Page 1

TITEL: The Lost Continent of MU AUTEUR: James Churchward UITGEVER: Coronet Communications, N.Y./USA HET VERZONKEN CONTINENT MU HOOFDSTUK 17 OMEGA - SLUITSTEEN Als u me zou vragen “Hoe lang geleden verscheen de mens op aarde?“, dan zou ik antwoorden: “Zonder twijfel in het tertiaire tijdperk“. Het aantal jaren kan ik niet aangeven, dat kan niemand. Niemand kan bevatten hoeveel jaren geleden het pleistoceen of enig ander geologisch tijdperk begon. De kondities voor het kunnen bestaan van de mens op aarde was goed gevorderd aan het eind van het oligoceen en was zelfs heel goed tijdens de latere helft van het mioceen of het begin van het plioceen. Dat was lang voor de vorming van de gasgordels, lang voor het opkomen van de bergen en lang voor de geologische ijstijd. Ik heb mijn lezers met veel redelijke bewijzen uiteengezet, dat het duidelijk is, dat: ten eerste: er eens in de geschiedenis van de aarde een groot vasteland bestond in de Stille Zuidzee, waar nu alleen water en kleine eilanden te vinden zijn; ten tweede: dit land in vroeger tijden twee namen had: een geografische naam (de Landen van het Westen) en een priesterlijke (Mu); ten derde: de mens zijn komst op aarde beleefde in dit land; ten vierde: de mens een speciale schepping was en geen maaksel van de natuur. Hij verscheen geheel ontwikkeld van vorm, maar had opvoeding en geestelijke ontwikkeling nodig. Maar, wat is de ‘mens‘? James D. Dana zegt: “De mens is geen maaksel van de natuur; hij is een speciale daad van het Oneindige Wezen, wiens beeld hij draagt“. Ik ben het met hem eens – maar een onweerstaanbare drang dwingt me verder te gaan. Alle pogingen aan te geven wanneer de mens voor het eerst op aarde verscheen zijn vruchteloos. Het is altijd een geheim geweest en dat moet het blijven; want het eerste tehuis van de mens op aarde ligt nu met zijn geheim op de bodem van de Stille Zuidzee. We moeten echter hopen door geologische en archeologische onderzoekingen eens in staat te zijn een aanknopingspunt te vinden over de datum van zijn eerste verschijning. Veel geleerden zijn van mening dat de mensheid van een dier uit het bos stamt, van een voorhistorische aap. Volgens hen zou de van de aap afstammende mens nog steeds een aap moeten zijn – maar dan in ontwikkelde vorm. Ik heb aangetoond dat de mens in het latere deel van het tertiaire tijdperk op aarde was en zoals blijkt uit de kwaliteit en volmaaktheid van zijn prestaties, een hoog peil van ontwikkeling had bereikt. Het is bewezen dat hij een enorm lange tijd voor het einde van het tertiaire tijdperk bestaan moet hebben. Dit zou hem zeker tot tijdgenoot van de eerste apen, die op mensen leken, kunnen maken. Als evolutie mogelijk zou zijn – waarvan de oude Naacal-tabletten aantonen dat het niet zo is – zou het tegenovergestelde gebeurd zijn. Dat wil zeggen dat de aap uit de mens zou zijn voortgekomen. De mens, de meest komplexe van alle levensvormen en de meest volmaakte levensvorm, werd met een speciaal doel geschapen, zoals in de Naacal-tabletten uiteengezet is. De mens is een dier van de orde der zoogdieren, onderscheiden en verschillend van alle andere dieren. Dat komt door dat aan zijn lichaam een kracht of ziel is verbonden, met de bedoeling dat hij de aarde bestuurt. Deze grote gave is aan geen enkele andere levensvorm gegeven. Daarmee is afdoende bewezen dat de mens een afzonderlijke en aparte schepping, met een goddelijke kracht, is. Het is onmogelijk dat hij uit een dier is voortgekomen, of geëvolueerd uit een ander dier dat die kracht niet bezit.


De mens met deze kracht, heeft de macht – als hij leert hoe hij zijn kracht moet gebruiken – naast het Oneindig Wezen, waarvan hij een deel in zich heeft, te plaatsen. Daarom is de mens een zoon van God. Als alle andere schepsels, is de mens onder aan de ladder begonnen; maar anders dan alle andere dieren is hem de macht gegeven zich te verheffen. De mens is altijd door invloeden omgeven geweest die om goed en kwaad met elkaar strijden. De daden van de mens worden door deze invloeden beheerst. De verwantschappen van de ziel kunnen alleen wat goed is ingeven. De slechte invloeden komen door materiële verwantschappen of van elementaire zijde. Materiële ingevingen zijn niet allemaal slecht – sommige kunnen echter kwaad ingeven – de verwantschappen van de ziel kunnen dat niet. Egyptische papyrus – ‘Als dit een parabel is, is het in zekere zin waar, aangezien er vlak bij iedereen een geest staat. Of eigenlijk zijn het twee geesten, een goede en een slechte; een die naar boven leidt en een die neerwaarts leidt.‘ De ziel en zijn verwantschappen geven raad aan het verstand; de materiële verwantschappen geven ook raad aan het verstand. Het verstand maakt voor het lichaam uit welke suggesties zullen worden gevolgd. Het geweten is de woordvoerder van de ziel aan het verstand. Lichamelijke daden en woorden zijn aanwijzingen van de machten of invloeden die het verstand beheersen. Materiële belangen mogen het verstand van de mens voor een tijd beheersen, maar voordat de aarde haar bestaan kan beëindigen, moet de ziel van de mens oppermachtig over zijn verstand en lichaam regeren. In het begin van de menselijke existentie waren de materiële verwantschappen door gebrek aan ervaring zeer machtig, zodat de vooruitgang noodzakelijkerwijs langzaam was. De tijd ging verder, de ene generatie volgde de andere en de mens begon stap voor stap op te klimmen naar zijn vooraf beschikte doel: het overwicht van de verwantschappen van de ziel over de materiële verwantschappen. De tijd moet komen dat alle aktiviteiten en gedachten van de mens uitsluitend door ingevingen van de ziel zullen worden bestuurd. Dit is de taak die de ziel is opgedragen te volbrengen toen deze in het lichaam van de mens werd geplaatst bij zijn schepping – ‘om deze aarde te besturen‘. Door de vooruitgang van de mens via wetenschap en onderwijs nadert hij nu pas de drempel van kennis. Als kennis volledig is – wat alleen zal gebeuren als de mens bepaalde aardse krachten, die hem in staat zullen stellen zijn eigen grotere krachten te verstaan, begrijpt en beheerst, dan zullen de werken van de mens boven ons tegenwoordige bevattingsvermogen uitstijgen. Met een door hemzelf volkomen verstane zielskracht zal de mens niet meer in staat zijn tot slechte daden of gedachten. Dan zal de mens alles kunnen volbrengen wat zijn ziel hem oplegt, omdat de ziel dan geen tegenwerkende invloeden meer zal hebben. Dan zal alles wat de mens doet goed zijn omdat zijn ziel niet tot kwaad in staat is. Tot nu toe hebben we alleen naar het verleden van de mens gekeken; laten we nu eens naar zijn toekomst kijken en zien wat de toekomst hem brengen zal. Alles wijst naar een tijd dat de mens alle aardse elementen en vele van haar krachten, volledig zal beheersen; een toestand waar hij nu naar toe gaat. De macht van zijn zielskracht begint nu pas langzamerhand tot de tegenwoordige mens door te dringen. Er zijn heel wat vreemde of ogenschijnlijk vreemde verschijnselen, wanneer door de werking van de zielskracht dingen waar het om gaat bereikt worden. En toch is hij die het volbrengt zich vaak niet bewust dat hij dat doet door de hulp van een kracht. Hij ontdekt dat hij een macht bezit, maar weet niet wat die macht is; hij kent alleen de resultaten. Hij is wel ver genoeg gevorderd om zijn zielskracht in een beperkte richting te laten werken, maar begrijpen doet hij het niet. De grote mysteries van de Hindoes, Polynesiërs, Egyptenaren en van de bijbelse wonderen kwamen voort uit de werking van zielskracht. De wetenschap van de Hindoes en Polynesiërs is iets eigens. Zij blijken min of meer bedreven te zijn in sommige opzichten, maar onbedreven in andere. Het lijkt of zij geen begrip hebben dat de kracht die zij gebruiken in elke richting kan worden gebruikt en niet alleen langs bepaalde lijnen.


De Christus was een volmaakt voorbeeld van de zielskracht die volledige controle over verstand en lichaam heeft. Hij verscheen op aarde zoals anderen dat voor Hem deden ter vervulling van de grote heilige wet. Het verstand van de mens had de juiste konditie bereikt. De Christus werd op aarde gezet als een voorbeeld voor de mens – om te leren en om te tonen wat de mens uiteindelijk moet worden. De ontwikkeling gaat nu verder: de mens moet volmaakt worden, anders zou de grote heilige wet mislukt zijn. Daar de wet heilig is, kan het niet mislukken. Het is een spijtig, hoewel opmerkelijk feit, dat veel van onze grote geleerden atheïsten werden en als regel voorstander waren van de evolutietheorie; het blijft een feit dat de ware aanhanger van de evolutie-leer niet anders dan een atheïst kan zijn. Het is des te spijtiger dat zij dat werden toen ze in de tegengestelde richting voortworstelden; want de ten volle begrepen wetenschap kan niet anders dan de studerende mens voor de macht en het mysterie van de Grote Allerhoogste – de Godheid – ontvankelijk maken. Wetenschap is de tweelingzuster van religie. De wetenschap, op de juiste wijze bestudeerd, kan niet nalaten de mens tot een beter wezen te maken; want het leert hem dat hij zelf een hoger en grootser schepping is dan hij ooit tevoren heeft beseft; het geeft een aanmoediging en een gerichtheid aan zijn zielskracht om zijn voorbestemde overwicht over het verstand en de materiële verwantschappen van het lichaam te verkrijgen. Het leert hem dat er binnen in zijn huis van klei eeuwigdurend leven is, bij iedere stap openbaart zich God’s hand; en bovenal leert het hem dat door de suggesties van zijn ziel te volgen hem eeuwigdurende glorie en geluk wachten. De rots waarop veel geleerden hun schip hebben laten stranden is materialisme. In hun studie hebben zij krachten en hun werkingen uitgeschakeld, zeggende: ‘een kracht is het resultaat van atomische beweging‘. Inderdaad – dat zijn alle krachten – behalve de kracht die eerst de atomische bewegingen voortbracht. Dat is de kracht die de atheïst nooit heeft gevonden, dus bouwde hij zijn stuktuur op zonder die kracht in aanmerking te nemen. Hij vond alleen de lagere krachten die aan atomische bewegingen ontsproten; hij komt nooit in direkte aanraking met God. De bewegingen van atomen zijn tandraderen in een mechanisme. Het ene tandwiel beweegt het andere. Maar – wat draaide het eerste wiel? Geen ander wiel, want HET was het eerste. Daarom moet er iets achter zitten. Maar wat? Een kracht die onafhankelijk is van alle atomen. Het heelal is een stel atomische tandraderen. Wat draaide het eerste wiel in het heelal? Een kracht – de grote primaire kracht, de grote oneindige kracht – God. De atheïst heeft nooit ontdekt dat God de grote primaire kracht is die alle dingen door ondergeschikte krachten doet werken en dat atomische krachten slechts ondergeschikte krachten voor de allerhoogste kracht zijn. Zo heeft de atheïst slechts de materiële zijde bestudeerd. Zijn gevolgtrekkingen zouden natuurlijk zijn: elementen heersen over krachten, want zonder elementen zouden de krachten niet kunnen bestaan. Waar dit zo is, worden de krachten, als immaterieel, opzij geschoven; feitelijk worden ze niet in aanmerking genomen. Het roer is van het schip gehaald en het schip is op de rotsen geworpen. Door alle gevolgtrekkingen en opvattingen van de atheïst heen wordt zijn verstand volkomen beheerst door zijn materiele verwantschappen. Zijn matriele verwantschappen hebben zijn verstand overtuigd dat zij de almachtigen zijn. Nu blijft er in het verstand van de atheïst niets meer over dan dat hij slechts een chemische samenstelling van elementen is – geen ziel, geen God – chaos! Als de atheïst een even zorgvuldige studie over krachten had gemaakt als over elementen, steeds verder terug werkend, de ene kracht na de andere volgend, zou hij misschien bij de oorsprong van de beweging zijn gekomen. Het zou hem dan duidelijk zijn geworden dat hij zelf een kracht bezat die anders is dan de fysieke en dat deze kracht een levende ziel is. Met dit weten zou hij beseffen wat hij is: niet het armzalige brute beest waarvoor hij zich pleegt aan te zien, maar iemand die binnen in zichzelf een werkelijk deel van het Allerhoogste heeft, en die een zoon van God is – precies zoals het blad van een boom een deel van de boom zelf is. Christus en Guatama verklaarden beiden dat zij: ‘slechts waren wat andere mensen konden worden‘.


Door zijn chemische kennis van elementen begrijpt de wetenschapsmens dat de chemische elementaire samenstelling van zijn lichaam ten slotte moet ontbinden en dat deze ontbinding de ziel moet bevrijden. Waar hij de eindtoestand van zijn elementen kent, weet hij dat de ziel, evenmin als de elementen, kan sterven. Alles moet eeuwig voortgaan; want ontbonden elementen gaan in andere vormen over. Het is vooraf beschikt dat alle chemische elementaire samenstellingen uiteindelijk moeten ontbinden, uiteenvallen, tot de oorspronkelijke vorm terugkeren, en terug gaan naar waar ze vandaan kwamen. Als de elementen de ziel van zijn gebondenheid hebben bevrijd, moet ook de ziel – die onder dezelfde heilige wet staat als de elementen – terugkeren tot waar zij vandaan kwam. Waar zij uit de Grote Bron kwam moet het glorieuze, triomfale einde van de mensenziel zijn – haar terugkeer tot God. 1926

De grote zeven-koppige slang van Ankor, Cambodja.

MU-17  

TITEL: The Lost Continent of MU AUTEUR: James Churchward UITGEVER: Coronet Communications, N.Y./USA Deze grote gave is aan geen enkele ander...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you