Issuu on Google+

HET

Register Vakblad van het Register Belastingadviseurs februari 2011 | tweede jaargang | nummer 1/2

Aandelen als verplicht bedrijfsvermogen geĂŤtiketteerd? De paradox van horizontaal toezicht Terugwenteling lijfrentepremies; 1 april 2011 nadert! Nieuw licht op de pensioenstichting?


DE

■ ■ ■

Inhoud

Colofon Het Register Vaktijdschrift van het Register Belastingadviseurs uitgegeven door Reed Business bv.

Register Belastingadviseurs Brenkmanweg 6, 4105 DH Culemborg tel.: (0345) 54 70 00 www.rb.nl

Redactieadres Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD Amsterdam Coördinatie bureauredactie Ivonne Hartendorp tel.: (020) 515 93 19 e-mail: ivonne.hartendorp@reedbusiness.nl

Redactieraad Mr. D.J. (Dick) de Korte FB (hoofdredacteur) Mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk FB Mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks CB Mr. W.J.M. (Wil) Vennix FB Prof. mr. dr. G.J.M.E. (Guido) de Bont

Uitgever Drs. H.E. (Heleen) Kooistra Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD Amsterdam

Verenigingsnieuws Register Belastingadviseurs Afdeling Communicatie Brenkmanweg 6 4105 DH Culemborg

10

16

Aandelen als verplicht bedrijfsvermogen geëtiketteerd? Fiscaal

De paradox van horizontaal toezicht Interview met mr. A.J.(Arend Jan) van Lint

Nieuwsrubriek Deze rubriek staat onder redactie van het Nederlands Redactie Instituut

Jurisprudentie en Wetgeving Deze rubriek staat onder redactie van Licent Academy

Advertenties Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD Amsterdam

Advertentieverkoop Dick-Paul van Stam tel.: (020) 515 93 41 e-mail: dickpaul.van.stam@reedbusiness.nl Sandra Nicolai tel.: (020) 515 93 40 e-mail: sandra.nicolai@reedbusiness.nl

Abonnementen en lezersservice Reed Business bv Afdeling Customer Contact Postbus 808, 7000 BA Doetinchem tel.: (0314) 35 83 58 e-mail: customercontact@reedbusiness.nl www.elsevierfiscaal.nl

Abonnementsprijzen Prijs jaarabonnement: € 165,06 ex btw (6%) Prijs los nummer: € 20,85 ex btw (6%) RB-leden ontvangen Het Register uit hoofde van hun lidmaatschap.

Basisvormgeving VerheulCommunicatie.com, Alphen a/d Rijn © Register Belastingadviseurs Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Register Belastingadviseurs. Op alle aanbiedingen, offertes en overeenkomsten van Reed Business bv zijn van toepassing de voorwaarden welke zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam. ‘Het Register’ bevat informatie die met de meeste zorgvuldigheid is samengesteld. Het Register Belastingadviseurs/ Reed Business bv en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijke gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

De redactie

5

Nieuws – zaken – mensen

6

15

21

UIT de Praktijk – Mr. M.M.C. (Marcel) Wintels FB

24

Jurisprudentie en wetgeving

29

Fiscaal

35

Het Verenigingsnieuws

41

Eenvoudiger? Ammehoela! Column – Prof. mr. E.J.W. (Edwin) Heithuis

Terugwenteling van lijfrentepremies; 1 april 2011 nadert! Fiscaal

‘Ik blijf mijn gevoel volgen’

Nieuw licht op de pensioenstichting?

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

3


DE

Redactie

Absolutie Een van de leukste dingen aan Nederland vind ik dat het ons weinig kan schelen of onze minister-president een religie aanhangt, en zo ja welke. De heren De Jong, Van Agt en Lubbers zijn katholiek, Biesheuvel, Den Uyl en Balkenende waren respectievelijk zijn (voormalig) gereformeerd en van Wim Kok werd gezegd dat hij enkel een kerk van binnen zag bij ‘rouwtjes en trouwtjes’ van leden van het Koninklijk Huis. De heren wisselden ondanks deze verschillen vrolijk stuivertje. Cohen is het vooralsnog niet geworden maar dat lag echt niet aan zijn joodse wortels. Van Mark Rutte weet ik het nog niet, maar de kans dat hij ons in gebed zal voorgaan zoals Bush jr. dat ooit deed schat ik niet erg groot in. Kortom, de religieuze achtergrond mag dan nog wel eens op het CV van de MP vermeld worden, maar de relevantie daarvan is voor de meesten van ons toch even groot als de vraag naar welk broodbeleg de voorkeur van de betreffende persoon bij het ontbijt uitgaat. Leuk om te weten, maar verder een privézaak. En dat is goed, want een dergelijke opvatting voorkomt een hoop ongelukken. Een moslimpremier zie ik op korte termijn zich nog niet aandienen, maar onmogelijk is het niet. De grote Drees dronk immers geen alcohol en vicepremier Bos at (ook) geen varkensvlees. Daar zal het niet op stuklopen. Maar toch. Soms denk ik dat er vlak onder de oppervlakte meer met ons aan de hand is dan wij zelf weten. Zo liep in het kabinet Den Uyl de breuklijn niet tussen confessioneel en rood, maar tussen rooms en protestant. Lees in uw vakantie het onvolprezen boek van Bootsma en Breedveld ‘De verbeelding aan de macht: Het Kabinet Den-Uyl 1973-1977’ er maar eens op na. En ook in het bestuur van het RB bespeurde ik eerder iets soortgelijks. Uw bestuur zat weer eens heftig te vergaderen over de PE-regeling en de daarbij helaas onvermijdelijke sancties. Wat te doen met degenen die ondanks alle bijzondere regelingen het vereiste aantal punten niet wisten te behalen? We spraken over zonde en de straf daarop, en over de mogelijkheid van schorsing of royement. Maar met vaag in mijn achterhoofd de wel eens geopperde nieuwbouwplannen van onze directeur (en de daarbij nog ontbrekende financiering) opperde ik de mogelijkheid om zondaars hun PE-achterstand te laten afkopen. Uiteraard niet dan na een goed gesprek, waarin sprake moest zijn van oprecht berouw en verder ook het stellige voornemen uitgesproken diende te worden het in de toekomst beter te gaan doen. Maar dan zou na overhandiging van een bedrag(je) ook de absolutie gegeven kunnen worden. Met dergelijke penitenties is niet alleen de St. Pieter in Rome gebouwd maar zijn ook de Sint Jan in Den Bosch en de (helaas deels ingestorte) Dom van Utrecht gefinancierd. Gewoon een hypotheek op de verre toekomst in combinatie met een soort van aardse bijleenregeling. Ik keek eens om mij heen. Wat ik zag verwonderde me hogelijk. Enkele bestuursleden zaten verstijfd in hun stoel en keken mij met grote ogen aan. Afkopen? Aflaten? Hadden Luther en Calvijn aan die paapse flauwekul niet voor eens en altijd een eind gemaakt? Het wonderlijke was dat niet alleen de kerkelijk actieven die mening deelden maar ook zij die de dominee inmiddels vaarwel hadden gezegd. Van je opvoeding raak je blijkbaar nooit echt los. Bestuursleden afkomstig van beneden de grote rivieren en/of woonachtig in een bisschopsstad reageerden anders. Men riep niet gelijk ‘doen!’, maar er werd nadenkend, welwillend en soms zelfs instemmend geknikt. We konden het er op z’n minst eens over hebben. Sommigen zag ik in gedachten al rekensommetjes maken. Wat moest een ontbrekend punt dan gaan kosten? Ik keek medebestuurslid Van der Ha eens diep in de ogen (dat is nooit een straf), en we riepen samen en tegelijkertijd uit: ‘honderd euro’. Het mag u duidelijk zijn; ik zit met een probleem. Hoe Rome en Calvijn te gaan verzoenen? Ik moest maar eens een broodje gaan drinken met Maxime Verhagen. Bij voorkeur in het fameuze Haagse restaurant Le Bistroquet, waar ooit door Van Agt en Wiegel prettig zaken werd gedaan. Maxime weet immers als geen ander hoe je met dit bijltje hakt. Hij zal me ongetwijfeld adviseren om er om te beginnen maar eens een etentje tegenaan te gooien. Wat we dan gaan eten weet ik nog niet, maar de keuze voor de wijn staat natuurlijk al vast. Wat anders dan Châteauneuf-du-Pape? Mocht dat dan nog nodig zijn dan kunnen we de Arnhemse Rijnhal nog altijd afhuren. Ik beloof u één minuut spreektijd per persoon. Met meer dan 7.000 aangesloten leden lijkt me dat het maximaal haalbare. Voor dat geval verzoek ik u hierbij beleefd maar dringend bij voorbaat om uw steun. ■

Mr. Sylvester Schenk FB Voorzitter Register Belastingadviseurs en lid van de redactieraad van Het Register

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

5


HET

Nieuws - zaken - mensen Europese teruggave btw werkt niet Ondernemers klagen over het nieuwe Europese systeem om btw uit het buitenland terug te vragen, meldt het Financieele Dagblad. Aanvragen raken zoek, IT-systemen haperen en uitwisseling tussen de verschillende lidstaten verloopt moeizaam. Door vertragingen moeten ondernemers lang op hun geld wachten. Brancheorganisatie Transport en Logistiek Nederland (TLN) schat de achterstand van uitbetaling aan transportbedrijven tot nu toe op enkele tientallen miljoenen euro’s.

Spaarsaldo uit verkoop woning Een zowel op 31 december als op 1 januari van enig jaar nog aanwezig spaarsaldo afkomstig uit de verkoop van de voormalige eigen woning valt in de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (box 3). Dat heeft staatssecretaris Weekers van Financiën besloten. Het besluit bevat nieuwe beleidsstandpunten die zes eerdere besluiten uit 2002 vervangen. Een van de andere beleidsstandpunten luidt dat de onderbedelingsvordering van ‘quasi-stiefkinderen’ op de ongehuwde partner van hun ouder niet behoort tot de grondslag voor de box 3-heffing. Tenminste, als hun ouder is overleden en de langstlevende partner volgens het wettelijk erfrecht alle goederen uit de nalatenschap verkrijgt en daarbij een overbedelingschuld heeft aan de stiefkinderen.

Internationaal opererende transporteurs dragen relatief veel btw af in het buitenland. De btw-teruggaaf varieert van 4.000 tot wel een half miljoen euro per bedrijf per kwartaal. Volgens een woordvoerder van TLN leiden de vertragingen van de btw-teruggave uit het buitenland tot liquiditeitsproblemen. De problemen ontstonden toen vorig jaar nieuwe EU-regels van kracht werden over btw-teruggave uit het buitenland. Bedrijven vragen de btw tegenwoordig aan in eigen land, in plaats van in het buitenland waar de heffingen zijn geïnd. De nationale belastingdiensten sturen de aanvragen vervolgens aan elkaar door voor afhandeling. In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de kwestie aan staatssecretaris Frans Weekers van Financiën. Bedrijven die financieel in moeilijkheden komen door de vertragingen kunnen sinds afgelopen zomer uitstel krijgen voor hun belastingschulden. De Belastingdienst werkt aan een regeling om bedrijven te compenseren voor misgelopen rente.

Wet Inkomstenbelasting strijdig met Europese regels Nederland moet bevrijdende dividendbelasting invoeren voor natuurlijke personen. Dat stelt Erwin Nijkeuter in zijn proefschrift ‘Belastingheffing van dividend en de interne markt’. Nijkeuter promoveerde op 7 januari aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Het proefschrift van Nijkeuter gaat over de belastingheffing van dividendinkomsten van natuurlijke personen in Nederland. De promovendus signaleert dat de Wet IB 2001, in samenhang met de Wet DB 1965 en het Bvdb 2001, een behoorlijk aantal bepalingen kent die niet in overeenstemming zijn met de eisen voor de interne Europese markt. In grensoverschrijdende situaties is er sprake van verschillen in belastingheffing. Voor niet in Nederland woonachtige aandeelhouders is de Nederlandse dividendbelasting vaak de eindheffing. Voor in Nederland woonachtige aandeelhouders is de Nederlandse dividendbelasting als voorheffing verrekenbaar met de verschuldigde inkomstenbelasting.

6

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

Nijkeuter betoogt dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ons land dwingt om in het buitenland wonende aandeelhouders niet zwaarder te belasten voor het ontvangen dividend dan in Nederland wonende aandeelhouders. Daarnaast mag uit het buitenland afkomstig dividendinkomen bij Nederlandse inwoner niet zwaarder belast worden dan dividend dat in vergelijkbare binnenlandse situaties is uitgekeerd. De interne Europese markt vereist dat aandeelhouders niet (fiscaal) belemmerd worden in hun keuze tussen aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap of een in een andere EU-lidstaat gevestigde vennootschap. Ook mogen buitenlandse aandeelhouders (fiscaal) niet slechter behandeld worden dan Nederlandse aandeelhouders indien zij aandelen in een Nederlandse vennootschap houden.


■ ■ ■ ■

Nieuwe regelingen voor milieu en energie Eind vorig jaar werden de nieuwe lijsten bekend gemaakt voor energieinvesteringsaftrek afschrijving en investeringsaftrek van milieu-investeringen. Voor milieu-investeringsaftrek is dit jaar 101 miljoen euro beschikbaar en voor de willekeurige afschrijving van milieu-investeringen 24 miljoen euro. Hoe eerder een organisatie een milieu-investering aanmeldt, hoe groter de kans dat dit nog valt binnen het beschikbaar gestelde budget. In voorgaande jaren is het voorgekomen dat ondernemers de aangemelde aftrek voor milieu-investeringen niet door zagen gaan, omdat het budget op was. De bedrijfsmiddelenlijsten zijn van toepassing op investeringen die in 2011 zijn gedaan. De milieu-investeringsaftrek is een fiscale faciliteit voor investeringen in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen. De milieu-investering gaat om middelen die het Nederlandse milieu moeten beschermen en op de genoemde lijst staan. Hetzelfde geldt voor de willekeurige afschrijving van milieu-investeringen. De bedrijfsmiddelen op de lijst mogen nog niet eerder in Nederland zijn gebruikt. Verder moeten de bedrijfsmiddelen in belangrijke mate ertoe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen voor het Nederlandse milieu van menselijke activiteiten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Voor milieubedrijfsmiddelen die zijn bestemd om buiten Nederland te worden gebruikt, is pas een fiscale regeling van kracht na toestemming van het ministerie. De energie-investeringsaftrek is een fiscale faciliteit voor investeringen in bepaalde energiebesparende bedrijfsmiddelen. Ook advieskosten voor energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen kunnen onder omstandigheden kwalificeren voor de energie-investeringsaftrek. Voor de energie-investeringsaftrek geldt een drempelbedrag van ten minste 2.200 euro en een maximumbedrag van 116 miljoen euro. Het moet daarbij gaan om een nieuw bedrijfsmiddel dat voorkomt op de zogeheten Energielijst. Valt een investering duurder uit dan 116 miljoen euro, dan komt het bedrag dat deze limiet te boven gaat niet in aanmerking voor de energie-investeringsaftrek.

Fiscus komt oudklanten DSB tegemoet Belastingplichtigen mogen bij hun belastingaangifte over 2010 bepaalde vorderingen op DSB op nihil stellen. Dat heeft het ministerie van Financiën eind vorig jaar vastgesteld. De achtergestelde deposito’s die mensen hadden lopen bij de failliete DSB-bank mogen voor de grondslag van de box 3-heffing op 31 december 2009, 1 januari 2010 en 31 december 2010 op nihil worden gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor de bij de DSB aangehouden spaarsaldi, voor zover het totaal daarvan meer bedraagt dan 100.000 euro en daardoor niet door het depositogarantiestelsel is gedekt. Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Voor de bepaling van die waarde is het belangrijk om te weten of de deposito- of rekeninghouder een deel van zijn geld zal krijgen, op welk moment hij een eventuele uitkering zal krijgen en hoe groot die uitkering zal zijn. Omdat de curatoren voorzien dat de kans op een uitkering gering is, heeft staatssecretaris Frans Weekers van Financiën besloten dat de bij DSB aangehouden achtergestelde deposito’s zowel op 1 januari 2010 als op 31 december 2010 op nihil worden gesteld. Dit geldt ook voor andere vorderingen uit (spaar)rekeningen bij DSB. Wat de waarde zal zijn van deze spaarsaldi na 31 december 2010 is nog onbekend.

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

7


■ ■ ■ ■

Horizontaal toezicht bij Feyenoord Feyenoord en de Belastingdienst hebben op 4 januari een convenant voor Horizontaal Toezicht getekend. Het convenant is afgesloten om de rechtszekerheid te vergroten en is gebaseerd op wederzijds vertrouwen, transparantie en begrip. Aanleiding van het convenant is de schikking die Feyenoord in september 2008 trof met de Belastingdienst inzake de naheffing niet-betaalde loonbelasting over spelerstransfers in de periode 1995 - 1998. Feyenoord schikte deze kwestie met de fiscus tegen betaling van 5 miljoen euro. Inclusief de rente, de proceskosten voor Feyenoord en de kosten van rechtsbijstand die Feyenoord vergoedde aan oud-voorzitter Jorien van den Herik heeft deze zaak de club bijna 10 miljoen euro gekost. Feyenoords financieel directeur Onno Jacobs is blij met het convenant met de Belastingdienst, zo staat op de website van Feyenoord. ‘Deze overeenkomst past in het open en transparante beleid dat wij als club voeren,’ stelt Jacobs. ‘Dat de Belastingdienst een convenant is aangegaan met Feyenoord is voor de club een bevestiging dat haar beleid van openheid en transparantie loont. Bovendien zal een en ander leiden tot een verlichting van de administratieve lasten.’ Feyenoord is na SC Heerenveen en FC Groningen, de derde club die een dergelijk convenant met de Belastingdienst heeft gesloten.

Belastingdienst bezoekt prostituees Prostituees moeten met ingang van dit jaar net als iedereen inkomstenbelasting betalen. Inspecteurs van de Belastingdienst gaan dit jaar op pad om alle, naar schatting drieduizend, prostituees in Amsterdam te bezoeken en hun bedrijfsvoering door te nemen. Via een advertentie in Het Parool werden zij hiervan op de hoogte gesteld.

werken, is onbekend voor ons,’ zegt Jelle Wijkstra van het ministerie van Financiën. ‘Er is daardoor aanleiding te denken dat veel fiscale verplichtingen niet worden nagekomen. Prostituees zijn voor ons gewone ondernemers die ook belasting moeten betalen.’ Per persoon wordt vastgesteld hoeveel klanten zij per dag ontvangt en wat haar omzet is.

Prostituees betaalden sinds de legalisering van de prostitutie in 2000 al inkomstenbelasting, maar dat gold met name voor de bordelen. ‘Een groot gedeelte van de vrouwen die voor zichzelf

Met name onder buitenlandse vrouwen heerst veel onduidelijkheid rondom belastingplichten. De belastingadviseurs zullen de bezoeken dan ook gebruiken om voorlichting te geven.

Nieuw belastingverdrag met Engeland Met ingang van dit jaar is er een nieuw belastingverdrag van kracht met Groot Brittannië. Dit verdrag is van toepassing op het hele Verenigd Koninkrijk, dus ook met de gebiedsdelen buiten Engeland. Eind december is het verdrag goedgekeurd door de Eerste Kamer. Het nieuwe verdrag vervangt de bestaande overeenkomst uit 1980. Voor belastingplichtigen uit het Verenigd Koninkrijk gaat het nieuwe verdrag in op 1 april 2011. De meest ingrijpende wijziging in het nieuwe belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk is het vervallen van de ‘corporate tie-breaker’ voor lichamen met een dubbele woonplaats. Onder het huidige belastingverdrag wordt de vestigingsplaats van een ‘dual resident company’ nog bepaald door de zogenoemde ‘place of effective management’. Het nieuwe belastingverdrag bepaalt de vestigingsplaats in zo’n geval door ‘onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten’. Er is geen overgangsbepaling overeengekomen. Een andere wijziging is de heffingsbevoegdheid over directeursbeloningen. Behalve met het Verenigd Koninkrijk zijn er met ingang van dit jaar ook belastingverdragen in werking getreden met de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië. Voor bronbelasting was het verdrag met de Verenigde Emiraten al van kracht sinds 2 juni 2010. Het bestaande belastingverdrag met Slowakije is sinds begin dit jaar gewijzigd.

8

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2


■ ■ ■ ■

Rechter beperkt afboeken herinvesteringsreserve Bij het afboeken van een herinvesteringsreserve op een nieuw bedrijfsmiddel moet de afschrijving op dat nieuwe bedrijfsmiddel worden bepaald door eerst het bedrag van de herinvesteringsreserve in mindering te brengen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van dat bedrijfsmiddel. Pas daarna kan de restwaarde van het bedrijfsmiddel worden vastgesteld. Dat heeft Gerechtshof Amsterdam onlangs bepaald. De procedure betrof de afschrijving in 2003 van een besloten vennootschap met een omvangrijke vastgoedportefeuille. De

desbetreffende onderneming hanteerde de hiervoor beschreven afschrijvingsmethode, maar boekte daarnaast ook nog een deel van de herinvesteringsreserve op de restwaarde van een bedrijfsmiddel af. Het hof wees dit af, omdat deze methode geen steun vindt in het recht. Dit op grond van regels voor afschrijving op vastgoed die begin 2007 zijn vernieuwd. Op beleggingsvastgoed mag niet verder worden afgeschreven dan tot op de WOZ-waarde. Op onroerende zaken die in de onderneming zelf in gebruik zijn, mag met ingang van 2007 niet verder worden afgeschreven dan tot op de helft van de WOZ-waarde.

‘Drie maanden wachten op aanslag IB is genoeg’ Vaste kostenvergoeding mag van rechter Een werkgever kan aan werknemers onder voorwaarden een vaste kostenvergoeding toekennen ter dekking van kleinere, regelmatig voorkomende zakelijke kosten. Dat blijkt uit een uitspraak van Hof Amsterdam. Volgens de rechter moet de vergoeding naar aard en omvang zijn gespecificeerd en kan de Belastingdienst de werkgever verzoeken om een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten te laten uitvoeren. Hof Amsterdam heeft dit besloten in een sterk feitelijke procedure. Daarin gaf de rechter aan dat door een werkgever verstrekte vaste vergoedingen over de jaren 2001 tot en met 2005 toch onbelast waren. Het hof achtte het op basis van feiten en omstandigheden aannemelijk dat de vaste vergoedingen per kostencategorie waren uitgesplitst en dat in 1999 een steekproefsgewijs onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten was gehouden. Dat de resultaten van dit onderzoek door omstandigheden niet meer beschikbaar waren, deed hier niets aan af, aldus het hof. Het Hof constateerde verder dat de Belastingdienst de werkgever niet had verteld dat er op enige moment gevraagd kan worden om een steekproef te houden naar de werkelijk gemaakte kosten. Om die redenen, aldus het hof, zijn de vaste vergoedingen onbelast bij de werkgever in kwestie. Er ging een streep door de opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2005 met boete.

Hoe lang mag de Belastingdienst wachten met het opleggen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting (IB)? Sommige ondernemers willen die termijn zo kort mogelijk houden. Vooral als ze een financiële meevaller hebben behaald uit bijvoorbeeld de verkoop van een pand. Zo lang de aanslag niet is opgelegd kan de Belastingdienst heffingrente in rekening brengen. Als dat te lang duurt, is geen enkele belastingplichtige er blij mee. Om die reden maakte een ondernemer die een bedrijfspand had verkocht, bezwaar bij de rechter tegen de lange termijn tussen de genoten opbrengst en de voorlopige aanslag IB. Daar zat dik een half jaar tussen. De Belastingdienst bracht heffingrente in rekening van 1 juli tot 27 december. Nadat de ondernemer bezwaar had aangetekend, werd deze termijn teruggebracht tot dik vier maanden. Ook met deze beslissing nam de ondernemer geen genoegen en stapte naar het hof in Den Bosch. De rechter oordeelde dat de inspecteur niet voortvarend genoeg tewerk was gegaan en verkortte de periode waarover heffingrente betaald moest worden tot anderhalve maand. Dat was voor het ministerie van Financiën aanleiding om in beroep te gaan bij de Hoge Raad. Die oordeelde dat heffingsrente verschuldigd is over een tijdvak dat loopt tot en met de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Er is beleid noch wettelijke verplichting om binnen drie maanden een aanslag op te leggen, maar toch vond de Hoge Raad dat deze termijn redelijk in dit geval redelijk was voor het in rekening brengen van heffingrente. De hoogte van het bedrag aan heffingrente noch het aandringen van de ondernemer op een spoedige heffing IB was voor de Hoge Raad van belang bij dit oordeel.

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

9


■ ■ ■ ■ ■

Aandelenetikettering

Aandelen als verplicht bedrijfsvermogen geëtiketteerd? De etikettering van aandelen van een besloten vennootschap (hierna: bv), waarbij de bv een samenwerkingsverband is aangegaan met een natuurlijk persoon/ondernemer die gelijktijdig ten aanzien van de bv de hoedanigheid heeft van directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga), roept in de praktijk etiketteringsvragen op. De Belastingdienst is van mening dat bij een landbouwsamenwerkingsverband tussen ondernemer/dga en de eigen bv de aandelen in de bv tot het verplichte bedrijfsvermogen behoren.

V André Sinac Mr. A.J.F. Sinac FB is senior belastingadviseur, ABAB Belastingadvies en Juristen BV.

ermogensetikettering dient voor de afbakening tussen de verschillende sferen in de inkomstenbelasting. In dit geval dient het ter afbakening van de ondernemingssfeer en de privésfeer. Uitgangspunt bij vermogensetikettering is de keuze van de ondernemer om een vermogensbestanddeel in de ondernemingsfeer, in de privésfeer of in beide sferen aan te wenden. In het onderhavige geschil speelt de vraag of de aandelen van de bv in beide sferen worden aangewend. Alleen dan heeft de ondernemer binnen de grenzen der redelijkheid de vrije keuze om het vermogensbestanddeel geheel, deels of niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. Dit in de zin van de Hoge Raad (hierna: HR) van 7 oktober 1953, nr. 11.383, BNB 1953/272. Het antwoord op de vraag of hij de grenzen der redelijkheid bij de vermogensetikettering overschrijdt, wordt ten tijde van de verwerving van het vermogensbestanddeel bepaald door in eerste instantie de voorgenomen en vervolgens de feitelijke aanwending van dat vermogensbestanddeel.

Het rechterlijke toetsingskader Bert van den Kerkhof Mr. H.J. van den Kerkhof FB is hoofd Vaktechniek Belastingadvies, ABAB Belastingadvies en Juristen BV.

10

Bij de beantwoording van de vraag of de ondernemer de grenzen der redelijkheid overschrijdt, is wat ons betreft het citaat van advocaat-generaal Overgaauw in zijn conclusie bij HR 13 juni 2007 (BNB 2007/295) richting gevend. ‘Het spreekt voor zich dat de beoordeling of de feitelijke aanwending spoort met de subjectieve wil een feitelijke vraag is die in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Bij de beantwoording van deze feitelijke vraag kunnen tal van omstandighe-

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

den een rol spelen en worden meegewogen. Zo zal de aard van een vermogensbestanddeel meestal al een belangrijke aanwijzing zijn. In andere gevallen zal het finale of causale verband met de ene of andere sfeer aannemelijk moeten worden gemaakt.’ Uit de uitspraken van de lagere rechters blijkt dat zij in eerste instantie deze wijze van toetsing volgen. Dit blijkt onder andere uit de volgende overweging van Rechtbank Arnhem van 6 april 2007 (nr. 06/2213, LJN: BA4433, V-N 2007/41.6). ‘Naar het oordeel van de rechtbank dient ter beantwoording van de vraag of de aandelen in [E] tot eisers verplichte ondernemingsvermogen behoren, te worden onderzocht of deze aandelen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend dienstbaar zijn aan de onderneming van eiser.’ Echter met het tweede deel legt de rechter naar onze opvatting het causale verband met de onderneming ruim uit door de aandelen als ondernemingsvermogen aan te merken als: ‘de met deze aandelen te behalen voordelen in feite afhankelijk zijn van de bedrijfsuitoefening van eiser (vlg. Hof Amsterdam 29 maart 2000, nr. 98/3983, V-N 2000/26.7)’. Hiermee wijkt de feitenrechter af van het arrest HR 21 april 1982, BNB 1982/197, waarin de Hoge Raad overwoog: ‘dat evenwel uit het feit dat belanghebbende de helft van zijn deelneming in de CV heeft ingebracht in de BV, in samenhang met de overige door het Hof als vaststaand aangemerk-


■ ■ ■ ■ ■

te omstandigheden, niet kan worden afgeleid dat het bezit van de aandelen in de BV uitsluitend het belang van de onderneming van belanghebbende als deelnemer in de CV dient; dat het belanghebbende dan ook vrijstaat de aandelen in de BV, welke laatste op gelijke voet als belanghebbende zelf deelneemt in de CV, te rekenen tot zijn privévermogen; (...)’.

aandelen worden gehouden) niet een zo essentieel bestanddeel van de onderneming vormen, is de belastingplichtige in redelijkheid vrij de aandelen als privévermogen te beschouwen.’ Dit standpunt kan op basis van twee redenen worden genuanceerd.

Wetenschappelijke analyse Het dragende argument dat de belastingplichtige het recht heeft de aandelen in privé te houden is afkomstig uit BNB 1982/197. Dat arrest moet volgens ons zo worden gelezen dat het causale verband met de ondernemingssfeer alleen aanwezig is als de aandelen uitsluitend het belang van de onderneming van belanghebbende als deelnemer in het samenwerkingsverband dienen. Zie nader J.A.G. van Es Vermogensetikettering in de inkomstenbelasting (TFO 2003/113, onderdeel 5) waarin hij onder verwijzing naar HR 10 september 1958 (nr. 13.671, BNB 1958/295) de redelijkheidstoets als volgt invult. ‘Indien de aandelen (ondanks eventuele zakelijke betrekkingen tussen de onderneming en de vennootschap waarin de

Beoordelen overeenkomst tussen subjectieve wil en feitelijke aanwending ■ De etiketteringsjurisprudentie heeft een bijzonder karakter. De rechter legt namelijk niet zo zeer een norm uit, maar moet de vraag beantwoorden of de belastingplichtige de grenzen der redelijkheid heeft overschreden. De rechter moet daarbij het subjectieve oogmerk van de belastingplichtige aan de hand van een objectieve ‘redelijkheidstoets’ beoordelen.

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

11


■ ■ ■ ■ ■

Aandelenetikettering

Overziet men daarom de etiketteringsjurisprudentie, dan valt de feitelijke aard hiervan op. In het aangehaalde arrest BNB 1982/197 betrof het een geschil over een commanditaire participatie die voor de helft in een bv was ingebracht. ■ De plaats van het ondernemerschap is in de afgelopen 25 jaar sterk veranderd. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was bijvoorbeeld het grootkoopmanschap een issue. Nu is de rechtsfiguur in de vergetelheid geraakt en dwingt de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ons om het ondernemerschap in de inkomstenbelasting beperkt uit te leggen. De aangehaalde uitspraken vormen geen aanleiding om de aandelen in alle gevallen waarin er sprake is van een gesplitste inbreng als ondernemingsvermogen te moeten aanmerken. Voordat de aandelen kunnen worden geëtiketteerd zal er feitelijk een causaal (of finaal) verband

Aandelen dienen belang in samenwerkingsverband met de ondernemingssfeer dan wel de privésfeer moeten worden geconstateerd. Een dergelijk verband zal in elk geval afzonderlijk moeten worden vastgesteld. De uitleg van de totaalwinst gedachte dat ‘de met deze aandelen te behalen voordelen in feite afhankelijk zijn van de bedrijfsuitoefening van de eiser’, zoals door Hof Amsterdam is gebruikt in de uitspraak van 29 maart 2000 (nr. 98/3983, V-N 2000/26.7), is wat ons betreft daarom te ruim geformuleerd. Bij resultaatsafhankelijkheid is er weliswaar sprake van een verbondenheid met de ondernemingssfeer, maar dat sluit een verbondenheid met de privésfeer niet uit. Laat staan dat het een sluitende motivering vormt voor de vraag of de belastingplichtige ‘de grenzen der redelijkheid’ heeft overschreden. Dit kan alleen aan de

Verbondenheid met ondernemingssfeer sluit verbondenheid met privésfeer niet uit

van de aandeelhouder als belegger niet altijd parallel met de belangen van de onderneming. In de inkomstenbelasting heeft de wetgever met deze bijzondere positie van aandeelhouders vooral in box 2 rekening gehouden. In de tweede plaats betekent het aanvaarden van de resultaatsafhankelijkheid als etiketteringscriterium dat de rechter het ondernemingsbegrip op een wijze oprekt die niet direct lijkt te passen binnen het systeem van de Wet IB 2001. Namelijk door de ondernemingssfeer in te vullen aan de hand van de vraag in hoeverre het resultaat van de bv afhankelijk is van het resultaat van het samenwerkingsverband. Hierdoor miskent de rechter in feite de zelfstandigheid van de bv en betrekt het zelfstandig te berekenen resultaat van de bv in een vergaand gesubjectiveerde onderneming in box 1. Gedurende de introductie van de Wet IB 2001 is het duidelijk geworden dat de wetgever geen voorstander was van een dergelijke verdergaande subjectivering. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de vaststelling of de aandelen als ondernemingsvermogen moeten worden geëtiketteerd of als privévermogen afhankelijk is van de feiten en omstandigheden. Op basis van feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld of de grenzen der redelijkheid worden overschreden als de aandelen van de bv als privévermogen worden geëtiketteerd. Bij het aangaan van een samenwerkingsverband met een eigen bv draagt de ondernemer een evenredig deel van zijn onderneming over aan zijn bv. De bv moet de door haar overgenomen zaken tot haar bedrijfsvermogen rekenen. Het houden van de aandelen in de bv hebben voor de aandeelhouder echter mede een ‘beleggend’ karakter. Niemand twijfelt er in casu aan dat in het geval een derde de bv zou hebben opgericht, de aandelen tot zijn privévermogen zouden moeten worden gerekend. De bv kan weliswaar aanspraak maken op een aandeel in het resultaat, maar de bv is niet de voorwaarde om dit resultaat te kunnen behalen. Het feit dat de bv een samenwerkingsverband aangaat met de natuurlijk persoon/ondernemer die tevens aandeelhouder is van de bv maakt naar onze opvatting niet dat enkel daardoor de aandelen van de bv verplicht als ondernemingsvermogen moeten worden aangemerkt.

Opvatting Belastingdienst hand van de feiten en omstandigheden van het geval worden bepaald. Dit betekent dat bij een keuze om de aandelen in privé aan te houden, ook deze keuze feitelijk moet worden onderbouwd. Daarbij ligt het voor de hand om het karakter van het aandeelhoudersbelang te benadrukken. Een aandeelhouder heeft namelijk zowel een beleggersbelang bij het aandelenbezit als een ondernemingsgerelateerd belang. Als aandeelhouder heeft men belang bij het goed functioneren van de onderneming, maar aan de andere kant loopt het belang

12

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

De Belastingdienst neemt met betrekking tot de etikettering van de aandelen het standpunt in dat de Hoge Raad ten aanzien van de etikettering van aandelen concludeert dat in twee gevallen de aandelen tot het verplichte ondernemingsvermogen moeten worden gerekend, namelijk als: ■ deze aandelen/vermogensbestanddelen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend dienstbaar zijn aan de onderneming van belanghebbende (vergelijk BNB 1982/197; criterium één); of


■ ■ ■ ■ ■

■ met deze aandelen/vermogensbestanddelen te behalen voordelen in feite afhankelijk zijn van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende (vergelijk BNB 1996/340; criterium twee). De verdere onderbouwing van deze opvatting is gebaseerd een artikel van J.F. Giele (WFR 1974/5184) en de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 6 april 2007. Uit het arrest BNB 1996/340 en de uitspraak van Rechtbank Arnhem volgt dat de aandelen in een bv tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren in het geval het resultaat van de bv mede afhankelijk is van de bedrijfsuitoefening van de aandeelhouder. Dit is doorgaans het geval als de bv is gerechtigd tot het resultaat van het samenwerkingsverband waarvan ook de onderneming van de aandeelhouder deel uitmaakt.

Beoordeling standpunt Belastingdienst Het standpunt dat de Belastingdienst inneemt bij de onderbouwing van de opvatting dat bij een samenwerking tussen de natuurlijke persoon en zijn eigen bv de aandelen als verplicht bedrijfsvermogen moeten worden aangemerkt is uiteindelijk terug te voeren op de volgende zinsnede. ‘Naar het oordeel van het Hof dient ter beantwoording van de vraag of de vermogensbestanddelen tot belanghebbendes verplichte ondernemingsvermogen behoren te worden onderzocht of deze vermogensbestanddelen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend dienstbaar zijn aan de onderneming van belanghebbende dan wel of de met deze vermogensbestanddelen te behalen voordelen in feite afhankelijk zijn van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende.’ Uit de uitspraak van Rechtbank Arnhem volgt dat het gaat om het laatste gedeelte van voornoemde zinsnede. Dat laatste gedeelte van de zinsnede te weten ‘of de met deze vermogensbestanddelen te behalen voordelen in feite afhankelijk zijn van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende’ is ontleend aan het arrest HR 16 augustus 1996 (BNB 1996/340) betreffende de etikettering van de aandelen OPG. Deze zaak werd verwezen naar Hof ’s-Gravenhage. Hof ’s-Gravenhage (18 mei 1999, nr. 96/2635, V-N 1999/37.11, blz. 3376) oordeelde in de verwijzingszaak dat uit het geheel van voorwaarden waaronder een lid aandelen kon verwerven en daarmee voordelen kon behalen, dat de toekenning van deze aandelen mede tot doel had de apotheker aan OPG te binden en dat het betrokken lid de hoogte van deze voordelen kon beïnvloeden door de omvang en samenstelling van zijn inkopen bij OPG. Het hof oordeelde dat deze voordelen daardoor in feite afhankelijk waren van de bedrijfsuitoefening van de apotheker/OPG-lid, zodat ingevolge de statuten van 1998 verworven aandelen verplicht ondernemingsvermogen vormden.

Overweging Rechtbank Arnhem ‘De met de aandelen [E] te behalen voordelen zijn in feite afhankelijk van de bedrijfsuitoefening van eiser. Redengevend hiervoor acht de rechtbank dat de deelneming van [E], te weten [D] B.V., voor 28% gerechtigd is tot het resultaat van de maatschap en dat het resultaat van [D] B.V., en daarmee ook het resultaat van [E], zodoende mede bepaald wordt door de resultaten van de maatschap.’

Aandelen hebben voor aandeelhouder mede een beleggend karakter Deze overweging kan naar onze opvatting niet worden gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad en de verwijzingsuitspraak in de OPG-zaak. In de OPG-zaak gaat het duidelijk om aandelen in een inkoopcoöperatie waarvan de resultaten van die coöperatie feitelijk afhankelijk waren van de bedrijfsuitoefening, te weten de inkopen die belastingplichtigen/aandeelhouders bij de coöperatie deden. Op basis van bestaande rechtspraak is er dan overduidelijk sprake van verplicht ondernemingsvermogen. Dat is een totaal andere situatie dan het aangaan van een samenwerkingsverband met eigen bv. Met betrekking tot de overdracht van een aandeel in een samenwerkingsverband is er de eerder vernoemde rechtspraak HR 21 april 1982, BNB 1982/197 waaruit blijkt dat de aandelen keuzevermogen vormen. Het ging in die zaak om een niet-beherende vennoot in een cv die de helft van zijn cv-aandeel had ingebracht in een bv. De Hoge Raad overwoog: ‘dat evenwel uit het feit dat belanghebbende de helft van zijn deelneming in de CV heeft ingebracht in de BV, in samenhang met de overige door het Hof als vaststaand aangemerkte omstandigheden, niet kan worden afgeleid dat het bezit van de aandelen in de BV uitsluitend het belang van

Voordelen afhankelijk van bedrijfsuitoefening apotheker de onderneming van belanghebbende als deelnemer in de CV dient; dat het belanghebbende dan ook vrijstaat de aandelen in de BV, welke laatste op gelijke voet als belanghebbende zelf deelneemt in de CV, te rekenen tot zijn privévermogen; (...)’. Dit arrest van de Hoge Raad is van latere datum dan het artikel van Giele en is voor zover bekend het enige arrest dat gaat over de etikettering van aandelen bij de over-

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

13


■ ■ ■ ■ ■

Aandelenetikettering

dracht van een aandeel in een samenwerkingsverband aan een eigen bv. Uit dit arrest kan naar onze opvatting worden afgeleid dat de Hoge Raad aandelen in een bv alleen als verplicht bedrijfsvermogen ziet als het bezit van de aandelen in de bv uitsluitend het belang van de onderneming die in het samenwerkingsverband wordt gedreven dient. Dat is op grond van de rechtspraak nagenoeg alleen het geval bij aandelen in in- en verkoopcoöperaties dan wel onder heel bijzondere omstandigheden bij aandelen in bv’s die alle in het samenwerkingsverband benutte gebouwen ter beschikking stellen. Zie voor die laatste situatie HR 17 fe-

Aandelen moeten uitsluitend belang onderneming dienen bruari 1937, B nr. 6350, HR 28 april 1971, BNB 1971/115 en de verwijzigingsuitspraak Hof Arnhem 1 december 1972, BNB 1973/200. Zie ook Vakstudie Inkomstenbelasting 2001, aantekening 7.11 bij artikel 3.8. In de uitspraak van Rechtbank Arnhem werd vastgesteld dat de resultaten van de betreffende bv ‘zodoende mede bepaald worden door de resultaten van de maatschap’ dat deze als verplicht bedrijfsvermogen moeten worden aangemerkt. Dit medebepalen is op grond van het arrest van de Hoge Raad niet voldoende. De aandelen moeten uitsluitend het belang van de onderneming dienen. De overweging ‘Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de toetreding tot de maatschap onlosmakelijk was verbonden met het verwerven van het evenredige deel van de aandelen in [D] B.V. (...)’ kan naar onze opvatting afzonderlijk en in samenhang met de voorgaande overweging beschouwd, ook niet tot het oordeel leiden dat de aandelen verplicht bedrijfsvermogen zouden vormen. Bij de overdracht van een evenredig aandeel in een onderneming aan een bv dan wel het anderszins aangaan van een samenwerkingsverband met een bv vormen de aandelen naar onze opvatting op zijn minst keuzevermogen.

Door werking bronnenstelsel geen geruisloze terugkeer In dit verband kan ook nog worden gewezen op het boek van dr. Doornebal Terugkeer uit een BV. Dit boek is geschreven vóór de invoering van de geruisloze terugkeerfaciliteit. Uit dit boek blijkt dat het aangaan van een samenwerkingsverband met een bv een van de eenvoudigste methoden is om belastingheffing over de terugkeer

14

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

naar de inkomstenbelastingsfeer te voorkomen. Dit geldt overigens ook na de invoering van de geruisloze terugkeerfaciliteit nog steeds. Als de aandelen in een dergelijk samenwerkingsverband verplicht ondernemingsvermogen zouden vormen, zou er bij het aangaan van een dergelijke samenwerking gezien de werking van het bronnenstelsel over de winst uit aanmerkelijk belang moeten worden afgerekend en zouden de aandelen tegen werkelijke waarde op de ondernemingsbalans moeten terechtkomen en zou er dus van geruisloze terugkeer geen sprake zijn. Tot slot kan worden verwezen naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 31 augustus 2001 (nr. CPP2001/2374M) betreffende de firmaproblematiek. In dat besluit wordt in vraagt 7 het volgende opgemerkt. ‘Kan een directeur/grootaandeelhouder van een bv in privé een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap aangaan met de desbetreffende BV?’ Antwoord: ‘Een dergelijk samenwerkingsverband is mogelijk.’ In het besluit dat van latere datum is dan de OPG-rechtspraak wordt geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot de criteria die volgens de rechtspraak gelden bij de etikettering van de aandelen.

Conclusie Op grond van rechtspraak zijn wij van oordeel dat de aandelen van een bv die participeert in een samenwerkingsverband met een ondernemer/dga, keuzevermogen vormen. Alleen in het geval dat het resultaat dat met de aandelen is te behalen geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van de bedrijfsvoering is er sprake van verplicht bedrijfsvermogen. In overige gevallen hebben aandelen een gemengd karakter en kunnen ze als privévermogen worden geëtiketteerd. ■


COL UMN

Eenvoudiger? Ammehoela! Edwin Heithuis Prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis is hoogleraar belastingrecht Universiteit Utrecht, directeur Holland Tax Center, wetenschappelijk adviseur BDO Belastingadviseurs en rechterplaatsvervanger bij Rechtbank Den Haag.

Het was weer raak afgelopen najaar tijdens de mondelinge behandeling van het Belastingplan 2011. De nieuwbakken Tweede Kamerleden – voor de meesten van hen was dit hun eerste Belastingplan – spraken zich uit voor een eenvoudiger belastingstelsel. Ook de kersverse staatssecretaris van Financieen Frans Weekers deed een duit in het zakje. Het moet allemaal veel eenvoudiger. Tegen een eenvoudiger belastingstelsel kan en zal uiteraard geen weldenkend mens bezwaar hebben. Binnenkort barst de aangiftetijd weer los en zal menige belastingplichtige verzuchten of het allemaal niet eenvoudiger had gekund. Leuker kunnen we het niet maken, maar maak het dan in elk geval gemakkelijker! De cynische invalshoek is echter – en ik vrees dat die niet zo ver bezijden de werkelijkheid is – dat de Belastingdienst fors moet bezuinigen en met een eenvoudiger belastingstelsel hoeft er minder te worden gecontroleerd! Nou maak ik mij nooit zoveel zorgen als Tweede Kamerleden en/of een staatssecretaris roepen dat het allemaal eenvoudiger moet. Menige vereenvoudigingsoperatie uit het verleden is gestrand op de goede bedoelingen. Aan het eind van het liedje was het vaak ingewikkelder dan ervóór. Een goed voorbeeld is de nieuwe werkkostenregeling in de loonbelasting die wij sinds 1 januari jongstleden hebben. Ik weet niet hoe het u is vergaan, maar de oude regeling begreep ik nog een beetje. Met de nieuwe regeling ben ik het spoor bijster. Ik begrijp de basisgedachte om de 29 categorieën vrije vergoedingen en verstrekkingen onder de oude regeling drastisch terug te snoeien, maar of dit is gelukt? We hebben er nihilwaarderingen en gerichte vrijstellingen voor teruggekregen. Ik heb ze niet allemaal geteld, maar deze nihilwaarderingen en gerichte vrijstellingen gaan toch al snel in de richting van een stuk of twintig. Dus wat is er dan zoveel anders dan onder de oude regeling, behalve dat de naambordjes wat zijn verhangen? De twintigdagenregeling voor dienstreizen, de logo’s van 70 cm2, de bedrijfsfitness op de werkplek, ze zijn allemaal weer terug. Ik voorspel u dat vóór afloop van de overgangsperiode van drie jaar ook de kerstpakketten, de personeelsfeestjes en de fiets van de zaak weer allemaal terug zullen zijn! Ik kan een ander voorbeeld geven dat iets minder de aandacht heeft getrokken en dat betreft het voorstel van het kabinet om de extra heffingskortingen voor de zogenoemde maatschappelijke beleggingen, beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen met ingang van 1 januari 2011 af te schaffen. Precies een week nadat onder grote instemming kamerbreed was gepleit voor een eenvoudiger belastingstelsel, werd door het Tweede Kamerlid Nepp Neppérus van de VVD-fractie dit ook wel erg eenvoudige voorstel weer afgezwakt. Bij amendement vindt de aafschaffing van deze heffingskortingen nu in de komende vier jaar gefaseerd plaats en worden ze van 1,3% in 2010 elk jaar met 0,3% verminderd tot uiteindelijk nihil in 2014! Openlijk wordt er al op gespecul gespeculeerd dat de toekomstige verminderingen van deze heffingskortingen zullen worden uitgesteld. Is dit nu wat de Tweede Kamer bedoelt met eenvoudiger? Maar laat ik deze column positief eind eindigen en zelf enkele voorstellen doen voor een eenvoudiger belastingstelsel:  afschaffing van de hypotheekrente hypotheekrenteaftrek in de inkomstenbelasting;  afschaffing van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting;  afschaffing van de dividendbelastin dividendbelasting;  afschaffing van de overdrachtsbelas overdrachtsbelasting;  afschaffing van de schenk- en erfbelasting; e  afschaffing van het verlaagde tarief in de btw. En last but bu not least de dga uit de loonbelasting. Dit zou een werkelijke vereenvoudiging van de belastingwetgeving betekenen. Maar u weet vereenvo go als ik dat dit er NOOIT van zal komen! ■ net zo goed

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

15


De

Mr. A.J. (Arend Jan) van Lint

Fotograaf: Ton Kastermans

1959 1977 1984 1984 – 1998 1998 – 2004 2004 – 2008

16

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

Geboren te Delft Gymnasium B Haags Montessori Lyceum Doctoraal Belastingrecht Universiteit Leiden Belastinginspecteur Directeur vaktechniek PricewaterhouseCoopers Freelance docent CB/fotograaf Tribuut Tennis & Coach etc. 2008 – heden Directeur vaktechnisch bureau Nexia Nederland


HET

■ ■ ■ ■

Interview

paradox van horizontaal toezicht Nexia Nederland sloot met de Belastingdienst het eerste intermediairconvenant over horizontaal-toezicht. Vaktechnisch directeur en oud-belastinginspecteur Arend Jan van Lint voerde mede de besprekingen. ‘Of je baat hebt bij horizontaal toezicht hangt heel erg af van de attitude van degenen die aan tafel zitten. Je schiet niets op met een inspecteur die winstmaximalisatie voor de schatkist nastreeft.’ Door Lex van Almelo

‘I

k viel met mijn neus in de boter toen ik in 2008 bij Nexia begon als directeur Vaktechniek Fiscaliteit. Nexia Nederland was al in gesprek met de Belastingdienst over horizontaal toezicht, en omdat ik veertien jaar belastinginspecteur ben geweest, werd ik direct als contactpersoon naar voren geschoven. Ik zeg dat ik met mijn neus in de boter viel, omdat ik het interessant vind. Het is toch vrij opmerkelijk dat de Belastingdienst met de vraag komt of wij een convenant willen sluiten.’ Wat is daar opmerkelijk aan? ‘Het geeft aan dat de communicatie vaak niet goed verloopt en dat de manier van toezicht houden niet altijd even effectief is. Op korte termijn kan een correctie effect hebben, maar op langere termijn kan dat averechts werken, ook voor de belastingopbrengst. De belastingplichtige kan dan denken: als het zo moet verdien ik het wel op een andere manier terug. En volgens gedragswetenschappers gebeurt dat mét rente. Als de Belastingdienst dan zegt dat zij wil werken op basis van vertrouwen en problemen wil oplossen in een goede relatie, dan is dat op zijn minst interessant.’

Nederland het eerste intermediairconvenant met de Belastingdienst. Nexia heeft niet meteen getekend. ‘Klopt, het heeft een jaar geduurd. Je moet er wel goed over nadenken. Binnenkort loopt het convenant af. We zijn nu in overleg over het nieuwe convenant.’ Nexia tekent niet zonder meer voor verlenging? ‘Wij hebben een speciale uitzondering. Bij ons vallen ook alle middelgrote ondernemingen, de mgo-posten, onder het convenant. In de standaard-convenanten bestaat namelijk een verschil tussen mkb- en mgo-posten. De Belastingdienst wil met middelgrote ondernemingen individuele convenanten afsluiten. Die ondernemingen hebben een eigen tax control framework. Voor het mkb sluit de Belastingdienst convenanten met intermediairs. Het aannamebeleid, de hoogwaardige werkprocessen en het know your customer van intermediairs is het tax control framework voor mkb-ondernemingen. Dat is dus een heel ander verhaal. De Belastingdienst wil geen speciale uitzonderingen. Maar wij vinden het jammer dat een onderneming niet meer onder ons convenant valt als er ineens eenenvijftig poppetjes werken in plaats van vijftig. Daarover zijn wij nu intensief in gesprek.’

Geen uitzonderingen De accountants- en belastingadvieskantoren Horlings, Koenen en Co en KroeseWevers vormen samen Nexia Nederland, dat ongeveer 800 medewerkers en 21 vestigingen heeft. Op 17 december 2008 sloot Nexia

Kopschuw Hoeveel van uw cliënten hebben het convenant al ondertekend? ‘Nog lang niet de helft. Je moet er als adviseur echt de boer mee op gaan. Anders gebeurt er niets.’

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

17


■ ■ ■ ■

Interview

Waarom zou je als cliënt tekenen? ‘Als je tekent verandert er iets wezenlijks. Normaal gesproken communiceer je met de Belastingdienst via het aangiftebiljet. Als die iets ziet dat niet klopt, corrigeert die, maar er bestaat een kans dat de Belastingdienst dat niet ziet. Dat mazzeltje heb je niet meer als je het convenant ondertekent, want dan ben je verplicht om te overleggen voordat je aangifte doet. Bij dat overleg moet je alle punten voorleggen waarover de meningen zouden kunnen verschillen. De reguliere controle vervalt, maar je kunt nog altijd worden

Niet langer mazzeltje doordat Belastingdienst fout niet opmerkt gecontroleerd op grond van een steekproef of in het kader van een landelijk thema. Als belangenbehartiger moet je je afvragen of die werkwijze in het belang is van je cliënt.’ En wanneer is dat? ‘Het hangt er heel erg van af hoe het vooroverleg verloopt. Het vooroverleg moet constructief zijn. De inspecteur moet tot een oplossing willen komen in plaats van willen corrigeren. Je schiet niets op met een inspecteur die winstmaximalisatie voor de schatkist nastreeft.’ Dus of je er baat bij hebt, moet je nog maar afwachten? ‘Het hangt erg af van de attitude van de mensen aan tafel. Onze ervaringen daarmee zijn heel positief, maar door de ontwikkelingen die voorafgingen aan de invoering van het horizontaal toezicht zijn mensen wat kopschuw geworden. Na de affaire bij woonwagenkamp Vinkenslag zijn belastinginspecteurs behoudender geworden en is er minder mogelijk. Daardoor heb je vaker

Goed vooroverleg voorkomt gedonder achteraf een vechtsituatie dan een overlegcultuur. De inspecteur moet oplossingsgericht zijn en geen verborgen agenda hebben en als de adviseur transparant is over de feiten kun je meteen kijken hoe je bepaalde problemen kunt oplossen. Zonodig kun je de feiten nog aanpassen. Dus als de inspecteur bijvoorbeeld vindt dat je de rente niet mag aftrekken wanneer je voor een overname geld leent van je vader, dan kun je alsnog geld lenen bij de bank. Maar wanneer je na drie jaar een correctie krijgt, heb je geen keuze meer. Beide partijen moeten dus uit hun schuttersputjes komen.’

Paradox ‘Wat is nu het beste voor jouw cliënt? Onze visie is dat die heel wel gebaat is bij goed vooroverleg, zodat je geen gedonder achteraf krijgt.’

18

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

Als zzp’er heb ik in dertig jaar nooit meningsverschillen gehad met de Belastingdienst. Mijn SRA-accountant heeft een intermediair-convenant. Wat schiet ik met vooroverleg op? ‘Ik kan me voorstellen dat je dan zegt: laat maar.’ Maar als ik het convenant niet onderteken, ben ik dan niet bij voorbaat ‘verdacht’? ‘De risicoanalyse van de Belastingdienst blijft hetzelfde. Je krijgt dus niet extra controles wanneer je niet tekent. Het effect zit meer in de psychologie van de inspecteur. Die kan denken: vijftig procent van de ondernemers heeft het convenant wel ondertekend, waarom deze niet?’ Waarom zou mijn accountant mij niet hebben gevraagd of ik het convenant wil ondertekenen? ‘Het kan zijn dat hij slechte ervaringen heeft met vooroverleg. Of hij denkt gewoon: we hebben nooit problemen, dus waarom zou ik? Dat is de paradox van het horizontaal toezicht: degene die het meest te vertrouwen is en het minst problemen geeft, heeft er het minst bij te winnen. Terwijl de frauduleuze figuur kan denken: ik moet een vooroverleg entameren, want dan heb ik veel minder controle. Als je iets te verbergen hebt, is dat heel aantrekkelijk.’ Ik hoor het al, voor mij is het niets. ‘Voor jou is de winst niet groot, maar je hebt wel meer zekerheid. Je zult maar een kwaaie inspecteur treffen – dat is wel het risico dat je loopt. Aan de andere kant, hoe vaak zijn er nu discussiepunten? Meestal gaat het dan om onroerend goed, verschillende bv’s, eenpersoonsvennootschappen et cetera. Maar over het algemeen is het zo spannend niet.’

Cultuurverandering ‘Horizontaal toezicht is een element van de cultuurverandering bij de Belastingdienst. Aanvankelijk riepen zowel mensen van de Belastingdienst als de belastingadviseurs dat horizontaal toezicht drie keer niks is. Die negatieve houding is denk ik ingegeven door de wederzijdse ervaringen uit het verleden, door wantrouwen. Want horizontaal toezicht zou toch eigenlijk helemaal niet nodig moeten zijn? Waarom zijn inspecteurs niet sowieso oplossingsgericht? Waarom erkennen zij niet dat de regels zo ingewikkeld zijn dat zelfs professionals door de bomen het bos niet meer zien? Dat ondernemingen en adviseurs de boel dus niet bewust flessen.’ Oud-Feyenoord-praeses Jorien van den Herik is destijds strafrechtelijk vervolgd en – uiteindelijk – vrijgesproken. Begin dit jaar heeft de Belastingdienst een convenant getekend met Feyenoord. Had het toen al anders gekund? ‘De Belastingdienst had met alle betrokkenen in alle redelijkheid om de tafel moeten gaan zitten, eventueel met de KNVB erbij. Want zelfs als je een strafrechtelijke procedure zou winnen, is de winst beperkt. Je kunt een voorbeeld willen stellen. Maar dat werkt niet als de sympathie bij de veroordeelde ligt. Deze zaak is een mooi voorbeeld van de restrictieve aanpak. Maar hoe doorbreek je in die situaties het wantrouwen? Daarvoor moet


■ ■ ■ ■

nog heel wat water door de Maas stromen. Want een controleambtenaar denkt: ik controleer al dertig jaar en ik vind altijd wel iets. Moet ik de ondernemer nu ineens op zijn blauwe ogen geloven?’ Nou? ‘Je moet iemand niet naïef vertrouwen. Je krijgt ook niet zomaar een convenant. De kwaliteit van jouw werkprocessen en jouw aannamebeleid moeten goed zijn. Dan heb je natuurlijk nog de gedragsregels en het tuchtrecht. En de Belastingdienst blijft ook cliënten met een convenant controleren via steekproeven.’

Rechtsongelijkheid Horizontaal toezicht leidt volgens critici tot rechtsongelijkheid. Er bestaan niet alleen verschillende convenanten, de ene inspecteur is ook de andere niet. ‘Er spelen misschien verschillen op het niveau van individuele ondernemingen. Maar de Belastingdienst wil voor iedereen een gelijk speelveld.’ Volgens belastingadviseur en onderzoeker Eelco van der Enden zijn er binnen de Belastingdienst ook ‘nieuwe verticalen’ die ondanks het horizontaal toezicht nog ouderwets op hun strepen staan. ‘Ik kan me vanuit mijn veertienjarige ervaring bij de Belastingdienst voorstellen dat dat zo is. Het is een heel belangrijk punt.’

Er verdwijnen 5000 mensen bij de Belastingdienst. Moeten de nieuwe verticalen er dan maar als eerste uit? ‘Onder belastingadviseurs heb je ook mensen die vakmatig heel goed zijn, maar niet kunnen acquireren. Of juist heel goed kunnen netwerken, maar fiscaal minder sterk zijn. Het is een universeel vraagstuk. Horizontaal toezicht is maar één van de taken van de Belastingdienst. Je moet niet iedereen laten aanschuiven aan de overlegtafel. De mensen die het moeten doen, moeten ook echt een horizontale attitude hebben, anders wordt het niets. Onze ervaring bij het vooroverleg met cliënten is dat de

Is ondernemer nu wel op zijn blauwe ogen te geloven? belastingambtenaren die ook echt hebben. Maar als het horizontaal toezicht verder wordt uitgerold en er dus meer mensen voor moeten worden ingezet, wordt de kans groter dat er ook mensen aanschuiven die nog niet helemaal de juiste attitude hebben. Het lijkt mij heel knap als je door opleiding en training na twintig of dertig jaar je houding kunt veranderen. Maar natuurlijk moet je die opleidingen en trainingen wel geven.’ ■

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

19


■ ■ ■

Terugwenteling van

lijfrentepremies; 1 april 2011 nadert! Bedragen die zijn betaald voor een gefacilieerde lijfrente in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen in beginsel voor aftrek in aanmerking. In het algemeen geldt dat die bedragen aftrekbaar zijn in het jaar van betaling. Onder voorwaarden kunnen lijfrentepremies voor aftrek echter worden teruggewenteld naar het jaar voorafgaand aan het betalingsjaar. Vanaf 2011 is de vertrouwde terugwentelingsoptie uit de wet geschrapt en is terugwenteling nog maar beperkt mogelijk.

U

itgaven voor inkomensvoorzieningen in de zin van de Wet IB 2001 zijn onder andere de op de belastingplichtige drukkende premies voor lijfrenten die voldoen aan de lijfrentedefinitie van de Wet IB 2001 en voor aanspraken op aan de belastingplichtige zelf toekomende periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval (arbeidsongeschiktheidsverzekeringen). Dergelijke uitgaven komen in beginsel voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop de premies zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden (artikel 3.147 Wet IB 2001). Voor lijfrentepremies geldt in afwijking van die algemene regel een specifieke bepaling. Zo komen lijfrentepremies voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend en geldt dat voor zover de verrekening ervan leidt tot een schuldig gebleven bedrag, er geen plaats is voor aftrek van lijfrentepremies. Ten slotte geldt voor bepaalde lijfrentepremies dat zij – voor aftrek ervan – kunnen worden teruggewenteld naar het jaar dat voorafgaat aan het jaar van betaling (artikel 3.130, lid 2 Wet IB 2001). Vanaf 2011 is die mogelijk-

heid ingeperkt! Voor de aftrek wordt de inleg op een lijfrentespaarrekening in de zin van artikel 3.126a Wet IB 2001 gelijkgesteld met een lijfrentepremie, dus ook voor terugwenteling.

Betaling lijfrentepremie omstreeks contractuele betaaldatum Een lijfrentepremie kan pas voor aftrek in aanmerking komen als deze daadwerkelijk is betaald. In dat verband kan pas worden gesproken van een betaling als die plaatsvindt omstreeks de contractueel overeengekomen betaaldatum. Voor een nog af te sluiten lijfrente geldt dat er sprake is van betaling van een lijfrentepremie als de lijfrenteovereenkomst in civielrechtelijke zin al vóór de fiscaal relevante (betaal)datum tot stand is gekomen.

Erik van Toledo E. van Toledo is werkzaam bij de Belastingdienst, onder andere als lid van de Kennisgroep Verzekeringsproducten. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

Bovendien kunnen lijfrentepremies ook al voor aftrek in aanmerking komen als op de fiscaal relevante datum maar voldoende duidelijk is dat de betaling betrekking heeft op een kwalificerende lijfrenteovereenkomst (artikel 3.124 Wet IB 2001). Zo kunnen betalingen die plaats-

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

21


■ ■ ■

Lijfrentepremies

vinden op basis van een offerte/aanvraag soms ook (al) voor aftrek als lijfrentepremie in aanmerking komen, terwijl er nog geen overeenkomst tot stand is gekomen. De betaling moet dan wel steeds in overeenstemming zijn met de offerte/de aanvraag. De kwalificatie als lijfrentepremie geldt uitsluitend als de lijfrenteverzekering

Ook betaling op basis van offerte als lijfrentepremie aanmerken uiteindelijk juridisch tot stand komt in overeenstemming met de offerte/de aanvraag. Voor gevallen waarin daarover twijfel zou kunnen bestaan is in paragraaf 7 van het lijfrentebesluit DGB2010/3119M voor een aantal specifieke situaties aangegeven hoe een en ander uitwerkt.

Schuldig blijven van premie In afwijking van de algemene regel inzake het tijdstip van aftrek die geldt voor uitgaven voor inkomensvoorzieningen van artikel 3.147 Wet IB 2001, geldt dat lijfrentepremies voor aftrek in aanmerking komen op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend. Bovendien geldt ten aanzien van lijfrentepremies dat voor zover de verrekening ervan leidt tot een schuldig gebleven bedrag er geenszins plaats is voor aftrek van de lijfrentepremies. Zo staat het schuldig blijven van de lijfrentepremies in rekening-courant met de eigen bv aftrek in de weg (artikel 3.130, lid 1 Wet IB 2001). Deze lex specialis geldt niet voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als bedoeld in artikel 3.124, lid 1, onderdeel c van die wet!

22

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

Terugwenteling lijfrentepremies; algemeen In afwijking van de regel dat lijfrentepremies aftrekbaar zijn in het jaar waarin de betaling dan wel de verrekening ervan heeft plaatsgevonden, geldt voor de premies die zijn betaald voor lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort het volgende. Dergelijke premies kunnen voor de aftrek ervan worden aangemerkt als zijnde betaald in het jaar voorafgaand aan het jaar van betaling. Met andere woorden, die premies kunnen voor aftrek worden teruggewenteld naar een eerder jaar en dus al in dat eerdere jaar tot aftrek leiden. In het algemeen geldt in dat verband dat de premies dan moeten zijn betaald vóór 1 april. Dit was tot en met de wettekst 2010 geregeld in artikel 3.130, lid 2, onderdeel a Wet IB 2001. De wettekst is vanaf 2011 op dit punt ingeperkt. De algemene terugwentelingsoptie is uit de Wet IB 2001 geschrapt. Als men nog gebruik wil maken van deze terugwentelingsmogelijkheid, is dit voor het laatst mogelijk bij vóór 1 april 2011 betaalde lijfrentepremies. Vanaf belastingjaar 2008 geldt de mogelijkheid tot terugwenteling ook voor de inleg op een lijfrentespaarrekening. De eerste inleg op een lijfrentespaarrekening die voor terugwenteling – naar 2008 – in aanmerking kwam was de vóór 1 april 2009 betaalde inleg!

Afwijkende terugwentelingsperiode bij omzetting oudedagsreserve/stakingswinst in lijfrente Voor lijfrentepremies die uit hoofde van de omzetting van de oudedagsreserve (artikel 3.128 Wet IB 2001) en de omzetting van de stakingswinst (artikel 3.129 Wet IB 2001) zijn betaald geldt een structurele termijn van zes maanden. De reden voor die langere termijn is dat bij die


■ ■ ■

omzettingen de hoogte van de behaalde winst over het kalenderjaar van belang is. Die winst is meestal niet binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar vastgesteld. Deze terugwentelingsmogelijkheid blijft ook na 2010 gehandhaafd! Er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor de terugwentelingsperiode van zes maanden wordt overschreden. Daarbij valt te denken aan correcties op de stakingswinst in de aanslagregeling of omstandigheden van meer persoonlijke aard. Op grond van paragraaf 3.1.2 van het winstlijfrentebesluit CPP2004/633M kan in dergelijke gevallen op verzoek de termijn worden verlengd waarbinnen de lijfrentepremie moet zijn betaald.

Buitenlands belastingplichtige in de loop van het premieaftrekjaar In artikel 3.130, lid 3 Wet IB 2001 is een regeling opgenomen voor de situatie waarin een binnenlands belastingplichtige in de loop van het kalenderjaar waarop de lijfrentepremieaftrek betrekking heeft, buitenlands belastingplichtig wordt. Het derde lid regelt voor dit soort gevallen dat een belastingplichtige bepaalde lijfrentepremies die hij heeft betaald of verrekend in de periode van het kalenderjaar waarin hij geen binnenlands belastingplichtige meer is of binnen genoemde terugwentelingsperioden (na afloop van dat kalenderjaar), desge-

wenst in aanmerking kan nemen in de periode van de binnenlandse belastingplicht.

Tot slot Door de inwerkingtreding van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is de algemene terugwentelingsoptie van de Wet IB 2001 komen te vervallen. Van deze wettelijke mogelijkheid kan voor het laatst gebruik worden gemaakt voor de vóór 1 april 2011 betaalde lijfrentepremies. De in de periode 1 januari 2012 – 31 maart 2012 betaalde lijfrentepremies zijn niet meer terug te wentelen! De terugwentelingsmogelijkheid bij het omzetten van de oudedagsreserve/stakingswinst in een lijfrente blijft ook

Langere terugwentelingsperiode voor correcties op stakingswinst na 2010 gehandhaafd! De Fiscale vereenvoudigingswet 2010 heeft hierin geen verandering gebracht. Als men wil terugwentelen, moet men die keuze kenbaar maken in de betreffende aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen van het jaar waarnaar wordt teruggewenteld! ■

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

23


UIT

De praktijk In de rubriek UIT de praktijk portretteren we een belastingadviseur die zijn carrière buiten het vak heeft voortgezet. Deze keer oud-belastingadviseur en fiscaal jurist mr. M.M.C. Wintels FB, 47 jaar oud en nu voorzitter van het College van Bestuur van een hogeschool.

‘Ik blijf mijn gevoel volgen’ Hij was belastingadviseur, fiscaal jurist, partner bij een kantoor en een van de grondleggers van Fiscount, mr. Marcel Wintels. Waarom verliet hij het vak? Heeft hij nog wat aan zijn kennis en ervaring? Zou hij ooit nog willen terugkeren? Op deze en andere vragen antwoordt hij in zijn ‘oval’ room met veel glas en een riant uitzicht op de besneeuwde tuin. Door Charles Muetstege

H

et College van Bestuur van Fontys Hogescholen zetelt in Eindhoven. In een door studenten druk belopen gebouw is ook de kamer van Marcel Wintels. De ontvangst is plezierig. Wintels schenkt zelf koffie in en hij wisselt nog even iets uit met zijn secretaresse. Aan haar vragen we vooraf wat voor man hij is? Ze lacht gul en antwoordt dat zij graag voor hem werkt. Dat zegt al veel. En dan: ‘Hij is, zoals ik vaak hoor, heel goed in zijn werk. Een allround bestuurder, deskundig op een breed vlak en... hij heeft humor.’ Een drukke baan, meneer Wintels? ‘Ha, nou, in deze organisatie gaat jaarlijks 350 miljoen euro om (exploitatie), er werken vierduizend mensen en we hebben veertigduizend studenten. Ik ben overigens geen drukdoener hoor, daar houd ik niet van. Maar dit is wel méér dan een fulltimejob. We zijn een van de grotere werkgevers van Nederland en als eindverantwoordelijke ben je er 365 dagen per jaar, dus zeven dagen per week mee bezig. Ik zie het overigens als een voorrecht om deze baan te mogen invullen. Fontys is een organisatie met een prachtige maatschappelijke opdracht, namelijk jongelui naar een hbo-diploma helpen. Op allerlei vakgebieden, zoals kunsten, sport en bewegen, economie, techniek tot pedagogiek, psychologie en fiscaal.’ ‘Helpen’, ja, in Rotterdam weten ze hoe dat gaat... Wintels knikt. ‘InHolland is een incident geweest. Waar het om gaat is de borging van de diploma’s, daar steunt je reputatie op, daar moet je niet mee rommelen, want het is het

24

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

enige dat je hebt; kwaliteitsborging door examencommissies. Bij InHolland was er blijkbaar een route om de commissies heen. Fontys staat voor de borging. We hebben onlangs ook inspectieonderzoek gehad en het resultaat was goed. Laat onverlet dat er overal wat kan gebeuren. Op individueel studentenniveau is er natuurlijk weleens een discussie; is het een 5½ of een 6? Zakken of slagen? Het blijft mensenwerk.’ U was belastingadviseur, fiscaal jurist, partner bij een kantoor, een van de grondleggers van Fiscount... Hoe komt zo iemand in het onderwijs? ‘Een lang verhaal dat zich over niet zo’n lange periode uitstrekt. Allereerst kom ik uit een onderwijsgezin. Mijn vader was hoofd van een school zoals dat toen heette en mijn moeder onderwijzeres. Na vwo-B wilde ik naar de sportacademie, maar mijn ouders prefereerden een “degelijke” opleiding. Ik koos voor economie aan de HEAO Arnhem, maar in de propaedeusefase was er een voorlichtingssessie over een nieuwe opleiding voor het tweede tot en met het vierde jaar, te weten belastingrecht. Arie Stolk, parttimedocent en belastingadviseur bij de GIBO Groep, bracht dit heel bevlogen. Ik werd erdoor geraakt en ben het gaan doen. Gedurende de opleiding kreeg ik een stageplek bij de Belastingdienst in Oss. In mijn laatste jaar ben ik me gaan oriënteren; bij de Belastingdienst gaan werken of in een adviespraktijk. Bij KPMG Meijburg kreeg ik de kans om als belastingadviseur te beginnen. Een respectabel kantoor natuurlijk! Na enkele dagen had ik al door dat er een duidelijke scheiding bestond tussen de academisch opgeleide adviseurs en de niet-academisch opgeleiden. Nu heb ik een hoog


■ ■ ■ ■

Fotograaf: Bert Jansen

ambitiegevoel en een enorme gedrevenheid. Je begrijpt, ik wilde dóór en meldde me aan voor fiscaal recht bij Tilburg University en tegelijk voor FB. Ik wilde “de achterstand inhalen”, zo voelde het in die Meijburgomgeving.’

Efficiënt gestudeerd Wintels vertelt over ‘Tilburg’, hij heeft er mooie herinneringen aan. De professoren Geppaart, Van Dijck, Essers, Inge van Vijfeijken... de Mobach-delen. En ook dat hij met deze studie efficiënt te werk is gegaan. Hoe bedoelt hij dat? ‘De mogelijk bestond om in elke periode alle tentamens te doen. Daar heb ik maximaal gebruik van gemaakt en in anderhalf jaar haalde ik het, met FB erbij. Natuurlijk is het even aanpoten naast je werk, maar ik weet ook nog dat ik best wel tijd had voor sport.’ Wintels houdt van sport, zwemmen, tennis, voetbal, wielrennen. (Hij is momenteel – onbezoldigd – voorzitter van de KNWU.) Toen hij in militaire dienst moest koos hij ervoor om in de laagst mogelijke rang te blijven. Des te eerder zou hij er weer uit zijn. Wel deed hij de aangiftes voor officieren

en onderofficieren. Een leuke bijverdienste. Na de diensttijd is hij bij Aegon gaan werken als belastingadviseur. ‘Daar zie je weer een andere kant van het verhaal’, vertelt hij, ‘zoals verzekeringen, stamrechten, eenmanspraktijken en lijfrente. Op een seminar liep ik Karel van Huffelen tegen het lijf, oprichter van Accountants- en belastingadvieskantoor Van Huffelen & Meenink (eerst in

Oplossing voor het serveten tafellakenprobleem Epe, later ook in Zwolle). Van Huffelen, de laatste jaren spiritueel reisleider, is helaas onlangs bij het tragische busongeluk in Peru om het leven gekomen. Hij was een heel creatieve man, heel anders dan de veelal consciëntieuze, consequente maar o zo voorspelbare mensen in dit vak. Hij vertelde zijn verhaal op een bevlogen en inspirerende manier en evenals destijds bij Stolk, raakte me dat. Ik wilde bij Van Huffelen & Meenink gaan werken. Het

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

25


■ ■ ■ ■

Uit de praktijk

werd me van verschillende kanten ontraden (“heel klein kantoor, zonde van je loopbaan”), maar ik wist dat ik mijn gevoel moest volgen. In 1989 begon ik er. Het was zó anders. Ze maakten bijvoorbeeld reclame, nou dat was toen nog not done in de fiscale accountancywereld.’

Begin jaren ’90 al actief met internet Het is daarna erg snel gegaan, nietwaar? U werd na een jaar al partner, u richtte met de andere partners Fiscount en Multicount op en in ’97 was de complete holding verkocht en overgedragen aan Elsevier... ‘Exact. We wilden Van Huffelen & Meenink uitbouwen, maar hadden te maken met wat veel kantoren van deze omvang hebben, het servet- en tafellakenprobleem. Je mist nét die hoogwaardige expertise op een aantal vlakken als LB, btw, overnames, fusies, internationalisering en agrofiscaliteit. Voor specialisaties daarin én om grotere klanten goed te kunnen bedienen, moet je als klein kantoor vaak samenwerken met een groot kantoor. In feite is dat niets anders dan je overleveren aan je grote concurrenten en bij klanten kwam de gedachte soms ook op: waarom gaan we dan niet over naar dat grotere kantoor?’

Ga je eindelijk maatschappelijk iets nuttigs doen? Wintels geeft aan dat het kleine kantoor – toen hij er begon werkten er ruim tien mensen nu rond de vijftig – naast veel pretenties ook geloof in eigen kunnen had. ‘Daarmee legden we de basis voor Fiscount, een associatief model, waar kleinere kantoren hun fiscale en accountancykennis kunnen inkopen, adviesondersteuning kunnen krijgen en via welke ze bijvoorbeeld ook een RA-verklaring kunnen afgeven. Veel van de expertise, zoals RA, hadden we zelf in huis en konden die op deze manier breder inzetten. We hadden daarnaast nog een opleidingsunit (vakstudiebijeenkomsten) alsmede een uitgeefpoot opgezet. De markt reageerde enorm positief en Fiscount groeide snel naar zo’n zevenhonderd kantoren. Begin jaren ’90 waren we bovendien al vroeg actief

’s Avonds bedenken, de volgende ochtend uitvoeren met internet en we besloten onze interne database met kennis en expertise op feebasis te ontsluiten. Als een van de eersten hadden we een dergelijke kennisbank, Multicount, toegankelijk via internet!’ ‘Deze kennisbank wilden we graag in een versnelling naar de markt brengen’, vervolgt Marcel Wintels, ‘en daar hadden we hulp bij nodig. Die bood Elsevier. Zij bracht onder meer de marketingpower en de nodige uitgeverijervaring in. Het werd een mooie joint venture waarin wij 50% van de aandelen behielden, de Multicount-Elsevier

26

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

kennisbank (MEK). Kluwer zat in die tijd met Vakstudienieuws en Weekblad Fiscaal Recht binnen ons vakgebied aan de bovenkant van de markt, terwijl Elsevier – met toen nog uitsluitend de meer consumentgerichte producten als de Belasting Almanak en Fiscaal Advies – de concurrentie met Kluwer wel aanwilde. Elsevier zag de strategische kans dit te verwezenlijken door onze complete holding te kopen. Daar hebben we relatief nog lang over nagedacht.’ Wat is daarvan de reden geweest? ‘Nou, je verkoopt natuurlijk wel je succesverhaal, je kindje! Maar we hebben het toch gedaan en na de verkoop hebben we nog een jaar de integratie verzorgd bij Elsevier. Hierbij stelden we vast dat de adviestak van Fiscount toch van een heel andere orde was dan ‘de business’ en die adviestak is dan ook door Elsevier aan enkele adviseurs terugverkocht. Maar ik had in 1997, 35 jaar jong, een mooie ondernemersfase afgerond, was financieel onafhankelijk en zette mijn zinnen op dingen waar ik geruime tijd niet meer aan toe was gekomen, sporten, reizen... Na ongeveer een half jaar was het genoeg en wilde ik gewoon weer aan het werk. Bij toeval kwam ik via Deloitte voor een interim-reorganisatieklus bij de marktactiviteiten-bv van de Hogeschool Amsterdam. Zo ben ik het hbo ingerold, want hierna werd ik bestuurder bij de Hogeschool Arnhem en Nijmegen (HAN) wat de uitspraak aan mijn vader ontlokte dat ik nu eindelijk maatschappelijk iets nuttigs ging doen!’

Schwung en nieuw elan U werd daar ook voorzitter van het College van Bestuur? ‘Ja en dan wil je met je brede ondernemerservaring eigenlijk wel iets doen aan de traagheid van de ambtelijk georganiseerde hogescholen. Ze zijn bijvoorbeeld erg sterk in het doodschrijven van goede ideeën in allerlei beleidsstukken. Ik ben iemand van liefst ’s avonds bedenken en de volgende ochtend uitvoeren.’ Marcel Wintels vertelt dat het nieuwe bestuursteam er vrij snel in slaagde schwung en nieuw elan te brengen bij de HAN. Hij heeft er acht jaar gewerkt, met veel plezier. Als voorzitter van het College zat hij bij de algemene vergaderingen van de HBO-raad en daar werd bekend dat Fontys Hogescholen in zwaar weer verkeerde. Dalende studentenaantallen, financiële zorgen en er was een hoog ziekteverzuim onder de medewerkers. ‘Ik werd gevraagd door Fontys op het moment dat ik vond dat ik na acht jaar HAN het stokje moest overdragen. Je moet zo’n job ook niet langer doen. Eigenlijk wilde ik wel een baan in de sportwereld, maar toen kwam dit en ik heb ja gezegd. We zijn daar meteen begonnen met een stevige ambitie om de neerwaartse trend snel om te buigen door compromisloos te focussen op de kernopdracht; gewoon heel goed en aantrekkelijk hboonderwijs geven. Veel ingewikkelder is het eigenlijk niet. En nu, na tweeënhalf jaar, zijn de indicatoren en benchmarks alweer boven het landelijk gemiddelde en we stevenen zelfs af op een top 3-notering over een paar jaar!’


■ ■ ■ ■

Gesprekspartner voor staatssecretaris Hebt u iets aan de kennis en de ervaring die u hebt opgedaan in de studie en het fiscale beroep. Hebt u het vak een beetje bijgehouden? ‘Als hier fiscale vragen spelen, kan ik alleen nog uit herinnering putten. Nee, ik heb het vak niet meer bijgehouden. Het is zo in ontwikkeling, dus je redt het niet om dat “er even bij te doen”. Maar je hebt uiteraard de financiële achtergrond en dus oog voor begrotingen, risico’s en dergelijke. Bovendien kan ik bijvoorbeeld contracten snel en goed doorgronden, best van belang voor een bestuurder. In het bestuur van de HBO-raad heb ik inmiddels de portefeuille “Bekostiging” en ik ben ik als zodanig gesprekspartner voor staatssecretaris van Onderwijs Zijlstra, met name dus als het over de financiën van de sector gaat.’ Hoe kijkt u terug op uw oude vak? Mist u het vak of bepaalde onderdelen? ‘Het was een prachtige tijd. Zowel vakinhoudelijk als ondernemers-technisch. Missen niet nee, de belastingadvieswereld is een leuke, maar ook conservatieve wereld.’ Het hbo-onderwijs toch ook? ‘Inderdaad. Een overeenkomst met de belastingadvieswereld is het conservatieve karakter, maar in het hbo zit enorm veel beweging. Er is steeds meer oog voor innova-

tie en de wil om innovaties te implementeren. We hebben honderdvijftig studenten en docenten een iPad in bruikleen kunnen geven om versnelling te brengen in de introductie en acceptatie van dit nieuwe medium en nieuwe media in het algemeen in het onderwijs. Studen-

De belastingadvieswereld is conservatief ten vormen daardoor nu de motor van die vernieuwing. Als je naar de belastingadvieskantoren kijkt moet je toch constateren dat er relatief weinig wordt gedaan aan de conservatieve instelling. Vaak zijn ze wars van vernieuwing. Tegen gewoontes en problemen die ik nu soms in het vak zie liep ik al vijftien jaar geleden aan. Wij hebben destijds vernieuwing gebracht, maar dat heeft niet veel navolging gekregen. Een uitzondering is misschien Yuki, de online boekhoudservice.’ Ooit nog een kans op terugkeer in het vak...? ‘Niet als fiscalist, maar misschien als bestuurder bij een groter kantoor of als adviseur of partner bij fusies en overnames. Ik heb echter beslist geen carrièreplan’, besluit Marcel Wintels, ‘ik blijf mijn gevoel volgen!’ ■

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

27


IN

Jurisprudentie en wetgeving

■ ■ ■ ■ ■

Inkomstenbelasting ■

Beperking Vamil-regeling toegelicht Oprichter bv geniet resultaat vóór voorperiode bv ■ Participatieplan beïnvloedde fictieve verkrijgingsprijs ■

29 29 30

Vennootschapsbelasting

Formeel belastingrecht

Geen doorschuiving boekwinst op beleggingen bij wijziging risicoprofiel ■ Leegstandsrisico leidde tot winstuitstel

30 30

Nieuwe besluiten over loonheffingen ■ Rittenadministratie niet enige bewijs zakelijk gebruik auto

Verwerping gronden aansprakelijkheid is al motivering Fiscus mag drie maanden doen over voorlopige aanslag

31 32

Omzetbelasting

Loonbelasting ■

31 31

Inkomstenbelasting

2011/1 Beperking Vamil-regeling toegelicht Ondernemers die in 2011 investeren in milieubedrijfsmiddelen die recht geven op willekeurige afschrijving (Vamilregeling), mogen deze investering nu slechts voor 75% in plaats van 100% afschrijven. De staatssecretaris van Finan-

Fiscus mag soms bij ICL nultarief weigeren Verbouwing leidde niet tot belast ‘in eigen bedrijf vervaardigd goed’

32 33

2011/2 Oprichter bv geniet resultaat vóór voorperiode bv Als een bv in oprichting (bv i.o.) resultaten behaalt, worden deze onder voorwaarden toegerekend aan de bv. Als vóór deze zogenoemde voorperiode ook nog resultaten uit de voorbereidingsactiviteiten worden behaald, moeten deze volgens de Hoge Raad worden toegerekend aan de oprichter van de bv.

ciën heeft onlangs in de Eerste Kamer een toelichting ge-

Verder heeft de staatssecretaris aangegeven dat hij het niet nodig vindt overgangsrecht in te voeren voor Vamil-investeringen die vóór 1 januari 2011 hebben plaatsgevonden. In de wet is namelijk geregeld dat het tijdstip van investeren het toepasselijke afschrijvingsregime bepaalt. Investeringen die dus in 2010 zijn gedaan maar in dat jaar nog niet volledig zijn afgeschreven, mogen in 2011 en de daaropvolgende jaren volledig willekeurig worden afgeschreven.

De Hoge Raad kwam tot deze uitspraak in de volgende zaak. Belanghebbende dreef sinds oktober 1998 een onderneming. Zij wilde deze onderneming uiteindelijk in de vorm van een bv gaan drijven. Hoewel de onderneming stelselmatig als bv i.o. naar buiten optrad, vond de inschrijving bij de Kamer van Koophandel pas plaats in december 2000. Belanghebbende meldde de bv i.o. aan bij de Belastingdienst in februari 2001 en in augustus 2001 werd belanghebbende als nieuwe onderneemster geregistreerd. De bv werd in september 2002 daadwerkelijk opgericht. Na het houden van een boekenonderzoek ontdekte de fiscus dat de onderneming in 1998 al direct een resultaat had behaald. Volgens de Belastingdienst moest dat resultaat worden belast bij belanghebbende als winst uit onderneming. Belanghebbende ging in beroep waarbij zij stelde dat het resultaat aan de bv moest worden toegerekend. Hof Den Bosch oordeelde echter dat een bv pas belastingplichtig kon zijn voor de vennootschapsbelasting vanaf het moment waarop de voorovereenkomst tot oprichting van de bv was afgesloten. Op dat moment begint de voorperiode. Belanghebbende stelde dat zij de voorovereenkomst al op 1 oktober 1998 had getekend, maar zij kon dit niet aannemelijk maken. Het resultaat vóór de voorperiode moest op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad worden toegerekend aan belanghebbende als oprichtster van de bv. Het hof stelde daarom de inspecteur in het gelijk. Belanghebbende ging in cassatie bij de Hoge Raad, maar die verklaarde het cassatieberoep zonder nadere motivering ongegrond.

geven over de toepassing van de aangepaste regeling.

Tot 1 januari 2011 mocht een milieu-investering onder voorwaarden al in het jaar van aanschaf voor 100% worden afgeschreven. Sinds 1 januari 2011 is dit tijdelijk verlaagd naar 75%. De resterende 25% moet volgens het reguliere afschrijfsysteem over de jaren worden verdeeld. Ondernemers moeten deze investeringen dus ‘opknippen’. In het jaar waarin de twee delen samenlopen is het af te schrijven bedrag de som van beide delen. Stel dat in 2011 wordt geïnvesteerd in een milieubedrijfsmiddel en dat normaliter in vijf jaar zonder restwaarde wordt afgeschreven. In 2011 wordt gebruikgemaakt van de Vamil van 75%. In 2011 mag dan 80% worden afgeschreven (75% willekeurig en 5% regulier) en in de jaren 2012 tot en met 2015 elk jaar 5% regulier.

Geen overgangsrecht

Ministerie van Financiën, 10 december 2010, nr. AFP/2010/645

Hoge Raad, 10 december 2010, LJN: BO6850

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

29


■ ■ ■ ■ ■

2011/3 Participatieplan beïnvloedde fictieve verkrijgingsprijs Als aandelen pas na hun verkrijging een aanmerkelijk

Jurisprudentie en wetgeving

effecten met een defensiever beleggingsprofiel. Het pensioenfonds wilde de bij de verkoop van het oude aandelenpakket behaalde boekwinst met een beroep op de zogenoemde ruilarresten doorschuiven naar de nieuwe effecten. De Belastingdienst ging daarmee niet akkoord.

belang vormen, moet men de verkrijgingsprijs in beginsel stellen op de waarde in het economisch verkeer op dat

Ander risicoprofiel, andere functie

moment. Onlangs bleek voor Hof Amsterdam dat daarbij

Het pensioenfonds ging in beroep, maar zonder succes. Tot aan de Hoge Raad toe was de belastingrechter het eens met de stelling van de inspecteur dat de ruilarresten alleen zijn toe te passen als het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde economische functie heeft als het vervreemde bedrijfsmiddel. In dit geval hadden de nieuwe effecten echter een ander risicoprofiel dan de verkochte aandelen. Hierdoor vervulden de nieuwe aandelen een andere economische functie dan het verkochte aandelenpakket. Het pensioenfonds mocht daarom de fiscale boekwinst op de verkochte aandelen niet doorschuiven naar de nieuwe effecten en moest vennootschapsbelasting betalen over de behaalde boekwinst.

eventueel rekening moet worden gehouden met de waardedrukkende werking van een participatieplan. Het betrof een belanghebbende die aandelen in een bv bezat. Vanaf 1 januari 1997 werd dat belang als een aanmerkelijk belang aangemerkt. In augustus 1997 verkocht de aandeelhouder de aandelen voor ƒ 302 (€ 137) per stuk. Hij gaf geen winst uit aanmerkelijk belang op in zijn aangifte inkomstenbelasting 1997. Volgens hem was namelijk de (fictieve) verkrijgingsprijs gelijk aan de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 1997, die weer gelijk was aan de verkoopprijs in augustus 1997. In maart 2000 stelde de inspecteur echter dat de waarde in het economisch verkeer op 1 januari 1997 slechts ƒ 25 (€ 11) per aandeel was geweest. De aandelen in de bv vielen namelijk onder een participatieplan. Dat participatieplan bepaalde dat de aandelen slechts op bepaalde dagen tegen een vooraf vastgestelde prijs konden worden verhandeld. Doordat de Belastingdienst een lagere verkrijgingsprijs hanteerde behaalde belanghebbende wel een fiscale winst uit aanmerkelijk belang. Belanghebbende was het niet eens met de fiscus en ging in beroep. Uiteindelijk sloten beide partijen op aanraden van het hof een compromis. Bij de waardering in het economisch verkeer van de aandelen op 1 januari 1997 zou een onzekerheidsmarge van 15% worden afgetrokken van de in augustus 1997 overeengekomen verkoopprijs van ƒ 302 (€ 137) per aandeel. ■

Hof Amsterdam, 9 september 2010, LJN: BO0130

Vennootschapsbelasting

2011/4 Geen doorschuiving boekwinst op beleggingen bij wijziging risicoprofiel Als een bv een fiscale boekwinst behaalt met de verkoop van een aandelenpakket, is het soms mogelijk deze door te schuiven naar een nieuw aandelenpakket. Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat als het nieuwe aandelen-

Hoge Raad, 3 december 2010, LJN: BO1999

2011/5 Leegstandsrisico leidde tot winstuitstel Stel een bv verkoopt een bedrijfspand waarbij zij als verkoper mede een vergoeding ontvangt voor door haar te lopen risico’s. In dat geval mag de bv voor dat deel van de vergoeding uitstel van winst nemen. Het vormen van een voorziening is in het algemeen echter niet toegestaan. Dit bleek onlangs in een zaak voor de Hoge Raad. Belanghebbende was een bv die samen met een aantal andere vennootschappen een fiscale eenheid vormde. De activiteiten bestonden uit de handel in en de exploitatie van onroerende zaken en projectontwikkeling. De bv had in mei 2001 een nieuw bedrijfspand laten bouwen en verhuurde dat pand voor een periode van tien jaar aan een dochtermaatschappij van de fiscale eenheid. Deze dochtermaatschappij had een recht van onderverhuur. In 2002 verkocht de bv het pand aan een andere bv buiten de fiscale eenheid. Daarbij behaalde de bv een boekwinst van bijna € 3,5 miljoen. Volgens de bv hoefde zij over een deel van deze winst geen vennootschapsbelasting te betalen, omdat zij voor dat deel een voorziening mocht vormen. Het ging daarbij om het deel van de koopprijs dat een vergoeding vormde voor het zogenoemde leegstandsrisico. Dat risico had betrekking op gemiste huuropbrengsten doordat delen van het pand niet werden gebruikt door de fiscale eenheid of door haar onderverhuurders. De Belastingdienst was het daarmee niet eens. De zaak kwam uiteindelijk voor de Hoge Raad.

pakket een ander risicoprofiel heeft dan het verkochte aan-

30

delenpakket, doorschuiving niet mogelijk is.

Vergoeding leegstandsrisico

Deze zaak betrof een stichting pensioenfonds van vijf (voormalige) directeuren van een bv. Toen de laatste van de vijf directeuren met pensioen ging veranderde het pensioenfonds van een nog deels pensioenopbouwend fonds in een uitsluitend pensioenuitkerend fonds. Op aandringen van zijn vermogensbeheerder had het fonds bijna zijn gehele aandelenportefeuille verkocht en vervangen door

De Hoge Raad gaf de bv deels gelijk. Het gedeelte van de verkoopprijs dat kon worden aangemerkt als een vergoeding (premie) voor het leegstandsrisico mocht de bv toerekenen aan de periode waarin de bv dat risico liep. Zij kon dat bedrag dus op de balans reserveren en haar winst op die manier gedeeltelijk uitstellen. Volgens de Hoge Raad was het echter niet toegestaan een voorziening te vormen voor het leegstandsrisico. Een voorziening kan namelijk alleen

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2


■ ■ ■ ■ ■

worden gevormd als de (toekomstige) uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de balansdatum, deze uitgaven ook zijn toe te rekenen aan die periode en er een redelijke mate van zekerheid is dat de uitgaven zich zullen voordoen. In dit geval voltrok het leegstandsrisico zich van jaar tot jaar. Dat risico moest daarom worden toegerekend aan de toekomstige huurperioden. De Hoge Raad verwees de zaak vervolgens naar Hof Arnhem met de opdracht nader te onderzoeken welk deel van de verkoopprijs een vergoeding voor het leegstandsrisico vormde. ■

Hoge Raad, 3 december 2010, LJN: BL2098

Loonbelasting

2011/6 Nieuwe besluiten over loonheffingen De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs twee nieuwe besluiten gepubliceerd die een actualisering van bestaande besluiten vormen. De wijzigingen zijn vooral het gevolg van nieuwe wet- en regelgeving. Het eerste besluit (nr. DGB2010/7826M) ziet op de tabel voor bijzondere beloningen, de eindheffing, de internationale studentenkaart en de levensloopregeling. De wijzigingen zijn voor een groot deel van redactionele aard. Zij hangen onder meer samen met het feit dat werkgevers in de jaren 2011 tot en met 2013 zelf mogen bepalen of zij de werkkostenregeling wel of niet toepassen. Dit besluit bevat ten slotte twee goedkeuringen. Zo keurt de staatssecretaris goed dat bij het toekennen van ongelijke levensloopbijdragen aan vergelijkbare werknemers alleen de levensloopaanspraken van de werknemers die een hogere bijdrage ontvangen belast vrijvallen. Verder keurt de staatssecretaris onder voorwaarden goed dat de inspecteur voor de werkgever een lager heffingspercentage bijzondere beloningen vaststelt als het heffingspercentage volgens de tabel bijzondere beloningen hoger is dan het percentage voor het loon in het lopende jaar.

2011/7 Rittenadministratie niet enige bewijs zakelijk gebruik auto De rittenadministratie is waarschijnlijk de meest geaccepteerde manier waarop men bewijst dat met een auto van de zaak minder dan vijfhonderd privékilometers zijn gereden. Het is echter niet de enige manier, zoals de Hoge Raad onlangs heeft bevestigd. Belanghebbende was in 2004 in dienstbetrekking bij een autoverhuur- en leasebedrijf. Hij beschikte over een auto van de zaak. Gedurende een deel van het jaar 2004 moest de werknemer zijn auto van de zaak overdag beschikbaar stellen aan zijn collega’s voor pendelritten. Deze pendelritten bestonden uit het halen en brengen van huur- en leaseauto’s naar verschillende adressen. In 2004 vond de bijtelling nog plaats in de inkomstenbelasting, dus liet belanghebbende de inspecteur een rittenadministratie zien. Op deze rittenadministratie ontbraken de routes en bestemmingen van de pendelritten. De inspecteur vond dat belanghebbende daardoor niet had bewezen dat hij in 2004 minder dan vijfhonderd privékilometers had gereden. De Belastingdienst paste dan ook de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak toe. De werknemer ging in bezwaar, maar het hof was het eens met de inspecteur. In cassatie had belanghebbende meer succes. De Hoge Raad wees op de vrije bewijsleer; belanghebbenden zijn niet gebonden aan de rittenadministratie en evenmin aan schriftelijke stukken voor het leveren van bewijs. Als de werknemer op een andere manier kon bewijzen dat hij minder dan vijfhonderd privékilometers had gereden, mocht de fiscus geen bijtelling toepassen. De Hoge Raad verwees de zaak door naar een ander hof. ■

Hoge Raad, 22 oktober 2010, LJN: BO1395

Formeel belastingrecht

2011/8 Verwerping gronden aansprakelijkheid is al motivering

Stagiairs Het tweede besluit (nr. DGB2010/2202M) gaat over de arbeidsverhouding van stagiairs. Hierin staat onder meer in welke gevallen de arbeidsverhouding van een stagiair wordt aangemerkt als een echte of fictieve dienstbetrekking. Verder keurt de staatssecretaris in dit besluit goed dat de stageverlener in bepaalde gevallen geen loonheffing inhoudt op de stagebeloning, bijvoorbeeld als de stagiair deze beloning moet afstaan aan zijn school. Het besluit is vooral aangepast naar aanleiding van de invoering en verlenging van de kleinebanenregeling die van toepassing is in 2010 en 2011 en de inwerkingtreding per 1 mei 2010 van de EG-Verordening over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. ■

Ministerie van Financiën, 14 december 2010, DGB2010/7826M en DGB2010/2202M

Als een bezwaarschrift geen motivering bevat, kan de Belastingdienst het niet-ontvankelijk verklaren. De fiscus moet echter wel eerst goed kijken of een bezwaarschrift echt geen motivering bevat. Als een belanghebbende namelijk stelt dat hij het niet eens is met de grond van de aanslag of aansprakelijkheid, kan de belastingrechter dit al als een voldoende motivering zien. Dit overkwam de Belastingdienst onlangs in de volgende zaak. Een voormalige bestuurder van een vennootschap was aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde naheffingsaanslagen omzetbelasting inclusief boete. De ontvanger van de belastingen stelde dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat de vennootschap haar betalingsonmacht niet had gemeld. Subsidiair stelde de ontvanger dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat een behoorlij-

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

31


■ ■ ■ ■ ■

ke administratie ontbrak. Belanghebbende diende een pro-forma bezwaarschrift tegen de aansprakelijkstelling in. Hij kreeg tot 15 september 2007 de tijd een nadere motivering te geven. Op 11 september 2007 vroeg hij verder uitstel aan, omdat de aan te voeren gronden samenhingen met resultaten uit nog niet-afgeronde boekjaren. Toen belanghebbende na drie weken extra uitstel nog geen nieuwe gegevens had verstrekt verklaarde de ontvanger zijn bezwaar niet-ontvankelijk.

Jurisprudentie en wetgeving

ginsel een zekere vrijheid heeft bij de inrichting van zijn werkzaamheden. Hoewel de fiscus enige voortvarendheid moet tonen, oordeelde de Hoge Raad dat een termijn van drie maanden redelijk genoeg is. De hofuitspraak werd daarom vernietigd, zodat de termijn voor de berekening van de heffingsrente weer werd verlengd naar 12 oktober 2007. ■

Hoge Raad, 24 december 2010, LJN: BM7365

Ontvankelijk pro-forma bezwaar Belanghebbende begon een beroepsprocedure. Hof Den Bosch stelde vast dat uit het pro-forma bezwaarschrift en uit de latere brieven van de voormalige bestuurder bleek dat hij het niet eens was met de gronden van de aansprakelijkstelling. Dit was eigenlijk al een motivering. Bovendien had de ontvanger niet duidelijk verteld wat de gevolgen waren van het verstrijken van de uitsteltermijn. Het hof oordeelde dat de ontvanger het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. De ontvanger moest het bezwaarschrift daarom alsnog in behandeling nemen.

Omzetbelasting

2011/10 Fiscus mag soms bij ICL nultarief weigeren Een onderneming mag bij een intracommunautaire levering (ICL) onder voorwaarden 0% omzetbelasting factu-

Hof Den Bosch, 6 augustus 2010, LJN: BO7038 (gepubliceerd 13 december 2010)

reren. Uit een recent oordeel van het Hof van Justitie van de EU blijkt echter dat een lidstaat de toepassing van het

2011/9 Fiscus mag drie maanden doen over voorlopige aanslag De Belastingdienst mag heffingsrente berekenen over de periode tussen het einde van het belastingtijdvak en het opleggen van de aanslag. De fiscus mag deze periode echter niet verlengen door te treuzelen. Onlangs oordeelde de Hoge Raad dat voor een voorlopige aanslag een termijn van drie maanden redelijk is.

facturen’. Deze uitspraak zag op de volgende zaak. Een Portugese ondernemer die in Duitsland was gevestigd leverde auto’s aan Portugese autobedrijven. Hij stelde facturen zonder btw op, maar die waren gericht aan fictieve kopers. De werkelijke kopers verkochten de auto’s door aan particuliere afnemers zonder de aankoop van de auto’s te melden als intracommunautaire verwerving waardoor zij btw zouden zijn verschuldigd. Voor de ondernemer was het voordeel hiervan dat hij zijn auto’s goedkoper kon verkopen.

De situatie was als volgt. Belanghebbende had op 1 juni 2007 met de verkoop van een kantoorpand een aanzienlijk voordeel behaald. Op 12 juli 2007 vroeg zij de inspecteur haar een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2007 op te leggen. Zij drong daarbij aan op een spoedige afhandeling. De inspecteur legde belanghebbende op 27 december 2007 een voorlopige aanslag op. Daarbij had hij over de periode van 1 juli 2007 tot en met 27 december 2007 heffingsrente in rekening gebracht. Naar aanleiding van een bezwaarschrift van belanghebbende verminderde de Belastingdienst deze periode naar een periode van 1 juli 2007 tot 12 oktober 2007. De inspecteur had zichzelf dus voor de berekening van de heffingsrente drie maanden de tijd gegeven om het verzoek van belanghebbende te honoreren. Volgens belanghebbende had de Belastingdienst daardoor onzorgvuldig gehandeld. Zij ging in beroep.

Onregelmatige facturen bij ICL

Redelijke termijn

Hof Den Bosch was het met belanghebbende eens. Volgens het hof was de inspecteur niet voortvarend genoeg te werk gegaan, zodat hij in strijd had gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof stond slechts de berekening van heffingsrente toe over de periode van 1 juli 2007 tot en met 15 augustus 2007. Vervolgens ging de staatssecretaris van Financiën in cassatie tegen de hofuitspraak. De Hoge Raad stelde vast dat er geen wet of beleid was die de fiscus verplichtte binnen drie maanden een verzoek om een voorlopige aanslag af te handelen. De Hoge Raad stelde dat de inspecteur in be-

32

nultarief mag weigeren als er sprake is van ‘onregelmatige

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

De Duitse belastingdienst wilde de btw naheffen, ook al had de ondernemer voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het nultarief. Duitsland vond dat belastingvoordelen mogen worden geweigerd aan iedereen die transacties verricht met het oog op belastingfraude. Hoewel Duitsland in deze situatie geen btw-aanspraken had en evenmin Duitse belastinginkomsten was misgelopen, vond het hof dat een lidstaat de toepassing van het nultarief kan weigeren als er sprake is van ‘onregelmatige facturen’. Het Europese Hof benadrukte dat bij een ICL vaak alleen door middel van een factuur kan worden aangetoond dat goederen de grens zijn overgegaan en dus in beginsel btw-vrij mogen worden geleverd. Zeker bij een ICL staat of valt de werking van het Europese btwstelsel met het overleggen van juiste facturen. Hof van Justitie EU, 7 december 2010, nr. C-285/09


■ ■ ■ ■ ■

fingsaanslag omzetbelasting op, omdat hij vond dat er sprake was van een goed dat in eigen bedrijf was vervaardigd.

2011/11 Verbouwing leidde niet tot belast ‘in eigen bedrijf vervaardigd goed’

Geen nieuwbouw

■ Aangenomen TK

■ Eindverslag TK

■ Nota n.a.v. verslag TK

■ Verslag TK

■ Wetsvoorstel +MvT TK

De stand van zaken

Wetgeving

Belanghebbende had een woon-winkelpand laten ombouwen tot een kinderdagverblijf. Het uiterlijk van het pand bleef nagenoeg onveranderd. De voorpui werd vernieuwd en er werd een speelterrein aangelegd. De indeling van het gebouw werd wel vrijwel volledig gewijzigd. Toen het kinderdagverblijf het pand vervolgens in gebruik nam legde de inspecteur belanghebbende een nahef-

Hoge Raad, 19 november 2010, LJN: BM6681

■ Staatsblad EK

goed’.

■ Aangenomen EK

of de verbouwing van een pand had geleid tot een ‘nieuw

■ Eindverslag EK

een kinderdagverblijf het niet eens waren over de vraag

■ Memorie van Antwoord EK

Raad uitspraak doen in een zaak waarin de inspecteur en

■ Voorlopig verslag EK

beginsel een btw-belaste levering. Onlangs moest de Hoge

■ Wetsvoorstel EK

Als een onderneming een pand laat bouwen, vormt dat in

Belanghebbende stapte naar de rechter en kreeg uiteindelijk gelijk van de Hoge Raad. De Hoge Raad vond dat er geen sprake was van een in het eigen bedrijf vervaardigd goed. Het hoogste rechtscollege verwees hierbij naar een arrest van het Europese Hof van Justitie uit 1985. Hierin besliste het hof dat een vervaardiging inhoudt dat een goed wordt voortgebracht dat daarvoor niet bestond. Bij een onroerende zaak betekent dit dat hiervan uitsluitend sprake kan zijn als in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Hiervan was in dit geval geen sprake. Voor de wijziging van de indeling hadden namelijk geen ingrepen plaatsgevonden die zo drastisch waren dat van nieuwbouw kon worden gesproken. Ook de vernieuwing van de pui en de aanleg van het speelterrein waren in dit opzicht onvoldoende. De Hoge Raad vernietigde daarom de naheffingsaanslag.

Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (32 426) Wet uniformering loonbegrip (32 131) Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (31 058) Invoeringswet titel 7.13 BW (31 065) Rechtsbescherming bij controlehandelingen (30 645) Wet introductie premiepensioeninstellingen (31 891) Fiscale verzamelwet 2010 (32 401) Belastingplan 2011 (32 504) Overige fiscale maatregelen 2011 (32 505)

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

33


■ ■ ■ ■ ■

Nieuw licht op de

pensioenstichting? De afschaffing van de doorschuifregeling van aanmerkelijkbelangaandelen bij overlijden ex artikel 4.17 (oud) Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2010 heeft grote gevolgen voor (oud-)ondernemers die hun pensioen opbouwen via hun eigen bv. De belastingdruk bij het overlijden van de pensioengerechtigde/ab-houder kan oplopen tot boven de 50%.

O

p 1 januari 2010 is via het Wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2010 een pakket maatregelen ingevoerd dat beoogt de fiscale positie van de directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) te verbeteren. De staatssecretaris merkt hierover in de memorie van toelichting (V-N 2009/46.6) het volgende op. ‘De positie van de DGA is belangrijk. DGA’s zijn de drijvende kracht achter een belangrijk deel van de ondernemingen in bv-vorm. Daarmee zijn ze, net als ondernemers in de inkomstenbelasting, van groot belang voor de Nederlandse economie. (…) Hoewel dit pakket een mix is van plussen en minnen, kwalificeert het kabinet de uitkomst van het geheel zeker als een positief pakket waarmee de fiscale positie van de DGA verder wordt verbeterd.’

Belastingdruk bij overlijden dga Er is enige fantasie voor nodig om het pakket in zijn geheel als een verbetering voor de fiscale positie van de dga te betitelen. De plussen bestaan naar ons idee vooral uit kleine versoepelingen (gebruikelijkloonregeling) en een eenmalige faciliteit (geruisloze inbreng ter beschikking gesteld pand in de bv), terwijl de min ingrijpende gevolgen heeft voor een grote groep dga’s die inmiddels hun onderneming hebben overgedragen en genieten van een welverdiend pensioen vanuit hun eigen bv. In ruil voor de genoemde versoepelingen is de doorschuiffaciliteit van aanmerkelijkbelangaandelen (hierna: ab-aandelen) bij overlijden met ingang van 1 januari 2010 aanzienlijk versoberd. Op grond van het huidige artikel 4.17a Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt de overgang krachtens erfrecht op verzoek van de gezamen-

lijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt indien en voor zover de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming drijft als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in artikel 3.3, lid 1, onderdeel a Wet IB 2001. Voorbeeld Aan de hand van het volgende voorbeeld lichten we dit nader toe. Stel een oud-ondernemer heeft zijn pensioen opgebouwd in zijn eigen pensioen-bv. Op 75- jarige leeftijd komt hij te overlijden. Zijn echtgenote is vooroverleden, waardoor zijn vermogen vererft aan zijn twee kinderen. De fiscale waarde van de pensioenvoorziening op het moment van overlijden bedraagt € 1.000.000. De belastingdruk is dan als volgt (tarieven 2011). Vrijval pensioenkapitaal Af: vennootschapsbelasting (20%–25%)

€ 1.000.000 € 240.000 € 760.000 Af: inkomstenbelasting (25%) € 190.000 € 570.000 Af: erfbelasting twee kinderen (10%–20%) € 90.258 Resteert netto € 479.742

Jan Remijn

Patrick Caljouw P. Caljouw FB en J. Remijn zijn beide fiscalist bij WEA Accountants & Adviseurs in Goes.

De belastingdruk in dit voorbeeld bedraagt dus ruim 52%. Vóór 1 januari 2010 kon de ab-claim vrijwel oneindig worden doorgeschoven. De gecombineerde belastingdruk van vennootschapsbelasting en erfbelasting bedroeg 36%. Een verhoging van de belastingdruk van 16 procentpunt!

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

35


■ ■ ■ ■ ■

Pensioenstichting

Het vervelende aan deze wetswijziging is dat de gevolgen ervan op het eerste gezicht moeilijk zijn te vermijden. Oud-ondernemers hebben vaak hun werkmaatschappij verkocht in de veronderstelling dat de ab-aandelen bij het overlijden van de dga zonder ab-heffing konden worden doorgeschoven naar de erfgenamen. We weten inmiddels dat deze geruisloze doorschuiving bij een pensioen-bv niet meer mogelijk is, tenzij de pensioen-bv een materiële onderneming drijft. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de staatssecretaris naar aanleiding van vragen van de CDA-fractie bevestigd dat een bv die slechts één of enkele pensioenen uitvoert geen materiële onderneming drijft (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 12 en p. 13).

Pakket zien als verbetering positie dga vereist fantasie Voor ondernemers die hun onderneming nog gaan overdragen kan worden geanticipeerd in de wijze waarop de bedrijfsoverdracht kan plaatsvinden. Bijvoorbeeld door een overdracht waarbij de pensioen-bv cumulatief preferente aandelen houdt of een overdracht bovenlangs met gebruikmaking van de regeling bedrijfsoverdracht voor de schenk- en erfbelasting. Voor ondernemers die inmiddels hun onderneming hebben overgedragen is die anticipatie uiteraard niet mogelijk. Het alsnog creëren van een materiële onderneming is vaak onwenselijk gezien de ondernemingsrisico’s die dit met zich brengt. Voor deze groep is de pensioenstichting wellicht een alternatief.

Pensioenstichting De meeste pensioenvoorzieningen in eigen beheer zullen worden opgebouwd in de eigen bv van de dga. Het is echter ook mogelijk deze voorziening onder te brengen in een stichting. Hoewel een stichting wellicht als on-

Alsnog creëren van materiële onderneming vaak onwenselijk

In de jurisprudentie is deze fiscale transparantie in de jaren tachtig van de vorige eeuw een aantal keren aan de orde geweest (onder andere HR 22 juli 1981, BNB 1982/42). In deze jurisprudentie, maar ook in literatuur uit de jaren negentig (onder andere Fiscale transparantie bij stichtingen, C.P.M. van Houte, WFR 1992/1414), wordt in dit kader waarde gehecht aan de beschikkingsmacht die het bestuur over het vermogen heeft. Onlangs heeft Gerechtshof ’s-Gravenhage in zijn uitspraak van 22 juni 2010 (LJN: BN3749) verduidelijkt wanneer er sprake kan zijn van fiscale transparantie. Uit deze uitspraak blijkt dat het hof veel waarde hecht aan het begrip ‘beschikkingsmacht’. In rechtsoverweging 6.6 merkt het hof hierover het volgende op. ‘Ten aanzien van de Stichting [A] heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende enig bestuurder van deze stichting is, en heeft daaraan de conclusie verbonden dat er geen sprake is van een onafhankelijk bestuur en dat moet worden aangenomen dat de door belanghebbende op de bankrekening van deze stichting gestorte bedragen het vermogen van belanghebbende niet hebben verlaten. Om deze reden stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de aan deze stichting gedane giften niet voor aftrek in aanmerking kunnen komen. Met deze stelling miskent de Inspecteur dat het zijn van enig bestuurder niet voldoende is om het vermogen van de stichting te vereenzelvigen met het vermogen van belanghebbende. Daartoe is tevens vereist dat belanghebbende ook feitelijk heeft beschikt over het vermogen van de stichting voor privédoeleinden. Dit laatste heeft de Inspecteur niet gesteld en zulks is ook overigens niet gebleken.’ Het louter als enig bestuurder van een stichting opereren is dus niet voldoende om te kunnen stellen dat er sprake is van fiscale transparantie. Hiertoe is tevens vereist dat de bestuurder in privé over het vermogen van de stichting heeft beschikt. Door deze uitspraak bestaat er ons inziens ten aanzien van het bestuur geen ongelijkheid (meer) tussen een pensioen-bv en een pensioenstichting. In beide gevallen mag de pensioengerechtigde optreden als bestuurder, mits hij de rol van bestuurder op een gedegen wijze uitoefent. Zo zal het bestuur ons inziens de beleggingsmix van de beschikbare middelen zo moeten kiezen dat deze past bij de fase waarin het pensioen zich bevindt.

Overdracht praktisch wordt ervaren omdat er sprake is van vermogen in de dode hand, is deze rechtsfiguur gezien de oplopende belastingdruk van de pensioen-bv het heroverwegen waard. Onafhankelijk bestuur Het gevaar van een stichting is dat deze onder omstandigheden fiscaal wordt genegeerd (fiscale transparantie). Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk fiscale transparantie rampzalige gevolgen heeft voor de in de stichting ondergebrachte pensioenvoorziening. Er is in dat geval immers sprake van afkoop met heffing van 52% inkomstenbelasting en revisierente tot gevolg.

36

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

Als er voor wordt gekozen de opgebouwde aanspraken over te dragen aan de daartoe opgerichte stichting, komt de vaststelling van de te betalen koopsom aan de orde. Deze zal op commerciële grondslagen moeten worden bepaald; dat wil zeggen rekening houdend met de toegezegde indexering van de pensioenen, direct ingaand nabestaandenpensioen, kosten- en winstopslag, de meest recente sterftetafel, leeftijdterugstelling van vijf respectievelijk zes jaar en een rekenrente gelijk aan het – nu zeer lage – U-rendement. De koopsom zal aanzienlijk hoger uitkomen dan de fiscale voorziening; afhankelijk van de situatie kan er sprake zijn van meer dan een verdubbeling.


■ ■ ■ ■ ■

Aftrekbaarheid indexatielast Bij een overdracht tussen twee bv’s zal het door de hoge koopsom ontstane verlies op de pensioenverplichting niet aftrekbaar zijn voor zover het ziet op de indexatielast, zo blijkt uit een zeer recent arrest van de Hoge Raad in een dergelijke kwestie (HR 24 december 2010, nr. 09/03431). De tekst van artikel 3.26 e.v. Wet IB 2001 staat aan aftrek in de weg, aldus de Hoge Raad. Voor zover het saldo van U-rendement en indexatie lager is dan 4% zal de last bij de overdragende vennootschap moeten worden geactiveerd en komt deze in aftrek op het moment dat en voor zover de indexatie zich daadwerkelijk voordoet. De ervaring leert overigens dat over de wijze van vrijval van de actiefpost met de fiscus wel praktische afspraken zijn te maken. Uiteraard speelt dit probleem niet ingeval binnen een fiscale eenheid wordt overgedragen. Naar onze mening komt het probleem ook niet alsnog op als binnen de zesjaartermijn van artikel 15ai, lid 3 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) wordt ontvoegd,

aangezien dat artikel slechts ziet op meerwaarden die op het moment van overdracht bestaan. In dit geval betreft het geen meerwaarde maar een minderwaarde, zodat de verplichte herwaardering bij ontvoeging niet aan de orde komt. Aftrekbaarheid bij overdracht aan pensioenstichting Bij overdracht aan de pensioenstichting wordt artikel 3.26 Wet IB 2001 opzij gezet door artikel 3.27 en artikel 10, lid 2 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitv.reg. IB 2001). Daarin is bepaald dat aftrek

Enig bestuurder van stichting onvoldoende voor fiscale transparantie van de volledige last mogelijk is als de koopsom wordt voldaan ‘aan een pensioenlichaam waarvan doel en feitelijke

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

37


■ ■ ■ ■ ■

Pensioenstichting

werkzaamheden overeenkomen met die van een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioenwet en waarvan de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ander pensioenfonds met overeenkomstige doelstelling, of een algemeen maatschappelijk belang’. Wil aftrek

Overdrachtsprijs wordt op commerciële grondslagen bepaald van de indexatielast mogelijk zijn, dan zullen de statuten van de pensioenstichting en de feitelijke werkzaamheden hieraan moeten voldoen. Zo zal een eventueel restkapitaal in de stichting na overlijden van de (nabestaanden)pensioengerechtigden volgens de statuten ten goede moeten komen aan een algemeen maatschappelijk belang. Zonder deze bepaling is de in de Uitv.reg. IB 2001 bedoelde uitzondering niet van toepassing en moet de indexatielast worden geactiveerd bij de overdragende pensioen-bv. Volgens artikel 27, lid 2 Wet IB 2001 mogen voor de aanspraken geen premies of koopsommen meer zijn verschuldigd. Voor het in aanmerking nemen van de indexatielast moeten de pensioenaanspraken zijn afgefinancierd. Ook artikel 10, lid 3 Uitv.reg. IB 2001 bepaalt dat aftrek slechts mogelijk is ‘voorzover de betalingen het vermogen van de onderneming onherroepelijk hebben verlaten’. In het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2002 (nr. 37443, BNB 2003/100) is uitvoerig op het betalingscriterium ingegaan in een situatie waarin de pensioenrechten nog niet volledig waren afgefinancierd, maar er al wel betalingen voor toekomstige indexatie waren gedaan. Wij hebben begrepen dat het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (hierna: CAP) op grond van dit arrest tot het standpunt is gekomen dat aftrek van de indexatielast eerst aan de orde komt als de koopsom tot de laatste euro aan de stichting is voldaan. Wij delen deze opvatting niet. Wij zijn van oordeel dat uit genoemd arrest alleen kan worden geconcludeerd dat als de koopsom voor het nominale pensioen volledig is voldaan, de koop-

Aftrek indexatielast naar verhouding van betaling is redelijk som voor de indexatielast in aftrek komt voor zover deze is voldaan. Nog evenwichtiger zou het standpunt zijn dat aftrek van de indexatielast mogelijk is naar verhouding van de betaling van de koopsom. Waardering bij stichting Voor de hand zou liggen dat de stichting de verplichting in overeenstemming met goed koopmansgebruik waardeert op de ontvangen koopsom. Het standpunt van de staatssecretaris zoals opgenomen in zijn besluit van 3 juli 2008 (nr. CPP2008/447M, Stcrt. nr. 133) is echter dat

38

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

moet worden gewaardeerd volgens de normen van artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001. Dit houdt in dat een vrijval plaatsvindt, omdat geen rekening mag worden gehouden met leeftijdterugstelling, kostenopslag en met de rekenrente voor zover deze lager is dan 4%. P.A. ter Beest is enkele maanden geleden al uitgebreid ingegaan op de wijze van waardering (‘Waardering van pensioen na overdracht’, Het Register nr. 9, september 2010). We wachten de uitkomst van de gerechtelijke procedures die inmiddels lopen over de waardering na overdracht met belangstelling af. Als wordt voldaan aan de eisen van artikel 10 Uitv.reg. IB 2001 heeft de pensioen-bv een aftrekbaar verlies en realiseert de pensioenstichting een belaste vrijval. De aftrek voor de pensioen-bv is echter aanzienlijk hoger dan de vrijval bij de stichting. Per saldo kan zo een aardig voordeel ontstaan. Als de pensioenstichting echter niet goed is ingericht of de koopsom niet volledig wordt betaald, is er bij de pensioenstichting onverminderd sprake van een vrijval. In dat geval is de indexatielast vooralsnog niet aftrekbaar bij de pensioen-bv. De overdracht leidt dan direct tot een fiscaal nadeel. Alternatief Mocht de pensioenuitvoerder die de koopsom ontvangt niet kunnen voldoen aan de eisen van artikel 10 Uitv.reg. IB 2001, dan is de last bij de overdragende bv alsnog op grond van de totaalwinst aftrekbaar op het moment dat deze wordt geliquideerd. Als dit past in de ondernemingsstructuur is liquidatie van de pensioen-bv na overdracht van de aanspraken een alternatief om tot aftrek van de indexatielast te komen. Denkbaar is dat de pensioenvoorziening binnen een fiscale eenheid wordt overgedragen aan een afzonderlijke pensioen-bv die na ontvoeging de aanspraken overdraagt aan de (al dan niet kwalificerende) pensioenstichting en vervolgens wordt geliquideerd. Zoals eerder besproken komt artikel 15ai Wet Vpb niet aan de orde bij ontvoeging en is het door de pensioen-bv geleden verlies aftrekbaar bij de moeder als liquidatieverlies.

Contraverzekering Denkbaar is dat de kinderen van de pensioengerechtigde een contraverzekering bij de stichting wensen te sluiten, zodat na overlijden van de pensioengerechtigde een deel van het resterende kapitaal onbelast aan hen wordt uitgekeerd. De uitkering valt niet onder artikel 13 Successiewet 1956 (hierna: SW) als de premie niet aan het vermogen van de ouder is onttrokken. Daarnaast is artikel 3.92 Wet IB 2001 niet van toepassing, omdat er geen aanmerkelijk belang is. Van belang is dat de fiscus zich op het standpunt stelt dat de feitelijke werkzaamheden van de stichting door het afsluiten van de contraverzekering niet meer overeenkomen met die van een pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet, omdat deze geen contraverzekeringen plegen


■ ■ ■ ■ ■

af te sluiten. Dit betekent dat de status van artikel 10 Uitv.reg. IB 2001 verloren gaat en de indexatielast op aan de stichting betaalde premies of koopsommen bij de betalende vennootschap moet worden geactiveerd en pas op het moment dat de indexatie zich voordoet aftrekbaar zal zijn. Met name bij pensioenen in de opbouwfase kan het afsluiten van een contraverzekering zo tot ongewenste complicaties leiden. Wellicht dat ook op dit punt een procedure tot meer duidelijkheid kan leiden.

Effecten Eerder becijferden we de fiscale gevolgen van het overlijden van een dga/pensioengerechtigde op 75-jarige leeftijd als deze zijn pensioen had opgebouwd in zijn eigen bv. De belastingdruk in ons voorbeeld is ruim 52%. Bij een pensioenstichting kunnen de gevolgen als volgt in beeld worden gebracht. Voorbeeld Stel de twee kinderen van de dga in het vorige voorbeeld bedingen een contraverzekering op het leven van de pensioengerechtigde en zijn echtgenote bij de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (65-jarige leeftijd). Deze contraverzekering bevat een jaarlijks dalende uitkering. De premie voor deze verzekering bedraagt € 5000 per jaar. Na tien jaar overlijdt de pensioengerechtigde (zijn echtgenote is inmiddels vooroverleden). Op grond van de contraverzekering keert de pensioenstichting € 1.000.000 uit; de twee kinderen hebben hiervoor gezamenlijk € 50.000 aan premies voldaan. Door deze uitkering – die in ons voorbeeld gelijk is aan de fiscale voorziening bij overlijden – is er geen sprake van een vrijval in de pensioenstichting en dus vindt geen heffing van vennootschapsbelasting plaats. De uitkering valt – mits de premies niet aan het vermogen van de erflater zijn onttrokken – niet onder het bereik van artikel 13 SW. Nu er sprake is van een eenmalige uitkering valt deze uitkering ook niet onder het bereik van de Wet IB 2001. Een eventueel restvermogen van de stichting, door bijvoorbeeld goede rendementen en/of de premies voor de contraverzekering, zal door de stichting worden uitgekeerd conform de statuten van de stichting.

tig jaar premies voldoen, maar dat de pensioengerechtigde pas na afloop van de verzekerde periode overlijdt. De kinderen hebben dan een substantieel bedrag aan pre-

Verlies bij bv is groter dan vrijval bij stichting mies betaald, maar genieten geen uitkering. Dit hoort bij het karakter van een verzekering.

Conclusie Door de afschaffing van de ‘automatische’ doorschuiving van ab-aandelen bij overlijden van de dga is de belastingdruk bij overlijden voor passieve bv’s aanzienlijk toegenomen. De belastingdruk op de pensioenvoorziening in eigen beheer kan oplopen tot boven de 50%. In dit licht is de pensioenstichting zeker het heroverwegen waard. Het is – zoals gebruikelijk – afhankelijk van de concrete situatie of de pensioenstichting een passende oplossing biedt. Dit is zeker het geval als de bv beschikt over voldoende middelen om de commerciële koopsom af te financieren. ‘De positie van de DGA is belangrijk’ merkt de staatssecretaris op in de eerdergenoemde memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2010. Die erkenning wordt helaas gevolgd door een maatregel

Restvermogen wordt uitgekeerd conform statuten die de belastingdruk bij dga’s aanzienlijk verhoogt. De starre houding van het CAP ten aanzien van de overdracht van pensioenvoorzieningen is hierbij evenmin van dienst. Met de belangrijke positie van de dga in het achterhoofd zou het gepast zijn als de staatssecretaris de overdrachtsbepalingen in zijn besluit van 3 juli 2008 zou aanpassen. ■

Wij merken op dat het uiteraard ook zo kan zijn dat de kinderen gedurende een periode van bijvoorbeeld twin-

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

39


HET

Verenigingsnieuws Leden

Oprichting RB

Op 30 december 2010 troen de leden van de besturen van NFB en CB elkaar in Groningen (er gaat niets boven...). In de vroege ochtend van 31 december begaven zij zich per busje naar de notaris teneinde daar de aktes te tekenen van de fusie van CB, NFB en RB oud tot het nieuwe Register Belastingadviseurs. Op de bovenste foto’s ziet u de oud-voorzitters van CB en NFB, Ron van Brugge en Sylvester Schenk elkaar feliciteren na de ondertekening van de akten.

Op de tweede foto ziet u de bestuursleden van het nieuwe Register. Aan de opgeluchte gezichten kunt u zien dat de foto na het tekenen is gemaakt. Van links naar rechts ziet u: mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks CB, B.J. (Bernold) Sterenborg FB, J.L.H. (Jelte) Zwerver CB, R.A.J. (Ron) van Brugge AA CB, mr. G.W. (Gerdien) Vlot AA FB, mr. W.J.M. (Wil) Vennix FB, A.J.A.M. (Annique) van der Ha AA CB en mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk FB. In een volgende uitgave stellen zij zich aan u voor.

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

41


HET

Verenigingsnieuws Leden

Met de schijf van vijf het eerste RB-jaar in Op maandag 10 januari 2011 vond met circa vijfhonderd RB-leden de eerste grote bijeenkomst van het RB als nieuwe beroepsvereniging plaats. Voorzitter Sylvester Schenk heette in zijn openingswoord de aanwezigen van harte welkom en constateerde met genoegen de massale opkomst. In het bijzonder heette de voorzitter ereleden Leo Stevens en Cor Scheffers van harte welkom. De voorzitter opende met trots de eerste grote bijeenkomst van het RB als nieuwe fiscale beroepsvereniging. Even blikte de voorzitter vooruit op fiscaal 2011. Hij wees op de stand van de schatkist en het feit dat Nederland uit de top 10 van landen met het laagste schuldenrisico is gezakt. Hij verwacht daarom dat in 2011 de fiscale duimschroeven worden aangedraaid. Tegelijk acht hij het forfaitair rendement van 4% bij de huidige marktrendementen potsierlijk en het verschil in te betalen en te vergoeden heffingsrente gênant. Met gevoel voor actualiteit wees hij op de al jaren door de SGP bepleite vuurwerkheffing, en betoonde zich daar een warm voorstander van. Op oudejaarsavond is voor zo’n 65 miljoen aan vuurwerk de lucht in geschoten. Dat leverde zo’n tien miljoen aan schade op, twee doden en vele gewonden. Nog niet zo’n slecht idee misschien… Na deze vergezichten gaf de voorzitter het woord aan de heren Freek en Bernard Schols, die volgens hem over onderwerpen als leven en dood spreken in de traditie van de grote Van Mourik. ‘Je verheugt je bijna op je eigen dood’, aldus de voorzitter.

42

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

In hun presentatie ‘Dansen op de schijf van vijf’ gingen de heren Schols op een luchtige wijze in op enkele belangrijke aandachtspunten in de estateplanningspraktijk. De schijf van vijf van de estate planning kent de volgende civielrechtelijke en fiscale elementen: ■ huwelijkse voorwaarden ■ schenking ■ erfrecht ■ levensverzekering en pensioen ■ internationaal Enkele belangrijke tips en aandachtspunten uit de lezing: ■ Ook vanaf 2010 is de partnerverklaring nog een belangrijk instrument voor estate planning rond levensverzekeringen. ■ Een ideale combinatie van een langstlevendetestament en een keuzetestament wordt gevonden in een afvullegaat gecombineerd met een tweetrapsmaking. ■ Vanaf 2011 vervalt de partnervrijstelling voor alle bewoners, als er meer dan twee fiscale partners zijn te onderkennen. Dit kan worden voorkomen door in een samenlevingscontract uitdrukkelijk het partnerschap te regelen, zij het met een maximum van twee personen. ■ Let voor het partnerschap op de inschrijving op hetzelfde woonadres in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). ■ Op grond van artikel 11, lid 2 SW worden verkrijgingen krachtens een verblijvens- of overnamebeding door samenlevende


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

klein dit bedrag ook is!), dan verkrijgen de kinderen ‘alle goederen waarop de erflater ten laste van zijn vermogen een vruchtgebruik heeft verworven’. De kinderen verkrijgen dan fictief hun eigen woning, zij het minus de op grond van art. 7 SW aftrekbare opoffering (koopsom) voor de blote eigendom (vermeerderd met oprenting). Recente jurisprudentie matigt de leer van de ‘economische huwelijksgoederengemeenschap’ bij een niet uitgevoerd periodiek verrekeningbeding. Vinden geen aflossingen plaats op een woningschuld op naam van één van de echtgenoten, dan wordt de woning (eveneens op diens naam) niet geacht tot een economische huwelijksgoederengemeenschap te behoren (artikelen 1:136 en 1:141 BW, Hoge Raad 19 november 2010, LJN BN8028). Ruim periodieke verrekenbedingen op. Die worden toch niet bijgehouden. Richt huwelijksvoorwaarden niet in op verdeling van kosten van de huishouding en verrekening tijdens de rit, maar regel de gevolgen bij echtscheiding en overlijden. Het aangaan van een huwelijksgoederengemeenschap, ook een (abstracte) beperkte, is geen schenking, voor zover geen sprake is van een voltooide vermogensverschuiving. Dit is ook het uitgangspunt van de Belastingdienst. Indien het testament daarin voorziet, dan is het bij grote vermogens uit successierechtelijk oogpunt gunstig om na het overlijden de rente over de overbedelingsschuld te verhogen. Per saldo verhoogt dit in de regel de totaal verschuldigde erfbelasting bij het eerste overlijden niet, terwijl de erfbelasting bij het tweede overlijden wordt beperkt.

Foto's: Raphaël Drent

broers/zussen bij wijze van fictie getransformeerd in verkrijgingen krachtens erfrecht. Indien zij als partners kwalificeren, dan is de verhoogde vrijstelling van toepassing. Regel dit in beginsel met een samenlevingscontract. Een verkrijging door een vriendin die géén partner is, is op grond van artikel 11 lid 5 SW onbelast (de fictievrije vriendin). Als een erfgenaam als zodanig als begunstigde op een polis van levensverzekering is aangewezen, dan blijft deze erfgenaam ook bij verwerping rechthebbende op de uitkering (7:967, lid 4 BW). Let echter op de polisvoorwaarden! Als de echtgenoot bij naam op de polis is vermeld, dan blijft deze na echtscheiding in beginsel de begunstigde. Als de echtgenoot als zodanig op de polis is vermeld, dan vervalt de begunstiging in beginsel bij echtscheiding en herleeft deze weer voor de nieuwe echtgenoot (7:967, lid 2 BW). Gebruik bij (relatief) kleinere vermogens de vrijstellingen voor de erfbelasting maximaal door de nalatenschap testamentair te verdelen over de kinderen en kleinkinderen (€ 19.000 vrijstelling per persoon) en achterkleinkinderen (€ 2.000) (vrijstellingen 2010). Ik-opa-testamenten in de vorm van een legaat vallen niet onder de werking van artikel 10 lid 1 Successiewet, maar onder artikel 10 lid 9 SW, welk lid een beperktere heffing met zich mee brengt (alleen over het ‘erfrechtelijk surplus’). Legateer aan kleinkinderen (met in het achterhoofd wellicht op termijn defiscalisatie in box 3 voor alle erfrechtelijke verkrijgingen). Let op de mogelijke werking van artikel 10 Successiewet bij inwonende ouders. Betalen zij iets voor hun woongenot (hoe

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

43


HET

Verenigingsnieuws Belangenbehartiging en vakinformatie

Belastingdienst zeer beperkt bereid tot tegemoetkomende regeling inbrengvrijstelling In 2010 konden terbeschikkinggestelde onroerende zaken onder voorwaarden vrijgesteld ingebracht worden in een bv. Met deze tijdelijke inbrengfaciliteit wordt belastingplichtigen de gelegenheid geboden om onder de fiscaal onredelijke terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting uit te komen. Eén van de voorwaarden van de inbrengfaciliteit is dat de inbreng is afgerond op 31 december 2010. In de praktijk traden echter knelpunten op; vaktechnische discussies, vertraging door herfinanciering, notarissen die de vereiste notariële akten niet passeerden zonder goedkeuring van de Belastingdienst en vertraagde behandeling door de Belastingdienst. Naar aanleiding van deze knelpunten heeft de Commissie Wetsvoorstellen de staatssecretaris van Financiën opgeroepen de

termijn voor vrijgestelde inbreng te verlengen tot en met 31 maart 2011. De staatssecretaris is echter niet tegemoet gekomen aan deze oproep. In het Beconoverleg van 10 december 2010 had de Belastingdienst al toegezegd slechts te willen bemiddelen in gevallen van logistieke knelpunten aan de kant van de Belastingdienst. Het RB heeft alle gevallen gemeld waarin de deadline van 31 december 2010 niet leek te worden gehaald. Slechts in enkele gevallen heeft dat tot een bevredigende oplossing geleid. Het RB betreurt dat de Belastingdienst niet ruimhartiger tegemoet is gekomen aan knelpunten buiten de invloedsfeer van de belastingplichtige. Informatie over dit onderwerp is opgenomen in het Dossier Inbrengvrijstelling tbs-pand (2010) op het ledendeel van www.rb.nl.

Fiscale modellen en fiscale informatie

Dossier werkkostenregeling

Het RB werkt hard aan het meer toegankelijk maken van gratis beschikbare vakinformatie op internet. Zo staat in het onderdeel Links (bereikbaar via de homepage) een overzicht van websites met handige informatie en modellen. Ook zijn nu de nieuwsberichten van Accountancynieuws en PleinPlus zichtbaar op de homepage. Op deze nieuwsvoorzieningen kunt u zich gratis abonneren. Het contract dat RB had met Fiscaal Kenniscentrum is per 1 januari 2011 opgezegd. Gebleken is dat te weinig gebruik werd gemaakt van de dienstverlening van FKC om de jaarlijkse kosten te rechtvaardigen. FKC doet de leden van het RB overigens een aanbod voor de voorzetting van het abonnement op www.fiscaalkenniscentrum.nl. Goede alternatieven zijn (gratis) beschikbaar. Kijkt u bijvoorbeeld maar eens op www.belastingtips.nl. In het voorjaar van 2011 verwacht het RB een nieuwe fiscale informatievoorziening aan te bieden, met daarin ook een modellenbank.

Forumbijeenkomst 11 december 2010 Circa tweehonderd leden zorgden voor volop interactie bij de behandeling van vooraf ingediende vragen. Zoals altijd vond de forumbijeenkomst plaats op een zaterdagmiddag in een ontspannen sfeer. De presentaties van de sprekers Gert van Norden (omzetbelasting) en Onno Clous (overige vragen) kunt u downloaden op het ledendeel van de website (Permanente Educatie > Presentaties bijeenkomsten).

44

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

Op 1 januari 2011 is de werkkostenregeling ingevoerd. Tot 1 januari 2014 geldt een overgangsperiode. De systematiek van vrije vergoedingen en verstrekkingen wijzigt aanzienlijk. Het RB heeft een Dossier werkkostenregeling samengesteld met: ■ notitie ‘Het systeem van de werkkostenregeling’ (NIEUW); ■ overzicht van de belangrijkste wettelijke bepalingen en toelichtingen; ■ notitie ‘Wel of niet kiezen voor de werkkostenregeling?’; ■ presentaties over de werkkostenregeling tijdens de Landelijke Studiebijeenkomst en de Praktijkregiobijeenkomsten in het najaar 2010; ■ overige verschenen berichten van het RB in 2010 over de werkkostenregeling. Het Dossier werkkostenregeling vindt u na het inloggen op www.rb.nl (Vakinformatie > Dossiers > Werkkostenregeling).

Informatie Horizontaal Toezicht Op de homepage van www.rb.nl is informatie beschikbaar over Horizontaal Toezicht. Ingegaan wordt op de toezichtvorm (systeemtoezicht) en de wijze waarop de Belastingdienst dat vorm geeft hier vorm aan geeft. Het kwaliteitssysteem van het Register Belastingadviseurs wordt eveneens toegelicht. Meer informatie over het onderwerp is te vinden op de website van de Belastingdienst. Hier heeft de Belastingdienst recent een leidraad beschikbaar gesteld over de manier waarop de Belastingdienst de horizontalisering van het toezicht vormgeeft bij ondernemingen en non-profitorganisaties die hij rekent tot de segmenten middelgrote en zeer grote organisaties. U kunt deze Leidraad Horizontaal Toezicht binnen de individuele klantbehandeling downloaden van de website van de Belastingdienst.


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Leden

Beconoverleg december 2010 Op vrijdag 10 december 2010 heeft het RB deelgenomen aan het Beconoverleg. De agenda, het korte verslag van het RB en het conceptverslag van de Belastingdienst zijn opgenomen op het ledendeel van www.rb.nl (Vakinformatie > Beconoverleg). Enkele onderwerpen lichten wij hierna kort toe. ■ De Belastingdienst gaat op verzoek van de beconorganisaties de term ‘fiscale dienstverlener’ hanteren in plaats van ‘intermediair’. ■ Vermeld uw beconnummer. De Belastingdienst heeft de beconorganisaties verzocht hun leden te verzoeken om op correspondentie met de Belastingdienst het beconnummer te vermelden. Dat maakt behandeling van de correspondentie voor de Belastingdienst eenvoudiger. ■ Postbezorging. De Belastingdienst ontvangt graag via de beconorganisaties meldingen indien de post van de Belastingdienst vertraagd wordt bezorgd. In beginsel moet de post van de Belastingdienst overal in Nederland binnen maximaal 72 uur worden bezorgd. Wilt u een melding doen? Stuur een e-mail naar vaktechniek@rb.nl ■ Leidraad Horizontaal Toezicht in het mkb in voorbereiding. Tijdens het Beconoverleg heeft de Belastingdienst aangekondigd een Leidraad Horizontaal Toezicht in het mkb in voorbereiding te hebben. Beconorganisaties hebben de mogelijkheid om deze leidraad van commentaar te voorzien. ■ Werkkostenregeling. Tijdens het Beconoverleg kwam aan de orde dat naar verwachting minder dan vijf procent van de inhoudingsplichtigen gebruik zal maken van de werkkostenregeling als deze niet verplicht wordt gesteld. Voornaamste bezwaren uit de praktijk zijn: er zitten tegenstrijdigheden in de regeling, het kost meer geld en het brengt veel administratieve lasten met zich mee. De voorzitter van het Beconoverleg zal dit onder de aandacht brengen van de staatssecretaris. ■ Geen termijnverlening. De voorzitter geeft aan dat de Belastingdienst niet kan zorgen voor termijnverlenging van de vrijgestelde inbreng van een tbs-pand (tijdelijke regeling 2010). In plaats daarvan stelt hij voor dat beconorganisaties knelpunten melden. Zie meer hierover in het bericht ‘Belastingdienst zeer beperkt bereid tot tegemoetkomende regeling inbrengvrijstelling’ op pagina 44.

Jong RB; van klant naar ‘superklant’ Jong RB, het professionele netwerk van jonge belastingadviseurs hield op 4 november de laatste bijeenkomst van 2010. Communicatiedeskundige Mandy Verveer van communicatiebureau Bloesem! presenteerde op enthousiaste en interactieve wijze over het herkennen van en inspelen op verkoopsignalen van klanten. Dit met als doel langetermijnrelaties met bestaande klanten te ontwikkelen. In deze context werd aandacht besteed aan de invloeden op consumentengedrag, zoals persoonlijkheid (houding, waarden en normen, lifestyle), groep (gezin, vrienden of andere referentiegroepen) en omgeving (cultuur, sociale klasse). Verder kwamen koopmotieven, motivatieconflicten, beïnvloeden van consumentengedrag en het spreken van de taal van de klant aan de orde. Na het diner werd stil gestaan bij ‘superklanten’, oftewel klanten die een bedrijf in hun langetermijngeheugen opslaan. Het is de kunst van ‘gewone’ klanten ‘superklanten’ te maken. Met de waarschuwing dat in elke ‘superklant’ een potentiële anti-klant huist was het tijd voor een afsluitende borrel. Het was een geslaagde bijeenkomst.

Voor uw agenda ■

Start opleidingen CB-belastingconsulent maandag 28 februari CB-belastingadviseur dinsdag 1 maart HBO Fiscaal Recht diverse instapmomenten door modulaire opbouw

ALV/Belastingadviseursdag 2011 vrijdag 17 juni

Uitstelregeling voor belastingadviseurs Belastingadviseurs kunnen tot 1 mei 2011 uitstel aanvragen voor het indienen van de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting 2010. In het RB Kwaliteitshandboek in het hoofdstuk ‘klantprocessen > aangiftepraktijk > aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting algemeen’ staan aandachtspunten voor de praktijk beschreven. Kijk op www.RBKwaliteitshandboek.nl of log in op www.rb.nl > (Vakinformatie > RB Kwaliteitshandboek).

Zie voor meer informatie over de opleidingen het kader op pagina 47.

T I P

Op de RB-agenda ■

Beconoverleg vrijdag 18 maart

Vergadering Commissie Wetsvoorstellen maandag 28 maart

Btw-specialistengroep maandag 14 maart

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

45


HET

Verenigingsnieuws Leden

Nieuwe Algemene Voorwaarden

Inschrijvingen

Door de fusie gelden per 1 januari 2011 nieuwe Algemene Voorwaarden. Deze voorwaarden zijn opgesteld voor zelfstandige RB-leden. De Algemene Voorwaarden kunt u naar uw klanten sturen en toevoegen aan uw offerte voor nieuwe klanten. De meest recente Algemene Voorwaarden vindt u op www.rb.nl > ledenvoordeel. Meer informatie over informatieplicht naar uw klant en het gebruik van algemene voorwaarden vindt u opwww. RBKwaliteitshandboek.nl > kantoorprocessen > relatiebeheer.

■ ■ ■ ■ ■

Mw. mr. N. Steneker-Bruins Slot Ridderkerk Dhr. B.L.A. Mouwens Odiliënberg Dhr. T.J.H. Koning CB MB Volendam Dhr. A.A.M. de Vries Zeist Dhr. mr. G.E. Hoekstra Rotterdam Dhr. drs. Msc A.J.L.P. de Meijer Wernhout

■ ■ ■ ■ ■ ■

Mw. P.J.D.M. Constant Rotterdam Dhr. mr. drs. M.E.H. Opgenoort Leiden Dhr. mr. S.Y. Christians Zoetermeer Mw. W.C.C. de Bok Nieuwendijk Mw. P.J. Veldhoven MB Bergschenhoek Mw. mr. E. JansenBogdanowicz Bergeijk

Ad Fruijtier en René Bisschoff nemen afscheid van bestuur RB Met de fusie van NFB en CB tot RB wordt – zoals reeds eerder was besloten – opnieuw afscheid genomen van twee bestuursleden. Daarmee telt het bestuur van het RB acht leden. En omdat in de statuten van het RB is vastgelegd dat gedurende de eerste vijf jaar sprake zal zijn van pariteit komt één van de afscheid nemende bestuursleden uit NFB-hoek en de ander vanzelfsprekend uit de hoek van het CB.

De NFB en het RB zullen de inbreng van Ad gaan missen, waarbij we ons echter gelukkig prijzen met de gedachte dat Ad niet uit het hart en evenmin uit het oog zal verdwijnen. Zijn werkzaamheden voor de CFE en voor de FBA blijft hij voortzetten, terwijl hij ook nog te bewonderen valt in het PE-programma. Ook voor ob-problemen blijft hij het eerste aanspreekpunt van het bestuur. Bij zo’n afscheid passen dan ook geen grote, dramatische woorden, maar slechts een welgemeend ‘bedankt’, gevolgd door een ‘tot gauw’.

Ad Fruijtier Bij het besluit om over te gaan tot een verdere inkrimping gaf Ad Fruijtier al aan zijn functie te willen neerleggen. Het kantoor dat hij samen met zijn compagnon – de in RB-kring niet onbekende Machiel van Driel – runt vraagt zoveel van zijn tijd dat voortzetting van zijn bestuurslidmaatschap voor hem moeilijk is, hoe jammer hij (en wij) dat ook vinden. Ad was in 2006 het vijfde en laatste lid dat toetrad tot een geheel nieuw bestuur van de NFB. De keuze voor hem lag voor de hand, want Ad was al langere tijd actief voor de vereniging. Zo was hij namens de NFB al geruime tijd lid van het Indirect Tax Commitee van het CFE, de Europese vereniging van belastingadviseurs. Ook publiceerde hij met enige regelmaat onder meer in het NFB-tijdschrift Tribuut. Ad heeft zich in die jaren doen kennen als een betrokken, betrouwbaar en deskundig bestuurslid. Zijn bijzondere belangstelling ging uit naar de omzetbelasting. Zo heeft hij aan de wieg gestaan van het in de omzetbelasting betrekken van onze vereniging. Als ervaringsdeskundige (begonnen als controleur bij de Belastingdienst doorliep hij zowel de Federatieopleiding als de Leidse kopopleiding) ging het fiscale onderwijs hem ter harte, reden om hem te benoemen tot commissaris van de Federatie BelastingAcademie (FBA) BV.

46

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

René Bisschoff Ook aan de zijde van de voormalige vereniging het College Belastingadviseurs heeft een bestuursinkrimping plaatsgevonden. René Bisschoff heeft, na overleg met zijn bestuur, besloten zijn taken neer te leggen. In de periode november 2005 tot en met december 2010 heeft hij zich voortdurend ingezet voor het belang van de vereniging en, zeker niet minder belangrijk, het belang van de leden. Wij hebben hem leren kennen als een bestuurslid die zijn mening niet onder stoelen of banken stak en met grote betrokkenheid deelnam aan de diverse overleggen en vergaderingen. Juist zijn inzet heeft er mede toe bijgedragen dat de fusie tussen de beide verenigingen heeft kunnen plaatsvinden. Een ander gebied waarop René zich heeft gemanifesteerd, is die op het gebied van de kwaliteitsbewaking van de vereniging. De beroemde K uit het rijtje BKOO heeft hij steeds met verve verdedigd en dat heeft mede geleid tot het opzetten van de certificeringseisen die wij hanteren. Wij gaan ervan uit dat in de regio Limburg de ondersteuning van ons oud-bestuurslid voor het Register Belastingadviseurs zal blijven bestaan en dat wij elkaar bij diverse bijeenkomsten treffen. Namens alle bestuursleden van het RB bedanken wij René en wensen hem alle goeds voor de toekomst.


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Opleidingen

Verder in agrofiscale kennis Nederland telt ruim 73.000 agrarische bedrijven (bron: CBS), een voor de Nederlandse economie belangrijk segment met eigen fiscale wetgeving. Voor de agrarisch (fiscaal) adviseur is het daarom van belang op de hoogte te zijn van deze specifieke, voor de sector kenmerkende regelingen. Het Register Belastingadviseurs biedt u graag naast het reguliere Permanente Educatieprogramma, het cursusaanbod van VLB Opleidingen voor 2011 aan. Het cursusprogramma kenmerkt zich door cursussen op agrofiscaal en agrobedrijfskundig gebied.

Uitgelicht Nieuw: doorschuifregelingen voor de IBondernemer en de dga Per januari 2010 is het bij leven belastingvrij doorschuiven voor de dga van een bv ingevoerd en de doorschuifregeling bij overlijden aangescherpt. Deze aanscherping kan tot een hoge effectieve belastingdruk leiden, wat voorkomen kan worden! Ook voor de ondernemer met een eenmanszaak en de firmant is de doorschuifregeling bij leven en bij overlijden van groot belang. Reden temeer om u goed te laten informeren over de doorschuifregeling voor de IB-ondernemer en de dga.

Maart

Tijdens deze cursus komen de volgende onderwerpen aan bod: ■ de doorschuifregeling voor IB-ondernemers bij leven en overlijden; ■ de doorschuifregeling bij firma’s; ■ algemene regels voor het schenken en erven van aanmerkelijkbelangaandelen; ■ de doorschuifregeling voor AB-aandelen bij een schenking of een gift; ■ de doorschuifregeling voor AB-aandelen bij overlijden; ■ overeenkomsten en verschillen tussen de diverse doorschuifregelingen; ■ profijtelijke combinaties van de doorschuifregeling en de BOF uit de Successiewet; ■ voorbeelden/cases.

De werkkostenregeling – opfris/bijspijkercursus Timemanagement voor secretaresses en managementassistenten

Data/locaties

Actuele flitscursussen VLB Opleidingen zorgt ervoor dat u gedurende het hele jaar uw kennis kunt bijhouden en actualiseren. Daarom worden er naast het reguliere programma actuele en voor u relevante flitscursussen georganiseerd op centraal gelegen locaties in het land. Een maand voordat een flitscursus plaatsvindt ontvangt u bericht via een digitale nieuwsbrief. In 2011 worden er cursussen aangeboden op het gebied van accountancy, lonen, klantadvisering, horizontaal toezicht en agrofiscale eindejaarstips. Een greep uit de komende flitscursussen:

April

Actualiteiten loon(belasting) en arbeid Onroerend goed in de agrarische sector Mei

di 5 april 2011 di 12 april 2011 di 19 april 2011 di 10 mei 2011 ma 16 mei 2011 wo 18 mei 2011

Eindhoven Akersloot Zwolle Nootdorp Breda Vianen

Loonadministratie voor assistent-accountants Docent: Mr. J. Zwagemaker Geïnteresseerd?

Neemt u eens een kijkje op onze geheel vernieuwde website www.vlbopleidingen.nl

Meer informatie over deze cursus vindt u op www.rb.nl. U kunt zich via het digitale aanmeldingsformulier aanmelden.

Start opleidingen RB In maart 2011 gaan er weer een aantal RB-opleidingen van start: CB-belastingconsulent maandag 28 februari CB-belastingadviseur dinsdag 1 maart* HBO Fiscaal Recht diverse instapmomenten door modulaire opbouw Voor informatie en startdata van de opleiding HBO Fiscaal Recht verwijzen wij u naar www.mvp.nl. Voor alle opleidingen geldt dat deze van start gaan onder voorbehoud van voldoende deelname.

* De opleiding CB-belastingadviseur wordt aangeboden op maandag- en dinsdagavond. Het eerste college vindt voor alle groepen plaats op dinsdag 1 maart 2011, de overige colleges volgt u op de door u aangegeven voorkeursavond. In de brochure ‘Fiscale opleidingen 2010-2011’ vindt u uitgebreide informatie over alle RB-opleidingen. Op www.rb.nl kunt u zich direct online aanmelden! Voor meer informatie neemt u contact op met RB Opleidingen via opleidingen@rb.nl of telefoonnummer (0345) 54 70 30.

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

47


HET

Verenigingsnieuws Boeken

Algemeen fiscaal bestuursrecht

Wetgeving, bestuur en rechtspraak dienen strikt gescheiden te blijven. Dat betekent echter niet dat deze onderdelen niet dicht bij elkaar kunnen liggen. Rechtspraak (het werk van een rechter) ligt namelijk dicht bij wetgeving (het werk van de wetgever). Een rechter houdt zich bezig met het zoeken naar de juiste interpretatie van de door de wetgever vastgestelde regelgeving. Centraal daarbij staat het begrip rechtsvinding, ofwel de vraag: ‘Waar moet het recht vandaan worden gehaald?’.

In de regel lezen wij boeken voor deze rubriek van a tot z. Deze keer is er eens voor een andere methode gekozen. Het boek heeft twee maanden prominent naast de computer op het bureau gelegen en iedere keer als het formeel belastingrecht om de hoek kwam kijken ging het boek open. Als formeel belastingrecht al (onterecht) het stempel heeft saai te zijn; dit boek brengt daar geen verandering in. Het leest niet bepaald als een spannend jongensboek. Wel geeft het boek antwoord op de formeelrechtelijk issues die opkwamen en daar gaat het om. Sterker nog, regelmatig ben ik toch langer in het boek blijven lezen nadat het antwoord op de vraag al was gevonden. Als voorbeeld, steeds meer medewerkers van de Belastingdienst staan open Algemeen voor e-mailverkeer, maar fiscaal bestuursre wat is de status daar ei- 40 cht 40 genlijk van? Het is niet een boek voor een avondje lekker lezen op de bank, maar prima als Derde prof. mr. R. herziene dr H. Happé uk naslagwerk voor matemr. P.M.F. van Loon mr. J.P.F. Sli jpen rie die voor de meeste mr. dr. M.R. T. Pauwels van ons geen dagelijkse kost zal vormen.

SEN IES . N C.M .E. . R MR R. F. D PRO

Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs-kwaliteit-verhouding Bedoeld voor specialist

6 9 8 7 7 7

Eindoordeel: ■ ■ ■ Auteur: Uitgever: ISBN: Prijs:

Prof. dr. mr. R.E.C.M. Niessen SDU Uitgevers 978 90 12 38258 8 € 27,50

Door mr. Lucas Blom FB AA en mr. Johan Stip FB

48

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2

l

Dit boek is interessant voor degenen die zich willen verdiepen in onderdelen van het formele belastingrecht en de totstandkoming van arresten van (fiscaal)rechtelijke instanties. Voor de praktijkuitoefening van de gemiddelde belastingadviseur heeft dit boek naar onze mening geen nut.

emeen fisc

Op 2 oktober 2009 heeft de auteur in een oratie stil gestaan bij het begrip rechtsvinding in relatie tot het (formele) belastingrecht. Hij deed onderzoek naar de theorie van de rechtsvinding en de toepassing daarvan in de belastingrechtspraak van de Hoge Raad. Een nadeel van een oratie is, dat een diepgaand onderzoek moeilijk haalbaar is. De auteur is er toch in geslaagd een voldoende beeld te schetsen hoe een rechter ‘het  recht vindt’, hoe het oordeel is geformuleerd en d _  ] _dZ_d [d l i hoe hij laat zien dat de gevonden oplossing forj ^ H[Y j_d]pWa meel en inhoudelijk legitiem is. De auteur benai W b X[ drukt daarbij dat het van groot belang is dat de rechter de argumenten waarop een beslissing is gebaseerd, duidelijk tot uitdrukking laat komen. Uit een door hem genomen steekproef blijkt dat daar in arresten waarin de Hoge Raad ‘omgaat’ nog wel eens wat aan schort.

Happé/Van Loon/Slijpe n/Pauwels Alg

Rechtsvinding in belastingzaken

fed fiscal studieserie e

In de boekenrubriek geven ervaren vakmensen op persoonlijke titel hun mening over recent verschenen (fiscale) boeken: ■ Twee beoordelaars recenseren een boek. ■ Zij kennen cijfers toe voor bijvoorbeeld leesbaarheid, actualiteit en niveau.

Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs-kwaliteit-verhouding Bedoeld voor generalist

De recensenten geven een eindoordeel:

Auteurs:

Aanrader Goed Redelijk Matig Afrader

■ ■ ■ ■ ■

■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

7 7 7 7 6 7

Eindoordeel: ■ ■ ■ Prof. dr. R.H. Happé, mr. J.P.F. Slijpen, mr. P.M.F. van Loon e.a Uitgever: Kluwer ISBN: 978 90 13 05883 3 Prijs: € 62,50 Door Marco Dijkstra FB en Marcel van Galen FB


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Permanente Educatie

PE-programma voorjaar 2011

di

10 mei

Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

Hieronder het PE-programma voor 2011 tot en met mei 2011. Aanmelden voor deze en andere cursussen uit het PE-programma kan middels de formulieren uit de brochure Permanente Educatie voorjaar 2011. Deze zijn ook te downloaden en direct te verzenden via www.rb.nl. Het complete PE-programma vindt u ook op www.rb.nl.

Vianen ma 14 mrt do 17 mrt do 24 mrt

di

5 apr

di

12 apr

Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en

di

29 mrt

terbeschikkingstellingsregelingen J.W. Kemper FB

di

5 apr

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer

di

26 apr

ma 16 apr

Ondernemen in zwaar weer Mr. drs. S.A.W.J. Strik Testament lezen en testamentplanning Prof. dr. B.M.E.M. Schols

wo 6 apr

Start Inleiding estate planning Mr. E.R. Helder & mr. J.F.H. van den Belt

wo 6 apr do 7 apr

Breda 19 apr

Start Leergang Inkomstenbelasting (exclusief winst) Drs. R.S. Brander

en de dga Mr. J. Zwagemaker

di

Financieren van de bv in het mkb Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Akersloot ma 4 apr

Start BTW-academie Van Driel Fruijtier BTW-specialisten

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

Schenk- en erfbelasting 2011 Mr. J.F.H. van den Belt Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA

Nederbelgen Mr. drs. D.A. van Dorsselaer &

ma 11 apr

Alternatieven oudedagsvoorzieningen Mr. G.A.C. Aarts

Mr. M. Snikkenburg

di

Start Tweeluik samenstellen jaarrekening mkb

12 apr

Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

Drs. M. Moling AA RA CB wo 13 apr

Omgaan en onderhandelen met de fiscus Mr. R.R. Kramer RA

do 14 apr

Eindhoven di

5 apr

Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

ma 11 apr

di

19 apr

Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en terbeschikkingstellingsregelingen J.W. Kemper FB

wo 20 apr

19 apr

Nederbelgen Mr. drs. D.A. van Dorsselaer & mr. M. Snikkenburg

do 21 apr

di

10 mei

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

do 21 apr di

26 apr

Aangifte vennootschapsbelasting 2010

do 28 apr

Mr. J. Zwagemaker

17 mei

10 mei

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB 10 mei

50 tips voor de zzp-er

wo 11 mei

Mr. S.F.J.J. Schenk FB & mr. P.L.F. Seegers

do 12 mei

Het familiebedrijf: partners, ouders, ma 16 mei

31 mei

Het familiebedrijf, partners, ouders, kinderen en Mr. S.F.J.J. Schenk FB & mr. P.L.F. Seegers

ma 16 mei

De margeregeling in de btw Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

Vervolgcursus estate planning I

belastingen

Besparen op arbeidsongeschiktheidslasten Mr. J.P.M. van Zijl

Bijzondere fiscale positie van de dga Mr. J. Zwagemaker Prof. dr. B.M.E.M. Schols & prof. dr. F.W.J.M. Schols

Mr. S.F.J.J. Schenk FB & mr. P.L.F. Seegers

di

Start Vennootschapsbelasting: het advies (VLB cursus) Mr. R.J. Verbrugge

kinderen en belastingen ma 30 mei

Opfriscursus fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

ma 16 mei

Pensioen eigen beheer, lijfrentesparen en H.C.P. Schilder MFP FFp

di

Houten wo 27 apr

Vervolgcursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA Sociaal en fiscaal bij grensoverschrijdende arbeid

levensloopregeling anders bekeken

Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en terbeschikkingstellingsregelingen J.W. Kemper FB

di

Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en

R. de Groot CB

Emmeloord

ma 18 apr

Start Leergang Loonbelasting Mr. M.T.W Aandewiel terbeschikkingstellingsregelingen J.W. Kemper FB

wo 27 apr ma 28 feb

Kies voor belastingbesparing: eenmanszaak, vof of bv Mr. J. Zwagemaker

Casuscollege ‘Haal meer winst uit het fiscale winstbegrip’ J.W. Kemper FB

De herinvesteringsreserve (HIR) in al zijn facetten Mr. S.F.J.J. Schenk FB & mr. P.L.F. Seegers

di

ma 16 mei

Fiscale gevolgen van fusies/splitsingen en reorganisaties Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Ontwikkelingen formeel belastingrecht Mr. H.J.J. Oostdam Bcs

di

17 mei

Opfriscursus deelnemingsvrijstelling Mr. drs. S.A.W.J. Strik

wo 18 mei

Nootdorp di

1 mrt

Aangifte vennootschapsbelasting 2010

di

12 apr

Btw-actualiteiten 2010-2011

Mr. J. Zwagemaker Mr. G.B. van Driel FB

Belastinglatenties in de jaarrekening Drs. D. Marinus RA

wo 18 mei

Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

di

24 mei

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

februari 2011 | nummer 1/2 | Het Register

49


HET

Verenigingsnieuws di

24 mei

wo 25 mei wo 25 mei

Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint

Noordelijke Kring

Het ondernemerschap in de btw

do 10 mrt

Actualiteiten omzetbelasting en

Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

overdrachtsbelasting

Omzetbelasting in de agrarische sector (VLB cursus)

prof. dr. B.G. van Zadelhoff

Mr. H.J. de Boer FB do 26 mei ma 30 mei

Werken met zzp-ers en loonheffingen dga

Kring Noord Holland/ Alkmaar

Mr. L.K. Wouterse FB

wo 16 mrt

Civiele en fiscale aspecten van faillissement en schuldsanering Mr. J.A. Dullaart

Zwolle di

19 apr

Actualiteiten en aandachtspunten in de omzetbelasting Henk Zuidersma

ma 18 apr

De tbs-regeling Mr. J. Zwagemaker

Kring Rotterdam Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en

di

8 mrt

de dga Mr. J. Zwagemaker

Actualiteiten vennootschapsbelasting Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

12 apr

Actualiteiten arbeidsrecht, sociale verzekeringen Mr. J.P.M. van Zijl

Kringbijeenkomsten Kring Utrecht

RB kent elf regionale studiekringen. Elke kring organiseert meerdere bijeenkomsten per jaar. Dit voorjaar zijn de volgende kringbijeenkomsten bekend. Meer informatie en de laatste updates vindt u op het ledendeel van www.rb.nl > Permanente Educatie RB > Kringbijeenkomsten. Kring Amsterdam di

8 mrt

di

12 apr

Echtscheiding Eigen woning Mw mr. N.C.G. Gubbels

10 mei

8 mrt

di

12 apr

Dga Dr. R.P. van den Dool Formeel belastingrecht Actuele informatie: www.rb.nl

Kring Zeeland/West Brabant di

1 mrt

BOR successierecht Prof. mr. B.M.E.M. Schols

di

5 apr

Dga fiscaliteiten Dr. R.P. van den Dool

Actuele informatie: www.rb.nl Mw mr. H.P.M. van Bijnen

di

di

Horizontaal toezicht, beconoverleg,

Landelijke studiebijeenkomsten

boetes e.d. Drs J. Zweekhorst Kring Arnhem ma 14 mrt

Actuele informatie: www.rb.nl

ma 11 apr

Actuele informatie: www.rb.nl

Kring Eindhoven di

15 mrt

Jaarlijks worden Landelijke Studiebijeenkomsten (LSB) gehouden. Deze bijeenkomsten zijn gratis. Gerenommeerde sprekers lichten hier nieuwe ontwikkelingen toe. Het is noodzakelijk dat u zich aanmeldt voor een LSB en ook voor elke spreker afzonderlijk. Kijk voor meer informatie op het ledendeel van www.rb. nl > Permanente Educatie RB > Landelijke Studiebijeenkomsten.

Actualiteiten in het arbeidsrecht en de sociale zekerheid Mr. J.P.M. van Zijl

Houten do 17 mrt

di

12 apr

Actualiteiten tbs-regeling Mr. J.P. Boer

di

10 mei

Actualiteiten Agro-fiscaliteit Mr. D.F. Anholts

Actualiteiten IB ondernemingen Mr. J. Zwagemaker Wisseling vd rechtsvorm: kies voor belastingbesparing Mr. J. Zwagemaker

Kring Limburg do 17 mrt do 14 apr do 12 mei

Actualiteiten in het arbeidsrecht en de sociale

do 14 apr

pensioenen Mr. P.A. ter Beest MPLA

Sociale verzekeringen in internationaal

Internationaal Belastingrecht

verband Mr. dr. M.J.G.A.M. Weerepas

Mr. M.C. de Graaf

Actualiteiten Europees belastingrecht Prof. mr.dr. R.H.C. Luja

Hoogeveen do 31 mrt

WWFT, 4e tranche Awb, inkeer, boetes

Kring Gelderland/ Overijssel

Prof. mr. G.M.J.E. de Bont

ma 21 mrt

Internationaal belastingrecht

Omzetbelasting (actualiteiten)

Prof. dr. D. Weber

Mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen

ma 18 apr

Actualiteiten Mr. J.P. Boer

ma 16 mei

Pensioenactualiteiten Mr. P.A. ter Beest MPLA

Eindhoven do 28 apr

WWFT, 4e tranche Awb, inkeer, boetes Prof. mr. G.M.J.E. de Bont

Kring Leiden

50

Toekomstvoorzieningen algemeen, DGA,

zekerheid Mr. J.P.M. van Zijl

ma 14 mrt

Actuele informatie: www.rb.nl

Omzetbelasting (actualiteiten)

ma 11 apr

Actuele informatie: www.rb.nl

Mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen

ma 9 mei

Actuele informatie: www.rb.nl

Het Register | februari 2011 | nummer 1/2


Het Register 2011 nr. 1: Aandelen als verplicht bedrijfsvermogen geëtiketteerd?