Page 1

het

Register Vakblad van het Register Belastingadviseurs maart 2010 | eerste jaargang | nummer 3

Schenk- en erfbelasting: wat te doen?

Boffen met de BOF Fiscale behandeling van APV’s per 1 januari 2010 Pensioen: waar gaan we naartoe?


de

Inhoud

n n n

Colofon Het Register

Vaktijdschrift van het Register Belastingadviseurs (RB); koepelorganisatie van het College Belastingadviseurs (CB) en de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (NFB), ­ uitgegeven door Reed Business bv.

Het Register Belastingadviseurs

Brenkmanweg 6, 4105 DH CULEMBORG tel.: (0345) 54 70 00

Redactieadres

Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD AMSTERDAM Coördinatie bureauredactie Ivonne Hartendorp tel.: (020) 515 93 19 e-mail: ivonne.hartendorp@reedbusiness.nl

Redactieraad

Mr. D.J. (Dick) de Korte FB (hoofdredacteur) Mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk FB CB Mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks CB FB Mr. W.J.M. (Wil) Vennix FB Prof. mr. dr. G.J.M.E. (Guido) de Bont

Uitgever

Drs. H.E. (Heleen) Kooistra Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD AMSTERDAM

Verenigingsnieuws

Register Belastingadviseurs Afdeling Communicatie Brenkmanweg 6 4105 DH CULEMBORG

8

Schenk- en erfbelasting: wat te doen? Fiscaal

12

Tijd voor reflectie & bezinning Interview met de ereleden Geppaart en Scheffers

Nieuwsrubriek en Jurisprudentie Deze rubrieken staan onder redactie van Licent Academy

Advertenties

Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD AMSTERDAM Advertentieverkoop Rolf Mul tel.: (020) 515 96 40 e-mail: rolf.mul@reedbusiness.nl Jeroen van Doleweerd tel.: (06) 10 55 51 99 e-mail: jeroen.van.doleweerd@reedbusiness.nl

Abonnementen en lezersservice

Reed Business bv Afdeling Customer Contact Postbus 808, 7000 BA DOETINCHEM tel.: (0314) 35 83 58 e-mail: customercontact@reedbusiness.nl www.elsevierfiscaal.nl

Abonnementsprijzen

De redactie

n

4

Nieuws - zaken - mensen

n

5

n

11

n

18

n

23

In de praktijk – compliance officer Hans Evers

n

28

Jurisprudentie en wetgeving

n

31

Pensioen: waar gaan we naartoe? Fiscaal

n

36

Het Verenigingsnieuws

n

Mogens kom terug (en help ons) Column

Boffen met de BOF Fiscaal

Prijs jaarabonnement: € 157,20 ex btw (6%) Prijs los nummer: € 19,85 ex btw (6%) Leden NFB en CB ontvangen Het Register gratis uit hoofde van hun lidmaatschap.

Fiscale behandeling APV's per 1 januari 2010

Basisvormgeving

Fiscaal

VerheulCommunicatie.com, Alphen aan den Rijn © Register Belastingadviseurs Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Register Belastingadviseurs. Op alle aanbiedingen, offertes en overeenkomsten van Reed Business bv zijn van toepassing de voorwaarden welke zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam. ‘Het Register’ bevat informatie die met de meeste zorgvuldigheid is samengesteld. Het Register Belastingadviseurs/ Reed Business bv en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijke gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

Accountants willen te snel melden

41

maart 2010 | nummer 3 | het Register

3


de

Redactie

Gemeenteraadsverkiezingen en lokale heffingen Zoals u heeft kunnen vaststellen hebben op 3 maart 2010 de gemeenteraadsverkiezingen plaatsgevonden. Als het goed is heeft u ook gebruikgemaakt van uw democratisch recht om te gaan stemmen. De gemeentelijke politiek heeft niet ieders belangstelling. Dit neemt niet weg dat gemeen­ telijke vraagstukken nu meer aandacht verdienen dan anders. Als gevolg van landelijke ­politieke besluitvorming wordt er de komende jaren fors bezuinigd. Gemeenten kunnen aanzienlijk lagere bedragen tegemoet zien. Veel gemeenten staan nu voor het dilemma ook te gaan bezuinigen of de gemeentelijke lasten te gaan verhogen. Verhoging van de gemeen­ telijke belastingen lijkt onvermijdelijk. Ook ligt enige vorm van inkomenspolitiek op de loer; vertaald door het verruimen van de mogelijkheden tot kwijtschelding. Daarnaast is er enige aandrang te bespeuren ook mee te doen aan de modegril van de ver­ groening. Er wordt al gesproken over een gedifferentieerd tarief voor de onroerendezaak­ belasting (ozb), afhankelijk van een energielabel of het energieverbruik. U zult zich misschien afvragen wat u als belastingadviseur te maken heeft met deze gang van zaken. In dat kader wil ik uw aandacht vragen voor de rechtsbescherming inzake de ­gemeentelijke belastingen. Hoewel de gemeentelijke heffingen niet direct tot het domein van de belastingadviseur behoren, verdienen deze nu meer aandacht dan voorheen. Het gaat dan vooral over de totstandkoming van de aanslagen en de afhandeling van de bezwaarschriften. Bij het opleggen van de ozb-aanslagen en de afhandeling van de bezwaarschriften is de ge­ dachte dat dit zo min mogelijk mag kosten. Ditresulteert in wel erg globale taxaties. Gaat iemand daartegen in bezwaar, wordt hij niet gehoord. Hij krijgt dan de mededeling dat men deskundig heeft getaxeerd en er geen reden is anders te beslissen. Vaak blijkt dat de echte doorzetters in de beroepsfase moeten ervaren dat van de naar voren gebrachte grieven ­eigenlijk nooit echt werk is gemaakt. Gelet op het gegeven dat de bewijslast van de taxa­ tiewaarde bij de heffende instantie – de gemeente dus – ligt, mag toch een zorg­vuldiger ­benadering worden verwacht. Veel gemeenten zijn op zoek naar compenserende inkomsten en het is niet ondenkbaar dat de weerstand tegen de lokale heffingen zal toenemen. Dit leidt waarschijnlijk tot een toename van bezwaar- en beroepschriften. Dat valt vooral bij de ozb te verwachten, omdat in de beleving van veel woningbezitters er nu alle reden is voor lagere ozb-aanslagen vanwege de verslechterende woningmarkt. Het lijkt me dat de ozb een aandachtsgebied voor de belastingadviseur moet w ­ orden opdat de rechtzoekende contribuabelen op behoorlijke wijze ­worden bijgestaan. n

Mr. Dick de Korte FB Hoofdredacteur Het Register

4

het Register | maart 2010 | nummer 3


HET

Nieuws - zaken - mensen

n n n

Financiering in de familiesfeer Demissionair minister van Financiën heeft in zijn vorige functie als staatssecretaris gereageerd op een brief van Nexia Nederland B.V. van 25 november 2009 met betrekking tot fiscale knelpunten bij het verstrekken van leningen in de ‘familiesfeer’ aan ondernemers in het mkb. In die brief merkt Nexia op dat mkb-bedrijven, waaronder ook zeer gezonde bedrijven, grote moeite hebben kredietfaciliteiten bij de banken te verkrijgen. De Belastingdienst zou volgens Nexia een stringent beleid voeren ten aanzien van eventuele afwaardering van de lening bij insolventie van de debiteur. De staatssecretaris gaf aan dat geldleningen in de familiesfeer, afhankelijk van de overeengekomen voorwaarden, zoals de hoogte van de rente, niet per definitie onzakelijk zijn. Tegelijk merkt hij op dat hij geen concrete criteria kan aangeven waaronder een geldlening zou kunnen worden afgewaardeerd. In alle gevallen is het mogelijk om in een vroegtijdig stadium in overleg met de inspecteur te treden en de zakelijkheid van de lening aan de orde te stellen. n

Brief ministerie van Financiën aan de Tweede Kamer, 22 februari 2010, DGB/2010/86 U

Fiscale mediation in opkomst

Belastingdienst trekt lering uit acties Nationale ombudsman Jaarlijks komt de Nationale ombudsman naar aanleiding van een paar duizend klachten over de Belastingdienst in actie. Vaak wordt samen met de Belastingdienst een snelle oplossing gevonden. Welke verbeteringen noodzakelijk zijn staat in het rapport ‘De Belastingdienst: lessen uit de praktijk van de Nationale ombudsman’. De ombudsman, Alex Brenninkmeijer, constateert dat de Belastingdienst ­investeert in goede klachtbehandeling. Het aantal klachten over de Belastingdienst is de afgelopen jaren gedaald. Dat is te lezen in het rapport, dat directeur-­generaal P ­ eter Veld dinsdag uit handen van Brenninkmeijer ontving. Op jaar­basis leidt 0,03 % van het totale aantal ­verzonden beschikkingen tot een klacht. Brenninkmeijer hoopt dat het rapport bijdraagt aan de ingezette ver­beteringen. In 2010 beoordeelt hij opnieuw of dat de B ­ elastingdienst ook is gelukt. n

Op donderdag 21 januari 2010 vond in Amsterdam een seminar plaats van de Vereniging van Fiscale Mediators (VFM) over de toekomst van fiscale conflictoplossing. Hierbij was ook een aantal bij mediation betrokken functionarissen van de ­Belastingdienst aanwezig. Doel van het seminar was om kennis en ervaring uit te wisselen en samenwerking te bevorderen.

Gering belang Fiscale mediation is in feite alleen nog maar van betekenis in zaken met een relatief gering belang. Van alle mediations (enkele honderden per jaar) is in 50% van de gevallen het belang kleiner dan € 5000 en in slechts 10% is het belang groter dan € 25.000. Zowel belastingplichtigen, adviseurs als medewerkers van de Belastingdienst zijn verdeeld over de toepassingsmogelijkheden van mediation in de fiscaliteit. Tijdens het seminar kwamen deze aspecten uitgebreid aan de orde. In een gezamenlijke inleiding getiteld ‘Van gladpraten naar gladstrijken?’ schetsten mr. Th. Groeneveld en dr. E. Poelmann een historisch perspectief van de samenwerking tussen belastingdienst en adviseurs in het kader van fiscale geschilbeslechting. Na korte inleidingen werd in groepen gediscussieerd over de mogelijkheden en moeilijkheden van de inzet van mediation­(vaardigheden) in het fiscale werkveld. Een van de belangrijkste ontwikkelingen in het kader van fiscale conflictoplossing is de introductie van horizontaal toezicht. Een grote meerderheid van de aanwezigen was van mening dat mediation daarbij een prominente rol moet spelen. De stelling dat alle conve­na ­ nten een mediationclausule moet bevatten kon op grote b ­ ijval rekenen.

Nieuwsbericht van het ministerie van Financiën, 2 februari 2010

maart 2010 | nummer 3 | het Register

5


HET

Nieuws - zaken - mensen Accountmanagers Belastingdienst bieden hulp met innovatiebox Wie vragen heeft over de toepassing van de innovatiebox kan rechtstreeks terecht bij een aantal accountmanagers van de Belastingdienst. Dat maakte demissionair minister De Jager van Fin­an­ ciën bekend op de Big Improvement Day op 19 januari in Amsterdam. De innovatiebox is per 1 januari 2010 ingevoerd om innovatief onderzoek door ondernemers fiscaal te stimuleren. Door de maatregel wordt winst behaald door ­onderzoek en ­ontwikkeling nog maar voor 5% in plaats van 25,5% vennootschapsbelasting belast. Alle w ­ insten behaald met innovatieve activiteiten ­vallen onder dit lage tarief. Verliezen blijven aftrekbaar tegen het reguliere tarief van 25,5%. Elke Belastingdienstregio heeft een account­ manager die vragen van de ondernemers over ­bijvoorbeeld het toerekenen van de winst aan de innovatiebox, de ingebrachte bedrijfsmiddelen kan beantwoorden. Daarnaast kan de Belastingdienst aan individuele ondernemers zekerheid geven over de toepassing van de innovatiebox. Een lijst met contactpersonen per regio, met naam en telefoonnummer, is te downloaden. www.belastingdienst.nl/download/2444.html

Passieve meldingsplicht Wwft? De recente ontwikkelingen inzake reikwijdte van de meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties zorgen voor onduidelijkheid. Onder de voorloper van de Wwft, de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) was bepaald dat een adviseur die diensten verleende, een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie diende te melden. In dit kader heeft het ­College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb, de beroepsinstantie voor dit soort zaken) in zijn uitspraak van 23 november 2009 geoordeeld dat indien een adviseur kennis heeft van een ongebruikelijke transactie, zoals belastingontduiking, die heeft plaatsgevonden vóór zijn betrokkenheid als adviseur, hij daarvoor geen meldingsplicht heeft. Er is, met andere woorden, volgens het CBb geen ‘passieve meldingsplicht’. Zie over deze uitspraak het artikel van prof. G. de Bont in het Het Register 2010 1/2. Een belang­ rijke uitspraak, die door voormalig minister van ­Financiën werd gerelativeerd in zijn antwoord op ­vragen van de toezichthouder BFT (Bureau Financieel Toezicht). Directe aanleiding voor de vragen van BFT over de reikwijdte van de meldingsplicht vormde de uitspraak van het CBb. De voormalige minister liet in zijn antwoord weten dat onder de (nieuwe) Wwft in een dergelijk ­geval wel zal moeten worden gemeld. In de Wwft ontbreekt het woordje ‘daarbij’ en gaat het er – volgens de voormalige minister – simpelweg om of een adviseur kennis heeft van een ongebruikelijke transactie. Dus, volgens de v ­ oormalige minister is er wel een ‘passieve meldingsplicht’, althans onder de Wwft. De vraag of de dienstverlening van de adviseur wel of niet een faciliterende rol heeft g ­ espeeld bij de transactie is volgens voormalig minister niet relevant. In een aangekondigde wetswijziging zal volgens de voormalige minister hierover meer duidelijkheid volgen. Adviseurs die twijfelen of zij in een bepaald geval moeten melden, weten zich intussen gesteund door de uit­latingen van de voormalige minister indien zij ervoor kiezen wel te melden. Mocht over de juistheid van deze melding achteraf toch discussie komen, dan ligt het voor de hand dat zo nodig de civielrechtelijke vrijwaring van ­artikel 20 van de Wwft kan worden ingeroepen. n College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23 november 2009, LJN: BK4209 Brief van voormalig minister van Financiën aan het Bureau Financieel Toezicht van 21 januari 2010, gepubliceerd op www.bureauft.nl

6

het Register | maart 2010 | nummer 3


n n n

Fiscaalrechtelijke oordeelsvorming Op donderdag 28 januari 2010 vond in het Koninklijk Instituut voor de Tropen het symposium ‘Het springende punt. Reflecties op fiscaalrechtelijke oordeelsvorming’ plaats. Het was de vierde in een serie ontmoetingen ­onder auspiciën van het Platform Belastingrechtspraak, waar professionals uit de fiscale rechtspraak (rechters, inspecteurs, belastingadviseurs) elkaar op een infor­ mele manier treffen. Inleiders waren mr. dr. H. Gommer ­(Fysiologische aspecten van rechterlijke oordeels­ vorming), prof. dr. A.O. Lubbers (Fiscale rechtsvinding) en mr. J.J. Kluft en mr. W.A. Ruiter (Praktijkbeoefening en fiscale rechtsvinding). Congresvoorzitter was mr. C.B. Bavinck, raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden. In zijn openingswoord waarschuwde Bavinck voor een mogelijk gevolg van de eventuele uitvoering van de aan­bevelingen in het rapport Hammerstein. De commissie-Hammerstein heeft in haar rapport ‘Versterking van de cassatierechtspraak’ uit februari 2008 voorstellen gedaan voor ‘selectie aan de poort’ bij beroep in cassatie. De Hoge Raad kan het beroep in cassatie dan niet-ontvankelijk verklaren als de aangevoerde klachten (a) niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling en (b) vanuit het belang van rechtsbescherming en het bewaken van de kwaliteit van de rechtspraak van onvoldoende gewicht worden beoordeeld voor een behandeling in cassatie. Het ministerie van Justitie heeft in het voetspoor van de commissie daartoe een wetsvoorstel in voorbereiding. Volgens Bavinck kan een toetsing vooraf van (belasting)zaken die voor de Hoge Raad mogen worden gevoerd, in zijn ogen slecht zijn voor de rechtsontwikkeling, als dat zou betekenen dat de

Hoge Raad zou gaan ‘bezuinigen’ op het aantal zaken. Gommer liet in zijn bijdrage zien hoe biologische ­processen een rol spelen bij fiscaalrechtelijke oordeelsvorming. Bijvoorbeeld: het ontvangen van een be­ lasting­aanslag veroorzaakt fysieke emotie (men wordt witheet, dan loopt men rood aan); dan komt de verwoording (‘zijn ze nu helemaal gek geworden?’); de fiscalist evalueert vervolgens de aanslag (door bijvoorbeeld de wet erop na te slaan). Fiscale procedures roepen emoties op en de conclusie is dat vanuit biologisch oogpunt schikken beter is dan procederen, omdat dit in het algemeen in een ‘beter gevoel’ resulteert bij beide partijen.

De rol van de belastingrechter Prof. Lubbers vervolgde met een uiteenzetting van de rol van de rechterlijke macht aan de hand van uitspraken en publicaties. Hij analyseerde de rol van de rechter in geval van onduidelijke, onredelijke of juridisch onvolkomen wetgeving. In dat geval moet de rechter volgens Lubbers alarmeren, maar terughoudend zijn en reparatie aan de wetgever overlaten. Bij strijd met mensenrechtelijke beginselen (bijvoorbeeld discriminatie) in wettelijke bepalingen kan de rechter wel repareren. Bij strijdigheid met de Grondwet kan de rechter volgens Lubbers niet veel doen, vanwege het grondwettelijke verbod om wetten te toetsen aan de Grondwet. Is er sprake van juridische onvolkomenheden, zoals gebrekkige formuleringen, kenbare vergissingen of het ontbreken van definities, dan kan de rechter repareren, maar dient daarbij dicht bij de tekst te blijven. Een uitwerking van de bijdrage van Lubbers is te vinden in het Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht van februari 2010.

maart 2010 | nummer 3 | het Register

7


Successiewet

n n n

Schenk- en erfbelasting: wat te doen? De wijzigingen van de Successiewet 1956 per 1 januari 2010 hebben als gevolg dat het speelveld voor de adviseur wijzigt. Een overzicht van aandachtspunten voor de mkb-adviseur in verband met de wijzigingen in de Successiewet.

Tarieven en vrijstellingen

Johan van den Belt Mr. J.F.H. van den Belt is verbonden aan Rabobank ­Private Banking Randmeren in ­Nijkerk en werk­ zaam als docent bij opleidings­ instituten.

8

Door de aanpassingen van tarieven, regelingen en ­vrijstellingen zal het estate plan heroverwogen moeten worden. Een aantal aandachtspunten: n Bij veel nalatenschappen die worden belast in tarief­ groep I is de omvang zodanig dat de vererving maxi­ maal belast wordt tegen een tarief van 10%. Het fisca­ le schenkingsprogramma kan dan beperkt b ­ lijven tot de vrijstellingen. n In het testament kan de vrijstelling van € 19.000 voor de kleinkinderen worden benut. Daarbij is ook van be­ lang dat in oude testamenten kleinkinderen soms het maximaal vrijgestelde bedrag wordt gelegateerd. Bij een toename van het aantal kleinkinderen en een door de kredietcrisis dalend vermogen kan de verho­ ging van de vrijstelling er echter soms ook toe leiden dat de kinderen daardoor effectief geheel of gedeelte­ lijk worden onterft en een beroep op hun legitieme portie moeten doen om zelf ook nog enig vermogen uit de nalatenschap te verkrijgen. n Het benutten van de verhoogde vrijstelling van het kind in het kader van de aankoop van de eigen woning of een dure studie. Let daarbij op het overgangsrecht dat de mogelijkheid geeft (€ 26.000 extra vrijstelling) voor kinderen die de eenmalige vrijstelling al voor 1 januari 2010 hebben gehad. Daarbij is van belang te weten dat het benutten van de € 24.000 vrijstelling vanaf 1 januari 2010 de mogelijkheid blokkeert om in een volgend jaar nog gebruik te m ­ aken van de € 50.000 c.q. € 26.000 vrijstelling bij verwerving van een eigen woning. Dit kan een reden zijn om het kind niet meer op 18 jaar het bedrag van € 24.000 te schen­ ken, maar te wachten op het moment waarop een kind een eigen woning verwerft c.q. een dure studie gaat doen om zo het bedrag van € 50.000 te benutten. Van belang is wel te onderkennen dat gebruikmaking van de extra faciliteit in het kader van de aankoop van de eigen woning ervoor zorgt dat het bedrag van de eigenwoningschuld voor de inkomstenbelasting wordt verlaagd met het bedrag van de in dit kader ontvangen schenking.

het Register | maart 2010 | nummer 3

n

 erlaging van het bedrag dat aan derden (waaronder V kleinkinderen) belastingvrij kan worden geschonken tot € 2000. Indien kleinkinderen uit het oogpunt van tariefsbesparing ook een erfdeel hebben gekregen, is het van belang na te gaan of er nog voordeel is nu klein­ kinderen respectievelijk 18% en 36% betalen over de verkrijging boven de vrijstelling. ‘Ik opa’-testamenten moeten ook vanuit dat perspectief heroverwogen worden.

Partnerregeling Doordat de Successiewet maximaal één partner toestaat, moeten de volgende groepen zich opnieuw oriënteren. n Meerrelaties. Voorbeeld: vier broers (leeftijd 60-70 jaar) wonen van kinds af aan al bij elkaar. Door de aanpassing van het partnerregime kan bij overlijden van de oudste broer geen van de broers kwalificeren als partner, omdat indien meerdere personen kwalificeren als partner, geen van de broers kwalificeert als partner. Dat bete­ kent voor de broers ieder afzonderlijk tariefgroep II en een vrijstelling van € 2000. n Gehuwden zijn automatisch fiscaal partner. Dit bete­ kent ook dat indien iemand gehuwd is maar met een ander samenwoont, deze nieuwe partner – zolang het huwelijk nog duurt van de ander – niet diens fiscale partner voor de Successiewet kan worden. n Bloedverwanten in de rechte lijn kwalificeren niet voor partner tenzij er sprake is van het mantelzorg­ compliment over het jaar voor verkrijging. Kijk dan ook bij s­ amenwonende bloedverwanten in de rechte lijn of het aanvragen van het mantelzorgcompliment op basis van de Wet WMO een jaarlijks actiepunt zou kunnen zijn. Verder is van belang dat dankzij een amendement een notarieel samenlevingscontract alleen nodig is indien de relatie minder dan vijf kalenderjaren heeft voldaan aan de overige voorwaarden van de partnerregeling. Het is van belang te weten dat het daarbij niet meer van belang is of er is gekozen voor fiscaal partnerschap in de inkomsten­ belasting.


n n n

Rente Bij een flexibele renteclausule dient de rente vastgesteld te worden binnen de aangiftetermijn (acht maanden ­vermeerderd met eventueel verleend uitstel). Rente die wordt overeengekomen na die termijn zal leiden tot schenkbelasting. Indien de renteclausule een boven­ matige rente (meer dan 6% samengesteld) bevat, zal het meerdere bij het overlijden van de langstlevende als (fictieve) erfrechtelijke verkrijging worden belast. Daarbij is thans ook van belang te bezien of de testamen­ taire renteclausules de benodigde flexibiliteit bieden.

Afgezonderd particulier Vermogen (APV) Voor een APV (zoals een trust, familiestichting of Antilli­ aanse SPF) is een nieuwe regeling geïntroduceerd. Met ingang van 2010 wordt het vermogen toegerekend aan de inbrenger of diens erfgenamen voor de inkomstenbelas­ ting. Wanneer degene overlijdt aan wie het vermogen wordt toegerekend, wordt dit vermogen bij zijn of haar erfgenamen belast als een erfrechtelijke verkrijging. Bij uitkeringen uit de APV kan er sprake zijn van heffing van schenkbelasting. Daarentegen opent dit nieuwe moge­ lijkheden voor de APV als bewindstructuur.

Recht van overgang is vervallen Voor belastingplichtigen die onder het recht van ­overgang vielen, is het vanuit Nederlands perspectief te overwegen in Nederland gelegen onroerende zaken pas te verkrijgen bij overlijden. De reden is dat indien de on­roerende zaak wordt geschonken bij leven er wel overdrachtsbelasting is verschuldigd, omdat de vrijstel­ ling van overdrachtsbelasting bij onroerende zaken per 1 januari 2010 is vervallen.

Schenking onder opschortende ­voorwaarde

Schenking onder opschortende voorwaarde komt pas tot stand op het moment waarop de voorwaarde in vervul­ ling gaat. Er is geen overgangsrecht, waardoor schenkin­ gen onder de schenkbelasting vallen die er voorheen bui­ ten bleven. Dit betekent huiswerk om na te gaan welke overeenkomsten nu v ­ allen onder de schenkbelasting.

Benut de faciliteit van het ondernemingsvermogen­

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet is met ingang van 2010 vereenvoudigd en verscherpt. Uitgangspunt is bij overdracht van een objectieve onder­ neming een vrijstelling van € 1.000.000 en 83% over het meerdere. Indien een deel van de objectieve onderne­ ming wordt overgedragen, wordt de vrijstelling van € 1.000.000 pro rata verlaagd. Van belang daarbij is met name te onderzoeken wat ­kwalificeert als ondernemingsvermogen. Uitgangspunt daarbij is dat kwalificeert: a. Een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan.

b. Een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelas­ ting 2001, of een gedeelte daarvan voor zover dit een medegerechtigdheid betreft die een rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de erflater of schenker gedreven onderneming als bedoeld in ­artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de medegerechtigdheid wordt verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is van de onder­ neming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft, dan wel enig aandeelhouder is van een ven­ nootschap die reeds een zodanig beherend vennoot is. c. Vermogensbestanddelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a, of een medegerech­ tigdheid houdt als bedoeld in onderdeel b, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aange­ merkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan bedoelde onderneming of medegerechtigdheid, en het beleg­ gingsvermogen van dat lichaam tot maximaal 5 per­ cent van de ingevolge onder 1° toegerekende waarde. d. Onroerende zaken die bij de erflater of schenker be­ hoorden tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze dienstbaar zijn aan de onderneming van een lichaam als bedoeld in onderdeel c, en de verkrijger tegelijker­ tijd vermogensbestanddelen als bedoeld in onderdeel c, verkrijgt die op dat lichaam betrekking hebben. Voor preferente aandelen geldt een specifieke regeling, waarbij uitgangspunt is dat deze onder voorwaarden

maart 2010 | nummer 3 | het Register

9


Successiewet

n n n

a­ lleen kwalificeren als deze een omzetting vormen in het kader van bedrijfsoverdracht en de verkrijger van de preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is van gewone ­aandelen in de vennootschap. Belangen ontstaan door vererving of huwelijksver­ mogensrecht van 0,5% tot 5% kunnen onder specifieke voorwaarden soms ook kwalificeren als ondernemings­ vermogen. Verder is de leeftijdsgrens van de schenker vervallen, waardoor de schenker ook op jongere leeftijd gebruik kan maken van de faciliteit.

Aanmerkelijk belang, overlijden en beleggingsvermogen Door het vervallen van de doorschuivingsfaciliteit voor aanmerkelijk belang bij overlijden voor het beleggings­ vermogen in de bv moet door de cumulatieve druk van erfbelasting en aanmerkelijkbelangheffing bezien wor­ den of de liquiditeit c.q. financieringscapaciteit toerei­ kend is om de verschuldigde belasting te betalen. Indien dat niet het geval is, moet daar in de beleggingskeuzes ­rekening mee worden gehouden.

Levering woning na overlijden Indien de woning van een erflater bij zijn leven is ver­ kocht en wordt geleverd na overlijden, dan is de waarde­ mutatie onder artikel 11 SW thans belast. Te overwegen is om na te gaan of het voordelig is om bij leven de waarde­ mutatie te verrekenen door het contract te ontbinden.

Vruchtgebruikconstructies De aanpassing van artikel 10 Successiewet zorgt ervoor dat in meer situaties waarbij sprake is van bloot eigen­ dom vruchtgebruik constructies de waardestijging van het overdragen object valt onder artikel 10 SW. Dit speelt onder meer in de volgende situaties: n Ouders hebben bij leven de bloot eigendom van de ­eigen woning overgedragen aan de kinderen. n Ouders hebben in het kader van gesplitste aankoop het vruchtgebruik van een onroerende zaak gekocht en de kinderen de bloot eigendom. n Bij verhuur van de woning door het kind aan de ­ouders (zakelijke huur van belang). n ‘Ik, opa’-testamenten bezien of die door hun redactie op termijn artikel 10 SW problemen kunnen veroor­ zaken. n Turbotestamenten en verdelingen. n Verder is van belang de schuldigerkenning op papier na te kijken. Om de doelstelling daarbij (aftrek van de schuld bij overlijden) te benutten, moet de schuld notarieel zijn vastgelegd. Indien over deze schuldiger­ kenning in enig jaar minder dan de zakelijke rente is betaald, zal het geschonken bedrag alsnog belast worden met erfbelasting wanneer de schenker over­ lijdt. Dit kan voorkomen worden door de niet-betaal­ de rente alsnog te voldoen. Vanaf 2010 bedraagt de ­zakelijke rente volgens de wet 6%. Wanneer voor 2010 een lagere zakelijke rente dan 6% is overeengekomen

10

het Register | maart 2010 | nummer 3

en elk jaar is betaald, zal het bedrag niet meer met ­erfbelasting belast kunnen worden.

Levensverzekeringen Door een aanpassing van artikel 13 Successiewet 1956 zijn overlijdensverzekeringen waarbij een persoon bin­ nen een benoemde familiekring optreedt als verzekeraar, belast met erfbelasting. Indien dergelijke constructies zijn gesloten, is het zaak te bezien of de constructie niet moet worden aangepast c.q. beëindigd gelet op de gewijzigde regelgeving.

Lening Bij een geldlening die geen rente draagt, of een rente draagt die lager is dan het percentage van 6% en welke ­lening rechtens dan wel in feite direct opeisbaar is of dat op enig moment wordt, wordt de schuldeiser vanaf de dag waarop de lening opeisbaar wordt voor de toepassing van deze wet geacht van dag tot dag een vruchtgebruik aan de schuldenaar te hebben geschonken. Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op een geldlening die direct of indirect aan een natuurlijk persoon is verstrekt door een natuurlijk persoon, die daarbij niet handelt in de uit­ oefening van zijn beroep of bedrijf. De aangenomen tekst van artikel 15 van de Successiewet 1956 betreffende renteloze leningen strekt ertoe het voordeel dat iemand geniet uit een renteloze of laagren­ tende, direct opeisbare lening, te belasten met schenk­ belasting. Er is alleen geen sprake van een fictieve schen­ king als een rente van 6% wordt gehanteerd bij leningen die onder artikel 15 vallen. Omdat artikel 15 een fictiebe­ paling is, vindt geen beoordeling plaats of is voldaan is aan het civiele giftbegrip. Bij niet-direct opeisbare geldleningen, die vanwege de rentebepaling (of het ontbreken daarvan) onder het ­civielrechtelijke begrip ‘gift’ vallen (Artikel 1 Successie­ wet 1956), zal de grootte van de schenking in het in­ gangsjaar van de geldlening worden berekend op basis van de vastgestelde of verwachte looptijd. Als de looptijd niet is vastgesteld, gebeurt dit door middel van de levens­ verwachting van de begiftigde. De conclusie is dan ook dat nagegaan moet worden, bij leningen die onder de reikwijdte van artikel 1 of 15 SW kunnen vallen, of de gehanteerde voorwaarden aanlei­ ding kunnen geven tot de heffing van schenkbelasting. Om heffing te voorkomen, is het soms raadzaam de ­voorwaarden aan te passen.

Algemeen nut beogende instelling (ANBI) Indien geld wordt geschonken of nagelaten aan een ANBI, is het van belang om na te gaan of de ANBI in 2010 blijft kwalificeren als ANBI. De instelling moet in 2010 voor ten minste 90% het algemeen nut dienen (dit was 50%), en de bestuurders moeten aan een integriteitseis voldoen. Iedere ANBI heeft van de Belastingdienst een formulier gekregen waarop zij kan bevestigen dat zij aan deze nieuwe eisen voldoet. n


col umn

Mogens kom terug (en help ons) De Deense advocaat en parlementariër Mogens Glistrup (1926-2008) is vooral bekend geworden door de rabiaat anti­ fiscale standpunten die hij als oprichter van de Vooruitgangspartij in het Deense parlement vertolkte. Scandinavische landen waren (en zijn dat wellicht nog steeds, al wil ik daar geen uitspraken over doen) berucht om hun hoge belas­ tingtarieven. Daar schijn je dan wel het nodige voor terug te krijgen, zelfs zonder er om gevraagd te hebben. Glistrup bestreed deze gang van zaken. Hij noemde de inkomstenbelasting een overblijfsel van een stilstaande agrarische ­samenleving. Hij pleitte voor een (geleidelijke) afschaffing van deze belasting door de belastingvrije drempel jaarlijks te verhogen. Binnen zeven jaar zou men dan van deze kwaal verlost zijn. Glistrup slaagde er in om zijn denkbeelden met verve aan de man te brengen. Zo betitelde hij (op de laatste dag dat de Denen hun aangifte in konden sturen, in Nederland zou het 31 maart zijn geweest) belastingfraudeurs als vrijheids­ strijders. En voor het oog van de camera’s vulde hij op zijn eigen aangiftebiljet als inkomen ‘nul’ in. Maar ja, Glistrup was dan ook eigenaar van een van de grootste law firms. Verminderde belastingopbrengsten betekent natuurlijk wel dat de dienstverlening door de overheid afneemt. Er moet dus bezuinigd worden. Glistrup wist wel hoe. Hij stelde voor het ministerie van Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken te vervangen door antwoordapparaten. Ook bij de grens zouden praatpalen moeten komen te staan met de in het Russisch ingesproken boodschap; ‘We geven ons over’. Trouwens, uw Deens is helemaal niet zo slecht als u zelf wellicht denkt, want deze boodschap begrijpt u: ‘In har foreslået, at man erstattede det danske militær med en telefonsvarer, der sagde “Vi overgiver os” på russisk’. Dit alles vanzelfsprekend met dank aan het onvolprezen Wikipedia. Vanzelfsprekend was het gezag not amused. De minister van Financiën beklaagde zich bij de omroep: ze hadden in plaats van deze flauwekul beter (blijkbaar wel nuttig geachte) fiscale voorlichting kunnen uitzenden. Maar zoals dat wel vaker gaat; Glistrups plannen vielen in goede aarde. Want in 1973 kwam hij als nieuwkomer – na een Pim Fortuyn­ achtige overwinning – het Deense parlement binnen met 28 (van de 179) zetels. Zijn boodschap sloeg overduidelijk aan in een land waar – ook voor wie zich niet te buiten pleegt te gaan aan drank – de belastingtarieven de grenzen van het betamelijke ver hadden overschreden. Het is de vraag of we met de in Nederland al bestaande (en waarschijnlijk binnenkort verder op te voeren) fiscale druk de ­genoemde grenzen van het betamelijke niet zijn overstegen. Voorstellen voor tariefsverhogingen, afschaffen van aftrek­ posten en invoering van nieuwe belastingen buitelen in rap tempo over ons heen. Niet dat dat nieuw is. De Engelse diplo­ maat en schrijver William Temple zei in 1673 over Nederland: 'Alles in Holland is belast, behalve de lucht en het water. Als je daar­g­ ebakken vis eet, dan heb je meebetaald aan dertig belastingen'. En als zelfs een linksige econoom als Bas Jacobs toegeeft (De Volkskrant, 25 januari 2010) dat de rijken in Nederland optimaal worden leeggeknepen, dan zijn de grenzen van de hef­ fing toch gevaarlijk dicht benaderd. In hetzelfde artikel noemt Bram Peper – weliswaar in een ander verband – de mogelijkheid van een anti-belastingpartij reëel. Hij kon het wel eens meer bij het rechte eind hebben dan hijzelf ­beseft. Mocht er een hoger toptarief, een afgetopte renteaftrek en een (nog verder) uitgeklede AOW komen dan is Nederland rijp voor een nieuwe Mogens. Ik zou zeggen: Mogens kom terug en help ons! Nu maakte Glistrup de fout (of moet ik zeggen; hij had zich zo gehaat gemaakt bij het gezag dat je wist dat het niet goed zou gaan) om zijn fiscale standpunten in de praktijk te brengen zonder in het parlement over een meerderheid te beschikken. Er volgde een jarenlange procedure waarin hem ­belastingontduiking werd verweten. Ook – of zelfs juist – fiscale procedures kunnen een politiek proces zijn. Na een jarenlang proces werd deze procedure door Glistrup – in stijl – verloren. Hij werd ­veroordeeld tot drie jaar cel en een boete van een miljoen Deense kronen. Ook werd hij uit het ­parlement getrapt. In de bajes werd hij een icoon voor de inmates. Na zijn straf te hebben ­opgeknapt werd hij – weinig verrassend, het uitzitten van een gevangenisstraf lijkt soms een aan­ beveling te zijn voor parlementariërs – herkozen, maar zijn vroegere invloed was hij kwijt. Zijn ­partij ging – opnieuw is de gelijkenis met de LPF groot – ten onder aan intern gekissebis.

Foto: Fotobureau Kastermans

Mr. Sylvester Schenk FB CB Directeur Fiscale en Juridische Zaken bij de GIBO Groep in Arnhem en voorzitter van de Nederlandse Federatie van Belasting­ adviseurs en het Register Belasting­ adviseurs. Sylvester is tevens lid van de redactie van Het Register.

Wat leert deze geschiedenis ons? Dat je een politiek proces op den duur altijd verliest? Misschien. Dat het nut van een ministerie van Defensie of Buitenlandse Zaken (en daar kan nog wel het een en ander aan toegevoegd worden) in de ogen van velen twijfelachtig is? Zonder twijfel. Maar het belangrijkst vind ik dat als belastingen te hoog worden ook in Nederland een anti-belastingpartij een goede kans maakt. Dus JP, Jan Kees, Eimert, Camiel en Maxime: zet de antwoordmachientjes en praatpalen maar vast klaar. Ze konden wel eens eerder nodig zijn dan je denkt. n

maart 2010 | nummer 3 | het Register

11


het

Interview

Tijd voor reflectie bezinning

&

In dit artikel kijken we met ereleden van de NFB en het CB naar de samenwerking binnen de koepel Register Belastingadviseurs en de toekomst. Het is een informeel en luchtig gesprek waarin NFB-erelid prof. mr. dr. Ch.P.A. (Chris) Geppaart FB (78) en CB-erelid C.B.J.G. (Cor) Scheffers RA CB (63) ook iets vertellen over hun achtergrond, werk, wat ze nu doen, en de reden voor het erelidmaatschap. Door Charles Muetstege

D

e beide beroepsverenigingen NFB en CB gaan op steeds meer terreinen samenwerken. Behalve om efficiëntie, gaat het met name om belangenbehartiging en de focus op het mkb.

‘Juist!’, zegt Geppaart. ‘NFB en CB omvatten bijna de hele mkb-sector en dat maakt het overleg steviger en ook soepeler. Je vertegenwoordigt verder zo’n zevenduizend belastingadviseurs. Daarmee klinken je standpunten be­ ter door. Neem nu het punt van de toegankelijkheid van de Belastingdienst. Die was niet altijd optimaal. Ook de ­adviseurs werden afgescheept met een algemeen tele­ foonnummer waar je soms héél lang moest wachten. Ik heb begrepen dat dit na overleg sterk is verbeterd. Overi­ gens heeft de Belastingdienst ook baat bij goed overleg.’ Scheffers: ‘Beide vereningingen waren lid van mkbNederland, maar er zat destijds bijvoorbeeld een groot verschil in het opleidingscurriculum van NFB en CB. ­ Er waren wel grote raakvlakken, zoals inderdaad de be­ langen alsmede het werken voor het mkb. Op die basis kwam in 2008 de ­samenwerking op gang. Er is nu onder meer een combinatie van de Commissie Wetsvoorstellen

12

het Register | maart 2010 | nummer 3

van de NFB en het Bureau Vaktechniek van het CB actief, die haar vruchten afwerpt als het gaat om evaluatie van wets­voorstellen. Op dit gebied en op lobbyterrein is er in Den Haag nog heel wat te doen! De kansen moeten nu worden gegrepen. Belastingadviseurs kunnen in een sterk veranderende financiële en fiscale wereld hun ­positie in het mkb-marktsegment enorm verbeteren.’ De koepel Register Belastingadviseurs wil staan voor kwaliteit. Hoe kan die in uw opinie nog worden uitgebouwd? ‘De koepel moet mensen van hoog niveau in de markt zetten’, antwoordt Geppaart. ‘Uiteraard zal er onder­ scheid blijven; je hebt in het leger ook officieren van ver­ schillende rang, maar er zijn goede doorstroommogelijk­ heden. Doorstroming is van essentieel belang en dat moet je ook stimuleren. RB zet daar zeer actief op in met een toegesneden opleidingenaanbod.’ Op de vraag of prof. Geppaart ook denkt dat het van belang is om ster­ ker te staan in Den Haag, antwoordt hij: ‘Ja natuurlijk, al was het alleen maar om de haast eens bespreekbaar te maken die kamerleden altijd maar weer maken om ­fiscale wetgeving door de Kamer te jassen!’


n n n n n

Prof. mr. Chris Geppaart FB

‘Ik hield eens voor de NFB een inleiding op de Belasting-

Foto: Erik van der Burgt, Verbeeld

adviseursdag...’

‘Inzetten op kwaliteit is inzetten op continuering van de vakbekwaamheid’, benadrukt Scheffers. ‘Begin jaren ’90 werd de inmiddels verplichte educatie door het CB bijge­ houden en getoetst. Bij voldoende PE-punten werd het bewijs van vakbekwaamheid alsmede het gebruik van de CB-titel met twee jaar verlengd. Dat heeft enorme vruch­ ten afgeworpen. Continuering van dit systeem is mijn advies aan het RB. “Meeliften” op het merk is op deze wijze uitgesloten.’ Er is bij beide verenigingen een wil tot meer, want er is een ­fusie voorgesteld aan de leden. Zijn er gevoelige punten? Moeten NFB en CB omzichtig te werk gaan? ‘Als je belangenbehartiging als kernreden hebt, moet je als afzonderlijke verenigingen wel over zaken heenstap­ pen als cultuur en sfeer’, vindt Geppaart. ‘Dat dient dan een hoger belang. Wat goed is, denk ik, is dat het Regis­ ter Belastingadviseurs integreert waar het kan, maar de titels FB en CB in tact laat. Er is een wil tot fuseren, dat weet ik, en daar zijn al plannen voor. Uiteindelijk zul je, welke titel of welk predikaat je ook voert, lid zijn van het Register Belastingsadviseurs.’

‘Zal ik na de middelbare school beginnen?’, lacht prof. Geppaart gul als we hem naar zijn achtergrond vragen. Geppaart is gezegend met een gezonde dosis humor. ‘Ik ben naar de Rijksbelastingacademie gegaan, waar ik me heb bekwaamd in het belastingrecht en andere financiële vakken. Toen ik eraf kwam, werd ik adjunct-inspecteur en vervolgens inspecteur. Ja, dat vond ik een uitdagende werkkring. Je had destijds een grote vrijheid en zelfstandigheid, er waren interessante dossiers, sterke tegenstanders... maar ik wilde eigenlijk meester in de rechten worden. Dus die rechtenstudie, strafrecht en privaatrecht, heb ik toen tegelijk opgepakt. Later werd ik griffier bij de Hoge Raad, waar ik wel even meldde dat ik óók wilde promoveren. De president van de Hoge Raad, de grootvader van demissionair minister Donner, ging daarmee akkoord, “mits de dienst het zou toelaten”. Nou, de dienst liet toe dat ik me kon verdiepen in mijn onderwerp en een aantal jaren later promoveerde ik (cum laude, red.) op het proefschrift “Fiscale rechtsvinding”. Ik had onderzocht hoe rechters in belastingzaken beslissingen nemen, op welke gronden. Daarna werd ik gevraagd om aan de toen Katholieke Hogeschool Tilburg (nu Universiteit van Tilburg) te komen doceren.’ Geppaart werd hoogleraar. In die tijd begonnen ook kantoren hem adviezen te vragen. Van het een kwam het ander; hij hield eens voor de NFB een inleiding op de Belastingadviseursdag en werd lid van de Wetenschappelijke Commissie die deze dag inhoudelijk organiseert. ‘In die commissie discussieerden we met elkaar over de onderwerpen die aan de orde moesten komen en wie we voor de inleidingen zouden vragen. Nou, ik wist wel een paar raadsheren van gerechtshoven die geweldig interessante verhalen konden afsteken. De reden voor het erelidmaatschap is dat ik dit werk een jaar of veertig heb gedaan en me ook heb ingezet voor de PE. Ja natuurlijk vind ik het jammer dat ik er niet meer bij betrokken ben. Ik ben aan het afbouwen. Het voorzitterschap van de redactie van het Weekblad Fiscaal Recht heb ik een jaar geleden opgegeven. Dat was ook een leuke nevenfunctie met altijd interessante discussies. Ik ben nu nog wel lid van de redactie van de BNB (Beslissingen in Belastingzaken Nederlandse ­Belastingrechtspraak).’

maart 2010 | nummer 3 | het Register

13


Interview

n n n n n

‘Ik denk dat die fusie er komt’, zegt Scheffers. ‘De raak­ vlakken zijn zo groot dat het niet slim is om ieder voor zich telkens maar weer het wiel uit te vinden. Gevoelig­ heden liggen er nog wel, vooral op het terrein van de ­niveauverschillen. Maar ja, ons vakgebied wordt nu eenmaal gekenmerkt door werk op verschillend niveau en op het onderscheid of je generalist of specialist wilt zijn. De permanente educatie is een effectief smeer­ middel voor de beroepsuitoefening. Als je ergens dieper ­ in moet duiken, maak dan gebruik van je netwerk.’ Er verandert heel veel in het vak. Wat vindt u daarvan? ‘In het verleden verliepen zaken een stuk makkelijker’, antwoordt Geppaart. Hij herinnert zich nog goed dat hij als adjunct-inspecteur een dossier had van een man die uit losse activiteit een fikse winst had gemaakt, die wel was gemeld, maar niet was aangegeven. ‘Ik stapte ermee naar een ervaren collega. ‘‘Dit moet toch worden belast?”, vroeg ik aan die collega, ‘‘het begint te lijken op een on­ derneming!” Hij schudde zijn hoofd, ‘‘laat maar. Als je nu belast, moeten we volgend jaar compenseren. Want dan komt die man beslist met een fiks verlies!” En dan was het klaar.’ ‘Inspecteurs hadden veel meer vrijheid waar ze vandaag in een nauw keurslijf zitten en worden afgerekend op het gelijkheidsbeginsel. En in relatie tot de belastingadviseur is er ook veel veranderd. Ik heb vele jaren geleden een ar­ tikel geschreven over de verschuiving van het evenwicht. Inmiddels is er geen sprake meer van evenwicht; de wet­ geving is in het voordeel gaan werken van de inspecteur en de adviseur heeft steeds minder power.’ ‘Er verandert inderdaad veel’, antwoordt Scheffers, ‘de Wwft, horizontaal toezicht, aansprakelijkstelling, en met name ook verdere digitalisering van admini­ stratie en standaardverslaggeving (XBRL) en belasting­ aangiften, digitaal dossier, Tax Control Framework... Naast dat de opleidingen hierop moeten gaan inspelen,

Belastingadviseur moet efficiënt en tegen acceptabel tarief blijven werken is ledenondersteuning belangrijk door onder meer het ontwikkelen van werksystemen en het vervaardigen van leidraden voor de beroepspraktijk. Prima kansen voor het RB. Wat zeker niet moet veranderen is dat de belastingadviseur efficiënt en tegen een acceptabel tarief werkt.’ De wet- en regelgeving worden scherper. Belasting­adviseur is weliswaar geen wettelijk geregeld beroep, zoals de accountant, maar er gelden wel degelijk veel regels, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de aansprakelijkheid ten aanzien van de a ­ dviezen is verscherpt. Is dat echt nodig?

14

het Register | maart 2010 | nummer 3

Geppaart: ‘We leven in een dichtbevolkt land en de bevolking is heel divers. Dat impliceert veel regels. De teugels losser laten, gaat zeker leiden tot hiaten in de wetgeving. Aan de andere kant worden heel veel regels ingebouwd op bestaande regelingen en dan krijg je een oerwoud, zoals we nu ook hebben. Kan de praktijk, dus de inspecteur en de adviseur, daar nog voldoende reke­ ning mee houden? Daarnaast wordt een lek soms toch niet goed gedicht met zo’n regeling en daar is dan vaak weer het hoge tempo waarmee er wetten en aanvullin­ gen komen, debet aan. Als het nu gaat om de vraag of een vrijstelling niet te beperkt is, dan kan dat wel snel. Maar voor fundamentele vragen moet men gewoon meer tijd nemen. Tijd voor ­reflectie en bezinning.’ Scheffers wijst erop dat de meest recente crisis de roep om effectiever en harder toezicht heeft aangewakkerd. ‘Maar des te meer is er een afgeleide toezichthoudende rol voor de Register Belastingadviseurs weggelegd. Het RB kan dat en heeft inmiddels ervaring opgedaan met de Wwft.’ De Belastingdienst verschuift wel steeds meer werk naar de adviseur, omdat ze het zelf niet aankan. Horizontaal toezicht, het sluiten van convenanten, zijn daar uitvloeisels van. Wat vindt ú? Geppaart: ‘Op het niveau van grote ondernemingen zijn zulke convenanten nuttig en werken goed. Bij die onder­ nemingen is de controlesystematiek ingebakken. Beurs­ genoteerde bedrijven moeten helemaal met de billen bloot. Bij middelgrote en kleine bedrijven zonder interne controles kan het volgens mij niet echt werken. Daar moeten inspecteur, ondernemer en adviseur anders met elkaar omgaan. Ik verwijs in dat verband naar het aloude devies van de Rijksbelastingacademie: fortiter in re, suaviter in modo (sterk in de regel, soepel in de uitvoering). Dat werkte altijd goed. Ik heb overigens moeite met ­‘‘horizontaal’’. De wet gaat uit van toezicht en de Belas­ tingdienst moet de wetgeving toepassen. Dan moet je boven het proces staan.’ Scheffers is enerzijds voorstander van het horizontaal toezicht. ‘Als belastingadviseur heb je je klant daarmee iets te bieden. Jij bent de vooruitgeschoven post en de klant krijgt minder snel een onderzoek van de Belasting­ dienst. Anderzijds ben ik er niet helemaal gelukkig mee. Het neigt allemaal te veel naar het belang voor de Belas­ tingdienst zelf. Een evenwichtige samenwerking tussen belastingadviseur en Belastingdienst moet van een na­ tuurlijk niveau zijn. Als goed werk vanzelfsprekend is, hoef je geen convenant te hebben. Wel zie je dat klanten meer zekerheid zoeken en kantoren gebruiken het con­ venant dan ook wel eens als marketinginstrument. U zegt dat de Belastingdienst ook rechtstreeks met bedrij­ ven convenanten sluit? Dat is mij niet bekend en dat zou ook niet moeten gebeuren zonder dat de belastingadvi­ seur daarbij betrokken is.’


n n n n n

Wat hoopt u dat eruit komt straks, als de Commissie ­Toekomst Belastingstelsel klaar is?

Cor Scheffers RA CB

‘Jij hebt het CB op de kaart

Geppaart: ‘Een periode van rust zou goed zijn, en vooral niet meer wetgeving er telkens doordrukken ten koste van de kwaliteit. Wat wel goed zou zijn, is ons stelsel meer afstemmen op de EU.’

gezet...!’, zei prof. Leo Stevens

Foto: Fotoburea Kastermans

‘Ik hoop op een stelsel dat efficiënt is, acceptabel en in de uitvoering vereenvoudigd’, antwoordt Scheffers. ‘Als daarbij iedereen zijn fiscale zaken juist opgeeft en betaalt, kan het IB-tarief misschien wel met 10% naar beneden. Daarnaast moet de overheid geen belastinggeld verspillen, bijvoorbeeld met rekeningrijden. Vier miljard investering plus daarna: metertje kapot en bezwaar­ schriften... dat gaat nog meer in de papieren lopen! Beta­ len naar gebruik kan volgens mij heel efficiënt via de benzine- en dieselprijs. En ja, naar de buurlanden kijken, want we zien links en rechts harmonisaties, maar de ­fiscale grenzen staan nog overeind!’

‘Ik ben een postduif die 47 jaar meevliegt in het vakgebied. De start was bij De Haan Stol & Co, waar de latere professor Bak ook werkte. Dit kantoor ging overigens al snel op in Van Dien & Co. Er werd bij De Haan Stol nog een schaduwvastlegging gevoerd en iedere inkoopfactuur, kas-, bank- en girobetaling kreeg zijn eigen kleurtje. Alles werd gegevensgericht gecontroleerd. Daarna werkte ik bij Price Waterhouse Den Haag (waar toen nog maar 35 mensen werkten) en Londen (daar werkten al 2250 mensen).’ Scheffers vertelt dat Price gekend was om het wereldwijd werken volgens dezelfde systemen. In die periode heeft hij heel veel geleerd en het AA- en RA-diploma gehaald. Wat hem toen al opviel was dat de auditors op belastinggebied niks deden. Dat bevreemdde hem zeer. ­Scheffers achtte belastingzaken een heel belangrijk aspect van zijn werk, zeker als hij naar grote klanten als de NAM toeging. Dit mondde later uit in het lidmaatschap van het CB. ‘Maar eerst vloog ik als zelfstandig interimmanager uit naar bedrijven die niet zo goed liepen. Ik probeerde ze weer op de rit te krijgen, uiteraard in overleg met de Bijzonder Beheer-afdelingen van banken. Als dat dan allemaal goed ging – en dat ging het vaak – bleven de klanten "hangen" en vlogen mee naar mijn nieuwe til, de Zirkzee Groep (Oegstgeest), waar ik van 1990 tot 2008 partner was. Tot 2007 was ik er verantwoordelijk voor de auditpraktijk. Momenteel heb ik een klankbordfunctie voor klanten en voor de directie.’ ‘In 1991 werd ik lid van het CB en tijdens mijn eerste ledenvergadering wist ik dat er het een en ander moest worden afgestoft. Puntje bij paaltje trad daarop het voltallige bestuur af! Ook de twee bestuursleden die net waren benoemd. Om een lang verhaal kort te maken; ik werd voorzitter en vroeg die twee er weer bij, omdat ze niet belast waren door het verleden. We zijn met nieuw elan te werk gegaan. We h ­ ielden gespreksgroepen in het land, renoveerden de opleidingsstructuur, gingen praten met de NFB en stopten effort in de groei en de prestatiekracht van het CB. In 2001 ben ik gestopt. Mijn opvolgers wisten de expansie te behouden. Erelid? Ik weet het niet, maar prof. Leo Stevens die de opleidingen mede verzorgde, zei ooit: “Jij hebt het CB op de kaart gezet.” Wellicht daarom... Ik ben Stevens en de mensen die hem bijstonden en die zich inzetten voor de Forabijeenkomsten alsmede het Vakblad overigens heel veel dank verschuldigd, ik noem ze even: prof. dr. mr. Edwin Heithuis FB, dr. Ruud van den Dool, prof. mr. dr. Sjaak Jansen en ­ Prof. mr. dr. Chris Geppaart natuurlijk, maar ook dr. Steven van Eijck en mr. Cees Schaap.’

maart 2010 | nummer 3 | het Register

15


Interview

n n n n n

Een aantal suggesties: n verruiming van de faciliteiten in de inkomstenbelasting voor kleine ondernemingen, onder meer de zelf­ standigenaftrek; n afschaffing van de overdrachtsbelasting; n fiscalisering volksverzekering; n de schijven van het tarief van de inkomstenbelasting ­zouden tot het inkomen van de Balkenendenorm kunnen worden opgerekt en het hoogste tarief zou kunnen ­worden verlaagd tot 45%. Voor inkomens hoger dan de Balkenendenorm zou een supertarief kunnen worden ingevoerd.

Al met al zal het niet eenvoudiger worden en een ondernemer heeft meer aan een belastingadviseur dan aan een accountant. Je ziet ook een toestroom van AA’s bijvoorbeeld naar de opleidingen voor belastingadviseur. Is belastingadviseur het beroep van de toekomst? Prof. Geppaart haalt zijn schouders op. ‘Geen idee. Wel is er volop vraag naar belastingadviseurs. Die kunnen veel meer doen voor de klant. Maar een accountant heb je ook nodig voor de jaarrekening. Ik verwacht dat je steeds meer die combinatie gaat zien en dat dan op verschillen­ de niveaus.’

Wat denkt u hiervan? Geppaart blijkt tegen de voornoemde verruiming. ‘Want wat is een kleine onderneming? En doe je werknemers dan niet tekort als die wel over een salaris van 25.000 euro gewoon belasting moeten betalen, terwijl de kleine ondernemer bij zo’n bedrag een royale vrijstelling geniet? Hier werkt het gelijkheidsbeginsel wel! Overdrachtsbe­

‘Het beroep van de toekomst is de belastingadviseur in een veel bredere rol’ lasting afschaffen, ja. Want daarvoor is de grondslag on­ begrijpelijk; hier geldt noch het profijtbeginsel, noch de draagkracht. Maar er moet wel – zo spoedig mogelijk – ruimte worden gevonden om het af te kunnen schaffen. Fiscalisering van de volksverzekering uit oogpunt van vereenvoudiging, ja. Maar persoonlijk ben ik tegen! Even alle gekheid op een stokje: het is wel eerlijk als je na je ­ etaalt over je inkomen als je 65e jaar gewoon belasting b daarvoor altijd je premies hebt kunnen aftrekken. En de schijven van de inkomstenbelasting oprekken? Onder alle omstandigheden nooit meer heffen dan 50%. Dat werkt averechts. Mensen gaan omwegen zoeken en de fraude schiet omhoog! Ik ben wel voor een zekere pro­ gressie, mits de hoogste schaal onder de 50% blijft. Dus 45% is prima.’ Scheffers: ‘Royaler zijn ten opzichte van de kleine onder­ neming, ja! Want nu is er een verschil tussen een onder­ nemer zonder en met een bv. Een tariefsverschil tussen hoogste IB en Vpb-tarief van 30% (voor dividenduitke­ ring!). Dat verschil belemmert de zelfstandige onderne­ mer ernorm in zijn investeringsruimte en is ook macroeconomisch ongunstig. Ik ben geen voorstander van de overdrachtsbelasting. Met bijvoorbeeld een vlaktax – waar prof. Giele eind jaren ’80 al over sprak – ben je ­efficiënt en eerlijk bezig en ben je veel van die extra ­heffingen kwijt. Het voorkomt ook veel gedonder en ­belastingvlucht en verdient zich dus terug. In het geval van ­progressieve schalen zeg ik ook hooguit 45%.’

16

het Register | maart 2010 | nummer 3

‘Een accountant die een opleiding tot belastingadviseur van Register Belastingadviseurs (dus FB of CB) heeft ­gevolgd, is een betere accountant’, antwoordt Scheffers. ‘Ik heb het dus niet over de auditor, want dat is een vak apart. Het beroep van de toekomst is de belastingadvi­ seur in een veel bredere rol. Door digitalisering gaan we steeds meer naar standaardverslaglegging (XBRL) en het vervolgtraject wordt almaar belangrijker. De ondernemer weet best hoe hij ervoor staat, maar wat moet hij aan be­ lasting gaan betalen en moet hij daarom niet van rechts­ vorm veranderen? De belastingadviseur die adequaat weet te handelen op basis van de cijfers, wordt voor de klant van groter belang. En als straks het Vpb-aangifte­ model kan uitgroeien tot standaardjaarrekening voor kleinere ondernemingen, biedt dit de belastingadviseur grote kansen.’ Ten slotte: er is nog altijd een bestand van nergens aangesloten kantoren of eenlingen. Moet belastingadviseur ook niet een wettelijk geregeld beroep zijn? Geppaart vindt van niet. Hij zegt dat er een zekere vrij­ heid moet blijven om je wel of niet aan te sluiten. ‘En, waar trek je een grens? Er functioneren een heleboel mensen die (betaalbaar) fiscale adviezen geven aan parti­ culieren en kleine ondernemingen en aangiftes invullen. Moet je dat aan banden gaan leggen? Trouwens, als je als vermogende particulier of ondernemer een hoger niveau zoekt, dan is het niet zo moeilijk een FB of CB te vinden.’ ‘Een beetje praktijk heeft een Beconnummer en is be­ kend bij de Belastingdienst. Een wettelijke verankering is niet nodig’, meent Scheffers. ‘Eénpitters krijgen het ­sowieso moeilijker. Als je niet goed bent of niet goed op de hoogte van alle veranderingen, ben je in een paar jaar toch weg. Maar wat ik wel verwacht is dat het Register Belastingadviseurs vanzelf een keurmerk wordt voor het mkb, het segment van de markt waar fiscaliteit de groot­ ste motivatie geeft voor een ondernemer om een deskun­ dige aan te trekken.’ n


BOF

n n n n n

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet

Boffen met de BOF De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (hierna: BOF) uit de Successiewet 1956 (hierna: SW 1956) verschilt vanaf 2010 nogal met de regeling uit voorgaande jaren. Eerst worden enkele verschillen met de vóór 2010 geldende BOF aan de orde gesteld. Vervolgens worden de hoofdlijnen van de nieuwe regeling behandeld. Er wordt niet ingegaan op aspecten uit de BOF betreffende verkrijgingen van aanmerkelijkbelangaandelen.

B n

Jeroen Boele Mr. J. Boele is ­werkzaam als ­fiscaal jurist bij Alfa Accountants en Adviseurs te Leeuwarden.

n n n

ij raadpleging van de BOF zijn vooral de volgen­ de regelingen van belang. n De artikelen 35b tot en met 35f SW 1956: bepaling wat onder welke voorwaarden inzake ondernemingsvermogen is vrijgesteld; tevens bepaling van geconserveerde waarde (de daaraan toe te reke­ nen belasting moet daadwerkelijk worden betaald). De artikelen 7 tot en met 10 Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting (hierna: Uitv.reg.): wat behoort mede tot vrijgesteld ondernemingsvermogen, eisen aan bezitsperiode schenker/erflater betreffende onder­ nemingsvermogen, voortzettingseisen na verkrijging. A  rtikel 37 lid 2 SW 1956: conserverende aanslag over geconserveerde waarde. A  rtikel 37 lid 4 SW 1956: geen rechtsmiddelen tegen eerder vastgestelde verkrijging/vrijstelling. Artikelen 25 lid 12, 25 lid 13, 28 Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990), artikelen 6a en 6b Uitvoeringsrege­ ling IW 1990: tienjarig rentedragend uitstel van beta­ ling inzake daadwerkelijk te betalen belasting inzake verkregen ondernemingsvermogen of inzake vorde­ ring op verkrijger van ondernemingsvermogen.

Pijlers Sterk vereenvoudigd kan worden gesteld dat de BOF vier pijlers bevat. De eerste pijler betreft de vrijstelling. De daadwerkelijke verkrijging van ondernemingsvermogen is, als er sprake is van bedrijfsopvolging, grotendeels voorwaardelijk vrijgesteld van schenk- en erfbelasting. De tweede pijler betreft de belasting die wordt toegere­ kend aan het niet-vrijgestelde ondernemingsvermogen. Er wordt namelijk voorwaardelijk tien jaar rentedragend uitstel verleend voor de belasting die aan dat niet-vrijge­ stelde deel kan worden toegerekend. De derde pijler betreft het feit dat de vrijstelling en het betalingsuitstel vervallen indien en voor zover niet aan een vijfjarige voortzettingsperiode wordt voldaan.

18

het Register | maart 2010 | nummer 3

De vierde pijler heeft eigenlijk betrekking op indirect verkregen ondernemingsvermogen. Er wordt namelijk tien jaar rentedragend uitstel verleend voor de belasting die betrekking heeft op een vordering inzake een ver­ krijger van ondernemingsvermogen. Bijvoorbeeld, tot een nalatenschap (erfgenamen A en B) behoort alleen € 1.380.000 aan ondernemingsvermogen. Aan A wordt het ondernemingsvermogen toegedeeld en aan B een on­ derbedelingsvordering op A ter hoogte van € 690.000. Zolang A de vordering niet daadwerkelijk voldoet geldt voor B de vrijstellingsregeling niet, maar wel de vermelde uitstelregeling (A kan overigens zowel de vrijstellings- als (voor zover nodig) de uitstelregeling benutten).

Verschillen met regelingen vóór 2010 Vóór 2010 werd op verzoek inzake ondernemingsver­ mogen een conserverende aanslag opgelegd. De daarin opgenomen belasting werd verminderd tot nihil als aan een vijfjarige voortzettingsperiode was voldaan. Vanaf 2010 is de regeling anders. Op verzoek wordt het onder­ nemingsvermogen voorwaardelijk vrijgesteld. Als aan een vijfjarige voortzettingsperiode niet wordt voldaan, wordt een aanslag opgelegd. Deze systeemwijziging was geruime tijd vóór 2010 aangekondigd. Bovendien is vanaf 2010 de berekeningsmethodiek in­ grijpend gewijzigd. Dat is gebaseerd op een amendement dat in een zeer laat stadium in het wetgevingsproces ­betreffende de herziening van de Successiewet bij de Tweede Kamer is ingediend (en aangenomen). Een versoepeling die vanaf 2010 geldt heeft betrekking op het volgende. Vóór 2010 was de BOF bij schenking al­ leen van toepassing als de schenker de leeftijd van 55 jaar had bereikt, hetzij voor 45% of meer arbeidsongeschikt was. Voormelde twee eisen gelden per 2010 niet meer. Een verzwaring van de BOF betreft de bedrijfsopvolgings­ faciliteit inzake de erfbelasting. Die is alleen van toepassing als de erflater de onderneming vóór overlijden minimaal één


n n n n n

jaar heeft geëxploiteerd (een eis die vóór 2010 niet gold). Be­ treffende schenkbelasting moet (net als vóór 2010) de over­ gedragen onderneming overigens minimaal vijf jaar vóór de schenking voor rekening van de schenker zijn gedreven. Een andere verzwaring betreft de verkrijging van onder­ nemingsvermogen van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3 lid 1 sub a Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), zoals een commanditaire ven­ noot/een stille maat. Een verkrijging daarvan valt vanaf 2010 niet onder de BOF (daarvóór wel). De regeling is echter wel toepasbaar als de verkrijging betrekking heeft op voormeld ondernemingsvermogen welke een recht­ streekse voortzetting vormt van een eerder door de erfla­ ter of schenker gedreven onderneming. Dan moet de ver­ krijger wel beherend vennoot zijn van de onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft. Met ingang van 2010 is de wet ook gewijzigd naar aanlei­ ding van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2009, V-N 2009/15.23. De Hoge Raad oordeelde dat er bij be­ drijfsopvolging vanuit een personenvennootschap geen sprake was van een schenking als de overdracht plaats­ vond tegen een lonende exploitatiewaarde. Dat arrest is per 2010 ongedaan gemaakt (ofwel: dan is er wel sprake van een schenking; zie hierna).

Verkrijging en waardering Als er geen sprake is van een verkrijging, is de BOF niet toepasbaar (aangezien er ook niets belastbaar is!). Het ­begrip ‘verkrijging’ wordt in dit artikel niet nader uit­ gewerkt, behalve ten aanzien van de situatie van een ­bedrijfsovername op basis van een (personen)vennoot­ schapsovereenkomst. Betreffende de erfbelasting (vóór 2010 successierecht genaamd) golden tot 2010 enkele ­fictiebepalingen die niet golden voor de schenkbelasting (vóór 2010 schenkingsrecht genaamd). Er was vóór 2010 bijvoorbeeld per definitie sprake van een successierechte­ lijke verkrijging als een zoon na het overlijden van zijn ­vader op basis van een met de vader afgesloten firma­ overeenkomst overnamerechten uitoefende. Dan was er sprake van een fictieve successierechtelijke verkrijging. Een regeling die niet gold als de zoon tijdens het leven van zijn vader diens aandeel in de firma krachtens een ­firmaovereenkomst had overgenomen. Dan was er alleen sprake van een verkrijging voor de SW 1956 als er betref­ fende de verkrijging van de onderneming krachtens de vennootschapsovereenkomst sprake was van een gift. Om te bepalen of er bij bedrijfsopvolging vanuit een ven­ nootschapsovereenkomst sprake was van een schenking (en dus van een verkrijging), moest dan ook eerst krach­

maart 2010 | nummer 3 | het Register

19


BOF

n n n n n

tens artikel 1 lid 3 SW 1956 (tekst 2009) worden beoor­ deeld of er wel sprake was van een gift. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2009, V-N 2009/15.23, kan worden afgeleid dat er voor de SW 1956 geen sprake is van een gift als er civielrechtelijk geen sprake is van een gift. Civielrechtelijk is er volgens de Hoge Raad geen sprake van een gift (en dus fiscaal ook niet!) als krachtens een vennootschapsovereenkomst de bedrijfsoverdracht is gebaseerd op een waarderingsgrondslag die leidt tot een te betalen prijs waartegen de opvolger het bedrijf nog net lonend kan exploiteren. Naar aanleiding van voormeld arrest is met ingang van 2010 in de gewijzigde fictiebepaling van artikel 11 SW 1956 niet alleen een regeling betreffende de erfbelasting, maar ook één betreffende de schenkbelasting opgenomen. Fiscaalrechtelijk is er vanaf 2010 namelijk (onder andere) sprake van een verkrijging als overname of toedeling van goederen plaatsvindt krachtens een vennootschapsover­ eenkomst. Deze fictiebepaling is krachtens artikel 11 lid 5 SW 1956 alleen van toepassing als er sprake is van een be­ paalde familierelatie tussen de verkrijger en degene van wie wordt verkregen. Ik veronderstel dat er in dat artikellid spra­ ke is van een omissie. Bepaald is namelijk dat de desbetref­ fende artikelleden van artikel 11 SW 1956 uitsluitend van

Mogelijke omissie: achter ‘erflater’ toevoegen ‘of schenker’ toepassing zijn als de verkrijger de partner is van de erflater of behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners. De wijziging per 2010 van arti­ kel 11 SW 1956 is mijns inziens ingevoerd zodat in die fami­ liesituaties, inzake elke verkrijging krachtens een vennoot­ schapsovereenkomst, er sprake is van een belastbare schenking. Ik vermoed dat in artikel 11 lid 5 SW 1956 achter het begrip ‘erflater’ moet worden toegevoegd ‘of schenker’. Wat is het gevolg nu die toevoeging niet is opgenomen? Is er dan bij een overname (bij leven van de overdrager) krach­ tens een vennootschapsovereenkomst altijd sprake van een verkrijging, ongeacht de familierelatie (omdat artikel 11 lid 5 SW 1956 alleen een familierelatie bij erflating behandelt)? Ongeacht het voorgaande omtrent de mogelijke omissie is er krachtens artikel 11 lid 1 SW 1956 vanaf 2010 inzake de schenkbelasting in de in artikel 11 vermelde situatie sprake van een verkrijging ongeacht of er civielrechtelijk sprake is van een gift! Als de verkrijging (voor de erfbelasting of de schenkbe­ lasting) een onderneming betreft, vindt waardering plaats op basis van artikel 24 lid 12 SW 1956; de goingconcernwaarde, maar ten minste de liquidatiewaarde.

Kwalificerend ondernemingsvermogen De bedrijfsopvolgingsfaciliteit heeft betrekking op het verkregen ondernemingsvermogen. Het betreft krach­ tens artikel 35c lid 1 SW 1956 ondernemingsvermogen van een IB-ondernemer of van een gekwalificeerde me­

20

het Register | maart 2010 | nummer 3

degerechtigde (zie hiervóór). Vervolgens wordt al het ondernemingsvermogen voor de inkomstenbelasting in de faciliteit betrokken (ongeacht of het verplicht onder­ nemingsvermogen betreft dan wel ondernemingsvermo­ gen dat tot het keuzevermogen behoorde).

Kwalificerende schenker/erflater: ­bezitstermijn Niet alleen moet er sprake zijn van kwalificerend onder­ nemingsvermogen, ook de schenker/erflater moet aan kwalificatie-eisen voldoen. In artikel 35d SW 1956 wor­ den de eerder vermelde eisen opgenomen. Voorafgaand aan de schenking/het overlijden moet de schenker/erfla­ ter de onderneming minimaal vijf (schenker) dan wel één (erflater) jaar hebben geëxploiteerd. In artikel 9 Uitv. reg. zijn enkele situaties opgenomen op basis waarvan wordt geacht dat aan de vermelde periodes is voldaan.

Berekening De vrijstelling wordt voorwaardelijk verrekend en heeft betrekking op het verkregen ondernemingsvermogen, zonder dat dit vermogen wordt verminderd met de even­ tueel geleverde tegenprestatie (artikel 35b lid 4 SW 1956). Stel dat het ondernemingsvermogen ter waarde van € 799.000 wordt verkregen tegen betaling van € 499.000, dan bedraagt het vrijgestelde ondernemings­ vermogen dus € 799.000! Mogelijk lijkt dat voor de ver­ krijger zinloos (de verkrijging kan immers per saldo niet hoger zijn dan € 300.000), maar is het niet! Dit blijkt bij­ voorbeeld als het een erfrechtelijke verkrijging betreft en de verkrijger afgezien van het ondernemingsvermogen ook andere vermogensbestanddelen verkrijgt (dat wordt hier verder niet uitgewerkt). Nadat dus het ondernemingsvermogen is gewaardeerd op basis van artikel 24 lid 12 SW 1956 (de going-concern­ waarde, maar ten minste de liquidatiewaarde) wordt de vrijstelling berekend. Berekening vrijstelling (artikel 35b lid 1 SW 1956) n 1  00% is vrijgesteld als de totale waarde van het ­ondernemingsvermogen van de objectieve onder­ neming waarop de verkrijging betrekking heeft de € 1.000.000 niet te boven gaat. n A  ls de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft hoger is dan € 1.000.000: n als de liquidatiewaarde van de objectieve onderne­ ming hoger is dan de going-concernwaarde (daarvan is bijvoorbeeld in de agrarische sector meestal spra­ ke), is 100% van het verschil (hierna: X) tussen die beide waarden vrijgesteld; n t otale waarde van de objectieve onderneming waar­ op de verkrijging betrekking heeft min verschil X = Y: - is Y € 1.000.000 of minder, dan is Y volledig vrij­ gesteld; - is Y meer dan € 1.000.000 euro: - € 1.000.000 euro is vrijgesteld; - plus 83% van het meerdere. n W  at resteert wordt geconserveerde waarde ge­


n n n n n

noemd (artikel 35b lid 2 SW 1956). Inzake de ­belasting die daaraan wordt toegerekend wordt op verzoek tien jaar rentedragend uitstel van betaling verleend.

gebruik en genot worden ingebracht. n V  ader draagt zijn onderneming aan de zoon over tegen

betaling van € 800.000. n D  e liquidatiewaarde van vaders onderneming (en dus

Objectieve onderneming De vrijstelling wordt verleend inzake het verkregen on­ dernemingsvermogen, maar wordt berekend op basis van de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrek­ king heeft. Stel dat er sprake is van een vader-zoonfirma waarbij de vader uittreedt en zijn onderneming over­ draagt aan de zoon. Ongeacht de tegenprestatie die de zoon betaalt is er sprake van een verkrijging (artikel 11 SW 1956; maar het belastbaar bedrag is natuurlijk nihil als de zoon de liquidatiewaarde betaalt!). Tot de ­verkrijging behoort niet alleen vaders aandeel in het ­firmavermogen, maar ook diens aandeel in zijn buiten­ vennootschappelijk ondernemingsvermogen. Tot dat buiten­vennootschappelijk ondernemingsvermogen ­kunnen bijvoorbeeld onroerende zaken en rechten ­behoren die in gebruik en genot zijn ingebracht. Tot zover de verkrijging zelf. Dan moet de vrijstelling worden berekend en dat is afhankelijk van de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectie­ ve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft. In de toelichting op de Uitv.reg. zijn de volgende aspec­ ten opgenomen. Het begrip ‘objectieve onderneming’ is ontleend aan de inkomstenbelasting. Dit heeft tot gevolg dat in geval van een eenmanszaak al het tot het ondernemingsvermogen behorende vermogen (het zogenoemde verplichte onder­ nemingsvermogen en het zogenoemde keuzevermogen dat tot het ondernemingsvermogen is gerekend) tot de objectieve onderneming behoort. Bij een personenven­ nootschap, zoals een firma, zal het ondernemingsvermo­ gen van die firma in elk geval deel uitmaken van de objec­ tieve onderneming evenals… buitenvennootschappelijk gehouden onroerende zaken. De onderneming wordt im­ mers met behulp van dit vermogen gedreven. In artikel 7 lid 1 Uitv.reg. is bepaald dat buitenvennootschappelijk ge­ houden onroerende zaken voor de toepassing van de 100%-vrijstelling tot de objectieve onderneming worden gerekend. Dit geldt zowel voor door de erflater of schen­ ker van buitenvennootschappelijk gehouden onroerende zaken als door de andere vennoten buitenvennootschap­ pelijk gehouden onroerende zaken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dus dat (inzake voormeld firmavoorbeeld) tot die totale waarde tevens het aandeel behoort van de bedrijfsopvolger zelf! Het is zelfs zo dat de vrijstelling kleiner wordt naarmate de andere vennoten (waaronder de opvolger zelf) gerechtigd zijn in een groter deel van de waarde van die objectieve onderneming.

n

n

n n

n n

n

de verkrijging van de zoon) bedraagt € 1.900.000 (dat is zijn aandeel in de liquidatiewaarde van de firma en de liquidatiewaarde van zijn onroerende zaken en rechten, zonder daarop € 800.000 in mindering te hebben gebracht). D  e liquidatiewaarde van de objectieve onderneming (van vader en zoon samen) bedraagt € 2.200.000, ter­ wijl de going-concernwaarde van de objectieve onder­ neming (van vader en zoon samen) € 1.160.000 be­ draagt. Het lijkt erop dat bij de bepaling van beide waarden van de objectieve onderneming geen reke­ ning moet worden gehouden met de waardevolle rechten van de vader en de roerende zaken van de zoon. Die behoren immers tot het buitenvennoot­ schappelijke vermogen, maar zijn geen onroerende zaken! H  et verschil tussen de liquidatiewaarde en de goingconcernwaarde van de objectieve onderneming be­ draagt € 1.040.000. Welk deel daarvan heeft betrek­ king op vaders onderneming? Ik ga ervan uit dat dit wordt berekend naar rato van vaders aandeel in de ­liquidatiewaarde. Dat aandeel is (€ 1.900.000/ € 2.200.000) 86%. Dan zou de eerste vrijstelling ­(liquidatiewaarde minus going-concernwaarde) bedragen: 86% x € 1.040.000 = € 894.400. E  r resteert dan € 1.900.000 – € 894.400 = € 1.005.600. D  e volgende vrijstelling bedraagt in concreto € 1.000.000 (van de going-concernwaarde) berekend naar rato van de objectieve onderneming. Voorstelbaar is dat dit wordt berekend naar rato van vaders aandeel in de liquidatiewaarde (86%) met als gevolg dat € 860.000 is vrijgesteld. E  r resteert € 1.005.600 – € 860.000 = € 145.600 en daarvan is 83% vrijgesteld (dat is € 120.848). D  e totale vrijstelling bedraagt dan € 894.400 + € 860.000 + € 120.848 = € 1.875.248. De geconser­ veerde waarde (€ 1.900.000 – € 1.875.248) bedraagt dan € 24.752 (waarover tien jaar rentedragend uitstel van betaling). H  et maximale belastbaar bedrag bedraagt (nog geen rekening houdend met belastinglatenties) € 1.900.000 – € 800.000 (betaling) = € 1.100.000. Met inachtneming van schenkvrijstelling ter hoogte van €5000 resteert € 1.095.000. Dat is lager dan het bedrag aan vrijgesteld ondernemingsvermogen, zodat de gehele verkrijging voorwaardelijk is vrijgesteld en er dus geen geconserveerde waarde en de daarover ver­ schuldigde belasting aan de orde zijn.

Eenvoudig voorbeeld firma vader/zoon

Belastinglatenties in BOF

n A  lle door de firma benutte bedrijfsmiddelen behoren

In zijn uitspraak van 3 juni 2009 oordeelt Hof Arnhem (07/00309) over de wijze waarop belastinglatenties moeten worden opgenomen in de BOF uit de SW 1956 van vóór 2010. Het voert buiten het kader van dit artikel

tot het firmavermogen, met uitzondering van enkele onroerende zaken en waardevolle rechten van de ­vader en roerende zaken van de zoon die allemaal in

maart 2010 | nummer 3 | het Register

21


BOF

n n n n n

om in te gaan op de situatie van vóór 2010, maar toch vermeld ik de essentie van het oordeel van het hof. Het hof oordeelt namelijk dat belastinglatenties niet, zoals de inspecteur meende, alleen ten laste van de voorwaarde­ lijk onbelast geconserveerde waarde komen. Het hof meent dat die latenties voor een evenredig deel ten laste van de belast geconserveerde waarde (in verhouding met de twee voorwaardelijk onbelast geconserveerde waar­ den) kunnen worden gebracht. In de Nota naar aanlei­ ding van het Verslag inzake de wijziging van de Succes­ siewet per 2010 merkt de staatssecretaris van Financiën op dat ook hij (net als het hof) van mening is dat bij bere­ kening van de BOF de latente belastingschuld evenredig aan het vrijgestelde en het niet-vrijgestelde vermogen moet worden toegerekend.

Vrijstelling kleiner als andere vennoten gerechtigd zijn in groter deel Ik veronderstel dat de belastinglatenties vanaf 2010 ook evenredig moeten worden toegerekend aan de voorwaar­ delijke vrijstellingen enerzijds en de geconserveerde waarde anderzijds.

Voorzettingsvereiste De regelingen inzake de vrijstelling van ondernemings­ vermogen en inzake het uitstel van betaling zijn alleen van toepassing als er sprake is van bedrijfsopvolging (arti­ kel 35b lid 1 sub a, aanhef SW 1956). Artikel 35b lid 5 SW 1956 bepaalt dat de verkrijger van ondernemingsvermo­ gen vijf jaar moet voldoen aan het voortzettingsvereiste van artikel 35e SW 1956. In artikel 10 Uitv.reg. worden vervolgens situaties vermeld waarin geacht wordt niet in strijd gekomen te zijn met dat voortzettingsvereiste. Omdat de essentie van dit voortzettingsvereiste vanaf 2010 niet wezenlijk verschilt met de situatie van vóór 2010, wordt daarop niet nader ingegaan.

Beleidsbesluiten In het Besluit van 10 oktober 2007, nr. CPP2007/383M, V-N 2007/49.23, zijn standpunten van de staatssecretaris van Financiën opgenomen over de BOF zoals die vóór 2010 gold. In de Nota naar aanleiding van het Verslag inzake de her­ ziening van de SW 1956 vermeldt de staatssecretaris van Financiën het volgende. ‘Mochten deze leden in het alge­ meen hebben willen vragen of het beleid in het besluit gehandhaafd blijft, dan kan ik antwoorden dat ik niet voornemens ben om terug te komen op in het besluit ge­ geven goedkeurend beleid. Wel zal het besluit worden aangepast, onder andere omdat een deel van de gegeven goedkeuringen en uitleg in het besluit kan vervallen.’ Zo heeft hij onder andere bevestigd dat ook vanaf 2010 geldt dat: n h  et verzoek inzake de BOF kan worden ingediend ­uiterlijk tot het moment waarop de aanslag onher­ roepelijk vaststaat;

22

het Register | maart 2010 | nummer 3

n d  e BOF ook van toepassing is als er sprake is van een

kwijtschelding van de koopsom die onmiddellijk volgt op de overdracht. Op dit moment (februari 2010) is het aangepaste besluit nog niet gepubliceerd.

Verzoek Zowel de voorwaardelijke vrijstelling als het uitstel van betaling over de geconserveerde waarde wordt uitslui­ tend op verzoek verleend (artikel 35b lid 1, aanhef en 35b lid 2 2 SW 1956). Inzake de berekening van de verkrijging en de bereke­ ning van de vrijstelling lijkt het belang minimaal zolang tegenover een omvangrijke verkrijging maar een om­ vangrijke vrijstelling staat. Toch kan het belang enorm groot zijn de verkrijging zo laag mogelijk te laten zijn (met een zo omvangrijk ­mogelijke vrijstelling) om: n d  e daadwerkelijk verschuldigde schenk-/erfbelasting betreffende de geconserveerde waarde zo laag moge­ lijk te laten zijn; n t e voorkomen dat, als niet aan de voortzettingseisen wordt voldaan, alsnog belasting moet worden betaald omdat de voorwaardelijke vrijstelling vervalt. Als gedurende vijf jaar niet aan de voortzettingsvoor­ waarden wordt voldaan, vervalt namelijk de voorwaarde­ lijk verleende vrijstelling (artikel 35b lid 6 SW 1956) en volgt een aanslag (artikel 37lid 3 SW 1956). Daartegen kunnen uitsluitend rechtsmiddelen (bezwaar, beroep ­enzovoort) worden ingeroepen voor zover daartegen nog niet eerder een rechtsmiddel openstond en dat is nou juist het geval, want zowel de verkrijging als de voor­ waardelijke vrijstelling is opgenomen in de aanslag die na bedrijfsoverdracht is opgelegd. Als daarin een verkrijging en een vrijstelling ter hoogte van € 1.900.000 is ver­ werkt, kan als later blijkt dat de vrijstelling vervalt niet worden gesteld dat de verkrijging minder dan die € 1.900.000 bedroeg! Dat had namelijk alleen gekund ­tegen de aanslag (met daarin verwerkte vrijstelling) die direct na bedrijfsovername is opgelegd (daartegen kon­ den rechtsmiddelen inzake de verkrijging en de vrijstel­ ling worden aangewend)! Ofwel, het belang is groot om in alle fasen de verkrijging zo laag mogelijk te laten zijn met een zo omvangrijk ­mogelijke vrijstelling.

Tot slot Aan de BOF zoals die vanaf 2010 in de SW 1956 is opge­ nomen is in de praktijk grote behoefte. Voor zover er na­ melijk sprake is van een verkrijging bij bedrijfsopvolging boft de bedrijfsopvolger met de BOF, omdat zonder die regeling (direct) belasting zou moeten worden betaald. Desondanks zal net als de BOF van vóór 2010 ook de hui­ dige regeling talrijke vragen uit de praktijk opleveren. Vragen die mogelijk in voor de praktijk positieve zin nog door het ministerie van Financiën zullen worden beant­ woord, dan wel vragen die aan de rechter ter beoordeling zullen worden voorgelegd. n


APV’s

n n n n n

Fiscale behandeling APV’s

per 1 januari 2010

Met ingang van 1 januari 2010 geldt een nieuwe wettelijke regeling voor de belastingheffing van zogenoemde afgezonderde particuliere vermogens (APV’s). De bekendste voorbeelden van APV's zijn trusts en stichtingen, maar ook andere hybride (buitenlandse) rechtsfiguren vallen er onder, zoals de foundation, de stiftung, de anstalt en de ­establishment. Hierna volgt een overzicht van de kern van de ­wettelijke regeling voor APV's vanaf 2010.

K

ern van de nieuwe regeling is een algehele ­fiscale transparantie. Hoofdregel is dat de ­bezittingen en de schulden alsmede de op­ brengsten en uitgaven van het APV worden toegerekend aan de inbrenger van de vermogensbestand­ delen en na zijn overlijden aan diens erfgenamen. Deze toerekening geldt alleen voor het zogenaamde discretio­ naire deel van het APV; concrete rechten richting het APV worden in aanmerking genomen bij de gerechtigde. De fiscale transparantie geldt voor de inkomstenbelasting, de schenk- en erfbelasting, de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting. Voor de invordering van de belastingen is een bijzonder verhaalsrecht geïntroduceerd.

De situatie tot en met 2009 De Belastingdienst constateerde de laatste decennia dat steeds meer belastingplichtigen betrokken waren bij trusts, (buitenlandse) stichtingen en andere doelvermo­ gens. Belastingplichtigen waren betrokken als inbrenger, beneficiary, bestuurder of toezichthouder. Het vermogen (geïnventariseerd op 9,5 miljard euro) en de inkomsten van deze doelvermogens werden echter in (te) veel situa­ ties niet in de belastingheffing betrokken. De Belasting­ dienst was zelfs vaak niet op de hoogte van de betrok­ kenheid van de belastingplichtige bij het doelvermogen, ondanks dat in de aangifte inkomstenbelasting vanaf 1994 uitdrukkelijk werd gevraagd om melding te maken van iedere betrokkenheid bij doelvermogens. Inbrengers meenden dat het ingebrachte vermogen niet meer van hen was en begunstigden gaven niets aan omdat zij von­ den dat zij niet meer hadden dan een verwachting zon­ der geldswaarde. Wat betreft de irrevocable discretio­ nairy trust kregen zij gelijk van de Hoge Raad in de zogenaamde trustarresten van 18 november 1998, BNB

1999/35-37. Als gevolg hiervan werden het vermogen en het inkomen van een irrevocable discretionairy trust ­nergens belast, niet bij de insteller, niet bij de beneficia­ ry’s en niet bij het doelvermogen zelf; er was zodoende sprake van ‘zwevend’ vermogen. Vervolgens zochten vele belastingplichtigen hun heil in deze rechtsfiguur, zich vaak niet realiserend dat men dan ook echt definitief afstand moest doen van het vermogen en de beneficiary’s afhankelijk werden van een onbeken­ de trustee. Massaal werden trusts ingesteld op de Kanaal­ eilanden en in het Caribische gebied en werden allerlei soorten stichtingen opgericht in bijvoorbeeld Liechten­ stein en Zwitserland of op de Nederlandse Antillen. In dit soort doelvermogens werden in het begin vooral liquidi­ teiten en courante effecten ingebracht. Maar vervolgens werden er ook vermogensbestanddelen in aangehouden die duiden op ‘betrokkenheid’ van personen als de settlor en zijn beneficiary’s. Trusts en Antilliaanse stichtingen particulier fonds bleken de tophoudstermaatschappij te

Robert-Jan ­Roerink Mr. R.J. Roerink is medewerker van de Belastingdienst, Coördinatiegroep Constructie Bestrijding.

De bekendste voorbeelden van APV’s zijn trusts en stichtingen zijn van familiebedrijven, er werd geleend en (periodiek) uitgekeerd aan familieleden en hun bemoeienis met en aansturing van de trustee bleken in de praktijk tamelijk dwingend te zijn. Menig vermogende persoon belandde in een bekende spagaat: de fiscale aantrekkelijkheid om afstand te doen van het vermogen moest worden afgewo­ gen tegen het verliezen van iedere beschikkingsmacht

maart 2010 | nummer 3 | het Register

23


APV’s

n n n n n

over het afgescheiden vermogen. En daar wrong de schoen: via side letters, instructiebrieven en andere stukken en afspraken behield de settlor beschikkings­ macht over ‘zijn’ vermogen. Inmiddels werd duidelijk dat de jaarlijkse derving van ­inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting groot was. In rapporten van de OESO, de Amerikaanse Senaat en commerciële instellingen werd becijferd dat wereld­ wijd een vermogen van vele duizenden miljarden euro’s gestald moest zijn in trusts en stichtingen. De staatsse­ cretaris van Financiën becijferde zijn derving conserva­ tief op ruim tweehonderd miljoen euro, berekend over een geschat ‘zwevend’ vermogen van dertig miljard euro. Niet alleen de grootte van de belastingderving dwong hem tot actie. Ook de agressiviteit van constructies met zogenoemd ‘dood vermogen’ vroeg om een reactie van de wetgever. Want het werd alom volstrekt onaannemelijk geacht dat trustees in belastingparadijzen voor enkele duizenden ponden/dollars per jaar volledig zelfstandig (‘discretionair’) familievermogens van miljoenen beheer­ den. Als het alleen om liquiditeiten en courante effecten gaat, is dit nog mogelijk, maar het aandeelhouderschap van het familiebedrijf of van ­octrooien, patenten en mer­ kenrechten vraagt meer d ­ eskundigheid, veel meer zelfs. Ook speelde voor de staatssecretaris van Financiën een rol dat belastingadviseurs en belastinginspecteurs juist in dossiers met trusts en stichtingen steeds meer lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. In de ogen van de ­Belastingdienst was zo langzamerhand geen sprake meer van belastingontwijking maar eerder van harde belasting­ ontduiking. Inspecteurs werden steeds verder weg gehou­ den van de echte feiten door middel van juridische rook­ gordijnen die voor de klant onbegrijpelijk waren. In een tijd waarin de Belastingdienst koerst op horizontaal toe­ zicht werd het wenselijk gevonden dat er helderheid zou komen over de fiscale behandeling van doelvermogens. Die helderheid kon alleen via wetgeving tot stand komen.

Wetgever heeft uitdrukkelijk gekozen voor integrale behandeling Tot slot kan worden genoemd dat vanuit verschillende EU-landen het signaal kwam dat er bij inwoners een toe­ nemende neiging was om de Europese Spaarrentericht­ lijn te ontwijken. Het werd duidelijk dat onder andere door het inbrengen van spaargeld in trusts en stichtingen de richtlijn eenvoudig kon worden omzeild: de richtlijn is namelijk alleen van toepassing op natuurlijke personen.

Nieuw wettelijk stelsel vanaf 2010 Tijdens de parlementaire behandeling van het Wetsvoor­ stel wijziging van de successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsre­ geling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor af­ gezonderd particulier vermogen in de Wet inkomsten­

24

het Register | maart 2010 | nummer 3

belasting 2001 en de Successiewet 1956, Kamerstukken II, 2008/09, nr. 31 930) bleken alle politieke partijen het eens te zijn met de staatssecretaris van Financiën dat constructies met trusts en stichtingen moesten worden aangepakt. Uitkomst van de korte (minder dan een jaar), maar intensieve parlementaire behandeling is dat vanaf 1 januari 2010 voor doelvermogens een eenvoudig en hel­ der wettelijk systeem geldt: fiscale transparantie. Dat wil zeggen dat door trusts, stichtingen en andere doelvermo­ gens heen wordt gekeken. Er komt ook één benaming voor al deze doelvermogens: APV (afgezonderd particu­ lier vermogen). In een APV is vermogen afgezonderd waarmee een particulier belang wordt gediend: het gaat om het particuliere belang van de inbrenger van het ver­ mogen in het APV en/of zijn naaste verwanten. Er wordt dus niet gedoeld op ANBI’s (algemeen nut beogende in­ stellingen) en SBBI’s (sociaal belang behartigende instel­ lingen). Het APV is geen aandelen- of personenvennoot­ schap. Met dit nieuwe stelsel is Nederland een voorloper in de strijd tegen constructies met trusts en stichtingen. Dat andere landen Nederland gaan volgen, lijkt geen ge­ waagde uitspraak. En ook in Europa heeft men oren naar het nieuwe transparantiestelsel van Nederland: in voor­ stellen van de Europese Commissie vallen rentebetalin­ gen aan bijvoorbeeld stichtingen en trusts ook onder de Spaarrenterichtlijn.

Fiscale transparantie De wetgever heeft uitdrukkelijk gekozen voor een inte­ grale behandeling, dat wil zeggen dat niet voor één wet maar voor verschillende wetten fiscale transparantie geldt. Fiscale transparantie is verankerd in de inkomsten­ belasting, de schenk- en erfbelasting, de vennootschaps­ belasting en de dividendbelasting. Ook voor de inning van de belastingschulden zijn vergaande maatregelen ­getroffen om de aanslagen ook daadwerkelijk in te kun­ nen vorderen. Transparantie betekent dat alle bezittin­ gen en schulden alsmede alle opbrengsten en uitgaven van het APV worden toegerekend alsof het APV zelf niet bestaat. Het tussenschuiven van een APV biedt geen ex­ tra voordelen maar ook geen extra nadelen. Ofwel, perso­ nen met een APV en personen zonder een APV worden op gelijke wijze behandeld. Bijkomend gunstig gevolg is dat bepaalde fiscale faciliteiten, vrijstellingen en tarieven blijven gelden alsof er ook geen APV is. Voor de inbrenger of zijn erfgenamen kan dit gunstig uitpakken. Er is uiteindelijk niet gekozen voor een andere wettelijke aanpak. Het zelfstandig in de heffing betrekken van APV’s is weliswaar een alternatieve mogelijkheid, maar zorgt voor een ‘fiscaal eiland’ met ingewikkelder wetge­ ving, zoals de noodzakelijk introductie van een vesti­ gingsplaatsfictie, eindafrekeningsbepalingen, ingewik­ kelde aanpassingen van vrijstellingen en faciliteiten enzovoort. Bovendien zijn grote risico’s bij de inning van de belastingschuld te voorzien die in dit systeem niet worden opgelost. Voor de ontvanger is het vooruitzicht om belastingschulden te moeten innen in belastingpara­ dijzen erg onaantrekkelijk.


n n n n n

Een ander alternatief systeem waarin alleen wordt gehe­ ven bij het inbrengen in en het uitkeren uit een APV, stuit op het bezwaar dat zo in APV’s onbelast vermogen blijft bestaan zolang er niet wordt uitgekeerd. Zo blijft ongewenst ‘zwevend vermogen’ bestaan en kunnen be­ trokkenen bij zo’n APV bijvoorbeeld jaar in jaar uit via ­leningen toch over de gelden van het APV beschikken. Ook is gekozen voor een stelsel waarin voor de heffing wordt aangeknoopt bij (toekomstige) begunstigden. On­ danks de omstandigheid dat het afgezonderd particulier vermogen wel ten behoeve van hen is ingesteld, kunnen hun aanspraken nog onbepaalbaar zijn en op vele mo­ menten wijzigen (bijvoorbeeld als gevolg van geboorte of overlijden) zonder dat zij daar enige invloed op hebben. De uitwerking en de gevolgen van fiscale transparantie voor de verschillende wetten worden hierna kort bespro­ ken. Achtereenvolgens komen aan de orde: de inkom­ stenbelasting (onderdeel a), de schenk- en erfbelasting (onderdeel b), de vennootschaps- en dividendbelasting (onderdeel c) en tot slot de invorderingsmogelijkheden (onderdeel d).

ven aangeven. De inbreng en afzondering van vermogen worden genegeerd. Na het overlijden treden de erfgena­ men in de plaats van de inbrenger: de aanvankelijk aan de inbrenger toegerekende bezittingen en schulden worden aan de erfgenamen toegerekend. Het begrip ‘erfgenamen’ is ruim gedefinieerd om constructies tegen te gaan. Niet alleen de wettelijke erfgenaam ingevolge het BW valt er onder, maar ook de onterfde erfgenaam die wel begun­

Voor op 1 januari 2010 bestaande APV’s geldt een beperkt overgangsrecht

a. Transparantie inkomsten­belasting

stigde is van een APV (lid 4). Toekomstige begunstigden worden echter niet in de belastingheffing betrokken, on­ danks de omstandigheid dat het afgezonderd particulier vermogen wel ten behoeve van hen is ingesteld. Dit om­ dat de aanspraken van de begunstigden niet concreet (ge­ noeg) zijn en nog op vele momenten kunnen wijzigen (bijvoorbeeld als gevolg van geboorte of overlijden) zon­ der dat zij daar enige invloed op hebben.

De kernbepaling voor alle wetten is neergelegd in art. 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Degene die vermogen afzondert in een APV moet – als gevolg van een wetsfictie – dit vermogen en de inkomsten eruit blij­

Het begrip ‘afzonderen’ wordt ruim uitgelegd om allerlei constructies de pas af te snijden (lid 3). Alle schenkingen en ongebruikelijke afzonderingen van vermogensbe­

maart 2010 | nummer 3 | het Register

25


APV’s

n n n n n

standdelen vallen er onder. Maar dat geldt ook voor de zakelijke vervreemdingen voor zover die vervreemding plaatsvindt aan een APV die het particuliere belang be­ oogt van de vervreemder en zijn naaste familie (tot en met de vierde graad, dus neven en nichten). Het gaat bij afzonderen om een dynamisch begrip dat rekening houdt met de maatschappelijke ontwikkelingen: wat vandaag nog gebruikelijk is, kan over een aantal jaren ongebruike­ lijk zijn (en andersom). Al naar gelang de aard van de vermogensbestanddelen worden de vermogensbestanddelen en de opbrengsten daaruit betrokken in de heffing van inkomstenbelasting in box 1, 2 of 3. Zondert een inbrenger zijn spaargeld en kunstvoorwerpen af in een trust, dan moet hij dit spaar­ geld en de kunst onverminderd fiscaal verantwoorden in box 3. Overlijdt de inbrenger, dan moeten zijn erfgena­ men het vermogen in het APV vervolgens verantwoorden in box 3. De fiscale vrijstellingen en faciliteiten (bijvoor­ beeld heffingvrij vermogen, ouderentoeslag, vrijstellin­ gen voor voorwerpen van kunst) blijven van toepassing. Als een aanmerkelijk belang tot het vermogen van het APV behoort, dient de inbrenger dit aandelenpakket in

Het tussenschuiven van een APV wordt fiscaal genegeerd zijn belastingaangifte in box 2 op te nemen en na zijn overlijden doen zijn erfgenamen dit op dezelfde wijze. De erfgenamen kunnen ook gebruikmaken van allerlei (bedrijfsopvolgings)faciliteiten die gelden voor grootaan­ deelhouders (art. 4.17 - 4.17c). Concrete rechten Let wel, het gaat telkens alleen om het discretionaire deel van het APV dat wordt toegerekend door middel van de wetsfictie. Concrete, juridisch afdwingbare rechten richting een APV worden daarentegen toegerekend aan de gerechtigde(n). Dit was al zo voor 2010 en blijft onge­ wijzigd in het nieuwe wettelijk stelsel. Een persoon die bijvoorbeeld een recht op periodieke uitkeringen heeft jegens een APV, wordt zelf voor dit recht belast in de hef­ fing van inkomstenbelasting; de inbrenger wordt in zo­ verre niet belast. De inbrenger geeft alle bezittingen van het APV aan, maar brengt de uitkeringsverplichtingen van het APV als schuld daarop in mindering. Uitzonderingen Er bestaan enkele uitzonderingen op de regeling dat er wordt toegerekend aan de inbrenger en na overlijden aan zijn erfgenamen. De belangrijkste uitzondering is het geval waarin het APV zelfstandig in de belastinghef­ fing naar de winst wordt betrokken naar een tarief van ten minste 10 procent (lid 7). In die situatie wordt het vermogen van het APV voor de inkomstenbelasting niet toegerekend aan de inbrenger. De heffing bij het APV vol­

26

het Register | maart 2010 | nummer 3

staat, ongeacht of die heffing in de Nederlandse of in een buitenlandse schatkist vloeit. Inbrengers en hun erfgena­ men die hun APV in een belastingparadijs hebben geves­ tigd, zullen niets aan deze tegemoetkoming hebben. Ook geldt een belangrijke uitzondering voor de situatie dat de inbrenger is overleden en het vermogen fiscaal wordt toegerekend aan een erfgenaam die geen begun­ stigde is van het APV en dit ook niet kan worden (lid 6). Een dergelijke erfgenaam kan tegenbewijs leveren om buiten de fiscale toerekeningsbepalingen te vallen; hier­ van is sprake als hij aantoont geen begunstigde van het APV te zijn en dit ook niet te kunnen worden. Het tegen­ bewijs kan hij bijvoorbeeld leveren met behulp van aktes en verklaringen van de bestuurder van het APV of van de overige erfgenamen. Slaagt deze erfgenaam in de tegen­ bewijsvoering, dan wordt zijn deel belast bij de overige erfgenamen. Deze erfgenamen hebben wel de reguliere bezwaar- en beroepsmogelijkheid om in verzet te komen tegen voormelde extra toerekening van het deel van de uitgesloten erfgenaam. De rechter zal uiteindelijk de grenzen bepalen waar iemand wel of niet meer slaagt in de tegenbewijsvoering. Tot slot wordt aan de begunstigde toegerekend als de in­ brenger en diens erfgenamen onbekend zijn (lid 5). Ge­ zien wordt op bijzondere situaties waarin op geen enkele wijze kan worden bepaald wie het vermogen heeft afge­ zonderd. Dit heeft tot gevolg dat er ook geen erfgenamen kunnen worden bepaald. Te denken valt aan de situatie dat de biologische vader, die bijvoorbeeld in het buiten­ land woont, ten gunste van een buitenechtelijk kind dat in Nederland woont een trust instelt en dit doet door tus­ senkomst van een (buitenlandse) notaris of advocaat. Voor de begunstigde noch de inspecteur is de inbrenger traceerbaar. Aangezien de begunstigde het dichtst bij het APV staat, wordt aan hem toegerekend. In het nieuwe artikel 4a van de Uitvoeringsregeling in­ komstenbelasting 2001 heeft de staatssecretaris van zijn bevoegdheid gebruikgemaakt om nadere regels over de toerekening van vermogen van APV’s gegeven. Bestaande APV’s Voor op 1 januari 2010 bestaande APV’s geldt een be­ perkt overgangsrecht, neergelegd in art. 10a.7 Wet IB 2001. ­Alleen kleine APV’s blijven onder omstandighe­ den uit doelmatigheid buiten de toerekeningsfictie. Voorwaarden zijn dat de inbrenger op 1 januari 2010 al moet zijn overleden, dat het vermogen van het APV minder dan 5000 euro bedraagt en dat tot het vermo­ gen van het APV geen AB-pakketten mogen behoren (lid 1). Bestaande afspraken tussen de inspecteur en de be­ trokkenen over de toerekening van het vermogen en in­ komen van een APV worden bovendien gerespecteerd. Wordt bijvoorbeeld reeds sinds jaar en dag toegerekend aan de generatie van de kinderen van de inbrenger op basis van afspraken met de inspecteur, dan wordt die toerekening ook na 1 januari 2010 gevolgd. Behoren


n n n n n

­ ermogensbestanddelen uit box 1 tot het vermogen van v een bestaand APV, dan moet voor de bepaling van inko­ men uit werk en woning, bijvoorbeeld de winst of het resultaat uit overige werkzaamheden, het onderne­ mingsvermogen en het resultaatvermogen per 1 januari 2010 worden gesteld op de historische kostprijs. De ver­ krijgingsprijs van AB-pakketten in een bestaand APV wordt vastgesteld op de verkrijgingsprijs van de inbren­ ger die zou hebben gegolden als van inbreng in een APV geen sprake zou zijn geweest; een step-up naar de waar­ de in het economische verkeer op bijvoorbeeld 1 januari 2010 is dus niet mogelijk.

b. Transparantie in de schenken erfbelasting De transparantie in de inkomstenbelasting werkt recht­ streeks door naar de heffing van schenk- en erfbelasting. In de artikelen 16, 17, 17a en 26a van de Successiewet 1956 en in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling schenken erfbelasting zijn de betreffende bepalingen over APV’s opgenomen. Gevolg van de gekozen systematiek van transparantie is dat de schenking van vermogensbestand­ delen aan een APV niet belast is met schenkbelasting. Het bijeenbrengen van vermogen in een familietrust of familiestichting kan daardoor onbelast plaatsvinden; de gewenste bundeling en bescherming van familiekapitaal worden zodoende fiscaal niet belemmerd. Schenkt een APV, dan is dit wel belast met schenkbelasting: immers, geacht wordt dat de inbrenger schenkt. De relatie tussen de inbrenger en de begiftigde is bepalend voor het toepas­ selijke schenkingstarief (verwanten- en niet-verwanten­ tarief). Overlijdt de inbrenger, dan wordt erfbelasting ge­ heven: geacht wordt namelijk dat het vermogen van het APV tot de nalatenschap van de overleden inbrenger be­ hoort. De relatie tussen de overledene en de erfgenaam is bepalend voor het toepasselijke erfbelastingtarief. Deze personen kunnen als gevolg van de fiscale transparantie voor AB-pakketten van het APV gewoon gebruikmaken van allerlei (bedrijfsopvolgings)faciliteiten die bestaan voor grootaandeelhouders. Het vermogen in het APV be­ hoort vervolgens tot het vermogen van de erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. Overlijdt een erfgenaam, dan behoort zijn deel van het vermogen van het APV tot zijn nalatenschap en vererft het wederom belast naar de opvolgende erfgenamen. Vorenstaande geldt ook voor APV’s die zelfstandig aan een winstbelas­ ting zijn onderworpen: ook deze APV’s vererven zodra de inbrenger overlijdt.

c. Transparantie in de vennoot­­schapsen dividendbelasting In zowel de vennootschapsbelasting (art. 8, lid 15) als de dividendbelasting (art. 4, lid 8, onderdeel c) zijn bepalin­ gen opgenomen die ervoor zorgen dat het tussenschui­ ven van een APV fiscaal wordt genegeerd. Zo kan de ­zogenoemde ‘verbondenheid’ van verschillende rechts­ personen en natuurlijke personen niet worden ontgaan en blijven allerlei antimisbruikbepalingen van toepas­

sing. Zondert een vennootschapbelastingplichtig li­ chaam vermogen af in een APV, dan is voor die situatie geen aparte wettelijke voorziening getroffen. In de mees­ te situaties is dat geen probleem, omdat de afzondering in feite plaatsvindt ten faveure van de aandeelhouder/­ natuurlijke persoon van de vennootschap. Fiscaal wordt eerst een belaste winstuitdeling van de vennootschap aan de aandeelhouder geconstateerd, gevolgd door in­ breng door de aandeelhouder van de winstuitdeling in het APV; de inbreng in het APV is derhalve onbelast voor de schenkbelasting.

d. Invorderingsmogelijkheden Een integraal systeem van verschillende heffingswetten werkt alleen als de invordering van de ontstane belas­ tingschulden is verzekerd. Daartoe is een bijzonder ver­ haalsrecht voor de fiscus geïntroduceerd in art. 23a van de Invorderingswet 1990. Voor de invordering geldt een zogenoemde drietrapsraket. Allereerst worden belasting­ schulden ingevolge de toerekening van het vermogen van een APV ingevorderd bij de belastingschuldige (de in­ brenger of diens erfgenamen) zelf. Indien de invordering daar niet (volledig) slaagt, wordt in tweede instantie in­ gevorderd bij het APV. Mocht de invordering daar ook (deels) vruchteloos zijn, dan komen ten slotte de goede­

Voorkomen van een geconstrueerd invorderingsvacuüm ren in beeld van derden waarin het APV als deelnemer een belang heeft van ten minste 5 procent. De tweede in­ vorderingsmogelijkheid ziet met name op APV’s die zijn gevestigd in Nederland of in een land waarmee Nederland een (invorderings)verdrag heeft gesloten. De derde invor­ deringsmogelijkheid ziet vooral op de situatie dat het APV is gevestigd in een niet-coöperatief land of een land waarmee geen invorderingsverdrag bestaat. Op deze wij­ ze zijn onverhaalbare belastingvorderingen toch te innen als het APV bepaalde bezittingen in Nederland (vaak meerderheidbelangen in vennootschappen) heeft. Een geconstrueerd invorderingsvacuüm wordt zo voorko­ men. Verhaal kan ten hoogste worden gezocht tot de waarde van het belang.

Conclusie De nieuwe wettelijke regeling voor APV’s is simpel en maakt een einde aan veel fiscale constructies met trusts en (buitenlandse) stichtingen. Fiscale transparantie is ­begrijpelijk, ook voor belastingplichtigen. Keuzes voor andere fiscale systemen stuiten op (te) grote problemen. Fiscale transparantie levert bovendien een belangrijk aantal voordelen op: de inbrenger behoudt voor de inge­ brachte vermogensbestanddelen zijn recht op verschil­ lende vrijstellingen en fiscale faciliteiten. n

maart 2010 | nummer 3 | het Register

27


IN

De praktijk Compliance officer Hans Evers

Accountants willen te snel melden Als jurist heeft compliance officer Hans Evers een andere kijk op het melden van ongebruikelijke transacties dan accountants. Datzelfde geldt voor horizontaal toezicht. ‘Je kunt geen garanties geven.’ Door Lex van Almelo

‘B

ij ongebruikelijke transacties hebben accoun­ tants een materiële benadering. Vaak gaat het zo dat er een medewerker bij mij binnenkomt en zegt: “Ik kom kennis geven van een mel­ ding. Een cliënt vertelde mij misschien wel € 1 miljoen in Luxemburg te hebben”. In zijn materiële benadering denkt de accountant al gauw: dat is de waarheid dus moet ik melden bij FIU-Nederland. Je moet hierbij verschrikke­ lijk opletten en geen foutieve melding doen, anders krijg je een claim van de cliënt. Je moet dus eerst doorvragen naar de feiten en omstandigheden en als je gaat melden, moet je die ook weergeven. Voordat we besluiten te melden pak ik eerst het wetboek – de Wet ter voorkoming van witwassen en terrorismefi­ nanciering, de Wwft – en de jurisprudentie erbij. In 2008 heeft de Hoge Raad gezegd dat zwart geld ook ‘uit enig misdrijf afkomstig’ is. Sindsdien bestaat er geen twijfel meer over het moeten melden van zwart geld. Wij mel­ den inkeerders dan ook per definitie. Wij voeren eerst een oriënterend gesprek ter vaststelling van de rechtspo­ sitie en doen direct daarna melding. Volgens demissio­ nair minister De Jager zijn er in 2007 24 meldingen bij de FIU gedaan, waarvan dertien door belastingadviseurs

28

het Register | maart 2010 | nummer 3

en elf door advocaten. Dit aantal zal in 2009 beduidend hoger liggen als ik alleen kijk naar onze eigen meldingen en de ontwikkelingen rond de inkeerregeling.’

Teamwork Hans Evers gaat in 1976 direct na de middelbare school aan de slag bij Govers Accountants in Eindhoven dat be­ drijven en vermogende particulieren in Zuidoost Brabant bedient. Hij begint in de samenstellingspraktijk en ver­ zorgt aangiften voor mkb-bedrijven. Hij haalt achtereen­ volgens zijn praktijk-, MBA- en SPD-diploma, volgt de opleiding van de Federatie Belastingadviseurs en sluit daarna met succes de studie fiscaal recht aan de Univer­ siteit van Tilburg af. ‘De meeste medewerkers gingen de accountantskant op, maar ik koos voor de fiscale richting. Ik heb altijd affini­ teit gehad met de fiscaliteit. In het mkb ligt de prioriteit bij belastingzaken. Daar kun je geld verdienen voor de klant.’ Govers heeft ongeveer honderd medewerkers, onder wie vijftien belastingadviseurs en 25 accountants. Daar­ bij zijn de accountants zo fiscaal geschoold dat zij een fiscale jaarrekening kunnen maken. De belastingadvi­


n n n

seurs adviseren vanuit de jaarrekening van de cliënt. De accountants en belastingadviseurs werken samen in teams van vier á vijf mensen. Daardoor leert de jongste bediende het vak en kan de cliënt altijd wel iemand te spreken krijgen die zijn dossier kent. Voor de ruim honderd wettelijke controles heeft het kantoor aparte controleteams.

Compliance en vaktechniek Dat Govers Evers heeft aangesteld als compliance officer is een uitvloeisel van de controlepraktijk. ‘Wij hebben in het najaar van 2006 een vergunning aangevraagd bij de Autoriteit Financiële Markten. Het Bureau Vaktechniek heeft toen een heel stelsel van kwaliteitsbeheersing op poten gezet. In 2008 is de vergunning toegekend met de aanbeveling de kwaliteitsafdeling te scheiden van de compliancefunctie. Het Bureau Vaktechniek bemoeit zich nu met de kwaliteitsbeheersing en bestaat volledig uit accountants. Voor de compliancefunctie ziet de AFM graag een beleidsbepaler met een juridische achtergrond. Omdat ik jurist ben en partner in de maatschap viel de keuze op mij.’ Luisteren de accountants wel naar een jurist? ‘Dat denk ik wel. Als het goed is, moet ik iedereen van de ratio van mijn voorstel kunnen overtuigen. Overigens wordt een groot deel van de werkzaamheden uitgevoerd door een extern ingehuurde accountant die ook heeft ge­ holpen bij het opzetten van het kwaliteitsbeheersings­ systeem. Hij is de externe compliance officer. Ik ben de interne.’

Scheringa ‘De compliance officer ziet erop toe dat het kantoor de wetten en regels naleeft. De belangrijkste wetten zijn, be­ halve de Wwft, de Wet toezicht trustkantoren en de Wet toezicht accountants. Wij hebben een aparte bv voor trustactiviteiten. Sommige cliënten willen omwille van de privacy of om fiscale redenen een vestiging in Neder­ land hebben. Wij willen alleen hun brievenbus zijn als wij hiervoor een verzoek krijgen uit ons inter­nationale net­ werk UHY. Wij zijn er zeer terughoudend in. De Neder­ landsche Bank zit bovenop dit soort activiteiten.’ Aha, dus De Nederlandsche Bank zit wel ergens bovenop? ‘Nou, wij zouden een half jaar geleden bezoek krijgen van de toezichthouder, maar die afspraak werd afgezegd. Wij zeiden toen gekscherend: doe de groeten aan meneer Scheringa! Je moet het toezicht niet onderschatten. Grant Thornton had haar trustactiviteiten ondergebracht in een apart trustkantoor. Er stonden toch nog zes cliën­ ten ingeschreven op het adres van het gewone kantoor. De Nederlandsche Bank heeft daarvoor een boete van € 80.000 opgelegd.’

Review van reviews ‘De Wet toezicht accountants dwingt ons effectieve con­ trolemaatregelen te treffen. Het kantoor reviewt daar­ voor de werkzaamheden van accountants. Als compliance

officer review ik de reviews. Ik kijk steekproefsgewijs in de dossiers of de praktijk wel overeenstemt met het be­ leid dat wij hebben geformuleerd bij het opzetten van het kwaliteitsbeheersingssysteem. Voor assuranceop­ drachten hebben wij een handboek met strenge normen. Ook werkzaamheden die aan assurance verwant zijn moeten aan deze normen voldoen. Voor de samenstel­ lingspraktijk hebben wij de onafhankelijkheidseisen ­overigens wel genuanceerd. December vorig jaar zijn wij voor het eerst getoetst vanuit de SRA. Op een paar klei­ nere puntjes op dossierniveau na hebben wij die toets prima doorstaan. Wij behouden dus onze controlever­ gunning.’ Samen met de externe compliance officer controleert Evers verder of iedereen wel voldoet aan de permanenteeducatieverplichtingen. ‘Die verplichtingen leggen wij ook op aan de twee belastingadviseurs die niet bij een ­beroepsorganisatie zijn aangesloten.’

Vreemde eend Dat een jurist de compliancefunctie uitoefent op een ­accountantskantoor is inderdaad niet gebruikelijk, be­ aamt Evers. ‘In de compliancekring van de SRA zit buiten mij nog een niet-accountant, een privaatrechtjuriste. Ik ben een vreemde eend in de bijt. Doen de andere accountantskantoren, die een accountant als compliance officer hebben, het dan niet goed? ‘De AFM wil de compliance functie vooral zuiver hou­ den, zodat een accountant niet zijn eigen opdrachten beoordeelt. De grote kantoren lossen dat op het door een accountant te benoemen die zelf geen wettelijke controles uitvoert. De kleinere kantoren hebben daar­ voor vaak onvoldoende schaalgrootte. Een optie is dan dit uit te besteden aan een externe accountant. Die heeft namelijk ervaring als accountant en kent de regels voor accountants beter. Onze externe compliance officer doet dit werk ook voor andere accountantskantoren. Hij is echt een specialist. Als ik geen mede compliance officer had die accountant is, zou het voor mij een enorme toer zijn. Je moet dan ook kennis hebben van de Verordening gedragscode en andere regels voor accountants. Dat kun je alleen behap­ pen als je er fulltime mee bezig bent. Voor mij is het een deeltijdfunctie. Ik vind het leuk om te blijven adviseren en wil graag met een been in de praktijk blijven staan. Die praktijk is vaak weerbarstiger dan de boeken voor­ schrijven. De externe compliance officer voert het werkprogramma uit op de compliance afdeling en is daarvoor één dag per week vrijgesteld. Hij doet de onderzoeken, de reviews, de verslaglegging. Wij beslissen samen welke adviezen wij geven aan het bestuur van de maatschap. En wij ne­ men samen besluiten over vragen die samenhangen met klachten, overtredingen van regels en van opdrachtge­ richte kwaliteitsbeoordeling, ofwel: de toevoeging van een extern accountant aan een dossier. Daarbij voeren wij ook intensief overleg met vaktechtniek.’

maart 2010 | nummer 3 | het Register

29


In de praktijk

n n n

Horizontaal toezicht

APK

‘Het horizontaal toezicht bezorgt ons hoofdbrekens. Als de Belastingdienst middelgrote ondernemingen uit onze praktijk rechtstreeks benadert, zijn wij daar indirect bij betrokken. Voor zover cliënten daarvoor kiezen hebben wij als kantoor geen moeite ons bij het convenant aan te sluiten. Maar wanneer wij als kantoor een "kantoorcon­ venant" afsluiten zijn ook onze kleinere cliënten daaraan gebonden. Dan moeten ook hun werkzaamheden en dos­ siervorming daaraan voldoen en daar moeten wij dan voor instaan. Als je die convenanten materieel benadert dan voldoen veel kantoren er eigenlijk al aan, maar als je ze juridisch leest is dat onmogelijk. Met de bepalingen over garanties kun je juridisch niet uit de voeten. Dan moet elke aangifte perfect zijn, maar als "goed" betekent "goed genoeg" dan zie ik geen problemen.’

Zal de cliënt niet proberen over de grenzen te gaan als hij onder het convenant valt en de inspecteur niet meer langskomt? ‘Vergelijk het met een apk-keuring. Als de cliënt zegt: "De remmen hoef je niet na te kijken, want dat heb ik zelf al gedaan dus keur ze maar goed." Dan zeg je als keurmees­ ter: "Ik ga mijn vergunning niet in de waagschaal stellen, dus ik keur die remmen of je gaat maar naar een ander." Wij moeten onze eigen verantwoordelijkheid nemen. We moeten de auto afmelden of afscheid nemen van de cli­ ënt. Daarbij zijn wij wellicht roomser dan de paus.’

Bij geschillen zullen de bepalingen waarschijnlijk juridisch worden bekeken, denkt u niet? ‘Daar zijn veel kantoren huiverig voor. Zolang daar twijfels over bestaan sluiten maar weinig kantoren een convenant. Als wij die afspraken ook zouden maken voor kleinere cli­ ënten die daar niet onder willen vallen, wordt het lastig.’ Hebben cliënten die dat niet willen straks iets uit te leggen? ‘Ja, mogelijk worden die bedrijven op een apart lijstje gezet.’

Willen cliënten dat wel? ‘Het merendeel zegt: "Ik heb niets te verbergen, maar wat kost het?" Bij horizontaal toezicht heb je als kantoor de neiging om naar volledigheid te streven en alles na te lopen. Maar je moet het toch efficiënt doen anders loop je in de kostenfuik. Het risico van een bestuurlijke boete als de adviseur meewerkt aan een fiscaal delict dwingt hem de weg van het horizontaal toezicht op. De SRA zegt dat er geen sprake kan zijn van een bestuurlijke boete bij horizontaal toezicht. Dan is goed ook goed genoeg. Dat klinkt mooi, maar de rechter moet zich daarover nog uitspreken.’ n

Advertentie

Wij maken nooit fouten… U bent een deskundig en professioneel belastingadviseur. Toch kunt u onbedoeld fouten maken. Dan is het van belang dat u een goede beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft. Vandaar de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Steijnborg, speciaal ontwikkeld voor de aangesloten leden. Voor nadere informatie, of een offerte kunt u telefonisch contact opnemen met Dennis van Hartevelt of Bram Meijboom, of u kunt terecht op onze website: www.steijnborg.nl/rb Ook voor uw bestaande verzekering, loont het de moeite om te vergelijken.

Steijnborg Assurantiën B.V. Vaartweg 81, 1211 JG Hilversum, Telefoon 035 - 623 8940, E-mail info@steijnborg.nl

30

het Register | maart 2010 | nummer 3


IN

Jurisprudentie en wetgeving Inkomstenbelasting Dwangsom viel buiten stakingswinst Aanloopverliesregeling niet voor dga n Urenspecificatie niet voldoende n H  oge Raad formuleert nieuwe regels terbeschikking­ stellingsregeling n n

Loonbelasting 31 31 32

n

32

n

Vennootschapsbelasting n V  erkoop woning aan schoonzoon dga was onzakelijk

n n n n n

n

Gebruikelijk loon mocht op € 500 per jaar Forfait werkkostenregeling terug naar 1,5%

33 33

Successiewet Certificeringsvoorwaarden bepaalden waarde

34

Formeel belastingrecht 33

n n

Geen boete als inspecteur nalaat biljet toe te sturen Termijn van twee weken ook bij vertraging

34 35

Inkomstenbelasting

2010/10 Dwangsom viel buiten ­stakingswinst

2010/11 Aanloopverliesregeling niet voor dga

Hof Den Bosch heeft onlangs beslist dat een dwangsom

De Hoge Raad heeft recentelijk bepaald dat een directeur-

die bij overdracht van een onderneming moet worden

grootaandeelhouder geen gebruik kan maken van de rege-

­betaald geen onderdeel hoeft uit te maken van de koopsom.

ling van aanloopverliezen bij de start van verhuur van een

Dit heef tot gevolg dat een dwangsom buiten de stakings-

pand dat voorheen tot box 3 behoorde.

winst kan vallen. Belanghebbende verkocht op 19 augustus 2003 haar akkerbouw­ bedrijf voor ruim € 3,5 miljoen. De koper werkte niet mee met de levering en werd door de voorzieningenrechter veroordeeld tot betaling van de koopsom op straffe van een dwangsom van € 4000 per dag. Op 12 juli 2004 vond de levering plaats waarbij de koper een dwangsom betaalde van € 350.000 en een rentevergoeding van bijna € 2 ton. Belanghebbende gaf in haar aangifte inkomsten­ belasting 2003 stakingswinst aan, exclusief de dwangsom. De in­ specteur verhoogde deze winst met de dwangsom en de rente. De rechtbank besliste dat dit onjuist was, waarna de inspecteur ­ in hoger beroep ging.

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) kocht een pand dat zij grondig liet renoveren. Het pand viel in deze periode in box 3. Na de renovatie werd het winkelgedeelte aan de eigen bv verhuurd, waardoor de tbs-regeling van toepassing was. De dga wilde de reno­ vatiekosten als aanloopverlies in aftrek brengen. Het hof besliste, net als de rechtbank, dat dit niet mogelijk was. De regeling van aan­ loopverliezen (artikel 3.10 Wet Inkomstenbelasting 2001) is be­ doeld voor het alsnog in aanmerking nemen van kosten en lasten die nog niet eerder in aftrek zijn gebracht, omdat onduidelijk is of sprake is van een bron van inkomen. Het winkeldeel was echter vanaf de aankoop een bron van inkomen en behoorde tot de start van de verhuur tot box 3, aldus het hof.

Privévermogen

Terbeschikkingstelling

De inspecteur voerde aan dat ondanks het beëindigen van het ­ bedrijf in 2003 de onroerende zaken niet naar het privévermogen konden overgaan vóór het moment van levering. Het hof was het hier niet mee eens. Belanghebbende had haar bedrijf in 2003 beëin­ digd, waardoor de onroerende zaken geen functie meer vervulden binnen dat bedrijf. Belanghebbende hield de onroerende zaken ­alleen aan in afwachting van de levering. Dit gebeurde bovendien buiten haar wil om. De inspecteur voerde daarna aan dat de dwang­ som onderdeel moest zijn van de koopsom en daardoor tot de sta­ kingswinst moest worden gerekend. Ook deze stelling werd door het hof verworpen. De dwangsom vloeide volgens het hof namelijk niet voort uit de koopovereenkomst van 19 augustus 2003, maar uit de uitspraak van de voorzieningenrechter. Ook de rentevergoe­ ding behoorde niet tot de koopsom.

De Hoge Raad benadrukte dat de regeling van aanloopverliezen al­ leen kan gelden als de kosten nog niet kunnen worden aangemerkt als kosten van een onderneming respectievelijk kosten van terbe­ schikkingstelling. In onderhavige zaak ging een pand over van box 3 naar box 1. Voordat de tbs-regeling van toepassing was behoorde het pand tot box 3. In die box was al forfaitair rekening gehouden met kosten en lasten die betrekking hadden op het pand. In dat ge­ val kon niet ook nog eens met een aanloopverlies in box 1 rekening worden gehouden. AG Niessen concludeerde dat renovatie- en fi­ nancieringskosten voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van een pand aan de bv, als aanloopverliezen aftrekbaar moeten zijn. De Hoge Raad heeft echter in ­afwijking van dit advies arrest gewezen.

n

n

Hoge Raad, 22 januari 2010, LJN: BI9751

Hof Den Bosch, 23 oktober 2009,LJN: BK7328

maart 2010 | nummer 3 | het Register

31


Jurisprudentie en wetgeving

n n n n n

2010/12 Urenspecificatie niet ­voldoende Om in aanmerking te komen voor de zelfstandigenaftrek is het specificeren van uren niet altijd voldoende. Hof ­Leeuwarden heeft recentelijk beslist dat een splitsing ­tussen ondersteunende en hoofdwerkzaamheden nood­ zakelijk kan zijn. Belanghebbende was samen met partner en zoon werkzaam in een vennootschap onder firma (vof). In het betreffende jaar had belang­ hebbende meer dan 1225 uur in de onderneming gewerkt, op grond waarvan de zelfstandigenaftrek werd geclaimd. De inspecteur wei­ gerde dit, omdat hoofdzakelijk werkzaamheden van ondersteunen­ de aard waren verricht. Bovendien was het samenwerkingsverband tussen belanghebbende, haar partner en haar zoon ongebruikelijk. De rechter gaf echter belanghebbende gelijk, waarna de inspecteur hoger beroep bij het hof instelde. Het hof stelde vast dat belangheb­ bende haar werkzaamheden wél had gespecificeerd, maar de daar­ aan bestede uren niet had uitgesplitst. Daardoor was volgens het hof niet vast te stellen welk deel van haar werkzaamheden onder­ steunend waren. Ook vond het hof het samenwerkingsverband on­ gebruikelijk. Belanghebbende had geen bewijs kunnen overleggen dat dergelijke samenwerkingsverbanden tussen ‘niet-verbonden’ personen bestaan. Het hof gaf de inspecteur gelijk met als gevolg dat geen recht bestond op de zelfstandigenaftrek. n

Hof Leeuwarden, 18 december 2009, LJN: BK7398

2010/13 Hoge Raad formuleert ­nieuwe regels terbeschikkings­ tellingsregeling De Hoge Raad heeft zich op 22 januari 2010 in een aantal arresten uitgesproken over het aanvangsmoment van de terbeschikkingstellingsregeling ex artikel 3.92 Wet IB 2001 (hierna: tbs-regeling) alsmede de vraag of optie(verplichtingen) op de aankoop van ter beschikking gestelde zaken onder voornoemde tbs-regeling vallen. Allereerst het aanvangsmoment. In geschil was of een in 2002 aan­ geschaft pand dat eerst in 2003 feitelijk ter beschikking werd ge­ steld in het jaar van aanschaf reeds onder de tbs-regeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 viel. De Hoge Raad overwoog dat uit de parlemen­ taire geschiedenis moet worden afgeleid dat beoogd is een verge­ lijkbare behandeling te realiseren van enerzijds de IB-ondernemer die een activum heeft aangeschaft ten behoeve van zijn onderne­ ming en anderzijds de aanmerkelijkbelanghouder die een in privé aangeschaft vermogensbestanddeel aan zijn vennootschap ter be­ schikking stelt. Als het tbs-object pas in het jaar van feitelijke ter­ beschikkingstelling geactiveerd zou mogen worden op de tbs-ba­ lans zou dit een discrepantie opleveren met de IB-ondernemer, die een ten behoeve van zijn onderneming aangeschaft activum wel di­

32

het Register | maart 2010 | nummer 3

rect zou kunnen activeren op zijn ondernemingsbalans. Gelet hier­ op oordeelde de Hoge Raad dat in alle gevallen waarin een onroe­ rende zaak wordt aangeschaft met de gezamenlijke bedoeling van de tbs’er en de bv om die zaak in gebruik te geven aan die bv en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt, reeds sprake is van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 1, Wet IB 2001 op het aanschafmoment.

Geen andere aanwending Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de aanschaf van een onroerende zaak slechts sprake kan zijn van terbeschikkingstel­ ling, indien van het moment van de aanschaf af geen andere aan­ wending van de onroerende zaak plaatsvindt. In de aan de Hoge Raad voorgelegde zaken was sprake van aankoop van een pand door de dga in privé met de intentie om dat pand aan de bv c.q. de vof waarin deze bv participeerde ter beschikking te stellen. Tussen het moment van aankoop en dat van de daadwerkelijke ingebruik­ geving zat de nodige tijd om het pand te verbouwen. Doordat het pand reeds vanaf aanschaf in de tbs-regeling zat, waren de verbou­ wingskosten aftrekbaar in box 1 en verdampten deze gelukkig voor belastingplichtige niet in box 3.

Optieverplichtingen van vóór 2001 op tbs-pand Twee arresten van de Hoge Raad hebben betrekking op in de­ cember 2000 met een eigen bv afgesloten optieovereenkomsten voor de verkoop van een pand dat was verhuurd aan de bv. Het betroffen dus opties van vóór de inwerkingtreding van de tbs-­ regeling, die via de wetswijziging van 1 januari 2001 onder de tbs-regeling werden gebracht. Bedoeling van deze opzet was ­uiteraard om de toekomstige waardeaangroei in de vorm van een optiepremie onbelast te toucheren. De optieverplichtingen ver­ vielen na 1 januari 2001 door afkoop van de optie respectievelijk door uitoefening ervan door de bv. In geschil was of de optiever­ plichting zodanig met het tbs-pand verbonden was dat deze moest worden gerekend tot het tbs-vermogen. De Hoge Raad overwoog eerst dat artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001 bepaalt dat onder het rendabel maken van vermogensbe­ standdelen mede worden begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen. Vervolgens over­ woog hij dat de voor de optieverlener uit de optieovereenkomst voortvloeiende verplichting, die ten tijde van het aangaan van de optieovereenkomst overeenstemt met het bedrag van de op­ tiepremie, moet worden aangemerkt als een in artikel 3.92 van de Wet IB 2001 bedoelde schuld, omdat die rechtstreeks samen­ hangt met het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel. Deze verplichting verdwijnt op een zeker moment uit het werk­ zaamheidsvermogen, met name als gevolg van uitoefening van de optie, door het verstrijken van de termijn gedurende welke de optie kon worden uitgeoefend of door het afkopen ervan. Bijge­ volg werd in de procedure, waarbij de bv overging tot uitoefening van de optie, de vervallen optieverplichting tot het resultaatsin­ komen van box 1 gerekend. In de andere zaak had een dga de ­optieverplichting tegen betaling van een afkoopsom aan de bv afgekocht en was het verschil tussen de boekwaarde van de op­ tieverplichting (optiepremie zijnde de contante waarde van de te verwachten waardestijging minus afschrijvingen) en de af­ koopsom ook belast in box 1. n

Hoge Raad, 22 januari 2010, LJN: BF2227, LJN: BI9790, LJN: BI1155 en LJN: BI1196.


n n n n n

Vennootschapsbelasting

2010/14 Verkoop woning aan ­schoonzoon dga was onzakelijk Onlangs oordeelde Rechtbank Den Haag dat de verkoop van een woning door een bv aan een schoonschoon van de dga een onzakelijke transactie was. Navordering volgde. Belanghebbende bv ontwikkelde in 1999 een project voor de bouw en verkoop van zes woningen. De schoonzoon van de direc­ teur-grootaandeelhouder van belanghebbende was in loondienst bij de dochtermaatschappij van belanghebbende, waarmee een fiscale eenheid Vpb werd gevormd. Een van de woningen werd in november 1999 tegen kostprijs verkocht aan de schoonzoon. De inspecteur legde belanghebbende navorderingsaanslagen ven­ nootschapsbelasting 2000 en 2001 op, voor het verschil tussen de kostprijs van de aan de schoonzoon verkochte woning en de ver­ koopprijs van de andere woningen. Bovendien werden deze ver­ hoogd met vergrijpboeten van 50%. Belanghebbende ging hierte­ gen in beroep.

Onttrekking De rechter stelde vast dat belanghebbende zich een voordeel had laten ontgaan en dat zowel de bv als de dga zich daarvan bewust waren geweest. Omdat de woning tegen kostprijs was verkocht meende de rechter dat sprake was van een onttrekking. Belangheb­ bende had volgens de rechter niet aannemelijk gemaakt dat winst­ gemis was ingegeven door zakelijke motieven. Zij voerde als zake­ lijk motief aan dat de woning tegen een te lage prijs was verkocht om het lage salaris van de schoonzoon te compenseren. Dit achtte de rechter echter niet bewezen. In de loonboekhouding was hier­ over niets terug te vinden. De navorderingsaanslagen bleven in stand. De rechter besliste uiteindelijk dat de inspecteur de correc­ tie op de winst terecht aan de jaren 2000 en 2001 had toegerekend. Dit was overeenkomstig de mate van winstneming van de bv op de andere vijf woningen. Op een ander onderdeel kreeg belangheb­ bende wel het gelijk aan haar kant. De rechter vernietigde namelijk de boeten. De inspecteur had vergrijpboeten opgelegd omdat spra­ ke zou zijn geweest van (voorwaardelijke) opzet. De rechter oor­ deelde echter dat belanghebbende niet willens en wetens had ge­ handeld met als doel te lage belastingaanslagen. n

Rechtbank Den Haag, 8 januari 2010, LJN: BL0777

Loonbelasting

2010/15 Gebruikelijk loon mocht op € 500 per jaar Rechtbank Den Haag heeft beslist dat een directeur-grootaandeelhouder die werkzaam is voor een holding-bv maar daar bijna geen werkzaamheden voor verricht, mag volstaan met een gebruikelijk loon van slechts € 500 per jaar.

Belanghebbende (dga) bezat alle aandelen in een holding. Deze hol­ ding bezat weer 50% van de aandelen in een werk-bv. De dga werd door zijn holding aan de werk-bv uitgeleend. De inspecteur stelde een gebruikelijk loon vast voor de werkzaamheden voor de holding op basis van de afroommethode. De dga ging hiertegen in bezwaar en beroep. Rechtbank Den Haag besliste dat de inspecteur onte­ recht de afroommethode had toegepast. Deze methode houdt in dat de inspecteur het gebruikelijk loon van een dga afleidt uit de winst van de bv verminderd met kosten, lasten en afschrijvingen. Maar deze is alleen bedoeld voor een enkelvoudige bv-structuur en daar was in onderhavige zaak geen sprake van. Dat had tot gevolg dat het gebruikelijk loon bepaald moest worden aan de hand van ­salarissen van werknemers met soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelde. Het was aan de dga om bewijs te leveren dat het ontvangen loon niet in belangrijke mate afweek van hetgeen in soortgelijke dienstbetrekkingen ge­ bruikelijk was. De rechter vond dat de dga daarin was geslaagd.

Beperkt tijdsbeslag De dga had aangevoerd dat de werkzaamheden voor de holding uit­ sluitend bestonden uit het opmaken, beoordelen en vaststellen van de jaarrekeningen, het beheren van de liquide middelen en het bij­ wonen van de vergadering van aandeelhouders. Dit kostte de dga minder dan 1% van zijn totale arbeidstijd. Gezien dit beperkte tijds­ beslag en de aard van de werkzaamheden kwam de rechter tot de conclusie dat hieraan slechts een zeer beperkt loon, van circa € 500 per jaar moest worden toegekend. n

Rechtbank Den Haag, 5 november 2009, LJN: BK3693

2010/16 Forfait werkkostenregeling terug naar 1,5% De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij het percentage van het forfait van de werkkostenregeling weer wil ­verhogen van 1,4 naar 1,5 van de fiscale loonsom. De nieuwe werkkostenregeling houdt in dat de werkgever vanaf 2011 1,4% van de fiscale loonsom onbelast mag vergoeden. De werkgever kan in de jaren 2011 tot en met 2013 kiezen of hij de werkkostenregeling toepast of de huidige regels voor vergoedingen en verstrekkingen handhaaft. Vanaf 2014 is de werkkostenregeling verplicht voor elke werkgever. De werkkostenregeling houdt in dat een vast percentage van de fiscale loonsom onbelast mag worden vergoed. Op grond van het wetsvoorstel Wet uniformering loonbe­ grip zal de belaste werkgeversvergoeding voor de inkomensafhan­ kelijke bijdrage Zorgverzekeringswet vervallen. In dat geval dalen de fiscale lonen doordat de werkgevers geen belaste vergoedingen voor de op het loon in te houden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet meer betalen. Daardoor zou de vrije ruimte in de werkkostenregeling worden versmald. Dit wordt nu voorkomen door het percentage voor die vrije ruimte met 0,1 % te verhogen. Dit betekent de forfaitaire ruimte van de werkkostenregeling weer op 1,5% van de fiscale loonsom staat. Dit is inmiddels verwerkt in een nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet uniformering loon­ begrip. Het percentage voor de werkkostenregeling stond in eerste

maart 2010 | nummer 3 | het Register

33


Jurisprudentie en wetgeving

n n n n n

instantie in het wetsvoorstel Fiscale Vereenvou­digingswet op 1,5%. Tijdens de Kamerbehandeling werd dit verlaagd naar 1,4%. En nu gaat het dus weer terug naar 1,5%. n

Tweede Kamer, 25 januari 2010, 32131 nr. 7 en Ministerie van Financiën, 2 februari 2010

Successiewet

2010/17 Certificeringsvoorwaarden bepaalden waarde De waarde die aan certificaten van aandelen op overlijdensdatum moet worden toegekend is in hoge mate afhankelijk van de voorwaarden waaronder de certificering heeft plaatsgevonden. Dat oordeelde Rechtbank Leeuwarden ­onlangs ter zake van vererfde certificaten van aandelen in een familiebedrijf. Belanghebbende erfde samen met zijn zus in 2003 onder meer de certificaten van aandelen in een familiebedrijf van vader. Belang­ hebbendes vader bezat 66,67% van de certificaten. Volgens de toenmalige statuten waren vader en zijn broer (hierna: oom) de bestuurders van de Stichting Administratiekantoor die alle stem­ gerechtigde aandelen in het familiebedrijf hield. Na het overlij­ den van de vader was de oom de enige bestuurder geworden. Bij zijn eventuele overlijden zou de echtgenote van de oom (hierna: tante) de enige bestuurder worden. De familieverhoudingen tus­ sen belanghebbende en zijn oom en tante waren verstoord. De oom verstrekte de certificaathouders geen informatie en keerde evenmin dividend uit. Bovendien was de dividend­prognose slecht.

Waardering aandelen De inspecteur ging voor de waardering van de aandelen uit van de intrinsieke waarde, die bedroeg € 784.198. Belanghebbende stelde echter dat voor de waardebepaling van de aandelen moest worden uitgegaan van een mix van intrinsieke waarde, rentabiliteitswaarde en rendementswaarde. Dit zou resulteren tot een waarde van € 443.128. Belanghebbende wees daarbij op zijn gemis aan zeggen­ schap in het familiebedrijf vanwege de certificering van aandelen, de bestuurszeggenschap van zijn oom en tante in de stichting ad­ ministratiekantoor en de verstoorde familieverhoudingen.

Waardering certificaten De rechtbank stelde voorop dat de waarde die aan de certificaten is toe te kennen, in hoge mate afhankelijk is van de voorwaarden waaronder de certificering heeft plaatsgevonden. Daarbij speelde met name dat aan de certificaten geen lidmaatschap van het be­ stuur van de Stichting Administratiekantoor was verbonden. Van­ wege het ontbreken van zeggenschap zou een potentiële koper de certificaten vooral zien als een belegging en daarom bij de waarde­ ring met name gewicht toekennen aan de rendementswaarde. De inspecteur had naar het oordeel van de rechtbank bij zijn waarde­ ring van de certificaten op de intrinsieke waarde miskend dat aan de certificaten geen zeggenschap was verbonden.

34

het Register | maart 2010 | nummer 3

Waarderingsmix De rechtbank beoordeelde vervolgens de door belanghebbende voorgestane waarderingsmix van rendementswaarde, intrinsieke waarde en rendementswaarde. Belanghebbende had gesteld dat de rendementswaarde nihil was, omdat in het verleden geen dividend was genoten en de verwachting bestond dat in de toekomst even­ min dividend zou worden genoten. De inspecteur had hiertegen geen verweer gevoerd waarop de rechtbank de rendementswaarde van nihil als vaststaand aannam. De rechtbank stelde verder vast dat belanghebbende en de inspecteur overeenstemming hadden be­ reikt over de hoogte van de intrinsieke waarde en de inspecteur de door belanghebbende voorgestane rentabiliteitswaarde niet had be­ streden. Vervolgens toetste de rechtbank de uitkomst van deze waarderingsmix aan de door belanghebbende bepleite waarde van de certificaten van aandelen en stelde vast dat deze laatste waarde in de gegeven omstandigheden niet als te laag kon worden be­ schouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag successierecht. n

Rechtbank Leeuwarden, 22 oktober 2009, LJN: BL1424

Formeel belastingrecht

2010/18 Geen boete als inspecteur nalaat biljet toe te sturen De belastinginspecteur mag geen boete opleggen als belastingplichtige te laat is met het doen van aangifte, maar tevergeefs meerdere malen verzocht heeft om uitreiking van een aangiftebiljet. Dat is de conclusie van Rechtbank Leeuwarden. Belanghebbende verzocht over een tijdvak waarover zij loonbe­ lasting/premies volksverzekeringen moest betalen om een aangif­ tebiljet. De inspecteur liet dit na, zelfs na meerdere verzoeken van belanghebbende. Bij een boekenonderzoek naar de aangiften loon­ belasting kwam een loonbelastingschuld aan het licht. De inspec­ teur legde belanghebbende vervolgens een vergrijpboete van 25% van de belasting op wegens grove schuld. De adviseur van belang­ hebbende maakte bezwaar tegen de boete en wees erop dat al vaker om uitreiking van een aangiftebiljet was verzocht. Nu er geen biljet was uitgereikt, ontbrak ook een betalingskenmerk. Rechtbank Leeuwarden was van oordeel dat belanghebbende voldoende stap­ pen had ondernomen de inspecteur te bewegen tot het uitreiken van een aangiftebiljet. Belanghebbende had bovendien het nog te betalen bedrag op haar balans staan. Hierdoor was duidelijk dat ­belanghebbende niet bewust betaling van de verschuldigde belas­ ting had willen ontduiken. Er was geen sprake van grove schuld, waardoor de boete werd vernietigd. n

Rechtbank Leeuwarden, 10 september 2009, LJN: BL1642


n n n n n

n Aangenomen TK

n Eindverslag TK

n Nota n.a.v. verslag TK

n Verslag TK

n Wetsvoorstel +MvT TK

De stand van Zaken

Wetgeving

Belanghebbende tekende bezwaar aan tegen een aanslag vennoot­ schapsbelasting over 2001. De rechtbank verzond op 27 februari 2008 haar uitspraak aangetekend aan belanghebbende. Belang­ hebbende gaf aan dat zij geen bericht had ontvangen dat er een aangetekend poststuk was aangeboden. Op 4 april 2008 verzond

n

Hoge Raad, 22 januari 2010, LJN: BL0078

n Staatsblad EK

spraak.

n Aangenomen EK

doen dat hij te laat kennis neemt van de rechtbankuit-

n Eindverslag EK

schrift is verschoonbaar als de indiener er niets aan kan

n Memorie van Antwoord EK

Een termijnoverschrijding bij indiening van een beroep-

n Voorlopig verslag EK

ook bij vertraging

de rechtbank de uitspraak opnieuw, dit maal per gewone post. ­Belanghebbende ontving deze uitspraak op 8 april 2008. Pas na 9 april 2008 diende belanghebbende een beroepschrift in tegen de uitspraak. Het hof verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het na de termijn van zes weken was ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat een beroepschrift dat na afloop van de beroepster­ mijn wordt ingediend, nog steeds ontvankelijk kan zijn als de in­ diener niet in verzuim is geweest. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de indiener met vertraging kennis neemt van de uitspraak en na ontvangst van de uitspraak alsnog zo snel mogelijk beroep in­ dient. Dat was volgens de Hoge Raad in deze zaak gebeurd. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond en verwees de zaak ­terug naar Hof Arnhem.

n Wetsvoorstel EK

2010/19 Termijn van twee weken

Wet kilometerprijs (32 216) Wijziging AOW, IB en LB i.v.m. de verhoging van de AOW-leeftijd (32 247) Rechtsbescherming bij belastingcontroles (30 645) BTW-tarief levende dieren (30 922) Wet uniformering loonbegrip (32 131) Wijziging AOW i.v.m. mogelijkheid om ouderdomspensioen op een later tijdstip te laten ingaan (31 774) Wet introductie premiepensioeninstellingen (31 891) Wijziging van de Wet OB i.v.m. aanpak constructies met (on)roerende zaken (30 061) Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (31 058) Invoeringswet titel 7.13 BW (31 065)

maart 2010 | nummer 3 | het Register

35


Pensioen

n n n n

Pensioen:

waar gaan we naartoe? De vergrijzing komt eraan. De AOW-leeftijd wordt verhoogd. Inmiddels hebben meerdere commissies hun licht doen schijnen over ons pensioenstelsel. Ook de Autoriteit Financiële Markten heeft ­bevestigd dat de pensioenverwachtingen veel te hoog zijn. Met ­andere woorden, waar staan we, wat is wel goed en wat juist niet en vooral, waar gaan we naartoe. Dit laatste is zeker ook van belang voor de directeur-grootaandeelhouder en de zelfstandige zonder personeel. Tijd voor een overzicht.

D Theo Gommer Mr. J.T. Gommer MPLA is partner bij Akkermans & Partners Legal & Advice in ­Tilburg. Daar­ naast is hij ­advocaat bij Gommer & Part­ ners Pensioen Advocaten en voorzitter van de Nederlandse Orde van Pensioen­ Deskundigen.

36

at de AOW-leeftijd zou worden verhoogd zat er al langer aan te komen. Wellicht heeft de economische voorspoed in de beginjaren van deze eeuw een definitieve keuze hier­ omtrent uitgesteld. Feit is dat de commissie-Bakker al in juni 2008 pleitte voor een verhoging van de AOWleeftijd. Vanaf 2020 gaat de AOW-leeftijd naar 66 jaar en vanaf 2025 naar 67 jaar. De enige twee keuzes die nog moeten worden gemaakt betreffen de werknemers in ‘zware beroepen’ en de vraag of niet voor iedereen een flexibele AOW mogelijk zou moeten zijn. Ik verwacht dat voordat in 2020 de AOW-leeftijd echt omhoog gaat, een flexibele AOW-leeftijd toch een feit zal zijn. Een ­hogere korting bij vervroegd ingaan en een s­ tevige bonus als de AOW later ingaat lijken mij in dat kader niet onverstandig. Van groter belang dan de mate waarin, is dát de AOW-­ leeftijd wordt aangepast. Niet alleen heeft dit gevolgen voor de tweede pijler (pensioen) en derde pijler (lijfrente), maar vooral ook omdat het A-woord nu is gevallen. Vol­ gende kabinetten kunnen veel gemakkelijker de AOWleeftijd verder aanpassen, bijvoorbeeld zoals de commis­ sie-Goudswaard al bepleit aan de alsmaar stijgende levensverwachting.

Pensioen

Overigens was een aanpassing aan de levensverwachting al voorzien in het oorspronkelijke wetsvoorstel van de AOW uit 1956, alleen vond men dat toen (!) in de Tweede Kamer nog niet nodig. De gemiddelde levensverwach­ ting was in die tijd 71 jaar voor mannen en 75 jaar voor vrouwen. Ter vergelijking, nu is dat ruim 78 jaar voor mannen en 82,5 voor vrouwen. Dat is dus zeven jaar ­langer AOW uitkeren!

Hoe houden we een toekomst­ bestendig pensioenstelsel?

het Register | maart 2010 | nummer 3

In vervolg op de verhoging van de AOW-leeftijd heeft het kabinet Balkenende IV besloten – het wetsvoorstel is al ingediend – dat de verhoging van de pensioenleeftijd ook voor wat betreft lijfrente naar 67 jaar moet. Het opbouw­ percentage wordt dan tegelijkertijd verlaagd naar 1,9. Op basis van de norm van 70% in 35 dienstjaren (dit is im­ mers het uitgangspunt van de Witteveen-wetgeving) is dit logisch. Men had ook radicaler kunnen denken. Im­ mers, vanaf 2007 is met de invoering van de Pensioenwet een startdatum van 21 jaar verplicht. Bij een pensioen­ leeftijd van 67 jaar is dan het aantal dienstjaren idealiter 46 waardoor een opbouwpercentage van 1,5 logischer was geweest. Blijkbaar wilde het kabinet Balkenende IV de commissie-Goudswaard niet te veel voor de voeten lopen en heeft het daarom a­ lleen de twee extra dienst­ jaren verdisconteerd. De aanpassingen gaan overigens pas in per 2020. Waarom het dan zo’n haast had toch een wetsvoorstel te presenteren, heeft mij verbaasd. Zeker nu het hierbij heeft aangegeven dat dit wetsvoorstel even een vluggertje is op hoofdlijnen en een doorwrocht ver­ volg krijgt. Als voorbeeld geef ik vaak aan dat ik hoop dat de uiterste pensioenleeftijd in het vervolgvoorstel toch wel van 70 naar 72 jaar gaat!

De commissie is inmiddels met het antwoord op deze vraag gekomen. Haar – mijns inziens terechte en juiste – conclusie is dat het huidige stelsel slechts tegen ‘te’ forse premieverhogingen houdbaar is. Te fors is hier 50%. Daar waar de werkgevers in het voorjaar van 2008 al aangaven dat het huidige premievolume te hoog is, mag duidelijk


n n n n

komstige rechten) als de dekkingsgraad hieronder komt. Binnen drie jaar moet op grond van een kortetermijnher­ stelplan de dekkingsgraad weer op peil (105%) zijn. Een geïndexeerd pensioen vereist gemiddeld een dekkings­ graad van circa 125% tot wel 150%. Als de uitvoerder hier­ onder komt, zal een langetermijnherstelplan worden op­ gesteld en wordt allereerst de indexatie beperkt. Naarmate de nominale dekkingsgraad dichterbij komt zullen de andere maatregelen aan de beurt zijn. Als het ernaar uitziet dat een uitvoerder in de komende vijf jaar niet boven de 105% komt, zal er tot slot moeten worden afgestempeld. Dit betekent dat nominale pen­ sioenrechten worden verminderd. De door de commissie voorgestelde situatie betekent dan feitelijk het volgende. Een dekkingsgraad van 105% wordt en blijft de norm. Pas als de dekkingsgraad hoger wordt is er ruimte voor indexatie. Een lagere dekkings­ graad dan 105% wordt gedurende een langere periode ­geaccepteerd zonder dat direct draconische maatregelen moeten worden genomen; bijvoorbeeld gedurende vijf jaar is een dekkingsgraad van 80% acceptabel als er maar voldoende uitzicht is dat op de langere termijn alles weer goed komt.

Financieel Toetsingskader

zijn dat een verdere verhoging, zeker van deze aard, er niet in zit. Er zal dus stevig moeten worden ingegrepen. De commissie geeft drie opties aan. De pensioenleeftijd moet (flexibel) omhoog naar minimaal 67 jaar. Een ver­ dere verhoging, afhankelijk van de toenemende levens­ verwachting richting 70 jaar, is te overwegen. Het op­ bouwpercentage, ofwel het ambitieniveau, moet omlaag. Daar waar nu wordt gerekend met 70% zal dit eerder 50% moeten worden. Een opbouwpercentage van 1,5 sluit daarbij goed aan. Bij 35 dienstjaren levert dit dan circa 50% op. Als iemand langer wil doorwerken – of eerder is begonnen – vertaalt zich dat in óf meer pensioen óf de mogelijkheid eerder met pensioen te gaan. Een laatste optie die de commissie aanreikt is om de ze­ kerheid van ons pensioenstelsel te verminderen. De ‘har­ de’ ambitie om koste wat het kost een geïndexeerd pen­ sioen te krijgen mag ‘zachter’. De indexatie zal dus nog meer afhankelijk worden van de behaalde beleggingsre­ sultaten en aanzienlijk minder van ingelegde premies. Ook de dekkingsgraad zal minder hard moeten worden. Grotere uitslagen hierbij zullen acceptabel moeten zijn. Dit kan als volgt worden vertaald. Nu is een dekkings­ graad voor het nominale pensioen van 105% vereist en moeten er direct maatregelen worden genomen (premie­ verhoging, aanpassing beleggingsbeleid, beperking toe­

De commissie-Don heeft zich eind 2009 gebogen over de parameters die mede bepalend zijn voor de dekkings­ graad, te weten de te hanteren rekenrente voor de con­ tantmaking van de verplichtingen en bezittingen (deze is binnen het vanaf 2007 geldende Financieel Toetsings­ kader (hierna: FTK) de marktrente) alsmede het rende­ ment dat mag worden gehanteerd voor wat betreft de toekomstige rendementen. De rekkelijken willen een contantmaking tegen een vaste rente van bijvoorbeeld 4% (zoals het voorheen was) en een hoog te hanteren rendementspercentage op de beleggingen zoals nu in het FTK mogelijk is. De preciezen streven naar aanscherping, voorzichtigheid dus, van het huidige FTK wat betreft de te verwachten rendementen. Gezien de uitkomst van de commissie-Goudswaard vermoed ik dat deze laatsten het gelijk aan hun kant krijgen. Voor zover van belang kan ik mij daarin goed vinden. De commissie-Don heeft niet tot een eenduidig antwoord kunnen komen. Vooralsnog blijft het huidige FTK dus van kracht. De commissie-Frijns heeft overigens slechts het beleg­ gingsbeleid van met name pensioenfondsen beoordeeld. Haar conclusie was dat hier aanzienlijke verbeteringen mogelijk zijn waardoor een beter rendement zou kunnen worden behaald of in elk geval minder verliezen worden geleden in slechte tijden.

Keuzes Het kabinet zal nu gevolg moeten geven aan het rapport van de commissie-Goudswaard. Dit zal naar mijn mening in elk geval resulteren in een verhoging van de pensioen­ leeftijd en een verlaging van het maximale opbouwper­ centage. Ik acht het niet onlogisch dat er in elk geval over een beperkt deel van het inkomen – gezien de discussie

maart 2010 | nummer 3 | het Register

37


Pensioen

n n n n

over een inkomensgrens voor werknemers in zware be­ roepen is € 35.000 realistisch – meer (pensioen)zeker­ heid komt dan voor het pensioeninkomen daarboven. De suggestie die de commissie-Goudswaard doet om de pen­ sioenleeftijd nog verder en sneller te individualiseren door deze per (groep) individu(en) aan te passen aan de levensverwachting, lijkt mij vooralsnog een brug te ver. In hun achterhoofd zal de wetenschap hebben gezeten dat bijvoorbeeld hoogopgeleide mensen langer leven dan laagopgeleide, waarbij inkomen ook een rol speelt.

Pensioenverwachtingen Tussen de diverse commissies door heeft de Autoriteit Fi­ nanciële Markten (hierna: AFM) na onderzoek geconclu­ deerd dat de pensioenverwachtingen van Nederlanders veel te hoog zijn. Iedereen verwacht aanzienlijk meer pensioen dan realistisch is. Niet alleen wordt het pensi­ oen in het algemeen te hoog ingeschat, maar ook worden de gevolgen van zaken als ‘pensioenbreuken’ en echt­ scheiding onderschat. Het is een open deur te stellen dat eigen aanvullende voorzieningen daarentegen in het al­ gemeen worden overschat!

Iedereen verwacht meer pensioen dan realistisch is Tot slot hebben alle commissies – en ook de AFM maar dat mag tot dusver logisch zijn – geconcludeerd dat er aanzienlijk beter over pensioen moet worden gecommu­ niceerd. Het feit dat de gemiddelde Nederlander zelf aan­ geeft weinig van pensioen te weten en matig geïnteres­ seerd te zijn in zijn pensioen, maar wel een pensioen verwacht van 70% van het laatstverdiende inkomen (in­ clusief indexatie) vanaf 65 jaar, zegt in dit kader genoeg.

Aanvullende voorzieningen Daar waar zowel de overheid als de werkgever zich terug­ trekt is de pensioengerechtigde steeds meer op zichzelf aangewezen. In een zich verder individualiserende maat­ schappij is dat overigens niet zo raar. Daarbij past een systeem waarbij er een (goede) basisvoorziening is, maar iedereen vervolgens zelf verantwoordelijk is voor de aanvulling daarop. Dat past overigens minder bij het beeld dat nog altijd van pensioen bestaat (collectief en solidair). Een aspect dat ik hierbij op voorhand wil aanstippen is dat individuele ver­ antwoordelijkheid en keuzemogelijkheden niet beteke­ nen dat het geld niet collectief kan worden beheerd. Dát als gevolg van individuele keuzes er druk ontstaat op de solidariteit is dan een feit. Immers, als een pensioenge­ rechtigde de keus krijgt bijvoorbeeld op de pensioenda­ tum een groter deel sneller te laten uitkeren, gaat dat ten koste van de solidariteit met degenen die verwachten heel oud te worden en juist kiezen voor zoveel mogelijk

38

het Register | maart 2010 | nummer 3

levenslange uitkeringen, al dan niet met indexatie. Nu er sowieso al een mogelijkheid is de pensioenuitke­ ringen te variëren binnen een bandbreedte van 100:75 is het mijns inziens (nog) slechts de vraag tot hoever. Tot 50%? Mag ik dan ook een deel van mijn pensioen, bij­ voorbeeld ook 50%, afkopen door middel van een lump­ sum op de pensioendatum? Bij ons is dat raar, maar in België juist heel gewoon!

Aanpassingen lijfrente Het kabinet Balkenende IV heeft in zijn wetsvoorstel ook al aangegeven dat in het lijfrenteregime het premieper­ centage van 17 naar 15 zal zakken. Dit is een vergelijkba­ re beperking als de verhoging van de pensioenleeftijd in het pensioen­regime. Het is minder relevant de ingangsdatum van lijfrenteuitkeringen (nu al) te beperken. De ingangsdatum van een oudedagslijfrente is immers vrij. De enige voorwaar­ de is dat de uitkering levenslang moet duren. Toch acht ik het logisch dat de ingangsdatum van de tijdelijke oude­ dagslijfrente van 65 naar 67 jaar verschuift.

De dga en de zzp’er Wat betekent dit alles nu voor de directeur-grootaandeel­ houder (hierna: dga)? De aanpassingen in de AOW raken hen natuurlijk hetzelfde als (gewone) werknemers. Ver­ volgens zullen zowel de aanpassingen in het pensioen (dga) als in het lijfrenteregime (dga én zzp’er) van in­ vloed zijn. Beiden kunnen net als de gewone werkne­ mers minder pensioen opbouwen. Net als nu kunnen ze, met name de dga, natuurlijk wel onder voorwaarden blij­ ven spelen met pensioengevend inkomen en met inkoop van dienstjaren. Het zal mij echter niet verbazen als kri­ tisch naar deze faciliteit wordt gekeken. Met de uitkom­ sten van de AFM in het achterhoofd mag duidelijk zijn dat de gemiddelde Nederlander voldoende pensioente­ kort heeft. Met de faciliteit van inkoop van dienstjaren heeft zowel de gewone werknemer als de dga echter ook voldoende fiscale ruimte om deze tekorten op te vullen. Dit blijft – en in dat kader zou de faciliteit juist niet moe­ ten worden beperkt – een individuele verantwoordelijk­ heid. Nu de uitgangspunten, de pensioenleeftijd en het opbouwpercentage toch worden beperkt zal dit implice­ ren dat ook de tekortruimte vermindert. Aan de andere kant zal het beslag dat wordt gelegd op de schatkist áls Nederlanders (de dga’s natuurlijk voorop) ‘en masse’ ­pensioen gaan inkopen niet mals zijn.

Eigen beheer Daar waar de harde pensioenversoberingen, zoals pensi­ oenleeftijd en opbouwpercentage, de dga en de zzp’er net zo hard zullen raken hebben zij natuurlijk minder last van de beperking van de zachte versoberingen. Ook nu zijn beiden al aangewezen op de zelf gekozen mate van zekerheid voor wat betreft de pensioenbeleggingen. De keus van de dga voor eigen beheer is daarvan een pri­ ma voorbeeld. Ik zal overigens eerlijk zijn, ook bij dga’s in de uitkeringsfase blijkt eerder dat er te weinig pensioen­ geld in de pot zit dan voldoende (om zowel het nominale


n n n n

áls de indexatie te kunnen uitkeren). Ook de zzp’er is aangewezen op de beleggingsgevolgen van zijn fiscale ­oudedagsreservegelden en de eventuele lijfrentepremies. Wel mag duidelijk zijn dat er nog meer eigen verantwoor­ delijkheid komt voor zowel werknemers als onderne­ mers, in welke juridische hoedanigheid dan ook.

(en solidair) is natuurlijk het kostenvoordeel dat kan worden behaald als goed en efficiënt wordt belegd. Daar waar individuele keuzes inherent zijn aan minder solida­ riteit en een grotere eigen verantwoordelijkheid, is het nadeel van meer individualiteit ook de vaak hoge (admi­ nistratieve) kosten. Dat kan (deels) worden opgevangen door collectief beheer van pensioengeld.

Pensioenplicht

Conclusie

Hoewel ik zeker geen groot voorstander ben van een ­paternalistische overheid zullen we toch ook realistisch moeten zijn. Juist in deze economisch mindere tijden zal het geven/opleggen van meer eigen verantwoordelijk­ heid snel kunnen doorslaan naar zelfoverschatting. Uit vele onderzoeken blijkt dat ‘morgen sparen’ aanzienlijk makkelijker wordt geacht te zijn dan vandaag. Daarom is een soort pensioenplicht te overwegen, maar dan wel met opting out. Bovenop de premie die benodigd is om de AOW en de eerste € 35.000 inkomen af te dekken kan ervoor worden gekozen de gebruikelijke (tegenwoordig netto) beschikbarepremiestaffels te volgen en dus reke­ ning te houden met leeftijd. Zonder tegenbericht spaart iedereen (wellicht ook de zzp’er) automatisch aanvullend voor zijn oudedag. Deze gelden worden automatisch be­ legd op basis van het zogenoemde lifecycleprincipe, zoals dat al is vormgegeven in de Pensioenwet. Naarmate men ouder wordt, wordt er minder risicovol belegd. Het lijkt mij dan wel goed dat er een wettelijke lifecycle komt, nu blijkt dat het per aanbieder aanzienlijk verschilt. Eerst wordt er niet gespaard door middel van opting out en wordt er meer/minder risicovol belegd. Ook kan men er­ voor kiezen meer in te leggen dan de standaard, een soort opting (extra) in, wellicht omdat men is gescheiden of een aantal jaren geen pensioen heeft opgebouwd in het verleden.

De conclusie kan zijn dat ons pensioenstelsel hapert, hikt en op de laatste benen loopt. Op zich is dat niet raar. Voor het eerst hebben en krijgen we te maken met economisch roerige tijden, een grote mate van vergrijzing en een grote tendens naar transparantie en individualisering. Dit alles gaat ten koste van de solidariteit. Komt het niet door werkgevers die niet langer steeds meer in pensioen willen investeren, dan komt het wel door gepensioneerden die individueel opkomen voor hun (indexatie)rechten, dan wel door jongeren die dit alles met lede ogen aanzien en zich afvragen waarom ze verplicht moeten meebetalen als de opbrengsten zo marginaal (lijken te) zijn. Als gevolg hiervan moet het stelsel allereerst minder soli­ dair worden gemaakt. Vervolgens moet aan de Nederlan­ ders meer eigen verantwoordelijkheid worden opgelegd.

Maximaal pensioengevend inkomen Zonder hierbij al te uitvoerig te willen stilstaan moet – net zoals over een minimuminkomen waarover pen­ sioen op basis van een grote mate van zekerheid wordt opgebouwd – ook worden gekeken of er geen bovengrens moet komen. Net als bij de beperking van de hypotheek­ renteaftrek is het dilemma daarbij een grens te kiezen die maatschappelijk geen of weinig pijn doet. Bijvoor­ beeld dat boven een inkomen van € 500.000 kan geen fiscaal gefacilieerde oudedagsvoorziening meer worden opgebouwd of een grens die aanzienlijk lager ligt en dus een groot effect heeft, bijvoorbeeld € 75.000. Deze twee rationele uitersten te hebben afgewogen lijkt mij een grens van de Balkenendenorm (€ 181.000) alleszins re­ ëel. Als er eenmaal een grens ís kan en zal deze zich van­ zelf ontwikkelen, hetzij naar boven, hetzij naar beneden.

‘Morgen sparen’ lijkt aanzienlijk makkelijker dan vandaag Vanzelf gaat dit niet of het gaat te langzaam. Om te voor­ komen dat dit doorschiet kan worden gekozen voor een eerste laag collectief, solidair en kapitaalgedekt pensioen boven de AOW tot een inkomensgrens van de genoemde € 35.000 en daarboven veel individuele vrijheid en ver­ antwoordelijkheid. Dat dit alles gepaard moet gaan met veel en goede communicatie lijkt mij evident. Het Pensi­ oenregister dat vanaf 2011 actief is kan daarvoor een goe­ de aanjager zijn. Tot slot lijkt mij hierbij een eerste ver­ eiste dat pensioencommunicatie én individueel én via internet moet plaatsvinden. Waarom er blijkbaar toch weinig animo is voor dit Pensioenregister en waarom dit niet wordt gezien als dé overgang naar de nieuwe ­pensioenwereld voor wat betreft communicatie, verbaast mij tot op vandaag. n

Integratie pensioen/lijfrente Als ik dan rekening houd met het voorgaande, is een in­ tegratie tussen pensioen en lijfrente op z’n plaats. Voor­ deel daarvan is (naast een beperking van regelgeving) dat het eenvoudiger zal worden individuele inleg toch collec­ tief te beheren. Een van de grote voordelen van collectief

maart 2010 | nummer 3 | het Register

39


Vakstudie

Martin van Harten Baker Tilly Berk Expat & Tax Solutions B.V.

“Het is onverantwoord om zonder De Vakstudie een advies te geven” “Onze adviezen en andere diensten moeten beter zijn dan die van andere belastingadvieskantoren. Om dit hoge niveau te bereiken en te behouden, hebben we goed gereedschap nodig. De Vakstudie kan daarbij niet gemist worden, zo blijkt telkens opnieuw.”

www.vakstudie.com

Geen fiscaal advies zonder De Vakstudie


het

Verenigingsnieuws Van het bestuur

Het bestuur komt naar u toe In dit tweede nummer van Het Register wil ik u aangeven wat de ontwikkelingen zijn in de ­samenwerking tussen het College Belastingadviseurs (CB) en de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (NFB) en hoe de bestuursleden nu verder denken te gaan. Wellicht komt de titel hierboven op u over als een wervende spot van een jonge omroep en dat is eigenlijk ook wel zo. De vergelijking tussen een kleine piratenomroep en onze beide vereni­ gingen is wel enigszins terecht. Een groot gedeelte van onze leden werkt naast grote gevestig­ de namen in de markt van belastingadviseurs. Zij geven op geheel eigen wijze invulling aan de toekomst. Wellicht wat brutaler, maar daarom niet minder integer. Ook ons gezamenlijk blad laat zien wat onze toekomst biedt. Niet zozeer met flitsende advertenties van damesmode of jongensspeelgoed, maar met een gedegen aanbod van wat voor de mkb-belastingadviseur van belang is. De berichtgeving zal zich uitstrekken van bespreking van wetgeving tot de uitwer­ king daarvan en kennis en kunde voor de dagelijkse praktijk. De gelijkenis tussen een kleine omroep en onze verenigingen tezamen gaat nog verder. Beide zijn begonnen met een klein ledenaantal dat in de loop van de jaren sterk is gegroeid. Als wij nu inventariseren komen wij tot een gezamenlijk aantal van ruim 7.000 leden. Dit is een mon­ dige groep die haar sporen in de adviespraktijk heeft verdiend. Juist daarom hechten wij als RB-bestuur er grote waarde aan om u te informeren, uw mening te horen en met u in overleg te gaan. In deze tijd maken wij graag gebruik van de elektronische post; door middel van de Nieuwsflitsen houden wij u zoveel mogelijk op de hoogte. Daarnaast hebben de voorzitters aan alle CB- en NFB-leden een brief gezonden met de informatie over het voornemen tot fusie in het Register Belastingadviseurs. Wij komen naar u toe. Zoals in de brief en dit blad is opgenomen, zijn er op dit moment op de diverse locaties regionale informatiebijeenkomsten over de voorgenomen fusie. Tijdens deze bijeenkomsten zullen wij als het ware een routekaart voor u uittekenen waarlangs de moge­ lijkheden voor de toekomst worden gelegd. Tot op heden zijn de samenwerkingsverbanden tussen onze beide verenigingen succesvol ­gebleken. Uw bestuursleden gebruiken de term BKOO, wat staat voor Belangenbehartiging, Kwaliteitsbevordering, Onderwijs en Ondersteuning. Met deze onderdelen van de samenwer­ king hebben wij al aangetoond een goede match te zijn, veel voor elkaar te kunnen betekenen en daardoor elkaar te versterken. Nu is het bestuur van mening dat wij de samenwerking ver­ der moeten uitwerken; uiteraard niet zonder uw goedvinden. Als wij naar het verleden kijken, zijn er door de ontwikkelingen binnen beide verenigingen en externe oorzaken steeds meer verschillen verdwenen en is het logische gevolg dat wij nog intensiever samenwerken. Uiter­ aard met behoud van titels. Tevens leert het verleden ons hoe andere soortgelijke organisaties zijn samengevoegd. Dit ging niet altijd zonder slag of stoot. Als rode draad bleek echter steeds weer dat de informatie naar de leden juist, tijdig en volledig moest zijn.

Foto: Fotobureau Kastermans

Daarom ons bezoek aan u. Persoonlijk zie ik hierin een bevestiging van datgene waar wij de ­afgelopen achttien maanden voor hebben gewerkt en ga ik met veel plezier het land in om u te ontmoeten. n

Ron van Brugge AA CB Vicevoorzitter

maart 2010 | nummer 3 | het Register

41


het

Verenigingsnieuws Belangenbehartiging en vakinformatie

Professionele ­software voor ­aanslagen IB Vanaf 2010 is het niet meer mogelijk om met een bezwaarschrift of een schriftelijk wijzigingsverzoek een voorlopige aanslag inkomstenbelasting (IB) aan te passen. In plaats daarvan kunnen belastingadviseurs voorlopige aanslagen wijzigen via de professionele software. Gegeven de steeds verdergaande automatisering van het berichtenverkeer met de Belastingdienst is dat voor de intermediair de aan te bevelen werkwijze. Een andere mogelijkheid is gebruik te maken van de pincodevariant van het programma 'Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2010' van de Belastingdienst (www.rb.nl > Becon). Een formulier 'Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2010' kunt u bij de Belastingtelefoon ­aanvragen. Om uitstel van betaling kan niet meer ­worden verzocht. Als de voorlopige aanslag elektronisch wordt gewijzigd, moet dat verzoek volgens de Belastingdienst binnen twee weken zijn verwerkt. In de praktijk betekent dit, dat hooguit één ­betalingstermijn kan vervallen voordat de voorlopige aanslag is aangepast. Voorlopige aanslag Vpb Voor voorlopige aanslagen Vpb geldt de regeling van artikel 9.5 Wet IB 2001 niet. Tegen voorlopige aanslagen Vpb kunnen daarom nog wel schriftelijke bezwaren worden ingediend. Echter, in de praktijk kan de Belastingdienst digitale wijzigingsverzoeken het snelst verwerken. Wij ­adviseren daarom ook voorlopige aan­ slagen Vpb elektronisch te wijzigen. Achtergrond: door een wetswijziging geldt vanaf 1 januari 2010 een verzoek tot ­wijziging van een voorlopige aanslag niet meer als een bezwaarschrift. Dat geldt voor het eerst voor voorlopige aanslagen IB 2010. Zie artikel 9.5 Wet IB 2001 ­(Fiscale vereenvoudigingswet 2010). Dat betekent ook dat geen proceskostenvergoeding wordt verleend.

42

het Register | maart 2010 | nummer 3

Loonaangifte dga en niet-verzekerde werknemers vereenvoudigd Voor dga’s is het vanaf 2010 mogelijk om voor alle loonaangiftetijdvakken van 2010 de aangiften te doen en de betalingen klaar te zetten. De regeling is bedoeld voor werkgevers die uitsluitend niet-verzekerde dga’s in dienst hebben. Omdat de Belastingdienst slechts controleert of de aangifte uit­ sluitend niet-verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen betreft, kunnen in de praktijk ook niet-verzekerde meewerkende partners en kinderen in de vereenvoudigde aangifte worden opgenomen. Notitie 'Vermindering administratieve lasten DGA': ledendeel www.rb.nl > Becon

Tijdelijke versoepeling invorderingsbeleid De Belastingdienst heeft het besluit 'Tijdelijke versoepeling van het invorderingsbeleid ten aanzien van ondernemers' toegelicht naar aanleiding van berichten uit de praktijk (Besluit van 25 mei 2009, nr. CPP2009/966M, Stcrt. nr. 96). In voorkomende gevallen hebben belastingadviseurs niet de toegezegde versoepeling in de opstelling van sommige ontvangers ervaren. De Belastingdienst heeft aange­ geven dat dit uitdrukkelijk niet de bedoeling is en heeft toegezegd dit nogmaals op te nemen met de afdeling Invordering. Loopt u tegen knelpunten aan in de behandeling van een verzoek om uitstel van betaling op grond van het besluit, laat het Bureau Vaktechniek weten. Met uw informatie kunnen wij de uitvoering ­ervan verbeteren.

Faciliteiten bedrijfsoverdracht gestroomlijnd Bureau Vaktechniek heeft een praktijkgerichte notitie geschreven over de doorschuifmogelijkheden van ondernemingen in de bv. In de belastingplannen voor 2010 is veel aandacht besteed aan het stroomlijnen van fiscale regels voor bedrijfsoverdrachten. Vanaf 2010 kan de aanmerkelijk belangclaim (ab-claim) bij schenking van ab-aandelen worden doorgeschoven naar de verkrijger. Die mogelijkheid bestond al voor de overdracht van een ab krachtens erfrecht. Doorschuiven is beperkt tot die gevallen waarin, kort gezegd, sprake is van een materiële onderneming. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet is in vergelijkbare zin ­aangepast. In de notitie wordt ingegaan op de voorwaarden voor de doorschuif­faciliteiten in box 2 bij schenking en overlijden en de BOF in de Successiewet. Notitie ‘Faciliteiten bedrijfsoverdracht gestroomlijnd’: zie dossiers Dga en Schenk- en erfbelasting op ledendeel www.rb.nl > Vakinformatie > Dossiers


n n n n n n n n n n

Geen schattingsverplichting IB 2010 De Belastingdienst vereenvoudigt de schattingsprocedure voor onder­ nemers. In 2010 vervalt de verplichte Schattingsopgave (SO). Wel wordt ­iedere ondernemer geacht de voorlopige aanslag IB (VA IB) zo nodig aan te passen. De Belastingdienst schrijft ondernemers aan, die na de zomer de VA IB nog niet hebben aangepast met het verzoek de VA goed te controleren en eventueel aan te passen. Dit omdat de VA IB 2010 ook de basis is voor de VA IB 2011. In 2011 wordt het verplicht bij het invullen van de aangifte IB 2010 een schatting te doen voor 2011. Eventueel door aan te vinken dat de voor­ lopige aanslag niet hoeft te worden gewijzigd. Ondernemers met een ­structureel te lage VA ontvangen na de zomer een brief met het verzoek hun v ­ oorlopige aanslag aan te passen. De exacte criteria voor 'structureel ­verschil' moeten nog worden vastgesteld.

Beconlijnen ­aangepast Het overzicht van de Beconlijnen is in januari geactualiseerd. De Becon­lijnen zijn de telefoonnummers waarop belastingconsulenten de kantoren van de ­Belastingdienst rechtstreeks kunnen be­reiken. In de Belastingdienstregio’s Noord- en Oost-Brabant loopt een proef met doorschakeling van de Beconlijnen naar de Helpdesk Intermediairs. Beconlijnen: ledendeel www.rb.nl > Becon

Wel schattingsverplichting Vpb 2010 Vanaf medio april wordt het mogelijk om meerdere malen per jaar de voorlopige aanslag Vpb (VA Vpb) te wijzigen met een elektronische opgave vanuit de aan­ giftesoftware of via een nieuw digitaal formulier. Bezwaar tegen een voorlopige aanslag 2010 hoeft niet meer. Het is voldoende om met het (digitale) formulier de voorlopige aanslag te wijzigen. De schattingsverplichting blijft bestaan. Er zijn twee uitzonderingssituaties: n er is bezwaar gemaakt tegen de VA Vpb 2010; n een VA Vpb 2010 is aangevraagd of gewijzigd. De Belastingdienst streeft ernaar dat vanaf 2011 de regeling voor de winst­ aangiften IB en de winstaangiften Vpb op elkaar aansluiten (verplicht schatten bij de indiening van de aangifte, eventueel met het vinkje).

Wij denken dat de wijzigingen in de schattingsprocedures IB en Vpb voor de praktijk een aanzienlijke vereenvoudiging opleveren. Vooralsnog wordt afgezien van het opleggen van boetes of andere maatregelen aan slechte schatters. Het is nu aan de belastingadviseurs om ondernemers ertoe te ­bewegen hun voorlopige aanslag zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de definitieve aanslag.

Website ­belastingplicht In samenwerking met de Kamer van Koophandel en onder andere het RB heeft de Belastingdienst voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over de belastingplicht van stichtingen en verenigingen. Op de website is onder meer informatie te vinden voor sportverenigingen en goede doelen. Met een speciale tool krijgen stichtingen en verenigingen snel een indicatie van hun belastingplicht. Meer informatie op www.stivers.nl

Opmerkelijke uitspraak CBb Op 23 november 2009 heeft het College van Beroep voor het ­bedrijfsleven (CBb) een opmerkelijke uitspraak gedaan inzake de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties zoals deze gold ­onder de Wet MOT. Het CBb heeft geoordeeld dat voor het ontstaan van meldingsplicht onder de Wet MOT het enkele feit dat de dienstverlener een ongebruikelijke transactie onder ogen komt, niet voldoende is. Volgens het CBb ontstaat de meldingspicht pas wanneer de ongebruikelijke transactie verband houdt met de dienst die beroeps- of bedrijfsmatig is of wordt verleend. In de per 1 augustus 2008 ingevoerde Wwft is de meldingsplicht ruimer omschreven. Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) is van mening, hierin gesteund door de minister van Financiën, dat de meldingsplicht onder de Wwft zich ook uitstrekt tot situaties waarin de ongebruikelijke transactie niet in direct verband staat tot de dienstverlening (ook wel aangeduid als ‘passieve betrokkenheid’).

Deze CBb-uitspraak maakt het voor belastingadviseurs moeilijk om bij een geconstateerde ongebruikelijke transactie, waarbij de cliënt zelf niet betrokken was, te beslissen wat juist is. De beslissing van het CBb geeft een duidelijke begrenzing aan van de ­meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties onder de toepassing van de Wet MOT. Geen meldingsplicht als de klant niet zelf betrokken is. Zeer wel te verdedigen is dat de restrictieve uitleg van de meldingsplicht ook geldt onder de vigeur van de Wwft. Het BFT, gesteund door de minister van Financiën, meent echter dat de uitspraak van het CBb geen betekenis heeft voor de Wwft. Nieuwe rechtspraak of nieuwe wetgeving moet duidelijkheid verschaffen over de meldingsplicht onder de Wwft. Ondertussen doen adviseurs er verstandig aan in twijfelgevallen een second opinion te vragen. Bureau Vaktechniek kan u hierbij van dienst zijn. Notitie: ledendeel www.rb.nl > Vakinformatie > Dossiers > Wwft

maart 2010 | nummer 3 | het Register

43


het

Verenigingsnieuws De Zaak

Overtreding algemene ­gedragsregel Uitspraak Raad van Tucht 8 januari 2010 Voorzitter: Secretaris: Lid:

mr. J.T. Sanders mr. drs. R.E.M. van der Velden FB mr. B.A.W.M. van Mechelen FB

De feiten Klaagster is in mei 1996 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met X. Begin mei 1996 is door klaagster een firmaovereenkomst afgesloten. Zij drijven sindsdien een agrarische onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: vof). In de ­firmaovereenkomst is onder meer bepaald dat de stille reserves van alle goederen die door X zijn ingebracht, hem zijn voorbehouden. Klaagster heeft in de periode vóór 2005 een aantal keren privégelden ingebracht in de vof, die al enige tijd verlieslijdend is. Beklaagde is begin 2005 betrokken geraakt bij de fiscale advisering van de vof. Vanaf november 2008 leven klaagster en X gescheiden van tafel en bed en inmiddels is de echtscheiding aangevraagd. Klaagster wil uit de vof treden. Begin februari 2009 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij (onder anderen) aanwezig waren klaagster, X en de notaris. Bij deze bespreking is de opstelling van een convenant om de echtscheiding van klaagster en X soepel te kunnen laten verlopen aan de orde geweest.

De klacht Klaagster verwijt beklaagde kort gezegd het volgende: n de jaarcijfers ten behoeve van de vof zijn nooit met klaagster besproken en pas na diverse verzoeken aan haar toegezonden; beklaagde heeft zonder enig overleg een l­ening die in privé is verstrekt aan klaagster in de boek­houding van de vof opgenomen; n er is diverse keren geprobeerd contact te leggen met beklaagde en diens Kantoorgenoot A, maar er werd steeds niet teruggebeld of gemaild; n beklaagde heeft opdrachten van X uitgevoerd zonder ­medeweten van klaagster en zonder de belangen van klaagster (in de vof) in het oog te houden; en n het door de notaris opgemaakte convenant is door toedoen van beklaagde afgewezen door X. De Raad begrijpt dat klaagster zich hierbij baseert op artikel 3 van het Reglement voor de Beroepsuitoefening (RBU).

Het verweer Tegen de klacht is samengevat het volgende verweer gevoerd: n beklaagde was niet betrokken bij het opstellen van de jaarrekeningen van de vof, alleen maar bij de fiscale advisering van de vof; Kantoorgenoot A verzorgde de jaarrekeningen en de boekhouding werd door de vof zelf gedaan (mevrouw Z); n beklaagde is de laatste maanden niet één keer door klaagster benaderd; Kantoorgenoot A is wel een aantal

44

het Register | maart 2010 | nummer 3

keren gebeld door beklaagde, maar dat hij niet heeft teruggebeld kan beklaagde niet worden verweten; n er is klaagster geen informatie ten aanzien van fiscale ­advisering van de vof onthouden door beklaagde, alle ­correspondentie van beklaagde is ook steeds gericht geweest aan zowel klaagster als X; n beklaagde ontkent ten stelligste dat enkel in opdracht van X adviezen werden gegeven, zonder daarbij de belangen van klaagster in het oog te houden; de rapporten van half november 2007 en half september 2008 waarbij de vermogenspositie van klaagster in beeld werd gebracht zijn mede in haar opdracht opgesteld en die rapporten zijn objectief; dat klaagster mede door de inbreng van privégelden en door de wijze waarop de vof is aangegaan in een moeilijke financiële positie is terechtgekomen kan beklaagde niet worden verweten; en n kort na bespreking van het convenant (waarbij beklaagde niet aanwezig was) heeft X contact opgenomen met beklaagde; beklaagde heeft daarbij aangegeven dat twee aspecten waren vergeten in het convenant, namelijk de erfpacht en de huwelijkse voorwaarden en hij heeft geadviseerd eerst een reële berekening te maken voordat het convenant getekend zou worden. Beklaagde concludeert tot ongegrondverklaring van de klacht.

De rechtsoverwegingen Klaagster heeft ter zitting verklaard dat zij ten aanzien van Kantoorgenoot A, tegen wie de klachtbrief van half juli 2009 eveneens was gericht, een(zelfde) klacht heeft ingediend bij een ­andere beroepsorganisatie. De Raad begrijpt dat de bij hem ­in­gediende klacht slechts betrekking heeft op beklaagde, nu ­Kantoorgenoot A geen lid is van de NFB. Voor zover de klacht betrekking heeft op het opstellen van de jaarstukken en de communicatie daarover met klaagster, oordeelt de Raad als volgt. De Raad acht aannemelijk dat de kantoorgenoot van beklaagde, Kantoorgenoot A, hiervoor verantwoordelijk was. Het ligt voor de hand dat Kantoorgenoot A, als AA-accountant van het kantoor, die verantwoordelijkheid droeg en de bij de gedingstukken gevoegde jaarstukken zijn ook ondertekend door Kantoorgenoot A. In zoverre kan de klacht daardoor niet slagen. Tegenover de weerspreking van beklaagde heeft klaagster voorts niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij diverse malen heeft getracht contact op te nemen met beklaagde. Beklaagde heeft ter zitting een drietal terugbelnotities bestemd voor Kantoorgenoot A overgelegd; het kan naar het oordeel van de Raad niet aan beklaagde worden toegerekend dat Kantoorgenoot A die telefoontjes van klaagster niet heeft beantwoord. De Raad is verder van oordeel dat klaagster, tegenover de gemotiveerde betwisting door beklaagde, niet aannemelijk heeft gemaakt dat beklaagde stukken zou hebben achtergehouden voor klaagster. De van hem afkomstige correspondentie is zoals blijkt uit de gedingstukken steeds aan X en klaagster beiden toegezonden. Naar het oordeel van de Raad heeft klaagster tegenover de gemotiveerde betwisting van beklaagde niet aannemelijk gemaakt dat beklaagde de belangen van klaagster onvoldoende in het oog heeft gehouden. De stukken en wat partijen over en


n n n n n n n n n n

weer op dit punt hebben gesteld bieden voor een dergelijk oordeel onvoldoende aanknopingspunten. Het advies met betrekking tot het convenant dat beklaagde op diens verzoek aan X gaf, wijst er naar het oordeel van de Raad, zonder nadere motivering door beklaagde, eveneens niet op dat beklaagde zich partijdig tegenover klaagster heeft opgesteld. De Raad heeft voorts geen enkele aanwijzing dat beklaagde zonder medeweten van klaagster opdrachten voor X heeft uitgevoerd en/of dat beklaagde anderszins niet objectief heeft geadviseerd. Het feit dat beklaagde de persoon­lijke cliëntrelatie met klaagster per eind september 2009 heeft opgezegd maakt het voorgaande niet anders. Die cliëntrelatie is – naar stelling van beklaagde, die de Raad aannemelijk acht – beëindigd in verband met de door klaagster bij de Raad ingediende klacht en de reden van opzegging staat derhalve los van de echtscheiding van klaagster en de daarmee samenhangende problemen. Voorts is de Raad van oordeel dat het beklaagde niet kan worden tegengeworpen dat hij, ook na beëindiging van de cliëntrelatie met klaagster, betrokken blijft bij de fiscale advise-

ring van de vof en (in dat kader) ook bij de advisering van X, g ­ elet op de financiële situatie waarin de vof verkeert. De Raad beklemtoont wel dat de belastingadviseur die in eerste instantie voor beide echtelieden is opgetreden extra zorgvuldigheid dient te betrachten indien hij, nadat een echtscheidingsprocedure is gestart, een opdracht van een van de partijen aanvaardt of indien hij werkzaamheden ten behoeve van een van de partijen voortzet, nu van tegenstrijdigheid van belangen in dergelijke situaties spoedig sprake kan zijn. De Raad is van oordeel dat in dit geval door klaagster niet aannemelijk is gemaakt dat beklaagde deze extra zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Gelet op het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat beklaagde met diens handelwijze niet in strijd heeft gehandeld met enig tuchtrechtelijk voorschrift. De klacht moet in al haar onderdelen ongegrond worden verklaard.

Beslissing De Raad verklaart de klacht ongegrond.

Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Als zelfstandig lid van de Nederlandse ­Federatie van Belastingadviseurs (NFB) en/of het College Belastingadviseurs (CB) bent u verplicht om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te hebben. Beide organisaties bieden een mogelijkheid aan om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Vanaf nu staan de verzekeringen ook open voor ­wederzijdse leden. De afgelopen periode zijn de verzekeringen opnieuw kritisch bekeken door ­specialisten.

Nieuwe premiestructuur De huidige voorwaarden zijn omgezet naar voorwaarden die zijn aangepast aan het nieuwe verzekeringsrecht. Daarnaast zijn de voorwaarden op een aantal punten verbeterd; dat wil zeggen nog beter aangepast aan de wensen en eisen van de belastingadviseur. Bovendien is de premiestructuur aangepast; voor de meeste leden betekent dit een substantieel voordeel ten opzichte van de huidige premie. Deze voorwaarden zijn alleen geldig voor de CB en NFB-leden die in de mantel zitten bij Kröller of bij Steijnborg. Zij gaan (of zijn inmiddels) per prolongatiedatum over naar de verbeterde voorwaarden.

Verbeterde voorwaarden Enkele verbeteringen in de nieuwe polisvoorwaarden: n reconstructiekosten zijn meever­ zekerd; n meeverzekerd zijn uit- of afgetreden vennoten, compagnons en bestuurders; n uitgebreidere in- en uitloopdekking; n meeverzekerd zijn werkzaamheden als executeur testamentair. Als uw verzekering nog bij Athena is ondergebracht (CB-leden) en u wilt overstappen naar de aangepaste verzekering dan kunt u hiervoor een intermediairwijzigingsformulier downloaden van www.rb.nl. Het ingevulde formulier stuurt u naar Kröller. Indien u uw verzekering elders heeft ­ondergebracht of een startende onder­ nemer bent, kunt u een vrijblijvende ­offerte aanvragen. U kunt hiervoor bellen met: n Kröller, de heer Pieter Franken of ­mevrouw Judith Bol; telefoon: (070) 342 25 01 / (070) 342 25 07. Deze verzekering is ondergebracht bij ­Alliance. n Steijnborg, de heer Dennis van ­Hartevelt, telefoon (035) 625 50 91

en Bram Meijboom, telefoon (035) 625 50 90. Deze verzekering is ondergebracht bij Nassau verzekeringen. Let op, de minimale verzekerde som van de verzekering is € 250.000. U bent zelf verantwoordelijk voor de juiste hoogte van het verzekerde bedrag. Overleg hierover met de tussenpersonen. U kunt ook bij Kröller terecht voor een ­ arbeidsongeschiktheidsverzekering en een rechtsbijstandverzekering met een premiekorting voor CB- en NFB-leden. Deze verzekeringen kunnen ook interessant zijn voor leden die tevens als AA of RA werkzaam zijn en die deze ­risico’s ­wensen af te dekken. Wij benadrukken nogmaals dat een beroepsaansprakelijkheidsverzekering ­verplicht is. Het is echter niet verplicht om deze verzekering bij Kröller of ­Steijnborg onder te brengen. Wel is het natuurlijk zo dat hoe meer leden er meedoen met deze mantelovereenkomst, des te beter onze onderhandelingspositie voor u is! Informatie en formulieren: www.rb.nl> ­Ledenvoordeel > Verzekeringen

maart 2010 | nummer 3 | het Register

45


het

Verenigingsnieuws Bijeenkomsten

Van btw tot Hazes Een verslag van de LSB in Utrecht Voor de dubbele Landelijke Studiebijeenkomst op 21 januari in Utrecht was opnieuw veel belangstelling. Prof. dr. Han Kogels FB ­begon zijn lezing over Europese ontwikkelingen op btw-gebied. Na het behandelen van de nieuwe regels van plaats van dienst en de nieuwe procedure voor teruggaaf van buitenlandse btw, ­besprak hij de actuele rechtspraak van het Europese Hof van ­ Justitie. De volgende zaken kwamen aan de orde: n C-461/08 Don Bosco over de levering van een gebouw, waarbij voor de levering al begonnen was met de sloop. De levering viel volgens het hof niet onder de vrijstelling van artikel13B van de zesde Richtlijn. n C-267/08 PSO De propaganda-activiteiten van een ­ Oostenrijkse politieke partij. n C-37/08 RCI De plaats van dienst bij de time share ­ruil­organisatie. n C-433/08 Yaesu De vraag of de handtekening van een ­gevolmachtigde voldoende is bij de teruggaaf van buitenlandse btw in de zaak Yaesu. n C-29/08 SKF over de voorbelasting van adviesdiensten bij een aandelenverkoop. Er blijkt wel aftrekrecht te zijn ­indien tussen de uitgaven en de economische activiteiten van de belastingplichtige een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat.

Oproep C-277/09 RBS Deze RBS-zaak ligt nog bij de rechter. De vraag is of er sprake is van verboden misbruik. De heer Kogels roept u op de zaak te bestuderen en uw uitspraak met overwegingen te sturen naar kogels@frg.eur.nl.

IB 2010 De tweede spreker was dr. Jan van de Streek. Hij is verbonden aan de UVA, de VU en het Bureau Vaktechniek van Ernst & Young. Hij ­behandelde de actualiteiten IB 2010. Hij ging in op de bedrijfs­ opvolgingsfaciliteit (BOF) en de wijzigingen in het AB-regime. Met name de toerekening van schulden en de verkrijgingsprijs van de aandelen zorgen in de praktijk voor problemen. Aan de hand van een aantal cases maakte hij op een interactieve manier duidelijk hoe dat in elkaar zit en welke wegen bewandeld moeten worden. Via Freddy Heineken en André Hazes werd de nieuwe peildatum in box 3 aan de orde gesteld en vervolgens ook de wijzigingen op tbs-gebied: 1. de op de mkb-winst lijkende 12% vrijstelling; 2. de HIR en de KER; 3. de wijziging in de betalingsregeling bij staking; 4. de eenmalige inbreng van een onroerende zaak. Dit is een ­regeling die door het ministerie van Financiën uitgebreid is g ­ epresenteerd, maar in de praktijk zelden nuttig zal zijn. In het blad Fiscale Berichten voor het Notariaat van januari 2010 is ­hierover een artikel van de heer Van de Streek te vinden of kijk op www.fb.nl > Permanente ­Educatie > LSB (ook voor de sheets).

46

het Register | maart 2010 | nummer 3

Belastingadviseursdag ­bekend Op vrijdag 11 juni 2010 is er voor CB- en NFB-­ leden ‘s ochtends een eigen algemene leden­ vergadering. Daarin wordt uitgebreid aandacht ­besteed aan de voorgenomen fusie. 's Middags vindt de eerste RB-dag plaats, de ‘Belasting­ adviseursdag nieuwe stijl’. De dag vindt plaats in Hotel en Congrescentrum Papendal in Arnhem.

Fiscaal Actueel: nieuwsbrief voor uw ­klanten De eerste gezamenlijke klantennieuwsbrief ­Fiscaal Actueel verscheen eind februari geheel in RB-stijl. Deze informatieve nieuwsbrief bevat artikelen op ­fiscaal, ­financieel en arbeids­rechtelijk gebied die ­zorgen voor een actieve signalering bij uw (potentiële) mkb-klanten. Het abonnement op Fiscaal A ­ ctueel is vanaf 2010 beschikbaar voor zelfstandig gevestigde CB-­adviseurs en FB-kantoren. Meer informatie over het abonnement vindt u op de RB-website. ­Aanmelden gedurende het k ­ alenderjaar is uiteraard ­mogelijk. Met vragen kunt u terecht bij de a ­ fdeling Communicatie via communicatie@rb.nl of per ­telefoon (0345) 54 70 00.

Fiscaal Actueel in het kort  ctuele en praktische artikelen a voor uw mkb-klanten n verschijnt 4 x per jaar n acht pagina’s A4-formaat in full colour n indruk logo/adresgegevens ­mogelijk (vanaf 50 exemplaren) n ook digitaal verkrijgbaar

n

Nummer 2 ontvangen? Wilt u Fiscaal Actueel al vanaf nummer 2-2010 met uw logo en/of gegevens ont­ vangen, lever deze dan uiterlijk maandag 29 maart samen met uw aanmeldings­ formulier per e-mail aan. www.rb.nl > ­Ledenvoordeel > ­klantennieuwsbrief ­Fiscaal Actueel


n n n n n n n n n n

Leden

NFB Lidmaatschap Aanmeldingen n n n n n n n n n

 hr. drs. J. Timmer D ­Apeldoorn Mw. drs. S.J. Pieters ­ Den Bosch Mw. drs. C. Vergunst ­Barendrecht Dhr. A. Lagerburg ­Grootschermer Dhr. P.M. Friederich BB Hoorn Dhr. drs. P.M. Heijligers ­Bergen op Zoom Mw. J.A.D. Velthof MB ­Amsterdam Dhr. M.F. Dekker ­ Tuitjenhorn Dhr. mr. R. Pastoors ­Gendringen

 w. mr. E.A.S. Rommel M Heiloo n Dhr. A.J. Jongerius AA Kwintsheul n Mw. S.M.J. Hofman-­Kuipers Gouda n Dhr. mr. P.F. Dijkstra ­ Roden

Voor uw agenda

n

Jong RB donderdag 8 april Inn Style te Maarssen CB- en NFB-leden tot en met 35 jaar uitgezonderd aspirant-leden

Belastingadviseursdag

Inschrijvingen n D  hr. W.J. Lutgert Assen n Dhr. mr. A. Jansie Emmerich AM RHEIN n Dhr. drs. M.C. Wortman Moerkapelle n Dhr. mr. D.L.K.H. Ong Heerhugowaard

vrijdag 11 juni Papendal te Arnhem voor CB- en NFB-leden

ALV NFB vrijdag 11 juni Papendal te Arnhem

ALV CB vrijdag 11 juni Papendal te Arnhem

Nieuwe RB-website live

Op de RB-agenda

De website www.rb.nl is sinds eind februari online. Deze informatieve internetsite van het Register Belastingadviseurs (RB), de koepelorganisatie van het CB en de NFB, is bedoeld voor (potentiële) leden, studenten en klanten. Het openbare deel richt zich in het bijzonder op klanten die een deskundige belastingadviseur zoeken, potentiële leden en potentiële studenten. Wie dit deel van de site bezoekt, vindt dan ook informatie over de verenigingen NFB en CB, het lidmaatschap en het uitgebreide opleidingsaanbod. Het besloten deel is exclusief voor ­ CB- en NFB-leden. Zo is er actuele en praktische vakinformatie beschikbaar in dossiers, notities en op het Kennisnet. Ook is er van alles te ­vinden over belangenbehartiging, opleidingen, Permanente Educatie, de RB-shop en ander ledenvoordeel. Met deze nieuwe RB-site is een basis gelegd die qua ­inhoud en functies de komende tijd verder kan worden uitgebouwd.

Beconoverleg vrijdag 21 mei

Webtips Vakinformatie

Op dit ledendeel vindt u alles over ­vakinhoud en belangen­behartiging, van notities tot Beconverslagen. Studenten

Onder andere informatie over de benodigde vakliteratuur voor uw studie met een ­directe bestelmogelijkheid. Prikbord

Een regionale vraag en aanbod-pagina, voor bijvoorbeeld uw vacatures. Stuur door

Hiermee kunt u pagina’s doorsturen. Footer

Onderaan elke pagina vindt u de zoge­ heten footer met w ­ isselende, ­directe links naar subpagina’s met veel­gezochte onderwerpen.

maart 2010 | nummer 3 | het Register

47


het

Verenigingsnieuws Boeken

BTW Jurisprudentie van het Hof van Justitie EG Om btw-vraagstukken goed te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk om over voldoende kennis te bezitten van de jurisprudentie van het Hof van ­Justitie. Deze Europese jurisprudentie heeft in de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Ook in omvang is deze aanzienlijk toegenomen. De bundel BTW Jurisprudentie van het Hof van Justitie EG is een uitstekend hulpmiddel om het overzicht te behouden. Het is een toegankelijke bundel. De twaalf hoofdstukken handelen over verschillende onderwerpen in de btw, zoals de belastingplicht, belastbare handeling en plaats van levering en dienst. Per hoofdstuk gaat de auteur nader in op een onderwerp. Zo is het hoofdstuk Belastingplicht verdeeld in de paragrafen Algemeen, Holdingmaatschappijen en Overheid. Arresten hebben een kerntitel waardoor snel duidelijk is waarover deze gaan. De diverse registers versterken de toegankelijkheid en maken het mogelijk om chronologisch, op zaaknummer en op naam te zoeken. Elk ­arrest begint met een kernachtige samenvatting, waardoor u efficiënt gebruik kunt maken van deze bundel. De aanschaf van deze bundel is vooral een investering met toegevoegde ­waarde voor diegenen die zich veelvuldig bezig houden met btw-vraagstukken. Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs-kwaliteit-verhouding Bedoeld voor specialist

9 8 8 9 8 8

Eindoordeel: n n n n n Auteur: mr. drs. W.A.P. Uitgever: ISBN: Prijs:

Nieuwenhuizen Kluwer 978 90 13 06320 2 € 88

Door mr. Lucas (L.L.C.) Blom FB AA en mr. Johan (J.T.A.) Stip FB

In de boekenrubriek geven ervaren ­vak­mensen op persoonlijke titel hun mening over recent ­verschenen (fiscale) boeken: n Twee beoordelaars recenseren een boek. n Zij kennen cijfers toe voor ­bijvoorbeeld ­leesbaarheid, ­ actualiteit en niveau.

De recensenten geven een ­eindoordeel: Aanrader Goed Redelijk Matig Afrader

n n n n n

n n n n n n n n n n

RB-café wordt Jong RB Het jongerenprogramma van het RB gaat dit jaar van start onder de nieuwe naam Jong RB. Voorheen lag de nadruk vooral op de p ­ ersoonlijke ontwikkeling van de jonge belastingadviseur. In het vernieuwde programma staan daarnaast ook fiscale ontwikkeling en commerciële vaardigheden voor netwerkbehoud en -uitbreiding centraal. In 2010 worden vier gratis bijeenkomsten op centrale locaties in het land georganiseerd. De eerste is op donderdag 8 april (voor meer data en ­onderwerpen zie de advertentie elders in dit blad). Op veler verzoek trappen wij af met een vaktechnisch programma w ­ aarin de etiquette in de rechtszaal en de nieuwe Successiewet worden behandeld. Enkele weken voor de bijeenkomst ontvangen de jonge belastingadviseurs* een digitale uitnodiging. Voorinschrijving is nu al mogelijk op jongrb@rb.nl. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Linda Bekink via (0345) 54 70 00 of jongrb@rb.nl. * CB- en NFB-leden tot en met 35 jaar uitgezonderd aspirant-leden

48

het Register | maart 2010 | nummer 3


n n n n n n n n n n

Permanente Educatie

PE-programma voorjaar 2010 Het Permanente Educatie-programma, georganiseerd door het CB, is weer gestart. Voor CB- en NFB-leden geldt een speciale prijs. Hieronder het programma voorjaar 2010 met cursussen waar u zich nog voor kunt aanmelden tot en met juni 2010. Aanmelden kan via het formulier uit de brochure Permanente Educatie voorjaar 2010 of het is te downloaden van de website.

do 22 april

Akersloot

ma 17 mei

di

Leergang Ondernemingsrecht II Mr. E.A. Brat

27 april Leergang Omzetbelasting II Mr. M.C. van den Oetelaar

wo 28 april Fusies/reorganisaties in combinatie met de fiscale eenheid Mr. drs. S.A.W.J. Strik ma 17 mei Personenvennootschappen Dr. M.L.M. van Kempen

di

13 april

Dga 2010 Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

25 mei

Fiscale actualiteiten Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

Toeslagen J.H.P.M. Raaijmakers

18 mei Leergang Omzetbelasting III gevolgen voor de mkb-praktijk Mr. M.C. van den Oetelaar

Breda

wo 19 mei De VBI en andere beleggingsalternatieven

ma 29 maart Kies voor belastingbesparing: eenmanszaak, vof of bv Mr. J. Zwagemaker

Mr. drs. D.A. van Dorsselaer & Mr. H.F.E. Offers do 20 mei Vervolgcursus estate planning I

ma 31 mei Fiscale actualiteiten Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Prof. dr. B.M.E.M. Schols & Prof. dr. F.W.J.M. Schols

Eindhoven di

do 20 mei Ontslag, ziekte en arbeidsongeschiktheid Mr. M.T.W. Aandewiel & H.C. Padmos

20 april Dga 2010 Mr. drs. S.A.W.J. Strik

ma 26 april Kies voor belastingbesparing: eenmanszaak,

di

25 mei Leergang Omzetbelasting IV

di

25 mei Btw-actualiteiten 2009 en 2010

vof of bv Mr. J. Zwagemaker di

1 juni Btw bij internationale transacties

Mr. M.C. van den Oetelaar

Mr. M.C. van den Oetelaar & Mr. F.L.J. Vervaet ma 7 juni

Fiscale actualiteiten Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Mr. G.B. van Driel CB FB wo 26 mei Inleners- en ketenaansprakelijkheid J.H.P.M. Raaijmakers

Houten

wo 31 maart

Bedrijfsopvolging Mr. M.J. Hoogeveen

wo 21 april

Dga 2010 Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

18 mei Btw en onroerend goed transacties

di

15 juni 50 tips voor boer en tuinder

do 27 mei Vervolgcursus estate planning II Prof. dr. B.M.E.M. Schols & Prof. dr. F.W.J.M. Schols do 27 mei Actualiteiten fiscale boetes

Mr. G.B. van Driel CB FB

Prof. mr. G.M.J.E. de Bont wo 2 juni Tweeluik relatierecht I

Mr. S.F.J.J. Schenk FB CB & Mr. P.L.F. Seegers do 17 juni Btw bij internationale transacties

H.C.P. Schilder MFP FFP wo 2 juni Nieuwe renteaftrekbeperkingen Vpb

Mr. M.C. van den Oetelaar & Mr. F.L.J. Vervaet Nootdorp

Mr. drs. S.A.W.J. Strik do 3 juni Vervolgcursus estate planning III

ma 12 april Kies voor belastingbesparing: eenmanszaak, di

1 juni

Mr. M. de L. Monteiro

vof of bv Mr. J. Zwagemaker

wo 9 juni Tweeluik relatierecht II Mr. J.F.H. van den Belt

Fiscale actualiteiten Mr. drs. S.A.W.J. Strik

wo 9 juni Sociale zekerheid nationaal en bij ­grensoverschrijdende arbeid R. de Groot CB

Vianen

do 10 juni Vereniging en stichting: OB, IB, LB en SW

wo 7 april Testament lezen en testamentplanning Prof. dr. B.M.E.M. Schols do 8 april Inleiding estate planning I Mr. E.R. Helder

Mr. S.F.J.J. Schenk FB CB & Mr. P.L.F. Seegers wo 16 juni

wo 14 april Financiële consequenties van echtscheiding

­fiscale eenheid: actualiteiten en rechtspraak

vanuit mediation H.C.P. Schilder MFP FFP do 15 april Inleiding estate planning II

Mr. M.C. de Graaf do 17 juni Casuïstiek estate planning in de praktijk

Mr. J.F.H. van den Belt

Mr. J.F.H. van den Belt

do 15 april Leergang Ondernemingsrecht I Mr. E.A. Brat

Zwolle

di

di

20 april Leergang Omzetbelasting I Mr. M.C. van den Oetelaar

6 april

Mr. S.F.J.J. Schenk FB CB & Mr. P.L.F. Seegers di

8 juni Btw bij internationale transacties

do 22 april Internationale aspecten bij bv’s en hun dga’s (inclusief emigratie) Mr. M.C. de Graaf

Dga 2010 Mr. drs. S.A.W.J. Strik

ma 31 mei 50 tips voor boer en tuinder

wo 21 april Algemene voorwaarden, koop en opdracht Mr. G.P.J. de Vries

Fiscale actualiteiten Mr. drs. S.A.W.J. Strik

wo 16 juni Deelnemingsvrijstelling, renteaftrek en

Mr. M.C. van den Oetelaar & Mr. F.L.J. Vervaet ma 14 juni

Fiscale actualiteiten Mr. drs. S.A.W.J. Strik

maart 2010 | nummer 3 | het Register

49


het

Verenigingsnieuws Regiobijeenkomsten CB ­voorgenomen fusie Informatiebijeenkomsten speciaal voor CB-leden over de ­voorgenomen fusie en de actualiteiten uit het Beconoverleg. Zaal open vanaf 19.00 uur, start om 19.30 uur (2 PE-­punten). Aanmelden via www.cb.nl > Bijeenkomsten.

Kringbijeenkomsten De NFB kent tien regionale studiekringen. Elk organiseert meerdere cursussen per jaar voor NFB-leden. Kringbijeen­ komsten zijn alleen toegankelijke voor NFB-leden die de kring­bijdrage hebben voldaan. Hierna zijn alle bijeenkomsten vermeld tot en met mei 2010. Overige bijeenkomsten en meer informatie is te vinden op www.fb.nl > Permanente Educatie.

wo 24 maart

(Zuid-Oost) Hotel Eindhoven,

Kring Amsterdam

Aalsterweg 322, Eindhoven

di

do

(Oost) Mercure Hotel Deventer,

Dr. M. van Dun, Universiteit Amsterdam

25 maart

Deventer 121, Deventer

wo 7 april (Noord) Hotel Van der Valk Assen, do

13 april

Onderwerp nog niet bekend en KPMG-Meijburg

di

11 mei Formeel Belastingrecht in praktijk

Balkenweg 1, Assen

Mr. E.J.M. Rosier, Hertoghs Advocaten

8 april (Midden) Hotel/Restaurant Ampt van

-Belastingkundigen

Nijkerk, Berencamperweg 4, Nijkerk wo 14 april (Zuid-West) Hotel Princeville, ­ do

15 april

Kring Arnhem

Princenhagelaan 5, Breda

ma

(West-Noord) Hotel Akersloot,

Mr. drs. M.G.J.M. van Kempen

12 april

Procederen; formaliteiten en pijnpunten

Geesterweg 1a, Akersloot Kring Eindhoven di

Informatiebijeenkomsten NFB ­voorgenomen fusie De informatiebijeenkomsten van de NFB hebben onder­ tussen plaatsgevonden. In het volgende nummer kunt u hier meer over lezen. Meest gestelde vragen kunt u nu al nalezen op het ledendeel van www.rb.nl.

13 april

Herinvesteringsreserve

Mr. D.J. de Korte FB di

11 mei Actualiteiten Europees belastingrecht Mw. mr. F.H.I.J. Davits, Universiteit van Amsterdam

Kring Gelderland-Overijssel ma

19 april

FIOD en evaluatie Vierde tranche AWB

Prof. mr. dr. G.J.M.E. de Bont, De Bont Advocaten ma 17 mei Actuele jurisprudentie Mr. K. Boer, Deloitte

Landelijke studiebijeenkomsten NFB organiseert regelmatig landelijke studiebijeenkomsten. ­Vooralsnog zijn deze alleen toegankelijk voor NFB-leden. ­Gerenommeerde sprekers lichten hier ontwikkelingen toe. Kijk voor meer informatie op www.fb.nl > Permanente ­Educatie.

Kring Leiden

Utrecht

Noordelijke Kring

do

25 maart

ma

12 april

Jurisprudentie IB/Vpb

Mr. J.P. Boer, Universiteit Leiden, verbonden aan Deloitte

Formeel Belastingrecht

do

Mr. J.A.R. van Eijsden, Ernst & Young

Dhr. Wezeman

16.00 – 17.45 uur (aanmelden noodzakelijk)

15 april

Civiele aspecten personenvennootschappen

Deelnemingsvrijstelling

Kring Noord-Holland/Alkmaar

Prof. dr. R.P.C.W.M. Brandsma,

ma

­PricewaterhouseCoopers

19 april

Waarderen van ondernemingen

M. van der Laan AA CB RV

18.30 – 20.15 uur (aanmelden noodzakelijk) do

15 april

Fiscale voorzieningen

Kring Rotterdam

Dhr. C. Bruijsten, Ernst & Young

di

19.00 – 20.45 uur (aanmelden noodzakelijk)

Mr. P.A. ter Beest MPLA,

13 april

Hoogeveen do

22 april

Pensioenactualiteiten Akkermans & Partners groep

Fiscale voorzieningen

Dhr. C. Bruijsten, Ernst & Young

Kring Utrecht

19.00 – 20.45 uur (aanmelden noodzakelijk)

di

13 april

Spreker en onderwerp nog onbekend

Eindhoven do

50

29 april

Fiscale voorzieningen

Kring Zeeland/West-Brabant

Dhr. C. Bruijsten, Ernst & Young

di

19.00 – 20.45 uur (aanmelden noodzakelijk)

M.C.P. van Tienen

het Register | maart 2010 | nummer 3

6 april

FIOD in de praktijk


leer

leer leef ontdek

- Accountancy – (Agro)fiscaal recht - Management -

VLB OPLEIDINGEN BIEDT CURSUSSEN AAN VOOR MEDEWERKERS VAN ACCOUNTANTS EN BELASTINGADVIESKANTOREN.

VLB Opleidingen is een onderdeel DE CURSUSSEN VAN VLB OPLEIDINGEN STAAN VOOR:

van het Register Belastingadviseurs,

• Kort en praktijkgericht

de grootste fiscale opleider van

• Hoge kwaliteit

Nederland.

• Competentiegericht • PE-punten • Cedeo-erkenning voor accountancy opleidingen

WWW.VLBOPLEIDINGEN.NL TELEFOON: 0345 54 70 30


TEUBEN RECRUITMENT T A X

R E C R U I T M E N T

Teuben Recruitment is een specialist in Tax Recruitment. Wij bemiddelen uitsluitend in fiscale posities op vaste- en interim basis en werken voornamelijk voor belastingadvieskantoren (van klein tot groot) en het bedrijfsleven. Wij kiezen bewust voor 1 specialisatie, zodat wij een grote toegevoegde waarde hebben voor zowel opdrachtgevers als kandidaten. Bent u op zoek naar een belastingadviseur of aangiftemedewerker? Dan bent u bij Teuben Recruitment aan het juiste adres.

Meer informatie over Teuben Recruitment, de werkwijze en actuele fiscale vacatures vindt u op onze website www.teubenrecruitment.nl. U kan ook contact opnemen met Harry Teuben of Mirjam Wintermans, tel 020-4714200 of een e-mail sturen aan mwintermans@teubenrecruitment.nl of hteuben@teubenrecruitment.nl.

Teuben Recruitment BV Van Eeghenstraat 86 1071 GK Amsterdam

Tax Recruitment vaste en interim posities

www.teubenrecruitment.nl

Het Register 2010 nr. 3: Schenk- en erfbelasting: wat te doen?  

Het Register 2010 - Nr. 3