Page 1

MAGAZINE VRIJZINNIGE ACTUALITEIT OOST-VLAANDEREN

Crisis in de gezondheidszorg WIE GAAT DAT BETALEN? GETUIGENIS WOON-ZORGCENTRUM

De morele revolutie beraamd TOBIAS LEENAERT BRENGT VEGANISME AAN DE MAN

Angst voor straling GEVAARLIJKER DAN STRALING ZELF

ISSN0780-2989 › P608277 › VERSCHIJNT TWEEMAANDELIJKS › NIET IN JULI EN AUGUSTUS › JAARGANG 50 › NR. 1 › JANUARI 2018 › PRIJS LOS NUMMER €4


INHOUD

2  >  januari 2018

VAN DE REDACTIE Was het nu '68 of '69?

3

PLAKKAAT Provocatie

4

ACTUA Wie zal dat betalen? Vermaatschappelijking van de zorg

6 8

COLUMN Vernieuwjaarswensen

11

VRAAGSTUK How to create a vegan world

12

MENSELIJK AL TE MENSELIJK Het was weeral gehakt

17

FILOSOOF OVER FILOSOOF Ulrich Libbrecht: bricolerend filosoof

22

FORUM Doe nooit wat onkuisheid is Over Weinstein

26 27

HET STEMHOKJE Angst voor straling is gevaarlijker dan straling zelf

29

CULTUUR Magritte en de vrije gedachte Skopiumschuivers

32 40

BOEKENREVUE Palliatieve sedatie Philosophy of War & Peace Valkuilen van ons denken Vrijzinnig humanisme in tijden van globale opwarming

42 44 46 49

RETROGEUS 1978, jaar van het dorp Zie en teken het met humor Over katolieken die alleen voor de kerk huwen Humanitas' relatiebureau 'De Vlam'

51 52 54 54

POËSTILLE Misdaad in Granada

55

ABECEDARIUM De B van BB

56

NIEUWSBRIEF

57

COLOFON

59

DEGEUS


VAN DE REDACTIE

Was het nu '68 of '69? Beste lezer, vandaag vieren we niet alleen een nieuw jaar, maar ook de vijftigste verjaardag van het magazine dat u momenteel in handen hebt, De Geus. Inderdaad, op de cover leest u dat we aan de vijftigste jaargang toe zijn. Maar klopt dit wel? Naar aanleiding van de voorbereiding van de festiviteiten rees de vraag of dit wel juist is. Want vrijdenkend als we zijn, stellen we alles voortdurend in vraag. Blijkbaar heerst er onduidelijkheid over de exacte datum van de eerste publicatie. Want die vinden we niet. Heeft het misschien te maken met de naamsverandering? De Geus kreeg inderdaad doorheen de jaren verschillende namen. Oorspronkelijk gestart als het Mededelingsblad van HVV-HV-GENT, in 1977 geëvolueerd tot De Geus van Gent, om later afgekort als De Geus door het leven te gaan. Of heeft het te maken met een simpele rekenfout? Enkele mails naar oude redactieleden en enig opzoekwerk door CAVA, het Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven, brachten ook geen soelaas. Bij deze een warme oproep om de eerste jaargangen aan ons en CAVA te bezorgen. Wie helpt ons? Jammer om zo’n schat aan informatie te verliezen. Om het werk van onze voorgangers niet te vergeten, creëren we deze jaargang een nieuwe rubriek, de RETROGEUS. We publiceren in elk nummer een aantal artikels van vroeger. En u zal gauw opmerken dat the times, they are a-changing. Vandaag is het bijvoorbeeld ondenkbaar geworden om geen vegetarische gerechten aan te bieden op restaurant. Vroeger werden vegetariërs op hoonlach onthaald, het waren ‘geitenwollen sokken’ die veel te soft in de wereld staan. Tobias Leenaert is wel meer dan dat. Hij schreef zijn visie neer in How to create a vegan world en stelt dat de grootste verandering, het meest positieve effect op dier en klimaat, bereikt wordt door flexitariërs en niet per se door consequente vegetariërs. Als we allemaal minstens een dag in de week geen vlees eten, sparen we meer dieren uit dan alle veganisten samen. Een interessante visie, die heel wat weerklank krijgt, ook buiten onze landsgrenzen. Ook aan het veranderen: hoe we omgaan met ouderen. Wordt oma of opa een last, dan plaatsen we die gemakshalve in een rusthuis. Want daar worden ze goed omringd, ze worden er verzorgd en hebben leeftijdsgenoten om het sociaal isolement tegen te gaan. Maar de VRTreeks Pano liet een heel ander beeld zien. De toestand in veel, uiteraard niet alle, rusthuizen is ronduit schrijnend. Ook Anniek De Pauw, vrijzinnig humanistisch consulent, beaamt dit vanuit haar ervaringen. En als dan het moment

DEGEUS

Uit het archief van De Geus van Gent. © Gilles Van Geert

komt om afscheid te nemen van het leven, beslist een dokter nog veel te gauw hoe uw einde eruit zal zien. Terwijl euthanasie gebonden is aan rapportering en enkel mogelijk is op verzoek van de patiënt zelf, biedt palliatieve sedatie de mogelijkheid aan de arts om het leven te beëindigen zonder medeweten van de patiënt. Uit cijfers blijkt dat euthanasie van toepassing was op 1,9% van de overlijdens, bij palliatieve sedatie is dat 14,5%. Wim Distelmans pleit daarom voor een ethische reflectie over de aanwending van het medisch begeleid sterven. Het is duidelijk dat er nog veel werk is aan onze gezondheidszorg. Helaas zullen de budgetten voor de gezondheidszorg niet stijgen, in tegenstelling tot de zorgvraag. Marc Noppen staat aan het hoofd van het UZ Brussel en is voorstander van de door Maggie De Block voorgestelde ziekenhuisnetwerking, maar volgens hem is dit niet voldoende. Willen we ontsnappen aan de nakende impasse, dan zullen er nog veel meer maatregelen nodig zijn. Ik hoor u al denken, weinig opbeurend nieuws in deze Geus. Daarom maken we ook graag plaats voor de lach in dit nummer. Pareltjes als Column en het Abecedarium, geleverd door respectievelijk Willem de Zwijger en Jean Paul Van Bendegem, leveren steeds een schitterende bijdrage tot uw lachspieren. ‘Al lachend zegt de zot zijn waarheid’, stelt ook Willem Elias, die filosofeert over de werken van René Magritte. Deze surrealistische schilder blies vijftig jaar geleden zijn laatste pijp uit. Weeral feest! Het mag duidelijk zijn dat vrijdenkers elk moment aangrijpen om feest te vieren en er nog eens een goeie lap op te geven. Of dit nu de negenenveertigste of vijftigste Geus is, doet er dus eigenlijk niet echt toe. We vieren het geboortejaar van uw favoriete magazine, of het nu '68 of '69 is. Noteer alvast zaterdag 19 mei 2018 in uw agenda. In ware sixties stijl organiseren we een verjaardagsfeestje voor De Geus! Ik eindig graag met de gevleugelde woorden uit het editoriaal van De Geus van Gent, juni 1977, ‘Wij spreken de hoop uit dat het tijdschrift uw trouwe huisvriend zal blijven of worden.’ Santé en een gelukkig leesjaar! Griet Engelrelst

januari 2018  >  3


PLAKKAAT

Agenten in de Antwerpse Brederodestraat nemen hun positie in tijdens de rellen tussen Turken en Koerden op 27 oktober 2017. © Dagelijks Nieuws / Youtube

Provocatie Op vrijdag 27 oktober 2017 gaat een menigte Turken en Koerden op de vuist nadat een PKK-bus door de buurt reed. Meer dan tweehonderd mensen raakten betrokken bij een vechtpartij met stokken en soms zelfs wapens. ‘Die PKKbus reed hier langs om te provoceren’, klonk het in de buurt. ‘Hoe kan het dat zo’n bus door deze wijk rijdt?’ Nog geen week later blijkt een door het vrolijke duo Dewinter en Wilders geplande Molenbeekse islamsafari te zijn verboden door burgemeester Françoise Schepmans, omdat ‘ze enkel komen om te provoceren’.

Acties verbieden omdat ze provoceren, is als meningen verbieden omdat ze kwetsen Dat begrip ‘provocatie’ viel die week opvallend vaak. Ik bedacht me dat sommige mensen zich wel makkelijk laten provoceren. Een deel van hen acht het blijkbaar ook noodzakelijk om er effectief op in te gaan, desnoods met geweld. Provoceren is schijnbaar

4  >  januari 2018

iets slechts, zelfs van die aard dat de bewegingsvrijheid van mensen ervoor mag ingeperkt worden. En dat vind ik op mijn beurt bijzonder provocatief! Uiteraard kregen we over het gebeurde te weinig informatie en blijven allerlei vragen onbeantwoord. De berichtgeving over het eerste voorval vermeldt bijvoorbeeld niet of het voorbijrijden met de bus op zich volstond als provocatie – of deden ze misschien nog meer dan dat? Waren de Koerden als eersten uit de bus gestapt met stokken, of gebeurde dat naar aanleiding van een actie aan Turkse kant? Werd de bus eerst klemgereden en bekogeld met stenen of pas achteraf toen de politie de bus onder escorte deed vertrekken?

Verschillende kranten spreken elkaar daarin tegen, en eigenlijk waren alle berichten nietszeggend: ‘Bus met PKKaanhangers provoceert Turken,’ viel er te lezen. Alsof dat een glashelder feit was. Maar wat hield die provocatie dan precies in? Betrof het louter de aanwezigheid in die buurt of was er toch iets meer aan de hand?

Provoceren is schijnbaar iets slechts, zelfs van die aard dat de bewegingsvrijheid van mensen ervoor mag ingeperkt worden Het is voor mij in elk geval moeilijk te bevatten dat om het even welke bus, met wie dan ook erin, niet zou mogen rondrijden waar gewenst. Dat kan eventueel aan mijn gebrek aan empathie liggen – maar de beschuldiging dat iemand aanleiding geeft tot geweld door simpelweg ergens te zijn, doet mij veeleer denken aan no-go-zones en is toch zonder meer een inperking van het recht om in de publieke ruimte te

DEGEUS


PLAKKAAT

gaan en staan waar men wil, en van het recht op vrije meningsuiting? Dat geldt net zo goed voor het geval van de islamsafari, waarin die rechten geschonden worden door de Molenbeekse MR-burgemeester. Wie zoals ik de vrije meningsuiting als behoorlijk absoluut beschouwt, heeft het hier toch moeilijk mee?

Omkunnen met vrije meningsuiting en het zich leren beheersen zijn in een vrije samenleving tekenen van maturiteit Provoceren is het moedwillige uitlokken van een reactie. Op zich hoeft dat zelfs niet eens negatief te zijn. Willen we niet allemaal dagelijks reacties uitlokken bij mensen? Hen uitdagen? Kunnen sommige provocaties niet gewoon terecht zijn? Let wel, ik heb het hier zeker niet over pesterij of stalking. Die zijn vanzelfsprekend strafbaar. Provocatie echter heeft voor veel mensen een al te negatieve bijklank, alsof men op misleidende wijze tot extreme daden wordt aangezet, waarbij men haast geen controle meer over zichzelf heeft. Alsof de provocatie van die aard is dat je van je vrije wil – indien die al bestaat – beroofd wordt. Maar er is geen noodzakelijk causaal verband tussen de provocateur en de daden van de geprovoceerde geweldpleger. Die laatste heeft immers heel veel opties: negeren, opkroppen, een opiniestuk schrijven, weglopen, een © De Jonge Turken / Youtube

afkeurende blik werpen, een tegenbetoging houden, iemand verwelkomen, knuffelen en kussen, schreeuwen, knipogen, ... en dan is er natuurlijk ook nog geweld. Er is met andere woorden een ruime keuze aan (aanvaardbare en beschaafde) reacties op veronderstelde provocatie. Daarnaast heb ik wat moeite met het verbieden van een op voorhand aangekondigd event op basis van zogenaamde provocatie. Want net dán kan men zich des te beter ‘voorbereiden’ en klinkt het excuus van een impulsieve, niet te vermijden opwelling tot geweld veel minder gegrond. Je wordt in zo’n geval niet langer louter bepaald door ‘de gemoedstoestand van het moment’, zo dwingend dat men niets anders kan verwachten dan grimmig geweld. Omkunnen met vrije meningsuiting en het zich leren beheersen, zijn in een vrije samenleving tekenen van maturiteit. Als die vrijheid echter wordt begrensd door de langste tenen of de gevoeligste zieltjes die licht ontvlambaar en moeiteloos geprovoceerd worden, komen we in een ongezellige wereld terecht. Ik kan me ter illustratie makkelijk een reeks beroepen voorstellen waarin mensen dagelijks worden geprovoceerd. Denk maar aan agenten, leerkrachten, maatschappelijk werkers, obers in de horeca, ... Als hun eerste reactie op provocatie geweld zou zijn, dan hebben we een probleem. Eerlijk gezegd, een bus van pakweg het Vlaams Belang of Hizb ut-Tahrir (een radicaal-islamitische organisatie, die in sommige (Arabische) landen is

verboden en een kalifaat nastreeft met strenge shariaregels. Hizb ut-Tahrir bestaat sinds 1953 en is actief in 50 landen. Ze zou in ons land 100 tot 200 leden tellen, nvda) die door mijn straat flaneert zou mij ook ‘irriteren’, op mijn emotionele spectrum ergens tussen schouderophalend medelijden en ergernis. Maar ik haal het niet in mijn hoofd om mensen fysiek aan te vallen wanneer ik het met hen hartsgrondig oneens ben, noch wanneer zij er regelrecht degoutante opvattingen op na houden.

Als provocatie ‘een reactie uitlokken’ betekent, dan ligt nog niet vast welke reactie dat moet zijn Wat ik bedoel; als provocatie ‘een reactie uitlokken’ betekent, dan ligt nog niet vast welke reactie dat moet zijn. Was het de bedoeling van Dewinter en Wilders om geweld uit te lokken? Wilden ze hun ideeën bevestigd zien? Of wilden ze gewoon de aandacht – om de aandacht? – op een reëel probleem vestigen dat volgens hen broodnodig moet worden aangepakt? Verlangden ze nadien een debat? Of zoeken ze broodnodige extra steun van hun in slaap gesukkelde achterban? Dat weten we niet én het is ook volstrekt irrelevant. Provocatie of het vermoeden ervan kan bijgevolg op zich niet voldoende grond zijn om iets te verbieden. De burgemeester van Molenbeek had het tripje van die twee schertsfiguren moeten laten doorgaan en hen politiebescherming bieden indien nodig. In plaats van de boodschap dat ze Dewinter en Wilders niet zou tolereren, had ze beter de buurt geadviseerd hen vriendelijk ludiek te verwelkomen met een feest en knuffels. Dat zou die potentiële provocatie onmiddellijk hebben ondermijnd en geneutraliseerd. Maar acties verbieden omdat ze provoceren, is als meningen verbieden omdat ze kwetsen. Er zijn dus sterkere argumenten nodig vooraleer we kunnen overgaan tot zulke maatregelen. Brecht Decoene



januari 2018  >  5


ACTUA

Wie zal dat betalen? DE GEUS SPRAK MET MARC NOPPEN OVER DE FINANCIERING VAN ONS ZORGMODEL de patiënt ... en het levert dus ook een zeer grote patiënttevredenheid op. Dat is goed, maar vormt tegelijk ook een enorme rem op verandering vanuit de politiek. Patiënten zijn immers ook kiezers. Een ander nadeel van ons systeem is dat de focus ligt op zorgproductie, met een financiële incentivering voor volume en service (fee for service), eerder dan op kwaliteit en outcome. Bovendien is er een grote redundantie, wat zorgt voor een enorme budgettaire druk.

Zeer grote patiënttevredenheid is goed, maar vormt tegelijk ook een enorme rem op verandering

© Lander Loeckz. UZ Brussel

Marc Noppen, de longarts die sinds 2006 het UZ Brussel in goede banen leidt, geldt in kringen die met gezondheidszorg bezig zijn als een visionair. Dat bleek ook uit zijn opgemerkte interview met De Tijd (22/07/2017). Hij stelde er onomwonden dat de manier waarop onze ziekenhuizen nu werken, financieel niet meer houdbaar is. Hij hekelt het gebrek aan visie, en dat men te weinig bezig is met het uitwerken van zowel alternatieve financieringsmodellen als alternatieve zorgconcepten. En het ziet er niet goed uit: verwacht wordt dat de budgetten voor gezondheidszorg geenszins zullen stijgen, maar de zorgvraag wél. Hoe ontsnappen we aan die nakende crisis? Onze Belgische gezondheidszorg staat bekend om zijn toegankelijkheid en zijn korte wachttijden. Is ons zorgmodel houdbaar nu de financiering onder druk komt te staan? Wat staat ons te wachten? Privatisering? Lagere

6  >  januari 2018

kwaliteit? Langere wachttijden? België heeft na de Tweede Wereldoorlog gekozen voor een maximaal toegankelijke, op service gerichte gezondheidszorg. Dat heeft veel voordelen: grote toegankelijkheid, quasi geen wachttijden, vrije keuze van

Ik verwacht niet noodzakelijk privatisering (als u daarmee de intrede van bijvoorbeeld ‘for profit ziekenhuizen’ bedoelt), maar wel een noodzakelijke rationalisering, herstructurering en omschakeling van de financiële hefbomen en risicodragers binnen de gezondheidszorg. En dan heb ik het nog niet over de misschien nog dringender aanpak van de geestelijke gezondheidszorg ...

ALTERNATIEVE FINANCIERING Wat doen andere landen? Welke visies ziet u bij de ons omringende landen? In veel landen is men sneller dan bij ons aan het overschakelen naar een meer gestuurde (‘gemanagede’) gezondheidszorg met andere financieringsmechanismen zoals capitation (waarbij een arts of een groep artsen een vast bedrag betaald krijgt per patiënt over een bepaalde periode, ongeacht het aantal keer dat die patiënt zorg of interventies vraagt, nvdr), bundled payments (een systeem dat het midden houdt tussen een betaling per behandeling zoals nu en het

DEGEUS


ACTUA

capitation-systeem, nvdr) of P4Q (Pay for Quality, waarbij de vergoeding van de zorgverlener niet alleen gekoppeld wordt aan de hoeveelheid geleverde zorg, maar ook aan de kwaliteit van die zorg, nvdr). Dat zijn systemen waarin de focus meer op de beloning van kwaliteit en (populatie)outcome ligt, de zogenaamde value based healthcare. Een heilige koe die dan wel gedeeltelijk moet sneuvelen is de totale keuzevrijheid van de patiënt, die dus lastig zal zijn, en de ongebreidelde fee for service-financiering van de artsen. Die zullen dus ook lastig zijn.

Een heilige koe die gedeeltelijk moet sneuvelen is de totale keuzevrijheid van de patiënt Als we de zorg niet meer financieren per prestatie, lopen we dan niet het gevaar dat patiënten die heel veel zorg nodig hebben, in de kou zullen blijven staan? Net omgekeerd: net voor deze patiënten zal de factuur betaalbaar blijven. Veel mensen zijn overtuigd dat onze gezondheidszorg wereldtop is. Is dat nog steeds zo, of verwarren patiënten snelheid en kwaliteit? Kunnen we blijven besparen? We zijn top in service levels (toegankelijkheid, keuzevrijheid, wachttijden). Wat kwaliteit betreft zijn we globaal genomen goede middelmaat, hoewel met een (te) grote variabiliteit en intransparantie in nichekwaliteit. Zo hebben we enkele wereldtopcentra in bepaalde niches, naast zeer middelmatige diensten. Bovendien is onze gezondheidszorg vrij duur. We behoren tot het koppeloton in de OESOlanden, zowel maatschappelijk als outof-pocket. Daar staat tegenover dat we een zéér grote tevredenheid hebben bij patiënten en onze bevolking in het algemeen. Dus al bij al, ik zou mij hier wel degelijk willen laten verzorgen! Al zou ik me wel goed informeren op voorhand.

DEGEUS

ALTERNATIEVE ZORGCONCEPTEN Maggie De Block stelt een hervorming voor van ons ziekenhuislandschap. Kan u haar volgen? Wat zou u anders aanpakken? Ik kan haar zeker volgen. Maar, terugkijkend op de voorbije drie jaren, denk ik dat de geleidelijke, stap-voorstap-aanpak in ons overlegmodel misschien té traag gaat. Bovendien is ziekenhuisnetwerking maar één van de vele stappen die nodig zijn. Waar moet volgens u de focus komen te liggen? Minder ziekenhuizen, minder bedden? Wat dan met al onze patiënten? België telt meer ziekenhuisbedden, meer opnames en een langere verblijfsduur dan het Europese gemiddelde. In de geestelijke gezondheidszorg zijn we zelfs wereldkampioen. 30% van onze patiënten die nu in de acute ziekenhuisbedden liggen horen daar eigenlijk niet thuis. Het probleem is dat er te weinig alternatieve, en dus ook veel goedkopere, zorgconcepten zijn zoals bijvoorbeeld ‘anderhalve lijnszorg’. Dat is erop gericht om veel zorg door te schuiven van de ziekenhuizen (de tweede lijn) naar de huisarts en andere zorgers uit de eerste lijn (kinesitherapeuten, thuisverplegers, maatschappelijk werkers, psychologisch consulenten ...). Een ander alternatief dat de duur van ziekenhuisopnames drastisch kan beperken, zijn zorghotels. Daar kan men terecht als de operatie en belangrijkste medische zorg achter de rug is, maar een patiënt nog niet naar huis kan omdat de thuissituatie niet is aangepast, bijvoorbeeld veel trappen en drempels bij iemand die revalideert van een knieoperatie. Telegeneeskunde, letterlijk zorg op afstand dankzij de nieuwe communicatiemiddelen, kan ook een belangrijke rol spelen.

30% van onze patiënten die nu in de acute ziekenhuisbedden liggen horen daar eigenlijk niet thuis

Bovendien is er te weinig stratificatie tussen de diverse zorgconcepten en -instellingen. Die instellingen, op hun beurt, kennen tenslotte een enorm versnipperde voogdij en financiering (gemeenschappen, federaal, ...).

Ziekenhuisnetwerking is maar één van de vele stappen die nodig zijn Welke rol ziet u weggelegd voor de eerste lijn – de huisartsen? Wat is hun plaats in dat netwerkverhaal? Rekening houdende met de maatschappelijke en medische uitdagingen die ons wachten, en met de enorme evolutie in informatie-technologie, mobile- en telehealth, en met de veranderingen in de opleiding, ben ik ervan overtuigd dat een horizontale geïntegreerde gezondheidszorg – uitgaande van de noden van de patiënt – het te bereiken ideaal is. In dit concept bestaat er niet zoiets als een ‘eerste’, ‘tweede’ of ‘derde’ lijn – zoals vandaag gedefinieerd als verticale silo – maar alleen een groep zorgverstrekkers die slechts verschilt in nabijheid, toegankelijkheid en opdracht. Met maar één doelstelling: het behouden van een zo gezond mogelijke bevolking (met veel meer nadruk op preventie). Als het dan toch fout gaat, is het de bedoeling om te komen tot een zo efficiënt en effectief mogelijke behandeling, in omgevingen van toenemende complexiteit en centralisatie. Ik hoop dat ik nu niet zal gelyncht worden door enkele boze confraters. Wat kan u concluderen? Ziet u een heldere hemel boven ons zorglandschap? Blijf zo lang mogelijk gezond! En wat het zorglandschap betreft: ik ben een voluntarist en een optimist. Ik merk toch dat veel van wat ik hierboven beschrijf, stilaan ingang begint te vinden. Vooral bij de jongeren die nu in de medische schoolbanken zitten ... en het zijn zij die het zullen moeten doen! Wouter Vandamme

januari 2018  >  7


ACTUA

Vermaatschappelijking van de zorg Pleidooi voor autonomie én inclusie Vermaatschappelijking van de zorg is een thema dat vanuit verschillende sectoren van de samenleving ter sprake komt in de media. De overtuiging dat iedereen recht heeft op een zinvolle plek in de samenleving, niet geïsoleerd maar geïntegreerd, lijkt niet meer in de kinderschoenen te staan. Eigen zeggingskracht in de zorg en ondersteuning via een toegankelijk netwerk worden benadrukt als een voorwaarde voor goede zorg. Maar geven deze recente evoluties in de zorg reden tot hoop of eerder wanhoop? Eva Van Eechoute, orthopedagoog, stagebegeleider en leerkracht in het secundair onderwijs richting jeugd- en gehandicaptenzorg, plaatst enkele kanttekeningen. Berichtgevingen vanuit sociaal werk, welzijnswerk, gehandicaptenzorg en gezondheidszorg bereiken ons met zowel positief als negatief nieuws. Er verschijnen enerzijds reportages die een noodkreet zijn, een laatste redmiddel om een blik te werpen op wie hulp nodig heeft en die niet krijgt. VRT bracht bijvoorbeeld de uitzending Pano, undercover in woonzorgcentra uit. Het debat laaide op over de kwaliteit van de zorg en over een mooi visieverhaal als verpakking voor besparingsoperaties. Anderzijds slaagden bijvoorbeeld de tv-makers van Radio Gaga erin om een heel persoonlijk en relationeel beeld te brengen over zorg in al zijn facetten. We zien pijn, verdriet, eenzaamheid. We zien ook dat (kleine en grote) initiatieven ontstaan als antwoord op verschillende soorten zorgvragen. Hoe kijken jonge mensen die aan het begin staan van hun loopbaan als zorgverlener hier tegenaan?

8  >  januari 2018

Keuzevrijheid, autonomie en empowerment van (kwetsbare) mensen verdienen de nodige aandacht in de zorgverlening. ‘Mijn mooiste moment op stage was wanneer een vrouw met een verstandelijke beperking mijn hand nam en mij meenam naar haar slaapkamer. Daar toonde ze mij dat ze haar bed wilde opmaken, maar dit niet alleen kon. Samen ging het wel. Het gaf mij het gevoel dat ik voor haar iets kon betekenen, ook al was dit misschien maar een klein gebaar.’ In enkele zinnen komt een studente tot de kern van wat voor haar goede zorg is: een zorgvraag (h)erkennen en hieraan tegemoetkomen. Waarom dit voor haar een mooi moment is geweest, heeft te maken met het gevoel van ‘zelf iets te kunnen betekenen’.

Zorg bieden vertrekt hier vanuit jezelf zinvol voelen in relatie tot iemand anders. Mensen die voor de zorgsector kiezen, voelen vaak een sterke motivatie om een verschil te kunnen maken voor iemand. Interafhankelijkheid of tweerichtingsverkeer vormt zo de basis voor interactie in zorg en ondersteuning. Bij een goede connectie tussen zorgvrager en zorgbieder is er wederzijdse erkenning: enerzijds ‘mijn hulpvraag wordt gehoord, ik word gezien’ en anderzijds ‘ik kan jou helpen, ik kan een verschil maken’.

INDIVIDUALISERING ALS NORM? Door recente maatschappelijke evoluties in de zorgsector draagt men autonomie, zelfbeschikking en inclusie hoog in het vaandel. De Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin (SARWGG) geeft beschrijvingen van een aantal wijzigingen in de samenleving in een visienota ‘integrale zorg en ondersteuning’ (2012). Individualisering is er hier één van en wordt als volgt omschreven: De levensweg van elk individu wordt losgekoppeld van voorgegeven bepalingen en in handen gegeven van dat individu. Dat zorgt voor meer zelfbeschikking, maar het gaat tegelijk ook over het ‘moeten’ leiden van een eigen onafhankelijk leven (...). Keuzevrijheid, autonomie en empowerment van (kwetsbare) mensen verdienen de nodige aandacht in de zorgverlening. Toch zijn er een aantal gevaren bij het eenzijdig invullen van het begrip ‘individualisering’. Het ‘samen doen’ en ‘zinvol zijn voor

DEGEUS


ACTUA

Thuiszorg in de praktijk. Hier zien we een project van Eva vzw, waarbij werkzoekenden van diverse origine en mantelzorgervaring worden ingeschakeld in thuiszorgdiensten. Het potentieel van mensen uit diverse horizonten wordt op die manier ingezet om samen met de thuiszorgdiensten te bouwen aan een meer cultuursensitieve zorg voor de senioren van morgen. De vzw EVA realiseert in Brussel voorbeeldprojecten die innovatief inspelen op sociale noden. © Layla Aerts

elkaar’, zoals in de anekdote van de studente, zit minder en minder ingebed in het discours van recente maatschappelijke evoluties in de zorg. Nochtans hoor ik deze termen wel duidelijk in de motivatie van studenten die bewust kiezen voor een richting in de zorg (voor personen met een handicap, voor jeugd, kinderen, ouderen, ...). Zij praten over momenten waarop ze geraakt werden door anderen of waarop zij een verschil konden maken voor iemand. ‘Het moeten leiden van een eigen onafhankelijk leven’, zoals hierboven omschreven, staat op het eerste gezicht haaks op deze motivatie. Bij het eerste uitgangspunt is een onafhankelijk individu de maatstaf, bij het tweede de relatie tussen zorgvrager en zorgbieder. Uiteraard is het niet zo zwart-wit. Net zoals een kind steeds autonomer wordt, vertrekkende vanuit een stevige en veilige relatie met anderen, zou het ook zo gezien kunnen worden in de zorg. Wie zorg nodig heeft, vertrouwt eerst op (de professionaliteit van) iemand om daarna, als dat kan, zo onafhankelijk mogelijk verder te gaan. Deze onafhankelijkheid wordt meer en meer in de kijker gesteld als het gaat om kwetsbare groepen

DEGEUS

in de samenleving (bijvoorbeeld de sector voor mensen met een handicap en de geestelijke gezondheidszorg). Dat is ongetwijfeld meer dan een stap vooruit. Heel lange tijd heeft zorgverlening voor kwetsbare groepen een aanbodgestuurde invulling gehad. Dat er vandaag in vele visieteksten over zorg begrippen als ‘autonomie en actief burgerschap’ geschreven wordt, kan ik toejuichen omdat er mijns inziens nog meer geluisterd moet worden naar de vraag van iemand. Waarom zouden mensen met een handicap of eender welke zorgvraag niet zelf kunnen aangeven wat voor hen een kwaliteitsvol bestaan is?

Het idee dat wij volledig zelf verantwoordelijk zijn voor wat we bereiken geraakt meer en meer ingebakken in het denken en voelen van (jonge) mensen Ik stel mij wel de vraag of het beeld van de individuele mens als een sterke en onafhankelijke persoon steeds een na te streven ideaal moet zijn. Daarnaast vraag ik me af of huidige

maatschappelijke structuren het actief burgerschap voldoende ondersteunen.

MEER VERANTWOORDELIJKHEID, MEER ONZEKERHEID In het idee van een maakbare samenleving waarin we trots zijn op waar we als individu tot in staat zijn, is de druk op prestatie heel groot. Nog groter is de verantwoordelijkheid en het schuldgevoel dat we bij onszelf leggen als we niet slagen in wat we ons vooropstellen. In de aflevering van Radio Gaga over De Markt in Mol – een gemeenschapsinstelling – getuigde een meisje over een moeilijke thuissituatie waaruit ze was weggelopen. Ze had schrik dat haar ouders teleurgesteld zouden zijn in haar. Als één van de reporters zei dat zij toch niets kon doen aan wat er thuis gebeurd was, antwoordde ze: ‘ik ben weggelopen, ik had er ook voor kunnen kiezen om dit niet te doen’. Het idee dat wij volledig zelf verantwoordelijk zijn voor wat we bereiken geraakt, merk ik, meer en meer ingebakken in het denken en voelen van (jonge) mensen. En hoewel het getuigt van een grote zelfreflectie van dit meisje in kwestie stel ik mij ook de vraag of dit een stap vooruit is. Het benadrukken van eigen keuze en

januari 2018  >  9


ACTUA

eigen verantwoordelijkheid legt ook sterk de focus op het eigen falen terwijl het persoonlijk aandeel in moeilijke situaties vaak maar één van de vele factoren is. Het belang van eigen verantwoordelijkheid zien we in vele zorgsectoren terugkeren. Door vermaatschappelijking van de zorg wordt het informele netwerk meer aangesproken dan vroeger. Dit noemt men het ‘activeren van het sociaal kapitaal’. Een mooie visie, maar uit onderzoek weten we dat de meest kwetsbare groepen in de samenleving ook het minste sociaal kapitaal of het minste eigen informele netwerk hebben. Als het een norm wordt om autonomie en verantwoordelijkheid centraal te stellen, moeten we waakzaam zijn dat een grote kwetsbare maatschappelijke groep niet nog meer aan de zijlijn komt te staan. Het is niet zo eenvoudig om een goed evenwicht te vinden tussen enerzijds het aanwakkeren van het ‘eigen kunnen’, het ‘niet-betuttelen’ en anderzijds het voldoende ‘vasthouden’ en ‘in relatie blijven tot’ mensen die zorg nodig hebben. Meer verantwoordelijkheid, keuzevrijheid en autonomie betekenen ook een toenemende onzekerheid en een grotere angst om te falen. Dit gaat helemaal voorbij aan het idee achter vermaatschappelijking van de zorg, namelijk het activeren en het zelfstandiger maken van personen met een zorgvraag en hun netwerk. Het verantwoordelijkheidsgevoel en de angst © Norbert Van Yperzeele

om te falen kunnen zo sterk worden dat de verbinding met de omgeving meer en meer vervaagt. De inclusiegedachte vertrekt net wel vanuit deze verbinding.

Als het een norm wordt om autonomie en verantwoordelijkheid centraal te stellen, moeten we waakzaam zijn dat een grote kwetsbare maatschappelijke groep niet nog meer aan de zijlijn komt te staan INCLUSIE Studenten die in het secundair onderwijs voor een richting in de zorg kiezen (of er door een samenloop van factoren in terecht komen) hebben dikwijls (on)rechtstreeks zelf te maken met ‘anders zijn’. Er is een mix van studenten die enerzijds zelf ondervonden hebben hoe het voelt om niet mee te kunnen en zo door het watervalsysteem – een dynamiek waar men in het onderwijs vanaf wil – in een sociale richting terechtgekomen zijn. Anderzijds zijn er uiteraard ook heel wat studenten die bewust voor een sociale richting kiezen. Ook zij ervaren soms een vorm van ‘anders zijn’. Vaardigheden als empathie, creativiteit, oog hebben voor wat iemand emotioneel nodig heeft (...) zijn nu eenmaal niet zo gemakkelijk

in cijfers te gieten. Bij deze studenten is talent aanwezig dat niet altijd zo zichtbaar naar boven komt in een gewone onderwijscontext. Het is dan ook mooi om te zien hoe ze zichzelf leren kennen op stage en ervaren hoe zij met hun capaciteiten een verschil kunnen maken in de zorgsector. Inclusie gaat over het zichtbaar maken van talent in een context die dit mogelijk maakt. Bij het meisje dat gevlucht is uit haar thuissituatie en in meerdere (gesloten) instellingen terecht is gekomen kunnen we ons de vraag stellen in welke context zij haar talent kan ontwikkelen. Inclusie gaat ook over erkennen dat mensen onder grote emotionele druk terugvallen op – in onze ogen mogelijks vreemde – beschermingsmechanismen. We lijken in deze soort reacties (fight, flight, freeze) meer op elkaar als mens dan we verschillen. Toch zijn het eerder de verschillen die in de verf gezet worden als er gezocht wordt naar een etiket of label voor gedrag dat ‘anders is’. Daarnaast zie ik ook exclusie wanneer blijkt dat het heel moeilijk is om een juiste plaats of zorg te vinden als een problematiek complex is, of als er meerdere facetten in zorg nodig zijn. In gesloten instellingen komen meer en meer mensen terecht met een psychiatrische problematiek, na door heel wat andere voorzieningen of diensten te zijn doorverwezen. De connectie tussen persoon en omgeving lijkt dan helemaal zoek. Deze verbinding en erkenning mogen in (de visie over) zorg niet naar de achtergrond verdwijnen. In een discours waar eigen autonomie in de verf gezet wordt komt er – of we dat nu bedoelen of niet – ook meer druk op de schouders van de zorgvrager die meer en meer verantwoordelijkheid ervaart. Als je zorg nodig hebt wil je in de eerste plaats kunnen vertrouwen op iemand. Het geeft hoop dat de positieve stageervaringen van studenten vertrekken vanuit momenten waarop zij dit zelf gevoeld hebben en dit ook (beginnend) kunnen betekenen voor iemand anders. Eva Van Eechoute

10  >  januari 2018

DEGEUS


COLUMN

Vernieuwjaarswensen Beste lezer, Belgique in het gehucht Op het ogenblik dat je deze puntgave La Houppe, net column onder ogen krijgt, zijn de morbide over de taalgrens. feesten alweer voorbij. Het is niet aan mij Soms moest je bij om jullie een gelukkig enzovoort nieuwjaar het schrokken te wensen. Dat doet onze hoofdredacteur in extremis de of, nog beter, onze charmante loodballetjes (hagel editorialiste. Eerlijk gezegd zou in het jagersjargon) ik niet weten wat ik jullie moet uitspuwen, terwijl de toewensen. Wensen zijn zoals patron lachend toekeek iedereen weet, niets anders dan en luid verkondigde dat irrationele bezweringen. ‘Que je nergens zulk authentiek sera, sera… Wat zijn moet, dat wild op je bord kreeg. Achteraf zal zo zijn, de toekomst die blijft is het bijzonder hypocriet en gênant, geheim’ zongen Bob Benny en Jo vooral als je bedenkt dat ik al in die tijd Leemans al in de tijd toen het leven © Meret Oppenheim een trouwe donator van Gaia was. nog jong was (1957). Dat was ook het lijflied van mijn toenmalige zeer lieve buurvrouw, In tegenstelling tot de decadente overgangsfeesten die kort na het nieuwe jaar 1972 stierf aan een levercirrose tussen Oud en Nieuw, koester ik nog steeds de intieme terwijl ze, bij God en al zijn engelen, nimmer een druppel kerstavonden. Stille nacht, niet verstoord door dronken alcohol had gedronken. We hadden haar nochtans een nachtridders en vuurwerkbombardementen. Een kerstnacht gelukkig jaar en vooral een goede gezondheid gewenst. met bij voorkeur verse sneeuw, maar dat wordt al lang niet meer geserveerd. Als je wat geluk hebt zie je rond Morbide feesten zei ik, en ik overdrijf niet. Er werd weer middernacht nog net drie koningen aanschuiven, in deze genadeloos jacht gemaakt op weerloze kalkoenen, konijntjes barre tijden een opsteker voor de monarchie. (‘coup de lapin’), reetjes (pleeg ik nu grensoverschrijdend gedrag?), lammetjes, melkkalfjes, eendjes en alle lieve Maar ter zake nu. Eigenlijk wil ik het hebben over die dieren die zo fraai worden afgebeeld in de kinderboeken. wondere kerstnacht van 1987 die mijn schoonbroer Frank Ik vergeet parelhoen, houtduifjes, hertjes, traag gegaarde ten deel viel. Hij was toen al een ongeleid projectiel dat varkenswangetjes. Het rijke westen heeft zich weer te veel collaterale schade aanrichtte bij het zwakke geslacht. pletter gevreten en gezopen, koud zweet parelde op talloze Hij bracht die kerstavond door bij een licht ontvlambare rood aangelopen hoofden, bloeddrukken rukten op, er werd minnares die dacht dat ze zijn verloofde was. De stemming naar lucht gehapt en tussendoor gingen schuine moppen sloeg om toen hij na middernacht, overmand door geile over de toonbank en werd hier en daar in een aangrenzend hoeveelheden alcohol, de controle over zijn erectie verloor. decolleté gegrepen. Maar goed, hierover gaat het niet. Dat wordt gauw geassocieerd met ontrouw. Dolly, echt waar, zo heette ze, zette Frank luid schreeuwend aan de deur. Half Vooral de kalkoen (Melegris gallopavo) wordt genadeloos aangekleed verliet hij wankelend het appartement. geviseerd. De ingewanden worden uitgerukt en tot een soort flamboyante pastei verwerkt die vervolgens vakkundig Negen verdiepingen lager zocht hij de uitgang en stapte via de opgerekte aars terug in het karkas wordt gepropt. Dat in zijn aftandse Toyota Corolla. En toen gebeurde het: alles in een hete oven (let erop dat de kalkoen niet te groot Dolly gooide het massief kerststalletje (schaal 1:32) dat of de oven niet te klein is) en overgoten met roze pepersaus. hij haar cadeau had gedaan uit het raam. Een doffe klap Toch is er hoop. Niemand minder dan Donald Trump verbrijzelde de voorruit. Hij was aan de dood ontsnapt, een verleende zijn eerste thanksgivingskalkoen gratie: ‘Het voelt kerstmirakel. Frank, altijd al een coole gast geweest, stapte zo goed om dit te doen’, zei hij. uit en riep in het holst van de nacht: ‘Gij durft nogal, dat is een familiestuk!’ Ook dat is ongelogen: zijn grootvader En, ho, ik vergat wilde konijntjes en dartele haasjes. Ik had het nog in elkaar geknutseld toen hij, ongedeerd, heb altijd zwaar tegen de jacht en de laaghartige jagers terugkwam van het IJzerfront. gefulmineerd, maar dat belette mij niet om in betere tijden mee aan te schuiven op wildfestijnen. Waar was Ik dwaal af. mijn fatsoen toen ik de tanden zette in een authentieke Willem de Zwijger hazenrug, gelardeerd met spek en overgoten met jawel, jagersaus. Het was de specialiteit van Brasserie Ancienne

DEGEUS

januari 2018  >  11


TOBIAS LEENAERT -- °1973 -- Studeerde Germaanse Talen en Vergelijkende Cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Gent -- Richtte in 2000 het Ethisch Vegetarisch Alternatief op (EVA) -- Bracht in 2017 het boek How to create a vegan world in het Engels uit voor de globale markt -- Geeft lezingen over de hele wereld over veganistische communicatiestrategieën © Gerbrich Reynaert


VRAAGSTUK

How to create a vegan world DE MORELE REVOLUTIE BERAAMD Ik herinner me dat we vijftien jaar geleden allemaal een beetje raar keken naar die ene vegetariër in de klas. Nu is het bijna niet meer weg te denken uit onze maatschappij. In het Westen althans, en ook maar in bepaalde kringen, laat ons daar niet flauw over doen. Maar toch, de no-meatbeweging is vandaag zo ver gevorderd dat je perfect een boek kunt schrijven waarin duidelijk uitgelegd staat wat de ideale strategie is om een veganistische wereld te creëren. In How to create a vegan world gaat Tobias Leenaert de discussie aan over hoe je veganisme het best aan de man brengt. De titel zegt het zelf. How to create a vegan world geeft vegetariërs en veganisten alle tools die ze nodig hebben om dierenleed uit de wereld te helpen. Daarbij hanteert Tobias Leenaert een toenaderend idioom. In de veganistische beweging heerst namelijk vaak idealisme boven pragmatisme, wat voor vijandigheid zorgt tegenover vleeseters (of steakholders zoals Leenaert ze in zijn boek noemt) en omgekeerd. EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief), de vegetarische organisatie waarvan Leenaert mee aan de basis stond, is hét voorbeeld van de pragmatische aanpak. In plaats van te moraliseren is men beginnen focussen op het kookgedrag. Daarmee wil EVA aantonen dat het perfect mogelijk is om lekker vegetarisch te koken. Maar zo’n aanpak gaat niet zonder kritiek. ‘EVA krijgt soms de kritiek van binnenin dat ze te luchtig bezig zijn en niet genoeg naar het ultieme doel willen werken’, aldus Leenaert. ‘Daar is dit boek eigenlijk een antwoord op.’ En dat die toenadering naar steakholders wel degelijk werkt, bewijst alle persaandacht. ‘Ik had nooit gedacht dat een buitenstaander mijn boek zou lezen, maar ik heb ondertussen interviews gedaan

DEGEUS

met de meeste kranten in België en Nederland en blijkbaar vinden ze het standpunt van een veganist die zelf kritisch naar de beweging kijkt wel interessant. Misschien vindt men het leuk dat ik het schuldgevoel wat wegneem en dan vraag ik mij soms af of het wel goed is dat ik dat doe. Het is vooral de bedoeling om het onderwerp wat te deporaliseren en te tonen dat je niet alles van de eerste keer moet opgeven.’

Kweekvlees zal waarschijnlijk de morele revolutie in gang zetten En daar komt uit de beweging dus het meeste kritiek op. Idealisten houden niet van tussenstappen. Maar de kortste afstand tussen twee punten is niet altijd een rechte lijn.

DE LIEFDE VOOR DIEREN In je boek schrijf je dat ‘de liefde voor dieren’ eigenlijk het enige valabele argument is voor een veganistische wereld. Zijn er niet nog een heleboel andere terechte motieven? Inderdaad, maar er is geen enkel ander argument dat zou leiden tot nulcon-

sumptie van vlees. Alleen als je gelooft dat je het recht niet hebt om dieren te gebruiken voor je plezier, is nulconsumptie de enige optie. Als je het bijvoorbeeld om ecologische doelen doet, dan kun jij perfect één keer in de week vlees eten als het lokaal en ecologisch gekweekt wordt. De veganistische beweging krijgt vaak het verwijt dat het een luxefenomeen is. Mijn antwoord is dan altijd ja, juist daarom moeten we het doen. De beweging staat sowieso het sterkst in westerse landen en ik denk dat we moeten aanvaarden dat we in de rest van de wereld niet dezelfde tijdslijn moeten hanteren. Dat is een beetje zoals CO2, we willen dat alle landen hun CO2 reduceren maar ontwikkelingslanden kunnen daar vaak niet in mee. Dan werkt het niet om zomaar een limiet op te leggen. We kunnen dus moeilijk tegen sommige landen zeggen dat ze nu moeten stoppen met vlees eten terwijl ze bijvoorbeeld met een hongersnood kampen. Daarnaast kun je bepaalde dingen wel verwachten. Er ontstaan constant nieuwe technologieën. Zo krijgen we binnenkort bijvoorbeeld clean meat (vlees dat in labo’s gekweekt wordt zonder dat er dieren aan te pas komen

januari 2018  >  13


VRAAGSTUK

Hoe sta je eigenlijk tegenover veganisme tijdens de opvoeding? Er duikt hier en daar wel eens een rechtzaak op van mensen die veroordeeld zijn omdat ze hun kinderen geen degelijke voeding geven. Ik denk dat we in België een beetje achterop hinken op dat gebied. Er zijn al verschillende organisaties die uitdragen dat het perfect mogelijk is om kinderen veganistisch op te voeden. Er wordt altijd gekeken naar randgevallen, mensen die veganisme op een heel rare manier beleven. Zij hangen ook vaak de alternatieve geneeskunde aan en dat wordt dan over één kam geschoren. Er wordt nu een officieel standpunt ontwikkeld waarbij het ontraden wordt om veganist te zijn onder de zestien jaar. Dat is volgens mij een zeer slechte zaak want dat gaat alleen maar de kloof tussen dokters en patiënten vergroten. Overtuigde veganisten gaan hun kinderen toch veganistisch opvoeden en dan zullen ze misschien niet meer naar de dokter willen gaan.

‘Het komt van dieren dus we eten het niet’ is een bruikbare heuristiek, maar als je ze echt analyseert, vaak te simpel nvdr). Dat kan er wel voor zorgen dat het speelveld wat gelijker wordt gemaakt en dat het voor hun ook makkelijker zal worden om die overstap te maken.

Mensen die al jarenlang veganist zijn, weten meestal hoe ze een kind op een correcte manier moeten voeden Je hebt soms het fenomeen van leapfrogging. Dat wil zeggen dat je een stadium overslaat. Een telefoon is er in vele Afrikaanse landen niet geweest, zij zijn direct naar mobiel overgeschakeld.

CLEAN MEAT Kweekvlees, of clean meat is een fenomeen dat plots wel wat media-aandacht krijgt.

14  >  januari 2018

Hoe sta jij daar tegenover? Zeer positief! Er zijn veganisten die ook dat als niet-veganistisch beschouwen maar ik zie daar geen graten in. Er zijn nu wel nog een aantal technologische en ethische uitdagingen aan verbonden die we nog moeten zien op te lossen. Het wordt momenteel met serum van dierenbloed gekweekt, maar dat kan veranderen. Men weet natuurlijk ook dat het geen zin heeft dat we die clean-meatcellen moeten doen groeien met bloed van dode dieren. Daar schiet je uiteraard het doel mee voorbij. Maar er zijn ondertussen alternatieve serums die onderzocht worden. En het zal niet meer zo lang duren vooraleer clean meat volledig clean is. Ik denk trouwens dat dit een van de meest baanbrekende ontwikkelingen zal zijn voor de toekomst van ons eetgedrag. Kweekvlees zal waarschijnlijk de morele revolutie in gang zetten.

Je moet natuurlijk ook bewust omgaan met je voeding. Mensen die al jarenlang veganist zijn, weten meestal hoe ze een kind op een correcte manier moeten voeden. Je moet altijd voorzichtig zijn. Het zou natuurlijk ook al geweldig zijn mocht er een compromis gevonden worden waarbij de medische wereld zegt, het is oké als je je kind twee keer in de week niet veganistisch laat eten.

EIEREN UIT DE TUIN Veganisten eten geen dierlijke producten. Ook als het dier er niet voor moet lijden. Ik zie er persoonlijk geen graten in om de eieren van mijn eigen goedverzorgde kippen te eten. ‘Het komt van dieren dus we eten het niet’, is een bruikbare heuristiek maar als je ze echt analyseert, is ze vaak te simpel. Ik heb weinig problemen met

DEGEUS


VRAAGSTUK

de eieren uit je tuin. Ik ga ze zelf niet eten, omdat ik wil kunnen aantonen dat het zonder kan. We hebben niet allemaal die luxe van kippen in de tuin dus de eierconsumptie zou globaal zeer drastisch moeten verminderen.

Ik denk dat de meeste mensen wel tot de conclusie kunnen komen dat lijden in het algemeen moet verminderd worden Ik geloof ook, als ik van een vegan world spreek, dat er een aantal symbiotische relaties kunnen bestaan. Als je de wol van een schaap neemt en in ruil daarvoor geef je het verzorging en eten, dan zie ik geen probleem. Ik ben daar niet zo dogmatisch in. Maar daarvoor krijg ik dus veel kritiek over me heen uit veganistische hoek. Men wijkt tenslotte niet graag af van een definitie. Veel mensen zijn ideologisch al

overtuigd maar vinden de overstap van vlees naar veggie of vegan ontzettend moeilijk. Heb je tips? Ik zou mensen aanraden om bijvoorbeeld met thuisveganisme te beginnen. Op verplaatsing ben je dan wat soepeler. Dan doe je bij wijze van spreken 99% van het werk en dat laatste procent zal het verschil ook niet maken. Veel mensen maken er ook hun identiteit van. Het nadeel daarvan is dat als je ooit eens een uitzondering maakt, de kans groot is dat je je identiteit verliest en alles maar meteen weer laat vallen. In die zin is het soms veiliger om een identiteit te hebben waarbij een aantal uitzonderingen ingebouwd zijn. Maar dat hangt natuurlijk af van je persoonlijkheid. Veganisten uit ecologische overtuiging kampen er vaak mee dat hun voeding een grote ecologische voetafdruk nalaat, denk maar aan avocado’s en quinoa uit Zuid-Amerika. Is het dan niet belangrijk om naar het grotere pro-

bleem te kijken dan het gebruik van dierlijke producten alleen? Voor mij is het dierenprobleem het grootste zonder meer. Als je kijkt naar de schaal: 60 à 70 miljard dieren, vissen niet meegerekend, dan is dat de grootste, door mensen veroorzaakte bron van lijden in de wereld. Ik denk dat het de grootste imperatief is om dat op te lossen. Als daar economische problemen mee gepaard gaan, dan moeten we die in tweede instantie ook oplossen.

Een dier maakt geen onderscheid waar de pijn vandaan komt, als een konijn sterft door een ziekte of door een kogel, dat maakt voor hem weinig uit Ik denk dat de meeste mensen wel tot de conclusie kunnen komen dat lijden in het algemeen moet verminderd wor-

Blijkbaar vindt men het standpunt van een veganist die zelf kritisch naar de beweging kijkt wel interessant. © Gerbrich Reynaert


VRAAGSTUK

den. En als je dan kunt aanvaarden dat een dier evenzeer kan lijden, dan wordt het duidelijk dat de mensheid een reusachtige misdaad aan het begaan is. Tegen mensen die al veganist zijn durf ik zeggen dat er nog andere dingen zijn waar je ook op kunt letten maar ik geef dat niet mee als algemene tip. Als je daar allemaal rekening mee moet houden; veganistisch, fairtrade, gezond, lokaal, seizoensgebonden, bio, suikervrij … dan is dat een hele zware boterham.

Als we lijden kunnen stoppen dan hebben we de ethische verplichting om het ook te doen Daarnaast moet je ook weten dat het niet zo simpel is als ‘het komt van ver, dus het is niet goed’. Voedselkilometers tellen bijvoorbeeld veel minder mee als ze per schip vervoerd worden in plaats van per vliegtuig. In het algemeen betreft de afstand maar 10% van de levenscyclus van een product. De productie zelf is veel belangrijker: grond, water ... Dus het kan zijn dat een product uit Zuid-Amerika veel ecologischer is dan als het hier zou gekweekt worden. Maar dat is natuurlijk altijd case by case te bekijken.

WILD ANIMAL SUFFERING In je boek schrijf je ook dat het voor een dier niet uitmaakt vanwaar de pijn komt. Wat dus met dierenleed binnen de natuur? Dat klopt, een dier maakt geen onderscheid waar de pijn vandaan komt. Als een konijn sterft door een ziekte of door een kogel, dat maakt voor hem weinig uit. Het kan zelfs zijn dat het door de jager minder pijnlijk is dan door een lang aanslepende ziekte. Dat is een nieuw domein binnen de dierenrechtenwereld, het domein van wild animal suffering. De meeste buitenstaanders zullen waarschijnlijk denken dat we getikt zijn. Maar filosofisch gezien vind ik het een zeer interessante problematiek, die ook zeer veel steek houdt.

16  >  januari 2018

Wild animal suffering, leg eens uit. Het is veel te simpel om te zeggen dat als wij het niet veroorzaken, we er dus ook niets aan moeten doen. Als we lijden kunnen stoppen dan hebben we de ethische verplichting om het ook te doen. Als we tegen dierenleed zijn, maakt het eigenlijk niet uit wie leed veroorzaakt. Het is niet dat we gewoon onze eigen troep gaan opkuisen en zeggen, laat ze nu maar doen. Stel dat we nu een planeet ontdekken en we zien daar wezens die enorm aan het lijden zijn. Als we kunnen helpen dan lijkt het mij toch dat het ethisch juist is om dat ook effectief te doen. Natuurlijk, zolang je niet zeker bent van wat je ingrepen zullen veroorzaken, heb je een ethisch probleem. Maar de meeste mensen zullen ook gewoon helpen als ze een lijdend dier aan de kant van de weg zien. Om dat structureel te doen is nog iets anders. Maar structureel is uiteindelijk maar een optelsom van alle individuele acties. Mij lijkt ingrijpen in de natuur toch nog een zwaardere discussie waard dan louter het lijden van het dier te willen stoppen. Wat als ik een konijn red van een wolf, dan leeft het konijn wel maar kan de wolf niet eten. Predatoren vormen daarin natuurlijk het moeilijkste dilemma. Ik zou liever een wereld hebben waarin er geen roofdieren rondlopen. Dat lijkt mij gewoon een heel primitief gegeven, dat één leven mag bestaan doordat hij het andere moet doden. Ik kan mij voorstellen dat binnen een verre toekomst daar wel oplossingen voor gevonden zullen worden, dat er meer vreedzame manieren worden gevonden om onze natuur te organiseren.

Het zal waarschijnlijk niet meer zo lang duren totdat de vegetarische optie de standaardoptie zal worden Maar dat is voor de verre toekomst. Voor ons is dat momenteel eigenlijk gewoon intellectueel vermaak. Maar ik vind het iets heel moois om naartoe te

werken. Ook al kunnen we op dit moment niet veel doen, ik denk dat we in de toekomst toegang zullen hebben tot betere technologie om eraan te werken. Er worden al wel dingen gedaan. In bepaalde nationale parken wordt er aan contraceptie gedaan in plaats van dieren te doden als er te veel zijn.

Als je vlees kunt vermijden vandaag, dan is het voor mij niet zo relevant wat we vroeger gedaan hebben DE MENS ALS VLEESETER Het vegetarisme heeft in de afgelopen decennia een hele evolutie doorgemaakt, van onbekend tot een beetje vreemd tot algemeen aanvaard. Wat is de volgende stap? Ik denk dat het alsmaar meer de norm gaat worden. Het zal vaker gebeuren dat er op recepties enkel vegetarisch eten geserveerd wordt. Meer en meer veganistische restaurants zullen de kop opsteken. Het zal waarschijnlijk niet meer zo lang duren totdat de vegetarische optie de standaardoptie zal worden. Dat hangt er natuurlijk vanaf in welke kringen je vertoeft. In Schuiferskappelle moet je niet hopen op veel vegetarische opties, dus het is makkelijk om er een vertekend beeld van te krijgen. Eén van de argumenten die je het vaakst hoort is dat een mens nu eenmaal van nature uit een vleeseter is. Wat zeg jij daarop? Dat dat er eigenlijk niet toe doet. Ten eerste, wat bedoel je ermee? Dat we het altijd al gedaan hebben of dat we de biologische aanleg hebben om vlees te eten? Over beide punten kan gediscussieerd worden, maar het enige dat echt telt is dat we vandaag perfect zonder vlees kunnen overleven en dat we merken dat vlees eten een zeer nefaste invloed heeft op de natuur. Dus als je het kunt vermijden vandaag, dan is het voor mij niet zo relevant wat we vroeger gedaan hebben. Philipp Kocks

DEGEUS


MENSELIJK, AL TE MENSELIJK

Het was weeral gehakt LEVEN EN WERKEN IN EEN WOON-ZORGCENTRUM DOOR DE OGEN VAN EEN VRIJZINNIG-HUMANISTISCH CONSULENT In een Geus met veel aandacht voor onze gezondheidszorg, zou het jammer zijn om geen praktijkmensen aan het woord te laten. De vrijzinnig-humanistisch consulenten van deMens.nu vind je niet alleen in de huizenvandeMens, bij het leger, in de gevangenissen en ziekenhuizen, maar natuurlijk ook in wat vroeger het rusthuis werd genoemd. We vroegen Anniek De Pauw wat haar job in de woon-zorgcentra inhoudt en met welke existentiële en psychische noden de bewoners die zij bezoekt zoal te kampen hebben. Een ontluisterend gesprek. Kan je jouw ‘werk’ in een woon-zorgcentrum beschrijven? Wat doe je daar juist? Ik ga op bezoek bij mensen die in een woon-zorgcentrum verblijven, op hun verzoek. Dat gebeurt meestal via een aanmeldingsformulier maar soms ook door verpleegkundigen. Het is belangrijk dat verpleegkundigen ons kennen en naar ons kunnen doorverwijzen. De mensen die een beroep doen op een vrijzinnig-humanistisch consulent ervaren vaak onvrede: eenzaamheid, rouw, fysieke en mentale achteruitgang of een minder goed contact met de zorgverleners. Mijn ervaring is natuurlijk gekleurd door de verhalen van de mensen die ik zie. Misschien zijn er uitzonderingen, laten we hopen, maar daar ben ik nog niet geweest. Niet alle mensen in een woon-zorgcentrum voelen zich slecht of zitten in een schrijnende situatie. Er zijn natuurlijk ook mensen die gelukkig zijn en die het goed hebben, maar zij hebben dan logischerwijze geen nood aan een gesprek met een consulent.

DEGEUS

Anniek De Pauw: ‘Tijdens gesprekken zal ik vooral een luisterend oor bieden, gevoelens benoemen, samen kijken naar hun zelfbeschikking en zelfredzaamheid. Ik merk dat mensen uitkijken naar mijn komst, als een soort van lichtpuntje. Ik kan niets oplossen of rechttrekken wat krom is, maar ik kan wel luisteren en er voor hen zijn.’ © Shutterstock

WAT LIG IK HIER NOG TE DOEN? Kan je iets vertellen over de mensen bij wie je op bezoek gaat? Ik was daarnet in een woon-zorgcentrum op bezoek bij een mevrouw van 84 jaar. Ik kom regelmatig bij haar. Vandaag ging het echt niet goed. ‘Wat lig ik hier nog te doen?’, vraag ze zich af. Ze komt haar bed momenteel niet uit en heeft het gevoel dat ze aan het wachten is op de dood. Ze heeft ook veel pijn. Anderhalf jaar geleden is ze gevallen, waardoor ze naar het ziekenhuis moest. Meteen na haar opname is ze in de gesloten afdeling van een rusthuis terechtgekomen. Die mevrouw heeft nooit bewust gekozen om in een woon-zorgcentrum opgenomen te worden. Boven haar hoofd heeft men beslist dat ze niet meer handelingsbekwaam is, waardoor ze geen beslissingsrecht meer heeft. Ze ervaart de gesloten afdeling als een gevangenis. Je kan daar ook niet zomaar binnen en buiten. Er is een code geplaatst op de deur van de afdeling.

Deze zondag had ze een hele middag gewacht op haar kleindochter, die sowieso al niet veel komt, en uiteindelijk niet kwam opdagen. De ontgoocheling is dan natuurlijk heel groot Wat mij opvalt, is dat bewoners erg blij zijn dat ze met iemand kunnen praten die los staat van de instelling. Als consulent ben ik buitenstaander, terwijl de andere mensen waarmee ze in contact komen allemaal deel uitmaken van de instelling. Ze zijn van hen afhankelijk. Zo vertelde de mevrouw bij wie ik deze ochtend ging dat ze er bijvoorbeeld

januari 2018  >  17


MENSELIJK, AL TE MENSELIJK

op moet letten om iets vriendelijk te vragen, anders krijgt ze het niet. Momenteel doet haar heup veel pijn, heeft ze last in haar nek en ook hoofdpijn, maar ze krijgt daar geen pijnstilling voor. Ze zegt dat ze moet bedelen, smeken om een aspirientje. Je merkt dat de zelfbeschikking van iemand in een rusthuis verdwijnt. Was ze thuis geweest, had ze al lang een pijnstiller genomen. Maar in een rusthuis ben je afhankelijk van de goodwill van de verpleegkundige. Haar huisarts ziet ze bijna niet. Ze heeft ook het gevoel dat ze niets tegen haar huisarts kan zeggen, want ze ziet hem als partijdig wegens zijn betrokkenheid in haar opname.

In een rusthuis ben je afhankelijk van de goodwill van de verpleegkundige Die afhankelijkheid is duidelijk zeer aanwezig bij de bewoners. Absoluut. Ik zie dat bewoners vaak gedwongen afhankelijk zijn. De mevrouw van vanmorgen vindt het zo erg dat ze als volwassen vrouw om medicatie moet smeken. Ze vindt dat ook vernederend. Haar geld wordt beheerd door een bewindvoerder. Ze zou ook graag nieuwe kleren hebben, want ze is fel vermagerd. Ze probeert haar bewindvoerder voor een afspraak te contacteren, maar dat lukt heel moeizaam. Momenteel heeft ze geen idee welk bedrag op haar bankrekening staat. We kunnen ons niet indenken dat je voor evidente zaken als pijnstilling of financiën zo afhankelijk bent van anderen. Zeer schrijnend vind ik dat. Deze zondag had ze een hele middag gewacht op haar kleindochter, die sowieso al niet veel komt, en uiteindelijk niet kwam opdagen. De ontgoocheling is dan natuurlijk heel groot.

Ze zegt luidop tegen me: ‘Wat lig ik hier nog te doen? Ik ben aan het wachten op de dood’ ZELFBESCHIKKING IS ZOEK Krijgen bewoners veel bezoek? Bij mijn cliënten is het bezoek heel schaars. Familie komt één keer in de week voor een uurtje. Zo’n familie redeneert dat bewoners de nodige zorgen krijgen en omringd zijn door andere bewoners. De vrouw waarover ik vertelde, geeft echter aan dat ze niemand ziet en het gevoel heeft dat er niemand meer naar haar omkijkt, dat ze hele dagen alleen maar in haar bed ligt … Je hebt als bewoner ook heel weinig te doen. Als ze luidop tegen me zegt: ‘Wat lig ik hier nog te doen? Ik ben aan het wachten op de dood, voor mij is dit geen zinvol leven meer. Ik heb continu pijn en er kijkt niemand naar me om’, dan geloof ik haar. Ze zou zich al helemaal anders voelen als de pijn zou verminderen en als ze bezoek zou krijgen. Nu voelt ze zich in de steek gelaten. Ik ben de enige aan wie ze dat kan en durft te vertellen. Ik benoem haar gevoelens. Ik zeg haar dat ik kan begrijpen dat het heel lastig is om hele dagen die pijn te moeten voelen. Ze weent

18  >  januari 2018

ook veel, wat natuurlijk haar hoofdpijn niet vermindert. Het is heel schrijnend. Als consulent voel je die machteloosheid van de persoon, maar ook zelf voel je je machteloos, want je kan er niets aan doen. Maar het feit dat ze tegen mij alles in vertrouwen kan vertellen, zonder schrik te hebben dat ik iets zal doorvertellen, is heel bevrijdend voor haar. Ik vind het als consulent niet altijd makkelijk om bij mensen in een woon-zorgcentrum te gaan omdat je weinig hebt om rond te werken. Er zijn vaak weinig positieve elementen in iemands leven, dus is het soms zoeken naar wat er nog wel is. Wat valt je nog meer op ­wanneer je naar mensen l­ uistert? Het eten is een steeds terugkerend thema. Bij sommige van mijn cliënten wordt het jammer genoeg bijna een grapje: ‘Het was alweer gehakt.’ En dan zoeken we samen welke variaties je kan maken met gehakt: gehaktbal, chipolata, vogelnestje, worst, hamburger, … Het is opvallend hoe eenzijdig de voeding is. Het is inderdaad heel veel gehakt omdat dat goedkoop is en de mensen dat makkelijk kunnen eten. Je merkt ook dat de fysieke mogelijkheden van mensen steeds beperkter worden. Ze moeten leren omgaan met blind worden, doof worden, verlies aan mobiliteit én met het onbegrip dat daarmee gepaard gaat. Een cliënt is zo goed als doof. Ik pas me aan haar aan, bij haar praat ik luid en traag. Je merkt dat die beginnende doofheid op onbegrip van verpleegkundigen en omwonenden stuit. Ze worden er kwaad van: ‘Heb je het nu alweer niet gehoord!?’ Als je niet meer goed hoort word je gedeeltelijk uitgesloten. Als er dan eindelijk iemand iets tegen je zegt, hoor je het niet. Ook telefoneren valt weg als communicatiekanaal. Vroeger had mijn cliënt een vriendin met wie ze regelmatig telefoneerde, maar dat kan nu ook niet meer. Met haar rollator kan ze niet meer naar die vriendin gaan, en haar vriendin geraakt ook niet meer tot bij haar. Fysieke beperkingen hebben veel gevolgen, ook op moreel vlak. Als je graag leest maar je zicht verslechtert, doet dat natuurlijk iets met je. Het is voor mensen ook heel confronterend dat ze er enkel nog op achteruit gaan. Mensen in een rusthuis hebben vaak ook veel van hun bezittingen moeten achterlaten. Wat ze hadden opgebouwd, is verkocht of ze hebben het niet meer. Ze mogen met moeite een kastje of schilderij meenemen. Ze krijgen vaak maar één kleerkast. Eén kleerkast, voor je winter- en zomerkleren. Dat is heel compact en niet evident.

Fysieke beperkingen hebben veel gevolgen, ook op moreel vlak Ik hoor en zie vaak dat de verpleging slecht gezind rondloopt, gestrest is, dat ze geen tijd hebben. Ze melden aan een bewoner dat ze hem zullen komen wassen en vergeten dat dan, waardoor die persoon ongewassen blijft liggen. Dat zijn schrijnende toestanden waar je als consulent niets aan kan doen behalve luisteren en gevoelens benoemen. Ik probeer ook altijd te kijken naar wat mensen wel nog kunnen. Soms

DEGEUS


MENSELIJK, AL TE MENSELIJK

Anniek De Pauw: ‘Mijn ervaring is natuurlijk gekleurd door de verhalen van de mensen die ik zie. Niet alle mensen in een woonzorgcentrum voelen zich slecht of zitten in een schrijnende situatie. Er zijn natuurlijk ook mensen die gelukkig zijn en die het goed hebben, maar zij hebben dan logischerwijze geen nood aan een gesprek met een consulent.’ © Gerbrich Reynaert

is dit pijnlijk, bijvoorbeeld als blijkt dat het enige positieve erin bestaat dat ze nog zelfstandig naar het toilet kunnen. Mensen kunnen veel dingen niet meer: het lezen lukt niet meer, naar de radio luisteren is lastig als je hardhorig bent, dus de zin van het leven is dan heel fel ingekrompen en beperkt. Als je dan door die bril kijkt, hoe zij de dingen zien en ervaren, dan merk je dat het inderdaad heel lastig is. Mensen zijn veel verloren.

Bij onze vrijwillige moreel consulenten is de opdracht om naar een woon-zorgcentrum te gaan niet populair omdat dat heel confronterend is: het confronteert je met de eindigheid van het leven en al wat je verliest De privacy in een rusthuis is ook volledig weg. Verpleging komt de kamer binnen, soms zonder te kloppen, de dokter trekt je ladekast open of de familie komt kijken wat er nog is. Als je pech hebt, krijg je opmerkingen als: ‘Je steekt hier toch geen geld weg’... Je hebt geen privacy en geen zelfbeschikking. Ik merk dat bij onze vrijwillige moreel consulenten de opdracht om naar een woon-zorgcentrum te gaan niet populair is, omdat dat heel confronterend is: het confronteert je met de eindigheid van het leven en al wat je verliest.

DEGEUS

HOEMPAPA EN OM ZEVEN UUR NAAR BED Wat is de specificiteit is van een vrijzinnighumanistisch consulent in een rusthuis? Je merkt dat ik een aparte positie inneem in een woonzorgcentrum. Tijdens gesprekken zal ik vooral een luisterend oor bieden, gevoelens benoemen, samen kijken naar hun zelfbeschikking en zelfredzaamheid. Ik merk dat mensen uitkijken naar mijn komst, als een soort van lichtpuntje. Ik kan niets oplossen of rechttrekken wat krom is, maar ik kan wel luisteren en er voor hen zijn. Ik probeer de aandacht te vestigen op het weinige dat er wél nog is. Ik spoor vaak mijn cliënten aan om hun mening te zeggen – op een beleefde manier natuurlijk – want mensen moeten zich niet laten doen. Het is niet omdat je tachtigplusser bent en in een rusthuis zit dat je opeens geen mens meer bent. Ik zie hoe mensen soms als object worden behandeld. Eten geven en zorgen dat het warm genoeg is, dat zijn dan de basisvereisten en meer is er niet. Zo worden er in sommige rusthuizen met moeite activiteiten georganiseerd. En als er dan wel activiteiten zijn, is het veelal liedjes zingen zoals Daar bij die molen maar dat is zo cliché allemaal. De gedachte ‘het zijn oude mensen dus we zullen eens een hoempapa opzetten’ is sterk aanwezig, maar verschilt zo van wat de mensen effectief willen. Het komt heel kinderachtig over. Voor sommigen, dementerenden bijvoorbeeld, is dat misschien oké. Maar als je nog helder bent, voelt het aan alsof ze je eigenwaarde wegnemen. Je voelt je behandeld worden als een kleuter. Ik zou dat zelf ook niet leuk vinden. Het zou

januari 2018  >  19


MENSELIJK, AL TE MENSELIJK

bijvoorbeeld beter zijn wanneer het verplegend personeel zou vragen welke activiteiten de bewoners zelf willen. Het gaat over de afwezigheid van een basishouding bij zorgkundigen: beschouw een bewoner als een volwaardig persoon en wees er lief en vriendelijk voor. Deze ingesteldheid zou al een verschil maken.

Het is niet omdat je tachtigplusser bent en in een rusthuis zit dat je opeens geen mens meer bent. Ik zie hoe mensen soms als object worden behandeld Nu, ik wil er wel een positieve draai aan geven: in sommige rusthuizen wordt tenminste iets georganiseerd. En als bewoner kan je ook kiezen om niet te participeren. Het is gelukkig zo dat je niet gedwongen wordt. Wel merk ik dat dit bij dementerenden dan weer wel het geval is. Waarschijnlijk gebeurt dat met de beste bedoelingen, met de intentie dat de mensen er deugd van zullen hebben, maar toch. Onlangs kwamen de private zorgcentra in het nieuws omwille van de kwaliteit van de zorgverlening. Hoe kijk jij daar naar? Ik zie niet zoveel verschil tussen een privé of een door de overheid gesubsidieerd woon-zorgcentrum. Ik vind het jammer dat die opsplitsing werd gemaakt. Ik had een gesprek met een cliënt uit een openbaar rusthuis die me vertelde dat het verblijf daar ook duur is. Commercieel of niet-commercieel, het blijft duur. In een niet-commercieel rusthuis betaal je €55 per dag. Daarmee kan je op hotel gaan. Eigenlijk zou een rusthuis als een hotel kunnen zijn, maar de mensen beleven dat absoluut niet zo. Natuurlijk is er een verschil: iemand in een woon-zorgcentrum heeft veel meer zorg nodig. Ik vind het dus jammer dat die opsplitsing tussen overheid en privé is gemaakt, omdat je nu de indruk krijgt dat privé-instellingen niet goed zijn. Mijn ervaring is dat er niet zo veel verschil is. Nu, ik durf me hier ook niet te veel over uit te spreken omdat ik me enkel kan baseren op mijn ervaringen met rusthuizen.

Commercieel of nietcommercieel, het blijft duur Kan je vertellen hoe een dag in een woonzorgcentrum er voor een bewoner uitziet? Ik ken rusthuizen waar ze al om half zeven met het ontbijt komen. Je kan als bewoner niet uitslapen. Je moet zorgen dat je je ontbijt op hebt binnen een bepaalde tijdspanne want dan komen ze het weer ophalen. Het dagritme in een rusthuis begint vroeg. Ontbijt om half zeven, middageten om half twaalf, avondmaal om vijf uur en om zeven uur word je geacht te slapen. De dagindeling bepaal je dus niet zelf. Het is niet, zoals bij een hotel, tussen half twaalf en twee uur buffet waarbij je kan komen eten als je zin hebt.

20  >  januari 2018

Middagmalen zijn vaak samen en je wordt op een vaste plek geplaatst aan een tafel. Ook daar is zelfbeschikking niet aanwezig. Je kan niet kiezen naast wie je zit. Dat vind ik echt verschrikkelijk. De mevrouw van 84 jaar die ik aanhaalde zit met twee mensen aan een tafel waarvan er één dementerende is. Die vrouw weent continu en kan met moeite nog zelf eten. Dan begrijp ik dat je eetlust minder is. Er zijn ook veel zaken gereglementeerd: er is een vaste dag om een bad te nemen, een vaste dag voor een bepaalde activiteit … Je kan bijna niets zelf kiezen. Het is heel confronterend om vast te stellen dat het zelfbeschikkingsrecht van mensen tot bijna niets wordt herleid. Dat maakt het voor mij niet makkelijk om als consulent naar een woonzorgcentrum te gaan. Belanden in een rusthuis is als het ware het eindstadium van het leven. Als ik zie hoe sommige bewoners worden behandeld, is het zeker niet iets om naar uit te kijken. Mensen blijven tegenwoordig ook langer thuis wonen, dus als ze dan al naar een rusthuis gaan, zijn ze veel hulpbehoevender dan vroeger het geval was. Het aantal bedden wordt geteld, maar niet de hulpbehoevendheid.

Het is heel confronterend om vast te stellen dat het zelfbeschikkingsrecht tot bijna niets wordt herleid Een cliënt van me vertelde dat ze zich ook niet meer durft binden aan mensen. Als buitenstaander is het confronterend om naar een woon-zorgcentrum te gaan, maar voor de bewoners evenzeer. Wanneer je er lang woont, zie je de ene persoon na de andere sterven. Je merkt dat mensen die er langer zijn geen band meer zoeken met de medemensen, om zichzelf te beschermen. Want als die persoon dan komt te overlijden is dat veel te moeilijk, is er weer verdriet en rouw… daarom gaan mensen die er lang verblijven, zich nog meer isoleren. Als consulent kan je hen dus ook niet aansporen om contact te zoeken met andere bewoners, want je begrijpt waarom ze het niet doen. De mevrouw waarover ik sprak, woont al tien jaar in een woon-zorgcentrum. Ze vertelde me dat ze in het begin contact had met een aantal medebewoners, maar iedereen is ondertussen al gestorven. Ze zoekt geen contact meer, uit zelfbehoud. Wanneer er iemand sterft, wordt er door het personeel bovendien bijna geen informatie gegeven. Het is allemaal anoniem en binnen de drie dagen moet de kamer leeg zijn en zit er iemand anders. Dat zorgt voor gedachten als: ‘dat zal bij mij dan ook gebeuren als ik sterf’. Daarnaast is het ook zo dat als je sociale contacten hebt, de gesprekken meestal gaan over pijn en ziektes, gezondheid … de mensen vertellen niet vaak vrolijke zaken, waardoor het weinige contact soms ook als deprimerend wordt ervaren.

DEGEUS


MENSELIJK, AL TE MENSELIJK

SAMEN ALLEEN Je vertelde dat een woon-zorgcentrum confronterend is, dat er weinig vrijwilligers het zien zitten om ernaar toe te gaan. Hoe ga jij daarmee om? Ik merk dat de mensen waarbij ik op gesprek ga, er echt wel iets aan hebben. Praten doet hen deugd. Ik zou het ook waardevol vinden wanneer er iemand bij mij op bezoek komt waaraan ik alles in vertrouwen kan vertellen. Je merkt dat je echt wel een verschil maakt in iemands leven. Ook al kan je niet veel veranderen aan de situatie, toch merk je dat je iets waardevols doet voor iemand. Je bent iemand die de tijd neemt, die rustig is. Zorgen dat je zelf rustig bent, is heel belangrijk. Vaak hebben de verpleegkundigen weinig tijd vanwege al het werk en moet bijna alles op een drafje gebeuren. Naar een rusthuis gaan als consulent vraagt ook om continuïteit. Een vrijwilliger die naar een woon-zorgcentrum gaat, moet kunnen blijven gaan en niet voortdurend door iemand anders worden vervangen. Dat is voor de cliënten echt belangrijk. Ze kennen je, je bouwt een band op ... Het verschil met een ziekenhuis is dat de opnames daar over het algemeen heel kort zijn, en de consulent misschien één keer op bezoek komt. Cliënten weten ook dat ik gebonden ben aan beroepsgeheim. Ze kunnen vrij praten en vertellen wat hen op het hart ligt. Ik zal als consulent pas in actie schieten als het op hun uitdrukkelijk verzoek is. Enkel als ze het vragen, nooit achter hun rug. Je vertelde daarnet ook dat eenzaamheid en isolement veel voorkomen. Ik had vroeger de overtuiging dat men zich in een rusthuis minder eenzaam en alleen voelt. Maar dat is niet zo. Mensen zitten allemaal apart in hun kamer en de aanwezigheid van medebewoners en verzorgend personeel heft de eenzaamheid niet op. En zoals ik vertelde, zoekt die cliënt geen andere bewoners meer op uit angst een band op te bouwen en dan die persoon te verliezen. Dus die eenzaamheid vergroot zelfs. Als je alleen thuis woont kan je nog eens naar de winkel gaan, eens buiten komen … Families denken vaak dat mensen in een woon-zorgcentrum én verzorging én medebewoners hebben waardoor één keer in de week een uurtje op bezoek komen wel voldoende zal zijn. Bij iemand die alleen woont, wordt er sneller gedacht ‘die persoon zit daar zo alleen, ik zal snel even binnenspringen’. Dus er heerst een verkeerd idee dat als je in een rusthuis bent, je niet eenzaam voelt. Ik benoem de situatie in een rusthuis als ‘samen alleen zijn’. Ook al ben je samen in woon- en zorgcentrum, je kan je zeer alleen voelen. Ik heb een cliënt die nog zelfstandig naar buiten kan, en dat doet veel voor de beleving van een persoon. Die mevrouw gaat met haar rollator naar buiten iets drinken in een cafeetje op de hoek. De mensen kennen haar daar, en dat doet haar deugd. Je moet dan natuurlijk ook het geluk hebben om in een woon-zorgcentrum te zitten waar er in de buurt iets is zoals een cafeetje …

DEGEUS

GETUIGENIS VAN EEN RUSTHUISBEWOONSTER OVER DE BETEKENIS VAN HET BEZOEK VAN EEN VRIJZINNIG- HUMANISTISCH CONSULENT Woensdagavond, 18 oktober 2017, Ik ben een gepensioneerd psychologe. Sedert een paar jaar verblijf ik in een rusthuis. Op een bepaald ogenblik kreeg ik persoonlijke problemen waarop de directie op een ondoenbare manier reageerde: ik werd gewoon genegeerd en onrespectvol berispt. Praten kreeg geen kans. Via Tele-Onthaal kwam ik terecht bij het huisvandeMens Gent. Mijn eerste bezoek was een complete verrassing: een spontane ontvangst, heel soepel en hartelijk, ronduit vriendschappelijk. Een jonge vrouw ving mij op en het werd gewoon een ontspannen, vriendelijk gesprek. Ze stelde me voor aan huis te komen, en dat doet ze intussen al een paar jaar. Om de drie à vier weken komt ze langs voor een bezoek van ongeveer 2 uur. Ik zorg voor koffie en als ze binnenkomt is de zon in huis. Het zijn geen stroeve gesprekken. In een rusthuis ben je zeer eenzaam. Praten met personeel gebeurt niet vlot, wegens een tekort aan personeel. Als zij er is, kom ik spontaan los en praat ik voluit over wat mij op het hart ligt. Bij moeilijkheden geeft ze me raad en ze luistert graag naar de goede momenten. Over haar eigen, persoonlijke zaken praat ze nooit. Mijn zorgen worden met veel energie aangekaart en de tijd is altijd vlug om. Als zij weggaat ben ik een ander mens. Ik ben 83 en zij 47, maar ik voel me geen oud vrouwtje bij haar. Ik hoop dat nog veel mensen Anniek De Pauw leren kennen en haar energie kunnen delen. Wat ik zeer aangenaam vind: ik lees alle dagen de krant en kijk naar het nieuws. Met weinig medebewoners kan je daarover praten. Met Anniek komen alle nieuwsberichten aan bod en dat is uniek.

Je werkt ook in het huisvandeMens. Zijn er essentiële verschillen met het werk in een woon-zorgcentrum? In een woon-zorgcentrum zit ik in een andere context. Ik heb nog gewerkt in een gevangenis en het gegeven is ongeveer hetzelfde: je komt in een instelling terecht met eigen regels. Het is een systeem. Het grote verschil met mensen die naar een huisvandeMens komen, is dat zij niet in zo’n instellingssysteem zitten.

De aanwezigheid van medebewoners en verzorgend personeel heft de eenzaamheid niet op. Ik benoem deze situatie in een rusthuis als ‘samen alleen zijn’ Maar dat is volgens mij net de meerwaarde van een vrijzinnig-humanistisch consulent in een instelling: als buitenstaander van het systeem en vanuit onze levensbeschouwing vinden we zelfbeschikkingsrecht en autonomie belangrijk en dat kan je bij de mensen aanmoedigen. Ik luister naar mensen. Wanneer ik hoor dat iets voor hen belangrijk is, dan ga ik daarop in. Tijd maken voor wat voor hen belangrijk is, is wat ik doe. Het zit hem niet in de grote dingen, eerder in de kleine: oprechte aandacht, vriendelijkheid en respect. Kortom, medemenselijkheid. Linde Waeyaert

januari 2018  >  21


FILOSOOF OVER FILOSOOF

Ulrich Libbrecht: bricolerend filosoof Toen sinoloog, wiskundige en filosoof Ulrich Libbrecht in 2008 op tachtigjarige leeftijd in Met dank aan het leven terugblikte op zijn leven en werk, was de algemene verwachting dat hij definitief zou genieten van een welverdiend pensioen. Daarna verschenen op drie jaar tijd maar liefst vier publicaties waarbij hij betrokken was. Op 5 mei 2017 overleed de Belgische filosoof op 88-jarige leeftijd. Hoog tijd – of net te laat? – om de lezers van De Geus met deze inspirerende maar ook soms rommelige denker – met de nodige zelfrelativering omschreef hij zich als een ‘bricolerend filosoof’ – te laten kennismaken. ENERGIE X INFORMATIE Energie vormt het fundament van Libbrechts wereldbeeld. De werkelijkheid is een voortdurend proces van verandering. Die verandering vereist energie, maar wat energie nu precies is, blijft raadselachtig. Energie wordt vaak aangeduid als ‘het vermogen om arbeid te leveren’, maar dat roept voor Libbrecht dan weer de vraag op wat een vermogen is. Net zoals we een zwaartekrachtveld niet kunnen waarnemen maar het moeten afleiden uit zijn werking, moeten we energie afleiden uit zijn materiële vormen. In de fysica is er de ‘wet van behoud van energie’. Energie kan niet ontstaan of vergaan, maar kan enkel een andere vorm aannemen. Warmte

22  >  januari 2018

kan bijvoorbeeld omgezet worden in beweging. Energie is eeuwig, terwijl de waarneembare wereld vergankelijk is. Energie moet dus ook bestaan hebben ‘voor’ de big bang. De oerknal was dus geen schepping van energie, maar de omzetting van energie in informatie die we kunnen aflezen in de kosmos zelf. Het woord ‘informatie’ is afgeleid van in-forma of in vorm. Het is pas als iets een vorm heeft, dat we het kunnen waarnemen en het dus informatie bevat. Deze informatieve orde kunnen we beschrijven in natuurwetten, maar de energetische achtergrond blijft voor Libbrecht het mysterium mundi. Libbrecht maakt een onderscheid tussen gebonden en vrije energie. In de begintoestand van het universum

was de hitte zo enorm dat enkel partikels met een zeer sterke binding, zoals quarks en elektronen, konden bestaan. Door het uitdijen van het universum nam de temperatuur af en konden ook deeltjes met een zwakkere binding zich handhaven, zoals atomen, moleculen, koolstofverbindingen, cellen en neuronen (in de hersenen).

De werkelijkheid is een voortdurend proces van verandering Dit noemt Libbrecht het proces van energiebevrijding. Gebonden energie is energie die gebonden is aan vaste gedragspatronen, vrije energie kenmerkt zich door hogere niveaus van mobiliteit, aanpassingsvermogen en innerlijke transformatie. Hij verbindt (m.i. ten onrechte) vrije energie met het bestaan van een vrije wil. De energie in dode materie is volledig gebonden en dus voorspelbaar. Met het leven verschijnt vrije energie, misschien is leven niets anders dan vrije energie. Bij planten is die miniem: planten kunnen zich enkel richten naar de zon en kunnen

DEGEUS


FILOSOOF OVER FILOSOOF Ulrich Libbrecht (1928 - 2017) naast de Chinese wiskundige Lay Yong Lam in 1987. © Enid Grattan-Guinness. Bron: de archieven van het Mathematisches Forschungsinstitut Oberwolfach.

zich alleen als soort heel langzaam verplaatsen. Bij dieren is die vrije energie al iets groter: ze kunnen zich binnen hun milieu verplaatsen, hebben een zekere keuzevrijheid op gebied van seksuele partners, voedsel..., al blijven hun handelingen grotendeels stereotiep (vogels bouwen bijvoorbeeld steeds het zelfde soort nest). Vrijheid ontluikt volgens Libbrecht pas ten volle bij de mens, zoals we kunnen aflezen uit diens cultuurscheppingen. De mens is een heel mobiel wezen (met behulp van zelf ontworpen technologie), grijpt sterk in op zijn milieu en past zich aan vrijwel elke omgeving aan.

Vrijheid ontluikt volgens Libbrecht pas ten volle bij de mens DE DRIEDIMENSIONELE MENS Het menselijk bestaan omvat volgens Libbrecht drie dimensies. Om te beginnen is de mens een biologisch wezen. Een groot deel van de menselijke energie is gebonden (de energie nodig voor de automatische lichaamsfuncties zoals de

DEGEUS

bloedsomloop) en dus immanent (‘erin verblijven’: gevangen in de natuur). Het menselijk subject is hier een onderdeel van zijn omgeving. Kennis op dit niveau is fylogenetisch: dit is aangeboren kennis, overgeërfd van onze evolutionaire voorouders. Bij onze geboorte moeten we bijvoorbeeld niet meer leren ademhalen. Deze dimensie omschrijft Libbrecht als de naturaliteit van de mens. De biologische evolutie heeft ook het menselijk bewustzijn voortgebracht. Bewustzijn heeft een rationele functie (het ontdekken van ordepatronen en het verwerven van inzicht in de werkelijkheid) en een emotionele functie (het ervaren en beleven van de werkelijkheid). Rationaliteit en emotionaliteit vormen de twee andere dimensies van ons bestaan. Ze stellen de mens in staat om met behulp van zijn vrije energie de immanentie van zijn naturaliteit te overstijgen (transcendentie). Met behulp van de rationaliteit probeert het subject zich tegenover zijn omgeving te plaatsen om er zo objectieve kennis over te verwerven. In de westerse filosofie werd het rationele denken lang boven de waarneming geplaatst. Volgens Plato moest men niet aan sterrenkunde doen door de sterren te bestuderen, maar door logisch denken en meetkunde. Ware kennis kunnen we echter niet zelf uitvinden, maar moeten we uit de natuur afleiden. De samenstelling van een atoom kan je niet vinden door louter te denken, wel door de natuur te ondervragen, door middel van waarneming en experiment. Experimentele wetenschap vormt de brug van onze rationaliteit naar onze naturaliteit. Een andere manier om met de werkelijkheid om te gaan, aldus Libbrecht, is haar emotioneel te beleven. Onze emoties zijn uit overlevingsdrang in de eerste plaats op onszelf gericht. Ze

worden gekenmerkt door lust- en onlustgevoelens. Toch is de mens geen egoïstisch wezen wiens emotionaliteit enkel in dienst staat van zichzelf. Altruïsme maakt evenzeer deel uit van onze natuur. Onze emotionaliteit kan dus onze egogerichtheid overstijgen. Transcendente emotionaliteit is gericht op de anderen (onze medemensen), het andere (de natuur die ons omringt) en zelfs das ganz Andere (het diepste mysterie van het universum). In het laatste geval komen we terecht bij de mystiek. De mysticus streeft naar een eenwording met het omvattende mysterie. Het criterium van de mystiek is echter niet de waarheid (dat is het domein van de wetenschap), maar authenticiteit. Hoe egogerichter de mystieke ervaring is, hoe minder authentiek. Het doel van de mystiek ligt in de ervaring van het Mysterie (Libbrecht schrijft dit graag met een hoofdletter), niet in het ontwikkelen van (rationele) kennis erover. Wetenschap en mystiek zijn volgens hem dus complementair.

Ware kennis kunnen we niet zelf uitvinden, maar moeten we uit de natuur afleiden In het dagelijks leven zijn deze drie dimensies met elkaar verweven. Om ze te scheiden, moeten we een ‘artificiële’ situatie creëren. Dit kan bijvoorbeeld door ons terug te trekken in de natuur (naturaliteit), in het laboratorium (wetenschap) of in de innerlijke stilte, door meditatie (mysticiteit). Extremen moeten echter vermeden worden. Extreem rationalisme leidt tot onderdrukking van de emoties, met alle psychologische gevolgen van dien. Extreem mysticisme leidt tot onderdrukking van de rationele vermogens en dus tot irrationalisme. De rationele en emotionele (mystieke) dimensie moeten in evenwicht blijven en geaard worden in de immanente dimensie (onze wortels in de natuur). We moeten ons leven dus binnen die drie dimensies uitbouwen. Libbrecht plaatst die dimensies in een

januari 2018  >  23


FILOSOOF OVER FILOSOOF

(Sanskriet: pratitya-samutpada). Geen enkel verschijnsel kan op zichzelf bestaan. Elk verschijnsel maakt deel uit van een grote, veranderlijke stroom waarin het geconditioneerd wordt door andere verschijnselen. Dit betekent ook dat alles vergankelijk en zonder een vaste identiteit is. Die toestand wordt ook omschreven met de term leegte (sunyata). Volgens de belangrijke filosoof Nagurjena kunnen we de verschijnselen dan ook niet beschrijven in vaste concepten als ‘bestaan’ en ‘niet-bestaan’. De ultieme werkelijkheid kunnen we niet conceptueel vatten, maar enkel ervaren. Maar juist omdat we – onbewust – aan alle verschijnselen een eeuwig bestaan en vaste identiteit toekennen, worden we gefrustreerd in onze verwachtingen. Op die manier geraken we verstrikt in een kringloop van lijden (samsara). Verlossing of Verlichting ontstaat wanneer we dit niet alleen intellectueel begrijpen, maar deze werkelijkheid met ons hele wezen ervaren zoals ze is.

natuurgericht en dus in de eerste plaats een immanente filosofie. De vraag naar de oorsprong van de kosmos wordt niet als prangend beschouwd: die wordt omschreven als een ‘vanzelf zo’ (tzu-jen). De natuur is in de eerste plaats een ‘wordingsgebeuren’. Alles in de natuur verandert volgens bepaalde cyclische patronen (denk aan de seizoenen) en volgt dus ‘een weg’ (de letterlijke betekenis van het begrip tao). Als enig wezen met vrije energie kan de mens tegen deze tao-patronen ingaan, maar de taoïst probeert er zoveel mogelijk in harmonie mee te handelen (wat dan paradoxaal wordt omschreven als niet-handelen of wu-wei).

Altruïsme maakt evenzeer deel uit van onze natuur

Het ergert Libbrecht dat heel wat westerse universiteiten maar één filosofische traditie ernstig nemen, namelijk de onze. Maar nu de westerse mondiale dominantie afbrokkelt, wordt het misschien wel tijd om onze blik te verruimen. Ook de zogenaamde onvergelijkbaarheid van culturen en filosofieën verwerpt hij. Zelf ontwikkelde Libbrecht een model dat hem toelaat de filosofische systemen uit de verschillende culturen te vergelijken. Daarvoor gebruikt hij de drie dimensies naturaliteit, rationaliteit en mystieke beleving. De westerse, Indiase en Chinese filosofische tradities hebben respectievelijk een sterk rationalistische, mystieke en natuurgerichte inslag (zie figuur hiernaast).

24  >  januari 2018

Boeddhisme MYSTIEKE FUNCTIE S  O Ver-licht-ing NIET-ZIJN Ver-los-sing Symbolische taal Alles is ervaring, d.i. conceptuele Leegte

Jodendom

Griekenland

Hindoeïsme

Experiment

S

O

Zen as iste nn gyp Ke /E on byl

De ethiek in het traditionele China was confucianistisch, maar de filosofie, kosmologie en spiritualiteit waren taoïstisch. Het taoïsme is erg

Rationalisme RATIONELE FUNCTIE S  O In-zicht ZIJN Be-heers-ing Logische taal Alles is kennis, omniscientia

Ba

De ruimte ontbreekt me hier om dieper in te gaan op dit vergelijkende model. Omwille van hun grote invloed op Libbrechts wereldbeeld besteed ik wel kort aandacht aan het taoïsme en het boeddhisme.

Het boeddhisme raakte uiteindelijk verstrikt in de Indiase neiging tot ingewikkelde en speculatieve metafysica. Het inzicht verschoof van de illusoire ervaring van de verschijnselen als op zichzelf staande entiteiten naar de opvatting dat de natuurlijke wereld zelf een illusie is. Leegte werd een metafysische categorie, de absolute Werkelijkheid die

Afrika

Be

MODEL VOOR COMPARATIEVE FILOSOFIE

De Indiase filosofie is heel rijk, maar Libbrecht spitst zich vooral toe op wat hij het hoogtepunt acht: het boeddhisme. Het gaat hem daarbij om de boeddhistische filosofie en niet om de (volks)religie, die hem totaal niet aanspreekt. De historische Boeddha beschouwde filosofische theorieën als bijkomstig, maar latere boeddhistische scholen poogden toch om een coherente en gesystematiseerde filosofie te ontwerpen. Het filosofische basisinzicht dat al die scholen delen zit vervat in de doctrine van het ‘onderling afhankelijke bestaan’

lev ing s-a Ve s dis ch

driehoek op een energie x-informatieassenstelsel. Dat levert de volgende figuur op:

WORDEN Indianen S

O

Taoïsme Natuur S O Harmonie Vanzelf zo Metaforische taal Immanentie

DEGEUS


FILOSOOF OVER FILOSOOF

zich achter de illusoire wereld van de verschijnselen bevond. In het zenboeddhisme werd het boeddhisme terug ‘geaard’ in de natuurlijke werkelijkheid door een geslaagde fusie met het taoïsme. Als concrete manifestatie van de Leegte werd de natuurlijke werkelijkheid terug positief gewaardeerd.

Het criterium van de mystiek is niet de waarheid maar authenticiteit RELIGIEUS ATHEÏSME Levensbeschouwelijk laat Libbrecht zich niet graag in een hokje stoppen. Hij schreef ooit dat hij geen humanist, christen of boeddhist is, maar alle drie tegelijk. Hij vergat daarbij te vermelden dat hij tevens een taoïst en een pantheïst is. Naast de sympathie voor ketterse christelijke mystici berust de affiniteit van Libbrecht met het christendom vooral op het feit dat hij binnen deze traditie is opgegroeid. Maar nog meer voelt hij zich een kind van het humanisme en de Verlichting. Met het volwassen worden verdampte zijn geloof, ook de modernistische theologen konden hem niet meer overtuigen. Hij raakte daarentegen gefascineerd door de wetenschap en ontdekte het Deus sive Natura (God = Natuur) van Spinoza. Het pantheïsme leek hem de meest rationele religie. Dit ging gepaard met een engagement in de milieubeweging en een intense natuurbeleving. Maar hij begon zijn pantheïsme als ‘te grof materialistisch’ te ervaren. Van het boeddhisme leerde hij dat de werkelijkheid een energieveld is waarin de materiële vormen in onderlinge afhankelijkheid verschijnen en verdwijnen als golven in een oceaan. Of in de taal van zijn filosofisch model: de informatieve wereld is een afgeleide realiteit van de Energie (ook dat schrijft hij graag met een hoofdletter) die de diepste werkelijkheid vormt. Maar ondertussen had hij het taoïsme leren kennen, dat doordrongen is van de heiligheid van de kosmos. Zen als synthese van boeddhisme en taoïsme hielp hem uiteindelijk om zijn

DEGEUS

pantheïsme te verfijnen. Het etiket atheïsme heeft Libbrecht steeds vermeden wegens volgens hem te negatief: een atheïst zegt immers alleen dat hij geen theïst is. Maar in Adieu à Dieu lijkt hij de term dan toch te omarmen. Hij maakt een onderscheid tussen positivistisch en religieus atheïsme. Het positivistische atheïsme is vooral gericht op het ontkennen van het bestaan van (de christelijke) God op basis van filosofische en wetenschappelijke argumenten. Richard Dawkins is hier een uitgesproken voorbeeld van. Rationeel heeft Libbrecht weinig bezwaren tegen de visie van Dawkins, maar gevoelsmatig herkent hij er zich moeilijk in, vooral omdat het positivisme zo weinig ruimte laat voor het fundamentele mysterie van de kosmos. De emotionele (mystieke) beleving van dit mysterie vormt de basis van zijn religieus atheïsme. Doorheen de geschiedenis hebben mensen dit mysterie ‘ver-beeld’ als God.

De zogenaamde onvergelijkbaarheid van culturen en filosofieën verwerpt hij Het religieuze atheïsme van Libbrecht is boeddhistisch geïnspireerd en gebaseerd op een reductie van het traditionele godsbeeld tot een (conceptuele) leegte. In India bezat de schepper-god Ishvara zowat alle kenmerken van de monotheïstische god uit de westerse traditie, inclusief diens verlossende functie uit het menselijk lijden. Ishvara werd in de Vedische filosofie eerst ‘ont-beeld’ tot een onpersoonlijke godheid of oerbewustzijn (het Brahman) en vervolgens tot de leegte van het boeddhisme. Overigens zitten ook christelijke mystici als Meister Eckhart, die God als een Niets beschrijven, volgens Libbrecht op het spoor van het religieus atheïsme. Het Niets of de leegte verwijst dus niet naar de afwezigheid van bestaan (letterlijk niets), maar naar een ervaring die niet

te vatten is door concepten en rationeel denken. Het is een woordloze ervaring.

De ultieme werkelijkheid kunnen we niet conceptueel vatten, maar enkel ervaren Om het in termen van Libbrechts filosofisch model te verwoorden is het leeg aan informatie maar vol van energie. Leegte kan niet worden gekend, maar wel worden ervaren door meditatief leven. Het doel van meditatie is het Mysterie of de Energie zuiver te beleven in onszelf. Omdat Energie gekoppeld is aan informatie wordt deze verstoord door de beelden (gedachten) die ons bewustzijn beheersen. Beoefenaars van meditatie proberen zich los te maken van deze informatie- of gedachtestroom. Als pantheïst noemt Libbrecht dit Mysterie God, maar dat heeft uiteindelijk nog weinig te maken met het traditionele persoonlijke godsbeeld (Dawkins omschrijft pantheïsme dan ook nogal grappig als gepimpt atheïsme). Pascal Versavel

RECENTE PUBLICATIES Tot slot zet ik de recentste publicaties van Libbrecht op een rijtje. Ik rangschik ze van heel toegankelijk tot zwaar academisch. De bricoleur & de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers (Garant, 2015). Libbrecht schreef dit boekje voor middelbare scholieren. Het is de meest toegankelijke inleiding tot zijn denken. Hij zet de bouwstenen van zijn model uiteen, maar het comparatieve model wordt niet besproken. De weg is wijzer dan de wegwijzer (Garant, 2015). Dit is een samenstelling van een reeks interviews. Het comparatieve model wordt in spreektaal uiteengezet. Filosofie zonder grenzen (Garant, 2016). De basis van dit werk is een cursus niet-westerse filosofie aan de Universiteit Gent. De stijl is dan ook academisch. Adieu à Dieu. Naar een religieus atheïsme (Garant, 2014). In dit boek beschrijft Libbrecht zijn levensbeschouwelijke evolutie. Voorkennis van zijn denken is zeker geen overbodige luxe, maar bij deze beschikt u daarover.

januari 2018  >  25


FORUM

DOE NOOIT WAT ONKUISHEID IS Mijn echtgenote leerde de tien geboden destijds in de lagere gemeenteschool van een kleine Vlaamse stad. Ze begreep niet wat onkuisheid betekende. De pastoor zei ook dat werken op zondag een zonde was, behalve voor pastoors want die dienden God. Een vriendinnetje, wier ouders een zaak hadden in de toerismesector en dus werkten op zondag, barstte in tranen uit, want haar ouders zouden naar de hel gaan. Ook in vrijzinnige middens was kuisheid een regel. Een bevriend echtpaar van mijn ouders wandelde tijdens hun verlovingstijd in het bos. Toen de jongeman zijn verloofde wilde omarmen en kussen, zei ze: ‘Mijnheer: als we getrouwd zijn.’ Later kregen ze een bloedmooie dochter, die zwanger werd tijdens haar studententijd en trouwde met haar verleider. Wat is onkuisheid? Vandaag een kwestie die dagelijks de bladen en TV-journaals beheerst. Het oude joodschristelijke woord is vervangen door ‘grensoverschrijdend’, maar het blijft gissen en tasten. Hoever mogen we gaan? Aanrakingen zijn steeds verdacht, wat wel, wat niet? In de film Victoria en Abdul, over de Britse koningin en een mooie Indiër (die ook nog moslim blijkt te zijn), kust hij haar voet – bovenop de schoen. Een knie is vandaag al over de grens – of toch niet, als de ander het goed vindt? Een ongevraagde arm over de schouder? Ik zag voorzitter Juncker van de Europese Commissie het doen bij eerste minister Theresa May, om haar te verwelkomen. Was dat seksueel bedoeld? Maar het is wél machtsmisbruik, want het was de inleiding tot de zoveelste aartsmoeilijke onderhandeling over de Brexit. Een handje vasthouden © Focus-Features

in de donkere cinemazaal heb ik zelf nog gedaan, mijn hart klopte in mijn keel want het was een risicovolle onderneming. Ze trok haar hand niet terug, halleluja. Maar wat indien ze nu naar de preventie-adviseur zou stappen? Of mijn naam op Twitter zou afficheren met de hashtag #MeToo? Vandaag zijn woorden, tweets, mails met seksuele inhoud al voldoende om iemand aan de schandpaal te nagelen, en dit zonder veroordeling wegens een strafbaar feit. Carrières worden gebroken, broodroof volgt onmiddellijk, de familie in woede en tranen. Zal men ooit nog de titel afnemen van een Nobelprijswinnaar of eredoctoraat? Het liefdesleven van Albert Einstein kan moeilijk exemplarisch, eerder liederlijk genoemd worden. Hoe kunnen we dit vermijden? Wie legt concrete regels vast wat wel en niet grensoverschrijdend is voor volwassenen, vroeger, en in de toekomst? Moet het Vlaams Parlement een commissie benoemen onder dubbel voorzitterschap van Etienne Vermeersch en kardinaal De Kesel? Moet er een rabbijn en imam bij? Moeten vrouwen in de meerderheid zijn in deze commissie, of zelfs, moet ze alleen uit vrouwen bestaan? Maar er bestaat (waarschijnlijk) ook homoseksueel grensoverschrijdend gedrag! Een tweede, of dezelfde commissie? Dergelijke commissie zou alvast de morele normering uit handen nemen van de journalisten en media-activisten, en de samenleving toelaten te focussen op andere problemen zoals het begrotingstekort, de groeiende armoede, de jeugdbendes, de uitval in het onderwijs, en onze deelname aan de oorlog in het Midden-Oosten (verder aan te vullen). Geen twijfel dat vandaag de kuisheid terug uitvoerig op de agenda staat. Het wordt een heel moeilijke spagaat tussen de ongeziene blootheid en seks in reclame, mode en kunsten, tegenover wat in het echte leven meteen gesanctioneerd wordt. Was de mens toch maar een aseksueel wezen dat zich voortplant door deling! De vrouwen en mannen die hunkeren naar liefde en orgasmen zullen een nieuwe code moeten ontwikkelen om contacten te leggen. Vroeger leerde men zijn verloofde kennen in de kerk, of spraken de ouders af met wie en hoe de eerste ontmoeting geregeld werd. Misschien was dat zo slecht nog niet? Willen we dat terug? Frank Roels Emeritus professor U. Gent



DEGEUS


FORUM

OVER WEINSTEIN, HILDE VAN MIEGHEM, AUTOSTOP DOEN EN BALLEN AAN JE LIJF HEBBEN OF SCHRIK HEBBEN EN AL DIE GRIJZE ZONES DAARTUSSEN Een bal is aan het rollen en Hilde Van Mieghem breekt een lans door in Alleen Elvis blijft bestaan te getuigen dat er minstens tien mannen uit diverse sectoren zijn waarmee ze serieus last kreeg. Ze omschrijft het als sexual harassment.

Maar ook kreeg ik seksboekjes op mijn schoot gesmeten als we afreden op de autostrade, die hij uit zijn koffer tevoorschijn haalde. Mijn directe verontwaardiging, kwaadheid en alerte reactie maakte dat de chauffeur direct stopte als ik riep: ‘Nu stop je en laat je mij uit de wagen!’

Toen ik twintig was, werkte ik mee in Vrouwen tegen Verkrachting, een actiegroep naast de Dolle Mina’s in Gent. We maakten affiches en gingen die ’s nachts plakken, zoals op het rolluik van een getrouwde huisarts die vrouwen verkrachtte. Hij woonde in de buurt van de Zwijnaardsesteenweg.

Of die keer toen ik als interim ’s ochtends heel vroeg van Leuven naar Brugge liftte. De vrachtwagenchauffeur zette me af aan de poort van het Atheneum waar ik moest werken, ergens in West-Vlaanderen. In het terugkeren was het een vertegenwoordiger die in een provinciestadje, rood licht na rood licht, in de file aanschoof. Ik rook precies dat er iets niet zo pluis was en durfde bijna niet links kijken,

Een aantal verkrachte vrouwen maakte deel uit van onze werkgroep, maar koos er toen voor om niet te getuigen. Of ze wilden het niet aangeven. Ze wilden in de anonimiteit meewerken aan de verbetering van de wetgeving rond seksueel geweld en verkrachting. Hun getuigenis bij ons werkte helend en dat was voldoende. Ze hadden er stilaan leren mee leven. Onze eerste actiedag Vrouwen tegen Seksueel Geweld ging door achter gesloten deuren in Brussel, begin jaren tachtig. Een eerste tv-uitzending over verkrachting volgde, we werkten mee aan een spraakmakende reportage voor de toenmalige BRT met Paula Semer. Met filmfragmenten en het vierkantje 16+. Er ontplofte een bom. Figuurlijk dan. Anonieme getuigenissen van vrouwen. Filmfragmenten die toen zelfs nog bekeken werden alsof het over ‘seks’, en niet over macht zou gaan. Een boerin uit mijn gemeente vroeg na onze documentaire of ik even met haar twintigjarige dochter wou komen spreken, over het jarenlange misbruik door een familielid. Zelf amper ouder dan twintig, deed ik dat. Ook de dochter heeft het niet aangegeven. Wij gingen spreken in de politieschool en ook daar kwam met mondjesmaat verandering en onze wetgeving werd later aangepast. Als jonge vrouwen eisten we toen de straat op. Wij wilden ook ’s nachts alleen naar huis gaan, zonder te worden lastiggevallen. En het was niet omdat we mooi en jong en kortgerokt waren, dat we vroegen om verkracht te worden. De tijden zijn veranderd. Ik zou liften niet meer aanraden, nu. Als werkstudent deed ik heel vaak autostop. Brussel, Leuven, Kortrijk, Gent, Amsterdam. Eén op de drie keren, minstens, werd ik lastiggevallen. Nochtans had ik geleerd om het gesprek naar mij toe te trekken. Ik vroeg altijd van alles aan de chauffeur en vaak werd ik heel netjes afgezet, soms tot voor de deur waar ik moest zijn. Ik voelde de sfeer in de wagen vrij direct aan wanneer ik instapte, startte een gesprek en maakte bijzondere ontmoetingen mee.

DEGEUS

© pradicidimandorle.com

want ik voelde aan dat er iets aan het gebeuren was dat niet zo pluis was. Wellicht was het ondertussen ook al duidelijk dat het gesprek niet zo boterde tussen ons. Aan de derde rode lichten durfde ik toch wat meer naar links te kijken. En ja, broek naar beneden, piemel bloot en hij was aan het masturberen. Ik schiet in een Vlaamse colère en roep dat hij dààr moet stoppen. Wat hij bruusk deed. Ik spring uit de auto, roepend ‘smeerlap’ en klets met volle kracht zijn portier toe waardoor ze bijna uit haar scharnieren schiet. Ik heb honderden anekdotes. Leuke en veel minder leuke. En ik blijf ervan overtuigd dat ik door de gesprekken die we konden voeren in de wagen, de chauffeur op andere gedachten kon brengen. En ik heb geluk gehad, want ik ben nooit in een wagen gestapt waarbij iemand met voorbedachten rade, en met een wapen bijvoorbeeld, van plan was om een autostopster mee te nemen. En ik besef

januari 2018  >  27


FORUM

dat ik nooit schrik had. En dat ik controle kon houden over de situatie. Maar niet iedereen kan zo direct én alert én kwaad én kortaf reageren dat je meester van de situatie blijft. Slachtoffers worden ook vaak heel doeltreffend gekozen. Ik heb geluk gehad. En soms, in een machtspositie, kan het vleiend zijn dat je attenties, complimenten of aandacht krijgt van je werkgever waar je naar opkijkt. En kan je daar even van genieten, omdat het gewoon leuk zou kunnen zijn. Maar in het geval van terugkerend misbruik spreken we over doelgerichte manipulatie. De manipulator die weet hoe hij iemand kan inpalmen, hoe hij vertrouwen kan winnen, waardoor je de indruk krijgt dat je mee verantwoordelijk bent voor wat er verder gebeurt. Alleen had en heeft het slachtoffer geen plan, nooit. En voelt ze zich misschien mee verantwoordelijk en schuldig. Het ‘spel’ wordt lang vooraf strategisch opgebouwd.

het weekend. Een gerenommeerd restaurant waar veel bedienden uit de omgeving hun dagschotel kwamen eten. Als dienster moest ik altijd heel netjes in het zwart-wit gekleed zijn. Maar ik heb les van Jaap Kruithof, een van de weinige lessen waar ik naartoe ging, en de baas vraagt of ik een banket wil helpen opruimen op maandagnamiddag. Ik vond het wat spijtig, want ik zou Kruithof missen, maar koos dus voor wat extra uren werk. Aangekomen op het Sint-Annaplein, ik moest meerijden met mijn baas, komen we aan en het banket is bijna volledig opgeruimd. Ondertussen was ik te laat voor de les, en hij vraagt of we een koffie gaan drinken. ‘Tja’, denk ik, ‘waarom niet?’. Ik vond het vreemd dat hij eigenlijk nogal ver reed voor die koffie, even de autosnelweg op. En we stopten in een baancafé. Ik vond het nogal donker, en wellicht door een zekere naïviteit die me niet vreemd is, valt mijn spreekwoordelijke frank dan pas, en merk ik dat we in een bar beland zijn. Ik kan nauwelijks geloven wat er gebeurt. Coupe Champagne? ‘Nee’, zeg ik, ‘een koffie alstublieft.’  Ik werkte er al meer dan een jaar en de patron, een man van zo’n vijftig jaar, getrouwd, kon altijd op mij rekenen want ik sprong veel in. Hij begint zeer voorzichtig en stelt me voor dat ik een appartement zou kunnen krijgen van hem. En tegelijk probeert hij me te kussen en te bepotelen – ik blijf afduwen, niet gemakkelijk – maar ik hou het proper, want ik moet nog thuis geraken. Hij zet me terug af in het centrum van Gent. Meer is er niet gebeurd. En dan begin ik het plaatje te vatten. De vele ruzies tussen hem en zijn vrouw, zij die hem constant controleert, ... De redenen werden me duidelijker en duidelijker.

© Time.com

De strategie wordt haarfijn uitgelegd in de documentaire Nooit meer zwijgen van Bart en Mariska Beckers, waaraan psychiater Peter Adriaenssens en ik meewerkten. Of, ik ben vijfentwintig en alleen thuis. De bel gaat om acht uur ’s ochtends en ik doe de voordeur open, in peignoir, want ik moet niet gaan werken. Een controleur van de elektriciteit moet iets bekijken. Hij controleert en ik vraag nog of hij ook een koffie wil, omdat ik zo opgevoed ben en altijd iets te drinken aanbied als iemand binnenkomt. In de hal, vlak aan de voordeur, vóór ik kan opendoen, graait hij mijn peignoir open en ik kan hem nog net een stamp tegen zijn lijf geven waarop hij vertrekt. Ik herinner me er dan altijd bij dat ik roepend reageer. En héél verontwaardigd ben, want dat had ik niet verwacht noch voorspeld. Anders zou je toch nooit meer de deur opendoen als de bel gaat, zeker?

De volgende dag ga ik werken alsof er niets gebeurd is en ik wacht tot de volle service aan de gang is, met zeker meer dan zestig maaltijden. Ik zie zijn vrouw binnenkomen in het restaurant. Op dat moment trek ik mijn wit schortje uit en begin voor heel het restaurant uit de doeken te doen hoe hij me probeerde mee te sleuren naar een bar en dat hij met zijn oude, vieze, vettige poten van studenten moet blijven. En ik laat het volle restaurant achter en klap met een ferme duw de deur dicht. Ik ben nooit meer teruggekeerd, noch voor mijn laatste wedde, noch om mijn kleren te recupereren die nog in het kastje lagen. Hoeveel vrouwen worden niet dagelijks benaderd in de meest diverse situaties, die niet direct geleerd hebben om in een ‘colère’ te schieten als zoiets gebeurd? Van wie ik het leerde, weet ik niet, maar ik weet wel dat niet iedereen zo kan reageren. Buiten dat de tijden veranderd zijn en dat veel niet meer zo veilig is, is er jammer genoeg op dat vlak niets nieuws onder de zon. Sybille Vanweehaeghe

Of, ik werk in het restaurant op de Kuiperskaai in Gent. Alle dagen ‘s middags en soms op feestdagen en in

28  >  januari 2018

DEGEUS


HET STEMHOKJE

Een stralingstoerist in Tsjernobyl. Stralingsdeskundigen bevestigen dat de straling nagenoeg geen impact op fauna en flora heeft gehad. © Shutterstock

Angst voor straling is gevaarlijker dan straling zelf De angst voor ioniserende (nucleaire) straling zit diep ingebed in ons maatschappelijk bewustzijn. Omwille van redenen die deels historisch en deels psychologisch zijn, nemen we eenvoudigweg aan dat om het even welke blootstelling aan ioniserende straling gevaarlijk is. De dosis doet er niet toe. De aard van het radioactieve materiaal doet er niet toe. De wijze van blootstelling – via de huid, ademhaling of inname – doet er allemaal niet toe. Radiatie = Gevaar = Angst. Punt aan de lijn.

DEGEUS

Het gezondheidsrisico van ioniserende straling is echter lang niet zo groot als we denken. Integendeel, onze overmatige angst voor straling – onze radiofobie – is veel schadelijker voor de volksgezondheid dan ioniserende straling zelf. Dat leerden we uit de meest angstaanjagende gebeurtenissen in de moderne wereldgeschiedenis: de atoombommen op Japan en de nucleaire ongelukken in Tsjernobyl en Fukushima.

januari 2018  >  29


HET STEMHOKJE

HIBAKUSHA Veel van wat we weten over het werkelijke gevaar van ioniserende straling is gebaseerd op het gemeenschappelijke JapansAmerikaanse onderzoeksprogramma Life Span Study (LSS), een longitudinale studie van overlevenden van de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki, die nu al 70 jaar bezig is. Binnen de tien kilometer rond de explosies waren er 86.600 overlevenden – in Japan noemt men ze hibakusha – die allemaal opgevolgd en vergeleken werden met 20.000 niet-blootgestelde Japanners. Slechts 563 atoombomoverlevenden stierven voortijdig aan kanker, veroorzaakt door de straling. Dat is een verhoogde mortaliteitsgraad van minder dan 1%. Duizenden hibakusha werden blootgesteld aan extreem hoge dosissen, en veel onder hen aan gematigde of lagere dosissen – hoewel die nog altijd veel groter waren dan die waarmee de slachtoffers van de ongelukken in Tsjernobyl en Fukushima in contact kwamen. Wat deze gematigde of lagere dosissen betreft, vond het LSS-onderzoek dat de straling geen stijging van stralingsgerelateerde ziektes heeft veroorzaakt ten opzichte van nietblootgestelde populaties. Met andere woorden, we kunnen er niet zeker van zijn of deze dosissen überhaupt schadelijk zijn, en als ze het zijn, is het in ieder geval niet al te erg.

Slechts 563 atoombomoverlevenden stierven voortijdig aan kanker. Dat is een verhoogde mortaliteitsgraad van minder dan 1% Bovendien, ongeacht de dosering, heeft het LSS-onderzoek geen bewijs gevonden dat nucleaire straling multigenerationele genetische schade berokkend heeft. Er werd niets gevonden bij de kinderen van de hibakusha.

30  >  januari 2018

Hoewel er in Tsjernobyl veel meer radioactief materiaal vrijkwam dan in Fukushima, veroorzaakte angst ook daar de meeste gezondheidsschade Het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) schat op basis van deze bevindingen het totaal aantal kankerdoden als gevolg van de kernramp in Tsjernobyl op om en bij de 4000. Slechts één procent van de 600.000 Tsjernobylslachtoffers werd blootgesteld aan voldoende hoge dosissen om zorgwekkend te zijn. Die 4000 is dus slechts twee derde van dat ene procent.

LESSEN UIT TSJERNOBYL EN FUKUSHIMA Wat Fukushima betreft, waar er veel minder radioactief materiaal vrijkwam dan in Tsjernobyl, voorspelt het Wetenschappelijk Comité van de Verenigde Naties inzake de gevolgen van atoomstraling (UNSCEAR) dat er ‘geen onderscheidbaar verhoogd voorkomen van stralingsgerelateerde gezondheidseffecten te verwachten zijn bij de blootgestelde personen of hun nakomelingen.’ Die twee grote nucleaire ongelukken hebben aangetoond dat de angst voor straling meer schade berokkent aan de volksgezondheid dan de straling zelf. Bezorgd om de straling, negeerde men (of men was zich niet bewust van) de lessen van het LSS-onderzoek en werden er 154.000 mensen rondom de Daiichi kerncentrale in Fukushima inderhaast geëvacueerd. In het verslag van The Japan Times lezen we dat de evacuatie dermate overhaast gebeurde dat die het leven kostte aan 1.656 mensen, van wie 90% 65 jaar of ouder was. De aardbeving en tsunami samen maakte in die regio slechts 1.607 dodelijke slachtoffers. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vond een stijging van de mortaliteit bij ouderen die in tijdelijke behuizing ondergebracht werden. De ontheemde bevolking, waarvan de familiale en sociale banden werden

doorgescheurd en die op onbekende plaatsen en in tijdelijke huizen moest wonen, leed — vergeleken met de rest van de Japanse bevolking — meer aan obesitas, hartaandoeningen, diabetes, alcoholisme, depressie, angstaanvallen en posttraumatische stressstoornis. Ook zijn er meer gevallen van hyperactiviteit en obesitas bij kinderen uit de Fukushima-regio, aangezien ze niet buiten mogen sporten. Hoewel er in Tsjernobyl veel meer radioactief materiaal vrijkwam dan in Fukushima, veroorzaakte angst ook daar de meeste gezondheidsschade. In 2006 rapporteerde het UNSCEAR: ‘De impact van Tsjernobyl op de mentale gezondheid is het grootste gezondheidsprobleem dat tot op heden door het ongeluk werd veroorzaakt. Het aantal gevallen van depressie verdubbelde. Posttraumatische stressstoornis was wijdverspreid en angst, alcoholisme en suïcidale gedachten stegen dramatisch. Mensen uit de aangetaste zones schatten hun gezondheid en welzijn negatief in, en zijn overtuigd van een kortere levensverwachting. De levensverwachting van de


HET STEMHOKJE

geëvacueerden daalde van 65 naar 58 jaar. Ongerustheid over de gezondheidseffecten van stralingsblootstelling vermindert niet, en lijkt zich zelfs nog verder te verspreiden.’ De natuurlijke omgeving rond de rampsites in Tsjernobyl en Fukushima bewijst bovendien dat ioniserende straling biologisch gezien minder schadelijk is dan wordt aangenomen. Door mensen verlaten, zien we dat de plaatselijke ecosystemen opbloeien in vergelijking met de situatie voor de ongelukken. Stralingsdeskundigen (een discipline die tot wasdom kwam in de nasleep van Tsjernobyl) bevestigen dat de straling nagenoeg geen impact op fauna en flora heeft gehad.

DE GEVOLGEN VAN RADIOFOBIE De gevolgen van onze radiofobie reiken echter veel verder dan de onmiddellijke omgeving van de ongevallen. Hoewel de door Fukushima vrijgekomen straling geen

stijging van stralingsgerelateerde ziektes heeft veroorzaakt, heeft de angst voor straling ertoe geleid dat zowel Japan als Duitsland hun kerncentrales hebben gesloten. Beide landen zagen een toename in het gebruik van aardgas en steenkool, waardoor ook de plaatselijke vervuiling en de uitstoot van broeikasgassen stegen.

Onze angst voor straling zit diep, maar we zouden beter schrik hebben van die angst zélf Geen van beide landen zal de vooropgestelde reductiedoelstellingen halen tegen 2020. Doorheen Europa heeft stralingsangst ertoe geleid dat landen als Duitsland, Spanje, Italië, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland (en ook België, nvdr) een beleid voeren waarbij zonne-, wind- en waterkrachtenergie worden gesubsidieerd ten koste van nucleaire energie als een manier

De angst voor straling heeft ertoe geleid dat zowel Japan als Duitsland hun kerncentrales hebben gesloten. Beide landen zagen een toename in het gebruik van aardgas en steenkool. Geen van beide landen zal de vooropgestelde reductiedoelstellingen halen tegen 2020. © Belgian Nuclear Forum

om de CO2-uitstoot in te krimpen, ondanks de waarschuwingen van de meeste energie- en klimaatsveranderingsexperten dat de huidige hernieuwbare energiebronnen door hun periodieke aard (d.w.z. dat ze niet in staat zijn om constant energie te leveren, nvdr) ontoereikend zijn om onze problemen op te lossen. In de Verenigde Staten zijn er 29 staten die wind- en zonne-energie subsidiëren. Nucleaire energie wordt slechts in drie staten ondersteund, hoewel die in staat is om veel meer zuivere energie te leveren en dat met een veel grotere betrouwbaarheid. Stralingsangst heeft diepe wortels. Het gaat terug op atoomwapens, en onze bezorgheden uit de Koude Oorlog. Modern milieuactivisme is gebaseerd op de angst voor radioactieve fallout van atmosferische kernproeven. Een hele generatie groeide op met films, literatuur en andere kunst die nucleaire straling afschilderde als de ultieme boeman van de moderne technologie. Er is psychologisch onderzoek dat uitwijst dat we ons veel excessiever zorgen maken over risico’s die we niet met onze eigen zintuigen kunnen waarnemen, die geassocieerd worden met catastrofale schade of kanker, die een menselijke in plaats van een natuurlijke oorzaak hebben en risico’s die angstaanjagende herinneringen tot leven brengen, zoals de herinneringen aan Tsjernobyl. Onze angst voor straling zit diep, maar we zouden beter schrik hebben van die angst zélf. David Ropeik © Aeon digital magazine www.aeon.co

OVER DE AUTEUR David Ropeik is milieu-instructeur aan de Harvard Extension School, auteur, consultant en spreker. Hij is gespecialiseerd in risicoperceptie, risicocommunicatie en -management. Zijn meest recente boek is How Risky Is it, Really? Why Our Fears Don’t Always Match the Facts (2010).



januari 2018  >  31


CULTUUR

Magritte en de Vrije Gedachte Iedereen kent het werk van René Magritte. Hij heeft een grote invloed uitgeoefend op de volgende generaties, van de pop-art tot hedendaagse kunstcreaties. Vijftig jaar na zijn overlijden leeft zijn werk nog duidelijk voort. Reden voor heel wat festiviteiten. In het Brusselse KMSK kunt u nog tot half februari genieten van de prachtige tentoonstelling Magritte, Broodthaers & de hedendaagse kunst. Het gelijknamige boek is te koop in de boekhandel en via uitgeverij Ludion. Willem Elias geeft u een voorsmaakje. Met de bolhoed in de hand verrees er het voorbije jaar een speciale aandacht voor het oeuvre van Magritte doorheen het Belgenland. Inderdaad, geen Vlaming zal Magritte verschoppen omdat hij een van origine Waalse (Lessen) artiest is, die Brusselaar werd. Hierin heeft hij de status verworven van chocolade, bier en de Rode Duivels. Hij begon ooit in de reclame, en zou allicht fier geweest zijn op dit gepopulariseerde succes. Niet enkel in de kluizen van de collectioneurs, maar ook in de harten van de Belg! Afgelopen zomer zagen we Magritte overal: als een soort strandspel op de plage van Knokke-Heist, als thema van de academische opening van de VUB (met de rector die varianten op ‘ceci n’est pas…’ peep), in een rondreizende educatieve tentoonstelling op de campus Jette van dezelfde universiteit (mede georganiseerd door het ‘echte’ Magrittemuseum in zijn voormalige huis in Jette) … maar vooral in een boeiende tentoonstelling in het KMSK te Brussel waar hij vergeleken wordt met talrijke kunstenaars die bij hem de mosterd haalden.

32  >  januari 2018

Michel Draguet e.a., Magritte, Broodthaers & de hedendaagse kunst. Uitgeverij Ludion, 2017, 272 p., ISBN 9789491819759.

RELATIE TUSSEN KUNST EN VRIJZINNIGHEID Hoewel de vijftigjarige herdenking van zijn overlijden in 1967 de aanleiding is van dit artikel, past het ook binnen mijn lopend onderzoek naar de relatie tussen kunst en vrijzinnigheid, waarvan de basistekst zich in de Onderzoeksgids voor de geschiedenis van het vrijzinnig humanisme bevindt. Dat verwondert allicht niemand.

Al lachend zegt een zot zijn waarheid en het carnaval is de moeder van dat soort surrealisme Mocht men in een kruiswoordraadsel een naam zoeken voor: ‘andere verbanden suggereren dan de gekende en de onmiddellijk zichtbare, de dingen eens op hun kop bekijken of op zijn minst vanuit een onverwachte invalshoek … ’, dan komen allicht zowel ‘surrealisme’ als ‘vrijdenkerij’ in aanmerking. Dat het surrealisme kritiek levert op het rationalisme omdat dit te instrumenteel geworden is, zal allicht minder bijval vinden bij vrijdenkers die zweren bij het wetenschappelijk model, ook voor de humane aangelegenheden. Het

DEGEUS


CULTUUR

surrealisme is uiteindelijk antipositivistisch. En het zijn niet allemaal Bachelards die de poëzie inzien van exacte wetenschappen en haar een bijkomende kennisfunctie verlenen. Een belangrijke plaats geven aan de driftmatigheid in wat er nog aan natuur overgebleven is in de cultuur, daar kunnen vrijdenkers dan weer wel inkomen, met de libertijnen op kop. Men hoeft daarom geen Freudfanaat te zijn. Dat alles vinden we bij René Magritte, die samen met zijn surrealistische kompanen het surrealisme graag zag als een ‘andere manier van denken’: in artistieke beelden, literaire taal of konteverkeerde acties.

Met het communisme flirtten de surrealisten ook graag, pour épater les bourgeois. Tot ze inzagen dat de realisaties van Stalin evengoed staaltjes waren van sous-réalisme, net zoals die van Hitler, de zich miskend wanende schilder.

De willekeur als basis wordt niet een ethisch laakbare aangelegenheid, maar een filosofisch principe dat precies deel uitmaakt van het vrijdenkersgehalte van de twintigsteeeuwse kunstenaar Maar antiklerikaal zijn ze op hun best, zonder de godslastering te schuwen. Meester in dit laatste was meer dan zijn inspiratiebron, Marcel Marieën (1920-1993), de jongste uit de Brusselse groep. Het was ook hij die kritisch reageerde toen Magritte zijn anti-kapitalisme de facto liet varen en zelf de commerciële toer opging door kopieën te maken van zijn eigen werken. Van het Rijk van der lichten maakte hij zestien zo goed als gelijkaardige versies. ‘Niet zo erg’, zegt Magrittekenner André Garitte, de man achter het Magrittehuis in Jette, ‘als men weet dat hij als kunstenaar zeer veel verschillende beelden bedacht heeft’. Veel kunstenaars herhaalden inderdaad levenslang hetzelfde beeld met lichte variaties. Denk maar aan zijn tijdgenoot Albert Saverijs, die voortdurend de Leie schilderde. Maar Magritte is niet alleen belangrijk voor het vrije denken omdat het surrealisme dat is. Er komt een diepere dimensie bij kijken. Daarin brengt hij de taaltheorie in beeld die door de nieuwe, begin twintigste-eeuwse linguïstiek geformuleerd werd. Los van deze intellectualistische dimensie heeft hij ook een volks tintje, dat in schril contrast staat met het Franse surrealisme à la Breton, dat sterk literair was. Het surrealisme van Magritte vond zijn voedingsbodem in het populaire, waardoor hij via de

DEGEUS

lach het cerebraal-literaire surrealisme tegelijk ondermijnde, maar tóch ten berde bracht. Al lachend zegt een zot zijn waarheid, en het carnaval is de moeder van dat soort surrealisme.

DE VOORLOPERS Om de voorlopers van Magritte te traceren, wordt al eens teruggegrepen op een oude schilderkunst die dicht bij het carnavaleske staat, zoals die van Jheronimus Bosch. Veel surrealisten zullen inderdaad wel verzot zijn geweest op de manier waarop Bosch, met een niet te evenaren fantasie, de ‘realiteit’ weergegeven heeft van hoe men zich de hel voorstelde. Een andere mogelijke overeenkomst is – hoe anachronistisch ook – het verband tussen beeld en taal. Een gangbare interpretatie van Bosch is dat zijn tijdgenoten de betekenis van zijn werk goed begrepen omdat zijn figuren zegswijzen zouden uitbeelden. Niet te vergeten dat het bij Bosch aankomt op begrijpbaarheid, terwijl het bij de surrealisten net gaat over waar het misloopt tussen taal en beeld. Voor de rest is het verschil tussen Bosch en de surrealisten dat van dag en nacht. Bosch waarschuwde in zijn Tuin der Lusten voor de gevaren die aan onzedelijkheid verbonden zijn, met als doel de hel te ontlopen. De surrealisten wilden de ten onrechte onderdrukt geachte driftmatigheid van de mens bevrijden, of er toch op wijzen dat die reëler was dan het zichtbare gedrag laat vermoeden. Verder mogen we ook de invloed van een schilder als Joachim Beuckelaer (1534 – 1574) niet vergeten als inspiratiebron voor het surrealisme. Je vindt er bijbelse thema’s op de achtergrond van rijk gevulde voedingsmarkten, symbool van de mooie kant van het aardse leven. Veel vruchten golden als metaforen voor de erotiek. De Russische cultuurfilosoof Mikhaïl Bakhtine (1895 – 1975) had als interessante stelling, vertrekkende van de studie van het werk van Rabelais, dat, naast de ernst van de officiële waarheid van kerk en staat er ook steeds een volkswaarheid aanwezig is: die van de lach. Die uit

januari 2018  >  33


CULTUUR

zich in grollen en grappen met het carnaval als hoogtepunt van het jaar, een moment van de status quaestionis. Deze lijn blijft een voedingsbodem voor een bepaald aspect van het surrealisme. Niet voor niets kan daarom ook James Ensor als een voorloper gezien worden, met zijn maskers en zijn groteske, burleske taferelen. Doorgaans wordt zijn oeuvre bij de stroming van het ‘symbolisme’ ingedeeld, dat aan objecten een symbolische betekenis gaf. Kunst moest meer zijn dan enkel mooi, zoals dat bij de impressionisten volstond. Hoewel René Magritte er zich juist tegen afzette (niet tegen Ensor, maar tegen zijn academisch geworden symbolistische leermeesters van de Académie Royale des BeauxArts de Bruxelles) is symbolisme, als een denken met beelden, toch een voorloper van het surrealisme. Over in hoever de stroming van Les Arts incohérents (1882 – 1886) een voorloper is, durf ik me niet uit te spreken. Het was hoe dan ook een beweging die de absurditeit in de kunst, met de ermee gepaard gaande lach, ten top wilde drijven. Zo kan je er een Mona Lisa vinden die een pijpje rookt, van Eugène Bataille. En een zwart vlak op wit doek blijkt niet van Malevitsch te zijn, maar van Paul Bilhaud (met als titel Combat de Nèpres dans un tunnel). Een stroming die wel een onbetwistbare voorloper is van het surrealisme, is het ‘dadaïsme’. Dat wou vaarwel zeggen aan het instrumentele rationalisme dat de Grote Oorlog beheerste, en breken met de kunst die daarbij aansloot. Men zou kunnen stellen dat iedereen zijn ‘dada’ mocht hebben, een Frans woord voor een onafscheidelijk hobbelpaard. ‘Niets betekenen’, was de boodschap. Wie er meer over wil weten, leest best eens De vlucht uit de tijd (Uitgeverij Vantilt 2016), een recente Nederlandse vertaling door Hans Driessen van de dagboekachtige verslaggeving van een van de initiatiefnemers van het dadaïsme, Hugo Ball (1886 – 1927).

34  >  januari 2018

Nadat je kennis hebt genomen van dit anarchistische verhaal, kan je je gerust ergeren aan het tweede deel, waarin hij het heeft over zijn terugkeer naar de katholieke kerk. Misschien was dat zijn enige mogelijkheid om nog gekker te doen?

De suggestie dat het gedoodverfde meesterwerk van de klassieke kunst een portret zou zijn, niet van een eerbiedwaardige dame maar van iemand met een heet kontje, is zinnebeeld geworden van de artistieke blasfemie of de destructieve creativiteit IS HET KUNST? Hoewel Marcel Duchamp er niet van het eerste uur bij was, heeft hij toch de exemplarisch geworden werken voor het ‘dadaïsme’ geleverd. Inderdaad, het woord ‘maken’ is hier misschien niet op zijn plaats. Hij noemde die werken readymades, kunst die al kant en klaar bestaat en slechts als dusdanig binnen een artistieke context geponeerd wordt door toedoen van een kunstenaar. Een urinoir, vers van bij de loodgieter gehaald en met het pseudoniem ‘R. Mutt’ ondertekend, kreeg de titel Fontein mee in 1917. Het was kunst op het moment dat het in New York geweigerd werd op het jaarlijks Salon van The Independent Artist, waar de regel gold niemand te weigeren. Deze artistieke status werd bevestigd doordat een bevriend collectioneur er een stevige som voor betaalde. Het object werd niet bewaard. Het kunstwerk was immers het moment van het gebeuren van de discussie: ‘Is het kunst?’ Een vraag die nog steeds bij hedendaagse kunst actueel is. Bedoeling was enerzijds conservatief – dit mag men niet te luid zeggen in sommige kunstmilieu’s – omdat het inging tegen de té zintuiglijke kunst van het fauvisme en het

kubisme, terug naar de betekenisvolle boodschappen van de oude kunst. Het was anderzijds progressief – dit mag men allicht in andere kunstmilieu’s niet beweren – omdat het de zinvolheid van boodschappen in vraag stelde en aanzette om erover na te denken. De kunst verloofde zich met de filosofie. De kiemen voor zowel het surrealisme als de conceptuele kunst waren gelegd, tot aan de postmoderne varianten ervan. De willekeur als basis wordt hier geen ethisch laakbare aangelegenheid, maar een filosofisch principe dat precies deel uitmaakt van het vrijdenkersgehalte van de twintigste-eeuwse kunstenaar. Die willekeur van het gebeurlijke (noch noodzakelijk, noch toevallig, wat de filosofen ‘contingentie’ noemen) heeft van bij aanvang een economische dimensie. Jawel, de manipulatie van de kunstmarkt als kunst zoals Damien Hirst dat doet en Jan Fabre, Wim Delvoye en Luc Tuymans bij ons, vindt haar oorsprong bij Duchamp en heeft een hoog gehalte aan postmodern surrealisme. De Fontein werd in 2004 door de organisatie van Britse kunstcritici uitgeroepen tot het belangrijkste kunstwerk van de twintigste eeuw. Althans het idee, want de tien exemplaren die door galerist Arturo Schwarz verkocht werden aan belangrijke musea waren replica’s. Een noodzakelijk kistje appeltjes voor de grote dorst van de ondertussen bejaarde Marcel Duchamp in de jaren zestig.

Magritte pijpt de Waarheid Marcel heeft nóg een ironisch werk bezorgd voor het dadaïsme. Op een gevonden postkaart met de Mona Lisa erop, tekende hij een snor en schreef eronder: ‘L.H.O.O.Q.’, een in het Frans uit te spreken letterformule (die dan de volgende zin oplevert: ‘Elle a chaud au cul’, nvdr). De suggestie dat het gedoodverfde meesterwerk van de klassieke kunst niet het portret van een eerbiedwaardige dame zou zijn, maar van iemand met een heet kontje,

DEGEUS


CULTUUR

De kunst beeldt de filosofie uit: ‘wat is het werkelijk?’ Iets dat het onderwijssysteem als koude pap kan missen. Als we bij de kinderen de vastgeroeste clichés van onze eigen cultuur bevestigen, is de kous af

is hét zinnebeeld geworden van de artistieke blasfemie of de destructieve creativiteit. Het is alsof iemand die bewering op een heiligenprentje van de maagd Maria geschreven zou hebben. Deze willekeurige beslisbaarheid van wat kunst is door de kunstenaar, door een object als dusdanig te poneren in een artistieke context, werd de nieuwe definitie van kunst (de vierde). Het duurde echter een kleine vijftig jaar vooraleer kunstfilosoof Arthur Danto ertoe kwam. Niet op basis van de readymades van Duchamp, maar op deze van Andy Warhol, namelijk de Brillo Box. Hier zitten we al bij de pop-art, vaak moeilijk te onderscheiden van het neo-dadaïsme, en dus chronologisch al volgend op het surrealisme.

De schilder die Magritte zelf als een inspiratiebron aanduidde voor zijn surrealisme, na een periode van kubisme, is de Chirico, met een werk als Liefdeslied (1947). In Italië heeft men dit ‘metafysische schilderkunst’ genoemd, maar het surrealistische

Magritte, ‘La trahison des images’, 1928-1929 © KMSK

principe zit er al in. Een wat lege, vervreemdende ruimte met objecten die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben: een Romeins gipsen hoofd tegen een gevel, waarnaast een grote, oranje, rubberen handschoen hangt met een groene bal eronder. Men zou nog voorlopers kunnen vinden. Waarom niet het realisme zelf, dat als eerste moderne stroming kan gezien worden en iets voor het midden van de negentiende eeuw een aanvang nam? Het was een reactie tegen het idealisme achter het academisme van de klassieke schilderkunst en de romantiek. De vaagheid en de droomachtige deformatie zijn kenmerken van het surrealisme, maar vaak zijn de uitgebeelde vormen zeer realistisch en zijn het alleen de verbanden tussen de dingen die ongezien zijn. Zeker bij Magritte. Het niet-nauwkeurig


CULTUUR

Magritte, ‘La chamber d’ecoute’, 1952 © KMSK

begrensde komt er maar zelden voor. Zelfs de niet-vorm is zorgvuldig afgelijnd. En inderdaad: waarom zou men niet reeds een voorloper kunnen zien in het beruchtste werk van de realist Gustave Courbet: L’origine du monde (een vrouwentorso zonder hoofd, naakt en vanuit een ongewone invalshoek geschilderd, met de focus schaamteloos op het schaamstuk)? Ceci n’est pas un vagin, maar het is er de voorstelling van, mét verraderlijke mogelijkheden tot interpretatie. Die gaan dan van onder tafel verkochte pornografie voor perverse collectioneurs tot een ode aan de vrouwelijkheid als materniteit.

CECI N’EST PAS UNE PIPE

bekendste werk van Magritte. Het verwijst naar de didactiek van de basisschool, waar een beeld samen met een woord het leren lezen moet bevorderen. De afbeelding van een voorwerp wordt in verband gebracht met de lettertekens die de naam geven: ‘dit is een pet!’ Wat iets niet is, wordt aan kinderen niet geleerd. En al zeker wordt er in het onderwijs geen didactiek van de verwarring gebruikt, zelfs niet meer in het hoger. Dat is de taak van de kunst. De kunst beeldt de filosofie uit: ‘wat is het werkelijk?’ Ook al iets dat het onderwijssysteem als koude pap kan missen. Als we bij de kinderen de vastgeroeste clichés van onze eigen cultuur bevestigen, is de kous af.

Ceci n’est p as une pipe is allicht het

Deze schalkse kritiek op het onderwijs

36  >  januari 2018

als een reproductie van het gevestigde, is al een mogelijke invulling van de betekenis van het schilderij. De bewustwording dat dit geen reële pijp is die je kan stoppen, aansteken en roken, is een andere. Maar dat dit de pointe zou zijn, is wat simplistisch. Magritte pijpt de Waarheid. Het roken van de pijp is maar een klein deel van wat er in de pijpkop gebeurt. Het is maar iets dat men aan het werkelijke gebeuren onttrekt, een interpretatie. Dat een afbeelding van iets het werkelijke ding niet is, weet een kind ook. Daarvoor heb je geen kunstenaar nodig. De boodschap is dus wat complexer. Ceci n’est pas une pipe ondermijnt eigenlijk het westerse waarheidsbegrip. Niet alleen het beeld is ontoereikend om de werkelijkheid

DEGEUS


CULTUUR

Magritte, ‘La decouverte du feu’ © KMSK

te omsluiten, maar ook de taal vermag dat niet. Om van de 4 letters/3 klanken over te gaan naar een gebruiksvoorwerp, is men verder van huis. Als de onmiskenbaar herkenbare, realistisch geschilderde pijp geen pijp is, dan zijn die letters/klanken dat nog minder.

‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd’ was een bezorgdheid van Dostojevski, gelovige voorloper van het existentialisme. En dus moet men vervangreligies uitvinden

DEGEUS

Dat nieuwe gedachten in de lucht hangen, lijkt me een mooie surrealistische bewering. Ik weet dus niet of Magritte Ferdinand de Saussure (1851-1913) kende, professor in de linguïstiek. Die leerde ons dat het verband tussen taal en werkelijkheid willekeurig is. Hoewel dat nu misschien evident lijkt, was dat toen revolutionair. Alhoewel, als we zien hoeveel spel er gemaakt wordt over fake news, moeten we daar allicht uit besluiten dat de meesten ook vandaag nog geloven dat waarheid en werkelijkheid samenvallen. Terwijl elke waarheidsuitspraak een constructie is, die dus verschilt van de werkelijkheid (‘Ceci n’est pas’) en dus een interpretatie is. Dat maakte de Saussure duidelijk door

erop te wijzen dat een teken (beeld of taal) uit twee geledingen bestaat. Enerzijds het materiële aspect (klank, schrift) dat ‘betekenaar’ genoemd wordt. Anderzijds dat wat in de geest opgeroepen wordt, het ‘betekende’, dat wat betekent. Samen vormt het de betekenis, die dus ook een zekere willekeur in zich draagt, namelijk die van de interpretator en van de context. Ceci n’est pas une pipe zou men dus – in een volkse, Brusselse context – kunnen lezen door de ogen van een grapjassende kijker, die schertsend verwijst naar de betekenis van het werkwoord dat van het substantief ‘pijp’ is afgeleid. In geleerdentaal fellatio genoemd. Deze interpretatie zou ook volledig passen binnen de

januari 2018  >  37


CULTUUR

Magritte en Broodthaers © Maria-Gilissen-Broodthaers

invloed die Freud op het surrealisme gehad heeft, door de driftmatigheid centraal te stellen bij de drijfveren van de mens. Maar men kan ook naar een ander uiterste gaan, naar de moeilijkste tak – of is die afgezaagd? – van de filosofie en beweren, zoals ik hier overigens aan het doen ben, dat Magritte met dit werk een zinnebeeld gemaakt heeft over de ondergang van de metafysica, namelijk de beweringen over een onzichtbaar zijn dat onder (subjectum, substratum) het zichtbare zou liggen.

OVER DE ESSENTIE DER DINGEN Dat brengt ons bij Aristoteles. In een tekst over de ‘psyche’ zoekt hij naar wat de essentie der dingen zou kunnen zijn. Hij maakt dit duidelijk met de veronderstelling dat een gebruiksvoorwerp een levend iets zou kunnen zijn. Stel, schrijft hij, dat de bijl een ‘natuurlijk wezen’ was (zodat ze haar bewegingsgrond in zichzelf zou hebben). In dat geval was ‘bijlheid’, het kunnen-hakken, de ‘psyche’ van de

38  >  januari 2018

bijl. De bijl die dat vermogen verliest (bijvoorbeeld door bot te worden), is geen bijl meer, tenzij homoniemisch: het heeft dan nog enkel de naam van ‘bijl’, zoals een houten speelgoedbijl, maar niet langer de functie (en bijgevolg ook niet langer de definitie) ervan.

Atheïsme betekent dat er geen externe noodzakelijkheid is. Maar hebben we dan ook geen bewondering meer voor de dingen? Men hoeft hier enkel ‘bijl’ te vervangen door pijp en ‘ceci n’est pas une pipe’ is er geen omdat ze niet meer kan functioneren en dus haar ‘pijpheid’ kwijt is. Het beeld is slechts een homoniem waarmee gespeeld kan worden, en het hek is van de dam. Men hoeft niet langer naar de pijpen te dansen.

Hoewel we het al over voorlopers gehad hebben, moeten we hier toch nog even naar de poëzie. Stéphane Mallarmé (1842-1898) is dé baanbreker op het gebied van de relatie tussen het gebroken wereldbeeld en het breken van de artistieke vorm die niet langer harmonie wil of kan zijn. Dit omdat de werkelijkheid ook niet eenduidig is. Wanneer de voorstelling ervan gaaf is, is het net daarom een verraderlijke leugen of fictie. Zoals de bewering dat er een pijp is die er niet ‘is’. Dat komt meesterlijk tot uiting in zijn gedicht Een Dobbelsteen zal nooit het Toeval opheffen (Un coup de dés jamais n’abolira le hasard, 1897). Hierin is hij een van de eersten die het geijkte alexandrijnse vers laat vallen en tot vrije verzen overgaat, omgezet in een grillige typografie van zijn tijd. We vinden dit later bij Paul Van Ostaijen (1896-1928) terug, maar Malharmé schreef ze al toen onze Paul nog in de wieg lag. Men mag zo’n gedicht als teken des tijds – als een aankondiging van de surrealistische dimensie – niet

DEGEUS


CULTUUR

onderschatten, zelfs voor Broodthaers (1924-1976) stond het nog model voor het feit dat niets onwrikbaar is. De nietzscheaanse gedachte dat ‘God dood is’, was niet zomaar een vondst van de filosoof met de hamer, specialist in onchristelijke spirituele metaforen. In de hele negentiende eeuw waren schrijvers, kunstenaars en filosofen aan het worstelen met het bewustzijn dat de wereld en het leven niet het gevolg is van een goddelijk plan, dat de hemel leeg is. Dat betekent dat alles toevallig is, wat reeds door de wetenschap van die tijd bevestigd werd. Anderzijds deed de wereld alsof er niets aan de hand was. Maatschappelijk worden nog voortdurend surrogaten gezocht als fundament voor een niet bestaande orde. ‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd’ was een bezorgdheid van Dostojevski, gelovige voorloper van het existentialisme. En dus moet men vervangreligies uitvinden. Voor schrijvers en kunstenaars ligt dat wat anders. Zij zijn vooral bezorgd over het rituele van het leven, wat een esthetische aangelegenheid is, een zaak van de vorm. Wat voor de filosofen de Rede is, is voor kunstenaars het Schone, met steeds de Mens als remplaçant van God. En met een toenemende overtuiging dat rede en schoonheid meervoudig moeten gedacht worden. De geschiedenis van het modernisme is niets anders dan de zoektocht naar die meervoudigheden. Die wet geworden toevalligheid speelt de maatschappij ook parten. Dat is immers wat men de ‘onttovering’ van de wereld genoemd heeft. Die toevalligheid maakt dat er geen intrinsieke zin is en dat alles dus eigenlijk absurd is. Atheïsme betekent dat er geen externe noodzakelijkheid is. Maar hebben we dan ook geen bewondering meer voor de dingen? Hier ontstaat de nood voor de mens om zelf zin te geven aan de dingen. Zonder grond, maar niet zonder zin. Tussen ‘noodzakelijkheid’ en ‘toeval’ kwam zich een interessante term nestelen: de ‘gebeurlijkheid’ (de contingentie). Dit komt neer op

DEGEUS

de gedachte dat wat is, ook anders had kunnen zijn. Het ‘is’ en we aanvaarden dat al dan niet, maar we weten wel dat het ook anders had gekund. Dit is dan eventueel een reden om het te veranderen. Deze ‘contingentie’ is de basis van het vrije denken. Laten we dat vooral niet vergeten. Het is eigenaardig genoeg ook de basis van de lach. Of was dit te verwachten? De lach is het denken dat via alternatieven, waaraan niet gedacht werd, het gevestigde ondermijnt. In die zin is moderne kunst altijd een beetje om te lachen. Het surrealisme alleszins.

De lach is het denken dat via alternatieven, waaraan niet gedacht werd, het gevestigde ondermijnt. In die zin is moderne kunst altijd een beetje om te lachen Daarnaast zijn schrijvers en kunstenaars ook op zoek naar wegen om het spirituele op een nietgodsdienstige wijze te cultiveren. In de filosofie hebben de Vlaamse filosofen Leo Apostel en Leopold Flam dat geprobeerd met hun ‘religieus atheïsme’, waarbij men wel de sociale band behield maar God bedankte voor de moeite. Bij poëten en beeldende kunstenaars is dat hun manier om de moderniteit te vieren. Door hun minutieuze precisie komen ze in hun handelingen dicht bij het ritueel te staan. Door de afwezigheid van een canon van regels zoals in de academische kunst, is het nauwlettend herhalen een noodzaak om de nieuwe code te vestigen. De repetitie is ook de methode van het ritueel. Het gedicht van Mallarmé blijkt daar bij nader inzien het prototypische model van te zijn. In dat gedicht is er sprake van een maître (meester) die, wanneer hij met zijn schip ten onder dreigt te gaan in de golven, het nog even waagt om met een dobbelsteenworp de verlaten hemel uit

te dagen. Het is duidelijk dat dit een beeldspraak is voor de ineenstorting van de oude orde en de komst van de onzekerheid. Maar Mallarmé zet niet aan tot een absoluut relativisme. Een absolutisme vervangen door een ander, is theoretisch niet interessant. Een verkeerd begrepen postmodernisme poneert een volledig relativisme. Een goed begrepen postmodernisme (zoals ik dat doe, al zeg ik het zelf J) ziet er een openheid in om vaste zekerheden te vervangen door een pluriformiteit van alternatieven. Eens dit gebeurd is, koestert men de keuze. Dit is precies de ‘contingentie’ (gebeurlijkheid). Het gevestigde alexandrijnse ritme wordt dus niet vervangen door een on-rijm, maar door een vrije zoektocht naar nieuwe rijmen, waar vrijheid en juistheid elkaar vinden. Dat geldt ook voor de abstracte schilderkunst. Dat er geen klankverschil is tussen het Franse maître (meester) en mètre (versmaat) versterkt de beeldspraak nog. Als we daaraan toevoegen dat Marcel Broodthaers dit gedicht precies gebruikt heeft om de turbulenties tussen woord en beeld op te wekken, dan is de teerling geworpen. In 1969 stelt hij het ondertussen in 1914 heruitgegeven gedicht als een aparte bundel tentoon in Antwerpen. Daarin heeft hij de grillige woordlijnen laten verdwijnen onder zwarte strepen, zodat het een abstract beeld wordt. Op de kaft veranderde hij poème in image. De jongste Belgische surrealist, Marcel Marieën, schoolvoorbeeld van ‘vrijzinnige’ kunst, stelde ooit voor het werk van Broodthaers simpelweg ‘surrealisme’ te noemen, waarop deze reageerde: ‘Sst, zeg het aan niemand!’ Hij stierf ook als een surrealist op zijn 52ste verjaardag. Bij het overbrengen van zijn stoffelijke overschot uit Keulen hing een etiket met: ‘Broodthaers, Ohne religion. Nach Brüssel.’ Willem Elias

VOOR René Magritte, gestorven 50 jaar geleden Kathleen, geboren 50 jaar geleden Jan Elias, 450 jaar geleden als Geus onthoofd op de Grote Markt van Oudenaarde

januari 2018  >  39


CULTUUR

Skopiumschuivers De alternatieve artistieke geschiedenis van Gent van de laatste vijftig jaar wordt te kijk gesteld. In het najaar kon u nog de expositie over PROKA-Zwarte Zaal bezoeken in het Liberaal Archief en de tentoonstelling Skopiumschuivers in het KASK, over de haast 50-jarige geschiedenis van de Studio Skoop. Nu kunt u ook het gelijknamige boek in huis halen en genieten van de dolle jaren 1970-1982 in Gent, mét uitgebreid illustratiemateriaal.

© Jacques Brouns

De reden achter deze initiatieven is niet ver te zoeken. De initiatiefnemers hebben een belangrijk, zo niet essentieel aandeel in het bestaan of de werking ervan. Ze worden een dagje ouder en nu zijn ze nog helder bij hoofd om getuigenis af te leggen van wat ze hebben gedaan. Hun belangrijkste motief is echter dat ze niet willen dat de geschiedenis van Proka – Zwarte Zaal en Studio Skoop in de archieven verdwaalt. Een bijkomende reden is dat de nieuwe generatie alternatievelingen wel eens vraagt wat het belang is van de legendarische verhalen die de ronde doen, of waar vaak naar wordt verwezen. Beide initiatieven geven daar een prima antwoord op.

Een mooie, wilde tijd van onvervaard ondernemen, zorgeloos plannen, van doén zonder vangnet of subsidie De titel van het boek verwijst naar de gedrevenheid waaruit de Studio Skoop is ontstaan en waarom die bioscoop voor ‘de andere film’ nog steeds bestaat. De drijvende kracht achter Skopiumschuivers, Paya Germonprez, geeft daar tekst en uitleg bij in het voorwoord van het boek, waaruit het volgende citaat: ‘Een mooie, wilde tijd van onvervaard ondernemen, zorgeloos plannen, van doén zonder vangnet of subsidie, waardoor een wankel cinemazaaltje kon groeien tot de Filmgebeurens die tot buiten de grenzen bekendheid kreeg.’ Wat verder in het voorwoord verwijst ze naar de kring van mensen die zich stortten in een onvervaarde onderneming, die door de toenmalige bourgeoisie als krankzinnig werd gestempeld en door de overheid in zijn aanloop en beginperiode vaak werd geboycot.

De lezer van het boek wordt geconfronteerd met de woestheid van de jaren zeventig, met bekende Vlamingen die in hun studentenjaren avonturiers en ontdekkingsreizigers waren, maar ook met de filmgeschiedenis SCHITTERENDE BIJNAAM Ze heeft die kring in wezen bedankt door hen met naam en faam te noemen in het boek en op de tentoonstelling te tonen. De schitterende bijnaam, by the way, werd door Ben ter Elst gemunt als aanspreektitel voor de lezers van het tweemaandelijks tijdschrift: Skopiumschuivers. Op



DEGEUS


CULTUUR

hun beurt hebben deze mensen Paya Germonprez bedankt door belangeloos aan het dubbelinitiatief mee te werken. Onder meer Herman Balthazar, Jean Paul Van Bendegem, Michiel Hendryckx, Stefan Hertmans, Dirk Liefooghe, Guido Van Meir, Alain Platel en Ronny Pede. Allemaal namen van mannen. Niet dat er geen vrouwen aan de wieg (!) stonden, maar zoals dat indertijd het geval was – en vaak is dat nog steeds zo – werkten zij in de marge. Wat niet mag onderschat worden. Net zoals bijkomende factoren is de marge vaak het oord waar problemen opgelost worden. Zonder de marge zouden heel wat ideeën dromen blijven. Opnieuw Paya Germonprez om dit te staven, met een citaat uit een artikel over de stamvader van de Studio Skoop, Ben ter Elst: ‘Ben liet snel veel dingen aan mij over. Hij maakte lijstjes van dingen die moesten gedaan worden (meestal alles wat hijzelf niet graag deed) en die gaf hij me voor hij vertrok om in het buitenland films te gaan halen of bij brocanteurs te zoeken. De school interesseerde mij niet meer, en er was genoeg te doen in de Skoop.’

GROTE INVLOED De lezer wordt geconfronteerd met de woestheid van de jaren zeventig, met bekende Vlamingen die in hun studentenjaren avonturiers en ontdekkingsreizigers waren, maar ook met de filmgeschiedenis. Heel wat van wat men noemt ‘de betere films’ die nu gemaakt worden zijn schatplichtig aan de filmmakers van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Het boek wijst terecht op een gebeurtenis die met de jaren is uitgegroeid tot het instituut Film Fest Gent. Het merendeel van de bezoekers van het belangrijkste filmfestival van de Lage Landen weet niet dat dit festival geboren en opgegroeid is in de Studio Skoop. De eerste editie – indertijd nog het Internationaal Filmgebeuren Gent – vond plaats in 1974. Op de affiche namen die slechts in hoofdletters en vet geschreven kunnen worden: ANDY WARHOL, HANS-JÜRGEN SYBERBERG, ANDREJ TARKOVSKY, MARCO FERRERI, RAINER W. FASSBINDER. Filmjournalist Jan Temmerman heeft in het boek een prachtig ‘In Memoriam’ geschreven over deze eerste editie. Het boek is te koop in Studio Skoop, bij de betere boekhandel, maar ook in het Stadsmuseum Gent (STAM). Terecht. De nog steeds bestaande Studio Skoop is niet enkel een belangrijk initiatief geweest om liefhebbers

DEGEUS

tot cinefielen om te turnen; het is bovendien een van de wortels van wat Gent als stad nu is: een toevluchtsoord voor ontelbaar veel WestVlamingen die er de laatste vijftig jaar zijn toegestroomd en nog blijven toestromen. Hun invloed is en was bepalend op het vredelievend gedrag van Gent en zijn culturen. In de huidige Studio Skoop – met als uitbater Walter Vander Cruysse – hangen foto’s uit legendarische films. Ze werden gemaakt door Guido De Leeuw, die begon als fotograaf en nu dé man is van de Gentse Feesten/ Trefpunt. Waarmee maar weer eens wordt aangetoond hoe sterk historisch-culturele initiatieven met elkaar verweven zijn.

De nog steeds bestaande Studio Skoop is niet enkel een belangrijk initiatief geweest om liefhebbers tot cinefielen om te turnen; het is bovendien een van de wortels van wat Gent als stad nu is: een toevluchtsoord voor ontelbaar veel WestVlamingen die er de laatste vijftig jaar zijn toegestroomd en nog blijven toestromen VOLKSVERHEFFING Een dagje Gent? Koop het boek, bezoek de stad en sluit af met een film in de Studio Skoop. Er zijn er altijd wel een paar die in het strikt commerciële circuit nooit te zien zijn. Kortom, zulk een dag is volksverheffing. En daar was het de bouwers van de Studio Skoop in aanvang om te doen. Al had het niet die naam … en maar goed ook. Hij doet te veel denken aan IJzertorens en vlaggengezwaai. En daar was het Ben, Paya en co. nu net niet om te doen. Guido Lauwaert Dit artikel verscheen eerder in Doorbraak (oktober 2017). Paya Germonprez (samenstelling), Skopiumschuivers. Uitgeverij: Snoeck Publishers, 2017, 284 p., ISBN 9789461614308.

januari 2018  >  41


BOEKENREVUE

Palliatieve sedatie Trage euthanasie of sociale dood? WIM DISTELMANS In zijn laatste boek Palliatieve sedatie – Trage euthanasie of sociale dood? steekt Wim Distelmans meteen duidelijk van wal: bij één op de twee mensen wordt het moment van overlijden beïnvloed door medische begeleiding. De andere helft sterft (bijvoorbeeld) rustig tijdens de slaap, plots na een hartinfarct of door een dodelijk ongeval. De medische spitstechnologie leidt niet alleen tot een langere levensduur en levenskwaliteit, maar vergroot ook aanzienlijk de kans dat we sterven in een ziekenhuis. En dan worden we geconfronteerd met zes mogelijke beslissingen bij het onvermijdelijke levenseinde: het stopzetten of niet meer opstarten van een behandeling, aanpassen van de pijnstilling en/of palliatieve sedatie, levensbeëindiging zonder verzoek, hulp bij zelfdoding of, last but not least, euthanasie. Door het bestaan van medische technologie wordt de huidige generatie als eerste verplicht ethisch te reflecteren over het al dan niet aanwenden ervan. Dat is de kernboodschap van dit boek. We kunnen het ons moeilijk voorstellen, maar gedurende miljoenen jaren stierven de meeste mensen een gruwelijke dood. Wim Distelmans herinnert er in zijn inleiding aan dat doeltreffende medische pijnstilling nauwelijks 200 jaar bestaat. Het is overigens pas in de jaren vijftig van vorige eeuw dat kwalitatieve vooruitgang werd geboekt op het vlak van de ontwikkeling van pijnstillers en anesthetica. Ondraaglijk

42  >  januari 2018

lijden bij het levenseinde kan vermeden worden door iemand kunstmatig in slaap te doen of in coma te brengen, deze techniek heet palliatieve sedatie. Palliatieve zorg kan heel veel leed verzachten, maar toch wordt niet alle ondraaglijk lijden hierdoor opgeheven. Soms kan het lijden enkel gestopt worden door het leven te beëindigen. Wanneer dit gebeurt zonder medeweten van de patiënt is er sprake van

levensbeëindiging zonder verzoek. Hier wordt duidelijk dat er een schemerzone bestaat tussen euthanasie en palliatieve sedatie.

Beslissingen tot palliatieve sedatie worden in 90% van de gevallen genomen door de arts die zich hiervoor, in tegenstelling tot euthanasie, niet moet verantwoorden Distelmans onderstreept dat de meeste palliatieve sedaties gebeuren zonder medeweten of verzoek van de patiënt (70% van de gevallen), terwijl euthanasie enkel kan op uitdrukkelijk

DEGEUS


BOEKENREVUE

Palliatieve sedatie is een techniek die volgens de auteur in veel zorginstellingen wordt opgedrongen als alternatief voor euthanasie NOODZAAK AAN TRANSPARANTIE Wim Distelmans verheldert in dit boek duidelijk het verschil tussen palliatieve sedatie en euthanasie. In principe streeft palliatieve sedatie het verlichten van ondraaglijk fysiek en/of psychisch lijden na, zonder het leven te willen beëindigen. Het tijdstip van sterven is dus, in tegenstelling tot bij euthanasie, onbepaald. In de praktijk blijkt echter dat continue palliatieve sedatie pas wordt ingezet als de verwachte levensduur nog amper 1 tot 2 weken bedraagt. Vandaar dat dit inderdaad veel weg heeft van een vorm van ‘trage euthanasie’. Terwijl euthanasie enkel op uitdrukkelijk (en herhaald) verzoek van de patiënt mogelijk is, kan palliatieve sedatie ook uitgevoerd worden zonder medeweten van de patiënt. Er is ook geen verplicht advies van een tweede arts en geen verplichte registratie. Volgens de auteur zou het een stap vooruit zijn mocht dit wel gebeuren, zodat communicatie, controle, overleg en coördinatie mogelijk worden. Zeg maar: het transparanter maken van heel het proces. verzoek. Beslissingen tot palliatieve sedatie worden in 90% van de gevallen genomen door de arts die zich hiervoor, in tegenstelling tot euthanasie, niet moet verantwoorden. Dat is meteen het pijnpunt in de discussies rond palliatieve sedatie: het gaat om een techniek die volgens de auteur in veel zorginstellingen wordt opgedrongen als alternatief voor euthanasie. Recent onderzoek (VUB, 2015) schat het aantal palliatieve sedaties op ongeveer 12%. Een andere studie uit 2009 bracht aan het licht dat slechts 1,9% van alle overlijdens in Vlaanderen het resultaat waren van euthanasie, terwijl in 14,5% overgegaan werd tot palliatieve sedatie.

DEGEUS

Hoewel vrij kritisch tegenover de steeds ruimere toepassing van palliatieve sedatie – vooral omwille van de weinig transparante en informele procedure – erkent Wim Distelmans dat het om een laatste redmiddel kan gaan. Veel uitbehandelde terminale patiënten kunnen immers geen beroep (meer) doen op euthanasie (bijvoorbeeld bij permanente toestand van bewustzijnsdaling, geen mogelijkheid tot wilsverklaring). Palliatieve sedatie biedt ook een uitweg voor wie, om welke reden ook, geen euthanasie wil aanvragen. Daar blijft veel moed voor nodig, omdat met het aanvragen en uitvoeren van euthanasie tegelijk de eigen dood en de voltrekking ervan bewust onder ogen dient gezien. Het komt in

dit boek niet ter sprake, maar wellicht verkiezen sommige mensen een gecamoufleerde vorm van euthanasie, waar palliatieve sedatie eigenlijk ook voor een stuk op neerkomt. Daarop wordt onrechtstreeks gealludeerd als Distelmans het over ‘de sociale dood’ van de patiënt heeft. Het kunnen kiezen, beslissen, handelen en beschikken over een sociale en individuele identiteit is immers basisvoorwaarde om euthanasie te kunnen aanvragen. ‘Bij palliatieve sedatie is de patiënt dus in feite al dood vooraleer hij overleden is’, besluit Wim Distelmans.

Terwijl euthanasie enkel op uitdrukkelijk (en herhaald) verzoek van de patiënt mogelijk is, kan palliatieve sedatie ook uitgevoerd worden zonder medeweten van de patiënt Palliatieve sedatie is bijna als een goed gestructureerd vademecum opgebouwd: het boek biedt heel wat handvatten voor wie in de praktijk met palliatieve zorg en levensbeëindiging geconfronteerd wordt. Het wordt met een praktische checklist afgesloten, waar voorwaarden, voorlichting en begeleiding aan patiënt en naasten, organisatie en coördinatie van zorg en medische uitvoering besproken worden. De beknopte, maar verhelderende cases, maken deze complexe en gevoelige materie nog toegankelijker. En ja, beste lezer, sla zeker het filosofisch nawoord De kunst van het goede sterven van Johan Braeckman niet over. Het is een pareltje. Pierre Martin Neirinckx Wim Distelmans, Palliatieve sedatie – trage euthanasie of sociale dood? Uitgeverij Houtekiet, 2017, 149 p., ISBN 978 90 8924 606 6, € 21,99.

januari 2018  >  43


BOEKENREVUE

Philosophy of War & Peace DANNY PRAET Oorlog en vrede, Tolstoj schreef er een dik boek over. Na duizenden jaren ‘beschaving’ heeft de mens nog steeds geen duurzame oplossing gevonden voor conflict en twist in al zijn facetten. Hoewel oorlogsvoering over de eeuwen heen vele evoluties gekend heeft, blijft het onderwerp in se immer actueel. Ter gelegenheid van de 24ste editie van de International Philosophy Olympiad (IPO) die in 2016 in Gent plaatsvond, bundelde UGent-professor Danny Praet vijftien essays over dit tijdloze thema in Philosophy of War & Peace. Het boek geeft een diachronisch overzicht van de bekendste filosofische opvattingen over oorlog en vrede. Dertien academici benaderen het hoofdthema vanuit de ideeën van een bepaalde invloedrijke denker, cultuur of historische periode. De eerste drie essays zijn meteen eyeopeners voor van enige kennis van Oosterse cultuur gespeende westerlingen. Eva De Clerq laat de lezer kennismaken met tradities van het oude Indië en bespreekt onder meer enkele concepten en opvattingen uit het hindoeïsme, boeddhisme en jaïnisme, waaronder enkele stukken uit de ‘hindoeïstische bijbel’, de Bhagavad Gita. Helaas kan de Bhagavad Gita op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden en aldus van dienst zijn voor zowel pro- als anti-oorlogspropaganda. Zo putten zowel Gandhi als de man die hem vermoordde, Nathuram Godse, uit dezelfde Bhagavad Gita-verzen om hun ideeën en daden te motiveren. In dat opzicht verschilt dit religieuze werk niet van de ons bekendere werken uit de abrahamitische religies. Ook de tradities van het oude China worden toegelicht. Om de agressie van de boeddhisten jegens de Rohingya-vluchtelingen in Myanmar te kunnen duiden, legt Ann Heirman uit hoe het boeddhisme doorheen de eeuwen verweven werd met militant nationalisme, dat onder andere voortspruit uit de 969-beweging die kost wat kost religieuze minderheden uit het overwegend boeddhistische Myanmar wil houden.

Koran in de islam aangewend kunnen worden om vanuit religieus standpunt ongelovigen te woord en voornamelijk te wapen te bestrijden. Het immanente godsdenken is in

Danny Praet neemt vervolgens zelf de antieke oudheid en middeleeuwse filosofie voor zijn rekening. Een consequent streven naar vrede wordt in het prerenaissancistische denken nog niet geopperd. De Griekse natuurfilosofen, startende bij Anaximander van Milete, menen immers dat strijd en conflict vervat zitten in de hele natuur en dat louter streven naar vrede toch ooit zal omslaan in twist. Praet toont verder hoe zowel het Oude als het Nieuwe Testament in de christelijke traditie en verschillende boeken in de

44  >  januari 2018

DEGEUS


BOEKENREVUE

die tijden nog zodanig zwart-wit dat vrede enkel voor de gelijkgestemde devote medegelovige wenselijk is. Met Machiavelli belandt de lezer in de Renaissance. Hij poneert het idee dat leiders zich moeten focussen op het welvaren van hun volk en de massa beter niks opdringen om opstanden en daaruit voortvloeiende oorlogen te vermijden. Voor Machiavelli is oorlog het allerlaatste red- en verdedigingsmiddel voor een gemeenschap. Een goede leider moet zijn driften onder controle kunnen houden en zich louter voorbereiden op mogelijke conflicten, zonder deze zelf uit te lokken. Het algemene goed is van groter belang dan de zelfzuchtige belangen van de heerser. Sonja Lavaert bespreekt hoe Machiavelli’s imago een serieuze deuk kreeg door de lastercampagne van christelijke commentatoren die niet opgezet waren met Machiavelli’s kritiek op het christendom. Volgens Machiavelli verslapt het christendom de focus van de leider op het hier en nu, en is een christenmens vaker bezorgd over zijn hemelse lot dan over het verbeteren van zijn levensomstandigheden tijdens zijn verblijf op aarde. Ook Michel de Montaigne komt aan bod. Conflict muss sein, dus stelt Montaigne voor om vertroosting te vinden in het volgen van de rede. Hierbij vond hij inspiratie bij verschillende Griekse en Romeinse denkers, die op de ratio steunden om zich te ontdoen van elk mogelijke bewogenheid.

Deze essaybundel loopt over van klare voorbeelden van scheve, onethische redeneringen die te pas en te onpas door de heersende klasse ingeroepen werden én worden om oorlog te voeren Maar wil de mens wel vrede? Dat oorlogvoering vaak diep vervlochten is met lust naar macht staat buiten kijf. Kant, in tegenstelling tot Hobbes, koppelt de democratische verdeling van macht aan een collectief streven naar duurzame vrede. Machtswellustige wereldse en religieuze heersers hebben er immers alle belang bij om hun imperium staande te houden. Volgens Kant moet de bevolking geduld aan de dag brengen, stap voor stap komt het allemaal goed. Hij erkent wel dat het tempo waarin politieke hervormingen doorgevoerd worden niet synchroon loopt met het tempo waarin de rationele, objectieve waarheid wordt nagestreefd. Deze essaybundel loopt over van klare voorbeelden van scheve, onethische redeneringen die naar eigen goeddunken te pas en te onpas door de heersende klasse ingeroepen werden én worden om oorlog te voeren. Wordt macht democratisch verdeeld, dan verkleint het risico op machtsmisbruik. De republiek is derhalve voor Kant de ideale bestuursvorm. Volgens Marx en Engels wegen de economische belangen van de bourgeois elite te zwaar door om echt vrede te verlangen. Indien de verschillen tussen arm en rijk zowel nationaal als internationaal te groot zijn en de ene klasse

DEGEUS

de andere blijft uitbuiten, is er immers steeds een spanningsveld waaruit (burger)oorlog zou kunnen ontstaan. De enige reden waarom een arbeider zich met oorlog zou moeten inlaten, is om paraat te staan voor de sociale revolutie tegen de oorlogszuchtige elite, volgend op deze oorlog. De militaire training die de arbeider dan genoten heeft, kan per slot van rekening nuttig ingezet worden om de elite de macht te ontnemen. Nietzsche verwerpt dan weer de gedachte dat verschillende culturen traag maar gestaag toegroeien naar een duurzame vorm van samenleven. Hij koppelt geen moraliteit aan oorlogsvoering, aangezien zowel oorlog als vrede hun voor- en nadelen hebben en intrinsiek in de mens aanwezig zijn. Nietzsche doelt hiermee ook op de innerlijke strijd in de mens en op zijn strijd naar kennis en onderscheidingsdrang.

Het boek weerlegt bepaalde diepgewortelde ideeën en geeft een brede inkijk in culturele en religieuze tradities van over de hele wereld en uit alle tijden Maar hoe gaan we om met de mentale en fysieke littekens van geleden conflicten? Ons collectieve geheugen bestaat immers uit alle individuele herinneringen tezamen. Deze dualiteit maakt de traumaverwerking des te complexer. De drie laatste essays verkennen verschillende manieren en redenen om (al dan niet) aan herdenking te doen en onderzoeken hoe trauma individueel en collectief door de verschillende partijen in het conflict wordt ervaren. Philosophy of War and Peace stippelt zonder twijfel een boeiende ontdekkingstocht uit langsheen meer dan drie millennia vol uiteenlopende opvattingen. Door verschillende verkeerde, doch wijdverspreide interpretaties van bepaalde beroemde teksten aan te kaarten en te betwisten, dagen Praet en zijn co-auteurs de lezer uit om ook over zijn of haar eigen opvattingen te reflecteren. Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, zou Churchill zeggen. Geschiedenismanipulatie is immers een krachtige tool van massadeceptie en leidt vaak tot nieuwe conflicten. Het boek weerlegt bepaalde diepgewortelde ideeën en geeft een brede inkijk in culturele en religieuze tradities van over de hele wereld en uit alle tijden. Ten slotte wordt onze huidige, overwegend westerse kijk op het kernthema gecontextualiseerd. Met al deze kennis op zak, zou wereldvrede geen utopie meer mogen zijn. Of toch? Veerle De Leenheer Danny Praet (ed.), Philosophy of war and peace. VUBPress, 2017, 220 p., ISBN 9789057185854.

WE NEED TO TALK ABOUT… WAR AND PEACE Donderdag 1 maart 2018, 20:00 Gespreksavond n.a.v. Belmundo met o.a. Danny Praet, Dietlinde Wouters en Ann Heirman. Ingang: € 3 leden / € 5 niet-leden | Geuzenhuis, Kantienberg 9, 9000 Gent


BOEKENREVUE

Valkuilen van ons denken JOHAN BRAECKMAN Valkuilen van ons denken, een hoorcollege over de kracht van kritisch denken, is het vijfde hoorcollege van Johan Braeckman. Braeckman doet onderzoek naar evolutietheorie (Darwin), pseudowetenschap, bio-ethiek, wetenschap en religie, en kritisch denken. Het is zijn tweede hoorcollege over kritisch denken, ditmaal een editie voor gevorderden. Valkuilen van ons denken bestaat uit drie colleges van ongeveer een uur en is ingedeeld in twaalf hoofdstukken. Het eerste college draagt als titel Kleine filosofie van de oplichtersfilosofie. Het eerste hoofdstuk handelt over ‘helder denken over slordig denken’. We zijn allemaal zeer kwetsbaar voor irrationele opvattingen, waardoor we maar al te vaak terecht komen in wat Braeckman valkuilen of mentale denkputten noemt.

We zijn allemaal zeer kwetsbaar voor irrationele opvattingen We geloven in wonderen, mirakels, paranormale verschijnselen of de werking van homeopathie, terwijl wetenschappelijk onderzoek duidelijk aangeeft dat veel van deze opvattingen onhoudbaar zijn. Hoewel er geen bewijs voor is, houden we hardnekkig vast aan deze irrationele denkbeelden. Er is in de laatste decennia veel cognitief wetenschappelijk onderzoek verricht naar de oorzaak van die hardnekkigheid. Ook intelligente mensen ontkomen er niet aan, ze zijn dus niet minder irrationeel. Hoe intelligenter mensen zijn, hoe inventiever ze ook zijn om hun irrationele opvattingen te onderbouwen met argumenten.

46  >  januari 2018

ENKELE VUISTREGELS Hoewel deze valkuilen als het ware evolutionair zijn ingebakken in ons brein, kunnen we onszelf wel weerbaar maken voor irrationele opvattingen en bestaan er een aantal vuistregels die ons kunnen helpen om onze eigen irrationele denkwijzen te ontmaskeren. In hoofdstuk twee gaat de auteur dieper in op deze vuistregels. Socrates parafraserend, stelt Braeckman dat het belangrijk is om over onze eigen opvattingen, gedachten en meningen te reflecteren. Eén van de vuistregels die ons daarbij helpen is dat ‘buitengewone beweringen buitengewone bewijzen vragen’. Een tweede vuistregel is bekend geworden als het ‘Scheermes van Ockham’: je moet verklaringen niet ingewikkelder maken dan nodig is. Als derde vuistregel geeft Braeckman ons ook nog mee dat betrouwbare kennis coherent en samenhangend moet zijn. Hij vergelijkt dat met een kruiswoordraadsel, de ingevulde woorden hangen samen en worden op een coherente manier samengevlochten. In dit hoofdstuk wordt er ook op gewezen dat de bewijslast voor de waarheidswaarde van een opvatting of mening ligt bij diegene die de opvatting poneert.

Het monster van Loch Ness, ‘buitengewone beweringen vragen buitengewone bewijzen’.

In het hoorcollege worden al deze vuistregels gelardeerd met verhelderende en boeiende voorbeelden. In hoofdstuk drie en vier worden deze vuistregels diepgaander geïllustreerd aan de hand van de werkwijzen van zwendelaars en oplichters. Als we te horen krijgen hoe de Belg Piet Van Haut of de Amerikanen Ferdinand Waldo Demara en Bernard Madoff te werk gaan, wordt er veel duidelijk.

Buitengewone beweringen vragen buitengewone bewijzen We denken allemaal dat die zwendelaars misschien wel andere mensen zullen oplichten, maar dat het onszelf niet zal overkomen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat dit helaas niet het geval is.

DEGEUS


BOEKENREVUE

maken met een uiterst buitengewone bewering. Interessant is dan ook de vraag: hoe komt het dat mensen dit niet willen of misschien zelfs niet ‘kunnen’ inzien?

De bewijslast voor de waarheidswaarde van een opvatting of mening ligt bij diegene die de opvatting poneert In hoofdstuk zes, zeven en acht gaat Johan Braeckman op zoek naar antwoorden op deze vragen, waarbij hij de relatief nieuwe discipline van de cognitieve wetenschap van religie aanboort. De invloed van religie wordt in de geseculariseerde wereld nog te vaak onderschat. Ze regelt nog steeds het dagelijks leven van veel mensen en heeft een sterke invloed op moraal, recht en politiek. Vanuit democratisch oogpunt is die invloed vaak negatief.

EVOLUTIONAIR NUT VAN RELIGIE In het tweede college, Kritisch denken over religie, wordt de focus gelegd op religie. Hoe komt het dat mensen de bijzonder buitengewone bewering erop nahouden dat er een of meerdere goden bestaan? Dat is een van de vragen uit hoofdstuk vijf. De god, of de goden, bezitten vaak volmaakte eigenschappen. Ze kunnen, hoewel ze vaak onstoffelijk zijn, toch verschillende gedaantes aannemen en tegen de natuurwetten ingaan. Wie zoiets beweert, zou dan ook sterke bewijzen moeten kunnen voorleggen. Daar komt dan ook nog de vreemde constatering bij dat gelovigen enkel in de waarheid geloven van hun god of goden en dat al de andere geloofsovertuigingen vals zijn. Het gaat hierbij om honderden andere geloofsovertuigingen die klaarblijkelijk allemaal onwaar zijn. Ook hier hebben we te

DEGEUS

Eén van de redenen waarom religieuze opvattingen zo sterk aanwezig blijven en zo hardnekkig blijken te zijn, heeft te maken met de groepspsychologische dynamiek van religies. Kinderen krijgen de religie van hun ouders mee en geven die meestal door aan hun kinderen. Evolutionair gezien kunnen aan religie een aantal voordelen worden gekoppeld die een groep een grotere kans op overleven opleverden. Ook irrationele opvattingen kunnen bijdragen aan een sterk groepsgevoel en in de tijden van jagers en verzamelaars kon je maar best de opvattingen van de groep beamen om niet het gevaar te lopen om als free-rider te worden uitgesloten. Rituelen, het beamen van opvattingen, kledings- en voedingsvoorschriften hadden (en hebben) dus een duidelijke functie. Het zijn labels die duidelijk maken tot welke groep je behoort en het zijn bovendien kenmerken die hard-to-fake zijn. De bedriegers moeten er immers uit, want zij zijn een gevaar voor de cohesie van de groep. De cognitief wetenschappelijke verklaring van het fenomeen religie

maakt veel duidelijk en is tegelijk heel eenvoudig te begrijpen. Mensen zijn uitgerust met evolutionair ontwikkelde, interne modules of psychologische mechanismen die ons helpen om op een adaptieve manier problemen op te lossen. De basisstelling is dat religie zich ent op die psychologische mechanismen, die eigenlijk op zich niets met religie te maken hebben. Als voorbeeld verwijst Braeckman naar ons evenwichtsorgaan. Dat is ook niet ontwikkeld om te skateboarden of fietsen, maar we kunnen het er wel voor gebruiken. Op analoge manier, redeneert men nu in de cognitieve wetenschap van religie, gebruiken religieuze opvattingen bepaalde van onze cognitieve vermogens (interne modules) om zich in stand te houden, zich te laten verweven met, of in te bedden in, culturele structuren. Daarbovenop komen de groepspsychologische mechanismen. Dat betekent dat religie op het eerste niveau geen evolutionair nut zou hebben, maar dat op een tweede niveau wel kan krijgen. Het is geen evolutionaire adaptatie om in bovennatuurlijke wezens te geloven, maar eens het geloof in een groep is ingeburgerd, kan het een hard-to-fake-signal worden dat de groepscohesie in stand houdt.

De invloed van religie wordt in de geseculariseerde wereld nog te vaak onderschat Een ander voorbeeld van een psychologisch mechanisme waarop religie zich ent en zich van daaruit verder vertakt, is het vermogen om snel en efficiënt gezichten te kunnen herkennen. Dit is een evolutionair ontwikkelde module die reeds bij baby’s aanwezig is. Dat vermogen, of die module, is vaak te scherp of te sterk afgesteld. We kunnen gezichten zien in de wolken, in boomschors, enzovoorts. Dat heeft een reden, het levert ons immers een evolutionair voordeel op. Het punt van de cognitieve wetenschap van religie is nu dat er een heel complex van antropomorfe aspecten aan vasthangen. Het kom erop neer

januari 2018  >  47


BOEKENREVUE

dat we een aantal mentale modules hebben die ons toelaten om niet enkel gezichten te herkennen maar ook om de psychologie te postuleren die aan gezichten verbonden is (intenties, emoties, morele opvattingen, …). Aangezien die mentale modules hyperactief zijn, gaan we onvermijdelijk ook subjecten (met intenties, emoties, …) veronderstellen achter fenomenen en gebeurtenissen die in realiteit helemaal niet psychologisch beladen zijn. Bijvoorbeeld: toen men nog niet wist wat kometen waren, werden ze geïnterpreteerd als boodschappen (vaak met slecht nieuws); als een komeet een boodschap bracht dan moest er iemand zijn die de boodschap uitstuurde. Op die manier worden er supersubjecten gepostuleerd. Zo dacht men vroeger ook over epidemieën, aardbevingen of tsunami’s.

Eén van de redenen waarom religieuze opvattingen zo hardnekkig blijken te zijn, heeft te maken met de groepspsychologische dynamiek van religies Ook de hedendaagse complottheorieën zou je hieraan kunnen koppelen. De gebeurtenissen die zich volgens complotdenkers voordoen zijn niet toevallig: er zitten intenties, bedoelingen en plannen achter. Op zeer analoge wijze leren religieuze opvattingen ons dat er aan het heelal geen willekeur, geen toeval ten grondslag ligt, maar orde, zin en betekenis.

MENTALE DENKPUTTEN College drie, Wie een put graaft voor zichzelf, geraakt er moeilijk uit, focust op rationeel denken, de hardnekkigheid van drogredenen en op religie, radicalisering en geweld. Rationeel, helder en kritisch denken moeten we aanleren. Hierbij streven we best naar consistentie, eenheid en coherentie. Maar de cognitieve illusies, de mentale denkputten waarin we vallen, hebben te maken met de aard van ons brein zelf. Intelligentie helpt ons

48  >  januari 2018

niet noodzakelijk, want die kan er zelfs voor zorgen dat we steeds dieper graven in onze mentale denkput. We hebben wel gelukkig een aantal tips & tricks die ons kunnen helpen om beter te denken en ons te behoeden voor valkuilen, waaronder het bevestigingsvooroordeel, ad-hominemargumenten, valse verbanden en attributiefouten.

Kritisch denken moeten we leren Meerdere aspecten die in het college aan bod komen, helpen ons te begrijpen hoe religie tot geweld kan leiden, het onderwerp van hoofdstuk elf. Haatpredikers die jonge moslims radicaliseren zijn een bijzonder soort oplichters, er komen heel wat kenmerken terug die in hoofdstuk drie en vier aan bod kwamen. Wie radicaliseert en overgaat tot het plegen van geweld, verkrijgt een identiteit en missie waarmee hij of zij een loyaliteit toont ten aanzien van de groep. Dit valt weer te begrijpen vanuit de groepspsychologische mechanismen waardoor de leden van de groep zeer vredevol zijn ten aanzien van de eigen groep, maar naar buiten toe zorgen voor uitsluiting, geweld en dehumanisering.

we wel degelijk vooruitgang hebben geboekt op vlak van mensenrechten, humaniteit en democratisch denken. Ook op vlak van rationeel en kritisch denken boeken we vooruitgang. Het is dan ook belangrijk om hierin blijvend te investeren, want kritisch denken moeten we leren. Dit college kan dan ook gezien worden als een belangrijke bijdrage om ons beter, rationeler te laten denken. Het wijst ons de weg uit de mentale valkuilen. Uiteindelijk kunnen we dit college karakteriseren als onderdeel van de nooit ophoudende missie van het Verlichtingsdenken, als onderdeel van het grote emancipatorisch project dat dit Verlichtingsdenken bij aanvang was, en vandaag de dag ook blijft. Weet je wat er zo mooi aan is? Het is een hoorcollege. Gewoon ergens onderweg een beter mens worden, in de wagen of tijdens het joggen. Wie wil dat nu niet? Kurt Beckers

EEN BETER MENS In het laatste hoofdstuk werpt ­Braeckman nog een licht op de toekomst van het rationele denken. Als we de kranten openslaan of rondsurfen op het internet zouden we tot de conclusie kunnen komen dat er op dat vlak niet veel vooruitgang geboekt werd. Pseudowetenschappen blijven populair, religies bezetten vaak de actuele debatten en complottheorieën groeien als paddenstoelen uit de grond. We blijven kwetsbaar voor irrationele opvattingen (ingebakken in ons brein) en groepsprocessen hebben een sterke invloed op ons doen en laten. Maar dit alles betekent voor Johan Braeckman niet dat we pessimistisch moeten zijn. Studies tonen aan dat

Johan Braeckman, Valkuilen van ons denken. Een hoorcollege over de kracht van kritisch denken. Home Academy: 2017. Luisterduur: 3 uur en 33 minuten. ISBN: 9789085301691. Direct te downloaden of te beluisteren in de Home Academy Club.

DEGEUS


BOEKENREVUE

Vrijzinnig humanisme in tijden van globale opwarming ALBERT COMHAIRE Albert Comhaire, burgerlijk ingenieur van opleiding en voor lange tijd compagnon de route van de redactie van dit vrijzinnig tijdschrift heeft een moedig en vurig betoog geschreven over de hedendaagse milieuproblematiek. In het boek Vrijzinnig humanisme in tijden van globale opwarming laat hij zijn ingenieurskunde los op de grootste dreiging waar wij als menselijke soort voor staan. Maar Albert zou Albert niet zijn – we kennen zijn scherpe pen – wanneer hij zijn wetenschappelijke analyse niet zou gekoppeld hebben aan de even scherpe analyse van de verantwoordelijkheid die de godsdiensten in dit verhaal dragen. In het eerste hoofdstuk analyseert hij het probleem op een wetenschappelijke manier waarbij hij een niet te ontkennen relatie constateert tussen de toename van de wereldbevolking en de toename aan CO2 in de atmosfeer. Er wordt deftig gerekend en Comhaire komt tot het objectieve feit dat zelfs de samenhang tussen de tweeledige groei van bevolking en CO2 perfect te voorspellen is. 1% toename van de wereldbevolking veroorzaakt een jaarlijkse CO2 toename met 1,25%. Onmiddellijk aan het begin van zijn boek laat hij de waarschuwing van wijlen Christian de Duve, de Belgische Nobelprijswinnaar Geneeskunde, op ons los: ‘Geboortebeperking is onze enige hoop op redding. Het ziet er anders slecht uit als we er niks aan doen.’ Als een mantra wordt deze waarschuwing doorheen de volgende hoofdstukken gevlochten. Een wereldwijde demografische politiek gericht op stabilisatie en liefst daling mag dan wel het punt zijn waar Comhaire onze grootste aandacht op wil vestigen, ook blijft voor hem de ontwikkeling, invoering en gebruik van duurzame technologieën wereldwijd een onontkoombare maatregel om het probleem aan te pakken. Intussen berekent hij ook het absorptievermogen van de planeet en pleit op basis van die berekening voor een grootschalige herbebossing. Wanneer Comhaire zich afvraagt waar de oorzaken van deze bevolkingsgroei annex CO2-uitstoot liggen, dan komt hij tot de conclusie dat de usual suspects waar vaak naar verwezen wordt zoals diverse overheden, het kapitalisme, vreemde mogendheden, enzovoorts, onvoldoende zijn om de zaak ten gronde te begrijpen. Want op deze usual sus-

DEGEUS

pects werken twee oppermachtige conglomeraten in, namelijk de wahabistische-salafistische stroming binnen de islam en het katholicisme binnen het christendom. Deze twee machtige blokken verzetten zich tegen een aangepast, wereldwijd bevolkingsbeleid. Ze bestrijden zowel in de V.N. als in diverse nationale en internationale organisaties alle initiatieven die gericht zijn op een mondiale demografische politiek. Ten aanzien van het salafistische machtsblok krijgen we een heldere analyse gepresenteerd van het ontstaan en verspreiding van deze ideologie die erop gericht is de gehele westerse cultuur te vernietigen door onder andere in te zetten op een demografisch overwicht. Hoewel zijn uitgebreide kritische analyse van het salafisme de vorm krijgt van een bijtend zuur dat zich overal doorheen vreet, is Comhaire genuanceerd genoeg door te stellen dat geboortebeperking binnen de islamitische cultuursfeer geen onmogelijkheid is. Het sjiitische Iran is er immers in geslaagd om in minder dan tien jaar tijd het geboortecijfer te halveren.

1% toename van de wereldbevolking veroorzaakt een jaarlijkse CO2 toename met 1,25% Als vrijzinnig humanisten hebben we, volgens de auteur, de plicht om ons kritisch te verzetten tegen zowel het katholieke als salafistische machtsblok, niet enkel omwille van de verdediging van de Verlichtingswaarden en de

januari 2018  >  49


BOEKENREVUE

daaruit vloeiende mensenrechten maar omdat vrijzinnig humanisten, vrij van dogma’s en zich beroepend op vrij (wetenschappelijk) onderzoek, een rationele demografische politiek kunnen en moeten verdedigen, met vuur. Anders ziet de toekomst er heel slecht uit …

Geboortebeperking is onze enige hoop op redding. Het ziet er anders slecht uit als we er niks aan doen De auteur heeft verder ook nog aandacht voor de opkomst van irrationalisme, etnocentrisme en eng nationalisme waardoor een opkomende beweging zijn vertrouwen legt in een sterke mannelijke leider die dan de redding zou brengen. Maar de echte redding kan enkel komen via inzicht, logisch denken, wetenschappelijk onderzoek en consequent rationeel handelen. Tussen de lijnen door kan je zelf lezen dat de internationale conflicten met zijn migratiestromen en bijgevolg ook de opkomst van de autoritaire droom wellicht een (indirect) gevolg zijn van globale opwarming. Wanneer we het boek van Albert Comhaire goed lezen, zouden we er zelfs de conclusie uit kunnen trekken dat globale opwarming zorgt voor instabiele, onzekere tijden waardoor mensen vaak geneigd zijn om zich terug te trekken in irrationele gedachtestromen waar de religies er één van vormen.

ADDENDUM ALS PLICHT In het boek van Comhaire vinden we ook nog een addendum dat de macht van de kerk analyseert en waarbij hij een duidelijk boodschap heeft voor de vrijzinnigen. Hoewel het kerkbezoek daalde, verminderde de macht van de katholieke kerk niet. De kerk is nog steeds vertegenwoordigd in talrijke internationale politieke organen en de paus heeft de rang van staatshoofd. Bij ons wordt nog steeds 75% van de jongeren geschoold en gevormd in het katholieke onderwijs. Comhaire karakteriseert het katholieke denken als ambivalent, inconsistent, als een selectief vergeten en interpreteren. Op die manier wil hij komen tot een kritische analyse van het begrip ‘actief pluralisme’ waarin hij dezelfde ambivalentie en inconsistentie ontwaart. De bron waarin dit ‘actief pluralisme’ wordt gepromoot vindt de auteur bij de KULeuven en het Centrum Pieter Gillis (reflectiecentrum voor actief pluralisme van de UA, nvdr). Enkelen van dit gezelschap zouden zich uitgeven voor vrijzinnigen en voeren in vrijzinnige kringen propaganda en winnen aan invloed. De tekst waarin het begrip ‘actief pluralisme’ wordt verdedigd, getuigt volgens Comhaire dan ook van een grote ambivalentie. Waar er enerzijds verwezen wordt naar de waarden van Verlichting, zien we in die tekst ook staan dat de tolerantie, die uitmondt in de idee van een strikte neutraliteit van de overheid, passief pluralisme wordt genoemd. Dit begrip van passief pluralisme wordt in verband gebracht met de tegenpartij, een overheid die een levensbeschouwelijk neutraal

50  >  januari 2018

beleid tracht uit te voeren. Voor Comhaire is het duidelijk dat de verdedigers van het actief pluralisme de scheiding tussen Kerk en Staat willen verzwakken. Onder leiding van één van de promotoren ervan, professor Loobuyck, willen ze de lessen niet-confessionele zedenleer in het officieel onderwijs afschaffen en vervangen door het éénheidsvak LEF (Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie). Het vak zou dan mogen gegeven worden zowel door godsdienstleraren als door leraren moraal, mits een opfrissingscursus. Comhaire stelt dan ook de pertinente vraag waar die opleiding dan wel zal doorgaan. Aan de KUL? Aan het Centrum Pieter Gillis? Vrijzinnigen zouden onraad moeten ruiken en nogal wat vrijzinnigen laten zich vangen, aldus de auteur. Actief pluralisten zeggen onder andere les te willen geven over godsdiensten maar weigeren in te zien dat dit al meer dan zestig jaar op het programma staat van het vak n.c. zedenleer. Comhaire concludeert: ‘Als de actief pluralisten willen bijdragen tot de realisatie van een pluralistische samenleving, zouden zij zich in de eerste plaats moeten inzetten voor het onderwijs van niet-confessionele zedenleer in de katholieke scholen, uiteraard onderwezen door vrijzinnigen, zoals de lessen godsdienst in alle netten gegeven wordt door gelovigen’. De reden waarom Albert Comhaire dit addendum wou opnemen, is dat hij het als een plicht zag om zijn vrijzinnige vrienden hiervoor te waarschuwen.

De wahabistische-salafistische stroming binnen de islam en het katholicisme binnen het christendom verzetten zich tegen een aangepast, wereldwijd bevolkingsbeleid Albert Comhaire laat zeer verhelderend zien dat de problemen van de globale opwarming samenhangen met veel strijdpunten waar vrijzinnigen zich achter (zouden moeten) scharen. We hebben volgens zijn argumenten niet alleen de plicht om de Verlichtingswaarden en de mensenrechten te verdedigen, we moeten ook duurzame technologieën en herbebossing verdedigen en stimuleren in de debatten en gesprekken die we voeren. Maar al deze maatregelen missen hun nut wanneer we de invloed van de sterke remmende factor van godsdiensten op de bevolkingsaangroei ontkennen of negeren. Het betoog van ­A lbert Comhaire is naast een wake-up call ook een krachtige oproep om de vrijzinnig-humanistische kritiek op irrationeel denken in te zetten voor de grootste uitdaging waar wij als mensheid voor staan. Kurt Beckers

Albert Comhaire, Vrijzinnig humanisme in tijden van globale opwarming Uitgeverij: VUBPress, 2017, 94 p., ISBN 9789057186271, € 15.

DEGEUS


RETROGEUS

50 jaar De Geus Onze nieuwe rubriek Retrogeus blikt terug op De Geus van toen. Op deze pagina’s vindt u een selectie van artikels en cartoons uit de oude doos. Welkom in de seventies!


RETROGEUS

52  >  januari 2018

DEGEUS


RETROGEUS

DEGEUS

januari 2018  >  53


RETROGEUS

54  >  januari 2018

DEGEUS


POËSTILLE

Misdaad in Granada ANTONIO MACHADO DICHTTE EEN GRAF Zoals er een land is dat mij onwillekeurig aan gas doet denken, zo is er ook het land dat ik onwillekeurig met bloed associeer. Voor dat laatste zijn verantwoordelijk: de indianenjacht van de conquistadores in Amerika (aangrijpend beschreven door Willy Spillebeen in Cortès of de val, 1987), de Heilige Inquisitie en de Burgeroorlog (1936-1939) waarin de fascisten tegen de republikeinen vochten en de republikeinen onder elkaar. Een van de slachtoffers van de guerra civil is de nog steeds wereldberoemde dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca, een Andalusiër: geboren in Fuente Vacqueros, provincie Granada in 1898 en door de Guardia Civil in Alfacar, eveneens in de provincie Granada, geliquideerd in 1936, drie jaar nadat hij zijn tragedie Bodas de sangre (Bloedbruiloft) had voltooid. Reeds tijdens de eerste dictatuur (1923-1931) onder generaal Miguel Primo de Rivera – die in 1902 al een opstand in Catalonië had onderdrukt – schreef Lorca een bittere ‘Romance van de Spaanse Guardia Civil’, opgenomen in zijn Romancero gitano (1928). Deze verzen klinken bijna profetisch: ‘De Guardia Civil verdwijnt / door een tunnel van stilzwijgen / wijl de vlammen jou omcirkelen.’ Marc Braet, dichter en communist, die Lorca ‘als dichter onevenaarbaar’ achtte, heeft in zijn boek Ik leg mijn hand op Spanje (1967) de omstandigheden van Lorca’s dood, waarover veel werd gespeculeerd, indringend beschreven. De moord riep veel heftige reacties op. Ook poëtische. Van Stephen Spender, die zelf aan de zijde van de republikeinen vocht en ook werk van Lorca vertaalde, citeert Braet een uitspraak uit 1937 die het belang en de impact van de poëtische weerklank verwoordt: ‘In een wereld waar het me lijkt dat

DEGEUS

de poëzie was prijsgegeven of tot een geëxalteerd uitdrukkingsmiddel van enkele specialisten was geworden, is dit ontwaken, door de poëzie, in de zin van een positief beschouwen van de dag van morgen, even merkwaardig als de strijd zelf voor de vrijheid.’

IN GRANADA GEBEURDE DEZE MISDAAD 1 De misdaad Men zag hem gaan, tussen geweren schrijdend doorheen een lange straat, uitkomen op de koude velden waar nog de sterren van de dageraad blonken. Ze hebben Federico gedood wanneer de klaarte daagde. Het peloton van zijn beulen durfde hem in ’t gelaat niet zien. Allen sloten de ogen en baden: ‘geen God zal U redden!’ Dood, is hij gevallen, Federico – bloed op zijn voorhoofd en lood in zijn ingewanden – …, Ja, in Granada gebeurde deze misdaad hoort u het – arm Granada !, – in zijn Granada … 3 Men zag hem schrijden … Bouw, vrienden, van steen en dromen, in het Alhambra een graf voor de dichter bij een fontein van altijd wenend water, dat eeuwig murmelt: de misdaad gebeurde in Granada, in zijn Granada!

In zijn wellicht belangrijkste bundel Campos de Castilla (Velden van Castilië), verschenen in 1912, beschrijft Machado liefdevol de dorre hoogvlakte van Midden-Spanje die hij tegelijk ziet als een metafoor voor het oude Spanje ‘dat bidt en geeuwt’. De belangrijkste, of althans de bekendste Spaanse antifascistische dichters mogen dan Andalusiërs zijn, de geschiedenis wil dat van alle Spanjaarden de Catalanen van oudsher het meest democratisch zijn ingesteld en zich het heftigst tegen Franco’s regime hebben verzet. Na de dood van de caudillo werd zijn ‘testament’ keurig uitgevoerd: de monarchie, formeel nooit opgeheven, werd de facto hersteld. Er kon weer getroond worden. Meer dan een kaakslag voor de velen die vochten voor de republiek. Twaalf oktober, de dag dat Cristóbal Colón per ongeluk Amerika ontdekte, is de Spaanse Nationale feestdag – die ook dit jaar vol heimwee naar het wereldrijk werd gevierd. De koning en de geit (de mascotte van het leger …) verschenen in groot ornaat en werden door vele duizenden toegejuicht, samen met de politie die zich recentelijk in Barcelona had kunnen uitleven. Zou het kunnen dat er in Catalonië niet alleen gestreefd wordt naar onafhankelijkheid, maar ook naar een democratische republiek? Benieuwd welke burgeroorlog dat zal teweeg brengen. En wat voor poëzie.

Het gedicht In Granada gebeurde deze misdaad, waarvan de eerste en derde strofe hier worden geciteerd, is van Antonio Machado. Machado, ook een Andalusiër, geboren in Sevilla 1875, stierf, verdreven door de falangisten, in het Franse Collioure in 1939, kort voor het einde van de Burgeroorlog.

Renaat Ramon

januari 2018  >  55


ABECEDARIUM

De B van BB De ietwat oudere lezer van dit abecedarium herkent meteen de afkorting BB. Die kan alleen maar staan voor de iconische actrice Brigitte Bardot die diepe indruk heeft gemaakt op alle mannetjesdieren in al haar naaktheid om in haar latere leven zelf alle dieren te beminnen, met inbegrip van alle mannetjesputters van het FN en Marine Le Pen. Het is een meer dan intrigerende vraag waarom wij dergelijke afkortingen hanteren. Het meest voor de hand liggende argument lijkt tijdsefficiëntie te zijn: het vraagt minder ruimte en tijd. Maar ‘Brigitte Bardot’ valt toch niet te vergelijken met ‘Société Anonyme pour la Revente d’Articles de Masse’, beter bekend aan die nog steeds ietwat oudere lezer als SARMA. Is het omdat ‘BB’, uitgesproken als ‘bébé’, meer doet denken aan het kooswoordje ‘baby’? Dat geldt dan weer niet voor JFK en DSK. Het klankbeeld ‘djé-ef-ké’ roept niet meteen associaties op en ‘dé-es-ka’ doet meer aan een automerk denken dan aan een politicus die manipuleren veel te letterlijk heeft begrepen (of is ‘gegrepen’ een betere woordkeuze?). Evenwel is er een ander aspect dat meespeelt. Een afkorting is heel vaak niet éénduidig: staat WC voor een toilet of voor een bekende Waal (Wallon(ne) Connu(e))? Maar wat een tekort lijkt, is tegelijkertijd ook een sublieme manier om kritisch te wezen. Men kan namelijk aan de afkorting een andere lezing geven. Alle lezers, ietwat ouder en jong, zullen nu wel spontaan met talloze voorbeelden voor de dag komen. BMW: ‘Brol Met Wielen’ of ‘Bak Met Wielen’, SABENA: ‘Such A Bad Experience Never Again!’, IKEA: ‘Idioten Kopen Echt Alles’, DDT (‘De Donald Trump’). (Ja, onze excuses, dat laatste voorbeeld is er spontaan komen uitrollen.) Deze laatste gedachte opent een bijzonder interessante denkpiste. Door het gebrek aan éénduidige interpretatie dient men goed geïnformeerd te zijn, met andere woorden, men moet tot de ‘juiste’ club behoren om te weten wat de afkortingen betekenen. Gaan we even in de tijd terug en las men in de krant het volgende bericht: ‘D.bl.z.g.m. z.s.k.m. aantr.j.sl.vr.>1,75.ongeb. v. ser.rel. Br.m.foto.a.red’ dan keek iedereen verrast op indien iemand spontaan dit bericht kon ontcijferen. De anderen twijfelden al bij ‘d.bl.z.g.m.’ of het nu ging om een ‘dronken blozende zonder geld man’ dan wel een ‘donker blonde zeer goed (uitziende) man’ en of ‘sl’ nu staat voor slim, sluw, slank, slaafs, sletterig of slaperig. Wie dit soort berichten kon ‘lezen’ moest iemand zijn, dat kon niet anders, die zelf zulke advertenties plaatste. En daarmee wist men iets over de sociale groep waartoe deze homo of mulier sapiens behoorde. Is het dan ook niet ongemeen geestig dat de technologie wel aan een razendsnel tempo mag veranderen maar dat het menselijk gedrag vrij stabiel (en grappig) blijft? Wij verwijzen hier uiteraard naar de sms-taal met uitdrukkingen zoals BOT (‘Back On Topic’), F4E (‘Friends

56  >  januari 2018

For Ever’), LOL (‘Laughing Out Loud’), OMG (‘Oh, My God!’), YAM (‘You And Me’), YOLO (‘You Only Live Once’, een verrassend vrijzinnig- humanistisch element dat hier opduikt!) en WTF (‘What The Fuck’). Hiermee is nog niets gezegd over het gebruik van de emoticons die ondertussen een taal op zich zijn geworden, het zogenaamde Emoji. De naam van de auteur van deze column zou er als volgt uitzien (hoewel we grote twijfels koesteren over de correctheid):

Het vermelden van de afkorting WTF roept een aansluitende context op waarin het gebruik van afkortingen een belangrijke rol speelt, zij het wel met een duidelijk ander motief. Hier wenst men gebruik te maken van de dubbelzinnigheid en meerlagigheid om te vermijden dat de lezer zou kunnen weten wat er bedoeld wordt. Het punt is dus niet zozeer dat men zich door het gebruik wil identificeren met een bepaalde groep – ‘Ik hoor erbij!’ – maar wel dat men niet wenst dat de ander zou weten dat men tot de groep behoort. Wij hebben het met name over de wereld van de pornografie. Vanuit puur wetenschappelijke interesse hebben wij menige website bezocht en zo hebben wij ons verbaasd over niet alleen het grote aantal gehanteerde afkortingen maar ook de aanwezige variëteit. Zo men zou denken dat het alleen over de ‘act’ zelf gaat – we denken dan aan termen zoals DP (‘Double Penetration’) en WOT (‘Woman On Top’) – dan vergist men zich schromelijk. Afkortingen kunnen betrekking hebben op de intenties van diegene die goesting heeft – we denken aan MILF (‘Moms I’d Love to Fuck’) – maar ook op een mentale toestand bij de in beeld gebrachte persoon zoals ENF (‘Embarrassed Nude Female’) of simpelweg een droge quasi biologische beschrijving, zo bijvoorbeeld BBC (‘Big Black Cock’) of BBWF (‘Big Busted White Female’). Wij hebben mogen vaststellen dat de S voor ‘Small’ totaal lijkt te ontbreken. Tot slot wensen wij ons te excuseren bij de lezer voor de geëtaleerde vunzigheid in de vorige paragraaf maar hé, WTF, YOLO en AVDW (‘Alles Voor De Wetenschap’)! Jean Paul Van Bendegem

DEGEUS


MAGAZINE VRIJZINNIGE ACTUALITEIT OOST-VLAANDEREN

De nieuwsbrief verschijnt tweemaandelijks. In deze nieuwskatern vindt u de activiteiten terug van januari en februari 2018. Vanaf nu verschijnt enkel nog de basisinfo van elk evenement in de gedrukte versie van De Geus. Alle bijkomende informatie is te vinden op www. geuzenhuis.be/agenda. De volgende nieuwsbrief verschijnt op 1 maart 2018. Evenementen kunnen aangemaakt worden op onze website tot uiterlijk 1 februari.

NIEUWSBRIEF

CAPRICCIO UPV GENT-EEKLO Sint-Bernadettestraat 242C/405

wo 25/1 13:30 ‘De oorlog van het einde van de wereld’ LEESCLUB ‘CONTRAPUNT’ UPV GENT-EEKLO Sint-Bernadettestraat 242C/405

do 25/1 14:00 Filmcyclus "Zingeving en kwetsbaarheid" GGG, HVDM, FENIKS Kantienberg 9 (Datum nog niet gekend bij ter perse gaan van dit nummer, zie website) We need to talk about ... Onderwijs GEUZENHUIS Kantienberg 9

DEINZE za 20/1 20:00 Dubbelspel/mijn slappe komedie Theatergroep Vooruit WF Deinze Markt 32

DENDERLEEUW do 25/1 Lezing over darmkanker Dr. Maridi Aerts HVV DENDERLEEUW Stationsstraat 7

wo 31/1 20:00 Algemene ledenvergadering HV GENT Kantienberg 9 di 6/2 13:30 Claudio Monteverdi onder de loep MUZIEKCLUB CAPRICCIO UPV GENT-EEKLO Sint-Bernadettestraat 242C/405

do 8/2 14:00 Algemene ledenvergadering GGG Kantienberg 9 za 10/2 20:00 Oogst van de wrok door NTGent WF MOERBEKE WAAS Schouwburgstraat 3 zo 18/2 15:00 Sequana Swing New Orleans

vr 26/1 14:00 Algemene ledenvergadering

Jazzband WF LOCHRISTI Beeldbroekstraat 2

HVV DENDERLEEUW Stationsstraat 7

DRONGEN vr 2/2 20:00 IS in het Avondland: marginaal of radicaal? Khalid Benhaddou VF DE BRUG Domien Ingelsstraat 15

EEKLO do 8/2 19:00 Hoe laat je de liefde eeuwig duren? THE SCHOOL OF LIFE HVDM EEKLO Boelare 131

di 20/2 13:30 Claudio Monteverdi, twee mijlpalen: Orfeo en Mariavespers MUZIEKCLUB CAPRICCIO UPV GENT-EEKLO Sint-Bernadettestraat 242C/405 di 20/2 19:30 Filosofisch gesprek: Welvaart vs Welzijn ZAHIR Kantienberg 9 di 20/2 20:00 Boekvoorstelling: Samenleven met gezond verstand Patrick Loobuyck HV GENT Kantienberg 9 do 22/2 14:00 Filmcyclus "Zingeving en kwetsbaarheid" GGG, HVDM, FENIKS Kantienberg 9

do 22/2 20:00 Brood en Rozen: een programma over armoede MONG EN DE ILLUSTRATIE & HVDM EEKLO Boelare 131

vr 23/2 20:00 Vernissage Gitte Le Bruyn KIG Kantienberg 9

zo 25/2 11:00 HvdM op de huwelijksbeurs in

za 24/2 - zo 4/3 Tentoonstelling Gitte Le Bruyn KIG Kantienberg 9

Eeklo HVDM EEKLO August van Ackerstraat 21

do 1/3 20:00 We need to talk about … War &

di 27/2 14:00 Film: Qu’est-ce qu’on a fait

Peace Danny Praet, Ann Heirman, Dietlinde Wouters (e.a.) GEUZENHUIS Kantienberg 9

au bon Dieu? HVDM EEKLO Boelare 131

GENT wo 10/1 14:00 Nieuwjaarsbijeenkomst Dimitri Shaw GGG Kantienberg 9

di 16/1 19:30 Filosofisch gesprek: moeten we aan zelfcensuur doen (om anderen niet te kwetsen)? ZAHIR Kantienberg 9

zo 21/1 11:00 Nieuwjaarsreceptie Kevin Amse

GERAADSBERGEN do 8/2 20:00 Hegel en de subjectieve vrijheid Eddy Borms UPV GERAARDSBERGEN Markt 47

HERZELE zo 25/2 12:00 Valentijnsdiner WF HERZELE Provincieweg 177

MOERBEKE

GEUZENHUIS, VF, WF, HVDM, DMM & FENIKS Kantienberg 9

ma 23/1 13:30 De laatste strijkkwartetten van Ludwig van Beethoven: Strijkkwartet nr. 12 MUZIEKCLUB

DEGEUS

zo 28/1 10:30 26ste aperitiefconcert WF MOERBEKE WAAS Hospicestraat 16

januari 2018  >  57


AGENDA

OUDENAARDE vr 5/1 19:00 Nieuwjaarsreceptie VC LIEDTS, SOSN, UPV, WF EN AUGUST VF OUDENAARDE, OUDSTUDENTENBOND VUB EN DEMENS.NU Parkstraat 2-4 vr 2/2 19:30 De demonen van Leonard Cohen Francis Mus VRIJZINNNIG CENTRUM LIEDTS, AUGUST VF OUDENAARDE I.S.M. HVDM Zottegem Parkstraat 2-4

INSTELLINGEN MORELE DIENSTVERLENING BESTUURDERS GEZOCHT

ma 12/2 20:00 Is er leven na de dood? Johan Braeckman UPV OUDENAARDE Parkstraat 2-4

RONSE vr 26/1 19:30 Nieuwjaarsreceptie Inleiding door Dhr. Joost Elet VRIJZINNIG RONSE, VF RONSE EN WF RONSE Zuidstraat 13

do 8/2 20:00 Lezing 'De robot: vriend of vijand' Pieter Simoens, docent universiteit Gent en An Jacobs, doctor in de sociologie en docent VUB VRIJZINNIG RONSE Grote markt

vr 23/2 20:00 Duets with Jim Stichting het Verlangen ANDREA VAN BEEK HVDM RONSE ISM UNIVERSITEIT GENT, VC DE BRANDERIJ, VF, WILLEMFONDS, HVV, KVG Zuidstraat 19

ZOTTEGEM do 11/1 15:00 Musical Egmont GG ZOTTEGEM Hospitaalstraat 18 - 20 ma 22/1 19:00 Algemene ledenvergadering + Nieuwjaarsreceptie GG ZOTTEGEM Gentsesteenweg 306 wo 31/1 16:30 Lichtfestival Gent GG ZOTTEGEM Bevegemsevijvers 1 zo 11/2 15:00 Musical Egmont GG ZOTTEGEM Hospitaalstraat 18 - 20 di 13/2 14:00 Cinema kreim freis: film "The Help" GG ZOTTEGEM ingang via Arthur Gevaertlaan di 20/2 19:30 Voordracht Waardig Levenseinde Prof. Dr. Wim Distelmans HVDM ZOTTEGEM, LOKAAL DIENSTENCENTRUM ZOTTEGEM & NETWERK LEVENSEINDE BEVEGEMSE Vijvers 1

do 22/2 19/30 Filosofiecafé Alex Klijn HVDM ZOTTEGEM, HVV ZZH, VORMINGPLUS Hoogstraat 42

VASTE ACTIVITEITEN VC LIEDTS - PARKSTRAAT 2-4, OUDENAARDE

MA 20:00 Workshop hatha yoga WILLEMSFONDS OUDENAARDE MA 14:00 & WOE 19:30 Bridgewedstrijd VC LIEDTS BRIDGE CLUB DI 19:30 Lessen ‘tai chi’ VC LIEDTS DI 20:00 Bijeenkomst SOS Nuchterheid VC DE BRANDERIJ - ZUIDSTRAAT 13, RONSE

1ste & 3de woe/mnd 19:30 > 21:00 Bijeenkomst van

De Instellingen Morele Dienstverlening (IMD) zijn onafhankelijke en democratisch verkozen bestuursraden (één IMD per provincie) die de financiële en materiële belangen van de morele dienstverlening behartigen. Zij zijn de erkende tussenpersoon tussen de vrijzinnighumanistische morele dienstverlening en de provincies zelf. Elk jaar stellen zij begrotingen op en zien erop toe dat alle subsidies en inkomsten correct worden vergaard en besteed. Elke 3 jaar vinden er nieuwe verkiezingen plaats. Wie zich geroepen voelt kan kandideren via de formulieren die u kunt downloaden via onze website: www.geuzenhuis.be/nieuws. In deze brochure vindt u ook alle nodige informatie terug. WIE KAN KANDIDEREN?

Elke vrijzinnig humanist, al dan niet georganiseerd, kan zijn kandidatuur voor bestuurder van een Instelling stellen, mits hij/zij

-- woont binnen het grondgebied van de Instelling of voorgedragen wordt door een lidvereniging van deMens.nu die er haar zetel op heeft -- minstens 18 jaar oud is op de dag van de verkiezing -- een uittreksel uit het strafregister kan voorleggen -- en instemt met het principe van vrij onderzoek Er wordt van de kandidaat een engagement gevraagd van drie jaar, waarbij hij/zij jaarlijks aan minstens 10 vergaderingen actief dient te participeren. Begiftigd met een totaalvisie op de vrijzinnig-humanistische dienstverlening wordt eveneens interesse en/of beslagenheid in het financiële en materiële beheersdomein verwacht. Het mandaat van bestuurder is niet vrijblijvend. Met een budget van honderdduizenden euro wordt duidelijk geappelleerd aan de verantwoordelijkheid van de bestuurder.

SOS Nuchterheid, zelfzorg bij verslavingen VC GEUZENHUIS - KANTIENBERG 9, GENT

woe & vrij 20:00 Bijeenkomst van SOS Nuchterheid, zelfzorg bij verslavingen VC ZOMERLICHT - WELDADIGHEIDSTRAAT 30, ZOMERGEM

2de vrij/mnd 19:30 Bordspel-, borrel- en praatavond

58  >  januari 2018

Uw persoonsgegevens worden enkel gebruikt voor het verzenden van ons tijdschrift ‘De Geus’. Deze worden bijgehouden zolang u geabonneerd bent. U kan steeds uw gegevens opvragen of deze laten verwijderen uit ons bestand.

DEGEUS


COLOFON Hoofdredactie

Eindredactie

LIDVERENIGINGEN VC-G Fred Braeckman

Griet Engelrelst

Thomas Lemmens

Philipp Kocks

Kurt Beckers

Veerle De Leenheer

Frederik Dezutter

Wouter Vandamme

Linde Waeyaert

Karim Zahidi

Fotografie & lay-out Redactie

Gerbrich Reynaert

LIDMAATSCHAPPEN

Druk: New Goff Verantwoordelijke uitgever: Wim Taels p/a Kantienberg 9, 9000 Gent Werkten aan dit nummer mee: Brecht Decoene, Willem Elias, Guido Lauwaert, Pierre Martin Neirinckx, Renaat Ramon, David Ropeik (Aeon), Jean Paul Van Bendegem, Eva Van Eechoute, Pascal Versavel. Cover: Gerbrich Reynaert De Geus is het tijdschrift van het Vrijzinnig Centrum-Geuzenhuis vzw en de lidvereni­g ingen en wordt met de steun van de PIMD verspreid over Oost-Vlaanderen. Geuzenhuis Kantienberg 9, 9000 Gent 09 220 80 20 admin@geuzenhuis.be www.geuzenhuis.be U kan de redactie bereiken via Thomas Lemmens, thomas@geuzenhuis.be en Griet Engelrelst, griet@geuzenhuis.be of 09 220 80 20.

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. De redactie behoudt zich het recht artikels in te korten. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag gereproduceerd of overgenomen worden zonder de schriftelijke toestemming van de redactie. Bij toestemming is bronvermelding – De Geus, jaargang, nummer en maand – steeds noodzakelijk. Het magazine van De Geus verschijnt tweemaandelijks (5 nummers).

Met de steun van

DEGEUS

Kunst in het Geuzenhuis €12 op rekening IBAN BE38 0013 0679 1272 van Kunst in het Geuzenhuis vzw met vermelding ‘lid KIG’. Grijze Geuzen €12 op rekening IBAN BE72 0011 7775 6216 van HVV Ledenrekening, Pottenbrug 4, 2000 Antwerpen met vermelding ‘lid GG + naam afdeling (bv. lid Gentse Grijze Geuzen)’. Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging €12 op rekening IBAN BE72 0011 7775 6216 van HVV Ledenrekening, Pottenbrug 4, 2000 Antwerpen met vermelding ‘lid HVV + naam afdeling (bv. lid HV Gent)’. Vermeylenfonds €15 (-26 jarigen gratis) op rekening IBAN BE50 0011 2745 2218 van Vermeylenfonds vzw, Tolhuislaan 88, 9000 Gent met vermelding ‘lidgeld naam, voornaam, geboortedatum, M of V’. Willemsfonds €15 op rekening IBAN BE39 0010 2817 2819 van WF Ledenrekening, Vrijdagmarkt 24-25, 9000 Gent met vermelding ‘lid WF’.

ABONNEMENTEN De Geus zonder lidmaatschap: €16 op rekening IBAN BE54 0011 1893 3897 van het VC-Geuzenhuis met vermelding ‘abonnement Geus’. Prijs per los nummer: €4. Het Vrije Woord gratis bij lidmaatschap HVV en GGG. Combinaties van lidmaatschappen met of zonder abonnementen zijn mogelijk.

De Cocon vzw, Jeugdhulp aan huis info: 09 222 30 73 info@decocon.be - www.decocon.be De Maakbare Mens info: 03 205 73 10 info@demaakbaremens.org www.demaakbaremens.org Feest Vrijzinnige Jeugd vzw info: Philipp Kocks - 09 220 80 20 philipp@geuzenhuis.be Feniks vzw info: www.plechtigheden.be huisvandeMens - 09 233 52 26 gent@deMens.nu Fonds Lucien De Coninck vzw info: www.fondsluciendeconinck.be fondsluciendeconinck@gmail.com Humanistisch Verbond Gent info: B. Walraeve - 09 220 80 20 hvv.gent@geuzenhuis.be Humanistisch - Vrijzinnige Vereniging Oost-Vlaanderen info: T. Dekempe - 09 222 29 48 hvv.ovl@geuzenhuis.be Gentse Grijze Geuzen info: info.gentsegrijzegeuzen@gmail.com Kunst in het Geuzenhuis vzw info: Martine Ledegen - 09 220 80 20 martine@geuzenhuis.be SOS Nuchterheid vzw In Gent, woensdag en vrijdag (alcohol en andere verslavingen). info: 09 330 35 25(24u op 24u) info@sosnuchterheid.org www.sosnuchterheid.org UPV Gent Info: Geert Boxstael geert.boxstael2@telenet.be Van Crombrugghe’s Genootschap info: 09 233 90 08 info@vcg.be www.vcg.be Vermeylenfonds Oost-Vlaanderen info: 09 223 02 88 info@vermeylenfonds.be www.vermeylenfonds.be Willemsfonds Oost-Vlaanderen info: 09 224 10 75 info@willemsfonds.be www.willemsfonds.be Werkgemeenschap Leraren Ethiek vzw info: info@digimores.org www.digimores.org

PARTNER De Geus van Gent open van ma t.e.m. vr vanaf 16:00 zaterdag vanaf 19:00 info: www.geuzenhuis.be 09 220 78 25 - geusvangent@gmail.com huisvandeMens Gent Het centrum biedt hulp aan mensen met morele problemen. U kan er terecht van ma t.e.m. vr van 9:00 tot 16:30 De hulpverlening is gratis! info: Kantienberg 9D, 9000 Gent 09 233 52 26 - gent@deMens.nu

januari 2018  >  59


presenteert

DEdReErNe?n? Nn Aa A L V N A la V V O U n D a -uo v At-Td EB EeDb a Td S E B T e E t ndair onderwijs! H s u c e T se O b d T t a e ra IJ g h J e t rd R e o O uit de d BehBEoHoOr jij t s tegen jongeren entatie-skill m u rg a je in a tr Test en

ORRONDES O V E D N A A DOE MEE

Mechele n

aart Woensdag 7 M l @ VC De Schake

D ie s t

aart Woensdag 7 M @ ‘t Vrij Gedacht

G e nt

aart Zaterdag 10 m aart m 11 of Zondag @ Geuzenhuis

H a s s e lt

bruari Woensdag 21 Fe @ VOC

Ko r trijki

bruar Woensdag 21 Fe @ VC Mozaïek

B ru s s e l

bruari Woensdag 28 Fe ens @ Huis van de M

Brussel ams Parlement la V 8 1 0 2 rt aa Zaterdag 17 M

Win mooie

prijzen! WWW.DEBATWEDSTRIJD.BE

De Geus januari 2018  
De Geus januari 2018  
Advertisement