hele proces bezig te houden. Als vice-president wilde ik er voor zorgen dat het gebouw zou uitstralen wat de Raad van State wil (en moet) zijn: één instituut met twee taken, open naar de buitenwereld, op samenwerking gericht, met oog voor het detail.’

Samenhang

Is dat dan nodig? ‘Ik denk dat het nodig is omdat het beeld van de Raad van State toch vaak een ander is en de samenhang tussen de beide taken vaak niet meer wordt begrepen. De verschillen worden geaccentueerd tussen aan de ene kant de Raad als het hoogste adviesorgaan van regering en parlement over wetgeving en bestuur en beoordelaar van de kwaliteit van wetten, en aan de andere kant de Raad als hoogste algemene bestuursrechter die geacht wordt een definitief oordeel te vellen in de meest uiteenlopende geschillen tussen burger en overheid. De Raad van State is echter één waar het betreft de beginselen van de democratische rechtsstaat. Beide taken dragen bij aan de legitimiteit en kwaliteit van het openbaar bestuur in die democratische rechtsstaat. Binnen de organisatie is het mijn verantwoordelijkheid als vice-president die eenheid en dat gemeenschappelijke doel te bewaken.’

21

20

Tekst: Michiel Zonneveld Foto: roger dohmen (portretten) en cary markerink


Op welke wijze komt die eenheid dan tot uiting in het gebouw? ‘Om te beginnen doordat we als Raad van State nu bijna geheel in één gebouw zitten. Ons kantoor op het Binnenhof vormt daarop een uitzondering. Verder is het belangrijk dat er voor de staatsraden en de medewerkers één gezamenlijk bedrijfsrestaurant is en een centrale hoofdingang. Maar het zit ook in de subtiele manier waarop de verschillende gebouwen van het complex met elkaar verbonden zijn. De architecten (het Amsterdamse architectenbureau Merkx+Girod, mz) zijn er erg goed in geslaagd om de oorspronkelijke gebouwen tot één geheel te maken. Een erg mooi voorbeeld is de centrale publieksruimte. Die is zo gesitueerd dat het meteen het hart van het gedeelte met de zittingszalen vormt. Het is bovendien zo ruim bemeten dat het een verbinding vormt. Vanuit de ingangzijde loop je er zo naar binnen. Maar ook de medewerkers die in de kantoren aan de Oranjestraat en de Parkstraat werken, aan de andere

zijde, zitten op loop-afstand van de zittingszalen. Tegelijkertijd komt ook de verscheidenheid van de organisatie in het complex tot uitdrukking. In tegenstelling tot vroeger zitten de staatsraden en de medewerkers van Advisering respectievelijk Bestuursrechtspraak in elkaars nabijheid. Zij kunnen dus makkelijk bij elkaar binnenlopen om over een bepaalde zaak te praten. Zeker in historisch perspectief is dit laatste van betekenis.’ Dossiers

Hoezo? ‘Ik heb bij mijn aantreden als vicepresident in 1997 nog het staartje meegemaakt van een tijd dat de staatsraden geacht werden thuis te werken. In de ochtend kregen ze dan per ‘motorordonnans’ de dossiers uitgereikt, ze moesten daarom wel in de omgeving van Den Haag wonen. Het was niet vanzelfsprekend dat je als staatsraad een eigen kamer in het gebouw had. Diegenen die parttime betrokken waren bij de bestuursrechtspraak hadden samen slechts

een lange kamer met vijf bureaus tot hun beschikking. Ik heb ook nog meegemaakt dat de medewerkers de mooie kamers hadden en de staatsraden na hun benoeming zo ongeveer in de bezemkast moesten beginnen. Pas in het midden van de jaren negentig is dat veranderd. Vooral de invoering van de Algemene wet bestuursrecht in 1994 markeerde de omslag. Daardoor zijn de staatsraden, veel meer dan vroeger, vanaf het allereerste vooronderzoek bij de voorbereiding van zaken betrokken. Het is veel meer samenwerken geworden. Eén van de eisen aan het nieuwe gebouw was daarom dat de staatsraden en hun directe medewerkers bij elkaar in buurt zouden zitten.’ Bibliotheek

Zijn er vanuit de Raad van State nog meer specifieke eisen aan het gebouw gesteld? ‘Je moet daarbij denken aan de eisen die aan de zittingszalen worden gesteld en faciliteiten als de bibliotheek. Maar het meest specifiek is toch de combinatie tussen geschiedenis en moderniteit. De Raad van State is de oudste staatsinstelling (De eerste Raad van State werd in 1531 opgericht door Keizer Karel de Vijfde voor de Nederlanden als adviesraad voor zijn zuster Maria van Hongarije die de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden vanuit Brussel bestuurde, mz). Een instituut als de Raad vraagt om een gebouw met stijl en dat heeft het nu onmiskenbaar. Tegelijkertijd moet het een gebouw zijn dat praktisch is en waarin de medewerkers én de bezoekers zich thuis voelen. Wat dat laatste betreft vind ik het publieksgedeelte dus een van de meest geslaagde gedeelten. Dan doel ik niet alleen op de zittingszalen

en de entree, maar vooral de wachtruimte voor het publiek. Het gaat erom wat je wilt uitstralen. De Raad moet gezag uitstralen door kwaliteit van zijn werk, niet door te willen imponeren.’ Is de centrale publieksruimte uw favoriete plek? ‘Over een paar maanden kan ik daar pas echt een antwoord op geven. Maar de publieksruimte maakt een goede kans. Ik betrap me er op dat ik ‘s ochtends regelmatig met opzet de hoofdingang aan de Kneuterdijk neem, omdat het zo’n genoegen is even door de hal te lopen. Zij is architectonisch buitengewoon geslaagd en zij straalt iets heel rustgevends uit. Zeker als je het vergelijkt met de publieksruimte op onze tijdelijke locatie aan het Lange Voorhout, waar het een kakofonie van geluid was als partijen hun opwachting maakten voor de zittingen. Bovendien is de nieuwe hal zeer publieksvriendelijk. Je ziet overal mensen zitten die rustig hun stukken doornemen, een zitting bespreken of na afloop nog een kopje koffie drinken. Het is allemaal buitengewoon verzorgd. Maar zonder overdreven Haagse deftigheid.’ Bibliotheek

Wat was de rol van de stuurgroep? Drongen jullie aan op wijzigingen? ‘Oh nee, de discussies waren meestal veel praktischer. De meeste eisen aan het gebouw waren al in de voorbereidende fases vastgelegd. Bovendien moet je niet de neiging hebben om op de stoel van de architect te gaan zitten.’ Er zijn toch wel discussies geweest? ‘Een van de kwesties waar we lang over hebben gesproken is de plaats van de bibliotheek. Architecte

Evelyne Merkx kwam op een gegeven moment met het idee de oorspronkelijke plannen te wijzigen. Ze wilde de bibliotheek naar de voorkant van de Kneuterdijk verplaatsen. Deze was eerst midden in het gebouw gepland. Op de zolder aan de voorkant boven een drietal kamers werd een prachtige, oude balkenconstructie ontdekt. Ze stelde voor de wanden tussen de kamers en de lage plafonds te slopen. Zo ontstond een grote en lichte ruimte. Er was wel enige twijfel of het verstandig was de plannen zo rigoureus aan te passen. De aanbestedingen aan de aannemers waren toen al verleend. Maar gelukkig hebben we het toch gedaan, want het heeft allemaal schitterend uitgepakt.’ Waarom duurde het bouwproces bijna elf jaar? ‘Het was nu eenmaal een grote en buitengewoon complexe operatie. Je staat er werkelijk versteld van wat er bij komt kijken. Dan heb ik het niet alleen over het bouwproces bij een complex van meer dan 25.000 vierkante meter. Eén van de dingen waar je tegen aanloopt, zijn de Europese aanbestedingsregels. Verder heb je te maken met vergunningen van de gemeente Den Haag, de afdeling monumentenzorg van de gemeente, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de regels van de brandweer, noem maar op. Wat ook niet valt te onderschatten, is wat de tijdelijke verhuizing van het personeel allemaal betekende. Medewerkers moesten op verschillende locaties in de binnenstad worden ondergebracht. De verbouwing ging in twee fasen, dus bij elke stap moest weer worden bedacht welke afdelingen waar kwamen te zitten.’

23

22

De nadruk is steeds meer komen te liggen op samenwerken

f Fragmenten uit de oprichtingsakte van 1531 op de tussenwanden, ontworpen door René Knip. i Cognackleurige banken in het bedrijfsrestaurant.


in een rijksmonument zitten en gebonden zijn aan allerlei beperkingen. In het oorspronkelijke ontwerp zou de Balzaal in het Witte Paleisje bijvoorbeeld relatief eenvoudig gerenoveerd worden. Maar de Rijksdienst voor het Cultureel Erf­goed adviseerde anders. Die zagen liever dat de Balzaal en daarmee het Paleisje in oude luister werden hersteld. De Balzaal is namelijk een van de weinige empirezalen die ons land rijk is. Zonder al dat soort specifieke aanpassingen is de prijs voor de nieuwbouw, gemeten naar de vierkante meter, niet boven het gemiddelde voor kantoorruimten uitgestegen.

De Raad wilde vanwege zijn publieksfunctie een open gebouw zijn. Hoe verhoudt zich dat tot de beveiliging? ‘In het nieuwe gebouw zijn het publieksgedeelte en het besloten gedeelte veel strikter gescheiden dan vroeger. Dat is niet alleen uit veiligheidsoverwegingen, maar dat speelt zeker een rol. In de discussies over de nieuwbouw kwamen er verder wel dilemma’s naar voren. De eisen die aan de beveiliging van gebouwen als die van ons worden gesteld, zijn fors toegenomen. De vraag is dan hoever je gaat. De veiligheidsdeskundigen gaan soms heel ver. Dat heeft natuurlijk ook

met de neiging te maken zich vooraf tegen alle mogelijke risico’s in te dekken. Dan kom je als verantwoordelijke voor de organisatie voor de lastige situatie te staan dat je soms moet zeggen dat je iets niet doet omdat het disproportioneel is.’ Denkt u dat er anno 2011 net zo veel geld voor de nieuwe huisvesting van de Raad zou worden uitgetrokken als destijds is gebeurd? ‘Misschien dat in de huidige economische omstandigheden minder geld beschikbaar zou zijn geweest. Overigens bestrijd ik dat de nieuwbouw overdreven duur is. Wat uiteindelijk voor extra kosten heeft gezorgd, is dat we voor een deel

fD  e kapverdieping in het Huis van Van Oldenbarnevelt is opengewerkt zodat er een ruime en sfeervolle bibliotheek is ontstaan. Frontaanzicht Kneuterdijk,g rechts ‘Het Leugentje’ (een historiserend pand), daarnaast het voormalige woonhuis van Van Oldenbarnevelt.

Wegener Sleeswijk en Het Leugentje Hij was hoogleraar bouwkunde in Delft, prof. ir. Cornelis Wegener Sleeswijk waar hij met grote zwier op het bord tekende, zo herinnert Patrice Girod zich. Uitgerekend de leerling zou de meester corrigeren – want het was Girod die de schepping van Wegener Sleeswijk binnenstebuiten keerde. Tussen 1978 en 1983 verbouwde de hoogleraar-architect de panden op de hoek van de Parkstraat en Kneuterdijk en maakte er een geheel van. De naam Wegener Sleeswijk valt daarom veelvuldig in deze speciale editie.

24

Zijn architectuur staat bekend als degelijk en robuust, afgaande op de gebouwen en verbouwingen die

hij op zijn naam heeft staan. Het politiebureau IJtunnel is zo’n stevig gebouw, bestand tegen bommen en granaten. Daarnaast verbouwde hij een deel van het interieur van Paleis op de Dam en restaureerde hij de Oude en Nieuwe Kerk in Amsterdam. Net als de Raad van State zijn veel van zijn ingrepen nu weer ongedaan gemaakt. Een belangrijke en omstreden keus was begin jaren tachtig de sloop van een historisch pand op de hoek van Kneuterdijk/Parkstraat. Dat verving hij door historiserende nieuwbouw met een onderdoorgang voor voetgangers, in de wandeling Het Leugentje genoemd. Het effende weliswaar het pad om de naast gelegen woonhuizen van Van

Oldenbarnevelt en Van der Mijle met elkaar te verbinden – in dat opzicht intern gezien misschien begrijpelijk – maar aan de buitenkant was het minder geslaagd. Voor voetgangers was er nauwelijks ruimte en de onderdoorgang ontwikkelde zich als openbaar toilet. Van de grote poort aan de Parkstraat zijn nu drie bogen gemaakt en de onderdoorgang is dichtgemaakt. Wegener Sleeswijk liet bij zijn overlijden in 1991 niet alleen de Raad van State na, maar ook het gemeentehuis van Bussum, de Jaarbeurshal aan de Croeselaan in Utrecht en woningen in de Amsterdamse wijk Geuzenveld.

25

Beveiliging


raad van state

de medewerkers

Tekst/text: michiel zonneveld Foto/photo: michiel van nieuwkerk

Het gevoel dat je makkelijker bij elkaar kunt binnenlopen. Het gevoel dat je kunt rondlopen in het gebouw. Dat de kamers ruimer ogen en van alle kanten licht ontvangen. Dat de bibliotheek op een centrale plek ligt en ook nog in een fraai vertrek. De medewerkers van de Raad van State zijn er in hun ogen zeer op vooruit gegaan. Niet langer met dossiers over straat en uitkijken voor voorbijrazende fietsers. Niet langer in gescheiden gebouwen zodat je niet weet of de ander een collega of een bezoeker is. Een impressie van indrukken van vijf medewerkers.

f Claus Schouwenburg (52) is zittingsmedewerker. Zijn afdeling is verantwoordelijk voor het logistieke deel van de rechtszittingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het gaat daarbij om de beschikbaarheid van dossiers, de aankleding van de zittingszalen, het instellen van audio- en videosystemen en het binnenlaten van procespartijen. Hij heeft binnen zijn afdeling de functie van assistent-teamleider wat betekent dat hij uitvoerende en leidinggevende verantwoordelijkheden heeft. Hij werkt sinds 1985 bij de Raad van State.

l Hanna Sevenster (48) is lid van de Raad van State. Zij houdt zich bezig met de beide taken van de Raad van State: wetgevingsadvisering en bestuursrechtspraak. De voormalig hoogleraar heeft het europees milieurecht als specialisme. Ze is in 2007 in de Raad van State benoemd.

Groter is het complex misschien niet maar veel ruimer voelt het beslist Claus Schouwenburg

Medewerkers prijzen symbiose tussen oud en nieuw

Schouwenburg doelt op het paleis aan de Kneuterdijk dat ooit door koning Willem I voor zijn zoon, de latere koning Willem II, is aangekocht. Het is een gedeelte met hoge plafonds, statige trappen, de oude Balzaal, de Gotische zaal en de monumentale werkkamer van

vice-president Herman Tjeenk Willink. Ook op deze plekken is veel gerenoveerd. Toch lijkt het hier het meest of de tijd heeft stil gestaan. ‘Ik bedoel helemaal niets ten nadele van de andere delen, hoor,’ zegt Schouwenburg, ‘maar elke keer als ik in dat gedeelte moet zijn, ben ik weer onder de indruk.’ Hij denkt dat het ook komt vanwege de persoonlijke herinneringen. Toen hij in 1985 in dienst kwam van de Raad van State, zag hij er bijvoorbeeld nog prinses Juliana (de voormalig vorstin) rondlopen. Verder verschijnen af en toe prominenten als koningin Beatrix, prins WillemAlexander en prinses Máxima in de

gangen. En als ‘medewerker zittingen’ was de 52-jarige Schouwenburg nauw betrokken bij de (praktische) organisatie en voorbereidingen van spraakmakende zaken, waarbij zo veel ‘appellanten’ waren dat de zitting in de grote Gotische zaal van het Witte Paleisje moesten worden gehouden. Schouwenburg: ‘Denk aan de procedures die tegen het boren van gas onder de Waddenzee, de aanleg van de Betuwelijn en de HSL zijn aangespannen.’ Bestuursrechtspraak

Met eenzelfde toon van lichte nostalgie praat staatsraad Hanna Sevenster (48) over de eerste werkkamer die ze na haar aantreden

Hanna Sevenster

in 2007 kreeg toebedeeld. ‘Een oude stijlkamer was het. Misschien wel de mooiste van de Raad van State. Jarenlang was die voorbehouden geweest aan staatsraad Ernst Hirsch Ballin. Die had de kamer toegewezen gekregen als voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, één van de meest vooraanstaande functies binnen de Raad van State,’ vertelt Sevenster. In het jaar vóór de benoeming van Sevenster vertrok Hirsch Ballin om in het kabinet Balkenende III minister van Justitie te worden. Haar werkplek zou slechts tijdelijk zijn, tot ze vanwege de verbouwing naar een ander pand verhuisde. Maar het begin van de bouwwerkzaamheden liet langer op zich

wachten dan was voorzien. Ondertussen genoot de jonge staatsraad (‘Ik gold met mijn 44 jaar in het gezelschap van staatsraden als het ‘jonge broekie’) van een kamer die past bij een zeventiende-eeuwse regent. Zelfs de jongste medewerker van de Raad van State die we spreken kan een gevoel van nostalgie niet onderdrukken. ‘Eén van de mooiste plekken vind ik het deel waar raadspensionaris Van Oldenbarnevelt heeft gewoond,’ zegt Ben den Tuinder (27), werkzaam als jurist bij de directie Bestuursrechtspraak. ‘Vooral de oude, houten trap spreekt mij wel aan.’ De trap is overigens niet helemaal origineel. Deze werd na een brand vervangen door één uit een ander herenhuis.

27

26

Claus Schouwenburg praat enthousiast over het totaal vernieuwde gebouw van de Raad van State. Maar als we hem vragen wat nu zijn favoriete plek is, aarzelt hij een moment. ‘Weet u wat ik eigenlijk het mooiste deel van het gebouw vind?’, begint hij op een toon die toch een tikkeltje schroom lijkt te verraden. ‘Het Witte Paleisje.’

De zittingszalen hebben nu vaste beamers en een geweldige akoestiek


één van de sectorhoofden Advisering. ‘In het begin vond ik het allemaal nog net wat té steriel. Je kan het vergelijken met het gevoel dat je krijgt als je in een nieuwe of net gerenoveerde woning trekt. Maar al heel snel viel het me juist op hoeveel ‘oud’ er nog in het gebouw zit.’ Om de symbiose tot stand te brengen zijn de architecten een forse stap verder gegaan dan het conserveren: ze hebben overal met oud en nieuw getoverd. In het gebouw hangen kroonluchters die in moderne lampen zijn verwerkt en meubels die eigentijds en toch klassiek zijn.

m Marloes van Loon (41) is medewerker van de bibliotheek. Ze behandelt aanvragen om documentatie die staatsraden en juristen nodig hebben in hun werk op het gebied van wetgevingsadvisering en bestuursrechtspraak. Ze werkt sinds 2001 bij de Raad van State.

Een heel mooi voorbeeld van deze tovertruc van de architecten is de bibliotheek, vindt Marloes van Loon (41). De bibliotheekmedewerkster praat met trots over haar nieuwe werkplek. ‘Het lijkt wellicht een oude ruimte,’ zegt Van Loon, wijzend op de houten balkenconstructie die het hoge vertrek sieren, ‘maar deze bibliotheek is nieuw. Ze bestond eerst uit drie kantoorkamers, door wanden van elkaar gescheiden en

Ben den Tuinder

De reacties maken veel duidelijk over de grote uitdaging waar het Amsterdamse architectenbureau Merkx+ Girod voor stond. Het bureau moest een ontwerp maken voor een modern gebouw dat van binnen aan alle eisen van functionaliteit voldoet en tegelijkertijd oog houden voor de historische componenten. Niet alleen omdat de behuizing van de Raad van State voor een deel bestaat uit officiële rijksmonumenten als het Witte Paleisje, het huis van Van Oldenbarnevelt en dat van zijn schoonzoon Cornelis van der Mijle (alle in het verleden zelfstandige woningen aan de Kneuterdijk). Maar misschien wel vooral omdat dat past bij het eeuwenoude instituut en zijn niet ouderwetse werkwijze en medewerkers.

28

Indeling

Het gevoel van ruimte wordt in de nieuwere gedeeltes van het complex ook veroorzaakt door de strakke, moderne indeling, realiseert Sevenster zich. Maar als ze dan toch iets kritisch mag opmerken, dan is het dat ze het gevoel heeft dat dit een enkele keer ‘wat al te sterk’ is doorgevoerd. Waarop doelt ze? Op

Het inpassen van nieuw in oud vereist aanpassingen die bij de bouw van een geheel nieuw gebouw niet nodig zouden zijn. Misschien is het juist vanuit de noodzaak om de nadelen die daaruit voortkomen, te overwinnen, dat bij het ontwikkelen van de plannen voor de nieuwbouw en renovatie extra scherp is nagedacht over de praktische en functionele kanten. Schouwenburg is in elk geval zeer enthousiast over alle aanpassingen in de zalen waar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State haar zittingen houdt. Als assistent teamleider van zijn afdeling houdt hij een scherp oog op de functionaliteit van de werkomgeving. ‘Vóór de bouw is er veel tijd besteed om die op papier te zetten,’ vertelt Schouwenburg. Zelf heeft hij tijdens de besprekingen enkele punten onder de aandacht gebracht.’“Ik heb toen gevraagd of er in de zittingszalen vaste beamers en projectieschermen konden komen. Die staan er nu. Ik weet natuurlijk

De steriliteit uit het begin is geleidelijk aan verdwenen met een laag plafond. Daarboven zat een zolder waar oude kantoormeubels stonden opgeslagen. Door het plafond weg te halen, werd die prachtige, eeuwenoude dakconstructie zichtbaar.’

Symbiose

De medewerkers die we spreken vinden allemaal dat hun kantoor (complex is wellicht een beter woord) een geslaagde symbiose van nieuw en oud is geworden. ‘Ik moet wel bekennen dat ik even moest wennen, hoor,’ zegt Hanneke Luijendijk (37) ,

werkers van het gebouw. Luijendijk: “Ik zou niet eens weten of er met de renovatie en nieuwbouw zo veel oppervlakte bij is gekomen, maar door het wit in de nieuwbouw, de ramen, de lange open gangen, voelt het vooral veel ruimer. Dat gevoel heb ik zeker in mijn kamer. Die is lekker ruim en wat ik echt heel bijzonder vind, is het systeem waarmee de lichtinval wordt geregeld. In de middag valt hier elke straal zonlicht naar binnen. Als ik mijn stoel bij het raam zet, kan ik tussen de middag zelfs even in de zon zitten om mijn koffie te drinken en naar de mooie grote nieuwe binnentuin te kijken.’

Marloes van Loon

Wat ze in haar nieuwe werkkamer, die ze met twee collega’s deelt, ook weet te waarderen is het gevoel van ruimte. ‘Dat komt niet alleen door de verhoogde plafond,’ zegt Van Loon, maar ook door de lichtinval via de grote ramen die boven in het dak zijn aangebracht. Eén van de bezoekers sprak, heel toepasselijk, over denkruimte’. De woorden licht en ruimte keren telkens terug in de gesprekken met de andere mede-

haar eigen kamer staat een grote donkerbruine kast voor een witte muur. Sevenster lachend: ‘Ik weet niet of die daar wel mag staan.’ Het verhaal gaat verder dat de architecten van Merkx+Girod zouden hebben bedongen dat in de werkkamers geen planten zouden mogen staan. Bij navraag blijkt dit overigens niet meer dan een gerucht (en een rondgang leert dat nogal wat medewerkers eigen potplanten hebben meegenomen). Over de rijksmonumenten moet gezegd worden dat niet alle aspecten even functioneel zijn. De trap in het oude huis van Van Oldenbarnevelt neemt bijvoorbeeld veel ruimte in.

niet zeker of die er vanwege mijn inbreng zijn gekomen. Er is sowieso erg goed nagedacht over de inrichting van de zittingszalen.’ Toeknikken

Een voorbeeld van wat Schouwenburg bedoelt, is de toegang die de staatsraden tot de zalen hebben. ‘Die hebben achterin de zaal hun eigen ingang,’ vertelt hij. Staatsraad Sevenster daarover: ‘Dat betekent bijvoorbeeld dat we ons makkelijker kunnen terugtrekken voor beraad. Er hoeft dan niet eerst een zaal met tachtig mensen te worden ontruimd.’ Verder blijken veel staats­ raden het niet altijd prettig te vinden om te midden van het publiek de

zaal binnen te komen. ‘Dat heeft twee redenen,’ meent plaatsvervangend landsadvocaat Eric Daalder die al sinds 1981 een ‘vaste bezoeker’ van de Raad van State is. ‘Veel staatsraden willen zo veel mogelijk afstand houden, ook fysiek. Het gaat zelfs zo ver dat een staatsraad die ik al sinds mijn studententijd ken, altijd aarzelt of hij me voor een zitting moet toeknikken. Een tweede reden is dat de staatsraden liever in de luwte hun werk doen. Zeker als er bij zittingen fotografen aanwezig zijn, komen ze liever niet via het publieksgedeelte de zalen binnen.’ Schouwenburg somt nog meer praktische voordelen van de nieuwe zittingszalen op. ‘De akoestiek is werkelijk geweldig.’ Hij vertelt vervolgens over een moderne ‘dovenlus’, een apparaat waardoor slechthorenden de zittingen met hun gehoorapparaat beter kunnen horen. ‘We werken met infraroodapparatuur waarvan de signalen buiten de zittingszaal niet zijn op te vangen.’ Een andere bijzonderheid is een wifisysteem waardoor het mogelijk is na binnenkomst op je smartphone te zien waar en wanneer een zitting is. De architecten zijn er verder in geslaagd het gebouw zo in te delen dat geen medewerker het gevoel heeft dat het complex van 25.000 vierkante meter erg groot is. ‘Op de één of andere manier zit het gebouw zo in elkaar dat alles dichtbij lijkt’, vertelt Den Tuinder. ‘Als jurist woon ik zittingen bij waarbij mijn zaken aan de orde komen. En dan is het nooit meer dan een minuut of vijf lopen voor ik bij een zittingszaal ben.’ Dat is wel een verschil met bijna twee jaar geleden toen Den Tuinder als nieuwe medewerker begon op een tijdelijke werkplek in een ander gebouw, op de Lange Vijverberg. Den Tuinder: ‘Niet dat het loopje in de buitenlucht naar een zittingszaal vervelend was, maar praktisch was het niet met de dossiers in je hand en de langsrijdende fietsers.’ Twee functies

‘Bij de verdeling van de ruimtes is rekening gehouden met de twee

29

g Ben den Tuinder (27) is jurist bij de directie Bestuursrechtspraak. In die functie ondersteunt hij de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak in hun werkzaamheden als hoogste bestuursrechter. Hij werkt in één van de vier units die geschillen op het gebied van de ruimtelijke ordening behandelen. Den Tuinder werkt sinds 2009 bij de Raad van State.


g Hanneke Luijendijk (37) is sectorhoofd bij de directie Advisering. Als sectorhoofd stuurt ze een aantal wetgevingsjuristen aan dat zich bezighoudt met wetsvoorstellen van de ministeries van I&M en EL&I. Zij ondersteunt en adviseert staatsraden als de advisering over wetgeving van deze ministeries aan de orde is. Zij werkt sinds 2006 bij de Raad van State. g Erik Daalder (54) is sinds 1981 advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn. Hij is als plaatsvervangend landsadvocaat (waarbij hij dus namens de rijksoverheid optreedt) een regelmatig bezoeker van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Eric Daalder

Eén van de staatsraden met wie Luijendijk veel contact heeft, is Sevenster. Hun beider expertise ligt

Hanneke Luijendijk

op het gebied van het Europees recht. Ze zitten niet samen op een gang, maar via een trap zijn ze in nog geen minuut op elkaars kamer. De werkzaamheden van de staatsraad vinden in het hele gebouw plaats. Niet alleen adviseert ze over nieuwe wetgeving, maar ze spreekt ook recht in verschillende bestuursrechtelijke geschillen. Sevenster: ‘ Dat vind ik echt één van de meest geslaagde operaties van de nieuwbouw: er zijn zoveel verschillende mogelijkheden om binnen in het gebouw op de plaats van bestemming te komen.’ Ontvangsten

Nog sterker dan voorheen hebben de

vertrekken in het Witte Paleisje een representatieve taak. Hier ontvangt de vice-president zijn gasten. De Balzaal, geheel gerenoveerd en ingericht met een nieuw tapijt, nieuwe gordijnen en kroonluchters is zeer geschikt voor grote ontvangsten. Dat laatste geldt ook voor de Gotische zaal, maar daar zal ook af en toe nog een heel grote rechtszitting worden gehouden. Verder is de scheiding tussen de besloten gedeelten voor de medewerkers en de centrale publieksruimte achter de hoofdingang die toegang geeft tot de zittingszalen, veel scherper geworden. Door de nieuwe indeling zullen bezoekers niet meer verloren tussen de

kantoren rond kunnen lopen, aldus Luijendijk. Ook het eigen bedrijfsrestaurant heeft een voordeel. Luijendijk: ‘Je hoeft als medewerker iets minder op te letten met wat je over een zaak tegen een collega zegt. Toen medewerkers en publiek nog de kantine deelden, moest je erop bedacht zijn dat er kon worden meegeluisterd.’ De bezoeker hoeft zich niet tekort gedaan te voelen. De bezoekers gaan er erg op vooruit, zegt Daalder. ‘Je voelt je meteen welkom als je door de hoofdingang de publieksruimte binnenloopt. Je kunt kiezen of je op één van de fauteuils terugtrekt of aan één van de tafels. Er is verder

een heel goede restauratie. Wat ik persoonlijk een grote vooruitgang vind is, dat het nu nog slechts één centrale wachtruimte is, waaromheen zich de zeven zittingszalen bevinden. Vroeger had je voor verschillende zalen, afzonderlijke wachtruimtes. Als je iemand die bij een andere zaak was betrokken vóór de zitting wilde spreken, kwam het voor dat er niets anders opzat achter hem of haar aan te lopen. Maar ja, dan moest je wel in de gaten houden dat je het begin van de zitting waarvoor je was gekomen, niet miste.’ Het gedeelte van het complex waar de kantoorkamers van de staats­ raden en medewerkers zich bevinden, grenst grofweg aan de kant van de Parkstraat en loopt door vanaf de zijde van de Kneuterdijk tot die aan de Oranjestraat. Onder dit gedeelte bevindt zich een eigen parkeergarage en andere faciliteiten. De medewerkers noemen verscheidene voordelen van dit afgesloten deel van het gebouw. Schouwenburg heeft het gevoel dat de indeling veiliger is. ‘Je kan als bezoeker in

elk geval niet zo maar de kantoren binnenlopen. Helaas moet je tegenwoordig met van alles rekening houden.’ Restaurant

De medewerkers vinden het grootste voordeel van het vernieuwde gebouw dat ze elkaar regelmatig tegenkomen. Zo bleek het bijvoorbeeld een gouden greep om de bibliotheek te verplaatsen naar het gedeelte waar de meeste kantoren van de medewerkers zich bevinden. ‘Voor de verbouwing zaten wij in het Witte Paleisje vlakbij de vice-president,’ vertelt Van Loon. ‘We zaten daar op verschillende kamers. Het was een mooie ruimte, hoor, maar voor veel collega’s toch in een uithoek van het gebouw. Wat je meteen na onze verhuizing merkte, is dat mensen gemakkelijker bij ons binnenlopen.’ Sevenster: ‘Mijn contacten met de medewerkers zijn sinds de verhuizing toegenomen. Vóór de verhuizing had ik natuurlijk wel veel

contact met de andere staatsraden, maar het kon gebeuren dat ik sommige medewerkers heel weinig zag. Je komt elkaar nu vaker tegen. Bijvoorbeeld omdat je in het restaurant samen een broodje gaat eten. Niet onbelangrijk daarbij is dat het restaurant een fijne en mooie plek is: licht en ruim.’ Het is niet alleen de indeling van het gebouw en het bedrijfsrestaurant dat er voor zorgt dat de medewerkers elkaar meer zien. Sevenster vertelt: ‘Het gebouw lijkt je uit te dagen om rond te lopen en even bij een collega binnen te stappen. Dat ligt aan verschillende dingen. Tussen de gang en de meeste kamers zit alleen maar glas, wat een enorm gevoel van transparantie geeft.’ Van Loon: ‘Het is gewoon heel prettig om door de open en lange gangen te lopen. Als ik naar het magazijn van de bibliotheek in de Oranjestraat (waar meer dan 50.000 banden zijn opgeslagen, mz) werken, moet lopen, dan doe ik dat met alle plezier.’ ‘De sfeer in het gebouw is een stuk

socialer en de omgang veel gemakkelijker geworden,’ concludeert Schouwenburg. ‘Doordat we de afgelopen jaren op verschillende locaties in de binnenstad van Den Haag zaten, vervreemdden we wat van elkaar. Sommige collega’s die de afgelopen jaren bij de Raad zijn komen werken, leerde ik pas kennen toen ze van de tijdelijke locaties aan de Lange Vijverberg en aan het Lange Voorhout naar de Kneuterdijk verhuisden. Het is me zelfs overkomen dat ik één van de staatsraden vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn. Ik veronderstelde namelijk dat hij een bezoeker was. We zitten nu niet alleen in één gebouw als Raad van State, maar we zijn nu ook meer één organisatie geworden.’

31

30

verschillende functies van de Raad van State, die van belangrijkste adviesorgaan over wetgeving en bestuur en die van hoogste bestuursrechter’, zo vertelt Den Tuinder. Zelf is hij betrokken bij de bestuursrechtspraak. ‘Als ik een conceptuitspraak moet schrijven, is het makkelijk als ik voor overleg meteen even bij een collega langs kan lopen die één of twee kamers verder zit.’ Luijendijk deelt deze ervaring: ‘Wat bijzonder prettig is, is dat ik op een etage zit met de medewerkers van mijn sector.’ Als sectorhoofd stuurt ze een aantal wetgevingsjuristen aan dat zich bezighoudt met wetsvoorstellen van de ministeries van I&M en EL&I. Zij ondersteunt en adviseert de staats-­ raden als de advisering over wetgeving van deze ministeries aan de orde is. ‘Het is handig dat je snel even kan binnenlopen bij een collega op de gang.’


“Hoe gedraagt een gebouw zich? Een tuin, een park? Wie zijn de gebruikers? Wat doen ze er?” Voordat landschapsarchitect Michael van Gessel aan het tekenen slaat, gaat hij kijken en veel fotograferen. Alleen. Zonder gezelschap van opdrachtgevers of experts. ‘ Je moet niet afgeleid worden door een gesprek. Je moet onbevangen kijken en luisteren naar wat een plek nodig heeft.’ Bij de restauratie en nieuwbouw van de Raad van State zijn ook de tuinen onder handen genomen – Van Gessel is de ontwerper.

Landschapsarchitect Michael van Gessel ontwerpt de tuinen bij de Raad van State

de tuin Tekst: barbara van male Foto: michiel van nieuwkerk (portret) en cary markerink

Een tuin moet eruitzien alsof die altijd zo is geweest

32

Na zijn studie Tuin- en landschapsarchitectuur aan de landbouwuniversiteit in Wageningen, werkte Michael van Gessel van 1979 tot 1997 bij Bureau B+B – vanaf 1991 was hij er directeur. Sinds 1997 heeft hij een eigen praktijk als adviseur landschapsarchitectuur en stedenbouw. Enkele opdrachten als ontwerper, supervisor of meedenker: het Oranjepark in Vlaardingen, de tuinen en het park van Kasteel de Haar, de Waterlinie, de Zuidelijke IJ-oevers in Amsterdam, het Ministerie van Financiën en de openbare ruimte op IJburg en de binnenstad van Almere. Recent ontwierp Van Gessel de tuinen van de Hermitage Amsterdam en nu werkt hij onder meer mee aan een nieuw ontwerp voor het Amsterdamse Museumplein. www.michaelvangessel.com.

De Franse Tuin achter het Witte Paleisje, de daktuinen, de binnentuin aan de Parkstraat en de groenstrook langs de Paleisstraat: Michael van Gessel ontwierp de tuinen van de gerenoveerde Raad van State. Hij gaat uit van de zogeheten genius of the place: ‘Ik onderzoek wat de mogelijkheden en wat de beperkingen zijn, ruimtelijk, historisch en zelfs in onderhoud. Zo praktisch ben ik wel met mijn ontwerpen: hoe bereikbaar is de tuin voor een hovenier bijvoorbeeld, met welke bodem heb je te maken?’ In het ontwerpproces vindt Van Gessel dat hij zich als landschapsarchitect moet voegen naar de bestaande situatie en moet luisteren naar de context. De ligging, de gebouwen eromheen, het materiaal, de geschiedenis, die begrenzen zijn ontwerp én bieden mogelijkheden. ‘Respecteren wat voor je ligt, in de geschiedenis en op de locatie zelf.’ Hij benadrukt dat zijn ingrepen vaak op het eerste oog niet opvallen. ‘Als iemand me zegt ‘ik zie helemaal niet wat je gedaan hebt’, beschouw ik dat

juist als een compliment. Alsof het landschap, de tuin, het park altijd zo geweest is – dan vind ik mijn ontwerp geslaagd.’ Strak en symmetrisch

Sommige ingrepen dienen zich meteen aan. ‘Zoals de groenstrook bij de Paleisstraat. Een haag en een hek? Dat zie ik meteen, die haag mag weg. Geeft meer lucht en ruimte, en je maakt er, in dit geval, een heldere afscheiding van.’ Datzelfde – transformeren wat er al is – geldt ook voor zijn ingrepen in de Franse Tuin bij het Witte Paleisje. Het ontwerp, voor Van Gessels ingrepen, stamt uit de jaren vijftig. Na tot eind jaren zeventig dienst te hebben gedaan als geasfalteerde parkeerplaats voor het Ministerie van Financiën, is de Franse tuin in de jaren tachtig hersteld. ‘Strakke, symmetrische lijnen zijn kenmerkend voor Franse tuinen. En die waren juist onderbroken.’ Van Gessel bracht de twee gazonnen met elkaar in lijn, verlengde de tuin met een derde

gazon tot onder het bordes, en gaf de leilinden een groen ‘voetstuk’. ‘Zo versterk je die lijnen, je benadrukt de eigenschappen die de paleistuin al in zich heeft. En je bewaart de historische uitstraling, net als het gebouw, de context waar de tuin bij hoort.’ Zijn oog voor de geschiedenis betekent niet dat de landschapsarchitect een

‘nostalgicus’ is. Integendeel: ‘Je moet je eigen tijd neerzetten en niet teruggrijpen. Ik zie mezelf als deel van de keten ontwerpen en ontwerpers voor en na mij.’ Muur van groen

‘Wat is een tuin? Een plek om naar te kijken? In te zijn? Je moet denken

vanuit meervoudig gebruik: mensen gebruiken een tuin, een landschap allemaal op hun manier. En je kunt niet alle wensen opstapelen, je moet ze integreren.’ Zoals het asfalt in het Vondelpark – hij was een van de meedenkers in het masterplan – dat het park geschikt maakt voor skeelers, rolstoelers en fietsers.

Dat meervoudig gebruik wordt heel duidelijk bij zijn nieuwe ontwerp voor de binnentuin aan de Parkstraat, bij het voormalige Sleeswijkcomplex. Een plek waar staatsraden en medewerkers vanuit hun restaurant, en bezoekers vanaf de andere kant op uit kijken, vanachter de glazen gevels – en alle ‘kijkers’ hebben behoefte aan privacy. ‘Daar moet je geen muur van groen neerzetten, maar de tuin juist ruimtelijk en open houden, en tegelijk die privacy bieden.’ Hij koos voor terras met grint, speciaal ontworpen metalen bakken waarin krentenbomen en een tapijt van vaste planten en bollen zijn geplant. ‘Die krenten lijken heel achteloos over de tuin te zijn verdeeld, maar ze zijn zo neergezet dat ze het zicht op de andere kant beperken.’ Hij is een man van de seizoenen, elk jaargetijde mag gezien worden. Ook in deze tuin heeft hij dankbaar gebruik gemaakt van het vakmanschap van zijn vaste beplantingsdeskundige Jacqueline van der Kloet. ‘Ik zeg hoe hoog het moet zijn, hoe groen, wat ik wil terugzien in de seizoenen en zij zoekt daar feilloos de juiste planten en bollen bij.’ Boksbal

Het architectenbureau Merkx+Girod dat de restauratie en de nieuwbouw van de Raad van State onder de hoede nam, vroeg Van Gessel al tijdens het aanbestedingstraject. Ze kennen

33

raad van state


“Als mijn werk klaar is, dan begint ’t pas: de natuur neemt het over.”

nemers, uitvoerders, bouwers, hoveniers, … ‘Dan kun je heel makkelijk een boksbal worden, of je juist heel hard en star opstellen. De kunst is het evenwicht te bewaren, in jezelf en met alle partijen.’

Tekst: jaap huisman Foto: cary markerink

Hard en zacht

elkaar goed van eerdere klussen: ‘We inspireren elkaar.’ Al drie decennia laat de landschapsarchitect zijn sporen achter in publieke ruimtes, historische locaties, nieuwe en oude parken en privétuinen. ‘Elke klus heeft z’n eigen moeilijkheidsgraad. En ik blijf op alles letten: tot en met naadlengtes in de metalen bakken

en de plaats van de putdeksels. Zelfs of de planten wel goed gemengd zijn. Bij de tuin van het toenmalige Ministerie van LNV heb ik het er weer uit laten halen, dat stond veel te netjes in groepen.’ Van jongs af aan lonkte hij naar architectuur. Toch deed hij eerst de

studie Tropische Plantenteelt in Wageningen waarna hij stiekem het vak landschapsarchitectuur ging volgen. ‘Míjn vak, ontdekte ik. Ik ben er nooit meer weg gegaan.’ Inmiddels heeft hij met een behoorlijk staat van dienst zijn eigen weg gevonden in de samenwerking met opdrachtgevers, architecten, aan-

Paul Hoppenbrouwers trok zes jaar lang de Raad van State

‘Dit is het einde van een tijdperk’ raad van state

de rol van de rgd

Op de kop af elf jaar heeft de verbouwing van het complex van de Raad van State geduurd, maar projectleider van de Rijksgebouwendienst, Paul Hoppenbrouwers, spreekt liever van een make-over. De transformatie van een labyrint aan panden en monumenten was veel gecompliceerder en ingrijpender dan verwacht. De make-over verliep nog traditioneel, geen dbfmo, gewoon een openbare aanbesteding. Daarom kan gesproken worden over ‘het einde van een tijdperk’.

Facade aan de Parkstraat. De inspringende glazen verbinding werd tijdens het bouwproces de Knoop genoemd. Nu bevindt zich hier op straatniveau de ingang naar de parkeergarage.

Op 1 september 2005 nam Paul Hoppenbrouwers een project over, wat hem precies zes jaar zou bezighouden: de renovatie en nieuwbouw van de Raad van State aan de Parkstraat/Kneuterdijk in Den Haag. Hij weet nog dat hij twijfelde. Zou hij niet liever kiezen voor de nieuwbouw van het Paleis van Justitie aan het WesterIJdok in Amsterdam? Maar er was een detail dat hem intrigeerde. ‘In de gevel van het gebouw van de Raad van State zag ik een wit geglazuurde loodsteen. Ik ben in periode als avond­docent aan de BOB (bijzondere Opleidingen Bouwnijverheid) in Delft behoorlijk geïnteresseerd geraakt in bouwmaterialen. Die steen, dacht ik, was vóór 1985

nog toegestaan en daarna niet meer, omdat het loodglazuur bevat, een milieuverontreinigende stof. De toenmalige architect Wegener Sleeswijk mocht het materiaal nog toepassen.’ Natuurlijk was het zaak hiermee zo zorgvuldig mogelijk om te springen. Er was nog een aspect dat hem boeide. De bouwenvelop, de term die wordt aangeduid voor de ruimte op de kavel en het bestemmingsplan, was beperkt. Er moest, met andere woorden, ingenieus worden omgesprongen met de behuizing van de Raad van State in dit stukje van Den Haag. Drie monumenten maken deel uit van het complex, die vanwege hun historische status niet

35

34

In zijn ontwerpen is tijdloosheid een gegeven. ‘Als mijn werk klaar is, dan begint ’t pas: de natuur neemt het over.’ Een gegeven dat hij volop gebruikt heeft bij de ontwerpen van de drie daktuinen die mogen verwilderen en waar zaden mogen aanwaaien. ‘Ook daar gebruik ik wat er al is. De omstandigheden zijn er hard, het groen krijgt de volle laag van zon, wind, regen en kou. Dat biedt ruimte voor een soort rotskust, met contrasten van hard en zacht.’ Tussen de harde Noorse leisteen en chips groeien ijzerhard, zwarte toorts en herfstanemoon en ‘aanwaaiers’ – van januari tot ver in de herfst staat er altijd wel iets in bloei. Dat tuinen, parken, landschappen, zeker in een bebouwde omgeving, geen losgezongen eiland zijn, staat voor hem buiten kijf. In al zijn ontwerpen – de renovatie van het park van kasteel Groeneveld, het Valkenbergpark in Breda, dierentuin Artis, landgoed Twickel, de herinrichting van Nationaal Monument Kamp Vught, de tuin van de Hermitage is maar een kleine greep – gaat hij sereen en meegaand te werk, zo omschrijft hij zelf zijn stijl. ‘Meegaand betekent de context laten spreken en goed luisteren naar opdrachtgevers. Welk ontwerp past hier, op deze plek, bij de Raad van State, tussen deze gebouwen, bij deze bakstenen, deze glazen gevel, dit uitzicht? Sereen gaat over weghalen, sober houden. Want elke plek moet zichzelf zijn.’


Het werd voor Hoppenbrouwers zijn “laatste jeugdzonde”. Eerder werkte hij aan het Paleis van Justitie in ’s-Hertogenbosch, het Nederlands Forensisch Instituut in Rijswijk en de PPS-renovatie van het Ministerie van Financiën in Den Haag. Jeugdzondes, noemt hij ze allemaal. Niet omdat hij niet tevreden is over het resultaat, maar omdat ze allemaal zijn afge­rond. Budgettair en bouwtechnisch zijn ze tot een goed einde gebracht. ‘De Raad van State is hoogstwaarschijnlijk mijn laatste jeugdzonde. Zoiets zou nu nooit meer worden ondernomen. Dit was nog een echt traditioneel bouwproces. We kiezen nu voor dbfmo, we hadden nu een andere contractvorm genomen en we zouden het misschien soberder hebben aangepakt. Het markeert echt het einde van een tijdperk.’ De klant, vertegenwoordigd in de figuur van vice-president Herman Tjeenk Willink, was heel invloedrijk. Hij sprak zich uit over de inrichting, over het verwachte eindresultaat en liep regelmatig rond door het complex waarbij hij duidelijk liet blijken wat hem wel en niet zinde.

36

Make-over

Hoppenbrouwers nam fase 2 over van zijn collega’s Louise Cuperus en Sou-Fen Kao. Ze lieten een dossier achter, dat hij nog steeds in de kast heeft staan. Daarin stond van alles geregeld, behalve de financiën. Er was wel een aanloopkrediet, maar geen overzicht of onderbebouwing van de verdere kosten. Bovendien werd de opdracht bijgesteld. De Raad van State zou niet worden

gerenoveerd, de juiste term was een complete make-over. De aangestelde architecten Merkx + Girod, in feite meer geselecteerd op hun kwaliteiten op gebied van interieurarchitectuur, moesten een aanvullende opdracht krijgen en assistentie waar nodig. Op 17 oktober 2005 ging die opdracht naar de adviseurs en de architecten, zodat er gewerkt kon worden aan ontwerp en een afgerond bestek. ‘De druk op gebied van tijd en budget was groot’, herinnert Hoppenbrouwers zich. ‘Bij de aanbesteding kregen we als dienst te maken met aannemers die sky-high inschreven, vanwege de overspannen markt. Een van de drie aannemers viel ook nog eens af. Wat dat betreft vertoonde dit project gelijkenis met het Rijksmuseum. Verder moest ik zorgen voor een tussentijdse, tijdelijke huisvesting. Zodra fase 1 was afgerond, maar de tweede fase nog niet was aange­broken, moesten onderdelen van de Raad nog elders gehuisvest worden. De winkel blijft open. De zittingen gaan gewoon door. Omdat de eerste fase uitliep, was er meer tijd voor het regelen van de aanbesteding van fase 2. Je moet winst halen uit je verlies, zeg ik altijd maar. Tot ons groot geluk kwam de ING-bank op de hoek van de Lange Voorhout leeg en dat bood een kans om de zittingzalen uit te plaatsen. In februari 2008 werd de eerste fase opgeleverd, zodat de medewerkers daar kantoor konden houden. In dat voorjaar werden de zittingszalen in het ING-gebouw geopend en werd de nieuwe kantoren in de 13 verbouwde woonhuizen betrokken. Het sloot uiteindelijk prachtig op elkaar aan. Wat we al eerder hadden besloten was dat de knoop, het verbindende element tussen de bouwdelen, niet in fase 1 maar in fase 2 zou worden voltooid.’ Het zou uiteindelijk de laatste schakel worden tussen de verschillende compartimenten van de Raad van State. De knoop is de spreekwoordelijke aansluiting gaan heten voor de verbinding, niet alleen in het gebouw zelf maar ook in stedenbouwkundig opzicht. Vanaf de Parkstraat, die het voorheen moest doen met een gesloten, introverte

gevel, is er nu een glazen ‘doorbraak’, waardoor voorbijganger de achtergelegen tuin kunnen zien. Doolhof

Aanleiding voor de make-over van de Raad van State was de toename van het aantal zaken en taken, waarop het gebouw niet was berekend. Het was een doolhof van gangen en verdiepingen, niet afdoende beveiligd en logistiek gezien niet volmaakt, om het eufemistisch te zeggen. Hoppenbrouwers: ‘Het leek niet op een rechtbank maar dat hoeft ook niet. Van belang was wel een scheiding tussen publiek en medewerkers. Hoewel het niet heel sleets was, was het pand uit de jaren tachtig toe aan modernisering. Nu hoeft de Raad van State niet te voldoen aan de strenge eisen die gesteld worden aan een rechtbank. Daar heb je een cellenblok nodig en een aparte aanvoer van de verdachten. Dan krijg je ook te maken met sluizen en gescheiden tracés.’ Over een integrale verhuizing naar een nieuw gebouw op een nieuwe locatie werd niet gesproken. De Raad hoort van oudsher in dit stukje van Den Haag. De nadruk bij de verbouwing in zowel fase 1 als fase 2 lag op de nieuwe vleugels en voorzieningen, aan de kant van de Parkstraat en naast de formele tuin. De drie monumenten, het voormalige woonhuis van Van Oldebarnevelt, het tussengelegen pand van Van der Mijle en het witte paleisje van Willem II en Anna Paulowna bleven, afgezien van enkele ingrepen, zoals nieuwe lambrisering, gordijnen en tapijten, buiten het project. Begin jaren tachtig waren van de twee statige woonhuizen de achtergevels verwijderd, iets wat je nu niet meer zou doen, denkt Hoppenbrouwers. ‘Ik ontdekte op tekeningen dat toen de topgevel van het Huis van Oldenbarnevelt is gesneuveld. Je kunt overwegen dat te herstellen, maar om te beginnen zijn Merkx + Girod geen restauratiearchitecten. De intentie was niet er een historiserend project van te maken, de keus is gemaakt voor een eigentijdse touch in de oude gedeeltes.’

Empire

De Gemeentelijke Monumentendienst stuurde aan op een rijkere afwerking van belangrijke delen van het Witte Paleis. De Rijksgebouwendienst bood deze mogelijkheid in de Balzaal en Eetzaal van het Witte Paleis. Door accenten met bladgoud en een geabstraheerd patroon van pauwen en bloemen op de gordijnen en wanden slaagde Merkx daar prachtig in. De kleuren van de stoffering zijn geïnspireerd op de empire-stijl, de periode waarin het Witte Paleisje tot stand kwam. Waar Hoppenbrouwers minder gelukkig mee is, zijn de glasbladen in de ramen aan de Kneuterdijk. Ze zijn het resultaat van een intense discussie in het Ontwerpteam. Er was een bijzondere beglazing nodig om de problemen met het gerinkel van de trams, de zonnewarmte en de beveiliging uit te bannen. Technisch mogen de ruiten thans voldoen, ze zijn naar de smaak van Hoppenbrouwers en vooral de Monumentendienst te uniform waardoor ze de identiteit van de drie gebouwen miskennen. Het had minder strak, minder gepolijst moeten zijn.

alle uitgerust met aansluitpunten voor beeldschermen en laptops, zodat hier ook de papierloze rechtszaak in de toekomst werkelijkheid wordt. Voor Hoppenbrouwers is het waarschijnlijk zijn laatste tour de force als projectmanager, hoewel hij nog niet met pensioen gaat. De veranderde opgave aan de Rijksgebouwendienst en de halvering van het apparaat zullen projecten als de Raad van State niet meer in deze vorm mogelijk maken. Als je het hem op de man af vraagt, ligt zijn hart eerder bij geheel nieuwe complexen zoals het Nederlands Forensisch Instituut. Een renovatie als deze staat toch verder van hem af, omdat bestaande bouw beperkingen oplegt en keuzes beperkt. Wat vergoelijkend, een renovatie vraagt weer veel improvisaties en dat heeft ook wel iets. Intussen verheugt hij zich op een wapenfeit. De Raad van State zal het derde project zijn dat de koningin zal openen. Dat lag voor de hand. De koningin is immers de voorzitter van de Raad van State.

Daar valt nu niet zo veel aan te doen, tenzij de overheid bereid is zes ton te investeren, maar Hoppenbrouwers verwacht dat zoiets in deze tijd een onhaalbare kaart is. Een enorme stedenbouwkundige verbetering is de gevel aan de Parkstraat in zijn ogen, die helemaal is opengewerkt. Zo beantwoordt de Raad van State aan een moderne wens dat het recht zichtbaar is, letterlijk en figuurlijk. De parkeergarage is bovendien vriendelijk toegankelijk gemaakt voor avondbezoekers van het nabijgelegen theater Diligentia. Hoppenbrouwers is ervan overtuigd dat dit stuk van Den Haag er mooier op geworden is. Dat komt vooral door de opengewerkte gevel en de door Merkx ingebrachte mensvriendelijke invulling. En natuurlijk beantwoordt de make-over van de Raad van State aan de behoefte aan meer kantoren voor de ongeveer 700 medewerkers, en aan modern geoutilleerde zittingszalen met een feilloze akoestiek. Dat zijn er zeven,

j Lichte gangen, witte trappen en glazen balustrades in de kantoorvleugel. f Uitzicht op de Kloosterkerk.

37

veel mogelijkheden bieden. Vandaar dat expansie in de eerste plaats gezocht moest worden in het bouwdeel aan de Parkstraat. Die uitbreiding heette in de hele operatie fase 1. De tweede mogelijkheid werd geboden door de kap waaronder de archieven waren opgeborgen. Die werd vervangen door een volwaardige kantooretage. Dat was de oplossing die Hoppenbrouwers namens de Rijksgebouwendienst bij opstelling van de budget (de input claim) voorstelde. Alleen zo kon de gewenste uitbreiding gestalte krijgen.


heid kent. Het werk dringt zich nergens op, maar stelt zich juist dienstbaar op ten opzichte van de bestaande architectuur. Dit gaat zelfs zo ver dat de woorden soms om een hoek gevouwen zijn, waardoor de kijker zich in allerlei bochten moet wringen om de axioma nog te kunnen lezen.

Joseph Kosuth luisterde achtergevel op met principes Spinoza

Voor Kosuth is het overigens niet het eerste werk dat hij in de openbare ruimte van Nederland aanbracht. In opdracht van de Universiteit van Amsterdam bevestigde hij spreuken van wetenschappers in grijs hardsteen op de gevels van het Universiteitsterrein en ook op het station Ommen is in de wachtruimte een wandvullend kunstwerk van de kunstenaar te aanschouwen.

De onbetwistbare regels van de Raad de kunst

Tekst: floor tinga Foto: cary markerink

38

Op het eerste gezicht zal het de meeste passanten niet eens opvallen. De zachtgele neonletters op de gevels die grenzen aan de achtertuin van de Raad van State schreeuwen niet om aandacht. Ontdek je eerst één zin, na langer kijken komen er steeds meer bij.

Sinds kort dragen de achtergevels van de Raad van State een werk van Joseph Kosuth. Via een lang lint van woorden smeedt de conceptueel kunstenaar de monumenten en nieuwbouw van de Raad letterlijk tot een geheel. De regels die de Amerikaanse kunstenaar Joseph Kosuth (1945) voor deze locatie koos, strekken zich uit over de klassieke gevels van de Gotische zaal, het voormalig Paleis Kneuterdijk en de nieuwbouw van de architecten Merkx + Girod. Deze axioma’s, zoals ze ook wel worden genoemd, citeerde Kosuth uit de Ethica van Spinoza. Het is een serie onweerlegbare principes waarvan de 17e-eeuwse filosoof meende dat iedereen het er over eens kon zijn. Betekenis van het woord

Dat de kunstenaar zich met zijn werk in de tuin van de Raad van State baseerde op de beroemde Nederlandse filosoof is niet zo gek

wanneer je bedenkt dat Kosuth zich naast zijn artistieke carrière ook heeft verdiept in wijsbegeerte. In het rijke oeuvre van de kunstenaar is die interesse goed af te lezen. Geïnspireerd door taalfilosofen zoals Ludwig Wittgenstein, speelt de betekenis van het woord een belangrijke rol in zijn werk. Zo zette Kosuth zich in de jaren zestig internationaal op de kaart met zijn werk One and Three Chairs. Hiermee toonde hij een drieluik, bestaande uit een houten stoel, een foto van diezelfde stoel en een afbeelding uit het woordenboek van de definitie stoel. Want hoewel we allemaal begrijpen wat een stoel betekent, kan het in fysieke zin heel uiteenlopende vormen aannemen.

Met een werk als dit maakte hij het begrip belangrijker dan het object zelf. Dit leidde ertoe dat hij tegelijk ook vragen opriep over de betekenis van kunst. Net zoals Marcel Duchamp in 1917 een aardverschuiving ver­oorzaakte binnen de kunstwereld door een urinoir de status van een kunstwerk te geven, wordt het werk van Kosuth gezien als invloedrijk voor de conceptuele kunst. Voor de kunstopdracht die via de Rijksgebouwendienst werd afgegeven bij de start van de tweede fase van de nieuwbouw, werd Kosuth uit een longlist van tien nationale en internationale kunstenaars geselecteerd. Het gebruik van taal dat het

oeuvre van Kosuth de afgelopen veertig jaar heeft gekenmerkt, sprak de kunstcommissie die voor deze gelegenheid was samengesteld aan. Het interpreteren van tekst speelt immers een grote rol binnen de taken van het rechtscollege. Met de keuze van Kosuth heeft de Raad van State een kunstenaar van naam aan

de kunstcollectie toegevoegd. Naast de vele prijzen die de kunstenaar al in de wacht sleepte, is hij meermalen vertegenwoordigd op de Biënnale van Venetië en de Documenta in Kassel. Bovendien realiseerde Kosuth eerder neonregels op monumentale gevels van onder meer het Louvre in Parijs, waarmee hij had bewezen een

hedendaagse invulling te kunnen geven aan een klassieke omgeving.

Waar Kosuth met zijn werk meestal naar niets anders verwijst dan naar het kunstwerk zelf, zou je kunnen zeggen dat hij in Den Haag wel degelijk een relatie heeft gelegd met de taken waar de organisatie voor staat. Zo luidt axioma nummer drie ‘Uit een gegeven, bepaalde oorzaak vloeit noodzakelijk een gevolg voort en omgekeerd: zonder een bepaalde oorzaak kan het gevolg onmogelijk optreden’. Dit is voor de gemiddelde kijker die het gebouw passeert misschien niet direct goed te begrijpen, maar wie moeite doet om zich verder te verdiepen in de betekenis van de axioma’s heeft al snel een relatie met de rechtspraak gelegd. Zoals de letter van de wet bepaalt waarnaar iedereen zich dient te gedragen, hebben de stellingen van Spinoza ook een onbetwistbaar karakter. Ze staan als het ware symbool voor de staatsrechtelijke continuïteit die de Raad waarborgt. Zelfs de diversiteit aan gebouwen waarin het instituut is gehuisvest zou je kunnen beschouwen als een stapeling van wetten die Kosuth letterlijk met elkaar heeft verbonden.

Subtiele aanwezigheid

In Den Haag heeft Kosuth een neonkunstwerk tot stand gebracht dat door de combinatie van de handgeschreven letters en het zachte licht een subtiele aanwezig-

39

raad van state

Symbolische relatie


Kunstwerk van Job Koelewijn bij Raad van State is zintuiglijke beleving

hier en nu Tekst: xandra de jongh Foto: roelof pot

Koelewijns draaiende ramen zijn een schoolvoorbeeld van een in de architectuur geïntegreerd kunstwerk. Het werk gaat letterlijk en figuurlijk naadloos in zijn omgeving op (‘Denk erom Koos, niet kitten dat raam’). Van achteraf aangebrachte, statische ‘decoratie’ is geen sprake. Om meer dan de voor de hand liggende reden. Koelewijn: ‘Een ander belangrijk aspect van het werk is dat het kunstwerk niet de herinnering aan een bepaalde tijd oproept, maar het verstrijken van tijd zelf weer geeft. Hoe simpel dit ook klinkt, dit is een enorme breuk met het hele westerse denken over de perceptie van kunst. Wat ervaren wij als we een kubistisch schilderij van Picasso zien? We zien een prachtig schilderij over het kubisme – maar het kubisme zoals dat was in die tijd. Het uiteindelijke onderwerp van het schilderij is geworden de herinnering aan een bepaalde tijd – in dit geval het kubisme. Loop maar door een museum en je zult zien dat al die schilderijen en kunstwerken niet het verstrijken van de tijd zelf weergeven, maar de herinnering aan een bepaalde tijd. De ramen die in de Raad van State geïnstalleerd zijn – wanneer je daar op bezoek gaat, al is het over 10 jaar, je zult altijd ervaren wat zich nu afspeelt.’

raad van state

40

de kunst

In het stille, en nog lege gebouw van de Raad van State waar de laatste puntjes op de i worden gezet van een grootscheepse renovatie, ogen de vijf ramen als een gewoon onderdeel van het interieur. Alsof het bouwplastic er nog maar net afgetrokken is. Weinig tot niets doet vermoeden dat de ramen een kunstwerk vormen van Job Koelewijn. Een draaiend kunstwerk nog wel. Een keer te veel knipperen met je ogen en je mist het. Zag ik nu iets bewegen of niet? Maar een scherpe blik met een scheut geduld wordt beloond: de ramen, ieder gevat in een cirkelvormig frame, draaien op uiterst minieme wijze rondjes in de muur. Het werk van Job Koelewijn behoeft eigenlijk nauwelijks nog introductie. Dat voorkomt meteen omslachtige exercities. Niet omdat het werk nodeloos ingewikkeld is, verre van dat. Maar Koelewijns werk – hoewel vaak weggezet als conceptueel – komt nu eenmaal het best tot zijn recht als je er in levende lijve tegenaan loopt. Hoe moet je anders

Ramen die het eeuwig nu reflecteren de zintuiglijke ervaring omschrijven die je overvalt bij het opsnuiven van een muur opgebouwd uit 120 duizend bouillonblokjes (verpakt in met poëzie bedrukt papier) of kilo’s zoetgeurende babypoeder. Hoe leg je iemand de vreemde, stiekeme sensatie uit van het lopen over een met spaghetti bedekte vloer, waarbij de kunst letterlijk onder je voeten vermorzelt. Om van de adrenalinerush na een juist getimede sprong langs een heen en weer zwiepend klokkenwinkeltje in een nauwe gang, maar te zwijgen. frisse blik

Hoe gevarieerd het werk van Koelewijn ook mag zijn – ruimtevullende installaties, objecten, foto’s, films, architectonische constructies – ze zijn allemaal doordrenkt van een sterk zintuiglijke prikkeling. Niet zonder reden. Koelewijn lag als jonge twintiger na een ernstig autoongeluk maanden aan de beademing. Hij overleefde het en besloot kunstenaar te worden. Zijn letterlijk herwonnen leven werd de (anekdotische)

raison-de-être van zijn kunstenaarschap, zijn (ge)snak naar frisse lucht de voedingsbodem van zijn werk. ‘Ademen is belangrijker dan zien’, zo luidt een veel aangehaald citaat van hem. Het verklaart de voorkeur voor ongebruikelijke materialen als eucalyptusolie, deodorant en bouillonblokjes (het geconcentreerde goedje

geldt voor Koelewijn als een metaforisch levenselixer), die inhalerende werken opleveren. De geest van de beschouwer wordt letterlijk opgeschoond, klaar voor een frisse blik op de werkelijkheid. Het genereren van zo’n frisse blik is ook de inzet van Koelewijns ramen in de Raad van State. In 2006 was

een prototype te zien in een solotentoonstelling van de kunstenaar bij de Amsterdamse galerie Fons Welters. Koelewijn plaatste een draaiend raam in de achtermuur van galerieruimte, en gaf het publiek zicht op de tuin van de achterburen. Tien jaar eerder maakte hij op precies dezelfde plek het werk ‘The World is my Oyster’. Een gat in de galeriemuur zo groot als een voetbaldoel (een voetbal opgebouwd uit pepermuntjes lag er schietklaar voor) bood uitzicht op dezelfde tuin. Het is duidelijk: voor Koelewijn is de werkelijkheid kunst genoeg. Het werk met de draaiende ramen ligt duidelijk in het verlengde van ‘The World is my Oyster’ uit 1996.

Koelewijn: “Het is een voortzetting van een manier van denken over de werkelijkheid, dat eigenlijk alles er al is. En dat door middel van ingrepen, in dit geval van kozijnen die langzaam ronddraaien, de waarneming van de werkelijkheid, zoals je die doorgaans kent, even verstoort wordt en de waarneming even op scherp zet.” In tegenstelling tot de tentoonstelling destijds in Amsterdam stelt Koelewijn in Den Haag niet de waarneming van de werkelijkheid buiten, maar binnen het gebouw op scherp. De vijf ramen bevinden zich afzonderlijk van elkaar op de begane grond en de vier verdiepingen van

het gebouw. Ze zijn aangebracht in de blinde muren van vijf werkkamers en geven uitzicht op de lange, open gangpaden van de verdiepingen, die in de vernieuwde opzet van Evelyne Merkx (Merkx + Girod Architecten) het architectonische zenuwstelsel vormen van het gebouw. In relatie tot de functie van het gebouw biedt Koelewijn de staatsraden, de bewoners van de vijf werkkamers, een introspectief venster op hun professionele werkelijkheid. De draaiende ramen herinneren hen dagelijks aan de noodzaak van een wisselend perspectief, om hun voortdurende taak van wikken en wegen goed te kunnen uitvoeren.

De uitspraak doet denken aan een ander ‘vensterwerk’ van Koelewijn: ‘Cinema on Wheels’. In deze verrijdbare containerbioscoop, die momenteel tijdelijk voor de ingang van Museum De Pont staat geparkeerd, kun je in opperste concentratie genieten van een doorlopende voorstelling. In plaats van naar een filmdoek kijkt de bezoeker door een groot raam hoe de werkelijkheid zich aan hem voorbij trekt. In tegenstelling tot het werk in de Raad van State, dat zich in het niet-publieke gedeelte bevindt, is Koelewijns bioscoop wél voor iedereen toegankelijk. Ga dat zien dus.

41

De werkelijkheid is voor Job Koelewijn kunst. Zo boorde hij een gat in de wand van galerie Fons Welters waardoor je naar de tuin kon kijken. Zo kon je over droge spaghetti lopen in De Paviljoens te Almere. Voor de Raad van State maakte hij vijf ramen die heel minimaal rondjes draaien. Even met je ogen knipperen en je hebt de beweging gemist.


Van bloemen, pauwen en strepen

Het oorspronkelijke veekleurige bloemendessin in het Huis van Van der Mijle is dankzij sjablonen bijna onherkenbaar opgeblazen tot slingerende en krullende abstracte patronen. Hetzelfde is gebeurd met het pauwenmotief in de Balzaal dat terugkeert in de gordijnen en het tapijt. Dat tapijt is vervaardigd door de Duitse fabrikant Trautlein naar een ontwerp van textieldesigner Edith van Berkel. Zij bouwde het uitbundige karpet op uit verschillende vlakken waarbij ze aansluit bij de naastgelegen gereconstrueerde Franse tuin. Het karpet is verdeeld in drie (bijna) vierkanten die in tint licht van elkaar verschillen en reageren op de kroonluchters erboven.

42

Als basis gebruikte Van Berkel Nieuw-Zeelandse wol die ze mengde met viscose, zijde en bamboo. Het karpet dekt een visgraatparket af dat een oorspronkelijk strokenparket heeft vervangen. De gordijnen in de Balzaal komen uit Frankrijk – hierin is als patroon de pauw terug te vinden die

symbool staat voor integriteit, bescherming en waakzaamheid. Er is lang gezocht naar een juiste gordijnstof die de soepelheid van zijde moest benaderen maar ook brandveilig moest zijn. Die bovendien zijn kleur zou kunnen behouden. In de kantoorvleugels overheerst een streeppatroon in het tapijt dat is geweven bij de Moquetteindustrie Deventer. Tapijt en parket wisselen elkaar af – het patroon van het tapijt versterkt de samenhang tussen de kantoren, brengt eenheid op elke verdieping. Ten slotte de banken, poefs, sofa’s en fauteuils in de wachtruimte van de zittingszalen. Ook hier overheersen vlakken en strepen in verschillende kleuren groen en beige het beeld die de lengte van de lobby accentueren. Bekleding dient natuurlijk niet alleen ter decoratie, ze dempt ook het geluid in de openbare ruimtes, waardoor de lobby een besloten en tegelijk open sfeer heeft gekregen. Over de strepen als wanddecoratie in het Huis van Van Oldenbarnevelt is de uitleg van Evelyne Merkx: ‘De streep is wat je het meeste ziet in de kleding van de medewerkers. Die moest dus ergens terugkeren in het interieur.’

Restauratie Witte Paleisje weerspiegelt nieuwe opvatting Monumentenzorg

raad van state Tekst: frank van de poll Foto: cary markerink

Jongleren met de werkelijkheid en verbeelding

Monumentenzorg Den Haag moest even slikken toen de plannen voor restauratie en renovatie van het Raad van State-complex op tafel kwamen. Men had aanvankelijk moeite met de amputatie van de monumenten aan de Parkstraat. Uiteindelijk zegevierde de architectonische ontwerpoplossing die een beter gebruik van het complex waarborgde. Speciale aandacht ging uit naar de Balzaal in het Witte Paleisje omdat het een van de zeldzame empire-interieurs in Nederland is.

Niet dat men ontevreden is met het eindresultaat, dat zeker niet, maar als het aan Monumentenzorg Den Haag had gelegen dan zou de renovatie en nieuwbouw van de Raad van State-gebouwen er toch een tikkeltje anders hebben uitgezien dan nu het geval is. Senior adviseur Rolf de Booij herinnert zich de moeilijke vergaderingen tijdens fase 1 van het traject, waarbij de panden aan de Parkstraat onder handen werden genomen, nog levendig. ‘Waar wij vooral moeite mee hadden was dat de panden aan de Parkstraat, tien gemeentelijke monumenten, voor de helft geamputeerd zouden worden,’ zegt De Booij in zijn kantoor op de zesde verdie-

ping van het Haagse stadhuis. De Raad van State had deze panden in 1999 aangekocht vanwege uitbreidingsplannen maar ze werden bouwkundig zo slecht bevonden dat men opknappen niet meer verantwoord vond. ‘Toen is er voor gekozen om de achterzijde van de panden te slopen en te vervangen door nieuwbouw, die voor een groot deel uit een brede gang bestaat en over de gehele lengte van Parkstraatpanden loopt. De Raad van State wilde nu eindelijk wel eens een goede verbinding in dit deel van het complex tot stand brengen. In het verleden was nu juist één van de grote ergernissen dat er geen efficiënte routing was. Daar kwam nog een

43

Een gestreept tapijt in de kantoorvleugel, een modern empire-tapijt in de Balzaal van het Witte Paleisje, een geabstraheerd bloemenbehang in het Huis van Van der Mijle, strepen in het pand ernaast, ooit het woonhuis van raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt. De vernieuwing en de verbouwing van de Raad van State kent met andere woorden subtiele accenten in de stoffering en decoratie. Merkx + Girod hebben een palet aangehouden van pasteltinten, variërend van lichtbruin, crème, lichtgroen en gebroken wit.


daar werden alleen de stijlkamers achter de gevel behouden terwijl de rest van de panden gesloopt werd en vervangen door nieuwbouw. Maar renoveren in de jaren tachtig van de vorige eeuw was een heel ander verhaal dan nu. Zo liet Wegener Sleeswijk bij de restauratie van het Witte Paleisje rustig alle verf van het houtwerk verwijderen waardoor kleuronderzoek, om te bepalen welke kleuren in het verleden precies zijn gebruikt, bij de huidige renovatie niet meer mogelijk was. Gelukkig is men tijdens de huidige restauratie van de historische interieurs in de gebouwen aan de Kneuterdijk, het Witte Paleisje en de woningen van Van der Mijle en van Van Oldenbar-

andere eis bovenop: de nieuwe gang moest toegankelijk zijn voor invaliden.’ Zodat nu alleen nog de monumentale gevel en de direct aan de voorzijde gelegen stijlkamers gehandhaafd zijn gebleven. Alles is weer keurig gerestaureerd en ook de nieuwbouw erachter is helder en transparant. Een mooi ontwerp, maar het verlies van de oorspronkelijke achterzijde van de panden gaat De Booij toch aan het hart. ‘In dit soort processen is vaak van doorslaggevend belang: hoe wordt er geredeneerd? Vanuit een architectonische visie of vanuit een monumentenvisie? En er zijn natuurlijk verschillende partijen bij betrokken die allemaal hun eigen belangen hebben. In dit geval is de architectonische ontwerpoplossing doorslaggevend geweest.’

nevelt, een stuk omzichtiger te werk gegaan dan destijds. Het was in het begin wel even slikken voor Monumentenzorg Den Haag toen de architecten Merkx + Girod en de Rijksgebouwendienst met het voorstel kwamen om een geheel nieuwe historische laag over de oorspronkelijke architectuur te leggen. ‘Ons standpunt is dat nieuwe toevoegingen in veel gevallen een enorme verrijking betekenen voor een gebouw, maar dat er ook situaties denkbaar zijn waarbij het verleden dermate zwaar weegt dat slechts ondergeschikte wijzigingen kunnen plaatsvinden’, zegt De Booij. ‘We hebben daarom wel enkele

stevige discussies met de architect gevoerd. Maar het moet gezegd, de restauratie van deze panden, en het gaat hier om topmonumenten, heeft uiteindelijk toch geleid tot een bijzonder interessante combinatie van uiterst gewaagde en eigentijdse interieuronderdelen, in een afwerking die is gebaseerd op de oorspronkelijk aanwezige stijlkenmerken’. Empire

Zo zijn er verschillende fraaie empireruimtes aanwezig zoals de Balzaal in het Witte Paleisje, dat Willem II, toen nog kroonprins, voor zijn vrouw Anna Paulowna aan het begin van de 19e-eeuw door architect Jan de Greef liet bouwen. De empire-

stijl was door Lodewijk Napoleon uit Frankrijk meegenomen naar Nederland en werd vooral onder Willem I toegepast om de positie van de kersverse monarchie extra te benadrukken. Het waren meestal bestaande gebouwen die inwendig compleet werden heringericht in deze typisch Franse interieurstijl die zeer verfijnd was en daarom ook heel kostbaar. De empirestijl straalde een grandeur uit die in Nederland nagenoeg onbekend was; de Franse hang naar uiterlijk vertoon was boven de grote rivieren nooit erg populair geweest. Vandaar dat hoogwaardige empire-interieurs in Nederland dan ook zeer zeldzaam zijn.

Doormidden gezaagd

Een nieuw tapijt in de Balzaal.

Rond vertrek voor de Eetzaal,

Nieuwe luchter in de Tuinzaal.

45

44

Opvallend is dat architect Wegener Sleeswijk in 1982 ook al de door hem verbouwde huizen aan de Kneuterdijk doormidden heeft gezaagd. Ook


Toevoegingen

Entree in het monumentale deel aan de Kneuterdijk.

Bewogen geschiedenis in en om de Balzaal

46

De Tweede Wereldoorlog was nog nauwelijks afgelopen of de functie van het Witte Paleisje veranderde op slag van functie. Huisvestte het paleisje tijdens de bezetting het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) – een vehikel voor de Duitse propaganda – tussen 30 augustus 1945 en 30 juni 1949 werden er de processen gevoerd tegen personen die van oorlogsmisdaden werden verdacht. Mussert, Rauter en Blokzijl, zij stonden terecht in de Balzaal die groot genoeg was om niet alleen de rechters maar ook het toegestroomde publiek een plaats te geven. Foto’s uit die tijd laten zien hoe er tussen de zuilen recht gesproken werd, met de verdachte achter een katheder, en het publiek aan weerszijden. Maar eerst de oorlogstijd: op Kneuterdijk 20 was naast het DVK ook de Presse- und Propagandadienst beim Amt des Reichskommissars gevestigd. Het was dus bij uitstek een bolwerk dat probeerde de media (radio en kranten) te beïnvloeden. Bij dat departement werkten 237 ambtenaren van wie er 34 lid waren van de NSB. Dit departement was verantwoordelijk voor de gehate Kultuurkamer, het instituut dat ervoor zorgde dat joodse hoogleraren van universiteiten werden geweerd en dat kunstuitingen pasten binnen de nazi-filosofie. Wie wilde optreden, schrijven of musiceren moest zich aanmelden bij de Kultuurkamer. De Kultuurkamer zaaide in dat opzicht grote tweedracht in cultureel en onderwijzend Nederland. Na de oorlog werden de bordjes verhangen. Het Bijzonder Gerechtshof nam zijn intrek in het Witte Paleisje. Het parket ontving in die vier jaar 51.000 dossiers over de wan- of misdaden tijdens de bezettingstijd. 13.000 daarvan werden geseponeerd. De eerste die terecht stond, eind augustus 1945, was de radiopropagandist Max Blokzijl die vlak voor het uitbreken van de oorlog Nederlanders opgeroepen had zich te bekeren tot het nationaal-socialisme. Een belangrijke verdachte betrad in 1948 de volgepakte Balzaal, Hans Albin Rauter, hoofd van de SS, die van ernstige oorlogsmisdrijven werd verdacht. Rauter was verantwoordelijk voor martelingen en de dood van vele Nederlanders. Hij was het die 661 mannen en jongens uit Putten liet oppakken nadat er in de omgeving een mislukte aanslag op hem was gepleegd. In 1949 werd hij in de duinen bij Scheveningen gefusilleerd. Dit gerechtshof was tijdelijk. Nadat de dood- of gevangenisstraffen waren opgelegd, veranderde het Witte Paleisje en de aanpalende panden weer van functie: als Ministerie van Financiën.

Uitgangspunt bij restauraties is de gelaagdheid van het monument. Latere toevoegingen moeten op hun eigen waarden beoordeeld worden want ze zijn net zo goed onderdeel van het gebouw. En natuurlijk, benadrukt De Booij, het mogen ook rustig eigentijdse toevoegingen zijn. Het zijn moderne restauratieopvattingen die in Den Haag worden beleden. Sinds de modernisering van de monumentenzorg, de MoMo, die vorig jaar van start is gegaan, wordt er veel breder naar monumenten gekeken en gaat het bij restauraties niet alleen meer om conservering en reconstructie. Kijk naar de recente renovatie van het Paleis op de Dam waar twee afzonderlijke historische tijdperken in het nieuwe interieur zijn samengebracht: de vorstelijke paleisarchitectuur uit de 17e-eeuw en het empire-interieur uit de tijd van Lodewijk Napoleon. Waarbij een groot aantal interieuronderdelen met de modernste technieken opnieuw zijn gemaakt en nu staan te pronken tussen het authentieke meubilair. Het is jongleren met de werkelijkheid en de verbeelding, het vrijelijk interpreteren van de geschiedenis, die opnieuw tot leven wordt gewekt maar wel met het oog ferm gericht op de toekomst. Het Paleis op de Dam, maar ook de gebouwen van de Raad van State, zijn na hun ingrijpende renovaties niet alleen voorzien van een nieuwe historische laag maar ook levensloopbestendig gemaakt en aangepast aan de individuele wensen van de moderne gebruiker. Daarin liggen tegenwoordig de uitdagingen van de huidige renovatieprojecten, om een goede

balans te vinden tussen behoud en ontwikkeling.

nasmaak

Waas van vernieuwingen

Tekst: marianne schijf Fotografie: janine schrijver

Wie nu door het gerenoveerde Raad van State-complex loopt kan met eigen ogen zien hoe de gebouwen zijn klaargestoomd voor de 21eeeuw maar waar toch de waas van het verleden door alle vernieuwingen heen schemert. De moderne bloemmotieven in het huis van Van der Mijle, geïnspireerd op oude behangfragmenten, de gestileerde kroonluchters in de Balzaal, het streeppatroon op de muren in het huis van Van Oldenbarnevelt, de wandtapijten met de verschillende kleurpatronen in sommige vertrekken van het Witte Paleisje, en natuurlijk het nieuwe visgraatparket dat in de plaats komt van het oude strokenparket. Alles sober en ingetogen, met misschien nog een vleugje statigheid, die niet alleen herinnert aan de deftigheid van het empiretijdperk maar die ook recht doet aan de huidige functie van het gebouw. In Den Haag is men dan ook zeer tevreden met de restauratie van de panden aan de Kneuterdijk, hoewel men hier en daar misschien tot andere keuzes was gekomen. ‘Bij restauraties is het gekozen uitgangspunt nu eenmaal essentieel voor het resultaat’, besluit De Booij. ‘Je kunt twee dingen doen. Of je kiest er voor om het bestaande gebouw te conserveren waarbij nieuwe functies zich geheel aanpassen aan dat gebouw, wat resulteert in behoud van zeer veel authentiek materiaal. Of je kiest er voor om de nieuwe functie leidend te laten zijn en in de gebouwen ook ingrijpende vernieuwingen toe te staan. De architecten, de gebruiker en de Rijksgebouwendienst hebben, vooral in de eerste fase, gekozen voor de laatste aanpak. Binnen dit gekozen uitgangspunt is het resultaat dan ook heel bijzonder te noemen.’

Toen ik hier in 1986 kwam werken, dacht ik direct: wat een prachtige panden zijn dit. Ja, ik heb mijn hart aan deze gebouwen verpand. Het Witte Paleisje, de Balzaal, de stadsherenhuizen aan de Parkstraat. Dit is een toplocatie met een lange geschiedenis. Koning Willem II heeft er indertijd zijn stempel op gedrukt. Hij wilde aan de kant van het Noordeinde een stadspaleis creëren, maar die gebouwen zijn, op de Gotische zaal na, allemaal verdwenen. Dat ik nu zoveel van de geschiedenis van deze locatie weet, is in de loop der jaren vanzelf gegroeid. De Raad van State is een aaneenschakeling van gebouwen van de Kneuterdijk, de Parkstraat tot de Oranjestraat en de Paleisstraat aan toe. Dat is wel eens minder geweest. Ik heb de afgelopen 25 jaar veel bewegingen van de organisatie meegemaakt. Krimpen en uitdijen betekende ruimte afstoten of juist ruimte erbij. Toen we omstreeks 2000 aan de vooravond stonden van een groot pakket onderhoudswerkzaamheden, bedachten we samen met de Rijksgebouwendienst dat de huisvesting van de Raad grootschalig aangepakt moest worden. Er waren allerlei mankementen, en vooral de panden aan de Parkstraat waren hoognodig aan vernieuwing toe. Die panden werden verbonden door kruipdoor-sluip-door- gangen met niveauverschillen. Dat moest één samenhangend en flexibeler geheel worden. ‘Dat zou fase 1 van de renovatie worden. We hebben aan de hand van het organogram de huisvestingsbehoeftes in kaart gebracht en

Peter Meijer,

Foto op achterkant SMAAK

bouwcoördinator bij de Raad van State, is ruim tien jaar betrokken geweest bij de grootscheepse opknapbeurt van de gebouwen van de Raad. het programma van eisen opgesteld. Er werken hier hoofdzakelijk juristen en die hebben niet zoveel met kantoortuinen. Zij moeten geconcentreerd en ongestoord kunnen werken, dus daar is een traditioneel cellenkantoor voor bedacht. Voor de andere functies, zoals de postkamer, archief, automatisering hebben we bepaald wat de handigste manier van huisvesten is. In de oude situatie zat de repro-afdeling op zolder, erg onhandig weet ik uit ervaring, want alle papier komt beneden binnen. De Raad van State is een “papierverwerkende” organisatie; er is een grote dossierstroom en er wordt veel gekopieerd. De repro zit nu op een centraal, logistiek handig punt op de begane grond. De centrale computerruimte zit middenin het ganggebied op de eerste verdieping. De vloer in die ruimte is gelijk aan die van de gang, in de laag eronder zijn alle netwerkkabels weggewerkt. Dat zijn de smaakmakende voorbeelden.’ Testalarm ‘Ik was tijdens het bouwproces de spil tussen de Raad van State en alle partijen die met de bouw bezig waren. Of ik wel eens slecht heb geslapen? Nee, wat wel even lastig was, was de brandinstallatie. Die kreeg bij de afronding van fase 1 ook na de test nog geen goedkeuring van de brandweer. Wat bleek? De leverancier had een softwareupdate ingevoerd zonder het ons te laten weten. Daardoor deed niets het toen het testalarm afging. De sirene ging niet, de brandwerende deuren bleven open. Dat was een pittig weekje. Voor fase 2 hebben

we de brandweer vanaf het begin meegenomen in het bouwproces en afspraken gemaakt over de voorschriften en eisen. Het is allemaal goed gekomen. ‘Dit soort projecten maak je maar eens in je leven mee. Tijdens de verbouwing hebben we tijdelijk andere panden in de binnenstad moeten huren en heb ik dus nog een paar verhuizingen georganiseerd. Mijn belangrijkste zorg tijdens de bouw was dat de eisen uit het programma van eisen ook echt gerealiseerd zouden worden. Ik moest beoordelen of het goed werd uitgevoerd en eventuele aanpassingen voorstellen. Een voorbeeld? De architect had met het nieuwe ontwerp voor het Wegener Sleeswijk-complex geen rekening gehouden met de glazenwasser. Er is veel glas in het pand en dat moet je schoonmaken, maar de glazenwasser kon er op de oorspronkelijke manier niet efficiënt bij. Dat is nu veranderd. Je moet kritisch naar het ontwerp blijven kijken. Je kunt misschien niet in alles je zin krijgen, maar je moet het wel samen doen. We hadden nu de kans om het goed te doen. Zo was er aanvankelijk voor een standaard klimaatinstallatie gekozen voor deze gebouwen. Op mijn aandringen is overgestapt op koude-warmte-opslag in de bodem. Een duurzame oplossing voor een gebouw dat toch voor minstens 25 jaar is neergezet.

>>

wat, dus nazorg is belangrijk. De vuistregel hierbij: in elk nieuw gebouw moet je een jaar leven voordat het klimaat goed geregeld is. Ik kan niks verzinnen wat we beter hadden moeten doen. We hebben sinds de ingebruikname weinig klachten gekregen. Het kan ook niet anders, het is zo mooi geworden. Ook het meubilair is vernieuwd. Dat was nodig omdat anders de Raad van State een “mooi kostuum met oude schoenen” was geworden. We zijn er volgens mij samen in geslaagd om er een goed samenhangend, flexibel en modern gebouw van te maken. Of ik blij ben dat het klaar is? Ja en nee. Ja, want er is een mooi project afgerond op een unieke plek in Den Haag. Ik heb er een aardige bijdrage aan geleverd en daar ben ik trots op. Nee, omdat ik het jammer vind dat de mensen met wie ik heb samengewerkt en lief en leed gedeeld, nu uit elkaar gaan. Ik ben mijn spullen al aan het pakken. Niet om weg te gaan hoor, maar ik ga intern verhuizen.’

‘Of er iets fout is gegaan? Er gaan altijd dingen fout tijdens een bouwproces.. Het is een utopie te denken dat je bij de overdracht de sleutel in handen krijgt en alles piekfijn in orde is. Er is altijd wel

47

De Booij: ‘We moeten dus zuinig met deze interieurs omspringen. Ik geloof dat alleen Paleis Soestdijk en Paleis Noordeinde een zelfde empire-balzaal hebben. Daarom vonden wij dat er hier zoveel mogelijk gekeken moest worden naar de oorspronkelijke afwerking. Maar Evelyne Merkx heeft ook hier een geheel eigen interpretatie van empire gemaakt.’


smaak is een uitgave van: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Rijnstraat 8 | 2515 XP Den Haag | www.rgd.nl

los nummer â‚Ź 5,-

Š Rijksoverheid | Oktober 2011 | Publicatie-nr. 0022

Peter Meijer: interview p. 47


SMAAK Special Raad van State