Page 1

HET

Register Vakblad van het Register Belastingadviseurs juni 2019 | nummer 3

De schandpaal opgepoetst: moet de belastingadviseur hangen? RB-bestuurders over twee visiegroepen: ‘Forward to the future’ Ieder pachtersvoordeel heeft zijn nadeel De Belastingdienst: steeds meer een geduchte concurrent?


Sdu werkt aan een digitale oplossing, die het werkproces van belastingadviseurs drastisch zal veranderen! Dit is Sophie, een succesvolle belastingadviseur.

Haar leven is soms een achtbaan, maar daar komt verandering in! De pijnpunten in het adviesproces van Sophie, zoals gebrek aan overzicht en goede vastlegging, vormen de inspiratie voor de nieuwe oplossing van Sdu!

Ik heb een idee!

In het innovatielab van Sdu…

Dit moet gestructureerder, efficiënter en beter…

Eindelijk grip op het adviesproces!

We gaan de fiscale markt opschudden!

Benieuwd wat deze ontwikkeling voor jou kan betekenen? Zie sdu.nl/fiscaalinnoveert


DE

n n n

Inhoud

Colofon Het Register is een uitgave van het Register Belastingadviseurs (RB), Brenkmanweg 6 4105 DH Culemborg, telefoon (0345) 54 70 00 Het Register verschijnt zes keer per jaar en vormt een belangrijke informatiebron voor de leden van het Register Belastingadviseurs. Leden en relaties van het RB ontvangen Het Register uit hoofde van hun lidmaatschap/ betrokkenheid bij het RB. Informatie over (het lidmaatschap van) het RB vindt u op www.rb.nl; informatie over het opzeggen van het lidmaatschap vindt u op www.rb.nl/lidmaatschapopzeggen.

Redactieraad Mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk RB (hoofd­ redacteur) Prof. mr. dr. G.J.M.E. (Guido) de Bont Mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks RB Mr. dr. M.J. (Mascha) Hoogeveen Mr. W.J.M. (Wil) Vennix RB

Eindredactie Kamminga Publicaties, Ton Kamminga E-mail: ton@kammingapublicaties.nl

6

De schandpaal opge­ poetst: moet de belasting­ adviseur hangen? Mr. D.N.N. Jansen

16

‘Forward to the future’ RB-bestuurders over twee visiegroepen

Uitgever Register Belastingadviseurs E-mail: communicatie@rb.nl

Rubriek Jurisprudentie en Wetgeving Fiscaal up to Date, Eindhoven

Advertenties Saskia van Baal Tel.: (0345) 54 70 00 E-mail: svanbaal@rb.nl

De redactie - Pensioen is over – en nu? Kort & bondig

15

Jurisprudentie en wetgeving

n

21

Ieder pachtersvoordeel heeft zijn nadeel

n

26

n

30

n

34

n

38

n

41

Mr. drs. J.A. Bult RB

Twinmedia BV, Donna van Kessel

Citeertitel: Het Register 2019/nr.

5

n

Vormgeving

‘Het Register’ bevat informatie die met de meeste zorgvuldigheid is samengesteld. Het Register Belastingadviseurs en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijke gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

n

10

De redelijke vergoeding van art. 1:95a BW:  geen maatpak voor het mkb

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, fotooffset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Register Belastingadviseurs.

4

n

Negende jaargang, oplage 7500

© Register Belastingadviseurs

n

Mr. W.J.M. Vennix RB

Geld Speelt Geen Rol? Column - Dr. P.F. Hasekamp

Mr. dr. J.W.A. Rheinfeld

De dorpscoöperatie fiscaal nader beschouwd A.L.P. Wattenberg RB

De Belastingdienst: steeds meer een geduchte concurrent? Mr. P.H.J. Furer RB en mr. A.T. Pahladsingh RB

Toon Nefkens: ‘Produceren is iets anders dan reproduceren’ Het kantoor

www.rb.nl/het-register

Het Verenigingsnieuws

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

3


DE

Redactie

Pensioen is over – en nu? Ik hoef de lezers van Het Register niet te vertellen hoe het eigenbeheerpensioen de afgelopen jaren is verworden van populaire aftrekpost tot een hoofdpijndossier voor veel dga’s en hun adviseurs. Na jarenlange politieke onmacht heeft de ­wetgever twee jaar geleden dan toch definitief besloten het eigenbeheerpensioen ‘uit te faseren’. Met de beslissing om te stoppen met verdere opbouw, kan ik wel leven. De praktijk leert immers welke problemen het oplevert om een ‘verzekeringsmaatschappij met 1 of 2 verzekerden’ te hebben. Dan is er altijd geld over of tekort en fiscaal komt het zelden goed uit. Toch hadden we daar in de meeste gevallen waarschijnlijk wel een mouw aan weten te passen als de Europese ­Centrale Bank de marktrente – en in het voetspoor daarvan: de rekenrente – niet kunst­matig zo absurd laag had gemaakt. Over de door de wetgever geboden keuzemogelijkheden ben ik minder enthousiast. De afkoop met in 2017 een substantiële korting was een prima optie, getuige het ruime gebruik dat hiervan is gemaakt: het heeft de schatkist € 3,3 miljard aan loonbelasting opgeleverd, de helft meer dan was begroot. De regelgeving rond de oudedagsverplichting is naar mijn mening echter onnodig ingewikkeld gemaakt. De wetgever heeft ervoor gekozen om het in civielrechtelijk opzicht een geheel nieuw fenomeen te doen zijn, met veel onduidelijkheid over onder meer de wijze van vererving tot gevolg. Waarom is niet aangesloten bij het al bekende fenomeen banksparen? De wetgever is hier al in een vroegtijdig stadium voor gewaarschuwd, maar heeft de goedbedoelde adviezen van wetenschappers en beroepsorganisaties in de wind geslagen. Pas vele maanden na de inwerkingtreding van de wet zijn er tegemoetkomingen en versoepelingen gekomen, terwijl velen toen allang een ­bepaalde keuze hadden gemaakt, bijvoorbeeld voor afkoop. Al met al heeft de praktijk, zoals meestal, de meeste problemen wel weten op te lossen, al resteren er nog wel hardnekkige knelpunten, zoals buitenlandsituaties en onwillige exen. Maar goed, u heeft nog tot eind dit jaar om de laatste pensioenvoorzieningen om te zetten – of af te kopen, maar dan tegen de magere korting van 19,5% – en zo niet, dan blijft het ten eeuwigen dage pensioen in eigen beheer. Gevolg daarvan is dat elke belastingadviseur blijvend moet zorgen voor voldoende ­kennis, persoonlijk of in zijn kantoor of netwerk, over dit taaie onderwerp. ­Degenen voor wie dit niet geldt en die alle pensioenkennis dus kunnen vergeten, kunnen de ­vrijgekomen tijd prima besteden door met de dga serieus in gesprek te gaan. De eerste vraag die u uw cliënt kunt stellen, is of er voldoende is geregeld voor het geval hij onverhoopt komt te overlijden of, niet te vergeten, arbeidsongeschikt wordt. De tweede vraag is hoe de ondernemer zijn pensioen, oftewel het inkomen na pensionering, heeft geregeld. Als het woord ‘pensioen’ niet meer in de balans van de bv voorkomt, wordt het wellicht minder makkelijk om zich daarachter te verschuilen en wordt de dga gedwongen om hier écht over na te denken. En om maatregelen te nemen. Niet iedere cliënt zal bereid of in staat zijn om hier ook echt de noodzakelijke stappen voor te zetten, maar dat ontslaat de Register ­Belastingadviseur niet van de professionele plicht om hierop te wijzen. Zo nodig elk jaar weer! Mr. W.J.M. (Wil) Vennix RB Redactielid Het Register en partner bij De Beer Accountants & Belastingadviseurs te Tilburg

4

Het Register | juni 2019 | nummer 3


n n n

Kort & Bondig Wetsvoorstel nationale vliegbelasting ingediend

Onderzoek naar nieuwe rechtsvorm sociale ondernemingen De ministerraad wil de regelgeving en het speelveld voor ondernemingen met sociale of maatschappelijke doelen verbeteren. Sociaal ondernemers kunnen op dit moment voor dezelfde (rechts) vormen kiezen als elke andere ondernemer. Staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat start nu met een onderzoek naar de wenselijkheid van een nieuwe rechtsvorm voor deze bedrijven, zoals een bv-m. Het invoeren van een nieuwe rechtsvorm is echter een juridisch ingrijpende maatregel, waarvoor eerst aanvullend onderzoek nodig is. Keijzer betrekt hierin ook de mogelijkheid om de zogenoemde Code Sociale Ondernemingen op soortgelijke wijze als de Corporate Governance Code wettelijk te verankeren, zoals Tweede Kamerlid Bruins (ChristenUnie) in een initiatiefnota heeft voorgesteld.

Het kabinet wil per 1 januari 2021 een vliegbelasting invoeren. Daarbij gaat de voorkeur uit naar een Europese belasting. Voor het geval deze laatste te lang op zich laat wachten, is een wetsvoorstel voor een nationale vliegbelasting uitgewerkt van 7 euro per vertrekkende passagier, behalve voor transferpassagiers. Het gaat om een tarief dat bij het Belastingplan 2021 nog precies moet worden vastgesteld, omdat het wordt gecorrigeerd voor de inflatie; naar verwachting blijft het onder de 7,5 euro. Verder komt er een vliegbelasting voor vrachtverkeer, waarbij vliegtuigen die minder geluid produceren, minder worden belast. Het tarief is 3,85 euro per ton vracht voor de meest lawaaiige vliegtuigen en 1,925 euro per ton vracht voor de lagere geluidsklassen. n Ministerie van Financiën, 14 mei 2019

n Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 17 mei 2019

Digitale publicaties dreigen btw-verlaging mis te lopen De aangekondigde btw-verlaging voor digitale publicaties van 21 naar 9% gaat vrijwel alleen gelden voor digitale kopieën van papieren kranten, boeken en tijdschriften, zo blijkt uit een wetsontwerp van het ministerie van Financiën. In tegenstelling tot andere lidstaten kiest Nederland ervoor om digitale publicaties te toetsen op hun vorm. Omdat een digitale publicatie, zoals een nieuwswebsite, volgens het ministerie in haar vorm niet lijkt op een krant die één keer per dag verschijnt, blijft daarop het 21%-tarief van toepassing. Andere EU-lidstaten kiezen voor een meer toekomstbestendige oplossing, waardoor bijvoorbeeld nieuwssites wel onder het verlaagde btwtarief vallen. De Mediafederatie, waarin vijf branche­organi­saties uit de uitgeefsector zijn verenigd, wil daarom dat het wetsontwerp wordt aangepast en doet daartoe ook een voorstel. Kern daarvan is om niet de uiterlijke kenmerken van ­papieren uitgaven als uitgangspunt te nemen, maar digitale publicaties te beoordelen op hun inhoud en doel.

Kabinet vraagt hulp van opdrachtgevers bij uitwerken webmodule Het kabinet roept de hulp in van opdrachtgevers bij het verder uitwerken van de webmodule die wordt ontwikkeld als onderdeel van de nieuwe zzp-maatregelen. De web­ module moet een belangrijk hulpmiddel voor opdracht­ gevers worden. Via een online vragenlijst kunnen zij duidelijkheid krijgen over de vraag of een opdracht buiten dienstbetrekking mag worden uitgevoerd. Als dat het geval is, wordt een opdrachtgeversverklaring afgegeven. Opdrachtgevers hebben dan de zekerheid dat ze geen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen zijn verschuldigd. De inzet is dat de vragenlijst met zo min mogelijk vragen zo effectief mogelijk werkt. Daartoe is een eerste versie van de vragenlijst uitgezet bij duizend opdrachtgevers. Na verwerking van die gegevens wordt een kortere vragenlijst ontwikkeld, die vervolgens ook nog zal worden getest.

n Mediafederatie, 15 mei 2019 n Ministerie van Financiën, 5 april 2019

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

5


n n n n

De schandpaal opgepoetst:

moet de belasting­­adviseur hangen? Op 9 mei 2016 werd door een consortium van onderzoeksjournalisten een database opengesteld met daarin gegevens van een groot ­aantal personen en vennootschappen, de welbekende Panama Papers.1 Volgens het kabinet heeft de berichtgeving hierover voor een groot publiek zichtbaar gemaakt hoe internationaal opgezette structuren kunnen worden ingezet om vermogens en financiële stromen buiten het zicht van de autoriteiten te houden. Onder meer deze Panama Papers leidden tot het aankondigen van maatregelen om de belastingontduiking en -ontwijking aan te pakken. Daaronder ook de ­openbaarmaking van vergrijpboeten.

I Diana Jansen Mr. D.N.N. Jansen is fiscaal advocaat bij Tax Studio in ­Amsterdam

6

n een brief van 17 januari 2017 informeert de staatssecretaris de Tweede Kamer over de voorgenomen internationale en nationale maatregelen.2 Een van de nationale maatregelen is de openbaarmaking van vergrijpboeten. Volgens de staatssecretaris heeft openbaarmaking van vergrijpboeten, opgelegd aan juridische beroepsbeoefenaren, zoals de belasting­adviseur, de ­notaris en de advocaat, onder meer tot doel om zowel de samenleving als de juridische beroeps­groepen duidelijk te maken dat het adviseren over en implementeren van onaanvaardbare fiscale constructies niet wordt geaccepteerd. De belastingplichtige wordt op die manier beter geïnformeerd over de keuze van een adviseur. De staatssecretaris stelt vervolgens dat het belang van de maatschappij bij openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de beboete adviseur bij g ­ eheimhouding. In een beleidsdocument van 7 juni 2017 wordt de achtergrond van de voorgenomen maatregel nog eens toe­ge­ licht en wordt een aantal vragen geformuleerd die via een internetconsultatie aan de juridische beroepsbeoefenaren worden voorgelegd.3 Diverse beroepsbeoefenaren reageren hierop, waarbij ze zich vrijwel allemaal uitspreken tegen de maatregel en ook beargumenteren waarom. Het kabinet ziet daar echter geen aanleiding in om van de maatregel af te zien: in zijn brief van 23 februari 2018

Het Register | juni 2019 | nummer 3

aan de Tweede Kamer voert de staatssecretaris hem ­opnieuw ten tonele.4 En op 19 december 2018 publiceert het ministerie van Financiën ten slotte een conceptwetsvoorstel met toelichting en wordt wederom de ­mogelijkheid geboden om hierop te reageren.5

Het voorstel Er wordt een nieuw artikel ingevoerd, art. 67r AWR, waarin wordt bepaald wanneer de inspecteur een aan een deelnemer opgelegde vergrijpboete openbaar kan maken. Er moet daarvoor dan dus wel een vergrijpboete zijn opgelegd. Het betreft een boete voor de volgende vergrijpen: ■■ art. 10a AWR (bijvoorbeeld niet tijdig indienen van een suppletie omzetbelasting); ■■ art. 67cc AWR (opzettelijk onjuiste gegevens verstrekken bij een verzoek om (herziening van) een voor­ lopige aanslag); ■■ art. 67d AWR (opzettelijk onjuiste of onvolledige ­aangifte aanslagbelasting); ■■ art. 67e AWR (aan opzet of grove schuld te wijten dat te weinig belasting is geheven bij aanslagbelasting); ■■ art. 67f AWR (opzettelijk of grofschuldig niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan).


n n n n

De boeten kunnen openbaar worden gemaakt als ze zijn opgelegd aan deelnemers als bedoeld in art. 5:1 Awb ­(medepleger, feitelijk leidinggever) en art. 67o AWR (medeplichtige, doen pleger, uitlokker).6 De overtreding moet zijn gepleegd tijdens de beroeps- of bedrijfsmatige bijstand van een belastingplichtige. Dit is volgens de toelichting op het voorstel een feitelijke toets; de ­formele functie is daarbij niet van belang. Het voorstel noemt twee momenten van openbaar­ making: binnen vijf werkdagen na het moment van ­onherroepelijk worden van het besluit van openbaar­ making van de boete en binnen vijf werkdagen na het moment van onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete.

Procedure Het besluit tot openbaarmaking vindt volgens een nieuw in te voegen lid bij art. 67g AWR plaats bij voor ­bezwaar vatbare beschikking. Het wordt uiterlijk ­genomen op het moment van oplegging van de boete. Een bezwaar tegen de opgelegde boete wordt tevens ­geacht te zijn gericht tegen het besluit die boete openbaar te maken (art. 24a AWR). Ik verwacht dat het ­besluit om een boete openbaar te maken in de meeste gevallen gelijktijdig met het opleggen van een boete zal worden genomen, zodat hierover een procedure kan worden gevoerd. Uit de aanpassing van art. 24a AWR – waarbij een bezwaar tegen de boete mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit openbaarmaking – maak ik op dat de wetgever daar ook van uit lijkt te gaan. Wanneer kan van openbaarmaking worden afgezien? Het voorstel kent een mogelijkheid om af te zien van openbaarmaking. De inspecteur kan ervan afzien als de overtreder daardoor onevenredig zou worden benadeeld. Als voorbeeld wordt in de toelichting genoemd de situatie waarbij de Belastingdienst maar voor een zeer gering ­bedrag is benadeeld. Afzien is ook denkbaar als sprake is van een schrijnende situatie van de adviseur, zoals ziekte. Naar mijn mening zal echter niet snel van openbaarmaking kunnen worden afgezien. De wetgever heeft immers al het belang van openbaarmaking afgewogen tegen dat van de overtreder om de boete geheim te houden. In de toelichting wordt voorts aangegeven dat het op de weg van de beboete ligt om de omstandigheden ­aannemelijk te maken op grond waarvan zou moeten worden afgezien van openbaarmaking. Dit komt mij niet onlogisch voor. Ook wanneer deze bewijslast niet op de beboete zou liggen, is het natuurlijk verstandig om alle feiten en omstandigheden naar voren te brengen die van belang kunnen zijn voor de beslissing om van openbaarmaking af te zien. Op welke wijze wordt de boete openbaar gemaakt? Onder het kopje ‘Algemene toelichting’ wordt aangegeven dat publicatie zal plaatsvinden op de website van de Belastingdienst. Daarop zullen worden gepubliceerd de naam van de overtreder, het kantoor waaraan hij is verbonden en het vestigingsadres van het kantoor. De

Het is aan de beboete om de omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan zou moeten worden afgezien van openbaarmaking verdere uitwerking van de openbaar te maken gegevens en de wijze waarop zal plaatsvinden bij ministeriële ­regeling. Er kan dan volgens de toelichting beter worden aangesloten bij meer recente manieren van openbaarmaking. Dat betekent dat mogelijk ook gepubliceerd kan gaan worden via andere kanalen, zoals sociale media.7

Is openbaarmaking een goed idee? In de toelichting wijst de wetgever nogmaals op de ­belangrijke rol die belastingadviseurs hebben bij het ­opzetten van complexe (internationale) fiscale ­constructies die leiden tot belastingontduiking en belastingontwijking. Hierdoor wordt voor de Belastingdienst het zicht op de werkelijkheid lastiger gemaakt en wordt handhaving ingewikkelder. Het risico van belastingontwijking en -ontduiking neemt daardoor toe.8 De voor­ genomen maatregel wordt ingevoerd om dat tegen te gaan. De regeling beperkt zich hier echter niet toe. ­Volgens het conceptwetsvoorstel worden namelijk alle aan beroepsbeoefenaren opgelegde vergrijpboetes, voor zover de overtreding is begaan bij het verlenen van ­beroepsmatige bijstand, openbaar gemaakt. Preventieve werking en informeren ­belasting­plichtige De wetgever vindt voorts de preventieve werking die van de maatregel uitgaat en de waarschuwing aan de ­belastingplichtige belangrijke argumenten om de maatregel in te voeren. Volgens het conceptvoorstel wordt de boete echter pas openbaar gemaakt als deze onherroepelijk is geworden of als het besluit tot openbaarmaking onherroepelijk is geworden. Een procedure bij de belastingrechter tot aan de Hoge Raad duurt al snel meer dan zes jaar. Als publicatie pas daarna kan plaatsvinden, kun je je afvragen wat het effect daarvan nog is; de prikkel komt dan immers rijkelijk laat. Helemaal voor de belastingplichtige, die volgens de wetgever via die weg moet worden geïnformeerd of gewaarschuwd. Als het dan zo belangrijk is om te waarschuwen voor dergelijke ­adviseurs, wil je dat als belastingplichtige meteen weten en niet zes jaar later. Naar mijn mening voegt dat dan niet zo veel meer toe.9 In andere delen van het bestuursrecht vindt openbaarmaking ook wel plaats vóór het onherroepelijk worden van de boete. Openbaarmaking vindt dan 10 of 14 dagen na het nemen van het besluit plaats, zodat de betrokkene gelegenheid heeft een voorlopige voorziening aan te ­vragen. Alleen als die dat doet, wordt de openbaarmaking (verder) opgeschort.10 Op de wijze waarop aldus i­ nvulling is gegeven aan de rechtsbescherming, is in het overige

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

7


Openbaarmaking vergrijpboeten

n n n n

bestuursrecht veel kritiek te horen. De doorgang van ­publicatie met onomkeerbare gevolgen is dan namelijk afhankelijk van een meer marginale toets door de voorzieningenrechter, waartegen geen hoger beroep openstaat.11 Door direct te publiceren worden de door de wetgever beoogde doelstellingen weliswaar meteen bereikt, maar ik ben hier geen voorstander van. Ik acht de kans reëel dat door zo’n vroege publicatie ten onrechte schade wordt veroorzaakt. Tot het moment waarop de belastingrechter over de opgelegde boete heeft beslist, is het immers alleen nog maar het standpunt van de inspecteur dat de beboete de overtreding heeft begaan. En hoe vaak komt het wel niet voor dat de belastingrechter een boete later alsnog vernietigt? Om welke gevallen gaat het? Met de invoering van het Protocol Aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD) per 1 juli 2015 is strafrechtelijke vervolging voor belastingfraude niet langer ultimum remedium, maar moet ze worden gezien als een van de handhavingsmogelijkheden. Het strafrecht zal volgens het Protocol AAFD steeds meer worden ingezet om rechtshandhaving te stimuleren en compliance te bevorderen.12 Volgens de aanmeldingscriteria moet een zaak voor mogelijke strafrechtelijke afhandeling in ieder geval worden aangemeld bij een nadeel­ bedrag van € 100.000 en een vermoeden van opzet. Bij een lager ­nadeelbedrag en vermoeden van opzet wordt de zaak aangemeld als er aanvullende wegings­criteria zijn, zoals medewerking van een adviseur. Diens medewerking is volgens het Protocol AAFD een belangrijk ­criterium. Als het Protocol door Belastingdienst en Openbaar ­Ministerie wordt nageleefd, betekent dit dat bij een ­vermoeden van opzettelijk handelen door een adviseur al vrij snel strafrechtelijke vervolging in beeld komt. Het betekent voorts dat minder ernstige gevallen een boete krijgen die vervolgens wordt gepubliceerd, en dat

8

Het Register | juni 2019 | nummer 3

‘zwaardere’ gevallen die worden veroordeeld anoniem kunnen blijven. Weliswaar kan aan een veroordeelde ­belastingadviseur een beroepsverbod worden opgelegd, maar dat verbod wordt niet gepubliceerd en na het ­verstrijken van de termijn waarvoor het verbod geldt, kan zo’n adviseur gewoon opnieuw beginnen zonder dat hij wordt achtervolgd door een publicatie. Voor dat verschil in behandeling lijkt mij geen goede rechtvaar­ diging te bedenken. Om hoeveel gevallen gaat het? Tot op heden lijkt het voorts ook een ‘oplossing’ voor een beperkt probleem. De afgelopen jaren is namelijk slechts een beperkt aantal boeten opgelegd. Er is een aantal WOB-verzoeken gedaan waarin onder meer is ­gevraagd naar het aantal deelnemersboeten dat aan ­adviseurs is opgelegd: ■■ volgens een besluit van 16 november 2017 waren er op grond van art. 5:1, lid 2 Awb (medeplegen, feitelijk leidinggeven) sinds 1 januari 2015 achttien boetes ­opgelegd, waarvan minimaal acht aan facilitators, zoals belastingadviseurs;13 ■■ volgens een besluit van 23 juli 2018 waren er sinds 1 januari 2016 tien tot vijftien boetes op grond van art. 67o AWR opgelegd;14 ■■ volgens een besluit van 20 augustus 2018 was de boete ex 67o AWR nog helemaal niet opgelegd aan accountants, belastingadviseurs, advocaten en notarissen.15 Het feit dat er nog maar zo weinig boetes zijn opgelegd, sluit natuurlijk niet uit dat de Belastingdienst in de ­toekomst meer gebruik zal maken van die bevoegdheid, maar art. 5:1 Awb (medepleger) is al tien jaar geleden ­ingevoerd en in die periode zijn er dus kennelijk maar acht boeten opgelegd aan belastingadviseurs, accountants, notarissen, advocaten etc. Kan gelet op die geringe aantallen het door de wetgever gewenste effect dan wel worden bereikt?


n n n n

Wijze van publicatie en welke gegevens? De toelichting bij het conceptwetsvoorstel vermeldt dat de boeten ieder geval gepubliceerd gaan worden op de website van de Belastingdienst. Daarnaast wordt bij ­ministeriële regeling bepaald op welke wijze verder kan worden gepubliceerd. Een concept van die regeling is er nog niet, maar wanneer gepubliceerd gaat worden in landelijke dagbladen of via sociale media, weten we ­zeker dat dit niet meer valt te verwijderen. Ook publicatie op de website van de Belastingdienst is niet zonder risico. Die kan het wel van zijn website verwijderen, maar kan niet voorkomen dat de inhoud voordien al is gedeeld op andere platforms of op sociale media. De ­Belastingdienst heeft als publicerende instantie geen vat op verdere verspreiding of manipulatie van de gepubliceerde informatie.16 Het conceptvoorstel bevat overigens in het geheel geen termijn waarna publicatie zou moeten worden verwijderd. Wellicht is daar niet aan ­gedacht, of zou het niet de bedoeling zijn de publicatie na een bepaalde periode te verwijderen? Naast de naam van de overtreder is de wetgever ook voornemens de naam en het vestigingsadres te publiceren van het kantoor waar de desbetreffende adviseur werkzaam is. De toelichting maakt niet duidelijk welk moment daarvoor bepalend is. Het is zeer goed mogelijk dat de adviseur op het moment van beboeting bij een ­ander kantoor werkzaam is dan op het moment van ­publicatie jaren later. Welk kantoor dan moet worden vermeld, vind ik lastig te beantwoorden. Het ligt voor de informatievoorziening van de belastingplichtige voor de hand om aan te sluiten bij de actuele kantoorgegevens. Voor de preventieve werking die van publicatie zou moeten uitgaan, geldt misschien juist het omgekeerde. Wellicht is de adviseur alleen tot het begaan van de overtreding gekomen omdat vergaande grensverkenning binnen het kantoor waar hij eerder werkzaam was, gebruikelijk was. Door de desbetreffende medewerker de rug toe te keren, zou dat kantoor dan op eenvoudige wijze van vermelding kunnen afkomen.17

Ten slotte Ik vind het publiceren van vergrijpboeten die aan belastingadviseurs worden opgelegd geen goed idee. De argumentatie van de wetgever voor invoering van de maat­ regel – het bestrijden van onaanvaardbare voornamelijk internationale fiscale constructies – acht ik verre van overtuigend. Andere aangekondigde maatregelen, zoals het invoeren van een UBO-register en een meldplicht vooraf voor fiscale structuren, zijn naar mijn mening toereikender. De andere argumenten, zoals de preventieve werking en de informatie voor de belastingplich­ tige, kan ik op zichzelf wel volgen, maar bij nadere ­beschouwing van de voorgenomen maatregel kun je je afvragen of het door de wetgever beoogde effect wel via die weg wordt bereikt. Zo worden er tot op heden maar weinig boeten opgelegd en zal, gelet op de aanmeldcriteria van het Protocol AAFD, eerder voor afdoening via het strafrecht moeten worden gekozen dan voor beboeting. Als de wetgever meer ‘grip’ wil krijgen op de beroeps-

Het is zeer goed mogelijk dat de adviseur op het moment van beboeting bij een ander kantoor werkzaam is dan op het moment van publicatie jaren later. En wat dan? groep, heeft het wat mij betreft de voorkeur om het ­beroep van belastingadviseurs te gaan reguleren in plaats van te dreigen met de digitale schandpaal.   <<< Noten 1

https://www.icij.org/investigations/panama-papers/

2

TK, 2016/17, 25 087, nr. 138, p. 9.

3

Internetconsultatie Wet aanpak belastingontduiking, https:// www.internetconsultatie.nl/aanpakbelastingontduiking

4 TK 2017/18, 25 087, nr. 188, p. 13. 5

Wetsvoorstel openbaarmaking vergrijpboeten, https://www.internetconsultatie.nl/openbaarmaking

6

Zie voor een korte uitleg van deelnemingsvormen: mr. D.N.N. Jansen, Beboeting van mededaders; de ontwikkelingen, Het Register nr. 1, februari 2015.

7

Rb Rotterdam 7 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1636, waarin de rechter oordeelt dat de wettekst publicatie via Twitter niet uitsluit.

8

Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructie, TK 2016/17, 34 566, nr. 3.

9

Zie in dat verband ook mr. drs. C.M. Dijkstra en mr. K.H. Arling, Naming and Shaming in het fiscale boeterecht, NTFR 2019/3, 7 maart 2019.

10 Zie bijvoorbeeld art. 12u Instellingswet ACM (Autoriteit ­Consument en Markt). 11 Mr. M.L. Batting, mr. F.E. de Bruijn en mr. C.A. Geleijnse, Actieve openbaarmaking van sanctiebesluiten door toezichthouders: een overzicht, Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming, nr. 2, 3 juni 2017. 12 Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en ­delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD), Stcrt. 2015, nr. 17271, 25 juni 2015. 13 Besluit WOB-verzoek bestuurlijke boetes van 16 november 2017, kenmerk 2017-0000207262. 14 Besluit WOB-verzoek over bestuurlijke boetes van 23 juli 2018, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/ 2018/11/22/besluit-op-wob-verzoek-over-bestuurlijke-­boetesbij-de-belastingdienst. 15 Besluit WOB-verzoek van 12 november 2018, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/2018/11/22/besluitop-wob-verzoek-over-het-aanvragen-van-een-machtiging-doormedewerkers-van-de-belastingdienst. 16 Zie in dat verband ook mr. M. Ligtenberg, Eenmaal op internet, ook fiscaal voor altijd de sjaak, column 25 februari 2019, https:// www.futd.nl/column/13287/eenmaal-op-internet-ook-fiscaalvoor-altijd-de-sjaak/. 17 Zie in dat verband ook de reactie van de Nederlandse Orde van Advocaten op het conceptwetsvoorstel van 31 januari 2019, https://www.internetconsultatie.nl/openbaarmaking.

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

9


n n n n n

De redelijke vergoeding van art. 1:95a BW: geen maatpak voor het mkb Op 1 januari 2018 is met art. 1:95a BW de ‘redelijke vergoeding’ geïntroduceerd. Het betreft een nieuw vergoedingsrecht tussen echtgenoten. De regeling beoogt te voorkomen dat het resultaat van een onderneming die buiten de gemeenschap valt, ook buiten de gemeenschap blijft. Het uitgangspunt hierbij is dat het resultaat van de kennis, vaardigheden en arbeidsinspanningen die een echtgenoot ten behoeve van de onderneming heeft aangewend, middels een redelijke vergoeding ten bate van de gemeenschap moet komen. Dit geldt alleen voor zover een dergelijke vergoeding achterwege is gebleven.1

D

e regeling is echter niet onomstreden en roept tal van vragen op.2 In deze bijdrage ­bespreek ik een aantal knelpunten voor de praktijk. Aan de orde komen het onder­ nemings­begrip, de omvang van de redelijke vergoeding en de afwikkeling hiervan. De eenmanszaak die behoort tot het privévermogen van de ondernemer neem ik ­hierbij als uitgangspunt.

John Bult Mr. drs. J.A. Bult RB is zelfstandig gevestigd belastingadviseur en estate planner

10

Inwerkingtreding Het is een misvatting te denken dat het nieuwe vergoedingsrecht alleen geldt voor huwelijken die vanaf 1 januari 2018 worden gesloten. In de overgangsbepalingen van de Wet beperking wettelijke gemeenschap van ­goederen ontbreekt art. 1:95a BW.3 Dit heeft tot gevolg dat het nieuwe vergoedingsrecht onmiddellijk werking heeft. Stollenwerck vindt dit onterecht en noemt het ontbreken van een overgangsbepaling een omissie.4 De regeling geldt daarom ook voor huwelijken waarbij vóór 1 januari 2018 de eenmanszaak al buiten de gemeenschap viel – bijvoorbeeld op grond van huwelijksvoorwaarden of een uitsluitingsclausule – en voor het ­overige de wettelijke (of algehele) gemeenschap van goederen bestaat. Hetzelfde geldt voor huwelijken van vóór 1 januari 2018 als na deze datum bijvoorbeeld wordt

Het Register | juni 2019 | nummer 3

overgegaan van een uitsluiting van iedere gemeenschap (koude uitsluiting) naar de wettelijke (beperkte) gemeenschap waarbij de eenmanszaak buiten de gemeenschap wordt gehouden.5 In het op 18 oktober 2018 ter consultatie gepubliceerde Wetsvoorstel tegengaan huwelijkse gevangenschap wordt voorgesteld om art. 1:95a BW alsnog op te nemen in de overgangsbepalingen.6 Dit zou betekenen dat art. 1:95a BW op grond van het overgangsrecht alleen geldt voor huwelijksgemeenschappen die zijn ontstaan op of na 1 januari 2018. Stollenwerck pleit voor terugwerkende kracht van de overgangsbepaling, maar momenteel is niet duidelijk of terugwerkende kracht wordt verleend.

Het begrip onderneming De vraag of sprake is van een onderneming komt jaarlijks expliciet aan de orde bij de aangifte inkomsten­ belasting. Het gaat hierbij om een onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB. De gedachte kan ontstaan dat, wanneer bepaalde werkzaamheden van de belastingplichtige in de aangifte inkomstenbelasting niet als een onderneming worden aangemerkt, art. 1:95a BW niet van toepassing is. Dit is echter een onjuiste veronderstelling. Het ondernemingsbegrip in art. 1:95a BW moet civielrechtelijk worden uitgelegd, waarbij het fiscale en


n n n n n

civielrechtelijke ondernemingsbegrip niet met elkaar op één lijn kunnen worden gesteld. In het Burgerlijk Wetboek ontbreekt het aan een ­een­duidige definitie van het ondernemingsbegrip. ­Verschillende auteurs hebben getracht dit begrip nader te concretiseren en komen tot verschillende omschrijvingen.7 De Handelsregisterwet 2007 – en meer in het bijzonder het Handelsregisterbesluit 2008 – biedt enige handvatten bij de toets of sprake is van een onderneming. In de eerste plaats geeft art. 2 Handelsregister­ besluit 2008 de volgende generieke definitie die een ­indicatie vormt voor het bestaan van een onderneming: ‘(...) is sprake van een onderneming indien een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid van één of meer personen bestaat waarin door voldoende ­inbreng van arbeid of middelen, ten behoeve van derden diensten of goederen worden geleverd of werken tot stand worden gebracht met het oogmerk daarmee ­materieel voordeel te behalen. Op grond van het tweede lid is van een onderneming geen sprake indien er, naar het oordeel van de kamer onvoldoende omvang van ­activiteiten of omzet is.’ Daarnaast biedt de beleidsregel van het handelsregister voor de praktijk een aantal concrete en toetsbare criteria voor het bepalen of sprake is van een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 2007.8 Deze criteria zijn te onderscheiden in twee rubrieken. In de eerste plaats gaat het om de criteria die gelden voor het ondernemerschap in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. In de tweede plaats wordt getoetst of de activiteiten ­voldoende omvang hebben. Als wordt voldaan aan de ­criteria in beide rubrieken, vormt dat een belangrijke ­indicatie voor het bestaan van een onderneming in de zin van art. 1:95a BW. Ik merk hierbij op dat de (objec­ tieve) voordeelsverwachting niet geldt als criterium in de eerste rubriek. Zonder deze voordeelsverwachting kan geen onderneming bestaan in de zin van art. 3.2 Wet IB.9 Gelet op de zogenoemde ‘Makropas inschrij­ vingen’ kan op basis van de inschrijving in het handelsregister niet zonder meer worden aangenomen dat ­sprake is van een onderneming. Men ontkomt derhalve niet aan een materiële beoordeling van de activiteiten, waarbij de objectieve voordeelsverwachting geen conditio sine qua non is voor het bestaan van een onderneming in de zin van art. 1:95a BW. Hobby en belastbaar resultaat uit overige ­werkzaamheden Het onderscheid tussen evident hobbymatige activiteiten (box 3) enerzijds en een onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB anderzijds zal meestal wel duidelijk zijn. Dit geldt ook voor het onderscheid tussen een hobby en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van art. 3.90 Wet IB. Naar ik aanneem moet het ­begrip hobby in het fiscale en civiele recht op dezelfde wijze worden uitgelegd en heeft het dezelfde betekenis; een hobby is geen onderneming. Veel minder duidelijk is of een werkzaamheid als een onderneming kan kwalificeren in de zin van art. 1:95a

BW. Deze vraag kwam summier aan de orde tijdens de parlementaire behandeling van art. 1:95a BW. Het ging daarbij om de exploitatie van een vastgoedportefeuille en het onderscheid tussen belastbaar resultaat en winst uit onderneming.10 Uit het antwoord op Kamervragen blijkt dat het fiscale onderscheid tussen beide niet noodzakelijkerwijs beslissend is voor de vraag of sprake is van een onderneming in civielrechtelijke zin. Dit kan betekenen dat bepaalde activiteiten als een werkzaamheid kwalificeren, maar dat desalniettemin sprake is van een onderneming in de zin van art. 1:95a BW. Een zogenoem­de fiscale sfeerovergang, bijvoorbeeld wanneer een werkzaamheid ‘uitgroeit’ naar een onderneming of vice ­versa, is dan civielrechtelijk niet relevant.

Veel minder duidelijk is of een werkzaamheid als een onderneming kan kwalificeren in de zin van art. 1:95a BW Vermogensetikettering De afbakening van wat wel en wat niet behoort tot de objectieve onderneming is regelmatig onderwerp van discussie. De wetgever heeft bij deze afbakening aansluiting gezocht bij het ondernemingsbegrip van art. 3.2 Wet IB en de hierbij geldende regels van de vermogens­ etikettering. De hoofdregel bij deze vermogensetikettering is dat vermogensbestanddelen die naar hun aard als bedrijfsvermogen kwalificeren of (nagenoeg) uitsluitend voor de bedrijfsuitoefening worden gebruikt, kwalificeren als verplicht ondernemingsvermogen. Vermogensbestanddelen die binnen de onderneming geen enkele functie hebben – of krijgen11 – behoren tot het verplichte privé­ vermogen. Een tussencategorie betreft het zogenoemde keuze­ vermogen. Hiervan is sprake als vermogensbestanddelen enige band hebben met de bedrijfsuitoefening, maar niet uitsluitend hiervoor worden gebruikt. De keuze van de belastingplichtige is hierbij beslissend of deze vermogensbestanddelen tot het ondernemings- of ­privévermogen worden gerekend. Bij deze keuze geldt dat de grenzen der redelijkheid niet mogen worden overschreden. De keuzevrijheid van de belastingplichtige speelt zich af in een relatief klein ‘schemergebied’ van gevallen waarin de functie van het activum (of passivum) geen verplichte fiscale etikettering voorschrijft.12 Anders dan de Wet IB kent het civiele recht geen onderscheid in keuzevermogen. Dit kan betekenen dat een ­activum dat geldt als keuzevermogen, tot het fiscale ­ondernemingsvermogen wordt gerekend, maar civielrechtelijk niet tot de onderneming behoort. Een voorbeeld hiervan is de ‘ondernemerswoning’ waarbij de ­ondernemer boven zijn winkel woont. Het gehele pand kan worden gerekend tot het fiscale ondernemings­ vermogen als het als keuzevermogen geldt.13 Het woon-

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

11


Art. 1:95a BW

n n n n n

Anders dan de Wet IB kent het civiele recht geen keuzevermogen gedeelte zal echter niet behoren tot hetgeen civielrechtelijk tot de onderneming wordt gerekend, als wordt aangenomen dat dit deel geen enkele functie heeft ­binnen de onderneming.

Omvang van de redelijke vergoeding De omvang van het vergoedingsrecht is gekoppeld aan de kennis, vaardigheden en arbeidsinspanningen die een echtgenoot verricht ten behoeve van een onderneming die buiten de gemeenschap valt. De redelijke vergoeding is een ‘open norm’, waarbij de wetgever ervoor heeft ­gekozen om dit begrip in de rechtspraktijk nader uit te laten werken. In de parlementaire behandeling wordt aangegeven dat het vaststellen van het vergoedingsrecht maatwerk vereist. Tevens wordt opgemerkt dat de omvang van dit recht variabel is en afhangt van de concrete ­omstandigheden van het geval en voor zover dit naar maatschappelijke opvattingen aanvaardbaar is. Hierbij wordt aangetekend dat men niet verwacht dat dit zal ­leiden tot een stroom aan jurisprudentie, rechtsonzekerheid en hoge proceskosten.14 Het lijkt mij dat deze ­verwachting vooral op ‘wishful thinking’ is gebaseerd. Ik hoef hiertoe slechts te refereren aan de levendige en omvangrijke jurisprudentie rond de afwikkeling van (periodieke) verrekenbedingen bij de ontbinding van het huwelijk. Fiscale winstbegrip Voor de praktijk is van belang in hoeverre de fiscale winst als maatstaf kan dienen bij het bepalen van de ­omvang van de vergoedingsplicht. Deze winst wordt ­bepaald met inachtneming van de beginselen van goedkoopmansgebruik. Binnen deze beginselen kan de winst door de ondernemer worden beïnvloed, bijvoorbeeld door het vormen van fiscale reserves of willekeurige ­afschrijvingen op activa. De omvang van de fiscale winst kan derhalve een vertekend beeld geven van de werkelijke (bedrijfseconomische) rentabiliteit van de onderneming. Er zijn auteurs die daarom het raadplegen van een ­bedrijfseconoom bij de toepassing van art. 1:95a BW ­aanbevelen.15 Ik merk hierbij op dat juridische vragen mijns inziens niet moeten worden ‘getransformeerd’ tot een bedrijfseconomisch vraagstuk, maar in beginsel door juristen moeten worden beantwoord. De fiscale winst kan een indicatie vormen voor de ­omvang van het vergoedingsrecht, maar het is geen ­bedrag dat direct aan de winst van de onderneming is ­gelinkt.16 De winst kan bijvoorbeeld (mede) zijn ontstaan door een autonome waardestijging van bepaalde activa, zoals een bedrijfspand. Deze winst is niet toerekenbaar aan de arbeidsinspanningen van de ondernemer of diens echtgenoot. Ook denkbaar is dat een autonome waarde-

12

Het Register | juni 2019 | nummer 3

daling van bepaalde activa tot een verlies heeft geleid. Als in een verliessituatie de echtgenoot van de ondernemer een aanzienlijke arbeidsinspanning heeft geleverd, ligt volgens mij het achterwege laten van een vergoeding niet zonder meer voor de hand. Immers, de arbeid kan hebben geleid tot een lager verlies. Winsten en verliezen worden dan als het ware ‘gecompartimenteerd’. Of in verliessituaties naar maatschappelijk opvattingen een vergoedingsplicht aanvaardbaar is, zal nog moeten ­blijken. Fiscale relevantie vergoedingsrecht Voor wat betreft het bepalen van de hoogte van de redelijke vergoeding wordt in de parlementaire behandeling de suggestie gedaan dat deze kan worden vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de beloning in gelijksoortige ondernemingen.17 Het vergelijk dringt zich op met de gebruikelijkloonregeling van art. 12a Wet LB 1964. Maar anders dan het gebruikelijk loon heeft de ­redelijke vergoeding geen gevolgen voor de belasting­ heffing. Het vergoedingsrecht vloeit voort uit de wet en niet uit een dienstbetrekking of winstaandeel. Betalingen komen derhalve niet ten laste van het resultaat van de onderneming of ten bate van het inkomen in box 1 van de ‘gerechtigde’.18 De aanspraak op grond van het vergoedingsrecht is daarnaast geen vergoedingsvordering in de zin van art. 1:87 BW. Dit artikel regelt dat een vergoedingsvordering als het ware ‘meeveert’ met de waarde van het object waarin is geïnvesteerd. Dit staat ook bekend als de beleggingsleer. Het vergoedingsrecht in de zin van art. 1:95a BW heeft een nominaal karakter en kan worden gezien als een wettelijke variant op de periodieke verrekenvorderingen die echtgenoten in de huwelijkse voorwaarden overeenkomen. In art. 5a AWR is derhalve geen bepaling opgenomen die de redelijke vergoeding ‘defiscaliseert’. Het vergoedingsrecht kan tot slot ook niet worden ­gezien als het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel in de zin van art. 3.91 Wet IB.19 In de praktijk zal de arbeidsinspanning die de andere echtgenoot in de onderneming levert vaak van invloed zijn op de belastingheffing. Er kan voor de ondernemer bijvoorbeeld sprake zijn van de meewerkaftrek van art. 3.78 Wet IB. Ook kan de huwelijkspartner recht hebben op een zelfstandige arbeidsbeloning. Het ‘fiscaliseren’ van de redelijke vergoeding is echter geen omstandigheid die van invloed is op de hoogte hiervan. De redelijke vergoeding is een nettobegrip.20 De hoogte van de zelfstandige arbeidsbeloning wordt niet beïnvloed door wat naar maatschappelijke opvattingen aanvaardbaar is, ­zoals dat bij de redelijke vergoeding wel het geval is. Dit kan betekenen dat in een verliessituatie wel recht bestaat op een zelfstandige arbeidsbeloning, maar dat er geen vergoedingsrecht is. Saldobegrip Als voor de verrichte arbeid reeds een vergoeding ten bate van de gemeenschap is gekomen, komt deze in ­mindering op de totale omvang van het vergoedings-


n n n n n

recht. Zo zal de (netto) zelfstandige arbeidsbeloning in mindering komen op het vergoedingsrecht. Wanneer deze arbeidsbeloning minder bedraagt dan de redelijke vergoeding, ontstaat een positief saldo. Een dergelijk ­positief saldo leidt mijns inziens tot het bestaan van een vergoedingsrecht van de gemeenschap. Is het saldo negatief, bijvoorbeeld wanneer de zelfstandige arbeidsbeloning hoger is dan de redelijke vergoeding zou zijn, dan leidt dit niet tot een vergoedingsrecht, c.q. vordering op de gemeenschap. Het resultaat van de arbeid kan ­uitsluitend ten bate van de gemeenschap komen. Vrij vertaald: de gemeenschap heeft wel de lusten, maar niet de lasten.

Afwikkeling Zowel tijdens het bestaan van de gemeenschap als bij de ontbinding ervan kan de vergoeding worden voldaan. Het is daarom van belang dat van jaar tot jaar de omvang van de vergoeding door de echtgenoten wordt vastgesteld. Gelet op de min of meer vergelijkbare praktijk van de (afwikkeling van) periodieke verrekenbedingen verwacht ik dat de echtgenoten in veel gevallen geen admini­stratie zullen voeren. Het achteraf vaststellen van de omvang van het vergoedingsrecht zal ongetwijfeld leiden tot ­discussie tussen de belanghebbenden. Dit geldt zowel bij ontbinding van het huwelijk door overlijden als bij echtscheiding. Als onduidelijkheid bestaat over de hoogte van het vergoedingsrecht, kunnen partijen hierover een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW sluiten. De Belastingdienst is niet gebonden aan de juridische gevolgen van de vaststellingsovereenkomst, maar wel aan de hierin door partijen vastgestelde feiten.

De vaststellingovereenkomst is geen ‘handjeklap’ en daarmee geen vrijbrief voor iedere gewenste omvang van het vergoedingsrecht

Het is mede daarom van belang dat de overeenkomst zorgvuldig wordt opgesteld. De vaststellingovereenkomst is geen ‘handjeklap’ en daarmee geen vrijbrief voor iedere gewenste omvang van het vergoedingsrecht. Als echtgenoten willen afwijken van de wettelijke ­regeling, kan dat alleen in de huwelijksvoorwaarden en dus niet in een (onderhandse) schriftelijke overeenkomst. Wijziging van art. 1:95a BW kan ook niet (achteraf) worden overeengekomen in een echtscheidings­ convenant.21 In zo’n convenant kunnen uiteraard wel nadere afspraken worden gemaakt over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het vergoedingsrecht. Ondanks het feit dat het vergoedingsrecht zich geheel buiten de belastingheffing afspeelt, kan de afwikkeling hiervan fiscale gevolgen hebben. Zo zal bij de ontbinding en verdeling van de huwelijksgemeenschap de omvang en samenstelling ervan moeten worden vastgesteld. Tot de activa van de huwelijksgemeenschap kan een ­vergoedingsrecht behoren. Wanneer bijvoorbeeld bij een echtscheiding beide echtgenoten besluiten om verder af te zien van het vergoedingsrecht, moeten ze alert zijn op een eventuele vermogensverschuiving die mogelijk

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

13


Art. 1:95a BW

n n n n n

Conclusie Het vergoedingsrecht van art. 1:95a BW is een ‘open norm’ waaraan in de (rechts)praktijk nog nader invulling moet worden gegeven. Er bestaan thans nog veel onduidelijkheden. Gelet op de praktijk van periodieke verrekenbedingen is het vermoeden gerechtvaardigd dat echtgenoten met betrekking tot de redelijke vergoeding evenmin een administratie zullen voeren. De afwikkeling van het vergoedingsrecht kan dan bij de ontbinding van het huwelijk leiden tot onverwachte en onwenselijke uitkomsten. Samengevat zal het nieuwe art. 1:95a BW de mkb-praktijk niet bepaald passen als een maatpak. Maatwerk is alleen mogelijk middels de huwelijksvoorwaarden, zodat in dit geval de weg naar de notaris de enig juiste is.   <<<

Noten 1

Kamerstukken I 2016/17, 33987, C, p. 23.

2 Zonnenberg spreekt van een ‘wangedrocht’, zie L.H.M. ­Zonnenberg, De gemeenschap is beperkt, EB 2017/60. 3 Art. 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. 4 A.H.N. Stollenwerck, Herstel van een omissie inzake het ­vergoedingsrecht van art. 1:95a BW, FTV 2019/1. 5 A.H.N. Stollenwerck, Ook voor de reeds (lang) gehuwden kan het

als een gift in de zin van art. 7:186 BW wordt aangemerkt en daarmee een schenking is in de zin van art. 1, lid 7 SW. Dit geldt ook als het vergoedingsrecht te hoog wordt vastgesteld. Denkbaar is ook dat de vergoedingsvordering bij een echtscheiding wordt verrekend met de (waarde van de) aanspraak op pensioenrechten of een alimen­ tatierecht. Ook hierbij dient men alert te zijn op de (eventuele) fiscale gevolgen, maar daar ga ik hier niet verder op in. Bij de afwikkeling is de continuïteit van de onder­ neming tot slot een belangrijk aspect. Naar aanleiding van Kamervragen is hierover het volgende opgemerkt: ‘Als de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door het onttrekken van middelen aan de onderneming, dan ligt in de redelijkheid besloten dat er geen vergoedingsrecht kan bestaan’.22 De wetgever zet de praktijk hiermee op het verkeerde been. De vergoedingsplicht is echter geen plicht van de onderneming of ondernemer. Als er voldoende privémiddelen (box 3) beschikbaar zijn waaruit de vergoedingsplicht kan worden voldaan, komt de continuïteit van de onderneming als zodanig niet in gevaar. Er is dan vanuit de continuïteitsgedachte geen aanleiding om art. 1:95a BW buiten aanmerking te laten. Het zal naar ik aanneem niet altijd eenvoudig zijn om te bepalen in hoeverre de continuïteit in het geding is. Dit (bedrijfseconomisch) vraagstuk is in het civiele recht niet nieuw. Zo is in art. 4:74 BW de continuïteit een criterium bij het bepalen van de rechten van de ­legitimaris bij de verwerping van een legaat in termijnen.23 Het lijkt mij dat de continuïteit bij de toepassing van art. 1:95a BW op soortgelijke wijze moet worden beoordeeld als in art. 4:74 BW, zodat bestaande jurisprudentie ook haar betekenis kan hebben voor art. 1:95a BW.

14

Het Register | juni 2019 | nummer 3

huwelijksvermogensregime vanaf 1 januari 2018 zijn gewijzigd, FTV 2018/1. 6 https://www.internetconsultatie.nl/ huwelijksegevangenschaptegengaan 7 O.a. W. Burgerhart, Waarde en erfrecht, Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht 2008/10.2 en M.J.A. van Mourik, De onderneming in het huwelijksvermogensrecht, diss. ­Nijmegen, Zwolle: Tjeenk Willink 1970. 8 Beleidsregel van de staatssecretaris van Economische zaken van 23 juni 2008, nr. WJZ 8074645, inzake het ondernemingsbegrip in het handelsregister. 9 Recentelijk hierover Rechtbank Den Haag 24 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12652. 10 Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 10, p. 10, 11. 11 Het belang van het ‘krijgen’ van een functie binnen de onderneming doet zich in de praktijk regelmatig voor bij de vraag of liquide middelen duurzaam of tijdelijk overtollig zijn. 12 M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht IB.3.2.7.A.a1. 13 Dit zal doorgaans het geval zijn als het pand niet splitsbaar is, zie HR 29 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2539. 14 Kamerstukken II, 2014/15, 33 987, nr. 8, p. 44-45. 15 J.H. Lieber, Een redelijke vergoeding voor de gemeenschap: een korte verkenning van artikel 1:95a BW, FJR 2016/55. 16 B.E. Reinhartz , GS Personen- en familierecht, art. 1:95a BW, aant. A. 17 Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 10, p. 20-22. 18 Kamerstukken I, 2016/17, 33 987, D, p. 3. 19 N.C.G. Gubbels, Samenwonen/trouwen en scheiden van de AB houder, TFO 2019/160, onderdeel 2.3. 20 Kamerstukken I, 2016/17, 33 987, D, p. 3. 21 A.H.N. Stollenwerck, Herstel van een omissie inzake het ­vergoedingsrecht van art. 1:95a BW, FTV 2019/1. 22 Nota naar aanleiding van het verslag EK, 33 987, G, p. 1-2. 23 Zie ook Pitlo/Van der Burght & Ebben, nr. 319; Asser/Perrick 4, nr. 327.


COL UMN

Geld Speelt Geen Rol? Pieter Hasekamp Dr. P.F. Hasekamp is directeur-generaal Fiscale Zaken op het ministerie van Financiën

O

p een recente bijeenkomst over de toekomst van de fiscale concernregeling werd mij duidelijk dat fiscalisten graag citeren uit de Bommelstrips van Marten Toonder. Ik vond dat opmerkelijk. Niet omdat de affiniteit met de Bommelreeks voorbehouden lijkt aan de wat oudere lezertjes onder ons – die zijn er nog genoeg. Maar de meest gebezigde uitspraak van heer Bommel is ‘geld speelt geen rol’ – en die is nu juist niet van toepassing op fiscaal beleid. In de fiscaliteit speelt geld de hoofdrol.

Dat lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend: het ophalen van geld voor collectieve uitgaven is immers het primaire doel van belastingheffing. Toch wordt in de fiscale literatuur, in consultatiebijeenkomsten, ja zelfs in de geleerde commentaren van belastingadviseurs op voorgenomen ­­ wet- en regelgeving vaak geheel voorbijgegaan aan de financiële gevolgen van (alternatieven voor) beleidsvoorstellen. Dat is aan de ene kant begrijpelijk: het ramen van belastingopbrengsten is ingewikkeld en vraagt inzicht in grondslagen, economische effecten en gedragsreacties. Aan de andere kant lijkt kiezen tussen fiscale beleidsalternatieven, zonder een financiële afweging daarbij, nog het meest op winkelen zonder prijskaartjes: het mandje is snel gevuld, maar wie betaalt straks de rekening? De recente geschiedenis laat allerlei voorbeelden zien van, door belastingadviseurs soms scherp ­bekritiseerde, beleidskeuzes die primair door financiële overwegingen zijn ingegeven. Ik noemde al de fiscale concernregeling, waar zowel de onlangs in werking getreden reparatiewetgeving voor de fiscale eenheid, de terugwerkende kracht daarbij én de zoektocht naar een toekomstbestendig alternatief allemaal voortkomen uit de noodzaak een aanzienlijke budgettaire derving te voorkomen. Andere voorbeelden zijn de aanpassingen in het box 2-regime voor aanmerkelijkbelanghouders, waar vooral de te verwachten anticipatie-effecten zorgen voor grote budgettaire gevolgen, én de renteaftrekbeperking die samenhangt met de Europese ATAD 1-richtlijn. Bij al deze maatregelen vormde het genereren van een extra budgettaire opbrengst – die overigens vooral weer bedoeld is om de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting mogelijk te maken – een zeer belangrijke overweging bij de gekozen vormgeving. Kortom, financiële ramingen spelen een zeer belangrijke rol in de keuze voor, en de vormgeving van, fiscale beleidsmaatregelen. Het is dan wel essentieel dat die ramingen onafhankelijk, objectief en zo veel mogelijk controleerbaar zijn. Om die reden gaan alle fiscale wetsvoorstellen tegenwoordig vergezeld van ramingsmemo’s waarin per beleidsmaatregel de financiële gevolgen worden toegelicht. Sinds 2017 certificeert het Centraal Planbureau alle ramingen bij fiscale wetsvoorstellen; ramingsmemo’s en certificering worden meegezonden naar de Raad van State en het parlement. Natuurlijk houdt daarmee niet alle discussie op: zeer onlangs hield de Tweede Kamer zelfs een hoorzitting over het econometrisch model dat wordt gebruikt voor het ramen van de kosten van de fiscale ­faciliëring van het elektrisch rijden. De systematiek die geldt voor het inpassen van de kosten en opbrengsten van fiscale maatregelen is niet bij iedereen even goed bekend. Mijn ervaring is dat belastingadviseurs en anderen regelmatig constructieve voorstellen doen voor verbetering van fiscale regelgeving, maar dat de budgettaire gevolgen nog wel eens worden vergeten. Een degelijke financiële onderbouwing is, net als een ­uitvoerbaarheidstoets, uiteindelijk essentieel voor evenwichtige besluitvorming. Want zeg nu zelf, zonder houvast in de vorm van objectieve ramingen rekenen we onszelf snel rijk.  <<<

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

15


n n n n

16

Het Register | juni 2019 | nummer 3


HET

Interview

n n n n n

Ideeën vanuit twee visiegroepen:

‘Forward to the future’ Het strategisch plan van het RB voor 2019-2022 is anders. Anders dan ­eerdere plannen, omdat het start vanuit de blik naar buiten. Technologische, maatschappelijke en fiscale ontwikkelingen zijn in kaart gebracht om op basis daarvan te kunnen vaststellen wie de RB van 2030 is. Welke rol vervult hij richting mkb-ondernemers en hoe is hij daarvoor toegerust? En omdat de vereniging er is om de RB te ondersteunen en zijn belangen te behartigen, is de vraag hoe die rollen toekomstbestendig te maken ook relevant. Door: Sonja Huising | foto’s: Raphaël Drent

D

uidelijk is dat het RB zich steviger wil ­positioneren. U las daarover al in het vorige nummer van Het Register, in een interview met Fons Overwater en Therèse van ’t Westende. Zij legden uit dat in het strategisch plan een aantal visiegroepen zijn voorzien. Twee daarvan, de ­visiegroep RB 2030 en de visiegroep Vereniging 3.0, zijn al van start gegaan. Als eerste vertelt Martin Hommersom over ‘zijn’ visiegroep RB 2030.

De RB van 2030 ‘Laten we, als we praten over de RB van 2030, beginnen bij wat er gebeurt in de buitenwereld. Net zoals we doen in het kader van het strategisch plan. Technologische ontwikkelingen zijn veelomvattend en ­belangrijk, maar geen onderdeel van ons (eigen) vak. Daarom moeten we in gesprek met experts op dit ­gebied. Samen definiëren we waar we het precies over hebben en wat dat betekent voor de fiscale ­beroepspraktijk. Een lid mag verwachten dat zijn ­beroepsvereniging daar het voortouw in neemt.’ ‘Natuurlijk kijken we in deze exercitie ook naar wat er al is. Veel kantoren, zeker de grotere, werken met CRM-systemen die gedetailleerde informatie opleveren en zetten die in om hun klanten zo goed (en zo proactief mogelijk) te bedienen. Het lijkt mij dat dat een fundament zou kunnen bieden voor wat er meer of ­anders nodig is in de toekomst. Maar dat moeten ­ we met elkaar vaststellen. Soms is een nieuw huis neerzetten beter dan een ingrijpende verbouwing van een bestaande woning.’

Trusted advisor Volgens Hommersom is een goede, persoonlijke ­relatie met de mkb-ondernemer, ook in de toekomst, ­essentieel voor de RB. De klant wil een kundige ­gesprekspartner, iemand die meedenkt over belang­ rijke vraagstukken en de mogelijke oplossingen daarvoor. ‘Ik denk dat veel RB’s nog vooral ‘op hun kennis ­zitten’. Maar dat is te beperkt. Onze klanten kunnen steeds meer zelf informatie verzamelen. Het inter­ preteren daarvan, het vertalen naar hun praktijk is een ander verhaal. Daar blijkt onze meerwaarde. Omdat we over de fiscale inhoud beschikken, maar ook omdat we die in een breder perspectief kunnen zetten en andere experts zo nodig laten aanhaken. Dus in de toekomst is het merendeel van de RB’s vooral een generalistische, trusted advisor; daarnaast is er plaats voor (super)specialisten. Vanuit het vakgebied of ­daarbuiten. Met bijvoorbeeld expertise rond andere branches of thema’s als ICT of compliancy.’ Er zijn allerlei aanvullende competenties belangrijk voor de RB van de toekomst. Hommersom stelt dat soft skills essentieel zijn. Adviesvaardigheden, helder communiceren en commerciële, maar ook digitale vaardigheden zijn daar voorbeelden van. Zelf ging hij als hbo’er van start in het vak en combineerde werken, de praktijk, met het volgen van een universitaire opleiding. ‘Ik ben dus niet objectief als het gaat om mijn blik op deze route, maar ik kan hem aanbevelen. Van veel RB’s hoor ik dat de hbo’ers vaak al meer soft skills meebrengen dan de wo’ers en dat past natuurlijk precies bij het profiel van de RB van 2030: namelijk hoog opgeleid mèt de benodigde soft skills.’

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

17


Interview

n n n n n

naast spelen natuurlijk allerlei aanpalende wetten en regels een rol. De RB moet daar steeds meer over weten om een mkb-ondernemer integrale ondersteuning te bieden. Laatst ontmoette ik tijdens een conferentie ­iemand uit Frankrijk die binnen zes maanden een AVGservicelijn had opgezet. Daarmee realiseert hij inmiddels veel omzet, maar wat ik vooral interessant vind is dat zoiets naar mijn mening slaagt omdat een RB dicht bij de klant staat. De adviseur van de bank, de advocaat en de notaris zijn om verschillende redenen niet zó in positie. Om die positie te krijgen of te houden is kennis van de aanpalende regels en wetten belangrijk, maar vooral ook de implementatie daarvan. Het wordt steeds gebruikelijker om binnen een groot kantoor of een overleg in de regio casussen met elkaar te bespreken en ­gezamenlijk vast te stellen wat een RB kan. Zo’n werkwijze past bij de RB van de toekomst, bij een adviseur die zich breed oriënteert.’

Martin Hommersom: ‘Onze klanten kunnen steeds meer zelf informatie verzamelen. Het interpreteren daarvan, het vertalen naar hun praktijk is een ander verhaal. Daar blijkt onze meerwaarde’

Internationaal ‘Die brede(re) blik vragen de mkb-ondernemers ook van ons als het gaat om internationale ontwikkelingen en samenwerking. Op fiscaal vlak, maar ook daarbuiten. Om dat te kunnen bieden is er van alles nodig, maar zeker ook aanscherping van opleiding en PE. Het lijkt mij ­bijvoorbeeld belangrijk dat we het vaktechnisch Engels

‘Onszelf neerzetten als trusted advisor gaat, naar mijn mening, ook helpen bij het verbeteren van het imago van het vak. De instroom in een aantal opleidingen loopt terug en dat is een teken aan de wand. Ik vind het heel goed dat in de huidige campagne wordt benadrukt dat de RB hoogwaardige kennis heeft en die optimaal overdraagt in een goede verstandhouding met de mkbondernemer. Dat maakt dat geen dag hetzelfde is, omdat je met allerlei takken van sport en met heel verschillende vragen te maken krijgt.’ ‘Trusted advisor zijn is ook dé insteek bij je zichtbaar maken als RB op social media. Mijn ervaring is dat regelmatig iets posten op Facebook of LinkedIn de mogelijkheid biedt te laten zien wie je als RB bent en wat je kunt betekenen. Het is ondersteunend aan de mond-tot-mondreclame waarvan iedereen het effect kent. Ik hoor collega’s nog wel eens zeggen dat de tijd die je investeert in social media niet meteen omzet genereert. Maar ik denk dat, wanneer je daar in de komende jaren niet vindbaar bent, dat verlies van groei betekent.’ Fiscale ontwikkelingen Ook als het gaat om de ontwikkelingen in het vak is Hommersom van mening dat een RB-lid iets mag ­verwachten van de beroepsvereniging. Op dat niveau moeten inhoudelijke expertise en de ervaringen van de RB’s met knelpunten in de dagelijkse toepassing van wet- en regelgeving, bij elkaar worden gebracht. ‘Daar-

18

Het Register | juni 2019 | nummer 3

Willem Faassen: ‘We willen ons beter, krachtiger manifes­ teren in het maatschappelijk-politieke krachtenveld, richting ministeries, politici, uitvoerders en handhavers van wet­ geving en andere relevante stakeholders’


n n n n n

veel beter gaan beheersen. We hebben als Nederlanders een goede reputatie als het gaat om Engels spreken, maar er zijn ook landen, zoals Zweden, waar we bij ­achter blijven’, besluit Hommersom.

Visiegroep vereniging 3.0 Willem Faassen, Chantal Moelands en Fons Overwater lichten toe wat er binnen deze visiegroep allemaal ­onderwerp van gesprek is. ‘Het is al eerder gezegd: de ­vereniging moet er zijn voor de RB van 2030 en dus de ondersteuning en belangenbehartiging bieden die nodig is. Als dat het uitgangspunt is, is het heel logisch dat je kijkt naar de huidige staat van de vereniging. Uit eigen onderzoek weten we dat we (nog) in de 2.0-fase zitten. We hebben een nieuwe visie ontwikkeld en de doelen die daaruit voortvloeien kunnen we niet met de ‘oude vereni­ ging’ realiseren. We willen meer dan nu naar ­buiten ­kijken, verbinden met onze stakeholders, maar ook nóg intensiever optrekken met de leden’, aldus ­Moelands. Faassen: ‘We willen ons beter, krachtiger manifesteren in het maatschappelijk-politieke krachtenveld, richting ministeries, politici, uitvoerders en handhavers van ­wetgeving en andere relevante stakeholders. En participeren in de discussies die er voor onze leden toe doen. Bijvoorbeeld over een nieuw belastingstelsel. Maar ook met betrekking tot onderwerpen als AVG en de toepassing van het btw-tarief. Daarin moeten we goed kunnen optrekken met andere beroeps- en brancheorganisaties voor wie dit soort issues ook belangrijk is. En daarbij denk ik niet in de laatste plaats aan mkb-belangen­ verenigingen, zoals de ANKO (kappers). Zij staan voor de belangen van een deel van onze klanten en dat maakt ons tot natuurlijke partners. Om aan dat soort partnerships vorm te kunnen geven is een goed toegeruste ­vereniging nodig, die proactief kan zijn en het debat kan entameren. Dat doen we overigens niet om onszelf te kietelen, maar omdat het in het kader van de belangenbehartiging essentieel is.’ Overwater vult aan: ‘Binnen zo’n vereniging 3.0 zijn de leden ook veel meer betrokken, via apps, communities, bijeenkomsten et cetera. Onze ruim 7.000 leden kennen de fiscale praktijk en zijn bij uitstek degenen die deze ­discussies inhoudelijk kunnen laden. Zij weten wat er speelt bij de dagelijkse belastingheffing en -inning.’ Autoriteit Het goed benutten van de deskundigheid van de leden in het kader van belangenbehartiging vergt dat het RB positie heeft, gezien wordt als een autoriteit op het ­gebied van fiscale vraagstukken in het mkb. ‘Daarom willen we een fiscaal kennis- en dienstcentrum opzetten. Een organisatie waar allerlei in- en externe stakeholders – van pers tot politici, van leden tot studenten – zich melden als ze bijvoorbeeld informatie willen (checken) of fiscale vraagstukken willen toetsen op ­uitvoerbaarheid. Dat gebeurt nu al, bij ons Bureau Vaktechniek. Maar we moeten dat beter toegankelijk maken en organiseren om uiteindelijk uit te komen bij een

Fons Overwater: ‘De belangrijkste eigenschap van elke RB is naar mijn stellige overtuiging professional judgement. Wat kan en weet ik wel en niet? Wanneer is mijn deskundigheid precies passend en waar biedt andere expertise een betere match?’

­ OVAG of NVM. Iedereen weet hen te vinden op hun B expertisegebied. Dat zien we ook voor ons als het gaat om een eigen fiscaal kennis- en dienstencentrum. We stellen kennis beschikbaar, adviseren en ontwikkelen standpunten over tal van relevante ­issues. En dat vanuit het adagium van evenwichtige ­belastingheffing’, zegt Overwater. Verbinding Moelands geeft aan wat er nog nodig is om daar te komen. ‘Naar mijn mening draait het om meer verbinding, om een (nog) betere connectie met andersoortige experts, organisaties en mensen om ons heen. Je ziet dat ook in de basis, als je nadenkt over de RB van 2030. Dan manifesteert zich een trusted advisor die inzet op de relatie met de mkb-ondernemer en hem ondersteunt met fiscale en, zo nodig aanpalend, andere kennis. Als vereniging wil je die verbinding ook. Met relevante samenwerkingspartners. En daarom moeten we naar Den Haag. Om ­persoonlijk contact te onderhouden met ambtenaren, politici, medewerkers van de Belastingdienst, leden van de rechtspraak en ga zo maar door. Dat vergt een bepaalde mindset, namelijk dat we het als RB niet alleen kunnen. Maar ook dat je met een open blik naar buiten en naar de toekomst kijkt. Je wilt niet door ontwikkelingen overvallen worden maar er, samen met je leden, richting aan geven.’ De RB Faassen: ‘Als bestuur vinden we het belangrijk relevante trends, ten behoeve van de leden, te monitoren. Belang-

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

19


Interview

n n n n n

Chantal Moelands: ‘En daarom moeten we naar Den Haag. Om persoonlijk contact te onderhouden met ambtenaren, politici, medewerkers van de Belastingdienst, leden van de rechtspraak en ga zo maar door’

rijke volgende stap is de vertaling naar de praktijk. En ­iedereen weet: dé RB bestaat niet. Onze achterban is heel divers, variërend van de RB die als zzp’er alleen werkt voor een bepaalde beroepsgroep, zoals vissers, tot de RB in dienst van een kantoor met meer dan 100 medewerkers. Hun behoeften lopen uiteraard uiteen. Maar er is meer dan genoeg dat ons bindt.’ Overwater beaamt dat: ‘De belangrijkste eigenschap van elke RB is naar mijn stellige overtuiging profes­sional judge­ment. Wat kan en weet ik wel en niet? Wanneer is mijn deskundigheid precies passend en waar biedt ­andere expertise een betere match? Een akkerbouwer uit Zeeland met 40 hectare aardappelen zal niet snel gaan voor een fiscalist van de Zuidas. Maar als dat gebeurt, moet die fiscalist aangeven dat hij niet de juiste man voor deze klus is. ­Goede zelfevaluatie is essentieel, niet het behalen van de scholings­punten. Die verantwoor­ delijkheid wil je meer bij iedere individuele beroeps­ beoefenaar leggen. En op basis daarvan kennisuit­ wisseling, in allerlei vormen, aanbieden.’ Kwaliteit en toetsing ‘Daarmee leg je direct een link naar kwaliteit’, aldus Moelands. ‘De RB-titel vormt daarvoor de basis; die staat garant voor een goed opgeleide belastingadviseur. Een stap die daarop moet volgen, is die naar een eenduidig beroepsprofiel. Dat gaat als het ware het ijkpunt worden

20

Het Register | juni 2019 | nummer 3

voor de intrinsieke ontwikkeling die een RB doormaakt. En die kun je ondersteunen met opleiding en PE. Maar ook door tussentijds te evalueren en te controleren, door elkaar als beroepsgroep scherp te houden.’ Volgens Faassen zijn titel en beroepsprofiel inderdaad de fundamenten van het vak. En werk je met opleiding en PE aan de invulling daarvan op het juiste (kwaliteits)niveau. Maar aanvullend daarop is ook externe toetsing nodig. Misschien nog wel meer dan voor andere beroepen, omdat de belastingadviseur geen beschermd beroep is. ‘We moeten de buitenwereld, potentiële klanten dus ook, zelf laten zien wat het verschil is tussen een RB en iemand die vanuit een zolderkamer, met Nextens Almanak in de hand, adviezen geeft. En onderdeel daarvan is dat we uitleggen dat we werken met een kwaliteitshandboek waarin checklists zitten om onze handelwijze te objectiveren. Maar ook dat we op tuchtrechtelijk vlak voorzieningen hebben getroffen waarmee we aangeven toetsbaar te ­willen zijn.’ Overwater en Moelands ondersteunen deze zienswijze. De RB moet in feite staan voor een bepaalde moraal, voor evenwichtige belastingheffing. En als een mkb-­ ondernemer daar (ook) op uit is, is een RB de aange­ wezen fiscaal adviseur. ‘En mocht een klant het wat ­opportunistischer benaderen: over vijf jaar zijn de ­controlemechanismen van de Belastingdienst zover ­ontwikkeld dat je dan alsnog met je aangifte over 2019 door de mand kunt vallen’, aldus Overwater. Als je het hebt over kwaliteit is ook de vraag naar de ­inbreng en definitie van de mkb-ondernemers interessant. In veel sectoren worden onder kwaliteit niet alleen de normen en waarden van de beroepsgroep, maar ook de beleving van klanten verstaan. Faassen: ‘Een mkb-­ ondernemer kan de technische kant van ons werk vaak niet beoordelen. Net zomin als ik dat kan van bijvoorbeeld een arts. Ik ga ervan uit dat een RB op een fatsoenlijke manier werkt, afspraken nakomt, helder communiceert en een redelijke prijs in rekening brengt. Dat is de basis. We zouden ons nog meer moeten toeleggen op proactiviteit, op meedenken met de ondernemer. Moet hij ­morgen iets doen (of laten) zodat er ook over een jaar een gezond bedrijf staat?’ Volgens Moelands draait het voor de klant om het trusted advisor zijn. Om het werken als vakkundig RB, maar ook als betrokken en geïnteresseerd mens die in staat is ‘over de dijk te kijken’. Tegelijkertijd is ook nodig dat je als fiscalist je eigen grenzen in beeld hebt, op vakmatig gebied, maar ook op ethisch vlak. ‘Als adviseur moet je ook sterk genoeg in je schoenen staan om niet op een vraag van een klant in te gaan’, plaatst ze als kanttekening.   <<<


Jurisprudentie en wetgeving Inkomstenbelasting ■

Terugbetaling toeslagen door keuze voor  voljaarspartnerschap ■ Vooruitbetaalde eigenwoningrente aftrekbaar

Overdrachtsbelasting 21

21

Omzetbelasting ■

Formeel belastingrecht ■

Geen langere aanslagtermijn bij uitstel na indienen  aangifte ■ Zienswijze op incidenteel hoger beroep telt mee voor  proceskostenvergoeding ■ Wijziging toerekening box 3 onbeperkt na te vorderen ■ Ook immateriële schadevergoeding bij kennelijk ­­­ niet-ontvankelijk bezwaar of beroep

Waarde panden in vastgoeddeal afzonderlijk bepalen

22 22 22 23

Inkomstenbelasting

2019/20 Terugbetaling toeslagen door keuze voor voljaarspartnerschap De Belastingdienst vult de aangiften inkomstenbelasting vooraf in; elk jaar worden er meer gegevens in opgenomen. Hulp bij het ­invullen van de aangifte is vaak niet meer nodig. Na controle van de ­ingevulde gegevens kan de aangifte naar de Belastingdienst worden verzonden. Eenvoudiger kan haast niet. Toch kan een ogenschijnlijk niet al te ingewikkelde aangifte vervelende consequenties hebben bij een (verkeerde) keuze voor het voljaarspartnerschap. Dat ondervond een vrouw die zorgtoeslag en kindgebonden ­budget ontving. In de loop van 2016 gingen zij en haar partner ­samenwonen. Op hun woonadres woonden ook de minderjarige kinderen van een van hen. Bij hun aangiften inkomstenbelasting 2016 kozen de vrouw en de man ervoor om het hele jaar 2016 te worden aangemerkt als fiscale partners. Het gezamenlijk box ­3-inkomen verdeelden ze over hen beiden. De aanslagen werden in december 2017 conform hun aangiften opgelegd. Door hun ­keuze om heel 2016 als fiscale partners te worden aangemerkt, werden echter de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over de maanden januari t/m september 2016 op nihil gesteld. De vrouw moest hierdoor € 5033 terugbetalen. Na diverse keren met de Belastingtelefoon te hebben gebeld, maakte de vrouw bezwaar; ze had er niet voor moeten kiezen om voor heel 2016 als fiscale partner te worden aangemerkt. Ze was weliswaar te laat met haar bezwaar, maar dat kwam volgens haar door alle verkeerde informatie van de Belastingdienst, zodat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De inspecteur verklaarde niettemin het bezwaar ongegrond, en vatte het in plaats daarvan op als een verzoek om ambtshalve vermindering. Om dit verzoek vervolgens af te wijzen. Volgens hem konden de vrouw en de man hun keuze voor een fiscaal partnerschap en voor toedeling van het box 3-inkomen ten tijde van het verzoek niet meer wijzigen, o ­ mdat de aanslagen toen onherroepelijk vaststonden. De vrouw ging in beroep. Rechtbank Gelderland was het met de inspecteur eens, onder ­verwijzing naar art. 45aa, onderdeel d Uitv.reg. IB 2001. Zowel de keuze voor voljaarspartnerschap als die voor de onderlinge v ­ erdeling in box 3 is een fiscale faciliteit waarop een beroep moet worden ge-

Paramedici krijgen kous op de kop bij te late  btw-bezwaren ■ Btw op bouwkosten hele woning door zonnepanelen  voor 21,5% aftrekbaar ■ Verhuur zonnepanelen is zelfstandige dienst ■ Handelen in lege bv’s is vrijgestelde dienst

23

23 24 24 24

BPM ■

Zelf naar Nederland gereden nieuwe auto is gebruikte auto  25

daan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment. De keuze voor voljaarspartnerschap moet bij de aangifte worden gedaan en die voor een andere verdeling van het box 3-inkomen voordat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. De vrouw had te laat bezwaar gemaakt tegen de aanslag, zodat de aanslagen van haar en haar partner onherroepelijk waren komen vast te staan. Daardoor waren ten tijde van het verzoek om ambtshalve vermindering de termijnen verstreken om de gemaakte ­keuzes te wijzigen. Dat de inspecteur op grond van art. 9.6 Wet IB 2001 bevoegd is om een aanslag te verminderen, betekende niet dat de aanslag ten tijde van het verzoek nog niet onherroepelijk was komen vast te staan. Dat de vrouw en de man niet hadden overzien welke gevolgen hun keuze zou hebben, is geen reden voor ambtshalve vermindering. De bevoegdheid om een aanslag te verminderen is bedoeld om ­fouten te herstellen; een niet meer terug te draaien keuze om een fiscale faciliteit al dan niet te gebruiken, is geen fout. Uit art. 45aa Uitv.reg. IB 2001 blijkt volgens de rechtbank dat de gevolgen van dergelijke keuzes voor rekening van de belanghebbende komen zodra de wettelijke termijnen voor die keuzes zijn verstreken. Ze verklaarde het beroep van de vrouw ongegrond. ■■ Rechtbank Gelderland 15 februari 2019, nr. 18/4337, ECLI:NL:RBGEL:2019:876

2019/21 Vooruitbetaalde ­eigenwoningrente aftrekbaar Vooruitbetaalde (hypotheek)rente voor de eigen woning is onder voorwaarden aftrekbaar in het jaar waarin ze wordt betaald. Als ­iemand overlijdt, is zijn eigen woning vanaf dat moment geen ­woning in box 1 meer, tenzij zijn partner uiteraard nog in de ­woning woont. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat vooruitbetaalde eigenwoningrente die een dag vóór de sterfdag werd betaald aftrekbaar is, ook als die rente betrekking heeft op de periode na het einde van de belastingplicht (de overlijdensdatum). In de aangifte inkomstenbelasting 2014 van een vrouw die op 4 ­januari 2014 overleed, was vooruitbetaalde hypotheekrente in ­aftrek gebracht. De rente voor het gehele jaar 2014 was overgeboekt op de dag van haar overlijden. De inspecteur weigerde de aftrek van de vooruitbetaalde rente voor zover die betrekking had op de juni 2019 | nummer 3 | Het Register

21


n n n n n

periode waarin de woning niet meer als eigen woning van de ­belastingplichtige kwalificeerde. De erven gingen met succes in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat uit de systematiek van art. 3.120 Wet IB 2001 volgt dat vooruitbetaalde rente van een eigenwoningschuld aftrekbare kosten zijn in het jaar waarin de rente wordt betaald. Noch uit dit artikel, noch uit andere artikelen met betrekking tot de eigenwoningrente volgt uitdrukkelijk dat de kwalificatie als aftrekbare kosten alsnog gedeeltelijk vervalt als door overlijden van de belastingplichtige de schuld niet meer als eigenwoningschuld kwalificeert. Rente van een schuld die voor een kalenderjaar wordt vooruitbetaald, kan in dat kalenderjaar in aanmerking worden genomen als eigenwoningrente, indien en voor zover op het moment van betaling die schuld een eigen­ woningschuld is. Dat wordt niet anders als de belastingplichtige in dat kalenderjaar na die betaling komt te overlijden. De rechtbank verklaarde het beroep van de erven gegrond. ■■ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 augustus 2018, nr. 17/1242, ECLI:NL:RBZWB:2018:4992

Formeel belastingrecht

2019/22 Geen langere aanslagtermijn bij uitstel na indienen aangifte Elke belastingadviseur kent het: de deadline voor een aangifte komt in zicht terwijl er nog vragen zijn waarop de cliënt nog geen antwoord heeft gegeven. Uit voorzorg (extra) uitstel voor het indienen van de aangifte vragen is dan de veiligste weg. Als de aangifte dan toch nog binnen de standaardtermijn wordt ingediend, is van het verleende (extra) uitstel per saldo geen gebruik gemaakt. In beginsel wordt de termijn voor het opleggen van een (navorderings)aanslag verlengd met het verleende uitstel voor het indienen van de aangifte. Hof Amsterdam heeft beslist dat de (navorderings)aanslagtermijn niet kan worden verlengd met de termijn van het uitstel voor het indienen van een aangifte, als de aangifte is ontvangen voordat het verzoek tot uitstel is ingediend. Volgens het hof kan art. 16, lid 3, derde volzin AWR niet anders worden gelezen dan dat alleen ­sprake is van verlenging van de navorderingstermijn op basis van een verleend uitstel als ‘voor het doen van aangifte’ nog uitstel mogelijk was. Er was in de procedure volgens het hof ook geen sprake van een situatie waarin het uitstelverzoek en de indiening van de aangifte elkaar hadden gekruist. Op het moment van het verlenen van uitstel voor het doen van de aangifte – en zelfs al op de datum van het uitstelverzoek – was de aangifte namelijk al geruime tijd binnen bij de Belastingdienst. ■■ Hof Amsterdam 26 februari 2019, nr. 18/00583 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)

2019/23 Zienswijze op incidenteel hoger beroep telt mee voor proceskostenvergoeding Als hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak van een recht­ bank of hof, mag degene die ook hoger beroep had kunnen ­instellen maar dat niet heeft gedaan, incidenteel hoger beroep of cassatie instellen. Voor de proceskostenvergoeding telt het reageren op een incidenteel hoger beroep mee. De Hoge Raad besliste dit in een pro-

22

Het Register| juni 2019 | nummer 3

Jurisprudentie en wetgeving

cedure van een vrouw die beroep instelde tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Rechtbank Oost-Brabant verklaarde dat gegrond omdat de gemeente de hoorplicht in de bezwaarfase had geschonden. De rechtbank wees de zaak terug naar de gemeente. Ook tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar ging de vrouw in ­beroep. Rechtbank Oost-Brabant verklaarde vervolgens het­­beroep tegen de uitspraak op het bezwaar ongegrond. De vrouw ging in hoger beroep en de gemeente stelde incidenteel hoger ­beroep in. Hof Den Bosch verklaarde het hoger beroep van de vrouw gegrond en het incidenteel hoger beroep van de gemeente ongegrond. Daarbij kende het hof de vrouw een proceskosten­vergoeding toe voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ging daarbij uit van één punt als bedoeld in het Besluit proces­kosten bestuursrecht. Daar was de vrouw het niet mee eens. Haar gemachtigde had namelijk ook een reactie gegeven op het incidenteel hoger ­beroep van de gemeente. De Hoge Raad was het met de vrouw eens dat namens haar een hoger beroepschrift was ingediend én een ­schriftelijke zienswijze was gegeven op het incidenteel hoger ­beroep van de gemeente. Het hof had ten onrechte voor deze twee procesverrichtingen maar één punt t­ oegekend. ■■ Hoge Raad 15 maart 2019, nr. 18/03846, ECLI:NL:HR:2019:352

2019/24 Wijziging toerekening box 3 onbeperkt na te vorderen Fiscale partners kunnen bepaalde inkomsten, aftrekposten of de grondslag in box 3 onderling verdelen. Doen ze dat niet, dan doet de inspecteur dat voor hen. Hij zal op grond van art. 2.17, lid 3 Wet IB 2001 een 50/50-verdeling toepassen. Maar dat gebeurde niet in een zaak waarin het ging om navordering van een niet-aangegeven buitenlandse bankrekening. De vraag was of de inspecteur een ambtelijk verzuim had gepleegd door het vermogen van die bankrekening voor 100% bij de ene echtgenoot te belasten, terwijl de echtgenoten zelf een 50/50-verdeling hadden toegepast. Art. 16, lid 3, vierde volzin AWR bepaalt dat navordering zonder nieuw feit mogelijk is als te weinig belasting is geheven met betrekking tot de toerekening van inkomens- en vermogensbestanddelen tussen fiscale partners als zij zelf geen onderlinge verhouding hebben ­gekozen. Als de ene partner zich in een procedure bevindt, heeft deze, nadat de Hoge Raad arrest heeft gewezen, nog zes weken de tijd om de onderlinge verhoudingen te wijzigen (art. 2.17, lid 4 Wet IB 2001). Hof Den Bosch besliste dat de inspecteur ook zonder nieuw feit en onbeperkt in de tijd kan navorderen als op grond van art. 2.17, lid 4 Wet IB 2001 een eerder tot stand gekomen onderlinge verhouding wordt gewijzigd, ongeacht of er eerder een keuze door de fiscale partners is uitgebracht. Noch uit de inkeermelding van de echtelieden, noch uit de latere correspondentie bleek van een bepaalde gewenste verdeling van het vermogen. Het was daarom de vraag of de onbeperkte navorderingstermijn van art. 16, lid 3, vierde volzin AWR van toepassing was, ervan uitgaande dat het echtpaar geen keuze had gemaakt voor een onderlinge verdeling in afwijking van de hoofdregel van art. 2.17, lid 3 Wet IB 2001. De situatie van de ­fiscale partners viel onder art. 2.17, lid 4 Wet IB 2001 en deze bepaling geldt voor alle gevallen waarin de eerder tot stand gekomen onderlinge verhouding wordt gewijzigd, ongeacht of er eerder een (volledige of onvolledige) keuze door de belastingplichtige en zijn


n n n n n

partner is gemaakt. Zo nodig kan in dergelijke gevallen navordering plaatsvinden zonder beperking in de tijd. Dit betekende dat de ­navorderingsaanslagen in stand bleven. ■■ Hof Den Bosch 11 januari 2019, nr. 16/03945, ECLI:NL:GHSHE:2019:76

2019/25 Ook immateriële schadevergoeding bij kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar of beroep De Hoge Raad besliste op 10 juni 2011 dat belastingplichtigen die onredelijk lang op de beslechting van hun zaak hebben moeten wachten, recht hebben op een immateriële schadevergoeding. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt er, behalve in bijzondere omstandigheden, van uitgegaan dat de belasting­plichtige door de trage berechting immateriële schade heeft g ­ eleden in de vorm van spanning en frustratie. In het overzichtsarrest van 19 februari 2016 (nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252) zette de Hoge Raad alle beslissingen over de immateriële schadevergoeding nog eens op een rij. En op 15 ­februari 2019 voegde hij weer een nieuwe regel toe: ook op een ­bezwaar of beroep dat te laat is ingediend, moet binnen een redelijke termijn worden beslist. De rechter mag een verzoek om een immateriële schadevergoeding niet onbehandeld laten, zelfs niet als het bezwaar of beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Een ­kennelijke niet-ontvankelijkheid is voor de Hoge Raad dus onvoldoende om aan te nemen dat bij de belastingplichtige geen sprake is van spanning en frustratie. ■■ Hoge Raad 15 februari 2019, nr. 17/06102, ECLI:NL:HR:2019:241

Overdrachtsbelasting

2019/26 Waarde panden in vastgoeddeal afzonderlijk bepalen Een koopsom die in niet-gelieerde verhoudingen tot stand komt, vertegenwoordigt meestal de waarde in het economische verkeer en daarmee de basis voor de overdrachtsbelasting. Toch is dat niet altijd het geval, zoals blijkt uit de volgende zaak. Een bv verkreeg in 2008 een vastgoedportefeuille. De verkoper was een dochtervennootschap van een beursgenoteerd fonds. De inspecteur stelde dat voor de overdrachtsbelasting de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken per object moest worden beoordeeld, omdat overdrachtsbelasting per verkrijging wordt geheven. Met de factoren ‘package deal’ en ‘snelheid’ moest volgens hem voor de overdrachtsbelasting geen rekening worden gehouden. Hij legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, waartegen de bv in beroep ging. Rechtbank Noord-Holland stelde voorop dat de koopsom was ­overeengekomen tussen onafhankelijke partijen, die zodoende ­zakelijk hadden gehandeld. Ze was het echter met de inspecteur eens dat de koopprijs van de onroerende zaken niet de waarde in het economische verkeer was. Als de verkrijging van een onroerende zaak onderdeel is van een meeromvattende overeenkomst waarbij tegelijkertijd twee of meer onroerende zaken worden ­verkregen – bijvoorbeeld door levering bij dezelfde notariële akte – is sprake van

evenzovele belastbare feiten en moet per belastbaar feit de heffingsmaatstaf worden bepaald. De koopsom kan lager zijn dan de waarde in het economische verkeer omdat er bijvoorbeeld een kwantumkorting wordt gegeven als de gehele onroerendgoed­portefeuille in één keer wordt verkocht. Dat geldt ook als de ­verkoop onderdeel is van een herstructurering van de vastgoedportefeuille als een verkoper de transactie op korte termijn wil doen. Volgens de rechtbank had de inspecteur met betrekking tot de vastgoedportefeuille aannemelijk gemaakt dat de tijdsdruk waaronder de verkoop moest plaatsvinden, tot een niet-marginale ­korting op de koopsommen voor de verkregen onroerende zaken had geleid. In een power-pointpresentatie van de verkopers stond expliciet dat verkoop ‘in separate categories’ tot een iets hoger ­resultaat zou leiden, maar dat dit ten koste zou gaan van de vereiste snelheid. Voor het totale pakket was volgens de rechtbank een prijs overeengekomen die ongeveer 9% lager lag dan het totaal van de getaxeerde waarden. Hierover moest nog overdrachtsbelasting worden voldaan. ■■ Rechtbank Noord-Holland 11 februari 2019, nr. 16/2308, ECLI:NL:RBNHO:2019:1023 en nr. 16/2309, ECLI:NL:RBNHO:2019:1024

Omzetbelasting

2019/27 Paramedici krijgen kous op de kop bij te late btw-bezwaren Per 1 januari 2013 werd door een wetswijziging de medische btwvrijstelling van diverse paramedische beroepsgroepen ingetrokken, waardoor de beroepsbeoefenaren over hun diensten 21% btw moesten afdragen. Door een arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 viel de dienstverlening van paramedici, zoals die van haptotherapeuten en osteopaten, echter toch weer onder het bereik van de vrijstelling van art. 11, lid 1, onderdeel g Wet OB. Op 29 maart 2016 werd de vrijstelling per 2 april 2016 aangepast aan het arrest van de Hoge Raad en vielen alle gezondheidskundige diensten van artsen onder de vrijstelling. Rechtbank Gelderland besliste in ­verschillende procedures van paramedici dat hun ­bezwaren ­ontvankelijk waren, ondanks het feit dat te laat b ­ ezwaar was ­gemaakt. Maar Hof Arnhem-Leeuwarden dacht daar anders over. Een haptotherapeut en twee osteopaten vroegen de btw terug die ze vanaf 2013 hadden voldaan. Ze hadden de bezwaarschriften ­tegen de btw echter te laat ingediend. Rechtbank Gelderland vond die termijnoverschrijding zoals gezegd verschoonbaar, omdat de paramedici voor de beoordeling van de tijdigheid van hun bezwaarschriften konden terugvallen op de afspraken die de beroepsgroep van de osteopaten (de NVO) en van de Vereniging van Haptotherapeuten (VNH) met de Belastingdienst hadden gemaakt over proefprocedures en collectief bezwaar tegen de voldoening van btw. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde het allemaal wel zuur te vinden voor de paramedici, maar zag geen reden voor een verschoonbare termijnoverschrijding voor de te laat ingediende bezwaarschriften. In de zaak van de osteopaat besliste het hof dat sprake was van een misverstand door een verkeerde interpretatie van een e-mail van de beroepsorganisatie van de osteopaat, waaruit hij ten ­onrechte de conclusie had getrokken dat hij tegen toekomstige btwbetalingen geen bezwaar meer hoefde te maken. In de andere twee juni 2019 | nummer 3 | Het Register

23


n n n n n

zaken ging het om paramedici die werden bijgestaan door professionele gemachtigden, die volgens het hof geacht werden op de hoogte te zijn van de formele regels dat tijdig bezwaar moest worden aangetekend. De paramedici waren volgens het hof zelf verantwoordelijk voor de (onjuiste) handelwijze van hun gemachtigden, die voor een deel te vroeg, en voor een deel te laat bezwaar hadden gemaakt. ■■ Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, nr. 18/00239, ECLI:NL:GHARL:2019:978, nr. 17/00977, ECLI:NL:GHARL:2019:975 en nr. 17/00987, ECLI:NL:GHARL:2019:976

2019/28 Btw op bouwkosten hele woning door zonnepanelen voor 21,5% aftrekbaar Een ondernemer voor de inkomstenbelasting bouwde een ­(mantelzorg)woning met een oppervlakte van 72 m², die hij in 2016 in gebruik nam. De btw op de bouwkosten van de woning bedroeg € 14.636. Op het dak van de woning waren (niet-geïntegreerde) zonnepanelen met een oppervlakte van 19,7 m² aangebracht. Voor de exploitatie van de zonnepanelen was de man als btw-ondernemer aangemerkt. Hij stelde dat de hele woning werd gebruikt voor de exploitatie van de zonnepanelen, zodat hij recht had op aftrek van twee derde deel van de btw voor de bouw van de woning. Rechtbank Gelderland besliste dat de zonnepanelen als roerende, zelfstandige goederen waren aan te merken omdat ze eenvoudig waren te demonteren en te verplaatsen. Verder stond een deel van het dak niet alleen ten dienste van de nuttige ruimten in de woning, maar werd dit ook gebruikt voor de ondersteuning van de zonnepanelen en had het een zakelijke functie gekregen. Onder verwijzing naar een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 ­november 2017 (nr. 16/01522) en een arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017 (nr. 18/00311) besliste de rechtbank dat de omvang van het privé- en het zakelijk gebruik van de woning met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid moest worden bepaald. Het deel van het dak waarop de zonne­panelen waren bevestigd stond niet alleen ten dienste aan de ­nuttige ruimten van 72 m², maar ook aan de energieopwekking. Dat deel van het dak had door dit gewijzigde gebruik een extra functie gekregen en moest daarom ook worden aangemerkt als nuttige ruimte. De nuttige ruimten met een zakelijk gebruik hadden een oppervlakte van 19,7 m² (oppervlakte zonnepanelen), waarmee het ­totale oppervlak van de nuttige ruimten van de woning op 72 + 19,7 = 91,7 m² kwam. De rechtbank bepaalde aldus het zakelijk ­gebruik van de woning op 19,7 : 91,7 = 21,5% en berekende dienovereenkomstig de aftrekbare btw voor de bouw van de woning op 21,5% van € 14.636 (€ 3146). Ze verklaarde het beroep van de man gegrond.

Jurisprudentie en wetgeving

handelingen of elementen van een handeling worden als één ­prestatie aangemerkt als: ■■ ze zo nauw met elkaar zijn verbonden dat ze objectief gezien één ondeelbare economische prestatie vormen; of ■■ een of meer elementen daarvan de hoofdprestatie vormen, ­terwijl andere elementen bijkomende prestaties zijn die het ­fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Met dit uitgangspunt in het achterhoofd besliste Rechtbank ­Zeeland-West-Brabant dat de verhuur van een pand en de verhuur van de zonnepanelen als twee afzonderlijke prestaties zijn aan te merken. Een bv verhuurde een pand dat ze zelf huurde, sinds mei 2015 ­vrijgesteld van btw door aan een huurder. In maart 2016 liet ze zonnepanelen op het dak aanbrengen. Vervolgens sloot ze in juli 2016 met de huurder een overeenkomst voor het gebruik van de zonnepanelen en de led-verlichting die in het pand was aangebracht. De duur van de verhuur liep parallel met die van de ­huurovereenkomst voor het pand. De huurder betaalde voor het ­gebruik € 1400 per jaar. De bv vroeg in haar aangifte btw om een teruggaaf van € 3378, bestaande uit het saldo van de verschuldigde belasting van € 867, verminderd met de voorbelasting van € 4245. De inspecteur legde evenwel een naheffingsaanslag btw op voor het volledige bedrag aan voorbelasting, omdat hij vond dat er zo’n sterke samenhang met de verhuur van het pand (de hoofddienst) was dat de verhuur van de zonnepanelen in de hoofddienst opging. De bv ging in beroep en stelde dat de verhuur van de zonnepanelen een zelfstandige, met btw belaste dienst was. Rechtbank Zeeland-West-Brabant volgde het gezamenlijke standpunt van partijen dat de zonnepanelen moesten worden aangemerkt als roerende zaken voor de btw. Voor de beantwoording van de vraag of de verhuur van de zonnepanelen een zelfstandige (belaste) dienst is, of zodanig samenhangt met de ­verhuur van het gemeenschapshuis dat deze opgaat in deze ­(vrijgestelde) dienst, verwees de rechtbank naar een arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018 (nr. 16/05128). Ze besliste vervolgens dat de verhuur van de zonnepanelen en de verhuur van het pand niet als één enkele, samengestelde prestatie moest worden beschouwd. De huurovereenkomst van de zonnepanelen was een jaar na die van het pand opgesteld en partijen waren voor de huur van de zonnepanelen een afzonderlijke huurprijs overeengekomen. Uit de huurovereenkomst bleek verder dat het de bedoeling van de huurder was om te besparen op de energiekosten. Ook was de huurder niet verplicht om de zonnepanelen van de bv te huren. De rechtbank vond het daarom aannemelijk dat de huur van de zonnepanelen voor de huurder een doel op zich was, omdat hij op die manier kon besparen op de energie­ kosten. Kortom, de verhuur van de zonnepanelen was een zelfstandige, met btw belaste prestatie waarvoor de bv recht op ­aftrek van voorbelasting had.

■■ Rechtbank Gelderland 18 maart 2019, nr. 18/459, ECLI:NL:RBGEL:2019:1163 ■■ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 december 2018, nr. 17/5556, ECLI:NL:RBZWB:2018:6701

2019/29 Verhuur zonnepanelen is zelfstandige dienst Als een belastingplichtige tegenover één afnemer een of meer ­handelingen verricht waarin verschillende prestaties kunnen ­worden onderscheiden, is de hoofdregel dat elk daarvan als een zelfstandige prestatie moet worden beschouwd. Verschillende

24

Het Register| juni 2019 | nummer 3

2019/30 Handelen in lege bv’s is vrijgestelde dienst Een bv hield zich bezig met het bemiddelen bij de aan- en verkoop van bv’s. De financiële positie van deze bv’s was door belastingschulden en schulden aan andere crediteuren vaak problematisch.


n n n n n

De directeur en enig aandeelhouder van de bemiddelings-bv regelde dat de aandelen van deze probleem-bv’s op naam werden gesteld van vaste personen (de kopers), die hiervoor een vergoeding kregen. De bv regelde alles vanaf het moment dat de verkoper van een probleem-bv zich bij haar meldde. De koopprijs van de aan­ delen bedroeg meestal € 1. De inspecteur legde de bemiddelings-bv een naheffingsaanslag btw op met een vergrijpboete, omdat ze volgens hem ten onrechte de btw-vrijstelling van art. 11, lid 1, onderdeel i Wet OB had toegepast. De kopers van de probleem-bv’s waren volgens hem katvangers die helemaal geen belang bij de aandelen hadden en meestal niet van plan waren om iets met de gekochte bv’s te doen. De bv ging in beroep en stelde dat sprake was van bemiddeling inzake aandelen. Rechtbank Gelderland oordeelde dat daadwerkelijk aandelen van een verkoper overgingen op een koper, zodat in de kern sprake was van handelingen inzake waardepapieren. Wat het doel was van de verkoop van de aandelen, was volgens haar niet van belang. Wel was ze het met de inspecteur eens dat het belang van de kopers primair lag in de betaling voor het overnemen van de aandelen in de probleem-bv’s, maar daarmee was nog geen sprake van een zuiver kunstmatige constructie zonder economische en commerciële realiteit. De bv verrichtte volgens de rechtbank daadwerkelijk bemiddelingsactiviteiten en de aandelen gingen ook daadwerkelijk over. Dat de aandelen vaak maar voor € 1 werden verkocht, maakte dat niet anders omdat ze economisch gezien niet of nauwelijks waarde hadden, of zelfs een negatieve waarde. De rechtbank verklaarde het beroep van de bv gegrond. ■■ Rechtbank Gelderland 26 februari 2019, nr. 17/4950, ECLI:NL:RBGEL:2019:805, nr. 17/4949,

BPM

2019/31 Zelf naar Nederland gereden nieuwe auto is gebruikte auto In december 2013 kocht een man een nieuwe BMW in Hongarije en reed daarmee naar Nederland. Bij registratie alhier stond er 1566 km op de teller. Hij gaf aan dat sprake was van een gebruikte auto en voldeed € 4643 aan BPM. Maar volgens de inspecteur ging het om een nieuwe auto, waarop hij een naheffingsaanslag BPM oplegde van € 3673. De man ging in beroep. Hof Den Bosch oordeelde, net als eerder Rechtbank Zeeland-­ West-Brabant, dat op het moment van registratie van de auto in Nederland sprake was van een gebruikte auto en vernietigde de naheffingsaanslag. Uit een arrest van de Hoge Raad van 21 september 2018 (nr. 17/02947) leidde het hof af dat het erom ging in welke staat – nieuw of gebruikt – de auto was op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister. Dat gold ook als een nieuwe auto in het buitenland was afgeleverd aan een in Nederland gevestigde persoon en de Nederlandse persoon degene was die de auto voor het eerst in gebruik nam. Het feit dat de man de auto vanuit Hongarije naar Nederland had gereden, was volgens het hof dus niet van belang. Een auto waarmee ten tijde van de registratie in Nederland 1566 km was gereden, was nu eenmaal geen auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik was geweest. Van een nieuwe personenauto was zodoende geen sprake. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld. ■■ Hof Den Bosch 15 november 2018, nr. 17/00716, ECLI:NL:GHSHE:2018:4758

Wbm i.v.m. beperking emissies kolencentrales 31 362 Wet spoedreparatie fiscale eenheid 34 959 Wet fiscale arbitrage 35 110 Implementatiewet UBO-register 35 179

■ Datum inwerkingtreding

■ Staatsblad

■ Aangenomen EK

■ Eindverslag EK

■ Memorie van Antwoord EK

■ Voorlopig verslag EK

■ Wetsvoorstel EK

■ Aangenomen TK

■ Eindverslag TK

■ Nota n.a.v. verslag TK

■ Verslag TK

■ Wetsvoorstel +MvT TK

Per 6 mei 2019

De stand van zaken

Wetgeving

ECLI:NL:RBGEL:2019:803 en 17/4953, ECLI:NL:RBGEL:2019:804

Bij KB Dag na datum uitgifte Stb 30-6-2019 Bij KB

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

25


n n n n

Ieder pachtersvoordeel heeft zijn nadeel In deze bijdrage staan de zogeheten pachtersvoordelen centraal. Als gevolg van een recent (verzamel)besluit heeft de fiscale behandeling van dit voor de (agrarische) vastgoedpraktijk relevante leerstuk belangrijke wijzigingen ondergaan. Achtereenvolgens passeren het begrip pachtersvoordeel, de toepassing daarvan in de praktijk en tot slot de gevolgen van het recente landbouwbesluit voor de pachtersvoordelen de revue. Zeker voor de agrofiscalist zijn deze recente ontwikkelingen van belang, vanwege hun invloed op de (agrarische) adviespraktijk.

A Jeroen Rheinfeld Mr. dr. J.W.A. Rheinfeld is vennoot bij FBNJuristen en universitair docent agrarisch recht aan deRadboud Univer­siteit Nijmegen

ls een pachter de door hem gepachte grond op basis van zijn voorkeursrecht ex art. 7:378 BW aankoopt, wordt de prijs vastgesteld met inachtneming van de omstandigheid dat de grond in verpachte staat verkeert.1 Doorgaans ligt deze prijs beneden de waarde van de grond in vrij opleverbare staat. Het verschil tussen de waarde in vrije staat en die in verpachte staat wordt het pachtersvoordeel genoemd. Dit voordeel valt niet onder de landbouwvrijstelling van art. 3.12 Wet IB 2001, omdat het niet is ontstaan als gevolg van waardestijging van de grond. Bij realisatie van het pachtersvoordeel, bijvoorbeeld bij verkoop van de landbouwgrond die indertijd met gebruikmaking van het pachtersvoordeel is aangekocht, moet er fiscaal over worden afgerekend. Er is sprake van een eerste pachtersvoordeel als de ­pachter die de grond in eigendom verkrijgt, niet behoort tot de familiekring van de verpachter. Onder familiekring wordt verstaan: a. de echtgenoot; b. de eigen kinderen en de stief-, pleeg- en kleinkinderen; c. de echtgenoten van de onder b bedoelde kinderen; d. de bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad in de zijlinie. Er is sprake van een tweede pachtersvoordeel als de ­pachter die de grond op zakelijke basis pacht, de grond in eigendom krijgt voor een lagere prijs dan de waarde in vrij opleverbare staat en de verpachting plaatsvond in het kader van bedrijfsopvolging binnen de familiekring, dus door het ene familielid (meestal een ouder) aan een ander familielid (meestal een kind).2

26

Het Register | juni 2019 | nummer 3

Het onderscheid tussen eerste en tweede pachtersvoordeel duidt geen rangorde aan en is niet van inhoudelijke betekenis, maar is enkel bedoeld met het oog op de ­toepassing van beleidsbesluiten waarin de beide situaties waarvoor goedkeuringen golden – waarover hierna meer – werden onderscheiden.

Fiscale behandeling pachtersvoordelen ‘oude stijl’ Onder voorwaarden werd al jarenlang, laatstelijk in een besluit uit 2010, goedgekeurd dat op verzoek het eerste pachtersvoordeel bij bedrijfsopvolging binnen de familiekring werd doorgeschoven naar de bedrijfsopvolger.3 Er hoefde daardoor niet te worden afgerekend over het pachtersvoordeel; het heffingsmoment werd door deze goedkeuring uitgesteld. Deze mogelijkheid van partiële doorschuiving kwam alleen aan de orde als geen gebruik werd gemaakt van de algemene doorschuifregeling bij overdracht van (een gedeelte van) een onderneming als bedoeld in art. 3.63 Wet IB 2001. Bij doorschuiving van het (eerste) pachtersvoordeel dat werd gerealiseerd bij verkrijging door de bedrijfsopvolger uit de familiekring zonder voorgaande pacht, golden volgens het besluit uit 2010 voor deze goedkeuring de volgende voorwaarden: ■■ De verkrijger (bedrijfsopvolger) neemt jaarlijks op zijn ­fiscale balans onder de benaming ‘doorgeschoven pachtersvoordeel’ een passiefpost op ter grootte van € x zolang en voor zover de grond waarop dit pachtersvoordeel betrekking heeft, tot zijn ondernemingsvermogen behoort. ­Indien (een gedeelte van) de grond waarop het door­geschoven pachtersvoordeel rust, niet langer tot het o ­ ndernemingsvermogen behoort,


n n n n

neemt de passiefpost (naar evenredigheid) af ten ­gunste van de winst. ■■ Bij overdracht of liquidatie van de onderneming rekent de verkrijger (het restant van) het doorgeschoven pachtersvoordeel tot de winst van het laatste kalenderjaar waarin de onderneming voor zijn rekening wordt gedreven. ■■ De verkrijger verklaart binnen een maand na dagtekening van deze brief schriftelijk tegenover de inspecteur van de Belastingdienst dat hij deze voorwaarden aanvaardt en dat hij bij niet nakomen daarvan de hieruit voortvloeiende schade voor de Nederlandse Staat ­geheel zal vergoeden. Bij doorschuiving van het (eerste) pachtersvoordeel dat werd gerealiseerd bij voorafgaande onzakelijke verpachting aan de bedrijfsopvolger uit de familiekring, golden voor deze goedkeuring de volgende voorwaarden: ■■ De verpachter zal de grond niet vervreemden aan een ander dan de pachter (de bedrijfsopvolger uit de familiekring); overgang krachtens erfrecht wordt gelijk­gesteld met vervreemding door de verpachter op het onmid­ dellijk aan diens overlijden voorafgaande tijdstip. ■■ Wanneer de bedrijfsopvolger de grond in eigendom heeft verkregen, neemt hij jaarlijks op zijn fiscale ­balans onder de benaming ‘doorgeschoven pachtervoordeel’ een passiefpost op ter grootte van € x zolang en voor zover de grond waarop dit pachtervoordeel ­betrekking heeft, tot zijn ondernemingsvermogen ­behoort. Indien (een gedeelte van) de grond waarop het pachtervoordeel rust, niet langer tot het ondernemingsvermogen behoort, neemt de passiefpost (naar evenredigheid) af ten gunste van de winst. ■■ Bij overdracht of liquidatie van de onderneming rekent de bedrijfsopvolger (het restant van) het doorgeschoven pachtersvoordeel tot de winst van het laatste ­kalenderjaar waarin de onderneming voor zijn rekening wordt gedreven.

■■ De verpachter en de bedrijfsopvolger verklaren binnen een maand na dagtekening van deze brief schriftelijk ­tegenover de inspecteur van de Belastingdienst dat zij deze voorwaarden aanvaarden en dat zij bij niet nakomen daarvan de hieruit voortvloeiende schade voor de Nederlandse Staat geheel zullen vergoeden. Voorts werd in hetzelfde besluit uit 2010 onder voorwaarden goedgekeurd dat een tweede pachtersvoordeel bij realisatie was vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting.4 Deze vrijstelling was alleen van toepassing ‘voor zover er bij de overdrager door de werking van de landbouwvrijstelling geen sprake was van een belastbaar voordeel’. Met deze laatste toevoeging werd voor­ komen dat een bij de verpachter niet onder de landbouwvrijstelling vallende stille reserve in de grond werd omgezet in een vrijgesteld tweede pachtersvoordeel bij de pachter. Voorbeeld (ontleend aan onderdeel 2.3 van het b ­ esluit) Vader heeft landbouwgrond gekocht voor € 45.000 per ha. Hierop heeft hij een herinvesteringsreserve a ­ fgeboekt van € 40.000 per ha. De boekwaarde van de grond bij ­vader bedraagt aldus € 5000 per ha. In het kader van de bedrijfsopvolging verpacht vader de grond zakelijk aan zijn zoon. Bij staking onttrekt vader de grond aan zijn ­onderneming tegen de waarde in v ­ erpachte staat van € 25.000 per ha. De boekwinst van (€ 25.000 minus € 5000) = € 20.000 per ha is bij vader belast (geen landbouwvrijstelling). De waarde in vrije staat bedraagt op dat moment € 50.000. Als de zoon de grond later als pachter koopt voor de waarde in verpachte staat (stel: € 30.000), ontstaat er een tweede pachtersvoordeel. Als op dat moment de waarde van de grond in vrije staat € 65.000 bedraagt, beloopt het tweede pachtersvoordeel € 35.000. ­Wanneer de zoon dit tweede pachtersvoordeel van € 35.000 ­realiseert, is hiervan € 20.000 niet vrijgesteld. Als vader

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

27


Pachtersvoordelen

n n n n

Met het besluit van 23 november 2018 zijn de goedkeuringen voor partiële doorschuiving, c.q. vrijstelling ingetrokken ­ amelijk de grond ten tijde van de onttrekking had n ­verkocht tegen de waarde in het economisch verkeer in vrije staat (€ 50.000), zou van deze opbrengst € 40.000 zijn belast. Bij hem is al belast € 20.000, z­ odat bij de zoon bij de realisatie van het tweede p ­ achtersvoordeel € 20.000 is belast (€ 40.000 minus € 20.000). De o ­ verige € 15.000 van het door de zoon gerealiseerde tweede pachtersvoordeel is vrijgesteld. De achterliggende gedachte achter deze goedkeuring was dat door de werking van de landbouwvrijstelling bij de verpachter/overdrager niet een even grote aftrekpost stond als het bij de overnemer ontstane voordeel. Bij de verpachter ging de grond namelijk voor de waarde in verpachte staat over naar zijn privévermogen, maar hij mocht hierbij geen aftrekpost (verlies) in aanmerking nemen voor zover ook sprake was van een onder de landbouwvrijstelling ­vallende waardestijging van de grond.5 Zonder de goedkeuring ontstaat er bij zakelijke verpachting binnen familieverband een fiscale onevenwichtigheid, aldus de tekst van eerdere besluiten. Deze onevenwichtigheid zou de ­bedrijfsopvolging in de landbouw bemoeilijken. Het belang van het onderscheid tussen het eerste en tweede pachtersvoordeel in de tekst van het besluit was gelegen in het feit dat het eerste pachtersvoordeel op grond van het goedkeurende beleid kon worden doorgeschoven, terwijl het tweede pachtersvoordeel definitief onbelast bleef als werd voldaan aan een aantal in het ­besluit genoemde voorwaarden, te weten:6 a. bij de verkrijging van de grond door de voorganger: ■■ is geen pachtersvoordeel ontstaan, of ■■ is een (eerste of tweede) pachtervoordeel ontstaan dat tot diens winst uit onderneming heeft ­behoord, of ■■ is een tweede pachtervoordeel ontstaan waaraan, als het was gerealiseerd, krachtens dit besluit geen gevolgen zouden zijn verbonden voor de heffing van inkomstenbelasting; b. het staat vast dat belanghebbende ten tijde van de ­verkrijging van de grond de bedoeling had het landbouwbedrijf duurzaam voort te zetten of te doen voortzetten door een opvolger uit de familiekring van degene die voorheen aan belanghebbende ­verpachtte; c. belang­hebbende moet aannemelijk maken in hoeverre de opbrengst van de grond bij de overdrager zou zijn vrijgesteld als de grond op het moment van overdracht tegen de waarde in het economische verkeer in vrije staat was verkocht. Alsmede welk bedrag bij de overdrager als boekwinst in aanmerking is genomen in het kader van het feit dat de grond het ondernemings­ vermogen heeft verlaten.

28

Het Register | juni 2019 | nummer 3

Degene die voldeed aan de hiervoor vermelde voorwaarden kon onder het regime van het besluit uit 2010 het eerste en tweede pachtersvoordeel dus (partieel) doorschuiven, respectievelijk genieten van een vrijstelling bij realisatie van het pachtersvoordeel. Op deze wijze ­leverden pachtersvoordelen jarenlang geen fiscaal ­nadeel op voor de (voormalige) pachter.

Het landbouwbesluit Het regime zoals hiervoor omschreven bleek helaas ­eindig te zijn. Tot voor kort was het beleid in een drietal afzonderlijke besluiten opgenomen.7 Daarvoor in de plaats kwam op 23 november 2018 een samengevoegd en geactualiseerd verzamelbesluit.8 Daarin is nu het hele beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ­ondernemers in de agrarische sector opgenomen. Voor de mogelijkheid tot doorschuiving, c.q. vrijstelling van ­eerste en tweede pachtersvoordelen heeft het besluit, dat ook wel wordt aangeduid als het ‘Besluit landbouwproblematiek’, ingrijpende gevolgen. Die beschrijf ik hierna. Fiscale gevolgen pachtersvoordelen onder het ­nieuwe regime Met het besluit van 23 november 2018 is de goedkeuring voor partiële doorschuiving van het eerste pachtersvoordeel ingetrokken. Dat betekent dat partiële doorschuiving van het eerste pachtersvoordeel niet meer mogelijk is, met uitzondering van de situaties die onder het overgangsrecht vallen, zie hierna. Volgens de staatssecretaris biedt de Wet IB 2001 voldoende fiscale begeleiding voor bedrijfsoverdrachten, waarmee hij met name zal doelen op de doorschuifregeling van art. 3.63 Wet IB 2001. Ook de goedkeuring waarbij tweede pachtersvoordelen worden vrijgesteld, is ingetrokken. Ook ten aanzien van dit voordeel wijst de staatssecretaris op de reguliere ­faciliteiten van de Wet IB 2001, maar bovendien is hij van mening dat de ruime tegemoetkoming, waarbij de belastingclaim op het pachtersvoordeel vervalt, niet meer valt te rechtvaardigen. Gevolgen voor de praktijk In het landbouwbesluit is nog wel een soepele overgangsregeling opgenomen. De pachter die de juridische eigendom van de grond uiterlijk op 30 juni 2019 heeft verkregen, kan gebruik blijven maken van de mogelijkheid om het eerste pachtersvoordeel (partieel) door te schuiven. Voor het tweede pachtersvoordeel geldt dezelfde soepele overgangsregeling. Als de pachter de juridische eigendom van de grond uiterlijk op 30 juni 2019 heeft verkregen, zal het tweede pachtersvoordeel bij realisatie zijn vrij­ gesteld, mits uiteraard aan de overige voorwaarden van de (nu vervallen) goedkeuring wordt voldaan. Voor de praktijk betekent dit dat het sterk is aan te raden om bij pachtsituaties in het kader van bedrijfsopvolging in familieverband de grond vóór 1 juli 2019 over te dragen aan de pachter, mits uiteraard verder ook wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van het tweede pachtersvoordeel. Verder moet het verpachten in het ­kader van bedrijfsoverdracht voortaan worden afgeraden,


n n n n

omdat dit wel leidt tot een belastbaar tweede pachtersvoordeel bij de opvolger, maar niet tot een even grote ­aftrek bij de overdrager.

Gebruikersvoordelen Bij bedrijfsopvolging binnen de agrarische sector wordt de onderneming doorgaans overgedragen tegen een prijs die een stuk lager ligt dan de som van de waarde in het economisch verkeer van alle afzonderlijke onderdelen van de onderneming. Vaak wordt bij het bepalen van de overnameprijs uitgegaan van de agrarische waarde; de waarde waarbij een lonende exploitatie van de onder­ neming nog juist mogelijk is.9 Als de prijs in de gegeven situatie zakelijk is bepaald, ontstaat een zogeheten ­gebruikersvoordeel. Dit voordeel is gelijk aan het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer van de grond en de overeengekomen overnamesom. Een gebruikersvoordeel valt niet onder de landbouwvrijstelling, omdat dit waardeverschil niet als gevolg van (normale) waardestijging van de grond is ontstaan. Bij realisatie is dit voordeel belast. Aldus lijkt het gebruikersvoordeel sterk op een pachtersvoordeel.10 De vraag naar de zakelijkheid is dus ook hier van groot belang. Als voor het civiele recht – en dus ook in het ­kader van de schenkbelasting – de conclusie is dat de overdracht van de onderneming voor een lagere waarde geen schenking is, betekent dat niet per definitie dat er in de sfeer van de winstbepaling een gebruikersvoordeel ontstaat. De vraag is namelijk of de overdracht tegen een lagere waarde ook in de winstsfeer zakelijk is.

De agrofiscalist die zijn vak verstaat zal de notaris tijdig hebben ingelicht over de noodzaak tot het uiterlijk op 30 juni 2019 passeren van de notariële leveringsakte. Uitstel van de akte is immers fataal. Ten aanzien van de gebruikersvoordelen hoeft de vraag ‘oud of nieuw?’ niet te worden gesteld: het landbouw­ besluit brengt in de bestaande fiscale situatie geen ­wijziging. Enigszins onbevredigend is het feit dat de staatssecretaris de gelegenheid niet te baat heeft ­genomen om in het besluit het volgens diverse auteurs onjuiste standpunt rond de geruisloze doorschuiving te herzien.   <<<

Een gebruikersvoordeel valt niet onder de landbouwvrijstelling, omdat dit waardeverschil niet als gevolg van (normale) waardestijging van de grond is ontstaan Noten 1

Van belang is in dit verband om tevens te wijzen op art. 7:384 BW, een bepaling van regelend recht, krachtens welke de (voormalige) pachter bij vervreemding van de grond binnen tien jaar een vergoeding aan de (voormalige) verpachter moet betalen ter grootte van maximaal het pachtersvoordeel bij de aanvang van

Gebruikersvoordelen en het landbouwbesluit In het besluit van 23 november 2018 is het standpunt over het ontstaan van gebruikersvoordelen niet gewijzigd en herhaalt de staatssecretaris vooral het standpunt dat een gebruikersvoordeel ook kan ontstaan als de onderneming wordt overgedragen met toepassing van de ­geruisloze doorschuiving ex art. 3.63 Wet IB 2001. Het is niet zeker of dit standpunt juist is. In de literatuur is er meermaals kritiek op geuit.11

Conclusie Het moge duidelijk zijn: waar onder het oude regime eerste en tweede pachtersvoordelen nog zonder nadelige fiscale gevolgen konden worden doorgeschoven of definitief worden vrijgesteld, is met de komst van het landbouwbesluit op 23 november 2018 dit overzichtelijke en fiscaal vriendelijke tijdperk definitief afgesloten. Het ‘Besluit landbouwproblematiek’ heeft de eerste en t­ weede pachtersvoordelen de nek omgedraaid. ‘Ieder pachtersvoordeel heeft zijn nadeel’, lijkt het credo onder het ­huidige fiscale gesternte te zijn. De enige uitweg uit het nieuwe, goedkeuringsloze ­regime is door de pachter uiterlijk op 30 juni 2019 de ­juridische eigendom van de grond te laten verkrijgen. In de agropraktijk zullen de meeste zomerverloven dan ook gedeeltelijk zijn ingetrokken, ter behoud van de ­mogelijkheden tot (partiële) doorschuiving, respectievelijk vrijstelling bij realisatie, zo is mijn inschatting.

de pacht. De omvang van de vergoeding neemt af naarmate de periode van tien jaar verstrijkt. De vergoeding komt in mindering op de waarde van een eventueel belast pachtersvoordeel. 2 Zie over pachtersvoordelen in algemene zin M.L.M. van K ­ empen, Cursus Belastingrecht, Het pachtersvoordeel, onderdeel IB.3.2.13.C.g1. 3 Onderdeel 2.2 van het besluit van 13 oktober 2010, nr. DGB2010/1981M. 4 Onderdeel 2.3 van het besluit van 13 oktober 2010, nr. DGB2010/1981M. 5 HR 17 maart 1965, nr. 15 349, BNB 1965/160, ECLI:NL:HR:1965:AX7177. 6 Onderdeel 2.3 van het besluit van 13 oktober 2010, nr. DGB2010/1981M.. Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 28 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4427. 7 Besluit van 13 oktober 2010, nr. DGB2010/1981M, besluit van 15 december 2000, nr. CPP2000/2172M en besluit van 28 januari 2011, nr. LKB2011/25. 8 Besluit van 23 november 2018, nr. 2018-115091, Stcrt. 2018, 68647. Zie voor een bespreking van enkele aspecten uit dit ­besluit E. Smit en A. Verduijn, Fiscale kroniek 2018, TvAR 2019/2. 9 Zie voor een recente beschouwing over onder meer de agrarische waarde N. Bouwman, De meerwaardeclausule uit balans, in: TvAR 2019/2. 10 Zie nader M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht, Gebruikersvoordelen, onderdeel IB.3.2.13.C.g2.I. 11 Zie onder meer P.H.F. Remie, Over pachters- en andere voordelen, WFR 1997, p. 1774-1781.

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

29


n n n n

De dorpscoöperatie fiscaal nader beschouwd Wereldwijd mag de coöperatie zich verheugen in een toenemende populariteit, en dat ook bij kleinschalige toepassingen. Denk alleen maar aan de microcoöperaties in Afrikaanse landen. De praktijk leert dat het coöperatierecht, vanwege de combinatie met het verenigingsrecht, universeel en pragmatisch toepasbaar is. Statuten vormen daarbij een complex maatwerkproduct. In dit artikel zien we de toepassing van dit recht terug in de dorpscoöperatie die een supermarkt exploiteert.

E Anton Wattenberg A.L.P. Wattenberg RB is belasting­ adviseur bij KoningsWaal Advies te Ewijk

en coöperatie wordt naar burgerlijk recht ­opgericht. Ze heeft een nauwe verwantschap met het verenigingsrecht; vele elementen daarvan vinden we dan ook terug in de statuten van een coöperatie. Waar men zich goed van bewust moet zijn, is dat de veelzijdigheid van dit recht, te vinden in artikelen 2:1 tot en met 2:52 BW, de opmaat is voor de toepassing van het coöperatierecht in de artikelen 2:53 tot en 2:63j BW. Daarbij kent de coöperatie een verscheidenheid aan typen die elk een bepaalde civielrechtelijke strekking vertegenwoordigen. Ze zijn onder te verdelen in twee groepen: ■■ de associatieve coöperaties; ■■ de (eigenaars)coöperaties (ownership cooperative society). Voorbeelden van associatieve coöperaties zijn coöpe­ raties met meer dan 100 leden die elkaar niet persoonlijk kennen en samen streven naar een samenwerking met een algemeen doel. Denk aan de grote voorbeelden ­Rabobank of Univé. Ook veilingen zijn hier een voorbeeld van, zoals de Bloemenveiling Aalsmeer en Royal Flora Holland. Voorbeelden van een ownership (eigenaars)coöperatie zijn coöperaties waarin daadwerkelijk een herkenbaar ledeneigendom aanwezig is. Voorbeelden daarvan zijn de ondernemerscoöperaties, de huisartsencoöperaties, winkelcoöperaties etc. Deze coöperaties tellen vrijwel altijd minder dan 100 leden. Die leden kennen elkaar wel en hun coöperatie heeft een duidelijk herkenbaar winstdoel, dat ten goede moet komen aan de leden. De hoofdregel vloeit voort uit de wettelijke bepaling van art. 2:53, lid 1 BW te weten: ‘De coöperatie is een bij no-

30

Het Register | juni 2019 | nummer 3

tariële akte als coöperatie opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen ­behoeve uitoefent of doet uitoefenen.’ Deze tekst lijkt vrij eenvoudig, maar kan uiteindelijk zeer complex blijken. De wetgever heeft het coöperatierecht zogezegd marktbreed gemaakt, waardoor het ­zowel de civielrechtelijke als de fiscaalrechtelijke complexiteit omvat. Met name in het fiscale recht rond de coöperatie heeft de wetgever de afgelopen decennia ­regelmatig aanpassingen doorgevoerd. Met het opzetten van een dorpscoöperatie moet vanzelfsprekend ­rekening worden gehouden met de civiele en fiscale ­regelgeving.

De dorpscoöperatie in de vennootschapsbelasting Een coöperatie is een rechtspersoon, en in beginsel is in Nederland elke rechtspersoon belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Volgens art. 2, lid 1, juncto b Wet Vpb 1969 zijn als binnenlands belastingplichtigen aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde­ coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag. De dorpscoöperatie – waaronder hier een associatieve ­coöperatie wordt verstaan – valt dus in Nederland onder de vennootschapsbelasting en moet zich daardoor aan de Nederlandse fiscale wetgeving houden. Ze moet dan ook een administratie voeren conform de wettelijke regels van art. 2:10 BW en die van Titel 9, art. 2:361 e.v. BW. Zijn de wettelijke regels van de administratie ­gevolgd, dan zal moeten worden bepaald of er sprake is van een te bepalen


n n n n

individuele ledenprestatie. De sta­tuten kunnen een ­verplichting tot een individuele ­ledenprestatie en de ­registratie daarvan uitsluiten, waardoor een op de ledenprestatie gerichte winstuitdeling niet meer mogelijk is. Daarvoor moeten dan andere ­afspraken, in de statuten of reglementen, worden g ­ eformuleerd. Maar juist bij een dorpscoöperatie gaat het vaak niet om een individueel toe te rekenen prestatie, maar om een collectieve prestatie. In de statuten moeten dus goede afspraken worden gemaakt over het ledendomein. Daar wordt bepaald wat de individuele rechten van de leden zijn, of dat er uitsluitend een lineair vermogensrecht, respectievelijk winstrecht is bepaald. Bij de associatieve coöperatievormen komt het principe van iedereen is ­gelijk veelvuldig voor. Bij een ownership (eigenaars)coöperatie wordt veel meer naar het belang van het individuele lid gekeken, zoals ook blijkt in de fiscale praktijk. In de vennootschapsbelasting is een belangrijke bepaling opgenomen in art. 9, lid 1, letter g en in art. 9, lid 2. Beide leden gaan over de uiteindelijk te bepalen winst en betekenen dat uitdelingen aan de leden/natuurlijke personen onder voorwaarden aftrekbaar zijn van de ­vennoot­schappelijke winst. In lid 2 van art. 9 wordt de verlengstukwinst bepaald. Deze regel wordt ook wel de coöpera­ tieregeling genoemd en moet voorkomen dat de aan leden/ natuurlijke personen uit te keren winst – ­behoudens de beperking in art. 9, lid 2 Wet Vpb – onderwerp wordt van dubbele heffing, namelijk heffing gelijktijdig in de vennootschapsbelasting en in de inkomstenbelasting over economisch hetzelfde ­resultaat. Voor lichamen die lid zijn, geldt de deelnemingsvrijstelling van art. 13, lid 2, ­letter c Wet Vpb. Op verzoek kunnen zij ook kiezen voor de verlengstukwinst.1 Typen leden Het is dus van belang te weten welke typen leden de dorpscoöperatie heeft of kan hebben. We onderscheiden de volgende typen: ■■ NPP: natuurlijk persoon particulier ■■ NPO: natuurlijk persoon ondernemer ■■ RPO: besloten vennootschap met onderneming ■■ RPO: naamloze vennootschap met onderneming ■■ CPO: coöperatie ■■ STI: stichting ■■ RBO: buitenlandse rechtspersoon Ook in fiscaal opzicht kunnen coöperaties dus verschillende typen leden hebben, en dat vinden we terug in het ledendomein zoals dat in de statuten staat beschreven. Dit maakt duidelijk dat de statuten van een coöperatie zowel civielrechtelijk als fiscaalrechtelijk doordacht moeten worden opgesteld en dat het notariaat dus niet alleen naar de civielrechtelijke positie van de dorps­ coöperatie met haar leden moet kijken (in dit voorbeeld), maar ook naar de fiscaalrechtelijke consequenties. We spreken bij een lidmaatschap altijd van een nader te ­bepalen eigendom en zeggenschap. Leden kunnen zijn natuurlijke personen en rechtspersonen. Voor rechts­ personen is er bij een lidmaatschap in een coöperatie,

dus ook bij de dorpscoöperatie, sprake van een deel­ neming. Er worden geen kwantitatieve eisen gesteld aan de omvang van de deelneming. Dit is bepaald in art. 13, lid 1 en lid 2, letter c Wet Vpb: 1. Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming (deelnemings­ vrijstelling) 2. Van een deelneming is sprake indien de belastingplichtige: a. ... b. ... c. lid is van een coöperatie of van een vereniging op coöperatieve grondslag; De deelnemingsvrijstelling geniet nog niet veel bekendheid bij het coöperatieve bedrijfsleven, maar is bij het bespreken van een keuze voor de coöperatie als rechtsvorm voor de ­cliënt zeker de moeite waard. Dividendbelasting De Wet op de dividendbelasting 1965 bevat in art. 1, lid 1 voor de belastingplicht een bijzondere tekst: ‘Onder de naam “dividendbelasting” wordt een directe belasting geheven van degenen, die – rechtstreeks of door middel van certificaten – gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, en winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d. van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 aan in Nederland ­gevestigde naamloze vennootschappen, besloten ­vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.’ Hieruit kan worden geconcludeerd dat bij een dorpscoöperatie geen inhoudingsplicht bestaat voor het uit te keren dividend. In art. 4.5a, lid 1, letter a Wet IB 2001 worden lidmaatschapsrechten gelijkgesteld met winstbewijzen. De dorpscoöperatie voldoet niet aan de definitie van inhoudingsplichtige; geen van de in dit ­artikel genoemde personen betreft immers een coöperatie zoals een dorpscoöperatie in ons voorbeeld, en heeft bovendien geen in aandelen verdeeld kapitaal. De dorpscoöperatie heeft haar ledendomein gebaseerd op het principe van ledenstemrecht van art. 2:38, lid 1 BW: alle leden hebben één stem. Anders is het als de dorpscoöperatie zich statutair inricht met ledencertificaten met meerdere stemmen en zich ook als een houdstermaatschappij gaat profileren. In

De dorpscoöperatie valt onder de vennootschapsbelasting en moet zich daardoor aan de Nederlandse fiscale wetgeving houden juni 2019 | nummer 3 | Het Register

31


De dorpscoöperatie

n n n n

dat geval kan een coöperatie wel inhoudingsplichtige voor de dividendbelasting zijn. Daar ga ik hier niet ­verder op in.

De dorpscoöperatie en de inkomstenbelasting Zoals gezegd zijn er bij de vennootschapsbelasting minimaal zeven typen leden, alle met een eigen karakter en structuur. Bij ons voorbeeld van de dorpscoöperatie die een lokale supermarkt exploiteert, gaan we ervan uit dat zich onder de leden zowel natuurlijke personen als rechtspersonen bevinden. Er zijn meer mogelijkheden, maar voor nu beperk ik me tot bijvoorbeeld leveranciers die een eenmanszaak/vof hebben of een besloten ­vennootschap, terwijl de afnemers (consumenten) allen natuurlijke personen zijn; zij zijn de feitelijke klanten van de coöperatie. In de coöperatiestatuten kan zijn bepaald dat een ledencertificaat met één stem wordt ­uitgegeven – one man, one vote – maar ook dat er leden­ certificaten worden uitgegeven met méér dan één stem. Dat kunnen er dan 100 per ledencertificaat zijn. Daardoor ontstaan er mogelijk andere verhoudingen tussen de leden onderling. Art. 2:38, lid 1 BW voorziet in deze keuzemogelijkheid en, als men daar gebruik van wil ­maken, moet dit dus ook in de statuten worden opgenomen. Dit element van zeggenschapsverhoudingen kan betekenen dat er bij enkele leden sprake is van een aanmerkelijk belang. Voor de toepassing van de deel­ nemingsvrijstelling verwijs ik naar wat eerder bij de vennootschapsbelasting is vermeld. Voor de natuurlijke personen kijken we daarvoor eerst naar art. 4.5a Wet IB 2001 waarin staat: Coöperaties 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt: a. een lidmaatschapsrecht, of een daarmee op één lijn te stellen bewijs van deelgerechtigdheid tot het vermogen, van een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag gelijk­ gesteld met een winstbewijs; b. een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een vennootschap. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op rechten van lidmaatschap van coöperaties indien die rechten direct en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik belichamen van een gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

Voor de keuze box 2 of box 3 is het van belang te weten wat de status van een lidmaatschap is

32

Het Register | juni 2019 | nummer 3

In art. 4.6 Wet IB 2001 wordt vervolgens vermeld wat de kwantitatieve voorwaarden in de inkomstenbelasting zijn voor het houden van aandelen en lidmaatschapsrechten. Die lidmaatschapsrechten worden in deze wet gelijkgesteld met winstbewijzen en aldus zo genoemd. Dat moet dan aansluiten bij art. 4.5a, lid 1, letter a Wet IB 2001. Voor de natuurlijke personen betekent dit het volgende. Als een lidmaatschapsrecht volgens de definities van art. 4.6 lid c Wet IB 2001 recht geeft op ten ­minste 5% van de jaarwinst, of ten minste 5% van de liquidatie­winst, heeft dat lid een aanmerkelijk belang. Art. 4.6, letter d Wet IB 2001 geeft aan dat, wanneer een lid gerechtigd is tot ten minste 5% van de stemmen, uit te brengen in de algemene ledenvergadering van een in art. 4.5a Wet IB 2001 bedoelde rechtspersoon, er eveneens sprake is van een aanmerkelijk belang. Dit artikel sluit dus aan bij art. 2:38, lid 1 BW waarin staat dat leden meer dan één stem kunnen hebben. Het ledendomein van een dorpscoöperatie Stel dat bij de dorpscoöperatie alle leden/natuurlijke ­personen één stem hebben en er 500 leden zijn, dan is de conclusie dat ze geen van allen een aanmerkelijk ­belang hebben. De statuten kunnen er ook in voorzien dat er geen liquidatie- respectievelijk winstuitkeringen aan de leden worden gedaan, waardoor ook niet kan worden voldaan aan art. 4.6, lid c Wet IB 2001. Als er geen sprake is van een aanmerkelijk belang, valt een ­dergelijk lidmaatschap niet in box 2, maar wordt dit ­beschouwd als een belegging in box 3. Door een vermogensrecht op de reserves van de coöperatie heeft een ­lidmaatschap altijd een waarde, die zowel positief als ­negatief kan zijn. Bij aanvang van de coöperatie wordt bepaald of box 2 of box 3 van toepassing is en is het van belang te weten wat de status van een lidmaatschap is. Voor deelnemingen van rechtspersonen valt een dividend onder de deelnemingsvrijstelling, maar voor natuurlijke personen kan dat niet. Als er leden zijn met een bedrijf, bijvoorbeeld een eenmanszaak of vof, kan het lidmaatschap ook tot de winst uit onderneming behoren. Het gaat dan om de etikettering van het lidmaatschap: is het een verplicht zakelijk vermogen of is het keuzevermogen? Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat een lidmaatschap puur als een privéaangelegenheid wordt gezien en dus als privévermogen wordt geëtiketteerd. Het bedrijf – eenmanszaak of vof – van het des­ betreffende lid heeft dan geen zakelijke relatie met de dorpscoöperatie, anders dan als onafhankelijke leverancier. Om misverstanden over een kwalificatie van deze leden te voorkomen, moet fiscaal nauwkeurig worden omschreven dat het lidmaatschap een privéaangelegenheid is en aldus kwalificeert in box 3. Voorwaarde hiervoor is dat zeggenschap, jaarwinstrecht, vermogensrecht en liquidatierecht alle lager zijn dan 5%. Consumentleden in een dorpscoöperatie Voor de consumentenleden gaat het om de voordelen die kunnen worden behaald door enerzijds als consument op te treden (voordeel kortingen en bonussen


n n n n

op prijzen), maar anderzijds ook als financier (rente­ opbrengst uit vermogen). Ze kunnen bijvoorbeeld een kapitaal storten op de ledenkaart, maar ze kunnen de coöperatie ook tegen een rentevergoeding geld lenen. Bij het ontbreken van een aanmerkelijk belang staat dat een recht op een dividend (minder dan 5%) van de jaarwinst niet in de weg. Het lidmaatschapsrecht kwalificeert daarbij als een vermogensrecht dat in box 3 moet ­worden aangegeven; het uit te keren dividend blijft als rendement buiten de heffing. De waarde van een dergelijk lidmaatschapsrecht moet door de coöperatie jaarlijks worden vastgesteld en ­worden vermeld in een jaaropgave lidmaatschapsrecht, bestemd voor de aangifte inkomstenbelasting. Het dividend kan zonder inhouding van dividendbelasting worden uitgekeerd aan de leden-consumenten en wordt niet nader met inkomstenbelasting belast. Het recht op dividend wordt bepaald door de statutaire regels en fiscaal behandeld overeenkomstig art. 3, letter e Wet DB. Het lidmaatschap van een coöperatie is immers gelijk­ gesteld met een winstbewijs en wordt dus als zodanig behandeld. Mijn ervaring is dat bij dorpscoöperaties de dividend­ uitkeringen aan de leden vrijwel altijd nihil zijn, omdat de leden (consumenten) via kortingen en/of bonussen op de producten uit hun coöperatie al een individueel voordeel behalen, en daardoor al een mogelijke winst van de coöperatie toucheren. Door particulieren genoten kortingen worden fiscaal nooit belast – ook niet als ze via de dorpscoöperatie lopen – indien en voor zover ze redelijk marktconform zijn. Kortom, hoe meer collectieve korting op de producten van de dorpssupermarkt wordt genoten, des te meer nettovoordeel de leden

Voor de keuze box 2 of box 3 is het van belang te weten wat de status van een lidmaatschap is kunnen behalen. Door de prijzen laag te houden, zal er weinig of geen winst overblijven om te belasten. De schaalgrootte van de coöperatie speelt daarbij een rol, maar ook omzetbelasting over de productprijzen zal lager zijn.

Ten slotte De dorpscoöperatie is een prachtig fenomeen die economisch voor de leefbaarheid van een dorp zeer belangrijk is en kan zijn. Wel merk ik op dat er vele typen coöperaties zijn, die alle een eigen statuut hebben en daardoor een andere fiscale uitwerking hebben. Mijn vroegere ­leraar professor G.J. ter Woorst gaf in 1966 al de volgende definitie van een coöperatie: ‘Een coöperatie is die vorm van economische organisatie, waarbij overigens zelfstandig blijvende economische subjecten, welke elkaar niet als concurrenten ervaren, één of meer gelijkgerichte functies of gedeelten daarvan gezamenlijk blijvend uitvoeren, teneinde het economisch resultaat van de betreffende economische subjecten te verbeteren.’ Een mooie afsluiting van deze fiscale toelichting op de dorpscoöperatie.  <<< Noot 1

Besluit van 17 januari 2006, nr. CPP2005/1489M.

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

33


n n n n

De Belastingdienst: steeds meer een geduchte concurrent? Menig belastingadviseur heeft wel eens een discussie gehad met een inspecteur van de Belastingdienst. Bezwaar- en beroeps­ procedures over de zelfstandigenaftrek, de eigenwoningregeling en de bijtelling van de auto van de zaak worden vaak gevoerd op het scherp van de snede. Uit die geschillen, die soms tot aan de Hoge Raad worden uitgevochten, blijkt wel dat de adviseurs aan de inspecteurs een geduchte opponent hebben. Maar de ‘strijd’ tussen de adviespraktijk en de Belastingdienst beperkt zich inmiddels niet meer tot fiscale zaken. De Belastingdienst laat zich namelijk ook gelden op de arbeidsmarkt voor fiscalisten.

D

e adviespraktijk signaleert dat er de laatste tijd een relatief groot aantal adviseurs overstapt naar de Belastingdienst, die overigens volgens het jaarlijkse gezamenlijk onderzoek van Sdu en Berenschot al sinds 2012, toen het onderzoek voor het eerst werd gehouden, voor de fiscalist sowieso al de favoriete werkgever is.1 De beweegredenen van de overstappers (b)lijken niet altijd even duidelijk, reden voor ons om daar eens in te duiken.

Cijfers in beeld

Peter Furer en Adjay Pahladsingh Mr. P.H.J. Furer RB en mr. A.T. Pahladsingh RB zijn beiden werkzaam bij Bureau Vaktechniek van het RB

34

Zoals iedere organisatie heeft ook de Belastingdienst te maken met instromers en uitstromers. Dat kan ook niet anders op een personeelsbestand van 27.364 fte’s per ­ultimo september 2018.2 Normaliter kent de Belastingdienst een langjarig laag personeelsverloop van iets ­minder dan 1000 fte’s per jaar. Dit zijn overigens niet ­allemaal fiscalisten, maar ook ict’ers, douanebeambten en anderen. Vertrekregeling Volgens toenmalig staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes moest de Belastingdienst opnieuw worden ­ingericht. Het werk binnen de Dienst zou veranderen en er moest een Dienst komen die beter, goedkoper en

Het Register | juni 2019 | nummer 3

meer in control was. Het was dan ook de bedoeling om via een, naar onze mening soms zeer riante, vertrek­ regeling afscheid te nemen van circa 5000 – veelal lager­ opgeleide – medewerkers van het totale personeels­ bestand. Veel van het administratieve en telefonische werk zou immers moeten verdwijnen. In hun plaats moesten circa 1500 nieuwe – jonge, hoogopgeleide – ­medewerkers worden aangetrokken die het meer ­complexe werk, zoals data-analyse, interactie, ICT en fiscaliteit, moesten gaan doen en de vernieuwing van de Belastingdienst mogelijk moesten maken. De voor deze operatie in het leven geroepen vertrek­ regeling kwam veelvuldig in het nieuws, want het liep iets anders dan verwacht. Een groot deel van de medewerkers van wie gewenst werd dat zij zouden vertrekken, bleef. Tegelijkertijd kozen juist veel gekwalificeerde medewerkers, zoals fiscalisten en mensen die op strategische functies zaten, ervoor om weg te gaan. ­Onder hen zelfs mensen die dicht tegen hun pensioen aan zaten. Ook Wiebes zelf vertrok uiteindelijk – uiteraard zonder vertrekregeling – om minister van Econo­ mische Zaken te worden in het huidige kabinet-Rutte. Enkele cijfers: in de jaren 2016 en 2017 zijn ruim 2400 extra fte’s uitgestroomd en in de jaren tot en met 2020 komen daar nog eens ruim 2600 fte’s bij als gevolg van


n n n n

de vertrekregeling.3 Een kwalitatieve aderlating die de Belastingdienst voor de nodige problemen stelde. Brexit Buiten de uitstroom vanwege de vertrekregeling wordt de behoefte aan meer medewerkers nog door een andere oorzaak gevoed, te weten de aanstaande Brexit. Het ­Verenigd Koninkrijk is de derde handelspartner van ­Nederland.4 Het vertrek uit de Europese Unie – dat op 29 maart 2019 had moeten plaatsvinden, maar nog steeds op zich laat wachten – levert een extra buitengrens op voor Nederland. Dat betekent ook extra werk, waarvoor 900 nieuwe medewerkers worden gezocht.5 Invulling vacatures Opvolgend staatssecretaris Menno Snel kwam bij zijn aantreden voor de moeilijke opgave te staan om al die openstaande vacatures ingevuld te krijgen, waarbij falen geen optie was. Onder zijn bewind is de Belastingdienst na de zomer van 2018 daarom gestart met een grootschalige, zeer ambitieuze wervingscampagne voor ­nieuwe medewerkers. Dat de Belastingdienst het project uiterst serieus neemt, blijkt wel uit de uitbreiding van het zogeheten Employability Center van 31 fte’s tot maar liefst 76 fte’s, meer dan een verdubbeling.6 Ook het wervingsproces zelf is ingrijpend veranderd en verbeterd. Opvallende maatregel is de invoering van een ‘selectieboulevard’. Bij dit fenomeen krijgen kandidaten die over de juiste opleiding voor een functie beschikken, binnen twee weken een uitnodiging. Op de selectieboulevard vinden alle gesprekken, met maximaal 32 kandi­ daten op één dag, plaats. En wie geschikt is, gaat naar huis met een aanbod voor een aanstelling. Ook is gestart met een permanente openstelling van vacatures voor schaarse doelgroepen, zoals fiscalisten, data-analisten en ICT’ers. En voor zeer specifieke functies zijn externe recruiters aangetrokken. Deze wervingscampagne heeft zijn vruchten duidelijk afgeworpen. De afgelopen maanden zijn veel vacatures ingevuld. Dike Sialino, programmamanager/keten­ manager Instroom van de Belastingdienst: ‘Het is een flinke klus, daarom is er medio 2018 een speciaal programma gestart. En we liggen op dit moment goed op schema. Voor het eind van het jaar willen we 4200 fte’s ingevuld hebben. Daaronder vallen naast fiscalisten ook bijvoorbeeld data-analisten, ICT’ers, accountants, teamleiders en HR-adviseurs. Het aandeel van de fiscalisten is circa 600 tot 700 fte’s. De functies waar we grootschalig voor moesten werven, zijn grotendeels gevuld. We verschuiven onze aandacht nu naar andere vacatures. Daarbij blijven we wel gebruikmaken van de selectieboulevard, zodat wie solliciteert aan het eind van een dag weet waar hij of zij aan toe is.’ In de adviespraktijk plegen medewerkers van kantoren nog wel eens een bonus te krijgen als zij een geschikte kandidaat weten aan te brengen. We vroegen ons af of er bij de Belastingdienst ook met zulke aanbrengbonussen wordt gewerkt. Maar volgens Sialino doet de Belasting-

dienst dit niet, afgezien van een pilot die momenteel loopt bij de werving van ICT’ers. Inmiddels is ook een deel van de douanevacatures ­ingevuld.7 De onzekerheid over de vertrekdatum roept bij ons de vraag op of deze speciaal voor de Brexit aan­ getrokken medewerkers al voldoende kunnen worden ­ingezet, alsook wat er met hen moet gebeuren als de Brexit misschien helemaal van tafel gaat.

Belastingdienst een concurrent? Het viel ons op dat, hoewel het om een zeer groot aantal vacatures gaat, de invulling daarvan nog steeds op schema ligt. De kandidaten waren niet alleen starters, maar ook mensen die al in de adviespraktijk werkten en met ­(enige) ervaring. Logische gevolgtrekking is dan ook dat kantoren hun medewerkers zien vertrekken naar de ­Belastingdienst. Je kunt je daarom afvragen of de ­Belastingdienst inmiddels kan worden gezien als een concurrent op de arbeidsmarkt. Om daar een idee van te krijgen, namen we contact op met de HR-managers van enkele grotere mkb-kantoren, te weten die van Flynth adviseurs en accountants, Alfa Accountants en Adviseurs en ABAB Accountants en Adviseurs. Uit de gesprekken met hen kwamen vergelijkbare signalen naar voren. Jessica Odijk, HR-directeur bij Flynth, laat weten dat er wel mag worden gesproken van een aanzienlijk aantal vertrekkers: circa 8 van de circa 120 fiscalisten, met name uit Brabant, kozen voor de Belastingdienst. Sanny Brunekreeft, hoofd HRM bij Alfa, meldt een iets lager aantal; daar gaat het om 5 overstappers op circa 90 ­fiscalisten. En Inge Stuifbergen, manager P&O bij ABAB, geeft aan dat het bij ABAB gaat om een aantal van 6 op ongeveer 100 fiscalisten, met de toevoeging dat er met enkelen al gesprekken liepen over een mogelijke andere functie. Volgens Stuifbergen is het algemeen bekend dat

Dike Sialino (Belastingdienst):

‘We kunnen bij de senior functies misschien niet altijd concurreren op salaris, maar wel op maatschappelijke relevantie’ juni 2019 | nummer 3 | Het Register

35


Belastingdienst en arbeidsmarkt

n n n n

Jessica Odijk (Flynth):

‘De balans tussen werk en privé is bij ons in de regel goed en we kunnen ons dus niet goed voorstellen dat het bij de Belastingdienst zo heel veel anders of beter is’ het bedrijfsleven als werkgever concurreert met commerciële adviespraktijken: ‘Maar de Belastingdienst is inmiddels, hoewel hij een belangrijke maatschappelijke functie heeft, ook een concurrent op de arbeidsmarkt geworden. En dat geeft overstappen van medewerkers van ABAB naar de Belastingdienst – in die situaties waarin dat voor de werkgever ongewenst is – een emotionele lading.’ Daarbij komt dat er in de beleving van Stuif­b ergen voor een vrij agressieve manier van werven wordt gekozen. De HR-managers stellen verder dat het op zijn minst ­opmerkelijk is dat de Belastingdienst eerst zo’n grote groep mensen verliest via een mooie regeling en vervolgens de mogelijkheid krijgt om met publiek (belasting) geld campagne te voeren en te investeren in het aantrekken van nieuwe medewerkers.

bij de Belastingdienst zo heel veel anders of beter is. Het thema is wel belangrijk om goed te bewaken, met die steeds krapper wordende arbeidsmarkt. Wij zijn in 2018 gestart met meer invulling te geven aan het thema ‘duurzame inzetbaarheid’ en rollen aankomende zomer nieuw beleid uit. Dit beleid is erop gericht om meer ­mogelijkheden en middelen te bieden en meer aandacht te hebben voor een goede ontwikkeling, met behoud van motivatie en vitaliteit. Een goede balans tussen werk en privé hoort hier ook bij.’ Stuifbergen: ‘De work life balance is bij ABAB goed te noemen. Voor ons is het een bevestiging van het feit dat je je voortdurend moet afvragen hoe je personeel zo goed mogelijk kunt (blijven) binden en in gesprek moet blijven over wat hen energie geeft en wat bij hen past, want werken bij de ­Belastingdienst of in het bedrijfsleven is wezenlijk ­anders dan werken in een adviespraktijk, waarbij je op een andere manier betrokken bent bij ondernemers. Dat medewerkers hierin keuzes maken is van alle tijden. Voor ons is er dus geen reden om in beleidsmatig opzicht iets aan te passen. Wel zijn de ontwikkelingen een extra stimulans voor leidinggevenden om dit soort gesprekken aan te blijven gaan.’ Brunekreeft: ‘Alfa was en is nog steeds interessant voor werknemers. Onze eigendomsstructuur, waarbij de ­medewerkers via eigendomscertificaten participeren in de organisatie, is zó interessant dat de balans tussen werk en privé niet een overwegende reden is voor de vertrekkers. Verder besteden we veel aandacht aan het continu in gesprek blijven met de mensen, waarbij we vooral kijken naar wat al goed gaat en wat kan worden versterkt. Ook investeren we organisatiebreed in op­lei­ ding en ontwikkeling, onder andere door al onze ­fiscalisten te betrekken bij onze kennisgroepen, zodat zij zich vaktechnisch kunnen blijven ontwikkelen.’

Redenen van vertrek Sialino noemt als mogelijke redenen de balans werk-­privé en primaire arbeidsvoorwaarden. Andere mogelijke redenen zijn de maatschappelijke context en ruimte om vaktechnisch te sparren. Ook ging het om de mogelijkheden om over de volle breedte van de fiscaliteit te werken en je ook breed te ontwikkelen. Sialino: ‘We kunnen bij de senior functies misschien niet altijd concurreren op ­salaris, maar wel op maatschappelijke relevantie: je doet werk dat ertoe doet voor Nederland.’ Balans werk en privé Odijk en Stuifbergen laten weten dat de balans tussen werk en privé een van de beweegredenen was voor de mensen om over te stappen. Odijk: ‘De balans tussen werk en privé is bij ons in de regel goed, beter dan bij de grote kantoren. Wij hebben niet een echte overwerk­ cultuur en kunnen ons dus niet goed voorstellen dat het

36

Het Register | juni 2019 | nummer 3

Sanny Brunekreeft (Alfa):

‘Het feit dat de pool van fiscalisten relatief beperkt is, maakt dat er altijd een kans is dat medewerkers vertrekken’


n n n n

Arbeidsvoorwaarden Een andere overweging die HR-managers van overstappers hebben vernomen, is dat ze bij de Belastingdienst een hoger salaris gaan genieten. Hierbij moet mogelijk wel een onderscheid worden gemaakt tussen meer ­ervaren en minder ervaren werknemers. Volgens Sialino ­betreft het hogere salaris namelijk vooral starters die nog aan het begin van hun carrière staan, terwijl voor meer ervaren werknemers als medioren en senioren de redenen meer zullen liggen in de maatschappelijke ­betrokkenheid, werk-privébalans en de ruimte om ­vaktechnisch te kunnen sparren. Een aanpassing van de ­arbeidsvoorwaarden met het oog op de extra werving heeft niet plaatsgevonden. Maar zeker voor starters is het salaris bij de Belastingdienst volgens Sialino concurrerend te noemen. Odijk heeft ook gemerkt dat salaris soms een vertrek­ reden is: ‘In één uitzonderlijke situatie bleek iemand 50% meer salaris te gaan verdienen bij de Belastingdienst. Dit is opmerkelijk, aangezien wij jaarlijks onze salarissen door een externe partij laten toetsen aan de salarissen zoals die gangbaar zijn in de markt. Wij zullen in komende onderzoeken uiteraard kritisch blijven toetsen of de beweging van de Belastingdienst wel of geen opdrijvend effect heeft op de beloningen in de markt.’ Stuifbergen: ‘Een betere salariëring kan zeker een belangrijke reden zijn om over te stappen, maar ik denk wel dat het dan meestal gaat om mensen die al niet zo goed meer op hun plek zitten, bij wie het sowieso al een kwestie van tijd was voordat ze zouden omzien naar iets anders. De vraag is dan of ‘de Belastingdienst’ dan de ­reden is om over te stappen of dat het meer de toevallige gelegenheid is die zich op dat moment aandient. En ­kantoren moeten ook realistisch zijn over hoelang ­medewerkers bij een kantoor blijven. Jongeren tekenen sowieso niet meer voor het leven bij één werkgever.’ Brunekreeft vult aan: ‘Over het algemeen stappen ­medewerkers niet zo snel over naar een andere werk­ gever. Zeker wanneer de organisatie zijn medewerkers hoog heeft zitten, de waarden van de organisatie aansluiten bij die van de medewerker zelf, er een marktconform beloningsbeleid, een goede werksfeer, opleidingsmogelijkheden en een goede balans tussen werk en privé zijn, zijn medewerkers geneigd te blijven. Maar soms zie je dat er zo’n hoog aanbod wordt gedaan dat ­iemand toch overstapt.’ In dat verband haalt Brunekreeft graag de stelling van HRM-expert dr. Kilian Wawoe aan: ‘Er is altijd een omslagpunt, hoe goed je het als werk­ gever ook doet.’

Ten slotte Het vertrek van meerdere medewerkers naar de ­Belastingdienst wordt breed gesignaleerd onder de kantoren. De HR-managers sloten de gesprekken met ons af met enkele algemene opmerkingen. Brunekreeft: ‘Het feit dat de pool van fiscalisten relatief beperkt is, maakt dat er altijd een kans is dat medewerkers vertrekken. Toen ze dat begonnen te doen naar de Belastingdienst, ontstond er dan ook enige onrust bij de kantoren. Maar

Inge Stuifbergen (ABAB):

‘Een betere salariëring kan een belangrijke reden zijn om over te stappen, maar meestal gaat het dan om mensen die al niet zo goed meer op hun plek zitten’ de rust is inmiddels wel wedergekeerd nu die vertrekgolf is gaan liggen. In ieder geval moet de Belastingdienst nu wel worden gezien als een geduchte concurrent op de arbeidsmarkt voor fiscalisten. Nog meer dan vroeger moeten de kantoren creatief zijn om personeel aan zich te binden.’ Odijk: ‘Voor de nabije toekomst ­verwachten wij dat de Belastingdienst nog niet alle openstaande vacatures zal hebben ingevuld. Voor ons is het dan ook een uitdaging om de mensen die wij opleiden, niet te zien vertrekken naar de Belastingdienst.’ Stuifbergen: ‘We moeten ons niet blindstaren op de ­concurrentie, of dat nu de Belastingdienst is of een ­ander. De recente ontwikkelingen hebben ons geleerd dat je continu moet kunnen uitgaan van je eigen kracht en dus kritisch moet blijven op je eigen werkgeverschap, door een goede ‘work-life balance’, werkplezier en veel ruimte voor opleiding en ontwikkeling.’   <<<

Noten 1

Werken in de fiscaliteit, Special 2018-2019, Sdu, https://www.ndfr.nl/product/werken-de-fiscaliteit-20182019.

2 Kamerbrief van 17 oktober 2018, kenmerk 2018-0000176229. 3 Kamerbrief van 17 oktober 2018, kenmerk 2018-0000176229. 4 https://www.nrc.nl/nieuws/2018/02/16/douane-zoekt-bijnaduizend-nieuwe-beambten-vanwege-brexit-a1592524. 5 https://over-ons.belastingdienst.nl/staatssecretaris-snelonderschat-brexit-niet-bereid-je-voor. 6 Kamerbrief van 17 oktober 2018, kenmerk 2018-0000176229. 7

https://www.rijnmond.nl/nieuws/176585/Douane-we-kunnende-eerste-Brexit-effecten-aan.

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

37


HET

Kantoor

In gesprek met mr. Toon Nefkens RB

‘Produceren is iets anders dan reproduceren’ Heel lang geleden telde de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs een heuse notaris onder haar leden. Dat is bij mijn weten vandaag de dag niet meer het geval. Accountants daarentegen wisten – en weten – de weg naar het RB heel aardig te vinden. Het College Belastingadviseurs had zelfs zeer succesvolle doorstroomprogramma’s voor deze doelgroep. Verder telt het Register Belasting­ adviseurs enkele advocaten onder haar leden. Niet veel, en het feit dat zij in deze rubriek bovengemiddeld vaak ten tonele worden gevoerd, maakt duidelijk dat hun werkzaamheden ten opzichte van de gemiddelde fiscalist in de regel ‘anders’ zijn. Ditmaal is het de beurt aan de voorzitter van onze specialistengroep formeel recht, de Nijmeegse advocaat Toon Nefkens. Door Sylvester Schenk | foto’s: Raphaël Drent

38

Het Register | juni 2019 | nummer 3


n n n

N

efkens is compagnon bij het in de binnenstad van Nijmegen gelegen kantoor Bugter en Nefkens Advocaten, kortweg benn; (mét puntkomma dus). Zoals wel meer fiscale ­advocaten ziet Nefkens zichzelf niet als belasting­ adviseur, maar veel meer als verlener van bijstand aan belastingplichtigen met (dreigende) problemen met de fiscus. Die problemen concretiseren zich dan vooral rondom de invordering – waarbij de aansprakelijkheidsproblematiek een prominente plaats inneemt – alsmede het (fiscale) strafrecht in al zijn verschijningsvormen. De schakel tussen deze twee aandachtsgebieden is vanzelfsprekend de fiscaliteit. Kortom, rechtsgebieden waaraan de gemiddelde belastingadviseur, die zich in de regel veel meer op zijn gemak voelt bij het materiële belastingrecht, de vingers maar beter niet aan kan branden. Maar daarover straks meer.

Van aangiftemedewerker naar advocaat Nefkens begon zijn fiscale loopbaan met een diploma van de Arnhemse heao op zak. Daarmee was hij als ­aangiftemedewerker welkom bij BDO Camps Obers in ­Geleen, een plaats die onder Limburgers bekend staat als ‘de Waereldsjtad’. Voor een Hollander – voor de goede orde: dat is alles wat van boven Roermond komt – was dat even wennen. Zo werd hij eens gevraagd om mee te gaan naar een bespreking en daarvan een verslag te ­maken. Het resultaat: een volstrekt blanco vel papier. De bespreking had namelijk zoals gewoonlijk in het ­Limburgs plaatsgevonden, en daarbij mist een Hollander in de regel de ondertiteling. Men kon er achteraf wel – een beetje – om lachen. Nefkens heeft er in ieder geval Limburgse vrienden aan overgehouden. Maar na in het zuiden de nodige aangiftes te hebben verzorgd, bedacht Nefkens dat hij wel wat meer in zijn mars had dan dat, en begon hij in zijn eigen tijd aan een studie fiscaal recht in Tilburg. Dankzij dat diploma was hij welkom op het wetenschappelijk bureau van wat inmiddels kortweg BDO was gaan heten, in Tilburg. Na daar bijna tien jaar te hebben gewerkt, maakte hij de overstap naar de advocatuur in zijn thuishaven Nijmegen. Dat kon, want hij had inmiddels ‘civiel effect’ behaald, waarmee wordt bedoeld dat iemands juridische opleiding zo is ­samengesteld dat deze toegang verschaft tot de toga­ beroepen, waaronder de advocatuur. Met de stage­ verklaring op zak begon hij enkele jaren zijn eigen fiscale advocatenkantoor. Benn; dus.

Ander type mens? Een mooie vraag om mee te beginnen is of advocaten in het algemeen, en fiscale advocaten in het bijzonder, een ander type mens zijn dan belastingadviseurs. Nefkens wil duidelijk niemand voor het hoofd stoten, en kiest zijn woorden daarom zorgvuldig: een belastingadviseur is in zijn ogen meer een persoon die in de regel bovenal oplossingsgericht bezig is. Een fiscaal adviseur wikt, weegt en dealt om uiteindelijk tot een voor alle partijen acceptabele oplossing te komen. Een advocaat is daarentegen veel meer gericht op het innemen van – zoals

‘Ik zie regelmatig dat er grote bedragen blijven liggen, die de fiscus met betrekkelijk weinig inspanning zou kunnen binnenhalen’

Nefkens het verwoordt – ‘de maximale positie’. Dat zou kunnen komen doordat een fiscalist met zowel cliënt als inspecteur en ontvanger een duurrelatie heeft; volgende week kom je elkaar weer tegen! Het optreden van een advocaat blijft voor een cliënt daarentegen vaak beperkt tot een eenmalige gebeurtenis. Al kent ook de fiscaal ­advocaat zijn habitués.

Visie op tegenstander Nefkens zit niet verlegen om spraakmakende quotes: ‘Bezuinigen op de Belastingdienst en het Openbaar ­Ministerie? Dat is gekkenwerk.’ Hij vervolgt: ‘Ik zie in mijn praktijk regelmatig dat er grote bedragen blijven liggen, die de fiscus met betrekkelijk weinig inspanning zou kunnen binnenhalen. Maar het gebeurt niet of in ­ieder geval niet vaak genoeg. En waar raak je de plegers van vermogensdelicten? Heel simpel: in de porte­ monnee natuurlijk. Als de overheid meer geld in de Belastingdienst – en in het verlengde daarvan het OM – zou investeren dan nu het geval is, zou dat lonen. Voorwaarde daarvoor is wel dat die organisaties veel meer dan nu bedrijfsmatig worden geleid. Waarbij het recente rapport over het OM van de commissie-Fokkens laat zien wat daar nu net niet onder moet worden verstaan.’ En nogmaals: de investering zou zichzelf dik ­terugbetalen, meent Nefkens. Al moet worden bedacht dat de aanwezigheid van meer fiscale speurneuzen voor een advocaat bepaald niet verkeerd hoeft uit te pakken.

Werkzaamheden In zijn dagelijkse werkzaamheden houdt Nefkens zich zoals gezegd vooral bezig met invorderingszaken – vooral aansprakelijkstellingen – en fiscaal gerelateerde strafzaken. Daarbij gaat het vaak om groot geld. Toch is ­procederen geen doel op zich. Het is duur, geeft onzekerheid en duurt meestal lang. ‘Liever een schikking dan een langdurige en kostbare procedure is een begrijpelijk uitgangspunt,’ vindt hij. En wat betreft de impact van een strafzaak: daar wordt niet alleen door ondernemers, maar ook – en dat is eigenlijk veel erger – door de gemiddelde belastingadviseur vaak veel te licht over gedacht. De straffen zijn de laatste jaren behoorlijk gestegen, je bent meestal jaren bezig en zelfs al stap je als winnaar de rechtszaal uit, het kan een behoorlijke impact op je ­leven hebben (gehad). Al helemaal als er publiciteit is ­geweest. Dat is geen reden om de strijd bij voorbaat op te geven, maar goed nadenken over waar je eigenlijk mee bezig bent kan nooit kwaad!

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

39


Het kantoor

n n n

Adviseur in de rechtszaal

‘Al wordt er onzin geroepen, het kan je toch op een idee of tot een ander inzicht brengen’

Nefkens is niet zo’n voorstander van procederende belastingadviseurs. In meerderlei opzicht. Zelfs in een gewone fiscale procedure kan naar zijn mening vaak een veel beter resultaat worden bereikt door op te treden in teamverband: de fiscalist voor de fiscale inhoud, de ­advocaat die de wijze van procederen bepaalt. Daaronder valt allereerst, aldus Nefkens, ‘stellig, duidelijk en overtuigend schrijven’. Verder rekent hij daartoe het strategisch ­denken in een procedure: waar wil ik het wel over ­hebben, en waar kan ik beter van wegblijven? Welke in een beroepschrift gekozen weg levert mij, en dus de ­cliënt, bij de minste inspanning het best haalbare resultaat op? Zaken waar veel fiscalisten minder ervaring mee hebben; ze gaan vaak rechtopstaand op hun fiscale gelijk de discussie aan, maar verliezen daarbij soms de feiten uit het oog en gaan daardoor het procedurele graf in. Als we het niet meer hebben over de enkelvoudige ­belasting, maar over boetes en/of de positie van de ­adviseur zelf, is Nefkens nog duidelijker. De adviseur moet de procedure aan iemand anders overdragen als hij het ­belang van zijn cliënt, om welke reden dan ook, niet meer optimaal kan dienen. En weet dat de belangen van een (voormalig) cliënt en die van de adviseur op enig moment lijnrecht tegenover elkaar kunnen komen te staan. Dat komt mede, of misschien zelfs vooral doordat veel adviseurs te klantgericht zijn en daardoor soms ­onvoldoende oog hebben voor hun eigen positie. Daardoor hebben ze vaak te laat door waar het echte gevaar zit: bij de klant! En natuurlijk geldt ook hier de oude wijsheid: ‘A man who is his own lawyer has a fool for a client.’

Kennisvak Wat verkopen een fiscaal advocaat en een belasting­ adviseur? Kennis, meer niet eigenlijk. Nefkens gelooft dan ook heilig in blijvend studeren. Verouderde kennis zou strafbaar moeten zijn. Een van de manieren om je kennis nog beter eigen te maken is in zijn ogen erover doceren en erover schrijven. Nefkens: ‘Soms gebeurt het dat ik, wanneer ik ergens over sta te vertellen, door een vraag of opmerking uit de groep het gevoel krijg dat ik het vanuit meer invalshoeken kan doorgronden. Op zo’n moment kom je nog verder boven de stof te staan. En als je met die doorleefde kennis aan de slag gaat, kun je daadwerkelijk produceren, en niet enkel reproduceren.’ Wat dat betreft gelooft Nefkens ook heilig in collegiaal overleg, zoals in de specialistengroep formeel recht waarvan hij zoals gezegd voorzitter is. Ook bij hem op kantoor doen ze veel aan intervisie, en tijdens de wekelijkse vaktechnische bijeenkomsten gaat het er fanatiek aan toe. ‘Waarbij het willen winnen van de discussie een van mijn drijfveren is,’ zegt hij met een vileine grijns. In dat verband roemt Nefkens ook de waarde van gezamenlijk brainstormen: ‘Al is hetgeen wordt geroepen onzin, je kunt er toch door op een idee of tot een ander inzicht worden gebracht.’ Een gedachte om uzelf mee te ­troosten als de collega’s het tijdens het wekelijkse fiscale literatuuruurtje weer eens erg bont maken!   <<<

40

Het Register | juni 2019 | nummer 3


HET

Verenigingsnieuws Strategisch plan 2019-2022

Nieuw strategisch plan voor het RB Het strategisch plan van het RB voor de komende jaren kenmerkt zich door een expliciet gekozen startpunt: de blik naar buiten. Wat zijn belangrijke, toekomstige ontwikkelingen op technologisch vlak, op de arbeidsmarkt en binnen het fiscale domein? Die ontwikkelingen zijn bepalend voor het vak en voor de manier waarop de RB in de toekomst zijn of haar vak uitoefent. En daaruit volgt dan weer de wijze waarop de vereniging zich moet mani­ festeren. Cruciaal is het proactief behartigen van de belangen van de leden in het politiek-bestuurlijk krachtenveld en in samenwerking met collega-­ belangenorganisaties. De afgelopen maanden is er hard gewerkt aan een nieuw strategisch plan waar we als RB de komende jaren mee vooruit kunnen. In de afgelopen edities van Het Register heeft u kunnen lezen welke stappen er zijn gezet en waarom bepaalde keuzes worden gemaakt. Tijdens de Algemene Ledenvergadering op 21 juni – en dat is daags na het verschijnen van dit nummer – wordt het strategisch plan ter stemming voorgelegd. Een aantal ­onderdelen lichten we er graag alvast voor u uit.

Technologische ontwikkelingen

■■ het nodig is om op basis van een ­hel­dere begripsafbakening op verenigingsniveau na te denken over de ­consequenties van big data voor de praktijk, voor het werk van verschillende typen RB’s; ■■ er meer aandacht moet zijn voor het op de juiste manier managen en invullen van de contacten met een – steeds beter geïnformeerde en mondiger – klant; ■■ de vereniging moet bepalen welke ­belangenbehartiging voor en dienst­ verlening aan de leden op het vlak van technologie moeten worden ontwikkeld en geïmplementeerd.

Ontwikkelingen rond arbeidsmarkt, opleiding en beroep Technologische ontwikkelingen hebben uiteraard ook een maatschappelijke impact. Maar los daarvan zijn er ook sociaalmaatschappelijke trends te onderscheiden die van invloed zijn op onze veranderende wereld. Niet te missen zijn de naderende vergrijzing en de opkomst van de millen­ nials, maar ook de effecten daarvan op de arbeidsmarkt.

De RB van de toekomst Voor de RB van de toekomst betekenen deze ontwikkelingen dat: ■■ het RB ‘het vijfde kantoor’ moet worden; werken voor het mkb is net zo interessant als werken voor ‘the big four’. Het vertellen van het verhaal, laten zien hoe die praktijk er uitziet is een taak voor het RB in samenwerking met de kan­ toren; ■■ er in de opleiding en de PE veel meer ruimte moet komen voor technologische ontwikkelingen en soft skills, maar ook voor de toepassing van kennis;

De wereld om ons heen verandert snel. Zeker als het gaat om technologie. De veelheid van ontwikkelingen die op ons afkomt wordt vaak aangeduid als ‘de ­vierde industriële revolutie’. Dat zegt niet alleen iets over het belang en de omvang ervan, maar vooral iets over de impact. De Nederlandse kenniseconomie, ons ondernemersklimaat en een ‘open mind’ bieden een vruchtbare bodem voor het meegaan met de technologische ontwikkelingen die zich aandienen en het maken van een vertaling daarvan naar bedrijven, organisaties en particulieren.

De RB van de toekomst Voor de RB van de toekomst betekenen deze ontwikkelingen dat: ■■ het belangrijk is te definiëren wat onder big data wordt verstaan; RB’s én technologische deskundigen en dataexperts moeten daarin gezamenlijk optrekken;

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

41


HET

Verenigingsnieuws Toekomstbestendig beroep/strategisch plan 2019-2022

Visiegroep Vereniging 3.0 Deze visiegroep richt zich op verenigingsmanagement in de breedste zin van het woord: van bestuur tot bureau, van de rol van de ALV tot de inzet van communities en de ‘what’s in it for me’ vraag van de leden. Deze groep wordt geïnitieerd vanuit bestuur en directie, maar gedurende het proces worden er ook leden bij ­betrokken.

Visiegroep Vernieuwing belastingstelsel Een nieuw belastingstelsel moet niet alleen aansluiten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de techno­ logie, maar vooral ook op de RB-adviespraktijk. Vanuit dit perspectief gaat deze visiegroep zich bezighouden met het formuleren van elementaire uitgangspunten voor een nieuw stelsel. In deze groep gaan leden en wetenschappers aan de slag met specifieke zaken die het mkb raken en komen met een voorstel voor belastingherziening.

Visiegroep RB 2030 Deze visiegroep geeft, in de vorm van scenario’s, antwoord op de vraag hoe de RB’s hun vak in de toekomst (moeten) invullen. De visiegroep neemt ook de manier waarop klanten naar de (toekomstige) belastingadviseur kijken mee in dit traject. In deze groep nemen leden en ondernemers de verwachte impact van tax technology en de houdbaarheid van het huidige verdienmodel onder de loep.

■■ de vereniging het voortouw moet nemen in het verder doordenken van het verschil tussen de generalistische en specialistische RB’s van de toekomst en de consequenties daarvan voor PE en de RB Academy; ■■ de vereniging moet bepalen welke belangenbehartiging voor en dienst­ verlening aan de leden op het vlak van arbeidsmarkt en opleidingen moeten worden ontwikkeld en geïmplementeerd.

42

Het Register | juni 2019 | nummer 3

Visiegroep Technologische innovatie Deze visiegroep richt zich op diverse technologische thema’s, waaronder big data. Nadere definiëring daarvan is een eerste, belangrijke stap. Vervolgens is het nadenken over de consequenties van big data voor de praktijk en voor het werk van verschillende typen RB’s aan de orde. Deze groep start naar verwachting in 2020.

Visiegroep Kwaliteit Deze visiegroep zal de kwaliteits­ discussie – in eerste instantie met de leden – op gang brengen. Deze discussie moet uitmonden in een beroepsprofiel, gebaseerd op kennis, ervaring en klantwaarden (wat verwacht de markt?). Deze groep start naar verwachting in 2020.

Visiegroep Arbeidsmarkt en kennisontwikkeling Deze visiegroep houdt zich bezig met het in kaart brengen van de veranderende arbeidsmarkt en de kennis die nodig is om daarop te acteren. Daarnaast vragen de inhoud van PE, het curriculum van RB College en RB Academy alsook de voorwaarden die nieuwe generaties stellen, de nodige aandacht. Deze groep start naar verwachting in 2020.

Fiscale ontwikkelingen Ook op fiscaal gebied spelen er volop ­zaken waar we als beroepsvereniging op in kunnen (en moeten) spelen. Denk aan een voorgenomen herziening van ons ­belastingstelsel, de opkomst van een ­zogenoemde platformeconomie, de vraag of het beroep van belastingadviseur moet worden gereguleerd, de toekomst van ­Horizontaal Toezicht en een toenemende wetgeving gericht op de praktijk- en bedrijfsvoering van de belastingadviseur.

De RB van de toekomst Voor de RB van de toekomst betekenen deze ontwikkelingen dat: ■■ de vereniging, in afstemming met onder meer leden, wetenschappers e.d., een rol moet spelen als het gaat om inhoudelijke en strategische beïnvloeding rond het nieuwe belastingstelsel; ■■ het RB een breder informatieaanbod en meer implementatieondersteuning gaat aanbieden; daarbij is het van groot belang scherp in beeld te krijgen wat grote, c.q. kleine kantoren nodig hebben; ■■ de vereniging in haar belangenbehartiging de beroepspraktijk van de RB’s en daaraan gelieerde mkb-issues centraal stelt.

De RB van de toekomst en een daarbij passende vereniging De geschetste ontwikkelingen op technologisch vlak, met betrekking tot de arbeidsmarkt, opleiding en beroep en op het gebied van (fiscale) wetgeving hebben, ­zoals u hierboven heeft kunnen lezen, gevolgen voor (de praktijk van) de RB en voor de vereniging. De uitdagingen waarmee de RB van de toekomst te maken krijgt, zijn dus de leidraad voor de koers van de vereniging. Dat betekent dat in de komende jaren diverse thema’s verder moeten worden verkend en uitgediept. Daarvoor zijn niet alleen de kennis en expertise van het bestuur en het bureau vereist, maar worden ook leden, externe deskundigen en relevante stakeholders ingezet. Dit proces krijgt, gedurende de looptijd van het strategisch plan 2019-2022, vorm via visiegroepen. Elke visiegroep is multidisciplinair samengesteld en gaat aan het werk met een duidelijke opdracht vanuit het bestuur. De resultaten worden intensief besproken binnen de vereniging en vervolgens verder uitgewerkt in de jaarplannen die het bureau opstelt.

Wilt u meer lezen over het strategisch plan 2019-2022? Neem dan een kijkje op RB-plaza/ Ledeninformatie/Strategie. Hier vindt u alle relevante informatie.


Toekomstbestendig beroep

De campagnes ‘Beste ondernemer’ en ‘Beste student’ Vorig jaar heeft u al kunnen lezen over de campagne ‘Beste ondernemer’. In 2019 g ­ even wij hier een vervolg op. De afgelopen maanden zijn er verschillende klant­cases ­uitgewerkt. Diverse fiscale vraagstukken zijn behandeld, zoals bedrijfsoverdracht, bedrijfsherstructurering en overstappen naar een andere rechtsvorm. De verhalen worden verteld door echte RB’s met hun ondernemer. Net als vorig jaar worden de verhalen gedeeld op social media. We zetten hiervoor de volgende kanalen in: LinkedIn, Facebook, Instagram, YouTube en ­Twitter. Daarnaast wordt de campagne ondersteund door GoogleAds. Op deze manier ­worden ondernemers gericht benaderd met ondernemersverhalen en ondernemersvraagstukken. Vanuit de campagne komen de ondernemers op de website rbvoorondernemers.nl, waar zij meer informatie vinden. Door gebruik van de module ‘Vind een RB’ vinden zij een RB bij hen in de buurt. Op deze manier versterken wij het RB-merk. Anders dit jaar is dat niet alleen ondernemers worden benaderd, maar ook studenten. Dezelfde verhalen, maar dan gericht op studenten onder de naam ‘Beste student’. De ­fis­cale inhoud wordt meer uitgediept en verteld vanuit de positie van de RB. Op deze manier maakt de student niet alleen kennis met de inhoud, maar ziet hij ook hoe het is om te werken in de mkb-­ adviespraktijk. n Kijk op rbvoorondernemers.nl en rbvoorstudenten.nl voor meer informatie.

Lees- & kijktip: digitaal jaarverslag 2018 Bij het RB zijn we volop bezig met het toekomstbestendig maken van het beroep van de belastingadviseur. Belangrijk is daarbij om de kwaliteit onverminderd hoog te houden. Want natuurlijk verdienen alle klanten een integer en pragmatisch adviseur met uitgebreide fiscale kennis en ervaring, en gevoel voor ondernemerschap. Wat hebben we hier vorig jaar allemaal voor gedaan? Dat leest u terug in ons digitale jaarverslag over 2018. Dit verslag, te vinden op rb.nl, geeft u uitgebreid inzicht in het reilen en zeilen van uw beroepsvereniging. Welke onderverdelingen in leden zien we? Met welke instanties zijn we in gesprek op het gebied van belangenbehartiging en wat kunt u van ons verwachten op dit vlak? Hoe zien de vernieuwde opleidingen RB Academy en RB College eruit en hoe worden ze tot nu toe beoordeeld? Hoe vaak wordt er deelgenomen aan PE-cursussen en wat hebben we zoal aangeboden in 2018? Wat doen we voor onze jongere leden en voor fiscaal studenten die nog studeren voor belastingadviseur? Hoe dragen we bij aan de profilering van de RB en wat kunt u doen? Dit is zomaar een greep uit de informatie die het jaarverslag

biedt. U leest er ook hoe RB-voorzitter Fons Overwater ­terugblikt op het afgelopen jaar en vooruitblikt naar de ­toekomst. n Lees verder op jaarverslag2018.rb.nl.

Heeft u Tax-jobs.nl al gevonden? Is uw kantoor op zoek naar jong fiscaal talent? Neem dan vooral een kijkje op Tax-jobs.nl, dé online vacaturebank waar werkgevers en fiscaal jong talent elkaar kunnen vinden. U kunt zelf vacatures plaatsen, maar ook zoeken in de ­opgeslagen studentenprofielen. Bij uitstek is dit het moment om uw kantoor onder de aandacht te brengen. Er komen ­namelijk veel afgestudeerde fiscalisten op de markt en ­daarnaast zoeken veel studenten een stage voor september. n Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via tax-jobs@rb.nl of bel naar (0345) 54 70 00.

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

43


HET

Verenigingsnieuws Opleiden

De opleidingen RB College en RB Academy De afgelopen tijd hebben wij u bijgepraat over de nieuwe opleidingen van het RB, te weten RB College en RB Academy. Deze opleidingen draaien om flexibiliteit, learning on the job, interactie en tijds- en plaatsonafhankelijk leren, en ­sluiten nauw aan op de mkb-adviespraktijk. Het geeft jong talent de kans om zowel kennis als vaardigheden naar een hoger niveau te tillen. En daar profiteert de werkgever weer direct van in de dagelijkse praktijk. In september gaan de opleidingen weer van start. Heeft u of uw werkgever jong talent in dienst? Hier zetten wij de mogelijkheden nogmaals op een rij.

RB College: de opleiding die een stevige fiscale basis legt op hbo-niveau

RB Academy: de beroepsopleiding voor belastingadviseurs in het mkb

Heeft u mensen in dienst met basiskennis boekhouden en enthousiasme voor het vak van belastingadviseur? En die hun kennis en kunde graag willen vergroten? Dan is RB College uitermate geschikt voor hen! In deze opleiding wordt een stevige fiscale basis gelegd richting het beroep van belastingadviseur. Na afronding is men in staat om zelfstandig fiscale vraagstukken te behandelen en advieskansen te signaleren. Tevens is dit de perfecte basis om door te stromen naar de RB Academy. Meer informatie over de opleiding vindt u op de website rbcollege.nl.

De RB Academy is de ideale vervolgopleiding voor de net afgestudeerde fiscale young professional (0-5 jaar werkervaring). Het is de enige fiscale beroepsopleiding voor het mkb die de vertaalslag maakt van de collegebanken naar de praktijk. Deze twee of driejarige opleiding helpt jonge belastingadviseurs op eigentijdse en praktijkgerichte wijze om hun vaardigheden naar een hoger niveau te tillen. In de RB Academy volgen studenten vakken als advies- en schrijfvaardigheden, debatteren en argumenteren. Procesvoering is een onderdeel, net als commerciĂŤle vaardigheden en onderhandelen. Uiteraard worden deze onderdelen aangevuld met fiscale verdiepingsvakken. Alles wat ze leren kan direct in de praktijk worden toegepast. Na afronding mogen ze de RB-titel voeren. Meer informatie over de opleiding vindt u op de website rbacademy.nl.

De nieuwe groepen van RB College en RB Academy starten in september. Aanmelden kan via de website. Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via rbopleidingen@rb.nl of (0345) 74 70 00.

44

Het Register | juni 2019 | nummer 3


ANTWOORD

VRAAG

Vragen op RB-plaza

Kan ik een door een vof verhuurd pand naar privé halen? Mijn klanten, een echtpaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, drijven hun onderneming in de vorm van een man-vrouwfirma (winstverdeling van 50/50). De vof heeft meer dan tien jaar geleden een pand laten bouwen. Nadat het eerst zakelijk in eigen gebruik is geweest, is het na een half jaar volledig verhuurd aan derden. Man en vrouw zijn beiden inmiddels de AOW-leeftijd gepasseerd. Het idee was de onderneming langzaam te laten eindigen, maar de onderneming is het afgelopen jaar zelfs nog gegroeid, en dat geldt ook voor de winst uit onderneming. Daardoor worden ook de huur­ inkomsten belast tegen een hoger tarief in box 1. Mijn klanten zouden het pand graag willen aanhouden, met de huur­ inkomsten als een appeltje voor de dorst. Belastingheffing in box 3 zou veel voordeliger zijn dan heffing in box 1. Is het mogelijk om het pand naar box 3 te halen?

Allereerst verwijs ik u naar een arrest van 29 augustus 1997.1 Daarin overwoog de Hoge Raad dat een onder­ nemer, wanneer hij het gebruik voor de onderneming van een tot zijn ondernemingsvermogen behorend gebouw beëindigt en het gebouw geheel of nagenoeg geheel be­ stemt tot verhuur, dat gebouw ook in volgende jaren mag rekenen tot zijn ondernemingsvermogen. Kortom, uit het arrest maak ik op dat door de aanpassing van de bestem­ ming naar verhuur sprake is van keuzevermogen. In de door u voorgelegde casus is het pand ook na de aanvang van de verhuur door uw klanten gerekend tot het onder­ nemingsvermogen en is daar ook in de relatie met de fiscus – denk aan aangiften en onherroepelijke aanslagen – voor gekozen. Aangezien uw klanten het pand dus tot het ondernemingsvermogen mochten rekenen, is op de gemaakte keuze niet meer terug te komen via een beroep op de foutenleer. Voorts kan naar mijn mening ook niet zonder een bij­ zondere omstandigheid later vrijwillig op die keuze worden teruggekomen. Ik wijs u in het kader van de keuze­herziening ook op onze notitie over vermogens­ etikettering in de inkomstenbelasting die u op RB-plaza kunt vinden.2 In die notitie vindt u de volgende situaties waarin sprake kan zijn van een bijzondere omstandigheid die een keuzeherziening rechtvaardigt:

In deze rubriek worden veelgestelde vragen op RB-plaza behandeld. Als RB-lid kunt u op RB-plaza discussiëren met andere leden over uw fiscale praktijk. Leden helpen leden. U bereikt RB-plaza door in te loggen op uw account. Daarnaast is er de helpdesk van Bureau Vaktechniek. Onze fiscalisten helpen u met name door collegiaal te overleggen, te ‘klankborden’ en eventueel door te verwijzen naar specialisten.

■■ bij een wetswijziging waardoor de fiscale behandeling van het vermogensbestanddeel zodanig wijzigt dat de belastingplichtige onder de nieuwe regeling tot een andere keuze zou zijn gekomen; ■■ bij een ingrijpende wijziging in de aard van het gebruik, alsmede bij een wijziging in de verhouding tussen zake­ lijk en privégebruik van het vermogensbestanddeel; ■■ bij een wijziging van eerdere jurisprudentie door het ‘omgaan’ van de Hoge Raad. Vervult het pand geen functie meer in de onderneming, dan moet het worden overgebracht naar het privéver­ mogen. Dat is alleen anders als de ondernemer het ver­ mogensbestanddeel aanhoudt tot een geschikt moment van verkoop. In dat geval blijft het tot het ondernemings­ vermogen behoren. Geen van de genoemde situaties doet zich in uw geval voor. Ik kom dan ook tot de conclusie dat uw klanten het pand niet naar privé kunnen overbrengen. Noten 1 Hoge Raad 29 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2251 2 https://www.rb-plaza.nl/storage/app/media/Notities/ Notitie%20-%20Vermogensetikettering%20in%20de% 20inkomstenbelasting.pdf

Mr. P.H.J. Furer RB Bureau Vaktechniek

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

45


HET

Verenigingsnieuws Vakinformatie

Nader onderzoek geboden bij twijfel over aangeleverde gegevens

Tuchtrechtspraak bij het RB Een RB dient de gegevens die een klant aanlevert marginaal te toetsen op juistheid en volledigheid. Bij twijfel moet hij nader onderzoek (laten) instellen. Dit volgt uit art. 7, tweede lid van het Reglement Beroepsuitoefening (RBU) van het Register Belastingadviseurs. Wanneer is een RB nu gehouden zelfstandig nader onderzoek te (laten) doen?

Op 2 december 2015 overlijdt de vader van klaagster. In zijn testament benoemt hij zijn echtgenote tot executeur. Erf­ genamen zijn diezelfde echtgenote, plus de beide broers van klaagster. Laatstgenoemde krijgt een bedrag in contanten, gelijk aan haar legitieme portie, gelegateerd. De executeur verstrekt de RB opdracht tot het opstellen van de aangifte erfbelasting van de erflater. In een gesprek met de RB merkt klaagster op dat in de voorlopige vermogensopstelling een deel van de kunstcollectie ontbreekt. Volgens haar gaat het hierbij in ieder geval om drie Eschers en diverse werken van Corneille. De RB informeert daarop bij de executeur of alle gegevens voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap zijn verstrekt. Hierbij merkt hij op dat hij erop moet kunnen vertrouwen dat de aangeleverde gegevens juist en volledig zijn en dat op het onjuist indienen van een aangifte sancties staan. De executeur stuurt vervolgens diverse stukken toe, waaronder een taxatie van de inboedel. Hier staat één Escher op en worden ‘enkele schilderijen’ vermeld. Om te voorkomen dat de inspec-

Het is onaanvaard­ baar dat een belasting­ aangifte wordt ingediend waarvan een RB weet of moet begrijpen dat deze onjuist, dan wel onvolledig is teur een boete oplegt wegens het te laat doen van aangifte, wordt de aangifte erfbelasting ingediend op basis van de voorlopige vermogensopstelling die destijds met klaagster is besproken.

Geen onderzoek gedaan Klaagster verwijt de RB onder meer geen onderzoek te hebben ingesteld naar de omvang en werkelijke waarde van de nalatenschap, ondanks dat daarvoor aanwijzingen waren. De Raad acht deze klacht gegrond. Klaagster had immers eerder bij de RB aangegeven dat volgens haar tot de boedel

mede behoorden drie Eschers en werken van Corneille. Nu deze op de taxatielijst niet stonden vermeld, behoorde het tot de taak van de RB om de executeur daarover kritisch te bevragen. Door dit niet te doen is hij bij het opstellen van de boedelbeschrijving op dit onderdeel te lijdelijk gebleven. De RB hoort immers zorg te dragen voor het doen van een juiste aangifte erfbelasting en voor het bepalen van de omvang van de legitieme portie van klaagster. De Raad noemt het onaanvaardbaar dat een belastingaangifte wordt ingediend waarvan een RB weet of moet begrijpen dat deze onjuist, dan wel onvolledig is, zonder dat daarbij uiterlijk voorafgaand overleg heeft plaatsgevonden met de bevoegde inspecteur. Een RB is bovendien gehouden van dat overleg nauwkeurig aantekening te houden of, nog beter, dit schriftelijk aan de inspecteur en de cliënt te bevestigen. Mede op grond hiervan legt de Raad de RB de maatregel op van schorsing voor de duur van twee maanden.

Bron: Raad van Tucht 26 februari 2019 nr. 802-2018, www.rb.nl/ over-rb/tucht-en-beroep

Door: Mr. A.T.P. Nefkens RB

Beroepsregels RB In het Reglement Beroepsuitoefening van het RB staan diverse beroepsregels, waaraan RB-leden zich moeten houden. In het Verenigingsnieuws belichten we telkens één van deze beroepsregels. Ook komt daarbij aan bod hoe de Raad van Tucht en (eventueel) de Raad van Beroep deze regel uitleggen. De tuchtrechtspraak van het RB heeft als doel het weren en beteugelen van (1) misslagen van leden in de uitoefening van hun beroep, (2) inbreuken op de statuten, reglementen en besluiten van het RB en (3) aantasting van de eer en de waardigheid van het beroep (artikel 22, lid 3 van de statuten van het RB).

46

Het Register | juni 2019 | nummer 3


Jong RB Opleidingen Jong RB is een professioneel netwerk voor jonge leden (tot en met 35 jaar) van het Register Belastingadviseurs. Er worden jaarlijks diverse bijeenkomsten georganiseerd waarbij het accent ligt op de fiscale actualiteit en je persoonlijke ontwikkeling. Ook is er volop gelegenheid om te netwerken met andere jonge belastingadviseurs.

Jong RB-bijeenkomst: de winstadviseur Hoe word je nou een echte ‘winstadviseur’ en help je ­ondernemers winst te maken? De financiële sector ­ondergaat grote veranderingen. Cloud software, robotic ­accounting en andere ontwikkelingen nemen een groot deel over van het werk van fiscalisten, accountants en ­boekhouders. Wil je als professional in de nabije toekomst relevant blijven voor je klanten, dan moet je waarde toe­ voegen en werken aan de nieuwe invulling van jouw rol. Femke Hogema liet ons begrijpelijk en helder zien waar de uitdagingen én kansen liggen. Zo bood ze concrete oplos­ singen en gaf ze praktische handvatten voor de adviseur die op een andere manier toegevoegde waarde aan de ondernemer wil leveren. Uit de evaluatie (gemiddeld evaluatiecijfer 8): ■■ Anders dan anders, maar wel toekomstgericht. Leuke open en goede presentatie. ■■ De cursus gaf genoeg handvatten/tips waar je in de praktijk gelijk iets mee kunt. ■■ Het is goed om ook eens niet-vaktechnische onderwerpen te belichten.

Jong RB najaarsprogramma Ook in het najaar van 2019 organiseert de RB Jongerencommissie een tweetal praktische Jong RB-bijeenkomsten. De eerste, ergens in september/oktober, gaat over het vakinhoudelijk thema ‘fusie & splitsing’. Het thema van de tweede bijeenkomst, rond november/december, is nog niet definitief vastgesteld. Maar houd de website in de gaten, want ook deze bijeenkomst belooft weer een interessante interactieve en leerzame training te worden die je zeker niet wilt missen!

Zet je in voor de jongeren! We zijn nog steeds op zoek naar een enthousiast commissielid. Ben je een betrokken en ambitieus iemand die graag ­actief zijn/haar steentje bijdraagt aan de profilering van Jong RB? Ben je zelfverzekerd en kun je je ideeën goed onder­bouwen en overbrengen? Dan willen we jou er graag bij hebben! Interesse? Stuur dan een mail naar jongrb@rb.nl.

Even voorstellen

“Ik ben Çiğdem Alkiliç, 26 jaar en sinds april 2019 lid van de RB Jongerencommissie. Graag stel ik me bij deze aan jullie voor. Ik heb mijn bachelor en master opleiding Fiscale Economie in Tilburg afgerond en werk sinds twee jaar bij Govers Accountants/Adviseurs in Eindhoven. Ik draag graag mijn steentje bij aan de ontwikkeling en betrokkenheid van jongere fiscalisten bij het RB en geef graag gehoor aan de mening van deze groep jongeren. Enthousiast ben ik begonnen aan dit RB-avontuur en ik heb vertrouwen in een waardevolle voortzetting. Hopelijk tot ziens bij de ­bijeenkomsten.”

ALS JE HET OVER ZEKERHEID HEBT

kendallmason.nl BEL 035 - 694 21 95

Hogehilweg 15 1101 CB Amsterdam

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

47


HET

Verenigingsnieuws Vakinformatie | Model onder de aandacht

Wet Arbeidsmarkt in Balans (1):

‘Oproep nieuwe stijl’ Het RB heeft samen met Bol Juristen een databank met juridische modelovereenkomsten ontwikkeld, toegespitst op het privaatrecht. RB-leden kunnen de juridische modellen gebruiken in de fiscale adviespraktijk. In elk nummer van Het Register lichten we een model voor u toe of behandelen we een actualiteit of een voor uw adviespraktijk interessant aspect uit een model. Het arbeidsrechtelijk speelveld wordt met de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB), naar verwachting per 1 januari 2020 opnieuw gewijzigd. De wetgever besteedt net als in de Wet werk en zekerheid (WWZ) veel aandacht aan de positie van flexwerkers. Hij blijft van mening dat deze groep werknemers een betere inkomenspositie en meer werkzekerheid verdienen. De WWZ lijkt deze doelstellingen namelijk niet te hebben waargemaakt en dus is het nu aan de WAB om de positie van flexwerkers een nieuwe ‘boost’ geven. In deze bijdrage behandelen we de belangrijkste wijzigingen voor oproepkrachten die werken op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht, de zogenoemde 0-uren afspraak.

Minimaal vier dagen Een werknemer moet straks, tenzij de cao anders bepaalt, minimaal vier dagen voor de start van de werkzaamheden worden opgeroepen, zodat een werknemer niet voortdurend beschikbaar hoeft te zijn. Roept de werkgever binnen een kortere termijn op, dan is de werknemer niet verplicht om daar gehoor aan te geven. Oproepen, intrekken of wijzigen van een oproep moet in alle gevallen schriftelijk of elektronisch. Op de loonstrook wordt voortaan vermeld dat sprake is van een oproepkracht. Trekt de werkgever de oproep korter dan vier dagen voor de start van de werkzaamheden in of worden de tijdstippen van de oproep gewijzigd, dan blijft loon verschuldigd over de uren waarvoor de werknemer is opgeroepen. Een voorbeeld: de werkgever roept minimaal vier dagen van tevoren op om te werken van 9 tot 13 uur. Twee dagen voor aanvang wijzigt hij de oproep in 13 tot 17 uur. Hoewel niet verplicht, geeft de werknemer toch gehoor aan de oproep. Die heeft dan recht op loon over acht uren, namelijk van 9 tot 17 uur.

Vastklikmoment De werkgever moet jaarlijks, nadat de oproepovereenkomst 12 maanden heeft voortgeduurd, de werknemer een aanbod doen voor vaste uren (‘vastklikmoment’). Dit kan in de vorm van een tijdelijk of vast contract. De aangeboden uren zijn gelijk aan de uren die de werknemer in de 12 voorafgaande maanden gemiddeld werkzaam is geweest. Ook als het aanbod uitblijft ontstaat recht op loon over deze gemiddelde arbeidsomvang. Dit is alleen anders als de werknemer geen prijs stelt op een vaste-urenafspraak.

48

Het Register | juni 2019 | nummer 3

Aandachtspunten Na de inwerkingtreding van de WAB, maar ook in de aanloopfase naar deze nieuwe wetgeving, kan een werkgever bij het aangaan van nieuwe, of bij het verlengen van bestaande oproepovereenkomsten de volgende aandachtspunten in overweging nemen: ■■ Is sprake van een tijdelijke oproepovereenkomst, overweeg dan een beëindiging, als geen urengarantie kan worden aangeboden. Zorg daarbij altijd voor tijdige aanzegging. ■■ Sluit nieuwe oproepovereenkomsten alleen af voor een periode korter dan 12 maanden, zodat op de einddatum (nog) geen vast aantal uren hoeft te worden aangeboden. ■■ Beoordeel de voors en tegens van een maand- of jaaruren­ model; mogelijk biedt dit model wel de gewenste flexibiliteit. Bij zo’n model staat het totaal aantal uren vast en krijgt de werknemer dus recht op een vast loon per maand. Er bestaat echter flexibiliteit ten aanzien van dagen en momenten waarop de uren moeten worden ingevuld. ■■ Overweeg of het werken met uitzendkrachten of zzp’ers een ­beter alternatief is. ■■ Het rechtsvermoeden ten aanzien van de omvang van de arbeid blijft ook onder de WAB bestaan. ■■ Ook min-maxcontracten worden voortaan aangemerkt als ­oproepovereenkomst, omdat ook daarin de arbeidsomvang niet eenduidig is vastgelegd. ■■ In elk geval zijn wij van mening dat ‘niets doen’ voor een werkgever geen optie is. Lees voor meer uitleg en tips de voetnoten bij het gewijzigde RB-model Arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht. Herziening van deze modelovereenkomst zal plaatsvinden zodra er meer zekerheid is over de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Door: Mr. Renate Baken Bol Juristen

U vindt de juridische modellenbank op ­RB-plaza. Bij korte vragen over het gebruik van of de behoefte aan uitleg over de ­juridische modellen kunt u gratis gebruikmaken van de Juridische Helpdesk van Bol Juristen. Zij zijn bereikbaar per e-mail via ­juristen@boljuristen.nl of telefonisch op 088-1211211.


Opleiden | PE Uitgelicht

PE uitgelicht PE-programma najaar 2019 Het PE-programma najaar 2019 begint langzaam maar zeker vorm te krijgen. In september staat het grootste gedeelte van het programma online op RB-plaza. Houd de site echter goed in de gaten, want ook nu worden er al cursussen beschikbaar gesteld. En aangezien de aanmeldingen voor ons cursusaanbod in het najaar meestal snel binnenstromen, doet u er goed aan snel uw plek te reserveren.

Theorie opleiding Financiële planning Dit voorjaar konden we weer van start met twee nieuwe groepen. De docenten hebben de deelnemers de verschillende disciplines van financiële planning bijgebracht, zodat ze die kunnen toepassen in de adviespraktijk. Na deze succesvolle bijeenkomsten en een uitgebreide en positieve evaluatie (8,4 gemiddeld) start het RB ook dit najaar weer met een of twee groepen. Heeft u interesse in financiële planning en wilt u uw kennis over dit onderwerp verdiepen? Kijk dan op RB-plaza voor de data en beschikbaarheid van de najaarsgroepen.

Vaardigheden Inhoudelijke kennis is ontzettend belangrijk, maar zonder vaardigheden is een functie als adviseur lastig uit te voeren. Volg daarom naast fiscale cursussen ook enkele van onze vaardigheidscursussen. Dit najaar staat een zestal onderwerpen op de agenda, namelijk: ■■ Adviesvaardigheden 2.0 ■■ Snellezen ■■ Time management met Outlook ■■ DISC gedragsstijlen ■■ LinkedIn & online personal branding ■■ Onderhandelingstechnieken

Masterclasses Uitsluitend toegankelijk voor de RB organiseren we ­jaarlijks een aantal masterclasses, om flink te kunnen verdiepen in bepaalde onderwerpen. Dit najaar staan de volgende masterclasses gepland: ■■ Fiscale aspecten van bedrijfsopvolging ■■ Aanmerkelijk belang en nieuwe mogelijkheden ondernemingsrecht ■■ Onzakelijke leningen in Vpb en IB ■■ Fusies en splitsingen ■■ De liquidatieverliesregeling in de deelnemings­ vrijstelling

Nieuw dit najaar

Naast de vertrouwde cursussen proberen we ook elk jaar weer nieuwe onderwerpen aan te bieden. Op basis van ideeën die u bij het RB heeft aangedragen of specifieke onderwerpen die veel in het nieuws komen, stellen diverse professionals uit het werkveld een nieuwe cursus samen. Ook dit najaar hebben we weer een vijftal mooie onder­ werpen: ■■ Werken met Box 3 – verdieping ■■ Bedrijfsopvolging in de bv-sfeer ■■ Earningstripping en cfc maatregelen ■■ Houdstervennootschap / btw ■■ Belastingrente: wanneer gaat de teller lopen? Zorg dat u regelmatig RB-plaza bezoekt voor het nieuwste cursusaanbod en reserveer uw plek voordat uw cursus(sen) naar wens vol zit(ten)!

Schrijf u nu online in Voldoende aanbod, voor elk wat wils. En inschrijven is al mogelijk. Ga daarom snel naar RB-plaza en zoek naar een cursus die aansluit op uw interesses. Wacht daar niet te lang mee, want zoals gezegd, sommige cursussen zitten snel vol.

Een advies over de toekomst geeft u niet met de kennis van gisteren.

juni 2019 | nummer 3 | Het Register

49


HET

Verenigingsnieuws Boeken

Fiscaal Actueel - ATAD1

Fiscale Monografieën Douanerecht

Auteurs: mr. G.C. van der Burgt, prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis en L.S. Rijff LLM Uitgever: Wolters Kluwer ISBN: 9789013153637 Prijs: € 52,51

Auteur: Mr. D.G. van Vliet Uitgever: Wolters Kluwer ISBN: 9789013153705 Prijs: € 89,95 Praktisch nut 8 Wetenschappelijk niveau 7 Actualiteit 9 Leesbaarheid 8 Presentatie 7 Prijs-kwaliteitverhouding 7 Bedoel voor: specialist

Praktisch nut 8 Wetenschappelijk niveau 8 Actualiteit 9 Leesbaarheid 8 Presentatie 8 Prijs-kwaliteit-verhouding 8 Bedoeld voor: praktijkfiscalisten

De regelgeving rond de in- en uitvoer van goederen is voor de Dit boek geeft een uitgebreid overzicht van de drie nieuwe regemeeste fiscalisten een ver-van-mijn-bed-show. Het houdt voor de lingen die in de Nederlandse belastingwetten werden geïntrodumeesten wel op bij een artikel 23-beschikking. Toch is met de ceerd met de komst van de eerste EU-antibelastingontwijkingsBrexit op komst de in- en uitvoer van goederen een stuk belangrichtlijn, ATAD1. Het boek gaat eerst in op de nieuwe regeling in rijker geworden. Om invoerheffingen in het Verenigd Koninkrijk of de vennootschapsbelasting betreffende de zogenoemde controlNederland te voorkomen, is het belangrijk om de handelsstromen led foreign company (CFC). Deze regeling wordt toegelicht met op de juiste wijze te laten verlopen. Het uitgeven van een boek ­diverse voorbeelden en een inzicht in de parlementaire geschieover douanerecht komt dan ook op het juiste moment. denis. Vervolgens zet het boek de earningsstrippingbepaling ­uiteen, de algemene renteaftrekmaatregel in de vennootschapsIn deze Fiscale Monografie leidt de auteur de lezer door het belasting. Ook deze wordt toegelicht aan de hand van concrete Douane Wetboek van de Unie. Hierbij verwijst hij naar relevante voorbeelden en een inzicht in de achtergrond en totstandkoming. internationale verdragen en bronnen en jurisprudentie. Het boek De derde nieuwe regeling die wordt behandeld, is een nieuwe is vooral opgezet als leer- en studieboek. Het kan ook prima dieuitstelregeling in de Invorderingswet 1990 die van toepassing is nen als informatiebron. Voor de fiscalist die (kort) wil kennismaop de exitheffing in de vennootschapsbelasting. ken met het douanerecht, is het boek wat minder geschikt; het Dit boek is zeker een goede investering, omdat het op een heldere boek kent namelijk bijna 600 blz. Het is dan ook lastig om met en complete manier de drie nieuwe regelingen uiteenzet. Omdat behulp van dit boek in een kort tijdsbestek de grote lijnen van het enkel ingaat op deze drie regelingen is het wel een specifiek het douanerecht te doorgronden. Het boek is echter wel uiter­ boek, waarin deze regelingen uitgebreid worden toegelicht. Mede mate geschikt om op één (klein) onderdeel van het douanerecht door de prettige schrijfstijl en goede voorbeelden biedt het een in te zoomen. Al met al een boek met name voor de adviseur die toegankelijk inzicht in deze ingewikkelde materie. Het boek kan over douanerechten wil adviseren. niet fungeren als compleet overzicht, maar kan door de overzichtelijkheid zeker prima In de boekenrubriek geven ervaEindoordeel: n n n n dienen als naslagwerk inzake de nieuw inren ­vak­mensen op persoonlijke gevoerde regels als gevolg van ATAD1. Blijft titel hun mening over recent Door: mr. drs. Martin Klomp RB en mr. Lucas het natuurlijk wel de vraag of iedere fiscalist ­verschenen (fiscale) boeken: Blom AA RB dit boek in de kast moet hebben. Vele fiscan Twee beoordelaars recenseren listen zullen niet of nauwelijks met de nieuwe een boek. regelingen te maken krijgen. Maar voor n Zij kennen cijfers toe voor ­diegenen die niet tot die categorie behoren, ­bijvoorbeeld ­leesbaarheid, is het boek eigenlijk een must-have. ­actualiteit en niveau. Eindoordeel: n n n n Door: mr. Sebastian van Wijk RB en mr. Susanne Willems RB

50

Het Register | juni 2019 | nummer 3

De recensenten geven een ­eindoordeel: Aanrader Goed Redelijk Matig Afrader

n n n n n

n n n n■ n n n n n■ n■


Zet de eerste stap richting een fiscale carrière RB College. Dé fiscale praktijkopleiding op hbo-niveau

Lijkt het beroep van belastingadviseur in het mkb je wat? Meld je dan aan voor het RB College. Deze opleiding op hbo-niveau bereidt je in twee jaar voor op de fiscale adviespraktijk. Je leert de verschillende belastingwetten interpreteren en de samenhang zien. Na de opleiding kun je doorstromen in de RB Academy en de gewilde RB-titel behalen. Zet nu volgende stap in jouw carrière en kijk op rbcollege.nl.

Profile for Register Belastingadviseurs

Het Register 2019 nr. 3 - De schandpaal opgepoetst: moet de belastingadviseur hangen?  

Het Register 2019 nr. 3 - De schandpaal opgepoetst: moet de belastingadviseur hangen?  

Advertisement